J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 5 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2017/03/05/2017010991/justel

Titel
5 MAART 2017. - Koninklijk besluit betreffende de vergoeding verschuldigd aan uitgevers voor de reproductie op papier of op een soortgelijke drager van hun uitgaven op papier
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-03-2017 en tekstbijwerking tot 17-01-2018)

Bron : ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 10-03-2017 nummer :   2017010991 bladzijde : 35039       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2017-03-05/02
Inwerkingtreding : 10-03-2017

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Definities
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Bedragen van de vergoeding van de uitgevers
Art. 2
HOOFDSTUK 3. - Nadere regels voor de inning van de vergoeding van de uitgevers
Afdeling 1. - Moment waarop de vergoeding van de uitgevers verschuldigd is
Art. 3
Afdeling 2. - Aangifte van het aantal gemaakte reproducties
Onderafdeling 1. - Algemene aangifte
Art. 4
Onderafdeling 2. - Gestandaardiseerde aangifte
Art. 5-6
Onderafdeling 3. - Adviesprocedure
Art. 7
Onderafdeling 4. - Termijn en aangifteformulier
Art. 8-9
Afdeling 3. - Kennisgeving van het bedrag van de vergoeding
Art. 10
HOOFDSTUK 4. - Nadere regels voor de controle
Art. 11
HOOFDSTUK 5. - Nadere regels voor de verdeling
Afdeling 1. - Verzoek om gegevens
Art. 12
Afdeling 2. - Goedkeuring van de verdelingsregels
Art. 13
HOOFDSTUK 6. - Administratieve vereenvoudiging
Afdeling 1. - Platform voor online aangifte
Art. 14
Afdeling 2. - Aangifte en betaling namens vergoedingsplichtigen
Art. 15
HOOFDSTUK 7. - Studie betreffende de reprografie
Art. 16
HOOFDSTUK 8. - Raadpleging van de betrokken milieus
Art. 17
HOOFDSTUK 9. - Procedure van goedkeuring door de Minister
Art. 18
HOOFDSTUK 10. - Slotbepalingen
Art. 19-20

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Definities

  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder :
  1° vergoeding van de uitgevers : het recht op vergoeding bepaald in artikel XI.318/1 van het Wetboek van economisch recht;
  2° de uitgaven : de uitgaven op papier bepaald in artikel 318/1 van het Wetboek van economisch recht;
  3° vergoedingsplichtige : de persoon die overeenkomstig artikel XI.318/2 van het Wetboek van economisch recht de vergoeding voor uitgevers moet betalen;
  4° gebruikt apparaat : het apparaat waarmee de vergoedingsplichtigen reproducties in de zin van artikel XI.318/1 van het Wetboek van economisch recht vervaardigen of dat zij kosteloos of onder bezwarende titel ter beschikking stellen van anderen;
  5° instelling voor openbare uitlening : de voor het publiek toegankelijke instellingen voor de uitlening van uitgaven of voor de terbeschikkingstelling van exemplaren van uitgaven met het oog op de raadpleging ervan ter plaatse, die daartoe door de overheid zijn erkend of opgericht, met uitzondering van de instellingen waar de uitgaven enkel mogen worden gereproduceerd binnen de voorwaarden bedoeld in artikel XI.191/1, 3° van het Wetboek van economisch recht;
  6° documentatiecentrum : de gestructureerde samenvoeging, door een vergoedingsplichtige, van uitgaven met het oog op de aanwending ervan door verscheidene personen;
  7° beheersvennootschap : de vennootschap die in uitvoering van artikel XI.318/3, vierde lid van het Wetboek van economisch recht, belast is met de inning en de verdeling van de vergoeding van de uitgevers;
  8° Minister : de Minister tot wiens bevoegdheid het auteursrecht behoort;
  9° de controledienst : de controledienst bedoeld in artikel XI.279 van het Wetboek van economisch recht.

  HOOFDSTUK 2. - Bedragen van de vergoeding van de uitgevers

  Art. 2. Het bedrag van de vergoeding van de uitgevers wordt vastgesteld op 0,0277 euro per reproductie van een uitgave.
  Wanneer de debiteur de aangifte niet binnen de op grond van artikel 8 gestelde termijn heeft bezorgd of wanneer hij onvolledige of duidelijk onjuiste informatie doorgeeft in strijd met de artikelen 4 of 5, wordt het in het vorige lid bepaalde bedrag, bij wijze van schadeloosstelling, verhoogd met forfaitaire kosten om de kosten voor de vaststelling en inning van de vergoeding van de uitgevers te dekken en wordt het bijgevolg vastgesteld op 0,0423 euro per reproductie van een uitgave.

  HOOFDSTUK 3. - Nadere regels voor de inning van de vergoeding van de uitgevers

  Afdeling 1. - Moment waarop de vergoeding van de uitgevers verschuldigd is

  Art. 3. De vergoeding van de uitgevers is verschuldigd op het tijdstip waarop de reproductie van de uitgave wordt gemaakt.

  Afdeling 2. - Aangifte van het aantal gemaakte reproducties

  Onderafdeling 1. - Algemene aangifte

  Art. 4. § 1.De vergoedingsplichtige doet aan de hand van het in artikel 9 bedoelde formulier op volledige en nauwkeurige wijze bij de beheersvennootschap aangifte van :
  1° de gegevens op grond waarvan hij kan worden geïdentificeerd;
  2° het aantal instellingen waarvoor hij een aangifte indient, alsook het adres en nadere gegevens betreffende die instellingen;
  3° het aantal personen dat aan de hand van de gebruikte apparaten regelmatig reproducties van uitgaven heeft kunnen maken of laten maken; met dien verstande dat wanneer deze personen door de vergoedingsplichtige worden tewerkgesteld ze als voltijdse equivalenten moeten worden geteld;
  4° het aantal reproducties dat aan de hand van die apparaten is gemaakt;
  5° een raming van het aantal reproducties van uitgaven dat aan de hand van die apparaten is gemaakt;
  6° het eventuele bestaan van een of meer documentatiecentra;
  7° het eventueel opstellen van een persoverzicht op papier of op een soortgelijke drager, gemaakt op basis van uitgaven op papier;
  8° de identiteit van de persoon belast met de betrekkingen met de beheersvennootschap, alsmede zijn contactgegevens, inclusief een e-mailadres indien hij hierover beschikt.
  § 2. De vergoedingsplichtige en de beheersvennootschap mogen in onderling akkoord de wijze overeenkomen waarop het volume van de reproducties van uitgaven op een efficiënte wijze zal vastgesteld worden.

  Onderafdeling 2. - Gestandaardiseerde aangifte

  Art. 5. § 1. De vergoedingsplichtige kan kiezen om op gestandaardiseerde wijze het aantal gemaakte reproducties van uitgaven aan te geven als hij zijn aangifte betreffende de beschouwde periode aan de beheersvennootschap bezorgt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4, 1°, 2° en 8°, 8 en 9.
  § 2. De vergoedingsplichtige die voor de gestandaardiseerde aangifte kiest bij toepassing van paragraaf 1, doet, aan de hand van het in artikel 9 beoogde formulier, volledig en nauwkeurig voor iedere instelling aangifte bij de beheersvennootschap van de gegevens bedoeld in 1°, 2° en 8° van artikel 4 en bevestigt daarnaast ook dat hij voldoet aan de criteria bepaald in het gestandaardiseerde rooster bedoeld in artikel 6 waarop hij zich beroept.

  Art. 6. § 1. De gestandaardiseerde roosters aan de hand waarvan het aantal reproducties van uitgaven wordt vastgesteld, worden door de beheersvennootschap uitgewerkt.
  § 2. De gestandaardiseerde roosters bedoeld in artikel 5 worden uitgewerkt op grond van de volgende criteria :
  1° de activiteitensector van de vergoedingsplichtige, geïdentificeerd aan de hand van de activiteitennomenclatuur NACE-BEL;
  2° het aantal personen dat regelmatig reproducties van uitgaven kan maken of kan laten maken aan de hand van de gebruikte apparaten met dien verstande dat wanneer deze personen door de vergoedingsplichtige zijn tewerkgesteld, zij als voltijdse equivalenten moeten worden geteld;
  3° het aantal en de aard van de gebruikte apparaten;
  4° het aantal en de aard van de gebruikte apparaten dat aan anderen ter beschikking wordt gesteld in het raam van een commerciële of winstgevende activiteit als hoofd- of nevenactiviteit;
  5° het al dan niet bestaan van een of meer documentatiecentra;
  6° het eventueel opstellen van een persoverzicht op papier of op een soortgelijke drager, op basis van uitgaven op papier;
  7° het al dan niet gespecialiseerde karakter van de openbare uitleeninstelling.
  § 3. De roosters worden door de Minister overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9 goedgekeurd na raadpleging van de Adviescommissie voor de betrokken milieus bedoeld in artikel 17 indien zij een raming geven van de hoeveelheid reproducties van uitgaven die tijdens de beschouwde periode zijn gemaakt, wordt vastgesteld op grond van de criteria omschreven in paragraaf 2 en indien de raming van dat aantal op objectieve en redelijke wijze wordt aangetoond.
  Indien een rooster niet wordt goedgekeurd, is artikel 4 toepasselijk op de categorie vergoedingsplichtigen.

  Onderafdeling 3. - Adviesprocedure

  Art. 7. § 1 Indien de vergoedingsplichtige en de beheersvennootschap het aantal reproducties van uitgaven gemaakt tijdens de beschouwde periode niet in onderling overleg ramen, kan de vennootschap vragen dat een advies wordt uitgebracht omtrent de raming van het aantal reproducties van uitgaven dat tijdens de beschouwde periode is gemaakt.
  De beheersvennootschap brengt het verzoek om advies ter kennis van de vergoedingsplichtige binnen 220 werkdagen na de datum waarop die vennootschap de aangifte van de vergoedingsplichtige heeft ontvangen.
  Het advies wordt uitgebracht door één of meerdere deskundige(n), aangewezen als volgt :
  1° hetzij in onderling overleg door de vergoedingsplichtige en de beheersvennootschap;
  2° hetzij door de beheersvennootschap.
  Met toepassing van het derde lid, 2° kan de beheersvennootschap slechts een of meerdere door de Minister erkende deskundige(n) aanwijzen.
  Het advies wordt uitgebracht uiterlijk drie maanden na de datum waarop de aangewezen deskundige(n) het verzoek om advies ontvangen.
  § 2. Wanneer de deskundige(n) word(en)t aangewezen in onderling overleg door de vergoedingsplichtige en de beheersvennootschap worden de kosten van het deskundigenonderzoek in onderling overleg gedeeld tussen de partijen.
  Wanneer de deskundige(n) uitsluitend word(en)t aangewezen door de beheersvennootschap overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 2°, kan deze de kosten van het deskundigenonderzoek van de vergoedingsplichtige terugvorderen voor zover voldaan wordt aan alle hierna vermelde voorwaarden :
  1° - de vergoedingsplichtige heeft de gegevens die de beheersvennootschap overeenkomstig artikel 11 gevraagd heeft, niet vooraf verstrekt aan die beheersvennootschap, of;
  - de vergoedingsplichtige heeft aan de beheersvennootschap, naar aanleiding van een vraag om inlichtingen overeenkomstig artikel 12, klaarblijkelijk onvolledige of onjuiste gegevens verstrekt;
  2° de beheersvennootschap heeft in haar verzoek om gegevens, bedoeld in artikel 12, de vergoedingsplichtige duidelijk ingelicht over het feit dat zij in de onder 1° vermelde gevallen de kosten van het door de beheersvennootschap gevraagde onafhankelijke deskundigenonderzoek kan terugvorderen, en anderzijds over een redelijke raming van het maximumbedrag van de kosten van het deskundigenonderzoek die zouden kunnen worden teruggevorderd, gebaseerd op de informatie waarover zij beschikt over de vergoedingsplichtige en over de door de Minister erkende deskundigen bedoeld in paragraaf 1;
  3° de kosten van het deskundigenonderzoek worden objectief gerechtvaardigd;
  4° de kosten van het deskundigenonderzoek zijn redelijk in verhouding tot het aantal reproducties van uitgaven dat de beheersvennootschap redelijkerwijs kon vermoeden, tenzij dat de vergoedingsplichtige te kwader trouw heeft gehandeld om zich aan zijn vergoedingsplicht te onttrekken.
  De Minister kan na raadpleging van de Adviescommissie voor de betrokken milieus bedoeld in artikel 17, één of meer bedragen van kosten van deskundigenonderzoek vaststellen die ambtshalve als redelijk worden beschouwd in de zin van 4°.
  § 3. Kunnen slechts door de Minister worden erkend, de personen die aan de volgende voorwaarden voldoen :
  - de hoedanigheid hebben van accountant of van een gelijkwaardige hoedanigheid in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
  - zich niet in omstandigheden bevinden waardoor hun onafhankelijkheid en hun onpartijdigheid ten opzichte van de beheersvennootschappen, zoals bedoeld in artikel XI.318, vierde lid, van het Wetboek van economisch recht, of ten opzichte van een andere beheersvennootschap die op welke manier ook verbonden is met de eerste, in het gedrang zou kunnen komen.
  De Minister kan de erkenning intrekken wanneer aan de voorwaarden bepaald in het eerste lid niet meer is voldaan.

  Onderafdeling 4. - Termijn en aangifteformulier

  Art. 8. § 1. De vergoedingsplichtigen bezorgen voor elk kalenderjaar een jaarlijkse aangifte aan de beheersvennootschap binnen dertig werkdagen te rekenen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop de aangifte betrekking heeft.
  § 2. Indien blijkt dat de in paragraaf 1 bepaalde termijn kennelijk ontoereikend is om de aangifte te bezorgen, staat de beheersvennootschap op een met redenen omkleed verzoek van de vergoedingsplichtige, ingediend binnen de termijn gesteld in paragraaf 1 een langere termijn toe, die evenwel 90 werkdagen niet te boven mag gaan.
  § 3 De beheersvennootschap en de vergoedingsplichtige kunnen in onderling overleg overeenkomen dat de periode waarop de aangifte betrekking heeft, langer of korter is dan die bepaald in paragraaf 1.
  In dat geval hebben de aangifte en het bedrag van de vergoeding van de uitgevers betrekking op de in onderling overleg overeengekomen periode.

  Art. 9. § 1. Het aangifteformulier kan verschillen naar gelang van de hoedanigheid van de vergoedingsplichtige maar bevat ten minste de volgende gegevens :
  1° de periode waarop de aangifte betrekking heeft;
  2° de termijn binnen welke de aangifte aan de beheersvennootschap moet worden bezorgd;
  3° de gegevens waarvan overeenkomstig artikelen 4 en 5 aangifte moet worden gedaan;
  4° de verplichting tot het bewaren van het beroepsgeheim zoals bepaald in artikel XI.281 van het Wetboek van economisch recht;
  5° het verhoogde tarief bedoeld in artikel 2, tweede lid, dat toepasselijk is wanneer de vergoedingsplichtige de aangifte van reproductie van uitgaven niet binnen de in artikel 8 opgelegde termijn bezorgt of wanneer hij onvolledige of kennelijk onjuiste informatie aangeeft in strijd met de artikelen 4 of 5.
  De Minister kan in bijkomende vermeldingen voorzien ingeval die nodig zijn voor de vaststelling van het bedrag van de vergoeding van de uitgevers of ter informatie van de vergoedingsplichtigen.
  Het aangifteformulier wordt uitgereikt door de beheersvennootschap nadat het door de Minister overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9 is goedgekeurd. Het formulier wordt goedgekeurd indien het de vermeldingen bevat omschreven in het eerste lid of waarin op grond van het tweede lid wordt voorzien.
  § 2. De beheersvennootschap moet ten minste 20 werkdagen vóór het verstrijken van de periode waarop de aangifte betrekking heeft, aan de vergoedingsplichtigen van wie zij de identiteit op behoorlijke wijze heeft kunnen vaststellen, een exemplaar van het aangifteformulier toezenden.
  Bovendien moet de beheersvennootschap aan de vergoedingsplichtigen die daarom verzoeken, de nodige documentatie omtrent de wets- en verordeningsbepalingen inzake de vergoeding van de uitgevers, alsook een aangifteformulier bezorgen.

  Afdeling 3. - Kennisgeving van het bedrag van de vergoeding

  Art. 10. § 1. De beheersvennootschap betekent het bedrag van de vergoeding aan de vergoedingsplichtigen binnen een termijn van twee maanden, vanaf de ontvangst van de aangifte. Deze termijn wordt opgeschort vanaf de kennisgeving van een verzoek om advies bij toepassing van artikel 7 tot de dag dat het advies wordt uitgebracht.
  In de kennisgeving moeten volgende gegevens zijn vermeld :
  1° de periode waarvoor de vergoeding van de uitgevers verschuldigd is;
  2° het bedrag van de vergoeding van de uitgevers dat de vergoedingsplichtige verschuldigd is, alsmede de berekening ervan.

  HOOFDSTUK 4. - Nadere regels voor de controle

  Art. 11. § 1. De vergoedingsplichtigen, moeten aan de beheersvennootschap op haar verzoek de gegevens verstrekken die nodig zijn voor de inning van de vergoeding van de uitgevers.
  § 2. De beheersvennootschap moet in dat verzoek opgave doen van :
  1° de rechtsgronden van het verzoek;
  2° de gevraagde gegevens;
  3° de redenen en het doel van het verzoek;
  4° de termijn binnen welke de gegevens moeten worden medegedeeld en die niet minder dan twintig werkdagen mag bedragen te rekenen van de ontvangst van het verzoek;
  5° de sancties bepaald op grond van artikel XI.293, lid 4, van het Wetboek van economisch recht ingeval de opgelegde termijn niet in acht wordt genomen of onvolledige of onjuiste gegevens worden verstrekt.
  § 3. Wanneer de vergoedingsplichtige de toegekende termijn niet in acht neemt of onvolledige of kennelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt, kan de beheersvennootschap de nodige inlichtingen voor het innen van de vergoeding voor reprografie vragen aan de volgende personen :
  - de fabrikant, invoerder of intracommunautaire aankoper van gebruikte apparaten;
  - dealers, groothandelaars of kleinhandelaars, leasingbedrijven en bedrijven voor onderhoud van gebruikte apparaten.
  Een kopie van het verzoek om inlichtingen bedoeld in het eerste lid wordt zo snel mogelijk naar de controledienst verstuurd.
  § 4. De gegevens verkregen als antwoord op een verzoek mogen niet voor andere doeleinden of om andere redenen worden aangewend dan die omschreven in het verzoek.
  De bestemmeling van de gegevens kan op grond van het verzoek om gegevens niet worden verplicht te bekennen dat hij de wet heeft overtreden of daarbij betrokken is geweest.
  Het verzoek om gegevens wordt geformuleerd door middel van een formulier dat door de beheersvennootschap wordt afgeleverd en erkend is door de Minister overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9.
  Het verzoek om gegevens wordt aan de vergoedingsplichtigen of aan de personen bedoeld in paragraaf 3 betekend via een aangetekende zending met ontvangstbewijs. Tegelijkertijd wordt een kopie ervan toegezonden aan de Minister.
  De Minister kan de inhoud, het aantal en de frequentie van de verzoeken op zodanige wijze bepalen dat zij de activiteiten van de ondervraagde personen niet meer dan nodig hinderen.

  HOOFDSTUK 5. - Nadere regels voor de verdeling

  Afdeling 1. - Verzoek om gegevens

  Art. 12. § 1. De vergoedingsplichtigen moeten aan de beheersvennootschap op haar verzoek de gegevens betreffende de gereproduceerde uitgaven verstrekken die nodig zijn voor de verdeling van de vergoeding van de uitgevers.
  § 2. De beheersvennootschap moet in het verzoek opgave doen van :
  1° de rechtsgronden van het verzoek;
  2° de gevraagde gegevens;
  3° de redenen en het doel van het verzoek;
  4° de periode tijdens welke de gegevens betreffende de gereproduceerde uitgaven moeten worden ingewonnen en die niet meer dan vijftien werkdagen per kalenderjaar mag bedragen;
  5° de termijn binnen welke de gevraagde gegevens moeten worden medegedeeld en die niet minder dan dertig werkdagen mag bedragen te rekenen van de ontvangst van het verzoek.
  § 3. De vergoedingsplichtigen kunnen op grond van het verzoek om gegevens niet worden verplicht te bekennen dat zij de wet hebben overtreden of daarbij betrokken zijn geweest.
  Het verzoek om gegevens wordt geformuleerd door middel van een formulier dat door de beheersvennootschap wordt afgeleverd en erkend is door de Minister overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9.
  Het verzoek om gegevens wordt aan de vergoedingsplichtigen betekend bij een aangetekende zending met ontvangbewijs. Tegelijkertijd wordt een kopie ervan betekend aan de Minister.
  § 4. Indien de vergoedingsplichtige ermee instemt dat de beheersvennootschap ter plaatse gedurende een of meer periodes die in totaal vijftien werkdagen per kalenderjaar niet te boven mogen gaan, een lijst opmaakt van de uitgaven die worden gereproduceerd aan de hand van de door hem gebruikte apparaten, moet hij de gegevens betreffende de gereproduceerde uitgaven die nodig zijn voor de verdeling van de vergoeding van de uitgevers, niet mededelen.
  Ingeval de vergoedingsplichtige zijn toestemming geeft op de wijze omschreven in het eerste lid, kan de beheersvennootschap niet weigeren een lijst op te maken van de uitgaven die worden gereproduceerd aan de hand van de apparaten gebruikt door de vergoedingsplichtige. De beheersvennootschap kan beslissen die lijst ter plaatse op te maken gedurende een periode korter dan vijftien werkdagen per kalenderjaar.
  § 5. De gegevens verkregen als antwoord op een verzoek of ingevolge een ter plaatse opgemaakte lijst mogen niet voor andere doeleinden of om andere redenen worden aangewend dan voor de verdeling van de vergoeding van de uitgevers.
  De Minister kan de inhoud, het aantal en de frequentie van de verzoeken om gegevens, alsook de manier waarop de lijst van uitgaven bedoeld in paragraaf 4 ter plaatse wordt opgemaakt, op zodanige wijze bepalen dat de activiteiten van de vergoedingsplichtigen niet meer dan nodig worden gehinderd.

  Afdeling 2. - Goedkeuring van de verdelingsregels

  Art. 13. De verdelingsregels inzake de vergoeding van de uitgevers die de beheersvennootschap vaststelt, alsook elke wijziging die zij daarin aanbrengt, moeten door de Minister overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9 worden goedgekeurd.
  De in het eerste lid bedoelde verdelingsregels en de wijzigingen ervan worden goedgekeurd indien zij in overeenstemming zijn met titel 5 van Boek XI van het Wetboek van Economisch Recht.
  De Minister kan de goedkeuring intrekken wanneer niet meer is voldaan aan de voorwaarden gesteld voor de toekenning ervan.

  HOOFDSTUK 6. - Administratieve vereenvoudiging

  Afdeling 1. - Platform voor online aangifte

  Art. 14. § 1. De beheersvennootschap richt een platform op en zorgt voor het beheer ervan, waarbij de vergoedingsplichtigen die dat wensen :
  1° hun verplichtingen op grond van de artikelen 4, 5 en 8, § 1 kunnen nakomen, de factuur van de verschuldigde vergoeding kunnen krijgen en deze kunnen betalen;
  2° met de beheersvennootschap specifieke termijnen en periodes van aangifte kunnen afspreken overeenkomstig artikel 8, § 2 en § 3;
  3° en aan de beheersvennootschap verzoeken kunnen richten op grond van artikel 9, § 2, tweede lid.
  Er kunnen de vergoedingsplichtige geen kosten worden aangerekend omdat hij er niet voor kiest om zijn verbintenissen via het platform na te komen.
  Wanneer een vergoedingsplichtige het platform wenst te gebruiken als bedoeld in het eerste lid, kan de beheersvennootschap haar verplichtingen jegens hem op grond van de artikelen 9, § 2, en 10 nakomen via dit platform, voor zover de vergoedingsplichtige daartoe niet op eigen initiatief het platform moet raadplegen.
  § 2. De beheersvennootschap kan met de personen bedoeld in artikel 11, §§ 1 en 3, die dat wensen, en volgens de voorwaarden bepaald in dat artikel, de verzoeken om en mededelingen van gegevens bedoeld in artikel 11 organiseren via het platform bedoeld in paragraaf 1.
  Ze kan ook, met de vergoedingsplichtigen die dat wensen, de verzoeken om en mededelingen van gegevens bedoeld in artikel 12, en volgens de voorwaarden bepaald in artikel 12, organiseren via het platform bedoeld in paragraaf 1.
  § 3. Het platform bedoeld in paragraaf 1 bestaat in een dienst die voldoet aan de volgende voorwaarden :
  1° hij wordt gratis van op afstand, via elektronische weg verstrekt;
  2° hij is permanent toegankelijk voor de vergoedingsplichtigen;
  3° hij is gebruiksvriendelijk;
  4° hij geeft ontvangstbevestiging van de door de vergoedingsplichtige meegedeelde gegevens;
  5° hij omvat technische maatregelen waarbij de identiteit van de vergoedingsplichtige, de integriteit van de meegedeelde gegevens en het moment waarop deze worden meegedeeld kunnen worden gewaarborgd.
  De Minister kan na raadpleging van de Adviescommissie voor de betrokken milieus bedoeld in artikel 17, beslissen welke technische maatregelen moeten worden genomen op grond van het eerste lid, 5°.
  § 4. De beheersvennootschap is verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens uitgevoerd in het raam van het platform bedoeld in paragraaf 1, in de zin van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

  Afdeling 2. - Aangifte en betaling namens vergoedingsplichtigen

  Art. 15. Rechtspersonen mogen de verplichtingen tot aangifte van de vergoeding voor uitgevers, zoals voorzien in hoofdstuk 3, nakomen en deze vergoeding betalen, namens vergoedingsplichtigen waarmee deze rechtspersonen een juridische of feitelijke band hebben.

  HOOFDSTUK 7. - Studie betreffende de reprografie

  Art. 16. § 1. Om de zes jaar laat de beheersvennootschap een studie verrichten door een onafhankelijke organisatie, betreffende het reproduceren van uitgaven onder de voorwaarden bedoeld in artikel XI.318/1 van het Wetboek van economisch recht.
  § 2. Door middel van deze studie moet inzonderheid het volgende worden vastgesteld :
  1° een schatting van de schade die aan de uitgevers werd berokkend door de reproductie van uitgaven binnen de voorwaarden beoogd in artikel XI.318/1 van het Wetboek van economisch recht;
  2° het aantal gemaakte reproducties en de verdeling ervan per activiteitensector;
  3° het aantal gemaakte reproducties van uitgaven en de verdeling ervan per activiteitensector;
  4° de verdeling van het aantal reproducties van uitgaven op grond van de verschillende categorieën van uitgaven;
  § 3. Met het oog op deze studie wordt een begeleidingscomité opgericht. Het heeft als opdracht te beslissen over :
  1° de eventuele fasering van de studie naargelang van de activiteitensectoren van de vergoedingsplichtigen en het eventueel opstellen daartoe van verschillende openbare aanbestedingen;
  2° het ontwerp van bestek dat werd opgesteld met het oog op de openbare aanbesteding;
  3° de aanbiedingen die de beheersvennootschap als antwoord op de openbare aanbesteding ontvangen heeft;
  4° de verdere uitvoering van de studie.
  Een kopie van de beslissingen van het begeleidingscomité wordt overgemaakt aan de Controledienst.
  Het begeleidingscomité is samengesteld uit vier vertegenwoordigers van beheersvennootschappen die op grond van artikel XI.259 van het Wetboek een vergunning hebben om de vergoeding van de uitgevers te innen en te verdelen, leden van de Commissie bedoeld in artikel 17, uit vier personen aangeduid door de organisaties die de vergoedingsplichtigen vertegenwoordigen, leden van de Commissie bedoeld in artikel 17, en een vertegenwoordiger van de Minister.
  Het begeleidingscomité beslist bij gewone meerderheid. Bij staking van stemmen is de stem van de vertegenwoordiger van de Minister doorslaggevend.
  § 4. De vergoedingsplichtigen en de personen bedoeld in artikel 11, § 3, moeten aan de onafhankelijke organisatie op verzoek de gegevens verstrekken die nodig zijn om de studie betreffende de vergoeding van de uitgevers te verrichten.
  De beheersvennootschap, de onafhankelijke organisatie en de personen bedoeld in artikel 11, § 3, kunnen in onderlinge overeenstemming de verzoeken om en mededelingen van inlichtingen bedoeld in het vorige lid plannen, via het in artikel 14 bedoelde platform.
  § 5. De onafhankelijke organisatie moet in dat verzoek opgave doen van :
  1° de rechtsgronden van het verzoek;
  2° de gevraagde gegevens;
  3° de redenen en het doel van het verzoek;
  4° de termijn binnen welke de gegevens moeten worden medegedeeld en die niet minder dan twintig werkdagen mag bedragen, te rekenen van de ontvangst van het verzoek.
  § 6. De gegevens verkregen als antwoord op een verzoek mogen niet voor andere doeleinden of om andere redenen worden aangewend dan die omschreven in het verzoek.
  De bestemmeling van het verzoek om gegevens kan op grond van dit verzoek niet worden verplicht te bekennen dat hij de wet heeft overtreden of daarbij betrokken is geweest.
  Het verzoek om gegevens wordt aan de vergoedingsplichtigen betekend bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs. Tegelijkertijd wordt een kopie ervan betekend aan de Minister.
  De Minister kan de inhoud, het aantal en de frequentie van de verzoeken op zodanige wijze bepalen dat zij de activiteiten van de ondervraagde personen niet meer dan nodig hinderen.

  HOOFDSTUK 8. - Raadpleging van de betrokken milieus

  Art. 17. § 1. Bij de FOD Economie wordt een Adviescommissie van de betrokken milieus ingesteld.
  § 2. De Commissie wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Minister en bestaat daarnaast uit personen aangewezen door de beheersvennootschap, alsmede door organisaties die de vergoedingsplichtigen vertegenwoordigen.
  De organisaties die de leden van de Commissie moeten aanwijzen, alsook het aantal personen dat de beheersvennootschap en iedere organisatie kunnen aanwijzen, worden door de Minister vastgesteld. Om door de Minister te worden vastgesteld, moeten de organisaties representatief zijn voor degenen die de vergoeding voor uitgevers verschuldigd zijn.
  § 3. Op verzoek van de Minister of op eigen initiatief, indien de personen aangewezen door de beheersvennootschap of ten minste een vierde van de leden van de Commissie daarom verzoeken, brengt de commissie advies uit, inzake de bedragen van de vergoeding van de uitgevers, over de wijze waarop die vergoeding wordt geïnd en toezicht ter zake wordt uitgeoefend, alsook betreffende het verzoek om gegevens nodig voor de verdeling van deze vergoeding.
  De Commissie neemt haar adviezen consensueel aan. Bij gebreke van consensus worden de verschillende standpunten in het advies vermeld.
  § 4. De voorzitter van de Commissie roept de commissie samen en stelt de agenda vast.
  De Commissie stelt haar huishoudelijk reglement vast onder goedkeuring van de Minister.

  HOOFDSTUK 9. - Procedure van goedkeuring door de Minister

  Art. 18. § 1. De in de artikelen 6, 9, en 11 tot 13 en 16 bedoelde verzoeken om goedkeuring moeten aan de Minister worden gericht bij een aangetekende zending met ontvangbewijs.
  § 2. Bij de aanvraag moeten de stukken worden gevoegd waarvoor om goedkeuring wordt verzocht.
  Met betrekking tot de goedkeuring van de verdelingsregels moeten bij de aanvraag bovendien de volgende stukken worden gevoegd :
  1° een afschrift van de verdelingsregels waarvoor om goedkeuring wordt verzocht;
  2° een verklaring waarin de naam en de woonplaats van de natuurlijke personen, alsook de naam, de zetel en het doel van de rechtspersonen zijn vermeld, die het beheer van hun rechten inzake de vergoeding van de uitgevers rechtstreeks aan de beheersvennootschap hebben toevertrouwd;
  3° een afschrift van de contracten gesloten met in het buitenland gevestigde beheersvennootschappen, op grond waarvan de beheersvennootschap voor rekening van die buitenlandse vennootschappen de vergoedingen van de uitgevers in België int.
  § 3. De beheersvennootschap moet alle aanvullende inlichtingen verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling van haar aanvraag.
  § 4. Ingeval de Minister beschikt over gegevens die bij het verzoek om goedkeuring moeten worden gevoegd, moet hij de beheersvennootschap daarvan in kennis stellen bij ter post aangetekende zending met ontvangbewijs.
  De beslissing houdende goedkeuring of weigering ervan moet worden betekend binnen zes maanden te rekenen van de aangetekende zending bedoeld in het eerste lid.
  § 5. Wanneer de Minister voornemens is de goedkeuring te weigeren of in te trekken, geeft hij hiervan bij een aangetekende zending met ontvangbewijs kennis aan de beheersvennootschap. In deze kennisgeving moeten de redenen voor de weigering of de intrekking van de goedkeuring zijn vermeld.
  De beheersvennootschap beschikt over een termijn van een maand te rekenen van de kennisgeving bedoeld in het vorige lid om door middel van een ter post aangetekende zending met ontvangbewijs bij de Minister beroep aan te tekenen tegen de beslissing en op haar verzoek door de Minister of door de persoon die deze laatste daartoe aanwijst, te worden gehoord.
  § 6. De goedkeuring, alsook de weigering en de intrekking ervan worden aan de betrokken beheersvennootschap ter kennis gebracht bij een aangetekende zending met ontvangbewijs.

  HOOFDSTUK 10. - Slotbepalingen

  Art. 19.Dit besluit treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 5 maart 2017 betreffende de vergoeding voor reprografie verschuldigd aan auteurs.
  De tarieven beoogd in artikel 2 gelden van 1 januari 2017 [1 ...]1.
  Voor de reproducties die plaatsvinden in 2017, bezorgen de vergoedingsplichtigen voor het jaar 2017 een aangifte aan de beheersvennootschap die een periode omvat die loopt van de 1 januari tot 31 december 2017. Deze aangifte geschiedt binnen dertig werkdagen te rekenen vanaf 1 januari 2018.
  ----------
  (1)<KB 2018-01-09/04, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 17-01-2018>

  Art. 20. De minister bevoegd voor het auteursrecht is belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 5 maart 2017.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Economie,
K. PEETERS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op het Wetboek van economisch recht, artikelen XI.318/3 en XI.318/6, zoals ingevoegd door de wet van 22 december 2016 tot wijziging van sommige bepalingen van het boek XI, van het Wetboek van economisch recht, en artikel XI.253, § 3, ingevoegd door de wet van 19 april 2014 houdende invoeging van boek XI, "Intellectuele eigendom" in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van bepalingen eigen aan boek XI in de boeken I, XV en XVII van hetzelfde Wetboek;
   Gelet op de impactanalyse van de regelgeving uitgevoerd op 10 november 2016 overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 16 november 2016;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 21 november 2016;
   Gelet op het advies 60.848/2 van de Raad van State, gegeven op 13 februari 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Overwegende dat bij toepassing van artikel XI.318/3 van het Wetboek van economisch recht, uitgevers een eigen recht op vergoeding hebben voor de reproductie op papier of op een soortgelijke drager van hun uitgaven op papier en dat een toepasbare methode voor het berekenen van deze vergoeding, die haar doeltreffendheid doorheen de jaren al bewezen heeft, bestaat in het vastleggen van een tarief per gereproduceerde pagina van een uitgave op papier;
   Overwegende dat met het oog op administratieve vereenvoudiging en beperking van de kosten voor het innen van de rechten en van de kosten gedragen door de vergoedingsplichtigen, het aangewezen is om de inning van de eigen vergoeding van uitgevers geregeld door dit koninklijk besluit, en de inning van de vergoeding voor reprografie van auteurs geregeld door het koninklijk besluit van 5 maart 2017 betreffende de vergoeding van auteurs voor reprografie uit te voeren via een uniek loket;
   Overwegende dat in geval van onenigheid tussen de beheersvennootschap en de vergoedingsplichtige over het aantal reproducties van beschermde werken, de beheersvennootschap eenzijdig een deskundige kan aanwijzen om ter zake een advies uit te brengen; dat om de onpartijdigheid van dat advies en een reële efficiëntie van dergelijke niet gerechtelijke adviesprocedure te garanderen, de aangewezen deskundige op voorhand door de Minister moet zijn erkend, en dit overeenkomstig de voorwaarden van richtlijn 2006/123 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt; dat met een dergelijke erkenning, waarbij het noodzakelijk is dat wordt geverifieerd of de reglementaire voorwaarden van toepassing op de deskundige vervuld zijn, kan vermeden worden dat gedurende de adviesprocedure een geschil zou ontstaan over de keuze van de deskundige dat moet worden beslecht door de hoven en rechtbanken, en dus het belang van de adviesprocedure wordt gevrijwaard;
   Overwegende dat wat de vergoeding van de uitgevers betreft, door de wetgever een verplicht collectief beheer werd ingevoerd; dat krachtens het artikel XI.252 van het Wetboek van economisch recht de beheersvennootschap de regels vaststelt voor de verdeling van de rechten onder de rechthebbenden; dat krachtens artikel XI.248 van hetzelfde wetboek die beheersvennootschap haar beheer op billijke en niet discriminatoire wijze moet organiseren; dat om een zo goed mogelijke toepassing van die bepalingen te garanderen in het belang van alle belanghebbende partijen, moet worden bepaald dat de verdelingsregels van de beheersvennootschap moeten worden erkend door de Minister, zoals trouwens al voorgeschreven in het koninklijk besluit van 30 oktober 1997; dat die regels zullen worden erkend als ze conform de bepalingen van boek XI, titel 5 van het Wetboek van economisch recht zijn, die betrekking hebben op de verdeling van de rechten en in het bijzonder op de verdeling van de vergoeding van de uitgevers; dat het dus een gebonden bevoegdheid betreft;
   Overwegende dat overeenkomstig artikel XI.318/3 van het Wetboek van economisch recht, de Koning enerzijds de nadere regels bepaalt voor de inning en de verdeling van de vergoeding van de uitgevers; dat tijdens de vergadering van de Adviescommissie reprografie van 10 oktober 2016 de wens werd uitgedrukt om met dit koninklijk besluit de mogelijkheid te omkaderen om een online platform ter beschikking te stellen van de vergoedingsplichtigen voor hun aangifte; dat dit voorstel gunstig onthaald werd; dat ook de wens werd uitgedrukt om de mogelijkheid in te voeren, voor een rechtspersoon, om de verplichtingen uit te voeren wat betreft de aangifte van de vergoeding voor reprografie en de betaling ervan, voor rekening van de vergoedingsplichtigen waarmee die rechtspersoon in rechte of feitelijk verbonden is; dat deze mogelijkheden die de vergoedingsplichtigen worden geboden een aanvulling vormen van de individuele papieren aangifte en op termijn hun beheerskosten en die van de beheersvennootschap kunnen verminderen; dat bijgevolg de betrokken bepalingen van dit besluit, die onderworpen zijn aan de machtiging van de Koning, op grond van het artikel XI.318/3 van het Wetboek van economisch recht, in het belang zijn van alle betrokken partijen en dat deze laatsten werden geraadpleegd via de Adviescommissie reprografie;
   Overwegende dat, in dezelfde doelstelling van administratieve vereenvoudiging en beperking van de kosten, het wenselijk is dat dit besluit in werking treedt op hetzelfde moment dan het koninklijk besluit betreffende de vergoeding voor reprografie verschuldigd aan auteurs;
   Overwegende dat de vergoeding van uitgevers werkt via een systeem van jaarlijkse aangifte en afrekening; dat de betrokken partijen worden ingelicht over de krachtlijnen van de hervorming van de regeling van de vergoeding van de uitgevers, sinds de vergadering van de Raad voor de Intellectuele Eigendom van 6 juli 2016; dat ze bovendien terecht verwachten, zoals werd aangekondigd tijdens de vergadering van de Adviescommissie reprografie van 10 oktober 2016 en in de parlementaire werkzaamheden betreffende de wet van 22 december 2016 (wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen van het boek XI, van het Wetboek van economisch recht, Gedr. St. Kamer, 2016-2017, nr. 54-2122/002, blz. 9), dat de nieuwe tarieven ingang vinden vanaf 1 januari 2017; dat de beheersvennootschap die nu bevoegd is voor de inning en verdeling van de vergoeding voor reprografie overigens al officieel op haar website heeft aangekondigd dat de wetgeving onlangs gewijzigd werd en dat de informatie die op diezelfde site wordt verstrekt in verband met de vergoeding voor reprografie enkel geldt voor de fotokopieën gemaakt voor 1 januari 2017; dat de betrokken partijen zich bijgevolg al te goeder trouw en in vertrouwen hebben kunnen aanpassen; dat het omwille van de rechtszekerheid en om een feitelijke toestand te regulariseren, noodzakelijk is om de referentieperiode voor de reprografie te laten aanvangen op 1 januari 2017; dat deze situatie ook, om redenen van praktische, boekhoudkundige en operationele aard, aangewezen is; dat bijgevolg, om de referentieperiode voor de reprografie te laten aanvangen op 1 januari 2017; dat derhalve voor de reproducties die plaatsvinden in 2017, de vergoedingsplichtigen een aangifte aan de beheersvennootschap moeten bezorgen die een periode omvat die loopt van 1 januari 2017 tot 31 december 2017, welke aangifte geschiedt binnen dertig werkdagen te rekenen vanaf 1 januari 2018;
   Op de voordracht van de Minister van Economie, en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-01-2018 GEPUBL. OP 17-01-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 19)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 5 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie