J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1916/10/11/1916101150/justel

Titel
11 OKTOBER 1916. - Besluitwet betreffende de staat van oorlog en de staat van beleg.

Publicatie : 15-10-1916 nummer :   1916101150 bladzijde : 566
Dossiernummer : 1916-10-11/30
Inwerkingtreding : 15-10-1916

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - VAN DEN STAAT VAN OORLOG.
Art. 1
TITEL II. - VAN DE STAAT VAN BELEG.
Art. 2-6
TITEL III. - BEPALINGEN GEMEEN AAN DEN STAAT VAN OORLOG EN DEN STAAT VAN BELEG.
Art. 7-15

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - VAN DEN STAAT VAN OORLOG.

  Artikel 1. Gedurende den tijd van oorlog, kan de Koning al de politie-bevoegdheden uitoefenen. Hij kan al of een gedeelte van deze bevoegdheden opdragen aan de gouverneurs van provincie of aan de arrondissementscommissarissen. De aan de gouverneurs toegekende bevoegdheden kunnen door dezen, in hun geheel of ten deele, op de arrondissementscommissarissen overgedragen worden.
  De Koning kan, naar eensluidend advies van den Ministerraad, aan de burgerlijke of militaire overheden die hij aanduidt, al of een gedeelte van de bevoegdheden toekennen, bepaald bij artikel 4 van de tegenwoordige besluit-wet.

  TITEL II. - VAN DE STAAT VAN BELEG.

  Art. 2. Gedurende den tijd van oorlog, kan de Koning, naar eensluidend advies van den Ministerraad, den staat van beleg uitspreken en opheffen.
  Het koninklijk besluit waarbij de staat van beleg uitgesproken of opgeheven wordt duidt de gedeelten van het grondgebied aan, waarop het toepasselijk is.

  Art. 3. Wanneer de staat van beleg uitgesproken is, kunnen de bevoegdheden waarmede de burgerlijke overheid bekleed was voor de handhaving der orde en der politie, alsmede voor den dienst der wegen en verkeersmiddelen, uitgeoefend worden door den Minister van Oorlog of, onder dezes leiding en verantwoordelijkheid, door de door den Koning aangeduide krijgsoverheden. De Minister van Oorlog en de krijgsoverheden geven zonder uitstel aan de burgerlijke overheden hunne beslissing te kennen, volgens dewelke zij de uitoefening van die bevoegdheden of van zekere onder hen, op zich zullen nemen.
  De burgerlijke overheid mag niet weigeren, binnen de bij de wetten vastgestelde perken, de besluiten en reglementen in zake gezondheid uit te vaardigen, noodig geacht door den Minister van Oorlog of door de krijgsoverheden. Zoo deze er toe opgevorderd worden, verschaffen zij de middelen om de uitvoering er van te verzekeren. Zij kunnen van ambtswege de maatregelen nemen en de werken doen uitvoeren die inzonderheid de gezondheid van het leger aanbelangen.

  Art. 4. In de grondgebieden onder staat van beleg, kunnen de daartoe bijzonder aangeduide krijgsoverheden onder de leiding en de verantwoordelijkheid van den Minister van Oorlog :
  1į Uit de plaatsen verwijderen waar zij schadelijk zouden kunnen zijn : de recidivisten en de personen die verdacht worden met den vijand in betrekking te staan; de vreemdelingen; alle persoon wier tegenwoordigheid van aard is de krijgsverrichtingen te verhinderen;
  2į Door de ambtenaren van rechterlijke politie van den militairen veiligheidsdienst en door de officieren der gendarmerie doen overgaan tot perquisities bij dag en bij nacht in de woning der burgers of tot lichamelijke doorzoekingen. Indien de lichamelijke doorzoeking geschiedt op een persoon van het vrouwelijk geslacht, zal er toe overgegaan worden, bij opvordering van den ambtenaar van rechterlijke politie, hetzij door een geneesheer, hetzij door eene vrouw.
  3į De inlevering der wapens en munitie bevelen en door de ambtenaren van rechterlijke politie tot hunne opzoeking en hunne wegneming doen overgaan;
  4į De vergaderingen beletten van aard om wanorde te verwekken of te onderhouden;
  5į Toezicht houden over de correspondentie, ze wederhouden en in beslag nemen.
  Deze bevoegdheden kunnen enkel uitgeoefend worden met het doel 's lands verdediging en de veiligheid van het leger te handhaven.
  Zij die, belast zijnde lezing te nemen van de correspondentie, het bestaan of den inhoud er van zullen veropenbaard hebben buiten het geval waarbij de wet ze er toe verplicht, zullen veroordeeld worden tot gevangenzetting van vijftien dagen tot ťťne maand of tot geldboete van 26 tot 500 frank.

  Art. 5. In de gebieden onder staat van beleg, kunnen de politie-bevoegdheden, waarvan de burgerlijke overheden niet ontlast zijn, door den Koning uitgeoefend worden, overeenkomstig de bepalingen van artikel ťťn van de tegenwoordige besluit-wet.

  Art. 6. (Opgeheven) <W 30-04-1919, art. 16>

  TITEL III. - BEPALINGEN GEMEEN AAN DEN STAAT VAN OORLOG EN DEN STAAT VAN BELEG.

  Art. 7. Gedurende den tijd van oorlog, oefent de Koning de bevoegdheden uit, hem opgedragen bij artikel ťťn uit de wet van 4 Augustus 1914, betreffende de spoedeischende maatregelen door de oorlogsverwikkelingen noodig gemaakt. <B 16-11-1918, art. 1>
  Evenwel, in den loop der krijgsverrichtingen, moeten de militaire overheden, in geval van dringendheid en van noodzakelijkheid, in het beheer der gemeenten en in de voeding der bevolking voorzien.

  Art. 8. Het is verboden dagbladen, vlugschriften, geschriften, teekeningen, prenten uit te geven of, op welke wijze ook, in de openbare plaatsen of vergaderingen, bekendmakingen en inlichtingen te verspreiden, van aard om den vijand voordeel bij te brengen of een ongelukkigen invloed uit te oefenen op den geest der troepen en der bevolking.
  De Regeering is er toe gemachtigd de noodige maatregelen te nemen om den invoer, den omloop, de te koopstelling en de uitdeeling te beletten van dagbladen, vlugschriften, geschriften, teekeningen of prenten, van aard om den vijand voordeel bij te brengen of een ongelukkigen invloed uit te oefenen op den geest der troepen en der bevolking.

  Art. 9. Wanneer het verkeer tusschen den zetel eener rechterlijke omschrijving of de hoofdplaats eener bestuurlijke omschrijving en een gedeelte dezer onderbroken is, kan de Koning ofwel dit gedeelte tijdelijk bij eene andere omschrijving toevoegen, ofwel den zetel of de hoofdplaats overbrengen in een andere plaats van dezelfde, of van eene naburige omschrijving.

  Art. 10. <W 05-03-1935, art. 1> ß 1. Wanneer de mobilisatie verordend is, kunnen de ministers of hun gemachtigden, de gouverneurs der provinciŽn, de arrondissementscommissarissen en de burgemeesters personen en zaken opeisen om de werking der openbare diensten te verzekeren in 't rechtstreeks of niet rechtstreeks belang van 's lands verdediging.
  (Daarenboven kunnen voormelde autoriteiten personen en zaken opeisen om te voorzien in 's lands wederopbouw en in de huisvesting van de personen die er van beroofd zijn ingevolge oorlogsfeiten.) <B 31-08-1945, art. 1>
  ß 2. Personen zullen echter slechts worden opgeŽist ingeval het aantal vrijwillige dienstnemingen ontoereikend is.
  ß 3. Het dienstnemingscontract en - voor zover mogelijk - het opeisingsbevel bepalen inzonderheid :
  a) De opdracht van de persoon die dienst neemt of die opgeŽist wordt en de rol welke hem wordt toebedeeld;
  b) De overheidspersoon van wie hij bevelen zal ontvangen;
  c) Het bedrag zijner bezoldiging.
  De bij deze wet voorziene formule der vrijwillige dienstnemingsakten, der opeisingsbevelen en der uitgestelde dienstnemingscontracten wordt vastgesteld door de Koning.
  ß 4. De Koning bepaalt de vergoedingen, verschuldigd aan de persoon die opgeŽist werd of vrijwillige dienst nam en die, in bevolen dienst en ten gevolge van deze dienst oorlogsverwondingen opliep, alsmede de vergoedingen, verschuldigd aan de weduwe, de wezen of de ascendenten van een burgerlijk vrijwilliger of van een opgeŽist persoon die in bevolen dienst en ten gevolge van de oorlog, het leven verloor.
  ß 5. De burgerlijke vrijwilligers kunnen, ter vergemakkelijking hunner taak, door de overheden van wie zij afhangen verplicht worden als herkenningsteken een armband in de nationale kleuren te dragen, waarop de letter V vermeld staat ter aanduiding hunner vrijwillige dienstneming.
  Op de binnenzijde van de armband wordt er een linnen etiket genaaid met de volgende aanduidingen :
  Dienst waardoor hij benuttigd wordt.
  Familienaam en voornamen van de vrijwilliger.
  ß 6. De bepalingen van vorenstaande paragraaf zijn toepasselijk op de opgeŽisten, uitgezonderd dat er op de armband geen letter staat.
  ß 7. Zo de burgerlijke vrijwilliger of de opgeŽiste persoon onbekwaam blijkt om de toevertrouwde opdracht te vervullen, dan kan de dienst, die hem benuttigt, zonder preadvies noch vergoeding, het arbeidscontract verbreken of van de opeising afzien.
  ß 8. In al de andere gevallen, zo de duur der dienstverbintenis of der opeising niet werd bepaald, kan de dienst die hem benuttigt van de medewerking van de vrijwilliger of de opgeŽiste afzien mits preadvies of opzegging van een maand.
  ß 9. Ieder burgerlijke vrijwilliger of ieder opgeŽiste persoon die in oorlogstijd de hem toevertrouwde post verlaat of de bevelen van zijn chef weigert uit te voeren, verliest onmiddellijk alle bezoldiging.
  ß 10. De artikelen 26 tot 32 der wet van 12 mei 1927 zijn, voor zover ze op de in oorlogstijd gedane opeisingen betrekking hebben, toepasselijk op de bij vorenstaande bepalingen voorziene opeisingen.
  De ingevolge deze bepalingen aan de militaire overheid verleende macht wordt, wat de bij deze wet voorziene burgerlijke opeisingen betreft, uitgeoefend door de burgerlijke overheid.

  Art. 11. Alle inbreuk op de bepalingen van artikel 8, zal gestraft worden met gevangenzetting van drie maand tot ťťn jaar en met geldboete van 100 tot 1,000 frank.
  Berechting er van is toegewezen aan de correctioneele rechtbanken, onverminderd de toepassing van het 1e Hoofdstuk, 1e Titel van de wet van 15 Juni 1899.
  Onder voorbehoud der rechten van derden, kan geene vervolging worden uitgeoefend wegens regelmatig toegelatene publicaties.

  Art. 12. De besluiten genomen ter uitvoering van de tegenwoordige besluit-wet schorsen de uitvoering der reglementen en vorderingen, die onvereenbaar zijn met hunne bepalingen.

  Art. 13. De inbreuken op de besluiten en reglementen genomen ter uitvoering van tegenwoordige besluit-wet, worden gestraft met de straffen die er bij worden voorzien en waarvan het maximum eene gevangenzetting van drie maand en eene boete van 300 frank niet te boven gaat.
  De inbreuken op de reglementen betreffende het verkeer in de landstreek onder staat van beleg, worden vůůr de militaire rechtsmacht gebracht.

  Art. 14. Al de bepalingen van het 1e Boek van het Strafwetboek zijn toepasselijk op de inbreuken bedoeld bij artikelen 11 en 12 van tegenwoordige besluit-wet.

  Art. 15. De tegenwoordige besluit-wet zal den dag harer bekendmaking in werking treden.
  De besluit-wet van 15 Maart 1915, betreffende het verkeer in den legergordel, is afgeschaft.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Gezien artikel 26 der Grondwet, waarbij de uitoefening van de wetgevende macht opgedragen is aan den Koning, aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers en aan den Senaat;
   Gezien de onmogelijkheid de Wetgevende Kamers te vereenigen;
   Op voorstel van Onze tot Raad vergaderde Ministers,
   (Verslag aan de Koning, B.St. 15-10-1916, blz. 569)
   .....

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Franstalige versie