J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 22 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1804/03/21/1804032154/justel

Titel
21 MAART 1804. - BURGERLIJK WETBOEK. - BOEK III : Wijze van eigendomsverkrijging. - TITEL VI tot XIII (art. 1582-2010).
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-07-1994 en tekstbijwerking tot 10-10-2018)

Publicatie : 03-09-1807 nummer :   1804032154 bladzijde : 99999
Dossiernummer : 1804-03-21/34
Inwerkingtreding : 13-09-1807

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL VI. - KOOP.
HOOFDSTUK I. - AARD EN VORM VAN DE KOOP.
Art. 1582-1593
HOOFDSTUK II. - WIE KOPEN OF VERKOPEN KAN.
Art. 1594-1597
HOOFDSTUK III. - ZAKEN DIE VERKOCHT KUNNEN WORDEN.
Art. 1598-1601
HOOFDSTUK IV. - VERPLICHTINGEN VAN DE VERKOPER.
AFDELING I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 1602-1603
AFDELING II. - LEVERING.
Art. 1604-1624
AFDELING III. - VRIJWARING.
Art. 1625
§ I. VRIJWARING VOOR UITWINNING.
Art. 1626-1640
§ II. VRIJWARING VOOR GEBREKEN VAN DE VERKOCHTE ZAAK.
Art. 1641-1649
Afdeling IV. Bepalingen met betrekking tot de verkopen aan consumenten. <Ingevoegd bij W 2004-09-01/38, art. 3, Inwerkingtreding : 01-01-2005>
Art. 1649bis, 1649ter, 1649quater, 1649quinquies, 1649sexies, 1649septies, 1649octies
HOOFDSTUK V. - VERPLICHTINGEN VAN DE KOPER.
Art. 1650-1657
HOOFDSTUK VI. - NIETIGHEID EN ONTBINDING VAN DE KOOP.
Art. 1658
AFDELING I. - RECHT VAN WEDERINKOOP.
Art. 1659-1673
AFDELING II. - VERNIETIGING VAN DE KOOP UIT HOOFDE VAN BENADELING.
Art. 1674-1685
HOOFDSTUK VII. - VEILING VAN ONVERDEELDE GOEDEREN.
Art. 1686-1688
HOOFDSTUK VIII. - OVERDRACHT VAN SCHULDVORDERINGEN EN ANDERE ONLICHAMELIJKE RECHTEN.
Art. 1689-1701
TITEL VII. - RUIL.
Art. 1702-1707
TITEL VIII. - HUUR.
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 1708-1712
HOOFDSTUK II. - HUUR VAN GOEDEREN.
Art. 1713
AFDELING I. - (ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE HUUR VAN ONROERENDE GOEDEREN). <W 20-02-1991, art. 1>
Art. 1714
Art. 1714 WAALS GEWEST
Art. 1714bis
Art. 1714bis WAALS GEWEST
Art. 1714bis BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 1715
Art. 1715 WAALS GEWEST
Art. 1716
Art. 1716 WAALS GEWEST
Art. 1716 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 1716bis, 1717
Art. 1717 WAALS GEWEST
Art. 1717 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 1718
Art. 1718 WAALS GEWEST
Art. 1719
Art. 1719 WAALS GEWEST
Art. 1720
Art. 1720 WAALS GEWEST
Art. 1720 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 1721
Art. 1721 WAALS GEWEST
Art. 1722
Art. 1722 WAALS GEWEST
Art. 1723
Art. 1723 WAALS GEWEST
Art. 1724
Art. 1724 WAALS GEWEST
Art. 1725
Art. 1725 WAALS GEWEST
Art. 1726
Art. 1726 WAALS GEWEST
Art. 1727
Art. 1727 WAALS GEWEST
Art. 1728
Art. 1728 WAALS GEWEST
Art. 1728bis
Art. 1728bis WAALS GEWEST
Art. 1728bis BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 1728ter
Art. 1728ter WAALS GEWEST
Art. 1728quater
Art. 1728quater WAALS GEWEST
Art. 1729
Art. 1729 WAALS GEWEST
Art. 1730
Art. 1730 WAALS GEWEST
Art. 1730 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 1731
Art. 1731 WAALS GEWEST
Art. 1732
Art. 1732 WAALS GEWEST
Art. 1733
Art. 1733 WAALS GEWEST
Art. 1734-1735
Art. 1735 WAALS GEWEST
Art. 1736
Art. 1736 WAALS GEWEST
Art. 1737
Art. 1737 WAALS GEWEST
Art. 1738
Art. 1738 WAALS GEWEST
Art. 1739
Art. 1739 WAALS GEWEST
Art. 1740
Art. 1740 WAALS GEWEST
Art. 1741
Art. 1741 WAALS GEWEST
Art. 1742
Art. 1742 WAALS GEWEST
Art. 1743
Art. 1743 WAALS GEWEST
Art. 1743 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 1744
Art. 1744 WAALS GEWEST
Art. 1745
Art. 1745 WAALS GEWEST
Art. 1746-1747
Art. 1747 WAALS GEWEST
Art. 1748
Art. 1748 WAALS GEWEST
Art. 1748 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 1749
Art. 1749 WAALS GEWEST
Art. 1750
Art. 1750 WAALS GEWEST
Art. 1750 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 1751
Art. 1751 WAALS GEWEST
Art. 1752
Art. 1752 WAALS GEWEST
Art. 1752bis, 1753
Art. 1753 WAALS GEWEST
Art. 1754
Art. 1754 WAALS GEWEST
Art. 1754 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 1755
Art. 1755 WAALS GEWEST
Art. 1755 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 1756
Art. 1756 WAALS GEWEST
Art. 1756 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 1757
Art. 1757 WAALS GEWEST
Art. 1758
Art. 1758 WAALS GEWEST
Art. 1758bis, 1758ter, 1759, 1759bis, 1760
Art. 1760 WAALS GEWEST
Art. 1761-1762, 1762bis
Art. 1762bis WAALS GEWEST
AFDELING II. - REGELS BETREFFENDE DE HUUROVEREENKOMSTEN MET BETREKKING TOT DE HOOFDVERBLIJFPLAATS VAN DE HUURDER IN HET BIJZONDER. (Voor de autonome Tekst : 1991-02-20/32)
AFDELING II. WAALS GEWEST.
AFDELING IIbis. - REGELS BETREFFENDE DE HANDELSHUUR IN HET BIJZONDER. (Voor de autonome Tekst : 1951-04-30/30)
AFDELING III. - REGELS BETREFFENDE DE PACHT IN HET BIJZONDER. (Voor de autonome Tekst : 1969-11-04/31)
HOOFDSTUK III. - HUUR VAN WERK EN VAN DIENSTEN.
Art. 1779
AFDELING I. - HUUR VAN DIENSTBODEN EN WERKLIEDEN.
Art. 1780-1781
AFDELING II. - ONDERNEMERS VAN VERVOER TE LAND EN TE WATER.
Art. 1782-1786
AFDELING III. - BESTEKKEN EN AANNEMINGEN.
Art. 1787-1799
HOOFDSTUK IV. - VEEPACHT.
AFDELING I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 1800-1803
AFDELING II. - EENVOUDIGE VEEPACHT.
Art. 1804-1817
AFDELING III. - VEEPACHT BIJ HELFTEN.
Art. 1818-1820
AFDELING IV. - VEEPACHT DOOR DE EIGENAAR TOEGESTAAN AAN ZIJN PACHTER OF ZIJN DEELPACHTER.
§ I. VEEPACHT AAN DE PACHTER TOEGESTAAN.
Art. 1821-1826
§ II. VEEPACHT AAN DE DEELPACHTER TOEGESTAAN.
Art. 1827-1830
AFDELING V. - CONTRACT ONEIGENLIJK VEEPACHT GENOEMD.
Art. 1831
TITEL IX. - (VENNOOTSCHAPPEN). <W 14-07-1987, art. 1>
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 1832-1834
HOOFDSTUK II. - VERSCHILLENDE SOORTEN VAN VENNOOTSCHAPPEN.
Art. 1835
AFDELING I. - ALGEMENE VENNOOTSCHAPPEN.
Art. 1836-1840
AFDELING II. - BIJZONDERE VENNOOTSCHAP.
Art. 1841-1842
HOOFDSTUK III. - VERPLICHTINGEN VAN DE VENNOTEN ONDERLING EN TEN AANZIEN VAN DERDEN.
AFDELING I. - VERPLICHTINGEN VAN DE VENNOTEN ONDERLING.
Art. 1843-1861
AFDELING II. - VERPLICHTINGEN VAN DE VENNOTEN TEN AANZIEN VAN DERDEN.
Art. 1862-1864
HOOFDSTUK IV. - VERSCHILLENDE WIJZEN WAAROP DE VENNOOTSCHAP EINDIGT.
Art. 1865-1872
BEPALING BETREFFENDE DE HANDELSVENNOOTSCHAPPEN.
Art. 1873
TITEL X. - LENING.
Art. 1874
HOOFDSTUK I. - BRUIKLENING OF COMMODAAT.
AFDELING I. - AARD VAN DE BRUIKLENING.
Art. 1875-1879
AFDELING II. - VERPLICHTINGEN VAN DE LENER.
Art. 1880-1887
AFDELING III. - VERPLICHTINGEN VAN DEGENE DIE IN BRUIKLEEN GEEFT.
Art. 1888-1891
HOOFDSTUK II. - VERBRUIKLENING OF EENVOUDIGE LENING.
AFDELING I. - AARD VAN DE VERBRUIKLENING.
Art. 1892-1897
AFDELING II. - VERPLICHTINGEN VAN DE UITLENER.
Art. 1898-1901
AFDELING III. - VERPLICHTINGEN VAN DE LENER.
Art. 1902-1904
HOOFDSTUK III. - LENING OP INTEREST.
Art. 1905-1907, 1907bis, 1907ter, 1908-1914
TITEL XI. - BEWAARGEVING EN SEKWESTER.
HOOFDSTUK I. - BEWAARGEVING IN HET ALGEMEEN EN VERSCHILLENDE SOORTEN VAN BEWAARGEVING.
Art. 1915-1916
HOOFDSTUK II. - EIGENLIJKE BEWAARGEVING.
AFDELING I. - AARD EN WEZEN VAN HET CONTRACT VAN BEWAARGEVING.
Art. 1917-1920
AFDELING II. - VRIJWILLIGE BEWAARGEVING.
Art. 1921-1926
AFDELING III. - VERPLICHTINGEN VAN DE BEWAARNEMER.
Art. 1927-1946
AFDELING IV. - VERPLICHTINGEN VAN DE BEWAARGEVER.
Art. 1947-1948
AFDELING V. - BEWAARGEVING UIT NOODZAAK.
Art. 1949-1954, 1954bis, 1954ter, 1954quater
HOOFDSTUK III. - SEKWESTER.
AFDELING I. - VERSCHILLENDE SOORTEN VAN SEKWESTER.
Art. 1955
AFDELING II. - BIJ OVEREENKOMST BEDONGEN SEKWESTER.
Art. 1956-1960
AFDELING III. - GERECHTELIJK SEKWESTER OF GERECHTELIJK BEWAARGEVING.
Art. 1961-1963
TITEL XII. - KANSCONTRACTEN.
Art. 1964
HOOFDSTUK I. - SPEL EN WEDDENSCHAP.
Art. 1965-1967
HOOFDSTUK II. - CONTRACT VAN LIJFRENTE.
AFDELING I. - VOORWAARDEN DIE VOOR DE GELDIGHEID VAN HET CONTRACT VEREIST ZIJN.
Art. 1968-1976
AFDELING II. - GEVOLGEN VAN HET CONTRACT TUSSEN DE CONTRACTERENDE PARTIJEN.
Art. 1977-1983
TITEL XIII. - LASTGEVING.
HOOFDSTUK I. - AARD EN VORM VAN DE LASTGEVING.
Art. 1984-1990
HOOFDSTUK II. - VERPLICHTINGEN VAN DE LASTHEBBER.
Art. 1991-1997
HOOFDSTUK III. - VERPLICHTINGEN VAN DE LASTGEVER.
Art. 1998-2002
HOOFDSTUK IV. - VERSCHILLENDE WIJZEN WAAROP LASTGEVING EINDIGT.
Art. 2003-2010

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL VI. - KOOP.

  HOOFDSTUK I. - AARD EN VORM VAN DE KOOP.

  Artikel 1582. Koop is een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt om een zaak te leveren, en de andere om daarvoor een prijs te betalen.
  Hij kan bij authentieke of bij onderhandse akte worden aangegaan.

  Art. 1583. Hij is tussen partijen voltrokken, en de koper verkrijgt van rechtswege de eigendom ten aanzien van de verkoper, zodra er overeenkomst is omtrent de zaak en de prijs, hoewel de zaak nog niet geleverd en de prijs nog niet betaald is.

  Art. 1584. Koop kan worden aangegaan hetzij eenvoudig, hetzij onder een opschortende of onder een ontbindende voorwaarde.
  Hij kan ook twee of meer alternatieve zaken tot voorwerp hebben.
  In al die gevallen worden de gevolgen van de koop geregeld naar de algemene beginselen van de overeenkomsten.

  Art. 1585. Wanneer koopwaren niet bij de hoop, maar bij het gewicht, het getal of de maat verkocht zijn, is de koop nog niet voltrokken, in die zin dat het risico van de verkochte zaken voor de verkoper blijft totdat zij zijn gewogen, geteld of gemeten; maar de koper kan ofwel de levering ervan eisen, ofwel, in geval van niet-uitvoering van de verbintenis, schadevergoeding, indien daartoe grond bestaat.

  Art. 1586. Wanneer echter de koopwaren bij de hoop verkocht zijn, is de koop voltrokken, hoewel de koopwaren nog niet zijn gewogen, geteld of gemeten.

  Art. 1587. Ten aanzien van wijn, olie en andere zaken die men gewoon is te proeven alvorens ze te kopen, is er geen koop zolang de koper die niet heeft geproefd en aanvaard.

  Art. 1588. Koop op proef wordt altijd vermoed te zijn aangegaan onder een opschortende voorwaarde.

  Art. 1589. Verkoopbelofte geldt als koop, wanneer er wederzijdse toestemming van de partijen is omtrent de zaak en omtrent de prijs.

  Art. 1590. Indien bij de verkoopbelofte handgeld is gegeven, is ieder van de contractanten vrij van de verkoopbelofte af te zien :
  Hij die het handgeld heeft gegeven, door het te laten behouden.
  En hij die het handgeld heeft ontvangen, door het dubbel terug te geven.

  Art. 1591. De koopprijs moet bepaald zijn en door de partijen worden vastgesteld.

  Art. 1592. De bepaling van de koopprijs kan echter aan een derde worden overgelaten; indien de derde de waardering niet wil of niet kan doen, is er geen koop.

  Art. 1593. De kosten van de akten en andere bijkomende kosten van de koop komen ten laste van de koper.

  HOOFDSTUK II. - WIE KOPEN OF VERKOPEN KAN.

  Art. 1594. Al degenen aan wie de wet het niet verbiedt, kunnen kopen of verkopen.

  Art. 1595.
  <Opgeheven bij W 2018-07-22/01, art. 50, 021; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1596. Bij een openbare verkoping mogen, op straffe van nietigheid, noch door henzelf noch door tussenpersonen, kopers worden :
  Voogden, wat betreft de goederen van hen over wie zij de voogdij hebben;
  Lasthebbers, wat betreft de goederen met de verkoop waarvan zij belast zijn;
  Bestuurders, wat betreft de goederen van de gemeenten of van de openbare instellingen, die aan hun zorg zijn toevertrouwd;
  Openbare ambtenaren, wat betreft de goederen van de Staat, waarvan de verkoop door hun tussenkomst geschiedt.

  Art. 1597. Rechters, rechters-plaatsvervangers, ambtenaren van het openbaar ministerie, (referendarissen, parketjuristen,) griffiers, deurwaarders, (...) advocaten en notarissen mogen de processen, de betwiste rechten en rechtsvorderingen, die behoren tot de bevoegdheid van de rechtbank binnen wier rechtsgebied zij hun ambt uitoefenen, niet overnemen, op straffe van nietigheid, betaling van kosten en schadevergoeding. <W 2008-06-17/36, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 23-08-2008>

  HOOFDSTUK III. - ZAKEN DIE VERKOCHT KUNNEN WORDEN.

  Art. 1598. Alles wat in de handel is, kan verkocht worden wanneer geen bijzondere wetsbepalingen de vervreemding ervan verbieden.

  Art. 1599. De verkoop van eens anders zaak is nietig; hij kan grond tot schadevergoeding opleveren, wanneer de koper niet geweten heeft dat de zaak aan een ander toebehoorde.

  Art. 1600. De nalatenschap van een nog levend persoon kan niet verkocht worden, zelfs niet met zijn toestemming.

  Art. 1601. Wanneer de verkochte zaak op het ogenblik van de koop geheel was teniet gegaan, is de koop nietig.
  Is slechts een gedeelte van de zaak teniet gegaan, dan heeft de koper de keus om van de koop af te zien, of het behouden gebleven gedeelte te eisen, mits hij de prijs bij vergelijkende waardering doet bepalen.

  HOOFDSTUK IV. - VERPLICHTINGEN VAN DE VERKOPER.

  AFDELING I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 1602. De verkoper is verplicht duidelijk te verklaren waartoe hij zich verbindt.
  Ieder duister of dubbelzinnig beding wordt tegen de verkoper uitgelegd.

  Art. 1603. Hij heeft twee hoofdverplichtingen, de door hem verkochte zaak te leveren, en die te vrijwaren.

  AFDELING II. - LEVERING.

  Art. 1604. (De verkoper moet aan de koper een zaak leveren die met de overeenkomst in overeenstemming is.) <W 2004-09-01/38, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  Levering is de overdracht van de verkochte zaak in de macht en het bezit van de koper.

  Art. 1605. De verplichting om onroerende goederen te leveren is door de verkoper vervuld, wanneer hij de sleutels heeft afgegeven, indien het een gebouw betreft, of wanneer hij de titels van eigendom heeft afgegeven.

  Art. 1606. De levering van roerende goederen geschiedt :
  Of door de werkelijke overgave,
  Of door afgifte van de sleutels van de gebouwen waarin zij zich bevinden,
  Of zelfs door de enkele toestemming van de partijen, indien de overgave niet kan geschieden op het ogenblik van de koop, of indien de koper de goederen reeds in een andere hoedanigheid in zijn macht had.

  Art. 1607. De overgave van onlichamelijke rechten geschiedt ofwel door de afgifte van de titels, ofwel door het gebruik dat de koper, met toestemming van de verkoper, daarvan maakt.

  Art. 1608. De kosten van de levering komen ten laste van de verkoper, en die van de afhaling komen ten laste van de koper, indien het tegendeel niet bedongen is.

  Art. 1609. De levering moet geschieden op de plaats waar het verkochte goed zich ten tijde van de koop bevond, indien daaromtrent niet anders is overeengekomen.

  Art. 1610. Wanneer de verkoper in gebreke blijft de levering te doen binnen de tussen partijen bedongen tijd, heeft de koper de keus om ontbinding van de koop ofwel inbezitstelling te vorderen, indien de vertraging alleen aan de verkoper te wijten is.

  Art. 1611. In elk geval moet de verkoper tot schadevergoeding veroordeeld worden, indien de koper schade lijdt doordat de levering niet op het bedongen tijdstip heeft plaatsgehad.

  Art. 1612. De verkoper is niet verplicht de zaak te leveren, indien de koper de prijs niet betaalt en de verkoper hem geen termijn voor de betaling heeft toegestaan.

  Art. 1613. Evenmin is hij tot levering verplicht, zelfs wanneer hij een termijn voor de betaling heeft toegestaan, indien de koper, sinds de koop, failliet gegaan is of in staat van onvermogen is geraakt, zodat de verkoper in het dreigend gevaar verkeert de prijs te verliezen; tenzij de koper borg stelt voor de betaling op het bepaalde tijdstip.

  Art. 1614. De zaak moet geleverd worden in de staat waarin zij zich op het ogenblik van de koop bevindt :
  Van die dag af behoren alle vruchten aan de koper.

  Art. 1615. De verplichting om een zaak te leveren strekt zich uit tot haar toebehoren en tot alles wat voor haar blijvend gebruik bestemd is.

  Art. 1616. De verkoper is verplicht het verkochte te leveren in de omvang die bij de overeenkomst bedongen is, echter met inachtneming van de navolgende bepalingen.

  Art. 1617. Indien de verkoop van een onroerend goed geschied is met vermelding van de omvang, tegen een bepaalde prijs per maat, is de verkoper verplicht aan de koper, indien deze het eist, de bij de overeenkomst bepaalde grootte te leveren;
  En indien hem dit onmogelijk is, of indien de koper het niet eist, moet de verkoper met een evenredige vermindering van de prijs genoegen nemen.

  Art. 1618. Indien daarentegen, in het geval van het vorige artikel, de omvang groter bevonden wordt dan in het contract is uitgedrukt, heeft de koper de keus om de prijs aan te vullen of van het contract af te zien, indien de overmaat een twintigste gedeelte bedraagt van de opgegeven omvang.

  Art. 1619. In alle andere gevallen,
  Hetzij de koop een zekere en bepaalde zaak betreft,
  Hetzij de koop afzonderlijke en afgescheiden erven tot voorwerp heeft,
  Hetzij de koop begint met de opgave der maat, of met de aanduiding van de verkochte zaak gevolgd van de opgave der maat,
  Levert de uitdrukking van die maat geen grond op tot enige aanvulling van de prijs ten voordele van de verkoper wegens overmaat, of tot enige vermindering van de prijs ten voordele van de koper wegens ondermaat, dan voor zover het verschil tussen de werkelijke maat en die welke in de overeenkomst is uitgedrukt, een twintigste meer of minder bedraagt, berekend naar de waarde van het geheel der verkochte zaken, behalve indien het tegendeel bedongen is.

  Art. 1620. Ingeval er, volgens het vorige artikel, grond bestaat tot vermeerdering van de prijs wegens overmaat, heeft de koper de keus om van het contract af te zien, of de prijs aan te vullen, en zulks met de interest, indien hij het onroerend goed behouden heeft.

  Art. 1621. In alle gevallen waarin de koper het recht heeft om van het contract af te zien, is de verkoper verplicht hem, benevens de prijs, zo hij die ontvangen heeft, ook de kosten van dat contract terug te geven.

  Art. 1622. De rechtsvordering van de verkoper tot aanvulling van de prijs, en die van de koper tot vermindering van de prijs of tot ontbinding van het contract, moeten, op straffe van verval, ingesteld worden binnen een jaar te rekenen van de dag waarop het contract is aangegaan.

  Art. 1623. Indien twee erven zijn verkocht bij een en hetzelfde contract, en voor een enkele prijs, met opgave van de maat van ieder erf, en indien bevonden wordt dat het ene minder en het andere meer omvang heeft, worden de verschillen tegen elkaar tot het passende beloop verrekend; en de vordering, hetzij tot aanvulling, hetzij tot vermindering van de koopprijs, heeft slechts plaats overeenkomstig de hierboven vastgestelde regels.

  Art. 1624. De vraag wie van beiden, de verkoper of de koper, het verlies of de beschadiging van de verkochte zaak, voor de levering ontstaan, moet dragen, wordt beslist overeenkomstig de regels vastgesteld in de titel Contracten of verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen.

  AFDELING III. - VRIJWARING.

  Art. 1625. De vrijwaring, waartoe de verkoper jegens de koper gehouden is, heeft een dubbel voorwerp : zij betreft ten eerste het ongestoord bezit van de verkochte zaak en, ten tweede, de verborgen gebreken van die zaak of de koopvernietigende gebreken.

  § I. VRIJWARING VOOR UITWINNING.

  Art. 1626. Zelfs wanneer bij de koop geen beding omtrent de vrijwaring is gemaakt, is de verkoper van rechtswege verplicht de koper te vrijwaren voor de uitwinning die hij ondergaat op het geheel of op een gedeelte van de verkochte zaak, of voor de lasten die iemand beweert op die zaak te hebben, en die bij de koop niet zijn opgegeven.

  Art. 1627. Partijen kunnen, door bijzondere overeenkomsten, deze wettelijke verplichting uitbreiden of beperken; zij kunnen zelfs overeenkomen dat de verkoper tot geen vrijwaring zal zijn gehouden.

  Art. 1628. Zelfs wanneer bedongen is dat de verkoper tot geen vrijwaring zal zijn gehouden, blijft hij toch gehouden tot die welke volgt uit zijn eigen daad; elke hiermee strijdige overeenkomst is nietig.

  Art. 1629. In hetzelfde geval van een beding van niet-vrijwaring is, bij uitwinning, de verkoper verplicht de prijs terug te geven, tenzij de koper het gevaar van uitwinning heeft gekend ten tijde van de koop, of op eigen risico heeft gekocht.

  Art. 1630. Wanneer vrijwaring beloofd is, of wanneer dienaangaande niets is bedongen, heeft de koper, in geval van uitwinning, het recht om van de verkoper te vorderen :
  1° Teruggave van de prijs;
  2° Teruggave van de vruchten, wanneer hij verplicht is die aan de uitwinnende eigenaar uit te keren;
  3° De kosten van de vordering tot vrijwaring door de koper ingesteld, en de kosten door de oorspronkelijke eiser gemaakt;
  4° Eindelijk, schadevergoeding, alsook de wettig gemaakte kosten van het contract.

  Art. 1631. Wanneer de verkochte zaak ten tijde van de uitwinning blijkt in waarde verminderd of aanmerkelijk beschadigd te zijn, hetzij door de nalatigheid van de koper, hetzij door overmacht, is de verkoper niettemin verplicht de gehele prijs terug te geven.

  Art. 1632. Indien echter de koper uit de door hem aangerichte beschadiging voordeel heeft getrokken, heeft de verkoper het recht om van de prijs een bedrag, gelijk aan dat voordeel, af te houden.

  Art. 1633. Indien de verkochte zaak ten tijde van de uitwinning blijkt in waarde te zijn vermeerderd, zelfs buiten toedoen van de koper, is de verkoper verplicht aan de koper te betalen hetgeen de zaak boven de koopprijs waard is.

  Art. 1634. De verkoper is verplicht aan de koper alle herstellingen en nuttige verbeteringen die deze aan het goed heeft aangebracht, te vergoeden, of door de uitwinner te doen vergoeden.

  Art. 1635. Indien de verkoper te kwader trouw eens anders erf verkocht heeft, is hij verplicht aan de koper alle uitgaven te vergoeden, die deze aan het erf besteed heeft, zelfs uit weelde of tot verfraaiing.

  Art. 1636. Indien slechts een gedeelte van de zaak tegen de koper wordt uitgewonnen, en dat gedeelte, in verhouding tot het geheel, zo belangrijk is dat de koper zonder het uitgewonnen gedeelte niet zou hebben gekocht, kan hij de koop doen ontbinden.

  Art. 1637. Indien, bij uitwinning van een gedeelte van het verkochte erf, de koop niet wordt ontbonden, wordt het uitgewonnen gedeelte aan de koper vergoed volgens de geschatte waarde ten tijde van de uitwinning, en niet naar evenredigheid van de gehele koopprijs, onverschillig of de verkochte zaak in waarde vermeerderd of verminderd is.

  Art. 1638. Indien het verkochte erf blijkt bezwaard te zijn met niet zichtbare erfdienstbaarheden, zonder dat zulks was opgegeven, en die zo gewichtig zijn dat er reden is om te vermoeden dat de koper niet zou hebben gekocht ingeval hij die gekend had, kan hij de ontbinding van het contract vorderen, tenzij hij verkiest met schadevergoeding genoegen te nemen.

  Art. 1639. De overige vraagstukken betreffende de vergoeding van de schade die voor de koper ontstaat uit de niet-uitvoering van de koop, worden opgelost volgens de algemene regels bepaald in de titel Contracten of Verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen.

  Art. 1640. De vrijwaring voor uitwinning houdt op wanneer de koper, zonder de verkoper op te roepen, zich heeft laten veroordelen bij een vonnis dat in laatste aanleg is gewezen of waartegen geen hoger beroep meer ontvankelijk is, indien de verkoper bewijst dat er voldoende middelen aanwezig waren om de eis te doen afwijzen.

  § II. VRIJWARING VOOR GEBREKEN VAN DE VERKOCHTE ZAAK.

  Art. 1641. De verkoper is gehouden tot vrijwaring voor de verborgen gebreken van de verkochte zaak, die deze ongeschikt maken tot het gebruik waartoe men ze bestemt, of die dit gebruik zodanig verminderen dat de koper, indien hij de gebreken gekend had, de zaak niet of slechts voor een mindere prijs zou hebben gekocht.

  Art. 1642. De verkoper moet niet instaan voor de gebreken die zichtbaar zijn en die de koper zelf heeft kunnen waarnemen.

  Art. 1643. Hij moet instaan voor de verborgen gebreken, zelfs wanneer hij die niet gekend heeft, tenzij hij in dat geval bedongen heeft dat hij tot geen vrijwaring zal zijn gehouden.

  Art. 1644. In het geval van de artikelen 1641 en 1643, heeft de koper de keus om ofwel de zaak terug te geven en zich de prijs te doen terugbetalen, ofwel de zaak te behouden en zich een gedeelte van de prijs te doen terugbetalen, welk gedeelte door deskundigen zal worden bepaald.

  Art. 1645. _ Indien de verkoper de gebreken van de zaak gekend heeft, is hij niet alleen gehouden tot teruggave van de prijs die hij ervoor ontvangen heeft, maar bovendien tot vergoeding van alle schade aan de koper.

  Art. 1646. Indien de verkoper de gebreken van de zaak niet gekend heeft, is hij slechts gehouden tot teruggave van de prijs, en tot vergoeding aan de koper van de door de koop veroorzaakte kosten.

  Art. 1647. Indien de zaak welke gebreken had, is teniet gegaan ten gevolge van haar slechte hoedanigheid, is het verlies voor rekening van de verkoper, die jegens de koper gehouden is tot teruggave van de prijs, en tot de overige schadevergoedingen in de twee vorige artikelen bepaald.
  Maar het verlies door toeval veroorzaakt is voor rekening van de koper.

  Art. 1648. De rechtsvordering op grond van koopvernietigende gebreken moet door de koper worden ingesteld binnen een korte tijd, al naar de aard van de koopvernietigende gebreken en de gebruiken van de plaats waar de koop gesloten is.

  Art. 1649. Deze vordering kan niet worden ingesteld wat betreft verkopingen die op rechterlijk gezag geschieden.

  Afdeling IV. Bepalingen met betrekking tot de verkopen aan consumenten. <Ingevoegd bij W 2004-09-01/38, art. 3, Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Art. 1649bis. <Ingevoegd bij W 2004-09-01/38, art. 3, Inwerkingtreding : 01-01-2005> § 1. Deze afdeling is van toepassing op de verkopen van consumptiegoederen door een verkoper aan een consument.
  § 2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
  1° " consument " : iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die geen verband houden met zijn beroepsactiviteit of zijn commerciële activiteit;
  2° " verkoper " : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die consumptiegoederen verkoopt in het kader van zijn beroepsactiviteit of zijn commerciële activiteit;
  3° " consumptiegoederen " : alle roerende lichamelijke zaken, behalve :
  - goederen die in uitvoering van een beslag of anderszins gerechtelijk zijn verkocht,
  - water en gas die niet marktklaar zijn gemaakt in een bepaald volume of in een bepaalde hoeveelheid,
  - elektriciteit;
  4° " producent " : de fabrikant van consumptiegoederen, de importeur van consumptiegoederen op het grondgebied van de Europese Gemeenschap of elke andere persoon die zich als producent voordoet door zijn naam, handelsmerk of enig ander onderscheidend teken op de consumptiegoederen aan te brengen;
  5° " garantie " : elke door een verkoper of producent tegenover de consument aangegane verbintenis om de betaalde prijs terug te betalen, of om de consumptiegoederen te vervangen of te herstellen, of om er zich op enigerlei wijze om te bekommeren, indien de goederen niet overeenstemmen met de beschrijving in het garantiebewijs of in de desbetreffende reclame;
  6° " herstelling " : het consumptiegoed in geval van gebrek aan overeenstemming met de overeenkomst, daarmee in overeenstemming brengen.
  § 3. Voor de toepassing van deze afdeling worden overeenkomsten tot levering van te vervaardigen of voort te brengen consumptiegoederen eveneens als verkoopovereenkomsten beschouwd.

  Art. 1649ter. <Ingevoegd bij W 2004-09-01/38, art. 3, Inwerkingtreding : 01-01-2005> § 1. Voor de toepassing van artikel 1604, eerste lid, wordt het door de verkoper aan de consument geleverde consumptiegoed geacht slechts in overeenstemming met de overeenkomst te zijn indien :
  1° het in overeenstemming is met de door de verkoper gegeven beschrijving ervan en de eigenschappen bezit van de goederen die de verkoper aan de consument als monster of als model heeft getoond;
  2° het geschikt is voor elk bijzonder door de consument gewenst gebruik dat deze aan de verkoper bij het sluiten van de overeenkomst heeft medegedeeld en dat de verkoper heeft aanvaard;
  3° het geschikt is voor het gebruik waartoe goederen van dezelfde soort gewoonlijk dienen;
  4° het de kwaliteit en prestaties biedt die voor goederen van dezelfde soort normaal zijn en die de consument redelijkerwijs mag verwachten, gelet op de aard van het goed en op de eventuele door de verkoper, de producent of diens vertegenwoordiger publiekelijk gedane mededelingen over de bijzondere kenmerken ervan, namelijk bij de reclame en de etikettering.
  § 2. De verkoper is niet gebonden door de in § 1, 4°, bedoelde publiekelijk afgelegde mededelingen indien hij aantoont dat :
  - bedoelde mededeling hem niet bekend was en hem redelijkerwijs niet bekend kon zijn,
  - deze mededeling op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst was rechtgezet, of
  - de beslissing tot aankoop van het consumptiegoed niet door deze mededeling kon beïnvloed zijn.
  § 3. Gebrek aan overeenstemming wordt geacht niet te bestaan in de zin van dit artikel als, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst, de consument het gebrek kende of redelijkerwijs daarvan op de hoogte moest zijn, dan wel als het gebrek aan overeenstemming voortvloeit uit het materiaal geleverd door de consument.
  § 4. Gebrek aan overeenstemming ten gevolge van een verkeerde installatie van het consumptiegoed wordt gelijkgesteld met gebrek aan overeenstemming van het goed wanneer de installatie deel uitmaakt van de koopovereenkomst betreffende het goed en door de verkoper of onder diens verantwoordelijkheid is uitgevoerd.
  Hetzelfde geldt als een goed dat bestemd is om door de consument geïnstalleerd te worden, door deze geïnstalleerd wordt en de verkeerde installatie een gevolg is van een fout in de montagehandleiding.

  Art. 1649quater. <Ingevoegd bij W 2004-09-01/38, art. 3, Inwerkingtreding : 01-01-2005> § 1. De verkoper is jegens de consument aansprakelijk voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestaat bij de levering van de goederen en dat zich manifesteert binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf voornoemde levering.
  De termijn van twee jaar bedoeld in het eerste lid wordt opgeschort tijdens de periode vereist voor de herstelling of de vervanging van het goed of in geval van onderhandelingen tussen de verkoper en de consument met het oog op een minnelijke schikking.
  In afwijking van het eerste lid kunnen voor de tweedehandsgoederen de verkoper en de consument een kortere termijn dan twee jaar overeenkomen zonder dat die termijn korter dan één jaar mag zijn.
  § 2. De verkoper en de consument kunnen een termijn overeenkomen waarbinnen de consument de verkoper op de hoogte moet brengen van het gebrek aan overeenstemming, zonder dat die termijn korter mag zijn dan twee maanden vanaf de dag waarop de consument het gebrek heeft vastgesteld.
  § 3. De rechtsvordering van de consument verjaart na verloop van één jaar vanaf de dag waarop hij het gebrek aan overeenstemming heeft vastgesteld, zonder dat die termijn vóór het einde van de termijn van twee jaar, bedoeld in § 1, mag verstrijken.
  § 4. Manifesteert zich een gebrek aan overeenstemming binnen een termijn van zes maanden vanaf de levering van het goed, dan geldt tot bewijs van het tegendeel het vermoeden dat dit gebrek bestond op het tijdstip van levering, tenzij dit vermoeden onverenigbaar is met de aard van het goed of met de aard van het gebrek aan overeenstemming, door onder andere rekening te houden met het feit of het goed nieuw dan wel tweedehands is.
  § 5. De bepalingen in dit hoofdstuk met betrekking tot de vrijwaring voor de verborgen gebreken van de verkochte zaak zijn van toepassing na het verstrijken van de termijn van twee jaar bedoeld in § 1.

  Art. 1649quinquies. <Ingevoegd bij W 2004-09-01/38, art. 3, Inwerkingtreding : 01-01-2005> § 1. Naast desgevallend schadevergoeding, heeft de consument het recht van de verkoper die met toepassing van artikel 1649quater aansprakelijk is voor een gebrek aan overeenstemming te eisen, hetzij de herstelling of de vervanging van het goed onder de voorwaarden bedoeld in § 2, hetzij een passende vermindering van de prijs of de ontbinding van de overeenkomst, overeenkomstig de voorwaarden bepaald in § 3.
  Desgevallend wordt er evenwel rekening gehouden met de verergering van de schade voortvloeiend uit het gebruik van het goed door de consument na het ogenblik waarop hij het gebrek aan overeenstemming heeft vastgesteld of zou hebben moeten vaststellen.
  § 2. In eerste instantie heeft de consument het recht om van de verkoper het kosteloze herstel of de kosteloze vervanging van het goed te verlangen behalve als dat onmogelijk of buiten verhouding zou zijn. Elke herstelling of vervanging moet, rekening houdend met de aard van het goed en het door de consument beoogd gebruik, binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de consument verricht worden.
  De kosten bedoeld in het vorige lid zijn de kosten die moeten worden gemaakt om de goederen in overeenstemming te brengen, namelijk de verzendingskosten en de kosten die verband houden met loon en materiaal.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt een vorm van genoegdoening geacht buiten verhouding te zijn indien zij voor de verkoper kosten meebrengt die, vergeleken met de alternatieve vorm van genoegdoening onredelijk zijn, gelet op :
  - de waarde die het goed zonder het gebrek aan overeenstemming zou hebben;
  - de ernst van het gebrek aan overeenstemming;
  - de vraag of de alternatieve vorm van genoegdoening concreet mogelijk is zonder ernstige overlast voor de consument.
  § 3. De consument heeft het recht van de verkoper een passende prijsvermindering of de ontbinding van de koopovereenkomst te eisen :
  - indien hij geen aanspraak kan maken op herstelling of vervanging, of
  - indien de verkoper niet binnen een redelijke termijn of zonder ernstige overlast voor de consument de herstelling of de vervanging heeft verricht.
  In afwijking van het eerste lid heeft de consument niet het recht de ontbinding van de overeenkomst te verlangen indien het gebrek aan overeenstemming van geringe betekenis is.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt elke terugbetaling aan de consument verminderd teneinde rekening te houden met het gebruik dat deze van het goed heeft gehad sinds de levering ervan.

  Art. 1649sexies. <Ingevoegd bij W 2004-09-01/38, art. 3, Inwerkingtreding : 01-01-2005> Wanneer de verkoper jegens de consument aansprakelijk is uit hoofde van een gebrek aan overeenstemming, kan hij tegen de producent of tegen iedere contractuele tussenpersoon in de eigendomsoverdracht van het consumptiegoed, verhaal doen op grond van contractuele aansprakelijkheid waartoe deze producent of deze tussenpersoon met betrekking tot het goed is gehouden zonder dat een contractueel beding dat tot gevolg heeft die aansprakelijkheid te beperken of op te heffen, hem mag tegengeworpen worden.

  Art. 1649septies.<Ingevoegd bij W 2004-09-01/38, art. 3, Inwerkingtreding : 01-01-2005> § 1. Elke garantie is bindend voor diegene die haar biedt volgens de in het garantiebewijs en de daarmee samenhangende reclame vastgestelde voorwaarden.
  § 2. In de garantie :
  - moet vermeld staan dat de consument krachtens de toepasselijke nationale wetgeving betreffende de verkoop van consumptiegoederen wettelijke rechten heeft en moet duidelijk worden gesteld dat de garantie die rechten onverlet laat;
  - moeten in duidelijke en begrijpelijke taal de inhoud van de garantie en de essentiële gegevens vermeld staan die noodzakelijk zijn om van de garantie gebruik te kunnen maken, met name de duur en het geografische toepassingsgebied van de garantie, alsmede de naam en het adres van de garant.
  § 3. Op verzoek van de consument moet de garantie hem [1 op een duurzame gegevensdrager]1 beschikbaar worden gesteld.
  Wanneer de verkoopovereenkomst schriftelijk is, behoudt ze in ieder geval de inlichtingen bedoeld in § 2.
  § 4. Indien een garantie niet conform de vereisten bepaald in §§ 2 en 3 is, doet zulks op generlei wijze afbreuk aan het recht van de consument om de naleving ervan te eisen.
  Zulks geldt eveneens wanneer de garantie niet conform is aan de eisen voorzien in artikel 13, eerste lid, van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument.
  ----------
  (1)<W 2018-09-20/14, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 20-10-2018>

  Art. 1649octies. <Ingevoegd bij W 2004-09-01/38, art. 3, Inwerkingtreding : 01-01-2005> Zijn nietig, contractuele bedingen of afspraken overeengekomen vooraleer het gebrek aan overeenstemming aan de verkoper door de consument ter kennis is gebracht, en waardoor, rechtstreeks of onrechtstreeks, de rechten die de consument uit deze afdeling put, worden beperkt of uitgesloten.
  Een beding dat de wet van een Staat die geen lid is van de Europese Unie op een overeenkomst beheerst door deze afdeling toepasselijk verklaart, is nietig wat betreft de in deze afdeling geregelde aangelegenheden, wanneer bij gebreke van dat beding de wet van een lidstaat van de Europese Unie toepasselijk zou zijn en die wet de consument in genoemde aangelegenheden een hogere bescherming verleent.

  HOOFDSTUK V. - VERPLICHTINGEN VAN DE KOPER.

  Art. 1650. De hoofdverplichting van de koper bestaat in het betalen van de prijs op de dag en op de plaats bij de koop bepaald.

  Art. 1651. Indien bij het aangaan van de koop niets daaromtrent bedongen is, moet de koper betalen op de plaats en op het tijdstip voor de levering bepaald.

  Art. 1652. De koper is verplicht interest van de koopprijs te betalen tot aan de voldoening van het kapitaal, in de drie volgende gevallen :
  Indien zulks bij het aangaan van de koop bedongen is;
  Indien de verkochte en geleverde zaak vruchten of andere inkomsten oplevert;
  Indien de koper is aangemaand om te betalen.
  In dit laatste geval loopt de interest eerst te rekenen van de aanmaning.

  Art. 1653. Wanneer de koper wordt gestoord of gegronde vrees heeft te worden gestoord door een hypothecaire vordering of door een eigendomsvordering, kan hij de betaling van de prijs opschorten totdat de verkoper de stoornis heeft doen ophouden, tenzij deze verkiest borg te stellen of tenzij bedongen is dat de koper zal betalen niettegenstaande de stoornis.

  Art. 1654. Indien de koper de prijs niet betaalt, kan de verkoper de ontbinding van de koop vorderen.

  Art. 1655. De ontbinding van de verkoop van onroerende goederen wordt dadelijk uitgesproken, indien de verkoper gevaar loopt de zaak en de prijs te verliezen.
  Indien dit gevaar niet bestaat, kan de rechter aan de koper een langer of korter uitstel verlenen naar gelang van de omstandigheden.
  Gaat die tijd voorbij zonder dat de koper betaalt, dan wordt de ontbinding van de koop uitgesproken.

  Art. 1656. Wanneer bij een verkoop van onroerende goederen bedongen is dat, bij gebreke van betaling van de prijs binnen de overeengekomen tijd, de koop van rechtswege zal zijn ontbonden, kan de koper niettemin na verloop van de tijd alsnog betalen, zolang hij niet door een aanmaning is in gebreke gesteld; maar na die aanmaning kan de rechter hem geen uitstel verlenen.

  Art. 1657. Wat betreft de verkoop van waren en roerende goederen, heeft de ontbinding van de koop plaats van rechtswege en zonder aanmaning ten voordele van de verkoper, na verloop van de tijd die voor de afhaling is overeengekomen.

  HOOFDSTUK VI. - NIETIGHEID EN ONTBINDING VAN DE KOOP.

  Art. 1658. Behalve op grond van de oorzaken van nietigheid of van ontbinding welke in deze titel reeds zijn opgegeven, en van die welke aan alle overeenkomsten gemeen zijn, kan de koop ook ontbonden worden door de uitoefening van het recht van wederinkoop en wegens het bedingen van een te geringe prijs.

  AFDELING I. - RECHT VAN WEDERINKOOP.

  Art. 1659. Het recht van wederinkoop is een beding waarbij de verkoper zich voorbehoudt de verkochte zaak terug te nemen, tegen de teruggave van de oorspronkelijke prijs en de vergoeding waarvan sprake is in artikel 1673.

  Art. 1660. Het recht van wederinkoop mag voor niet langer dan vijf jaren worden bedongen.
  Het wordt tot die tijd beperkt, indien het voor langer bedongen is.

  Art. 1661. De bepaalde tijd is van strenge toepassing, en kan door de rechter niet verlengd worden.

  Art. 1662. Heeft de verkoper zijn recht van wederinkoop niet uitgeoefend binnen de voorgeschreven tijd, dan blijft de koper onherroepelijk eigenaar.

  Art. 1663. De termijn loopt tegen een ieder, zelfs tegen minderjarigen, behoudens hun verhaal op wie het aangaat, zo daartoe grond bestaat.

  Art. 1664. De verkoper onder beding van wederinkoop kan zijn recht tegen een tweede koper uitoefenen, zelfs wanneer het recht van wederinkoop in het tweede contract niet is vermeld.

  Art. 1665. De koper onder beding van wederinkoop oefent alle rechten van zijn verkoper uit; de verjaring loopt te zijnen voordele zowel tegen de ware eigenaar als tegen hen die zouden beweren rechten of hypotheken op de verkochte zaak te hebben.

  Art. 1666. Hij kan tegen de schuldeisers van zijn verkoper het voorrecht van uitwinning doen gelden.

  Art. 1667. Hij die een onverdeeld aandeel in een erf heeft verkregen onder beding van wederinkoop, kan, indien het gehele erf hem is toegewezen bij een tegen hem gevorderde veiling, de verkoper verplichten het gehele erf over te nemen, wanneer deze van het beding wil gebruik maken.

  Art. 1668. Indien verscheidene personen gezamenlijk en bij een en hetzelfde contract een erf verkocht hebben dat hun gemeenschappelijk toebehoorde, kan ieder van hen het recht van wederinkoop slechts uitoefenen voor het aandeel dat hij daarin had.

  Art. 1669. Hetzelfde geldt, wanneer iemand die alleen een erf verkocht heeft, verscheidene erfgenamen heeft achtergelaten.
  Ieder van die medeërfgenamen kan van het recht van wederinkoop slechts gebruik maken voor zijn aandeel in de nalatenschap.

  Art. 1670. Nochtans kan de koper, in het geval van de twee vorige artikelen, vorderen dat alle medeverkopers of alle medeërfgenamen worden opgeroepen, ten einde zich met elkaar te verstaan omtrent de wederinkoop van het gehele erf; en, indien zij het niet eens worden, wordt de eis tegen de koper afgewezen.

  Art. 1671. Indien een erf dat aan verscheidene personen toebehoorde, niet verkocht is door allen gezamenlijk en voor het geheel, maar door ieder slechts voor het aandeel dat hij daarin had, kan ieder van hen afzonderlijk het recht van wederinkoop uitoefenen, voor het aandeel dat hem toebehoorde;
  En de koper kan degene die het recht op die wijze uitoefent, niet verplichten het gehele erf over te nemen.

  Art. 1672. Indien de koper verscheidene erfgenamen heeft achtergelaten, kan het recht van wederinkoop tegen ieder van hen slechts worden uitgeoefend voor zijn aandeel, ingeval er nog onverdeeldheid is, alsook ingeval de verkochte zaak onder hen verdeeld is.
  Indien echter de nalatenschap verdeeld is en de verkochte zaak aan een van de erfgenamen is toebedeeld, kan de vordering tot wederinkoop tegen deze voor het geheel worden ingesteld.

  Art. 1673. De verkoper die van het beding van wederinkoop gebruik maakt, moet niet alleen de koopprijs vergoeden, maar ook de wettig gemaakte kosten van de koop, de noodzakelijke herstellingen, alsmede de herstellingen die de waarde van het erf vermeerderd hebben, ten belope van die vermeerdering. Hij kan eerst in bezit treden nadat hij aan al die verplichtingen voldaan heeft.
  Wanneer de verkoper, ten gevolge van het beding van wederinkoop, zijn erf terugbekomt, neemt hij dit terug, vrij van alle lasten en hypotheken waarmee de koper het mocht hebben bezwaard; de verhuringen die de koper zonder bedrog heeft aangegaan, moet hij gestand doen.

  AFDELING II. - VERNIETIGING VAN DE KOOP UIT HOOFDE VAN BENADELING.

  Art. 1674. Indien de verkoper in de verkoopprijs van een onroerend goed voor meer dan zeven twaalfden is benadeeld, heeft hij het recht om de vernietiging van de koop te eisen, ook al had hij bij het contract uitdrukkelijk afstand gedaan van het recht om die vernietiging te vorderen, en al had hij verklaard de meerdere waarde te schenken.

  Art. 1675. Om te weten of er benadeling voor meer dan zeven twaalfden is, dient men het onroerend goed te schatten volgens zijn staat en zijn waarde op het ogenblik van de koop.

  Art. 1676.De eis is niet meer ontvankelijk na verloop van twee jaren te rekenen van de dag van de koop.
  Die termijn loopt tegen (...), (vermoedelijk afwezigen) en [1 personen beschermd krachtens artikel 492/1]1 en tegen minderjarigen die in de plaats komen van een meerderjarige verkoper. <W 2003-02-13/36, art. 18, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2003> <W 2007-05-09/44, art. 36, 12°, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  Die termijn loopt eveneens en is niet geschorst gedurende de tijd bedongen voor het recht van wederinkoop.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 142, 015; 015; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1677. Het bewijs van de benadeling kan alleen bij vonnis worden toegelaten, en slechts ingeval de gestelde feiten waarschijnlijk genoeg en gewichtig genoeg zijn om het bestaan van de benadeling te laten vermoeden.

  Art. 1678. Dat bewijs kan niet worden geleverd dan door een verslag van drie deskundigen, die een enkel gemeenschappelijk proces-verbaal moeten opmaken en slechts een enkel advies, bij meerderheid van stemmen, mogen uitbrengen.

  Art. 1679. Indien de adviezen verschillen, geeft het proces-verbaal de redenen daarvan op, zonder dat mag worden medegedeeld welk het advies van ieder der deskundigen is geweest.

  Art. 1680. De drie deskundigen worden ambtshalve benoemd, tenzij de partijen zich omtrent de benoeming van alle drie gezamenlijk verstaan hebben.

  Art. 1681. Ingeval de vordering tot vernietiging wordt toegewezen heeft de koper de keus om ofwel de zaak terug te geven en de prijs die hij ervoor betaald heeft, terug te nemen, ofwel het erf te behouden, mits hij hetgeen aan de juiste prijs ontbreekt, aanvult, onder aftrek van een tiende van de gehele prijs.
  De derde-bezitter heeft hetzelfde recht, onverminderd zijn verhaal op zijn verkoper.

  Art. 1682. Indien de koper verkiest de zaak te behouden, met aanvulling van de prijs, zoals in het vorige artikel is bepaald, is hij verplicht interest van het aanvullend bedrag te betalen, te rekenen van de dag waarop de eis tot vernietiging gedaan is.
  Indien hij verkiest de zaak terug te geven en de prijs terug te ontvangen, geeft hij de vruchten terug, te rekenen van de dag waarop de eis gedaan is.
  Ook de interest van de prijs die hij betaald heeft, wordt hem vergoed hetzij eveneens van de dag waarop die eis gedaan is, hetzij, indien hij geen vruchten genoten heeft, te rekenen van de dag van de betaling.

  Art. 1683. Vernietiging uit hoofde van benadeling heeft niet plaats ten voordele van de koper.

  Art. 1684. Zij heeft niet plaats ten aanzien van verkopingen die volgens de wet niet anders dan op rechterlijk gezag kunnen geschieden.

  Art. 1685. De regels in de vorige afdeling bepaald voor de gevallen dat verscheidene personen gezamenlijk of afzonderlijk verkocht hebben, en voor het geval dat de verkoper of de koper verscheidene erfgenamen heeft achtergelaten, worden mede in acht genomen voor het instellen van de rechtsvordering tot vernietiging.

  HOOFDSTUK VII. - VEILING VAN ONVERDEELDE GOEDEREN.

  Art. 1686. Indien een zaak die aan verscheidene personen gemeenschappelijk toebehoort, niet gevoeglijk en zonder verlies verdeeld kan worden,
  Of indien, bij een minnelijke verdeling van gemeenschappelijke goederen, zich daaronder enkele goederen bevinden die geen van de deelgenoten kan of wil nemen,
  Geschiedt de verkoop bij opbod en de prijs wordt onder de medeëigenaars verdeeld.

  Art. 1687. Ieder medeëigenaar kan eisen dat ook vreemden tot de veiling van onverdeelde goederen worden opgeroepen; zij moeten worden opgeroepen, wanneer een van de medeëigenaars minderjarig is.

  Art. 1688.De wijze en de vormen volgens welke de veiling van onverdeelde goederen moet geschieden, worden in de titel Erfenissen en in het [1 Gerechtelijk Wetboek]1 bepaald. <W 15-12-1949, art. 26>
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/09, art. 6, 017; Inwerkingtreding : 18-07-2014>

  HOOFDSTUK VIII. - OVERDRACHT VAN SCHULDVORDERINGEN EN ANDERE ONLICHAMELIJKE RECHTEN.

  Art. 1689. Bij de overdracht van een schuldvordering, van een recht of van een rechtsvordering tegen een derde, geschiedt de levering tussen overdrager en overnemer door afgifte van de titel.

  Art. 1690.<W 1994-07-06/32, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 25-07-1994> (§ 1.) De overdracht van schuldvordering kan worden ingeroepen tegen andere derden dan de gecedeerde schuldenaar door het sluiten van de overeenkomst van overdracht. <W 2006-07-20/39, art. 26, 1°, 009; Inwerkingtreding : 30-01-2007; zie ook W 2006-07-20/39, art. 29>
  De overdracht kan slechts tegen de gecedeerde schuldenaar worden ingeroepen vanaf het ogenblik dat zij aan de gecedeerde schuldenaar ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend.
  Indien de overdrager dezelfde rechten aan verscheidene overnemers overdraagt, krijgt hij die er zich te goeder trouw op kan beroepen als eerste de overdracht van schuldvordering aan de schuldenaar ter kennis te hebben gebracht of als eerste de erkenning van de overdracht door de schuldenaar te hebben bekomen, de voorkeur.
  De overdracht kan niet worden ingeroepen tegen de te goeder trouw zijnde schuldeiser van de overdrager aan wie de schuldenaar te goeder trouw en voordat de overdracht hem ter kennis werd gebracht, bevrijdend heeft betaald.
  (§ 2. Onverminderd de toepassing van de artikelen 27 tot 35 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers geeft de overdracht die slaat op inkomsten bedoeld in artikelen 1409, §§ 1 en 1bis, en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek, op straffe van procedurele nietigheid, op het ogenblik dat zij kan worden ingeroepen tegen de gecedeerde schuldenaar aanleiding tot een aan de overdrager gerichte kennisgeving, die het aangifteformulier voor kind ten laste waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie bevat. In dat geval is artikel 34bis van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers van toepassing.) <W 2006-07-20/39, art. 26, 2°, 009; Inwerkingtreding : 30-01-2007; zie ook W 2006-07-20/39, art. 29>

  Art. 1691. <W 1994-07-06/32, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 25-07-1994> De schuldenaar die te goeder trouw heeft betaald alvorens de overdracht hem ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend, wordt bevrijd.
  De te goeder trouw zijnde schuldenaar kan de gevolgen van elke rechtshandeling die ten opzichte van de overdrager is gesteld, inroepen ten opzichte van de overnemer, voordat de overdracht aan hem ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend.

  Art. 1692. De verkoop of overdracht van een schuldvordering omvat haar toebehoren, zoals borgtochten, voorrechten en hypotheken.

  Art. 1693. Hij die een schuldvordering of enig ander onlichamelijk recht verkoopt, moet instaan voor het bestaan daarvan ten tijde van de overdracht, zelfs wanneer deze zonder vrijwaring is geschied.

  Art. 1694. Voor de gegoedheid van de schuldenaar moet hij niet instaan tenzij hij zich daartoe heeft verbonden, en slechts ten belope van de prijs die hij voor de schuldvordering ontvangen heeft.

  Art. 1695. Wanneer hij beloofd heeft voor de gegoedheid van de schuldenaar te zullen instaan, geldt die belofte slechts voor de gegoedheid op het ogenblik zelf en strekt zij zich niet uit tot de toekomst, tenzij de overdrager zulks uitdrukkelijk heeft bedongen.

  Art. 1696. Hij die een nalatenschap verkoopt zonder de voorwerpen waaruit zij bestaat, stuk voor stuk op te geven, moet slechts voor zijn hoedanigheid van erfgenaam instaan.

  Art. 1697. Wanneer hij reeds de vruchten van enig erf had genoten, of het bedrag van enige tot die erfenis behorende schuldvordering had ontvangen, of enig voorwerp van de nalatenschap had verkocht, is hij verplicht die aan de koper te vergoeden, behalve indien hij ze uitdrukkelijk voor zich behouden had bij het aangaan van de koop.

  Art. 1698. De koper is zijnerzijds verplicht aan de verkoper te vergoeden hetgeen deze wegens schulden en lasten van de nalatenschap betaald heeft, en hem te voldoen al hetgeen hij als schuldeiser te vorderen had, tenzij het tegendeel is bedongen.

  Art. 1699. Hij tegen wie een betwist recht is overgedragen, kan zich daarvan door de overnemer doen bevrijden, mits hij hem de werkelijke prijs van de overdracht en de wettig gemaakte kosten vergoedt, samen met de interest te rekenen van de dag waarop de overnemer de prijs voor de hem gedane overdracht betaald heeft.

  Art. 1700. Een zaak wordt voor betwist gehouden, zodra er proces is en betwisting van het recht zelf.

  Art. 1701. De bepaling van artikel 1699 is niet van toepassing :
  1° Wanneer de overdracht gedaan is aan een medeërfgenaam of medeëigenaar van het overgedragen recht;
  2° Wanneer zij gedaan is aan een schuldeiser tot betaling van hetgeen hem verschuldigd is;
  3° Wanneer zij gedaan is aan de bezitter van het erf waarop het betwiste recht betrekking heeft.

  TITEL VII. - RUIL.

  Art. 1702. Ruil is een contract waarbij de partijen aan elkaar een zaak in de plaats van een andere zaak geven.

  Art. 1703. Ruil komt tot stand door de enkele toestemming van de partijen, op dezelfde wijze als koop.

  Art. 1704. Indien een van de ruilers de zaak die hem in ruil gegeven wordt, reeds heeft ontvangen, en nadien bewijst dat de andere contractant geen eigenaar is van die zaak, kan hij niet genoodzaakt worden tot levering van de zaak die hij beloofd heeft daarvoor te zullen ruilen, maar alleen tot teruggave van die welke hij ontvangen heeft.

  Art. 1705. _ De ruiler die de zaak welke hij in ruil ontvangen heeft, door uitwinning verliest, heeft de keus om ofwel schadevergoeding, ofwel de teruggave van zijn zaak te vorderen.

  Art. 1706. Vernietiging uit hoofde van benadeling vindt geen toepassing op het ruilcontract.

  Art. 1707. De overige regels die omtrent het koopcontract zijn voorgeschreven, zijn mede van toepassing op het ruilcontract.

  TITEL VIII. - HUUR.

  HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 1708. Er zijn twee soorten van huur :
  De huur van goederen,
  En de huur van werk.

  Art. 1709. Huur van goederen is een contract waarbij de ene partij zich verbindt om de andere het genot van een zaak te doen hebben gedurende een zekere tijd, en tegen een bepaalde prijs, die de laatstgenoemde zich verbindt te betalen.

  Art. 1710. Huur van werk is een contract waarbij de ene partij zich verbindt om iets voor de andere te verrichten, tegen betaling van een tussen hen bedongen prijs.

  Art. 1711. Die twee soorten van huur worden nog verder onderverdeeld :
  Onder huishuur wordt verstaan de huur van huizen en die van meubelen;
  Onder pacht, de huur van landeigendommen;
  Onder huur van werk, de huur van arbeid of van diensten;
  Onder veepacht, de huur van dieren, waarbij de winst verdeeld wordt tussen de eigenaar en degene aan wie hij de dieren toevertrouwt.
  Een bestek, een aanneming of vast akkoord betreffende het uitvoeren van een werk tegen betaling van een bepaalde prijs, is ook huur, wanneer de grondstof geleverd wordt door hem voor wie het werk wordt uitgevoerd.
  Voor de laatste drie soorten gelden bijzondere regels.

  Art. 1712. De verhuring van de goederen van de Staat, van de gemeenten en van de openbare instellingen is aan bijzondere reglementen onderworpen.

  HOOFDSTUK II. - HUUR VAN GOEDEREN.

  Art. 1713. Men kan alle soorten van goederen, zo roerende als onroerende, verhuren.

  AFDELING I. - (ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE HUUR VAN ONROERENDE GOEDEREN). <W 20-02-1991, art. 1>

  Art. 1714.[...] (Behalve tegenstrijdige wettelijke bepalingen) men kan huren bij geschrift of mondeling. <W 1991-02-20/33, art. 13, § 3, Inwerkingtreding : 20-02-1991> <W 2007-04-25/38, art. 97, 010; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  [1 Elke schriftelijke huurovereenkomst moet, afgezien van alle andere modaliteiten, het volgende inhouden :
   1° voor de natuurlijke personen, hun naam, hun eerste twee voornamen, hun woonplaats en hun datum en plaats van geboorte;
   2° voor de rechtspersonen, hun maatschappelijke naam en, in voorkomend geval, hun ondernemingsnummer bedoeld in artikel 5 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen; bij gebrek aan toekenning van het voormelde identificatienummer, wordt dit vervangen door hun maatschappelijke zetel.
   Indien aan een partij bij een dergelijke akte nog geen ondernemingsnummer is toegekend, bevestigt die partij dit in de akte of in een ondertekende aanvullende verklaring onderaan de akte.
   De partij die zijn verplichting tot identificatie met het in het tweede lid beoogde nummer niet nakomt, draagt alle gevolgen van het gebrek aan registratie van de huurovereenkomst.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-21/26, art. 41, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2014>

  Art. 1714_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1714bis. <ingevoegd bij W 2007-04-25/38, art. 98, Inwerkingtreding : 18-05-2007> Artikel 1bis van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 2, is van toepassing op de kamer bedoeld voor de huisvesting van één of meerdere studenten.

  Art. 1714bis_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1714bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [NOTA : in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet langer van toepassing op de huurovereenkomsten onderworpen aan de titel XI van de Code. <ORD 2017-07-27/15, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2018>]
   <ingevoegd bij W 2007-04-25/38, art. 98, Inwerkingtreding : 18-05-2007> Artikel 1bis van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 2, is van toepassing op de kamer bedoeld voor de huisvesting van één of meerdere studenten.

  

  Art. 1715. [...] Indien een huur die zonder geschrift is aangegaan, nog op generlei wijze is ten uitvoer gebracht, en een van de partijen die ontkent, kan het bewijs door getuigen niet worden toegelaten, hoe gering de huurprijs ook is, en hoewel men aanvoert dat er handgeld is gegeven. <W 1991-02-20/33, art. 13, § 3, Inwerkingtreding : 20-02-1991>
  Alleen de eed kan worden opgedragen aan hem die de huur ontkent.

  Art. 1715_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1716. <hersteld bij W 2007-04-25/38, art. 99, Inwerkingtreding : 18-05-2007> Elke verhuring van een goed dat bestemd is voor bewoning in de ruime betekenis houdt in dat in elke officiële of publieke mededeling onder meer het bedrag van de gevraagde huurprijs en van de gemeenschappelijke lasten wordt vermeld.
  Elk niet naleven van deze verplichting door de verhuurder of diens gevolmachtigde zal de betaling kunnen rechtvaardigen van een administratieve boete die vastgelegd is tussen 50 euro en 200 euro.
  De gemeenten, in de hoedanigheid van gedecentraliseerde overheden, kunnen de inbreuken op de verplichtingen van dit artikel vaststellen, vervolgen en bestraffen. De bevoegde gemeente is die waar het goed zich bevindt. Deze inbreuken worden vastgesteld, vervolgd en bestraft overeenkomstig de vormvereisten, termijnen en procedures bepaald in artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet, met uitzondering van § 5.

  Art. 1716_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1716_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [NOTA : in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet langer van toepassing op de huurovereenkomsten onderworpen aan de titel XI van de Code. <ORD 2017-07-27/15, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2018>]
   <hersteld bij W 2007-04-25/38, art. 99, Inwerkingtreding : 18-05-2007> Elke verhuring van een goed dat bestemd is voor bewoning in de ruime betekenis houdt in dat in elke officiële of publieke mededeling onder meer het bedrag van de gevraagde huurprijs en van de gemeenschappelijke lasten wordt vermeld.
  Elk niet naleven van deze verplichting door de verhuurder of diens gevolmachtigde zal de betaling kunnen rechtvaardigen van een administratieve boete die vastgelegd is tussen 50 euro en 200 euro.
  De gemeenten, in de hoedanigheid van gedecentraliseerde overheden, kunnen de inbreuken op de verplichtingen van dit artikel vaststellen, vervolgen en bestraffen. De bevoegde gemeente is die waar het goed zich bevindt. Deze inbreuken worden vastgesteld, vervolgd en bestraft overeenkomstig de vormvereisten, termijnen en procedures bepaald in artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet, met uitzondering van § 5.

  

  Art. 1716bis. (Opgeheven) <W 04-11-1969, art. 2>

  Art. 1717. (De huurder mag onderverhuren en zelfs zijn huur aan anderen overdragen, indien dit recht hem niet is ontzegd.
  (Onverminderd artikel 11bis van de afdeling IIbis van dit hoofdstuk, kan de huurder die het gehuurde goed niet tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt, het goed niet geheel of gedeeltelijk onderverhuren opdat het voor de onderhuurder als hoofdverblijfplaats kan dienen.
  Indien de huurder echter een gemeente is, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een vereniging zonder winstoogmerk of een instelling van openbaar nut onderworpen aan de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, ofwel een vennootschap met een sociaal oogmerk, kan hij het goed aan een of meer natuurlijke personen geheel onderverhuren, op voorwaarde dar deze personen minder gegoed zijn of zich in een behartenswaardige sociale situatie bevinden en dat zij het goed uitsluitend tot hun hoofdverblijfplaats bestemmen, en voor zover de verhuurder ingestemd heeft met de mogelijkheid om het goed te dien einde onder te verhuren.) <W 1997-04-13/43, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 31-05-1997; zie evenwel W 1997-04-13/43, art. 15>
  (De huurder) kan zijn huurovereenkomst evenmin overdragen indien het gehuurde goed moet dienen tot hoofdverblijfplaats voor de overnemer.) <W 20-02-1991, art. 4> <W 1997-04-13/43, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 31-05-1997>
  Het kan hem worden ontzegd voor het geheel of voor een gedeelte.
  Zodanig beding is altijd van strenge toepassing.
  (Leden 4 en 5 opgeheven) <W 04-11-1969, art. 2>

  Art. 1717_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1717_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [NOTA : in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet langer van toepassing op de huurovereenkomsten onderworpen aan de titel XI van de Code. <ORD 2017-07-27/15, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2018>]
   (De huurder mag onderverhuren en zelfs zijn huur aan anderen overdragen, indien dit recht hem niet is ontzegd.
  (Onverminderd artikel 11bis van de afdeling IIbis van dit hoofdstuk, kan de huurder die het gehuurde goed niet tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt, het goed niet geheel of gedeeltelijk onderverhuren opdat het voor de onderhuurder als hoofdverblijfplaats kan dienen.
  Indien de huurder echter een gemeente is, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een vereniging zonder winstoogmerk of een instelling van openbaar nut onderworpen aan de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, ofwel een vennootschap met een sociaal oogmerk, kan hij het goed aan een of meer natuurlijke personen geheel onderverhuren, op voorwaarde dar deze personen minder gegoed zijn of zich in een behartenswaardige sociale situatie bevinden en dat zij het goed uitsluitend tot hun hoofdverblijfplaats bestemmen, en voor zover de verhuurder ingestemd heeft met de mogelijkheid om het goed te dien einde onder te verhuren.) <W 1997-04-13/43, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 31-05-1997; zie evenwel W 1997-04-13/43, art. 15>
  (De huurder) kan zijn huurovereenkomst evenmin overdragen indien het gehuurde goed moet dienen tot hoofdverblijfplaats voor de overnemer.) <W 20-02-1991, art. 4> <W 1997-04-13/43, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 31-05-1997>
  Het kan hem worden ontzegd voor het geheel of voor een gedeelte.
  Zodanig beding is altijd van strenge toepassing.
  (Leden 4 en 5 opgeheven) <W 04-11-1969, art. 2>

  

  Art. 1718. <W 14-07-1976, art. IV, 14> Artikel 595, betreffende de verhuring door de vruchtgebruiker, is mede van toepassing op de verhuring van de goederen van minderjarigen.

  Art. 1718_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1719. De verhuurder is, uit de aard van het contract, en zonder dat daartoe enig bijzonder beding nodig is, verplicht :
  1° Het verhuurde goed aan de huurder te leveren;
  2° Dat goed in zodanige staat te onderhouden dat het kan dienen tot het gebruik waartoe het verhuurd is;
  3° De huurder het rustig genot daarvan te doen hebben zolang de huur duurt.

  Art. 1719_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1720. De verhuurder is verplicht het goed in alle opzichten in goede staat van onderhoud te leveren.
  Hij moet daaraan gedurende de huurtijd alle herstellingen doen, die nodig mochten worden, behalve de herstellingen ten laste van de huurder.

  Art. 1720_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1720_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [NOTA : in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet langer van toepassing op de huurovereenkomsten onderworpen aan de titel XI van de Code. <ORD 2017-07-27/15, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2018>]
   De verhuurder is verplicht het goed in alle opzichten in goede staat van onderhoud te leveren.
  Hij moet daaraan gedurende de huurtijd alle herstellingen doen, die nodig mochten worden, behalve de herstellingen ten laste van de huurder.

  

  Art. 1721. Vrijwaring is verschuldigd aan de huurder voor alle gebreken van het verhuurde goed, die het gebruik daarvan verhinderen, ook al mocht de verhuurder die bij het aangaan van de huur niet hebben gekend.
  Indien door die gebreken enig verlies voor de huurder ontstaat, is de verhuurder verplicht hem daarvoor schadeloos te stellen.

  Art. 1721_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1722. Indien het verhuurde goed gedurende de huurtijd door toeval geheel is teniet gegaan, is de huur van rechtswege ontbonden; indien het goed slechts ten dele is teniet gegaan, kan de huurder, naar gelang van de omstandigheden, ofwel vermindering van de prijs, ofwel zelfs ontbinding van de huur vorderen. In geen van beide gevallen is schadeloosstelling verschuldigd.

  Art. 1722_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1723. De verhuurder mag gedurende de huurtijd de gedaante van het verhuurde goed niet veranderen.

  Art. 1723_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1724. Indien het verhuurde goed gedurende de huurtijd dringende herstellingen nodig heeft, die niet tot na het eindigen van de huur kunnen worden uitgesteld, moet de huurder die gedogen, welke ongemakken hem daardoor ook mochten worden veroorzaakt, en al zou hij gedurende de herstellingen het genot van een gedeelte van het verhuurde goed moeten derven.
  Indien echter die herstellingen langer dan veertig dagen duren, wordt de huurprijs verminderd naar evenredigheid van de tijd en van het gedeelte van het verhuurde goed waarvan hij het genot heeft moeten derven.
  Indien de herstellingen van dien aard zijn dat hetgeen noodzakelijk is voor de huisvesting van de huurder en van zijn gezin, daardoor onbewoonbaar wordt, kan hij de huur doen ontbinden.

  Art. 1724_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1725. De verhuurder is niet verplicht de huurder te vrijwaren voor de stoornis die derden hem door feitelijkheden toebrengen in zijn genot, zonder dat zij overigens beweren enig recht op het verhuurde goed te hebben; onverminderd het recht van de huurder om hen in eigen naam te vervolgen.

  Art. 1725_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1726. Indien daarentegen de huurder of de pachter in zijn genot is gestoord ten gevolge van een rechtsvordering betreffende de eigendom van het erf, heeft hij recht op een evenredige vermindering van de huurprijs of de pachtprijs, mits van de stoornis en de belemmering aan de eigenaar is kennis gegeven.

  Art. 1726_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1727. Indien zij die de feitelijkheden hebben begaan, beweren enig recht op het verhuurde goed te hebben, of indien de huurder zelf in rechte gedagvaard wordt om te worden verwezen tot ontruiming van het geheel of van een gedeelte van het goed, of om de uitoefening van enige erfdienstbaarheid te gedogen, moet de huurder de verhuurder in vrijwaring oproepen, en, indien hij het eist, zal hij buiten het geding gesteld worden, mits hij de verhuurder noemt, voor wie hij bezit.

  Art. 1727_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1728. De huurder is tot twee hoofdverplichtingen gehouden :
  1° Het gehuurde te gebruiken als een goed huisvader, en volgens de bestemming welke bij het huurcontract daaraan gegeven is, of volgens die welke, bij gebreke van overeenkomst daaromtrent, naar gelang van de omstandigheden vermoed wordt;
  2° De huurprijs op de bepaalde termijn te voldoen.

  Art. 1728_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1728bis. _ <Ingevoegd bij W 29-12-1983, art. 1> § 1. Indien een aanpassing van de huurprijs aan de kosten van levensonderhoud is bedongen, is deze slechts één maal per huurjaar toegelaten en ten vroegste op de verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst. Deze aanpassing geschiedt op basis van de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
  De aangepaste huurprijs mag niet hoger zijn dan het bedrag verkregen door toepassing van de hiernavolgende formule : basishuurprijs vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.
  De basishuurprijs is de huurprijs die volgt uit de overeenkomst of uit een vonnis met uitsluiting van alle kosten en lasten uitdrukkelijk door de huurovereenkomst ten laste van de huurder gelegd.
  (Het nieuwe indexcijfer is het indexcijfer daartoe berekend en benoemd, van de maand voorafgaand aan die van de verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst.) <W 1997-04-13/43, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 31-05-1997; zie evenwel W 1997-04-13/43, art. 15>
  (Het aanvangsindexcijfer is het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand die voorafgaat aan de maand tijdens welke de overeenkomst is afgesloten.) <KB 24-12-1993, art. 16>
  Voor de overeenkomsten afgesloten vanaf 1 februari 1994, is het aanvangsindexcijfer echter het indexcijfer daartoe berekend en benoemd van de maand die voorafgaat aan de maand tijdens welke de overeenkomst is afgesloten.
  § 2. Contractuele bepalingen welker uitvoering verder gaat dan de aanpassing waarin dit artikel voorziet, kunnen tot die aanpassing ingekort worden.
  § 3. (...) <W 20-02-1991, art. 13>

  Art. 1728bis_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1728bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   _ <Ingevoegd bij W 29-12-1983, art. 1> § 1. Indien een aanpassing van de huurprijs aan de kosten van levensonderhoud is bedongen, is deze slechts één maal per huurjaar toegelaten en ten vroegste op de verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst. Deze aanpassing geschiedt op basis van de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
  De aangepaste huurprijs mag niet hoger zijn dan het bedrag verkregen door toepassing van de hiernavolgende formule : basishuurprijs vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.
  De basishuurprijs is de huurprijs die volgt uit de overeenkomst of uit een vonnis met uitsluiting van alle kosten en lasten uitdrukkelijk door de huurovereenkomst ten laste van de huurder gelegd.
  (Het nieuwe indexcijfer is het indexcijfer daartoe berekend en benoemd, van de maand voorafgaand aan die van de verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst.) <W 1997-04-13/43, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 31-05-1997; zie evenwel W 1997-04-13/43, art. 15>
  (Het aanvangsindexcijfer is het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand die voorafgaat aan de maand tijdens welke de overeenkomst is afgesloten.) <KB 24-12-1993, art. 16>
  Voor de overeenkomsten afgesloten vanaf 1 februari 1994, is het aanvangsindexcijfer echter het indexcijfer daartoe berekend en benoemd van de maand die voorafgaat aan de maand tijdens welke de overeenkomst is afgesloten.
  § 2. Contractuele bepalingen welker uitvoering verder gaat dan de aanpassing waarin dit artikel voorziet, kunnen tot die aanpassing ingekort worden.
  § 3. [1 Op voordracht van de Minister die de Huisvesting onder zijn bevoegdheid heeft, kan de Regering evenwel, in functie van de door de federaal Staat aangenomen beslissingen inzake consumptieprijsindex, vaststellen dat de huurprijs van de woningen in een onroerend goed gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aangepast zou worden aan de kosten van levensonderhoud op grond van de index toepasselijk op de lonen en tegemoetkomingen krachtens de federale bepalingen. Deze bepalingen kunnen geen nominale vermindering van de geïndexeerde huurprijs tot gevolg hebben tijdens de tijdvakken waar de index toepasselijk op de lonen en vervangingstegemoetkomingen geblokkeerd wordt.]1

  ----------
  (1)<ORD 2017-07-27/15, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Art. 1728ter. <Ingevoegd bij W 29-12-1983, art. 2> § 1. Behalve wanneer uitdrukkelijk overeengekomen is dat de aan de huurder opgelegde kosten en lasten in vaste bedragen worden bepaald, moeten ze met werkelijke uitgaven overeenkomen.
  Deze kosten en lasten moeten in een afzonderlijke rekening worden opgegeven.
  De stukken die van deze uitgaven doen blijken, moeten worden overgelegd.
  In het geval van een onroerend goed bestaande uit meerdere appartementen, waarvan het beheer wordt waargenomen door éénzelfde persoon, wordt aan de verplichting voldaan zodra de verhuurder aan de huurder een opgave van de kosten en de lasten doet toekomen en aan de huurder of aan zijn bijzondere gemachtigde de mogelijkheid is geboden de stukken in te zien ten huize van de natuurlijke persoon of op de zetel van de rechtspersoon die het beheer waarneemt.
  § 2. De contractuele bepalingen welke in strijd zijn met paragraaf 1 zijn nietig.
  § 3. Dit artikel is niet van toepassing op de pacht.

  Art. 1728ter_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1728quater. <Ingevoegd bij W 29-12-1983, art. 3> § 1. Indien de huurder meer betaald heeft dan hij in toepassing van de wet of de overeenkomst verschuldigd is moet hem het teveel betaalde op zijn verzoek worden terugbetaald. Dit verzoek dient aan de verhuurder te worden verzonden bij ter post aangetekende brief.
  De teruggave kan evenwel slechts geëist worden voor de bedragen die vervallen zijn en betaald werden tijdens de 5 jaar die aan dit verzoek voorafgaan.
  De vordering tot teruggave verjaart door verloop van een termijn van één jaar, zoals bepaald in artikel 2273.
  § 2. De contractuele bepalingen welke in strijd zijn met paragraaf 1 zijn nietig.
  § 3. Dit artikel is niet van toepassing op de pacht.

  Art. 1728quater_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1729. Indien de huurder het gehuurde voor een ander gebruik bezigt dan waarvoor het bestemd was, of voor een gebruik waaruit enig nadeel kan ontstaan voor de verhuurder, kan deze, naar gelang van de omstandigheden, de huur doen ontbinden.

  Art. 1729_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1730. <W 29-12-1983, art. 4> § 1. (De partijen zijn verplicht een omstandige plaatsbeschrijving op te stellen, op tegenspraak en voor gezamenlijke rekening. Deze plaatsbeschrijving wordt opgesteld ofwel tijdens de periode dat de ruimtes onbewoond zijn, ofwel tijdens de eerste maand van bewoning. Hij wordt gevoegd bij de geschreven huurovereenkomst in de zin van artikel 1bis van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 2 en zal eveneens onderworpen zijn aan de registratie.) <W 2007-04-25/38, art. 100, 010; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  Bereiken de partijen geen overeenstemming, dan wijst de vrederechter, bij wie de zaak aanhangig wordt gemaakt met een verzoekschrift ingediend voor het verstrijken van de termijn van één maand of van vijftien dagen naargelang van het geval, een deskundige aan die de plaatsbeschrijving opmaakt. Het vonnis is uitvoerbaar niettegenstaande verzet en is niet vatbaar voor hoger beroep.
  § 2. Indien in de gehuurde plaatsen belangrijke wijzigingen zijn aangebracht nadat de plaatsbeschrijving is opgemaakt kan elke partij eisen dat op tegenspraak en voor gemeenschappelijke rekening een bijvoegsel bij de plaatsbeschrijving wordt opgemaakt.
  Wordt geen overeenstemming bereikt, dan is de in paragraaf 1 voorgeschreven procedure van toepassing, behalve wat de termijnen betreft.
  § 3. De contractuele bepalingen welke in strijd zijn met de paragrafen 1 en 2 zijn nietig.
  § 4. Dit artikel is niet van toepassing op de pacht.

  Art. 1730_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1730_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   <W 29-12-1983, art. 4> § 1. (De partijen zijn verplicht een omstandige plaatsbeschrijving op te stellen, op tegenspraak en voor gezamenlijke rekening. Deze plaatsbeschrijving wordt opgesteld ofwel tijdens de periode dat de ruimtes onbewoond zijn, ofwel tijdens de eerste maand van bewoning. Hij wordt gevoegd bij de geschreven huurovereenkomst [1 in de zin van artikel 215 van de Brusselse Huisvestingscode]1 en zal eveneens onderworpen zijn aan de registratie.) <W 2007-04-25/38, art. 100, 010; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  Bereiken de partijen geen overeenstemming, dan wijst de vrederechter, bij wie de zaak aanhangig wordt gemaakt met een verzoekschrift ingediend voor het verstrijken van de termijn van één maand of van vijftien dagen naargelang van het geval, een deskundige aan die de plaatsbeschrijving opmaakt. Het vonnis is uitvoerbaar niettegenstaande verzet en is niet vatbaar voor hoger beroep.
  § 2. Indien in de gehuurde plaatsen belangrijke wijzigingen zijn aangebracht nadat de plaatsbeschrijving is opgemaakt kan elke partij eisen dat op tegenspraak en voor gemeenschappelijke rekening een bijvoegsel bij de plaatsbeschrijving wordt opgemaakt.
  Wordt geen overeenstemming bereikt, dan is de in paragraaf 1 voorgeschreven procedure van toepassing, behalve wat de termijnen betreft.
  § 3. De contractuele bepalingen welke in strijd zijn met de paragrafen 1 en 2 zijn nietig.
  § 4. Dit artikel is niet van toepassing op de pacht.

  ----------
  (1)<ORD 2017-07-27/15, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Art. 1731. <W 29-12-1983, art. 5> § 1. Indien geen omstandige plaatsbeschrijving is opgemaakt, wordt vermoed dat de huurder het gehuurde goed ontvangen heeft in dezelfde staat als waarin het zich bevindt op het einde van de huurovereenkomst, behoudens tegenbewijs, dat door alle middelen kan worden geleverd.
  § 2. Indien tussen verhuurder en huurder een omstandige plaatsbeschrijving is opgemaakt, moet de huurder het goed teruggeven zoals hij het, volgens die beschrijving, ontvangen heeft, met uitzondering van hetgeen door ouderdom of overmacht is teniet gegaan of beschadigd.

  Art. 1731_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1732. Hij is aansprakelijk voor de beschadigingen of de verliezen die gedurende zijn huurtijd ontstaan, tenzij hij bewijst dat die buiten zijn schuld hebben plaatsgehad.

  Art. 1732_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1733. _ <W 20-02-1991, art. 7> Hij is aansprakelijk voor brand, tenzij hij bewijst dat de brand buiten zijn schuld is ontstaan.

  Art. 1733_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1734. (Opgeheven) <W 20-02-1991, art. 13>

  Art. 1735. De huurder is aansprakelijk voor de beschadigingen en de verliezen die ontstaan door toedoen van zijn huisgenoten of van zijn onderhuurders.

  Art. 1735_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1736. <W 20-02-1991, art. 8> Onverminderd het bepaalde in artikel 1758, wordt de voor onbepaalde duur gesloten huurovereenkomst geacht te zijn aangegaan per maand.
  De overeenkomst kan slechts worden beëindigd met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand.

  Art. 1736_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1737. Indien de huur bij geschrift is aangegaan, eindigt zij van rechtswege wanneer de bepaalde tijd verstreken is, zonder dat een opzegging is vereist.

  Art. 1737_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1738. <W 20-02-1991, art. 9> Indien de huurder, na beëindiging van een voor een bepaalde duur bij geschrift gesloten overeenkomst, het goed zonder verzet van de verhuurder verder blijft bewonen, is er wederinhuring tegen dezelfde voorwaarden, ook wat de duur betreft.

  Art. 1738_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1739. Wanneer een opzegging is betekend, kan de huurder, hoewel hij in het genot gebleven is, zich niet beroepen op een stilzwijgende wederinhuring.

  Art. 1739_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1740. <W 20-02-1991, art. 10> In het geval van de artikelen 1738 en 1739, strekken de verplichtingen van de borgtocht zich niet uit tot de verplichtingen die uit de wederinhuring ontstaan.

  Art. 1740_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1741. Het huurcontract wordt ontbonden door het tenietgaan van het verhuurde goed, en door de niet-nakoming van hun verplichtingen door de verhuurder of de huurder.

  Art. 1741_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1742. [...] Het huurcontract wordt niet ontbonden door de dood van de verhuurder, noch door de dood van de huurder. <W 1991-02-20/33, art. 13, § 3, Inwerkingtreding : 28-02-1991>
  (Leden 2 tot 7 opgeheven) <W 04-11-1969, art. 2>

  Art. 1742_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1743. [...] Indien de verhuurder het verhuurde goed verkoopt, kan de pachter of de huurder, die een authentieke huur of een huur met vaste dagtekening heeft, niet uit het gehuurde gezet worden door de koper, tenzij de verhuurder zich dit recht bij het huurcontract heeft voorbehouden. <W 1991-02-20/33, art. 13, § 3, Inwerkingtreding : 28-02-1991>

  Art. 1743_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1743_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [NOTA : in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet langer van toepassing op de huurovereenkomsten onderworpen aan de titel XI van de Code. <ORD 2017-07-27/15, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2018>]
   [...] Indien de verhuurder het verhuurde goed verkoopt, kan de pachter of de huurder, die een authentieke huur of een huur met vaste dagtekening heeft, niet uit het gehuurde gezet worden door de koper, tenzij de verhuurder zich dit recht bij het huurcontract heeft voorbehouden. <W 1991-02-20/33, art. 13, § 3, Inwerkingtreding : 28-02-1991>
  

  

  Art. 1744. Indien bij het aangaan van de huur is overeengekomen dat, in geval van verkoop, de pachter of de huurder uit het gehuurde kan worden gezet door de koper, en geen beding gemaakt is omtrent de schadevergoeding, is de verhuurder verplicht de pachter of de huurder schadeloos te stellen op de volgende wijze.

  Art. 1744_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1745. Indien het een huis, een appartement of een winkel betreft, betaalt de verhuurder aan de uit het gehuurde gezette huurder, als schadevergoeding, een bedrag gelijk aan de huurprijs voor de tijd die (volgens de wet of de overeenkomst) gelaten wordt tussen de opzegging en het vertrek. <W 20-02-1991, art. 11>

  Art. 1745_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1746. (Opgeheven) <W 20-02-1991, art. 13>

  Art. 1747. De vergoeding wordt door deskundigen bepaald, indien het werkhuizen, fabrieken of andere inrichtingen betreft, die grote voorschotten vereisen.

  Art. 1747_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1748. [...] De koper die gebruik wil maken van de bevoegdheid, bij het huurcontract voorbehouden, om, in geval van verkoop, (...) de huurder uit het gehuurde te zetten, is bovendien verplicht de huurder (te waarschuwen binnen de termijnen bepaald door de wet of de overeenkomst.) <W 1991-02-20/33, art. 13, § 3, Inwerkingtreding : 28-02-1991> <W 07-03-1929, art. 2> <W 1991-02-20/33, art. 12, Inwerkingtreding : 28-02-1991>
  (leden 2 tot 6 opgeheven) <W 04-11-1969, art. 2>

  Art. 1748_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1748_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [NOTA : in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet langer van toepassing op de huurovereenkomsten onderworpen aan de titel XI van de Code. <ORD 2017-07-27/15, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2018>]
   [...] De koper die gebruik wil maken van de bevoegdheid, bij het huurcontract voorbehouden, om, in geval van verkoop, (...) de huurder uit het gehuurde te zetten, is bovendien verplicht de huurder (te waarschuwen binnen de termijnen bepaald door de wet of de overeenkomst.) <W 1991-02-20/33, art. 13, § 3, Inwerkingtreding : 28-02-1991> <W 07-03-1929, art. 2> <W 1991-02-20/33, art. 12, Inwerkingtreding : 28-02-1991>
  (leden 2 tot 6 opgeheven) <W 04-11-1969, art. 2>

  

  Art. 1749. Pachters of huurders kunnen niet uit het gehuurde gezet worden, tenzij de verhuurder of, zo niet, de nieuwe koper hun de hierboven bepaalde schadevergoedingen betaalt.

  Art. 1749_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1750. Indien de huur niet bij authentieke akte is aangegaan, of geen vaste dagtekening heeft, is de koper niet tot schadevergoeding gehouden.

  Art. 1750_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1750_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [NOTA : in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet langer van toepassing op de huurovereenkomsten onderworpen aan de titel XI van de Code. <ORD 2017-07-27/15, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2018>]
   Indien de huur niet bij authentieke akte is aangegaan, of geen vaste dagtekening heeft, is de koper niet tot schadevergoeding gehouden.

  

  Art. 1751. De koper onder beding van wederinkoop kan geen gebruik maken van de bevoegdheid om de huurder uit het gehuurde te zetten, voordat hij, door het verstrijken van de tijd voor de wederinkoop bepaald, onherroepelijk eigenaar is geworden.

  Art. 1751_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1752. De huurder die het huis niet van genoegzaam huisraad voorziet, kan eruit worden gezet, tenzij hij voldoende zekerheid stelt voor de betaling van de huur.

  Art. 1752_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1752bis. (Opgeheven) <W 20-02-1991, art. 13>

  Art. 1753. De onderhuurder is jegens de eigenaar slechts gehouden ten belope van de prijs, die hij als onderhuurder verschuldigd is op het ogenblik van het beslag, en zonder dat hij zich op bij voorraad gedane betalingen kan beroepen.
  Betalingen die de onderhuurder gedaan heeft, hetzij krachtens een beding van zijn huurcontract, hetzij overeenkomstig het plaatselijk gebruik, worden niet geacht bij voorraad te zijn gedaan.

  Art. 1753_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1754. Herstellingen ten laste van de huurder, of geringe herstellingen tot onderhoud, waartoe, behoudens andersluidend beding, de huurder gehouden is, zijn die welke door het plaatselijk gebruik als zodanig beschouwd worden en, onder andere, de herstellingen :
  Aan haarden, haardplaten, lijsten en mantels van schoorstenen;
  Aan de bepleistering van de muren van appartementen en andere woonplaatsen, onderaan tot op een meter hoogte;
  Aan vloerstenen en tegels van kamers, wanneer er slechts enkele gebroken zijn;
  Aan ruiten, tenzij die gebroken zijn door hagel of andere buitengewone en door overmacht veroorzaakte voorvallen waarvoor de huurder niet aansprakelijk is;
  Aan deuren, vensterramen, planken dienende tot afschutting of tot sluiting van winkels, hengsels, grendels en sloten.

  Art. 1754_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1754_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [NOTA : in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet langer van toepassing op de huurovereenkomsten onderworpen aan de titel XI van de Code. <ORD 2017-07-27/15, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2018>]
   Herstellingen ten laste van de huurder, of geringe herstellingen tot onderhoud, waartoe, behoudens andersluidend beding, de huurder gehouden is, zijn die welke door het plaatselijk gebruik als zodanig beschouwd worden en, onder andere, de herstellingen :
  Aan haarden, haardplaten, lijsten en mantels van schoorstenen;
  Aan de bepleistering van de muren van appartementen en andere woonplaatsen, onderaan tot op een meter hoogte;
  Aan vloerstenen en tegels van kamers, wanneer er slechts enkele gebroken zijn;
  Aan ruiten, tenzij die gebroken zijn door hagel of andere buitengewone en door overmacht veroorzaakte voorvallen waarvoor de huurder niet aansprakelijk is;
  Aan deuren, vensterramen, planken dienende tot afschutting of tot sluiting van winkels, hengsels, grendels en sloten.

  

  Art. 1755. Geen van de herstellingen die geacht worden herstellingen ten laste van de huurder te zijn, komt voor rekening van de huurder, wanneer alleen ouderdom of overmacht daartoe aanleiding hebben gegeven.

  Art. 1755_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1755_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [NOTA : in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet langer van toepassing op de huurovereenkomsten onderworpen aan de titel XI van de Code. <ORD 2017-07-27/15, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2018>]
   Geen van de herstellingen die geacht worden herstellingen ten laste van de huurder te zijn, komt voor rekening van de huurder, wanneer alleen ouderdom of overmacht daartoe aanleiding hebben gegeven.

  

  Art. 1756. Het ruimen van putten en van sekreten komt ten laste van de verhuurder, indien niet het tegendeel bedongen is.

  Art. 1756_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1756_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [NOTA : in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet langer van toepassing op de huurovereenkomsten onderworpen aan de titel XI van de Code. <ORD 2017-07-27/15, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2018>]
   Het ruimen van putten en van sekreten komt ten laste van de verhuurder, indien niet het tegendeel bedongen is.

  

  Art. 1757. De huur van meubelen om een geheel huis, een gehele woning, een winkel of enig ander appartement daarmee te stofferen, wordt geacht voor zolang te zijn aangegaan als de huizen, woningen, winkels en andere appartementen volgens plaatselijk gebruik doorgaans verhuurd worden.

  Art. 1757_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1758. De huur van een gemeubileerd appartement wordt geacht te zijn aangegaan bij het jaar, wanneer zij is aangegaan tegen zoveel per jaar;
  Bij de maand, wanneer zij is aangegaan tegen zoveel per maand;
  Bij de dag, wanneer zij is aangegaan tegen zoveel per dag.
  (Lid 4 opgeheven) <W 20-02-1991, art. 13>

  Art. 1758_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1758bis. (Opgeheven) <W 20-02-1991, art. 13>

  Art. 1758ter. (Opgeheven) <W 20-02-1991, art. 13>

  Art. 1759. (Opgeheven) <W 20-02-1991, art. 13>

  Art. 1759bis. (Opgeheven) <W 20-02-1991, art. 13 en art. 14, §2, l3 voor overgangsbepaling>

  Art. 1760. In geval van ontbinding van de huur door de schuld van de huurder, is deze verplicht de huurprijs te betalen gedurende de tijd die voor de wederverhuring nodig is, onverminderd de vergoeding van de schade die door het wangebruik mocht zijn veroorzaakt.

  Art. 1760_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 1761. (Opgeheven) <W 20-02-1991, art. 13>

  Art. 1762. (Opgeheven) <W 20-02-1991, art. 13>

  Art. 1762bis. <Ingevoegd bij W 30-05-1931, art. 1> De uitdrukkelijke ontbindende voorwaarde wordt voor niet geschreven gehouden.

  Art. 1762bis_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  AFDELING II. - REGELS BETREFFENDE DE HUUROVEREENKOMSTEN MET BETREKKING TOT DE HOOFDVERBLIJFPLAATS VAN DE HUURDER IN HET BIJZONDER. (Voor de autonome Tekst : 1991-02-20/32)

  AFDELING II. WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst bij DWG 2018-03-15/13, art. 92,§1, 022; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  AFDELING IIbis. - REGELS BETREFFENDE DE HANDELSHUUR IN HET BIJZONDER. (Voor de autonome Tekst : 1951-04-30/30)

  AFDELING III. - REGELS BETREFFENDE DE PACHT IN HET BIJZONDER. (Voor de autonome Tekst : 1969-11-04/31)

  HOOFDSTUK III. - HUUR VAN WERK EN VAN DIENSTEN.

  Art. 1779. Er zijn drie hoofdsoorten van huur van werk en van diensten :
  1° De huur van werklieden die in iemands dienst treden;
  2° Die van vervoerders te land en te water, die zich belasten met het vervoer van personen of van koopwaren;
  3° Die van aannemers van werken die handelen ingevolge bestekken of aannemingen.

  AFDELING I. - HUUR VAN DIENSTBODEN EN WERKLIEDEN.

  Art. 1780. Men kan zijn diensten slechts voor een tijd of voor een bepaalde onderneming verbinden.

  Art. 1781. (Opgeheven) <W 10-07-1883, art. 1>

  AFDELING II. - ONDERNEMERS VAN VERVOER TE LAND EN TE WATER.

  Art. 1782. Vervoerders te land en te water hebben, ten aanzien van de bewaring en het behoud van de zaken die hun zijn toevertrouwd, dezelfde verplichtingen als logementhouders, van wie sprake in de titel Bewaargeving en sekwester.

  Art. 1783. Zij zijn verantwoordelijk niet alleen voor hetgeen zij reeds in hun vaartuig of voertuig hebben geladen, maar ook voor hetgeen hun op de wal of in de stapelplaats is afgegeven om in hun vaartuig of voertuig te worden geplaatst.

  Art. 1784. Zij zijn aansprakelijk voor het verlies en de beschadiging van de zaken die hun zijn toevertrouwd, tenzij zij bewijzen dat deze zijn verloren gegaan of beschadigd door toeval of overmacht.

  Art. 1785. Ondernemers van openbaar personenvervoer te land en te water, en ondernemers van openbaar goederenvervoer, moeten een register houden van het geld, de voorwerpen en de pakketten met het vervoer waarvan zij zich belasten.

  Art. 1786. Ondernemers en bestuurders van openbaar personen- en goederenvervoer, en gezagvoerders van schuiten en schepen zijn bovendien onderworpen aan bijzondere reglementen, die tussen hen en de andere burgers tot wet strekken.

  AFDELING III. - BESTEKKEN EN AANNEMINGEN.

  Art. 1787. Wanneer men iemand belast met het maken van een werk, kan men overeenkomen dat hij alleen zijn arbeid of zijn diensten, ofwel dat hij ook de stof zal verstrekken.

  Art. 1788. Ingeval de werkman de stof verstrekt en de zaak op welke wijze ook teniet gaat voordat zij geleverd is, komt het verlies voor rekening van de werkman, tenzij de opdrachtgever in gebreke was om de zaak te ontvangen.

  Art. 1789. Ingeval de werkman alleen zijn arbeid of zijn diensten verstrekt en de zaak teniet gaat, is hij slechts voor zijn schuld aansprakelijk.

  Art. 1790. Indien, in het geval van het vorige artikel, de zaak teniet gaat, zelfs buiten enige schuld van de werkman, voordat het werk ontvangen is en zonder dat de opdrachtgever in gebreke was het werk goed te keuren, kan de werkman geen aanspraak maken op loon, tenzij de zaak is teniet gegaan door een gebrek in de stof.

  Art. 1791. Wanneer een werk bij het stuk of bij de maat vervaardigd wordt, kan de goedkeuring ervan bij gedeelten geschieden; zij wordt geacht te zijn gedaan voor al de betaalde gedeelten, indien de opdrachtgever de werkman telkens betaalt naar verhouding van hetgeen is afgewerkt.

  Art. 1792. Indien een gebouw dat tegen vaste prijs is opgericht, geheel of gedeeltelijk teniet gaat door een gebrek in de bouw, zelfs door de ongeschiktheid van de grond, zijn de architect en de aannemer daarvoor gedurende tien jaren aansprakelijk.

  Art. 1793. Wanneer een architect of een aannemer het oprichten van een gebouw op zich heeft genomen tegen vaste prijs, volgens een met de eigenaar van de grond vastgelegd en overeengekomen plan, kan hij geen vermeerdering van de prijs vorderen, noch onder voorwendsel van vermeerdering van de arbeidslonen of van de bouwstoffen, noch onder voorwendsel van verandering of vergrotingen die in het plan zijn aangebracht, tenzij voor die veranderingen of vergrotingen schriftelijke toestemming is verleend, en de prijs ervan met de eigenaar is overeengekomen.

  Art. 1794. De opdrachtgever kan de aanneming tegen vaste prijs door zijn enkele wil verbreken, ook al is het werk reeds begonnen, mits hij de aannemer schadeloos stelt voor al zijn uitgaven, al zijn arbeid, en alles wat hij bij die aanneming had kunnen winnen.

  Art. 1795. Huur van werk wordt ontbonden door de dood van de werkman, de architect of de aannemer.

  Art. 1796. Maar de eigenaar is gehouden aan hun nalatenschap de waarde van het gedane werk en die van de in gereedheid gebrachte bouwstoffen te betalen, naar evenredigheid van de bij de overeenkomst bedongen prijs, doch alleen indien die werken of die bouwstoffen hem van nut kunnen zijn.

  Art. 1797. De aannemer is aansprakelijk voor de daad van de personen die hij bezigt.

  Art. 1798. <W 19-02-1990, art. 2> Metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, hebben tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering word ingesteld.
  De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde.
  [1 In geval van betwisting tussen de onderaannemer en de aannemer, kan de bouwheer het bedrag storten in de Deposito- en Consignatiekas of op een geblokkeerde rekening op naam van de aannemer en onderaannemer bij een financiële instelling. De bouwheer is hiertoe verplicht indien hij hiertoe schriftelijk wordt verzocht door de hoofdaannemer of de onderaannemer.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-11/19, art. 90, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2017, datum vervangen in 01-01-2018 bij W 2016-12-25/12, art. 36, Inwerkingtreding : 01-01-2018 !!!>

  Art. 1799. Metselaars, timmerlieden, slotenmakers en andere werklieden die rechtstreeks werken aannemen tegen vaste prijs, zijn gehouden aan de regels in deze afdeling voorgeschreven : zij zijn aannemers voor het werk dat zij uitvoeren.

  HOOFDSTUK IV. - VEEPACHT.

  AFDELING I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 1800. Veepacht is een contract waarbij de ene partij aan de andere vee geeft om het te bewaken, te voeden en te verzorgen, onder zodanige voorwaarden als tussen hen is overeengekomen.

  Art. 1801. Er zijn verschillende soorten van veepacht :
  Eenvoudige of gewone veepacht,
  Veepacht bij helften,
  Veepacht gegeven aan de pachter of aan de deelpachter.
  Er is nog een vierde soort van contract, oneigenlijk 'veepacht' genoemd.

  Art. 1802. Men kan alle soorten van dieren in veepacht geven, die voor de aanfok geschikt zijn of die voor de landbouw of de handel voordeel kunnen opleveren.

  Art. 1803. Bij ontstentenis van bijzondere overeenkomsten worden die contracten naar de hiernavolgende beginselen geregeld.

  AFDELING II. - EENVOUDIGE VEEPACHT.

  Art. 1804. Eenvoudige veepacht is een contract waarbij men aan een ander dieren geeft om die te bewaken, te voeden en te verzorgen, onder voorwaarde dat de pachter de helft zal ontvangen van de aanfok, en dat hij ook de helft zal dragen van het verlies.

  Art. 1805. Schatting van het vee in het contract van veepacht draagt de eigendom van het vee niet over op de pachter; zij dient alleen om het verlies of de winst bij het eindigen van de veepacht te bepalen.

  Art. 1806. De pachter is verplicht voor het behoud van het gepachte vee als een goed huisvader te zorgen.

  Art. 1807. Voor het toeval is hij alleen dan aansprakelijk indien er tevoren zijnerzijds enige schuld is geweest, zonder welke het verlies niet zou hebben plaatsgehad.

  Art. 1808. In geval van geschil dienaangaande moet de pachter het bewijs leveren van het toeval, en de verpachter het bewijs van de schuld die volgens hem aan de pachter te wijten is.

  Art. 1809. De pachter die, als gevolg van het toeval, van zijn verplichting ontslagen is, moet niettemin de huiden van de dieren verantwoorden.

  Art. 1810. Indien het vee geheel teniet gaat buiten de schuld van de pachter, komt het verlies daarvan voor rekening van de verpachter.
  Indien slechts een gedeelte teniet gaat, wordt het verlies gemeenschappelijk gedragen, volgens de schatting die gedaan is bij de aanvang, en die welke zal worden gedaan bij het eindigen van de veepacht.

  Art. 1811. Men mag niet bedingen :
  Dat de pachter het gehele verlies van het vee zal dragen, ook wanneer het door toeval en buiten zijn schuld is ontstaan,
  Of dat hij in het verlies een groter aandeel zal hebben dan in de winst,
  Of dat de verpachter, bij het einde van de veepacht, iets meer zal voorafnemen dan het door hem geleverde vee.
  Alle zodanige overeenkomsten zijn nietig.
  De pachter alleen geniet het voordeel van het zuivel, de mest en het werk van de in veepacht gegeven dieren.
  De wol en de aanfok worden verdeeld.

  Art. 1812. De pachter mag over geen enkel dier, hetzij van de oorspronkelijke kudde, hetzij van de aanfok, beschikken zonder toestemming van de verpachter, die evenmin erover mag beschikken zonder toestemming van de pachter.

  Art. 1813. Wanneer het vee in pacht gegeven wordt aan de pachter van een ander eigenaar, moet deze laatste daarvan in kennis worden gesteld; anders kan hij op het vee beslag leggen en het doen verkopen voor hetgeen zijn pachter hem verschuldigd is.

  Art. 1814. De pachter mag de schapen niet scheren zonder de verpachter daarvan vooraf te verwittigen.

  Art. 1815. Indien de duur van de veepacht niet bij de overeenkomst bepaald is, wordt zij geacht te zijn aangegaan voor drie jaren.

  Art. 1816. De verpachter kan de ontbinding ervan eerder vorderen, indien de pachter zijn verplichtingen niet nakomt.

  Art. 1817. Bij het einde van de pacht, of bij de ontbinding ervan, wordt het vee opnieuw geschat.
  De verpachter kan dieren van elke soort voorafnemen, ten belope van de eerste schatting; de overige worden verdeeld.
  Indien er niet genoeg dieren zijn om de eerste schatting te bereiken, neemt de verpachter hetgeen over is, en de partijen vergoeden elkaar het verlies.

  AFDELING III. - VEEPACHT BIJ HELFTEN.

  Art. 1818. Veepacht bij helften is een vennootschap waarbij ieder contractant de helft van het vee verstrekt, dat gemeen blijft wat winst en verlies betreft.

  Art. 1819. De pachter alleen geniet, zoals bij eenvoudige veepacht, het voordeel van het zuivel, de mest en het werk van de dieren.
  De verpachter heeft enkel recht op de helft van de wol en van de aanfok.
  Iedere daarmee strijdige overeenkomst is nietig, tenzij de verpachter eigenaar is van de boerderij waarvan de pachter huurder of deelpachter is.

  Art. 1820. Alle overige regels betreffende de eenvoudige veepacht zijn van toepassing op de veepacht bij helften.

  AFDELING IV. - VEEPACHT DOOR DE EIGENAAR TOEGESTAAN AAN ZIJN PACHTER OF ZIJN DEELPACHTER.

  § I. VEEPACHT AAN DE PACHTER TOEGESTAAN.

  Art. 1821. Deze veepacht (ook "ijzeren veepacht" genoemd) is die waarbij de eigenaar van een boerderij deze in pacht geeft, onder verplichting voor de pachter om, bij het eindigen van de pacht, dieren achter te laten van gelijke waarde als de geschatte waarde van de dieren die hij ontvangen heeft.

  Art. 1822. De schatting van het aan de pachter gegeven vee draagt hem de eigendom daarvan niet over, maar brengt niettemin het risico te zijnen laste.

  Art. 1823. Alle voordelen komen toe aan de pachter zolang zijn pacht duurt, behoudens daarmee strijdige overeenkomst.

  Art. 1824. Bij veepacht aan de pachter toegestaan, is de mest niet begrepen in de persoonlijke voordelen van de pachter, maar behoort aan de boerderij en moet uitsluitend voor de exploitatie daarvan aangewend worden.

  Art. 1825. Het verlies, ook al is het volledig en door toeval veroorzaakt, komt voor het geheel ten laste van de pachter, behoudens daarmee strijdige overeenkomst.

  Art. 1826. Bij het einde van de pacht kan de pachter het vee niet behouden tegen betaling van de prijs van de oorspronkelijke schatting; hij moet vee achterlaten van gelijke waarde als het vee dat hij ontvangen heeft.
  Indien er een tekort is, moet hij dit vergoeden; en alleen het meerdere behoort hem toe.

  § II. VEEPACHT AAN DE DEELPACHTER TOEGESTAAN.

  Art. 1827. Indien het in pacht gegeven vee geheel teniet gaat buiten de schuld van de deelpachter, draagt de verpachter het verlies.

  Art. 1828. Men mag bedingen dat de deelpachter aan de verpachter zijn aandeel in de wol zal overlaten tegen een prijs beneden de normale waarde;
  Dat de verpachter een groter aandeel in de winst zal hebben;
  Dat hij de helft zal hebben van het zuivel;
  Maar men mag niet bedingen dat de deelpachter het gehele verlies zal dragen.

  Art. 1829. Deze veepacht eindigt tegelijk met de deelpacht.

  Art. 1830. Zij is verder aan alle regels van de gewone veepacht onderworpen.

  AFDELING V. - CONTRACT ONEIGENLIJK VEEPACHT GENOEMD.

  Art. 1831. Wanneer een of meer koeien gegeven worden om die te stallen en te voeden, behoudt de verhuurder de eigendom daarvan; geen ander voordeel dan de kalveren die van de koeien voortkomen, komt hem toe.

  TITEL IX. - (VENNOOTSCHAPPEN). <W 14-07-1987, art. 1>

  HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 1832. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1833. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1834. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  HOOFDSTUK II. - VERSCHILLENDE SOORTEN VAN VENNOOTSCHAPPEN.

  Art. 1835. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  AFDELING I. - ALGEMENE VENNOOTSCHAPPEN.

  Art. 1836. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1837. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1838. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1839. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1840. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  AFDELING II. - BIJZONDERE VENNOOTSCHAP.

  Art. 1841. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1842. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  HOOFDSTUK III. - VERPLICHTINGEN VAN DE VENNOTEN ONDERLING EN TEN AANZIEN VAN DERDEN.

  AFDELING I. - VERPLICHTINGEN VAN DE VENNOTEN ONDERLING.

  Art. 1843. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1844. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1845. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1846. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1847. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1848. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1849. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1850. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1851. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1852. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1853. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1854. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1855. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1856. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1857. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1858. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1859. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1860. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1861. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  AFDELING II. - VERPLICHTINGEN VAN DE VENNOTEN TEN AANZIEN VAN DERDEN.

  Art. 1862. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1863. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1864. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  HOOFDSTUK IV. - VERSCHILLENDE WIJZEN WAAROP DE VENNOOTSCHAP EINDIGT.

  Art. 1865. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1866. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1867. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1868. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1869. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1870. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1871. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 1872. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  BEPALING BETREFFENDE DE HANDELSVENNOOTSCHAPPEN.

  Art. 1873. (Opgeheven) <W 1999-05-07/66, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  TITEL X. - LENING.

  Art. 1874. Er zijn twee soorten van lening :
  De lening van zaken die niet teniet gaan door het gebruik dat men ervan maakt,
  En de lening van zaken die teniet gaan door het gebruik dat men ervan maakt.
  De eerste soort heet bruiklening of commodaat.
  De tweede heet verbruiklening of eenvoudige lening.

  HOOFDSTUK I. - BRUIKLENING OF COMMODAAT.

  AFDELING I. - AARD VAN DE BRUIKLENING.

  Art. 1875. Bruiklening of commodaat is een contract waarbij de ene partij aan de andere een zaak afgeeft om daarvan gebruik te maken, onder verplichting voor degene die de zaak ontvangt, die terug te geven na daarvan gebruik te hebben gemaakt.

  Art. 1876. Deze lening is essentieel een overeenkomst om niet.

  Art. 1877. De uitlener blijft eigenaar van de geleende zaak.

  Art. 1878. Alles wat in de handel is, en niet door het gebruik teniet gaat, kan het voorwerp zijn van deze overeenkomst.

  Art. 1879. De verbintenissen die uit de bruiklening ontstaan, gaan over op de erfgenamen van degene die te leen geeft, en op de erfgenamen van degene die te leen ontvangt.
  Indien men echter de lening alleen gedaan heeft uit aanmerking van de lener, en aan zijn persoon in het bijzonder, kunnen zijn erfgenamen het genot van de geleende zaak niet blijven behouden.

  AFDELING II. - VERPLICHTINGEN VAN DE LENER.

  Art. 1880. De lener is gehouden als een goed huisvader voor de bewaring en het behoud van de geleende zaak te zorgen. Hij mag zich slechts ervan bedienen voor het gebruik dat door de aard der zaak of door de overeenkomst bepaald is; een en ander op straffe van schadevergoeding, indien daartoe grond bestaat.

  Art. 1881. Indien de lener zich van de zaak bedient voor een ander gebruik, of gedurende een langere tijd dan hij mocht, is hij voor het verlies aansprakelijk, al is dit ook door toeval ontstaan.

  Art. 1882. Indien de zaak teniet gaat door een toeval waarvoor de lener die had kunnen behoeden door zijn eigen zaak te gebruiken, of indien hij, ingeval hij slechts een van beide kon behouden, de voorkeur aan de zijne heeft gegeven, is hij voor het verlies van de andere aansprakelijk.

  Art. 1883. Indien de zaak bij het te leen geven geschat is, komt het verlies, al ontstaat het ook door toeval, voor rekening van de lener, zo er geen daarmee strijdige overeenkomst bestaat.

  Art. 1884. Indien de zaak in waarde vermindert alleen ten gevolge van het gebruik waarvoor zij geleend is, en buiten enige schuld van de lener, moet deze voor de waardevermindering niet instaan.

  Art. 1885. De lener mag de zaak niet voor zich houden bij wijze van schuldvergelijking met hetgeen de uitlener hem verschuldigd is.

  Art. 1886. Indien de lener, om van de zaak gebruik te kunnen maken, enige uitgave heeft gedaan, kan hij die niet terugvorderen.

  Art. 1887. Indien verscheidene personen gezamenlijk dezelfde zaak te leen hebben ontvangen, zijn zij daarvoor jegens de uitlener hoofdelijk aansprakelijk.

  AFDELING III. - VERPLICHTINGEN VAN DEGENE DIE IN BRUIKLEEN GEEFT.

  Art. 1888. De uitlener kan de geleende zaak niet terugnemen dan nadat de overeengekomen tijd verlopen is, of bij gebreke van overeenkomst dienaangaande, nadat zij gediend heeft voor het gebruik waarvoor zij was uitgeleend.

  Art. 1889. Indien evenwel, gedurende de tijd, of voordat de behoefte van de lener heeft opgehouden, de uitlener zijn zaak dringend en onvoorziens nodig heeft, kan de rechter, naar gelang van de omstandigheden, de lener verplichten hem die terug te geven.

  Art. 1890. Indien, gedurende de lening, de lener, voor het behoud van de zaak, enige buitengewone, noodzakelijke uitgave heeft moeten doen, die zo dringend was dat hij daarvan tevoren aan de uitlener geen kennis heeft kunnen geven, is deze verplicht hem de uitgave te vergoeden.

  Art. 1891. Wanneer de geleende zaak zodanige gebreken heeft dat zij aan hem die zich ervan bedient, schade kan veroorzaken, is de uitlener aansprakelijk, indien hij de gebreken kende en de lener daarvan niet op de hoogte heeft gebracht.

  HOOFDSTUK II. - VERBRUIKLENING OF EENVOUDIGE LENING.

  AFDELING I. - AARD VAN DE VERBRUIKLENING.

  Art. 1892. Verbruiklening is een contract waarbij de ene partij een zekere hoeveelheid zaken die door het gebruik teniet gaan, aan de andere partij afgeeft, onder verplichting voor deze om aan de eerstgenoemde evenzoveel van gelijke soort en hoedanigheid terug te geven.

  Art. 1893. Uit kracht van deze lening wordt de lener eigenaar van de geleende zaak; en indien deze, op welke wijze ook, teniet gaat, is het verlies ervan voor zijn rekening.

  Art. 1894. Zaken die, hoewel van dezelfde soort, individueel verschillen, zoals dieren, kan men niet als verbruiklening te leen geven : dat is dan bruiklening.

  Art. 1895. De verbintenis die voortvloeit uit een lening van geld, is steeds bepaald door de numerieke geldsom die in het contract is uitgedrukt.
  Indien er voor het tijdstip van de betaling vermeerdering of vermindering van de waarde van de muntspeciën heeft plaatsgehad, moet de schuldenaar de geleende numerieke geldsom teruggeven en moet hij slechts die som teruggeven in de muntspeciën die gangbaar zijn op het ogenblik van de betaling.

  Art. 1896. De in het vorige artikel gestelde regel geldt niet, indien de lening in staven geschied is.

  Art. 1897. Indien staven of waren zijn te leen gegeven, moet de schuldenaar, hoezeer de waarde daarvan ook vermeerderd of verminderd mocht zijn, altijd een gelijke hoeveelheid en hoedanigheid, en niets anders, teruggeven.

  AFDELING II. - VERPLICHTINGEN VAN DE UITLENER.

  Art. 1898. _ Bij verbruiklening is de uitlener aansprakelijk op de wijze die bij artikel 1891 voor de bruiklening bepaald is.

  Art. 1899. De uitlener kan de geleende zaken niet terugvorderen voordat de overeengekomen tijd verstreken is.

  Art. 1900. Indien voor de teruggave geen tijd bepaald is, kan de rechter aan de lener uitstel toestaan, naar gelang van de omstandigheden.

  Art. 1901. Indien enkel is overeengekomen dat de lener zal betalen wanneer hij dit zal kunnen, of wanneer bij de nodige middelen daartoe zal bezitten, bepaalt de rechter een tijd voor de betaling, naar gelang van de omstandigheden.

  AFDELING III. - VERPLICHTINGEN VAN DE LENER.

  Art. 1902. De lener is gehouden de geleende zaken in dezelfde hoeveelheid en hoedanigheid en op de overeengekomen tijd terug te geven.

  Art. 1903. Indien het hem niet mogelijk is daaraan te voldoen, moet hij de waarde van het geleende betalen, gelet op de tijd en de plaats waarop de zaak volgens de overeenkomst moest worden teruggegeven
  Indien die tijd en die plaats niet zijn bepaald, geschiedt de betaling volgens de prijs ten tijde en ter plaatse van de lening.

  Art. 1904. Indien de lener de geleende zaken of de waarde ervan niet op de overeengekomen tijd teruggeeft, is hij daarvan interest verschuldigd te rekenen van de dag van de (aanmaning). <W 01-05-1913, art. 7>

  HOOFDSTUK III. - LENING OP INTEREST.

  Art. 1905. Het is geoorloofd interest te bedingen voor eenvoudige leningen, hetzij van geld, hetzij van waren of andere roerende zaken.

  Art. 1906. De lener die interest betaald heeft welke niet bedongen was, kan die niet terugvorderen, noch op het kapitaal in mindering brengen.

  Art. 1907. <W 27-07-1934, art. 1> De interest is of wettelijk of bij overeenkomst bedongen. De wettelijke interest wordt bij de wet bepaald. De bedongen interest mag de wettelijke te boven gaan, in alle gevallen waarin de wet dit niet verbiedt.
  In de overeenkomsten van geldlening terugbetaalbaar door middel van annuïteiten, moeten de rentevoet van de lening en de voor de wederherstelling van het kapitaal bedongen rentevoet, vastgesteld worden door afzonderlijke bepalingen van de akte.
  In geen geval mag de verhoging van de interest wegens vertraging in de betaling, een half t.h. per jaar op het verschuldigd gebleven kapitaal overschrijden.
  Indien de rentevoet van de lening niet is vastgesteld door een bijzondere bepaling der overeenkomst van lening, zal de wettelijke interest worden toegepast en de lener zal niets verschuldigd zijn als commissie of als bijkomende vergelding.

  Art. 1907bis. <Ingevoegd bij W 27-07-1934, art. 2> Bij gehele of gedeeltelijke terugbetaling van een lening of interest kan in geen geval van de schuldenaar, buiten het terugbetaalde kapitaal en de vervallen interest, een vergoeding voor wederbelegging worden gevorderd, groter dan zes maanden interest, berekend over de terugbetaalde som en naar de in de overeenkomst bepaalde rentevoet.

  Art. 1907ter. <Ingevoegd bij KB 18-03-1935, art. 3> Onverminderd de toepassing van de bepalingen tot bescherming der onbekwamen of betreffende de geldigheid der overeenkomsten, indien de uitlener, met misbruik van de behoeften, van de zwakheden, van de hartstochten of van de onwetendheid van de lener, zich, voor zichzelf of voor anderen, een interest of andere voordelen heeft doen beloven, die klaarblijkelijk de normale interest en de dekking van het risico van de lening overschrijden, vermindert de rechter, op vordering van de lener, diens verplichtingen tot de terugbetaling van het geleende kapitaal en de betaling van de wettelijke interest.
  De vermindering is van toepassing op de door de lener gedane betalingen, mits de vordering wordt ingesteld binnen drie jaren te rekenen van de dag van de betaling.

  Art. 1908. Kwijting voor het kapitaal, gegeven zonder voorbehoud van de interest, doet vermoeden dat deze betaald is en heeft bevrijding ervan ten gevolge.

  Art. 1909. Men kan interest bedingen tegen betaling van een kapitaal dat de uitlener zich verbindt niet te zullen terugvorderen.
  In dit geval wordt de lening vestiging van rente genoemd.

  Art. 1910. Deze rente kan gevestigd worden op twee wijzen, als altijddurende rente of als lijfrente.

  Art. 1911. _ De altijddurende rente is essentieel aflosbaar.
  Partijen kunnen slechts overeenkomen dat de aflossing niet zal geschieden dan na verloop van een zekere tijd, die tien jaren niet mag te boven gaan, of zonder dat de schuldeiser vooraf zal zijn gewaarschuwd met inachtneming van de door hen bepaalde termijn.

  Art. 1912. De schuldenaar van een altijddurende rente kan tot aflossing genoodzaakt worden :
  1° Indien hij gedurende twee jaren ophoudt zijn verplichtingen na te komen;
  2° Indien hij verzuimt ten behoeve van de uitlener de bij het contract beloofde zekerheid te stellen.

  Art. 1913. Het kapitaal van de altijddurende rente wordt ook opeisbaar in geval van faillissement of van kennelijk onvermogen van de schuldenaar.

  Art. 1914. De regels betreffende de lijfrente worden bepaald in de titel Kanscontracten.

  TITEL XI. - BEWAARGEVING EN SEKWESTER.

  HOOFDSTUK I. - BEWAARGEVING IN HET ALGEMEEN EN VERSCHILLENDE SOORTEN VAN BEWAARGEVING.

  Art. 1915. Bewaargeving in het algemeen is een handeling waarbij men de zaak van een ander aanneemt, onder verplichting om die te bewaren en in natura terug te geven.

  Art. 1916. Er zijn twee soorten van bewaargeving : de eigenlijke bewaargeving en het sekwester.

  HOOFDSTUK II. - EIGENLIJKE BEWAARGEVING.

  AFDELING I. - AARD EN WEZEN VAN HET CONTRACT VAN BEWAARGEVING.

  Art. 1917. De eigenlijke bewaargeving is essentieel een contract om niet.

  Art. 1918. Zij kan slechts roerende goederen tot voorwerp hebben.

  Art. 1919. Zij is niet voltrokken dan door de werkelijke of de fictieve overgave van de in bewaring gegeven zaak.
  Fictieve overgave is voldoende, wanneer de bewaarnemer reeds uit enigen anderen hoofde in het bezit is van de zaak die men hem op grond van de bewaargeving laat behouden.

  Art. 1920. Bewaargeving geschiedt vrijwillig of uit noodzaak.

  AFDELING II. - VRIJWILLIGE BEWAARGEVING.

  Art. 1921. Vrijwillige bewaargeving komt tot stand door de wederzijdse toestemming van de bewaargever en de bewaarnemer.

  Art. 1922. Vrijwillige bewaargeving kan slechts wettig gedaan worden door de eigenaar van de in bewaring gegeven zaak, of met zijn uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming.

  Art. 1923. Vrijwillige bewaargeving moet door geschrift bewezen worden. Het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten voor een waarde die ((375 EUR)) te boven gaat. <W 10-12-1990, art. 2> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 1924. Wanneer een bewaargeving die ((375 EUR)) te boven gaat, niet door geschrift bewezen is, wordt hij die als bewaarnemer wordt aangesproken, op zijn woord geloofd, hetzij betreffende het feit van de bewaargeving zelf, hetzij betreffende de zaak die het voorwerp ervan uitmaakte, hetzij betreffende de teruggave daarvan. <W 10-12-1990, art. 2> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 1925. Vrijwillige bewaargeving kan alleen plaatshebben tussen personen die bekwaam zijn om contracten aan te gaan.
  Wanneer evenwel iemand die bekwaam is om contracten aan te gaan, iets in bewaring aanneemt van een onbekwame, is hij gehouden tot alle verplichtingen van een werkelijke bewaarnemer; hij kan vervolgd worden door de voogd of de bewindvoerder van de persoon die de zaak in bewaring gegeven heeft.

  Art. 1926. Indien de bewaargeving aan een onbekwame gedaan is door iemand die bekwaam is, heeft de bewaargever een vordering tot teruggave van de in bewaring gegeven zaak slechts zolang deze nog in handen van de bewaarnemer is, of een vordering tot vergoeding ten belope van het voordeel dat de bewaarnemer uit de zaak getrokken heeft.

  AFDELING III. - VERPLICHTINGEN VAN DE BEWAARNEMER.

  Art. 1927. De bewaarnemer moet aan de bewaring van de in bewaring gegeven zaak dezelfde zorg besteden als hij aan de bewaring van zijn eigen zaken besteedt.

  Art. 1928. De bepaling van het vorige artikel wordt strenger toegepast :
  1° indien de bewaarnemer zichzelf heeft aangeboden om de zaak in bewaring te nemen;
   2° indien hij een loon voor de bewaring bedongen heeft;
  3° indien de bewaargeving uitsluitend in het belang van de bewaarnemer geschied is;
  4° indien uitdrukkelijk is overeengekomen dat de bewaarnemer voor om het even welke schuld aansprakelijk zal zijn.

  Art. 1929. In geen geval is de bewaarnemer aansprakelijk voor gevallen van overmacht, behalve indien hij in gebreke gesteld is de in bewaring gegeven zaak terug te geven.

  Art. 1930. Hij mag zich van de in bewaring gegeven zaak niet bedienen, zonder uitdrukkelijk of stilzwijgend verlof van de bewaargever.

  Art. 1931. Hij mag niet onderzoeken waarin de zaken bestaan, die hem in bewaring zijn gegeven, wanneer die hem in een gesloten kist of onder verzegelde omslag zijn toevertrouwd.

  Art. 1932. De bewaarnemer moet de zaak zelf, die hij ontvangen heeft, teruggeven.
  Aldus moet in bewaring gegeven gemunt geld in dezelfde speciën worden teruggeven, hetzij de waarde ervan vermeerderd of verminderd is.

  Art. 1933. De bewaarnemer behoeft de in bewaring ontvangen zaak slechts terug te geven in de staat waarin zij zich bevindt op het tijdstip van de teruggave. De beschadiging die zij buiten zijn toedoen heeft ondergaan, komt voor rekening van de bewaargever.

  Art. 1934. De bewaarnemer aan wie de zaak door overmacht ontnomen is, en die daarvoor een prijs of iets anders in de plaats ontvangen heeft, moet het aldus ontvangene teruggeven.

  Art. 1935. De erfgenaam van de bewaarnemer, die, niet wetende dat de zaak in bewaring gegeven was, deze te goeder trouw verkocht heeft, is slechts verplicht de door hem ontvangen prijs terug te geven, of indien hij de prijs nog niet ontvangen heeft, zijn vordering tegen de koper af te staan.

  Art. 1936. Indien de in bewaring gegeven zaak vruchten heeft opgeleverd, die door de bewaarnemer ontvangen zijn, is hij verplicht die terug te geven. Van geld dat in bewaring is gegeven, is hij geen interest verschuldigd dan van de dag waarop hij in gebreke gesteld is het terug te geven.

  Art. 1937. De bewaarnemer moet de in bewaring gegeven zaak slechts teruggeven aan degene die ze hem heeft toevertrouwd, of aan hem in wiens naam de bewaargeving gedaan is, of aan hem die aangewezen is om ze terug te ontvangen.

  Art. 1938. Hij kan van hem die de zaak in bewaring gegeven heeft, het bewijs niet vorderen, dat hij eigenaar was van die zaak.
  Indien hij niettemin ontdekt dat de zaak gestolen is, en wie daarvan de ware eigenaar is, moet hij aan de eigenaar kennis geven dat de zaak bij hem in bewaring is gegeven, met aanmaning om ze binnen een bepaalde en genoegzame tijd op te eisen. Indien degene aan wie de kennisgeving gedaan is, verzuimt de in bewaring gegeven zaak op te eisen, is de bewaarnemer wettig ontslagen door de overgave van de zaak aan hem van wie hij die ontvangen heeft.

  Art. 1939. In geval van (...) overlijden van de bewaargever kan de in bewaring gegeven zaak slechts aan zijn erfgenaam worden teruggegeven. <W 15-12-1949, art. 28>
  Indien er verscheidene erfgenamen zijn, moet de zaak teruggegeven worden aan ieder van hen voor zijn aandeel.
  Indien de in bewaring gegeven zaak ondeelbaar is, moeten de erfgenamen zich met elkaar verstaan omtrent de overneming van de zaak.

  Art. 1940. <W 2003-02-13/36, art. 19, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2003> Indien de bewaargever van staat veranderd is, bijvoorbeeld indien tegen een meerderjarige bewaargever onbekwaamverklaring is uitgesproken en in alle soortgelijke gevallen, kan de in bewaring gegeven zaak slechts teruggegeven worden aan hem die het beheer heeft over de rechten en de goederen van de bewaargever.

  Art. 1941. Indien de zaak in bewaring gegeven is door de voogd (...) of door een bewindvoerder, in hun onderscheiden hoedanigheid, en hun beheer of bestuur geëindigd is, kan zij slechts teruggegeven worden aan de persoon die door die voogd (...) of die bewindvoerder vertegenwoordigd werd. <W 2003-02-13/36, art. 20, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2003>

  Art. 1942. Indien het contract van bewaargeving de plaats aanwijst waar de teruggave moet geschieden, is de bewaarnemer gehouden de in bewaring gegeven zaak aldaar te brengen. Indien er kosten van vervoer zijn, komen deze ten laste van de bewaargever.

  Art. 1943. Indien het contract de plaats voor de teruggave niet aanwijst, moet deze gedaan worden op de plaats zelf waar de in bewaring gegeven zaak zich bevindt.

  Art. 1944. De in bewaring gegeven zaak moet aan de bewaargever teruggegeven worden zodra hij zulks vordert, al is ook bij het contract een bepaalde tijd voor de teruggave vastgesteld; tenzij er, in handen van de bewaarnemer, beslag onder derden gelegd is of verzet gedaan is tegen de teruggave en tegen de verplaatsing van de in bewaring gegeven zaak.

  Art. 1945. Het voorrecht van boedelafstand komt niet toe aan de ontrouwe bewaarnemer.

  Art. 1946. Alle verplichtingen van de bewaarnemer houden op, indien hij ontdekt en bewijst dat hij zelf eigenaar is van de in bewaring gegeven zaak.

  AFDELING IV. - VERPLICHTINGEN VAN DE BEWAARGEVER.

  Art. 1947. De bewaargever is verplicht aan de bewaarnemer de kosten te vergoeden die deze voor het behoud van de in bewaring gegeven zaak gemaakt heeft, en hem schadeloos te stellen voor alle verliezen die de bewaargeving hem mocht hebben veroorzaakt.

  Art. 1948. De bewaarnemer kan de in bewaring gegeven zaak terughouden tot de gehele voldoening van hetgeen hem wegens de bewaargeving verschuldigd is.

  AFDELING V. - BEWAARGEVING UIT NOODZAAK.

  Art. 1949. Bewaargeving uit noodzaak is de bewaargeving waartoe men wordt gedwongen door enig ongeval, zoals brand, instorting, plundering, schipbreuk, of een andere onvoorziene gebeurtenis.

  Art. 1950. Het bewijs door getuigen kan toegelaten worden voor de bewaargeving uit noodzaak, zelfs wanneer het een waarde betreft van meer dan ((375 EUR)). <W 10-12-1990, art. 2>. <KB 2000-07-20/58, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 1951. Voor het overige is de bewaargeving uit noodzaak aan al de hierboven bepaalde regels onderworpen.

  Art. 1952. <W 04-07-1972, art. 1> De hotelhouder is als bewaarnemer aansprakelijk voor beschadiging, vernieling of ontvreemding van zaken welke een gast die in het hotel zijn intrek neemt en er logeert, naar het hotel meebrengt; de bewaargeving van die zaken moet worden beschouwd als een bewaargeving uit noodzaak.
  Als meegebrachte zaken worden aangemerkt de zaken :
  a) welke zich in het hotel bevinden gedurende de tijd dat de gast er een slaapgelegenheid ter beschikking heeft;
  b) welke de hotelhouder of een persoon die hem zijn diensten verleent, buiten het hotel onder zijn toezicht neemt gedurende de tijd dat de gast er een slaapgelegenheid ter beschikking heeft;
  c) welke de hotelhouder of een persoon die hem zijn diensten verleent, binnen of buiten het hotel onder zijn toezicht neemt gedurende een redelijke tijd voor of na de tijd dat de gast er een slaapgelegenheid ter beschikking heeft.
  De in dit artikel bedoelde aansprakelijkheid is per schadegeval beperkt tot 100 maal de logiesprijs per dag van de slaapgelegenheid. De Koning kan, in voorkomend geval, de gegevens voor het vaststellen van die prijs bepalen.

  Art. 1953. <W 04-07-1972, art. 2> De aansprakelijkheid van de hotelhouder is onbeperkt :
  a) wanneer de zaken in handen van de hotelhouder of van personen die hem hun diensten verlenen, ter bewaring zijn gegeven;
  b) wanneer hij heeft geweigerd zaken in bewaring te nemen, ten aanzien waarvan hij tot bewaarneming verplicht is;
  c) wanneer de beschadiging, de vernieling of de ontvreemding van de in artikel 1952 bedoelde zaken het gevolg is van schuld van hem zelf of van personen die hem hun diensten verlenen.
  De hotelhouder is verplicht waardepapieren, geld en waardevolle zaken in bewaring te nemen; hij mag de inbewaarneming daarvan alleen weigeren, indien zij gevaarlijk zijn of indien zij, de grootte van het hotel en de omstandigheden in aanmerking genomen, een buitensporige handelswaarde hebben of overlast veroorzaken.
  Hij kan verlangen dat het hem toevertrouwde voorwerp is opgeborgen in een afgesloten of verzegelde verpakking.

  Art. 1954. <W 04-07-1972, art. 3> De hotelhouder is niet aansprakelijk voor zover de beschadiging, de vernieling of de ontvreemding te wijten is aan :
  a) de gast of een persoon die hem vergezelt, bij hem in dienst is of hem bezoekt;
  b) overmacht;
  c) gewapenderhand gepleegde diefstal;
  d) de aard of het gebrek van de zaak.

  Art. 1954bis. <Ingevoegd bij W 04-07-1972, art. 4> De rechten van de gast gaan teniet indien hij niet onmiddellijk na de vaststelling van de opgelopen schade kennis daarvan geeft, behoudens wanneer de schade veroorzaakt is door de schuld van de hotelhouder of van de personen die hem diensten verlenen.

  Art. 1954ter. <Ingevoegd bij W 04-07-1972, art. 5> Iedere verklaring of beding, waarbij de aansprakelijkheid van de hotelhouder voor het schadelijk feit wordt uitgesloten of beperkt, is nietig.

  Art. 1954quater. <Ingevoegd bij W 04-07-1972, art. 6> De artikelen 1952, 1953 en 1954bis zijn niet van toepassing op voertuigen, noch op zaken die tot hun lading behoren en ter plaatse zijn achtergelaten, noch op levende dieren.

  HOOFDSTUK III. - SEKWESTER.

  AFDELING I. - VERSCHILLENDE SOORTEN VAN SEKWESTER.

  Art. 1955. Men onderscheidt het bij overeenkomst bedongen sekwester en het gerechtelijk sekwester.

  AFDELING II. - BIJ OVEREENKOMST BEDONGEN SEKWESTER.

  Art. 1956. Het bij overeenkomst bedongen sekwester is de bewaargeving, door een of meer personen, van een zaak waarover geschil bestaat, in handen van een derde, die zich verbindt de zaak, nadat het geschil zal zijn uitgemaakt, terug te geven aan degene aan wie zij krachtens de beslissing zal toekomen.

  Art. 1957. Het sekwester geschiedt niet noodzakelijk om niet.

  Art. 1958. Wanneer het om niet geschiedt, is het onderworpen aan dezelfde regels als de eigenlijk bewaargeving, behoudens de hierna bepaalde verschillen.

  Art. 1959. Het sekwester kan niet alleen roerende goederen, maar ook onroerende goederen tot voorwerp hebben.

  Art. 1960. De bewaarnemer die met het sekwester belast is, kan daarvan niet worden ontslagen voordat het geschil is uitgemaakt, behalve met toestemming van alle belanghebbende partijen, of om een wettig geoordeelde reden.

  AFDELING III. - GERECHTELIJK SEKWESTER OF GERECHTELIJK BEWAARGEVING.

  Art. 1961. De rechter kan het sekwester bevelen :
  1° Van roerende goederen die onder een schuldenaar in beslag genomen zijn;
  2° Van een onroerend goed of van een roerend goed waarvan de eigendom of het bezit tussen twee of meer personen in geschil is;
  3° Van zaken die een schuldenaar tot kwijting van zijn schuld aanbiedt.

  Art. 1962. De aanstelling van een gerechtelijke bewaarder doet tussen de beslaglegger en de bewaarder wederzijdse verplichtingen ontstaan. De bewaarder moet voor het behoud van de in beslag genomen zaken zorgen als een goed huisvader.
  Hij moet deze overgeven, hetzij ter ontlasting van de beslaglegger, in geval van verkoop, hetzij aan de partij tegen wie de tenuitvoerlegging heeft plaatsgehad, in geval van opheffing van het beslag.
  De verplichting van de beslaglegger bestaat in de betaling van het bij de wet bepaalde loon aan de bewaarder.

  Art. 1963. Het gerechtelijk sekwester wordt opgedragen, hetzij aan een persoon omtrent wie de belanghebbende partijen zijn overeengekomen, hetzij aan een persoon die door de rechter ambtshalve benoemd wordt.
  In beide gevallen is hij aan wie de zaak is toevertrouwd, onderworpen aan alle verplichtingen die het bedongen sekwester medebrengt.

  TITEL XII. - KANSCONTRACTEN.

  Art. 1964. Een kanscontract is een wederkerige overeenkomst, waarvan de gevolgen, met betrekking tot winst en verlies, hetzij voor alle partijen, hetzij voor een of meer van hen, van een onzekere gebeurtenis afhangen.
  Van dien aard zijn :
  Het verzekeringscontract,
  De bodemerij,
  Spel en weddenschap,
  Het contract van lijfrente.
  De eerste twee worden door het zeerecht geregeld.

  HOOFDSTUK I. - SPEL EN WEDDENSCHAP.

  Art. 1965. De wet staat geen rechtsvordering toe voor een speelschuld of voor de betaling van een weddenschap.

  Art. 1966.De spelen die geschikt zijn tot oefening in de wapenhandel, de wedlopen te voet of te paard, de wedrennen met wagens, het kaatsspel, en andere soortgelijke spelen waarmee behendigheid en geoefendheid van het lichaam zijn gemoeid, [1 alsook de kansspelen die zijn toegestaan ingevolge de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers,]1 zijn van de vorige bepaling uitgezonderd.
  Evenwel kan de rechter de eis afwijzen, wanneer het bedrag hem buitensporig voorkomt.
  ----------
  (1)<W 2010-01-10/12, art. 46, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2011>

  Art. 1967. In geen geval kan de verliezer terugeisen wat hij vrijwillig betaald heeft, tenzij er van de kant van de winner bedrog, list of oplichting heeft plaatsgehad.

  HOOFDSTUK II. - CONTRACT VAN LIJFRENTE.

  AFDELING I. - VOORWAARDEN DIE VOOR DE GELDIGHEID VAN HET CONTRACT VEREIST ZIJN.

  Art. 1968. Lijfrente kan gevestigd worden onder bezwarende titel, tegen betaling van een som geld of tegen afstand van een geldswaardig roerend goed, of van een onroerend goed.

  Art. 1969. Zij kan ook geheel om niet gevestigd worden, bij schenking onder de levenden of bij testament. Alsdan moeten de bij de wet voorgeschreven vormen worden in acht genomen.

  Art. 1970. In het geval van het vorige artikel kan de lijfrente ingekort worden, indien zij het beschikbaar gedeelte overschrijdt; zij is nietig, indien zij gevestigd wordt ten behoeve van een persoon die onbekwaam is om bij schenking of bij testament te verkrijgen.

  Art. 1971. Lijfrente kan gevestigd worden hetzij op het leven van hem die de prijs daarvoor verstrekt, hetzij op het leven van een derde die op het genot van de lijfrente geen recht heeft.

  Art. 1972. Zij kan op het leven van een of meer personen gevestigd worden.

  Art. 1973. Zij kan gevestigd worden ten behoeve van een derde, hoewel de prijs ervan door een ander persoon verstrekt wordt.
  In dit laatste geval is de lijfrente, al heeft zij de kenmerken van een gift, niet onderworpen aan de voor de schenkingen vereiste vorm, behoudens de gevallen van inkorting en van nietigheid, in artikel 1970 bepaald.

  Art. 1974. Ieder contract van lijfrente, gevestigd op het leven van iemand die overleden was op de dag waarop het contract is aangegaan, is zonder gevolg.

  Art. 1975. Hetzelfde geld voor het contract, waarbij de rente gevestigd is op het leven van iemand die reeds was aangetast door de ziekte waaraan hij binnen twintig dagen na de dagtekening van het contract is overleden.

  Art. 1976. Lijfrente kan worden gevestigd tegen een rentevoet die de contracterende partijen goedvinden te bepalen.

  AFDELING II. - GEVOLGEN VAN HET CONTRACT TUSSEN DE CONTRACTERENDE PARTIJEN.

  Art. 1977. De persoon te wiens behoeve een lijfrente onder bezwarende titel gevestigd is, kan de ontbinding van het contract vorderen, indien de renteplichtige hem de zekerheid die voor de uitvoering ervan bedongen is, niet bezorgt.

  Art. 1978. De enkele wanbetaling van de rentetermijnen geeft de persoon te wiens behoeve de lijfrente gevestigd is, niet het recht om de terugbetaling van het kapitaal of de teruggave van het door hem afgestane goed te vorderen; hij kan slechts op de goederen van zijn schuldenaar beslag leggen en die doen verkopen, en doen bevelen of doen toestaan dat uit de opbrengst van de verkoop een voldoende bedrag voor de uitkering van de termijnen wordt belegd.

  Art. 1979. De renteplichtige kan zich van de uitkering van de rente niet bevrijden, door de teruggave van het kapitaal aan te bieden, en door af te zien van de terugvordering van de betaalde rentetermijnen; hij is verplicht de rente uit te keren gedurende het gehele leven van de persoon of van de personen op wier leven de rente gevestigd is, hoe lang deze ook in leven blijven, en hoe bezwarend de uitkering van de rente ook mocht zijn geworden.

  Art. 1980. De eigenaar van een lijfrente verkrijgt deze slechts naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij geleefd heeft.
  Indien echter bedongen is, dat zij vooruit betaald moet worden, is het recht op de verschenen termijn verkregen van de dag waarop de betaling moest geschieden.

  Art. 1981. Het beding, dat de lijfrente niet vatbaar is voor beslag, is slechts toegelaten wanneer zij om niet is gevestigd.

  Art. 1982. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 1983. De eigenaar van een lijfrente kan de termijnen ervan niet vorderen dan door te doen blijken van zijn bestaan, of van het bestaan van hem op wiens leven zij gevestigd is.

  TITEL XIII. - LASTGEVING.

  HOOFDSTUK I. - AARD EN VORM VAN DE LASTGEVING.

  Art. 1984. Lastgeving of volmacht is een handeling, waarbij een persoon aan een ander de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen.
  Het contract komt slechts tot stand door de aanneming van de lasthebber.

  Art. 1985. Lastgeving kan verleend worden of bij een openbare akte, of bij een onderhands geschrift, zelfs bij een brief. Zij kan ook mondeling verleend worden; maar het bewijs ervan door getuigen wordt alleen toegelaten overeenkomstig de titel Contracten of verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen.
  De aanneming van de lastgeving kan ook stilzwijgend geschieden, en blijken uit de uitvoering ervan door de lasthebber.

  Art. 1986. Lastgeving geschiedt om niet, tenzij het tegendeel bedongen is.

  Art. 1987. Lastgeving is of bijzonder en betreft slechts een zaak of bepaalde zaken, of algemeen en betreft alle zaken van de lastgever.

  Art. 1988. Lastgeving, in algemene bewoordingen uitgedrukt, omvat alleen de daden van beheer.
  Om goederen te vervreemden of met hypotheek te bezwaren, of om enige andere daad van eigendom te verrichten, is een uitdrukkelijke lastgeving vereist.

  Art. 1989. De lasthebber mag niets doen buiten hetgeen in zijn lastgeving begrepen is; de macht om een dading te treffen omvat niet de macht om een compromis aan te gaan.

  Art. 1990. <W 14-07-1976, art. IV, 15> Ontvoogde minderjarigen kunnen tot lasthebber gekozen worden, maar de lastgever heeft geen vordering tegen zodanige lasthebber dan overeenkomstig de algemene regels betreffende de verbintenissen van minderjarigen.
  <NOTA : Bij wijze van overgangsmaatregelen (zie art. IV, 47, § 2 W. 14 juli 1976) blijft de hierna volgende tekst van kracht in de voorziene gevallen :Vrouwen en ontvoogde minderjarigen kunnen tot lasthebbers gekozen worden; maar de lastgever heeft geen vordering tegen een minderjarige lasthebber dan overeenkomstig de algemene regels betreffende de verbintenissen van minderjarigen, en tegen een gehuwde vrouw die de lastgeving zonder machtiging van haar man heeft aangenomen, dan overeenkomstig de regels gesteld in de titel Huwelijkscontract (...).>

  HOOFDSTUK II. - VERPLICHTINGEN VAN DE LASTHEBBER.

  Art. 1991. De lasthebber is gehouden de lastgeving te volbrengen, zolang hij daarvan niet ontheven is, en hij is verantwoordelijk voor de schade die uit het niet uitvoeren ervan zou kunnen ontstaan.
  Eveneens is hij gehouden de zaak waarmee ten tijde van het overlijden van de lastgever een aanvang was gemaakt, ten einde te brengen, indien de aangelegenheid geen uitstel gedoogt.

  Art. 1992. De lasthebber is niet alleen aansprakelijk voor zijn opzet, maar ook voor zijn schuld in de uitvoering van zijn opdracht.
  Niettemin wordt de aansprakelijkheid wegens schuld minder streng toegepast ten aanzien van degene die de lastgeving om niet op zich neemt, dan ten aanzien van hem die daarvoor loon ontvangt.

  Art. 1993. Ieder lasthebber is gehouden rekenschap te geven van de uitvoering van zijn opdracht, en aan de lastgever verantwoording te doen van al hetgeen hij krachtens zijn volmacht ontvangen heeft, al was ook het door hem ontvangene aan de lastgever niet verschuldigd.

  Art. 1994. De lasthebber is aansprakelijk voor hem die hij bij de uitvoering van zijn opdracht in zijn plaats gesteld heeft :
  1° wanneer hij de macht om iemand in zijn plaats te stellen niet heeft bekomen;
  2° wanneer hem die macht wel is verleend, maar zonder aanwijzing van een bepaalde persoon, en degene die hij daartoe gekozen heeft, blijkbaar onbevoegd of onvermogend was.
  In alle gevallen kan de persoon die door de lasthebber in zijn plaats is gesteld, door de lastgever rechtstreeks worden aangesproken.

  Art. 1995. Wanneer verscheidene gevolmachtigden of lasthebbers bij een zelfde akte zijn aangesteld, bestaat er tussen hen geen hoofdelijkheid, dan voor zover zulks uitdrukkelijk bepaald is.

  Art. 1996. De lasthebber is van de geldsommen die hij voor zijn eigen gebruik heeft besteed, interest verschuldigd te rekenen van het tijdstip waarop hij van die sommen gebruik heeft gemaakt; en van het door hem verschuldigde saldo, te rekenen van de dag dat hij in gebreke gesteld is.

  Art. 1997. De lasthebber die aan de partij, met wie hij in zijn hoedanigheid van lasthebber handelt, voldoende kennis van zijn volmacht gegeven heeft, is niet aansprakelijk voor hetgeen daarbuiten gedaan is, behalve indien hij zich daartoe persoonlijk heeft verbonden.

  HOOFDSTUK III. - VERPLICHTINGEN VAN DE LASTGEVER.

  Art. 1998. De lastgever is gehouden de verbintenissen na te komen, die de lasthebber overeenkomstig de hem verleende macht heeft aangegaan.
  Hij is niet gehouden tot hetgeen daarbuiten mocht zijn gedaan, dan voor zover hij zulks uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigd heeft.

  Art. 1999. De lastgever moet de lasthebber de voorschotten en kosten vergoeden, die deze tot uitvoering van de lastgeving gedaan heeft, en hem zijn loon betalen wanneer er loon beloofd is.
  Indien de lasthebber geen schuld te wijten is, kan de lastgever zich aan deze teruggave en betaling niet onttrekken, al mocht de zaak ook mislukt zijn, noch het bedrag van de kosten en voorschotten doen verminderen, onder voorgeven dat zij geringer konden zijn.

  Art. 2000. De lastgever moet de lasthebber ook schadeloos stellen voor de verliezen die deze ter gelegenheid van de uitvoering van zijn opdracht geleden heeft, indien hem geen onvoorzichtigheid te wijten is.

  Art. 2001. De lastgever is aan de lasthebber voor gedane voorschotten interest verschuldigd, te rekenen van de dag waarop de voorschotten blijken te zijn gedaan.

  Art. 2002. Wanneer verscheidene personen een lasthebber hebben aangesteld voor een gemeenschappelijke zaak, is ieder van hen hoofdelijk jegens hem verbonden voor alle gevolgen van de lastgeving.

  HOOFDSTUK IV. - VERSCHILLENDE WIJZEN WAAROP LASTGEVING EINDIGT.

  Art. 2003.Lastgeving eindigt :
  Door herroeping van de volmacht van de lasthebber,
  Door opzegging van de lastgeving door de lasthebber,
  Door de (...) dood, [1 ...]1 of het kennelijk vermogen, hetzij van de lastgever, hetzij van de lasthebber. <W 15-12-1949, art. 28>
  [1 [2 Wat de lastgevingen bedoeld in artikel 489 betreft, ingeval de lastgever]2 komt te verkeren in een staat bedoeld in artikel 488/1 of 488/2 en de lastgeving niet voldoet aan de eisen bepaald in de artikelen 490 en 490/1, § 1.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 143, 015; 015; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 201, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 2004. De lastgever kan zijn volmacht herroepen wanneer hem zulks goeddunkt, en in voorkomend geval de lasthebber noodzaken hem terug te geven, hetzij het onderhands geschrift dat de lastgeving bevat, hetzij het origineel van de volmacht, indien deze in brevet is afgegeven, hetzij de uitgifte, indien een minuut ervan gehouden is.

  Art. 2005.De herroeping waarvan alleen aan de lasthebber is kennis gegeven, kan niet worden tegengeworpen aan derden die, daarvan onkundig zijnde, met hem gehandeld hebben, onverminderd het verhaal van de lastgever op de lasthebber.
  [1 De staat van de lastgever bedoeld in artikel 488/1 of 488/2 kan niet worden tegengeworpen aan derden die, daarvan onkundig zijnde, met de lasthebber gehandeld hebben, onverminderd het verhaal van de lastgever op de lasthebber.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 202, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 2006. De aanstelling van een nieuwe lasthebber voor dezelfde zaak, brengt de herroeping van de volmacht van de eerste mede, te rekenen van de dag waarop hem van deze aanstelling is kennis gegeven.

  Art. 2007. De lasthebber kan de lastgeving opzeggen door kennisgeving van zijn ontslag aan de lastgever.
  Indien evenwel dit ontslag de lastgever benadeelt, moet de lasthebber hem daarvoor schadeloos stellen, tenzij hij zich in de onmogelijkheid bevindt om de lastgeving verder te volbrengen, zonder daardoor zelf een aanmerkelijke schade te lijden.

  Art. 2008. Indien de lasthebber geen kennis draagt van het overlijden van de lastgever of van het bestaan van enige andere oorzaak die de lastgeving doet eindigen, is hetgeen hij in die onwetendheid verricht heeft, geldig.

  Art. 2009. In de hierboven bedoelde gevallen moeten de verbintenissen, door de lasthebber aangegaan, nagekomen worden ten aanzien van derden die te goeder trouw zijn.

  Art. 2010. Ingeval de lasthebber overlijdt, moeten zijn erfgenamen daarvan aan de lastgever kennis geven, en inmiddels alles doen wat de omstandigheden in het belang van de lastgever vereisen.

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 20-09-2018 GEPUBL. OP 10-10-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 1649septies)
  • BEELD
  • WET VAN 22-07-2018 GEPUBL. OP 27-07-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 1595)
  • BEELD
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 15-03-2018 GEPUBL. OP 28-03-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 1714-1762bis)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 27-07-2017 GEPUBL. OP 30-10-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 1728; 1730; 1714bis; 1716; 1717; 1720; 1743; 1748; 1750; 1754-1756; 1736-1740; )
  • BEELD
  • WET VAN 05-05-2014 GEPUBL. OP 08-07-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 1688)
  • BEELD
  • WET VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 14-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 2003; 2005)
  • BEELD
  • WET VAN 21-12-2013 GEPUBL. OP 31-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 1714)
  • BEELD
  • WET VAN 30-07-2013 GEPUBL. OP 27-09-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 1595)
  • BEELD
  • WET VAN 11-07-2013 GEPUBL. OP 02-08-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 1798)
  • BEELD
  • WET VAN 17-03-2013 GEPUBL. OP 14-06-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 1676; 2003)
  • BEELD
  • WET VAN 10-01-2010 GEPUBL. OP 01-02-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 1996)
  • BEELD
  • WET VAN 17-06-2008 GEPUBL. OP 13-08-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 1597)
  • BEELD
  • WET VAN 09-05-2007 GEPUBL. OP 21-06-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 1676)
  • BEELD
  • WET VAN 25-04-2007 GEPUBL. OP 08-05-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 1714; 1714BIS; 1716; 1730)
  • BEELD
  • WET VAN 01-09-2004 GEPUBL. OP 21-09-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 1604; 1649BIS-1649OCTIES)
  • BEELD
  • WET VAN 13-02-2003 GEPUBL. OP 28-02-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 1676; 1940; 1941)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 1834; 1923; 1924; 1950)
  • BEELD
  • WET VAN 07-05-1999 GEPUBL. OP 06-08-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 1832-1873) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • 1997009381; 1997-05-21
  • WET VAN 13-04-1997 GEPUBL. OP 21-05-1997
    (GEWIJZIGDE ART. : 1717; 1728BIS)
  • WET VAN 13-04-1995 GEPUBL. OP 17-06-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 1832; 1862; 1863)
  • WET VAN 06-07-1994 GEPUBL. OP 15-07-1994
    (GEWIJZIGDE ART. : 1690; 1691)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-12-1993 GEPUBL. OP 31-12-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 1728BIS)
  • WET VAN 20-02-1991 GEPUBL. OP 22-02-1991
    (GEWIJZIGDE ART. : 1716; 1717; 1728BIS; 1733)
    (GEWIJZIGDE ART. : 1734; 1736; 1738; 1740; 1745)
    (GEWIJZIGDE ART. : 1746; 1748; 1752BIS; 1758)
    (GEWIJZIGDE ART. : 1758BIS; 1758TER; 1759; 1759BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 1761; 1762; 1714; 1715; 1742)
    (GEWIJZIGDE ART. : 1743; 1748)
  • WET VAN 10-12-1990 GEPUBL. OP 22-12-1990
    (GEWIJZIGDE ART. : 1834; 1923; 1924; 1950; )
  • WET VAN 19-02-1990 GEPUBL. OP 24-03-1990
    (GEWIJZIGD ART. : 1798)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 22 gearchiveerde versies
    Franstalige versie