J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten 7 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers Senaat
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2014/05/05/2014009316/justel

Titel
5 MEI 2014. - Wet betreffende de internering [...] <Opschrift gewijzigd bij W 2016-05-04/03, art. 143, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-07-2014 en tekstbijwerking tot 19-06-2019)

Bron : JUSTITIE
Publicatie : 09-07-2014 nummer :   2014009316 bladzijde : 52159       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2014-05-05/11
Inwerkingtreding : 01-10-2016

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen
Art. 1-3
TITEL II. - Bepalingen betreffende het slachtoffer
Art. 4
TITEL III. - De gerechtelijke fase van de internering
HOOFDSTUK I. - Het psychiatrisch deskundigenonderzoek
Art. 5-8
HOOFDSTUK II. - Rechterlijke beslissingen tot internering
Art. 9-15
HOOFDSTUK III. - Kosten, teruggave en bijkomende veiligheidsmaatregelen
Art. 16-17
HOOFDSTUK IV. - De burgerlijke rechtsvordering van de slachtoffers
Art. 18
TITEL IV. - Tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen tot internering
HOOFDSTUK I. - Bepaling van de uitvoeringsmodaliteiten van de internering en van de bijhorende voorwaarden
Afdeling I. - De plaatsing en overplaatsing
Art. 19
Afdeling II. - De uitgaansvergunning en het verlof
Onderafdeling I. - Definities
Art. 20-21
Onderafdeling II. - Voorwaarden
Art. 22, 22/1
Afdeling III. - De beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidstelling op proef
Onderafdeling I. - Definities
Art. 23-25
Onderafdeling II. - Voorwaarden
Art. 26-27
Afdeling IV. - De vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering
Art. 28
HOOFDSTUK II. - Algemene procedure inzake de plaatsing, de overplaatsing, de uitgaansvergunning, het verlof, de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de invrijheidstelling op proef en de vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering
Afdeling I. - Eerste zitting
Art. 29-45
Afdeling II. - De wijziging van de beslissing
Art. 46
Afdeling III. - Verder beheer van de internering
Art. 47-55
Afdeling IV. - Bijzondere procedure inzake de overplaatsing
Art. 56
HOOFDSTUK III. - Opvolging en controle van de in de artikelen 19, 20, 21, 23, 24, 25 en 28 bedoelde modaliteiten
Art. 57-58
HOOFDSTUK IV. - De herroeping, de schorsing, de herziening van de in de artikelen [1 ...]1 20, 21, 23, 24, 25 en 28 bedoelde modaliteiten
Afdeling I. - De herroeping
Art. 59-60
Afdeling II. - De schorsing
Art. 61
Afdeling III. - De herziening
Art. 62-63
Afdeling IV. - De procedure
Art. 64
Afdeling V. - De voorlopige aanhouding
Art. 65
HOOFDSTUK V. - De definitieve invrijheidstelling
Afdeling I. - Voorwaarden
Art. 66
Afdeling II. - De toekenningsprocedure
Art. 67-70
Afdeling III. - De beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij
Onderafdeling I. - Algemene bepaling
Art. 71
Onderafdeling II. - De beslissing tot toekenning
Art. 72
Onderafdeling III. - De beslissing tot niet-toekenning
Art. 73-74
Onderafdeling IV. - De mededeling van de beslissing
Art. 75
TITEL V. - Gelijktijdige tenuitvoerlegging van een internering en een veroordeling tot een vrijheidsstraf
Art. 76-77
TITEL Vbis. - [1 De internering van veroordeelden]1
HOOFDSTUK I. [1 De beslissing tot internering]1
Art. 77/1, 77/2, 77/3, 77/4, 77/5
HOOFDSTUK II. - [1 Hoger beroep]1
Art. 77/6, 77/7
HOOFDSTUK III. - [1 Beheer van de internering van de geļnterneerde veroordeelde]1
Art. 77/8, 77/9
TITEL VI. - Het cassatieberoep
Art. 78-80
TITEL VII. - Diverse bepalingen. Wijzigings-, opheffings- en overgangsbepalingen
HOOFDSTUK I. - Diverse bepalingen
Art. 81, 81/1, 82-84
HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen
Afdeling I. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
Art. 85-86
Afdeling II. - Wijziging van het Strafwetboek
Art. 87
Afdeling III. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
Art. 88-90
Afdeling IIIbis. - [1 Wijziging van het Kieswetboek]1
Art. 90/1
Afdeling IIIter. - [1 Wijziging van het koninklijk besluit nr. 236 van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerden]1
Art. 90/2
Afdeling IV.
Art. 91-119
Afdeling V. - Wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
Art. 120
Afdeling VI. - Wijziging van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken
Art. 121
Afdeling VII. - Wijzigingen van de Wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen
Art. 122-127
Afdeling VIII. - Wijzigingen van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke
Art. 128
Afdeling IX. - Wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt
Art. 129
Afdeling X. - Wijzigingen van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis
Art. 130
Afdeling Xbis . - [1 Wijziging van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden]1
Art. 130/1
Afdeling Xter. [1 Wijzigingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische activiteiten met wapens]1
Art. 130/2
Afdeling XI. - Wijziging van de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beėdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken
Art. 131
HOOFDSTUK III. - Opheffingsbepaling
Art. 132-133
HOOFDSTUK IV. - Overgangsbepalingen
Art. 134-135, 135/1
TITEL VIII. - Inwerkingtreding
Art. 136

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

  Art. 2. De internering van personen met een geestesstoornis, bedoeld in artikel 9 van deze wet, is een veiligheidsmaatregel die er tegelijkertijd toe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geļnterneerde persoon de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij.
  Rekening houdend met het veiligheidsrisico en de gezondheid van de geļnterneerde persoon zal hem de nodige zorg aangeboden worden om een menswaardig leven te leiden. Die zorg is gericht op een maximaal haalbare vorm van maatschappelijke re-integratie en verloopt waar aangewezen en mogelijk via een zorgtraject waarin aan de geļnterneerde persoon telkens zorg op maat aangeboden wordt.

  Art. 3.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  1° [1 ...]1;
  2° [1 de directeur : de ambtenaar die belast is met het lokaal bestuur van een gevangenis of van een door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij of zijn afgevaardigde;]1
  3° [1 de verantwoordelijke voor de zorg : de persoon die binnen een inrichting zoals bedoeld in 4°, c) en d), verantwoordelijk is voor de zorg of zijn afgevaardigde;]1
  4° de inrichting :
  a) de psychiatrische afdeling van een gevangenis;
  b) de door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij;
  c) het door de federale overheid georganiseerd forensisch psychiatrisch centrum, aangewezen bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad op voorstel van de voor Justitie, Volksgezondheid en Sociale Zaken bevoegde ministers;
  d) de door de bevoegde overheid erkende inrichting die is georganiseerd door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat is aan de geļnterneerde persoon de gepaste zorgen te verstrekken en die een [1 overeenkomst betreffende de plaatsing]1 zoals bedoeld in het 5° heeft afgesloten inzake de toepassing van deze wet;
  5° [1 overeenkomst betreffende de plaatsing]1 : een overeenkomst die wordt afgesloten tussen [1 één of meerdere inrichtingen zoals bedoeld in het 4°, d)]1, enerzijds, en de minister van Justitie en de minister bevoegd voor het beleid inzake de zorgverstrekking in deze [1 inrichtingen]1, anderzijds, waarbij de volgende aspecten worden vastgelegd : het minimum aantal geļnterneerde personen dat de [1 inrichting of inrichtingen]1 onder de vorm van plaatsing willen opnemen, de profielen voor dewelke een plaatsing kan gebeuren en de te volgen procedure om tot plaatsing over te gaan [1 en, in voorkomend geval, de financiėle tegemoetkoming door de Federale Staat voor kosten verbonden aan de veiligheid.]1;
  6° kamer voor de bescherming van de maatschappij : de kamer van de strafuitvoeringsrechtbank die uitsluitend bevoegd is voor interneringszaken, behoudens de door de Koning bepaalde uitzonderingen;
  7° [1 de rechter voor de bescherming van de maatschappij : de voorzitter van de kamer voor de bescherming van de maatschappij;]1
  8° openbaar ministerie : het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank;
  9° het slachtoffer : de volgende categorieėn van personen die bij de toekenning van een uitvoeringsmodaliteit kunnen vragen om te worden geļnformeerd [1 , te worden gehoord of voorwaarden in haar belang bij de toekenning van uitvoeringsmodaliteiten te laten opleggen]1d in de door deze wet bepaalde gevallen, volgens de door de Koning bepaalde regels :
  a) de natuurlijke persoon wiens burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
  b) de natuurlijke persoon voor wie een vonnis of een arrest bepaalt dat er ten aanzien van hem strafbare feiten zijn gepleegd, of zijn wettelijke vertegenwoordiger;
  c) de natuurlijke persoon die zich omwille van een situatie van materiėle onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen;
  d) de nabestaande van de persoon van wie het overlijden rechtstreeks is veroorzaakt door het strafbaar feit of de nabestaande van een overleden persoon die zich burgerlijke partij had gesteld; onder nabestaande wordt verstaan de echtgenoot van de overleden persoon, de persoon die met hem samenleefde en met hem een duurzame affectieve relatie had, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen, alsook anderen die van hem afhankelijk waren;
  e) de naaste van een niet-overleden slachtoffer die zich omwille van een situatie van materiėle onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen; onder naaste wordt verstaan de echtgenoot van het niet-overleden slachtoffer, de persoon die met hem samenleeft en met hem een duurzame affectieve relatie heeft, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen, alsook anderen die van hem afhankelijk zijn.
  [1 f) de natuurlijke persoon die zijn wens kenbaar maakt om als slachtoffer te worden geļnformeerd, te worden gehoord of voorwaarden in zijn belang bij de toekenning van uitvoeringsmodaliteiten te laten opleggen, nadat de internering werd bevolen door een onderzoeksgerecht met betrekking tot misdrijven gepleegd ten aanzien van hem.]1
  Ten aanzien van de personen die onder de categorieėn [1 c), d), e) en f)]1 vallen, oordeelt de [1 rechter voor de bescherming van de maatschappij]1 op hun verzoek, overeenkomstig de bepalingen van [2 Titel II]2, of ze een direct en legitiem belang hebben;
  10° [1 ...]1;
  11° [1 kabinetsbeslissing : een beslissing van de rechter voor de bescherming van de maatschappij, zonder oproeping noch verschijning van de partijen.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 144, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 293, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  TITEL II. - Bepalingen betreffende het slachtoffer

  Art. 4.§ 1. De in artikel 3, 9°, [1 c), d), e) en f),]1, bedoelde personen die in de door de wet bepaalde gevallen wensen te worden geļnformeerd inzake de toekenning van een modaliteit van internering, gehoord, of voorwaarden voor uitvoeringsmodaliteiten te laten opleggen, richten een schriftelijk verzoek aan de [1 rechter voor de bescherming van de maatschappij]1 die gevestigd is in het rechtsgebied van het hof van beroep waar het onderzoeks- of vonnisgerecht de internering heeft bevolen.
  De griffie zendt onverwijld een afschrift van het verzoek over aan het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie geeft een advies binnen zeven dagen na de ontvangst van het afschrift.
  § 2. De in § 1 bedoelde personen kunnen zich te allen tijde laten vertegenwoordigen of bijstaan door hun raadsman. Zij kunnen zich eveneens laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of van een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
  § 3. Indien de [1 rechter voor de bescherming van de maatschappij]1 dit nuttig acht om te kunnen oordelen over het direct en legitiem belang, kan hij de verzoeker vragen om op een zitting hieromtrent verdere informatie te verstrekken. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het in § 1 bedoelde verzoek.
  § 4. De [1 rechter voor de bescherming van de maatschappij]1 oordeelt over het direct en legitiem belang binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien dagen nadat de zaak in beraad is genomen. De beslissing wordt schriftelijk meegedeeld aan de verzoeker of aan zijn advocaat en aan het openbaar ministerie.
  § 5. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 145, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  TITEL III. - De gerechtelijke fase van de internering

  HOOFDSTUK I. - Het psychiatrisch deskundigenonderzoek

  Art. 5.[1 § 1. Wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat een persoon zich bevindt in een in artikel 9 bedoelde toestand, bevelen de procureur des Konings, de onderzoeksrechter of de onderzoeks- of vonnisgerechten een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek teneinde minstens na te gaan :
   1° of de persoon op het ogenblik van de feiten leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast en of de persoon op het ogenblik van het deskundigenonderzoek leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast;
   2° of er mogelijk een oorzakelijk verband bestaat tussen de geestesstoornis en de feiten;
   3° of het gevaar bestaat dat betrokkene ten gevolge van de geestesstoornis, in voorkomend geval in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw misdrijven pleegt, zoals bepaald in artikel 9, § 1, 1° ;
   4° dat en hoe de persoon in voorkomend geval kan worden behandeld, begeleid, verzorgd met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij;
   5° dat desgevallend, indien de tenlastelegging betrekking heeft op de in artikelen 371/1 tot 378 van het Strafwetboek bedoelde feiten of de in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek bedoelde feiten indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, de noodzaak bestaat om een gespecialiseerde begeleiding of behandeling op te leggen.
   § 2. Het forensisch psychiatrisch onderzoek wordt uitgevoerd onder de leiding en de verantwoordelijkheid van een deskundige, houder van de beroepstitel forensisch psychiater, die voldoet aan de voorwaarden welke zijn gesteld krachtens de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.
   Het deskundigenonderzoek kan ook in college of met bijstand van andere gedragswetenschappers uitgevoerd worden, telkens onder leiding van voormelde deskundige.
   § 3. De deskundige maakt van zijn bevindingen een omstandig verslag op, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde modellen.
   De bevelende instantie kan een actualisering van het deskundigenonderzoek vragen wanneer zij dit nodig acht.
   § 4. Onverminderd de mogelijkheid voor de bevelende instantie om een nieuw deskundigenonderzoek te laten uitvoeren overeenkomstig de bepalingen van deze wet, blijven de deskundigenonderzoeken die een aanvang hebben genomen voor de inwerkingtreding van het ministerieel besluit van 28 oktober 2015 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten houders van de bijzondere beroepstitel in de forensische psychiatrie, alsmede van stagemeesters en stagediensten rechtsgeldig.
   § 5. De deskundige ontvangt een honorarium, dat wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief dat voor een psychotherapeutische behandelingszitting van een geaccrediteerde psychiater is vastgelegd in de nomenclatuur voor de geneeskundige verstrekkingen, overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 146, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 6.§ 1. [1 Wanneer er redenen bestaan om aan te nemen dat een persoon die overeenkomstig de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis is opgesloten, zich bevindt in een in artikel 9 bedoelde toestand en de deskundige in zijn verslag aangeeft dat een forensisch psychiatrisch onderzoek met opneming ter observatie noodzakelijk is om zich uit te spreken over de punten vermeld in artikel 5, § 1, kunnen de onderzoeksrechter en de onderzoeks- of vonnisgerechten bevelen dat de verdachte aan een dergelijk onderzoek wordt onderworpen.
   Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.]1
  [1 In dat geval wordt de verdachte ter observatie overgebracht naar het door de Koning opgericht beveiligd klinisch observatiecentrum. De Koning bepaalt het aantal plaatsen in dit centrum.]1
  § 2. Tijdens de inobservatiestelling [1 ...]1, die twee maanden niet te boven mag gaan, blijven de bepalingen van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis van toepassing op de verdachte.
  § 3. Na afloop van de observatieperiode, namelijk hetzij ten laatste na het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijn, hetzij wanneer de periode ten einde loopt krachtens een beslissing van de rechterlijke overheid die de opneming ter observatie heeft bevolen, wordt de verdachte opnieuw geplaatst in een gevangenis en blijft hij in hechtenis op grond van het bevel tot aanhouding, tenzij de internering met onmiddellijke opsluiting wordt bevolen overeenkomstig artikel 10.
  De inobservatiestelling wordt beėindigd in geval van opheffing van het bevel tot aanhouding.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 147, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 7.De persoon die aan een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek wordt onderworpen kan zich, op elk moment, laten bijstaan door een [1 arts naar keuze]1 [1 en een advocaat]1. Hij kan ook aan de gerechtelijke deskundigen schriftelijk alle voor het deskundigenonderzoek dienstige inlichtingen van de [1 zorgverlener]1 van zijn keuze overzenden. Deze arts of psycholoog wordt op de hoogte gebracht van de doelstellingen van het psychiatrisch deskundigenonderzoek.
  De gerechtelijke deskundigen spreken zich over deze inlichtingen uit alvorens hun conclusies te formuleren en voegen deze inlichtingen toe aan hun verslag.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 148, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 8.§ 1. Na afloop van zijn werkzaamheden stuurt de deskundige zijn bevindingen, waarbij hij reeds een voorlopig advies voegt, ter lezing aan de [1 advocaat]1 van de verdachte en aan het openbaar ministerie. Tenzij de rechter vooraf een termijn heeft vastgesteld, bepaalt de deskundige, rekening houdend met de aard van de zaak, een redelijke termijn waarbinnen de [1 advocaat]1 van de verdachte zijn opmerkingen moet maken. Behoudens andersluidende beslissing van de rechter of door de deskundige in zijn voorlopig advies bedoelde bijzondere omstandigheden, bedraagt die termijn ten minste vijftien dagen.
  De deskundige ontvangt de opmerkingen van de [1 advocaat]1 van de verdachte en desgevallend van zijn eigen deskundige vóór het verstrijken van deze termijn. De deskundige houdt geen rekening met de opmerkingen die hij na het verstrijken van deze termijn ontvangt.
  § 2. Het eindverslag wordt gedagtekend. Het bevat ook een opgave van de stukken en nota's die de [1 advocaat]1 van de verdachte aan de deskundigen heeft overhandigd en de opmerkingen hierop. Het verslag wordt [1 ...]1 door de deskundige ondertekend.
  De handtekening van de deskundige wordt [1 ...]1 voorafgegaan door de volgende eed : "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb."
  Op de dag van de neerlegging van het verslag zendt de deskundige, bij een ter post aangetekende brief of per mailcorrespondentie, een afschrift van het verslag aan de [1 advocaat]1 van de onderzochte persoon.
  [1 Het verslag van de deskundige is pas rechtsgeldig als het ondertekend is en de eed is afgelegd.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 149, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  HOOFDSTUK II. - Rechterlijke beslissingen tot internering

  Art. 9.§ 1. [1 De onderzoeksgerechten, tenzij het gaat om misdaden of wanbedrijven die worden beschouwd als politieke misdrijven of drukpersmisdrijven, behoudens voor drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie ingegeven zijn, en de vonnisgerechten kunnen de internering bevelen van een persoon :
   1° die een misdaad of wanbedrijf heeft gepleegd die de fysieke of psychische integriteit van derden aantast of bedreigt en
   2° die op het ogenblik van de beslissing aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast en
   3° bij wie het gevaar bestaat dat hij als gevolg van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw feiten zoals bedoeld in 1° zal plegen.
   Het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht beoordeelt op met redenen omklede wijze of het feit de fysieke of psychische integriteit van derden heeft aangetast of bedreigd.]1
  § 2. De rechter beslist na uitvoering van het in artikel 5 bedoelde forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek of actualisatie van een eerder uitgevoerd deskundigenonderzoek.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 150, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 10.[1 Wanneer de onderzoeks- of vonnisgerechten de betrokkene die niet of niet meer aangehouden is interneren]1, kunnen zij, op vordering van de procureur des Konings, zijn onmiddellijke opsluiting bevelen, indien te vrezen is dat de [1 beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde]1 aan de uitvoering van de veiligheidsmaatregel zou trachten te onttrekken of indien te vrezen is dat de [1 deze een ernstig]1 en onmiddellijk gevaar voor de fysieke of psychische integriteit van derden of voor zichzelf zou vormen. Die beslissing moet nader aangeven welke omstandigheden van de zaak die vrees wettigen.
  Over deze genomen beslissing moet een afzonderlijk debat worden gehouden, onmiddellijk na de uitspraak van de internering. De [1 beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde en zijn advocaat]1 worden gehoord als ze aanwezig zijn. Tegen deze beslissingen kan geen verzet of hoger beroep worden ingesteld.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 151, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 11.[1 Indien de beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde]1 op het ogenblik dat de internering bevolen wordt, aangehouden is of ingeval de rechter de internering met onmiddellijke opsluiting [1 ...]1 beveelt, vindt de internering voorlopig plaats in de psychiatrische afdeling van een gevangenis.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 152, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 12.[2 De onderzoeks- of vonnisgerechten kunnen beslissen, bij afzonderlijke gemotiveerde beschikking, ten aanzien van een beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde die zich hetzij in de toestand van opsluiting bevindt zoals omschreven in de artikelen 10 en 11, hetzij in vrijheid onder voorwaarden is gesteld, de hechtenis uit te voeren onder elektronisch toezicht, de betrokkene in vrijheid te laten of te stellen, al dan niet onder de oplegging van een of meer voorwaarden, voor de tijd die zij bepalen en uiterlijk tot aan de eerste zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij vastgesteld overeenkomstig artikel 29, § 2.
   Ten aanzien van een beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde wiens bevel tot aanhouding wordt uitgevoerd door een hechtenis onder elektronisch toezicht, kunnen zij, bij afzonderlijk gemotiveerde beschikking, beslissen hetzij tot onmiddellijke opsluiting overeenkomstig artikel 10, hetzij tot de verdere uitvoering van de hechtenis onder elektronisch toezicht, hetzij tot de invrijheidstelling van betrokkene, al dan niet onder de oplegging van een of meer voorwaarden, voor de tijd die zij bepalen en uiterlijk tot aan de eerste zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij vastgesteld overeenkomstig artikel 29, § 2.
   In geval de betrokkene in vrijheid wordt gelaten of gesteld onder de oplegging van een of meer voorwaarden zijn de artikelen 37, tweede lid, en 38, §§ 1 en 2, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis van toepassing. In geval de verdere uitvoering van de hechtenis onder elektronisch toezicht wordt gehandhaafd, is artikel 24bis, §§ 3 en 4, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis van toepassing.]2
  Tegen deze beschikking kan geen verzet of hoger beroep worden ingesteld.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 153, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2019-05-05/10, art. 170, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Art. 13.§ 1. Wanneer de vordering of het verzoek tot internering bij de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig is gemaakt, laat zij ten minste vijftien dagen vooraf in een daartoe bestemd register ter griffie melding maken van plaats, dag en uur van verschijning. De termijn wordt teruggebracht tot drie dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt of onmiddellijk werd opgesloten bij toepassing van artikel 10. De griffier stelt de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij en hun [1 advocaten]1 in kennis, per faxpost of bij een ter post aangetekende brief, dat het dossier op de griffie in origineel of in kopie ter beschikking ligt en dat ze er inzage van kunnen hebben en er kopie van kunnen opvragen.
  Op dezelfde wijze verwittigt de griffier, op aangeven van het openbaar ministerie, eveneens de benadeelden die zich [1 ...]1 geen burgerlijke partij hebben gesteld.
  § 2. Binnen de in § 1 bepaalde termijn kunnen de inverdenkinggestelde [1 en zijn advocaat]1 en de burgerlijke partij de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61quinquies van het Wetboek van strafvordering verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. In dat geval wordt de regeling van de rechtspleging geschorst. Als het verzoek definitief is behandeld, wordt de zaak opnieuw vastgesteld voor de raadkamer overeenkomstig de in § 1 bepaalde vormen en termijnen.
  § 3. De raadkamer doet uitspraak op verslag van de onderzoeksrechter na de procureur des Konings, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde gehoord te hebben.
  De burgerlijke partijen kunnen bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een [1 advocaat]1. De inverdenkinggestelde wordt steeds bijgestaan door een [1 advocaat]1. De raadkamer kan evenwel de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen. Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open. De beschikking wordt betekend aan de desbetreffende partij op vordering van de procureur des Konings en brengt dagvaarding mee om te verschijnen op de vastgestelde datum. Als deze partij niet verschijnt, wordt uitspraak gedaan en geldt de beschikking als op tegenspraak gewezen.
  Wanneer de raadkamer de zaak in beraad houdt om haar beschikking uit te spreken, bepaalt zij de dag voor die uitspraak.
  § 4. De debatten vóór de raadkamer verlopen met gesloten deuren en de uitspraak is openbaar.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 154, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 14.[1 § 1. De procureur des Konings en de partijen of hun advocaat kunnen voor de kamer van inbeschuldigingstelling beroep instellen tegen de beslissingen van de raadkamer. Het beroep wordt ingesteld in de vorm en binnen de termijnen die bepaald worden bij de artikelen 203, 203bis, en 204 van het Wetboek van strafvordering. Behalve in het geval bedoeld in artikel 205 van het Wetboek van strafvordering en in artikel 1 van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van beroep of van voorziening in cassatie van de gedetineerde of geļnterneerde personen, wordt het beroep ingesteld door middel van een verklaring ter griffie van de correctionele rechtbank.
   § 2. De debatten voor de kamer van inbeschuldigingstelling verlopen met gesloten deuren en de uitspraak is openbaar.]1
  ----------
  (1)<W 2017-07-06/24, art. 294, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 15.§ 1. Indien uit de debatten voor het hof van assisen [1 op dat ogenblik]1 blijkt dat de beschuldigde lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast of indien de beschuldigde of zijn [1 advocaat]1 daarom verzoekt, worden aan de jury de volgende bijkomende vragen gesteld :
  "Staat het vast dat de beschuldigde een als misdaad of wanbedrijf omschreven feit heeft gepleegd ?", "Staat het vast dat de beschuldigde lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast [1 bedoeld in artikel 9, § 1, 1°]1 ?".
  § 2. Ingeval op die vragen bevestigend wordt geantwoord, doen het hof en de jury uitspraak over de internering overeenkomstig artikel 9 van deze wet en artikel [1 343]1 van het Wetboek van strafvordering.
  In het arrest van het hof van assisen worden de redenen voor de internering van de beschuldigde vermeld.
  Wanneer het een politieke misdaad, een politiek wanbedrijf of een persdelict betreft, kan de internering slechts met eenparigheid van stemmen van het hof en van de gezworenen worden gelast.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 156, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  HOOFDSTUK III. - Kosten, teruggave en bijkomende veiligheidsmaatregelen

  Art. 16.Ingeval de internering wordt [1 uitgesproken]1, wordt de [1 beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde]1 veroordeeld in de kosten en, in voorkomend geval, tot teruggave. De bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 157, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 17.§ 1. Eenieder die geļnterneerd is wegens [1 in de artikelen 371/1 tot]1 377, 377quater, 379 tot 380ter, 381, 383 tot 387, van het Strafwetboek bedoelde feiten die zijn gepleegd op een minderjarige of met zijn deelneming, kan voor [2 de duur van de internering]2 het voorwerp uitmaken van een veiligheidsmaatregel waarbij hem door het onderzoeks- of vonnisgerecht het recht wordt ontzegd om :
  1° in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan onderwijs in een openbare of particuliere instelling die minderjarigen opvangt;
  2° deel uit te maken, als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging waarvan de activiteit in hoofdzaak op minderjarigen is gericht;
  3° een activiteit toegewezen te krijgen die de betrokkene als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging, in een vertrouwens- of gezagsrelatie tegenover minderjarigen plaatst;
  4° te wonen, te verblijven of zich op te houden in de door de bevoegde rechter bepaalde aangewezen zone. De oplegging van die maatregel moet met bijzondere redenen worden omkleed en rekening houden met de ernst van de feiten en met de reclasseringsmogelijkheden voor de geļnterneerde persoon.
  § 2. [2 ...]2.
  [2 De ontzetting heeft]2 gevolgen vanaf de dag waarop de op tegenspraak of bij verstek gewezen gerechtelijke beslissing die de ontzetting uitspreekt, onherroepelijk wordt.
  § 3. [2 ...]2.
  ----------
  (1)<W 2016-02-01/09, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 158, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  HOOFDSTUK IV. - De burgerlijke rechtsvordering van de slachtoffers

  Art. 18. § 1. De onderzoeks- of vonnisgerechten doen op grond van deze wet of van artikel 71 van het Strafwetboek uitspraak over de strafvordering; tegelijkertijd doen zij uitspraak over de bij hen op regelmatige wijze ingestelde burgerlijke rechtsvordering, overeenkomstig artikel 1386bis van het Burgerlijk Wetboek, alsook over de kosten.
  § 2. De onderzoeks- of vonnisgerechten kunnen de burgerlijke belangen ook aanhouden, overeenkomstig artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.

  TITEL IV. - Tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen tot internering

  HOOFDSTUK I. - Bepaling van de uitvoeringsmodaliteiten van de internering en van de bijhorende voorwaarden

  Afdeling I. - De plaatsing en overplaatsing

  Art. 19.De plaatsing is de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, al dan niet bij hoogdringendheid, tot aanwijzing van één van de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, b), c) en d) waar de internering ten uitvoer zal worden gelegd.
  De overplaatsing is de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, al dan niet bij hoogdringendheid tot aanwijzing van één van de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, [1 b), c) en d)]1 waarnaar de geļnterneerde persoon dient te worden overgebracht, uit oogpunt van veiligheid of aangepaste zorg.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 159, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling II. - De uitgaansvergunning en het verlof

  Onderafdeling I. - Definities

  Art. 20.§ 1. De uitgaansvergunning laat de geļnterneerde persoon toe de inrichting o[1 ...]1 te verlaten voor een bepaalde duur die niet langer mag zijn dan zestien uren.
  § 2. De uitgaansvergunningen kunnen aan de geļnterneerde persoon worden toegekend om :
  1° affectieve, sociale, morele, juridische, familiale, therapeutische, opleidings- of professionele belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de inrichting vereisen;
  2° een medisch onderzoek of een medische behandeling buiten de inrichting te ondergaan;
  3° zijn sociale re-integratie voor te bereiden.
  Deze uitgaansvergunningen kunnen met een bepaalde periodiciteit worden toegekend.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 160, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 21.§ 1. Het verlof laat de geļnterneerde persoon toe de inrichting [1 ...]1 gedurende een periode van minimum één dag en maximum [1 veertien]1 dagen per maand te verlaten.
  § 2. Het verlof heeft tot doel :
  1° de familiale, affectieve en sociale contacten van de geļnterneerde persoon in stand te houden en te bevorderen;
  2° de sociale re-integratie van de geļnterneerde persoon of de behandeling voor te bereiden door hem geleidelijk naar de maatschappij te laten terugkeren;
  3° een ambulant of residentieel behandelingsprogramma voor te bereiden.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 161, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Onderafdeling II. - Voorwaarden

  Art. 22.[1 § 1.]1 De uitgaansvergunning en het verlof kunnen [1 op elk ogenblik]1 van de uitvoering van de internering toegekend worden aan de geļnterneerde persoon die voldoet aan de volgende voorwaarden :
  1° er bestaan in hoofde van de geļnterneerde persoon geen tegenaanwijzingen waaraan niet tegemoet kan worden gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
  a) het gevaar dat de geļnterneerde persoon zich aan de uitvoering van de internering zou onttrekken;
  b) het risico dat hij tijdens deze modaliteiten [1 ...]1 strafbare feiten zou plegen;
  c) het risico dat hij de slachtoffers zou lastig vallen.
  2° [1 de geļnterneerde persoon stemt in met de voorwaarden die aan de uitgaansvergunning of het verlof kunnen worden verbonden krachtens artikel 36 en 37;]1
  3° [1 ...]1.
  [1 § 2. De uitgaansvergunning kan gekoppeld worden aan de begeleiding door een vertrouwenspersoon.
   Indien de begeleiding door een vertrouwenspersoon niet mogelijk is, kan de uitgaansvergunning worden gekoppeld aan de begeleiding door een personeelslid van de inrichting, in overleg met en na akkoord van de inrichting.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 162, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 22/1. [1 De uitgaansvergunning zoals bedoeld in artikel 20, § 2, 3° en het verlof kunnen niet worden toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de geļnterneerde persoon niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 163, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016, (NOTA : bij arrest nr.80/201/8 van 28-06-2018 (B.St. 30-07-2018, p. 59775), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 163 vernietigd)>
  

  Afdeling III. - De beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidstelling op proef

  Onderafdeling I. - Definities

  Art. 23.§ 1. De beperkte detentie is een modaliteit van uitvoering van [1 de beslissing]1 tot internering die de geļnterneerde persoon toelaat op regelmatige wijze de inrichting [1 ...]1 te verlaten voor een duur van maximum [1 zestien]1 uren per dag.
  § 2. De beperkte detentie kan aan de geļnterneerde persoon worden toegekend om therapeutische, professionele, opleidings- of familiale belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de inrichting vereisen.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 164, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 24.Het elektronisch toezicht is een modaliteit van uitvoering van [1 de beslissing]1 tot internering waardoor de geļnterneerde persoon de hem opgelegde veiligheidsmaatregel buiten de inrichting ondergaat volgens een bepaald uitvoeringsplan, waarvan de naleving onder meer door elektronische middelen wordt gecontroleerd.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 165, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 25. De invrijheidstelling op proef is een modaliteit van uitvoering van de beslissing tot internering, waardoor de geļnterneerde persoon de hem opgelegde veiligheidsmaatregel ondergaat in een residentieel of ambulant zorgtraject mits hij de voorwaarden naleeft die hem gedurende de proeftermijn worden opgelegd.

  Onderafdeling II. - Voorwaarden

  Art. 26.De beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidstelling op proef kunnen [2 op elk ogenblik van de uitvoering van de internering]2 worden toegekend aan de geļnterneerde persoon die voldoet aan de volgende voorwaarden :
  1° er bestaan in hoofde van de geļnterneerde persoon geen tegenaanwijzingen waaraan niet tegemoet kan worden gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
  a) de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de geļnterneerde persoon [2 rekening houdend met zijn geestesstoornis]2;
  b) [2 ...]2;
  c) het risico dat hij [2 ...]2 strafbare feiten zou plegen;
  d) het risico dat hij de slachtoffers zou lastig vallen;
  e) de houding van de geļnterneerde persoon ten aanzien van de slachtoffers van de feiten die tot zijn internering hebben geleid;
  f) [2 ...]2;
  g) de door de geļnterneerde persoon geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met [2 zijn vermogenssituatie]2 zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij geļnterneerd is;
  2° de geļnterneerde persoon stemt in met de voorwaarden die aan de beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidstelling op proef kunnen worden verbonden krachtens de artikelen 36, 37 en 40.
  ----------
  (1)<W 2016-02-01/09, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 166, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 27.[1 De beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidsstelling op proef kunnen niet worden toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de geļnterneerde persoon niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 167, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016, (NOTA : bij arrest nr.80/201/8 van 28-06-2018 (B.St. 30-07-2018, p. 59775), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 167 vernietigd)>

  Afdeling IV. - De vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering

  Art. 28.§ 1. [1 De vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering is een modaliteit voor een geļnterneerde persoon ten aanzien van wie een definitieve beslissing werd genomen waarin wordt vastgesteld dat hij geen verblijfsrecht in Belgiė heeft, hetzij ter beschikking van een buitenlands rechtsorgaan wordt gesteld of die de wil geuit heeft om het land te verlaten. Deze modaliteit kan op elk ogenblik worden toegekend voor zover er in hoofde van de geļnterneerde persoon geen tegenaanwijzingen bestaan.]1. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
  1° [2 ...]2
  2° [1 ...]1;
  3° het risico dat hij [1 ...]1 strafbare feiten zou plegen;
  4° het risico dat hij de slachtoffers zou lastig vallen;
  5° de door de geļnterneerde persoon geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met [1 zijn vermogenssituatie]1 zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij geļnterneerd is;
  § 2. de geļnterneerde persoon stemt in met de voorwaarden die aan de vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering worden verbonden krachtens de artikelen 36 en 37.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 168, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2019-05-05/10, art. 171, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  HOOFDSTUK II. - Algemene procedure inzake de plaatsing, de overplaatsing, de uitgaansvergunning, het verlof, de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de invrijheidstelling op proef en de vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering

  Afdeling I. - Eerste zitting

  Art. 29.§ 1. [1 Het openbaar ministerie maakt binnen de twee maanden die volgen op het in kracht van gewijsde gegane vonnis of arrest tot internering de zaak aanhangig bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij met het oog op het laten aanwijzen van de inrichting waar de internering ten uitvoer dient te worden gelegd en/of met het oog op de toekenning van een andere uitvoeringsmodaliteit, zoals bepaald in de artikelen 20, 21, 23, 24, 25 en 28.]1
  De zaak wordt door het openbaar ministerie aanhangig gemaakt bij wijze van gewone brief gericht aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij; de griffie meldt hiervan ontvangst. [1 ...]1.
  Het openbaar ministerie bij het gerecht dat het in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest heeft uitgesproken, vat eveneens binnen de maand die volgt op het in kracht van gewijsde treden van de beslissing, de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 teneinde de gekende slachtoffers, die door haar in de vatting worden aangeduid, te contacteren. [1 De bevoegde dienst van de Gemeenschappen bezorgt de opgestelde slachtofferfiches aan het openbaar ministerie.]1 [2 Indien de geļnterneerde persoon in vrijheid is, vat hetzelfde openbaar ministerie, binnen de maand die volgt op het in kracht van gewijsde treden van de beslissing, eveneens de bevoegde dienst van de Gemeenschappen met het oog op het opstellen van een beknopt voorlichtingsverslag of een maatschappelijke enquźte. Hetzelfde openbaar ministerie maakt het dossier via het snelste, schriftelijk communicatiemiddel over aan de voornoemde bevoegde dienst van de Gemeenschappen, en ingeval de geļnterneerde persoon niet in vrijheid is, aan de directeur, indien de geļnterneerde persoon verblijft in een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), of aan de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geļnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d). Dit dossier omvat minstens de volgende documenten : het afschrift van de vonnissen en arresten, de uiteenzetting van de feiten, de verslagen van het deskundigenonderzoek en het uittreksel uit het strafregister.]2
  § 2. De zaak wordt behandeld op de eerste nuttige zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk drie maanden nadat het vonnis of arrest tot internering in kracht van gewijsde is gegaan.
  § 3. Het dossier, dat door het openbaar ministerie wordt samengesteld, bestaat ten minste uit het vonnis of arrest tot internering, de uiteenzetting van de feiten, een uittreksel uit het strafregister, de verslagen van het deskundigenonderzoek en, desgevallend, de slachtofferfiche(s) of slachtofferverklaringen.
  Het openbaar ministerie verleent een eerste schriftelijk advies voor wat de uitvoering van de internering betreft.
  [1 Het openbaar ministerie vult het dossier aan met een verslag van de directeur waaraan het verslag van de psychosociale dienst is gevoegd, indien de geļnterneerde persoon in een inrichting verblijft zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), met een verslag van de verantwoordelijke voor de zorg indien de geļnterneerde persoon geplaatst is [2 in]2 een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d), of met [2 het beknopt voorlichtingsverslag of de maatschappelijke enquźte]2 van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, indien de geļnterneerde persoon in vrijheid is. Indien dit nodig is voor het opstellen van zijn advies omtrent de toekenning van uitvoeringsmodaliteiten bedoeld in de artikelen 20, § 2, 1° en 3°, 21, 23, 24 en 25, kan de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg de bevoegde dienst van de Gemeenschappen de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquźte uit te voeren, met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waarin de uitvoeringsmodaliteit zal worden uitgevoerd. [2 Hij brengt deze opdracht via het snelste, schriftelijk communicatiemiddel ter kennis van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen vergezeld van het dossier dat minstens de volgende documenten omvat : het afschrift van de vonnissen en arresten, de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd geļnterneerd, de verslagen van het deskundigenonderzoek, het afschrift van de opsluitingsfiche en het uittreksel uit het strafregister.]2
   Het verslag van de directeur of van de verantwoordelijke voor de zorg bevat een advies omtrent de elementen vermeld in § 1, eerste lid.]1.
  [1 ...]1.
  § 4. [1 De geļnterneerde persoon en zijn advocaat en desgevallend ook het slachtoffer worden bij aangetekende brief in kennis gesteld; de directeur, indien de geļnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4° a) en b), en de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geļnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d), worden schriftelijk in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.]1.
  § 5. [1 Het dossier wordt gedurende ten minste tien dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de geļnterneerde persoon en zijn advocaat op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie van de inrichting waar de geļnterneerde persoon verblijft.
   De geļnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen. De advocaat van de geļnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
   Op advies van de psychiater van de inrichting of van de behandelende psychiater kan de rechter voor de bescherming van de maatschappij de geļnterneerde persoon in een met redenen omklede beschikking inzage en afschrift van zijn dossier of een gedeelte ervan ontzeggen wanneer die inzage een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan meebrengen.]1.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 169, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 295, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 30.[1 De kamer voor de bescherming van de maatschappij hoort de geļnterneerde persoon en zijn advocaat, het openbaar ministerie, de directeur, indien de geļnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), en de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geļnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d).]1
  De geļnterneerde persoon verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn [1 advocaat]1 vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
  Het slachtoffer wordt op zijn verzoek gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur [1 of de verantwoordelijke voor de zorg]1 lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.
  Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een [1 advocaat]1 en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
  De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 170, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 31. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.

  Art. 32. De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan de behandeling van de zaak eenmaal uitstellen tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden na het uitstel mag plaatsvinden.
  [1 ...]1.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 171, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 33. De kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.

  Art. 34.[1 De kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist hetzij tot plaatsing, in voorkomend geval gepaard gaande met toekenning van een uitgaansvergunning, verlof of beperkte detentie, hetzij tot toekenning van elektronisch toezicht, hetzij tot toekenning van invrijheidstelling op proef, hetzij tot toekenning van een vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.
   Aan deze uitvoeringsmodaliteiten kunnen geļndividualiseerde voorwaarden gekoppeld worden, zoals bedoeld in artikel 37. Tevens beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij over de opheffing, de wijziging of de nadere omschrijving van de veiligheidsmaatregelen die overeenkomstig artikel 17 zijn opgelegd.]1
  [2 Indien er tegelijkertijd een andere interneringsbeslissing in uitvoering is, neemt de kamer voor de bescherming van de maatschappij ook hierover een beslissing. In geval de kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist tot een invrijheidsstelling op proef, dan bepaalt zij ook de duur van de termijn overeenkomstig artikel 42, § 1, rekening houdend met het zorgtraject.]2
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 172, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2019-05-05/10, art. 172, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Art. 35.[1 Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij een beslissing tot plaatsing of overplaatsing neemt, bepaalt zij naar welke inrichting de geļnterneerde persoon moet worden overgebracht. De inrichting wordt gekozen uit de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, b), c) en d).]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 173, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 36.[1 Het vonnis tot toekenning van een uitgaansvergunning, een verlof, een beperkte detentie, een elektronisch toezicht, een invrijheidstelling op proef of een vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering bepaalt dat de geļnterneerde persoon onderworpen is aan de volgende algemene voorwaarden :]1
  1° geen strafbare feiten plegen;
  2° behalve voor de uitgaansvergunning en de beperkte detentie, een [1 vaste verblijfplaats]1 hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, aan de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 die met de begeleiding is belast;
  3° gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, van de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 die met de begeleiding is belast.
  [1 4° voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, de verplichting om het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd terug te keren naar Belgiė zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de kamer voor de bescherming van de maatschappij.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 174, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 37.In geval van toekenning van de in [1 artikel 34]1 vermelde modaliteiten kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij de geļnterneerde persoon onderwerpen aan geļndividualiseerde bijzondere voorwaarden die tegemoet komen aan het vooropgestelde zorgtraject, of aan de in de artikelen 22, 26 of 28 bedoelde tegenaanwijzingen, dan wel noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers.
  [1 ...]1.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 175, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 38. In geval van toekenning van een of meerdere uitgaansvergunning(en) bepaalt de kamer voor de bescherming van de maatschappij de duur en, in voorkomend geval, de periodiciteit, alsook het doel of de invulling ervan.

  Art. 39. In geval van toekenning van het verlof bepaalt de kamer voor de bescherming van de maatschappij het aantal verlofdagen, zoals bepaald in artikel 21, dat de geļnterneerde persoon mag genieten.

  Art. 40.In geval van toekenning van beperkte detentie, elektronisch toezicht of invrijheidstelling op proef kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij, indien de geļnterneerde persoon de veiligheidsmaatregel van internering ondergaat voor een van de [1 in de artikelen 371/1 tot]1 378 van het Strafwetboek bedoelde feiten, of voor de in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek bedoelde feiten indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, de voorwaarde opleggen van het volgen van een begeleiding of een behandeling bij een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten gespecialiseerd is.
  Wanneer de kamer voor de bescherming van de maatschappij [2 het in artikel 5, § 1, 5°, bedoelde deskundigenadvies of het in artikel 47, § 2, tweede lid, bedoelde advies van de dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten,]2, niet volgt, neemt zij een bijzondere met redenen omklede beslissing.
  ----------
  (1)<W 2016-02-01/09, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 176, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 41.§ 1. In geval van toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht bepaalt de kamer voor de bescherming van de maatschappij het programma.
  [1 De bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval, de dienst bevoegd voor het elektronisch toezicht,]1 staat in voor de uitwerking van de concrete invulling van de toegekende uitvoeringsmodaliteit overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels.
  § 2. De kamer voor de bescherming van de maatschappij bepaalt [1 , overeenkomstig artikel 21, § 1,]1 het aantal verlofdagen dat de geļnterneerde persoon per maand mag genieten tijdens de beperkte detentie of het elektronisch toezicht.
  § 3. In geval van toekenning van [1 ...]1 het elektronisch toezicht bepaalt de [1 de kamer voor de bescherming van de maatschappij]1 eveneens de termijn waarvoor deze modaliteit wordt toegekend. Deze termijn mag maximum zes maanden bedragen en kan eenmaal worden verlengd voor een duur van maximum zes maanden.
  § 4. [1 Vijftien dagen voor het einde van de in paragraaf 3 bepaalde termijn beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij over de verlenging van het elektronisch toezicht, of over de omzetting van het elektronisch toezicht in een andere uitvoeringsmodaliteit.
   De geļnterneerde persoon en zijn advocaat, evenals het slachtoffer worden bij aangetekende brief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
   Het dossier wordt gedurende ten minste tien dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de geļnterneerde persoon en zijn advocaat op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.]1
  De geļnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen. Ook de [1 advocaat]1 van de geļnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen.
  [1 Op advies van de psychiater van de inrichting of van de behandelende psychiater kan de rechter voor de bescherming van de maatschappij de geļnterneerde persoon in een met redenen omklede beschikking inzage en afschrift van zijn dossier of een gedeelte ervan ontzeggen wanneer die inzage een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan meebrengen.]1.
  § 5. De kamer voor de bescherming van de maatschappij hoort de geļnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 [1 ...]1 en het openbaar ministerie.
  De geļnterneerde persoon verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn [1 advocaat]1 vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
  Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. [1 Het openbaar ministerie licht bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die het in zijn advies heeft geformuleerd in het belang van het slachtoffer]1. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.
  Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een [1 advocaat]1 en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
  [1 De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.]1
  De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
  § 6. De [1 kamer voor de bescherming van de maatschappij]1 beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
  Artikel 44 is van toepassing.
  § 7. Bij het verstrijken van de overeenkomstig in §§ 3 en 4 bepaalde termijn kent de [1 kamer voor de bescherming van de maatschappij]1 aan de geļnterneerde persoon de invrijheidstelling op proef toe.
  De §§ 4, tweede tot vijfde lid, en 5 zijn van toepassing.
  De artikelen 42 en 44 zijn van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 177, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 42.§ 1. In geval van invrijheidstelling op proef wordt de geļnterneerde persoon onderworpen aan algemene en desgevallend bijzondere voorwaarden gedurende [1 een termijn van drie jaar, telkens hernieuwbaar met maximaal twee jaar.]1.
  § 2. In geval van vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering wordt de geļnterneerde persoon na [1 zes jaar van rechtswege definitief in vrijheid gesteld, te rekenen vanaf de uitvoering van het vonnis]1.
  [1 § 3. Ingeval de invrijheidsstelling op proef wordt toegekend onder de voorwaarde te verblijven in een residentiėle [2 instelling]2, worden alle beslissingen om de [2 instelling]2 [2 tijdelijk te verlaten]2 genomen door de verantwoordelijke van deze [2 instelling]2.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 178, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2019-05-05/10, art. 173, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Art. 43.[1 Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist tot een plaatsing, bepaalt zij in haar vonnis wanneer de directeur, indien de geļnterneerde persoon geplaatst is een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, b), of de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geļnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d), een advies moet uitbrengen.]1.
  Deze termijn mag niet langer zijn dan één jaar te rekenen van de datum van het vonnis.
  [2 Indien er geen advies werd uitgebracht binnen deze termijn, vat het openbaar ministerie onverwijld de kamer voor de bescherming van de maatschappij.]2
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 179, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2019-05-05/10, art. 174, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Art. 44.§ 1. [1 Het vonnis of de beschikking wordt binnen een werkdag bij aangetekende brief ter kennis gebracht van de geļnterneerde persoon en zijn advocaat en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie, van de directeur, indien de geļnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), van de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geļnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d), [3 van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, indien de geļnterneerde persoon in vrijheid is, of van de verantwoordelijke van de residentiėle instelling ingeval het een invrijheidsstelling op proef overeenkomstig artikel 42, § 3, betreft]3.]1
  Het slachtoffer wordt eveneens zo snel mogelijk, en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, op de hoogte gebracht van het vonnis en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
  § 2. [3 Het vonnis tot plaatsing overeenkomstig artikel 19 en het vonnis tot toekenning]3 van een of meer in de artikelen 20, 21, 23, 24, 25 en 28 bedoelde modaliteiten wordt door het openbaar ministerie meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
  1° de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de geļnterneerde persoon zich zal vestigen;
  2° de nationale gegevensbank die bedoeld wordt in [1 artikel 44/2]1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
  3° in voorkomend geval, [1 de bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 van het gerechtelijk arrondissement waarin de geļnterneerde persoon zijn verblijfplaats heeft;
  4° [1 de bevoegde dienst voor elektronisch toezicht]1, ingeval het een beslissing tot toekenning van een elektronisch toezicht betreft;
  [3 5° aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen van de verblijfplaats van het slachtoffer in geval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd;
   6° aan de korpschef van de lokale politie van de plaatsen waar de veroordeelde zich niet mag begeven en van de verblijfplaatsen van de personen waarmee hij niet in contact mag komen;
   7° in voorkomend geval, de directeur, indien het een beslissing tot plaatsing betreft in een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, b), of de verantwoordelijke voor de zorg, indien het een beslissing tot plaatsing betreft in een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d);
   8° in voorkomend geval, indien het een beslissing tot invrijheidsstelling op proef betreft overeenkomstig artikel 42, § 3, de verantwoordelijke van de residentiėle instelling.]3
  [2 Indien de in de bepalingen onder 3° [3 tot 5°]3 bedoelde diensten nog niet eerder betrokken werden in het dossier, maakt de griffie eveneens onverwijld het dossier over aan hen. Dit dossier omvat minstens de volgende informatie : het afschrift van de vonnissen en arresten, de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd geļnterneerd, de verslagen van het deskundigenonderzoek, het uittreksel uit het strafregister, het afschrift van de geactualiseerde opsluitingsfiche, de eventueel reeds eerder genomen beslissingen door de kamer voor de bescherming van de maatschappij, de rechter voor de bescherming van de maatschappij of het Hof van Cassatie.]2
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 180, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 296, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>
  (3)<W 2019-05-05/10, art. 175, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Art. 45.Het vonnis tot toekenning van een in hoofdstuk I van deze titel bedoelde modaliteit wordt uitvoerbaar op de dag waarop het in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij de kamer voor de bescherming van de maatschappij een andere datum [1 of een ander moment]1 bepaalt.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 181, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling II. - De wijziging van de beslissing

  Art. 46.§ 1. Indien zich, nadat de beslissing tot toekenning van een uitvoeringsmodaliteit door [2 de rechter of]2 de kamer voor de bescherming van de maatschappij is genomen maar voor de uitvoering ervan, een situatie voordoet die onverenigbaar is met de modaliteit zelf of met de voorwaarden die in deze beslissing zijn bepaald, kan [2 de rechter of]2 de kamer voor de bescherming van de maatschappij, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, een nieuwe beslissing nemen, met inbegrip van de intrekking van de modaliteit die werd toegekend.
  § 2. De geļnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 en desgevallend ook het slachtoffer worden bij [1 aangetekende brief]1 opgeroepen om binnen zeven dagen na de vaststelling van de onverenigbaarheid te verschijnen voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij. De oproeping bij gerechtsbrief schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing tot toekenning van de desbetreffende modaliteit.
  [1 De directeur, indien de geļnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), of de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geļnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d), en desgevallend het slachtoffer, worden schriftelijk in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.]1
  § 3. De procedure verloopt verder overeenkomstig de artikelen 29 § 5, met dien verstande dat de inzagetermijn wordt beperkt tot ten minste twee dagen, 30, 31, 33 met dien verstande dat [2 de rechter of, in voorkomend geval,]2 de kamer voor de bescherming van de maatschappij binnen de zeven dagen beslist, 44, §§ 1 en 2, en 45.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 182, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2019-05-05/10, art. 176, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Afdeling III. - Verder beheer van de internering

  Art. 47.[1 § 1. De directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, naargelang van de inrichting waar de geļnterneerde persoon verblijft, bezorgt een advies aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank op het tijdstip bedoeld in artikel 43, na de geļnterneerde persoon gehoord te hebben.
   § 2. Het advies van de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg omvat een geactualiseerd multidisciplinair psychosociaal-psychiatrisch verslag en een met redenen omkleed voorstel tot toekenning of afwijzing van de overplaatsing, en de in de artikelen 20, 21, 23 tot 25 en 28 bepaalde modaliteiten en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen aan de geļnterneerde persoon. Indien dit nodig is voor het opstellen van zijn advies omtrent de toekenning van uitvoeringsmodaliteiten bedoeld in de artikelen 20, § 2, [2 1° en]2 3°, 21 en 23 tot 25, kan de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg de bevoegde dienst van de Gemeenschappen de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquźte uit te voeren, met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waarin de uitvoeringsmodaliteit zal worden uitgevoerd. [2 Hij brengt deze opdracht via het snelste, schriftelijk communicatiemiddel ter kennis van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen vergezeld van het dossier, voor zover deze dienst daar nog niet over beschikt, dat minstens de volgende documenten omvat : het afschrift van de vonnissen en arresten, de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd geļnterneerd, de verslagen van het deskundigenonderzoek, het afschrift van de opsluitingsfiche en het uittreksel uit het strafregister.]2
   Indien de betrokkene geļnterneerd is voor de in de artikelen 371/1 tot 378 van het Strafwetboek bedoelde feiten of voor de in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek bedoelde feiten indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, omvat het advies van de directeur of de verantwoordelijke van de zorg eveneens het met redenen omkleed advies dat een beoordeling van de noodzaak om een begeleiding of behandeling op te leggen omvat en dat opgesteld is door een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten.
   § 3. Een afschrift van het advies van de directeur of van de verantwoordelijke voor de zorg wordt overgezonden aan het openbaar ministerie, aan de geļnterneerde persoon en aan de advocaat van de geļnterneerde persoon. Op advies van de psychiater van de inrichting of van de behandelende psychiater kan de rechter voor de bescherming van de maatschappij de geļnterneerde persoon in een met redenen omklede beschikking de afgifte van het afschrift aan de geļnterneerde persoon ontzeggen wanneer dit een klaarblijkelijk ernstig nadeel inhoudt voor zijn gezondheid.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 183, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 297, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 48.[1 De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank vult het dossier, zoals samengesteld overeenkomstig artikel 29, § 3, aan met :
   1° in voorkomend geval, een recent afschrift van de opsluitingsfiche;
   2° een recent uittreksel uit het strafregister;
   3° het advies van de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg;
   4° desgevallend een recent verslag van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen;
   5° desgevallend de slachtofferverklaring(en) en de nieuwe slachtofferfiche(s).]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 184, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 49.[1 Binnen een maand na de ontvangst van het advies van de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en deelt het in afschrift mee aan de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg. De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank deelt een afschrift van het advies van het openbaar ministerie mee aan de advocaat van de geļnterneerde persoon en aan de geļnterneerde persoon, tenzij op advies van de psychiater van de inrichting of van de behandelende psychiater in een met redenen omklede beschikking inzage en afschrift van zijn dossier of van een gedeelte ervan is ontzegd wanneer die inzage een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan inhouden.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 185, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 50.§ 1. De zaak wordt behandeld op de eerste nuttige zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk twee maanden na de ontvangst van het advies van de directeur [1 of de verantwoordelijke voor de zorg]1.
  § 2. Indien geen advies van het openbaar ministerie wordt toegezonden binnen de bij artikel 49 bepaalde termijn, dient het openbaar ministerie zijn advies [1 schriftelijk uit te brengen vóór de zitting of het schriftelijke advies neer te leggen ter zitting]1.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 186, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 51.§ 1. De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan de [1 de bevoegde dienst van de gemeenschappen]1 de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquźte uit te voeren. [1 ...]1. [2 De griffie maakt het dossier over aan deze dienst voor zover deze daar nog niet over beschikt. Dit dossier omvat minstens het afschrift van de vonnissen en arresten, de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd geļnterneerd, de verslagen van het deskundigenonderzoek, het uittreksel uit het strafregister, het afschrift van de opsluitingsfiche, in voorkomend geval het advies van de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg en de eventueel reeds eerder genomen beslissingen door de kamer voor de bescherming van de maatschappij, de rechter voor de bescherming van de maatschappij of het Hof van Cassatie.]2
  § 2. De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan eveneens bij gemotiveerde beschikking een aanvullend forensisch psychiatrisch onderzoek bevelen dat voldoet aan de vereisten van [1 de artikelen 5, [3 § 1]3, 7 en 8]1.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 187, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 298, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>
  (3)<W 2019-05-05/10, art. 178, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Art. 52. De procedure verloopt verder overeenkomstig de artikelen 29, §§ 4 en 5, 30 tot 45 en desgevallend 46.

  Art. 53.[1 § 1. In afwijking van de procedure bepaald bij de artikelen 47 tot 51, kan bij hoogdringendheid een kabinetsbeslissing worden genomen omtrent een verzoek tot uitgaansvergunning zoals bedoeld in artikel 20, § 2, 1° en 2°.
   In dit geval blijven de artikelen 36, 37, 38, 44, §§ 1 en 2, 45 en desgevallend 46 van toepassing.
   § 2. Daartoe wordt een schriftelijk verzoek door het openbaar ministerie, door de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, naargelang de inrichting waar de geļnterneerde persoon geplaatst is, of door de geļnterneerde persoon en zijn advocaat, gericht tot de rechter voor de bescherming van de maatschappij dat ter griffie van de strafuitvoeringrechtbank in een daartoe speciaal gehouden register wordt ingeschreven.
   In voorkomend geval kan de rechter voor de bescherming van de maatschappij via de snelst mogelijke weg bijkomende inlichtingen inwinnen die noodzakelijk zijn om zijn beslissing te kunnen nemen.
   § 3. De beschikking wordt genomen binnen de vijf werkdagen, zonder oproeping van partijen noch debat, na inschrijving in voormeld register. Ingeval er bijkomende inlichtingen worden ingewonnen, kan deze termijn worden verlengd tot zeven werkdagen.
   De beschikking wordt door de griffier aan het openbaar ministerie, aan de verzoeker, aan de geļnterneerde persoon en de advocaat, de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg en/of aan het slachtoffer, via het snelst mogelijke schriftelijk communicatiemiddel, ter kennis gebracht binnen de vierentwintig uur na de beschikking.
   Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 188, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 54.§ 1. [1 Bij hoogdringendheid neemt de kamer voor de bescherming van de maatschappij, bij een met redenen omklede beschikking, een beslissing omtrent een verzoek tot overplaatsing van de geļnterneerde persoon, uitgaansvergunning, zoals bedoeld in artikel 20, § 2, 3°, verlof, beperkte detentie, elektronisch toezicht, invrijheidstelling op proef en vervroegde invrijheidsstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.]1.
  § 2. [1 Een verzoek overeenkomstig paragraaf 1, kan worden ingediend door het openbaar ministerie, door de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, naargelang de inrichting waar de geļnterneerde persoon geplaatst is, of door de geļnterneerde persoon en zijn advocaat.]1.
  § 3. Daartoe wordt een schriftelijk verzoek gericht tot de voorzitter van de bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij dat ter griffie van de strafuitvoeringrechtbank in een daartoe speciaal register wordt ingeschreven.
  [1 In voorkomend geval kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij via de snelst mogelijke weg bijkomende inlichtingen inwinnen die noodzakelijk zijn om haar beslissing te kunnen nemen.]1
  § 4. [3 Tenzij de kamer voor de bescherming van de maatschappij van oordeel is dat voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing een tegensprekelijke zitting moet worden georganiseerd overeenkomstig paragraaf 8, neemt ze de beschikking]3 binnen de vijf werkdagen, zonder oproeping van partijen noch debat, na inschrijving in voormeld register. [1 Ingeval er bijkomende inlichtingen worden ingewonnen, kan deze termijn worden verlengd tot zeven werkdagen.]1.
  De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan bij gemotiveerde beslissing de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren niettegenstaande verzet.
  [1 De beschikking wordt door de griffier aan het openbaar ministerie, aan de geļnterneerde persoon en zijn advocaat, [2 in voorkomend geval de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, in voorkomend geval de bevoegde dienst van de Gemeenschappen of de dienst bevoegd voor elektronisch toezicht]2 en, in voorkomend geval, aan het slachtoffer, via het snelst mogelijke schriftelijk communicatiemiddel, binnen de vierentwintig uur na de beschikking ter kennis gebracht.]1 [2 De griffie maakt het dossier over aan deze dienst voor zover deze daar nog niet over beschikt. Dit dossier omvat minstens het afschrift van de vonnissen en arresten, de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd geļnterneerd, de verslagen van het deskundigenonderzoek, het uittreksel uit het strafregister, het afschrift van de opsluitingsfiche, in voorkomend geval het advies van de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg en de eventueel reeds eerder genomen beslissingen door de kamer voor de bescherming van de maatschappij, de rechter voor de bescherming van de maatschappij of het Hof van Cassatie.]2
  § 5. [3 Tegen deze beschikking kan het openbaar ministerie of de advocaat van de geļnterneerde persoon, voor zover het verzoek niet van deze partij is uitgegaan, binnen vijf werkdagen na de kennisgeving verzet aantekenen bij een verklaring ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.]3
  Het verzet heeft opschortende werking, tenzij de onmiddellijke tenuitvoerlegging werd bevolen.
  § 6. Bij verzet [1 ...]1 wordt de zaak ambtshalve vastgesteld op de eerst nuttige zitting van de kamer ter bescherming van de maatschappij, uiterlijk binnen de veertien dagen na de beschikking bij hoogdringendheid.
  De procedure verloopt verder overeenkomstig [3 paragraaf 9]3.
  § 7. Indien geen of geen tijdig verzet wordt aangetekend, wordt de beschikking geacht definitief op tegenspraak te zijn gewezen.
  [3 § 8. Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij van oordeel is dat voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing een tegensprekelijke zitting moet georganiseerd worden om verdere informatie in te winnen, wordt de zaak ambtshalve vastgesteld op de eerste nuttige zitting van de kamer ter bescherming van de maatschappij en uiterlijk binnen de veertien dagen na het verstrijken van de termijn bepaald in paragraaf 4. De procedure verloopt verder overeenkomstig paragraaf 9.
   § 9. Indien de zaak ambtshalve is vastgesteld ter zitting, worden de geļnterneerde persoon en zijn advocaat evenals het openbaar ministerie en de directeur, indien de geļnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), en de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geļnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d), gehoord.
   De geļnterneerde persoon verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn advocaat vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
   De advocaat van de geļnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
   Indien het hoogdringend verzoek voorwaarden betreft die in zijn belang zijn opgelegd, kan het slachtoffer worden gehoord. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen. Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een advocaat en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
   De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.
   De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
   Binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij.
   § 10. Het vonnis over het hoogdringend verzoek wordt bij aangetekende brief meegedeeld aan de geļnterneerde persoon en zijn advocaat en zo snel mogelijk en in elk geval binnen een werkdag via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel aan het slachtoffer, indien het voorwaarden betreft die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd, alsook schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg of de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval, de dienst bevoegd voor het elektronisch toezicht.
   De beslissingen worden eveneens meegedeeld aan de autoriteiten en instanties, overeenkomstig artikel 44, § 2.]3
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 189, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 299, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>
  (3)<W 2019-05-05/10, art. 179, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Art. 55.[1 In geval van overbrenging om medische redenen van een geplaatste geļnterneerde persoon naar een penitentiair genees- en heelkundig centrum of naar een ziekenhuis, stelt de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, naargelang van de inrichting waar de geļnterneerde persoon verblijft, hiervan onmiddellijk via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel de kamer voor de bescherming van de maatschappij in kennis, die zo nodig kan handelen overeenkomstig artikel 54, voor de duur van de behandeling.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 190, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling IV. - Bijzondere procedure inzake de overplaatsing

  Art. 56.In dringende gevallen en om redenen van veiligheid kan de minister van Justitie de voorlopige overplaatsing van een geļnterneerde persoon verblijvende in een [1 inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b) naar een andere inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b)]1 bevelen.
  Deze beslissing wordt onmiddellijk ter kennis gebracht van de kamer voor de bescherming van de maatschappij die op de eerstvolgende nuttige zitting een definitieve beslissing neemt overeenkomstig de artikelen 29, §§ 3, 4, 5, evenals 30, 31, 33, 34, 44 en 45.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 191, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  HOOFDSTUK III. - Opvolging en controle van de in de artikelen 19, 20, 21, 23, 24, 25 en 28 bedoelde modaliteiten

  Art. 57.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 19 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt is het openbaar ministerie belast met de controle op de geļnterneerde persoon tijdens het verloop [3 van de in artikel 19 bedoelde plaatsing en van de in de artikelen 20, 21, 23, 24, 25 en 28 bedoelde modaliteiten]3.
  § 2. De directeur of de [1 verantwoordelijke voor de zorg brengt over het verloop van de plaatsing en de uitgaansvergunning]1verslag uit aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij wanneer hij het nuttig acht of indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij hem erom verzoekt. De directeur of de [1 verantwoordelijke voor de zorg]1 stelt, in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nuttig acht.
  De mededelingen tussen de kamer voor de bescherming van de maatschappij en de directeur of [1 verantwoordelijke voor de zorg]1 gebeuren in de vorm van verslagen, waarvan een afschrift aan het openbaar ministerie wordt gezonden.
  § 3. De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan aan de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 de opdracht geven het verloop van het verlof te evalueren. [2 De griffie maakt het dossier over aan deze dienst voor zover deze daar nog niet over beschikt. Dit dossier omvat minstens het afschrift van de vonnissen en arresten, de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd geļnterneerd, de verslagen van het deskundigenonderzoek, het uittreksel uit het strafregister, het afschrift van de opsluitingsfiche, in voorkomend geval het advies van de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg en de eventueel reeds eerder genomen beslissingen door de kamer voor de bescherming van de maatschappij, de rechter voor de bescherming van de maatschappij of het Hof van Cassatie.]2
  Deze evaluatie wordt in de vorm van een verslag gericht aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij, dat in kopie aan het openbaar ministerie en aan de directeur [1 of de verantwoordelijke voor de zorg, naargelang de inrichting waar de geļnterneerde persoon verblijft,]1 wordt gezonden.
  § 4. Indien een beperkte detentie, een elektronisch toezicht of een invrijheidstelling op proef wordt toegekend, brengt de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval, de dienst bevoegd voor het elektronisch toezicht]1, binnen een maand na de toekenning van de modaliteit verslag uit over het verloop van de modaliteit aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij, en verder telkens hij het nuttig acht, of op verzoek van het openbaar ministerie of telkens de kamer voor de bescherming van de maatschappij hem erom verzoekt, en ten minste om de zes maanden. De [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval, de dienst bevoegd voor het elektronisch toezicht]1, stelt, in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nuttig acht.
  De mededelingen tussen de kamer voor de bescherming van de maatschappij en de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval, de dienst bevoegd voor het elektronisch toezicht]1 gebeuren in de vorm van verslagen die in afschrift aan het openbaar ministerie worden overgezonden.
  § 5. Indien aan de toekenning van een modaliteit de voorwaarde wordt gekoppeld om een begeleiding of behandeling te volgen, brengt de persoon of dienst die de opdracht aanneemt aan de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1, binnen een maand na de toekenning van de modaliteit en telkens wanneer die persoon of dienst het nuttig acht, op verzoek van de kamer voor de bescherming van de maatschappij en ten minste om de zes maanden, verslag uit over de opvolging van de begeleiding of behandeling.
  Het in het eerste lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten : de daadwerkelijke aanwezigheden van de [1 geļnterneerde persoon]1 op de voorgestelde raadplegingen, zijn ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de [1 geļnterneerde persoon]1, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan gerezen zijn en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden [1 of voor zichzelf]1.
  § 6. [1 ...]1.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 192, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 300, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>
  (3)<W 2019-05-05/10, art. 180, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Art. 58.§ 1. De geļnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1, het openbaar ministerie en de directeur of de [1 verantwoordelijke voor de zorg]1 kunnen de kamer voor de bescherming van de maatschappij verzoeken een of meer opgelegde voorwaarden te schorsen, nader te omschrijven of aan te passen aan de omstandigheden, zonder dat evenwel de opgelegde voorwaarden kunnen worden verscherpt of bijkomende voorwaarden kunnen worden opgelegd.
  Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de [1 strafuitvoeringsrechtbank]1.
  [3 ...]3
  § 2. [3 ...]3
  § 3. [3 In voorkomend geval kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij via de snelst mogelijke weg bijkomende inlichtingen inwinnen die noodzakelijk zijn om haar beslissing te kunnen nemen.
   De kamer voor de bescherming van de maatschappij neemt onverwijld en ten laatste één maand na de ontvangst van het in paragraaf 1 bedoelde verzoek een gemotiveerde beschikking, tenzij zij van oordeel is dat een tegensprekelijke zitting overeenkomstig paragraaf 4 moet worden georganiseerd.
   De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan bij gemotiveerde beslissing de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren niettegenstaande verzet.]3
  [3 § 3/1. Tegen deze beschikking kan het openbaar ministerie of de advocaat van de geļnterneerde persoon, voor zover het verzoek niet van deze partij is uitgegaan, binnen vijf werkdagen na de kennisgeving verzet aantekenen bij een verklaring op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. Het verzet heeft opschortende werking, tenzij werd beslist tot onmiddellijke uitvoering.
   Ingeval van verzet, wordt de zaak ambtshalve vastgesteld op de eerste nuttige zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, die uiterlijk veertien dagen na de aantekening van het verzet moet plaatsvinden.]3
  § 4. Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij het nuttig acht om te kunnen oordelen over de schorsing, nadere omschrijving of aanpassing, overeenkomstig § 1, van de opgelegde voorwaarden, kan ze op een zitting hieromtrent verdere informatie inwinnen. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het in § 1 bedoelde schriftelijk verzoek. De geļnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 evenals het openbaar ministerie worden gehoord. De geļnterneerde persoon verschijnt persoonlijk [2 ...]2. Hij wordt door zijn [1 advocaat]1 vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
  De [1 advocaat]1 van de geļnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
  Indien het voorwaarden betreft die in zijn belang zijn opgelegd, kan het slachtoffer worden gehoord. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur [1 of de verantwoordelijke voor de zorg]1 lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen. Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een [1 advocaat]1 en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
  De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.
  De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
  Binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij.
  § 5. Het vonnis over de schorsing, nadere omschrijving of aanpassing, overeenkomstig § 1, van de opgelegde voorwaarden, wordt bij [1 aangetekende brief]1 meegedeeld aan de geļnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 en zo snel mogelijk en in elk geval binnen [1 een werkdag]1, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel aan het slachtoffer, indien het voorwaarden betreft die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd, alsook schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur of de [1 verantwoordelijke voor de zorg]1 of de [1 de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval, de dienst bevoegd voor het elektronisch toezicht]1.
  De wijzigingen worden eveneens meegedeeld aan de autoriteiten en instanties, overeenkomstig artikel 44, § 2.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 193, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 301, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>
  (3)<W 2019-05-05/10, art. 181, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  HOOFDSTUK IV. - De herroeping, de schorsing, de herziening van de in de artikelen [1 ...]1 20, 21, 23, 24, 25 en 28 bedoelde modaliteiten
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 194, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling I. - De herroeping

  Art. 59.Het openbaar ministerie kan, met het oog op de herroeping van de toegekende modaliteit, de zaak bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij aanhangig maken in de volgende gevallen :
  1° wanneer bij een in kracht van gewijsde [1 gegaan vonnis of arrest]1 wordt vastgesteld dat de geļnterneerde persoon tijdens het verloop van de hem toegekende modaliteit een misdaad of een wanbedrijf [1 zoals bedoeld in artikel 9, § 1, 1°,]1 heeft gepleegd;
  2° wanneer de geļnterneerde persoon een ernstig gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van derden of van zichzelf;
  3° wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd;
  4° wanneer de geļnterneerde persoon geen gevolg geeft aan oproepingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, van het openbaar ministerie of, in voorkomend geval, van de [1 de bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1;
  5° wanneer de geļnterneerde persoon zijn adreswijziging niet doorgeeft aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, aan de [1 de bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 die met de begeleiding is belast;
  6° wanneer er [1 op grond van een medisch verslag]1 redenen zijn om aan te nemen dat de geestestoestand van de geļnterneerde persoon in die mate achteruitgegaan is dat de toegekende modaliteit niet langer aangewezen is;
  7° wanneer de geļnterneerde persoon het programma van de concrete invulling van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht zoals bepaald overeenkomstig artikel 41, niet naleeft.
  [1 8° wanneer de geļnterneerde persoon na de toekenning van een vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering nalaat of weigert om het grondgebied effectief te verlaten, niet meewerkt aan zijn verwijdering, niet meewerkt aan zijn identificatie met het oog op het bekomen van een reisdocument of terugkeert zonder de in artikel 36, 4°, vereiste toestemming van de kamer voor de bescherming van de maatschappij.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 195, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 60.§ 1. In geval van herroeping van de invrijheidstelling op proef of van het elektronisch toezicht wordt de geļnterneerde persoon onmiddellijk [1 in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, b), c) en d), geplaatst]1 die wordt aangewezen door de kamer voor de bescherming van de maatschappij.
  In geval van herroeping van een andere modaliteit wordt de tenuitvoerlegging ervan onmiddellijk stopgezet.
  § 2. [1 In geval van herroeping van een modaliteit, bepaalt de kamer voor de bescherming van de maatschappij overeenkomstig artikel 43 wanneer de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, naargelang de inrichting waar de geļnterneerde persoon geplaatst is, een nieuw advies moet uitbrengen.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 196, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling II. - De schorsing

  Art. 61.§ 1. In de in artikel 59 bedoelde gevallen kan het openbaar ministerie, met het oog op het schorsen van de toegekende modaliteit, de zaak aanhangig maken bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij.
  § 2. In geval van schorsing van de invrijheidstelling op proef of van het elektronisch toezicht wordt de geļnterneerde persoon onmiddellijk [1 in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b), c) en d), opgenomen]1 die wordt aangewezen door de kamer voor de bescherming van de maatschappij.
  In geval van schorsing van een andere modaliteit wordt de tenuitvoerlegging ervan onmiddellijk stopgezet.
  § 3. Binnen een termijn van ten hoogste één maand, te rekenen van het vonnis tot schorsing, herroept de kamer voor de bescherming van de maatschappij de modaliteit of heft zij de schorsing van de modaliteit op. In dat laatste geval kan de modaliteit worden herzien overeenkomstig artikel 62. Indien binnen deze termijn geen beslissing is genomen, wordt de oorspronkelijke toegekende modaliteit hervat onder dezelfde voorwaarden als voorheen.
  [2 De termijn van een maand wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op verzoek van de geļnterneerde persoon en van zijn advocaat.]2
  § 4. Ter gelegenheid van de beslissing tot schorsing kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij een uitgangsvergunning of een verlof toekennen en handelen overeenkomstig de artikelen 35, 36, 37, 38 en 39.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 197, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2019-05-05/10, art. 182, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Afdeling III. - De herziening

  Art. 62.§ 1. Ingeval de kamer voor de bescherming van de maatschappij, waarbij overeenkomstig de artikelen 59 of 61 de zaak aanhangig is gemaakt, van oordeel is dat de herroeping niet noodzakelijk is in het belang van de geļnterneerde persoon, van de samenleving of van het slachtoffer, kan zij de modaliteit herzien. In dat geval kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij de opgelegde voorwaarden verscherpen, bijkomende voorwaarden opleggen of overschakelen naar een andere, meer aan de situatie aangepaste modaliteit, zoals bepaald in de artikelen [1 ...]1 20, 21, 23 en 24. De modaliteit wordt evenwel herroepen indien de geļnterneerde persoon niet instemt met de nieuwe voorwaarden of met de andere meer aan de situatie aangepaste modaliteit.
  § 2. Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen of een andere meer aan de situatie aangepaste modaliteit toe te kennen, bepaalt zij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 63.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 199, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling IV. - De procedure

  Art. 64.§ 1. Het openbaar ministerie kan, met het oog op een herroeping, schorsing of herziening van de toegekende modaliteit, de zaak aanhangig maken bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij.
  De zaak wordt behandeld op de eerste nuttige zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij en uiterlijk binnen vijftien dagen na de aanhangigmaking.
  De geļnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 en het slachtoffer worden ten minste vijf dagen voor de datum van de behandeling van het dossier per [1 aangetekende brief]1 opgeroepen.
  De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
  § 2. [1 Het dossier wordt ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de geļnterneerde persoon en zijn advocaat op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie van de inrichting waar de geļnterneerde verblijft.
   De geļnterneerde persoon en zijn advocaat kunnen op hun verzoek een afschrift van het dossier verkrijgen.
   Op advies van de psychiater van de inrichting of van de behandelende psychiater kan de rechter voor de bescherming van de maatschappij de geļnterneerde persoon in een met redenen omklede beschikking inzage en afschrift van zijn dossier of een gedeelte ervan ontzeggen wanneer die inzage een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan meebrengen.]1
  § 3. De kamer voor de bescherming van de maatschappij hoort de geļnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1, alsook het openbaar ministerie.
  De geļnterneerde persoon verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn [1 advocaat]1 vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
  Indien het de niet-naleving betreft van de voorwaarden die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd, wordt het slachtoffer hieromtrent gehoord. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om [1 de niet-naleving van]1 deze voorwaarden te onderzoeken. [1 ...]1. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.
  Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een [1 advocaat]1 en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
  De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.
  § 4. Binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij over de herroeping, de schorsing of de herziening.
  § 5. Het vonnis wordt binnen [1 binnen een werkdag bij aangetekende brief]1 ter kennis gebracht van de geļnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur van de inrichting [2 zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), of de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geļnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d)]2 of van [1 de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval, de dienst bevoegd voor het elektronisch toezicht]1.
  Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, op de hoogte gebracht van de herroeping of de schorsing van de modaliteit of, in geval van herziening, van de in zijn belang gewijzigde voorwaarden of van de andere modaliteit die toegekend werd.
  § 6. Het vonnis tot herroeping, schorsing of herziening wordt meegedeeld aan de autoriteiten en instanties die overeenkomstig artikel 44, § 2, op de hoogte moeten worden gebracht.
  § 7. Tegen een vonnis van herroeping, schorsing en herziening bij verstek kan verzet aangetekend worden.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 200, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 302, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Afdeling V. - De voorlopige aanhouding

  Art. 65.[3 § 1.]3 [1 Wanneer de geļnterneerde persoon een ernstig gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van derden, kan de procureur des Konings van het arrondissement waar de geļnterneerde persoon zich bevindt of het openbaar ministerie bij de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank, zijn voorlopige aanhouding bevelen, onder verplichting de bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij en desgevallend het openbaar ministerie daarvan onmiddellijk in kennis te stellen.]1
  [1 De voorlopige aanhouding wordt uitgevoerd in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) [2 , b) en c)]2.]1
  De bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist binnen zeven werkdagen na de opsluiting van de geļnterneerde persoon over de schorsing van de toegekende modaliteit. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de geļnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1, aan het openbaar ministerie en aan de directeur van de inrichting of van [1 de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval de dienst bevoegd voor het elektronisch toezich]1.
  De beslissing tot schorsing is overeenkomstig artikel 61, § 3, geldig voor de duur van één maand.
  [3 § 2. De voorlopige aanhouding is ook mogelijk in de periode nadat de internering bevolen werd doch vooraleer de bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij een beslissing heeft genomen overeenkomstig artikel 34.
   De voorlopige aanhouding wordt uitgevoerd in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) en c).
   De bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist binnen zeven werkdagen na de opsluiting van de geļnterneerde persoon over de handhaving van de voorlopige aanhouding. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de geļnterneerde persoon en zijn advocaat, aan het openbaar ministerie, aan de directeur indien de geļnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), aan de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geļnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c), en aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen.
   De beslissing tot handhaving is geldig voor de duur van één maand. Binnen deze termijn wordt de zaak behandeld op de zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, overeenkomstig artikel 29 § 2.]3
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 201, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 303, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>
  (3)<W 2019-05-05/10, art. 183, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  HOOFDSTUK V. - De definitieve invrijheidstelling

  Afdeling I. - Voorwaarden

  Art. 66.Behoudens in het geval van artikel 42, § 2, kan de definitieve invrijheidstelling worden toegekend aan de geļnterneerde persoon :
  a) bij het verstrijken van de in artikel 42, § 1, bepaalde proeftermijn; én
  b) [1 op voorwaarde dat de geestesstoornis voldoende gestabiliseerd is, zodat redelijkerwijze niet te vrezen valt dat de geļnterneerde persoon, al dan niet ten gevolge van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw misdrijven zoals bedoeld in artikel 9, § 1, 1°, zal plegen.]1.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 202, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling II. - De toekenningsprocedure

  Art. 67.§ 1. [1 Drie maanden voor het einde van de proeftermijn waaraan de invrijheidstelling op proef overeenkomstig artikel 42, § 1, onderworpen is, deelt de bevoegde dienst van de Gemeenschappen aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij een eindverslag mee waarvan een afschrift aan het openbaar ministerie wordt gezonden.
   Twee maanden voor het einde van de proeftermijn stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en deelt het in afschrift mee aan de geļnterneerde persoon en zijn advocaat. Wanneer het openbaar ministerie dit noodzakelijk acht om te oordelen of de voorwaarden voor een definitieve invrijheidstelling vervuld zijn, vordert het een nieuw forensisch psychiatrisch onderzoek dat voldoet aan de vereisten van de artikelen 5, § 2, 3° en 4°, 7 en 8.
   Eén maand voor het einde van de proeftermijn beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij over de definitieve invrijheidstelling.
   Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist tot de uitvoering van een nieuw forensisch psychiatrisch onderzoek dat voldoet aan vereisten van de artikelen 5, § 2, 7 en 8, wordt de proeftermijn van rechtswege verlengd met vier maanden.]1
  § 2. De geļnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 worden bij [1 aangetekende brief]1 in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
  § 3. Het dossier wordt gedurende ten minste [1 tien]1 dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de geļnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
  De geļnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen. Ook de [1 advocaat]1 van de geļnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen.
  § 4. [1 ...]1.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 203, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 68.De kamer voor de bescherming van de maatschappij hoort de geļnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 evenals het openbaar ministerie en desgevallend het slachtoffer.
  De geļnterneerde persoon verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn [1 advocaat]1 vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
  [1 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om de in zijn belang opgelegde voorwaarden te evalueren. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]1
  Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een [1 advocaat]1 en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
  De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 204, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 69. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.

  Art. 70. De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan de behandeling van de zaak eenmaal uitstellen tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden na het uitstel mag plaatsvinden en zonder dat het einde van de proeftermijn mag overschreden worden.
  In voorkomend geval blijft de geļnterneerde persoon onderworpen aan de hem opgelegde voorwaarden tot hem de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij overeenkomstig artikel 75 is ter kennis gebracht.

  Afdeling III. - De beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij

  Onderafdeling I. - Algemene bepaling

  Art. 71. De kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen over de definitieve invrijheidstelling.

  Onderafdeling II. - De beslissing tot toekenning

  Art. 72.[1 Het in kracht van gewijsde getreden vonnis]1 tot toekenning van de definitieve invrijheidstelling maakt een einde aan de internering.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 205, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Onderafdeling III. - De beslissing tot niet-toekenning

  Art. 73.[1 Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij de definitieve invrijheidstelling niet toekent, kan zij de proeftermijn van de invrijheidstelling op proef verlengen, onder dezelfde voorwaarden als voorheen of met aangepaste voorwaarden zonder deze echter te kunnen verscherpen of bijkomende voorwaarden te kunnen opleggen, met een telkens hernieuwbare termijn van maximaal twee jaar.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 206, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 74. Eén maand voor het einde van de overeenkomstig artikel 73 verlengde proeftermijn beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij overeenkomstig de artikelen 67 tot 73 over de definitieve invrijheidstelling.

  Onderafdeling IV. - De mededeling van de beslissing

  Art. 75.§ 1. Het vonnis wordt [1 binnen een werkdag bij aangetekende brief]1 ter kennis gebracht van de geļnterneerde persoon en zijn [2 advocaat]2 en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie [3 , van de directeur van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen indien de geļnterneerde persoon in vrijheid is of van de verantwoordelijke van de residentiėle instelling ingeval de betrokkene een invrijheidsstelling op proef ondergaat overeenkomstig artikel 42, § 3]3.
  Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, op de hoogte gebracht van de toekenning van de definitieve invrijheidstelling of van de verlenging van de proeftermijn.
  § 2. Het vonnis tot toekenning van de definitieve invrijheidstelling of van de verlenging van de proeftermijn wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
  1° de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de geļnterneerde persoon tijdens de invrijheidstelling op proef is gevestigd;
  2° de nationale gegevensbank die bedoeld wordt in [1 artikel 44/2]1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
  3° [1 in voorkomend geval, de bevoegde dienst van de Gemeenschappen die met de begeleiding is belast.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 207, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 304, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>
  (3)<W 2019-05-05/10, art. 185, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  TITEL V. - Gelijktijdige tenuitvoerlegging van een internering en een veroordeling tot een vrijheidsstraf

  Art. 76.[1 De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op een persoon die zowel een vrijheidsstraf als een internering ondergaat.]1
  [1 In afwijking van artikel 19 wordt de persoon die zowel een vrijheidsstraf als een internering ondergaat, geplaatst in een inrichting vermeld in artikel 3, 4°, b) of c). Indien hij de toelaatbaarheidsdatum voor een voorwaardelijke invrijheidstelling zoals bedoeld in artikel 25 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, heeft bereikt, kan hij ook worden geplaatst in een inrichting vermeld in artikel 3, 4°, d).]1
  [1 Voor de toepassing van de voormelde wet wordt de duur van [2 de plaatsing in een inrichting vermeld in artikel 3, 4°, a), b), c) of d)]2 gelijkgesteld met detentie.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 208, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016, (NOTA : bij arrest nr.80/201/8 van 28-06-2018 (B.St. 30-07-2018, p. 59775), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 208, 2° vernietigd)>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 305, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 77.[1 § 1.]1 De toekenning van een uitgaansvergunning, verlof, beperkte detentie, elektronisch toezicht [1 , invrijheidsstelling op proef en [2 vervroegde]2 invrijheidsstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering,]1 is slechts mogelijk overeenkomstig de tijdsvoorwaarden zoals bepaald door de artikelen 4, 7, 23, § 1, 25 of 26 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.
  In geval van invrijheidsstelling op proef mag de door de kamer voor de bescherming van de maatschappij te bepalen termijn niet korter zijn dan de [2 periode dat de veroordeelde, indien hij uitsluitend een vrijheidsstraf zou ondergaan, onder toezicht van de strafuitvoeringsrechtbank zou hebben gestaan]2.
  [1 § 2. Op het ogenblik dat de duur van de invrijheidstelling de [2 periode overschrijdt waarin de persoon, indien hij uitsluitend een vrijheidsstraf zou ondergaan, onder toezicht van de strafuitvoeringsrechtbank zou hebben gestaan]2, wordt de betrokken persoon van rechtswege definitief in vrijheid gesteld voor wat betreft de veroordelingen.
   § 3. Indien de geestestoestand van de betrokken persoon voldoende [2 gestabiliseerd]2 is voorafgaand aan het bereiken van de tijdsvoorwaarden voor de invrijheidstelling op proef zoals bepaald overeenkomstig paragraaf 1, kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij, voor wat betreft de tenuitvoerlegging van de internering, beslissen tot een definitieve invrijheidsstelling overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 77/9, §§ 1 tot 9.
   Ingeval een beslissing tot definitieve invrijheidsstelling van de internering wordt genomen, wordt de vrijheidsstraf verder ten uitvoer gelegd in een gevangenis. De bepalingen van de voormelde wet zijn vanaf dat ogenblik van toepassing.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 209, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016; (NOTA : bij arrest nr.80/201/8 van 28-06-2018 (B.St. 30-07-2018, p. 59775), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 209, 1° vernietigd)>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 306, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  TITEL Vbis. - [1 De internering van veroordeelden]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 210, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  HOOFDSTUK I. [1 De beslissing tot internering]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 211, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 77/1.[1 § 1. De veroordeelde die het voorwerp is van minstens één veroordeling wegens een misdaad of wanbedrijf zoals bedoeld in artikel 9, § 1, 1°, bij wie tijdens de detentie door de psychiater van de gevangenis een geestesstoornis met een duurzaam karakter wordt vastgesteld die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast of en ten aanzien van wie het gevaar bestaat dat hij ten gevolge van zijn geestesstoornis opnieuw misdrijven zal plegen zoals bedoeld in artikel 9, § 1, 1°, kan op verzoek van de directeur worden geļnterneerd door de bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij.
   § 2. Indien bij deze persoon een in paragraaf 1 bedoelde toestand wordt vastgesteld, stelt de directeur een advies tot internering op.
   Om zijn advies op te stellen, stelt de directeur een dossier samen dat bestaat uit :
   1° een afschrift van de opsluitingsfiche;
   2° een afschrift van de vonnissen en de arresten;
   3° een uittreksel uit het strafregister;
   4° de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd veroordeeld;
   5° het verslag van de psychiater van de gevangenis;
   6° een recent verslag van de psychosociale dienst van de gevangenis.
   § 3. De directeur maakt het dossier over aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij en de griffie deelt een afschrift ervan mee aan het openbaar ministerie, de veroordeelde en zijn advocaat. De kamer voor de bescherming van de maatschappij beveelt onverwijld een forensisch psychiatrisch onderzoek dat voldoet aan de vereisten van de artikelen 5, [2 § 1]2, 3° en 4°, 7 en 8.
   De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen dat de veroordeelde ter observatie wordt opgenomen. In dat geval wordt de veroordeelde overgebracht naar het door de Koning opgericht beveiligd klinisch observatiecentrum. De observatiestelling mag twee maanden niet te boven gaan.
   § 4. Binnen de maand na de ontvangst van het verslag van de deskundige, stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde, zijn advocaat en de directeur.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 212, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2019-05-05/10, art. 186, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Art. 77/2. [1 § 1. De kamer voor de bescherming van de maatschappij behandelt de zaak op de eerste nuttige zitting na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Deze zitting vindt plaats uiterlijk twee maanden na de ontvangst van het verslag van de deskundige. Indien geen advies van het openbaar ministerie wordt toegezonden binnen de bij artikel 77/1, § 4, bepaalde termijn, brengt het openbaar ministerie zijn advies mondeling uit op de zitting.
   De veroordeelde en zijn advocaat worden bij aangetekende brief en de directeur schriftelijk in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
   § 2. Het dossier wordt gedurende ten minste tien dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn advocaat op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat. De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen. De advocaat van de veroordeelde kan op zijn verzoek een afschrift van het dossier verkrijgen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 213, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  

  Art. 77/3. [1 De kamer voor de bescherming van de maatschappij hoort de veroordeelde en zijn advocaat, het openbaar ministerie en de directeur.
   De veroordeelde verschijnt persoonlijk.
   De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.
   De zitting vindt plaats met gesloten deuren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 214, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 77/4. [1 De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan de behandeling van de zaak eenmalig uitstellen tot een latere zitting zonder dat die zitting meer dan twee maanden na het uitstel mag plaatsvinden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 215, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 77/5. [1 De kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
   Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij de internering van de veroordeelde uitspreekt, duidt zij de psychiatrische afdeling van de gevangenis aan waar de veroordeelde naar wordt overgebracht, in afwachting van het in kracht van gewijsde treden van het vonnis.
   Het vonnis wordt binnen een werkdag bij aangetekende brief ter kennis gebracht van de betrokkene en zijn advocaat en het slachtoffer, en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur van de inrichting.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 216, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  HOOFDSTUK II. - [1 Hoger beroep]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 217, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 77/6. [1 § 1. Tegen het vonnis van de kamer voor de bescherming van de maatschappij kan hoger beroep worden ingesteld door het openbaar ministerie en door de veroordeelde bij de correctionele kamer van het hof van beroep.
   § 2. Het hoger beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van vijftien dagen die, ten aanzien van het openbaar ministerie begint te lopen vanaf de dag van het vonnis en ten aanzien van de veroordeelde vanaf de dag van kennisgeving.
   De verklaring van hoger beroep wordt gedaan op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank die deze onverwijld overmaakt aan de griffie van het hof van beroep, die deze onmiddellijk inschrijft in het register van hoger beroep.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 218, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 77/7. [1 § 1. De zaak wordt behandeld op de eerste nuttige zitting van de correctionele kamer bij het hof van beroep.
   Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn advocaat op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
   § 2. De correctionele kamer van het hof van beroep hoort de veroordeelde en zijn advocaat en de directeur.
   De veroordeelde verschijnt persoonlijk.
   De correctionele kamer van het hof van beroep kan beslissen eveneens andere personen te horen.
   § 3. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
   § 4. Over het hoger beroep wordt uitspraak gedaan uiterlijk binnen de vijftien dagen nadat het beroep is ingesteld.
   § 5. De beslissing wordt meegedeeld binnen een werkdag bij aangetekende brief aan de veroordeelde en aan zijn advocaat en aan het slachtoffer en schriftelijk aan het openbaar ministerie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 219, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  HOOFDSTUK III. - [1 Beheer van de internering van de geļnterneerde veroordeelde]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 220, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 77/8.[1 De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de geļnterneerde veroordeelde.
   In geval van invrijheidsstelling op proef mag de door de kamer voor de bescherming van de maatschappij te bepalen termijn niet korter zijn dan de periode dat de veroordeelde, indien hij uitsluitend een vrijheidsstraf zou ondergaan, onder toezicht van de strafuitvoeringsrechtbank zou hebben gestaan.
   Voor de toepassing van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de straf-uitvoeringsmodaliteiten wordt de duur van de plaatsing in een inrichting vermeld in artikel 3, 4°, a), b), c) of d) gelijk gesteld met detentie.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-05/10, art. 187, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Art. 77/9.[1 § 1. Indien voor het bereiken van de tijdsvoorwaarden voor de invrijheidstelling op proef, zoals bepaald overeenkomstig artikel 77/8, § 2, de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, op basis van een medisch advies, van oordeel is dat de geestestoestand van de geļnterneerde veroordeelde voldoende [2 gestabiliseerd]2 is, maakt hij een verzoek tot opheffing, vergezeld van het medisch advies, over aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij.
   De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank maakt het verzoek, samen met het medisch verslag, binnen de termijn van een werkdag over aan het openbaar ministerie en aan de geļnterneerde en zijn advocaat.
   § 2. Binnen de maand na de ontvangst van het verzoek, stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde, zijn advocaat en de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg.
   § 3. De kamer voor de bescherming van de maatschappij behandelt de zaak op de eerste nuttige zitting na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Deze zitting vindt plaats uiterlijk twee maanden na de ontvangst van het verzoek tot opheffing van de internering. Indien geen advies van het openbaar ministerie wordt toegezonden binnen de bij paragraaf 2 bepaalde termijn, legt het openbaar ministerie zijn advies schriftelijk neer op de zitting.
   De veroordeelde en zijn advocaat worden bij aangetekende brief en de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg schriftelijk in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
   § 4. Het dossier wordt gedurende ten minste tien dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn advocaat op de griffie van de inrichting waar de veroordeelde verblijft. De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen. De advocaat van de veroordeelde kan op zijn verzoek een afschrift van het dossier verkrijgen.
   § 5. Wanneer de kamer voor de bescherming van de maatschappij dit nodig acht, vordert zij een nieuw forensisch psychiatrisch onderzoek dat voldoet aan de vereisten van de artikelen 5, § 2, 3° en 4°, 7 en 8.
   § 6. De kamer voor de bescherming van de maatschappij hoort de veroordeelde en zijn advocaat, het openbaar ministerie en de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg.
   De veroordeelde verschijnt persoonlijk.
   De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.
   De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
   § 7. De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan de behandeling van de zaak één maal uitstellen tot een latere zitting zonder dat die zitting meer dan twee maanden na het uitstel mag plaatsvinden.
   § 8. De kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
   Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij van oordeel is dat de internering niet langer aangewezen is, heft ze deze op en beveelt zij de terugkeer van de veroordeelde naar de gevangenis, tenzij de veroordeelde op dat ogenblik al zijn vrijheidsstraffen heeft ondergaan.
   Het vonnis wordt binnen een werkdag bij aangetekende brief ter kennis gebracht van de geļnterneerde-veroordeelde en zijn advocaat en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg.
   § 9. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
   § 10. Indien de geestestoestand van de geļnterneerde veroordeelde niet voldoende [2 gestabiliseerd]2 is op het ogenblik van het verstrijken van de straffen, blijft deze wet op hem van toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 222, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 308, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  TITEL VI. - Het cassatieberoep

  Art. 78.[1 Tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot de toekenning, de afwijzing of de herroeping van de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de vrijstelling op proef en de vervroegde invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied of met het oog op de overlevering en tot de herziening [2 overeenkomstig artikel 62]2, met betrekking tot de definitieve invrijheidstelling, evenals tegen de beslissing tot internering van een veroordeelde overeenkomstig artikel [2 77/7]2, staat cassatieberoep open voor het openbaar ministerie en de advocaat van de geļnterneerde persoon.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 223, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 309, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 79.§ 1. [2 Het openbaar ministerie en de advocaat van de geļnterneerde persoon, desgevallend van de veroordeelde, stellen het cassatieberoep in binnen een termijn van vijf dagen, te rekenen van de uitspraak van het vonnis.]2
  De cassatiemiddelen worden voorgesteld in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen ten laatste op de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep.
  De beroepen worden ingediend bij een verklaring ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
  § 2. Het dossier wordt door de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank toegezonden aan de griffie van het Hof van Cassatie binnen achtenveertig uur, te rekenen van het instellen van het cassatieberoep.
  § 3. Het cassatieberoep tegen een beslissing tot toekenning van een modaliteit heeft schorsende kracht.
  Het Hof van Cassatie doet uitspraak binnen dertig dagen, te rekenen van het instellen van het cassatieberoep, met dien verstande dat de tenuitvoerlegging van de beslissing inmiddels geschorst blijft.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 224, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 310, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 80.Na een cassatiearrest met verwijzing doet een anders samengestelde kamer voor de bescherming van de maatschappij [1 ...]1 uitspraak binnen veertien dagen, te rekenen van de uitspraak van dit arrest, met dien verstande dat de tenuitvoerlegging van de beslissing inmiddels geschorst blijft.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 225, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  TITEL VII. - Diverse bepalingen. Wijzigings-, opheffings- en overgangsbepalingen

  HOOFDSTUK I. - Diverse bepalingen

  Art. 81.§ 1. De rechtscolleges kunnen over de verzoeken tot internering slechts beslissen ten aanzien van de betrokkenen die bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een [1 advocaat]1.
  § 2. De kamer voor de bescherming van de maatschappij en het Hof van Cassatie kunnen ten aanzien van de geļnterneerde persoon, slechts beslissen indien deze bijgestaan of vertegenwoordigd wordt door een [1 advocaat]1.
  [2 § 3. Heeft de betrokkene geen advocaat gekozen, dan wijst de voorzitter er ambtshalve een voor hem aan.]2
  [3 § 4. De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan, op gemotiveerd verzoek van de advocaat, toestaan dat de geļnterneerde persoon zich laat vertegenwoordigen door een advocaat.]3
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 226, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 311, 006; Inwerkingtreding : 03-08-2017>
  (3)<W 2019-05-05/10, art. 188, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Art. 81/1. [1 De kamer voor de bescherming van de maatschappij houdt zich op de hoogte van de toestand van de geļnterneerde persoon en kan zich met het oog daarop naar de plaats van zijn internering begeven of deze taak aan één of meer van haar leden opdragen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 227, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  

  Art. 82. De bepalingen betreffende de vervolgingen in correctionele en criminele zaken zijn van toepassing op de bij deze wet voorgeschreven procedures, behoudens de afwijkingen die zij bepaalt.

  Art. 83.[1 Binnen elk ressort van het hof van beroep wordt een coördinator "extern zorgcircuit" aangewezen. De coördinatoren "extern zorgcircuit" ontwikkelen binnen hun ressort van het hof van beroep alle initiatieven die het mogelijk maken de opvang van de geļnterneerde personen te verbeteren en de samenwerking tussen Justitie en de zorgsector te bevorderen.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 228, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 84.§ 1. De door de bevoegde overheid erkende inrichtingen die georganiseerd zijn door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat zijn aan de geļnterneerde persoon de gepaste zorgen te verstrekken en die een [1 overeenkomst betreffende de plaatsing]1, zoals bedoeld in artikel 3, 5° hebben afgesloten inzake de toepassing van deze wet, ontvangen, in geval van plaatsing van een geļnterneerde, voor de administratieve activiteiten verricht in het kader van deze wet een vergoeding ten laste van de begroting van de Federale Staat. De Koning bepaalt het bedrag van de vergoeding en de uitvoeringsmodaliteiten.
  § 2. [2 De Koning stelt de aard en de voorwaarden van tenlasteneming door de Federale Overheidsdienst Justitie vast van de kosten verbonden aan een plaatsing in een in artikel 3, 4°, d), vermelde inrichting.]2
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 229, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2019-05-05/10, art. 189, 007; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen

  Afdeling I. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek

  Art. 85.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 230, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 86. In artikel 1386bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 16 april 1935, worden de woorden "door een persoon die zich staat van krankzinnigheid bevindt, of in een staat van ernstige geestesstoornis of van zwakzinnigheid die hem voor de controle van zijn daden ongeschikt maakt" vervangen door de woorden "door een persoon die lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast".

  Afdeling II. - Wijziging van het Strafwetboek

  Art. 87.Artikel 71 van het Strafwetboek wordt vervangen als volgt :
  "Er is geen misdrijf wanneer de beschuldigde of de beklaagde op het tijdstip van de feiten leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan [1 ...]1 of wanneer hij gedwongen werd door een macht die hij niet heeft kunnen weerstaan."
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 231, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling III. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering

  Art. 88. In artikel 195 van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij de wet van 27 april 1987 en gewijzigd bij de wetten van 24 december 1993, 22 juni en 20 juli 2005 en 17 mei 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het zesde lid wordt vervangen als volgt :
  "Als de rechter een effectieve vrijheidsstraf of de internering uitspreekt, licht hij de partijen in over de uitvoering van deze vrijheidsstraf of maatregel en over de mogelijke modaliteiten van strafuitvoering of internering.";
  2° in het zevende lid, worden de woorden "of de tenuitvoerlegging van de internering" ingevoegd tussen de woorden "van de strafuitvoering" en de woorden "te worden gehoord".

  Art. 89.In artikel 590 van hetzelfde Wetboek, opnieuw opgenomen bij de wet van 8 augustus 1997 en gewijzigd bij de wet van 7 februari 2003, wordt het 4° vervangen door wat volgt :
  "4° beslissingen tot internering, tot toekenning of herroeping van de invrijheidstelling op proef of vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en tot definitieve invrijheidstelling die genomen zijn overeenkomstig [1 de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering]1;"
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 232, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 90.Een artikel 603bis wordt ingevoegd in hetzelfde Wetboek :
  "Art. 603bis. Door de Koning [1 wordt een beveiligd klinisch observatiecentrum]1 opgericht waar verdachten ter observatie in voorhechtenis kunnen opgesloten worden, overeenkomstig de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
  [1 ...]1."
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 233, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling IIIbis. - [1 Wijziging van het Kieswetboek]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 234, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 90/1. [1 In artikel 7 van het Kieswetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
   a) In het 1°, vervangen door de wet van 21 januari 2013, worden de woorden "van de bepalingen van de hoofdstukken I tot VI van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen,gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten, vervangen bij artikel 1 van de wet van 1 juli 1964" vervangen door de woorden "van de wet van 5 mei 2014 houdende de internering";
   b) De bepaling onder 3° wordt opgeheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 235, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling IIIter. - [1 Wijziging van het koninklijk besluit nr. 236 van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerden]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 236, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 90/2. [1 In artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 236 van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerden, gewijzigd bij de wet van 19 december 2014, worden de woorden ", de directeur van een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering" ingevoegd tussen de woorden ""of adviseur-gevangenisdirecteur" en de woorden "of de directeur van een gemeenschapscentrum".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 237, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling IV.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 91.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 92.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 93.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 94.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 95.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 96.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 97.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 98.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 99.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 100.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 101.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 102.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 103.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 104.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 105.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 106.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 107.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 108.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 109.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 110.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 111.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 112.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 113.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 114.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 115.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 116.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 117.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 118.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 119.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 238, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling V. - Wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten

  Art. 120.Artikel 162 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt aangevuld als volgt :
  "48° de akten en vonnissen betreffende de procedures voor de [1 rechters voor de bescherming van de maatschappij]1 en de strafuitvoeringsrechtbanken, alsook de arresten gewezen als gevolg van een cassatieberoep tegen een beslissing van de [1 rechter voor de bescherming van de maatschappij]1 of de kamer voor de bescherming van de maatschappij."
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 239, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling VI. - Wijziging van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken

  Art. 121.[1 "In artikel 23bis, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, ingevoegd bij de wet van 17 mei 2006 en gewijzigd bij de wet van 15 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
   1° het lid wordt aangevuld met de woorden "of van de taal van het oudste vonnis of arrest dat de internering beveelt.";
   2° de woorden "of door artikel 3, 9° van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering" worden ingevoegd tussen het woord "strafuitvoeringsmodaliteiten" en de woorden ", dat in persoon".]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 240, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling VII. - Wijzigingen van de Wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen

  Art. 122.In artikel 8 van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, gewijzigd bij de wet van 26 mei 2005, worden de woorden "hoofdstuk II van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers" vervangen door de woorden "hoofdstuk II van titel III van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [1 ...]1".
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 240, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 123.Artikel 9 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Wanneer de maatregel uitgesproken in het buitenland gelijkaardig is aan die bedoeld in hoofdstuk II van titel III van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [1 ...]1, maakt de procureur des Konings de zaak onverwijld aanhangig bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij van de strafuitvoeringsrechtbank in wier rechtsgebied de geļnterneerde persoon zijn domicilie heeft, of bij ontstentenis daarvan de kamer voor de bescherming van de maatschappij van het rechtsgebied waar de betrokkene nog familiale of sociale banden heeft of waarin hij zijn sociale re-integratie wenst uit te werken, opdat deze de inrichting zou aanwijzen waar de internering zal plaatsvinden."
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 241, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 124. In artikel 16 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 mei 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de eerste zin worden de woorden "of, indien de in de verzoekende Staat opgelegde maatregel gelijkaardig is aan die welke bedoeld wordt in hoofdstuk II van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, de commissie voor de bescherming van de maatschappij" geschrapt;
  2° in de vierde zin worden de woorden "of in voorkomend geval, de commissie tot bescherming van de maatschappij" geschrapt.

  Art. 125.In artikel 20, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 mei 2005, worden de woorden "hoofdstuk II van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers" vervangen door de woorden "hoofdstuk II van titel III van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [1 ...]1".
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 241, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 126.Artikel 21 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 mei 2005, wordt vervangen als volgt :
  "Wanneer de in het buitenland uitgesproken maatregel gelijkaardig is aan die welke bedoeld wordt in hoofdstuk II van titel III van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [1 ...]1, maakt de procureur des Konings de zaak onverwijld aanhangig bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij van de strafuitvoeringsrechtbank in wier rechtsgebied de geļnterneerde persoon zijn domicilie heeft, of bij ontstentenis daarvan de kamer voor de bescherming van de maatschappij van het rechtsgebied waar de betrokkene nog familiale of sociale banden heeft of waarin hij zijn sociale re-integratie wenst uit te werken, opdat deze de inrichting zou aanwijzen waar de internering zal plaatsvinden."
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 241, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 127. Artikel 26, 1° van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 mei 2005, wordt aangevuld, na de woorden "voorwaardelijke invrijheidstelling", met de woorden "of de invrijheidstelling op proef".

  Afdeling VIII. - Wijzigingen van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke

  Art. 128.In artikel 1 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, gewijzigd bij de wet van 13 juni 2006, worden de woorden "de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers" vervangen door de woorden "de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [1 ...]1".
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 241, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling IX. - Wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt

  Art. 129.Artikel 19, eerste lid, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, gewijzigd bij wet van 7 december 1998, wordt vervangen als volgt :
  "De politiediensten houden toezicht op de geļnterneerde personen aan wie door de strafuitvoeringsrechtbank een in de artikelen 20, 21, 23, 24, 25 en 28 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [1 ...]1 bedoelde uitvoeringsmodaliteit van de internering werd toegekend. Zij houden eveneens toezicht op de naleving van de hen daartoe meegedeelde voorwaarden.".
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 241, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling X. - Wijzigingen van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis

  Art. 130.In artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, wordt een § 2bis ingelast :
  "De voorlopige invrijheidstelling kan ook worden aangevraagd door degene die aangehouden is op het ogenblik van zijn internering of van wie de onmiddellijke opsluiting is bevolen ter gelegenheid van de internering, conform artikel 10 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [1 ...]1, mits er tegen de internering zelf hoger beroep, verzet of cassatieberoep is aangetekend."
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 241, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling Xbis . - [1 Wijziging van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 242, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 130/1. [1 In artikel 2 van de wet van de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden worden de volgende wijzigingen aangebracht :
   a) in de bepaling onder 2° worden de woorden "en de internering van ter beschikking van de regering gestelde recidivisten, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten, gelast door de minister van Justitie op grond van artikel 25bis van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten" opgeheven;
   b) in de bepaling onder 3° worden de woorden "artikelen 7 en 21 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten" vervangen door de woorden "de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 243, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling Xter. [1 Wijzigingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische activiteiten met wapens]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 244, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 130/2. [1 In de artikelen 5, § 4, 1°, en 11, § 3, 4°, van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens worden de woorden "de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten" telkens vervangen door de woorden "de wet van 5 mei 2014 betreffende internering."]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 245, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling XI. - Wijziging van de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beėdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken

  Art. 131.In de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beėdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, wordt het hoofdstuk 4, dat artikel 19 bevat, vervangen als volgt :
  "Hoofdstuk 4. Wijziging van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [2 ...]2.
  Art. 19. In artikel 5, § 2, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [2 ...]2 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid aanvullen met de woorden "en die werd opgenomen in het [3 nationaal register voor gerechtsdeskundigen en beėdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken]3";
  2° [1 tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
   "Enkel in de gevallen en op de wijze bepaald in [3 artikel 555/15]3 van het Gerechtelijk Wetboek, kan het psychiatrisch deskundigenonderzoek uitgevoerd worden onder de leiding en de verantwoordelijkheid van een psychiater die geen houder is van de beroepstitel forensisch psychiater".]1.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 246, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 241, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (3)<W 2019-05-05/19, art. 68, 008; Inwerkingtreding : 29-06-2019>

  HOOFDSTUK III. - Opheffingsbepaling

  Art. 132. De wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten wordt opgeheven.

  Art. 133.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 247, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  HOOFDSTUK IV. - Overgangsbepalingen

  Art. 134.[1 Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 135, § 4, zijn de bepalingen van deze wet van toepassing op alle lopende zaken.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 248, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 135.§ 1. Bij de inwerkingtreding van [1 deze wet]1 worden alle dossiers van geļnterneerden waarvoor de commissies tot bescherming van de maatschappij bevoegd zijn ambtshalve en zonder kosten ingeschreven op de algemene rol van de bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij van de strafuitvoeringsrechtbank.
  § 2. De kamer voor de bescherming van de maatschappij van de strafuitvoeringsrechtbank neemt binnen een termijn van een jaar te rekenen van de inwerkingtreding van dit artikel overeenkomstig de artikelen 66 tot 75 een beslissing over de dossiers van de geļnterneerde personen die reeds meer dan [1 drie]1 jaar vrij op proef zijn.
  § 3. De beslissing tot internering van veroordeelden die door de minister van Justitie overeenkomstig artikel 21 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten werd genomen voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft geldig.
  [1 De artikelen 77/8, en 77/9 zijn van toepassing op de geļnterneerde veroordeelden. In afwijking van artikel 77/8, § 1, blijven de beslissingen tot plaatsing in inrichtingen vermeld onder artikel 3, 4°, d), genomen voor de inwerkingtreding van deze wet, geldig.
   De beslissingen tot toekenning van uitvoeringsmodaliteiten die vóór de inwerkingtreding van deze wet door de commissies voor de bescherming van de maatschappij zijn genomen, blijven geldig na de inwerkingtreding ervan.]1
  [1 § 3/1. Voor de personen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet zowel een veroordeling als een internering ondergaan, wordt binnen de zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet door de directeur een advies bezorgd aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij met het oog op de aanwijzing van de inrichting waar de internering zal plaatsvinden en de eventuele toekenning van uitvoeringsmodaliteiten.]1
  § 4. [1 De directeur of de verantwoordelijke voor de zorg stelt, overeenkomstig artikel 47, een advies op, ten vroegste vier en ten laatste zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet.
   Indien zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet geen advies werd uitgebracht, vat het openbaar ministerie de kamer voor de bescherming van de maatschappij.]1
  § 5. [1 De geļnterneerde personen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet geplaatst zijn in een inrichting die niet door de bevoegde overheid erkend is of waarmee geen overeenkomst betreffende de plaatsing is afgesloten, kunnen er geplaatst blijven na de inwerkingtreding van deze wet, tenzij de kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist tot plaatsing in een erkende instelling.
   Gedurende deze plaatsing zijn deze inrichtingen gehouden tot dezelfde verplichtingen als de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, d).
   Artikel 84 is op deze inrichtingen van toepassing.]1
  § 6. De [1 ...]1 hoge commissie tot bescherming van de maatschappij blijft [1 bevoegd]1 voor de zaken waarvoor de debatten aan de gang zijn, of die in beraad zijn.
  § 7. Eenieder die voor de inwerkingtreding van dit artikel het slachtoffer is van een als misdaad of wanbedrijf omschreven feit dat door een geļnterneerde is gepleegd, kan overeenkomstig artikel 4 een schriftelijk verzoek aan [1 de rechter voor de bescherming van de maatschappij]1 richten.
  Indien op het secretariaat van de Commissies tot Bescherming van de Maatschappij een slachtofferfiche voorhanden is, wordt de hierin opgenomen informatie ambtshalve overgemaakt aan [1 de rechter voor de bescherming van de maatschappij]1 die ze behandelt overeenkomstig artikel 4.
  § 8. De dossiers worden aan de griffier van de strafuitvoeringsrechtbank toegezonden door de secretarissen van de opgeheven commissies.
  § 9. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder de archieven van de opgeheven commissies tot bescherming van de maatschappij worden toevertrouwd aan de gerechten die hij aanwijst, en die daarvan uitgiften, afschriften en uittreksels kunnen afleveren.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 249, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 135/1.[1 Een examen met het oog op de werving van werkende en plaatsvervangende assessoren in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie, kan georganiseerd worden overeenkomstig het koninklijk besluit van 2 oktober 2006 tot vaststelling van de nadere regels voor de examens met het oog op de werving van werkende en plaatsvervangende assessoren in strafuitvoeringszaken gespecialiseerd in penitentiaire zaken en van werkende en plaatsvervangende assessoren gespecialiseerd in sociale re-integratie, vóór de inwerkingtreding van artikel 196bis van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij deze wet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-02-05/11, art. 216, 004; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  TITEL VIII. - Inwerkingtreding

  Art. 136.[1 Deze wet treedt in werking op [2 1 oktober 2016]2, met uitzondering van :
   1° artikel 6, § 1, tweede lid, dat in werking treedt op 1 januari 2020;
   2° artikel 135/1 en dit artikel die in werking treden op de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
   De Koning kan data van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de data vermeld in het eerste lid.]1
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 217, 004; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 250, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `s lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 5 mei 2014.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 05-05-2019 GEPUBL. OP 19-06-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 5)
  • originele versie
  • WET VAN 05-05-2019 GEPUBL. OP 24-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 12; 28; 34; 42; 43; 44; 46; F47; 51; 54; 57. 58; 61; 65; 66; 75; 77/1; 77/8; 81; 84)
  • originele versie
  • ARREST GRONDWETTELIJK HOF VAN 28-06-2018 GEPUBL. OP 30-07-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 22/1; 27; 76; 77; 77/8)
  • originele versie
  • WET VAN 06-07-2017 GEPUBL. OP 24-07-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 14; 29; 44; 47; 51; 54; 57; 58; 64; 65; 75; 76; 77; 77/8; 77/9; 78; 79; 81)
  • originele versie
  • WET VAN 04-05-2016 GEPUBL. OP 13-05-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : OPSCHRIFT; 3; 4; 5; 6; 7; 8; 9; 10; 11; 12; 13; 14; 15; 16; 17; 19; 20; 21; 22; 22/1; 23; 24; 26; 27; 28; 29; 30; 32; 34; 35; 36; 37; 40; 41; 42; 43; 44; 45; 46; 47; 48; 49; 50; 51; 53; 54; 55; 56; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 57; 58; 59; 60; 61; 62; 63; 64; 65; 66; 67; 68; 72; 73; 75; 76; 77; 77/1; 77/2; 77/3; 77/4; 77/5; 77/6; 77/7; 77/8; 77/9; ; 78; 79; 80; 81/1; 83; 84; 85; 87; 89; 90; 90/1; 90/2; 91-119; 120; 121; 122; 123; 125; 126; 130-132; 130/1; 130/2; 131; 133; 134; 135; 136)
  • originele versie
  • ARREST GRONDWETTELIJK HOF VAN 18-02-2016 GEPUBL. OP 18-04-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 79)
  • originele versie
  • WET VAN 01-02-2016 GEPUBL. OP 19-02-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 17; 26; 40; 48)
  • originele versie
  • WET VAN 05-02-2016 GEPUBL. OP 19-02-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 135/1; 136)
  • originele versie
  • WET VAN 19-10-2015 GEPUBL. OP 22-10-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 136)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
        Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 53-3527 Integraal Verslag : 22 en 23 april 2014 Senaat (www.senate.be) Stukken : 5-2001 Handelingen van de Senaat : 3 april 2014

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten 7 gearchiveerde versies
    Franstalige versie