J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 241 uitvoeringbesluiten 73 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1969/06/27/1969062710/justel

Titel
27 JUNI 1969. - Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
(NOTA : art. 30bis-30ter gewijzigd in de toekomst door W 2019-04-13/09, art. 125-126; Inwerkingtreding : 01-01-2020)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-01-1985 en tekstbijwerking tot 17-06-2019)

Publicatie : 25-07-1969 nummer :   1969062710 bladzijde : 7258
Dossiernummer : 1969-06-27/04
Inwerkingtreding : 01-01-1970

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - [1 Definities en toepassingsgebied]1
Art. 1, 1bis, 1ter, 2, 2/1, 2/2, 2/3, 2/4, 3, 3bis, 4
HOOFDSTUK II. - DE RIJKSDIENST VOOR MAATSCHAPPELIJKE ZEKERHEID.
Afdeling 1. - [1 Opdrachten]1
Art. 5, 5/1, 5/2, 5/3, 6, 6bis, 7-8
Afdeling 1bis. - [1 Opdrachten van de overzeese Sociale Zekerheid en andere specifieke opdrachten ]1
Onderafdeling 1. - [1 Overzeese Sociale Zekerheid]1
Art. 8/1
Onderafdeling 2. [1 Tegemoetkomingen betaald door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.]1
Art. 8/2, 8/3, 8/4
Onderafdeling 3. - [1 Sociale en Fiscale Maribel.]1
Art. 8/5
Onderafdeling 4. [1 Uitvoering van sociale akkoorden.]1
Art. 8/6, 8/7
Afdeling 1ter. - [1 Opdrachten voor de Zeevarenden.]1
Art. 8/8
Afdeling 2. - Inrichting.
Art. 9-13
HOOFDSTUK III. - BIJDRAGEN VOOR SOCIALE ZEKERHEID.
Afdeling 1. - Berekening van de bijdragen.
Art. 14-18
Afdeling 2. - Verdeling.
Art. 19-20
HOOFDSTUK IV. - INNING EN INVORDERING VAN DE BIJDRAGEN.
Afdeling 1. - Aangifte en betaling.
Art. 21, 21bis, 22, 22bis, 22ter, 22quater, 23-27, 27bis
Afdeling 2. - Burgerlijke sancties.
Art. 28-29, 29bis, 30
Afdeling 2bis. - <W 04-08-1978, art. 61> Betaling door een hoofdelijk aansprakelijke.
Art. 30bis, 30ter, 30quater
Afdeling 3. - Toezicht.
Art. 31-32, 32bis, 33-34
Afdeling 4. - Strafbepalingen.
Art. 35-39
Afdeling 5. - Invordering.
Art. 40, 40bis, 40ter, 40quater
Afdeling 6. - (Voorrechten en rechten van de inningsinstellingen van de sociale zekerheidsbijdragen inzake invordering) <W 2005-07-03/46, art. 45, 025; Inwerkingtreding : 23-02-2007>
Art. 41, 41bis, 41ter, 41quater, 41quinquies, 41sexies
Afdeling 7. - Verjaring.
Art. 42
HOOFDSTUK V. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 43
HOOFDSTUK Vbis. - [1 Diverse budgettaire bepalingen]1
Afdeling 1. - [1 Algemene opdrachten]1
Art. 43/1
Afdeling 2.. [1 Opdrachten van de overzeese Sociale Zekerheid en andere specifieke opdrachten bedoeld in afdeling 1bis van hoofdstuk II.]1
Art. 43/2, 43/3
HOOFDSTUK VI. - DIVERSE BEPALINGEN.
Art. 44-49
HOOFDSTUK VII. - OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN.
Art. 50-52

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - [1 Definities en toepassingsgebied]1
  ----------
  (1)<W 2016-07-10/03, art. 2, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Artikel 1.§ 1. Deze wet vindt toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden.
  Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld:
  1° met werknemers:
  a) de [1 leerlingen]1;
  b) de personen tot wie de Koning deze toepassing in uitvoering van artikel 2, § 1, 1°, uitbreidt;
  2° met werkgevers:
  a) de personen die [1 leerlingen]1 tewerkstellen;
  b) de personen die door de Koning zijn aangewezen bij toepassing van artikel 2, § 1, 1°.
  [1 De Koning bepaalt wat onder leerlingen moet worden verstaan.]1
  [2 Voor de toepassing van deze wet wordt onder "provinciale en plaatselijke besturen" verstaan :
   - de provincies;
   - de openbare instellingen die van de provincies afhangen;
   - de gemeenten;
   - de openbare instellingen die afhangen van de gemeenten;
   - de verenigingen van gemeenten;
   - de OCMW's;
   - de verenigingen van OCMW's;
   - de openbare instellingen die afhangen van de OCMW's;
   - de agglomeraties en federaties van gemeenten;
   - de openbare instellingen die afhangen van de agglomeraties en van de federaties van gemeenten;
   - de lokale politiezones, opgericht op basis van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;
   - de hulpverleningszones opgericht op basis van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;
   - de Franse Gemeenschapscommissie en de Vlaamse Gemeenschapscommissie;
   - de gewestelijke economische instellingen bedoeld in de hoofdstukken II en III van de kaderwet van 15 juli 1970 houdende organisatie van de planning en economische decentralisatie, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 1983 van de Waalse Gewestraad, de ordonnantie van 20 mei 1999 van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het decreet van de Vlaamse Raad van 27 juni 1985;
   - "Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid";
   - de "Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp";
   - de verenigingen van meerdere hierboven vermelde instellingen;
   - de vzw "Vlaamse Operastichting" voor de personeelsleden die vast benoemd waren bij de Intercommunale "Opera voor Vlaanderen" en met behoud van hun statuut zijn overgenomen.
   Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
   - het "Beheerscomité" : het Beheerscomité bedoeld in artikel 4ter, § 1, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, zoals gewijzigd bij artikel 38;
   - het "Beheerscomité van de Sociale Zekerheid" : het Beheerscomité bedoeld in artikel 4ter, § 2 van voormelde wet van 25 april 1963.]2
  § 2. Deze wet vindt geen toepassing op personen die vallen onder de regelingen betreffende de sociale zekerheid van:
  1° (opgeheven) <W 2002-12-24/31, art. 149, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  2° zeelieden ter koopvaardij.
  § 3. (Deze wet vindt evenmin toepassing op de door privé personen ingerichte of tot de openbare sector behorende verplegingsinstellingen, diensten voor school- en beroepsoriëntering, psycho-medisch-sociale centra en diensten voor medisch schooltoezicht, alsmede de geneesheren die zij tewerkstellen, indien deze geneesheren eveneens onder de toepassing van het sociaal statuut der zelfstandigen vallen (en indien volledige bijdragen aan dit stelsel verschuldigd zijn krachtens artikel 12, § 1, van het koninklijke besluit nr 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen) wegens de uitoefening van de geneeskunde buiten die instellingen, diensten of centra, tenzij zij in die instellingen, diensten of centra, uitsluitend met een vast loon worden betaald.) <W 05-01-1976, art. 106> <W 1989-12-22/31, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  [3 § 4. Deze wet is evenmin van toepassing op de personen die onder de toepassing vallen van hoofdstuk 1 of 2 van titel 2 de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie, voor zover is voldaan aan de voorwaarden van artikel 26 van voormelde wet of de personen die prestaties leveren tot het bekomen van de vergoeding overeenkomstig artikel 90, eerste lid, 1° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.]3
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/02, art. 24, 056; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (2)<W 2016-07-10/03, art. 3, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (3)<W 2018-07-18/03, art. 29, 070; Inwerkingtreding : 20-02-2018>

  Art. 1bis.<Ingevoegd bij W 2002-12-24/31, art. 170; Inwerkingtreding : 01-07-2003> § 1. [1 Deze wet vindt eveneens toepassing op de personen die, omdat ze niet door een arbeidsovereenkomst kunnen zijn verbonden daar een of meerdere essentiële elementen voor het bestaan van de overeenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ontbreken en die tegen betaling van een loon prestaties leveren of werken produceren van artistieke aard, in opdracht van een natuurlijke persoon of rechtspersoon. In dat geval wordt de opdrachtgever als de werkgever beschouwd en moet hij de verplichtingen bedoeld in de artikelen 21 en volgende naleven.
  [2 Onder "het leveren van artistieke prestaties en/of het produceren van artistieke werken" dient te worden verstaan "de creatie en/of uitvoering of interpretatie van artistieke oeuvres in de audiovisuele en de beeldende kunsten, in de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater en de choreografie ".
   De Commissie Kunstenaars beoordeelt, op basis van de in het eerste lid bedoelde definitie en op basis van een methodologie vastgelegd in haar huishoudelijk reglement bekrachtigd bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, of de betrokkene prestaties levert of werken produceert van artistieke aard in de zin van dit artikel.]2
   De artistieke aard van deze prestaties of werken moet worden aangetoond door middel van een visum kunstenaar afgeleverd door de commissie Kunstenaars.
   Op voorwaarde dat, bij zijn aanvraag voor een visum kunstenaar, de aanvrager de commissie Kunstenaars een verklaring op erewoord bezorgt, waarbij wordt verklaard dat de voorwaarde bedoeld in het [2 eerste]2 lid is vervuld, wordt hij verondersteld zijn activiteit overeenkomstig dit artikel uit te oefenen. Dit vermoeden geldt voor een duur van drie maanden en kan eenmaal hernieuwd worden, na ontvangst van een ontvangstbewijs van de commissie Kunstenaars waarbij de aanvraag ontvankelijk wordt verklaard. In geval van weigering van het visum voor het verstrijken van voornoemde termijn, vervalt het vermoeden vanaf de datum van de weigering.
   Wanneer deze prestaties niet worden geleverd in gelijkaardige socio-economische voorwaarden als die waarin een werknemer zich ten opzichte van zijn werkgever bevindt, kan de commissie Kunstenaars de betrokkene die daarom verzoekt een verklaring van zelfstandige activiteiten afleveren. [2 In dit geval geeft de erkenning van de artistieke aard van de activiteit waarvoor de verklaring van zelfstandige activiteiten werd toegekend, geen aanleiding tot de aflevering van een visum kunstenaar.]2
   Deze bepaling vindt echter geen toepassing wanneer de persoon de prestatie van artistieke aard levert ter gelegenheid van gebeurtenissen van zijn of haar familie.]1
  § 2. [2 ...]2
  § 3. De eerste paragraaf is niet van toepassing op de personen die artistieke prestaties leveren en/of artistieke werken produceren in het kader van de rechtspersoon waarvan ze mandataris zijn, [2 zoals bedoeld in artikel 3, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen]2.
  (De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, de voorwaarden onder welke § 1 niet toepasselijk is op personen die artistieke prestaties leveren en/of artistieke werken produceren voor welke zij enkel onkostenvergoedingen bepaald in hetzelfde besluit ontvangen.) <W 2004-07-09/30, art. 123, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  (NOTA : Voor de invoeging van een lid tussen het eerste en tweede lid van artikel 1bis, §3, door W 2004-07-09/30, art. 123, heeft de wetgever geen rekening gehouden dat er slechts één lid is in §3)
  ----------
  (1)<W 2013-12-26/09, art. 21, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2015-07-20/13, art. 21, 058; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Art. 1ter.[1 Deze wet is eveneens van toepassing op de flexi-jobwerknemers en de werkgevers die ressorteren [2 onder een van de paritaire comités of onder het Waarborg- en Sociaal Fonds als bedoeld in artikel 2 van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken]2 en die door een flexi-jobarbeidsovereenkomst verbonden zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-11-16/05, art. 13, 059; Inwerkingtreding : 01-12-2015>
  (2)<W 2017-12-25/01, art. 40, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2.§ 1. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen:
  1° onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden, als die van een arbeidsovereenkomst; alsdan wijst de Koning de persoon aan die als werkgever wordt beschouwd;
  2° voor zekere categorieën werknemers die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet tot een of meer van de bij artikel 5 opgesomde regelingen beperken;
  3° voor zekere categorieën werknemers die Hij bepaalt, de bijzondere toepassingsmodaliteiten vastleggen, waarbij van zekere bepalingen van deze wet wordt afgeweken [1 , in dit geval kan Hij voor de werkgevers en de gebruikers van voormelde werknemers ook in bijzondere toepassingsmodaliteiten voorzien, waarbij van zekere bepalingen van deze wet wordt afgeweken]1 ;
  4° onder de voorwaarden die Hij bepaalt, aan de toepassing van deze wet onttrekken de categorieën van werknemers, tewerkgesteld aan een arbeid die voor hen een bijkomstige betrekking is of die wezenlijk van korte duur is, evenals de werkgevers uit hoofde van de tewerkstelling van die werknemers.
  § 2. Wanneer de Koning gebruik maakt van de bevoegdheden welke Hem bij § 1, 1° en 2° worden opgedragen, breidt Hij bij hetzelfde besluit het toepassingsgebied uit van die regelingen bij artikel 5 opgesomd, waarvan Hij het genot tot de nieuwe verzekeringsplichtigen wil uitbreiden.
  ----------
  (1)<W 2013-11-11/01, art. 2, 048; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 2/1.[1 § 1. De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de regeling van de werkloosheid [2 en tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers]2, wat betreft de gelegenheidswerknemers tewerkgesteld bij een werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf of het Paritair Comité voor de landbouw.
   De socialezekerheidsbijdragen worden berekend op forfaitaire bedragen. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van deze forfaits bepalen.
   In de zin van dit artikel wordt als gelegenheidsarbeider beschouwd :
   1° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf ressorteren, met uitzondering van de handarbeiders die tewerkgesteld zijn aan werken in de witloofteelt of de champignonteelt : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 65 dagen per kalenderjaar, tenzij de tewerkstelling bestaat uit het aanplanten en onderhouden van parken en tuinen;
   2° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteren : de handarbeider tewerkgesteld aan werken op de eigen gronden van de werkgever of de gebruiker van diensten, gedurende maximaal 30 dagen per kalenderjaar;
   3° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid ressorteren : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 65 dagen per kalenderjaar bij een gebruiker die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, met uitsluiting van het aanplanten en onderhouden van parken en tuinen ressorteert en de handarbeider tewerkgesteld aan werken op de eigen gronden van de gebruiker die onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteert, gedurende maximaal 30 dagen per kalenderjaar;
   4° wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn aan werken in de witloofteelt : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 100 dagen per kalenderjaar, met uitzondering van de werknemers die ressorteren onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid, wat de laatste 35 dagen van de 100 dagen betreft;
   5° wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn in de champignonteelt : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 100 dagen per kalenderjaar, met uitzondering van de werknemers die ressorteren onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid, wat de laatste 35 dagen van de 100 dagen betreft.
   § 2. De beperking van de onderwerping bedoeld in § 1, eerste lid, wordt beperkt tot maximaal 65 dagen per handarbeider en per kalenderjaar.
   Voor de gelegenheidsarbeiders in de champignonteelt moet de tewerkstelling plaatsvinden bij één of meerdere werkgevers gedurende de periode van intense activiteit, beperkt per kalenderjaar tot 156 dagen per werkgever. Wanneer de voorwaarden vermeld in § 2bis vervuld zijn, wordt de tewerkstelling van de werknemer niet beperkt tot de periode van intense activiteit van 156 dagen per kalenderjaar.
   In afwijking van het eerste lid kan, wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn aan werken in de witloofteelt, de beperking van de onderwerping bedoeld in § 1, eerste lid, verlengd worden met 35 extra dagen per handarbeider die geen uitzendarbeider is en per kalenderjaar, voorzover gelijktijdig aan de volgende voorwaarden is voldaan :
   a) de betrokken werkgever moet ten minste 3/4 van de omzet van het voorgaande kalenderjaar gerealiseerd hebben met de witloofteelt; dit moet op de volgende manier bewezen worden :
   - ten laatste op de veertiende dag die volgt op de door het Nationaal Instituut voor de Statistiek bepaalde datum voor het versturen van de vragenlijsten ingevuld in het kader van de landbouwtelling bedoeld bij het koninklijk besluit van 2 april 2001 betreffende de organisatie van een jaarlijkse landbouwtelling in de maand mei, uitgevoerd door het Nationaal Instituut voor de Statistiek, stuurt de werkgever een kopie van de ingevulde vragenlijst naar de voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf;
   - ten laatste op de veertiende dag die volgt op de ontvangst van het aanslagbiljet voor het lopende aanslagjaar (inkomsten van het vorige jaar), stuurt de werkgever een kopie van dit aanslagbiljet naar de voorzitter van het voornoemde paritair comité, met dien verstande dat wanneer het aanslagbiljet voor het aanslagjaar 2008 (inkomsten 2007) wordt opgestuurd na 2008, de mededelingsplicht van de kopie van dit aanslagbiljet blijft bestaan in hoofde van de werkgever;
   b) in afwachting dat dit dubbele bewijs geleverd wordt, stuurt de betrokken werkgever naar de identificatiedienst van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een verklaring op eer die bevestigt dat er aan de voorwaarde onder a) voldaan is, met in bijlage de volgende documenten :
   - een kopie van de vragenlijst ingevuld in het kader van de landbouwtelling van het vorige jaar;
   - een kopie van het laatste ontvangen aanslagbiljet.
   Een kopie van deze verklaring op eer en de bijlagen wordt naar de voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf gestuurd.
   c) de betrokken werkgever kan deze 35 extra dagen enkel gebruiken voor de witloofteelt, zelfs indien deze werkgever andere activiteiten heeft;
   d) de betrokken werkgever mag zich niet in één van de situaties bevinden bedoeld in artikel 38, § 3octies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. In dit laatste geval is de beperking van de onderwerping bedoeld in § 1, eerste lid, niet meer van toepassing.
   § 2bis. In afwijking van § 2, eerste lid, kan, wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn in de champignonteelt, de beperking van de onderwerping bedoeld in § 1, eerste lid, verlengd worden met 35 extra dagen per handarbeider die geen uitzendarbeider is en per kalenderjaar, voor zover gelijktijdig aan volgende voorwaarden is voldaan :
   1° de betrokken werkgever verbindt zich ertoe het werk in zijn onderneming met eigen personeel, ingeschreven en aangegeven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf uit te voeren;
   2° de betrokken werkgever kan deze 35 extra dagen enkel voor de champignonteelt gebruiken, zelfs indien hij andere activiteiten heeft, en mag de werknemer niet inzetten voor aanpassingen of herstellingen aan de infrastructuur van de onderneming;
   3° de betrokken werkgever toont ieder jaar een tewerkstellingsvolume aan, uitgedrukt in voltijdse equivalent, dat minstens gelijk is aan het gemiddelde van de vier multifunctionele-aangiften bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor het kalenderjaar 2011;
   4° het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf bekijkt jaarlijks of er voldaan is aan de voorwaarden onder 1°, 2° en 3°, evenals aan het naleven van de sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten. Om na te gaan of de tewerkstellingsnorm bedoeld in 3° is nageleefd, vergelijkt het per werkgever het tewerkstellingsvolume van het afgelopen jaar met het tewerkstellingsvolume van het jaar 2011;
   5° de betrokken werkgever moet een schriftelijke aanvraag richten aan de voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, waarbij hij de cijfergegevens bedoeld onder 3° hierboven toevoegt en een verbintenis aangaat zoals vermeld onder 1°. Voor de ondernemingen waar een overlegorgaan bestaat, zoals een ondernemingsraad, een comité voor preventie en bescherming op het werk of een vakbondsafvaardiging, moet het akkoord van de werknemersvertegenwoordiging toegevoegd worden.
   In het geval bedoeld in het eerste lid, 4°, bezorgt de voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf het jaarlijks evaluatieverslag van voornoemd comité uiterlijk tegen 30 april aan de minister van Sociale Zaken en de minister van Werk.
   Het jaarlijkse evaluatieverslag vermeld in het tweede lid wordt door de minister van Werk aan de Nationale Arbeidsraad bezorgd.
   De minister van Sociale Zaken beschikt over een termijn van vijftien kalenderdagen om zich uit te spreken over het respecteren van de voorwaarden onder het eerste lid, 1°, 2° en 3° en van de sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten en over het geheel of gedeeltelijk invorderen van de vrijgestelde bijdragen voor het betrokken kwartaal. Deze termijn begint te lopen vanaf het bezorgen van het verslag door de voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf. Indien de minister van Sociale Zaken binnen deze termijn geen beslissing neemt, dan wordt de beslissing geacht positief te zijn.
   In het geval bedoeld in het eerste lid, 5°, moeten de schriftelijke aanvraag en verbintenis jaarlijks hernieuwd worden voor het daaropvolgende kalenderjaar, zodra de multifunctionele-aangiften van het lopende kalenderjaar gekend zijn.
   De voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf bezorgt de lijst van de werkgevers die een dergelijke aanvraag en verbintenis hebben bezorgd, aan de leden van de werkgroep "champignonteelt" van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf. De lijst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf. De goedgekeurde lijst wordt aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bezorgd.
   Het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf stelt een modeldocument op voor deze schriftelijke aanvraag en verbintenis.
   De individuele bedrijfsregeling wordt jaarlijks geëvalueerd in de daartoe opgerichte werkgroep "champignonteelt" van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf.
   § 3. In geval van werkzaamheden uitgevoerd bij werkgevers of gebruikers die zowel onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf als onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteren, is de toepassing van dit artikel beperkt tot 65 dagen per arbeider en per kalenderjaar.
   In afwijking van het vorige lid, wordt de cumulatie van de verschillende gelegenheidsactiviteiten gebracht op 100 dagen per kalenderjaar wanneer de gelegenheidsactiviteiten vanaf de 66ste dag uitsluitend uitgeoefend worden in de witloofteelt.
   § 4. Wordt niet als gelegenheidsarbeider in de zin van dit artikel beschouwd, de werknemer die in de loop van de 180 voorafgaande dagen in de land- of tuinbouwsector heeft gewerkt met toepassing van de wet in een andere hoedanigheid dan die van gelegenheidsarbeider zoals hier omschreven.
   § 5. Deze regelingen worden vijfjaarlijks geëvalueerd in de betrokken paritaire comités. Deze evaluaties worden overgemaakt aan de Nationale Arbeidsraad.
   § 6. De Koning bepaalt de wijze van aangifte van tewerkstelling van de gelegenheidsarbeiders bij de inningsinstelling van de sociale zekerheidsbijdragen en de te vervullen administratieve formaliteiten.
   § 7. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inhoud van dit artikel wijzigen. De besluiten genomen krachtens dit artikel houden op uitwerking te hebben op het einde van de zesde maand volgend op hun inwerkingtreding, tenzij zij voor die dag bij wet zijn bekrachtigd.
   De besluiten die bij wet zijn bekrachtigd zoals bedoeld in het eerste lid, kunnen dan niet bij wet worden gewijzigd, aangevuld, vervangen of opgeheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/08, art. 104, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2015-07-20/13, art. 2, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 2/2.[1 De toepassing van de wet wordt uitgebreid naar de personen die activiteiten uitoefenen die ressorteren onder het toepassingsgebied van het paritair comité voor de schoonmaak, behalve indien die personen kunnen aantonen dat ze niet gewoonlijk en hoofdzakelijk werken voor één enkele cocontractant en hun activiteiten uitoefenen met eigen materiaal en factureren voor eigen rekening.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-12-25/01, art. 30, 064; Inwerkingtreding : 08-01-2017>

  Art. 2/3. [1 De toepassing van de wet wordt uitgebreid naar de personen die zijn aangeworven met een uitzendarbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur in de zin van artikel 8ter van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers aangezien voor de bepaling van de rechten in het geheel van socialezekerheidsstelsels de periodes zonder uitzendopdracht bedoeld in paragraaf 3 van het voormelde artikel 8ter aan periodes van activiteit worden gelijkgesteld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-09-30/01, art. 41, 066; Inwerkingtreding : 16-10-2017>
  

  Art. 2/4. [1 De toepassing van de wet wordt uitgebreid naar de gelegenheidswerknemers tewerkgesteld bij een werkgever die ressorteert onder het paritair comité voor de begrafenisondernemingen.
   Worden in de zin van dit artikel als gelegenheidswerknemers beschouwd : de werknemers die in de sector van de begrafenisondernemingen ter gelegenheid van een overlijden, occasioneel in dienst genomen worden en verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk. Het gaat daarbij uitsluitend om de werknemers die :
   - taken als bode verrichten, transporten verzorgen, opbaringen verzorgen, een rouwkapel plaatsen, het onthaal in het rouwcentrum verzorgen en/ of bij de koffietafel helpen;
   - de kist met het stoffelijk overschot of de urne met de as van de overledene dragen en in de (ceremonie)wagen plaatsen, de nabestaanden begeleiden en/of de (ceremonie)wagen besturen en net houden.
   Voor deze werknemers geldt een verplichte tijdregistratie met opgave van het tijdstip van het begin en van het einde van de prestaties in de dimona.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-12-21/49, art. 49, 072; Inwerkingtreding : 01-04-2019>
  

  Art. 3. Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten en verordeningen inzake sociale zekerheid en artikel 13, tweede lid, van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid, is deze wet van toepassing op de werknemers die in België in dienst zijn van een in België gevestigde werkgever of verbonden zijn aan een in België gevestigde exploitatiezetel.

  Art. 3bis. <Ingevoegd bij KB 2001-06-10/58, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten gelden de definities van de arbeidstijdgegevens zoals vastgesteld bij koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.

  Art. 4. De werkgevers mogen zich niet op de nietigheid van de met de werknemer gesloten overeenkomst beroepen ten einde de toepassing van deze wet uit te sluiten.

  HOOFDSTUK II. - DE RIJKSDIENST VOOR MAATSCHAPPELIJKE ZEKERHEID.

  Afdeling 1. - [1 Opdrachten]1
  ----------
  (1)<W 2016-07-10/03, art. 4, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 5.<KB 1997-08-08/42, art. 3, 013; Inwerkingtreding : 01-07-1997> De Rijksdienst voor sociale zekerheid, opgericht door de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der werknemers, heeft tot taak :
  1° de bijdragen van de werkgevers en de werknemers te innen ten einde bij te dragen tot de financiering van de regelingen betreffende :
  a) de uitkeringen verschuldigd in uitvoering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;
  b) de werkloosheidsuitkeringen;
  c) de rust- en overlevingspensioenen;
  d) de uitkeringen uit hoofde van arbeidsongevallen en beroepsziekten;
  e) de geneeskundige verstrekkingen verschuldigd in uitvoering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;
  f) [1 ...]1;
  g) de jaarlijkse vakantie-uitkeringen;
  (h) het invaliditeitspensioen ten voordele van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden.) <W 2002-12-24/31, art. 150, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  2° het Globaal Beheer te verzekeren en bij te dragen tot de doorzichtigheid en de doeltreffendheid van de financiering ervan.
  In de uitoefening van deze taak wordt de Rijksdienst aangeduid als "de RSZ-Globaal Beheer".
  Te dien einde zorgt hij, onder het gezag van het Beheerscomité van de sociale zekerheid, onder andere voor :
  a) de verdeling van de geglobaliseerde inkomsten, bedoeld bij artikel 22, § 2, a) van de wet van 29 juni 1981, houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, op basis van de te financieren thesauriebehoeften zoals bedoeld in artikel 24, § 1 van voornoemde wet van 29 juni 1981;
  b) het voorleggen aan de Regering, met het oog op de opstelling van de begrotingen en de begrotingscontrole, van een rapport met betrekking tot de ontwikkeling van de ontvangsten en uitgaven in een meerjarenperspectief, de prioritaire beleidslijnen en de wijze waarop het evenwicht van het geheel der regelingen verzekerd kan worden;
  c) het opvolgen van het geheel van de inkomsten en uitgaven op grond van de gegevens uitgaande van de betrokken openbare instellingen voor sociale zekerheid;
  d) het voeren van een gemeenschappelijk thesauriebeheer en het beheren van de beschikbare tegoeden, die toebehoren aan het Globaal Beheer.
  (3° het ter beschikking stellen van statistische gegevens aan de overheid en het publiek die voortkomen uit zijn gegevensbanken en dit met respect voor de wetgevingen betreffende de bescherming van de persoonlijke gegevens of betreffende de ondernemingen; op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, legt de minister die de voogdij op de Rijksdienst uitoefent de lijst van voormelde gegevens vast; op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, bepaalt de minister die de voogdij op de Rijksdienst uitoefent :
  a) de gevallen waarin de ter beschikkingstelling van voornoemde gegevens kosteloos gebeurt;
  b) de gevallen waarin de ter beschikking stelling volgens kostprijs gebeurt; op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, bepaalt hij ofwel het toepasselijk tarief ofwel de elementen die de vaststelling van de kostprijs van de ter beschikkingstelling van de aangevraagde gegevens mogelijk maken;
  c) de gevallen waarin het Beheerscomité van de Rijksdienst een volledige of gedeeltelijke vermindering van de kostprijs kan toestaan voor ter beschikking stellingen van gegevens bedoeld onder b).) <W 2004-07-09/30, art. 117, 023; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  (4° het scheppen van onderzoeksmandaten in de sector van het fundamenteel onderzoek te financieren, overeenkomstig artikel 189 van de programmawet(I) van 27 december 2006.) <W 2006-12-27/30, art. 190, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/77, art. 48, 055; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 5/1.[1 De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is eveneens belast met de inning en invordering van de bijdragen, inhoudingen, contributies of andere ontvangsten hierna bedoeld :
   1° de bijdrage bedoeld in artikel 12, § 2, van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden;
   2° het percentage op de loonmassa bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet van 6 juli 1971 betreffende de op-richting van bpost en betreffende sommige postdiensten;
   3° de inhouding bedoeld in artikel 39quater van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de Sociale Zekerheid voor de werknemers, met uitzondering van de personeelsleden van de lokale politiezones en van de provinciegouverneurs, de burgemeesters, de schepenen en de voorzitters van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
   4° de persoonlijke bijdrage bedoeld in artikel 60 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen;
   5° de patronale bijdrage bedoeld in artikel 176, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
   6° de som bedoeld in de artikelen 18 en 20 van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector;
   7° de patronale bijdrage bedoeld in artikel 9, § 1, eerste lid en § 2, van de wet van 11 december 2003 houdende overname door de Belgische Staat van de wettelijke pensioenverplichtingen van de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus ten opzicht van haar statutair personeel;
   8° de persoonlijke bijdrage bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de wet van 4 maart 2004 houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst;
   9° de patronale bijdrage bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 22 december 2004 tot overname van de wettelijke pensioenverplichtingen van Brussels International Airport Company;
   10° de bijdragen bedoeld in de artikelen 55 en 56, §§ 1 en 2, van de programmawet van 11 juli 2005;
   11° de bijdragen en inhoudingen bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 2005 betreffende de overname van de pensioenverplichtingen van de NMBS Holding door de Belgische Staat;
   12° de bijdragen bedoeld in artikel 55, derde lid, van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake Sociale Zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen.]1
  [2 In dat geval zijn zowel voor de bijdragen als voor de bijdrageopslagen en de verwijlinteresten de wijzen van inning en van invordering dezelfde als bij onderhavige wet vastgesteld.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 5, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<W 2016-12-25/48, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 5/2.[1 § 1. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is eveneens belast met de inning en invordering van de ontvangsten bedoeld in artikel 10, 1), 2), en 13) en in artikel 13, 1), streepje 3 en 4, van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake Sociale Zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen.
   § 2. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is tevens belast met de inhouding bedoeld in artikel 39quater van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de Sociale Zekerheid voor de werknemers, voor de provinciegouverneurs, de burgemeesters, de schepenen en de voorzitters van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn.
   § 3. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is eveneens belast met de inning van de bijdrage bedoeld in artikel 4 van de wet van 1 september 1980 betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van de overheidssector.]1
  [2 § 4. Voor de toepassing van dit artikel zijn zowel voor de bijdragen als voor de bijdrageopslagen en de verwijlinteresten de wijzen van inning en van invordering dezelfde als bij onderhavige wet vastgesteld.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 6, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<W 2016-12-25/48, art. 3, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 5/3.[1 De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is eveneens belast met de inning van de bijdragen bedoeld in de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese Sociale Zekerheid en van zijn uitvoeringsbesluiten [2 , volgens de regels die daar zijn vastgelegd]2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 7, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<W 2016-12-25/48, art. 4, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 6. [1 § 1.]1 De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid kan tevens worden belast met de inning en de invordering van de bijdragen die zijn vastgesteld bij toepassing van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid.
  In dat geval zijn zowel voor de bijdragen als voor de bijdrageopslagen en de verwijlinteresten de wijzen van berekening, van inning en van invordering dezelfde als bij onderhavige wet vastgesteld.
  [1 § 2. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan bij overeenkomst de inning van bijdragen die niet bedoeld zijn in § 1 en in de artikelen 5, 5/1, 5/2 en 5/3 verzekeren.
   In dat geval zijn zowel voor de bijdragen als voor de bijdrageopslagen en de verwijlinteresten de wijzen van berekening, van inning en van invordering dezelfde als bij deze wet bepaald.
   § 3. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is belast met de inning van de bijdrage die verschuldigd is door de bij de Gemeenschappelijke sociale dienst van de provinciale en plaatselijke besturen aangesloten besturen bedoeld in artikel 23 van de wet van 18 maart 2016 tot wijziging van de benaming van de Rijksdienst voor Pensioenen in Federale Pensioendienst, tot integratie van de bevoegdheden en het personeel van de Pensioendienst voor de Overheidssector, van de opdrachten "Pensioenen" van de lokale en provinciale sectoren van de Dienst voor de Bijzondere Socialezekerheidsstelsels en van HR Rail en tot overname van de gemeenschappelijke sociale dienst van de Dienst voor de Bijzondere Socialezekerheidsstelsels .".
   In dat geval zijn zowel voor de bijdragen als voor de bijdrageopslagen en de verwijlinteresten de wijzen van berekening, van inning en van invordering dezelfde als bij deze wet bepaald.]1
  ----------
  (1)<W 2016-07-10/03, art. 8, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 6bis. <W 1998-02-22/43, art. 60, 014; Inwerkingtreding : 13-03-1998> § 1. De Rijksdienst voor sociale zekerheid wordt belast met de inning en de invordering van de bijdragen ingesteld in overeenstemming met de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden.
  § 2. Voor de uitvoering van deze opdracht wordt een administratieve cel samengesteld, bestaande uit personeel van het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers.
  Deze cel beschikt over een organiek en een taalkader, verschillend van dit van de Rijksdienst.
  § 3. Op voorstel van de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit beslissen dat deze cel ophoudt te bestaan en deze betrekkingen, voorzien in zijn bijzonder kader, integreren in het organiek kader van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

  Art. 7. § 1. In afwijking (...) en ermee gelijkgestelden en van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Nationale Arbeidsraad, de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid met de inning en de invordering van de bij deze besluitwetten bepaalde bijdragen, bijdrageopslagen en verwijlintresten belasten. <W 1996-04-29/32, art. 132, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  § 2. In dit geval bepaalt de Koning de technische en administratieve voorwaarden waarin de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid de hem toevertrouwde opdracht vervult; deze voorwaarden mogen alsdan van de bepalingen van deze besluitwetten afwijken, behalve ten aanzien van de bijdragevoeten alsook van de grondslag van de berekening van de bijdragen.

  Art. 8.
  <Opgeheven bij W 2016-05-16/01, art. 3, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Afdeling 1bis. - [1 Opdrachten van de overzeese Sociale Zekerheid en andere specifieke opdrachten ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 9, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Onderafdeling 1. - [1 Overzeese Sociale Zekerheid]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 10, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 8/1. [1 De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is belast met de uitvoering van de bepalingen :
   1° van de wet van 16 juni 1960 die de organismen belast met het beheer van de Sociale Zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd;
   2° van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese Sociale Zekerheid;
   3° van de uitvoeringsbesluiten van de wetten bedoeld in 1° en 2°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 11, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Onderafdeling 2. [1 Tegemoetkomingen betaald door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 12, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 8/2.
  <Opgeheven bij W 2017-09-30/01, art. 35, 066; Inwerkingtreding : 01-07-2018>

  Art. 8/3.
  <Opgeheven bij W 2016-12-25/48, art. 5, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 8/4.
  <Opgeheven bij W 2016-12-25/48, art. 5, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Onderafdeling 3. - [1 Sociale en Fiscale Maribel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 14, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 8/5. [1 De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is belast met de uitvoering van de financiering en de controle van de bijkomende tewerkstelling in het kader van de Sociale Maribel en de Fiscale Maribel die onder de bevoegdheid vallen van het Beheerscomité bedoeld in artikel 35, § 5, C, 2°, a), tweede lid van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de Sociale Zekerheid voor werknemers.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 15, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Onderafdeling 4. [1 Uitvoering van sociale akkoorden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 16, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 8/6. [1 De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is belast met de uitvoering van bepaalde maatregelen van de sociale akkoorden voor de federale gezondheidssectoren die onder de bevoegdheid vallen van het Beheerscomité bedoeld in artikel 35, § 5, C, 2°, a), tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de Sociale Zekerheid voor werknemers.
   Het betreft :
   - de financiering en de controle van de bijkomende tewerkstelling in het kader van de maatregel met betrekking tot bijkomend verlof;
   - de controle van de bijkomende tewerkstelling in het kader van het sociaal akkoord 2011;
   - de financiële tegemoetkoming toegekend aan ziekenhuizen in het kader van de maatregel met betrekking tot statutarisering.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 17, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 8/7. [1 De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan door de Koning worden belast met de uitvoering van maatregelen die werden vastgesteld in andere sociale akkoorden dan deze bedoeld in artikel 8/6.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 17, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Afdeling 1ter. - [1 Opdrachten voor de Zeevarenden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-12-17/17, art. 18, 068; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 8/8. [1 De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is belast met de taken bedoeld in artikel 1 en 1bis van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij en staat meer in het bijzonder in voor :
   a) de inning en verdeling van de bijdragen inzake sociale zekerheid voor de sector van de koopvaardij, bepaald in de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;
   b) het beheer van het individueel kapitalisatiestelsel voor zeelieden ter koopvaardij, bepaald bij de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood.
   Zowel voor de bijdragen als de bijdrageopslagen en verwijlintresten zijn de wijzen van berekening, inning, invordering, vrijstelling en verjaring dezelfde als bij deze wet en haar uitvoeringsbesluiten bepaald.
   Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten wordt de reder, bedoeld in artikel 2, § 1, 2°, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij als werkgever beschouwd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-12-17/17, art. 19, 068; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Afdeling 2. - Inrichting.

  Art. 9. De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid is een openbare instelling die rechtspersoonlijkheid geniet. Hij staat onder de waarborg van de Staat.
  De inrichting en werking ervan worden door de Koning bepaald.

  Art. 10. Het dagelijks beheer van de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid wordt door een administrateur-generaal waargenomen, die door een adjunct-administrateur-generaal wordt bijgestaan.

  Art. 11. De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid kan dadingen en compromissen sluiten.

  Art. 12.[1 § 1. Aan al wie het bij brief vraagt en een wettig belang doet gelden, deelt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid binnen de maand het bedrag mede van zijn schuldvordering ten laste van een met name aangeduide werkgever. De Koning bepaalt wat wordt begrepen onder sociale schulden in functie van de wettelijke basis die wordt ingeroepen om dergelijke mededeling te bekomen of in functie van het rechtmatig belang.
   § 2. Voor de gevallen waarin een opdrachtgever of een aannemer in aanmerking komt om hoofdelijk aansprakelijk te worden gesteld op basis van een bepaling van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten, stelt de voornoemde Rijksdienst gegevensbanken ter beschikking van de opdrachtgever of de aannemer, die hem toelaat om na te gaan of hij inhoudingen moet verrichten op de door zijn medecontractant voorgelegde facturen. Voor elk type van hoofdelijke aansprakelijkheid kan de Koning een bedrag bepalen vanaf hetwelk de factuur die hem wordt overgelegd, moet vergezeld zijn van een attest dat het bedrag vaststelt van zijn schuld zoals door de Koning bepaald teneinde de toepasselijke inhouding te beperken tot dit bedrag. Het attest houdt rekening met de schuld op de dag waarop het is aangemaakt. De Koning bepaalt de geldigheidsduur van het attest.
   § 3. Voor de toepassing van paragraaf 2 verstaat men onder sociale schulden, het geheel van de sommen die verschuldigd zijn door een werkgever aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. De Koning stelt hiervan de lijst op. Deze lijst kan verschillen naargelang de specifieke kenmerken die op elk type hoofdelijke aansprakelijkheid van toepassing zijn of in functie van het type van de mededeling.
   Naast de gevallen bepaald door de Koning, rekening houdend met de specifieke wettelijke basissen of het specifieke rechtmatig belang, worden de schulden waarvoor de schuldenaar bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of bij een Fonds voor bestaanszekerheid in de zin van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid een afbetalingsplan heeft verkregen zonder gerechtelijke procedure [2 noch dwangbevel,]2 of bij gerechtelijke beslissing die in kracht van gewijsde is getreden, en het bewijs levert dat de opgelegde termijnen strikt worden nageleefd, niet in aanmerking genomen om te bepalen of er al dan niet schulden bestaan.
   De gegevensbanken hebben bewijskracht voor de toepassing van die wetten waarvan de Koning een lijst opstelt. In specifieke gevallen kunnen ze doorverwijzen naar de voornoemde Rijksdienst die een papieren attest aflevert.]1
  ----------
  (1)<W 2012-03-29/08, art. 59, 044; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
  (2)<W 2016-12-01/22, art. 2, 065; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 13. De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid mag een mechanografische dienst oprichten en die ter beschikking stellen van de instellingen bedoeld bij artikel 19. Hij kan zich eveneens verenigen met genoemde instellingen met het oog op de oprichting ervan. De werkingskosten van deze dienst worden onder die verschillende instellingen verdeeld.
  Deze Rijksdienst kan eveneens de uitvoering van mechanografische werkzaamheden aan een private instelling toevertrouwen, op voorwaarde dat hij bij deze instelling over een permanent vertegenwoordiger beschikt, die met het regelmatig toezicht op deze voor zijn rekening uitgevoerde werkzaamheden wordt belast. Het Beheerscomité van de Rijksdienst duidt die permanente vertegenwoordiger aan onder de leidende ambtenaren van die dienst en met de goedkeuring van de Minister die de sociale voorzorg in zijn bevoegdheid heeft. (...) <W 1996-04-29/32, art. 133, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

  HOOFDSTUK III. - BIJDRAGEN VOOR SOCIALE ZEKERHEID.

  Afdeling 1. - Berekening van de bijdragen.

  Art. 14.§ 1. De bijdragen voor sociale zekerheid worden berekend op grond van het loon van de werknemer.
  § 2. Het begrip loon wordt bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Evenwel kan de Koning het aldus bepaalde begrip, bij in Ministerraad overlegd besluit, verruimen of beperken.
  § 3. (De voordelen zoals bedoeld in hoofdstuk II van de wet van 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008, en in Titel XIII, Enig Hoofdstuk " Invoering van een stelsel van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen voor de autonome overheidsbedrijven " van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I) zijn uitgesloten uit het loonbegrip ten belope van het bedrag bepaald in artikel 38, § 3novies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.) <W 2008-07-24/35, art. 166, 037; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  [2 § 3bis. Het flexiloon als bedoeld in [3 artikel 3, 2°]3, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, het flexivakantiegeld als bedoeld in artikel 3, 6°, van dezelfde wet en de netto-vergoedingen voor de overuren in de horecasector, zoals omschreven in artikel 3, 5°, van dezelfde wet, zijn uitgesloten uit het loonbegrip.]2
  [4 § 3ter. De bedragen die toegekend worden als mobiliteitsvergoeding overeenkomstig de bepalingen van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding zijn uitgesloten uit het loonbegrip.]4
  [5 § 3quater. Het saldo van het mobiliteitsbudget dat overeenkomstig artikel 8, § 3, van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget ter beschikking wordt gesteld van de werknemer, wordt uitgesloten uit het loonbegrip.]5
  [1 § 4. Bij betwisting van de realiteit van de kosten ten laste van de werkgever, dient de werkgever de realiteit van deze kosten aan te tonen door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
   Bij gebreke aan bewijskrachtige gegevens aangeleverd door de werkgever kan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, op voorstel van de bevoegde inspectiediensten die de werkgever gehoord hebben, ambtshalve een bijkomende aangifte uitvoeren, rekening houdende met alle nuttige inlichtingen waarover zij beschikt.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-23/04, art. 64, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<W 2015-11-16/05, art. 14, 059; Inwerkingtreding : 01-12-2015>
  (3)<W 2015-12-26/03, art. 94, 060; Inwerkingtreding : 01-12-2015>
  (4)<W 2018-03-30/32, art. 19, 069; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (5)<W 2019-03-17/05, art. 19, 073; Inwerkingtreding : 01-03-2019>

  Art. 15. (De bijdragen worden berekend naargelang van het onderscheid bepaald bij artikel 17 op het geheel of een gedeelte van het loon. In het laatste geval zijn de grenzen tot waar het loon wordt in aanmerking genomen vastgesteld op (16 375 F, 27 075 F en 34 500 F) per maand. Deze bedragen evenals de grenzen die voortvloeien uit de toepassing van de in artikel 17 bedoelde herwaarderingscoëfficiënten kunnen, naargelang van de economische noodwendigheden en na advies van de Nationale Arbeidsraad, door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit worden gewijzigd.) <W 24-12-1974, art. 1> <W 08-08-1980, art. 124, § 1>
  De Koning kan andere grenzen bepalen, wanneer het loon slaat op een arbeidsperiode die niet met de maand samenvalt, zonder dat echter de verschuldigde bijdragen op een bedrag mogen slaan dat per kalenderjaar de som overschrijdt van de maandloongrenzen van dit jaar.

  Art. 16. <KB 2001-12-11/42, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De grenzen zijn gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Zij zijn gekoppeld aan de spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100).
  Zij zijn afhankelijk van spilindexen behorend tot een reeks waarvan de eerste 103,14 is en elk van de volgende bekomen wordt door de voorgaande te vermenigvuldigen met 1,02. Voor de berekening van elke spilindex worden de delen van honderdsten van een punt afgerond op het naasthogere honderdste of verwaarloosd, naargelang zij al dan niet 50 pct. van een honderdste bereiken.
  Iedere maal dat het gemiddelde van de indexcijfers der consumptieprijzen van twee opeenvolgende maanden een der spilindexen bereikt of erop teruggebracht wordt, worden de grenzen, gekoppeld aan de spilindex 103,14 opnieuw berekend door de coëfficiënt 1,02n, erop toe te passen waarin n de rang van de bereikte spilindex vertegenwoordigt. Te dien einde wordt iedere spilindex aangeduid met een volgnummer dat zijn rang opgeeft, het nr. 1 duidt de spilindex aan die volgt op de spilindex 103,14. Voor het berekenen van de coëfficiënt 1,02n, worden de breuken van een tienduizendste van een eenheid afgerond tot het hogere tienduizendste of weggelaten, naargelang zij al dan niet 50 pct. van een tienduizendste bereiken.
  De verhoging of de vermindering wordt toegepast met ingang van het kalenderkwartaal dat volgt op het einde van de periode tijdens welke het gemiddeld indexcijfer, gedurende twee opeenvolgende maanden, het cijfer dat een wijziging rechtvaardigt, bereikt.
  Wanneer de grenzen, een of verscheidene malen verhoogd of verminderd, niet meer deelbaar zijn door 25, worden zij afgerond volgens de modaliteiten die door de Koning bepaald worden.

  Art. 17. De bijdragevoeten en de grenzen ten belope waarvan het loon van de werknemer in aanmerking komt voor de berekening ervan, worden vastgesteld op de volgende wijze:
  § 1. Ten aanzien van de werknemersbijdrage:
  1° indien het een handarbeider betreft:
  a)(5,75 pct. van het bedrag van zijn loon bestemd voor de rust- en overlevingspensioenregeling voor werknemers; deze bijdragevoet wordt vanaf 1 juli 1970 op 6 pct. gebracht) <W 23-12-1969, art. 2, 1°>
  b)(1,10 pct. van zijn tot (34 500) F per maand begrensd loon, bestemd voor de regeling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector van de uitkeringen). Op deze grens van (34 500) F wordt vanaf (1 januari 1980), op 1 januari van ieder jaar een herwaarderingscoëfficiënt toegepast, vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit.) <W 16-07-1974, art. 1, 1°> <W 08-08-1980, art. 124>
  c)(1,20 pct. van het bedrag van zijn loon, begrensd tot (34 500) frank per maand, bestemd voor de regeling ter zake van arbeidsvoorziening en werkloosheid. Op deze grens van (34 500) frank wordt vanaf (1 januari 1981), op 1 januari van ieder jaar een herwaarderingscoëfficiënt toegepast, vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit.) <W 24-12-1974, art. 2, 2°> <KB 24-12-1980, art. 1, 1° en 3°>
  d)(1,80 pct. van het bedrag van zijn loon, bestemd voor de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector van de geneeskundige verzorging) <W 20-12-1974, art. 51, 1°>
  2° indien het een hoofdarbeider betreft:
  a)(5,75 pct. van het bedrag van zijn tot (34 500) frank per maand begrensd loon, bestemd voor de rust- en overlevingspensioenregeling voor werknemers.) <KB 24-12-1980, art. 1, 2° en 3°>
  Deze bijdragevoet wordt op 6 pct. gebracht vanaf 1 juli 1975. Op deze grens van (34 500) frank wordt vanaf (1 januari 1981), op 1 januari van ieder jaar een herwaarderingscoëfficiënt toegepast, vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit.) <W 24-12-1974, art. 2, 3°> <KB 24-12-1980, art. 1, 2° en 3°>
  b)(0,70 pct. van zijn tot (34 500) F per maand begrensd loon, bestemd voor de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector van de uitkeringen). Op deze grens van (34 500) F wordt vanaf (1 januari 1980), op 1 januari van ieder jaar een herwaarderingscoëfficiënt toegepast, vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit.) <W 16-07-1974, art. 1, 2°> <W 08-08-1980, art. 124>
  c)(1,20 pct. van het bedrag van zijn loon, begrensd tot (34 500) frank per maand, bestemd voor de regeling ter zake van arbeidsvoorziening en werkloosheid. Op deze grens van (34 500) F wordt vanaf (1 januari 1981), op 1 januari van ieder jaar een herwaarderingscoëfficiënt toegepast, vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit. <W 24-12-1974, art. 2, 5°> <KB 24-12-1980, art. 1, 1° en 3°>
  d)(1,80 pct. van het bedrag van zijn loon, bestemd voor de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector van de geneeskundige verzorging)). <W 20-12-1974, art. 51, 2°>
  § 2. Ten aanzien van de werkgeversbijdrage:
  1° voor de tewerkstelling van een handarbeider:
  a)(7,50 pct. van het bedrag van zijn loon bestemd voor de rust- en overlevingspensioenregeling voor werknemers; deze bijdragevoet wordt vanaf 1 juli 1970 op 8 pct. gebracht) <W 23-12-1969, art. 4, 1°>
  b)(1,80 pct. van zijn tot (34 500) F per maand begrensd loon, bestemd voor de regeling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector van de uitkeringen). Op deze grens van (34 500) F wordt, vanaf (1 januari 1980), op 1 januari van ieder jaar een herwaarderingscoëfficiënt toegepast, vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit.) <W 16-07-1974, art. 1, 3°> <W 08-08-1980, art. 124>
  c)(1,70 pct. van het bedrag van zijn loon, begrensd tot (34 500) frank per maand, bestemd voor de regeling ter zake van arbeidsvoorziening en werkloosheid. Op deze grens van (34 500) F wordt vanaf (1 januari 1981), op 1 januari van ieder jaar een herwaarderingscoëfficiënt toegepast, vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit.) <W 24-12-1974, art. 2, 7°> <KB 24-12-1980, art. 1, 1° en 3°>
  d)(3,75 pct. van het bedrag van zijn loon, bestemd voor de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector van de geneeskundige verzorging)) <W 20-12-1974, art. 51, 3°>
  e)(7,75 pct. van het bedrag van zijn loon, bestemd voor de regeling van de kinderbijslag voor werknemers;) (...) <W 05-01-1976, art. 107> <KBN131 30-12-1982, art. 11>
  f)(14,75 pct.) van het bedrag van zijn loon, bestemd voor de jaarlijkse vakantie van de werknemers <KB 09-03-1977, art. 1>
  2° voor de tewerkstelling van een hoofdarbeider:
  a)(8 pct. van het bedrag van zijn tot (34 500) frank per maand begrensd loon, bestemd voor de rust- en overlevingspensioenregeling voor werknemers. Op deze grens van (34 500) frank wordt vanaf (1 januari 1981), op 1 januari van ieder jaar een herwaarderingscoëfficiënt toegepast, vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd besluit.) <W 24-12-1974, art. 2, 9°> <KB 24-12-1980, art. 1, 2° en 3°>
  b)(1,80 pct. van zijn tot (34 500) F per maand begrensd loon, bestemd voor de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector van de uitkeringen). Op deze grens van (34 500) F wordt, vanaf (1 januari 1980), op 1 januari van ieder jaar een herwaarderingscoëfficiënt toegepast, vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit.) <W 16-07-1974, art. 1, 5°> <W 08-08-1980, art. 124>
  c)(1,70 pct. van het bedrag van zijn loon, begrensd tot (34 500) frank per maand, bestemd voor de regeling ter zake van arbeidsvoorziening en werkloosheid. Op deze grens van (34 500) F wordt vanaf (1 januari 1981) op 1 januari van ieder jaar een herwaarderingscoëfficiënt toegepast, vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit.) <W 24-12-1974, art. 2, 11°> <KB 24-12-1980, art. 1, 1° en 3°>
  d)(3,75 pct. van het bedrag van zijn loon, bestemd voor de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector van de geneeskundige verzorging)) <W 20-12-1974, art. 51, 4°>
  e)(7,72 pct. van het bedrag van zijn loon, bestemd voor de regeling van de kinderbijslag voor werknemers;) (...) <W 05-01-1976, art. 107> <KBN131 30-12-1982, art. 11>
  De bijdrage van de werkgever wordt berekend op het geheel van de voor elke categorie van werknemers uitbetaalde lonen.
  § 3. Voor de inning van de bijdragen verschuldigd voor de handarbeiders en bestemd voor de rust- en overlevingspensioenregeling, kan de Koning, ten vroegste met ingang van 1 januari 1974, een loongrens invoeren welke gelijk is aan degene die op dat ogenblik van kracht is voor de hoofdarbeiders. Deze grens kan jaarlijks door de Koning worden aangepast, rekening houdend met de evolutie van de werkelijke lonen.
  § 4. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, de grenzen van 16 375 frank en 27 075 frank vastgesteld in de artikelen 15 en 17, eenmaken door de eerste van deze grenzen te brengen tot het bedrag van de tweede.
  Wanneer de Koning gebruik maakt van deze macht kan Hij, door hetzelfde besluit, de percentages verminderen, van de bijdragen die op de aldus verhoogde grens worden berekend) <W 24-12-1974, art. 2, 13°>
  (§ 5. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de werkgevers van de sectoren die gelegenheidswerknemers tewerkstellen in de zin van de uitvoeringsbesluiten van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21, § 1, van de wet van 29 juni 1981 en voor de categorieën werknemers die Hij bepaalt, volledig of gedeeltelijk vrijstellen van één of meerdere bijdragen bedoeld bij § 2, 1°, van dit artikel.) <W 2007-04-27/35, art. 43, 031; Inwerkingtreding : 01-04-2007>

  Art. 18. De bijdragen worden berekend zonder dat rekening wordt gehouden met frankgedeelten van minder dan vijftig centiemen.
  Frankgedeelten van vijftig centiemen of meer worden voor één frank gerekend.
  De afronding op een frank naar boven of naar beneden geschiedt op het gezamenlijk te storten bedrag.

  Afdeling 2. - Verdeling.

  Art. 19. [1 De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid draagt na afhouding van [2 ...]2 bestuurskosten de met toepassing van artikel 5/2, § 1, geïnde bijdragen over aan de Federale Pensioendienst. De Federale Pensioendienst hevelt naar de voorzorgsinstellingen de fondsen over die bestemd zijn voor de betaling van de pensioenen die ten laste van het Gesolidariseerd Pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen zijn en die door deze beheerd worden.]1
  ----------
  (1)<W 2016-07-10/03, art. 18, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<W 2016-12-25/48, art. 6, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 20.
  <Opgeheven bij W 2016-12-25/48, art. 7, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  HOOFDSTUK IV. - INNING EN INVORDERING VAN DE BIJDRAGEN.

  Afdeling 1. - Aangifte en betaling.

  Art. 21. <W 2003-02-24/35, art. 5, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Iedere verzekeringsplichtige werkgever moet zich bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid laten inschrijven en aan deze laatste een aangifte met verantwoording van het bedrag van de verschuldigde bijdragen toezenden.
  Deze aangifte wordt gedaan bij middel van een door deze Rijksdienst goedgekeurde elektronische techniek.
  De aangifte, behoorlijk ondertekend en vervolledigd met de gevraagde inlichtingen, moet bij de Rijksdienst toekomen binnen de termijn vastgelegd bij koninklijk besluit.

  Art. 21bis. <Ingevoegd bij W 1999-01-25/32, art. 63; Inwerkingtreding : 16-02-1999> De werkgever die deze hoedanigheid verliest doordat hij ophoudt, gedurende ten minste een burgerlijk kwartaal, verzekeringsplichtig personeel tewerk te stellen moet, binnen de door de Koning vastgestelde termijn, de Rijksdienst voor sociale zekerheid daarvan in kennis stellen.

  Art. 22. Wanneer geen dan wel een onvolledige of onjuiste (driemaandelijkse) aangifte is gedaan, bepaalt de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen aan de hand van alle reeds voorhanden gegevens, of na alle daartoe nuttig geachte inlichtingen te hebben ingewonnen bij de werkgever, (of de curator) die verplicht is ze te verstrekken. <W 2008-12-22/32, art. 70 en 92, 1°, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  Van het bedrag van de aldus vastgestelde schuldvordering wordt de werkgever (of de curator) bij aangetekende brief kennis gegeven. <W 2008-12-22/32, art. 70, 2°, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (De Rijksdienst mag ook, op kosten van de nalatig werkgever of zijn mandataris, (of op kosten van de nalatige curator) de vereiste aangifte ambtshalve laten opmaken door de ambtenaren bedoeld in artikel 31. <W 2008-12-22/32, art. 92, 3°, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  De Rijksdienst mag eveneens, op kosten van de nalatige werkgever of zijn mandataris, (of op kosten van de nalatige curator) de rechtzettingen van onjuiste of onvolledige verklaringen ambtshalve laten opmaken door de ambtenaren bedoeld in artikel 31 of door de binnendienst van de Rijksdienst. <W 2008-12-22/32, art. 92, 4°, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  De Koning kan de voorafgaande procedure bepalen die de Rijksdienst moet volgen voordat de sanctie bepaald in het derde en het vierde lid toegepast wordt. Hij bepaalt eveneens de berekeningswijze van de kosten bedoeld in de vorige leden.) <W 2004-12-27/30, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (De kosten voor het opmaken van de aangifte ten laste van de curator vormen een boedelschuld.) <W 2008-12-22/32, art. 92, 5°, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  [1 De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid mag de door het provinciaal of plaatselijke bestuur verschuldigde bijdragen ramen op het bedrag dat laatstelijk werd aangegeven.
   Het eventuele verschil tussen de werkelijk verschuldigde en de geraamde bijdragen wordt teruggestort aan het bestuur.
   Van het bedrag van de aldus vastgestelde schuldvordering wordt het bestuur bij aangetekende brief in kennis gesteld.]1
  
  ----------
  (1)<W 2016-07-10/03, art. 19, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 22bis. <W 04-08-1978, art. 60> Als geen gegevens bekend zijn over de lonen, zal voornoemde Rijksdienst zich baseren op de voor elke bedrijfstak of categorie van werknemers bij collectieve arbeidsovereenkomst vastgestelde minimumlonen.
  (Wanneer het onmogelijk is het bedrag van de door de werkgever verschuldigde bijdragen hetzij in zijn totaliteit hetzij individueel per werknemer, vast te stellen, wordt dit bedrag globaal bepaald door de Rijksdienst voor sociale zekerheid op basis van alle inlichtingen ingewonnen door de ambtenaren en beambten belast met het toezicht op de uitvoering van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, zelfs wanneer de identiteit of het juist aantal van de tewerkgestelde werknemers niet gekend is.
  Het bedrag van de aldus vastgestelde schuldvordering wordt aan de werkgever met een aangetekende brief ter kennis gebracht.
  De Koning bepaalt de bestemming van de sommen die globaal geïnd worden.) <W 1989-07-06/30, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 01-04-1990>

  Art. 22ter.[1 Bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de programmawet van 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij artikel 164 van dezelfde wet, worden de deeltijdse werknemers vermoed, behoudens bewijs van het tegendeel, hun prestaties te hebben geleverd in uitvoering van een arbeidsovereenkomst, in de hoedanigheid van voltijdse werknemer.
   Bij ontstentenis van openbaarmaking van de deeltijdse werkroosters bedoeld bij de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet, worden de deeltijdse werknemers vermoed, behoudens bewijs van het tegendeel, hun prestaties te hebben geleverd in uitvoering van een arbeidsovereenkomst, in de hoedanigheid van voltijdse werknemer.]1
  ----------
  (1)<W 2012-03-29/08, art. 79, 044; Inwerkingtreding : 16-04-2012>

  Art. 22quater.<ingevoegd bijW 2008-12-22/32, art. 71; Inwerkingtreding : 01-01-2009> [1 Wanneer een sociaal controleur, inspecteur of een officier van gerechtelijke politie]1 vaststelt dat een werkgever de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling bedoeld bij het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, voor een bepaalde werknemer niet heeft gedaan, brengt hij de Rijksdienst voor sociale zekerheid daarvan in kennis, volgens de nadere regels bepaald door de Rijksdienst.
  Op deze basis bepaalt de Rijksdienst voor sociale zekerheid ambtshalve, in de vorm van een rechtzetting, het bedrag van een solidariteitsbijdrage berekend op een forfaitaire basis gelijk aan het drievoud van de basisbijdragen op het gemiddeld minimum maandinkomen bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen.
  Het aldus berekend bedrag mag niet kleiner zijn dan 2 500 euro. Dit bedrag is gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2008 (111,15).
  In afwijking van het tweede lid, moet de werkgever die de materiële onmogelijkheid om de voltijdse arbeidsprestaties uit te voeren inroept, de elementen overleggen die het mogelijk maken de door de werknemer werkelijk uitgevoerde prestaties vast te stellen. Het bedrag van de solidariteitsbijdrage wordt dan verhoudingsgewijs verminderd.
  Het bedrag van de solidariteitsbijdrage wordt verminderd met de bijdragen verschuldigd voor de daadwerkelijk aangegeven prestaties van de betrokken werknemer.
  Dit bedrag moet worden aangerekend op het kwartaal tijdens hetwelk de prestaties van de werknemer werden vastgesteld.
  Het bedrag van de aldus vastgestelde schuldvordering wordt aan de werkgever meegedeeld per aangetekende brief.
  ----------
  (1)<W 2009-12-23/04, art. 63, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  Art. 23. § 1.De bijdrage van de werknemer wordt door de werkgever bij iedere betaling van het loon ingehouden.
  Deze is aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid die bijdrage verschuldigd, samen met de zijne.
  § 2. Die bijdragen moet de werkgever binnen de door de Koning vastgestelde termijnen, om de drie maanden aan gezegde Rijksdienst overmaken, onder voorbehoud van het bepaalde bij § 3. (De Koning kan de werkgevers of bepaalde categorieën van werkgevers verplichten een deel van de verschuldigde bijdragen, op een door Hem te bepalen wijze, als voorschot te storten vóór de driemaandelijkse vervaldag. De modaliteiten van berekening van het voorschot kunnen verschillen volgens de categorie waartoe de werkgevers behoren of volgens hun activiteit.) <W 1989-07-06/30, art. 20, 003; Inwerkingtreding : 01-04-1990>
  § 3.(Een gedeelte van (8,75 pct.) begrepen in de bij letter f, 1°, van § 2 van artikel 17 bedoelde bijdrage van (14,75 pct.) wordt slechts jaarlijks op de door de Koning bepaalde datum gestort. <M.B. 9-03-1977, art. 2>
  De Koning kan echter de driemaandelijkse betaling van het geheel of van een deel van dit gedeelte voorschrijven:
  a) voor alle werkgevers, na advies van de Nationale Arbeidsraad;
  b) voor bepaalde bedrijfssectoren op voorstel van de betrokken paritaire comités.) <W 26-03-1970, art. 23>

  Art. 24. De door de werkgevers voor het nakomen van hun verplichtingen jegens de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid aan te wenden wijze van betaling wordt bij koninklijk besluit vastgesteld.

  Art. 25. Bij ontstentenis van een schriftelijk gedane toerekening, op het ogenblik van de betaling, door de schuldenaar van verschillende schulden, wordt de betaling op de oudste schuld toegerekend. De werkgever mag in geen geval zijn betaling voor een bepaalde regeling bestemmen.

  Art. 26. De werkgever mag op de werknemer niet de werknemersbijdrage verhalen, waarvan hij de inhoudingen te gepasten tijde zou nagelaten hebben te verrichten.
  De werkgever is verplicht het nadeel te herstellen dat de werknemer heeft geleden ingevolge de nalatigheid of de vertraging bij de overdracht van de bijdragen.

  Art. 27.[1 § 1. Erkende sociale secretariaten zijn sociale dienstverrichters zoals vermeld in art. 31ter, § 2, 1° van de wet van 29 juni 1981 betreffende de algemene beginselen van de sociale zekerheid der werknemers die krachtens hun erkenning de sociale bijdragen van hun aangesloten werkgevers innen met het oog op doorstorting aan de instellingen belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen.
   § 2. De Koning stelt de voorwaarden vast waaronder sociale secretariaten van werkgevers door de Minister bevoegd voor de Sociale Zaken kunnen worden erkend ten einde in hoedanigheid van mandataris van hun aangeslotenen, de door deze wet bepaalde formaliteiten te vervullen. Hij bepaalt hun rechten en verplichtingen.
   De Koning kan, aan de categorieën werkgevers die Hij bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een financiële tussenkomst toekennen in de aansluitingskosten bij een erkend sociaal secretariaat, waarvan Hij het bedrag, de voorwaarden en de nadere regelen van de toekenning bepaalt.
   De bedrijfsrevisoren van de sociale secretariaten brengen bij de Minister bevoegd voor de Sociale Zaken en bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid binnen zestig dagen na de statutaire goedkeuring van het jaarverslag, schriftelijk verslag uit over de uitvoering van hun opdracht, inzonderheid met betrekking tot het boekhoudkundig plan door de Koning bepaald.
   Het gebruik van de benaming " sociaal secretariaat " is uitsluitend voorbehouden aan de mandatarissen die overeenkomstig de door de Koning vastgestelde bepalingen als sociaal secretariaat erkend zijn.
   De erkenning geeft aan het sociaal secretariaat het exclusieve recht om de door de aangesloten werkgevers verschuldigde bijdragen uitsluitend op girale wijze te innen en door te storten aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
   Bij gebreke aan deze specifieke erkenning is het een sociale dienstverrichter, zoals bedoeld in artikel 31ter, § 2, 1°, van voornoemde wet van 29 juni 1981 verboden tot de inning van bijdragen over te gaan.
   § 3. De erkenning als sociaal secretariaat kan worden ingetrokken door de Minister bevoegd voor de Sociale Zaken, op grond van een [3 ...]3 verslag van de [3 ...]3 Inspectie van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en na advies van het Beheerscomité van de voormelde Rijksdienst dat de verantwoordelijken van het sociaal secretariaat hoort. Laatstgenoemden kunnen hun middelen ook schriftelijk uiteenzetten.
   De beslissing tot intrekking kan onder meer gebaseerd worden op volgende elementen :
   1° het feit dat het sociaal secretariaat, wetens en willens, de sociale wetgeving overtreedt of helpt te overtreden;
   2° de vaststelling dat het aantal van de aangesloten werkgevers of van de door hen tewerkgestelde werknemers gedurende een ononderbroken periode van vier kwartalen lager is dan de door de Koning in de erkenningsvoorwaarden vastgestelde minima;
   3° een manifest en blijvend gebrek aan kwaliteit, dat blijkt uit de resultaten van de kwaliteitsbarometer, zoals bepaald in artikel 27bis.
   Het verslag van de in het eerste lid beoogde [3 inspectiedienst]3 bevat onder meer een gemotiveerd advies van de vermelde [3 dienst]3 betreffende de intrekking van de erkenning.]1
  [2 Het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kent het kwaliteitslabel "Full service" toe aan de dienstverleners die de socialezekerheidsaangiften indienen voor de provinciale en plaatselijke besturen en die aan de door dit Comité vastgestelde kwaliteitsvoorwaarden voldoen. Het label is een middel om deze dienstverleners ertoe aan te zetten om, voor zover nodig, de kwaliteit te verbeteren van de behandeling van de gegevens en de elektronische gegevensuitwisseling met de Rijksdienst, nodig voor een goed beheer van de Sociale Zekerheid.
   Het in het vorige lid bedoelde Beheerscomité bepaalt de objectieve criteria die gehanteerd worden voor de toekenning van het kwaliteitslabel "Full service", de duur voor dewelke het label wordt toegekend alsook de procedure volgens dewelke de toekenning of de niet-toekenning van het label wordt meegedeeld aan de dienstverleners.]2
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 51, 040; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<W 2016-07-10/03, art. 20, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (3)<W 2017-09-30/01, art. 14, 066; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 27bis. [1 De Koning kan, na advies van het Beheerscomité van de voormelde Rijksdienst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een kwaliteitsbarometer uitwerken voor de erkende sociale secretariaten. Deze is een middel om de kwaliteit te verbeteren van de behandeling van de gegevens en de gegevensuitwisseling met de instellingen van sociale zekerheid, nodig voor een goed beheer van de sociale zekerheid en moet de erkende sociale secretariaten in de mogelijkheid stellen om op een objectieve manier hun eigen prestaties te evalueren in de verschillende domeinen die het voorwerp uitmaken van de deelcontroles van de kwaliteitsbarometer en moet hen toestaan deze te verbeteren voor zover nodig.
   Met als doel de correcte werking van de sociale secretariaten te objectiveren, is de barometer opgebouwd uit de volgende soorten deelcontroles :
   - stilzwijgerscontroles
   - technische controles
   - financiële controles
   - systeemcontroles op prioritaire anomalieën in de DmfA
   - systeemcontroles op niet-prioritaire anomalieën in de DmfA
   - crosscontroles.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de concrete inhoud van de deelcontroles bepalen. De technische uitwerking van de controles wordt gedefinieerd door de instellingen die bevoegd zijn voor de inning van de bijdragen.
   De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een procedure volgens dewelke de resultaten worden medegedeeld aan het sociaal secretariaat en het Beheerscomité van de voornoemde Rijksdienst en bepaalt de gevolgen die hieraan moeten worden gegeven.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de barometer ook geheel of ten dele toepassen op de sociale dienstverrichters, zoals bedoeld in artikel 31ter, § 2, 1°, van de voornoemde wet van 29 juni 1981, met uitzondering van de deelcontrole 3° financiële controles.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-30/01, art. 52, 040; Inwerkingtreding : 20-02-2017 (KB 2017-02-02/12, art. 10)>

  Afdeling 2. - Burgerlijke sancties.

  Art. 28.<W 2005-12-27/30, art. 82, 026; Inwerkingtreding : 09-01-2006> § 1. De werkgever die de bijdragen niet binnen de door de Koning vastgestelde termijnen stort, is aan de inningorganisme van de socialezekerheidsbijdragen een bijdrageopslag en (een verwijlinterest van 7 pct. verschuldigd, waarvan de voorwaarden van toepassing bij koninklijk besluit worden vastgesteld). <W 2008-06-08/30, art. 43, 1°, 035; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  De bijdrageopslag mag evenwel niet meer bedragen dan 10 pct. van de verschuldigde bijdragen (...). <W 2008-06-08/30, art. 43, 2°, 035; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  § 2 De werkgever die de voorschotten van bijdragen niet binnen de door de Koning vastgestelde termijn stort, is aan de inningorganisme van de socialezekerheidsbijdragen een vaste vergoeding verschuldigd, waarvan het bedrag en de voorwaarden van toepassing bij koninklijk besluit worden vastgesteld.
  § 3. De Koning bepaalt ook de voorwaarden waaronder de inningorganisme van de socialezekerheidsbijdragen de werkgever vrijstelling of vermindering mag verlenen van de vaste vergoeding, de bijdrageopslag en de verwijlinteresten, voor zover de werkgever zich niet in een van de in artikel 38, § 3octies, eerste lid, van de voornoemde wet van 29 juni 1981 beschreven situaties bevindt.
  [1 Het beroep tegen deze beslissing van het inningsorganisme van de socialezekerheidsbijdragen inzake vrijstelling of vermindering dient, op straffe van verval, te worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing.]1
  ----------
  (1)<W 2015-07-20/13, art. 3, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2015; zie ook W 2015-07-20/13, art. 9>

  Art. 29.<W 2005-12-27/30, art. 82, 026; Inwerkingtreding : 09-01-2006> De werkgever (of de curator) die de aangifte, beoogd bij artikel 21, niet binnen de reglementaire termijnen doet geworden, of die een onvolledige of onjuiste verklaring laat geworden is aan de inningorganisme van de socialezekerheidsbijdragen een vergoeding verschuldigd waarvan het bedrag en de voorwaarden inzake toepassing bij koninklijk besluit worden vastgesteld. <W 2008-12-22/32, art. 93, 1°, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  De Koning bepaalt ook de voorwaarden waaronder de inningorganisme van de socialezekerheidsbijdragen aan de werkgever (of de curator) de kwijtschelding of de vermindering van de vergoeding beoogd in het eerste lid kan toekennen, voor zover de werkgever (of de curator) zich niet in een van de in artikel 38, § 3octies, eerste lid, van de voornoemde wet van 29 juni 1981 beschreven situaties bevindt. <W 2008-12-22/32, art. 93, 2° 038; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  [1 Het beroep tegen deze beslissing inzake kwijtschelding of vermindering van het inningsorganisme van de socialezekerheidsbijdragen dient, op straffe van verval, te worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing.]1
  ----------
  (1)<W 2015-07-20/13, art. 4, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2015; zie ook W 2015-07-20/13, art. 9>

  Art. 29bis.
  <Opgeheven bij W 2015-07-20/13, art. 5, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 30.<W 1999-01-25/32, art. 66, 016; Inwerkingtreding : 16-02-1999> Onverminderd de bij artikel 28, § 1bis, bepaalde vaste vergoeding, de bij [1 artikel 29]1 bepaalde vaste vergoeding, alsmede de bij artikel 28, § 1, eerste lid, bepaalde bijdrageopslagen en verwijlinteresten, zijn de lasthebbers van de werkgevers die de uit hoofde van hun mandaat opgelegde verplichtingen niet nakomen of die de bepalingen niet naleven van de ter uitvoering van deze wet uitgevaardigde besluiten, aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid een vaste vergoeding verschuldigd, waarvan het bedrag en de voorwaarden van toepassing bij koninklijk besluit worden vastgesteld.
  (De Koning bepaalt ook de voorwaarden waaronder de Rijksdienst voor sociale zekerheid aan de lasthebber van de werkgever de kwijtschelding of de vermindering van de forfaitaire vergoeding beoogd in het eerste lid kan toekennen.) <W 2003-12-22/42, art. 243, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [1 Het beroep tegen deze beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid inzake kwijtschelding of vermindering dient, op straffe van verval, te worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing.]1
  ----------
  (1)<W 2015-07-20/13, art. 6, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2015; zie ook W 2015-07-20/13, art. 9>

  Afdeling 2bis. - <W 04-08-1978, art. 61> Betaling door een hoofdelijk aansprakelijke.

  Art. 30bis.<W 2007-04-27/35, art. 55, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2008> § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
   1° [7 werken :
   a) de werkzaamheden die zijn vermeld in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de [11 toegevoegde waarde en de levering van stortklaar beton als bedoeld in artikel 1, a, vierde lid, achtentwintigste streepje, van het koninklijk besluit van 4 maart 1975 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het bouwbedrijf en tot vaststelling van het aantal leden ervan, met uitzondering van de volgende werkzaamheden :
   1) teelt van granen (met uitzondering van rijst), peulgewassen en oliehoudende zaden;
   2) teelt van rijst;
   3) teelt van groenten, meloenen en wortel- en knolgewassen;
   4) teelt van suikerriet;
   5) teelt van tabak;
   6) teelt van vezelgewassen;
   7) teelt van bloemen;
   8) teelt van andere eenjarige gewassen;
   9) teelt van druiven;
   10) teelt van tropisch en subtropisch fruit;
   11) teelt van citrusvruchten;
   12) teelt van pit- en steenvruchten;
   13) teelt van andere boomvruchten, kleinfruit en noten;
   14) teelt van oliehoudende vruchten;
   15) teelt van gewassen bestemd voor de vervaardiging van dranken;
   16) teelt van specerijgewassen en van aromatische en medicinale gewassen;
   17) teelt van andere meerjarige gewassen;
   18) boomkwekerijen, met uitzondering van bosboomkwekerijen;
   19) overige plantenvermeerdering;
   20) ondersteunende activiteiten in verband met de teelt van gewassen;
   21) voorbereiden van landbouwvelden;
   22) opzetten van een teelt;
   23) besproeien van gewassen ook vanuit de lucht;
   24) snoeien van fruitbomen en van wijnstokken;
   25) overplanten van rijst en uitdunnen van bieten;
   26) verhuur van landbouwmachines en -werktuigen met bedieningspersoneel;
   27) ongediertebestrijding (ook konijnen) met betrekking tot de landbouw;
   28) exploitatie van irrigatiesystemen voor de landbouw;
   29) bosbouw en andere bosbouwactiviteiten;
   30) exploitatie van bossen;
   31) verzamelen van in het wild groeiende producten met uitzondering van hout;
   32) ondersteunende diensten in verband met de bosbouw;
   33) landschapsverzorging;]11
   b) bovendien, voor de toepassing van de §§ 7 tot 9, de andere werken die het voorwerp moeten zijn van een voorafgaande aangifte met het oog op de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers krachtens de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;]7
   2° opdrachtgever : eenieder die de opdracht geeft om tegen een prijs werken uit te voeren of te laten uitvoeren;
   3° aannemer :
   - eenieder die er zich toe verbindt om tegen een prijs voor een opdrachtgever werken uit te voeren of te laten uitvoeren;
   - iedere onderaannemer ten overstaan van de na hem komende onderaannemers;
   4° onderaannemer : eenieder die er zich toe verbindt, hetzij rechtstreeks, hetzij onrechtstreeks, in welk stadium ook, tegen een prijs het aan de aannemer toevertrouwde werk of een onderdeel ervan uit te voeren of te laten uitvoeren of daartoe werknemers ter beschikking te stellen;
   5° [4 ...]4
   § 2. [4 ...]4
   § 3. De opdrachtgever die voor de in § 1 vermelde werken een beroep doet op een aannemer die sociale schulden heeft op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale schulden van zijn medecontractant.
   De aannemer die voor de in § 1 vermelde werken een beroep doet op een onderaannemer die sociale schulden heeft op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale schulden van zijn medecontractant.
   De artikelen 1200 tot en met 1216 van het Burgerlijk Wetboek zijn toepasselijk op de in de vorige leden bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid.
   De hoofdelijke aansprakelijkheid wordt beperkt tot de totale prijs van de werken toevertrouwd aan de aannemer of onderaannemer exclusief belasting over de toegevoegde waarde.
   De aannemer [8 of de opdrachtgever]8 zonder personeel, die hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld bij toepassing van §§ 3 en 4, wordt gelijkgesteld met een werkgever schuldenaar en is als dusdanig aangegeven in de databank die voor het publiek toegankelijk is, bedoeld in § 4, zesde lid, indien hij de geëiste bedragen niet vereffent binnen de dertig dagen na verzending van een aangetekende ingebrekestelling.
   De aannemer [8 of de opdrachtgever]8 die bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid als werkgever zonder eigen sociale schulden is geïdentificeerd en die hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld bij toepassing van §§ 3 en 4, is aangegeven als schuldenaar in de databank die voor het publiek toegankelijk is, bedoeld in § 4, zesde lid, indien hij de geëiste bedragen niet vereffent binnen de dertig dagen na verzending van een aangetekende ingebrekestelling.
   Men verstaat onder eigen sociale schulden, [9 de sommen]9 die verschuldigd kunnen zijn aan de Rijksdienst voor de Sociale Zekerheid [9 of aan een Fonds voor bestaanszekerheid in de zin van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid]9 in zijn hoedanigheid van werkgever. [11 Wordt beschouwd een schuldenaar te zijn ten overstaan van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, de werkgever die niet alle vereiste aangiften tot en met de aangiften betreffende het voorlaatste verlopen kwartaal heeft toegezonden aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Wordt beschouwd een schuldenaar te zijn ten overstaan van een Fonds voor Bestaanszekerheid, de werkgever van wie niet alle gegevens betreffende de brutobezoldigingen van de arbeiders tot en met het voorlaatste verlopen kwartaal ter beschikking zijn van het Fonds voor Bestaanszekerheid.]11 De Koning stelt hiervan een lijst op. [9 Hij kan een bedrag bepalen in bijdragen, opslagen, vaste vergoedingen, verwijlintresten of gerechtskosten onder hetwelk de werkgever niet wordt beschouwd als schuldenaar. Eveneens verduidelijkt Hij welke de gegevens zijn die in het bezit moeten zijn van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en/of het Fonds voor bestaanszekerheid om het bestaan te beoordelen van de betreffende schuld.]9
   Als sociale schulden worden ook beschouwd de sommen die opgeëist worden in het kader van de hoofdelijke aansprakelijkheid in de situaties bedoeld in het vijfde en het zesde lid.
   [10 ...]10
   De in deze paragraaf vermelde hoofdelijke aansprakelijkheid geldt ook voor de sociale schulden van de vennoten van een tijdelijke handelsvennootschap, een stille handelsvennootschap of een maatschap die optreedt als aannemer of onderaannemer.
   De in deze paragraaf vermelde hoofdelijke aansprakelijkheid is eveneens van toepassing op de sociale schulden van de aannemer of de onderaannemer die ontstaan in de loop van de uitvoering van de overeenkomst.
   De hier bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid in hoofde van de opdrachtgever of de aannemer wordt beperkt tot 65 pct. wanneer de in artikel 402, § 4, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid is toegepast in hoofde van dezelfde opdrachtgever of aannemer.
  [11 § 3/1. Voor de toepassing van paragraaf 3, zevende lid wordt beschouwd geen schuldenaar te zijn ten overstaan van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, de werkgever die :
   - aan de genoemde Rijksdienst alle geëiste aangiften heeft toegezonden tot en met de aangiften betreffende het voorlaatste verlopen kwartaal;
   - niet meer dan 2500,00 EUR verschuldigd is als bijdragen, vermeerderingen, vaste vergoedingen, verwijlinteresten of gerechtskosten;
   - in afwijking van het streepje dat voorafgaat, voor de werkgever die ressorteert onder het paritair comité voor het bouwbedrijf, de provisies betaald hebben die bepaald zijn bij artikel 34bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 in uitvoering van de wet van 27 juni 1969 ter herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der werknemers.
   Voor de toepassing van diezelfde bepaling wordt beschouwd geen schuldenaar te zijn ten overstaan van een Fonds voor bestaanszekerheid, de werkgever :
   - die valt onder bevoegdheid van het paritair comité voor het bouwbedrijf (PC 124);
   - waarvan alle gegevens betreffende de brutobezoldigingen van de arbeiders tot en met het voorlaatste verlopen kwartaal ter beschikking zijn van de Patronale Dienst voor Organisatie voor Kontrole van de Bestaanszekerheidsstelsels (PDOK), hetzij doordat die gegevens ter beschikking zijn via de Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid nadat ze door de werkgever via de Multifunctionele Aangifte (DmfA) aan de RSZ zijn toegezonden en door deze laatste gevalideerd, hetzij doordat de werkgever, die niet aan de DmfA is onderworpen, de vereiste aangiftes aan de PDOK heeft bezorgd;
   - die niet meer dan 70,00 EUR verschuldigd is als verschuldigde bijdrage voor de financiering van de getrouwheids- en weerverletzegels.]11
  [5 [11 § 3/2.]11 Wanneer de betaling van de sommen die van een onderaannemer worden gevorderd bij toepassing van de hoofdelijke aansprakelijkheid bedoeld in § 3 eerste en tweede lid, niet of niet volledig werd verricht, zullen [8 de opdrachtgever,]8 de aannemer bedoeld in § 7, eerste lid, alsook iedere tussenkomende onderaannemer hiervoor hoofdelijk aansprakelijk zijn.
   De hoofdelijke aansprakelijkheid wordt in de eerste plaats toegepast in hoofde van de aannemer die een beroep heeft gedaan op de onderaannemer die de sommen die van hem in toepassing van § 3, eerste en tweede lid, worden gevorderd, niet of niet volledig heeft betaald.
   Vervolgens wordt een getrapte aansprakelijkheid toegepast ten opzichte van de in een voorafgaand stadium tussenkomende aannemers [8 en in de laatste plaats ten opzichte van de opdrachtgever]8, wanneer de in het vorige lid vermelde aannemer nagelaten heeft de bij hem gevorderde sommen binnen dertig dagen [6 na de verzending van een aangetekende ingebrekestelling ]6 te vereffenen.]5
   § 4. De opdrachtgever die voor de in § 1 vermelde werken een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een aannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, is verplicht bij die betaling 35 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan voormelde Rijksdienst, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning.
   De aannemer die, voor de in § 1 vermelde werken een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een onderaannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, is verplicht bij die betaling 35 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan voormelde Rijksdienst, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning.
   De in deze paragraaf bedoelde inhoudingen en stortingen worden in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de schulden van de aannemer of onderaannemer op het ogenblik van de betaling.
   Wanneer de in deze paragraaf bedoelde inhouding en storting correct zijn uitgevoerd bij elke betaling van een deel of het geheel van de prijs aan een aannemer of onderaannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, wordt de in § 3 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid niet toegepast.
   Wanneer de in deze paragraaf bedoelde inhouding en storting niet correct zijn uitgevoerd bij elke betaling van een deel of het geheel van de prijs aan een aannemer of onderaannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, worden bij de toepassing van de in § 3 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid de eventueel gestorte bedragen in mindering gebracht van het bedrag waarvoor de opdrachtgever of de aannemer aansprakelijk wordt gesteld.
   Wanneer de opdrachtgever of de aannemer vaststelt, met behulp van de voor het publiek toegankelijke gegevensbank die is opgericht door de Rijksdienst voor sociale zekerheid en die bewijskracht heeft voor de uitvoering van de §§ 3 en 4, dat hij inhoudingen moet verrichten op de door zijn medecontractant voorgelegde facturen, en wanneer het bedrag van de factuur die hem is voorgelegd hoger is dan of gelijk aan 7 143,00 euro, nodigt hij zijn medecontractant uit om hem een attest over te leggen dat het bedrag van de schuld weergeeft als bijdrage, verhoging van bijdrage, burgerlijke sanctie, nalatigheidsinteresten en gerechtelijke kosten. Het bedoelde attest houdt rekening met de schuld op de dag waarop het is opgesteld. De Koning bepaalt de geldigheidstermijn van dit attest. Indien zijn medecontractant bevestigt dat de schulden hoger zijn dan de te verrichten inhoudingen of wanneer hij het bedoelde attest niet binnen de maand na de aanvraag overlegt, houdt de opdrachtgever of de aannemer 35 pct. van het factuurbedrag in en stort het aan de voormelde Rijksdienst.
   De Koning kan het bedrag van 7 143 euro, bedoeld in het voorgaande lid, aanpassen.
   Wanneer de aannemer een niet in België gevestigde werkgever is, die geen sociale schulden in België heeft en waarvan alle werknemers in het bezit zijn van een geldig detacheringsbewijs, zijn de inhoudingen, bedoeld in deze paragraaf, niet van toepassing op de aan hem verschuldigde betaling.
   De Koning bepaalt de inhoud en de voorwaarden en modaliteiten inzake toezending van de inlichtingen die de personen, bedoeld in deze paragraaf, moeten verstrekken aan voormelde Rijksdienst.
   De Koning bepaalt de nadere regelen volgens welke de voormelde Rijksdienst de in toepassing van het eerste en tweede lid gestorte bedragen verdeelt, ter betaling aan de Rijksdienst of aan een Fonds voor bestaanszekerheid in de zin van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid, van de bijdragen, de bijdrageopslagen, de burgerlijke sanctie, de verwijlintresten en de gerechtskosten die in welk stadium ook door de medecontractant verschuldigd zijn.
   De Koning bepaalt binnen welke termijn dit bedrag kan worden aangerekend, alsook de modaliteiten van terugbetaling of aanwending van het eventueel saldo.
   De Koning bepaalt binnen welke termijn de medecontractant het gestorte bedrag recupereert in de mate dat de stortingen het bedrag van de schulden overschrijden.
   § 5. [9 De]9 opdrachtgever die de in § 4, eerste lid, bedoelde storting niet verricht heeft, [9 is,]9 benevens de betaling van het te storten bedrag, aan de voormelde Rijksdienst bovendien een bijslag verschuldigd gelijk aan het te betalen bedrag.
   [9 De]9 aannemer die de in § 4, tweede lid, bedoelde storting niet verricht heeft, [9 is,]9 benevens de betaling van het te storten bedrag, aan de voormelde Rijksdienst bovendien een bijslag verschuldigd gelijk aan het te betalen bedrag.
   De Koning kan bepalen onder welke voorwaarden de bijslag kan worden verminderd. [9 Het beroep tegen de beslissing inzake vermindering dient, op straffe van verval, te worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing.]9
   § 6. De vennoten van een tijdelijke handelsvennootschap, een stille handelsvennootschap of een maatschap zijn onderling hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sommen die in uitvoering van dit artikel door de tijdelijke handelsvennootschap, de stille handelsvennootschap of de maatschap verschuldigd zijn.
   § 7. Alvorens de werken aan te vatten, moet de aannemer, op wie de opdrachtgever beroep heeft gedaan, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten, aan voormelde Rijksdienst alle juiste inlichtingen verstrekken die nodig zijn om de aard en de belangrijkheid van de werken te ramen en er de opdrachtgever en, in voorkomend geval, in welk stadium ook, de onderaannemers van te identificeren. Indien tijdens de uitvoering van de werken andere onderaannemers tussenkomen, moet deze aannemer voorafgaandelijk de voormelde Rijksdienst hiervan verwittigen.
   Daartoe moet iedere onderaannemer die op zijn beurt een beroep doet op een andere onderaannemer, voorafgaandelijk de aannemer daarvan schriftelijk in kennis stellen en hem alle juiste inlichtingen verstrekken, zoals bepaald door de Koning, die nodig zijn om de voormelde Rijksdienst in te lichten.
   [1 De aannemer licht de voormelde Rijksdienst in over de begin- en einddatum van de werken. De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder begin- en einddatum van de werken.]1
   Op dezelfde wijze, wanneer de aan de voormelde Rijksdienst gemelde tussenkomst van een onderaannemer wordt afgezegd, licht de aannemer de voormelde Rijksdienst hiervan in [1 ...]1.
  [7 Voor de toepassing van deze paragraaf, wordt met de aannemer gelijkgesteld :
   a) iedere aannemer die zijn eigen opdrachtgever is, dat wil zeggen de in § 1, 1°, a) bedoelde werken zelf uitvoert of laat uitvoeren voor eigen rekening om daarna dat onroerend goed geheel of gedeeltelijk te vervreemden;
   b) iedere aannemer die de in § 1, 1°, a), bedoelde werken voor eigen rekening uitvoert;
   c) voor de werken bedoeld in § 1, 1°, b), de persoon die een voorafgaande aangifte moet doen met het oog op de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers krachtens voormelde wet van 4 augustus 1996.]7
   De voormelde Rijksdienst stelt een elektronische kopie van de ontvangen meldingen ter beschikking van de bevoegde diensten van de Federale overheidsdienst Financiën.
   Deze meldingen worden ter beschikking gesteld van de inspectiediensten, bedoeld in [2 artikel 16, 1°, van het Sociaal Strafwetboek]2, die er om vragen.
   § 8. De aannemer of diegene die met hem wordt gelijkgesteld, die zich niet schikt naar de verplichtingen van § 7, eerste lid, is aan voormelde Rijksdienst een som verschuldigd gelijk aan 5 pct. van het totaal bedrag van de werken, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, die niet aan de Rijksdienst werden gemeld. De som die bij de aannemer gevorderd wordt, wordt verminderd met het bedrag dat daadwerkelijk werd betaald aan de Rijksdienst door de onderaannemer met toepassing van de bepaling van het hierna volgende lid.
   De onderaannemer die zich niet schikt naar de bepalingen van § 7, tweede lid, is aan de Rijksdienst een som verschuldigd gelijk aan 5 pct. van het totaal bedrag van de werken, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, die hij heeft toevertrouwd aan zijn onderaannemer of aan zijn onderaannemers.
   [1 ...]1
   § 9. [7 De Koning kan de toepassing van de §§ 7 en 8 beperken tot de werken waarvan het totaal bedrag hoger is dan een door Hem te bepalen bedrag en waarvoor geen beroep is gedaan op een onderaannemer.
   De Koning kan eveneens de toepassing van de §§ 7 en 8 beperken tot de werken waarvan het totaal bedrag hoger is dan een door Hem te bepalen bedrag en waarvoor er beroep is gedaan op één enkele onderaannemer.
   De beperkingen bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de werken bedoeld in § 1, 1°, b), die het voorwerp moeten zijn van een voorafgaande aangifte met het oog op de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers krachtens voormelde wet van 4 augustus 1996.
   De Koning kan bepalen onder welke voorwaarden de som die verschuldigd is ingevolge § 8 kan worden verminderd of vrijstelling van betaling kan worden verleend.]7 [9 Het beroep tegen de beslissing inzake vermindering of vrijstelling dient, op straffe van verval, te worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing.]9
   § 10. Dit artikel is niet van toepassing op de opdrachtgever-natuurlijke persoon die de in § 1 vermelde werken uitsluitend voor privé-doeleinden laat uitvoeren.
   § 11. Dit artikel blijft van toepassing in geval van faillissement of elke andere samenloop van schuldeisers alsook bij cessie, beslag onder derden, inpandgeving, inbetalinggeving of in artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtstreekse vordering [3 ...]3.
   ----------
  (1)<W 2009-12-23/04, art. 67, 039; Inwerkingtreding : 01-04-2014, zie KB 2014-02-11/05, art. 18, L1>
  (2)<W 2010-06-06/06, art. 51, 041; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (3)<W 2013-05-27/15, art. 47, 047; Inwerkingtreding : 01-08-2013>
  (4)<W 2011-11-07/02, art. 19, 043; Inwerkingtreding : 01-09-2012>
  (5)<W 2012-03-29/08, art. 61, 044; Inwerkingtreding : 16-04-2012>
  (6)<W 2012-12-27/06, art. 38, 046; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (7)<W 2013-12-08/07, art. 2, 049; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (8)<W 2015-08-10/03, art. 18, 057; Inwerkingtreding : 28-08-2015>
  (9)<W 2015-07-20/13, art. 7, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2015; zie ook W 2015-07-20/13, art. 9>
  (10)<W 2016-12-01/22, art. 3, 065; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (11)<W 2018-12-21/49, art. 45, 072; Inwerkingtreding : 01-04-2019>

  Art. 30ter.[1 § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
   1° activiteiten : de werken of diensten bepaald door de Koning na eenparig advies van de bevoegde paritaire comités of subcomités. Dit advies kan echter gegeven worden door de Nationale Arbeidsraad wanneer de activiteiten behoren tot de bevoegdheid van verschillende paritaire comités. Bij ontstentenis van bevoegd of werkend paritair comité of subcomité wordt dit advies gegeven door de Nationale Arbeidsraad. Het geraadpleegde orgaan deelt zijn advies mee binnen twee maanden nadat hem het verzoek is gedaan door de bevoegde minister. Bij ontstentenis van een eenparig advies bepaalt de Koning de werken of diensten bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
   2° opdrachtgever : eenieder die opdracht geeft om tegen een prijs activiteiten uit te voeren of te doen uitvoeren;
  [4 De Koning kan, na eenparig advies van de bevoegde paritaire comités of subcomités, de aannemer gelijkstellen met de opdrachtgever. In dat geval neemt deze aannemer alle rechten en plichten als bedoeld in dit artikel over van de opdrachtgever.]4
   3° aannemer :
   - eenieder die er zich toe verbindt om tegen een prijs voor een opdrachtgever activiteiten uit te voeren of te doen uitvoeren;
   - iedere onderaannemer ten overstaan van de na hem komende onderaannemers;
  [4 - wanneer de Koning gebruik heeft gemaakt van de delegatie die hem werd toevertrouwd in de bepaling onder 2°, de aannemer die gelijkgesteld werd met de opdrachtgever;]4
   4° onderaannemer : eenieder die er zich toe verbindt, hetzij rechtstreeks, hetzij onrechtstreeks, in welk stadium ook, tegen een prijs de aan de aannemer toevertrouwde activiteit of een onderdeel ervan uit te voeren of te laten uitvoeren of daartoe werknemers ter beschikking te stellen.
   § 2. De opdrachtgever die voor de in § 1, 1°, vermelde activiteiten een beroep doet op een aannemer die sociale schulden heeft op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale schulden van zijn medecontractant.
   De aannemer die voor de in § 1, 1°, vermelde activiteiten een beroep doet op een onderaannemer die sociale schulden heeft op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale schulden van zijn medecontractant.
   De artikelen 1200 tot en met 1216 van het Burgerlijk Wetboek zijn toepasselijk op de in de vorige leden bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid.
   De hoofdelijke aansprakelijkheid wordt beperkt tot de totale prijs van de activiteiten toevertrouwd aan de aannemer of onderaannemer, exclusief belasting over de toegevoegde waarde.
   De aannemer zonder personeel, die hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld bij toepassing van §§ 2 en 3, wordt gelijkgesteld met een werkgever schuldenaar en is als dusdanig aangegeven in de databanken bedoeld in artikel 12 van deze wet, indien hij de geëiste bedragen niet vereffent binnen de dertig dagen na verzending van een aangetekende ingebrekestelling.
   De aannemer die bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid als werkgever zonder eigen sociale schulden is geïdentificeerd en die hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld bij toepassing van §§ 2 en 3, is aangegeven als schuldenaar in de databanken bedoeld in artikel 12 van deze wet, indien hij de geëiste bedragen niet vereffent binnen de dertig dagen na verzending van een aangetekende ingebrekestelling.
   Men verstaat onder eigen sociale schulden, [3 de sommen]3 die verschuldigd kunnen zijn aan de Rijksdienst voor de Sociale Zekerheid of aan een Fonds voor bestaanszekerheid in de zin van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid in zijn hoedanigheid van werkgever. [5 Wordt beschouwd een schuldenaar te zijn ten overstaan van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, de werkgever die niet alle vereiste aangiften tot en met de aangiften betreffende het voorlaatste verlopen kwartaal heeft toegezonden aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Wordt beschouwd een schuldenaar te zijn ten overstaan van een Fonds voor Bestaanszekerheid de werkgever voor wie niet alle gegevens betreffende de brutobezoldigingen van de arbeiders tot en met het voorlaatste verlopen kwartaal ter beschikking zijn van het Fonds voor Bestaanszekerheid.]5 De Koning stelt hiervan een lijst op. [3 Hij kan een bedrag bepalen in bijdragen, opslagen, vaste vergoedingen, verwijlintresten of gerechtskosten onder hetwelk de werkgever niet wordt beschouwd als schuldenaar. Eveneens verduidelijkt Hij welke de gegevens zijn die in het bezit moeten zijn van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en/of het Fonds voor bestaanszekerheid om het bestaan te beoordelen van de betreffende schuld.]3
   Als sociale schulden worden ook beschouwd de sommen die opgeëist worden in het kader van de hoofdelijke aansprakelijkheid in de situaties bedoeld in het vijfde en het zesde lid.
   De in deze paragraaf vermelde hoofdelijke aansprakelijkheid geldt ook voor de sociale schulden van de vennoten van een tijdelijke handelsvennootschap, een stille handelsvennootschap of een maatschap die optreedt als aannemer of onderaannemer.
   De in deze paragraaf vermelde hoofdelijke aansprakelijkheid is eveneens van toepassing op de sociale schulden van de aannemer of de onderaannemer die ontstaan in de loop van de uitvoering van de overeenkomst.
   De hier bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid in hoofde van de opdrachtgever of de aannemer wordt beperkt tot 65 pct. wanneer de in artikel 402, § 4, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid is toegepast in hoofde van dezelfde opdrachtgever of aannemer.
   § 3. Wanneer de betaling van de sommen die van een onderaannemer worden gevorderd bij toepassing van de hoofdelijke aansprakelijkheid bedoeld in § 2, eerste en tweede lid, niet of niet volledig werd verricht, zullen de aannemer bedoeld in § 7, eerste lid, alsook iedere tussenkomende onderaannemer hiervoor hoofdelijk aansprakelijk zijn.
   De hoofdelijke aansprakelijkheid wordt in de eerste plaats toegepast in hoofde van de aannemer die een beroep heeft gedaan op de onderaannemer die de sommen die van hem in toepassing van § 2, eerste en tweede lid worden gevorderd, niet of niet volledig heeft betaald.
   Vervolgens wordt een getrapte aansprakelijkheid toegepast ten opzichte van de in een voorafgaand stadium tussenkomende aannemers, wanneer de in het vorige lid vermelde aannemer nagelaten heeft de bij hem gevorderde sommen binnen dertig dagen [2 na de verzending van een aangetekende ingebrekestelling ]2 te vereffenen.
  [5 § 3/1. Voor de toepassing van paragraaf 2, zevende lid wordt beschouwd geen schuldenaar te zijn ten overstaan van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, de werkgever die :
   - aan de genoemde Rijksdienst alle vereiste aangiften heeft toegezonden tot en met de aangiften betreffende het voorlaatste verlopen kwartaal;
   - niet meer dan 2500,00 EUR verschuldigd is als bijdragen, vermeerderingen, vaste vergoedingen, verwijlinteresten of gerechtskosten;
   Voor de toepassing van diezelfde bepaling wordt niet beschouwd als schuldenaar ten overstaan van een Fonds voor bestaanszekerheid, de werkgever :
   - die onder de bevoegdheid valt van het paritair comité voor de bewakings- en/of toezichtsdiensten (PC 317), ongeacht of hij al dan niet door de minister van Binnenlandse Zaken gemachtigd is om op te treden;
   - waarvan alle gegevens betreffende de brutobezoldigingen van de arbeiders tot en met het voorlaatste verlopen kwartaal ter beschikking zijn van het Fonds, doordat die gegevens ter beschikking zijn via de Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid nadat ze door de werkgever via de Multifunctionele Aangifte (DmfA) aan de RSZ zijn toegezonden en door deze laatste gevalideerd;
   - die niet meer dan 900,00 EUR verschuldigd is als bijdrage aan dit Fonds.]5
   § 4. De opdrachtgever die voor de in § 1, 1°, vermelde activiteiten een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een aannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, is verplicht bij die betaling 35 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan voormelde Rijksdienst, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning.
   De aannemer die, voor de in § 1, 1°, vermelde activiteiten een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een onderaannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, is verplicht bij die betaling 35 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan voormelde Rijksdienst, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning.
   De in deze paragraaf bedoelde inhoudingen en stortingen worden in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de schulden van de aannemer of onderaannemer op het ogenblik van de betaling.
   Wanneer de in deze paragraaf bedoelde inhouding en storting correct zijn uitgevoerd bij elke betaling van een deel of het geheel van de prijs van de activiteiten aan een aannemer of onderaannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, wordt de in § 2 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid niet toegepast.
   Wanneer de in deze paragraaf bedoelde inhouding en storting niet correct zijn uitgevoerd bij elke betaling van een deel of het geheel van de prijs aan een aannemer of onderaannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, worden bij de toepassing van de in § 2 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid de eventueel gestorte bedragen in mindering gebracht van het bedrag waarvoor de opdrachtgever of de aannemer aansprakelijk wordt gesteld.
   Wanneer de opdrachtgever of de aannemer vaststelt, met behulp van de in artikel 12 van deze wet bedoelde databanken, dat hij inhoudingen moet verrichten op de door zijn medecontractant voorgelegde facturen, en wanneer het bedrag van de factuur die hem is voorgelegd hoger is dan of gelijk aan 7 143,00 euro, nodigt hij zijn medecontractant uit om hem een attest over te leggen dat het bedrag van de schuld weergeeft als bijdrage, verhoging van bijdrage, burgerlijke sancties, nalatigheidsinteresten en gerechtelijke kosten. Het bedoelde attest houdt rekening met de schuld op de dag waarop het is opgesteld. De Koning bepaalt de geldigheidstermijn van dit attest. Indien zijn medecontractant bevestigt dat de schulden hoger zijn dan de te verrichten inhoudingen of wanneer hij het bedoelde attest niet binnen de maand na de aanvraag overlegt, houdt de opdrachtgever of de aannemer 35 pct. van het factuurbedrag in en stort het aan de voormelde Rijksdienst.
   De Koning kan het bedrag van 7.143 euro, bedoeld in het voorgaande lid, aanpassen.
   Wanneer de aannemer een niet in België gevestigde werkgever is, die geen sociale schulden in België heeft en waarvan alle werknemers in het bezit zijn van een geldig detacheringsbewijs, zijn de inhoudingen, bedoeld in deze paragraaf, niet van toepassing op de aan hem verschuldigde betaling.
   De Koning bepaalt de inhoud en de voorwaarden en nadere regels inzake toezending van de inlichtingen die de personen, bedoeld in deze paragraaf, moeten verstrekken aan voormelde Rijksdienst.
   De Koning bepaalt de nadere regels volgens welke de voormelde Rijksdienst de in toepassing van het eerste en tweede lid gestorte bedragen verdeelt, ter betaling aan de Rijksdienst of aan een Fonds voor bestaanszekerheid in de zin van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid, van zowel de bijdragen als de gerechtskosten, de bijdrageopslagen, de vaste vergoedingen en de verwijlintresten.
   De Koning bepaalt binnen welke termijn dit bedrag kan worden aangerekend, alsook de modaliteiten van terugbetaling of aanwending van het eventueel saldo.
   De Koning bepaalt binnen welke termijn de medecontractant het gestorte bedrag recupereert in de mate dat de stortingen het bedrag van de schulden overschrijden.
   § 5. De opdrachtgever die de storting bedoeld in § 4, eerste lid, niet verricht heeft, is bovenop de betaling van het te storten bedrag, aan de voornoemde Rijksdienst een bijslag verschuldigd gelijk aan het te betalen bedrag.
   De aannemer die de storting bedoeld in § 4, tweede lid, niet verricht heeft, is bovenop de betaling van het te storten bedrag, aan de voornoemde Rijksdienst een bijslag verschuldigd gelijk aan het te betalen bedrag.
   In geval van toepassing van de hoofdelijke aansprakelijkheid bedoeld in paragraaf 2, mogen de gevorderde bedragen in het kader van deze hoofdelijke aansprakelijkheid en de bijslagen niet hoger zijn dan het bedrag van de schuld van de medecontractant voor dewelke de hoofdelijke aansprakelijkheid werd ingeroepen.
   De Koning kan bepalen onder welke voorwaarden de bijslag kan worden verminderd. [3 Het beroep tegen de beslissing inzake vermindering dient, op straffe van verval, te worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing.]3
   § 6. De vennoten van een tijdelijke handelsvennootschap, een stille handelsvennootschap of een maatschap zijn onderling hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sommen die in uitvoering van dit artikel door de tijdelijke handelsvennootschap, de stille handelsvennootschap of de maatschap verschuldigd zijn.
   § 7. In de sectoren en voor de activiteiten bepaald door de Koning moet de aannemer, op wie de opdrachtgever beroep heeft gedaan, alvorens de activiteiten aan te vatten, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten aan voormelde Rijksdienst alle juiste inlichtingen verstrekken die nodig zijn om de aard en de belangrijkheid van de activiteiten te ramen en er de opdrachtgever en, in voorkomend geval, in welk stadium ook, de onderaannemers van te identificeren. Indien tijdens de uitvoering van de activiteiten andere onderaannemers tussenkomen, moet deze aannemer voorafgaandelijk de voormelde Rijksdienst hiervan verwittigen. [4 Wanneer de Koning gebruik heeft gemaakt van de delegatie als bedoeld in § 1, 2°, rust de verplichting tot melding op de met de opdrachtgever gelijkgestelde aannemer.]4
   Daartoe moet iedere onderaannemer die op zijn beurt een beroep doet op een andere onderaannemer, voorafgaandelijk de aannemer daarvan schriftelijk in kennis stellen en hem alle juiste inlichtingen verstrekken, zoals bepaald door de Koning, die nodig zijn om de voormelde Rijksdienst in te lichten.
   De voormelde Rijksdienst stelt een elektronische kopie van de ontvangen meldingen ter beschikking van de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën.
   Deze meldingen worden ter beschikking gesteld van de inspectiediensten bedoeld in artikel 16, 1°, van het Sociaal Strafwetboek, die erom vragen.
   § 8. De aannemer of diegene die met hem wordt gelijkgesteld, die zich niet schikt naar de verplichtingen van § 7, eerste lid, is aan voormelde Rijksdienst een som verschuldigd gelijk aan 5 pct. van het totaal bedrag van de activiteiten, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, die niet aan de Rijksdienst werden gemeld. De som die bij de aannemer gevorderd wordt, wordt verminderd met het bedrag dat daadwerkelijk werd betaald aan de Rijksdienst door de onderaannemer met toepassing van de bepaling van het tweede lid.
   De onderaannemer die zich niet schikt naar de bepalingen van § 7, tweede lid, is aan de Rijksdienst een som verschuldigd gelijk aan 5 pct. van het totaal bedrag van de activiteiten, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, die hij heeft toevertrouwd aan zijn onderaannemer of aan zijn onderaannemers.
   § 9. De Koning kan de toepassing van de §§ 7 en 8 beperken tot de activiteiten waarvan het totaal bedrag hoger is dan een door Hem te bepalen bedrag en waarvoor geen beroep is gedaan op een onderaannemer.
   De Koning kan bepalen onder welke voorwaarden de som die verschuldigd is ingevolge § 8 kan worden verminderd of vrijgesteld. [3 Het beroep tegen de beslissing inzake vermindering of vrijstelling dient, op straffe van verval, te worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing.]3
   § 10. Dit artikel is niet van toepassing op de opdrachtgever-natuurlijke persoon die de in § 1 vermelde activiteiten uitsluitend voor privédoeleinden laat uitvoeren.
   § 11. Dit artikel blijft van toepassing in geval van faillissement of elke andere samenloop van schuldeisers alsook bij cessie, beslag onder derden, inpandgeving, inbetalinggeving of in artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtstreekse vordering of een procedure van gerechtelijke reorganisatie.]1
  ----------
  (1)<Hersteld bij W 2012-03-29/08, art. 62, 044; Inwerkingtreding : 16-04-2012>
  (2)<W 2012-12-27/06, art. 39, 046; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (3)<W 2015-07-20/13, art. 8, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2015; zie ook W 2015-07-20/13, art. 9>
  (4)<W 2015-11-16/05, art. 39, 059; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (5)<W 2018-12-21/49, art. 46, 072; Inwerkingtreding : 01-04-2019>

  Art. 30quater. <W 1990-12-29/30, art. 14, 006; Inwerkingtreding : onbepaald> § 1. Onverminderd de verplichtingen die door deze wet worden opgelegd aan elke werkgever, is de persoon die, met het oog op het ontsnappen aan de sociale zekerheidswetgeving voor werknemers, in de hoedanigheid van werkend vennoot van een coöperatieve vennootschap ten onrechte is toegetreden tot het sociaal statuut der zelfstandigen ingericht door het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van het werknemersaandeel in de sociale-zekerheidsbijdragen, verhoogd met de bijdrageopslagen en de intresten die betrekking hebben op de door hem uitgeoefende activiteiten vanaf de toetreding tot het voormeld sociaal statuut voor zelfstandigen.
  § 2. De Koning kan bepaalde categorieën van personen uitsluiten uit het toepassingsgebied van § 1.
  § 3. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze bepaling.

  Afdeling 3. - Toezicht.

  Art. 31.[1 De inbreuken op de bepalingen van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
   De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 52, 041; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Art. 32.[1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 21°, 041; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Art. 32bis. (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 233, 005; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 33. (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 233, 005; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 34. (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 233, 005; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Afdeling 4. - Strafbepalingen.

  Art. 35.[2 opgeheven]2
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 53, 040; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<W 2010-06-06/06, art. 109, 21°, 041; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Art. 36.[1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 21°, 041; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Art. 37.[1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 21°, 041; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Art. 38.[1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 21°, 041; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Art. 39.[1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 21°, 041; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Afdeling 5. - Invordering.

  Art. 40.[1 § 1. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gaat over tot invordering bij wijze van dwangbevel van de aan hem verschuldigde bedragen, onverminderd zijn recht om voor de rechter te dagvaarden.
  [3 Alvorens over te gaan tot gerechtelijke invordering of invordering via dwangbevel, verzendt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de schuldenaar een laatste ingebrekestelling met een boekhoudkundige verantwoording van de bedragen waarop de invordering betrekking heeft, bij aangetekend schrijven of door middel van een elektronische techniek zoals bedoeld in artikel 4/2 van de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid.
   Deze ingebrekestelling moet, op straffe van nietigheid, vermelden dat de Rijksdienst, indien de schuldenaar niet overgaat tot betwisting van de verschuldigde bedragen en geen afbetalingstermijnen vraagt en verkrijgt, per aangetekende zending, binnen de maand te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van de ingebrekestelling, kan overgaan tot de invordering van deze bedragen door middel van een dwangbevel.
   De ingebrekestelling moet de mogelijkheden vermelden waarover de schuldenaar beschikt om de schuldvordering te betwisten alsook de nadere regels voor de betwisting. De ingebrekestelling moet eveneens de mogelijkheid vermelden om afbetalingstermijnen te vragen.
   Het toestaan van afbetalingstermijnen door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid schorst de uitvaardiging van een eventueel dwangbevel alsook de invordering via gerechtelijke weg, en dit in zoverre de toegekende afbetalingstermijnen strikt worden nageleefd.]3
   § 2. De bijdragen, bijdrageopslagen, verwijlintresten, de forfaitaire vergoedingen met inbegrip van de bijslagen en sommen als bedoeld in de artikelen 30bis en 30ter kunnen [3 , indien zij niet het voorwerp uitmaken van betwisting,]3 worden ingevorderd door middel van dwangbevel vanaf het ogenblik dat het bijzonder kohier waarin zij zijn opgenomen uitvoerbaar is verklaard.
   Een uitvoerbaar verklaard kohier geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering.
   De kohieren worden uitvoerbaar verklaard door de administrateur-generaal, de adjunct-administrateur-generaal of een personeelslid waaraan deze bevoegdheid werd gedelegeerd door het Beheerscomité.
   § 3. Het dwangbevel van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt uitgevaardigd door de administrateur-generaal, de adjunct-administrateur-generaal of een personeelslid waaraan deze bevoegdheid werd gedelegeerd door het Beheerscomité.
   § 4. Het dwangbevel wordt aan de schuldenaar bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend. De betekening bevat een bevel om te betalen binnen de 24 uren op straffe van tenuitvoerlegging door beslag, alsook een boekhoudkundige verantwoording van de gevorderde bedragen en een afschrift van de uitvoerbaarverklaring.
   § 5. De schuldenaar kan tegen het dwangbevel verzet aantekenen voor de arbeidsrechtbank van zijn woonplaats of zijn maatschappelijke zetel.
   Het verzet is, op straffe van nietigheid, met redenen omkleed; het dient gedaan te worden [3 hetzij door middel van een dagvaarding aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bij deurwaardersexploot betekend, hetzij door middel van een verzoekschrift op tegenspraak, en dit binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de betekening van het dwangbevel]3. De bepalingen van hoofdstuk VIII, eerste deel, van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op deze termijn, met inbegrip van de verlengingen bepaald bij artikel 50, tweede lid, en artikel 55 van dit Wetboek.
   De uitoefening van verzet tegen het dwangbevel schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, alsook de verjaring van de schuldvorderingen opgenomen in het dwangbevel, tot de uitspraak over de gegrondheid ervan is geveld. De reeds eerder gelegde beslagen behouden hun bewarend karakter.
   § 6. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid mag bewarend beslag laten leggen en het dwangbevel uitvoeren met gebruikmaking van de middelen tot tenuitvoerlegging bepaald bij deel V van het Gerechtelijk Wetboek.
   De gedeeltelijke betalingen gedaan ingevolge de betekening van een dwangbevel verhinderen de voortzetting van de vervolgingen niet.
   § 7. De betekeningskosten van het dwangbevel evenals de kosten van tenuitvoerlegging of van bewarende maatregelen zijn ten laste van de schuldenaar.
   Zij worden bepaald volgens de regels in acht te nemen voor de akten van de gerechtsdeurwaarders in burgerlijke zaken en handelszaken.
   § 8. De administratieve en gerechtelijke invordering van de bijdragen, bijdrageopslagen, verwijlintresten, gerechtskosten, de forfaitaire vergoedingen met inbegrip van de bijslagen en sommen als bedoeld in de artikelen 30bis en 30ter, is een opdracht van openbare dienst die door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan worden gedelegeerd aan een concessiehouder. Deze opdracht behelst alle voorbereidende handelingen en uitvoeringsdaden noodzakelijk voor de administratieve en gerechtelijke invordering van de niet betaalde schuldvorderingen waarvan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de invordering verzekert, zoals onder meer de verdeling van de verzoeken tot tussenkomst door de bevoegde gerechtsdeurwaarders, het administratieve en financiële beheer van de gerechtsdeurwaarders, het elektronisch overmaken aan deze laatsten van de persoonlijke gegevens van de schuldenaars, van de vonnissen, dwangbevelen en andere uitvoerbare titels die betekend en uitgevoerd moeten worden, de opvolging en de rapportering van hun betekening en gedwongen tenuitvoeringlegging, alsook het administratieve beheer van de eventuele minnelijke of gerechtelijke betwistingen ervan.
   De mededeling van de persoonlijke gegevens van de schuldenaars van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de concessiehouder en aan de gerechtsdeurwaarders en de verwerking ervan, in het kader van de opdracht van openbare dienst bedoeld in het eerste lid, hebben als enig doel de invordering van de onbetaalde schuldvorderingen waarmee de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid belast is.
   De persoonlijke gegevens die kunnen worden behandeld overeenkomstig het tweede lid zijn de persoonlijke gegevens noodzakelijk voor de invordering van de onbetaalde schuldvorderingen waarvan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de invordering verzekert, waaronder deze vermeld op de uitvoerbare titels, zoals de identificatiegegevens van de schuldenaars. Het betreft gegevens zoals onder meer :
   - naam, voornamen, rijksregisternummer, geboortedatum, geboorteplaats, geslacht, burgerlijke stand, huwelijksvermogensstel, beroep, samenstelling van het gezin, contactgegevens (e-mail, telefoon,...), woonplaats en verblijfplaats, bankrekeningnummer van de schuldenaar of van een derde-beslagene, van een revindicant, van een erfgenaam of een mede-eigenaar, mede-beslaglegger, lasthebber, vennoot;
   - de uitvoerbare titels verkregen door de RSZ;
   - de gerechtsdeurwaardersakten;
   - de roerende of onroerende, lichamelijke of onlichamelijke beslagbare goederen beschreven door de gerechtsdeurwaarder;
   - de gegevens die opgenomen moeten zijn in de gerechtsdeurwaardersakten zoals bepaald in het Gerechtelijk Wetboek;
   - het bedrag en de aard van de sociale schulden;
   - de gegevens uitgewisseld om de uitvoering van de uitvoerbare titels te verzekeren;
   - het uittreksel van het bestand van beslagberichten;
   - de staat van de gerechtelijke procedures betreffende de lopende beslagen.
   De betreffende gegevens worden behandeld met inachtneming van de beginselen als bedoeld [2 in de regelgeving inzake de verwerking van persoonsgegevens]2.
   De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is de verantwoordelijke voor de verwerking van deze persoonlijke gegevens. Hij is bevoegd om deze persoonlijke gegevens mede te delen aan de concessiehouder en aan de gerechtsdeurwaarders, met het oog op de behandeling ervan met respect voor de wettelijke doelstellingen bepaald in het derde lid.
   De concessiehouder mag deze niet langer bewaren dan de termijn noodzakelijk om de invorderingsprocedure tot een einde te brengen, met name tot de betaling van de schuld of de verklaring van niet-invorderbaarheid en de beëindiging van de tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder in de betreffende procedure.]1
  
  (NOTA : bij arrest nr.49/2019 van 04-04-2019 (B.St. 10-05-2019, p. 45369), heeft het Grondwettelijk Hof vernietigd : artikel 40, § 5, tweede lid, van dezelfde wet van 27 juni 1969, zoals het werd vervangen bij artikel 4 van de voormelde wet van 1 december 2016, in zoverre het niet toelaat dat het verzet tegen een dwangbevel wordt gedaan door middel van een verzoekschrift op tegenspraak en in zoverre het bepaalt dat dat verzet moet worden gedaan binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de betekening van het dwangbevel;)
  ----------
  (1)<W 2016-12-01/22, art. 4, 065; Inwerkingtreding : 01-01-2017>(NOTA : bij arrest nr.49/2019 van 04-04-2019 (B.St. 10-05-2019, p. 45369), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd, zoals het werd vervangen bij artikel 4 van de wet van 1 december 2016 « tot wijziging van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en tot opheffing van hoofdstuk III, afdeling 3, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wat betreft de invordering door middel van dwangbevel door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en tot wijziging van de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid », in zoverre het niet voorziet in een procedure die voorafgaat aan het verlenen van een dwangbevel en die de in B.20.2 opgesomde waarborgen bevat;)
  (2)<W 2018-12-21/49, art. 52, 072; Inwerkingtreding : 01-10-2018>
  (3)<W 2019-06-26/01, art. 8, 074; Inwerkingtreding : 17-06-2019>

  Art. 40bis. <Ingevoegd bij W 2005-07-03/46, art. 43; Inwerkingtreding : onbepaald> De Rijksdienst kan aan zijn schuldenaars op minnelijke wijze afbetalingstermijnen toestaan, volgens de voorwaarden en modaliteiten vastgelegd door de Koning na het advies van de Beheerscomité, vooraleer tot een dagvaarding voor de rechter over te gaan of door middel van een dwangbevel tewerk te gaan.

  Art. 40ter. <ingevoegd bij W 2006-07-20/38, art. 60; Inwerkingtreding : 01-07-2006> De inningsinstelling van de sociale zekerheidsbijdragen kan de gegevens van klanten en derden, evenals de nog openstaande sommen die klanten en derden nog verschuldigd zijn, aan de werkgevers die schulden hebben tegenover haar, op eenvoudig verzoek opvragen vanaf het ogenblik dat de werkgever de sociale bijdragen van twee opeisbare kwartalen in de voorbije twaalf maanden niet betaald heeft en hiervoor geen minnelijke aanzuiveringregeling heeft die stipt nageleefd wordt.
  De Koning stelt specifieke regels vast met betrekking tot de inhoud van de mededeling, de aard en de inhoud van de te verstrekken inlichtingen en de over te leggen stukken, alsmede de termijnen waarbinnen het doen van de mededeling, het verstrekken van de stukken dienen te geschieden. De Koning kan eveneens de modaliteiten bepalen voor de overbrenging van de mededeling.
  Indien de door de Koning vastgelegde voorwaarden niet worden nageleefd of indien de overgemaakte gegevens onjuist zijn, kan de inningsinstelling de bestuurder of de bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk, en de stichtingen, die belast is of zijn met de dagelijkse leiding van de vennootschap of van de rechtspersoon persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk stellen voor het geheel of een deel van de verschuldigde sociale bijdragen, bijdrageopslagen, verwijlinteresten en de forfaitaire vergoeding bedoeld in (artikel 54ter) van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van deze wet. <W 2006-12-27/32, art. 90, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Deze persoonlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid kan worden uitgebreid naar de andere bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon indien in hunnen hoofde een fout wordt aangetoond die heeft bijgedragen tot de in het vorige lid bedoelde tekortkoming.
  De inningsinstelling stelt hiertoe de vordering inzake persoonlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid van de in de vorige leden bedoelde bestuurders in bij de bevoegde rechtbank.
  De inningsinstelling kan voor de invordering van deze verschuldigde sommen gebruik maken van de invorderingsmodaliteiten zoals voorzien in artikel 40.

  Art. 40quater. [1 Bij gebrek aan betaling binnen de vastgestelde termijn kunnen de bijdragen, de bijdrageverhogingen, de verwijlinteresten, de forfaitaire vergoedingen en de bijdragen ingevolge regularisatie, die verschuldigd zijn aan de Rijksdienst, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels, ambtshalve worden afgehouden van de rekening van de aangesloten provinciale en plaatselijke besturen bij de hierna volgende instellingen : BELFIUS, BNP PA-RIBAS FORTIS, bpost en de Nationale Bank van België, achtereenvolgens in de voornoemde volgorde.
   Het koninklijk besluit nr. 286 van 31 maart 1984 houdende maatregelen om een betere inning te verzekeren van de Sociale Zekerheidsbijdragen en solidariteitsbijdragen is eveneens van toepassing met betrekking tot de aan de Rijksdienst verschuldigde bedragen.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 21, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Afdeling 6. - (Voorrechten en rechten van de inningsinstellingen van de sociale zekerheidsbijdragen inzake invordering) <W 2005-07-03/46, art. 45, 025; Inwerkingtreding : 23-02-2007>

  Art. 41. <wijzigingsbepaling>

  Art. 41bis. <Ingevoegd bij W 2005-07-03/46, art. 46; Inwerkingtreding : 23-02-2007> In de zin van onderhavige sectie, wordt begrepen door de inningsinstellingen van sociale zekerheidsbijdragen de drie volgende instellingen : de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten.

  Art. 41ter. <Ingevoegd bij W 2005-07-03/46, art. 47; Inwerkingtreding : 23-02-2007> § 1. Elke schuldvordering van de inninginstelling van de sociale zekerheidsbijdragen die het voorwerp heeft uitgemaakt van een uitvoerbare titel of (die aanleiding kan geven) tot een bewarend beslag of die het voorwerp uitmaakt van een beschikking waarbij het bewarend beslag wordt toegestaan, wordt gewaarborgd door een wettelijke hypotheek (op al de goederen die in België gelegen zijn, waarvan de schuldenaar (of de hoofdelijk aansprakelijke bij toepassing van artikelen 265, 409 en 530 van het Wetboek van vennootschappen) eigenaar of naakte eigenaar is alsook op de goederen op welke hij over een recht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal beschikt) en daarvoor vatbaar zijn. <W 2006-07-20/39, art. 146, 1° en 2°, 028; Inwerkingtreding : 01-08-2006> <W 2006-12-27/32, art. 92, 029; Inwerkingtreding : 01-03-2007>
  § 2. De wettelijke hypotheek doet geen afbreuk aan de vorige voorrechten en hypotheken; zij neemt slechts rang op het moment van de inschrijving ervan.
  § 3. De wettelijke hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de inningsinstelling van de sociale zekerheidsbijdragen.
  Artikel 19 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek wat de schuldvorderingen betreft bedoeld in § 1 en die dateren van vóór het vonnis van faillietverklaring.
  § 4. De inschrijving heeft plaats op voorlegging van da titel die hierop recht geeft, overeenkomstig § 1 en met inachtneming van artikel 89 van de hypotheekwet van 16 december 1851.
  § 5. De inningsinstelling van sociale zekerheidsbijdragen verleent handlichting in de administratieve vorm zonder dat zij, tegenover de hypotheekbewaarder, gehouden is verantwoording te verstrekken van de betaling van de verschuldigde sommen.
  § 6. Indien de schuldenaars, alvorens de bedragen vereffend te hebben die door de wettelijke hypotheek gewaarborgd zijn, alle of een deel van de bezwaarde goederen vrij wensen te maken van hypotheek, dienen zij daartoe een verzoek in bij de inningsinstelling van de sociale zekerheidsbijdragen. Dit verzoek zal worden ingewilligd indien de instelling reeds voldoende zekerheid bezit, of indien deze haar wordt gegeven, voor het bedrag van hetgeen haar verschuldigd is.
  § 7. De kosten voor hypothecaire formaliteiten met betrekking tot de wettelijke hypotheek zijn ten laste van de schuldenaar.

  Art. 41quater.<W 2006-12-27/32, art. 93, 029; Inwerkingtreding : 01-03-2007, maar zie art. 94 van de W 2006-12-27/32, zoals gewijzigd> § 1. De notarissen die gevorderd zijn om een akte op te maken die de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed, een schip of een vaartuig tot voorwerp heeft waarvan op het moment van het verlijden van de akte, een werkgever, natuurlijke of rechtspersoon, die onderworpen is of onderworpen is geweest aan een inninginstelling van de socialezekerheidsbijdragen, of degene die daarvoor hoofdelijk aansprakelijk werd beschouwd bij toepassing van artikelen 265, 409 en 530 van het Wetboek van vennootschappen, eigenaar of naakte eigenaar is of ten aanzien van wie hij over een recht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal beschikt, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de schuldvorderingen van de inninginstellingen van de sociale-zekerheidbijdragen die aanleiding kunnen geven tot een hypothecaire inschrijving, indien zij de inninginstelling van de sociale-zekerheidbijdragen daarvan niet er van verwittigen :
  1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
  2° door elk ander middel waardoor het bericht kan worden ondertekend en waardoor de verzending ervan een vaste dagtekening bekomt, wanneer het bericht niet overeenkomstig 1° kan worden verzonden.
  Indien de bedoelde akte niet wordt verleden binnen de drie maanden vanaf de verzending van het bericht, wordt hij beschouwd als van generlei waarde.
  § 2. Indien het belang van de inninginstelling van de sociale-zekerheidbijdragen zulks vereist, stelt ze de notaris op de hoogte, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de verzending van het in § 1 bedoelde bericht en door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van het bedrag van de schuldvorderingen die aanleiding kunnen geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek op de goederen welke het voorwerp van de akte zijn.
  Wanneer de kennisgeving niet kan worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, gaan de inninginstellingen van de socialezekerheidsbijdragen over tot de kennisgeving door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend.
  § 3. (Wanneer de in § 1 bedoelde akte verleden is, geldt de in § 2 bedoelde kennisgeving als beslag onder derden in handen van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de schuldenaar van de inninginstelling van socialezekerheidsbijdragen en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de notaris gehouden is deze bedragen en waarden overeenkomstig de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen.
  Onverminderd de rechten van derden, is de notaris, wanneer de in § 1 bedoelde akte verleden is, gehouden, onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de schuldenaar van de inninginstelling in handen van de inninginstelling van de socialezekerheidsbijdragen te storten, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, ten belope van het bedrag van de schuldvorderingen waarvan hij in kennis werd gesteld in uitvoering van § 2.
  Daarenboven, indien de aldus voor beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het totaal der sommen verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, moet de notaris, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, de inninginstellingen van de bijdragen daarover inlichten, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte :
  1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
  2° door elk ander middel waardoor de informatie kan worden ondertekend en waardoor de verzending ervan een vaste dagtekening bekomt, wanneer de informatie niet overeenkomstig 1° kan worden verzonden.
  Onverminderd de rechten van derden, kan de overschrijving of de inschrijving van de akte niet tegen de inninginstellingen van socialezekerheidsbijdragen ingeroepen worden, indien de inschrijving van de wettelijke hypotheek geschiedt binnen acht werkdagen na de verzending van de in het vorige lid bedoelde inlichting.
  Zijn zonder uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen van de inninginstellingen van socialezekerheidsbijdragen die ter uitvoering van § 2 ter kennis werden gegeven, alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor slechts na het verstrijken van de in het tweede lid van de huidige paragraaf voorziene termijn beslag wordt gelegd of verzet wordt aangetekend.) <W 2008-06-08/31, art. 34, 036; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
  § 4. De inschrijvingen genomen na de in § 3, derde lid bedoelde termijn, of tot zekerheid van de schuldvorderingen die niet ter kennis werden gegeven overeenkomstig § 2, kunnen niet worden ingeroepen tegen de hypothecaire schuldeiser, noch tegen de verkrijger die de opheffing ervan zal kunnen vorderen.
  § 5. De aansprakelijkheid door de notaris opgelopen krachtens §§ 1 en 3 kan, naargelang van het geval, de waarde van het vervreemde goed of het bedrag van de hypothecaire inschrijving, na aftrek van de sommen en waarden waarop in zijn handen beslag onder derden werd gelegd, niet te boven gaan.
  § 6. De §§ 1 tot 5 zijn van toepassing op elke persoon die gemachtigd is om de authenticiteit te verlenen aan de in § 1 bedoelde akten.
  § 7. Openbare ambtenaren of ministeriële officieren belast met de openbare verkoping van roerende goederen waarvan de waarde ten minste 250 euro bedraagt, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de bedragen verschuldigd op het ogenblik van de verkoping aan de inninginstellingen van de socialezekerheidsbijdragen door de werkgever, natuurlijke of rechtspersoon, of de hoofdelijk aansprakelijke bij toepassing van artikelen 265, 409 en 530 van het Wetboek van vennootschappen, betrokken bij het beslag, indien zij niet uiterlijk binnen twee werkdagen volgend op de verkoping de inninginstellingen van de socialezekerheidsbijdragen ervan verwittigen :
  1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
  2° door elk ander middel waardoor het bericht kan worden ondertekend en waardoor de verzending ervan een vaste dagtekening bekomt, wanneer het bericht niet overeenkomstig 1° kan worden verzonden.
  De openbare ambtenaren of ministeriële officieren belast met het overgaan tot de evenredige verdeling van gelden die onder derdenbeslag gelegd zijn, in de zin van artikel 1627 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de op het moment van de evenredige verdeling door de schuldenaar verschuldigde bedragen aan de inninginstelling van de bijdragen, als ze, vóór ze ertoe overgaan, de inninginstellingen van de sociale-zekerheidbijdragen daarvan niet in kennis stellen :
  1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
  2° door elk ander middel waardoor het bericht kan worden ondertekend en waardoor de verzending ervan een vaste dagtekening bekomt, wanneer het bericht niet overeenkomstig 1° kan worden verzonden.
  De kennisgeving van het bedrag van de verschuldigde bedragen, die uitgevoerd wordt door de inninginstelling van de bijdragen door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden, via de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, ten laatste vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag die volgt op de verzendingsdatum van het bericht dat voorzien is in de vorige leden, brengt beslag onder derden in handen van de openbare ambtenaren of ministeriële officieren vermeld in het eerste lid, met zich mee.
  Wanneer de kennisgeving niet kan worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, gaan de inninginstellingen van de sociale-zekerheidbijdragen over tot de kennisgeving door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend.
  De bepalingen voorzien in deze paragraaf zijn van toepassing op de openbare ambtenaren of ministeriële officieren belast met de verkoping van roerende goederen, overeenkomstig artikel 1526bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
  § 8. In de gevallen waarin het in §§ 1 en 7 bedoeld bericht wordt verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, wordt onder de datum van verzending van bedoeld bericht verstaan de datum van de ontvangstmelding meegedeeld door de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, na ontvangst door haar van de ontvangstmelding afkomstig van de inninginstelling van sociale -zekerheidsbijdragen.
  In de gevallen waarin de in § 3 bedoelde inlichtingen en de in §§ 2 en 7 bedoelde kennisgevingen worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, is de datum van deze inlichtingen en kennisgevingen de datum van verzending ervan.
  § 9. De informatie in de berichten, inlichtingen en kennisgevingen is dezelfde, ongeacht ze worden medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt of door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend.
  Wanneer ze worden verzonden met elk ander middel dat een vaste dagtekening verleent aan de verzending ervan en dat toelaat ze te ondertekenen, moeten deze berichten en inlichtingen worden opgemaakt overeenkomstig de modellen vastgesteld door de minister van Sociale Zaken of zijn afgevaardigde.
  Bij de verzending van voormelde berichten, inlichtingen en kennisgevingen, gericht tot of afkomstig van de inninginstelling, worden de betrokken personen geïdentificeerd aan de hand van het identificatienummer bedoeld in artikel 5 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen en van het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
  § 10. Wanneer het in §§ 1 en 7 bedoeld bericht niet wordt medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, mogen de inlichtingen en kennisgevingen naar aanleiding van dit bericht niet door middel van deze procedure worden verzonden maar door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kunnen worden ondertekend.
  Wanneer de in §§ 2 en 7 bedoelde kennisgeving niet wordt medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, mogen de inlichtingen naar aanleiding van deze kennisgeving niet door middel van deze procedure worden verzonden maar door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend.
  Wanneer een ander middel wordt gebruikt, is het bericht, de inlichting of de kennisgeving verzonden met dit ander middel doorslaggevend ten opzichte van de eventuele verzending van hetzelfde bericht, dezelfde inlichting of dezelfde kennisgeving door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt wanneer de datum van de informaticaverzending verschilt ten opzichte van de datum van de verzending door elk ander middel zoals bedoeld in het vorige lid
  § 11. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de in §§ 1, 2, 3 en 7 bedoelde berichten, inlichtingen en kennisgevingen dienen, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, te worden verzekerd door middel van aangepaste beveiligingstechnieken.
  § 12. [1 Opdat de in de paragrafen 2 en 7 bedoelde kennisgevingen op geldige wijze als beslag onder derden zouden gelden wanneer ze worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, moeten ze voorzien worden van:
   - een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.11. van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, of
   - een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van dezelfde verordening, of een gekwalificeerd elektronisch zegel van een instelling in de zin van artikel 3.27. van dezelfde verordening.]1
  Ongeacht de toegepaste techniek, wordt er gegarandeerd dat enkel de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee de handtekening wordt gecreëerd.
  De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld.
  Deze gegevens moeten gedurende een periode van tien jaar door de afzender worden bewaard en in geval van betwisting binnen een redelijke termijn worden voorgelegd.
  ----------
  (1)<W 2018-09-20/14, art. 18, 071; Inwerkingtreding : 20-10-2018>

  Art. 41quinquies.<Ingevoegd bij W 2005-07-03/46, art. 49; Inwerkingtreding : 23-02-2007> § 1. De overdracht, in eigendom of in vruchtgebruik, van een geheel van goederen, samengesteld uit onder meer elementen die het behoud van het cliënteel mogelijk maken, die voor de uitoefening van een vrij beroep, ambt of post of een industrieel, handels- of landbouwbedrijf worden aangewend, evenals de vestiging van een vruchtgebruik op dezelfde goederen zijn niet tegenstelbaar aan de inningsinstelling van sociale zekerheidsbijdragen dan na verloop van de maand die volgt op die waarin een (eensluidend verklaard afschrift of een door alle contractspartijen voor volledig, echt en waar verklaard afschrift) van de akte van overdracht of vestiging ter kennis is gebracht van deze instelling. <W 2005-12-27/31, art. 143, 027; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  § 2. De overnemer is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen, de bijdrageopslagen en de verwijlintresten verschuldigd door de overdrager na verloop van de in § 1 vermelde termijn, tot beloop van het bedrag dat reeds door hem gestort is of verstrekt, of van een bedrag dat overeenstemt met de nominale waarde van de aandelen die in ruil voor de overdracht zijn toegekend voor de afloop van de voornoemde termijn.
  § 3. De §§ 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de overdrager bij de akte van overdracht een certificaat voegt dat uitsluitend met dit doel is opgemaakt door de inningsinstellingen van sociale zekerheidsbijdragen binnen dertig dagen die de kennisgeving van de overeenkomst voorafgaan.
  De uitreiking van dit certificaat is afhankelijk van een door de overdrager ingediende aanvraag in tweevoud bij de inningsinstelling van sociale zekerheidsbijdragen.
  Het certificaat wordt geweigerd door de inningsinstelling van sociale zekerheidsbijdragen indien op de dag van de aanvraag de overdrager een zekere en vaststaande schuld heeft ten aanzien van de instelling of indien de aanvraag van de overdrager ingediend is na de aankondiging van of tijdens een controle door een sociaal inspecteur.
  Het certificaat wordt ofwel uitgereikt ofwel geweigerd binnen een termijn van dertig dagen na de indiening van de vraag van de overdrager.
  § 4. Niet onderworpen aan de bepalingen van dit artikel zijn de overdrachten die worden uitgevoerd door een curator, [1 een gerechtsmandataris]1g of in geval van fusie, splitsing, inbreng van de algemeenheid van goederen of van een tak van werkzaamheid verricht overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen.
  § 5. De in dit artikel bedoelde aanvraag en het in dit artikel bedoelde certificaat worden opgemaakt overeenkomstig de door de minister die de Sociale Zaken in zijn bevoegdheden heeft vastgestelde modellen.
  ----------
  (1)<W 2013-05-27/15, art. 48, 047; Inwerkingtreding : 01-08-2013>

  Art. 41sexies. [1 § 1. De notarissen verzocht om een in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de schulden waarvan kennis kan worden gegeven conform paragraaf 5, dewelke verschuldigd zijn door de overledene, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of door de begunstigden van een door de overledene gemaakte contractuele erfstelling, indien zij de inningsinstellingen van sociale zekerheidsbijdragen er niet van op de hoogte brengen per bericht :
   1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
   2° door elk ander middel waardoor het bericht kan worden ondertekend en waardoor de verzending ervan een vaste dagtekening bekomt, wanneer het bericht niet overeenkomstig 1° kan worden verzonden.
   Wanneer het gaat om schulden lastens de overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap.
   Wanneer het gaat om schulden in hoofde van de rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgenden waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende dewelke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld.
   § 2. Indien de bedoelde akte of attest niet wordt opgesteld binnen de drie maanden vanaf de verzending van het bericht, wordt hij beschouwd als van generlei waarde.
   § 3. Wanneer de mededeling van het bericht gebeurt overeenkomstig paragraaf 1, 1°, wordt onder de datum van verzending van bedoeld bericht verstaan de datum van de ontvangstmelding medegedeeld door de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, na ontvangst door haar van de ontvangstmelding afkomstig van de inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen.
   § 4. In het bericht wordt de identiteit vermeld van de overledene, van zijn erfgenamen of legatarissen en van de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling.
   De betrokken personen worden geïdentificeerd aan de hand van het identificatienummer bedoeld in artikel 5 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, alsook aan de hand van het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
   § 5. De inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen kan, voor het verstrijken van de 12e werkdag die volgt op de datum van de verzending van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 1, aan de notaris die deze kennisgeving verzonden heeft, door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid gebruikt worden, kennis geven van het bestaan in hoofde van de overledene of in hoofde van één of meerdere andere personen vermeld in het bericht, van schulden opzichtens de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen, alsook de hoegrootheid van deze schulden in hoofde van elke schuldenaar.
   De schulden waarvan in toepassing van het eerste lid kennis kan worden gegeven zijn :
   - alle schuldvorderingen in hoofdsom en accessoria van de inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen waarvoor er een titel bestaat;
   - alle schuldvorderingen in hoofdsom en accessoria die voortvloeien uit de aangiften gedaan aan de inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen in toepassing van artikel 21.
   Wanneer de kennisgeving niet kan worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, gaan de inningsinstellingen van de socialezekerheidsbijdragen over tot de kennisgeving door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor de kennisgeving kan worden ondertekend.
   In de gevallen waarin de kennisgeving verzonden wordt door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, is de datum van de kennisgeving de datum van de verzending.
   § 6. In het attest van erfopvolging of aan de voet van de uitgifte van de akte van erfopvolging dewelke werd afgeleverd, wordt vermeld hetzij dat er geen kennisgeving van schulden bij toepassing van paragraaf 5 werd gedaan en dit zowel in hoofde van de overledene als in hoofde van één of meerdere personen die vermeld zijn in het bericht en die bestemmeling zijn van het attest of de uitgifte, hetzij dat de schulden waarvan bij toepassing van paragraaf 5 kennis werd gegeven zijn betaald, in voorkomend geval door middel van de tegoeden vastgehouden door de schuldenaar.
   In voorkomend geval wordt aan de voet van het attest door de door de Koning aangewezen ambtenaar de vermelding van de gedane of van de nog te verrichten betaling toegevoegd of vervolledigd.
   De notaris die een attest van erfopvolging of een uitgifte van een akte van erfopvolging aflevert waarin onjuiste vermeldingen staan betreffende het ontbreken van de kennisgeving of betreffende de betaling van schulden waarvan van het bestaan kennis werd gegeven overeenkomstig paragraaf 5, loopt dezelfde aansprakelijkheid op als de notaris die de verplichting bepaald in paragraaf 1 niet naleeft. Die aansprakelijkheid is evenwel beperkt tot het bedrag dat als gevolg van die onjuistheden niet kon worden ingevorderd.
   § 7. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te zijn voor de betaling van de schuldvorderingen waarvan kennis werd gegeven bij toepassing van paragraaf 5, kan iemand die tegoeden van een overledene vrijgeeft overeenkomstig artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek, dat maar op een bevrijdende wijze doen indien duidelijk uit het attest of de akte van erfopvolging blijkt dat geen enkele kennisgeving als bedoeld in paragraaf 5 werd gedaan.
   In afwijking van het eerste lid, kan het vrijgeven van de tegoeden van de overledene overeenkomstig artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek toch op een bevrijdende wijze gedaan worden aan een erfgenaam, een legataris of een begunstigde van een contractuele erfstelling, indien deze een attest van erfopvolging of een expeditie van de akte van erfopvolging voorlegt waarin wordt vermeld :
   1° dat alle op naam van de overledene en alle op naam van deze erfgenaam, legataris of begunstigde van een contractuele erfstelling bestaande schulden waarvan bij toepassing van paragraaf 5 in voorkomend geval kennis werd gegeven, werden betaald;
   2° dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling na de betaling, door middel van de door de schuldenaar vastgehouden fondsen, van zijn schulden waarvan werd kennisgegeven.
   De in het eerste lid bedoelde aansprakelijkheid is beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn vermeld in de kennisgeving waarvan sprake is in paragraaf 5.
   § 8. De informatie in het bericht en de kennisgeving is dezelfde, ongeacht of ze worden medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt of door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kunnen worden ondertekend.
   § 9. Wanneer het wordt verzonden met elk ander middel dat een vaste dagtekening verleent aan de verzending ervan en dat toelaat het te ondertekenen, moet het bericht worden opgemaakt overeenkomstig het model vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken of zijn afgevaardigde.
   § 10. Wanneer het in paragraaf 1 bedoeld bericht niet wordt medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, mag de kennisgeving naar aanleiding van dit bericht en bedoeld in paragraaf 5 niet door middel van deze procedure worden verzonden, maar uitsluitend door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend.
   § 11. Wanneer een ander middel wordt gebruikt, is het bericht of de kennisgeving verzonden met dit ander middel doorslaggevend ten opzichte van de eventuele verzending van hetzelfde bericht of dezelfde kennisgeving door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, wanneer de datum van de informaticaverzending verschilt ten opzichte van de datum van de verzending door elk ander middel.
   § 12. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de in paragrafen 1 en 5 bedoelde berichten en kennisgevingen dienen, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, verzekerd te worden door aangepaste beveiligingstechnieken.
   § 13. Opdat de in paragraaf 5 bedoelde kennisgeving geldig zou zijn wanneer ze wordt verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, moet ze een electronische handtekening dragen, die met één der technieken wordt aangebracht dewelke vermeld worden in het artikel 41quater, § 12, van deze wet.
   Ongeacht de toegepaste techniek, wordt er gegarandeerd dat enkel de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee de handtekening wordt gecreëerd.
   De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld.
   Deze gegevens moeten gedurende een periode van 10 jaar door de afzender worden bewaard en in geval van betwisting binnen een redelijke termijn worden voorgelegd.
   § 14. De paragrafen 1 tot en met 13 zijn van toepassing op elke persoon of dienst die bevoegd is om een in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoeld attest van erfopvolging op te maken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-06-22/02, art. 35, 045; Inwerkingtreding : 01-07-2012>

  Afdeling 7. - Verjaring.

  Art. 42.(De schuldvorderingen van de Rijksdienst voor sociale zekerheid op de werkgevers die onder deze wet vallen en de personen bedoeld bij [2 artikelen 30bis en 30ter]2 verjaren na drie jaar vanaf de dag van de opeisbaarheid van de bedoelde schuldvorderingen. In afwijking van deze regel wordt de verjaringstermijn verlengd tot zeven jaar indien de schuldvorderingen van voormelde Rijksdienst het gevolg zijn van ambtshalve regularisaties na de vaststelling, bij de werkgever, van bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige aangiften.
  De vorderingen ingesteld tegen de Rijksdienst voor sociale zekerheid tot terugvordering van niet-verschuldigde bijdragen verjaren na drie jaar, vanaf de dag van de betaling.) <W 2008-12-22/32, art. 74, 1°, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (De vorderingen van de inningsinstellingen van de socialezekerheidsbijdragen ten laste van de werkgevers die werknemers tewerkstellen [3 betaald]3 door [8 de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, voor wat betreft haar opdrachten bepaald in artikel 2, eerste lid, 10°, van het koninklijk besluit van 22 februari 2017 houdende de oprichting van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]8 [3 of door P&O Shared Service Center, ingesteld bij het koninklijk besluit van 25 april 2014 houdende de oprichting van het directoraat-generaal P&O Shared Service Center bij de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie]3, verjaren na 7 jaar.) <W 2005-12-27/30, art. 93, 1°, 026; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  (In geval van bedrieglijke onderwerping aan de sociale zekerheid voor werknemers, beschikt de voormelde Rijksdienst over een termijn van zeven jaar vanaf de eerste dag van het trimester dat volgt op het trimester waarin de inbreuk zich heeft voorgedaan, om over te gaan tot de annulering van deze bedrieglijke onderwerpingen of tot de ambtshalve onderwerping bij de werkelijke werkgever. Overeenkomstig het tweede lid geldt de eventuele terugbetaling van bijdragen voor een periode van maximum drie jaar.) <W 2008-12-22/32, art. 74, 2°, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (De door een werknemer ingestelde vordering tegen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor de erkenning van zijn subjectief recht ten opzichte van voormelde Rijksdienst moet, op straffe van verval, ingediend worden binnen de drie maanden na de kennisgeving door voormelde Rijksdienst van de beslissing inzake onderwerping of weigering van onderwerping. De bijdragen gekoppeld aan de erkenning van dit subjectief recht moeten worden aangegeven en betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op het kwartaal tijdens hetwelk deze bijdragen verschuldigd zijn indien ze betrekking hebben op een komende periode, of binnen de maand die volgt op die tijdens dewelke het subjectief recht van de werknemer erkend werd bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing, indien ze betrekking hebben op een volledig of gedeeltelijk afgelopen periode.) <L 2008-06-08/30, art. 32, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  [6 De schuldvorderingen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid met betrekking tot de onrechtmatig uitgekeerde tegemoetkomingen bedoeld in artikel 8/2 verjaren na vijf jaar te rekenen vanaf de dag van de betaling. De tegen de Rijksdienst ingestelde vorderingen tot betaling van bovenvermelde verschuldigde tegemoetkomingen verjaren na vijf jaar te rekenen vanaf de dag dat zij opeisbaar zijn.]6
  (De verjaring van de vorderingen, bedoeld in het (eerste tot derde lid), worden gestuit : <W 2005-12-27/30, art. 93, 3°, 026; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  1° op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek;
  2° [1 door een aangetekende brief van de Rijksdienst voor sociale zekerheid aan de werkgever of aan de personen bedoeld [7 in de artikelen 30bis en 30ter]7 en door een aangetekende brief van de werkgever of de personen bedoeld [7 in de artikelen 30bis en 30ter]7 aan de genoemde Rijksdienst;]1
  3° door de betekening van het in artikel 40 bedoelde dwangbevel.) <W 1999-01-25/32, art. 36, 016; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
  [2 4° door de instelling of de uitoefening van de strafvordering, alsook door daden van onderzoek of daden van vervolging.]2
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 56, 040; Inwerkingtreding : 10-01-2010>
  (2)<W 2012-03-29/08, art. 83, 044; Inwerkingtreding : 06-04-2012>
  (3)<W 2015-07-20/13, art. 10, 058; Inwerkingtreding : onbepaald; treedt in werking op de dag van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 25 april 2014 houdende de oprichting van het directoraat-generaal P&O Shared Service Center bij de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie.>
  (4)<W 2016-05-16/01, art. 8, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (5)<W 2016-07-10/03, art. 22, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (6)<W 2016-12-25/48, art. 9, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (7)<W 2016-12-25/48, art. 9, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (8)<W 2017-09-30/01, art. 39, 066; Inwerkingtreding : 01-03-2017>

  HOOFDSTUK V. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 43. Wanneer loon door tussenkomst van een derde aan een werknemer wordt betaald, kan de Koning in afwijking van de artikelen 15 en 23, §§ 1 en 2, een bijzondere regeling uitvaardigen. Hij kan eveneens die derde als werkgever beschouwen voor de inning en de invordering van de verschuldigde bijdragen.

  HOOFDSTUK Vbis. - [1 Diverse budgettaire bepalingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 23, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Afdeling 1. - [1 Algemene opdrachten]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 24, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 43/1. [1 De andere inkomsten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid omvatten alle andere ontvangsten die betrekking hebben op zijn opdrachten en zijn beheer.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 25, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Afdeling 2.. [1 Opdrachten van de overzeese Sociale Zekerheid en andere specifieke opdrachten bedoeld in afdeling 1bis van hoofdstuk II.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 26, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 43/2. [1 De hierna vermelde fondsen van de DIBISS worden omgezet in fondsen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid :
   1) het fonds Sociale Maribel bedoeld in artikel 35, § 5, C), 2, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de Sociale Zekerheid voor werknemers;
   2) de fondsen bedoeld in artikel 5 van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese Sociale Zekerheid;
   De hiervoor vermelde fondsen behouden hun bestemming. Hun actief op 31 december 2016, dat wordt overgedragen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, kan niet worden aangewend voor andere doeleinden dan diegene waarvoor zij op 31 december 2016 bestemd waren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 27, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 43/3. [1 L'Office national de sécurité sociale reçoit annuellement les subventions suivantes :
   1) les subventions visées aux articles 10 à 14 de la loi du 6 mai 2002 portant création du Fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale;
   2) la subvention visée à l'article 154, § 2, de la loi du 22 février 1998 portant des dispositions sociales;
   3) la prise en charge visée à l'article 58 de la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité sociale d'outre-mer.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/03, art. 28, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  HOOFDSTUK VI. - DIVERSE BEPALINGEN.

  Art. 44. § 1. De uitkeringen welke geheel of gedeeltelijk geleverd worden met behulp van de door de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid [2 ...]2 verstrekte middelen zijn onderworpen aan volgende bepalingen: <KB 1989-10-11/32, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1986>
  1° welke ook de huwelijksvoorwaarden zijn van de gehuwde werkneemster, zal zij beschikken over de uitkeringen, zoals over haar loon, in overeenstemming met wat bepaald is bij de wetten betreffende de arbeidsovereenkomsten;
  2° de aan een minderjarige werknemer verschuldigde uitkeringen kunnen hem geldig worden overgemaakt, tenzij er verzet bestaat vanwege de vader, de moeder of de voogd;
  3° ingeval de echtgenoot zich er over beklaagt dat de gerechtigde uitkeringen verkwist, kan de [1 familierechtbank]1 beslissen dat ze aan de klager worden uitgekeerd;
  4° zo de gerechtigde de overlevende echtgenoot is of uit de echt of van tafel en bed gescheiden is, kan de [1 familierechtbank]1, op vordering van een derde, besluiten dat de ten voordele der kinderen bepaalde uitkeringen zullen gestort worden aan de fysische of rechtspersoon aan wie de bewaring van de kinderen toevertrouwd is.
  § 2. Tot de dag waarop artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek in voege treedt, zijn die uitkeringen niet vatbaar voor overdracht of beslag, behalve zo de uitbetalingsinstelling het bedrag der ten onrechte gedane betalingen terugvordert.
  § 3. De bepalingen van dit artikel gelden niet voor de uitkeringen waarin voorzien wordt bij de wetten betreffende de regelingen als bedoeld in 2°, 3°, 5° van artikel 5 die onder de bepalingen van deze wetten vallen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 265, 054; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2016-07-10/03, art. 29, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 45.Ieder werkgever die aan zijn personeel vrijwillig bijkomstige, buiten het bestek van deze wet vallende voordelen toekent, mag generlei onderscheid maken tussen de tot een zelfde categorie behorende werknemers van zijn onderneming.
  In de ondernemingen die meer dan twintig werknemers in dienst hebben, moeten deze voordelen verleend worden volgens een reglement dat is opgesteld met medewerking van vertegenwoordigers van het personeel, die volgens een bij koninklijk besluit vastgestelde procedure worden aangewezen.
  [1 Dit artikel is niet van toepassing op de aanvullende pensioenen bedoeld in artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige voordelen inzake sociale zekerheid.]1
  [2 Dit artikel is niet van toepassing op de mobiliteitsvergoeding toegekend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding.]2
  [3 Dit artikel is niet van toepassing op het mobiliteitsbudget dat wordt toegekend overeenkomstig de bepalingen van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget.]3
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/01, art. 23, 053; Inwerkingtreding : 19-05-2014>
  (2)<W 2018-03-30/32, art. 20, 069; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (3)<W 2019-03-17/05, art. 20, 073; Inwerkingtreding : 01-03-2019>

  Art. 46. De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid, [1 ...]1, het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, worden met de Staat gelijkgesteld voor de toepassing van de wetten op de rechtstreekse belastingen. Zij zijn vrij van alle belastingen of taxes ten bate van de provincies en van de gemeenten. <W 1989-12-22/31, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1990>
  ----------
  (1)<W 2016-07-10/03, art. 30, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 47. <wijzigingsbepaling>

  Art. 48. <wijzigingsbepaling>

  Art. 49. De Koning kan de bestaande wetsbepalingen wijzigen ten einde ze in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten.

  HOOFDSTUK VII. - OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN.

  Art. 50. <opheffingsbepaling>

  Art. 51. Tot de dag van de inwerkingtreding van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de inrichting en de bevoegdheid van de arbeidsrechtbanken, behoren de betwistingen tussen de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid en de verzekeringsplichtige werkgevers tot de bevoegdheid van de vrederechter, ongeacht het bedrag van de vordering.

  Art. 52. De bepalingen van deze wet zullen in werking treden op de data die door de Koning worden vastgesteld.
  De bepalingen van artikel 3, § 4, vierde, vijfde en zesde lid en van artikel 4, eerste lid, A, 5°, littera a, b en c, van de besluitwet van 28 december 1944, (...), zullen van toepassing blijven zolang de Koning de driemaandelijkse betaling van het geheel van de bijdrage bestemd voor de jaarlijkse vakantieregeling der werknemers, niet heeft voorgeschreven. <W 26-03-1970, art. 38>
  (Wanneer de driemaandelijkse betaling zal voorgeschreven zijn, zal eveneens artikel 65 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoordineerd op 28 juni 1971 opgeheven worden). <W 28-03-1975, art. 7>

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 26-06-2019 GEPUBL. OP 17-06-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 40)
  • originele versie
  • ARREST GRONDWETTELIJK HOF VAN 04-04-2019 GEPUBL. OP 10-05-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 40)
  • originele versie
  • WET VAN 13-04-2019 GEPUBL. OP 30-04-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 30bis; 30ter)
  • originele versie
  • WET VAN 17-03-2019 GEPUBL. OP 29-03-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 45)
  • originele versie
  • WET VAN 21-12-2018 GEPUBL. OP 17-01-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 30bis; 30ter)
    (GEWIJZIGD ART. : 2/4)
    (GEWIJZIGD ART. : 40)
  • originele versie
  • WET VAN 20-09-2018 GEPUBL. OP 10-10-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 41quater)
  • originele versie
  • WET VAN 18-07-2018 GEPUBL. OP 26-07-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • WET VAN 30-03-2018 GEPUBL. OP 07-05-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 45)
  • originele versie
  • WET VAN 17-12-2017 GEPUBL. OP 29-12-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 8/8)
  • originele versie
  • WET VAN 25-12-2017 GEPUBL. OP 29-12-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 1ter)
  • originele versie
  • WET VAN 30-09-2017 GEPUBL. OP 16-10-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 2/3; 8/2; 27; 42)
  • originele versie
  • WET VAN 01-12-2016 GEPUBL. OP 29-12-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 12; 30bis; 40)
  • originele versie
  • WET VAN 25-12-2016 GEPUBL. OP 29-12-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 5/1; 5/2; 5/3; 8/3-8/4; 19; 20; 42)
  • originele versie
  • WET VAN 25-12-2016 GEPUBL. OP 29-12-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 2/2)
  • originele versie
  • WET VAN 10-07-2016 GEPUBL. OP 26-07-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 5/1; 5/2; 5/3; 6; 8/1; 8/2-8/4; 8/5; 8/6; 8/7; 19; 20; 22; 27; 40quater; 42; 43/1; 43/2; 43/3; 44; 46; )
  • originele versie
  • WET VAN 16-05-2016 GEPUBL. OP 23-05-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 8; 42)
  • originele versie
  • WET VAN 26-12-2015 GEPUBL. OP 30-12-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • originele versie
  • WET VAN 16-11-2015 GEPUBL. OP 26-11-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 1ter; 14)
    (GEWIJZIGD ART. : 30ter)
  • originele versie
  • WET VAN 20-07-2015 GEPUBL. OP 21-08-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 2/1; 28; 29; 29bis; 30; 30bis; 30ter)
    (GEWIJZIGD ART. : 1bis)
  • originele versie
  • WET VAN 20-07-2015 GEPUBL. OP 21-08-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 42) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 10-08-2015 GEPUBL. OP 18-08-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 30bis)
  • originele versie
  • WET VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 06-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 5)
  • originele versie
  • WET VAN 15-05-2014 GEPUBL. OP 22-05-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • WET VAN 05-05-2014 GEPUBL. OP 09-05-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 45)
  • originele versie
  • WET VAN 21-12-2013 GEPUBL. OP 27-01-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • originele versie
  • WET VAN 26-12-2013 GEPUBL. OP 31-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 1bis)
  • originele versie
  • WET VAN 26-12-2013 GEPUBL. OP 31-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 2/1)
  • originele versie
  • WET VAN 08-12-2013 GEPUBL. OP 20-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 30bis)
  • originele versie
  • WET VAN 11-11-2013 GEPUBL. OP 27-11-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • originele versie
  • WET VAN 30-07-2013 GEPUBL. OP 27-09-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 44)
  • originele versie
  • WET VAN 27-05-2013 GEPUBL. OP 22-07-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 30bis; 41quinquies)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2012 GEPUBL. OP 31-12-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 30bis; 30ter)
  • originele versie
  • WET VAN 22-06-2012 GEPUBL. OP 28-06-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 41sexies)
  • originele versie
  • WET VAN 29-03-2012 GEPUBL. OP 06-04-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 12)
    (GEWIJZIGDE ART. : 30bis; 30ter)
    (GEWIJZIGDE ART. : 22ter; 40; 42)
  • originele versie
  • WET VAN 07-11-2011 GEPUBL. OP 10-11-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 30bis)
  • originele versie
  • WET VAN 14-04-2011 GEPUBL. OP 06-05-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 30bis)
  • originele versie
  • WET VAN 06-06-2010 GEPUBL. OP 01-07-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 30bis; 31)
    (GEWIJZIGDE ART. : 32; 35; 36-38; 39)
  • originele versie
  • WET VAN 30-12-2009 GEPUBL. OP 31-12-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 27; 27bis; 35; 42)
  • originele versie
  • WET VAN 23-12-2009 GEPUBL. OP 30-12-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 22quater; 14)
    (GEWIJZIGD ART. : 30bis)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 22; 22QUATER; 35; 42; 22; 29)
  • originele versie
  • WET VAN 24-07-2008 GEPUBL. OP 07-08-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • originele versie
  • WET VAN 08-06-2008 GEPUBL. OP 16-06-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 41QUATER)
  • originele versie
  • WET VAN 08-06-2008 GEPUBL. OP 16-06-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 42; 28)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2007 GEPUBL. OP 31-12-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 30BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 21-12-2007 GEPUBL. OP 31-12-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • originele versie
  • WET VAN 27-04-2007 GEPUBL. OP 08-05-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 17; 30BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 40TER; 41TER; 41QUATER)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 5)
  • originele versie
  • WET VAN 20-07-2006 GEPUBL. OP 28-07-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 41TER; 41QUA)
  • originele versie
  • WET VAN 20-07-2006 GEPUBL. OP 28-07-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 40TER)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2005 GEPUBL. OP 30-12-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 41TER-41QUI)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2005 GEPUBL. OP 30-12-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 28; 29; 29BIS; 35; 42)
  • originele versie
  • WET VAN 03-07-2005 GEPUBL. OP 19-07-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 39; 42; 40BIS)
    (GEWIJZIGD ART. : 41BIS-41QUINQUIES)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2004 GEPUBL. OP 31-12-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 22; 29; 22TER)
  • originele versie
  • WET VAN 09-07-2004 GEPUBL. OP 15-07-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 27; 35; 1BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-2003 GEPUBL. OP 31-12-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 29; 29BIS; 30)
  • originele versie
  • WET VAN 24-02-2003 GEPUBL. OP 02-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 21)
  • originele versie
  • WET VAN 24-12-2002 GEPUBL. OP 31-12-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 42FR; 1; 5; 1BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-2001 GEPUBL. OP 22-12-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 16)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-06-2001 GEPUBL. OP 31-07-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 3BIS; 22TER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 35)
  • originele versie
  • WET VAN 25-01-1999 GEPUBL. OP 06-02-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 27; 42; 21BIS; 28; 29BIS; 30)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-12-1998 GEPUBL. OP 31-12-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 30BIS; 30TER; 35)
  • originele versie
  • WET VAN 22-02-1998 GEPUBL. OP 03-03-1998
    (GEWIJZIGD ART. : 27)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-08-1997 GEPUBL. OP 29-08-1997
    (GEWIJZIGD ART. : 5)
  • WET VAN 26-07-1996 GEPUBL. OP 01-08-1996
    (GEWIJZIGD ART. : 5)
  • WET VAN 29-04-1996 GEPUBL. OP 30-04-1996
    (GEWIJZIGDE ART. : 6BIS; 7; 13) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • WET VAN 29-04-1996 GEPUBL. OP 30-04-1996
    (GEWIJZIGDE ART. : 39; 42)
  • WET VAN 21-12-1994 GEPUBL. OP 23-12-1994
    (GEWIJZIGD ART. : 5)
  • WET VAN 30-03-1994 GEPUBL. OP 31-03-1994
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 8; 19; 20; 30TER) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • WET VAN 06-08-1993 GEPUBL. OP 09-08-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 30TER)
  • WET VAN 20-07-1991 GEPUBL. OP 01-08-1991
    (GEWIJZIGDE ART. : 21; 30BIS; 30TER)
  • WET VAN 29-12-1990 GEPUBL. OP 09-01-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 30QUA)
  • WET VAN 22-12-1989 GEPUBL. OP 30-12-1989
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 22TER; 30TER; 31; 32; 32BIS; 33)
    (GEWIJZIGDE ART. : 34; 46)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-10-1989 GEPUBL. OP 04-11-1989
    (GEWIJZIGD ART. : 44)
  • WET VAN 06-07-1989 GEPUBL. OP 08-07-1989
    (GEWIJZIGDE ART. : 21; 22BIS; 23; 30BIS; 30TER; 32)
    (GEWIJZIGD ART. : 35)
  • WET VAN 22-01-1985 GEPUBL. OP 24-01-1985

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 1968-1969. SENAAT. Parl. Bescheiden. - Ontwerp van wet nr. 18, van 12-11-1968. - Verslag namens de Commissie voor de Tewerkstelling, de Arbeid en de Sociale Voorzorg, nr. 150, van 23-1-1969. - Amendementen, nr. 173, van 4-2-1969, nr. 177, van 5-2-1969, nr. 186, van 11-2-1969. - nr. 189, van 11-2-1969. - Verslag namens de Commissie voor de Justitie, over artikel 40 en volgende van het ontwerp van wet nr. 262, van 18-3-1969. - Amendementen, nr. 279, van 24-3-1969. - Verslag over artikel 40 namens de verenigde commissies voor de Justitie en voor de Tewerkstelling, de de Arbeid en de Sociale Voorzorg, nr. 317, van 29-4-1969. - Amendementen, nr. 335, van 8-5-1969, en nr. 348, van 20-5-1969. - Tekst in eerste lezing aangenomen, nr. 361, van 21-5-19869. - Amendementen op de tekst aangenomen in eerste lezing, nr. 362, van 21-5-1969, en nr. 420, van 11-6-1969. KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS. Parl. Bescheiden. - Ontwerp van wet door de Senaat overgezonden, nr. 415-1, van 13-6-1969. - Verslag nr. 415-2, - Amendement 415-3. Parl. Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 25-6-1969.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 241 uitvoeringbesluiten 73 gearchiveerde versies
    Franstalige versie