J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Erratum Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2012/06/19/2012203517/justel

Titel
19 JUNI 2012. - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 17bis van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971

Bron :
SOCIALE ZEKERHEID
Publicatie : 28-06-2012 nummer :   2012203517 bladzijde : 35823       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2012-06-19/03
Inwerkingtreding : 01-04-2012

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-11

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. In het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 maart 2012, wordt een artikel 3bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 3bis. De werknemers bedoeld in artikel 17bis van de gecoördineerde wetten genieten van aanvullende vakantie, op voorwaarde :
  1° dat een activiteit in dienst van een of meerdere werkgevers wordt aangevat of hervat.
  Onder " aanvatten van een activiteit " moet worden verstaan, iedere activiteit van een werknemer die nooit geheel of gedeeltelijk onderworpen is geweest aan de gecoördineerde wetten tijdens het vakantiedienstjaar bedoeld in artikel 3.
  Onder " hervatten van een activiteit " moet worden verstaan, iedere activiteit van een werknemer die, vóór het hervatten van de activiteit, bedoeld was in :
  - artikel 27, 1°, a) van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
  - artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor de dagen arbeidsonderbreking die niet gelijkgesteld zijn met dagen normale werkelijke arbeid;
  - in de gevallen, voorzien in artikel 46, § 1;
  - de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst in artikel 48 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels heeft genomen;
  2° dat ze werkelijke arbeidsprestaties hebben verricht of een met arbeid gelijkgestelde onderbreking hebben gehad tijdens ten minste drie maanden al dan niet doorlopend gedurende eenzelfde kalenderjaar, bij een of meerdere werkgevers. Deze periode wordt " aanloopperiode " genoemd;
  3° dat de vakantiedagen bedoeld in artikel 3 zijn opgebruikt. ".

  Art. 2.Artikel 35, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 5 mei 2004, wordt vervangen als volgt :
  " De wettelijke vakantieduur van een werknemer wordt als volgt bepaald :
  Totaal aantal normale werkelijke arbeidsdagen en gelijkgestelde inactiviteitsdagen
  Aantal wettelijke vakantiedagen (standaard uitgedrukt in dagen in het voltijdse 5 dagen-weekstelsel)
  

  
231 en meer20
van 221 tot 23019
van 212 tot 22018
van 202 tot 21117
van 192 tot 20116
van 182 tot 19115
van 163 tot 18114
van 154 tot 16213
van 144 tot 15312
van 135 tot 14311
van 125 tot 13410
van 106 tot 1249
van 97 tot 1058
van 87 tot 967
van 77 tot 866
van 64 tot 765
van 48 tot 634
van 39 tot 473
van 20 tot 382
van 10 tot 191
van 0 tot 90



  Art. 3. Artikel 46, § 2, eerste lid van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt vervolledigd door 6° en 7°, opgesteld als volgt :
  " 6° de brutobedragen van het uitbetaald aanvullend vakantiegeld;
  7° het aantal dagen aanvullende vakantie reeds opgenomen door de bediende en het arbeidsstelsel waarin deze vakantiedagen werden opgenomen. ".

  Art. 4. In Titel II van hetzelfde koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 april 2010, wordt een hoofdstuk V ingevoegd, luidende :
  " Aanvullende vakantie ".

  Art. 5. In Hoofdstuk V ingevoegd bij artikel 4 wordt een afdeling 1 ingevoegd, die de artikelen 37quinquies tot 37decies bevat, luidende :
  " Afdeling 1 - Aanvullend vakantiegeld.
  Art. 37quinquies. Het bedrag van het aanvullend vakantiegeld van de werknemer is gelijk aan 7,69 pct. van de lonen van de periode die recht geeft op aanvullende vakantie gevraagd door de werknemer, eventueel vermeerderd met een fictief loon voor de met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgestelde inactiviteitsdagen.
  Art. 37sexies. Voor de berekening van het bedrag van het aanvullend vakantiegeld worden met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgesteld :
  1° de dagen arbeidsonderbreking bedoeld in artikel 16 volgens de modaliteiten bedoeld in artikelen 17 tot en met 21;
  2° de jaarlijkse vakantiedagen bedoeld in artikel 35 alsook de aanvullende vakantie.
  Art. 37septies. Het aanvullend vakantiegeld wordt aan de werknemer uitbetaald ten laatste in de loop van het kwartaal volgend op het kwartaal tijdens hetwelk het recht op aanvullende vakantie werd uitgeoefend.
  Art. 37octies. Aanvullende vakantie wordt toegekend op basis van een formulier overhandigd door de werknemer aan de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie of aan een bijzonder vakantiefonds. Dit gedateerd en ondertekend formulier wordt opgemaakt volgens een model goedgekeurd door het Beheerscomité van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie.
  Art. 37nonies. Het aanvullend vakantiegeld komt in mindering van de uitbetaling van het vakantiegeld van het jaar volgend op het opnemen van deze aanvullende vakantie, ten belope van maximum 50 pct. van het bedrag bedoeld in artikel 14.
  Art.37decies. Artikelen 22, 23, § 3 en § 4, 24, 33 en 34 zijn van toepassing op aanvullende vakantie. ".

  Art. 6. In Hoofdstuk V ingevoegd bij artikel 4 wordt een afdeling 2 ingevoegd, die de artikelen 37undecies en 37duodecies bevat, luidende :
  " Afdeling 2. - Duur van de aanvullende vakantie.
  Art. 37undecies. De duur van de aanvullende vakantie van een werknemer wordt bepaald overeenkomstig artikel 35, verminderd met de vakantiedagen bedoeld in artikel 3.
  Art. 37duodecies. Voor de berekening van de duur van de aanvullende vakantie worden als arbeidsdagen beschouwd :
  1° de dagen arbeidsonderbreking bedoeld in artikel 16 volgens de modaliteiten bedoeld in artikelen 17 tot en met 21;
  2° de vakantiedagen bedoeld in artikel 35 alsook de aanvullende vakantie. ".

  Art. 7. In Titel III van hetzelfde besluit gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 maart 2012, wordt een hoofdstuk III ingevoegd, luidende :
  " Aanvullende vakantie. ".

  Art. 8. In Hoofdstuk III ingevoegd bij artikel 7 wordt een afdeling 1 ingevoegd, die de artikelen 62bis tot 62quater bevat, luidende :
  " Afdeling 1. - Aanvullend vakantiegeld.
  Art. 62bis. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 38, 1° betaalt de werkgever aan de werknemer op de gewone datum voor uitbetaling van het loon een bedrag gelijk aan zijn normaal loon voor de dagen aanvullende vakantie.
  Art. 62ter. Het vakantiegeld bedoeld in artikel 62bis komt in mindering van latere uitbetalingen van vakantiegeld bedoeld in artikel 38, 2°.
  De aftrek moet gebeuren op het vakantiegeld van het jaar die volgt op de opname van de aanvullende vakantie of in voorkomend geval, de vakantiegelden zoals voorzien in artikel 46.
  Art. 62quater. Voor de berekening van het bedrag van het aanvullend vakantiegeld, worden beschouwd als arbeidsdagen :
  1° de dagen arbeidsonderbreking bedoeld in artikel 41 volgens de modaliteiten, bedoeld in artikelen 42 tot en met 44;
  2° de jaarlijkse vakantiedagen bedoeld in artikel 3 alsook de aanvullende vakantie.

  Art. 9. In Hoofdstuk III ingevoegd bij artikel 7 wordt een afdeling 2 ingevoegd, die de artikelen 62quinquies en 62sexies bevat, luidende :
  " Afdeling 2. - Duur van de aanvullende vakantie.
  Art. 62quinquies. Vanaf de laatste week van de aanloopperiode heeft de werknemer die de voorwaarden bepaald in artikel 3bis vervult, recht op maximum zes vakantiedagen in een arbeidsstelsel van zes dagen per week. Indien de werknemer is tewerkgesteld volgens een ander arbeidsstelsel, heeft hij recht op vakantiedagen naar verhouding van zijn arbeidsstelsel tijdens zijn aanloopperiode.
  Na de aanloopperiode wordt de vakantieduur bepaald naar rato van twee dagen per maand prestaties verricht bij een of meerdere werkgevers indien de werknemer is tewerkgesteld in een arbeidsstelsel van zes dagen per week. Indien de werknemer in een ander arbeidsstelsel is tewerkgesteld, heeft hij recht op vakantiedagen naar verhouding van zijn arbeidsstelsel.
  De aldus bepaalde vakantieduur wordt verminderd met het aantal vakantiedagen bedoeld in artikel 3.
  Art. 62sexies. Voor de berekening van de duur van de aanvullende vakantie, worden beschouwd als. dagen van normale werkelijke arbeid :
  1° de dagen arbeidsonderbreking bedoeld in artikel 41, zoals bepaald in de artikelen 42 tot en met 44;
  2° de jaarlijkse vakantiedagen bedoeld in artikel 3 alsook de aanvullende vakantiedagen. ".

  Art. 10. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 2012 en is van toepassing voor de eerste maal op de vakantie die in 2012 wordt opgenomen, behalve artikel 2 dat in werking treedt vanaf het vakantiedienstjaar 2012 - vakantiejaar 2013, wat betreft de vakantie bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers.

  Art. 11. De minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.
  
  Gegeven te Brussel, 19 juni 2012.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Werk,
  M. DE CONINCK

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, artikelen 8 en 17bis;
   Gelet op de programmawet (I) van 27 december 2006, artikel 181;
   Gelet op het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 maart 2012;
   Gelet op het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie van 9 mei 2012;
   Gelet op het advies van de Nationale Arbeidsraad van 4 april 2012;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 20 april 2012;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister voor Begroting van 22 mei 2012;
   Gelet op het advies 51.446/1 van de Raad van State, gegeven op 5 juni 2012, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Gelet op het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid dat, ten eerste, de Europese Commissie heeft bepaald dat België tegen 24 april 2012 moest geantwoord hebben op de ingebrekestelling nr. 2007/4673 betekend op 16 december 2008 voor het niet in overeenstemming brengen van de reglementering inzake jaarlijkse vakantie met artikel 7 van de Richtlijn 2003/88/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd en, ten tweede, dat iedere overschrijding van de vastgelegde termijn tot gevolg zou hebben dat voormelde Commissie de zaak aanhangig zou maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie;
   Dat de artikelen 57 en 58 van de wet van 29 maart 2012 houdende diverse bepalingen (I) een wettelijke basis hebben verleend voor de nieuwe regeling voor aanvullende vakantie bij het aanvatten of het hervatten van activiteiten na een periode van langdurige onderbreking;
   Overwegende evenwel dat opdat ze volledige uitwerking zou hebben, deze nieuwe wettelijke basis waarbij deze nieuwe regeling voor aanvullende vakantie wordt ingesteld, moet worden uitgevoerd;
   Overwegende dat de nieuwe bepalingen voor het in overeenstemming brengen met voormelde richtlijn vereisen dat de informatie over de nieuwe rechten voor de werknemers zo vlug mogelijk wordt verstrekt, wat, indien ze dat wensen, hen in staat stelt het voordeel van de aldus gecreëerde nieuwe rechten te vragen;
   Dat België zich ertoe verbonden heeft dat de werknemers vanaf 2012 hun recht op aanvullende vakantie zouden kunnen laten gelden.
   Op de voordracht van de Minister van Werk,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Erratum Tekst Begin

originele versie
2012203752
PUBLICATIE :
2012-07-06
bladzijde : 36964

rechtzetting



Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Het ontwerp van koninklijk besluit dat u ter ondertekening wordt voorgelegd, strekt tot uitvoering van artikel 17bis van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971, dat de wettelijke basis neerlegt voor het nieuwe stelsel van aanvullende vakantie aan het begin of bij de hervatting van de activiteit.
   Het doel van dit ontwerp van uitvoeringsbesluit is het mogelijk te maken dat de voornoemde wettelijke basis volkomen uitwerking heeft, om het Belgische recht inzake jaarlijkse vakantie in overeenstemming te brengen met het Europese recht.
   Thans wordt het recht op jaarlijkse vakantie pas uitgeoefend tijdens het kalenderjaar dat volgt op het jaar tijdens hetwelke de daadwerkelijke of gelijkgestelde prestaties die in aanmerking worden genomen voor de uitoefening van dit recht hebben plaatsgevonden. Het gebeurt dan ook dat werknemers in bepaalde gevallen geen 4 weken vakantie kunnen nemen, ook niet na het eerste jaar werken.
   Het nieuwe stelsel van jaarlijkse vakantie, de zogenaamde aanvullende vakantie, dat het voorwerp is van dit besluit, geeft gevolg aan de opmerkingen die de Europese Commissie heeft geuit in haar ingebrekestelling nr. 2007/4673 betekend op 16 december 2008 voor het niet in overeenstemming brengen van de reglementering inzake jaarlijkse vakantie met artikel 7 van de Richtlijn 2003/88/ EG1 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd.
   Concreet zal aan de werknemer, op diens vraag, aanvullende vakantie en vakantiegeld worden toegekend aan het begin van de activiteit of bij de hervatting ervan na een langdurige onderbreking.
   Binnen het persoonlijk toepassingsgebied vallen de personen die :
   - enerzijds, een activiteit als loontrekkende beginnen, dat wil zeggen personen die nooit geheel of gedeeltelijk onderworpen zijn geweest aan de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers tijdens het vakantiedienstjaar bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers. Het gaat aldus om de personen die een beroepsactiviteit beginnen als werknemer, de personen die een activiteit als werknemer uitoefenen na een periode van activiteit in het buitenland, de personen die van het zelfstandigenstatuut overstappen naar het werknemersstatuut en de personen die overstappen van de overheidssector naar de privésector;
   - anderzijds, een activiteit hervatten na een periode van volledige werkloosheid, een lange ziekteperiode, een volledige loopbaanonderbreking of een verlof zonder wedde.
   Dit recht op aanvullende vakantie kan evenwel slechts worden gebruikt nadat alle vakantiedagen die zijn toegekend op basis van de huidige wetgeving (dus in functie van de prestaties tijdens het vorige dienstjaar) zijn opgenomen.
   Dit recht kan pas worden uitgeoefend vanaf het tijdstip waarop de periodes van werkelijke arbeidsprestaties of gelijkgestelde periodes gedurende eenzelfde kalenderjaar minstens drie maanden bedragen. Deze periode van drie maanden wordt " aanloopperiode " genoemd.
   Deze aanloopperiode stemt overeen met een periode van werkelijke normale arbeidsprestaties of van met arbeid gelijkgestelde onderbreking van minstens drie maanden, al dan niet doorlopend, gedurende eenzelfde kalenderjaar, bij een of meerdere werkgevers. Voor zowel de aanloopperiode als voor de duur van de aanvullende vakantie wordt dus ook rekening gehouden met de arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur.
   Na de aanloopperiode hoeft er niet opnieuw een periode van 3 maanden gedurende hetzelfde kalenderjaar te worden gewacht om recht te hebben op vakantie. Er wordt dan gebruik gemaakt van hetzelfde berekeningssysteem als in het algemeen stelsel.
   Zo zullen voor bedienden twee vakantiedagen worden toegekend per gewerkte of gelijkgestelde maand wanneer de betrokkene is tewerkgesteld in een arbeidsstelsel van 6 dagen per week, anders heeft de betrokkene recht op een aantal vakantiedagen naar verhouding van zijn arbeidsstelsel. Er wordt aldus verwezen naar artikel 60 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, met als enig verschil dat voor de berekening van deze aanvullende vakantie geen rekening zal worden gehouden met de prestaties van het vakantiedienstjaar, maar met de prestaties van het lopende jaar. Voor arbeiders is het aantal vakantiedagen evenredig aan het aantal effectief gewerkte en gelijkgestelde dagen tijdens het lopende jaar.
   Om ervoor te zorgen dat hij een inkomen behoudt wanneer hij zijn aanvullende vakantie opneemt, zal de werknemer een vakantiegeld ontvangen dat gelijk is aan zijn gewone loon.
   Dat vakantiegeld zal worden gefinancierd met een aftrek op het deel van het wettelijk vakantiegeld dat niet overeenstemt met het gewone loon voor de vakantiedagen (= dubbel vakantiegeld) van het volgende jaar.
   Aan arbeiders wordt het aanvullend vakantiegeld ten laatste uitbetaald in de loop van het kwartaal volgend op het kwartaal tijdens hetwelk het recht op aanvullende vakantie werd uitgeoefend. Aan bedienden wordt het uitbetaald op datum waarop het loon gewoonlijk wordt uitbetaald.
   Voor arbeiders komt het aanvullend vakantiegeld in mindering van de uitbetaling van het (dubbel) vakantiegeld van het jaar dat volgt op het opnemen van de aanvullende vakantie. De aftrek gebeurt pas op het dubbel vakantiegeld van het volgende jaar, ten belope van een maximumbedrag van 50 percent. De solidariteit van de vakantieregeling voor arbeiders treedt in werking in de gevallen waarin het totale bedrag van het aanvullende vakantiegeld niet kon worden afgetrokken.
   Voor bedienden moet de aftrek gebeuren op het vakantiegeld van het jaar dat volgt op de opname van de aanvullende vakantie en indien nodig op het vakantiegeld van de volgende jaren of, in voorkomend geval, op het vakantiegeld bedoeld in artikel 46 (in geval van arbeidsduurvermindering of in geval van beëindiging van de overeenkomst).
   Het betreft een systeem ter aanvulling van het gewone stelsel; de werknemer hoeft geen keuze te maken tussen het ene of het andere stelsel. Hij kan gewoon kiezen om de aanvullende vakantie op te nemen, die, in tegenstelling tot het gewone stelsel, niet verplicht moet worden opgenomen. De aanvullende vakantie is een aanvulling op de gewone vakantie.
   De aanvullende vakantie zal binnen het stelsel worden gefinancierd door de werknemer, door middel van een prefinanciering met het dubbel vakantiegeld van het volgende jaar. Er is dus een effect van financiële verevening in de tijd. Er wordt een uitbetaling vervroegd in de tijd, tot wanneer het systeem is gecompenseerd. Omdat het aanvullende vakantiegeld wordt gefinancierd met het gewone wettelijk dubbel vakantiegeld, wordt het niet als loon beschouwd en overeenkomstig artikel 39 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, dient de werknemer daarvoor een socialezekerheidsbijdrage te betalen die gelijk is aan het totaal van de bijdragepercentages vastgesteld in artikel 38, § 2, van de voornoemde wet van 29 juni 1981.
   Daar het stelsel van de aanvullende vakantie is geïnspireerd op het gewone vakantiestelsel, wordt er geen nieuwe discriminatie gecreëerd tussen de arbeiders en de bedienden.
   Ik heb de eer te zijn,
   Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar.
   De Minister van Werk,
   M. DE CONINCK
   
   ADVIES 51.446/1 VAN 5 JUNI 2012 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE (ERRATUM, zie B.St. 06-07-2012, p. 36964-36966)
   De Raad van State, afdeling Wetgeving, eerstekamer, op 30 mei 2012door de Minister van Werkverzocht haar, binnen een termijn van vijf werkdagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot uitvoering van artikel 17bis van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971", heeft het volgende advies gegeven :
   1. Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.
   In het onderhavige geval wordt het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de volgende overwegingen :
   « a) d'abord, le fait que la date à laquelle la Belgique devrait avoir répondu à sa mise en demeure n° 2007/4673 notifiée le 16 décembre 2008 pour non-mise en conformité de la réglementation relative aux vacances annuelles avec l'article 7 de la Directive 2003/88/CE concernant certaines aspects de l'aménagement du temps de travail avait été fixée par la Commission européenne au 24 avril 2012;
   b) ensuite, le fait que tout dépassement du délai fixé entraînerait la saisine de la Cour de justice de l'Union européenne par ladite Commission; dans ce cadre, il y a lieu de noter que les articles 57 et 58 de la loi du 29 mars 2012 portant des dispositions diverses (I) ont conféré une base légale au nouveau régime de vacances supplémentaires en cas de début ou de reprise d'activité après une période d'interruption de longue durée. Toutefois, pour sortir ses pleins et entiers effets, cette base légale instituant ainsi ce nouveau régime de vacances supplémentaires doit être exécutée;
   c) enfin, l'urgence est également motivée par le fait que les nouvelles dispositions de mise en conformité à la susdite directive doivent être portées au plus vite à la connaissance des travailleurs salariés, afin de leur permettre de demander, s'ils le souhaitent, le bénéfice des nouveaux droits ainsi créés.
   et étant donné que la Belgique s'est engagée à ce que les travailleurs puissent exercer dès 2012 leur droit à des vacances supplémentaires ».
   2. Overeenkomstig artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, heeft de afdeling Wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan.
   Strekking en rechtsgrond van het ontwerp
   3. Artikel 17bis van de wetten "betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers", gecoördineerd op 28 juni 1971, bepaalt dat de werknemer aanspraak kan maken op een week aanvullende vakantie per periode van drie maanden activiteit in het kalenderjaar waarin hij een activiteit begint of hervat, vanaf de laatste week van de betreffende periode van drie maanden. Tijdens deze week heeft hij recht op een bedrag gelijk aan zijn normale loon. Het vakantiegeld dat hij ontvangt voor deze aanvullende vakantie wordt gefinancierd door een aftrek, uitgevoerd op het gedeelte van het wettelijk vakantiegeld dat niet overeenstemt met het normale loon voor de vakantiedagen. De Koning is gemachtigd om te bepalen wanneer de aftrek gebeurt en wat het bedrag en de duur ervan is. Daarnaast is hij op algemene wijze gemachtigd om de voorwaarden en de toepassingsmodaliteiten van artikel 17bis te bepalen.
   Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit beoogt uitvoering te geven aan de in genoemd artikel 17bis opgenomen regeling.
   4. Rechtsgrond voor het ontwerp wordt in hoofdzaak geboden door artikel 17bis van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers.
   Daarnaast biedt ook artikel 181 van de programmawet (I) van 27 december 2006 mede rechtsgrond voor het ontwerp, meer bepaald wat betreft de wijziging van artikel 46, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 "tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers" (ontworpen artikel 62quinquies van dat besluit - artikel 7 van het ontwerp [1]).
   Artikel 2 van het ontwerp, dat voorziet in de vervanging van artikel 35, § 1, eerste lid, van koninklijk besluit van 30 maart 1967, en waarbij de wettelijke vakantieduur voor de arbeiders wordt vastgesteld, vindt specifiek rechtsgrond in artikel 8 van de voornoemde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers. Aan dat artikel dient bijgevolg eveneens te worden gerefereerd in het eerste lid van de aanhef van het ontwerp.
   Vormvereisten
   5. Uit artikel 19/1, § 1, van de wet van 5 mei 1997 'betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling' vloeit voort dat in beginsel elk voorontwerp van wet, elk ontwerp van koninklijk besluit en elk voorstel van beslissing dat ter goedkeuring aan de Ministerraad moet worden voorgelegd, aanleiding moet geven tot een voorafgaand onderzoek met betrekking tot de noodzaak om een effectbeoordeling inzake duurzame ontwikkeling uit te voeren.
   Dergelijk onderzoek heeft wellicht nog niet plaats gevonden en zal derhalve in voorkomend geval nog moeten worden verricht. Indien uit dit voorafgaand onderzoek bovendien zou blijken dat een effectbeoordeling in de zin van artikel 19/2 van dezelfde wet noodzakelijk is, en als gevolg van die effectbeoordeling wijzigingen zouden worden aangebracht in de tekst van het ontwerp, zoals die thans om advies aan de Raad van State, afdeling Wetgeving, is voorgelegd, zullen deze wijzigingen eveneens om advies aan de Raad moeten worden voorgelegd.
   Onderzoek van de tekst
   Algemene opmerking
   6. De ontworpen toepassingsregeling van het recht op aanvullende vakantie ent zich, wat de uitgangspunten ervan betreft, op de algemene regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, opgenomen in het koninklijk besluit van 30 maart 1967. Dat besluit maakt een fundamenteel onderscheid tussen de regeling voor arbeiders en de regeling voor bedienden. Hetzelfde onderscheid is bijgevolg terug te vinden in de thans ontworpen regeling van het recht op aanvullende vakantie.
   Het is bekend dat het Grondwettelijk Hof van oordeel is dat het criterium waarop in sommige arbeidsrechtelijke aangelegenheden de verschillende regelingen voor arbeiders en bedienden berusten, zijnde "de voornamelijk manuele respectievelijk intellectuele aard van hun werk", bezwaarlijk een verschillende behandeling objectief en redelijk kan verantwoorden. [2]
   Het valt niet uit te sluiten dat ook ten aanzien van de regeling van de jaarlijkse vakantie en het vakantiegeld, de grondslag voor het onderscheid niet voldoende verantwoordt waarom voor arbeiders en bedienden een sterk verschillende regeling geldt.
   In de memorie van toelichting bij genoemd artikel 17bis van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers wordt gesteld dat de regeling van aanvullende vakantie uitgaat van het "behoud van de basisprincipes van [het] jaarlijks vakantiestelsel". [3] Er kan bijgevolg worden aangenomen dat de wetgever bij de totstandkoming van de regeling van aanvullende vakantie dezelfde uitgangspunten voor ogen had als die welke gelden in de algemene regeling van de jaarlijkse vakantie, met inbegrip van de onderscheiden regeling voor de arbeiders en de bedienden. In elk geval zijn er geen aanwijzingen dat de wetgever van die uitgangspunten heeft willen afwijken. Voor zover de voorliggende toepassingsregeling van het recht op aanvullende vakantie, wat de uitgangspunten ervan betreft, in lijn is met de algemene toepassingsregeling van het recht op jaarlijkse vakantie, stelt het ontwerp bijgevolg, op het vlak van de onderscheiden regeling voor de arbeiders en de bedienden, op zichzelf beschouwd geen probleem. De gemachtigde heeft overigens bevestigd dat de ontworpen regeling geen nieuw onderscheid tussen de arbeiders en de bedienden invoert.
   Deze vaststelling neemt evenwel niet weg dat in het licht van de voornoemde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof ook voor de regeling van de jaarlijkse vakantie, met inbegrip van het aanvullend recht op vakantie, zal moeten worden onderzocht of het erin gehanteerde fundamenteel onderscheid tussen de arbeiders en de bedienden in zijn huidige vorm kan worden behouden.
   Artikel 7
   7. Het ontworpen artikel 62quinquies van het koninklijk besluit van 30 maart 1967, dat ertoe strekt artikel 46, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit te wijzigen, dient te worden omgevormd tot een autonoom artikel van het thans ontworpen besluit waarbij het eerste lid van paragraaf 2 van genoemd artikel 46 rechtstreeks wordt gewijzigd.
   
   De kamer was samengesteld uit :
   De heren :
   M. Van Damme, kamervoorzitter;
   J. Baert; W. Van Vaerenbergh, staatsraden;
   L. Denys, assessor van de afdeling Wetgeving;
   W. Geurts, griffier.
   Het verslag werd uitgebracht door de heer W. Pas, eerste auditeur.
   
   De griffier,
   W. Geurts,
   De voorzitter,
   M. Van Damme.
   ------
   [1] Zie evenwel opmerking 7 bij artikel 7 van het ontwerp.
   [2] Zie, onder meer, wat de duur van de opzegging en de carenzdag betreft, GwH 7 juli 2011, nr. 125/2011.
   [3] Parl. St. Kamer, 2211-12, nr. 53-2097/1, 50-51.
   

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Erratum Franstalige versie