J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 15 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1804/03/21/1804032155/justel

Titel
21 MAART 1804. - BURGERLIJK WETBOEK. - BOEK III : Wijze van eigendomsverkrijging. - TITEL XIV tot XX (art. 2011-2281) (zie 2013-07-11/22)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-07-1994 en tekstbijwerking tot 28-12-2017)

Publicatie : 03-09-1807 nummer :   1804032155 bladzijde : 0
Dossiernummer : 1804-03-21/35
Inwerkingtreding : 13-09-1807

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL XIV. - BORGTOCHT.
HOOFDSTUK I. - AARD EN OMVANG VAN DE BORGTOCHT.
Art. 2011-2020
HOOFDSTUK II. - GEVOLGEN VAN BORGTOCHT.
AFDELING I. - GEVOLGEN VAN BORGTOCHT TUSSEN DE SCHULDEISER EN DE BORG.
Art. 2021-2027
AFDELING II. - GEVOLGEN VAN BORGTOCHT TUSSEN DE SCHULDENAAR EN DE BORG.
Art. 2028-2032
AFDELING III. - GEVOLGEN VAN BORGTOCHT TUSSEN DE BORGEN ONDERLING.
Art. 2033
HOOFDSTUK III. - TENIETGAAN VAN BORGTOCHT.
Art. 2034-2039
HOOFDSTUK IV. - WETTELIJKE BORGTOCHT EN GERECHTELIJKE BORGTOCHT.
Art. 2040-2043
HOOFDSTUK V. - Kosteloze borgtocht. <Ingevoegd bij W 2007-06-03/69, art. 3; Inwerkingtreding : 01-12-2007>
Art. 2043bis, 2043ter, 2043quater, 2043quinquies, 2043sexies, 2043septies, 2043octies
TITEL XV. - DADING.
Art. 2044-2058
TITEL XVI. - LIJFSDWANG IN BURGERLIJKE ZAKEN.
Art. 2059-2070
TITEL XVII. [1 - Zakelijke zekerheden op roerende goederen]1
Art. 2071-2072
TITEL XVIII. - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN.
TITEL XIX. - GERECHTELIJKE UITWINNING EN RANGREGELING ONDER DE SCHULDEISERS.
Art. 2204-2218
TITEL XX. - VERJARING.
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 2219-2227
HOOFDSTUK II. - BEZIT.
Art. 2228-2235
HOOFDSTUK III. - OORZAKEN DIE DE VERJARING VERHINDEREN.
Art. 2236-2241
HOOFDSTUK IV. - OORZAKEN DIE DE VERJARING STUITEN OF SCHORSEN.
AFDELING I. - OORZAKEN DIE DE VERJARING STUITEN.
Art. 2242-2250
AFDELING II. - OORZAKEN DIE DE LOOP VAN DE VERJARING SCHORSEN.
Art. 2251-2259
HOOFDSTUK V. - TIJD DIE VOOR DE VERJARING VEREIST IS.
AFDELING I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 2260-2261
AFDELING II. - <W 1998-06-10/39, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 27-07-1998> (ALGEMENE TERMIJNEN VAN VERJARING.)
Art. 2262, 2262bis, 2263-2264
AFDELING III. - TIENJARIGE EN TWINTIGJARIGE VERJARING.
Art. 2265-2270
AFDELING IV. - ENIGE BIJZONDERE VERJARINGEN.
Art. 2271-2276, 2276bis, 2276ter, 2276quater, 2276quinquies, 2277, 2277bis, 2277ter, 2278-2280
TITEL XXI. - (KENNISGEVING). <W 2001-10-20/40, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art. 2281

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL XIV. - BORGTOCHT.

  HOOFDSTUK I. - AARD EN OMVANG VAN DE BORGTOCHT.

  Artikel 2011. Hij die zich voor een verbintenis borg stelt, verplicht zich jegens de schuldeiser, aan die verbintenis te voldoen, indien de schuldenaar niet zelf daaraan voldoet.

  Art. 2012. Borgtocht kan niet bestaan dan voor een geldige verbintenis.
  Men kan zich niettemin borg stellen voor een verbintenis, al mocht die kunnen vernietigd worden door een exceptie die alleen de verbondene persoonlijk betreft; bij voorbeeld in geval van minderjarigheid.

  Art. 2013. Borgtocht kan niet wordent aangegaan voor meer dan hetgeen de schuldenaar verschuldigd is, noch onder meer bezwarende voorwaarden.
  Hij kan worden aangegaan voor slechts een gedeelte van de schuld, en onder minder bezwarende voorwaarden.
  De borgtocht die voor meer dan de schuld of onder meer bezwarende voorwaarden is aangegaan, is niet nietig; hij kan alleen worden verminderd tot hetgeen in de hoofdverbintenis begrepen is.

  Art. 2014. Men kan zich borg stellen zonder opdracht van hem voor wie men zich verbindt, en zelfs buiten zijn weten.
  Men kan zich eveneens borg stellen, niet alleen voor de hoofschuldenaar, maar ook voor de persoon die zich voor hem heeft borg gesteld.

  Art. 2015. Borgtocht wordt niet vermoed; hij moet uitdrukkelijk zijn aangegaan, en men mag hem niet verder uitstrekken dan de perken waarbinnen hij is aangegaan.

  Art. 2016. Onbepaalde borgtocht voor een hoofdverbintenis strekt zich uit tot al hetgeen bij de schuld komt, zelfs tot de kosten van de eerste vordering, en tot alle kosten die gemaakt zijn nadat van deze vordering aan de borg is kennis gegeven.

  Art. 2017. De verbintenissen van de borgen gaan over op hun erfgenamen (..). <W 15-12-1949, art. 28>.

  Art. 2018. De schuldenaar die verplicht is een borg te stellen, moet een borg aanbieden die bekwaam is om contracten aan te gaan, die genoegzaam gegoed is om aan de verbintenis te kunnen voldoen, en die zijn woonplaats heeft binnen het rechtgebied van het hof van beroep waar de borgstelling moet plaatshebben.

  Art. 2019. De gegoedheid van een borg wordt alleen beoordeeld naar zijn onroerende eigendommen,uitgenomen in zaken van koophandel of wanneer de schuld gering is.
  Onroerende goederen waarover geschil bestaat of waarvan de uitwinning wegens hun verwijderde ligging te moeilijk zou zijn, komen niet in aanmerking.

  Art. 2020. Wanneer de borg, die door de schuldeiser vrijwillig is aangenomen of die de rechter hem heeft toegewezen, naderhand onvermogend geworden is, moet een andere borg gesteld worden.
  Deze regel lijdt alleen uitzondering, ingeval de borg gesteld is ten gevolge van een overeenkomst waarbij de schuldeiser een bepaalde persoon tot borg geëist heeft.

  HOOFDSTUK II. - GEVOLGEN VAN BORGTOCHT.

  AFDELING I. - GEVOLGEN VAN BORGTOCHT TUSSEN DE SCHULDEISER EN DE BORG.

  Art. 2021. De borg is jegens de schuldeiser niet tot betaling gehouden dan bij gebreke van de schuldenaar, wiens goederen vooraf moeten worden uitgewonnen, tenzij de borg afstand heeft gedaan van het voorrecht van uitwinning, of tenzij hij zich hoofdelijk met de schuldenaar heeft verbonden; in welk geval de gevolgen van zijn verbintenis worden geregeld naar de beginselen die ten opzichte van hoofdelijke schulden zijn vastgesteld.

  Art. 2022. De schuldeiser is slechts tot uitwinning van de hoofdschuldenaar verplicht, ingeval de borg zulks vordert, op de eerste tegen hem gerichte vervolging.

  Art. 2023. De borg die de uitwinning vordert, moet aan de schuldeiser de goederen van de hoofdschuldenaar aanwijzen, en de nodige penningen voorschieten om de uitwinning te doen.
  Hij mag geen aanwijzing doen van goederen van de hoofdschuldenaar, die gelegen zijn buiten (België), noch van goederen waarover geschil bestaat, noch van de voor de schuld gehypothekeerde goederen die zich niet meer in het bezit van de schuldenaar bevinden. <W 2007-06-03/69, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2007>

  Art. 2024. Wanneer de borg de bij het vorige artikel toegelaten aanwijzing van goederen heeft gedaan en de nodige penningen voor de uitwinning heeft voorgeschoten, is de schuldeiser ten belope van de aangewezen goederen ten opzichte van de borg aansprakelijk voor het onvermogen van de hoofdschuldenaar, dat door het nalaten van vervolgingen mocht ontstaan.

  Art. 2025. Wanneer verscheidene personen zich hebben borg gesteld voor dezelfde schuldenaar en voor dezelfde schuld, is ieder van hen voor de gehele schuld verbonden.

  Art. 2026. Niettemin kan ieder van hen, zo hij geen afstand heeft gedaan van het voorrecht van schuldsplitsing, vorderen dat de schuldeiser vooraf zijn vordering verdeelt en die vermindert tot het aandeel van elke borg.
  Wanneer, ten tijde dat een van de borgen de schuldsplitsing heeft doen uitspreken, een of meer onder hen onvermogend waren, is die borg, naar evenredigheid van zijn aandeel, voor die onvermogenden verbonden; maar hij is niet aansprakelijk voor het onvermogen dat zich na de schuldsplitsing voordoet.

  Art. 2027. Indien de schuldeiser zelf en vrijwillig zijn vordering verdeeld heeft, kan hij tegen die verdeling niet opkomen, al waren er onvermogende borgen reeds voor de tijd dat hij aldus schuldsplitsing heeft aangenomen.

  AFDELING II. - GEVOLGEN VAN BORGTOCHT TUSSEN DE SCHULDENAAR EN DE BORG.

  Art. 2028. De borg die betaald heeft, heeft verhaal op de hoofdschuldenaar, hetzij de borgstelling met of buiten diens medeweten is geschied.
  Dit verhaal heeft plaats zowel ten aanzien van de hoofdsom als ten aanzien van de interesten en de kosten; nochtans heeft de borg slechts verhaal voor de kosten die hij gemaakt heeft nadat hij aan de hoofdschuldenaar van de tegen hem gerichte vervolgingen heeft kennis gegeven.
  De borg heeft ook verhaal tot vergoeding van schade, indien daartoe gronden bestaan.

  Art. 2029. De borg die de schuld betaald heeft, treedt in alle rechten die de schuldeiser had tegen de schuldenaar.

  Art. 2030. Wanneer verscheidene hoordschuldenaars van een zelfde schuld hoofdelijk verbonden waren, heeft de borg die zich voor allen heeft borg gesteld, verhaal op ieder van hen, tot terugvordering van al hetgeen hij betaald heeft.

  Art. 2031. De borg die een eerste maal betaald heeft, heeft geen verhaal op de hoofdschuldenaardie een tweede maal betaald heeft, wanneer hij de laatstgenoemde van de door hem gedane betaling geen kennis heeft gegeven; behoudens zijn recht op terugvordering tegen de schuldeiser.
  Wanneer de borg betaald heeft zonder te zijn vervolgd en zonder de hoofdschuldenaar daarvan kennis te hebben gegeven, heeft hij geen verhaal op hem, ingeval die schuldenaar op het ogenblik van de betaling gronden mocht hebben gehad om te doen verklaren dat de schuld teniet was; behoudens zijn recht op terugvordering tegen de schuldeiser.

  Art. 2032. De borg kan, zelfs voordat hij betaald heeft, de schuldenaar in rechte aanspreken om door hem schadeloos gesteld te worden :
  1° Indien hij tot betaling in rechte vervolgd wordt;
  2° Indien de schuldenaar failliet gegaan is, of in staat van kennelijk onvermogen verkeert;
  3° Indien de schuldenaar zich verbonden heeft om hem binnen een bepaalde tijd het ontslag van zijn borgtocht te bezorgen;
  4° Indien de schuld opeisbaar is geworden door het verschijnen van de termijn waarop zij betaalbaar was gesteld;
  5° Na verloop van tien jaren, indien de hoofdverbintenis geen bepaalde vervaltijd heeft, tenzij de hoofdverbintenis van dien aard is dat zij, zoals bij voorbeeld een voogdij, niet voor een bepaalde tijd kan vervallen.

  AFDELING III. - GEVOLGEN VAN BORGTOCHT TUSSEN DE BORGEN ONDERLING.

  Art. 2033. Wanneer verscheidene personen zich hebben borg gesteld voor dezelfde schuldenaar en voor dezelfde schuld, heeft de borg die de schuld voldaan heeft, verhaal op de overige borgen, ieder voor zijn aandeel;
  Doch dit verhaal heeft alleen plaats, wanneer de borg betaald heeft in een van de gevallen in het vorige artikel vermeld.

  HOOFDSTUK III. - TENIETGAAN VAN BORGTOCHT.

  Art. 2034. De verbintenis uit borgtocht gaat teniet door dezelfde oorzaken als de overige verbintenissen.

  Art. 2035. Schuldvermenging in de persoon van de hoofdschuldenaar en van zijn borg, wanneer de ene erfgenaam wordt van de andere, doet geenszins de vordering teniet van de schuldeiser tegen hem die zich heeft borg gesteld voor de borg.

  Art. 2036. De borg kan zich tegen de schuldeiser beroepen op alle excepties die aan de hoofdschuldenaar toekomen en die tot de schuld zelf behoren;
  Maar hij kan zich niet beroepen op excepties die alleen de schuldenaar persoonlijk betreffen.

  Art. 2037. De borg is ontslagen, wanneer hij door toedoen van de schuldeiser niet meer in de rechten, hypotheken en voorrechten van die schuldeiser kan treden.

  Art. 2038. Wanneer de schuldeiser een onroerend goed of enig ander goed vrijwillig aanneemt in betaling van de hoofdschuld, is de borg ontslagen, al wordt dat goed naderhand tegen de schuldeiser uitgewonnen.

  Art. 2039. Eenvoudige termijnverlenging, door de schuldeiser aan de hoofdschuldenaar toegestaan, ontslaat de borg niet, die in dat geval de schuldenaar kan vervolgen, om hem tot betaling te noodzaken.

  HOOFDSTUK IV. - WETTELIJKE BORGTOCHT EN GERECHTELIJKE BORGTOCHT.

  Art. 2040. Wanneeer iemand krachtens de wet of krachtens een veroordeling verplicht is een borg te stellen, moet de aangeboden borg voldoen aan de bij de artikelen 2018 en 2019 voorgeschreven vereisten.
  (Lid 2 opgeheven) <W 15-12-1949, art. 28>.

  Art. 2041. Hij die geen borg kan vinden, is gerechtigd voldoende pand in de plaats te geven.

  Art. 2042. De gerechtelijke borg kan de uitwinning van de hoofdschuldenaar niet vorderen.

  Art. 2043. Hij die zich enkel voor een gerechtelijke borg heeft borg gesteld, kan de uitwinning van de hoofdschuldenaar noch van de borg vorderen.

  HOOFDSTUK V. - Kosteloze borgtocht. <Ingevoegd bij W 2007-06-03/69, art. 3; Inwerkingtreding : 01-12-2007>

  Art. 2043bis. <Ingevoegd bij W 2007-06-03/69, art. 4; Inwerkingtreding : 01-12-2007> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  a) kosteloze borgtocht : de handeling waarmee een natuurlijke persoon kosteloos een hoofdschuld verzekert ten gunste van een schuldeiser. De kosteloze aard van de borgtocht slaat op het ontbreken van enig economisch voordeel, zowel rechtstreeks als indirect, dat de borg kan genieten dankzij de borgstelling;
  b) schuldeiser : iedere verkoper in de zin van artikel 1 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument;
  c) schuldenaar : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon.

  Art. 2043ter. <Ingevoegd bij W 2007-06-03/69, art. 5; Inwerkingtreding : 01-12-2007> De bewijslast om aan te tonen dat de borgtocht niet kosteloos werd verstrekt, ligt bij de schuldeiser. In dat geval zijn de bepalingen van dit hoofdstuk niet van toepassing.

  Art. 2043quater. <Ingevoegd bij W 2007-06-03/69, art. 6; Inwerkingtreding : 01-12-2007> Op de borgtocht bedoeld in artikel 2043bis zijn, met uitzondering van de artikelen 2014, eerste lid, 2018 en 2019, de hoofdstukken I tot IV van toepassing, tenzij als de regels die zij bevatten onverenigbaar zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk.

  Art. 2043quinquies.<Ingevoegd W 2007-06-03/69, art. 7; Inwerkingtreding : 01-12-2007> § 1. Op straffe van nietigheid moet de borgtocht in de zin van dit hoofdstuk het voorwerp uitmaken van een geschreven overeenkomst die verschilt van de hoofdovereenkomst.
  § 2. De duur van de hoofdverplichting moet worden vermeld in de borgtochtovereenkomst, en in het geval van een borgtocht voor een hoofdverplichting die werd afgesloten voor onbepaalde duur, mag de duur van de borgtochtovereenkomst vijf jaar niet overschrijden.
  § 3. Op straffe van nietigheid moet de borgtochtovereenkomst ten minste de volgende vermeldingen bevatten, door de borg met de hand geschreven :
  " door me borg te stellen voor ... voor de som beperkt tot ... (in cijfers) als dekking van de betaling van de hoofdsom en interesten voor een duur van ..., verbind ik me ertoe aan de schuldeiser van ... de verschuldigde sommen terug te betalen op mijn goederen en inkomsten, indien, en in de mate dat, ... er niet zelf aan heeft voldaan ".
  § 4. Na advies van de [1 bijzondere raadgevende commissie Onrechtmatige bedingen]1 bedoeld in de artikelen 35 en 36 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, kan de Koning bepalen welke vermeldingen moeten voorkomen in de overeenkomst, alsook de informatie met betrekking tot de hoofdverplichting die het voorwerp uitmaakt van de borgtocht.
  § 5. Artikel 1326 is niet van toepassing.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-13/13, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2043sexies. <Ingevoegd bij W 2007-06-03/69, art. 8; Inwerkingtreding : 01-12-2007> § 1. Op straffe van nietigheid en wanneer de borg in de zin van artikel 2043bis een bepaalde schuld verzekert, wordt de omvang van de borgtocht beperkt tot de som die is vermeld in de overeenkomst, verhoogd met interesten tegen de wettelijke of conventionele rente zonder dat deze interesten evenwel hoger mogen zijn dan 50 % van de hoofdsom.
  § 2. Op straffe van nietigheid kan er geen borgtocht worden afgesloten waarvan het bedrag kennelijk niet in verhouding is tot de terugbetalingsmogelijkheden van de borg, waarbij deze mogelijkheid beoordeeld moet worden in het licht van de roerende en onroerende goederen en inkomsten van deze laatste.

  Art. 2043septies. <Ingevoegd bij W 2007-06-03/69, art. 9; Inwerkingtreding : 01-12-2007> In geval van regelmatige uitvoering van de overeenkomst door de schuldenaar brengt de schuldeiser de borg daar op zijn minst eenmaal per jaar van op de hoogte.
  Elke mededeling inzake niet uitvoering die wordt gedaan aan de schuldenaar door de schuldeiser met betrekking tot de betaling van de schuld moet gelijktijdig en in dezelfde vorm worden gedaan aan de borg. Bij gebrek daaraan kan de schuldeiser zich niet beroepen op de aangroei van de schuld, vanaf de datum waarop hij ter zake in gebreke blijft.

  Art. 2043octies. <Ingevoegd bij W 2007-06-03/69, art. 10; Inwerkingtreding : 01-12-2007> De verbintenissen van de erfgenamen van een borg inzake de borgtocht zijn beperkt tot het erfdeel dat aan elk van hen toekomt.
  Niettegenstaande enige andersluidende overeenkomst bestaat er geen hoofdelijkheid tussen de erfgenamen van een borg voor de verbintenissen van de borg.

  TITEL XV. - DADING.

  Art. 2044. Dading is een contract, waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen, of een toekomstig geschil voorkomen.
  Dit contract moet schriftelijk opgemaakt worden.

  Art. 2045.Om een dading aan te gaan, moet men bekwaam zijn om te beschikken over de voorwerpen die in de dading begrepen zijn.
  (De voogd kan voor de minderjarige [1 ...]1 alleen met inachtneming van de vormen omschreven in artikel 410, § 1, een dading aangaan en hij kan met de meerderjarig geworden minderjarige over de voogdijrekening alleen overeenkomstig artikel 416, eerste lid, een dading aangaan.) <W 2001-04-29/39, art. 42, 008; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  [1 De bewindvoerder kan voor de persoon die krachtens artikel 492/1 onbekwaam werd verklaard om een dading af te sluiten alleen met inachtneming van de vormen voorgeschreven in artikel 499/7, § 2, eerste lid, 10°, een dading aangaan en hij kan na de beëindiging van zijn opdracht alleen overeenkomstig artikel 499/18 een dading over de bewindsrekening aangaan.]1
  De gemeenten en de openbare instellingen kunnen geen dading aangaan (dan met de machtiging voorgeschreven bij artikel 49 van de organieke wet van 10 maart 1925 op de openbare onderstand). <W 15-12-1949, art. 27>.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 144, 013; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 2046. Dading kan worden aangegaan over de burgerlijke belangen die uit een misdrijf ontstaan.
  Zij verhindert de vervolging van het openbaar ministerie niet.

  Art. 2047. Aan een dading kan een strafbeding worden toegevoegd tegen hem die mocht in gebreke blijven de dading na te komen.

  Art. 2048. Dadingen blijven beperkt tot hun voorwerp : wordt daarbij afstand gedaan van alle rechten, vorderingen en eisen, dan geldt zulks alleen voor hetgeen betrekking heeft op het geschil dat tot de dading aanleiding heeft gegeven.

  Art. 2049. Dadingen regelen slechts de geschillen die daarin zijn begrepen, hetzij partijen hun bedoeling in bijzondere of in algemene bewoordingen hebben uitgedrukt, hetzij die bedoeling als een noodzakelijk gevolg wordt afgeleid van hetgeen is uitgedrukt.

  Art. 2050. Hij die een dading heeft aangegaan over een recht dat hem uit eigen hoofde toebehoorde, en die vervolgens een dergelijk recht van een ander verkrijgt, is, met betrekking tot het nieuw verkregen recht, door de vorige dading geenszins gebonden.

  Art. 2051. Een dading, door een van de belanghebbenden aangegaan, verbindt de overige belanghebbenden niet, en kan door hen niet worden ingeroepen.

  Art. 2052. Dadingen hebben tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg.
  Men kan er niet tegen opkomen uit hoofde van dwaling omtrent het recht of uit hoofde van benadeling.

  Art. 2053. Niettemin kan een dading vernietigd worden, wanneer er dwaling heeft plaatsgehad in de persoon of omtrent het voorwerp van het geschil.
  Zij kan vernietigd worden in alle gevallen waarin bedrog of geweld heeft plaatsgehad.

  Art. 2054. Vernietiging van een dading kan eveneens gevorderd worden, wanneer de dading is aangegaan ter uitvoering van een titel die nietig was, behalve in het geval dat partijen uitdrukkelijk over de nietigheid een dading hebben aangegaan.

  Art. 2055. Een dading, aangegaan op grond van stukken die naderhand vals bevonden zijn, is geheel nietig.

  Art. 2056. Een dading over een geding dat reeds beëindigd is door een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en waarvan partijen of een van hen geen kennis droegen, is nietig.
  Indien het vonnis waarvan partijen onkundig waren, voor hoger beroep vatbaar was, is de dading geldig.

  Art. 2057. Wanneer partijen een dading hebben aangegaan in het algemeen over alle zaken die zij met elkaar uitstaande mochten hebben, leveren de titels die hun toen onbekend waren en die naderhand ontdekt zijn, geen grond op tot vernietiging, tenzij die titels door toedoen van een der partijen waren achtergehouden.
  Maar de dading is nietig, indien zij slechts een enkele zaak betreft en uit naderhand ontdekte titels blijkt dat een van de partijen daarop niet het minste recht had.

  Art. 2058. Een rekenfout, bij een dading gemaakt, moet verbeterd worden.

  TITEL XVI. - LIJFSDWANG IN BURGERLIJKE ZAKEN.

  Art. 2059. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2060. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2061. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2062. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2063. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2064. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2065. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2066. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2067. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2068. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2069. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2070. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  TITEL XVII. [1 - Zakelijke zekerheden op roerende goederen]1
  
  (NOTA: Titel XVII wordt 2013-07-11/19)
  ----------
  (1)<W 2013-07-11/19, art. 2-89, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2071.
  <Opgeheven bij W 2013-07-11/19, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2072.
  <Opgeheven bij W 2013-07-11/19, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  TITEL XVIII. - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN.
  (NOTA : De artikelen 2092 tot 2203 werd vervangen door art. 1 van de W van 16 december 1851. Voor de tekst, zie 1851-12-16/01)

  TITEL XIX. - GERECHTELIJKE UITWINNING EN RANGREGELING ONDER DE SCHULDEISERS.

  Art. 2204. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2205. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2206. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2207. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2208. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2209. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2210. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2211. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2212. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2213. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2214. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2215. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2216. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2217. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2218. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  TITEL XX. - VERJARING.

  HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 2219. Verjaring is een middel om, door verloop van een zekere tijd en onder de voorwaarden die de wet bepaalt, iets te verkrijgen of van een verbintenis bevrijd te worden.

  Art. 2220. Men kan vooraf geen afstand doen van de verjaring; men kan wel afstand doen van een verkregen verjaring.

  Art. 2221. Afstand van verjaring geschiedt uitdrukkelijk of stilzwijgend; de stilzwijgende afstand wordt afgeleid uit een daad die doet veronderstellen dat men zijn verkregen recht heeft laten varen.

  Art. 2222. Hij die niet kan vervreemden kan geen afstand doen van een verkregen verjaring.

  Art. 2223. De rechter mag het middel van verjaring niet ambtshalve toepassen.

  Art. 2224. Men kan zich op verjaring beroepen in elke staat van het geding, zelfs voor het hof van beroep, tenzij de omstandigheden doen vermoeden dat de partij die zich op het middel van verjaring niet heeft beroepen, daarvan afstand heeft gedaan.

  Art. 2225. Schuldeisers, of alle andere personen die er belang bij hebben dat de verjaring verkregen is, kunnen zich daarop beroepen, hoewel de schuldenaar of de eigenaar ervan afstand doet.

  Art. 2226. Men kan door verjaring de eigendom niet verkrijgen van zaken die buiten de handel zijn.

  Art. 2227. De Staat, de openbare instellingen en de gemeenten zijn aan dezelfde verjaringen onderworpen als bijzondere personen en kunnen zich eveneens daarop beroepen.

  HOOFDSTUK II. - BEZIT.

  Art. 2228. Bezit is het houden of het genieten van een zaak die wij in onze macht hebben of vaneen recht dat wij uitoefenen, hetzij in persoon, hetzij door een ander die in onze naam de zaak in zijn macht heeft of het recht uitoefent.

  Art. 2229. Om iets door verjaring te verkrijgen, is vereist een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar, niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar.

  Art. 2230. Men wordt steeds geacht voor zichzelf, en als eigenaar te bezitten, tenzij bewezen is dat men heeft aangevangen voor een ander te bezitten.

  Art. 2231. Wanneer men heeft aangevangen voor een ander te bezitten, wordt steeds vermoed dat mpen het bezit onder dezelfde titel voortzet, tenzij het tegendeel bewezen is.

  Art. 2232. Daden van louter vermogen of van eenvoudig gedogen kunnen noch bezit, noch verjaringteweegbrengen.

  Art. 2233. Daden van geweld kunnen evenmin als grondslag dienen voor een bezit waaruit verjaring zou ontstaan.
  Een deugdelijk bezit neemt eerst een aanvang, nadat het geweld heeft opgehouden.

  Art. 2234. De tegenwoordige bezitter die bewijst voorheen het bezit te hebben gehad, wordt geacht het ook in de tussentijd te hebben gehad, behoudens tegenbewijs.

  Art. 2235. Om de tot verjaring vereiste tijd aan te vullen, kan men bij zijn eigen bezit het bezit voegen van zijn rechtsvoorganger, op welke wijze men hem ook is opgevolgd, hetzij onder een algemene of een bijzondere titel, hetzij om niet of onder een bezwarende titel.

  HOOFDSTUK III. - OORZAKEN DIE DE VERJARING VERHINDEREN.

  Art. 2236. Zij die voor een ander bezitten, kunnen nooit, door welk tijdsverloop ook, iets door verjaring verkrijgen.
  Alzo kunnen de huurder, de bewaarnemer, de vruchtgebruiker, en alle anderen, die de zaak van de eigenaar ter bede onder zich hebben, deze niet door verjaring verkrijgen.

  Art. 2237. De erfgenamen van hen die de zaak onder zich hadden uit kracht van een der in het vorige artikel genoemde titels, kunnen die evenmin door verjaring verkrijgen.

  Art. 2238. Nochtans kunnen de in de artikelen 2236 en 2237 genoemde personen de zaak door verjaring verkrijgen, indien de titel van hun bezit veranderd is, hetzij uit een oorzaak die van een derde voortkomt, hetzij door hun tegenspraak tegen het recht van de eigenaar.

  Art. 2239. De personen aan wie de huurders, bewaarnemers en andere houders ter bede der zaak door een titel van eigendomsoverdracht hebben overgedragen, kunnen die door verjaring verkrijgen.

  Art. 2240. Men kan geen verjaring verkrijgen in strijd met zijn titel, in die zin dat men de oorzaak en het beginsel van zijn bezit voor zich zelf niet kan veranderen.

  Art. 2241. Men kan verjaring verkrijgen in strijd met zijn titel, in die zin dat men zich door verjaring bevrijdt van de verbintenis die men heeft aangegaan.

  HOOFDSTUK IV. - OORZAKEN DIE DE VERJARING STUITEN OF SCHORSEN.

  AFDELING I. - OORZAKEN DIE DE VERJARING STUITEN.

  Art. 2242. Stuiting van de verjaring kan of natuurlijk of burgerlijk zijn.

  Art. 2243. Er is natuurlijke stuiting, wanneer de bezitter gedurende meer dan een jaar van het genot der zaak beroofd is, hetzij door de oude eigenaar, hetzij zelfs door een derde.

  Art. 2244.[1 § 1.]1 Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, [2 , een aanmaning tot betaling als bedoeld in artikel 1394/21 van het Gerechtelijk Wetboek]2 of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen burgerlijke stuiting.
  (Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.
  Voor de toepassing van deze afdeling heeft een beroep tot vernietiging van een administratieve handeling bij de Raad van State dezelfde gevolgen ten opzichte van de vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door de vernietigde administratieve handeling als een dagvaarding voor het gerecht.) <W 2008-07-25/36, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 01-09-2008>
  [1 § 2. Onverminderd artikel 1146, stuit een ingebrekestelling bij aangetekende zending met ontvangstbewijs verzonden door de advocaat van de schuldeiser, de gerechtsdeurwaarder daartoe aangesteld door de schuldeiser of de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen namens de schuldeiser, naar de schuldenaar met woonplaats, verblijfplaats of maatschappelijke zetel in België, tevens de verjaring en doet zij een nieuwe termijn van een jaar ingaan, evenwel zonder dat de vordering vóór de vervaldag van de initiële verjaringstermijn kan verjaren. De stuitende werking van deze ingebrekestelling is slechts eenmalig, onverminderd andere stuitingsoorzaken.
   Indien de door de wet bepaalde verjaringstermijn minder dan één jaar bedraagt, is de duur van de verlenging dezelfde als deze van de verjaringstermijn.
   De verjaring wordt gestuit op het ogenblik van de verzending van de ingebrekestelling bij aangetekende zending met ontvangstbewijs. De advocaat van de schuldeiser, de gerechtsdeurwaarder daartoe aangesteld door de schuldeiser of de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen namens de schuldeiser vergewist zich van de juiste gegevens van de schuldenaar aan de hand van een administratief document van minder dan een maand oud. Ingeval de bekende verblijfplaats verschilt van de woonplaats, zendt de advocaat van de schuldeiser, de gerechtsdeurwaarder daartoe aangesteld door de schuldeiser of de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen namens de schuldeiser, een kopie van zijn aangetekende zending naar die verblijfplaats.
   Om een verjaringsstuitende werking te hebben, moet de ingebrekestelling volledig en uitdrukkelijk de volgende vermeldingen bevatten :
   1° de gegevens van de schuldeiser : voor een natuurlijke persoon, de naam, de voornaam en het adres van de woonplaats, of, in voorkomend geval, van de verblijfplaats of van de gekozen woonplaats, overeenkomstig de artikelen 36 en 39 van het Gerechtelijk Wetboek; voor een rechtspersoon, de juridische vorm, de benaming en het adres van de maatschappelijke zetel of, in voorkomend geval, van de administratieve zetel, overeenkomstig artikel 35 van het Gerechtelijk Wetboek;
   2° de gegevens van de schuldenaar : voor een natuurlijke persoon, de naam, de voornaam en het adres van de woonplaats, of, in voorkomend geval, van de verblijfplaats of van de gekozen woonplaats, overeenkomstig de artikelen 36 en 39 van het Gerechtelijk Wetboek; voor een rechtspersoon, de juridische vorm, de benaming en het adres van de maatschappelijke zetel of, in voorkomend geval, van de administratieve zetel, overeenkomstig artikel 35 van het Gerechtelijk Wetboek;
   3° de beschrijving van de verbintenis die de schuldvordering heeft doen ontstaan;
   4° indien de schuldvordering betrekking heeft op een geldsom, de verantwoording van alle bedragen die van de schuldenaar worden geëist, met inbegrip van de schadevergoeding en de verwijlinteresten;
   5° de termijn waarbinnen de schuldenaar zijn verbintenissen kan nakomen alvorens bijkomende invorderingsmaatregelen kunnen worden getroffen;
   6° de mogelijkheid in rechte op te treden met het oog op de uitwerking van andere invorderingsmaatregelen indien de schuldenaar niet binnen de vastgestelde termijn reageert;
   7° de verjaringsstuitende werking van deze ingebrekestelling;
   8° de handtekening van de advocaat van de schuldeiser, van de gerechtsdeurwaarder daartoe aangesteld door de schuldeiser of van de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen namens de schuldeiser.]1
  ----------
  (1)<W 2013-05-23/19, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 11-07-2013>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 160, 015; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 2245. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>.

  Art. 2246. Ook de dagvaarding voor een onbevoegde rechter stuit de verjaring.

  Art. 2247.[1 Eerste lid opgeheven.]1
  Indien de eiser afstand doet van zijn eis,
  (Derde lid opgeheven.)<W 15-12-1949, art. 28>.
  Of indien zijn eis wordt afgewezen.
  Wordt de stuiting voor niet bestaande gehouden.
  ----------
  (1)<W 2012-07-16/04, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 13-08-2012>

  Art. 2248. De erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, stuit de verjaring.

  Art. 2249. De ingebrekestelling van een der hoofdelijke schuldenaars, overeenkomstig de bovenstaande artikelen, of de erkenning van de schul door hem gedaan, stuit de verjaring tegen alle overige, zelfs tegen hun erfgenamen.
  De ingebrekestelling van een der erfgenamen van een hoofdelijke schuldenaar, of de erkenning van de schuld door die erfgenaam stuit de verjaring niet ten aanzien van de overige medeërfgenamen, zelfs niet in het geval van een hypothecaire schuld, tenzij de verbintenis ondeelbaar is.
  Die ingebrekestelling of die erkenning stuit de verjaring ten aanzien van de overige medeschuldenaars slechts voor het aandeel waarvoor die erfgenaam verbonden is.
  Om de verjaring ten aanzien van de overige medeschuldenaars te stuiten voor het geheel, is vereist de ingebrekestelling van alle erfgenamen van de overleden schuldenaar, of de erkenning door al die erfgenamen.

  Art. 2250. De ingebrekestelling van de hoofdschuldenaar, of de erkenning van de schuld door hem gedaan, stuit de verjaring tegen de borg;

  AFDELING II. - OORZAKEN DIE DE LOOP VAN DE VERJARING SCHORSEN.

  Art. 2251. De verjaring loopt tegen alle personen, behalve tegen hen voor wie de wet uitzondering maakt.

  Art. 2252.De verjaring loopt niet tegen minderjarigen en [1 beschermde personen wat betreft de handelingen waarvoor zij krachtens artikel 492/1 onbekwaam werden verklaard ]1, behoudens hetgeen in artikel 2278 bepaald is, en met uitzondering van de andere bij de wet bepaalde gevallen.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 145, 013; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 2253. De verjaring loopt niet tussen echtgenoten.

  Art. 2254. <W 14-07-1976, art. IV, 17>. De verjaring loopt tegen de echtgenoot aan wie het bestuur van zijn goederen is ontnomen, behoudens zijn verhaal op de andere echtgenoot of op de lasthebber, in geval van nalatigheid.
  <NOTA : Bij wijze van overgangsmaatregel (zie art. IV, 47, § 2 W. 14 juli 1976) blijft de hierna volgende tekst van kracht in de voorziene gevallen : Ten aanzien van de goederen waarvan de man het beheer heeft, loopt de verjaring tegen de gehuwde vrouw, zelfs al is zij niet van goederen gescheiden bij huwelijkscontract of bij rechterlijk vonnis, behoudens haar verhaal op haar man.>

  Art. 2255. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. IV, 18>.
  <NOTA : Bij wijze van overgangsmaatregel (zie art. IV, 47, § 1 W.) blijft de hierna volgende tekst van kracht in de voorziene gevallen : De verjaring loopt echter niet, gedurende het huwelijk, met betrekking tot de vervreemding van een erf dat aan het dotaal stelsel onderworpen is, overeenkomstig artikel 1561, in de titel Huwelijkscontract en wederzijdse rechten van de echtgenoten.>

  Art. 2256. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. IV, 18>.
  <NOTA : Bij wijze van overgangsmaatregel (zie art. IV, 47, § 1 W.) blijft de hierna volgende tekst van kracht in de voorziene gevallen : De verjaring wordt eveneens geschorst gedurende het huwelijk :
  1° Ingeval de rechtscvordering van de vrouw niet kan worden uitgeoefend dan na een keuze omtrent de aanvaarding of de afstand van de gemeenschap;
  2° Ingeval de man die het eigen goed van de vrouw zonder haar toestemming verkocht heeft, de verkoop moet vrijwaren, en in alle andere gevallen waarin de vordering van de vrouw op de man zou terugkomen.>

  Art. 2257. De verjaring loopt niet :
  Ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is;
  Ten aanzien van een vordering tot vrijwaring, zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad;
  Ten aanzien van een schuldvordering die op een bepaalde dag vervalt, zolang die dag niet verschenen is.

  Art. 2258. De verjaring loopt niet tegen de erfgenaam onder voorrecht van boedelbeschrijving, ten aanzien van zijn schuldvorderingen ten laste van de nalatenschap.
  Zij loopt tegen een onbeheerde nalatenschap, hoewel er geen curator is aangesteld.

  Art. 2259. Zij loopt eveneens gedurende de drie maanden die voor het opmaken van de boedelbeschrijving en de veertig dagen die voor het beraad zijn verleend.

  HOOFDSTUK V. - TIJD DIE VOOR DE VERJARING VEREIST IS.

  AFDELING I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 2260. De verjaring wordt gerekend bij dagen, niet bij uren.

  Art. 2261. Zij is verkregen, wanneer de laatste dag van de vereiste tijd verlopen is.

  AFDELING II. - <W 1998-06-10/39, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 27-07-1998> (ALGEMENE TERMIJNEN VAN VERJARING.)

  Art. 2262. <W 1998-06-10/39, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 27-07-1998> Alle zakelijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van dertig jaar, zonder dat hij die zich op deze verjaring beroept, verplicht is daarvan enige titel te vertonen of dat men hem de exceptie van kwade trouw kan tegenwerpen.

  Art. 2262bis. <Ingevoegd bij W 1998-06-10/39, art. 5; Inwerkingtreding : 27-07-1998> § 1. Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.
  In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.
  De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.
  § 2. Indien een in kracht van gewijsde gegane beslissing over een vordering tot vergoeding van schade enig voorbehoud heeft erkend, dan is de eis die strekt om over het voorwerp van dat voorbehoud vonnis te doen wijzen, ontvankelijk gedurende twintig jaar na de uitspraak.

  Art. 2263. Na verloop van (acht) jaren, te rekenen van de dagtekening van de laatste titel, kan de schuldenaar van een rente genoodzaakt worden om op zijn kosten aan zijn schuldeiser of aan diens rechtverkrijgenden een nieuwe titel te verschaffen. <W 1998-06-10/39, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 27-07-1998>

  Art. 2264. De regels van de verjaring met betrekking tot andere onderwerpen dan die in deze titel vermeld zijn, worden bepaald in de titels die daarover in het bijzonder handelen.

  AFDELING III. - TIENJARIGE EN TWINTIGJARIGE VERJARING.

  Art. 2265. Hij die te goeder trouw en uit kracht van een wettige titel een onroerend goed verkrijgt, bekomt daarvan de eigendom door verjaring na tien jaren, indien de ware eigenaar woont binnen het rechtsgebied van het hof van beroep waarin het onroerend goed gelegen is; en na twintig jaren, indien hij buiten dat gebied zijn woonplaats heeft.

  Art. 2266. Indien de ware eigenaar op verschillende tijdstippen zijn woonplaats binnen en buiten het rechtsgebied heeft gehad, moet, om de tot verjaring vereiste tijd aan te vullen, bij hetgeen aan de tien jaren aanwezigheid ontbreekt, tweemaal zoveel jaren afwezigheid worden gevoegd als er jaren ontbreken om de volle tien jaren aanwezigheid te bereiken.

  Art. 2267. Een titel die nietig is uit hoofde van een gebreek in de vorm, kan niet als grondslag dienen voor een tienjarige en twintigjarige verjaring.

  Art. 2268. Goede trouw wordt steeds vermoed, en hij die zich op kwade trouw beroept, moet die bewijzen.

  Art. 2269. Het is voldoende dat de goede trouw aanwezig was op het ogenblik van de verkrijging.

  Art. 2270. Na verloop van tien jaren zijn architecten en aannemers ontslagen van hun aansprakelijkheid met betrekking tot de grote werken die zij hebben uitgevoerd of geleid.

  AFDELING IV. - ENIGE BIJZONDERE VERJARINGEN.

  Art. 2271. De rechtsvordering van meesters on onderwijzers in kunsten en wetenschappen, wegens de lessen die zij bij de maand geven;
  Die van hotelhouders en tafelhouders, wegens het verschaffen van woning en kost;
  Die van arbeiders en werklieden, tot betaling van hun daghuur, hun leveringen en hun loon,
  Verjaren door verloop van zes maanden.

  Art. 2272. (Lid 1 opgeheven) <W 06-08-1993, art. 63>.
  (De rechtsvordering) van (gerechtsdeurwaarders), tot betaling van hun loon voor de akten die zij betekenen, en voor de opdrachten die zij uitvoeren; <W 06-08-1993, art 63>.
  Die van kooplieden, wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn;
  Die van kostschoolhouders, tot betaling van het kostgeld van hun leerlingen; en van andere meesters, tot betaling van het leergeld;
  Die van dienstboden die zich bij het jaar verhuren, tot betaling van hun loon,
  verjaren door verloop van een jaar.

  Art. 2273. <W 29-12-1983, art. 8>. De rechtsvordering van de verhuurders tot betaling van het bedrag dat volgt uit de aanpassing van de huurprijs aan de kosten van levensonderhoud verjaart door verloop van een jaar.
  De rechtsvordering van de huurders tot teruggave van het te veel betaalde verjaart door verloop van een jaar vanaf de verzending van het verzoek bepaald bij artikel 1728quater.

  Art. 2274. De verjaring, in de voorgaande gevallen bepaald, heeft plaats, hoewel men met de verstrekkingen, leveringen, diensten en werken is voortgegaan.
  Zij houdt slechts op te lopen, indien er een afgesloten rekening, een onderhandse of authentieke schuldbekentenis bestaat, ofwel een dagvaarding voor het gerecht, waarop geen verval van instantie is gevolgd.

  Art. 2275. Niettemin kunnen zij tegen wie men zich op die verjaringen beroept, aan hen die zich erop beroepen, de eed opdragen omtrent de vraag of de zaak werkelijk betaald is.
  De eed kan worden opgedragen aan de weduwen en aan de erfgenamen, of aan de voogden van de laatstgenoemden, indien deze minderjarig zijn, opdat zij verklaren dat zij niet weten dat de zaak verschuldigd is.

  Art. 2276. Rechters (en pleitbezorgers) zijn niet meer verantwoordelijk voor de stukken, wanneer vijf jaren zijn verlopen sinds het geding is uitgewezen.
  Eveneens zijn (gerechtsdeurwaarders) daarvoor niet meer verantwoordelijk na verloop van twee jaren sinds de uitvoering van hun opdracht of de betekening van de akten waarmee zij belast waren. <W 05-07-1963, art. 48>.

  Art. 2276bis. <Ingevoegd bij W 08-08-1985, art. 1>. § 1. De advocaten zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid en zijn niet meer verantwoordelijk voor de bewaring van de stukken vijf jaar na het beëindigen van hun taak.
  Deze verjaring is niet van toepassing wanneer de advocaat uitdrukkelijk met het bewaren van bepaalde stukken is belast.
  § 2. De vordering van de advocaten tot betaling van kosten en ereloon verjaart na verloop van vijf jaar na het beëindigen van hun taak.

  Art. 2276ter. <Ingevoegd bij W 19-02-1990, art. 1>. § 1. Deskundigen zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid en zijn niet meer verantwoordelijk voor de bewaring van de stukken tien jaar na het beëindigen van hun taak of, als deze hun krachtens de wet werd opgedragen, vijf jaar na de indiening van hun verslag.
  Deze verjaring is niet van toepassing wanneer en deskundige uitdrukkelijk met het bewaren van bepaalde stukken is belast.
  § 2. De vordering van dekundigen tot betaling van kosten en ereloon verjaart na verloop van vijf jaar.

  Art. 2276quater. <Ingevoegd bij W 1998-07-05/57, art. 15, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1999> De schuldbemiddelaars zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid vijf jaar na het beëindigen van hun taak.

  Art. 2276quinquies. (Ingevoegd bij <W 1999-05-04/03, art. 47, Inwerkingtreding : 01-01-2000>) Voor de beroepsaansprakelijkheid van de notarissen gelden de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen, behoudens voor de beroepsaansprakelijkheid betreffende de laatste wilsbeschikkingen en de contractuele erfstellingen waarvoor de verjaringstermijn begint te lopen vanaf het overlijden van de betrokkene die de laatste wilsbeschikking of de contractuele erfstelling deed.

  Art. 2277.Termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten;
  Die van uitkeringen tot levensonderhoud;
  Huren van huizen en pachten van landeigendommen;
  Interesten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen,
  Verjaren door verloop van vijf jaren.
  [1 Schuldvorderingen wegens levering van goederen en diensten via distributienetten voor water, gas of elektriciteit of de levering van elektronische communicatiediensten of omroeptransmissie- en omroepdiensten via elektronische communicatienetwerken verjaren na verloop van vijf jaren.]1
  ----------
  (1)<W 2017-07-06/24, art. 48, 015; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 2277bis. <Ingevoegd bij W 06-08-1993, art. 64>. De rechtsvordering van verzorgingsverstrekkers met betrekking tot de door hen geleverde geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen, daar inbegrepen de vordering wegens bijkomende kosten, verjaart ten overstaan van de patiënt door verloop van een termijn van 2 jaar te rekenen vanaf het einde van de maand waarin deze zijn verstrekt.
  Dezelfde bepaling is van toepassing voor geneeskundige verstrekkingen, diensten, goederen en bijkomende kosten welke door de verplegings- en verzorgingsinstelling of door derden werden geleverd of gefaktureerd.

  Art. 2277ter. <Ingevoegd bij W 2007-04-25/38, art. 216; Inwerkingtreding : 18-05-2007> § 1. Rechtsvorderingen ingesteld door publieke overheden tot vergoeding van de kosten voor maatregelen tot voorkoming en tot het herstel van milieuschade verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag waarop de maatregelen geheel zijn voltooid of waarop de aansprakelijke persoon is geïdentificeerd, indien die laatstgenoemde datum later is.
  De in het eerste lid vermelde rechtsvorderingen verjaren in ieder geval door verloop van dertig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit dat tot milieuschade heeft geleid, heeft plaatsgevonden.
  § 2. Milieuschade ten gevolge van nucleaire activiteiten of ten gevolge van activiteiten die hoofdzakelijk de landsverdediging of de internationale veiligheid dienen, alsook milieuschade ten gevolge van oorlogshandelingen, vijandelijkheden, burgeroorlog, oproer of milieuschade ten gevolge van een natuurverschijnsel dat uitzonderlijk, onontkoombaar en onafwendbaar is, of milieuschade ten gevolge van activiteiten die uitsluitend tot doel hebben bescherming te bieden tegen natuurrampen, valt niet onder het toepassingsgebied van dit artikel.

  Art. 2278.De verjaringen waarover in de artikelen van deze afdeling gehandeld wordt, lopen tegen minderjaringen en [1 personen beschermd krachtens artikel 492/1]1; behoudens hun verhaal op hun [1 voogd of bewindvoerder ]1.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 146, 013; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 2279. Met betrekking tot roerende goederen geldt het bezit als titel.
  Niettemin kan jij die een zaak verloren heeft of aan wie een zaak ontstolen is, gedurende drie jaren, te rekenen van de dag waarop het verlies of de diefstal heeft plaatsgehad, de zaak terugvorderen van degenen in wiens handen hij ze vindt; behoudens het verhaal van de laatstgenoemde op degene van wie hij ze bekomen heeft.
  (Die recht van terugvordering geldt evenwel niet voor blijetten van de Nationale Bank van België, noch voor biljetten uitgegeven krachtens de wet van 12 juni 1930, wanneer de bezitter te goeder trouw is.) <W 22-06-1953, art. 1>.

  Art. 2280. Indien de tegenwoordige bezitter van de gestolen of verloren zaak deze gekocht heeft op een jaarmarkt of op een andere markt, of op een openbare verkoping, of van een koopman die dergelijke zaken verkoopt, kan de oorspronkelijke eigenaar zich de zaak niet doen teruggeven dan mits hij de prijs die zij hem gekost heeft, aan de bezitter terugbetaalt.

  TITEL XXI. - (KENNISGEVING). <W 2001-10-20/40, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

  Art. 2281. <W 2000-10-20/40, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Wanneer een kennisgeving schriftelijk dient te gebeuren om door de kennisgever te kunnen worden aangevoerd, wordt ook een kennisgeving per telegram, telex, telefax, elektronische post of enig ander telecommunicatiemiddel dat resulteert in een schriftelijk stuk aan de zijde van de geadresseerde, als een schriftelijke kennisgeving beschouwd. Hetzelfde geldt wanneer de kennisgeving slechts daarom niet in een schriftelijk stuk resulteert aan de zijde van de geadresseerde omdat deze een andere wijze van ontvangst hanteert.
  De kennisgeving gaat in bij ontvangst ervan in de vormen genoemd in het eerste lid.
  Ontbreekt een handtekening in de zin van artikel 1322, dan kan de geadresseerde de kennisgever zonder onnodig uitstel verzoeken om een origineel ondertekend exemplaar na te zenden. Doet hij dit niet zonder onnodig uitstel, of gaat de kennisgever zonder onnodig uitstel op dit verzoek in, dan kan de geadresseerde het ontbreken van een handtekening niet aanvoeren.

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-12-2017 GEPUBL. OP 28-12-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 2043quinquies)
  • BEELD
  • WET VAN 06-07-2017 GEPUBL. OP 24-07-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 2277)
    (GEWIJZIGD ART. : 2244)
  • BEELD
  • WET VAN 11-07-2013 GEPUBL. OP 02-08-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 2071-2072; 2073-2084; 2085-2091)
  • BEELD
  • WET VAN 23-05-2013 GEPUBL. OP 01-07-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 2244)
  • BEELD
  • WET VAN 17-03-2013 GEPUBL. OP 14-06-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 2045; 2252; 2278)
  • BEELD
  • WET VAN 16-07-2012 GEPUBL. OP 03-08-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 2247)
  • BEELD
  • WET VAN 25-07-2008 GEPUBL. OP 22-08-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 2244)
  • BEELD
  • WET VAN 03-06-2007 GEPUBL. OP 27-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 2023; 2043BIS-2043OCTIES)
  • BEELD
  • WET VAN 25-04-2007 GEPUBL. OP 08-05-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 2277TER)
  • BEELD
  • WET VAN 29-04-2001 GEPUBL. OP 31-05-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 2045)
  • BEELD
  • WET VAN 20-10-2000 GEPUBL. OP 22-12-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 2281)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 2074)
  • BEELD
  • WET VAN 04-05-1999 GEPUBL. OP 01-10-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 2276QUINQUIES)
  • 1999009526; 1999-05-29
  • WET VAN 18-03-1999 GEPUBL. OP 29-05-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 2071)
  • BEELD
  • WET VAN 05-07-1998 GEPUBL. OP 31-07-1998
    (GEWIJZIGD ART. : 2276QUATER)
  • BEELD
  • WET VAN 10-06-1998 GEPUBL. OP 17-07-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 2262; 2262BIS; 2263)
  • 1997003061; 1997-02-14
  • WET VAN 12-12-1996 GEPUBL. OP 14-02-1997
    (GEWIJZIGD ART. : 2075)
  • WET VAN 06-07-1994 GEPUBL. OP 15-07-1994
    (GEWIJZIGD ART. : 2075)
  • WET VAN 06-08-1993 GEPUBL. OP 09-08-1993
    (GEWIJZIGDE ART. : 2272; 2277BIS)
  • WET VAN 10-12-1990 GEPUBL. OP 22-12-1990
    (GEWIJZIGD ART. : 2074)
  • WET VAN 19-02-1990 GEPUBL. OP 30-05-1990
    (GEWIJZIGD ART. : 2276TER)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 15 gearchiveerde versies
    Franstalige versie