J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 3 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2019/03/17/2019040805/justel

Titel
17 MAART 2019. - Wet betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-03-2019 en tekstbijwerking tot 05-08-2020) Zie wijziging(en)

Bron : ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 27-03-2019 nummer :   2019040805 bladzijde : 31256       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2019-03-17/03
Inwerkingtreding : 30-09-2020

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1999016118        1999016119       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Definities
Art. 2
HOOFDSTUK 3. - Beroepsactiviteiten, dragen van de titel en recht om deze werkzaamheden uit te oefenen
Afdeling 1. - De beroepsactiviteiten van de gecertificeerd accountant
Art. 3
Afdeling 2. - Dragen van de titel van gecertificeerd accountant
Art. 4
Afdeling 3. - Recht om de beroepsactiviteiten van gecertificeerd accountant uit te oefenen
Art. 5
Afdeling 4. - De beroepsactiviteiten van de gecertificeerd belastingadviseur
Art. 6
Afdeling 5. - Het dragen van de titel van gecertificeerd belastingadviseur
Art. 7-8
Afdeling 6. - De accountant en de fiscaal accountant
Art. 9
HOOFDSTUK 4. - Beroepskwalificaties voor het verlenen van de hoedanigheid
Afdeling 1. - Het verlenen van de hoedanigheid van gecertificeerd accountant of van gecertificeerd belastingadviseur aan een natuurlijk persoon
Art. 10-11
Afdeling 2. - Diplomavereisten
Art. 12
Afdeling 3. - De stage
Onderafdeling 1. - De stageperiode
Art. 13-16
Onderafdeling 2. - De stagecommissie
Art. 17-18
Afdeling 4. - Eedaflegging
Art. 19-20
Afdeling 5. - Inschrijving als accountant en fiscaal accountant en de overgang naar de hoedanigheid van gecertificeerd accountant en van gecertificeerd belastingadviseur
Art. 21-22
Afdeling 6. - De tijdelijke en occasionele beroepsuitoefening
Art. 23
Afdeling 7. - De toekenning van de hoedanigheid aan rechtspersonen
Art. 24-25
Afdeling 8. - De weigering van de hoedanigheid aan natuurlijke personen en rechtspersonen
Art. 26-28
HOOFDSTUK 5. - Het openbaar register
Afdeling 1. - Inschrijving in het openbaar register
Art. 29-32
Afdeling 2. - Uitschrijving uit het openbaar register
Art. 33
Afdeling 3. - De herinschrijving in het openbaar register
Art. 34-35
HOOFDSTUK 6. - Uitoefening van het beroep
Afdeling 1. - Principe
Art. 36
Afdeling 2. - Onafhankelijkheid
Art. 37
Afdeling 3. - Organisatie van de beroepsactiviteiten
Art. 38
Afdeling 4. - Bekwaamheid
Art. 39
Afdeling 5. - Cliënten
Art. 40-43
Afdeling 6. - Aansprakelijkheid
Art. 44
Afdeling 7. - Erelonen
Art. 45-47
Afdeling 8. - Onverenigbaarheden en belangenconflicten
Art. 48-49
Afdeling 9. - Geheimhouding
Art. 50-52
Afdeling 10. - Relaties met het Instituut
Art. 53
Afdeling 11. - Bijdragen
Art. 54
HOOFDSTUK 7. - Kwaliteitstoetsing
Art. 55-60
HOOFDSTUK 8. - Het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants
Afdeling 1. - Oprichting
Art. 61
Afdeling 2. - Opdracht
Art. 62
Afdeling 3. - De algemene vergadering
Onderafdeling 1. - Stemrecht
Art. 63-64
Onderafdeling 2. - Bevoegdheden
Art. 65
Onderafdeling 3. - Modaliteiten
Art. 66-67
Afdeling 4. - De Raad van het Instituut
Onderafdeling 1. - Samenstelling
Art. 68-71
Onderafdeling 2. - Bevoegdheden van de Raad van het Instituut
Art. 72-73
Onderafdeling 3. - Bevoegdheden van het uitvoerend comité
Art. 74
Afdeling 5. - De commissies
Art. 75
Afdeling 6. - De commissarissen
Art. 76
Afdeling 7. - Inkomsten
Art. 77
HOOFDSTUK 9. - Het Interinstitutencomité
Art. 78
HOOFDSTUK 10. - De Hoge Raad voor de Economische Beroepen
Art. 79-84
HOOFDSTUK 11. - Handhaving
Afdeling 1. - De terechtwijzing
Onderafdeling 1. - Redenen voor een terechtwijzing
Art. 85
Onderafdeling 2. - Procedure van de terechtwijzing
Art. 86-88
Afdeling 2. - De beroepstucht
Onderafdeling 1. - De tuchtcommissie
Art. 89-91
Onderafdeling 2. - De tuchtstraffen
Art. 92-93
Onderafdeling 3. - De tuchtprocedure
Art. 94-101
Onderafdeling 4. - Uitwissing van de tuchtstraf en eerherstel
Art. 102-103
Onderafdeling 5. - Beroep
Art. 104-114
Afdeling 3. - De intrekking van de hoedanigheid en de andere administratieve straffen
Art. 115-116
Afdeling 4. - Strafbepalingen
Art. 117-120
HOOFDSTUK 12. - Overgangsbepalingen
Art. 121-128
HOOFDSTUK 13. - Slotbepalingen
Art. 129-130

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK 2. - Definities

  Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  1° gecertificeerd accountant : de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om, als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 12°, uit te oefenen;
  2° gecertificeerd belastingadviseur : de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om de titel te dragen bij de uitoefening, als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, van de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 6, 1° tot en met 3° ;
  3° beroepsbeoefenaar : de gecertificeerd accountant, de gecertificeerd belastingadviseur, de accountant, de fiscaal accountant en de stagiairs die de beroepsactiviteiten uitoefenen als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, alsook de erkende rechtspersonen;
  4° accountant : de beroepsbeoefenaar die voor de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven was als "erkend boekhouder" bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten, als opgericht bij artikel 43 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
  5° fiscaal accountant : de beroepsbeoefenaar die voor de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven was als "boekhouder(-fiscalist)" bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten, als opgericht bij artikel 43 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
  6° intern gecertificeerd accountant : de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om de titel te dragen bij de uitoefening, binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking, van de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 5° ;
  7° intern gecertificeerd belastingadviseur : de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om de titel te dragen bij de uitoefening, binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking, van de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 6;
  8° bedrijfsrevisor : de bedrijfsrevisor als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren;
  9° openbaar register : het register bedoeld in hoofdstuk 5;
  10° European Credits Transfer System (ECTS) : het Europees systeem voor de overdracht van studiepunten;
  11° studiepunt : de eenheid waarmee op grond van de studietijd van de student de omvang van elk opleidingsonderdeel in een opleidingsprogramma of studiejaar wordt uitgedrukt, in het bijzonder :
  a) de studiepunten als bepaald in het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies en het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie;
  b) het studiepunt als bepaald in het artikel I.3., 67°, van Codex Hoger Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap;
  c) het studiepunt als bepaald in het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 27 juni 2005 houdende oprichting van een autonome hogeschool;
  12° kantoor : de organisatorische eenheid
  a) waarbinnen één of meer beroepsbeoefenaars voor een cliënt beroepsactiviteiten uitoefenen, als bedoeld in de artikel en 3 en 6;
  b) en die bestaat uit ofwel uitsluitend één vestiging ofwel meerdere vestigingen waarbinnen dezelfde werkmethodes van toepassing zijn;
  13° netwerk : de grotere structuur die op samenwerking is gericht en waartoe een beroepsbeoefenaar behoort en die duidelijk gericht is op :
  a) winst- of kostendeling, of
  b) het delen van gemeenschappelijke eigendom, zeggenschap of bestuur, een gemeenschappelijk beleid en procedures inzake kwaliteitsbeheersing, een gemeenschappelijke bedrijfsstrategie, het gebruik van een gemeenschappelijke merknaam of een aanzienlijk deel van de bedrijfsmiddelen;
  14° het wettelijk, reglementair en normatief kader :
  a) deze wet;
  b) de uitvoeringsbesluiten van deze wet, de normen en aanbevelingen als bedoeld in artikel 72, eerste lid, 2°, van het Instituut die van toepassing zijn op de uitoefening van de beroepsactiviteit;
  c) andere wetgeving en reglementering die op de beroepsbeoefenaar van toepassing zijn, met inbegrip van onder andere :
  i) de bepalingen inzake marktpraktijken en de consumentenbescherming die op hem van toepassing zijn zoals vermeld in boek VI van het Wetboek van economisch recht;
  ii) de bepalingen van het insolventierecht zoals vermeld in boek XX van het Wetboek van economisch recht;
  iii) de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten en haar uitvoeringsbesluiten;
  15° wet van 22 april 1999 : de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
  16° auditwet : de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren;
  17° Instituut : het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants, als bedoeld in artikel 61;
  18° Raad van het Instituut : de Raad van het Instituut als bedoeld in artikel 68;
  19° Hoge Raad : de Hoge Raad voor de Economische Beroepen als bedoeld in artikel 79;
  20° commissie van beroep : de commissie van beroep als bedoeld in artikel 104;
  21° Instituut van de Bedrijfsrevisoren : het Instituut van de Bedrijfsrevisoren als bedoeld in artikel 64 van de auditwet;
  22° fusionerende instituten : het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, opgericht bij artikel 2 van de wet van 22 april 1999 en het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten, opgericht bij artikel 43 van de wet van 22 april 1999;
  23° lidstaat : een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, als bedoeld in artikel 2, § 1, l), van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties;
  24° derde land : een land dat geen lidstaat is.

  HOOFDSTUK 3. - Beroepsactiviteiten, dragen van de titel en recht om deze werkzaamheden uit te oefenen

  Afdeling 1. - De beroepsactiviteiten van de gecertificeerd accountant

  Art. 3. Een gecertificeerd accountant voert hoofdzakelijk de volgende beroepsactiviteiten uit :
  1° de boekhouding en de boekhoudkundige diensten organiseren en advies verstrekken inzake de boekhoudkundige organisatie bij ondernemingen;
  2° het bepalen van de resultaten en het opmaken van de jaarrekening conform de wettelijke bepalingen ter zake;
  3° het openen, het houden, het centraliseren en het sluiten van boekingen, geschikt voor het opmaken van de rekeningen;
  4° alle boekhoudstukken nazien en corrigeren die niet leiden tot een attestering of een expertiseverslag bestemd om aan derden te worden afgegeven;
  5° de analyse met boekhoudtechnische procedés van de positie en werking van ondernemingen vanuit het oogpunt van hun kredietwaardigheid, rentabiliteit en risico's die niet leidt tot een attestering of een expertiseverslag bestemd om aan derden te worden afgegeven;
  6° zowel privé- als gerechtelijke expertise met betrekking tot de boekhouding van ondernemingen;
  7° elke opdracht bedoeld in 4° tot en met 6° uitgevoerd door een gecertificeerd accountant, andere dan de gebruikelijke beroepsbeoefenaar, die leidt tot een attestering of een expertiseverslag bestemd om aan derden te worden afgegeven;
  8° andere opdrachten waarvan de uitvoering bij of krachtens de wet zijn voorbehouden aan de gecertificeerd accountant;
  9° het verstrekken van advies in alle fiscale aangelegenheden;
  10° het bijstaan van de belastingplichtige bij het nakomen van zijn fiscale verplichtingen;
  11° het vertegenwoordigen van de belastingplichtige bij de belastingdiensten;
  12° het organiseren van administratieve diensten en advies verstrekken over de administratieve organisatie van ondernemingen.

  Afdeling 2. - Dragen van de titel van gecertificeerd accountant

  Art. 4.Enkel de natuurlijke personen ingeschreven in het openbaar register van het Instituut met de hoedanigheid van gecertificeerd accountant dragen de titel van gecertificeerd accountant, alsook desgevallend het Engelse equivalent "certified accountant" ervan.
  Personen die hun activiteiten uitoefenen binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking in de hoedanigheid van intern gecertificeerd accountant, mogen de titel van intern gecertificeerd accountant dragen.
  De erkende rechtspersonen bedoeld in artikel 24 mogen de titel van gecertificeerd accountant gebruiken of opnemen in hun maatschappelijke benaming [1 in zoverre de titel is opgenomen in het openbaar register bedoeld in artikel 29]1.
  Onverminderd artikel 9 mag niemand een andere titel dragen die verwarring kan scheppen of zou kunnen scheppen met die van gecertificeerd accountant.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 105, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Afdeling 3. - Recht om de beroepsactiviteiten van gecertificeerd accountant uit te oefenen

  Art. 5. Enkel de volgende personen, natuurlijke of rechtspersonen, mogen, als zelfstandige, in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, de beroepsactiviteiten als bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 5°, uitoefenen :
  1° de personen die in het openbaar register van het Instituut ingeschreven zijn met de hoedanigheid van gecertificeerd accountant;
  2° de bedrijfsrevisoren;
  3° de accountants en fiscaal accountants ingeschreven in het openbaar register bedoeld in artikel 9;
  4° de stagiairs, gecertificeerde accountants of (fiscaal) accountants, die activiteiten mogen uitoefenen voor rekening van derden;
  5° de erkende rechtspersonen voor zover de natuurlijke personen die deze activiteiten uitoefenen voor de erkende rechtspersoon accountants, fiscale accountants of gecertificeerde accountants zijn.
  De beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 5°, mogen bovendien ook uitgeoefend worden binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking door een werknemer of ambtenaar.
  Enkel de natuurlijke of rechtspersonen met de hoedanigheid van gecertificeerd accountant, erkende rechtspersoon of de bedrijfsrevisoren mogen, als zelfstandige, in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8° uitoefenen, met uitzondering van de activiteiten die door de wet voorbehouden zijn aan de gecertificeerde accountants.
  Wanneer de activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8°, worden uitgeoefend door erkende rechtspersonen, moeten de natuurlijke personen die deze activiteiten uitoefenen voor de rechtspersonen de hoedanigheid van gecertificeerd accountant of bedrijfsrevisor hebben.

  Afdeling 4. - De beroepsactiviteiten van de gecertificeerd belastingadviseur

  Art. 6.[1 § 1.]1 Een gecertificeerd belastingadviseur voert hoofdzakelijk de volgende beroepsactiviteiten uit :
  1° advies verstrekken in alle fiscale aangelegenheden;
  2° de belastingplichtige bijstaan bij het nakomen van zijn fiscale verplichtingen;
  3° de belastingplichtige vertegenwoordigen bij de belastingdiensten.
  [1 § 2. Niemand mag als zelfstandige, noch als natuurlijk persoon noch als rechtspersoon, voor rekening van derden, in hoofdberoep of bijberoep, de beroepsactiviteiten als bedoeld in paragraaf 1 uitoefenen, indien hij niet ingeschreven is in het openbaar register als beroepsbeoefenaar, noch op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2.
   Het eerste lid is niet van toepassing op de personen die op grond van wettelijke of reglementaire bepalingen of op grond van beroepsgebruiken gewoonlijk de activiteiten uitoefenen bedoeld in paragraaf 1 en die eveneens onderworpen zijn aan de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.
   § 3. Kunnen niet ingeschreven worden op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2 :
   1° diegenen die in het verleden tuchtrechtelijk werden geschrapt van het tableau der leden of de lijst van de stagiairs van een gereglementeerd beroep, zolang zij geen eerherstel bekomen hebben;
   2° diegenen die niet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 10, § 1, 2°, 3° en 4°, § 2 en § 3;
   3° diegenen die veroordeeld zijn voor een inbreuk op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten of die een sanctie hebben opgelopen in de zin van artikel 118 van deze wet.]1
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 153, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Afdeling 5. - Het dragen van de titel van gecertificeerd belastingadviseur

  Art. 7.Enkel de natuurlijke personen ingeschreven in het openbaar register van het Instituut met de hoedanigheid van gecertificeerd belastingadviseur mogen de titel van gecertificeerd belastingadviseur dragen, alsook het Engelse equivalent "certified tax advisor" ervan.
  De erkende rechtspersonen mogen de titel van gecertificeerd belastingadviseur gebruiken of opnemen in hun maatschappelijke benaming [1 in zoverre de titel is opgenomen in het openbaar register bedoeld in artikel 29]1.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 106, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 8. Een gecertificeerd accountant mag ook de titel van (intern) gecertificeerd fiscaal accountant dragen. Een (gecertificeerd) accountant of een bedrijfsrevisor mag de titel van gecertificeerd belastingadviseur echter niet dragen.
  Personen die hun activiteiten uitoefenen binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking in de hoedanigheid van intern gecertificeerd belastingadviseur, mogen de titel van intern gecertificeerd belastingadviseur dragen.
  Onverminderd artikel 9 mag niemand een andere titel dragen die verwarring kan scheppen of zou kunnen scheppen met die van gecertificeerd belastingadviseur.

  Afdeling 6. - De accountant en de fiscaal accountant

  Art. 9.De personen ingeschreven in het openbaar register van het Instituut als accountant mogen de titel van accountant dragen.
  De personen ingeschreven in het openbaar register van het Instituut als fiscaal accountant mogen de titel van fiscaal accountant dragen. De bedrijfsrevisoren mogen de titel van fiscaal accountant echter niet dragen.
  De erkende rechtspersonen mogen de titel van accountant of fiscaal accountant gebruiken of opnemen in hun maatschappelijke benaming [1 in zoverre de titel is opgenomen in het openbaar register bedoeld in artikel 29]1.
  De personen bedoeld in het eerste of tweede lid mogen de activiteiten bedoeld in artikel 3 uitoefenen, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8°.
  Onverminderd de artikel en 4 en 7 mag niemand een andere titel dragen die verwarring kan scheppen of zou kunnen scheppen met die van accountant of fiscaal accountant.
  Indien de personen bedoeld in het eerste of het tweede lid de activiteiten van accountant of fiscaal accountant binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking uitoefenen, mogen ze de titel van intern accountant of intern fiscaal accountant dragen.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 107, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  HOOFDSTUK 4. - Beroepskwalificaties voor het verlenen van de hoedanigheid

  Afdeling 1. - Het verlenen van de hoedanigheid van gecertificeerd accountant of van gecertificeerd belastingadviseur aan een natuurlijk persoon

  Art. 10. § 1. Een natuurlijk persoon die aan de volgende voorwaarden voldoet, wordt op zijn verzoek in het openbaar register van het Instituut ingeschreven met de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd accountant of (intern) gecertificeerd belastingadviseur :
  1° onderdaan zijn van een lidstaat;
  2° niet beroofd zijn geweest van zijn politieke en burgerlijke rechten;
  3° niet, zelfs gedeeltelijk, de schuldkwijtschelding geweigerd zijn geweest met toepassing van artikel XX.173, § 3, van het Wetboek van economisch recht, niet persoonlijk aansprakelijk zijn gesteld geweest voor het geheel of een deel van de schulden van de onderneming met toepassing van artikel XX.225 of XX.227 van hetzelfde wetboek, niet het verbod opgelegd zijn geweest een onderneming uit te baten met toepassing van artikel XX.229 van hetzelfde wetboek en niet een eerherstel geweigerd zijn geweest met toepassing van artikel XX.237 van hetzelfde wetboek;
  4° geen zelfs voorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste drie maanden hebben opgelopen voor een van de misdrijven vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 waarbij aan bepaalde veroordeelden en aan de gefailleerden verbod wordt opgelegd bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen en waarbij aan de ondernemingsrechtbanken de bevoegdheid wordt toegekend dergelijk verbod op te leggen, voor een inbreuk op de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, voor een inbreuk op het Wetboek van vennootschappen, het Wetboek van economisch recht, boek III, titel 3, hoofdstuk 2 en zijn uitvoeringsbesluiten, of op de fiscale wetgeving;
  5° in het bezit zijn van een diploma of een titel, bedoeld in artikel 12;
  6° na het slagen voor het toelatingsexamen, als stagiair een stageperiode van minstens drie jaar volbrengen;
  7° slagen voor het bekwaamheidsexamen dat volgt na de stage;
  8° de eed afleggen.
  § 2. De voorwaarde bedoeld in paragraaf 1, 3°, heeft eveneens betrekking op gelijkaardige insolventiemaatregelen opgelopen in een andere lidstaat of een derde land.
  § 3. De voorwaarde bedoeld in paragraaf 1, 4°, heeft eveneens betrekking op gelijkaardige strafmaatregelen opgelopen in een andere lidstaat of een derde land.
  § 4. De Koning legt, na advies van de Raad van het Instituut, de voorwaarden en de procedure vast voor een natuurlijk persoon, onderdaan van een derde land, gevestigd in België die de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd accountant of van (intern) gecertificeerd belastingadviseur wenst te bekomen. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
  § 5. Een bedrijfsrevisor mag niet om de hoedanigheid van gecertificeerd belastingadviseur verzoeken.

  Art. 11. § 1. Ter ondersteuning van zijn verzoek om ingeschreven te worden in het openbaar register van het Instituut met de hoedanigheid van gecertificeerd (intern) accountant of van (intern) gecertificeerd belastingadviseur kan een natuurlijk persoon, onderdaan van een lidstaat, een bekwaamheidstest of een opleidingstitel bedoeld in titel III, hoofdstuk I, van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties, afgeleverd door een andere lidstaat doen gelden die beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in hetzelfde hoofdstuk van die wet of een opleidingstitel gelijkgesteld aan een dergelijke titel in toepassing van artikel 2, § 3, van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties. De onderdanen van een lidstaat die een bekwaamheidsattest of een opleidingstitel bedoeld in deze paragraaf hebben verworven, zijn onderworpen aan alle voorwaarden en genieten van alle rechten voorzien in de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties, onverminderd de bepalingen voorzien in of op basis van deze wet.
  § 2. De houders van een bekwaamheidsattest of een opleidingstitel bedoeld in paragraaf 1 zijn vrijgesteld van de stage. Zij moeten zich evenwel, in toepassing van artikel 16, § 3, van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties, onderwerpen aan een bekwaamheidsproef, georganiseerd door het Instituut wanneer hun opleiding op het vlak van boekhouding, accountancy, fiscaliteit, vennootschapsrecht, deontologie en andere vakken waarvan de kennis noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van gecertificeerd accountant of van gecertificeerd belastingconsulent in België, belangrijke verschillen vertoont inzake inhoud ten aanzien van de opleiding die bestreken is door de in België vereiste opleidingstitel.
  De bekwaamheidsproef bestaat uit een controle van de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties van de aanvrager, die tot doel heeft te beoordelen of hij de bekwaamheid heeft om het beroep van gecertificeerd accountant of van gecertificeerd belastingadviseur uit te oefenen.
  Bij deze bekwaamheidsproef moet in aanmerking worden genomen dat de aanvrager in de Staat van oorsprong of herkomst een gekwalificeerd beroepsbeoefenaar is. De proef heeft betrekking op de vakgebieden die moeten worden gekozen uit die op de lijst van de vakgebieden, die, op basis van een vergelijking tussen de vereiste opleiding en de opleiding die de aanvrager heeft ontvangen, niet bestreken worden door het diploma of de titel(s) die de aanvrager overlegt. De kennis van deze vakgebieden moet een noodzakelijke voorwaarde zijn om het beroep van gecertificeerd accountant of gecertificeerd belastingadviseur te kunnen uitoefenen. Deze proef kan ook betrekking hebben op de kennis van de deontologie die op deze beroepen van toepassing zijn.
  De voorschriften betreffende de bekwaamheidsproef, de opstelling van de lijst van de vakgebieden en het statuut van de aanvrager die zich daarop wil voorbereiden, worden vastgelegd door de Raad van het Instituut met inachtneming van de regels inzake gemeenschapsrecht en de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties.
  Indien overwogen wordt om de aanvrager een bekwaamheidsproef te laten afleggen, wordt eerst nagegaan of de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties die de aanvrager tijdens zijn beroepservaring als gecertificeerd accountant of als gecertificeerd belastingadviseur in een lidstaat of een derde land heeft verworven, van dien aard zijn dat het wezenlijk verschil in de opleiding daardoor geheel of gedeeltelijk wordt ondervangen.
  Het Instituut informeert de aanvrager over de beslissing om hem aan een bekwaamheidsproef te onderwerpen door vermelding van :
  1° het vereiste kwalificatieniveau en het niveau volgens de onderverdeling in artikel 13 van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties waarover de aanvrager beschikt;
  2° de wezenlijke verschillen die de bekwaamheidsproef rechtvaardigen en de redenen waarom zij niet gecompenseerd kunnen worden door de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties, welke zijn verworven door de aanvrager door beroepservaring of levenslang leren, en die met dat doel door een bevoegde instantie formeel zijn gevalideerd.
  De bekwaamheidsproef wordt afgelegd binnen een termijn van zes maanden na het initiële besluit waarbij hem een bekwaamheidsproef is opgelegd.
  § 3. Het Instituut stuurt een ontvangstbevestiging binnen één maand na de ontvangst van het dossier van de aanvrager en deelt in voorkomend geval mee welk document of documenten ontbreken.
  De procedure voor het onderzoek van een in toepassing van dit artikel ingediende aanvraag moet zo spoedig mogelijk en in ieder geval uiterlijk vier maanden na de indiening van het volledige dossier van de aanvrager door een met redenen omkleed besluit worden afgesloten.
  Tegen dit besluit, of tegen het uitblijven ervan, kan beroep ingesteld worden bij de commissie van beroep.
  § 4. Het verlenen van de hoedanigheid en de titel aan de onderdanen van een lidstaat op basis van de artikel en 10 en 11 doet geen afbreuk aan hun recht om gebruik te maken van hun opleidingstitel die hen verleend is in hun lidstaat van oorsprong, alsook eventueel de afkorting ervan in de taal van die lidstaat. Deze titel moet gevolgd worden door de naam en plaats van de instelling of van de examencommissie die de titel heeft verleend.

  Afdeling 2. - Diplomavereisten

  Art. 12. De diploma's of titels bedoeld in artikel 10, § 1, 5°, die toegang geven tot het toelatingsexamen voor de stage en tot de hoedanigheid van gecertificeerd accountant en gecertificeerd belastingadviseur zijn :
  1° de volgende diploma's erkend door de Franse Gemeenschap :
  a) een masterdiploma;
  b) een diploma van "Bachelor in de boekhouding";
  c) een diploma van opleiding tot ondernemingshoofd met betrekking tot de activiteit van boekhouder of accountant afgeleverd door het "Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises" in uitvoering van het "décret du 17 juillet 2003 portant constitution d'un Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises" of door de Dienst opleiding KMO van de Franse Gemeenschapscommissie in uitvoering van het samenwerkingsakkoord, gesloten op 20 februari 1995 door de Franse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest betreffende de Permanente Vorming van de Middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen en het toezicht op het Instituut voor Permanente Vorming van de Middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen, zoals gewijzigd door het aanhangsel van 4 juni 2003;
  2° de volgende diploma's erkend door de Vlaamse Gemeenschap :
  a) een masterdiploma;
  b) een bachelordiploma in bedrijfsmanagement afstudeerrichting "accountancy-fiscaliteit";
  c) een diploma van gegradueerde van het hoger beroepsonderwijs, studiegebied "handelswetenschappen en bedrijfskunde", opleidingen "boekhouden" of "fiscale wetenschappen";
  d) een titel met een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 5 van economisch of juridisch type overeenkomstig het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;
  e) een titel met betrekking tot het beroep van boekhouder of accountancy behaald in het kader van een ondernemerschapstraject als bedoeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemingsvorming - Syntra Vlaanderen";
  3° de volgende diploma's erkend door de Duitstalige Gemeenschap :
  a) een bachelordiploma in de financiële en bestuurswetenschappen in het domein "boekhouding";
  b) een titel met betrekking tot het beroep van boekhouder of accountant afgeleverd in het kader van het "Dekret vom 16. Dezember 1991 über die Aus- und Weiterbildung im Mittelstand und in kleinen und mittleren Unternehmen";
  4° een ander bachelordiploma van het economisch of juridisch type van het hoger economisch onderwijs dat voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) voor het toelatingsexamen van gecertificeerd accountant bevat het programma van de opleiding(en) in totaal minstens 45 ECTS voor wat betreft boekhoudkundige, fiscale of andere opleidingsonderdelen opgenomen in het toelatingsexamen tot de stage; de andere dan de boekhoudkundige en fiscale opleidingsonderdelen echter worden opgenomen voor de berekening van de vereiste 45 ECTS, met een maximum van 3 ECTS per opleidingsonderdeel;
  b) voor het toelatingsexamen van belastingadviseur bevat het programma van de opleiding(en) in totaal minstens 35 ECTS voor wat betreft boekhoudkundige, fiscale of andere opleidingsonderdelen opgenomen in het toelatingsexamen; de andere dan de boekhoudkundige en fiscale opleidingsonderdelen echter worden opgenomen voor de berekening van de vereiste 35 ECTS, met een maximum van 3 ECTS per opleidingsonderdeel;
  c) de opleiding of opleidingen die in rekening worden gebracht voor de berekening van de ECTS bedoeld in a) zijn erkend door de Franse, Vlaamse of Duitstalige Gemeenschap;
  5° de diploma's die op het einde van een opleidingscyclus uitgereikt worden, waarvoor de student zich vóór de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven heeft en die op de dag van inschrijving toegang gaven tot de stage van accountant, van belastingconsulent of van boekhouder(-fiscalist) in toepassing van de wet van 22 april 1999;
  6° de in het buitenland uitgereikte diploma's mits de erkenning vooraf van hun gelijkwaardigheid door de Franse, Vlaamse of Duitstalige Gemeenschap aan de diploma's bedoeld onder 1° tot en met 5° en die in voorkomend geval de voorwaarden bedoeld in 4° naleven;
  7° andere door de Koning vastgestelde diploma's en titels, na advies van de Raad van het Instituut.
  De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.

  Afdeling 3. - De stage

  Onderafdeling 1. - De stageperiode

  Art. 13. § 1. De stageperiode voor de toekenning van de hoedanigheid als bedoeld in artikel 10 duurt minstens drie jaar. Zij kan worden verlengd met de duur van de schorsing die de stagecommissie om gegronde reden goedkeurt.
  Tijdens de stageperiode voert de stagiair minstens duizend uur per jaar activiteiten uit, met als doel voldoende beroepservaring te verwerven voor het uitoefenen van het beroep. De activiteiten van de stage worden vastgelegd in een stageovereenkomst met een beroepsbeoefenaar die al gedurende minstens vijf jaar het beroep uitoefent na het slagen in zijn stage.
  De stage wordt afgesloten met een bekwaamheidsexamen.
  Slaagt de stagiair niet in het bekwaamheidsexamen binnen de acht jaar te rekenen vanaf de datum van zijn inschrijving in het openbaar register, dan wordt hij uit het openbaar register weggelaten. De stagiair kan slechts na een termijn van drie jaar de stage hervatten en na opnieuw geslaagd te zijn voor het toelatingsexamen.
  § 2. De bepalingen bedoeld in hoofdstuk 11, afdeling 2, zijn van toepassing op de personen bedoeld onder paragraaf 1.

  Art. 14. De stagecommissie kan, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, de stage inkorten of een vrijstelling van de stage toestaan wanneer de persoon ten minste zeven jaar relevante ervaring met de uitoefening van het beroep kan aantonen.

  Art. 15. De stagecommissie kan een tussentijdse proef of meerdere tussentijdse proeven gedurende de stage organiseren om de verworven kennis en bekwaamheid voor het beroep te evalueren.

  Art. 16. De stagiair die ingeschreven is voor de stage van "gecertificeerd accountant" mag, mits de uitdrukkelijke toestemming vermeld in de stageovereenkomst, de activiteiten van gecertificeerd accountant uitoefenen bedoeld in artikel 3, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8°, in opdracht en voor rekening van derden. Hij draagt in dit geval de titel van "stagiair gecertificeerd accountant".
  Onverminderd het eerste lid, kan de Koning, na advies van de Raad van het Instituut, bepalen welke activiteiten de stagiair mag uitoefenen.
  De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.

  Onderafdeling 2. - De stagecommissie

  Art. 17. § 1. De Koning richt bij het Instituut een stagecommissie in die belast is met de stage en het toekennen van de hoedanigheid van gecertificeerd accountant en van gecertificeerd belastingadviseur aan natuurlijke personen. De commissie staat onder toezicht van de Raad van het Instituut en heeft als opdracht advies uit te brengen aan de Raad van het Instituut over de volgende zaken :
  1° de organisatie van het toelatingsexamen;
  2° het verlenen van vrijstellingen voor opleidingsonderdelen van het toelatingsexamen;
  3° het goedkeuren van stageovereenkomsten en het toezicht op de stage;
  4° de organisatie van het bekwaamheidsexamen;
  5° het organiseren van tussentijdse proeven;
  6° de organisatie van de bekwaamheidsproef voor onderdanen van een andere lidstaat;
  7° het verlenen van een vrijstelling van de stage of een inkorting van de stageduur voor de natuurlijke personen die een relevante beroepservaring van zeven jaar kunnen voorleggen;
  8° het selecteren van personen die de examenvragen voor het toelatingsexamen en het bekwaamheidsexamen opstellen en verbeteren;
  9° een voorstel van een examenreglement voor respectievelijk het toelatingsexamen en het bekwaamheidsexamen ter goedkeuring voorleggen aan de Raad van het Instituut.
  § 2. Na advies van de Raad van het Instituut stelt de Koning het stagereglement vast.
  De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
  Het stagereglement houdt ten minste in :
  1° de samenstelling, de werking, de opdracht en de procedures van de stagecommissie;
  2° de inhoud en de nadere regels voor het toelatingsexamen en de vrijstellingen;
  3° de nadere regels van de stage, met inbegrip van de stageovereenkomst, de rechten en de verplichtingen gedurende de stage van zowel de stagemeester als de stagiair;
  4° de inhoud en de nadere regels van het bekwaamheidsexamen, met inbegrip van de samenstelling en de werking van de examenjury;
  5° de procedure voor het toekennen van de vrijstelling van de stage na zeven jaar relevante beroepservaring;
  6° de inhoud en de nadere regels van de bekwaamheidsproef;
  7° de procedure voor het instellen van hoger beroep.
  § 3. De stagecommissie maakt elk jaar een jaarverslag op. Het verslag wordt aan de Raad van het Instituut ter goedkeuring voorgelegd.

  Art. 18. Tegen de volgende beslissingen van de Raad genomen op voorstel van de stagecommissie kan beroep bij de commissie van beroep worden ingesteld :
  1° beslissingen met betrekking tot het toelatingsexamen, met name de vrijstellingen en het resultaat van het toelatingsexamen;
  2° beslissingen met betrekking tot de stage, met name de stageovereenkomst en het verloop van de stage;
  3° beslissingen met betrekking tot het bekwaamheidsexamen;
  4° beslissingen met betrekking tot de bekwaamheidsproef.

  Afdeling 4. - Eedaflegging

  Art. 19. Een natuurlijk persoon kan slechts ingeschreven worden in het openbaar register van het Instituut met de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd accountant of van (intern) gecertificeerd belastingadviseur na het afleggen van de eed na het slagen voor het bekwaamheidsexamen.

  Art. 20. § 1. De persoon met de Belgische nationaliteit die in het openbaar register van het Instituut wenst ingeschreven te worden met de hoedanigheid van gecertificeerd accountant of gecertificeerd belastingadviseur legt de volgende eed af :
  "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en ik zweer de opdrachten die mij worden toevertrouwd in eer en geweten te vervullen.".
  De persoon die niet de Belgische nationaliteit heeft, legt de volgende eed af : "Ik zweer de opdrachten die mij worden toevertrouwd, in eer en geweten te vervullen volgens de voorschriften van de Belgische wet.".
  De persoon die zijn woonplaats in België heeft, legt de eed af voor de ondernemingsrechtsbank van zijn woonplaats.
  De persoon die geen woonplaats in België heeft, legt de eed af voor de ondernemingsrechtsbank van zijn keuze.
  § 2. De persoon die in het openbaar register van het Instituut wenst ingeschreven te worden met de hoedanigheid van intern gecertificeerd accountant of intern gecertificeerd belastingadviseur, legt de eed af, bedoeld in paragraaf 1, eerste of tweede lid, voor de voorzitter of de ondervoorzitter van het Instituut.

  Afdeling 5. - Inschrijving als accountant en fiscaal accountant en de overgang naar de hoedanigheid van gecertificeerd accountant en van gecertificeerd belastingadviseur

  Art. 21. De personen die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven waren op het tableau van "boekhouders" als bedoeld in artikel 46, § 1, tweede lid, van de wet van 22 april 1999, worden als (intern) accountant ingeschreven in het openbaar register van het Instituut.
  Wensen deze personen de hoedanigheid van "(intern) gecertificeerd accountant" te bekomen, dan moeten zij slagen voor het bekwaamheidsexamen, bestaande uit een schriftelijke en mondelinge proef over de volgende vakken :
  1° consolidatie;
  2° interne controle;
  3° accountantsonderzoek;
  4° bijzondere opdrachten in het vennootschaps- en verenigingsrecht;
  5° juridische beroepsnormen betreffende wettelijke en contractuele opdrachten voorhouden aan de gecertificeerde accountants.
  Wensen deze personen de hoedanigheid van "(intern) gecertificeerd belastingadviseur" te bekomen, dan moeten zij slagen voor het bekwaamheidsexamen, bestaande uit een schriftelijke en mondelinge proef over de volgende vakken :
  1° personenbelasting;
  2° vennootschapsbelasting;
  3° belasting over de toegevoegde waarde;
  4° beginselen van de registratie- en successierechten;
  5° fiscale procedure;
  6° beginselen van het Europees en internationaal fiscaal recht.

  Art. 22. De personen die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, ingeschreven waren op het tableau van "boekhouders-fiscalisten" als bedoeld in artikel 46, § 1, tweede lid, van de wet van 22 april 1999, worden als (intern) fiscaal accountant ingeschreven in het openbaar register van het Instituut.
  Wensen deze personen de hoedanigheid van "(intern) gecertificeerd accountant" te bekomen, dan moeten zij slagen voor het bekwaamheidsexamen, bestaande uit een schriftelijke en mondelinge proef over de volgende vakken :
  1° consolidatie;
  2° interne controle;
  3° accountantsonderzoek;
  4° bijzondere opdrachten in het vennootschaps- en verenigingsrecht;
  5° juridische beroepsnormen betreffende wettelijke en contractuele opdrachten voorbehouden aan de gecertificeerde accountants.
  Wensen deze personen de hoedanigheid van "gecertificeerd belastingadviseur" te bekomen, dan moeten zij slagen voor het bekwaamheidsexamen, bestaande uit een schriftelijke en mondelinge proef over de beginselen van het Europees en internationaal fiscaal recht.
  De persoon die kiest voor de hoedanigheid van gecertificeerd belastingadviseur mag de activiteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 8°, niet meer uitoefenen.

  Afdeling 6. - De tijdelijke en occasionele beroepsuitoefening

  Art. 23. § 1. De natuurlijke personen, onderdanen van een lidstaat, zijn gemachtigd om tijdelijk en occasioneel de activiteiten van gecertificeerd accountant of gecertificeerd belastingadviseur uit te oefenen zonder de voorwaarden te moeten vervullen als bedoeld in artikel 10 van deze wet volgens de nadere regels voorzien in de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties indien zij :
  1° op wettige wijze zijn gevestigd in een andere lidstaat om er hetzelfde beroep uit te oefenen, en
  2° het beroep van gecertificeerd accountant of gecertificeerd belastingadviseur gedurende de tien jaar die voorafgaan aan de dienstverrichting gedurende tenminste een jaar hebben uitgeoefend in één of meer lidstaten, indien het beroep niet gereglementeerd is in de lidstaat van vestiging.
  Het tijdelijk en occasioneel karakter van de dienstverrichting wordt door de Raad van het Instituut per geval beoordeeld, met name in functie van de duur, de frequentie, de regelmaat en de continuïteit.
  § 2. In toepassing van artikel 9 van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificatie stellen de personen bedoeld in paragraaf 1 die zich voor het eerst naar België begeven om er tijdelijk en occasioneel het beroep van gecertificeerd accountant of gecertificeerd belastingadviseur uit te oefenen, de Raad van het Instituut hiervan vooraf in kennis door middel van een schriftelijke verklaring, met daarin de gegevens betreffende verzekeringsdekking of andere middelen van persoonlijke of collectieve bescherming inzake beroepsaansprakelijkheid.
  Deze verklaring wordt eenmaal per jaar hernieuwd indien de dienstverrichter voornemens is om diensten te verrichten in België op een tijdelijke en occasionele manier tijdens het desbetreffende jaar. Bovendien, bij de eerste dienstverrichting of indien zich een wezenlijke verandering heeft voorgedaan in de door de documenten gestaafde situatie, bezorgt de dienstverrichter ook de documenten voorzien in artikel 9, § 2, a) tot d), van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties.
  De dienstverrichter kan die verklaring met alle middelen aanleveren.
  § 3. De personen die occasioneel en tijdelijk het beroep in België uitoefenen, voeren de activiteiten in België uit met naleving van het wettelijk, reglementair en normatief kader. De bepalingen bedoeld in hoofdstuk 11, afdeling 2, zijn op hen van toepassing.

  Afdeling 7. - De toekenning van de hoedanigheid aan rechtspersonen

  Art. 24.[1 § 1.]1 Een rechtspersoon wordt op zijn verzoek in het openbaar register van het Instituut ingeschreven met de hoedanigheid van erkend rechtspersoon, indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° de rechtspersoon is opgericht met rechtspersoonlijkheid naar Belgisch recht of naar het recht van een andere lidstaat;
  2° het voorwerp en de activiteiten van de rechtspersoon zijn beperkt tot de activiteiten bedoeld in artikel 3 of 6 of tot het uitoefenen van de hiermee verenigbare beroepsactiviteiten;
  3° de rechtspersoon bezit enkel deelnemingen in andere vennootschappen of rechtspersonen, waarvan het maatschappelijk doel en de activiteiten niet onverenigbaar zijn met de uitoefening van de beroepsactiviteiten bedoeld in de artikel en 3 of 6;
  4° de beroepsbeoefenaars en/of de personen die in een andere lidstaat een hoedanigheid bezitten die gelijkwaardig is aan één van de hoedanigheden gegeven door het Instituut aan de beroepsbeoefenaars in België, hebben de meerderheid van het stemrecht in de algemene vergadering;
  5° de meerderheid van de leden van het bestuursorgaan bestaat uit beroepsbeoefenaars en/of personen die in een andere lidstaat een hoedanigheid bezitten die gelijkwaardig is aan één van de hoedanigheden gegeven door het Instituut aan de beroepsbeoefenaars in België.
  [1 Wanneer de meerderheid van de leden-beroepsbeoefenaars van het bestuursorgaan de hoedanigheid van "(fiscale) accountants", "gecertificeerde accountants", "gecertificeerde belastingadviseurs" of een gelijkwaardige erkende hoedanigheid in een andere lidstaat heeft, wordt respectievelijk de melding "(fiscaal) accountant", "gecertificeerd accountant" of "gecertificeerd belastingadviseur" opgenomen in het openbaar register. Indien geen enkele hoedanigheid de meerderheid van de leden-beroepsbeoefenaars vormt, wordt de hoedanigheid van de voorzitter van het bestuursorgaan voor de rechtspersoon opgenomen in het openbaar register.]1
  [1 § 2. De bepaling van paragraaf 1, 4°, is niet van toepassing voor de rechtspersoon opgericht binnen een rechtspersonengroep of een beroepsgroepering en waarvan het voorwerp erin bestaat, diensten te verlenen als bedoeld in de artikelen 3 en 6, aan de ondernemingen van de groep, aan de ondernemingen aangesloten bij de beroepsgroepering of aan haar vennoten.
   In afwijking van paragraaf 1, 5°, bestaat de meerderheid van de leden van het bestuursorgaan binnen een rechtspersoon bedoeld in het eerste lid uit personen bedoeld in artikel 2, 3°, 6° en 7°.
   In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, wordt één van de meldingen "(fiscaal) accountant", "gecertificeerd accountant" of "gecertificeerd belastingadviseur" opgenomen in het openbaar register wanneer een deel van het bestuursorgaan binnen een rechtspersoon bedoeld in het eerste lid bestaat uit personen bedoeld in artikel 2, 3°, 6° en 7°.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 108, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 25. De Koning kan, na advies van de Raad van het Instituut, nadere regels vastleggen over de toekenning van de hoedanigheid aan rechtspersonen, alsook de voorwaarden en de procedure voor de toekenning van de hoedanigheid aan rechtspersonen van stagiairs en rechtspersonen uit derde landen.
  De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.

  Afdeling 8. - De weigering van de hoedanigheid aan natuurlijke personen en rechtspersonen

  Art. 26. De Raad van het Instituut kan de toekenning van de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd accountant of (intern) gecertificeerd belastingadviseur aan een natuurlijk persoon weigeren, wanneer hij van oordeel is dat de onafhankelijkheid, de betrouwbaarheid en de bekwaamheid van de persoon in kwestie in het gedrang wordt gebracht of kan worden gebracht, meer bepaald in één van de volgende gevallen :
  1° wanneer hij niet of niet meer aan de toelatingsvoorwaarden voldoet, als bepaald in artikel 10;
  2° wanneer de persoon een beroepsactiviteit uitoefent die onverenigbaar is met de beroepsactiviteiten bedoeld in de artikel en 3 en 6.

  Art. 27. De Raad van het Instituut kan de toekenning van de hoedanigheid aan een rechtspersoon weigeren wanneer hij bij de beoordeling van de individuele aanvraag voor een toekenning van oordeel is dat de onafhankelijkheid, de betrouwbaarheid en de bekwaamheid van de rechtspersoon in het gedrang wordt gebracht of kan worden, meer bepaald in één van de volgende gevallen :
  1° wanneer een beroepsbeoefenaar als vennoot, een zaakvoerder, een bestuurder of een lid van het directiecomité dat optreedt in naam en voor rekening van de rechtspersoon, niet of niet meer voldoet aan een van de voorwaarden vermeld in artikel 10, § 1, 2°, 3° en 4° ;
  2° wanneer de rechtspersoon of, in voorkomend geval, de rechtspersonen als vennoot of als lid van het bestuursorgaan en die beroepsbeoefenaar zijn :
  a) failliet werd verklaard;
  b) het voorwerp is van een vonnis tot opening van procedure van een gerechtelijke reorganisatie;
  c) gerechtelijk ontbonden werd;
  d) het voorwerp uitmaakt of heeft uitgemaakt van een gelijkaardige of administratieve maatregel in België, in een lidstaat of in een derde land of een strafrechtelijke veroordeling opgelopen heeft die in kracht van gewijsde is getreden voor een misdrijf als bedoeld in artikel 10, 4°, zelfs met uitstel, tot een geldboete van ten minste 1 500 euro, in voorkomend geval, te verhogen met de wettelijke opdeciemen, of een gelijkaardige veroordeling in een lidstaat of een derde land;
  3° wanneer een vennoot, een zaakvoerder, een bestuurder of een lid van het directiecomité en die beroepsbeoefenaar is en optreedt in naam en voor rekening van de rechtspersoon, een beroepsactiviteit uitoefent die onverenigbaar is met de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel en 3 en 6.

  Art. 28. Beroep tegen de in deze afdeling bedoelde beslissingen van de Raad van het Instituut is mogelijk bij de commissie van beroep.

  HOOFDSTUK 5. - Het openbaar register

  Afdeling 1. - Inschrijving in het openbaar register

  Art. 29.[1 § 1.]1 Het Instituut houdt een openbaar register bij om toe te laten de lijst van personen die het beroep mogen uitoefenen of de beroepstitel mogen dragen, te raadplegen en na te kijken.
  Elke beroepsbeoefenaar, zowel een natuurlijk als een rechtspersoon, wordt ingeschreven in het openbaar register, met de toevoeging van zijn hoedanigheid.
  De stagiairs worden eveneens ingeschreven in het openbaar register, met de vermelding van stagiair.
  De personen die het beroep binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking uitoefenen en die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoorden, worden ingeschreven met hun hoedanigheid.
  Het Instituut wijst bij de inschrijving aan elke ingeschreven persoon een inschrijvingsnummer toe.
  [1 § 2. Het Instituut houdt in het openbaar register een aparte lijst bij van de personen bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, omvattende de personen die de beroepsactiviteiten als bedoeld in artikel 6, § 1, uitoefenen, zonder het voeren van de beroepstitel bedoeld in paragraaf 1, om toe te laten de lijst van deze personen te raadplegen en na te kijken.]1
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 154, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Art. 30.[2 § 1.]2 Het openbaar register [2 bedoeld in artikel 29, § 1,]2 bevat de volgende gegevens :
  1° de naam van de beroepsbeoefenaar of in voorkomend geval van de stagiair of van de persoon bedoeld in artikel 29, vierde lid, het inschrijvingsnummer en de contactgegevens;
  2° het adres waar de beroepsbeoefenaar kantoor houdt;
  3° de hoedanigheid van de beroepsbeoefenaar of, in voorkomend geval, de vermelding van stagiair, (intern) (gecertificeerd) accountant, (intern) (gecertificeerd) belastingadviseur of (intern) fiscaal accountant;
  4° in voorkomend geval, het netwerk waartoe de beroepsbeoefenaar behoort;
  5° in voorkomend geval, het ondernemingsnummer;
  6° in voorkomend geval, de melding bedoeld in [1 artikel 24, § 1, tweede lid of § 2, derde lid]1;
  7° de taal, Nederlands of Frans, gekozen door de aanvrager, zoals hernomen in zijn aanvraag tot inschrijving;
  8° de datum van de eedaflegging.
  [2 § 2. De aparte lijst van het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, bevat :
   1° de naam van de persoon, natuurlijke persoon en rechtspersoon, en de contactgegevens;
   2° het adres waar deze persoon de activiteiten uitoefent en, ingeval het een rechtspersoon betreft, het adres van de maatschappelijke zetel;
   3° het ondernemingsnummer, zowel als natuurlijk persoon als rechtspersoon.
   De Koning kan, na advies van de Raad van het Instituut, de aparte lijst in het openbaar register, bedoeld in artikel 29, § 2, aanvullen met bijkomende gegevens die rechtstreeks verband houden met de beroepsuitoefening, alsook de nadere regels van het openbaar register vaststellen. Die bijkomende gegevens zijn beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de doeleinden van het openbaar register.
   De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
   § 3. Bij elke kandidatuur wordt een dossier gevoegd, met de in deze paragraaf genoemde gegevens. Het dossier omvat bovendien een omstandige beschrijving van de samenstelling en de organisatie van zijn kantoor en van zijn werkmethodes. Indien de persoon werkzaam is of is geweest in het kader van een rechtspersoon, omvat het dossier bovendien een beschrijving van de rechtspersoon, haar organisatie en werking en van de plaats die de persoon erin bekleedt.
   De Raad van het Instituut mag van een persoon eisen dat hij zijn dossier vervolledigt door overlegging, binnen de termijn die zij vaststellen, van alle stukken of gegevens die nodig zijn om over de aanvraag te kunnen beslissen.
   De Koning bepaalt, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels voor de inschrijving in het openbaar register.
   De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.]2
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 109, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2019>
  (2)<W 2020-07-20/12, art. 155, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Art. 31.De Raad van het Instituut is belast met het houden en het bijwerken van de gegevens van het openbaar register.
  De [1 persoon ingeschreven in het openbaar register]1 brengt de Raad van het Instituut binnen de vijftien dagen na de wijziging op de hoogte van elke wijziging van de gegevens opgenomen in het openbaar register. Hij is verantwoordelijk voor de juistheid van de aan het Instituut meegedeelde gegevens.
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 156, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Art. 32. Het openbaar register bevat ook de gegevens van :
  1° de personen die het beroep tijdelijk en occasioneel mogen uitoefenen, uit hoofde van artikel 23;
  2° de natuurlijke personen en rechtspersonen uit derde landen die de beroepsactiviteit in België mogen uitoefenen, in uitvoering van artikel 25.
  De Koning kan, na advies van de Raad van het Instituut, het openbaar register aanvullen met bijkomende gegevens die rechtstreeks verband houden met de beroepsuitoefening, alsook de nadere regels van het openbaar register vaststellen. Die bijkomende gegevens zijn beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de doeleinden van het openbaar register.
  De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.

  Afdeling 2. - Uitschrijving uit het openbaar register

  Art. 33.[1 § 1.]1 Wanneer de beroepsbeoefenaar of in voorkomend geval de stagiair of een (intern) gecertificeerd accountant of een (intern) gecertificeerd belastingadviseur, een (intern) accountant of een (intern) fiscaal accountant hierom verzoekt, wordt hij uit het openbaar register uitgeschreven.
  Wanneer de persoon om de uitschrijving van het openbaar register verzoekt, nadat hij binnen de gestelde termijn is terechtgewezen als bepaald in artikel 86 of wanneer de betrokken persoon naar de tuchtinstanties wordt doorverwezen, kan hij slechts uitgeschreven worden na de beslissing van de tuchtcommissie of in voorkomend geval na de beslissing van de commissie van beroep.
  De uitschrijving heeft tot gevolg dat de betrokken persoon zijn hoedanigheid verliest.
  De persoonsgegevens behandeld door het Instituut worden bijgehouden zolang dat nodig is om de doeleinden door of krachtens deze wet te behalen en maximaal gedurende tien jaar te rekenen vanaf de uitschrijving.
  [1 § 2. Wanneer de persoon bedoeld in artikel 29, § 2, hierom verzoekt, wordt hij uit het openbaar register uitgeschreven.
   Wanneer de persoon om de uitschrijving van het openbaar register verzoekt, terwijl hij het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijke procedure voor een inbreuk op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten of die een sanctie heeft opgelopen in de zin van artikel 118 van de wet van 18 september 2017, kan hij slechts uitgeschreven worden na de beslissing van de gerechtelijke instantie of in voorkomend geval na de beslissing van de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 118 van de wet van 18 september 2017.
   De uitschrijving heeft tot gevolg dat de betrokken persoon noch als zelfstandige, noch als natuurlijk persoon noch als rechtspersoon, voor rekening van derden, in hoofdberoep of bijberoep, de beroepsactiviteiten als bedoeld in artikel 6, § 1, van deze wet meer mag uitoefenen.
   De persoonsgegevens behandeld door het Instituut worden bijgehouden zolang dat nodig is om de doeleinden door of krachtens deze wet te behalen en maximaal gedurende tien jaar te rekenen vanaf de uitschrijving.]1
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 157, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Afdeling 3. - De herinschrijving in het openbaar register

  Art. 34.Elke beroepsbeoefenaar of in voorkomend geval de stagiair of een (intern) gecertificeerd accountant of een (intern) gecertificeerd belastingadviseur, een (intern) accountant of een (intern) fiscaal accountant [1 of de persoon bedoeld in artikel 29, § 2,]1 die op zijn verzoek is uitgeschreven, kan na de uitschrijving om zijn herinschrijving verzoeken.
  Een herinschrijving is pas mogelijk wanneer hij de voorwaarden voor de toelating tot het beroep opnieuw vervult.
  De Koning bepaalt, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels voor de herinschrijving in het openbaar register.
  De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 158, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Art. 35. Beroep tegen de weigering van herinschrijving kan door de uitgeschrevene worden ingesteld bij de commissie van beroep.

  HOOFDSTUK 6. - Uitoefening van het beroep

  Afdeling 1. - Principe

  Art. 36. § 1. Alle beroepsbeoefenaars, stagiairs, interne gecertificeerde accountants, interne gecertificeerde belastingadviseurs, interne accountants of interne fiscaal accountants en personen bedoeld in artikel 23 oefenen hun beroepsactiviteit uit met toepassing van het wettelijk, reglementair en normatief kader dat op hen van toepassing is.
  § 2. De Koning legt na advies van de Raad van het Instituut de specifieke maatregelen vast met betrekking tot de deontologie en de maatregelen om de onafhankelijkheid te verzekeren.
  De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
  Deze regels zijn in voorkomend geval verschillend naargelang de persoon zijn activiteiten uitoefent als zelfstandige of onder een ander statuut en voor de personen bedoeld in artikel 23.
  § 3. Wanneer in dit hoofdstuk wordt verwezen naar de persoon ingeschreven in het openbaar register, is elke persoon vermeld in paragraaf 1 aan die bepaling onderworpen. Wanneer wordt verwezen naar de beroepsbeoefenaar is enkel hij aan die bepaling onderworpen.

  Afdeling 2. - Onafhankelijkheid

  Art. 37.Elke persoon ingeschreven in het openbaar register [1 , met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2,]1 handelt bij het vervullen van de hem toevertrouwde activiteiten of opdrachten in volledige onafhankelijkheid, met respect voor de beginselen van de deontologie. Voor een beroepsbeoefenaar hebben deze minstens betrekking op de verantwoordelijkheid voor het openbaar belang van de beroepsbeoefenaar, zijn integriteit en objectiviteit, alsmede op zijn vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, zijn respect voor de vertrouwelijkheid en zijn professionaliteit.
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 159, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Afdeling 3. - Organisatie van de beroepsactiviteiten

  Art. 38. De beroepsbeoefenaar organiseert zijn beroepsactiviteiten in functie van de aard en de omvang van zijn cliëntenbestand en evenredig met de complexiteit van de opdrachten die hij uitvoert. Hij voorziet de gepaste organisatorische en financiële middelen. Hij zet personeel met gepaste beroepskwalificaties adequaat in.

  Afdeling 4. - Bekwaamheid

  Art. 39.Elke persoon ingeschreven in het openbaar register [1 , met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2,]1 beschikt over de nodige beroepsbekwaamheid om de activiteiten of opdrachten te vervullen die hem kan worden toegewezen of wordt toegewezen.
  Hij zet daartoe op regelmatige basis en op continue wijze een permanente vorming voort om zijn beroepskennis en -bekwaamheid en zijn beroepsethiek op voldoende peil te houden.
  De Raad van het Instituut is belast met het toezicht op de permanente vorming van de beroepsbeoefenaar, met uitzondering van de stagiairs.
  De inhoud en het minimum aantal uren permanente vorming worden vastgelegd in een norm, als bedoeld in artikel 72, eerste lid, 2°.
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 160, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Afdeling 5. - Cliënten

  Art. 40. Voor het aanvaarden van een opdracht beschikt de beroepsbeoefenaar over de nodige bekwaamheid, medewerking en tijd om de opdracht behoorlijk uit te voeren.

  Art. 41. De beroepsbeoefenaar maakt, in overleg met zijn cliënt, een opdrachtbrief op, die de uitvoering van iedere opdracht voorafgaat. Deze opdrachtbrief omschrijft op een evenwichtige wijze de wederzijdse rechten en plichten van de cliënt en de beroepsbeoefenaar.
  De Koning bepaalt, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels voor de toepassing van de opdrachtbrief.
  De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.

  Art. 42. Bij een opdracht die de cliënt aan een beroepsbeoefenaar als rechtspersoon heeft gegeven, moet die rechtspersoon onder zijn vennoten, zaakvoerders of bestuurders een vertegenwoordiger aanduiden die een natuurlijk persoon is en die de hoedanigheid heeft om deze opdracht uit te voeren.
  Deze vertegenwoordiger staat in voor de uitvoering van de opdracht in naam en voor rekening van de rechtspersoon. Voor deze vertegenwoordiger gelden dezelfde voorwaarden en dezelfde aansprakelijkheid als wanneer hij die opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou vervullen. De betrokken vennootschap kan haar vertegenwoordiger enkel ontslaan als zij tegelijkertijd een opvolger aanduidt.

  Art. 43. De beroepsbeoefenaar is ertoe gehouden om alle boeken, documenten en elektronische of andere gegevens die toebehoren aan de cliënt onverwijld uit handen te geven, wanneer deze erom verzoekt.

  Afdeling 6. - Aansprakelijkheid

  Art. 44. De beroepsbeoefenaar is aansprakelijk, overeenkomstig het gemeen recht, voor de uitvoering van de opdrachten die hem zijn toevertrouwd.
  Het is de beroepsbeoefenaar verboden om zich, zelfs gedeeltelijk, aan zijn aansprakelijkheid te onttrekken door een bijzondere overeenkomst in de volgende gevallen :
  1° in geval van een fout gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden;
  2° bij de uitoefening door een gecertificeerd accountant van een opdracht die door of krachtens de wet wordt toevertrouwd aan de commissaris of, bij gebrek aan een commissaris, aan een bedrijfsrevisor of aan een gecertificeerd accountant overeenkomstig artikel 24, § 1, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.
  De beroepsbeoefenaar is verplicht om zich voor zijn burgerlijke beroepsaansprakelijkheid te verzekeren met een verzekeringscontract.
  De beroepsbeoefenaar bezorgt een bevestiging van zijn verzekeringscontract ter goedkeuring aan het Instituut. De verzekeringsovereenkomst beantwoordt aan de minimale verzekeringsvoorwaarden bepaald door de Koning na advies van de Raad van het Instituut.
  De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.

  Afdeling 7. - Erelonen

  Art. 45. De beroepsbeoefenaar mag, zowel tegenover een cliënt als tegenover een andere beroepsbeoefenaar, alleen aanspraak maken op het ereloon en de vergoeding van de kosten voor de door hem uitgevoerde opdrachten, met uitsluiting van elke andere rechtstreekse of onrechtstreekse vergoeding, tenzij het gaat om een vergoeding voor het verbreken van de overeenkomst.

  Art. 46. Het bedrag van het ereloon van de beroepsbeoefenaar moet vastgesteld worden in functie van de aard, het belang, de complexiteit, de omvang en de reikwijdte van de opdracht, rekening houdend met de verantwoordelijkheid die de beroepsbeoefenaar op zich neemt en met zijn bijzondere kwalificaties.

  Art. 47. Het is de beroepsbeoefenaar verboden om op enigerlei wijze commissie- of makelaarslonen of welk voordeel dan ook toe te kennen of te ontvangen dat verband houdt met zijn opdrachten.

  Afdeling 8. - Onverenigbaarheden en belangenconflicten

  Art. 48. Het is de persoon die in het openbaar register is ingeschreven met een hoedanigheid niet toegestaan om activiteiten uit te oefenen of daden te stellen die onverenigbaar zijn met de onafhankelijkheid van zijn hoedanigheid.
  Het is hem niet toegestaan om opdrachten te aanvaarden onder voorwaarden die een objectieve uitvoering daarvan in het gedrang zouden brengen of een belangenconflict zouden teweegbrengen.

  Art. 49. De Koning kan, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels vaststellen met betrekking tot de onverenigbaarheden met het beroep en de uitzonderingen hierop.
  De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.

  Afdeling 9. - Geheimhouding

  Art. 50.Onverminderd zijn verplichtingen inzake beroepsgeheim, is de persoon ingeschreven in het openbaar register [1 , met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2,]1 gehouden tot de verplichting van geheimhouding van gegevens die hem uitdrukkelijk of stilzwijgend in de uitoefening van zijn beroep zijn toevertrouwd en van de feiten met een vertrouwelijk karakter die hij in de uitoefening van zijn beroep zelf heeft vastgesteld.
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 161, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Art. 51.Er kan de persoon ingeschreven in het openbaar register [1 , met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2,]1 geen inbreuk op de verplichting van geheimhouding ten laste worden gelegd :
  1° wanneer hij geroepen wordt om in rechte getuigenis af te leggen;
  2° wanneer de wet hem tot mededeling van gegevens verplicht;
  3° in de uitoefening van zijn recht van verdediging in tuchtaangelegenheden;
  4° wanneer en in de mate waarin hij, betreffende aangelegenheden die zijn opdrachtgever persoonlijk aanbelangen, door deze laatste uitdrukkelijk van zijn plicht tot geheimhouding is ontslaan.
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 162, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Art. 52.Indien de persoon ingeschreven in het openbaar register [1 , met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2,]1 vertrouwelijke informatie deelt met zijn personeelsleden, stagiairs, of met andere beroepsbeoefenaars, moet hij erop toezien dat zij het vertrouwelijk karakter daarvan eerbiedigen.
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 163, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Afdeling 10. - Relaties met het Instituut

  Art. 53. Om zijn werkzaamheden uit te oefenen of zijn overeenkomstige beroepstitel te dragen, moet elke persoon ingeschreven zijn in het openbaar register van het Instituut. Die persoon deelt daartoe alle vereiste gegevens mee aan de Raad van het Instituut.
  De beroepsbeoefenaar verleent zijn medewerking aan het Instituut ter vervulling van de opdracht van het Instituut.
  De beroepsbeoefenaar waartegen een gerechtelijke of een bestuursrechtelijke procedure omtrent zijn hoedanigheid of de uitoefening van zijn beroepsactiviteit loopt, moet de Raad van het Instituut hiervan onverwijld in kennis stellen.

  Afdeling 11. - Bijdragen

  Art. 54.[1 § 1.]1 De personen, natuurlijke of rechtspersonen, ingeschreven met een hoedanigheid en de stagiairs betalen jaarlijks een bijdrage aan het Instituut.
  De Koning bepaalt het maximumbedrag van de bijdragen voor de verschillende groepen personen bedoeld in het eerste lid. Het bedrag van de bijdrage wordt door de algemene vergadering vastgesteld naargelang de hoedanigheid. Voor de personen die voor de inwerkingtreding van deze wet als erkend boekhouder (-fiscalist) waren ingeschreven bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten mag het bedrag van de vastgelegde bijdrage niet hoger zijn dan het bedrag dat bij dat Beroepsinstituut van kracht was.
  De bijdrage kan jaarlijks geïndexeerd worden.
  [1 § 2. De personen die ingeschreven moeten worden op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, betalen de administratieve kosten die worden aangerekend voor de behandeling van hun dossier, als vastgesteld door de Raad van het Instituut.
   De personen die inschreven zijn op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, betalen jaarlijks een bijdrage aan het Instituut die gelijk is aan de bijdrage van de personen bedoeld in artikel 6, § 1.
   Deze bijdrage kan jaarlijks geïndexeerd worden.]1
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 164, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  HOOFDSTUK 7. - Kwaliteitstoetsing

  Art. 55. Om de zeven jaar worden de beroepsactiviteiten van een beroepsbeoefenaar door middel van een kwaliteitstoetsing beoordeeld.

  Art. 56. De kwaliteitstoetsing heeft in het bijzonder tot doel na te gaan of de beroepsbeoefenaar over een organisatie beschikt die aangepast is aan de aard en de omvang van zijn beroepsactiviteiten en of de beroepsbeoefenaar de beroepsactiviteiten verricht overeenkomstig het wettelijk, reglementair en normatief kader.
  Het Instituut wijst voldoende middelen voor de kwaliteitstoetsing toe, zodat de onafhankelijkheid en de autonomie van de kwaliteitstoetsing van de beroepsbeoefenaars verzekerd zijn.
  De methodologie, de uitvoering van de kwaliteitstoetsing en de beoordeling zijn passend en evenredig met de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de beroepsbeoefenaar waarvoor een toetsingsopdracht wordt uitgevoerd.

  Art. 57. De kwaliteitstoetsing wordt door toetsers op een onafhankelijke en autonome wijze uitgevoerd. Deze toetsers beschikken over passende beroepskwalificaties en relevante beroepservaring en hebben een specifieke opleiding genoten op het vlak van de kwaliteitstoetsing.
  De toetsers worden geselecteerd volgens een objectieve procedure die is opgezet om belangenconflicten tussen de toetser en de beroepsbeoefenaar te voorkomen.

  Art. 58. De beroepsbeoefenaar verschaft in het kader van de kwaliteitstoetsing toegang tot zijn kantoor aan de toetser, wanneer de commissie kwaliteitstoetsing, bedoeld in artikel 60, eerste lid, hem de kwaliteitstoetsing minstens twee maanden vooraf heeft aangekondigd of, in voorkomend geval na het toestaan van een eventueel uitstel, op de datum die tussen het Instituut en de beroepsbeoefenaar is overeengekomen.
  De beroepsbeoefenaar geeft in het kader van de kwaliteitstoetsing aan de toetser inzage in alle informatie die betrekking heeft op de beroepsuitoefening en bezorgt, indien de toetser dit nodig acht voor het uitvoeren van zijn opdracht, een afschrift aan de toetser.

  Art. 59. Wanneer blijkt dat de beroepsbeoefenaar inbreuken heeft gepleegd met betrekking tot de toepassing van het wettelijk en reglementair kader, kan de Raad van het Instituut :
  1° een verbeterplan aan de beroepsbeoefenaar opleggen;
  2° de beroepsbeoefenaar verwijzen naar de rechtskundig assessor bedoeld in artikel 90.
  Wanneer de Raad van het Instituut de beroepsbeoefenaar naar de rechtskundig assessor verwijst, brengt hij de Procureur des Konings op de hoogte.

  Art. 60. De Koning stelt een reglement van kwaliteitstoetsing op, na advies van de Raad van het Instituut, en richt bij het Instituut een commissie kwaliteitstoetsing op, belast met de organisatie van de kwaliteitstoetsing.
  De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
  De commissie kwaliteitstoetsing maakt elk jaar een jaarverslag op. Het verslag wordt ter goedkeuring aan de Raad van het Instituut voorgelegd en ter informatie aan de algemene vergadering voorgelegd.

  HOOFDSTUK 8. - Het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants

  Afdeling 1. - Oprichting

  Art. 61. Er wordt een Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants (IBA) opgericht.
  Het Instituut bezit rechtspersoonlijkheid.
  Het Instituut treedt in de rechten en verplichtingen van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten en van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten. De Koning stelt, na advies van de Raad van het Instituut, een huishoudelijk reglement vast.
  De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
  De maatschappelijke zetel is gevestigd in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
  In zijn communicatie mag het Instituut ook de benaming "Belgian Institute for tax advisors and accountants" gebruiken.

  Afdeling 2. - Opdracht

  Art. 62.§ 1. Het Instituut heeft als opdracht :
  1° het beschermen van de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van de personen ingeschreven in het openbaar register;
  2° het toezien op de toegang tot het beroep van gecertificeerd accountant en gecertificeerd belastingadviseur door het voorzien van een toelatingsexamen en een stage, alsook van een bekwaamheidsexamen;
  3° het beheer van een openbaar register;
  4° het toezien op de permanente vorming;
  5° het toezicht op de beroepsuitoefening, met alle noodzakelijke waarborgen op het vlak van bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid door het voorzien van een tuchtregeling;
  6° het verschaffen van de toegang tot het beroep voor beroepsbeoefenaars uit een andere lidstaat die in België de activiteiten als bedoeld in de artikel en 3 en 6 wensen uit te voeren;
  7° het toezien op de naleving van de modaliteiten en voorwaarden door de personen die tijdelijk en occasioneel de beroepsactiviteiten in België, als bedoeld in artikel 23, uitoefenen;
  8° in het kader van de administratieve samenwerking tussen lidstaten teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen, de beveiligde uitwisseling van informatie en gegevens met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten, in het bijzonder via het Informatiesysteem voor de Interne Markt (IMI) met betrekking tot het beroep en de beroepsbeoefenaars, overeenkomstig de artikel en XV.49 en XV.52 van het Wetboek van economisch recht en de artikel en 27 en 27/1 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties;
  [1 9° het toezien op de naleving door de personen bedoeld in artikel 6, § 2, van de modaliteiten en voorwaarden van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.]1
  § 2. Het Instituut verwerkt de persoonsgegevens die nodig zijn voor de uitoefening van zijn opdrachten in overeenstemming met verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). Het Instituut is de verwerkingsverantwoordelijke bedoeld in die verordening.
  De persoonsgegevens worden door het Instituut behandeld met het oog op :
  1° de toepassing van het wettelijk, reglementair en normatief kader;
  2° de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten in België of in andere landen;
  3° de opmaak van verslagen en statistieken die het Instituut toelaten zijn activiteiten te optimaliseren.
  Het Instituut duidt een functionaris voor gegevensbescherming aan die belast is met de functie en de opdrachten bedoeld in de algemene verordening gegevensbescherming.
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 165, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Afdeling 3. - De algemene vergadering

  Onderafdeling 1. - Stemrecht

  Art. 63. De algemene vergadering van het Instituut bestaat uit alle natuurlijke personen die in het openbaar register ingeschreven zijn, met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 23.
  Elke persoon bedoeld in het eerste lid heeft één stem.
  Hij kan aan een ander lid van de algemene vergadering schriftelijk volmacht geven om in zijn plaats op de algemene vergadering te stemmen.
  Hij mag ten hoogste twee volmachten houden.
  De stagiair heeft enkel een raadgevende stem.
  De persoon bedoeld in het eerste lid stemt op verzoek via simultane elektronische weg op de algemene vergadering. Deze mogelijkheid is voorzien vanaf de algemene vergadering die de leden van de eerste Raad na de overgangsraad, bedoeld in artikel 128, verkiest.

  Art. 64. De beslissingen van de algemene vergadering worden genomen bij meerderheid van de aanwezige en vertegenwoordigde stemmen.

  Onderafdeling 2. - Bevoegdheden

  Art. 65. De algemene vergadering heeft de volgende bevoegdheden :
  1° de verkiezing van de voorzitter, de ondervoorzitter en de andere leden van de Raad van het Instituut;
  2° de verkiezing van de commissarissen;
  3° de goedkeuring van de jaarrekening van het vorige boekjaar;
  4° de goedkeuring van de begroting van het nieuwe boekjaar van het Instituut;
  5° het verlenen van de kwijting van de Raad voor het bestuur van het Instituut;
  6° het verlenen van de kwijting van de commissarissen;
  7° de vervreemding en de verpanding van de onroerende goederen van het Instituut;
  8° het aanvaarden of het weigeren van legaten of schenkingen;
  9° het vaststellen van de bijdragen, binnen de grenzen die de Koning heeft bepaald;
  10° het vaststellen van het bedrag van de procedurekosten bij een tuchtprocedure;
  11° andere door de wet aan de algemene vergadering toegewezen bevoegdheden.

  Onderafdeling 3. - Modaliteiten

  Art. 66. De algemene vergadering komt eenmaal per jaar samen. De datum en de nadere regels worden in het huishoudelijk reglement vastgesteld.
  Op de jaarlijkse algemene vergadering legt de Raad van het Instituut ter goedkeuring voor :
  1° de jaarrekening van het vorige boekjaar, afgesloten op 31 december;
  2° de begroting voor het nieuwe boekjaar.
  De Raad van het Instituut stelt tevens een activiteitenverslag met betrekking tot het vorige boekjaar voor.
  De commissarissen stellen op de jaarlijkse algemene vergadering hun verslag voor.

  Art. 67. Wanneer één vijfde van de leden van de algemene vergadering, natuurlijke personen, hierom verzoeken, kan de Raad van het Instituut een bijzondere algemene vergadering samenroepen.
  De Raad van het Instituut kan ook een bijzondere algemene vergadering samenroepen wanneer hij dit nodig acht.

  Afdeling 4. - De Raad van het Instituut

  Onderafdeling 1. - Samenstelling

  Art. 68. De Raad van het Instituut bestaat uit :
  1° een voorzitter en een ondervoorzitter;
  2° zestien leden, van wie acht Nederlandstaligen en acht Franstaligen.
  Indien de voorzitter Nederlandstalig is, is de ondervoorzitter Franstalig, en omgekeerd.

  Art. 69. De voorzitter, de ondervoorzitter en de zestien leden van de Raad van het Instituut worden voor drie jaar bij afzonderlijke geheime stemming door de algemene vergadering onder de leden van de algemene vergadering van het Instituut, met uitzondering van de stagiairs, gekozen.
  De verkozen voorzitter behoort tot de andere taalrol dan die van de uittredende voorzitter.
  Onverminderd het tweede lid, kan het mandaat van voorzitter en van ondervoorzitter, dat op de dag zelf van de jaarlijkse algemene vergadering verstrijkt, eenmaal vernieuwd worden.
  Het mandaat van de zestien leden van de Raad van het Instituut is vernieuwbaar. Binnen elke taalgroep wordt het aantal leden proportioneel verkozen, rekening houdend met het aantal verkiesbare leden ingeschreven in het openbaar register op 1 januari van het verkiezingsjaar. Er zijn drie kieslijsten :
  1° een kieslijst van en voor de natuurlijke personen bedoeld in artikel 9;
  2° een kieslijst van en voor (intern) gecertificeerde accountants;
  3° een kieslijst van en voor (intern) gecertificeerde belastingadviseurs.
  Per taalgroep moet ten minste één lid van de Raad van het Instituut zijn gekozen :
  1° die de hoedanigheid heeft bedoeld in artikel 9;
  2° die de hoedanigheid heeft van (intern) gecertificeerd accountant;
  3° die de hoedanigheid heeft van (intern) gecertificeerd belastingadviseur.

  Art. 70. Onder zijn leden benoemt de Raad van het Instituut een secretaris en een penningmeester. De secretaris en de penningmeester behoren tot een verschillende taalgroep.
  Het uitvoerend comité bestaat uit :
  1° de voorzitter en de ondervoorzitter;
  2° de secretaris;
  3° de penningmeester;
  4° ten hoogste twee andere leden benoemd door de Raad van het Instituut, die niet tot dezelfde taalrol behoren.

  Art. 71. De beslissingen van de Raad van het Instituut en van het uitvoerend comité worden bij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

  Onderafdeling 2. - Bevoegdheden van de Raad van het Instituut

  Art. 72.In overeenstemming met het artikel 62, is de Raad van het Instituut bevoegd voor :
  1° het houden en het bijwerken van een openbaar register;
  2° het uitvaardigen en openbaar maken op de website van het Instituut van technische normen en aanbevelingen, specifiek voor de uitoefening van het beroep;
  3° het toezicht op de stagecommissie;
  4° het benoemen van de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de stagecommissie;
  5° het toezicht op de permanente vorming;
  6° het toezicht op de commissie kwaliteitstoetsing;
  7° het benoemen van de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de commissie kwaliteitstoetsing onder de personen ingeschreven in het openbaar register en die niet zijn terechtgewezen, volgens de nadere regels bepaald door de Koning overeenkomstig artikel 60;
  8° het uitwisselen van informatie en gegevens met de instanties in andere lidstaten met betrekking tot het beroep;
  9° de beroepsbeoefenaars terechtwijzen en, in voorkomend geval, doorverwijzen naar de rechtskundig assessor;
  10° het vertegenwoordigen van het Instituut, als eiser en als verweerder, bij de gerechtelijke overheden;
  11° erop toezien dat de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep worden nageleefd en met dat doel in rechte op te treden, met name door elke inbreuk op de wetten en verordeningen tot bescherming van de beroepstitels en tot organisatie van het beroep bij de gerechtelijke overheden aan te klagen en door aan deze overheden iedere maatregel te vragen om dergelijke inbreuk te stoppen en desgevallend schadevergoeding te eisen;
  12° andere door of krachtens de wet aan de Raad toegewezen bevoegdheden;
  [1 13° erop toezien dat de personen bedoeld in artikel 6, § 2, de modaliteiten en voorwaarden naleven van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten. De Raad van het Instituut zal in naam en voor rekening van het Instituut al zijn bevoegdheden als toezichtautoriteit in de zin van artikel 85 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 6, § 2, van deze wet van 17 maart 2019.]1
  Een norm als bedoeld in het eerste lid, 2°, is bindend. Een aanbeveling als bedoeld in het eerste lid, 2°, is eveneens bindend, tenzij in bijzondere omstandigheden gemotiveerd kan worden dat de afwijking ten aanzien van de aanbeveling geen afbreuk doet aan de criteria vastgesteld in hoofdstuk 4.
  De normen en aanbevelingen worden in het Nederlands, het Frans en zo mogelijk in het Duits openbaar gemaakt op de website van het Instituut, met vermelding van de datum van de inwerkingtreding van de normen en aanbevelingen.
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 166, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Art. 73. De Raad van het Instituut maakt, na goedkeuring door de algemene vergadering, aan de minister bevoegd voor Economie, aan de minister bevoegd voor Middenstand en aan de Hoge Raad de volgende documenten over :
  1° de jaarrekening en het activiteitenverslag;
  2° het jaarverslag van de stagecommissie;
  3° het jaarverslag van de commissie kwaliteitstoetsing.

  Onderafdeling 3. - Bevoegdheden van het uitvoerend comité

  Art. 74. Het uitvoerend comité als bedoeld in artikel 70 is belast met het dagelijks bestuur van het Instituut.
  Het dagelijks bestuur omvat :
  1° het afhandelen van de lopende zaken;
  2° het toezicht op het financieel beheer van het Instituut;
  3° het voorbereiden van de vergaderingen van de Raad van het Instituut;
  4° het aanwerven en het leiden van het personeel van het Instituut;
  5° andere taken toegewezen door de Raad van het Instituut.

  Afdeling 5. - De commissies

  Art. 75. Behoudens de stagecommissie en de commissie kwaliteitstoetsing, die door de Koning worden opgericht, kan de Raad van het Instituut nog andere commissies oprichten om hem bij te staan in de uitvoering van zijn opdrachten.

  Afdeling 6. - De commissarissen

  Art. 76. De algemene vergadering duidt één of meer commissarissen aan onder de personen ingeschreven in het openbaar register met een hoedanigheid. Het mandaat van commissaris is tweemaal hernieuwbaar.
  Het mandaat van commissaris is onverenigbaar met het mandaat van voorzitter, ondervoorzitter of lid van de Raad van het Instituut, alsook enige commissie of werkgroep opgericht door het Instituut.
  De commissaris controleert de jaarrekening van het Instituut. Hij stelt een verslag op en maakt dat over aan de jaarlijkse algemene vergadering.
  De algemene vergadering stelt de bezoldiging van de commissaris vast.

  Afdeling 7. - Inkomsten

  Art. 77.De inkomsten van het Instituut bestaan uit :
  1° de bijdragen bedoeld in artikel 54 en, in voorkomend geval, de geïnde interesten aangerekend bij laattijdige betaling van de bijdragen;
  2° de opbrengsten uit het vermogen van het Instituut;
  3° de inkomsten door het organiseren van vorming, examens, de kwaliteitstoetsing, opleidingen en de uitgifte van brochures en publicaties;
  4° de toelagen, legaten en schenkingen;
  5° de kosten aangerekend aan de persoon ingeschreven in het openbaar register [1 , met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2,]1 in het kader van de tuchtprocedure als bedoeld in artikel 101, vierde lid, en artikel 112, vierde lid;
  6° de door de algemene vergadering vastgestelde forfaitaire kosten aangerekend aan de personen ingeschreven in het openbaar register bij het verzenden van al dan niet aangetekende herinneringen en aanmaningen;
  7° de administratieve kosten die worden aangerekend voor de behandeling van dossiers, als vastgesteld door de Raad van het Instituut;
  8° alle andere inkomsten die rechtstreeks worden bestemd voor de opdrachten van het Instituut en ten dienste van de beroepsbeoefenaars.
  Het Instituut mag zijn beschikbare gelden enkel besteden aan de aankoop van effecten waarvan het kapitaal en rente gewaarborgd zijn. In geen geval mag het Instituut ten kosteloze titel over zijn vermogen beschikken noch zijn vermogen geheel of gedeeltelijk verdelen onder zijn leden of hun rechthebbenden.
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 167, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  HOOFDSTUK 9. - Het Interinstitutencomité

  Art. 78. Er wordt een interinstitutencomité opgericht, samengesteld uit de voorzitter en de ondervoorzitter van het Instituut en de voorzitter en de ondervoorzitter van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren.
  Het interinstitutencomité heeft als doel overleg te organiseren over aangelegenheden die beide Instituten aanbelangen.
  Dit comité vergadert minstens tweemaal per jaar. Telkens wanneer een Instituut erom verzoekt, vergadert het comité volgens de verzoeningsprocedure, waarvan de nadere regels door de Koning worden bepaald.
  Het advies van het interinstitutencomité is vereist over elk ontwerp van wet of van koninklijk besluit dat raakt aan de specifieke opdrachten van de bedrijfsrevisoren, de gecertificeerde accountants, de gecertificeerde belastingadviseurs, de accountants en de fiscale accountants.

  HOOFDSTUK 10. - De Hoge Raad voor de Economische Beroepen

  Art. 79. Er wordt een Hoge Raad voor de Economische Beroepen opgericht.
  De Hoge Raad is een zelfstandig organisme met zetel in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
  De Hoge Raad heeft tot taak via adviezen of aanbevelingen, op eigen initiatief of op verzoek, aan het Parlement, de regering, het Instituut, het Instituut van de bedrijfsrevisoren en het College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren, opgericht bij artikel 32 van de auditwet, ertoe bij te dragen dat bij de uitoefening van de opdrachten die de wet aan de bedrijfsrevisoren en aan de gecertificeerde accountants toevertrouwt evenals van de activiteiten van gecertificeerd accountant, gecertificeerd belastingadviseur, accountant, fiscaal accountant en bedrijfsrevisor het algemeen belang en de vereisten van het maatschappelijk verkeer in acht worden genomen. Deze adviezen of aanbevelingen hebben onder meer betrekking op de uitoefening van de opdrachten omschreven in artikel 15bis van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven.

  Art. 80. De Hoge Raad moet worden geraadpleegd voor elk besluit met betrekking tot de beroepen bedoeld in deze wet en met betrekking tot het beroep van de bedrijfsrevisor en voor elk besluit dat wordt genomen in uitvoering van deze wet of wetten betreffende de beroepen bedoeld in deze wet en het beroep van bedrijfsrevisor. Elke afwijking van een eensluidend advies van de Hoge Raad over een besluit moet uitdrukkelijk met redenen omkleed worden.
  Bovendien moet de Hoge Raad worden geraadpleegd over elke beslissing met een algemene draagwijdte die door de Raad van het Instituut wordt genomen in toepassing van artikel 72, eerste lid, 2°, en door de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren in toepassing van artikel 31 van de auditwet. De Raad van het Instituut of de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren mogen enkel afwijken van een advies dat door de meerderheid van de leden van de Hoge Raad is goedgekeurd indien het advies betrekking heeft op een aangelegenheid die betrekking heeft op meer dan één beroep of hoedanigheid. De betrokken Raad kan enkel afwijken van adviezen over een aangelegenheid die slechts betrekking heeft op één beroep of hoedanigheid wanneer dit uitdrukkelijk met redenen is omkleed.
  De Hoge Raad moet de hem gevraagde adviezen binnen drie maanden uitbrengen. Zo niet wordt hij geacht een gunstig advies uit te brengen.
  Uitzonderlijk kan in hoogdringende gevallen, die met redenen zijn omkleed, de Hoge Raad verzocht worden om binnen één maand een advies uit te brengen.

  Art. 81. De Hoge Raad organiseert permanent overleg met het Instituut en het Instituut van de Bedrijfsrevisoren. Hij kan daartoe met elk van deze Instituten werkgroepen oprichten.

  Art. 82. De Hoge Raad kan bij de tuchtcommissie van het Instituut en bij de sanctiecommissie van de FSMA bedoeld in artikel 47 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, klacht neerleggen tegen, naar gelang het geval, een of meer bedrijfsrevisoren, gecertificeerde accountants, gecertificeerde belastingadviseurs, accountants of fiscaal accountants. De betrokken commissie stelt de Hoge Raad in kennis van het gevolg dat aan deze klacht is gegeven.

  Art. 83. De Hoge Raad bestaat uit zeven leden benoemd door de Koning. Vier onder hen, van wie één de kleine en middelgrote ondernemingen vertegenwoordigt, worden door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven op een dubbele lijst voorgedragen. Drie leden worden voorgedragen door de minister bevoegd voor Economie, de minister bevoegd voor Financiën en de minister bevoegd voor Middenstand.
  Hun vergoeding wordt door de Koning vastgesteld.

  Art. 84. De Koning stelt het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad vast, op diens voorstel. De Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie wordt ermee belast het secretariaat en de infrastructuur van de Hoge Raad waar te nemen. De overige werkingskosten worden gedragen door het Instituut en het Instituut van de Bedrijfsrevisoren, op de wijze en binnen de grenzen die de Koning bepaalt.

  HOOFDSTUK 11. - Handhaving

  Afdeling 1. - De terechtwijzing

  Onderafdeling 1. - Redenen voor een terechtwijzing

  Art. 85.De Raad van het Instituut kan elke persoon ingeschreven in het openbaar register, met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 23 [1 en in artikel 29, § 2]1, terechtwijzen bij de volgende inbreuken :
  1° wanneer de betrokkene in gebreke blijft om, binnen een termijn bepaald door de Raad van het Instituut, alle of een gedeelte van de bijdragen, bedoeld in artikel 54 te betalen;
  2° wanneer de beroepsbeoefenaar verzuimd heeft om zich te verzekeren voor zijn burgerlijke beroepsaansprakelijkheid met een verzekeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 44, of die te laten goedkeuren door de Raad van het Instituut;
  3° wanneer de betrokkene gedurende drie opeenvolgende jaren niet heeft deelgenomen aan de verplichte permanente vorming overeenkomstig artikel 39, tweede lid, en overeenkomstig de norm, als bedoeld in artikel 39, vierde lid;
  4° wanneer, overeenkomstig artikel 58, de beroepsbeoefenaar de datum van de kwaliteitstoetsing niet heeft bevestigd binnen de termijn die de commissie kwaliteitstoetsing heeft aangekondigd of wanneer de beroepsbeoefenaar, na uitstel te hebben verkregen, heeft verzuimd om binnen de aangekondigde termijn een nieuwe datum voor toetsing aan de commissie kwaliteitstoetsing voor te stellen.
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 168, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Onderafdeling 2. - Procedure van de terechtwijzing

  Art. 86. Na vaststelling van de inbreuken richt de Raad van het Instituut een terechtwijzing aan de betrokkene met vermelding van de reden van de terechtwijzing, de termijn en modaliteiten waarbinnen de betrokkene zich moet in regel stellen.

  Art. 87. Wanneer de Raad van het Instituut vaststelt dat de betrokkene binnen drie maanden na de terechtwijzing geen gevolg geeft aan de terechtwijzing, kan de Raad van het Instituut de hoedanigheid van de betrokkene intrekken.
  Iedere definitief geworden terechtwijzing wordt gedurende vijf jaar vermeld in het dossier van de betrokkene. Op het einde van deze periode van vijf jaar wordt de terechtwijzing automatisch uitgewist.

  Art. 88. Tegen de beslissing van de Raad van het Instituut om hem terecht te wijzen als bedoeld in deze afdeling, kan de betrokkene, binnen dertig dagen na de betekening van de terechtwijzing, beroep instellen bij de commissie van beroep.
  Dit beroep is opschortend.

  Afdeling 2. - De beroepstucht

  Onderafdeling 1. - De tuchtcommissie

  Art. 89. De beroepstucht wordt in eerste aanleg gehandhaafd door een tuchtcommissie.
  De tuchtcommissie bestaat uit een Nederlandstalige kamer en een Franstalige kamer.
  Elke kamer is samengesteld uit :
  1° een voorzitter die rechter of eremagistraat is of een advocaat die gedurende minstens tien jaar ingeschreven is op het tableau van een orde van advocaten;
  2° twee leden die door de Raad van het Instituut aangewezen worden, gekozen uit de personen ingeschreven in het openbaar register met een hoedanigheid.
  De voorzitter alsook een plaatsvervangend voorzitter worden benoemd door de Koning op voorstel van de minister bevoegd voor Justitie.
  Voor elk effectief lid wordt een plaatsvervangend lid aangeduid.
  Zowel de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de effectieve als de plaatsvervangende leden worden benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar.
  De leden mogen geen lid zijn van de Raad van het Instituut noch van een andere commissie of werkgroep van het Instituut.

  Art. 90. Elke kamer van de tuchtcommissie wordt bijgestaan door een rechtskundig assessor en een plaatsvervangend rechtskundig assessor, die door de minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Middenstand voor een hernieuwbare termijn van zes jaar benoemd worden. De rechtskundig assessor en zijn plaatsvervanger worden gekozen uit de advocaten die gedurende minstens tien jaar ingeschreven zijn op het tableau van een orde van advocaten.
  Elke kamer beschikt ook over een griffie die waargenomen wordt door de personeelsleden van het Instituut.

  Art. 91. De bevoegdheid van de kamers wordt bepaald door de taal waarin de persoon in het openbaar register is ingeschreven.

  Onderafdeling 2. - De tuchtstraffen

  Art. 92. Een of meerdere tuchtstraffen worden opgelegd aan personen ingeschreven in het openbaar register wanneer inbreuken zijn vastgesteld tegen het wettelijk, reglementair en normatief kader waarbinnen de beroepsactiviteiten worden uitgeoefend.

  Art. 93. § 1. De volgende tuchtstraffen kunnen worden opgelegd aan een beroepsbeoefenaar, natuurlijk of rechtspersoon, die de hoedanigheid heeft om één of meerdere activiteiten bedoeld in artikel 3, als zelfstandige uit te oefenen :
  1° de waarschuwing;
  2° de berisping;
  3° de geldboete;
  4° het verbod om bepaalde opdrachten te aanvaarden of voort te zetten;
  5° de schorsing;
  6° de schrapping.
  De tuchtcommissie kan de bekendmaking van de beslissing bevelen of van een samenvatting ervan op de website van het Instituut. De bekendmaking gebeurt op een geanonimiseerde wijze.
  § 2. De schorsing houdt het verbod in om voor een welbepaalde periode de beroepsactiviteiten uit te oefenen en de beroepstitel te dragen in België.
  De schorsing mag niet langer dan twee jaar duren.
  De schorsing houdt tevens het verbod in om deel te nemen aan de algemene vergadering en alle andere organen van het Instituut, zolang de tuchtstraf uitwerking heeft.
  De geschorste wordt weggelaten uit het openbaar register gedurende de periode van de schorsing maar blijft gehouden aan zijn verplichtingen ten aanzien van het Instituut.
  § 3. De schrapping houdt het verbod in om de beroepsactiviteiten in België uit te oefenen en de beroepstitel te dragen, evenals de automatische intrekking van de hoedanigheid zoals bedoeld in artikel 115.
  § 4. De tuchtstraffen voorzien in paragraaf 1 zijn ook toepasselijk op de beroepsbeoefenaars of andere personen die de hoedanigheid enkel verkregen hebben om de beroepstitel te mogen dragen, met het volgende voorbehoud : het verbod om bepaalde opdrachten te aanvaarden of uit te oefenen, de schorsing of de schrapping houdt voor de persoon die de straf oploopt enkel het verbod in om de beroepstitel te dragen tijdens de uitoefening van die opdrachten of activiteiten.

  Onderafdeling 3. - De tuchtprocedure

  Art. 94. Een klacht kan bij de rechtskundig assessor van de betrokken kamer van de tuchtcommissie worden ingediend door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep of door elke belanghebbende.
  De rechtskundig assessor die op de hoogte is gebracht van een mogelijke tekortkoming of zelf een mogelijke tekortkoming vaststelt op basis van een klacht of op elke andere manier, onderzoekt het dossier.
  De Raad van het Instituut benoemt voor elke kamer van de tuchtcommissie één of meer referendarissen onder de personeelsleden van het Instituut.
  De referendarissen staan de rechtskundig assessor bij in het uitvoeren van zijn taken. Zij bereiden de tuchtdossiers voor wat betreft de feiten en zij adviseren de rechtskundig assessor over de tuchtprocedure.
  Nadat de rechtskundig assessor de informatie die hij noodzakelijk acht heeft verzameld of heeft laten verzamelen, beslist hij om het dossier aan de tuchtcommissie over te maken wanneer hij van oordeel is dat er voldoende bezwaren bestaan.
  In het andere geval klasseert hij het dossier zonder gevolg. In voorkomend geval brengt hij de klager hiervan op de hoogte. Hij kan deze klassering zonder gevolg afhankelijk maken van het respecteren van bepaalde voorwaarden.

  Art. 95. Een dossier tot verwijzing naar de tuchtcommissie bestaat uit :
  1° een nauwkeurige omschrijving van de feiten die betrokkene ten laste worden gelegd;
  2° een vermelding van de bepalingen van het wettelijk, reglementair en normatief kader waarop de tenlastelegging steunt.

  Art. 96. Ten minste dertig dagen voor de zitting van de tuchtcommissie verzoekt de griffie de betrokkene per aangetekende zending om op de zitting van de tuchtcommissie te verschijnen.
  De aangetekende zending bevat :
  1° de nauwkeurige omschrijving van de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd;
  2° de rechtsgrondslag waarop de tenlastelegging steunt;
  3° de overwogen tuchtmaatregel;
  4° de mogelijkheid tot inzage in het dossier;
  5° de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen, waarbij de betrokkene alle stukken voor zijn verweer voegt.

  Art. 97. De betrokkene heeft het recht van wraking in de gevallen bepaald bij artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.
  Over de wraking beslist de commissie van beroep.

  Art. 98.De betrokkene mag tijdens de zitting zijn verweer mondeling of schriftelijk doen gelden. Hij mag zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een andere persoon ingeschreven in het openbaar register met een hoedanigheid [1 , met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2]1.
  De rechtskundig assessor wordt uitgenodigd. Hij neemt niet deel aan de beraadslagingen.
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 169, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Art. 99. De zitting is openbaar.
  De betrokkene kan echter een behandeling achter gesloten deuren vragen :
  1° wanneer een openbare zitting gevaar zou opleveren voor de goede zeden, de goede orde of de nationale veiligheid;
  2° wanneer het minderjarigen betreft;
  3° voor de bescherming van de privacy van de betrokkenen;
  4° wanneer een openbare zitting schade kan berokkenen aan het belang van de rechtspleging of het beroepgeheim.

  Art. 100. De beslissing van de tuchtcommissie is met redenen omkleed.
  Bij de overweging tot het uitspreken van een tuchtstraf houdt de tuchtcommissie rekening met de volgende omstandigheden :
  1° de ernst en de duur van de inbreuk;
  2° de mate van verantwoordelijkheid van de persoon verantwoordelijk voor de inbreuk;
  3° de financiële draagkracht van de persoon verantwoordelijk voor de inbreuk;
  4° de omvang van de winsten of verliezen die door de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon zijn behaald, respectievelijk vermeden, voor zover deze kunnen worden bepaald;
  5° de mate waarin de verantwoordelijke persoon met het Instituut of de tuchtcommissie meewerkt;
  6° eerdere overtredingen van de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon.

  Art. 101. De griffie stelt de beslissing van de tuchtcommissie per aangetekende zending aan de betrokkene ter kennis.
  De zending bevat de procedure van hoger beroep.
  Een kopie van de zending wordt eveneens verzonden aan :
  1° de Raad van het Instituut en de rechtskundig assessor;
  2° de procureur-generaal van het Hof van Beroep.
  Iedere beslissing van de tuchtcommissie verwijst de betrokken persoon aan wie een tuchtstraf opgelegd werd, in de procedurekosten. Het bedrag van de procedurekosten wordt jaarlijks forfaitair bepaald door de algemene vergadering.

  Onderafdeling 4. - Uitwissing van de tuchtstraf en eerherstel

  Art. 102. Behoudens de schorsing en de schrapping worden de uitgesproken tuchtstraffen na het verstrijken van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de definitieve beslissing waarbij een tuchtstraf wordt uitgesproken, uitgewist.
  De uitwissing kan slechts gebeuren als tegen de betrokkene gedurende de periode bedoeld in het eerste lid geen nieuwe tuchtstraf werd uitgesproken.

  Art. 103. Een betrokkene tegen wie een tuchtstraf is uitgesproken en die niet is uitgewist, kan bij de commissie van beroep een verzoek tot eerherstel indienen.
  Deze aanvraag is slechts ontvankelijk op voorwaarde dat :
  1° een termijn van vijf jaar is verstreken sinds de datum van de definitieve beslissing waarbij de laatste tuchtstraf is uitgesproken;
  2° de betrokkene strafrechtelijk eerherstel heeft gekregen indien hij een tuchtstraf heeft opgelopen voor een feit dat tot een strafrechtelijke veroordeling aanleiding heeft gegeven.

  Onderafdeling 5. - Beroep

  Art. 104. Beroep wordt ingesteld bij de commissie van beroep.
  Beroep is mogelijk tegen :
  1° een beslissing van de tuchtcommissie;
  2° een beslissing van de Raad van het Instituut.
  De commissie van beroep bestaat uit een Nederlandstalige kamer en een Franstalige kamer.
  Elke kamer is samengesteld uit :
  1° een voorzitter die magistraat is bij het Hof van Beroep of een eremagistraat die magistraat was bij het Hof van Beroep;
  2° een rechter die magistraat is bij de ondernemingsrechtbank of een eremagistraat die rechter was bij een ondernemingsrechtbank;
  3° een rechter die magistraat is bij de arbeidsrechtbank of een eremagistraat die rechter was bij een arbeidsrechtbank;
  4° twee leden die door de Raad van het Instituut aangewezen worden, gekozen uit het openbaar register.
  De voorzitter en de twee rechters of eremagistraten worden benoemd door de Koning op voordracht van de minister bevoegd voor Justitie.
  Voor elk effectief lid wordt een plaatsvervangend lid aangeduid.
  De effectieve en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar.
  De leden mogen geen lid zijn van de Raad van het Instituut noch van een andere commissie of werkgroep van het Instituut.

  Art. 105. Elke kamer beschikt ook over een griffie die waargenomen wordt door de personeelsleden van het Instituut.

  Art. 106. De Franstalige kamer neemt kennis van de beslissingen van de Franstalige kamer van de tuchtcommissie.
  De Nederlandstalige kamer neemt kennis van de beslissingen van de Nederlandstalige kamer van tuchtcommissie.

  Art. 107. De betrokkene, de Raad van het Instituut in geval van schending van de wet, de rechtskundig assessor of zijn plaatsvervanger kunnen beroep instellen binnen de dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing van de tuchtcommissie of van de Raad van het Instituut hen werd betekend.
  Om ontvankelijk te zijn, moet het beroep ingesteld worden bij een aangetekende zending gericht aan de griffie van de bevoegde kamer van de commissie van beroep binnen de gestelde termijn.

  Art. 108. Ten minste vijftien dagen voor de zitting van de commissie van beroep, verzoekt de griffie de betrokkene per aangetekende zending om op de zitting van de commissie van beroep te verschijnen.
  De betrokkene heeft de mogelijkheid tot inzage van het dossier.

  Art. 109. De betrokkene heeft het recht van wraking in de gevallen bepaald bij artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.
  Over de wraking beslist de commissie van beroep in een andere samenstelling.

  Art. 110. De zitting is openbaar.
  De betrokkene kan echter een behandeling achter gesloten deuren vragen in de gevallen vermeld in artikel 99, tweede lid.

  Art. 111. De beslissing van de commissie van beroep is met redenen omkleed.
  Bij haar beslissing houdt de commissie van beroep rekening met de omstandigheden vermeld in artikel 100, tweede lid.

  Art. 112. De griffie stelt de beslissing van de commissie van beroep per aangetekende zending aan de betrokkene ter kennis.
  De zending bevat eveneens de procedure van cassatieberoep.
  Een kopie van de zending wordt eveneens verzonden aan :
  1° de Raad van het Instituut en de rechtskundig assessor;
  2° de procureur-generaal van het Hof van Beroep.
  Iedere beslissing van de commissie van beroep verwijst de betrokken persoon aan wie een tuchtstraf opgelegd werd, in de procedurekosten. Het bedrag van de procedurekosten wordt jaarlijks forfaitair bepaald door de algemene vergadering.

  Art. 113. Tegen de beslissing van de commissie van beroep kan cassatieberoep worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van het vierde deel, boek III, titel IVbis van het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 114. De Koning kan de nadere regels van de procedure voor de commissies bepalen na advies van de Raad van het Instituut.
  De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.

  Afdeling 3. - De intrekking van de hoedanigheid en de andere administratieve straffen

  Art. 115. § 1. De Raad van het Instituut trekt de hoedanigheid van (intern) accountant, (interne) fiscaal accountant, (interne) gecertificeerd accountant en van (interne) gecertificeerd belastingadviseur in :
  1° automatisch, na de beslissing tot schrapping van de tuchtcommissie of, in voorkomend geval, van de commissie van beroep nadat ze in kracht van gewijsde is gegaan;
  2° wanneer niet meer voldaan is aan de voorwaarden voor toelating tot het beroep vermeld in artikel 10, § 1, 1° tot en met 4° ;
  3° wanneer de betrokkene in gebreke blijft binnen een periode van drie maanden na een definitief geworden terechtwijzing voor een van de inbreuken bedoeld in artikel 85.
  § 2. De betrokkene kan vijf jaar na de beslissing tot intrekking verzoeken tot het opnieuw verkrijgen van de hoedanigheid, wanneer hij opnieuw voldoet aan de voorwaarden tot toelating van het beroep vermeld in artikel 10.

  Art. 116. De Raad van het Instituut is bevoegd om administratieve sancties uit te spreken zoals voorzien in de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.

  Afdeling 4. - Strafbepalingen

  Art. 117.Met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van tweehonderd tot tweeduizend euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft :
  1° hij die zich publiekelijk en onrechtmatig de hoedanigheid of de titel toe-eigent van de volgende beroepen :
  a) (intern) accountant of (intern) fiscaal accountant;
  b) (intern) accountant of (intern) gecertificeerd accountant;
  c) (intern) gecertificeerd belastingadviseur;
  2° hij die de [1 artikelen 4, 5, 6, 7, 8, en 9]1 overtreedt;
  3° hij die de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3 uitoefent of de titels bedoeld in de artikel en 4, 7, 8 en 9 voert, terwijl hij het voorwerp is van een uitvoerbare schorsingsmaatregel.
  De rechtbank kan bovendien bevelen :
  1° de definitieve of tijdelijke sluiting van een deel van de lokalen of van alle lokalen die worden gebruikt door degene die zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer van de hierboven bedoelde overtredingen;
  2° de bekendmaking van het vonnis of van een samenvatting ervan in een of meer dagbladen of enige andere wijze, dit alles op kosten van de veroordeelde.
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 170, 004; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Art. 118. Onverminderd de bevoegdheid van de officieren van de gerechtelijke politie worden de ambtenaren die hiertoe door de Koning zijn aangesteld op voorstel van de minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Middenstand, belast met het opsporen en vaststellen in processen-verbaal van de inbreuken bedoeld in artikel 117, eerste lid. Deze processen-verbaal hebben bewijskracht tot tegenbewijs. Zij worden onverwijld toegezonden aan de Raad van het Instituut en aan de bevoegde ambtenaren van het Openbaar Ministerie. Een afschrift ervan wordt gezonden aan de inbreukpleger, alsook aan de hierboven vermelde ministers binnen zeven werkdagen te rekenen vanaf de vaststelling van de inbreuken, op straffe van nietigheid. De personen die onder de toepassing van deze wet vallen, zijn ertoe gehouden alle inlichtingen en alle bescheiden te verstrekken die nodig zijn om de toepassing ervan na te gaan. Elke persoon die weigert de bedoelde inlichtingen en bescheiden te verstrekken of zich tegen de onderzoeksmaatregelen verzet, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht tot vijftien dagen en met een geldboete van 26 tot 1 000 euro of met een van deze straffen alleen.

  Art. 119. Bij elke inbreuk, vastgesteld in een proces-verbaal, met betrekking tot artikel 117, eerste lid, 1°, kan het Instituut in rechte optreden om de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van zijn leden te beschermen en desgevallend schadevergoeding te eisen.

  Art. 120. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de beroepsbeoefenaars en stagiairs en op de personen voor wie zij instaan, alsook op de personen die tijdelijk en occasioneel het beroep uitoefenen.
  Artikel 458 van het Strafwetboek is eveneens van toepassing op het Instituut, op de organen, op de leden van die organen, met inbegrip van de commissies, op de toetsers, op de rechtskundig assessor en op de personeelsleden van het Instituut.
  In afwijking van het tweede lid mogen de organen, de leden van die organen, met inbegrip van de commissies, de toetsers, de rechtskundig assessor en de personeelsleden van het Instituut gegevens die hen werden bezorgd voor de uitoefening van hun functie of wettelijke of reglementaire opdracht uitwisselen met andere organen, met andere leden van die organen, de commissies en de toetsers, de rechtskundig assessor en met andere personeelsleden van het Instituut voor zover die uitwisseling van gegevens noodzakelijk is voor hun wettelijke of reglementaire opdrachten.
  Rechtspersonen zijn burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe hun organen en aangestelden krachtens dit hoofdstuk zijn veroordeeld.

  HOOFDSTUK 12. - Overgangsbepalingen

  Art. 121. De rechten van het personeel van de fusionerende instituten blijven verworven ten aanzien van het Instituut dat door deze wet opgericht wordt.

  Art. 122. De tuchtdossiers die aanhangig zijn bij de tuchtinstanties van beide fusionerende instituten op de dag van de inwerkingtreding van deze wet, blijven behandeld door de tuchtorganen van beide fusionerende instituten in dezelfde samenstelling en volgens dezelfde procedureregels van toepassing op deze tuchtorganen voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze wet. Elk hoger beroep dat ingesteld wordt na de inwerkingtreding van deze wet, wordt behandeld door de commissie van beroep overeenkomstig deze wet.

  Art. 123. Elke persoon ingeschreven op de lijst van stagiairs van de fusionerende instituten op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, wordt automatisch ingeschreven in het openbaar register van het Instituut.
  De gepresteerde stageduur binnen elk van de fusionerende instituten blijft verworven.

  Art. 124. § 1. Elke persoon ingeschreven op de lijst van de stagiairs van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten voorzien in de wet van 22 april 1999 op de datum van de inwerkingtreding van deze wet kan na die datum :
  1° deelnemen aan het volgende bekwaamheidsexamen tot het bekomen van de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd accountant, voor zover de stagiair drie jaar stage heeft volbracht als stagiair accountant bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, uit hoofde van de wet van 22 april 1999. Dit bekwaamheidsexamen wordt georganiseerd door het Instituut, opgericht door deze wet, volgens de nadere regels bepaald in deze wet en in haar uitvoeringsbesluiten, of
  2° deelnemen aan het volgende bekwaamheidsexamen tot het bekomen van de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd belastingadviseur, voor zover de stagiair drie jaar stage heeft volbracht als stagiair belastingconsulent bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten. Dit bekwaamheidsexamen wordt georganiseerd door het Instituut en volgens de nadere regels bepaald in deze wet en in haar uitvoeringsbesluiten.
  § 2. Elke persoon ingeschreven op de lijst van de stagiairs van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten bedoeld in de wet van 22 april 1999 op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, kan na die datum zijn stage verderzetten onder de voorwaarden en nadere regels voorzien door of in uitvoering van de wet van 22 april 1999. Indien deze persoon aan het einde van de zes jaar te rekenen vanaf de datum van zijn inschrijving als stagiair niet slaagt voor het bekwaamheidsexamen op het einde van de stage, kan hij overeenkomstig artikel 13 slechts een nieuwe stage aanvatten na een periode van drie jaar jaar en na het slagen voor het toelatingsexamen. De nieuwe stage is onderworpen aan de voorwaarden bepaald door of in uitvoering van deze wet.
  De persoon bedoeld in het eerste lid die slaagt voor de stage, wordt in het openbaar register ingeschreven als "accountant" indien hij voor de inwerkingtreding van deze wet als "boekhouder" zou ingeschreven zijn geweest of als "fiscaal accountant" indien hij als "boekhouder (-fiscalist)" zou ingeschreven zijn geweest in uitvoering van de wet van 22 april 1999.

  Art. 125. De persoon, natuurlijke of rechtspersoon, die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet vermeld staat op de deellijst van de accountants met toepassing van de wet van 22 april 1999, wordt na die datum in het openbaar register ingeschreven met de hoedanigheid "(intern) gecertificeerd accountant".
  De persoon, natuurlijke of rechtspersoon, die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet vermeld staat op de deellijst van de belastingconsulent met toepassing van de wet van 22 april 1999, wordt na die datum in het openbaar register ingeschreven met de hoedanigheid "(intern) gecertificeerd belastingadviseur".
  De personen, natuurlijke of rechtspersonen, die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet de titel "accountant-belastingconsulent" voeren uit hoofde van de wet van 22 april 1999, worden na die datum ingeschreven met de hoedanigheid van "(intern) gecertificeerd accountant".
  Van de personen bedoeld in het derde lid mogen enkel de personen, natuurlijke of rechtspersonen, die de titel van "accountant-belastingconsulent" droegen, na de inwerkingtreding van deze wet de titel van "(intern) gecertificeerd fiscaal accountant" dragen in uitvoering van artikel 8.
  De personen, natuurlijke of rechtspersonen, die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet de titel "accountant-belastingconsulent" voeren uit hoofde van de wet van 22 april 1999, kunnen ook op hun verzoek de hoedanigheid van "(intern) gecertificeerd belastingadviseur" verkrijgen en de titel dragen in de plaats van de hoedanigheid en titel van "gecertificeerd accountant".
  De personen, natuurlijke of rechtspersonen, ingeschreven als "accountant" of "fiscaal accountant" zijn slechts onderworpen aan hoofdstuk 7 na een periode van vier jaar die aanvangt op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van inwerkingtreding van deze wet.

  Art. 126. In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moeten de woorden "Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten" alsook de woorden "Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten" telkens gelezen worden als "Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants".
  In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moet het woord "accountant" telkens gelezen worden als "gecertificeerd accountant".
  In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moet het woord "belastingconsulent" telkens gelezen worden als "gecertificeerd belastingadviseur".
  In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moet het woord "boekhouder" en moeten de woorden "erkend boekhouder" telkens gelezen worden als "accountant".
  In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moeten de woorden "erkend boekhouder-fiscalist" telkens gelezen worden als "fiscaal accountant".
  In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moeten de woorden "boekhouder(-fiscalist)" telkens gelezen worden als "(fiscaal) accountant".

  Art. 127.§ 1. In afwijking van de artikel en 68 en 69, wordt voor een periode van vier jaar na de inwerkingtreding van dit artikel een overgangsraad opgericht die bestaat uit :
  1° een voorzitter die de voorzitter is van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, verkozen door de laatste algemene vergadering gehouden vóór de inwerkingtreding van dit artikel ;
  2° een ondervoorzitter die de voorzitter is van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, verkozen door en onder de leden van de Nationale Raad van dat Instituut na de laatste verkiezingen die vóór de inwerkingtreding van dit artikel georganiseerd werden;
  3° dertien leden die tot lid van de Raad van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten verkozen zijn tijdens de laatste algemene vergadering van dat Instituut vóór de inwerkingtreding van dit artikel ;
  4° zes Franstalige en zeven Nederlandstalige leden die tot lid van de Nationale Raad van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten met het meest aantal stemmen verkozen zijn bij de laatste verkiezingen die binnen het Beroepsinstituut werden georganiseerd vóór de inwerkingtreding van dit artikel .
  De voorzitter en ondervoorzitter behoren tot een verschillende taalgroep. Als de voorzitter en ondervoorzitter van de overgangsraad die op die manier aangeduid werden, tot dezelfde taalgroep behoren, wordt voorzitter van de overgangsraad de ondervoorzitter verkozen binnen het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten door de laatste algemene vergadering gehouden vóór de inwerkingtreding van dit artikel .
  § 2. De overgangsraad oefent alle voorbereidende taken uit die noodzakelijk zijn voor de oprichting en werking van het Instituut bedoeld in artikel 2, 17°, en van zijn organen tot op de datum van inwerkingtreding van alle bepalingen van deze wet. Na de inwerkingtreding van alle bepalingen van deze wet oefent hij zijn mandaat uit door alle opdrachten bedoeld in artikel 72 uit te oefenen.
  § 3. Het uitvoerend comité van de overgangsraad bestaat uit :
  1° de voorzitter en de ondervoorzitter;
  2° twee Nederlandstalige en twee Franstalige leden verkozen door de overgangsraad onder de leden van de overgangsraad bedoeld in paragraaf 1, 3° ;
  3° twee Nederlandstalige en twee Franstalige leden verkozen door de overgangsraad onder de leden van de overgangsraad bedoeld in paragraaf 1, 4°.
  [1 § 4. In afwijking van artikel 63 roept de overgangsraad van het Instituut een algemene vergadering samen die bestaat uit alle natuurlijke personen die op 1 februari van het jaar van de algemene vergadering ingeschreven zijn op het tableau van de leden of op de lijst van stagiairs van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten bedoeld in artikel 5 van de wet van 22 april 1999 of op het tableau van de beroepsbeoefenaars of op de lijst van stagiairs van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten bedoeld in artikel 45/1, § 1, van de wet van 22 april 1999. Die algemene vergadering heeft plaats op een zaterdag in de tweede helft van de maand april.
   De oproepingsbrief wordt dertig dagen vóór de datum van de algemene vergadering verstuurd naar de natuurlijke personen bedoeld in het eerste lid. Deze oproepingsbrief bevat de agenda, de plaats en datum van de algemene vergadering evenals de bijkomende regels van organisatie vastgelegd door de overgangsraad en gaat vergezeld van de rekeningen afgesloten op 31 december en van het voorstel van begroting voor het nieuwe boekjaar.
   De voorzitter en ondervoorzitter van de overgangsraad bedoeld in paragraaf 1 zitten die algemene vergadering voor.
   Elke persoon bedoeld in het eerste lid heeft één stem. Hij kan aan een ander lid van de algemene vergadering schriftelijk volmacht geven om in zijn plaats op de algemene vergadering te stemmen. Hij mag ten hoogste twee volmachten houden. De stagiairs vermeld op de lijst van stagiairs van een van de fusionerende instituten hebben enkel een raadgevende stem.
   De beslissingen van de algemene vergadering worden genomen bij meerderheid van de aanwezige en vertegenwoordigde stemmen.
   Deze algemene vergadering oefent alle bevoegdheden bedoeld in artikel 65 uit, met uitzondering van artikel 65, 1°.
   Op deze algemene vergadering legt de overgangsraad ter goedkeuring voor:
   a) de rekeningen van het Instituut, afgesloten op 31 december;
   b) de begroting voor het nieuwe boekjaar.
   De commissarissen van de fusionerende instituten stellen op deze algemene vergadering hun verslag voor over de rekeningen.
   De algemene vergadering duidt één of meer commissarissen aan onder de natuurlijke personen bedoeld in het eerste lid.
   Het mandaat van commissaris is onverenigbaar met het mandaat van voorzitter, ondervoorzitter of lid van de overgangsraad of van de raden van de fusionerende instituten, alsook enige commissie of werkgroep opgericht door het Instituut of door de fusionerende instituten.
   De commissaris controleert de jaarrekening van het Instituut. Hij stelt een verslag op en maakt dat over aan de jaarlijkse algemene vergadering. De algemene vergadering stelt de bezoldiging van de commissaris vast.
   Zolang niet alle bepalingen uit deze wet in werking zijn getreden, blijven de leden en stagiairs van de fusionerende instituten de bijdragen betalen vastgesteld door elk van de fusionerende instituten. Het geheel aan bijdragen van de fusionerende instituten dekt de werkingskosten van het Instituut en van de fusionerende instituten.
   § 5. Het Instituut wordt opgericht en heeft rechtspersoonlijkheid om de opdrachten uit te voeren toevertrouwd aan de overgangsraad en de algemene vergadering bedoeld in dit artikel.
   § 6. De paragrafen 4 tot en met 5 treden buiten werking bij de inwerkingtreding van alle bepalingen uit deze wet.]1
  ----------
  (1)<W 2020-02-22/01, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 03-03-2020>

  Art. 128. De minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Middenstand dragen elk een regeringscommissaris, ambtenaar bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie bij het Instituut voor. De regeringscommissarissen worden door de Koning benoemd voor een periode van drie jaar na de inwerkingtreding van dit artikel .
  De regeringscommissarissen hebben het recht om elke vergadering van de overgangsraad van het Instituut bij te wonen, alsook de algemene vergadering van het Instituut. Zij hebben toegang tot alle stukken die nodig zijn voor de uitoefening van hun opdracht. Zij kunnen een vergadering van de Raad van het Instituut of een bijzondere algemene vergadering bijeenroepen.
  De regeringscommissarissen beschikken over een termijn van vijftien dagen om gezamenlijk bij de ministers beroep in te stellen tegen de uitvoering van elke beslissing van de Raad van het Instituut, die strijdig is met het wettelijk, reglementair en normatief kader, die de solvabiliteit van het Instituut in gevaar kan brengen of die strijdig is met de goedgekeurde begroting van het Instituut bedoeld in artikel 65.
  Deze termijn gaat in op de dag waarop de regeringscommissarissen in kennis gesteld worden van het proces-verbaal van de beslissing. Het beroep heeft schorsende werking.
  Indien de ministers de nietigverklaring niet hebben uitgesproken binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen van de ontvangst van het beroep, wordt de beslissing definitief.
  Jaarlijks maken de regeringscommissarissen een uitvoerig verslag van hun werkzaamheden aan de ministers over.
  Het mandaat van de regeringscommissarissen wordt kosteloos uitgeoefend.

  HOOFDSTUK 13. - Slotbepalingen

  Art. 129. De volgende wetten worden opgeheven op de datum vastgesteld door de Koning :
  1° de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, laatst gewijzigd bij de wet van 18 september 2017;
  2° de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten, laatst gewijzigd bij de wet van 10 april 2014.

  Art. 130. Deze wet treedt in werking op de datum bepaald door de Koning, met uitzondering van de artikel en 127 tot en met 129 die in werking treden op 1 juni 2019.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 30-09-2020 door KB 2020-09-11/10, art. 1)

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 17 maart 2019.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Economie,
K. PEETERS
De Minister van Middenstand, Zelfstandigen en K.M.O.'s,
D. DUCARME
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
---------------------------------------------------GEWIJZIGD DOOR---------------------------------------------------
originele versie
  • WET VAN 20-07-2020 GEPUBL. OP 05-08-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 6; 29; 30; 31; 33; 34; 37; 39; 50; 51; 52; 54; 62; 72; 77; 85; 98; 117)
  • originele versie
  • WET VAN 22-02-2020 GEPUBL. OP 03-03-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 127)
  • originele versie
  • WET VAN 02-05-2019 GEPUBL. OP 22-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 7; 9; 24; 30)
  • -------------------------------------INWERKINGTREDING DOOR-------------------------------------
    originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-09-2020 GEPUBL. OP 30-09-2020

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
        Kamer van volksvertegenwoordigers : (www.dekamer.be) Stukken : 54-3522 (2018/2019) Integraal Verslag : 28 februari 2019.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 3 gearchiveerde versies
    Franstalige versie