J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 220 uitvoeringbesluiten 29 gearchiveerde versies
Erratum Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1986/08/14/1986016195/justel

Titel
14 AUGUSTUS 1986. - Wet betreffende de bescherming en het welzijn der dieren.
(NOTA : art. 6ter en 36 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij ORD 2018-01-25/16, art. 2-3; Inwerkingtreding : 01-01-2019)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-10-1991 en tekstbijwerking tot 22-02-2018) Zie wijziging(en)

Bron : LANDBOUW.JUSTITIE
Publicatie : 03-12-1986 nummer :   1986016195 bladzijde : 16382
Dossiernummer : 1986-08-14/34
Inwerkingtreding : 01-12-1987

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Doel - Begripsbepalingen.
Art. 1-3
Art. 3 WAALS GEWEST
Art. 3 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
HOOFDSTUK II. - Houden van dieren.
Art. 3bis, 4
Art. 4 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 5
Art. 5 WAALS GEWEST
Art. 5 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 6
Art. 6 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 6bis, 7-9
Art. 9 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 9bis BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 9ter BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 9/1 WAALS GEWEST
HOOFDSTUK III. - Handel in dieren.
Art. 10, 10bis, 11, 11bis
Art. 11bis WAALS GEWEST
Art. 12
Art. 12 WAALS GEWEST
Art. 12bis
HOOFDSTUK IV. - Vervoer van dieren.
Art. 13
HOOFDSTUK V. - Invoer. - Doorvoer.
Art. 14
HOOFDSTUK VI. - Doden van dieren.
Art. 15
Art. 15 WAALS GEWEST
Art. 16
Art. 16 WAALS GEWEST
Art. 16bis BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 16ter BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
HOOFDSTUK VII. - Ingrepen op dieren.
Art. 17, 17bis, 18-19
HOOFDSTUK VIII. - Dierproeven.
Art. 20-24
Art. 24 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 25-30, 30/1
HOOFDSTUK IX. - De Raad voor dierenwelzijn.
HOOFDSTUK IX. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST.
Art. 31
Art. 31 WAALS GEWEST
Art. 31 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 32
HOOFDSTUK X. - Verenigingen voor dierenbescherming.
Art. 33
Art. 33 WAALS GEWEST
HOOFDSTUK XI. - Strafbepalingen.
HOOFDSTUK XI. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST.
Afdeling 1. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST.
Art. 34
Art. 34 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 34 WAALS GEWEST
Afdeling 2. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST.
Art. 34bis.BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Afdeling 3.BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST.
Art. 34ter.BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 34quater.BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Afdeling 4.BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST.
Art. 35
Art. 35 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 35 WAALS GEWEST
Art. 36
Art. 36 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 36 WAALS GEWEST
Art. 36bis
Art. 36bis BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 36bis WAALS GEWEST
Art. 36ter BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 37
Art. 37 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 38
Art. 38 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 39
Art. 39 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 39 WAALS GEWEST
Art. 40-41
Art. 41 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 41 WAALS GEWEST
Art. 41bis
Art. 41bis BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 42
Art. 42 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 42 WAALS GEWEST
Art. 43
Art. 43 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Afdeling 5 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST.
Art. 43bis BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
HOOFDSTUK XI/1. [1 - Begrotingsfonds voor dierenbescherming en dierenwelzijn]1
Art. 43.1 WAALS GEWEST
Art. 43.2 WAALS GEWEST
Art. 43.3 WAALS GEWEST
HOOFDSTUK XII. - Slotbepalingen.
Art. 44-45, 45bis
Art. 45ter BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 45ter WAALS GEWEST
Art. 46

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Doel - Begripsbepalingen.

  Artikel 1. <W 2007-03-19/52, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 23-07-2007> Niemand mag, uitgezonderd bij overmacht, handelingen plegen die niet door deze wet zijn voorzien en waardoor een dier zonder noodzaak omkomt of zonder noodzaak een verminking, een letsel, of pijn ondergaat.

  Art. 2. (opgeheven) <W 1995-05-04/40, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>

  Art. 3.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
  1. (Hondenkwekerij : instelling waarin teven voor de kweek worden gehouden en honden worden verhandeld uit eigen nesten of nesten van andere kwekerijen, die voldoen aan de bepalingen van de wet.) <W 2007-05-11/63, art. 2, 1°, 012; Inwerkingtreding : 14-10-2007>
  2. (Kattenkwekerij : instelling waarin kattinnen voor de kweek worden gehouden en katten worden verhandeld uit eigen nesten of nesten van andere kwekerijen, die voldoen aan de bepalingen van de wet.) <W 2007-05-11/63, art. 2, 2°, 012; Inwerkingtreding : 14-10-2007>
  3. Dierenasiel: al dan niet openbare instelling die beschikt over de gepast inrichting om onderdak en nodige zorgen te verschaffen aan verloren, (achtergelaten, verwaarloosde, in beslag genomen of verbeurdverklaarde dieren); <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  4. Dierenpensioen: instelling waar gedurende beperkte tijd en tegen vergoeding, onderdak en nodige zorgen aan door hun eigenaar (toevertrouwde honden en katten) worden verleend; <W 2004-07-09/30, art. 218, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  5. Handelszaak voor dieren: instelling, met uitzondering van het landbouwbedrijf, al dan niet toegankelijk voor het publiek, waar dieren worden gehouden met het doel ze te verhandelen;
  6. Markt: officieel erkende plaats waar verzamelingen van dieren worden gehouden met het doel die te verhandelen;
  7. Tentoonstelling: verzameling van dieren gehouden met het doel de eigenschappen der dieren te laten beoordelen en vergelijken of ze ten edukatieve titel voor te stellen en waarvan het hoofddoel niet van handelsaard is;
  8. (verhandelen : in de handel brengen; te koop aanbieden; houden, verwerven, vervoeren, tentoonstellen met het oog op verkoop; ruilen; verkopen; ten kosteloze of bezwarende titel afstaan;) <W 2004-07-09/30, art. 218, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  9. (dierentuin : elke voor het publiek toegankelijke inrichting waar levende dieren van niet gedomesticeerde soorten worden gehouden om te worden tentoongesteld, met inbegrip van dierenparken, safariparken, dolfinaria, aquaria en gespecialiseerde verzamelingen, evenwel met uitzondering van circussen, rondreizende tentoonstellingen en handelszaken voor dieren of andere inrichtingen aangeduid door de Koning en voor diegene waar de Koning voorwaarden kan vaststellen voor het houden en verzorgen van de dieren;) <W 2004-07-09/30, art. 218, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  10. (opgeheven) <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  11. (opgeheven) <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  12. (opgeheven) <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  13. Doden: elke handeling waarbij opzettelijk een einde wordt gemaakt aan het leven van een dier;
  14. Slachten: het doden van een landbouwhuisdier met het oog op het verbruik;
  15. [1 Proefdier :
   15.1. de levende koppotigen gebruikt of bestemd om te worden gebruikt in dierproeven, of die specifiek worden gehouden opdat hun organen of weefsels voor wetenschappelijke doeleinden kunnen worden gebruikt;
   15.2. de levende niet-menselijke gewervelden gebruikt of bestemd om te worden gebruikt in dierproeven, of die specifiek worden gehouden opdat hun organen of weefsels voor wetenschappelijke doeleinden kunnen worden gebruikt, met inbegrip van hun zich zelfstandig voedende larvale vormen, alsook foetale vormen van zoogdieren met ingang van het laatste derde deel van hun normale ontwikkeling;
   15.3. Deze definitie is ook van toepassing op dieren die in dierproeven gebruikt worden en die zich in een vroeger ontwikkelingsstadium dan het in het punt 15.2. genoemde bevinden indien deze dieren voorbij dat ontwikkelingsstadium in leven dienen te blijven en tengevolge van de uitgevoerde dierproeven gevaar lopen om na het bereiken van dat stadium pijn, lijden, angst of blijvende schaden te ondervinden;
   16. Dierproef : elk al dan niet invasief gebruik van een dier voor experimentele of andere wetenschappelijke doeleinden, waarvan het resultaat bekend of onbekend is, of voor onderwijskundige doeleinden, die bij het dier evenveel of meer pijn, lijden, angst of blijvende schade kan veroorzaken als het inbrengen van een naald volgens goed diergeneeskundig vakmanschap. Dit omvat iedere handeling waarvan het doel of het mogelijke gevolg de geboorte of het uit het ei breken van een dier is, dan wel het in een dergelijke toestand brengen en houden van een genetisch gemodificeerde dierenvariëteit, maar omvat niet het doden van dieren met als enig doel het gebruik van hun organen of weefsels;
   17. Project : elk werkprogramma met een welomschreven wetenschappelijk doel dat een of meer dierproeven omvat;
   18. Inrichting : elke installatie, elk gebouw, elke groep van gebouwen of elk ander pand, met inbegrip van ruimten die niet volledig zijn afgeperkt of overdekt, alsook verplaatsbare voorzieningen;]1
  [1 19. Proefleider : elke persoon die de leiding heeft over een dierproef;
   20. Gebruiker : elke natuurlijke persoon of elke rechtspersoon die, al dan niet met winstoogmerk, dieren in proeven gebruikt;
   21. Fokker : elke natuurlijke persoon of elke rechtspersoon die door de Koning te bepalen dieren fokt teneinde hen te gebruiken in proeven of hun weefsels of organen voor wetenschappelijke doeleinden te gebruiken, of die hoofdzakelijk voor die doeleinden andere dieren fokt, al dan niet met winstoogmerk;
   22. Leverancier : elke natuurlijke persoon of elke rechtspersoon die geen fokker is en die dieren levert voor gebruik in proeven of voor het gebruik van hun weefsels of organen voor wetenschappelijke doeleinden, al dan niet met winstoogmerk.]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 3_WAALS_GEWEST.
   Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
  1. (Hondenkwekerij : instelling waarin teven voor de kweek worden gehouden en honden worden verhandeld uit eigen nesten of nesten van andere kwekerijen, die voldoen aan de bepalingen van de wet.) <W 2007-05-11/63, art. 2, 1°, 012; Inwerkingtreding : 14-10-2007>
  2. (Kattenkwekerij : instelling waarin kattinnen voor de kweek worden gehouden en katten worden verhandeld uit eigen nesten of nesten van andere kwekerijen, die voldoen aan de bepalingen van de wet.) <W 2007-05-11/63, art. 2, 2°, 012; Inwerkingtreding : 14-10-2007>
  3. Dierenasiel: al dan niet openbare instelling die beschikt over de gepast inrichting om onderdak en nodige zorgen te verschaffen aan verloren, (achtergelaten, verwaarloosde, in beslag genomen of verbeurdverklaarde dieren); <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  4. Dierenpensioen: instelling waar gedurende beperkte tijd en tegen vergoeding, onderdak en nodige zorgen aan door hun eigenaar (toevertrouwde honden en katten) worden verleend; <W 2004-07-09/30, art. 218, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  5. Handelszaak voor dieren: instelling, met uitzondering van het landbouwbedrijf, al dan niet toegankelijk voor het publiek, waar dieren worden gehouden met het doel ze te verhandelen;
  6.[2 6° Dierenmarkt : verzameling van dieren gehouden met het doel die te verhandelen;]2
  [2 6/1. Gemeenteljke markt : bijeenkomst van ambulante handelaars die, op vaste periodes, op een openbare plaats erkend door het gemeentebestuur waren te koop aanbieden;]2
  7.[2 7. Tentoonstelling van dieren : verzameling van dieren gehouden met het doel de eigenschappen van de dieren te laten beoordelen of ze ten edukatieve titel te vergelijken of voor te stellen en waarvan het hoofddoel niet van handelsaard is;]2
  8. (verhandelen : in de handel brengen; te koop aanbieden; houden, verwerven, vervoeren, tentoonstellen met het oog op verkoop; ruilen; verkopen; ten kosteloze of bezwarende titel afstaan;) <W 2004-07-09/30, art. 218, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  9. (dierentuin : elke voor het publiek toegankelijke inrichting waar levende dieren van niet gedomesticeerde soorten worden gehouden om te worden tentoongesteld, met inbegrip van dierenparken, safariparken, dolfinaria, aquaria en gespecialiseerde verzamelingen, evenwel met uitzondering van circussen, rondreizende tentoonstellingen en handelszaken voor dieren of andere inrichtingen aangeduid door de Koning en voor diegene waar de Koning voorwaarden kan vaststellen voor het houden en verzorgen van de dieren;) <W 2004-07-09/30, art. 218, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  10. (opgeheven) <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  11. (opgeheven) <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  12. (opgeheven) <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  13. [3 Doden : elk opzettelijk toegepast procédé dat de dood van een dier veroorzaakt;]3
  14. [3 Slachten : het doden van dieren bestemd voor menselijk verbruik ;]3
  [3 14.1 Verdoven: elk opzettelijk toegepast procédé dat een pijnloos bewustzijns- en gevoeligheidsverlies veroorzaakt, met inbegrip van elk procédé waarbij de dood onmiddellijk intreedt;]3
  15. [1 Proefdier :
   15.1. de levende koppotigen gebruikt of bestemd om te worden gebruikt in dierproeven, of die specifiek worden gehouden opdat hun organen of weefsels voor wetenschappelijke doeleinden kunnen worden gebruikt;
   15.2. de levende niet-menselijke gewervelden gebruikt of bestemd om te worden gebruikt in dierproeven, of die specifiek worden gehouden opdat hun organen of weefsels voor wetenschappelijke doeleinden kunnen worden gebruikt, met inbegrip van hun zich zelfstandig voedende larvale vormen, alsook foetale vormen van zoogdieren met ingang van het laatste derde deel van hun normale ontwikkeling;
   15.3. Deze definitie is ook van toepassing op dieren die in dierproeven gebruikt worden en die zich in een vroeger ontwikkelingsstadium dan het in het punt 15.2. genoemde bevinden indien deze dieren voorbij dat ontwikkelingsstadium in leven dienen te blijven en tengevolge van de uitgevoerde dierproeven gevaar lopen om na het bereiken van dat stadium pijn, lijden, angst of blijvende schaden te ondervinden;
   16. Dierproef : elk al dan niet invasief gebruik van een dier voor experimentele of andere wetenschappelijke doeleinden, waarvan het resultaat bekend of onbekend is, of voor onderwijskundige doeleinden, die bij het dier evenveel of meer pijn, lijden, angst of blijvende schade kan veroorzaken als het inbrengen van een naald volgens goed diergeneeskundig vakmanschap. Dit omvat iedere handeling waarvan het doel of het mogelijke gevolg de geboorte of het uit het ei breken van een dier is, dan wel het in een dergelijke toestand brengen en houden van een genetisch gemodificeerde dierenvariëteit, maar omvat niet het doden van dieren met als enig doel het gebruik van hun organen of weefsels;
   17. Project : elk werkprogramma met een welomschreven wetenschappelijk doel dat een of meer dierproeven omvat;
   18. Inrichting : elke installatie, elk gebouw, elke groep van gebouwen of elk ander pand, met inbegrip van ruimten die niet volledig zijn afgeperkt of overdekt, alsook verplaatsbare voorzieningen;]1
  [1 19. Proefleider : elke persoon die de leiding heeft over een dierproef;
   20. Gebruiker : elke natuurlijke persoon of elke rechtspersoon die, al dan niet met winstoogmerk, dieren in proeven gebruikt;
   21. Fokker : elke natuurlijke persoon of elke rechtspersoon die door de Koning te bepalen dieren fokt teneinde hen te gebruiken in proeven of hun weefsels of organen voor wetenschappelijke doeleinden te gebruiken, of die hoofdzakelijk voor die doeleinden andere dieren fokt, al dan niet met winstoogmerk;
   22. Leverancier : elke natuurlijke persoon of elke rechtspersoon die geen fokker is en die dieren levert voor gebruik in proeven of voor het gebruik van hun weefsels of organen voor wetenschappelijke doeleinden, al dan niet met winstoogmerk.]1
  
----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (2)<DWG 2015-10-16/07, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 06-11-2015>
  (3)<DWG 2017-05-18/04, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Art. 3_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
  1. (Hondenkwekerij : instelling waarin teven voor de kweek worden gehouden en honden worden verhandeld uit eigen nesten of nesten van andere kwekerijen, die voldoen aan de bepalingen van de wet.) <W 2007-05-11/63, art. 2, 1°, 012; Inwerkingtreding : 14-10-2007>
  2. (Kattenkwekerij : instelling waarin kattinnen voor de kweek worden gehouden en katten worden verhandeld uit eigen nesten of nesten van andere kwekerijen, die voldoen aan de bepalingen van de wet.) <W 2007-05-11/63, art. 2, 2°, 012; Inwerkingtreding : 14-10-2007>
  3. Dierenasiel: al dan niet openbare instelling die beschikt over de gepast inrichting om onderdak en nodige zorgen te verschaffen aan verloren, (achtergelaten, verwaarloosde, in beslag genomen of verbeurdverklaarde dieren); <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  4. Dierenpensioen: instelling waar gedurende beperkte tijd en tegen vergoeding, onderdak en nodige zorgen aan door hun eigenaar (toevertrouwde honden en katten) worden verleend; <W 2004-07-09/30, art. 218, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  5. Handelszaak voor dieren: instelling, met uitzondering van het landbouwbedrijf, al dan niet toegankelijk voor het publiek, waar dieren worden gehouden met het doel ze te verhandelen;
  6. Markt: officieel erkende plaats waar verzamelingen van dieren worden gehouden met het doel die te verhandelen;
  7. Tentoonstelling: verzameling van dieren gehouden met het doel de eigenschappen der dieren te laten beoordelen en vergelijken of ze ten edukatieve titel voor te stellen en waarvan het hoofddoel niet van handelsaard is;
  8. (verhandelen : in de handel brengen; te koop aanbieden; houden, verwerven, vervoeren, tentoonstellen met het oog op verkoop; ruilen; verkopen; ten kosteloze of bezwarende titel afstaan;) <W 2004-07-09/30, art. 218, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  9. (dierentuin : elke voor het publiek toegankelijke inrichting waar levende dieren van niet gedomesticeerde soorten worden gehouden om te worden tentoongesteld, met inbegrip van dierenparken, safariparken, dolfinaria, aquaria en gespecialiseerde verzamelingen, evenwel met uitzondering van circussen, rondreizende tentoonstellingen en handelszaken voor dieren of andere inrichtingen aangeduid door de Koning en voor diegene waar de Koning voorwaarden kan vaststellen voor het houden en verzorgen van de dieren;) <W 2004-07-09/30, art. 218, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  10. (opgeheven) <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  11. (opgeheven) <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  12. (opgeheven) <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  13. Doden: elke handeling waarbij opzettelijk een einde wordt gemaakt aan het leven van een dier;
  14. Slachten: het doden van een landbouwhuisdier met het oog op het verbruik;
  15. [1 Proefdier :
   15.1. de levende koppotigen gebruikt of bestemd om te worden gebruikt in dierproeven, of die specifiek worden gehouden opdat hun organen of weefsels voor wetenschappelijke doeleinden kunnen worden gebruikt;
   15.2. de levende niet-menselijke gewervelden gebruikt of bestemd om te worden gebruikt in dierproeven, of die specifiek worden gehouden opdat hun organen of weefsels voor wetenschappelijke doeleinden kunnen worden gebruikt, met inbegrip van hun zich zelfstandig voedende larvale vormen, alsook foetale vormen van zoogdieren met ingang van het laatste derde deel van hun normale ontwikkeling;
   15.3. Deze definitie is ook van toepassing op dieren die in dierproeven gebruikt worden en die zich in een vroeger ontwikkelingsstadium dan het in het punt 15.2. genoemde bevinden indien deze dieren voorbij dat ontwikkelingsstadium in leven dienen te blijven en tengevolge van de uitgevoerde dierproeven gevaar lopen om na het bereiken van dat stadium pijn, lijden, angst of blijvende schaden te ondervinden;
   16. Dierproef : elk al dan niet invasief gebruik van een dier voor experimentele of andere wetenschappelijke doeleinden, waarvan het resultaat bekend of onbekend is, of voor onderwijskundige doeleinden, die bij het dier evenveel of meer pijn, lijden, angst of blijvende schade kan veroorzaken als het inbrengen van een naald volgens goed diergeneeskundig vakmanschap. Dit omvat iedere handeling waarvan het doel of het mogelijke gevolg de geboorte of het uit het ei breken van een dier is, dan wel het in een dergelijke toestand brengen en houden van een genetisch gemodificeerde dierenvariëteit, maar omvat niet het doden van dieren met als enig doel het gebruik van hun organen of weefsels;
   17. Project : elk werkprogramma met een welomschreven wetenschappelijk doel dat een of meer dierproeven omvat;
   18. Inrichting : elke installatie, elk gebouw, elke groep van gebouwen of elk ander pand, met inbegrip van ruimten die niet volledig zijn afgeperkt of overdekt, alsook verplaatsbare voorzieningen;]1
  [1 19. Proefleider : elke persoon die de leiding heeft over een dierproef;
   20. Gebruiker : elke natuurlijke persoon of elke rechtspersoon die, al dan niet met winstoogmerk, dieren in proeven gebruikt;
   21. Fokker : elke natuurlijke persoon of elke rechtspersoon die door de Koning te bepalen dieren fokt teneinde hen te gebruiken in proeven of hun weefsels of organen voor wetenschappelijke doeleinden te gebruiken, of die hoofdzakelijk voor die doeleinden andere dieren fokt, al dan niet met winstoogmerk;
   22. Leverancier : elke natuurlijke persoon of elke rechtspersoon die geen fokker is en die dieren levert voor gebruik in proeven of voor het gebruik van hun weefsels of organen voor wetenschappelijke doeleinden, al dan niet met winstoogmerk;]1
  [3 23. Wetboek van inspectie : Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid ;
   24. Instituut : het Brussels Instituut voor Milieubeheer, opgericht bij koninklijk besluit van 8 maart 1989 tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer.]3
  
----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (3)<ORD 2017-05-11/08, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  HOOFDSTUK II. - Houden van dieren.

  Art. 3bis.<ingevoegd bij W 1995-05-04/40, art. 3, 004; Inwerkingtreding : onbepaald> § 1. Het is verboden dieren te houden die niet behoren tot de soorten of categorieën vermeld op een door de Koning vastgestelde lijst. Deze lijst doet geen afbreuk aan de wetgeving betreffende de bescherming van bedreigde diersoorten.
  § 2. In afwijking van § 1 mogen dieren van andere soorten of categorieën dan die aangewezen door de Koning worden gehouden :
  1° in dierentuinen;
  2° door laboratoria;
  3° a) door particulieren, op voorwaarde dat zij bewijzen kunnen voorleggen dat de dieren werden gehouden voor de inwerkingtreding van het in dit artikel bedoelde besluit. Dit bewijs moet niet worden voorgelegd voor de nakomelingen van deze dieren, op voorwaarde dat ze zich bij de eerste eigenaar bevinden;
  b) door particulieren erkend door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn), op advies van het in artikel 5, § 2, tweede lid, bedoelde comité van deskundigen. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  De Koning bepaalt de procedure voor de toepassing van het bepaalde in a) en b). [1 Hij bepaalt tevens het tarief en de regels voor de betaling van de retributie voor het aanvragen van de erkenning bedoeld in b).]1 Hij kan bovendien bijzondere voorwaarden vaststellen voor het houden en het identificeren van de bedoelde dieren;
  4° door dierenartsen, voor zover het dieren van derden betreft die tijdelijk gehouden worden voor diergeneeskundige verzorging;
  5° door dierenasielen, voor zover het een (...) verblijf betreft van dieren die in beslag zijn genomen, waarvan afstand werd gedaan of die aangetroffen werden zonder dat vastgesteld kon worden wie de houder ervan is; <W 2004-07-09/30, art. 219, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  6° door handelszaken voor dieren, voor zover zij de dieren gedurende korte tijd houden en voor zover vooraf een schriftelijke overeenkomst met natuurlijke personen of rechtspersonen bedoeld in de punten 1°, 2°, 3° b) en 7 °, werd gesloten;
  7° [2 ...]2
  § 3. Onverminderd de afwijkingen voorzien in § 2, kan de Koning het houden van door hem aangewezen dieren van andere soorten of categorieën verbieden aan sommige van de in § 2 opgesomde natuurlijke personen of rechtspersonen.
  ----------
  (1)<W 2009-05-06/03, art. 80, 013; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<W 2014-02-07/16, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 10-03-2014>

  Art. 4.§ 1. Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de nodige maatregelen nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domestikatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen.
  § 2. Niemand mag de bewegingsvrijheid van het dier dat hij houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, zodanig beperken dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels is blootgesteld.
  Wanneer een dier gewoonlijk of voortdurend wordt vastgemaakt of opgesloten, moet het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften.
  [1 § 2/1. De paardachtigen die buiten worden gehouden, kunnen opgestald worden of, indien dit niet het geval is, beschikken over een natuurlijke beschutting of een schuilhok.]1
  § 3. De verlichting, de temperatuur, de vochtigheidsgraad, de verluchting, de luchtcirculatie en de overige milieuvoorwaarden van het verblijf der dieren moeten overeenstemmen met de fysiologische en ethologische behoeften van de soort.
  § 4. Ter uitvoering van §§ 2 en 3, en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk VIII kan de Koning voor de verschillende soorten en categorieën van dieren nadere regelen stellen.
  § 5. De in artikel 33 bedoelde overheidspersonen zijn gemachtigd de nodige maatregelen te treffen of op te leggen om de verplichtingen voortvloeiend uit de § § 1, 2, 3 en 4 onverwijld te doen naleven.
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 4, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 4_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   § 1. Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de nodige maatregelen nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domestikatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen.
  § 2. Niemand mag de bewegingsvrijheid van het dier dat hij houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, zodanig beperken dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels is blootgesteld.
  Wanneer een dier gewoonlijk of voortdurend wordt vastgemaakt of opgesloten, moet het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften.
  [1 § 2/1. De paardachtigen die buiten worden gehouden, kunnen opgestald worden of, indien dit niet het geval is, beschikken over een natuurlijke beschutting of een schuilhok.]1
  § 3. De verlichting, de temperatuur, de vochtigheidsgraad, de verluchting, de luchtcirculatie en de overige milieuvoorwaarden van het verblijf der dieren moeten overeenstemmen met de fysiologische en ethologische behoeften van de soort.
  § 4. Ter uitvoering van §§ 2 en 3, en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk VIII kan de Koning voor de verschillende soorten en categorieën van dieren nadere regelen stellen.
  § 5. De [2 in artikel 34 bedoelde personeelsleden]2 zijn gemachtigd de nodige maatregelen te treffen of op te leggen om de verplichtingen voortvloeiend uit de § § 1, 2, 3 en 4 onverwijld te doen naleven.
  
----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 4, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (2)<ORD 2017-05-11/08, art. 3, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 5.§ 1. (Onverminderd de wetgeving op de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven is voor de uitbating van hondenkwekerijen, kattenkwekerijen, dierenasielen, dierenpensions, handelszaken voor dieren, markten en dierentuinen een erkenning vereist van (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) ofwel van de overheden die de Koning aanwijst) <W 1995-05-04/40, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  [1 De gegevens van de in toepassing van het voorgaande lid erkende inrichting worden openbaar gemaakt.]1
  § 2. De Koning stelt, afhankelijk van de aard van de inrichting, van de gehouden diersoorten en van het aantal gehouden dieren, de voorwaarden vast van de erkenning van de in § 1 bedoelde inrichtingen, met betrekking tot hun aanleg en uitrusting, de hygiëne, veiligheid en identificatie der dieren, evenals de diergeneeskundige controle en begeleiding.
  De Koning kan voor de erkenning van (dierentuinen) die voorwaarden vaststellen op advies van een door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) opgericht comité van deskundigen. <W 1995-05-04/40, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  (De Koning kan bekwaamheidsvoorwaarden opleggen voor personen die dieren houden en verzorgen in de in § 1 vermelde instellingen.) <W 1995-05-04/40, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  § 3. Voor alle erkenningen wordt door (de Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu), al dan niet door deskundigen bijgestaan, (of naar gelang van het geval, het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen,) op kosten van de verzoekers vooraf een onderzoek ingesteld. <KB 2001-02-22/33, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <W 2003-12-22/42, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  ((De Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu) stelt, al dan niet bijgestaan door deskundigen, (of naar gelang van het geval, het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen,) voor elke erkenning vooraf een onderzoek in. De kosten voortvloeiend uit de erkenning zijn, dierenasielen uitgezonderd, ten laste van de verzoekers. De Koning stelt de bedragen van deze kosten vast.) <W 1995-05-04/40, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <KB 2001-02-22/33, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <W 2003-12-22/42, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  § 4. (Wanneer een van de in artikel 42 bedoelde maatregelen wordt genomen in een in § 1 bedoelde inrichting, brengt de Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu daar onverwijld verslag over uit aan de minister die bevoegd is voor het welzijn der dieren. Dat verslag hoeft niet te worden opgemaakt als de Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu besluit tot de teruggave tegen waarborgsom.
  De Minister kan de erkenning van de inrichting intrekken. Dat brengt voor de eigenaar of de houder die de betrokken inrichting beheert en er een direct toezicht uitoefent op de dieren, gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd of definitief het verbod met zich om een nieuwe erkenning aan te vragen. Bovendien mag deze laatste gedurende de betrokken periode geen inrichting bedoeld in artikel 5, § 1, beheren noch er een direct toezicht uitoefenen op de dieren.) <Hersteld bij W 2004-06-23/44, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 13-11-2004>
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 5_WAALS_GEWEST.
  § 1. (Onverminderd de wetgeving op de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven is voor de uitbating van hondenkwekerijen, kattenkwekerijen, dierenasielen, dierenpensions, handelszaken voor dieren, [2 dierenmarkten]2 en dierentuinen een erkenning vereist van (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) ofwel van de overheden die de Koning aanwijst) <W 1995-05-04/40, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  [1 De gegevens van de in toepassing van het voorgaande lid erkende inrichting worden openbaar gemaakt.]1
  § 2. De Koning stelt, afhankelijk van de aard van de inrichting, van de gehouden diersoorten en van het aantal gehouden dieren, de voorwaarden vast van de erkenning van de in § 1 bedoelde inrichtingen, met betrekking tot hun aanleg en uitrusting, de hygiëne, veiligheid en identificatie der dieren, evenals de diergeneeskundige controle en begeleiding.
  De Koning kan voor de erkenning van (dierentuinen) die voorwaarden vaststellen op advies van een door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) opgericht comité van deskundigen. <W 1995-05-04/40, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  (De Koning kan bekwaamheidsvoorwaarden opleggen voor personen die dieren houden en verzorgen in de in § 1 vermelde instellingen.) <W 1995-05-04/40, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  § 3. Voor alle erkenningen wordt door (de Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu), al dan niet door deskundigen bijgestaan, (of naar gelang van het geval, het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen,) op kosten van de verzoekers vooraf een onderzoek ingesteld. <KB 2001-02-22/33, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <W 2003-12-22/42, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  ((De Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu) stelt, al dan niet bijgestaan door deskundigen, (of naar gelang van het geval, het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen,) voor elke erkenning vooraf een onderzoek in. De kosten voortvloeiend uit de erkenning zijn, dierenasielen uitgezonderd, ten laste van de verzoekers. De Koning stelt de bedragen van deze kosten vast.) <W 1995-05-04/40, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <KB 2001-02-22/33, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <W 2003-12-22/42, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  § 4. (Wanneer een van de in artikel 42 bedoelde maatregelen wordt genomen in een in § 1 bedoelde inrichting, brengt de Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu daar onverwijld verslag over uit aan de minister die bevoegd is voor het welzijn der dieren. Dat verslag hoeft niet te worden opgemaakt als de Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu besluit tot de teruggave tegen waarborgsom.
  De Minister kan de erkenning van de inrichting intrekken. Dat brengt voor de eigenaar of de houder die de betrokken inrichting beheert en er een direct toezicht uitoefent op de dieren, gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd of definitief het verbod met zich om een nieuwe erkenning aan te vragen. Bovendien mag deze laatste gedurende de betrokken periode geen inrichting bedoeld in artikel 5, § 1, beheren noch er een direct toezicht uitoefenen op de dieren.) <Hersteld bij W 2004-06-23/44, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 13-11-2004>

  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (2)<DWG 2015-10-16/07, art. 2, 022; Inwerkingtreding : 06-11-2015>

  Art. 5_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   § 1. (Onverminderd de wetgeving op de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven is voor de uitbating van hondenkwekerijen, kattenkwekerijen, dierenasielen, dierenpensions, handelszaken voor dieren, markten en dierentuinen een erkenning vereist van (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) ofwel van de overheden die de Koning aanwijst) <W 1995-05-04/40, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  [1 De gegevens van de in toepassing van het voorgaande lid erkende inrichting worden openbaar gemaakt.]1
  § 2. De Koning stelt, afhankelijk van de aard van de inrichting, van de gehouden diersoorten en van het aantal gehouden dieren, de voorwaarden vast van de erkenning van de in § 1 bedoelde inrichtingen, met betrekking tot hun aanleg en uitrusting, de hygiëne, veiligheid en identificatie der dieren, evenals de diergeneeskundige controle en begeleiding.
  De Koning kan voor de erkenning van (dierentuinen) die voorwaarden vaststellen op advies van een door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) opgericht comité van deskundigen. <W 1995-05-04/40, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  (De Koning kan bekwaamheidsvoorwaarden opleggen voor personen die dieren houden en verzorgen in de in § 1 vermelde instellingen.) <W 1995-05-04/40, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  § 3. Voor alle erkenningen wordt door [3 het Instituut]3 op kosten van de verzoekers vooraf een onderzoek ingesteld. <KB 2001-02-22/33, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <W 2003-12-22/42, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  ([3 Het Instituut]3 stelt [3 ...]3) voor elke erkenning vooraf een onderzoek in. De kosten voortvloeiend uit de erkenning zijn, dierenasielen uitgezonderd, ten laste van de verzoekers. De Koning stelt de bedragen van deze kosten vast.) <W 1995-05-04/40, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <KB 2001-02-22/33, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <W 2003-12-22/42, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  § 4. (Wanneer een van de in [3 artikel 34quater]3 bedoelde maatregelen wordt genomen in een in § 1 bedoelde inrichting, brengt [3 het Instituut]3 daar onverwijld verslag over uit aan de minister die bevoegd is voor het welzijn der dieren. Dat verslag hoeft niet te worden opgemaakt als [3 het Instituut]3 besluit tot de teruggave tegen waarborgsom.
  De Minister kan de erkenning van de inrichting intrekken. Dat brengt voor de eigenaar of de houder die de betrokken inrichting beheert en er een direct toezicht uitoefent op de dieren, gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd of definitief het verbod met zich om een nieuwe erkenning aan te vragen. Bovendien mag deze laatste gedurende de betrokken periode geen inrichting bedoeld in artikel 5, § 1, beheren noch er een direct toezicht uitoefenen op de dieren.) <Hersteld bij W 2004-06-23/44, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 13-11-2004>
  
----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (3)<ORD 2017-05-11/08, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 6.(§ 1.) De Koning kan, al naargelang van de categorieën en soorten der tentoongestelde dieren, maatregelen voorschrijven om hun welzijn tijdens tentoonstellingen te verzekeren. <W 1995-05-04/40, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  (§ 2. De Koning kan maatregelen voorschrijven tot het waarborgen van het welzijn van dieren die tot vermaak van het publiek worden gebruikt [1 ...]1 op kermissen, wedstrijden en bij andere gelegenheden. Hij kan bovendien bekwaamheidsvoorwaarden opleggen voor de personen die de bedoelde dieren houden en verzorgen.
  § 3. Hij kan de wijze bepalen waarop de organisatoren van wedstrijden en hun aangestelden alsmede de personen aangewezen door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn), met de door Hem aangewezen overheidspersonen samenwerken om de controle van deze wedstrijden, in het bijzonder de maatregelen bedoeld in § 2 en op het gebruik van de stoffen bedoeld in artikel 36, 2°, te organiseren.) <W 1995-05-04/40, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  ----------
  (1)<W 2014-02-07/16, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 10-03-2014>

  Art. 6_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   (§ 1.) De Koning kan, al naargelang van de categorieën en soorten der tentoongestelde dieren, maatregelen voorschrijven om hun welzijn tijdens tentoonstellingen te verzekeren. <W 1995-05-04/40, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  (§ 2. De Koning kan maatregelen voorschrijven tot het waarborgen van het welzijn van dieren die tot vermaak van het publiek worden gebruikt [1 ...]1 op kermissen, wedstrijden en bij andere gelegenheden. Hij kan bovendien bekwaamheidsvoorwaarden opleggen voor de personen die de bedoelde dieren houden en verzorgen.
  § 3. Hij kan de wijze bepalen waarop de organisatoren van wedstrijden en hun aangestelden alsmede de personen aangewezen door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn), met de [2 in artikel 34 bedoelde personeelsleden]2 samenwerken om de controle van deze wedstrijden, in het bijzonder de maatregelen bedoeld in § 2 en op het gebruik van de stoffen bedoeld in artikel 36, 2°, te organiseren.) <W 1995-05-04/40, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  
----------
  (1)<W 2014-02-07/16, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 10-03-2014>
  (2)<ORD 2017-05-11/08, art. 5, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 6bis. [1 § 1. In afwijking van artikel 3bis zijn het houden en het gebruik van dieren in circussen en rondreizende tentoonstellingen verboden.
   § 2. De Koning stelt de lijst vast van gedomesticeerde dieren die, in afwijking van § 1, gehouden en gebruikt kunnen worden in circussen en rondreizende tentoonstellingen. Hij bepaalt de voorwaarden voor de vrijwaring van het welzijn van deze dieren. Deze voorwaarden hebben betrekking op de administratieve en technische voorwaarden aangaande de identificatie van de dieren en hun eigenaar, de diergeneeskundige begeleiding, de verzorging, de huisvesting, het vervoer en de vaccinatiestatus van de dieren, de omgang met de dieren, het aantal en de bekwaamheid van het personeel en de standplaatsen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-07/16, art. 4, 018; Inwerkingtreding : 10-03-2014>

  Art. 7.<W 2003-12-22/42, art. 226, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004> De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, maatregelen treffen voor het identificeren en registreren van honden en katten evenals voor het vermijden van overbevolking bij deze diersoorten. Hij bepaalt het tarief van de retributies voor de identificatie en registratie van honden en katten, die ten laste komen van de eigenaar of verantwoordelijke van het dier. [1 Voor wat betreft de registratie van honden wordt de retributie voor de initiële registratie verhoogd met een bijdrage van vier euro die eveneens ten laste komt van de eigenaar of verantwoordelijke van het dier. De Koning bepaalt de wijze waarop de retributies en de bijdrage geïnd worden.]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/06, art. 20, 016; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 8. (opgeheven) <W 1995-05-04/40, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>

  Art. 9. § 1. Ieder persoon die een zwervend, verloren of achtergelaten dier opvangt, is verplicht dit binnen de vier dagen toe te vertrouwen aan het gemeentebestuur van de plaats waar hij het dier heeft opgevangen of dat van zijn woonplaats.
  Het gemeentebestuur vertrouwt het dier zonder verwijl en naargelang van het geval, toe aan een persoon die het een behoorlijke verzorging en huisvesting verzekert, aan een dierenasiel (of dierentuin). <W 1995-05-04/40, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  Het gemeentebestuur kan een dierenasiel aanwijzen, waaraan de dieren rechtstreeks kunnen worden toevertrouwd door hen die ze hebben opgevangen. Aan de in het eerste lid gestelde verplichting is voldaan wanneer het dier aan een door het gemeentebestuur aangewezen dierenasiel wordt toevertrouwd. Dat asiel stelt onmiddellijk het gemeentebestuur in kennis van de ontvangst van het dier.
  § 2. Het dier toevertrouwd aan een dierenasiel (of dierentuin) moet ten minste vijftien dagen na de besteding ter beschikking van de eigenaar worden gehouden. <W 1995-05-04/40, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  Indien het dier door het gemeentebestuur of door het asiel toevertrouwd of afgestaan wordt aan een persoon, moet deze er zich toe verbinden het ten minste vijfenveertig dagen, te rekenen vanaf het ogenblik dat het aan het gemeentebestuur werd toevertrouwd, ter beschikking te houden van zijn vroegere eigenaar.
  (De in het tweede lid bedoelde termijn bedraagt vijftien dagen als het gaat om een hond.) <W 2007-03-01/60, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 23-07-2007>
  Na het verstrijken van die termijnen wordt de houder er van rechtswege eigenaar van.
  (De eigenaar van een zwervend, verloren of achtergelaten dier is vergoeding verschuldigd voor de opname, de verzorgings- en de hoedekosten ongeacht of de eigenaar het dier al of niet terugeist. De kosten worden teruggevorderd door het dierenasiel bedoeld in artikel 9, § 1, derde lid. Als het dier door de gemeente geplaatst werd bij een persoon, in een dierentuin of een ander asiel dan dat of die bedoeld in artikel 9, § 1, derde lid, dan zullen de kosten voor hun rekening worden teruggevorderd door het gemeentebestuur.) <W 1995-05-04/40, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  § 3. (De in § 2 gestelde termijnen moeten niet in acht worden genomen wanneer een dierenarts oordeelt dat het dier moet worden gedood. In dit geval moeten de identificatiegegevens van het dier, aangevuld met de redenen van euthanasie bijgehouden worden ten behoeve van de vroegere eigenaar van het dier.) <W 1995-05-04/40, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  § 4. Wanneer het dier niet besteed kan worden in de zin van § 1, 2e lid, kan de burgemeester beslissen het te laten doden overeenkomstig de richtlijnen van (de Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu), onder dezelfde voorwaarden als bepaald in § 3. <W 2003-12-22/42, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  Als het echter een slachtdier betreft, wordt er door de zorg van de Administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, der Registratie en Domeinen overgegaan tot de veiling ervan op de naastgelegen markt.
  De opbrengst van de verkoop wordt, na aftrek van de kosten van het gemeentebestuur en van de verkoop door datzelfde Bestuur begroot, in de Deposito- en Consignatiekas gestort.
  § 5. De eigenaar van het dier kan heen recht op vergoeding laten gelden.

  Art. 9_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   § 1. Ieder persoon die een zwervend, verloren of achtergelaten dier opvangt, is verplicht dit binnen de vier dagen toe te vertrouwen aan het gemeentebestuur van de plaats waar hij het dier heeft opgevangen of dat van zijn woonplaats.
  Het gemeentebestuur vertrouwt het dier zonder verwijl en naargelang van het geval, toe aan een persoon die het een behoorlijke verzorging en huisvesting verzekert, aan een dierenasiel (of dierentuin). <W 1995-05-04/40, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  Het gemeentebestuur kan een dierenasiel aanwijzen, waaraan de dieren rechtstreeks kunnen worden toevertrouwd door hen die ze hebben opgevangen. Aan de in het eerste lid gestelde verplichting is voldaan wanneer het dier aan een door het gemeentebestuur aangewezen dierenasiel wordt toevertrouwd. Dat asiel stelt onmiddellijk het gemeentebestuur in kennis van de ontvangst van het dier.
  § 2. Het dier toevertrouwd aan een dierenasiel (of dierentuin) moet ten minste vijftien dagen na de besteding ter beschikking van de eigenaar worden gehouden. <W 1995-05-04/40, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  Indien het dier door het gemeentebestuur of door het asiel toevertrouwd of afgestaan wordt aan een persoon, moet deze er zich toe verbinden het ten minste vijfenveertig dagen, te rekenen vanaf het ogenblik dat het aan het gemeentebestuur werd toevertrouwd, ter beschikking te houden van zijn vroegere eigenaar.
  (De in het tweede lid bedoelde termijn bedraagt vijftien dagen als het gaat om een hond.) <W 2007-03-01/60, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 23-07-2007>
  Na het verstrijken van die termijnen wordt de houder er van rechtswege eigenaar van.
  (De eigenaar van een zwervend, verloren of achtergelaten dier is vergoeding verschuldigd voor de opname, de verzorgings- en de hoedekosten ongeacht of de eigenaar het dier al of niet terugeist. De kosten worden teruggevorderd door het dierenasiel bedoeld in artikel 9, § 1, derde lid. Als het dier door de gemeente geplaatst werd bij een persoon, in een dierentuin of een ander asiel dan dat of die bedoeld in artikel 9, § 1, derde lid, dan zullen de kosten voor hun rekening worden teruggevorderd door het gemeentebestuur.) <W 1995-05-04/40, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  § 3. (De in § 2 gestelde termijnen moeten niet in acht worden genomen wanneer een dierenarts oordeelt dat het dier moet worden gedood. In dit geval moeten de identificatiegegevens van het dier, aangevuld met de redenen van euthanasie bijgehouden worden ten behoeve van de vroegere eigenaar van het dier.) <W 1995-05-04/40, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  § 4. Wanneer het dier niet besteed kan worden in de zin van § 1, 2e lid, kan de burgemeester beslissen het te laten doden overeenkomstig de richtlijnen [1 van het Instituut]1, onder dezelfde voorwaarden als bepaald in § 3. <W 2003-12-22/42, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  Als het echter een slachtdier betreft, wordt er door de zorg van de Administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, der Registratie en Domeinen overgegaan tot de veiling ervan op de naastgelegen markt.
  De opbrengst van de verkoop wordt, na aftrek van de kosten van het gemeentebestuur en van de verkoop door datzelfde Bestuur begroot, in de Deposito- en Consignatiekas gestort.
  § 5. De eigenaar van het dier kan heen recht op vergoeding laten gelden.

  ----------
  (1)<ORD 2017-05-11/08, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 9bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 Het houden van dieren uitsluitend of voornamelijk voor de productie van pels is verboden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-05-11/08, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 9ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 Het dwangvoederen van dieren is verboden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-07-27/05, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 17-09-2017>

  Art. 9/1_WAALS_GEWEST.
  [1 Het bezit van dieren uitsluitend en voornamelijk voor de productie van pels is verboden.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2015-01-22/03, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 09-02-2015>

  HOOFDSTUK III. - Handel in dieren.

  Art. 10. <W 1995-05-04/40, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> De Koning kan voorwaarden opleggen aan de verhandeling van dieren met het doel hen te beschermen en hun welzijn te verzekeren.
  Deze voorwaarden mogen slechts betrekking hebben op de leeftijd van de te koop aangeboden dieren, de identificatie, de informatie aan de koper, de waarborgen aan de koper en de getuigschriften in verband hiermede, de preventieve behandeling tegen ziekten, de verpakking, de aanbieding en de tentoonstelling voor de verhandeling.

  Art. 10bis. <Ingevoegd bij W 2007-05-11/63, art. 3; Inwerkingtreding : 14-10-2007> Het is verboden een kredietovereenkomst te sluiten in de zin van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet met het oog op de aankoop van een gezelschapsdier.

  Art. 11. Het is verboden dieren af te staan onder kosteloze of bezwarende titel aan personen minder dan 16 jaar zonder de uitdrukkelijke toelating van de personen die over hen het ouderlijke gezag of de voogdij uitoefenen.

  Art. 11bis. <ingevoegd bij W 1995-05-04/40, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> Het is verboden reclame te maken, daarin begrepen het plaatsen van advertenties, met het oog op het verhandelen van diersoorten die niet voorkomen in de lijst aangelegd in toepassing van artikel 3bis, § 1.
  De verbodsbepaling van het eerste lid betreft eveneens honden en katten, tenzij het gaat om advertenties in vaktijdschriften of wanneer de reclame wordt gemaakt door personen die een erkende instelling bezitten als bedoeld in artikel 5.

  Art. 11bis_WAALS_GEWEST.
  [1 § 1. De publiciteit met het oog op het verhandelen van een dier wordt alleen toegelaten indien het om een publiciteit in een gespecialiseerd tijdschrift of op een gespecialiseerde website gaat.
   Wanneer een lijst overeenkomstig artikel 3bis, § 1, wordt opgemaakt, wordt de publiciteit met het oog op het verhandelen van een dier bovendien alleen toegelaten voor de diersoorten die vermeld worden in de lijst. In dat geval mag enkel publiciteit worden gemaakt in het gespecialiseerde tijdschrift of op de gespecialiseerde website bedoeld in het eerste lid, die ofwel :
   1° door de Regering of haar gemachtigde volgens de door haar/hem bepaalde procedure als gespecialiseerd erkend wordt;
   2° door of voor de Waalse Overheidsdienst uitgegeven wordt;
   3° door een erkende honden- of kattenfokker uitgegeven wordt met het oog op het verhandelen van de honden of katten geboren in zijn fokkerij;
   4° de verhandeling van de paardachtigen beoogt.
   Overeenkomstig het eerste lid wordt verstaan onder gespecialiseerd tijdschrift of gespecialiseerde website: een tijdschrift of een website die een regelmatig bijgewerkte redactionele inhoud omvat in verband met het houden, de fokkerij of de verhandeling van de dieren en waarvan de advertenties uitsluitend verband houden met de verhandeling van dieren of van goederen en diensten die rechtstreeks daarop betrekking hebben.
   § 2. In afwijking van § 1 wordt de publiciteit met het oog op het verhandelen van een dier ook buiten een gespecialiseerd tijdschrift of een gespecialiseerde website toegelaten indien het gaat om een publiciteit:
   1° afkomstig van een erkend dierenasiel voor het herplaatsen van dieren;
   2° in een tijdschrift of op een website bestemd voor de landbouwsector met het oog op de verhandeling van dieren voor productiedoeleinden;
   3° in de andere gevallen bepaald door de Regering.
   § 3. De Regering bepaalt de verplichte vermeldingen en informatie die gevoegd zijn bij de advertenties met het oog op de verhandeling van dieren.]1

  ----------
  (1)<DWG 2016-11-10/05, art. 1, 025; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Art. 12. <W 1995-05-04/40, art. 11, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1996> Het is verboden honden en katten te verhandelen op de openbare weg alsmede op markten, beurzen, salons, tentoonstellingen en bij soortgelijke gelegenheden evenals bij de koper thuis, tenzij in dit laatste geval het initiatief van de koper zelf uitgaat.
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit het in het eerste lid ingestelde verbod uitbreiden tot andere soorten of categorieën van dieren. Hij kan evenwel ontheffing van dit laatste verbod verlenen voor het verhandelen op markten door personen die een erkende handelszaak voor dieren exploiteren.
  (Om impulsaankopen tegen te gaan en de socialisatie van honden en katten te bevorderen, mogen in de winkelruimte of hun aanhorigheden van de handelszaken voor de verhandeling van dieren geen katten of honden gehouden of tentoongesteld worden. Deze handelszaken kunnen evenwel optreden als tussenpersoon bij het verhandelen van katten en honden.
  De in het vorige lid bedoelde bepaling belet evenwel niet dat de eigenaar of de uitbater van een handelszaak voor dieren tevens een hondenkwekerij of een kattenkwekerij kan uitbaten, mits te voldoen aan de vereiste voorwaarden.
  De Koning kan de nodige bijkomende maatregelen uitvaardigen.) <W 2007-05-11/63, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2009, met uitzondering van het laatste lid dat in werking treedt op 04-10-2007>

  Art. 12_WAALS_GEWEST.
  [1 Art. 12. § 1. Het is verboden :
   1° en hond of een kat te verhandelen op een openbare plaats;
   2° andere dieren dan een hond of en kat te verhandelen op een openbare plaats, met uitzondering van een dierenmarkt, een gemeentelijke markt en een tentoonstelling van dieren en dit, met inachtneming van de voorwaarden betreffende het dierenwelzijn die de Regering kan vastleggen;
   3° een dier bij de koper thuis te verhandelen, tenzij het initiatief van de koper zelf uitgaat.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, kan de Regering de lijst opmaken van de soorten die niet op een gemeentelijke markt mogen worden verhandeld.
   § 2. Een hond of een kat mag niet in de winkelruimte van een handelszaak voor dieren of in zijn aanhorigheden worden gehouden.
   De handelszaak bedoeld in het eerstel lid kan optreden als tussenpersoon bij het verhandelen van honden en katten of een hondenkwekerij of een kattenkwekerij apart uitbaten, mits te voldoen aan de vereiste voorwaarden.]1

  ----------
  (1)<DWG 2015-10-16/07, art. 3, 022; Inwerkingtreding : 06-11-2015>

  Art. 12bis. [1 De Koning kan voorwaarden opleggen aan personen en verenigingen die voor adoptie bestemde dieren aanvoeren vanuit het buitenland.
   Deze voorwaarden hebben tot doel het welzijn van de dieren te garanderen en hebben betrekking op de huisvestingsvoorwaarden in het land van oorsprong, de leeftijd, de sterilisatie, de behandeling tegen ziekten, het gedrag, de identificatie, de informatie aan de adoptanten en het vervoer.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-07/16, art. 5, 018; Inwerkingtreding : 10-03-2014>

  HOOFDSTUK IV. - Vervoer van dieren.

  Art. 13.§ 1. De Koning kan, al naargelang van de soorten of groepen van dieren, hun fysieke toestand, de aard van de vervoermiddelen en de verpakking de aard, de duur en de omstandigheden van het vervoer, voorwaarden stellen met betrekking tot:
  1. de vervoermiddelen of delen ervan en de verpakkingen;
  2. (...) het laden en de berging van dieren in vervoermiddelen en verpakkingen, evenals het lossen van dieren; <W 1995-05-04/40, art. 12, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  3. de begeleiding en de verzorging van de dieren tijdens het vervoer.
  (4. het vervoer, daarin begrepen de duur, de afstand en de omstandigheden;
  5. De documenten die moeten worden bijgehouden.) <W 1995-05-04/40, art. 12, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  [1 6. [2 de bekwaamheid van bestuurders en verzorgers en van het personeel dat in verzamelcentra, controleposten of bij vervoerders omgaat met dieren, het organiseren van een opleiding voor deze personen en de lesgevers die deze opleiding mogen verstrekken;]2
   7. het organiseren van examens over de vereiste vakbekwaamheid van bestuurders en verzorgers. Hij bepaalt het tarief van de retributie voor deelname aan deze examens. Deze retributie wordt geïnd door en is bestemd voor de onafhankelijke erkende instellingen die deze examens organiseren.]1
  [2 8. het afleveren, schorsen en intrekken van het getuigschrift van vakbekwaamheid voor bestuurders en verzorgers.]2
  § 2. De Koning kan (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) of zijn gemachtigde machtigen om in bijzondere gevallen ontheffingen of vrijstellingen te verlenen, en om aan die ontheffingen of vrijstellingen verplichtingen of beperkingen te verbinden. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  ----------
  (1)<W 2010-05-19/06, art. 24, 015; Inwerkingtreding : 12-06-2010>
  (2)<W 2014-02-07/16, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 10-03-2014>

  HOOFDSTUK V. - Invoer. - Doorvoer.

  Art. 14. § 1. In het raam van de bescherming en het welzijn der dieren kan de Koning de voorwaarden voor de in- en doorvoer van dieren bepalen inzonderheid betreffende de diersoorten, hun aantal, de afleveringsvoorwaarden van de vergunningen en de kontrole aan de grenzen, de maatregelen te treffen op het ogenblik van de aankomst met het oog op de afhaling, verzorging en tijdelijke onderbrenging gelet op de fyzieke toestand van de dieren, evenals de vergoedingen hiervoor verschuldigd door de door hem aangewezen personen.
  § 2. In toepassing van internationale verdragen of in bijzondere gevallen kan de Koning (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) machtigen al naargelang van het geval samen met de Minister van Economische Zaken of de Minister van Financiën, of hun gemachtigden, afwijkingen of ontheffingen te verlenen en aan die afwijkingen of ontheffingen verplichtingen of beperkingen te verbinden. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>

  HOOFDSTUK VI. - Doden van dieren.

  Art. 15. Een gewerveld dier mag slechts worden gedood door een persoon die daarvoor de nodige kennis en bekwaamheid heeft en volgens de minst pijnlijke methode. Tenzij in geval van heirkracht en noodzaak mag het enkel ter dood gebracht worden onder verdoving of bedwelming.
  Is het doden van een gewerveld dier zonder verdoving of bedwelming volgens de gebruiken van de jacht of de visvangst of op grond van andere rechtsvoorschriften toegelaten, of gebeurt dit in het kader van de wetgeving ter bestrijding van schadelijke organismen, dan mag het doden enkel verricht worden volgens de meest selectieve, de snelste en de voor het dier minst pijnlijke methode.

  Art. 15_WAALS_GEWEST.
  [1 Een gewerveld dier mag slechts worden gedood door een persoon die daarvoor de nodige kennis en bekwaamheid heeft en volgens de meest selectieve, de snelste en de minst pijnlijke methode.
   Een gewerveld dier wordt enkel gedood na verdoving of bedwelming, behoudens:
   1° overmacht ;
   2° beoefenen van jacht of visvangst ;
   3° bestrijding van schadelijke organismen.
   Indien het doden van dieren het voorwerp uitmaakt van bijzondere slachtmethodes, voorgeschreven door de ritus van een eredienst, moet het bedwelmingsprocédé omkeerbaar zijn en mag het niet de dood van het dier tot gevolg hebben.]1

  ----------
  (1)<DWG 2017-05-18/04, art. 2, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Art. 16.§ 1. Het slachten mag slechts na bedwelming van het dier of, in geval van heirkracht, volgens de minst pijnlijke methode plaatshebben.
  (De bepalingen van hoofdstuk VI van deze wet, artikel 16, § 2, tweede lid, uitgezonderd, zijn evenwel niet van toepassing op slachtingen voorgeschreven door de ritus van een eredienst.) <W 1995-05-04/40, art. 13, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  § 2. De Koning kan de methoden van slachten en bedwelmen bepalen volgens de omstandigheden van het slachten en de diersoort.
  (De Koning kan bepalen dat sommige slachtingen voorgeschreven door de ritus van een eredienst moeten worden uitgevoerd in erkende slachthuizen of in inrichtingen erkend (door de Minister tot wiens bevoegdheid het dierenwelzijn behoort na advies van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen), door offeraars die daartoe zijn gemachtigd door de vertegenwoordigers van de eredienst.) <W 1995-05-04/40, art. 13, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <KB 2001-02-22/33, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [1 § 3. De Koning kan voorwaarden vaststellen aan :
   1. de opleiding van de functionaris voor het dierenwelzijn en het personeel werkzaam in de slachthuizen en van personen betrokken bij het doden van pelsdieren, en de organisatie van deze opleiding;
   2. het organiseren van examens over de vereiste vakbekwaamheid van de in de bepaling onder 1. genoemde personen;
   3. het afleveren, schorsen en intrekken van voorlopige en definitieve getuigschriften van vakbekwaamheid aan de in de bepaling onder 1. genoemde personen;
   4. de bouw, inrichting en uitrusting van slachthuizen.]1
  ----------
  (1)<W 2014-02-07/16, art. 7, 018; Inwerkingtreding : 10-03-2014>

  Art. 16_WAALS_GEWEST.
  [1 De Regering stelt de voorwaarden en de nadere regels vast voor :
   1° de bekwaamheid van het personeel werkzaam in de slachthuizen en van de personen die deelnemen aan het doden van de dieren, met inbegrip van het invoeren van vormingen en examens, evenals het afleveren, het intrekken en het opschorten van in dat kader afgeleverde getuigschriften;
   2° de kwalificatie van de personen die gemachtigd zijn om het doden van een dier uit te voeren;
   3° de controle van de slachtvoorwaarden ;
   4° de bouw, inrichting en uitrusting van slachthuizen ;
   5° het gebruik van producten of materieel bestemd voor het doden van dieren.]1

  ----------
  (1)<DWG 2017-05-18/04, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Art. 16bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 Het doden en slachten van schapen, geiten, varkens en gekweekt wild voor particulier huishoudelijk verbruik door de eigenaar ervan of door een persoon onder de verantwoordelijkheid en het toezicht van de eigenaar buiten een slachthuis of een op grond van artikel 16, § 2, tweede lid, erkende inrichting is verboden.]1

  ----------
  (1)<ORD 2018-01-25/17, art. 3, 029; Inwerkingtreding : 04-03-2018>

  Art. 16ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 Slachten in de kwekerij is echter mogelijk wanneer een beroep wordt gedaan op een mobiele voorziening die de normen voor gezondheid en dierenwelzijn in acht neemt.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2018-01-25/17, art. 3, 029; Inwerkingtreding : 04-03-2018>

  HOOFDSTUK VII. - Ingrepen op dieren.

  Art. 17. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de in hoofdstuk VIII bedoelde dierproeven.

  Art. 17bis. <ingevoegd bij W 1995-05-04/40, art. 14, 004; Inwerkingtreding : 01-10-2001> § 1. Het is verboden één of meer ingrepen bij een gewerveld dier te verrichten, waarbij één of meerdere gevoelige delen van het lichaam worden verwijderd of beschadigd.
  § 2. Het bepaalde in § 1 is niet van toepassing op :
  1° ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat;
  2° ingrepen die op grond van de wetgeving inzake de dierenziektenbestrijding verplicht zijn;
  3° ingrepen met het oog op het nutsgebruik van het dier of op de beperking van de voortplanting van de diersoort. De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de lijst van deze ingrepen vast en bepaalt de gevallen waarin en de wijze waarop die ingrepen mogen worden uitgevoerd.

  Art. 18. § 1. Geen enkele pijnlijke ingreep mag bij een gewerveld dier verricht worden zonder verdoving.
  (De verdoving van een warmbloedig dier moet uitgevoerd worden door een dierenarts, behoudens in de gevallen waarin de verantwoordelijke of de diergeneeskundige helper daartoe gemachtigd is overeenkomstig de artikelen 5, 2°, 6 of 7 van de wet op de uitoefening van de diergeneeskunde.) <W 1991-08-28/37, art. 31, 002; Inwerkingtreding : 25-10-1991>
  § 2. Een verdoving is niet noodzakelijk:
  1. wanneer bij vergelijkbare ingrepen bij mensen geen verdoving plaatsheeft;
  2. wanneer ze in een bijzonder geval, volgens het oordeel van de dierenarts, niet uitvoerbaar is.
  § 3. In afwijking van de bepalingen van § 1 kan de Koning de ingrepen waarvoor verdoving onder bepaalde voorwaarden niet noodzakelijk is, evenals de daarbij te gebruiken methoden, vaststellen.

  Art. 19. <W 1995-05-04/40, art. 15, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> § 1. Vanaf 1 januari 2000 is het verboden om deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden met dieren waarbij een bij artikel 17bis verboden ingreep is verricht.
  § 2. Het is verboden een dier dat een bij artikel 17bis verboden ingreep heeft ondergaan tot een tentoonstelling, keuring of wedstrijd toe te laten.
  § 3. Het verhandelen van dieren waarbij een bij artikel 17bis verboden ingreep is verricht, is verboden.
  § 4. De bepalingen van de voorafgaande paragrafen zijn niet van toepassing indien bewijzen kunnen worden voorgelegd dat de ingreep is verricht voor het van kracht worden van het in artikel 17bis bedoelde verbod.

  HOOFDSTUK VIII. - Dierproeven.

  Art. 20.§ 1. Elke dierproef die niet beantwoordt aan (de voorwaarden gesteld in dit hoofdstuk) is verboden. <W 1995-05-04/40, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  [1 Proefdieren die in een andere lidstaat rechtmatig zijn gefokt of gehouden, kunnen worden aangeleverd of gebruikt en de producten die zijn ontwikkeld door gebruikmaking van deze dieren kunnen in de handel worden gebracht.]1
  § 2. De koninklijke besluiten die volledig of ten dele betrekking hebben op proefdieren, worden in Ministerraad overlegd.
  § 3. [1 De Koning kan de dierproeven die Hij bepaalt toelaten of verbieden. Hij kan ook de doeleinden omschrijven waarvoor dierproeven uitsluitend mogen worden gebruikt alsook de methoden voor het doden van de dieren.]1
  [1 § 4. De Koning kan bepaalde dierproeven verbieden om dubbel gebruik te vermijden tenzij verder onderzoek vereist is ter bescherming van de volksgezondheid, de veiligheid en het milieu.]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 6, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 21.[1 § 1. Elke gebruiker is onderworpen aan een voorafgaandelijke erkenning door de voor het Dierenwelzijn bevoegde minister. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden van deze erkenning, alsook de procedure voor het verlenen, het schorsen en het intrekken van de erkenning.
   Hij kan daarenboven bijkomende voorwaarden voorschrijven met betrekking tot de bestemming van dieren eenmaal de dierproeven waarin deze dieren gebruikt werden, zijn beëindigd.
   § 2. Ethische commissies worden opgericht bij de gebruikers. De Koning bepaalt de samenstelling, de werking en de opdrachten van deze ethische commissies.
   Ethische commissies worden goedgekeurd en gecontroleerd door de voor dierenwelzijn bevoegde dienst. De Koning bepaalt de regels met betrekking tot de goedkeuring en de controle van de ethische commissies.
   § 3. De Koning wijst een bevoegde instantie aan die belast wordt met het vergunnen van projecten.
   Geen enkel project mag worden uitgevoerd zonder dat er vooraf een vergunning is voor verleend.
   Een project mag alleen worden uitgevoerd indien de projectevaluatie gunstig is.
   In dit verband legt de Koning voorwaarden en evaluatiecriteria vast waaraan een project moet voldoen alsook de procedures voor het verlenen, het wijzigen, het vernieuwen, het schorsen en het intrekken van de vergunning voor een project. De Koning bepaalt dat deze voorwaarden verplichtingen kunnen inhouden ten aanzien van de verantwoordelijken voor de projecten.
   De Koning legt ook de voorwaarden vast van de beoordeling na afloop van een project en die van de niet-technische samenvatting van een project.
   § 4. De Koning richt een instantie op, die "Dierenwelzijnscel" wordt genoemd en die belast wordt met het dierenwelzijn bij fokkers, leveranciers en gebruikers. Hij bepaalt de samenstelling, de werking en opdrachten ervan.]1
  ----------
  (1)<W 2014-02-07/16, art. 8, 018; Inwerkingtreding : 10-03-2014>

  Art. 22.[1 Fokkers en leveranciers zijn onderworpen aan een voorafgaandelijke erkenning door de minister bevoegd voor het dierenwelzijn. Artikel 23 is ook op die inrichtingen van toepassing.
   De minister kan de erkenning schorsen of intrekken.]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 8, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 23.§ 1. (De Koning kan regelen vaststellen betreffende de herkomst van de proefdieren en bijzondere voorwaarden bepalen met betrekking tot het houden van proefdieren van verschillende categorieën. Hij kan bovendien regelen voorschrijven om de herkomst van de dieren vast te stellen en te controleren. Honden en katten moeten echter in een register worden ingeschreven, met de vermelding van hun herkomst.) <W 1995-05-04/40, art. 18, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  § 2. [1 De gebruikers die bij het uitvoeren van dierproeven gebruik maken van paarden, honden, katten, varkens, herkauwers of primaten moeten een dierenarts aanwijzen, deskundig op het domein van de proefdiergeneeskunde, die belast wordt met de bescherming van de gezondheid en het welzijn van die dieren.]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 9, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 24.[1 § 1. Dierproeven worden beperkt tot het strikt noodzakelijke.
   § 2. Er mag geen dierproef worden uitgevoerd indien het nagestreefde resultaat kan worden verkregen met behulp van een andere methode of beproevingsstrategie waarbij geen levende dieren worden gebruikt en die in de wetgeving van de Europese Unie is erkend.
   § 3. In geval van verschillende mogelijkheden worden de proeven geselecteerd die aan het grootste aantal van de volgende eisen voldoen :
   1° er wordt een zo gering mogelijk aantal dieren gebruikt;
   2° de betrokken dieren zijn dieren die het minst gevoelig zijn voor pijn, lijden, angst of blijvende schade;
   3° de betrokken proeven berokkenen het minste pijn, lijden, angst of blijvende schade;
   4° de betrokken proeven leveren naar verwachting de meest bevredigende resultaten op.
   § 4. Dierproeven worden als toepasselijk steeds onder algemene of plaatselijke verdoving uitgevoerd en er worden pijnstillers of andere gepaste methoden gebruikt om de pijn, het lijden en de angst tot een minimum beperken.
   Procedures die zware letsels toebrengen die hevige pijn kunnen veroorzaken, worden niet zonder verdoving uitgevoerd.
   Verdoving dient niet te worden toegepast indien geoordeeld wordt dat dit voor het dier meer traumatiserend is dan de procedure zelf of indien de verdoving onverenigbaar is met het doel van de dierproef.
   Er mogen aan dieren geen stoffen worden toegediend waardoor zij niet meer, of slechts in verminderde mate, in staat zijn pijn te tonen bij te lichte verdoving of te geringe pijnstilling. In die gevallen waar de toediening van een dergelijke stof wel noodzakelijk is, wordt voorzien in een wetenschappelijke motivering, vergezeld van nadere gegevens over het verdovings- of pijnstillingsprotocol.
   De dieren die pijn kunnen lijden als de verdoving eenmaal is uitgewerkt, worden preventief en postoperatief behandeld met pijnstillers of andere geschikte pijnbestrijdingsmethoden, voor zover dit verenigbaar is met het doel van de dierproef.
   Zodra het doel van de dierproef is bereikt, worden gepaste maatregelen genomen om het lijden van het dier tot een minimum te beperken.
   § 5. De dood als eindpunt van een dierproef wordt zoveel mogelijk vermeden en vervangen door in een vroege fase aangepaste eindpunten.
   Wanneer de dood als eindpunt onvermijdelijk is, wordt de dierproef zo opgezet dat zo weinig mogelijk dieren sterven en de duur en intensiteit van het lijden voor het dier zo gering mogelijk worden gehouden, en de dood, voor zover mogelijk, pijnloos is.]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 24_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [1 § 1. Dierproeven worden beperkt tot het strikt noodzakelijke.
   § 2. Er mag geen dierproef worden uitgevoerd indien het nagestreefde resultaat kan worden verkregen met behulp van een andere methode of beproevingsstrategie waarbij geen levende dieren worden gebruikt en die in de wetgeving van de Europese Unie is erkend.
   § 3. In geval van verschillende mogelijkheden worden de proeven geselecteerd die aan het grootste aantal van de volgende eisen voldoen :
   1° er wordt een zo gering mogelijk aantal dieren gebruikt;
   2° de betrokken dieren zijn dieren die het minst gevoelig zijn voor pijn, lijden, angst of blijvende schade;
   3° de betrokken proeven berokkenen het minste pijn, lijden, angst of blijvende schade;
   4° de betrokken proeven leveren naar verwachting de meest bevredigende resultaten op.
   § 4. Dierproeven worden als toepasselijk steeds onder algemene of plaatselijke verdoving uitgevoerd en er worden pijnstillers of andere gepaste methoden gebruikt om de pijn, het lijden en de angst tot een minimum beperken.
   Procedures die zware letsels toebrengen die hevige pijn kunnen veroorzaken, worden niet zonder verdoving uitgevoerd.
   Verdoving dient niet te worden toegepast indien geoordeeld wordt dat dit voor het dier meer traumatiserend is dan de procedure zelf of indien de verdoving onverenigbaar is met het doel van de dierproef.
   Er mogen aan dieren geen stoffen worden toegediend waardoor zij niet meer, of slechts in verminderde mate, in staat zijn pijn te tonen bij te lichte verdoving of te geringe pijnstilling. In die gevallen waar de toediening van een dergelijke stof wel noodzakelijk is, wordt voorzien in een wetenschappelijke motivering, vergezeld van nadere gegevens over het verdovings- of pijnstillingsprotocol.
   De dieren die pijn kunnen lijden als de verdoving eenmaal is uitgewerkt, worden preventief en postoperatief behandeld met pijnstillers of andere geschikte pijnbestrijdingsmethoden, voor zover dit verenigbaar is met het doel van de dierproef.
   Zodra het doel van de dierproef is bereikt, worden gepaste maatregelen genomen om het lijden van het dier tot een minimum te beperken.
   § 5. [2 De dood als eindpunt van een dierproef moet zoveel mogelijk worden vermeden en worden vervangen door in een vroege fase vaststelbare, humane eindpunten. Ingeval de dood niet vermijdbaar is als eindpunt, verloopt de dierproef als volgt :
   a) door het veroorzaken van de dood van zo weinig mogelijk dieren ; en
   b) door zoveel mogelijk de duur en de intensiteit van het lijden van het dier te verminderen en, zoveel als kan, een dood zonder pijn te verzekeren.]2]1
  
----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (2)<ORD 2018-01-25/15, art. 2, 028; Inwerkingtreding : 04-03-2018>

  Art. 25.[1 De gebruiker, de fokker of de leverancier wijst een persoon aan die verantwoordelijk is voor de naleving van de voorwaarden van de erkenning en voor het verstrekken van de door de Koning vastgestelde en door de minister bevoegd voor het dierenwelzijn vereiste administratieve of statistische inlichtingen.]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 11, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 26. § 1. De proefleider is verantwoordelijk voor de dierproeven die hij uitvoert. (Hij moet beschikken over een universitair diploma waarbij een fundamentele kennis van de medische of biologische wetenschappen wordt gewaarborgd.) <W 2004-07-09/30, art. 221, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  Hij moet in elk geval de kennis en bekwaamheid bezitten die nodig zijn voor het uitvoeren van de dierproeven.
  (De Koning kan bijkomende regelen vaststellen met betrekking tot de vorming en de opleiding van de proefleider.) <W 1995-05-04/40, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  § 2. De proefleider is verantwoordelijk voor het treffen van de maatregelen in verband met de nazorg der dieren.
  Wanneer hij gebruik maakt van paarden, honden, katten, varkens, herkauwers of primaten, doet hij hiertoe beroep op een dierenarts.

  Art. 27.[1 De Koning bepaalt de aard en de vorm van de documenten die de gebruiker, de fokker, de leverancier of de proefleider bijhoudt, evenals de wijze waarop ze opgemaakt worden.]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 12, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 28. De Koning richt een comité van deskundigen op dat tot taak heeft de deontologische problemen in verband met dierproeven te bestuderen. Hij bepaalt de samenstelling en de werking ervan. De middens van het wetenschappelijk en medisch onderzoek moeten erin vertegenwoordigd zijn. De leden van het comité zijn door het beroepsgeheim gebonden.

  Art. 29.[1 De Koning kan regels vaststellen in verband met de opleiding en kwalificatie van het personeel van gebruikers, fokkers en leveranciers.]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 13, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 30.§ 1er. [1 Dierproeven van didactische aard zijn slechts toegestaan in het hoger onderwijs en voor zover ze onmisbaar zijn voor de vorming van de studenten en niet door andere evenwaardige didactische methoden kunnen worden vervangen.]1
  § 2. De Koning kan de voorwaarden bepalen voor het ondernemen van dierproeven met het oog op de opleiding van gespecialiseerd personeel in de laboratoria.
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 14, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 30/1. [1 Teneinde te waken over de overeenstemming met de eisen van deze wet, bepaalt de Koning de nadere regels van de regelmatige inspecties bij alle fokkers, leveranciers en gebruikers, inclusief in hun inrichtingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-12-27/15, art. 15, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  HOOFDSTUK IX. - De Raad voor dierenwelzijn.
  
  HOOFDSTUK IX. (Waalse Gewest)
  [1 - " Conseil wallon du bien-être des animaux " (Waalse Raad voor dierenwelzijn)]1

  ----------
  (1)<DWG 2015-01-22/02, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 09-02-2015>

  HOOFDSTUK IX. BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 - De Brusselse Raad voor dierenwelzijn.]1
  ----------
  (1)<ORD 2016-03-24/05, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 11-04-2016>

  Art. 31.Bij (de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu) wordt een Raad voor dierenwelzijn opgericht. De Koning bepaalt de samenstelling van die Raad en zijn werking. Onder meer de afgevaardigden van de nationale of regionale verenigingen voor dierenbescherming, van het wetenschappelijk en medisch onderzoek en van de kwekers maken er deel van uit. <W 2003-12-22/42, art. 227, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>

  Art. 31_WAALS_GEWEST.
  [1 Er wordt een Waalse Raad voor dierenwelzijn opgericht.
   De Regering bepaalt de samenstelling en de werking van de Raad alsook de aanwijzingsregels van zijn leden. De vertegenwoordigers van de verenigingen voor dierenbescherming, van het wetenschappelijk en medisch onderzoek en van de kwekers maken er onder meer deel van uit.
   De Waalse Overheidsdienst neemt het secretariaat van de Raad waar.]1

  ----------
  (1)<DWG 2015-01-22/02, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 09-02-2015>

  Art. 31_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 Er wordt een Brusselse Raad voor dierenwelzijn opgericht. De Regering bepaalt de samenstelling, de procedure voor de aanduiding van de leden en de werking van de Raad. Onder meer de afgevaardigden van de verenigingen voor dierenbescherming, van het wetenschappelijk en medisch onderzoek en van de kwekers maken er deel van uit.]1

  ----------
  (1)<ORD 2016-03-24/05, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 11-04-2016>

  Art. 32. De Raad heeft tot taak aangelegenheden in verband met de bescherming en het welzijn van dieren te bestuderen. Hij geeft advies over de zaken waarvan het onderzoek hem wordt opgedragen door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) en kan aan deze voorstellen doen. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>

  HOOFDSTUK X. - Verenigingen voor dierenbescherming.

  Art. 33.§ 1. De Koning kan de voorwaarden bepalen volgens welke (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn), nationale en regionale verenigingen kan erkennen als representatief voor de bescherming en het welzijn der dieren. Hij kan bepalen dat om erkend te worden een vereniging de rechtspersoonlijkheid moet bezitten. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  § 2. (De Koning kan voorwaarden bepalen voor de opleiding van de aangestelden van de erkende verenigingen.
  Hij kan de wijze regelen waarop de erkende verenigingen en hun aangestelden alsmede de personen die door de minister tot wiens bevoegdheid de landbouw aangewezen zijn op voordracht van de Raad van dierenwelzijn, met de door Hem aangewezen overheidspersonen samenwerken.) <W 1995-05-04/40, art. 22, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>

  Art. 33_WAALS_GEWEST.
   § 1. De Koning kan de voorwaarden bepalen volgens welke (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn), nationale en regionale verenigingen kan erkennen als representatief voor de bescherming en het welzijn der dieren. Hij kan bepalen dat om erkend te worden een vereniging de rechtspersoonlijkheid moet bezitten. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  § 2. (De Koning kan voorwaarden bepalen voor de opleiding van de aangestelden van de erkende verenigingen.
  Hij kan de wijze regelen waarop de erkende verenigingen en hun aangestelden alsmede de personen die door de minister tot wiens bevoegdheid de landbouw aangewezen zijn op voordracht van de [1 "Conseil wallon du bien-être des animaux" (Waalse Raad voor dierenwelzijn)]1, met de door Hem aangewezen overheidspersonen samenwerken.) <W 1995-05-04/40, art. 22, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>

  ----------
  (1)<DWG 2015-01-22/02, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 09-02-2015>

  HOOFDSTUK XI. - Strafbepalingen.

  HOOFDSTUK XI. BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 - Bepalingen betreffende inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van misdrijven.]1

  ----------
  (1)<ORD 2017-05-11/08, art. 8, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Afdeling 1. BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 Bevoegde overheden]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-05-11/08, art. 9, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 34.<W 2003-12-22/42, art. 228, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004> § 1. [2 Onverminderd de ambtsbevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie worden overtredingen op deze wet en op haar uitvoeringsbesluiten en op de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake opgespoord en vastgesteld door :
   - de leden van de federale en lokale politie;
   - de statutaire en contractuele Dierenartsen van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;
   - andere door de minister bevoegd voor dierenwelzijn aangewezen personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;
   - de statutaire en contractuele personeelsleden van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, belast met het uitvoeren van de controles.]2
  Evenwel zijn alleen de statutaire of contractuele dierenartsen van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu bevoegd om de misdrijven gepleegd in de laboratoria op te sporen en vast te stellen.
  De personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu leggen voorafgaand aan de uitoefening van hun functie de eed af in handen van de minister of van zijn aangestelde.
  § 2. De overheidspersonen bedoeld in § 1 kunnen zich alle inlichtingen en bescheiden doen verstrekken die zij tot het volbrengen van hun taak nodig achten en overgaan tot alle nuttige vaststellingen.
  In uitoefening van hun opdracht mogen ze alle vervoersmiddelen, gronden, bedrijven of lokalen waar levende dieren gehouden of gebruikt worden, betreden. Het bezoek van lokalen die tot woning dienen is slechts toegestaan van 5 uur 's morgens tot 9 uur 's avonds en met verlof van de rechter in de politierechtbank. Dit verlof is eveneens vereist voor het bezoek, buiten die uren, van lokalen die niet voor het publiek toegankelijk zijn.
  [1 Ze kunnen assistentie vorderen van de politie voor de opdrachten waarbij er een risico kan geïdentificeerd worden voor de veiligheid van de personen.]1
  [2 Ze kunnen overgaan tot het verhoor van de overtreder en tot elk ander nuttig verhoor.]2
  § 3. De processen-verbaal opgemaakt door de in § 1 bedoelde overheidspersonen hebben bewijskracht tot het tegenbewijs is geleverd; een afschrift ervan wordt binnen vijftien dagen na de vaststelling aan de overtreders toegezonden.
  § 4. Het proces-verbaal opgesteld door de statutaire en contractuele dierenartsen van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu of andere personeelsleden van deze Federale Overheidsdienst aangeduid door de minister tot wiens bevoegdheid het dierenwelzijn behoort, wordt overgemaakt aan de krachtens artikel 41bis aangestelde ambtenaar.
  § 5. Wanneer een overtreding van deze wet of van een uitvoeringsbesluit ervan [2 of van de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten terzake]2 is vastgesteld, kunnen de overheidspersonen, bedoeld in § 4, een waarschuwing richten tot de overtreder waarbij die tot stopzetting van de overtreding wordt aangemaand.
  De waarschuwing wordt, onder de vorm van een afschrift van het proces-verbaal waarin de feiten zijn vastgesteld, binnen de vijftien dagen na de vaststelling van de overtreding aan de overtreder toegezonden.
  De waarschuwing vermeldt :
  a) ten laste gelegde feiten en de overtreden wetsbepaling of -bepalingen;
  b) de termijn waarin zij dienen te worden stopgezet;
  c) dat, indien aan de waarschuwing geen gevolg wordt gegeven, het proces-verbaal zal worden overgemaakt aan de ambtenaar die belast is met de toepassing van de procedure die is bepaald in artikel 41bis en dat de procureur des Konings zal kunnen worden ingelicht.
  § 6. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de controles die worden verricht met toepassing van de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen.
  ----------
  (1)<W 2009-05-06/03, art. 81, 013; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<W 2012-12-27/15, art. 16, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 34_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   <W 2003-12-22/42, art. 228, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004> § 1. [2 Onverminderd de ambtsbevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie worden overtredingen op deze wet en op haar uitvoeringsbesluiten en op de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake opgespoord en vastgesteld door :
   - de leden van de federale en lokale politie;
   [3 - de met het toezicht belaste personeelsleden van het Instituut bedoeld in artikel 5, § 1 van het Wetboek van inspectie ; en
   - de met het toezicht belaste personeelsleden van de gemeente bedoeld in artikel 5, § 4 van het Wetboek van inspectie, binnen de grenzen van het grondgebied van de gemeente waartoe zij behoren.]3]2
  [3 Evenwel zijn alleen de met het toezicht belaste personeelsleden van het Instituut die dierenarts zijn bevoegd om de misdrijven gepleegd in de laboratoria op te sporen en vast te stellen.]3
  § 2. [3 ...]3
  In uitoefening van hun opdracht mogen [3 de in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden]3 alle vervoersmiddelen, gronden, bedrijven of lokalen waar levende dieren gehouden of gebruikt worden, betreden. Het bezoek van lokalen die tot woning dienen is slechts toegestaan van 5 uur 's morgens tot 9 uur 's avonds [3 , in afwijking van artikel 10 van het Wetboek van inspectie,]3 en met verlof van de rechter in de politierechtbank. Dit verlof is eveneens vereist voor het bezoek, buiten die uren, van lokalen die niet voor het publiek toegankelijk zijn.
  [3 ...]3
  § 3. [3 ...]3
  § 4. [3 ...]3
  § 5. [3 ...]3
  § 6. [3 ...]3
  
----------
  (1)<W 2009-05-06/03, art. 81, 013; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<W 2012-12-27/15, art. 16, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (3)<ORD 2017-05-11/08, art. 10, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 34_WAALS_GEWEST.
  <W 2003-12-22/42, art. 228, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004> § 1. [2 Onverminderd de ambtsbevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie worden overtredingen op deze wet en op haar uitvoeringsbesluiten en op de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake opgespoord en vastgesteld door :
   - de leden van de federale en lokale politie;
   - [3 ...]3
   - [3 de personeelsleden bedoeld in de paragrafen 1, 2 en 3 van artikel D.140 van Boek I van het Milieuwetboek [4 ...]4 ]3;
   - [3 ...]3 ]2
  [3 ...]3
  [3 ...]3
  § 2. [3 In afwijking van artikel D.139 van Boek I van het Milieuwetboek wordt voor de toepassing van deel VIII van hetzelfde Boek op de inbreuken op de wet onder "personeelslid" het statutaire of het contractuele personeelslid bedoeld in § 1 verstaan.]3
  § 3. [3 ...]3
  § 4. [3 ...]3
  § 5. [3 ...]3
  § 6. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de controles die worden verricht met toepassing van de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen.
  
----------
  (1)<W 2009-05-06/03, art. 81, 013; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<W 2012-12-27/15, art. 16, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (3)<DWG 2014-12-12/02, art. 118, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (4)<DWG 2016-06-23/09, art. 101, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Afdeling 2. BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 Inspectie]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-05-11/08, art. 11, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 34bis.BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 De in artikel 34 bedoelde personeelsleden beschikken over de ambtsbevoegdheden voorzien bij de artikelen 6, 7, 11 tot en met 19 van het Wetboek van inspectie, met inachtneming van de voorwaarden die zij voorzien, om de naleving van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en de Europese verordeningen en beschikkingen of besluiten ter zake waarvan zij de schendingen strafbaar stelt te controleren.
   In het kader van deze controles is artikel 9 van het Wetboek van inspectie van toepassing en dient voor de toepassing van de artikelen 11 tot en met 15 van het Wetboek van inspectie onder " verontreiniging " of " vervuiling " ieder element te worden begrepen dat op nadelige wijze het welzijn van dieren beïnvloedt of kan beïnvloeden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-05-11/08, art. 12, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Afdeling 3.BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 Preventie en vaststelling van misdrijven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-05-11/08, art. 13, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 34ter.BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 § 1. De in artikel 34 bedoelde personeelsleden kunnen maatregelen nemen of opleggen, voorzien in artikel 21, § 1 van het Wetboek van inspectie met inachtneming van de procedurele voorwaarden die hierin worden bepaald. Voor de toepassing van dit artikel, moet artikel 21, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden gelezen als volgt : " De met het toezicht belaste personeelsleden kunnen te allen tijde preventieve maatregelen treffen of opleggen, zelfs mondeling, ten aanzien van eender welke persoon, die nodig zijn om elke vorm van gevaar of hinder voor het dierenwelzijn te voorkomen, te verminderen of te verhelpen en hen verplichten informatie te verstrekken.
   In de uitoefening van hun opdracht, voorzien in deze wet, kunnen zij alle maatregelen nemen of opleggen voorzien in artikel 21, §§ 2 tot 4, van het Wetboek van inspectie, met inachtneming van de voorwaarden die zij voorzien.
   Voor zover de voorwaarden die artikel 22 van het Wetboek van inspectie voorziet, voldaan zijn - met inbegrip van het soort beslissing dat het onderwerp mag uitmaken van het beroep - is dit artikel van toepassing op de maatregelen voorzien in huidig artikel.
   § 2. De in artikel 34 bedoelde personeelsleden stellen de in deze wet bepaalde misdrijven vast in overeenstemming met artikel 23 van het Wetboek van inspectie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-05-11/08, art. 14, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 34quater.BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  § 1. Wanneer de [1 in artikel 34 bedoelde personeelsleden]1 een inbreuk op deze wet, haar uitvoeringsbesluiten of Europese verordeningen of beschikkingen/besluiten vaststellen en deze inbreuk over levende dieren gaat, kunnen zij deze dieren administratief in beslag nemen en indien nodig onderbrengen in een geschikte opvangplaats.
   Zij kunnen tevens dieren in beslag nemen wanneer deze gehouden worden in weerwil van een in toepassing van artikel 40 uitgesproken verbod.
  § 1/1. In de in § 1 bedoelde gevallen wordt een kopie van het in artikel [1 23 van het Wetboek van inspectie]1, bedoelde proces verbaal bezorgd [1 aan het Instituut]1.
   § 2. [1 Het Instituut]1 bepaalt de bestemming van het dier dat overeenkomstig paragraaf 1 in beslag werd genomen. Deze bestemming bestaat uit het al dan niet tegen waarborgsom teruggeven aan de eigenaar, het verkopen, het in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, het slachten of het zonder verwijl doden.
   § 3. Het in paragraaf 1 bedoelde beslag wordt van rechtswege opgeheven door de in paragraaf 2 bedoelde beslissing of, bij het uitblijven van dergelijke beslissing, na een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van inbeslagname.
   § 4. De in [1 in artikel 34 bedoelde personeelsleden]1 kunnen eveneens de kadavers, het vlees of de voorwerpen die het voorwerp vormen van de inbreuk of die gediend hebben om de inbreuk te plegen of die bestemd waren om de inbreuk te begaan, administratief in beslag nemen en eventueel vernietigen.
   § 5. De kosten verbonden aan de op grond van de paragrafen 1, 2 en 4 genomen maatregelen worden gedragen door de eigenaar.
   Indien de in het eerste lid bedoelde kosten door [1 het Instituut]1 of het openbaar ministerie worden voorgeschoten, worden zij verhaald op de eigenaar.
   Indien de dieren of hun karkassen worden verkocht, wordt de aldus ontvangen som bij voorrang gebruikt om de in het eerste lid bedoelde kosten te dekken. Het eventuele saldo wordt aan de eigenaar overgemaakt.
   § 6. Dode dieren of op bevel [1 van het Instituut]1 gedode dieren worden verwijderd overeenkomstig de voorschriften van de bevoegde overheid. De eventuele kosten hiervoor ten laste [1 van het Instituut]1 worden verhaald op de eigenaar.
   § 7. [1 ...]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-05-11/08, art. 25, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Afdeling 4.BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 Bestraffing van misdrijven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-05-11/08, art. 15, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 35.Onverminders de toepassing, in voorkomend geval, van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft met gevangenisstraf van één maand tot drie maanden en met een geldboete [1 van 52 euro tot 2.000 euro]1 of met een van die straffen alleen, hij die:
  1° (...) <W 2007-03-19/52, art. 3, A, 011; Inwerkingtreding : 23-07-2007>
  2° (dierengevechten of schietoefeningen op dieren organiseert, er met zijn dieren of als toeschouwer aan deelneemt, eraan op enigerlei wijze medewerking verleent of over de uitslag ervan weddenschappen inricht aan deze weddenschappen deelneemt); <W 1993-03-26/38, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 1993-07-19>
  3° (een dier achterlaat met de bedoeling zich ervan te ontdoen); <W 1995-05-04/40, art. 24, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  4° pijnlijke ingrepen verricht in overtreding van de bepalingen van artikel 18;
  5° amputaties verricht die verboden zijn door (artikel 17bis); <W 1995-05-04/40, art. 24, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  6° proeven doet in omstandigheden die strijdig zijn met de artikelen 20, 24 en 30.
  (7° een erkeningsaanvraag indient met het oog op de uitbating van een in artikel 5, § 1, bedoelde inrichting, terwijl voor hem een verbod geldt als bedoeld in § 4 van hetzelfde artikel;
  8° een inrichting als bedoeld in artikel 5, § 1, beheert, of er een direct toezicht uitoefent op de dieren, terwijl voor hem een verbod geldt als bedoeld in § 4 van hetzelfde artikel.) <W 2004-06-23/44, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 13-11-2004>
  (9° seksuele betrekkingen heeft met dieren.) <W 2007-03-19/52, art. 3, B, 011; Inwerkingtreding : 23-07-2007>
  (Onverminderd de toepassing, in voorkomend geval, van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft met gevangenisstraf van één maand tot zes maanden en met geldboete [1 van 52 euro tot 2. 000 euro]1 of met een van die straffen alleen, hij die, uitgezonderd bij overmacht, handelingen pleegt die niet door deze wet zijn voorzien en waardoor een dier zonder noodzaak omkomt of zonder noodzaak een verminking, een letsel of pijn ondergaat;) <W 2007-03-19/52, art. 3, C, 011; Inwerkingtreding : 23-07-2007>
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 17, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 35_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   Onverminders de toepassing, in voorkomend geval, van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft [2 met de straf bepaald in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie]2, hij die:
  1° (...) <W 2007-03-19/52, art. 3, A, 011; Inwerkingtreding : 23-07-2007>
  2° (dierengevechten of schietoefeningen op dieren organiseert, er met zijn dieren of als toeschouwer aan deelneemt, eraan op enigerlei wijze medewerking verleent of over de uitslag ervan weddenschappen inricht aan deze weddenschappen deelneemt); <W 1993-03-26/38, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 1993-07-19>
  3° (een dier achterlaat met de bedoeling zich ervan te ontdoen); <W 1995-05-04/40, art. 24, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  4° pijnlijke ingrepen verricht in overtreding van de bepalingen van artikel 18;
  5° amputaties verricht die verboden zijn door (artikel 17bis); <W 1995-05-04/40, art. 24, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  6° proeven doet in omstandigheden die strijdig zijn met de artikelen 20, 24 en 30.
  (7° een erkeningsaanvraag indient met het oog op de uitbating van een in artikel 5, § 1, bedoelde inrichting, terwijl voor hem een verbod geldt als bedoeld in § 4 van hetzelfde artikel;
  8° een inrichting als bedoeld in artikel 5, § 1, beheert, of er een direct toezicht uitoefent op de dieren, terwijl voor hem een verbod geldt als bedoeld in § 4 van hetzelfde artikel.) <W 2004-06-23/44, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 13-11-2004>
  (9° seksuele betrekkingen heeft met dieren;) <W 2007-03-19/52, art. 3, B, 011; Inwerkingtreding : 23-07-2007>
  [2 10° zich onttrekt aan of die op welkdanige manier de uitvoering verhindert van de inspectieopdracht waarmee de in artikel 34 bedoelde personeelsleden gemachtigd zijn krachtens deze wet ;
   11° verzuimt de informatie die hem gevraagd wordt krachtens artikel 34ter, § 1, mee te delen ;
   12° de maatregelen die hem zijn opgelegd krachtens artikel 34ter, § 1, niet of niet volgens de instructies uitvoert.]2
  (Onverminderd de toepassing, in voorkomend geval, van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft [2 met de straf bepaald in artikel 31, § 1 van het Wetboek van inspectie]2, hij die, uitgezonderd bij overmacht, handelingen pleegt die niet door deze wet zijn voorzien en waardoor een dier zonder noodzaak omkomt of zonder noodzaak een verminking, een letsel of pijn ondergaat;) <W 2007-03-19/52, art. 3, C, 011; Inwerkingtreding : 23-07-2007>
  
----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 17, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (2)<ORD 2017-05-11/08, art. 16, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 35_WAALS_GEWEST.
  [2 Een inbreuk van de tweede categorie in de zin van artikel D.151 van Boek I van het Milieuwetboek begaat]2, hij die:
  1° (...) <W 2007-03-19/52, art. 3, A, 011; Inwerkingtreding : 23-07-2007>
  2° (dierengevechten of schietoefeningen op dieren organiseert, er met zijn dieren of als toeschouwer aan deelneemt, eraan op enigerlei wijze medewerking verleent of over de uitslag ervan weddenschappen inricht aan deze weddenschappen deelneemt); <W 1993-03-26/38, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 1993-07-19>
  3° (een dier achterlaat met de bedoeling zich ervan te ontdoen); <W 1995-05-04/40, art. 24, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  4° pijnlijke ingrepen verricht in overtreding van de bepalingen van artikel 18;
  5° amputaties verricht die verboden zijn door (artikel 17bis); <W 1995-05-04/40, art. 24, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  6° proeven doet in omstandigheden die strijdig zijn met de artikelen 20, 24 en 30.
  (7° een erkeningsaanvraag indient met het oog op de uitbating van een in artikel 5, § 1, bedoelde inrichting, terwijl voor hem een verbod geldt als bedoeld in § 4 van hetzelfde artikel;
  8° een inrichting als bedoeld in artikel 5, § 1, beheert, of er een direct toezicht uitoefent op de dieren, terwijl voor hem een verbod geldt als bedoeld in § 4 van hetzelfde artikel.) <W 2004-06-23/44, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 13-11-2004>
  (9° seksuele betrekkingen heeft met dieren.) <W 2007-03-19/52, art. 3, B, 011; Inwerkingtreding : 23-07-2007>
  [2 10° de bepalingen overtreedt van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97;]2
  [2 11° de bepalingen overtreedt van Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden;]2
  [3 10°(12° lezen) artikel 9/1 overtreedt.]3
  ([2 Een inbreuk van de tweede categorie in de zin van artikel D.151 van Boek I van het Milieuwetboek begaat]2, hij die, uitgezonderd bij overmacht, handelingen pleegt die niet door deze wet zijn voorzien en waardoor een dier zonder noodzaak omkomt of zonder noodzaak een verminking, een letsel of pijn ondergaat;) <W 2007-03-19/52, art. 3, C, 011; Inwerkingtreding : 23-07-2007>
  
----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 17, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (2)<DWG 2014-12-12/02, art. 119, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (3)<DWG 2015-01-22/03, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 09-02-2015>

  Art. 36.Onverminderd de toepassing, in voorkomend geval, van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft met een boete [1 van 52 euro tot 2 000 euro]1, hij die:
  1° de aanvalsdrift van een dier opdrijft door het op te hitsen tegen een ander dier;
  2° aan een dier dtoffen, bepaald door de Koning, toedient of doet toedienen met het doel zijn prestaties (te beïnvloeden of het opsporen van prestatiebeïnvloedende stoffen te verdoezelen); <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  3° in overtreding wordt bevonden van de bepalingen van artikel 4, van hoofdstuk IV of van hoofdstuk VIII, andere dan deze bedoeld bij artikel 35, 6°, of van besluiten genomen in uitvoering van die bepalingen;
  4° de door de bevoegde overheidspersonen voorgeschreven maatregelen bedoeld in artikel 4, § 5, niet nakomt of de getroffen maatregelen tenietdoet;
  5° een dier arbeid laat verrichten, die kennelijk zijn natuurlijke krachten te boven gaat;
  6° in overtreding van hoofdstuk VI wordt bevonden;
  7° (honden als last- en trekdieren gebruikt, onverminderd de afwijkingen die (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) kan verlenen volgens de voorwaarden die de Koning bepaalt;) <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  8° een blind gemaakte vogel te koop stelt, verkoopt, koopt of houdt;
  9° (een dier gebruikt voor africhting, enscenering, reclame of gelijkaardige doeleinden in de mate dat dit oneigenlijk gebruik duidelijk leidt tot vermijdbare pijn, lijden of letsel;) <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  10° een dier onder dwang voeder of drinken toedient, behalve om medische redenen of voor dierproeven uitgevoerd volgens hoofdstuk VIII of in gespecialiseerde, door de Koning bepaalde kwekerijen en aan de door Hem gestelde voorwaarden;
  11° een dier een stof toedient die het pijn of letsel kan berokkenen behalve om medische redenen of voor dierproeven bepaald in hoofdstuk VIII;
  12° in overtreding van artikel 11, dieren afstaat aan personen van minder dan 16 jaar;
  13° een dier onder rembours verzendt (per post); <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  14° een bedrijf bedoeld in artikel 5, § 1, zonder de erkenning vereist bij dit artikel uitbaat, (...) de bepalingen van de koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de artikelen 6 of 7 en de verplichtingen bepaald bij artikel 9, § 1, eerste lid, bij artikel 9, § 21, leden 1 en 2, en bij de artikelen 10 en 12 overtreedt. <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  (15° geverfde dieren houdt of verhandelt;
  16° dieren als prijs, beloning of gift uitlooft of uitreikt bij wedstrijden, verlotingen, weddenschappen of andere gelijkaardige evenementen, behalve de afwijkingen welke door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) kunnen verleend worden; <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  [1 17° in overtreding wordt bevonden van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97;
   18° in overtreding wordt bevonden van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden.]1
  Deze afwijkingen kunnen slechts worden verleend ter gelegenheid van feesten, jaarmarkten, wedstrijden en andere manifestaties met een professioneel of geassimileerd karakter.) <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 18, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 36_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   Onverminderd de toepassing, in voorkomend geval, van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft [2 met de straf bepaald in artikel 31, § 1 van het Wetboek van inspectie]2, hij die:
  1° de aanvalsdrift van een dier opdrijft door het op te hitsen tegen een ander dier;
  2° aan een dier dtoffen, bepaald door de Koning, toedient of doet toedienen met het doel zijn prestaties (te beïnvloeden of het opsporen van prestatiebeïnvloedende stoffen te verdoezelen); <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  3° in overtreding wordt bevonden van de bepalingen van artikel 4, van hoofdstuk IV of van hoofdstuk VIII, andere dan deze bedoeld bij artikel 35, 6°, of van besluiten genomen in uitvoering van die bepalingen;
  4° de door de bevoegde [2 personeelsleden]2 voorgeschreven maatregelen bedoeld in artikel 4, § 5, niet nakomt of de getroffen maatregelen tenietdoet;
  5° een dier arbeid laat verrichten, die kennelijk zijn natuurlijke krachten te boven gaat;
  6° in overtreding van hoofdstuk VI wordt bevonden;
  7° (honden als last- en trekdieren gebruikt, onverminderd de afwijkingen die (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) kan verlenen volgens de voorwaarden die de Koning bepaalt;) <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  8° een blind gemaakte vogel te koop stelt, verkoopt, koopt of houdt;
  9° (een dier gebruikt voor africhting, enscenering, reclame of gelijkaardige doeleinden in de mate dat dit oneigenlijk gebruik duidelijk leidt tot vermijdbare pijn, lijden of letsel;) <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  10° een dier onder dwang voeder of drinken toedient, behalve om medische redenen of voor dierproeven uitgevoerd volgens hoofdstuk VIII [3 ...]3;
  11° een dier een stof toedient die het pijn of letsel kan berokkenen behalve om medische redenen of voor dierproeven bepaald in hoofdstuk VIII;
  12° in overtreding van artikel 11, dieren afstaat aan personen van minder dan 16 jaar;
  13° een dier onder rembours verzendt (per post); <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  14° een bedrijf bedoeld in artikel 5, § 1, zonder de erkenning vereist bij dit artikel uitbaat, (...) de bepalingen van de koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de artikelen 6 of 7 en de verplichtingen bepaald bij artikel 9, § 1, eerste lid, bij artikel 9, § 21, leden 1 en 2, en bij de artikelen 10 en 12 overtreedt. <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  (15° geverfde dieren houdt of verhandelt;
  16° dieren als prijs, beloning of gift uitlooft of uitreikt bij wedstrijden, verlotingen, weddenschappen of andere gelijkaardige evenementen, behalve de afwijkingen welke door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) kunnen verleend worden; <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  [1 17° in overtreding wordt bevonden van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97;
   18° in overtreding wordt bevonden van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden.]1
  [4 20° in overtreding wordt bevonden van artikel 16bis van deze wet.]4
  Deze afwijkingen kunnen slechts worden verleend ter gelegenheid van feesten, jaarmarkten, wedstrijden en andere manifestaties met een professioneel of geassimileerd karakter.) <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  
----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 18, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (2)<ORD 2017-05-11/08, art. 17, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>
  (3)<ORD 2017-07-27/05, art. 3, 027; Inwerkingtreding : 17-09-2017>
  (4)<ORD 2018-01-25/17, art. 4, 029; Inwerkingtreding : 04-03-2018>

  Art. 36_WAALS_GEWEST.
  [2 Een inbreuk van de tweede categorie in de zin van artikel D.151 van Boek I van het Milieuwetboek begaat]2, hij die:
  1° de aanvalsdrift van een dier opdrijft door het op te hitsen tegen een ander dier;
  2° aan een dier dtoffen, bepaald door de Koning, toedient of doet toedienen met het doel zijn prestaties (te beïnvloeden of het opsporen van prestatiebeïnvloedende stoffen te verdoezelen); <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  3° in overtreding wordt bevonden van de bepalingen van artikel 4, van hoofdstuk IV of van hoofdstuk VIII, andere dan deze bedoeld bij artikel 35, 6°, of van besluiten genomen in uitvoering van die bepalingen;
  4° de door de bevoegde overheidspersonen voorgeschreven maatregelen bedoeld in artikel 4, § 5, niet nakomt of de getroffen maatregelen tenietdoet;
  5° een dier arbeid laat verrichten, die kennelijk zijn natuurlijke krachten te boven gaat;
  6° in overtreding van hoofdstuk VI wordt bevonden;
  7° (honden als last- en trekdieren gebruikt, onverminderd de afwijkingen die (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) kan verlenen volgens de voorwaarden die de Koning bepaalt;) <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  8° een blind gemaakte vogel te koop stelt, verkoopt, koopt of houdt;
  9° (een dier gebruikt voor africhting, enscenering, reclame of gelijkaardige doeleinden in de mate dat dit oneigenlijk gebruik duidelijk leidt tot vermijdbare pijn, lijden of letsel;) <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  10° een dier onder dwang voeder of drinken toedient, behalve om medische redenen of voor dierproeven uitgevoerd volgens hoofdstuk VIII of in gespecialiseerde, door de Koning bepaalde kwekerijen en aan de door Hem gestelde voorwaarden;
  11° een dier een stof toedient die het pijn of letsel kan berokkenen behalve om medische redenen of voor dierproeven bepaald in hoofdstuk VIII;
  12° in overtreding van artikel 11, dieren afstaat aan personen van minder dan 16 jaar;
  13° een dier onder rembours verzendt (per post); <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  14° een bedrijf bedoeld in artikel 5, § 1, zonder de erkenning vereist bij dit artikel uitbaat, (...) de bepalingen van de koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de artikelen 6 of 7 en de verplichtingen bepaald bij artikel 9, § 1, eerste lid, bij artikel 9, § 21, leden 1 en 2, en bij de artikelen 10 en 12 overtreedt. <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  (15° geverfde dieren houdt of verhandelt;
  16° dieren als prijs, beloning of gift uitlooft of uitreikt bij wedstrijden, verlotingen, weddenschappen of andere gelijkaardige evenementen, behalve de afwijkingen welke door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) kunnen verleend worden; <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  17° [3 artikel 11bis overtreedt;]3
  18° [1 [2 ...]2 ]1
  Deze afwijkingen kunnen slechts worden verleend ter gelegenheid van feesten, jaarmarkten, wedstrijden en andere manifestaties met een professioneel of geassimileerd karakter.) <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  
----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 18, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (2)<DWG 2014-12-12/02, art. 120, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (3)<DWG 2016-11-10/05, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Art. 36bis.<ingevoegd bij W 1995-05-04/40, art. 26, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> Onverminderd de toepassing van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft met een boete [1 van 52 euro tot 2.000 euro]1, hij die een straatpaardenkoers en/of een oefenmoment ter voorbereiding van een dergelijke koers organiseert of eraan deelneemt, waarbij de koers geheel of gedeeltelijk gelopen wordt op de openbare weg, waarvan de bestrating bestaat uit asfalt, beton, straatkeien of klinkers of een ander hard materiaal.
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 19, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 36bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   <ingevoegd bij W 1995-05-04/40, art. 26, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> Onverminderd de toepassing van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft [2 met de straf bepaald in artikel 31, § 1 van het Wetboek van inspectie]2, hij die een straatpaardenkoers en/of een oefenmoment ter voorbereiding van een dergelijke koers organiseert of eraan deelneemt, waarbij de koers geheel of gedeeltelijk gelopen wordt op de openbare weg, waarvan de bestrating bestaat uit asfalt, beton, straatkeien of klinkers of een ander hard materiaal.
  
----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 19, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (2)<ORD 2017-05-11/08, art. 18, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 36bis_WAALS_GEWEST.
  <ingevoegd bij W 1995-05-04/40, art. 26, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> [2 Een inbreuk van de derde categorie in de zin van artikel D.151 van Boek I van het Milieuwetboek begaat]2, hij die een straatpaardenkoers en/of een oefenmoment ter voorbereiding van een dergelijke koers organiseert of eraan deelneemt, waarbij de koers geheel of gedeeltelijk gelopen wordt op de openbare weg, waarvan de bestrating bestaat uit asfalt, beton, straatkeien of klinkers of een ander hard materiaal.
  
----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 19, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (2)<DWG 2014-12-12/02, art. 121, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 36ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 § 1. Wordt gestraft met de straf bepaald in artikel 32 van het Wetboek van inspectie, diegene die een misdrijf pleegt zoals bepaald in deze wet, waardoor de dood van of ernstige letsels aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten of aanzienlijke schade aan een habitat binnen een Natura 2000-gebied wordt veroorzaakt.
   § 2. Diegene die, binnen een termijn van drie jaar na een veroordeling voor een misdrijf bepaald in deze wet of voor elk andere misdrijf bedoeld in artikel 31 van het Wetboek van inspectie, een nieuw misdrijf begaat, bepaald in deze wet of elk ander misdrijf bedoeld in artikel 31 van het Wetboek van inspectie, kan gestraft worden met een gevangenisstraf en een boete gelijk aan het dubbel van het maximum dat bepaald is voor het laatst begane misdrijf, of met een van die straffen alleen, zonder dat deze straf lager mag zijn dan 200 euro of vijftien dagen gevangenisstraf.
   § 3. In het veroordelend vonnis voor een misdrijf bepaald in deze wet :
   1° onverminderd de toepassing van de artikelen 42 tot en met 43bis van het Strafwetboek, kan de verbeurdverklaring van de roerende goederen die een gevaar betekenen voor het dierenwelzijn worden uitgesproken ;
   2° in geval van gevaar voor het dierenwelzijn, kan de rechter diegene die het misdrijf heeft begaan, veroordelen tot het betalen aan het Fonds voor de bescherming van het milieu bedoeld in artikel 2, 9°, van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen van een geldbedrag gelijk aan de kosten gemaakt door de gemeente of het Instituut voor het voorkomen, beperken, beëindigen of verhelpen van het risico van de aantasting of van de aantasting van het dierenwelzijn veroorzaakt door het misdrijf ;
   3° op verzoek van het Instituut of van de burgemeester van de betreffende gemeente, kan de rechter maatregelen opleggen bepaald in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van inspectie, met inbegrip dat de plaats in zo'n staat wordt gebracht dat er geen gevaar of hinder meer is voor het dierenwelzijn. In het kader van deze maatregelen kan hij de bevoegdheden bepaald in artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van inspectie aan deze autoriteiten toevertrouwen. Artikel 37, derde lid, van het Wetboek van inspectie is van toepassing ;
   4° de rechter kan bovendien maatregelen opleggen, bepaald in de artikelen 38 tot 41 van het Wetboek van inspectie, met inachtneming van de voorwaarden voorzien in deze bepalingen.
   § 4. De artikelen 42 tot 54 van het Wetboek van inspectie zijn van toepassing op de misdrijven bepaald in deze wet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-05-11/08, art. 19, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 37. Naast de straffen voorzien in de artikelen 35 en 36 kan de rechtbank daarenboven de sluiting bevelen van de inrichting waarin de misdrijven werden gepleegd voor een termijn van één maand tot drie jaar.

  Art. 37_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-05-11/08, art. 20, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 38. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek met inbegrip van hoofdsruk VII en van artikel 85, zijn op de in deze wet bepaalde misdrijven van toepassing.

  Art. 38_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-05-11/08, art. 21, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 39.[1 Bij herhaling binnen drie jaar na de vorige veroordeling wegens een bij de artikelen 35, 36, 36bis en 41 bepaalde misdrijf, worden de gevangenisstraffen verdubbeld en de geldboetes verhoogd tot 5.000 euro of, in geval van ernstige mishandeling of verwaarlozing, tot 12.500 euro.
   De rechtbank kan daarenboven in die gevallen de sluiting bevelen van de inrichting waar de misdrijven werden gepleegd, definitief of voor een termijn van twee maanden tot vijf jaar.]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 20, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 39_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-05-11/08, art. 22, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 39_WAALS_GEWEST.
  [2 ...]2
  
----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 20, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (2)<Opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 2014-12-12/02, art. 122, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 40. De rechtbank kan, bijkomend aan de veroordeling wegens overtreding bepaald in deze wet, het recht ontzeggen definitief of voor een termijn van één maand tot drie jaar dieren van één of meer soorten te houden.

  Art. 41.[1 Overtredingen op deze wet of op haar uitvoeringsbesluiten of op de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake die niet in de artikelen 35, 36 en 36bis zijn bepaald, worden gestraft met een geldboete van 52 euro tot 500 euro.]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 21, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 41_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [1 Overtredingen op deze wet of op haar uitvoeringsbesluiten of op de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake die niet in de artikelen 35, 36 en 36bis zijn bepaald, worden gestraft [2 met de straf bepaald in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie]2.]1
  
----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 21, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (2)<ORD 2017-05-11/08, art. 23, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 41_WAALS_GEWEST.
  [1 Overtredingen op deze wet of op haar uitvoeringsbesluiten of op de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake die niet in de artikelen 35, 36 en 36bis zijn bepaald, [2 vormen een inbreuk van de derde categorie in de zin van artikel D.151 van Boek I van het Milieuwetboek]2 .]1
  
----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 21, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (2)<DWG 2014-12-12/02, art. 123, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 41bis.<Ingevoegd bij W 2003-12-22/42, art. 229; Inwerkingtreding : 10-01-2004> Bij overtreding van deze wet of van de besluiten genomen ter uitvoering ervan [1 of van de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake]1 kan de ambtenaar, daartoe aangesteld door de Koning binnen de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, een geldsom bepalen waarvan de vrijwillige betaling door de overtreder, de publieke vordering doet vervallen. Wordt de betaling geweigerd, dan wordt het dossier aan de Procureur des Konings toegezonden.
  Geen administratieve geldboete kan worden opgelegd meer dan drie jaar na de feitelijke overtreding tegen de bepalingen van deze wet.
  De daden van onderzoek of van vervolging verricht binnen de in de vorige alinea gestelde termijn stuiten de loop ervan. Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.
  Het bedrag van de te betalen geldsom mag niet lager zijn dan [1 de helft van]1 het minimum noch hoger zijn dan het maximum van de voor de overtreding bepaalde geldboete.
  Bij samenloop van verschillende overtredingen worden de bedragen van de geldsommen samengevoegd, zonder dat het totale bedrag hoger mag zijn dan het dubbele van het maximum van de boete bepaald in artikel 35, 36 en 41.
  Het bedrag van deze geldsommen wordt verhoogd met de opdeciemen die van toepassing zijn op de strafrechtelijke geldboeten.
  Bovendien worden de expertisekosten alsmede de kosten gemaakt in uitvoering van artikel 42, § 2, ten laste gelegd van de overtreder.
  De betalingsmodaliteiten worden door de Koning vastgesteld.
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 41bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-05-11/08, art. 24, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 42.[1 § 1. Wanneer de in artikel 34 bedoelde overheidspersonen een inbreuk op deze wet, haar uitvoeringsbesluiten of Europese verordeningen of beschikkingen/besluiten vaststellen en deze inbreuk over levende dieren gaat, kunnen zij deze dieren administratief in beslag nemen en indien nodig onderbrengen in een geschikte opvangplaats.
   Zij kunnen tevens dieren in beslag nemen wanneer deze gehouden worden in weerwil van een in toepassing van artikel 40 uitgesproken verbod.
  [2 § 1/1. In de in § 1 bedoelde gevallen wordt een kopie van het in artikel 34, § 3, bedoelde proces verbaal bezorgd aan de Federale Overheidsdienst bevoegd voor dierenwelzijn.]2
   § 2. De Federale Overheidsdienst bevoegd voor Dierenwelzijn bepaalt de bestemming van het dier dat overeenkomstig paragraaf 1 in beslag werd genomen. Deze bestemming bestaat uit het al dan niet tegen waarborgsom teruggeven aan de eigenaar, het verkopen, het in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, het slachten of het zonder verwijl doden.
   § 3. Het in paragraaf 1 bedoelde beslag wordt van rechtswege opgeheven door de in paragraaf 2 bedoelde beslissing of, bij het uitblijven van dergelijke beslissing, na een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van inbeslagname.
   § 4. De in artikel 34 bedoelde overheidspersonen kunnen eveneens de kadavers, het vlees of de voorwerpen die het voorwerp vormen van de inbreuk of die gediend hebben om de inbreuk te plegen of die bestemd waren om de inbreuk te begaan, administratief in beslag nemen en eventueel vernietigen.
   § 5. De kosten verbonden aan de op grond van de paragrafen 1, 2 en 4 genomen maatregelen worden gedragen door de eigenaar.
   Indien de in het eerste lid bedoelde kosten door de Federale Overheidsdienst bevoegd voor Dierenwelzijn of het openbaar ministerie worden voorgeschoten, worden zij verhaald op de eigenaar.
   Indien de dieren of hun karkassen worden verkocht, wordt de aldus ontvangen som bij voorrang gebruikt om de in het eerste lid bedoelde kosten te dekken. Het eventuele saldo wordt aan de eigenaar overgemaakt.
   § 6. Dode dieren of op bevel van de federale overheidsdienst bevoegd voor dierenwelzijn gedode dieren worden verwijderd overeenkomstig de voorschriften van de bevoegde overheid. De eventuele kosten hiervoor ten laste van de federale overheidsdienst bevoegd voor dierenwelzijn worden verhaald op de eigenaar.
   § 7. Dit artikel is niet van toepassing op de controles die zijn verricht met toepassing van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen.]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (2)<W 2014-02-07/16, art. 9, 018; Inwerkingtreding : 10-03-2014>

  Art. 42_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [ NOTA: artikel 42 wordt hernummerd tot artikel 34 quater] <ORD 2017-05-11/08, art. 25, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 42_WAALS_GEWEST.
  [1 § 1. Wanneer de in artikel 34 bedoelde overheidspersonen een inbreuk op deze wet, haar uitvoeringsbesluiten of Europese verordeningen of beschikkingen/besluiten vaststellen en deze inbreuk over levende dieren gaat, kunnen zij deze dieren administratief in beslag nemen en indien nodig onderbrengen in een geschikte opvangplaats.
   Zij kunnen tevens dieren in beslag nemen wanneer deze gehouden worden in weerwil van een in toepassing [3 in artikel D.157, § 2, 6°, en D.163, § 6, lid 2, 5°, van Boek I van het Milieuwetboek]3 uitgesproken verbod.
  [3 In de gevallen bedoeld in leden 1 en 2 wordt een kopie van het proces-verbaal bedoeld in artikel D.141 van Boek I van het Milieuwetboek bezorgd aan de Waalse overheidsdienst bevoegd voor dierenwelzijn.]3
   § 2. De Federale Overheidsdienst bevoegd voor Dierenwelzijn bepaalt de bestemming van het dier dat overeenkomstig paragraaf 1 in beslag werd genomen. Deze bestemming bestaat uit het al dan niet tegen waarborgsom teruggeven aan de eigenaar, het verkopen, het in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, het slachten of het zonder verwijl doden.
   § 3. Het in paragraaf 1 bedoelde beslag wordt van rechtswege opgeheven door de in paragraaf 2 bedoelde beslissing of, bij het uitblijven van dergelijke beslissing, na een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van inbeslagname.
   § 4. De in artikel 34 bedoelde overheidspersonen kunnen eveneens de kadavers, het vlees of de voorwerpen die het voorwerp vormen van de inbreuk of die gediend hebben om de inbreuk te plegen of die bestemd waren om de inbreuk te begaan, administratief in beslag nemen en eventueel vernietigen.
   § 5. De kosten verbonden aan de op grond van de paragrafen 1, 2 en 4 genomen maatregelen worden gedragen door de eigenaar.
   Indien de in het eerste lid bedoelde kosten door de Federale Overheidsdienst bevoegd voor Dierenwelzijn of het openbaar ministerie worden voorgeschoten, worden zij verhaald op de eigenaar.
   Indien de dieren of hun karkassen worden verkocht, wordt de aldus ontvangen som bij voorrang gebruikt om de in het eerste lid bedoelde kosten te dekken. Het eventuele saldo wordt aan de eigenaar overgemaakt.
   § 6. Dode dieren of op bevel van de federale overheidsdienst bevoegd voor dierenwelzijn gedode dieren worden verwijderd overeenkomstig de voorschriften van de bevoegde overheid. De eventuele kosten hiervoor ten laste van de federale overheidsdienst bevoegd voor dierenwelzijn worden verhaald op de eigenaar.
   § 7. Dit artikel is niet van toepassing op de controles die zijn verricht met toepassing van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen.]1
  
----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (2)<W 2014-02-07/16, art. 9, 018; Inwerkingtreding : 10-03-2014>
  (3)<DWG 2014-12-12/02, art. 124, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 43. De rechtbank kan in de gevallen van artikel 42, § 1, eerste lid, de verbeurdverklaring bevelen.
  De verbeurdverklaring wordt steeds bevolen in de gevallen van artikel 42, § 1, tweede lid. Dit is eveneens het geval bij dierengevechten of -schietingen, wat de inzetten, het entreegeld en de voorwerpen of installaties betreft die voor die gevechten of die schietoefeningen worden gebruikt.

  Art. 43_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   De rechtbank kan in de gevallen van [1 artikel 34quater]1, § 1, eerste lid, de verbeurdverklaring bevelen.
  De verbeurdverklaring wordt steeds bevolen in de gevallen van [1 artikel 34quater]1, § 1, tweede lid. Dit is eveneens het geval bij dierengevechten of -schietingen, wat de inzetten, het entreegeld en de voorwerpen of installaties betreft die voor die gevechten of die schietoefeningen worden gebruikt.

  ----------
  (1)<ORD 2017-05-11/08, art. 26, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Afdeling 5_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 Berekening van de termijnen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-05-11/08, art. 27, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  Art. 43bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 Artikel 58 van het Wetboek van inspectie is van toepassing op dit hoofdstuk.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-05-11/08, art. 28, 026; Inwerkingtreding : 09-06-2017>

  HOOFDSTUK XI/1. [1 - Begrotingsfonds voor dierenbescherming en dierenwelzijn]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd voor het Waalse Gewest bij DWG 2014-12-12/02, art. 125, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 43.1_WAALS_GEWEST.
  [1 Overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het decreet van 15 december 2011 houdende organisatie van de begroting en van de boekhouding van de diensten van de Waalse Regering, wordt binnen de algemene uitgaven- en ontvangstenbegroting van het Gewest een begrotingsfonds voor de dierenbescherming en voor het dierenwelzijn ingesteld, in dit hoofdstuk "het fonds" genoemd.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd voor het Waalse Gewest bij DWG 2014-12-12/02, art. 126, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 43.2_WAALS_GEWEST.
  [1 § 1. Aan het Fonds worden toegewezen :
   1° de sommen die verschuldigd zijn krachtens de belastingen, bijdragen en retributies bepaald bij of krachtens deze wet;
   2° in afwijking van artikel D.170 van Boek I van het Milieuwetboek, de geldsommen bedoeld in artikel D.159 van Boek I van het Milieuwetboek, wanneer zij wetsovertredingen betreffen;
   3° in afwijking van artikel D.170 van Boek I van het Milieuwetboek, de opbrengst van de geldboetes opgelegd door de gewestelijke sanctieambtenaren en geïnd krachtens artikel D.165, lid 3, van Boek I van het Milieuwetboek wanneer zij wetsovertredingen betreffen;
   4° de opbrengst van de verbeurdverklaringen bevolen door de sanctieambtenaar ten gevolge van een wetsovertreding;
   5° de giften en legaten gedaan te voordele van het Waalse Gewest voor de ondersteuning van de dierenbescherming en het dierenwelzijn;
   6° de sommen ingevorderd door de bevoegde overheid ter uitvoering van artikel 41bis en artikel 42;
   7° de inkomsten uit de bijdrage van de Europese unie tot de uitgaven verricht door het fonds.
   § 2. De middelen uit het fonds worden ingezet voor de financiering van de uitgaven voor het beleid inzake dierenbescherming en dierenwelzijn bepaald bij de wet.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd voor het Waalse Gewest bij DWG 2014-12-12/02, art. 127, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 43.3_WAALS_GEWEST.
  [1 De uitgaven van het fonds kunnen verband houden met vergoedingen, toelagen of prestaties, meer bepaald de personeels-, werkings-, investerings-, vaststellings-, beteugelings-, beslagname- of andere kosten verbonden met acties of opdrachten waartoe besloten is in het kader van het Fonds en die door derden zijn doorgevoerd.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd voor het Waalse Gewest bij DWG 2014-12-12/02, art. 128, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  HOOFDSTUK XII. - Slotbepalingen.

  Art. 44. De Koning kan de uitoefening van deze van die machten welke hij inzonderheid aanwijst, aan (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) overdragen. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  Wanneer maatregelen in uitvoering van deze wet te treffen niet uitsluitend betrekking hebben op de bescherming en het welzijn der dieren, worden die maatregelen gezamenlijk door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) en door de ter zake bevoegde Minister voorgedragen en uitgevoerd. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>

  Art. 45. De wet van 2 juli 1975 op de dierenbescherming wordt opgeheven.

  Art. 45bis.<ingevoegd bij W 1995-05-04/40, art. 29, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> (§ 1.) [1 ...]1 <KB 2001-02-22/33, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, binnen het toepassingsgebied van deze wet, alle vereiste maatregelen treffen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de krachtens dit verdrag tot stand gekomen internationale akten, welke maatregelen de opheffing en de wijziging van wetsbepalingen kunnen inhouden.
  (§ 2. Paragraaf 1 van dit artikel is niet van toepassing op de materies die behoren tot de bevoegdheid van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.) <KB 2001-02-22/33, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/15, art. 24, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2013>

  Art. 45ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 Het Brussels Instituut voor Milieubeheer heeft de algemene bevoegdheid om deze wet toe te passen voor wat betreft het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.]1

  ----------
  (1)<ORD 2018-01-25/15, art. 3, 028; Inwerkingtreding : 04-03-2018>

  Art. 45ter_WAALS_GEWEST.
  [1 Tot 31 augustus 2019 is artikel 15 niet van toepassing op slachtingen voorgeschreven door de ritus van een eredienst.
   De Regering kan voorzien in de controleprocedure en -voorwaarden waarbij aangetoond wordt dat het slachten ondernomen wordt in het kader van de ritus van een eredienst.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2017-05-18/04, art. 4, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Art. 46. Deze wet treedt in werking de eerste dag van de twaalfde maand volgend op die gedurende welke zij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, (uitgezonderd de artikelen 3bis en 17bis die in werking treden) op de door de Koning te bepalen datum. <W 1995-05-04/40, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 17bis vastgesteld op 01-10-2001 door KB 2001-05-17/37, art. 2)
Erratum Tekst Begin

BEELD
1987016004
PUBLICATIE :
1987-01-31
bladzijde : 1378

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
---------------------------------------------------GEWIJZIGD DOOR---------------------------------------------------
BEELD
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 17-07-2018 GEPUBL. OP 08-10-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 7; 11bis; 11ter; 11quater; 11quinquies ; 36; 43.3)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 13-07-2018 GEPUBL. OP 10-08-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 3bis; 4; 5; 6; 6bis; 7; 9; 10; 10bis; 12; 12bis; 13; 14; 16; 17bis; 18; 30; 20; 21; 22; 23; 24; 25; 26; 27; 29; 28; 30/1; 31; 32; 34; 34ter; 36; 39; 41bis; 42; 42bis; 42ter; 42quater; 44; 45bis)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 13-07-2018 GEPUBL. OP 10-08-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 4,§2/2) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 21-06-2018 GEPUBL. OP 29-06-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 42)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 08-06-2018 GEPUBL. OP 26-06-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 34bis)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 23-03-2018 GEPUBL. OP 05-04-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 19)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 25-01-2018 GEPUBL. OP 22-02-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 16bis; 16ter; 36)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 25-01-2018 GEPUBL. OP 22-02-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 6ter; 36) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 25-01-2018 GEPUBL. OP 22-02-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 24; 45ter)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 27-07-2017 GEPUBL. OP 12-09-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 9TER; 36)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 27-07-2017 GEPUBL. OP 07-09-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 9ter; 36)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 07-07-2017 GEPUBL. OP 18-07-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 15; 16; 45ter)
  • BEELD
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 18-05-2017 GEPUBL. OP 01-06-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 15; 16; 45ter)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 11-05-2017 GEPUBL. OP 30-05-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 4; 5; 6; 9; 9bis; 34; 34bis; 34ter; 35; 36; 36bis; 36ter; 37; 38; 39; 41; 41bis; 42; 34quater; 43; 43bis)
  • BEELD
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 10-11-2016 GEPUBL. OP 24-11-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 11bis; 36)
  • BEELD
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 23-06-2016 GEPUBL. OP 08-07-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 34; )
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 24-03-2016 GEPUBL. OP 01-04-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 31)
  • BEELD
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 16-10-2015 GEPUBL. OP 27-10-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 5; 12)
  • BEELD
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 22-01-2015 GEPUBL. OP 30-01-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 9/1; 35)
  • BEELD
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 22-01-2015 GEPUBL. OP 30-01-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 33; 31)
  • BEELD
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 12-12-2014 GEPUBL. OP 29-12-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 34; 35; 36; 36bis; 39; 41; 42; 43.1; 43.2; 43.3)
  • BEELD
  • WET VAN 07-02-2014 GEPUBL. OP 28-02-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 3bis; 6; 6bis; 12bis; 13; 16; 21; 42)
  • BEELD
  • WET VAN 27-12-2012 GEPUBL. OP 31-12-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 4; 5; 20; 21; 22; 23; 24; 25; 27; 29; 30; 30/1; 34; 35; 36; 36bis; 39; 41; 41bis; 42; 45bis)
  • BEELD
  • WET VAN 27-12-2012 GEPUBL. OP 31-12-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • BEELD
  • WET VAN 19-05-2010 GEPUBL. OP 02-06-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 13)
  • BEELD
  • WET VAN 10-12-2009 GEPUBL. OP 31-12-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 42)
  • BEELD
  • WET VAN 06-05-2009 GEPUBL. OP 19-05-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 3BIS; 34; 41)
  • BEELD
  • WET VAN 11-05-2007 GEPUBL. OP 04-10-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 10BIS; 12)
  • BEELD
  • WET VAN 19-03-2007 GEPUBL. OP 13-07-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 35; 39)
  • BEELD
  • WET VAN 01-03-2007 GEPUBL. OP 13-07-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 9)
  • BEELD
  • WET VAN 04-07-2004 GEPUBL. OP 03-11-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 42)
  • BEELD
  • WET VAN 23-06-2004 GEPUBL. OP 03-11-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 35)
  • BEELD
  • WET VAN 09-07-2004 GEPUBL. OP 15-07-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 3BIS; 24; 26; 42)
  • BEELD
  • WET VAN 22-12-2003 GEPUBL. OP 31-12-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 3BIS; 5; 6; 13; 14; 21; 22; 25; 32)
    (GEWIJZIGDE ART. : 33; 34; 36; 44; 9; 42; 7; 31; 41BIS)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-02-2001 GEPUBL. OP 28-02-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 16; 34; 42; 45BIS)
  • WET VAN 04-05-1995 GEPUBL. OP 28-07-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 3BIS; 5; 6; 7; 8; 9; 10; 11BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 12; 13; 16; 17BIS; 19; 20; 21; 23)
    (GEWIJZIGDE ART. : 24; 26; 29; 33; 34; 35; 36; 36BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 39; 42; 45BIS; 46)
  • WET VAN 26-03-1993 GEPUBL. OP 09-07-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 35)
  • WET VAN 28-08-1991 GEPUBL. OP 15-10-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 18)
  • -------------------------------------INWERKINGTREDING DOOR-------------------------------------
    BEELD
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 24-07-2018 GEPUBL. OP 25-09-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 3bis)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Stukken van de Senaat: 469 (1982-1983): - Nr. 1: Wetsontwerp. - Nr. 2: Verslag. - Nrs. 3 tot 10: Amendementen. - Nr. 11: Aanvullend verslag. - Nrs. 12 tot 16: Amendementen. Handelingen van de Senaat: 6 en 22 november 1984; 7, 21, 22 en 23 mei 1985. Stukken van de Kamer van Volksvertegenwoordigers: 1226 (1984-1985) - nr. 1: Ontwerp overgezonden door de Senaat. 264 (1985-1986) - Nr. 1: Stukken. - Nrs. 2 tot 9: Amendementen. - Nr. 10: Verslag. - Nr. 11: Amendement. Handelingen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers: 24 juli 1986.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 220 uitvoeringbesluiten 29 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie