J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Inhoudstafel 356 uitvoeringbesluiten 30 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1973/01/12/1973011250/justel

Titel
12 JANUARI 1973. - GECOORDINEERDE WETTEN OP DE RAAD VAN STATE.
(NOTA : art. 30 gewijzigd met uitwerking op een onbepaalde datum bij W 2006-09-15/71, art. 17, 018; Inwerkingtreding : onbepaald)
(NOTA : art. 30 gewijzigd met uitwerking op een onbepaalde datum bij W 2007-03-23/51, art. 2, 021; Inwerkingtreding : onbepaald)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 17-05-1994 en tekstbijwerking tot 14-09-2016)

Publicatie : 21-03-1973 nummer :   1973011250 bladzijde : 3461
Dossiernummer : 1973-01-12/02
Inwerkingtreding : 31-03-1973

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - INSTELLING.
Art. 1
TITEL II. - BEVOEGDHEID VAN DE AFDELING WETGEVING.
Art. 2-3, 3bis, 4-5, 5/1, 5/2, 5/3, 5/4, 6, 6bis
TITEL III. - BEVOEGDHEID VAN DE (AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK). <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 7
HOOFDSTUK I. - BEREDENEERDE ADVIEZEN.
Art. 8-10
HOOFDSTUK II. - ARRESTEN.
Art. 11, 11bis, 12-14, 14bis, 14ter, 15-16, 16bis
HOOFDSTUK III. - HET ADMINISTRATIEVE KORT GEDING.
AFDELING 1. <Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38, 1°, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014; zie KB 2014-01-28/02, art. 51, 1°>
Art. 17
AFDELING 2. <Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38, 1°, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014; zie KB 2014-01-28/02, art. 51, 1°>
Art. 18
TITEL IV. - (...) (W 28-06-1983, art. 107)
TITEL V. - RECHTSPLEGING.
HOOFDSTUK I. - RECHTSPLEGING VOOR DE (AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK). <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 19-21, 21bis, 22-26, 26bis, 27-30, 30/1, 31, 31bis, 32
HOOFDSTUK II. - RECHTSMIDDELEN TEGEN DE ARRESTEN VAN DE (AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK). <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 33-35
HOOFDSTUK III. - [1 Uitvoering van de arresten en dwangsom]1
Art. 35/1, 36
HOOFDSTUK IV. (DE GELDBOETE WEGENS KENNELIJK ONRECHTMATIG BEROEP) <W 2002-02-17/43, art. 2, Inwerkingtreding : 26-03-2002>
Art. 37-39
HOOFDSTUK IV. - (Oude hoofdstuk IV opgeheven) <W 28-06-1983, art. 107>
Art. 40-46
TITEL VI. - TAALGEBRUIK IN DE RAAD VAN STATE.
HOOFDSTUK I. - TAALGEBRUIK IN DE AFDELING WETGEVING.
Art. 47-50, 50bis
HOOFDSTUK II. - GEBRUIK VAN DE TALEN IN DE (AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK). <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
AFDELING I. - GEBRUIK VAN DE TALEN DOOR DE ORGANEN VAN DE RAAD VAN STATE BETROKKEN BIJ DE WERKING VAN DE (AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK). <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 51, 51bis, 52-63
AFDELING II. - GEBRUIK VAN DE TALEN DOOR DE PARTIJEN DIE VOOR DE RAAD VAN STATE VERSCHIJNEN.
Art. 64-66
HOOFDSTUK III. - (...) (W 28-06-1983, art. 107)
Art. 67
HOOFDSTUK IV. - GEBRUIK VAN DE TALEN IN DE DIENSTEN VAN DE RAAD VAN STATE.
Art. 68
TITEL VII. - INRICHTING VAN DE RAAD VAN STATE.
HOOFDSTUK I. - BEPALINGEN GEMEEN AAN DE (TWEE) AFDELINGEN. (W 28-06-1983, art. 107)
Afdeling 1. - Algemene bepalingen. <Opschrift ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 24; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 69-73, 73/1, 74
Afdeling 2. - De aanwijzing en uitoefening van mandaten. <Opschrift ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 30; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Onderafdeling 1. - De mandaten. <Opschrift ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 30; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 74/1, 74/2
Onderafdeling II. Procedure van aanwijzing van mandaten. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 30; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 74/3, 74/4, 74/5
Onderafdeling III. - Over de uitoefening van het mandaat. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 30; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 74/6
Afdeling 3. - De evaluatie van de leden van de Raad, het Auditoraat en het Coördinatiebureau. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 31; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Onderafdeling I. - Algemene bepalingen. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 31; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 74/7
Onderafdeling II. - De periodieke evaluatie. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 31; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 74/8
Onderafdeling III. - De evaluatie van adjunct-mandaten. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 31; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 74/9
Afdeling 4. - De evaluatie van de leden van de griffie. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 31; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Onderafdeling I. - De evaluatie van de hoofdgriffier. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 31; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 74/10
Onderafdeling II. - De evaluatie van de griffiers. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 31; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 74/11
Onderafdeling 3. De evaluatie procedure van de hoofdgriffier en de griffier. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 31; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 74/12
Afdeling 5. - Bijzondere bepalingen betreffende het Auditoraat. <Opschrift ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 32; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 75-76
Afdeling 6. - Bijzondere bepaling betreffende het Coördinatiebureau. <Opschrift ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 34; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 77
Afdeling 7. - Bijzondere bepaling betreffende de leden van de griffie. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 36; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 77/1
Afdeling 8. - Bijzondere bepalingen. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 37; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 78, 78/1, 78/2
HOOFDSTUK II. - INRICHTING VAN DE AFDELING WETGEVING.
Art. 79-84, 84bis, 84ter, 85, 85bis
HOOFDSTUK III. - INRICHTING VAN DE (AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK). <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 86-90
HOOFDSTUK IV. - (DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE (AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK)) (W 16-06-1989, art. 21) <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 91-95, 95bis, 96-98
HOOFDSTUK V. - [1 De algemene vergadering van de Raad van State en het college van korpschefs]1
Art. 99-101, 101/1
HOOFDSTUK VI. - ADMINISTRATIEF PERSONEEL.
Art. 102, 102bis, 102ter
HOOFDSTUK VII. - BEZOLDIGINGEN EN PENSIOENEN.
Art. 103-104, 104/1, 104/2, 104/3, 104/4, 104/5, 104/6, 105-106
HOOFDSTUK VIII. - ONVERENIGBAARHEDEN EN TUCHT.
Art. 107-111, 111bis, 112-115
TITEL VIII. - (DIVERSE BEPALINGEN.) <W 2006-09-15/71, art. 66; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 116-121
TITEL IX. - Maatregelen tot het wegwerken van de gerechtelijke achterstand [1 en tot het verwerken van de verhoging van het aantal adviesaanvragen]1 <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 68; Inwerkingtreding : 01-12-2006. Noteer dat er reeds een Titel IX bestond; zie verder>
Art. 122-124
TITEL IX. - OVERGANGSBEPALINGEN. (NOTA : toen de onderhavige titel reeds bestond heeft de W 2006-09-15/71, art. 68, de onderhavige gecoördineerde wetten aangevuld met een titel IX die Justel hoger heeft geplaatst.)
HOOFDSTUK I. - OVERGANGSBEPALINGEN VAN DE WET VAN 23 DECEMBER 1946. - (Voor de tekst, zie artikelen 60 en 63 van de W 23-12-1946, B.St. 09-01-1947)
HOOFDSTUK II. - OVERGANGSBEPALINGEN VAN DE WET VAN 15 APRIL 1958. - (Voor de tekst, zie artikel 17 van de W 15-04-1958, B.St. 25-04-1958)
HOOFDSTUK III. - OVERGANGSBEPALINGEN VAN DE WET VAN 3 JUNI 1971. - (Voor de tekst, zie artikelen 47 tot 51 van de W 03-06-1971, B.St. 19-06-1971)
Bijlagen.
Art. N1-3N2

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - INSTELLING.

  Artikel 1. Er is een Raad van State, bestaande uit een afdeling wetgeving en een (afdeling bestuursrechtspraak) (...). (W 28-06-1983, art. 107) <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  TITEL II. - BEVOEGDHEID VAN DE AFDELING WETGEVING.

  Art. 2. (W 09-08-1980, art. 17) § 1. De afdeling wetgeving dient van beredeneerd advies over de tekst (van alle ontwerpen of voorstellen van wet, van decreet en van ordonnantie), of van amendementen op deze ontwerpen en voorstellen, die bij haar (door de Voorzitter van de Senaat, van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, van een (Gemeenschaps- of Gewestparlement) (van de Franse Gemeenschapscommissie of van de Verenigde Vergadering respectievelijk bedoeld in het derde en het vierde lid van artikel 60) van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen) zijn aanhangig gemaakt. (W 16-06-1989, art. 9) <W 1996-08-04/60, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01> <W 2006-03-27/34, art. 12, 017; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  (Wanneer het verzoek om advies betrekking heeft op een ontwerp of voorstel van wet of op amendementen op die ontwerpen of voorstellen, onderzoekt de afdeling wetgeving ambtshalve of de voorgelegde tekst betrekking heeft op aangelegenheden bedoeld in artikel 74, artikel 77 of artikel 78 van de Grondwet.) <W 1995-04-06/46, art. 17, 1°, 004; Inwerkingtreding : 08-06-1995>
  § 2. (De Voorzitter van een van de in paragraaf 1 vermelde vergaderingen is verplicht het advies te vragen over de voorstellen van wet, van decreet of van ordonnantie, en over de amendementen op ontwerpen of voorstellen wanneer ten minste één derde van de leden van de betrokken vergadering erom verzoekt op de door het reglement bepaalde wijze.) (W 16-06-1989, art. 9)
  § 3. (De Voorzitter van de Senaat, van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, van (het Parlement) of van de Verenigde Vergadering onderscheidenlijk bedoeld in de artikelen 1 en 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, is verplicht het advies te vragen over de voorstellen van wet of van ordonnantie en over de amendementen op ontwerpen of voorstellen, wanneer de meerderheid van de leden van een taalgroep van de betrokken vergadering erom verzoekt op de door het reglement bepaalde wijze.) (W 16-06-1989, art. 9) <W 2006-03-27/34, art. 12, 017; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  (§ 4. De voorzitter van de Kamer of de voorzitter van de Senaat is eveneens verplicht het advies te vragen over de wetsontwerpen, over de wetsvoorstellen of over de bij een eerste stemming aangenomen amendementen op wetsontwerpen of wetsvoorstellen, wanneer daartoe een verzoek wordt ingediend overeenkomstig artikel 16 van de wet van 6 april 1995 houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.) <W 1995-04-06/46, art. 17, 2°, 004; Inwerkingtreding : 08-06-1995>

  Art. 3. (W 09-08-1980, art. 18) § 1. (Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers, (de leden van de gemeenschaps- of gewestregeringen, de leden van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de leden van het Verenigd College respectievelijk bedoeld in het derde en het vierde lid van artikel 60) van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. Het advies en het voorontwerp worden gehecht aan de memorie van toelichting van de ontwerpen van wet, decreet of ordonnantie. (De adviesaanvraag vermeldt de naam van de gemachtigde of van de ambtenaar die de minister aanwijst om de afdeling wetgeving de dienstige toelichtingen te verstrekken). Het advies wordt gehecht aan de verslagen aan de Koning, (aan de Regering, aan het College van de Franse Gemeenschapscommissie) en aan het Verenigd College. <W 1996-08-04/60, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01>
  Aan het advies van de afdeling wetgeving worden niet onderworpen, de ontwerpen van reglementen en besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke (Regering) of van het Verenigd College die betrekking hebben op de bevoegdheden van de Brusselse agglomeratie en op de bevoegdheden van de Vlaamse of de Franse Gemeenschapscommissie.) (W 04-07-1989, art. 1) <W 1996-08-04/60, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01>
  (Wat het College van de Franse Gemeenschapscommissie betreft, wordt het advies van de afdeling wetgeving alleen gevraagd voor de besluiten die betrekking hebben op aangelegenheden die met toepassing van artikel 138 van de Grondwet zijn overgeheveld.) <W 1996-08-04/60, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01>
  § 2. Indien de hoogdringendheid wordt ingeroepen voor een (voorontwerp van wet, decreet of ordonnantie), is het advies van de afdeling wetgeving evenwel toch vereist, maar beperkt het zich tot de vraag of het voorontwerp betrekking heeft op aangelegenheden die, al naar het geval, tot de bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschap of het Gewest behoren. (W 16-06-1989, art. 10)
  (Wanneer voor een voorontwerp van wet de hoogdringendheid wordt aangevoerd, slaat het advies van de afdeling wetgeving eveneens op de vraag of de voorgelegde tekst betrekking heeft op aangelegenheden bedoeld in artikel 74, artikel 77 of artikel 78 van de Grondwet.) <W 1995-04-06/46, art. 17, 3°, 004; Inwerkingtreding : 08-06-1995>
  § 3. Indien, volgens het advies van de afdeling wetgeving, (een voorontwerp of een voorstel van wet, decreet of ordonnantie), evenals een amendement of een ontwerp van amendement, de bevoegdheid te buiten gaat van de Staat, de Gemeenschap of het Gewest, al naar het geval, wordt het voorontwerp, dat voorstel of dat amendement doorgezonden naar het Overlegcomité bedoeld in artikel 31 van de gewone wet tot hervorming der instellingen van 9 augustus 1980. (W 16-06-1989, art. 10)
  § 4. Het Overlegcomité brengt binnen een termijn van veertig dagen en volgens de regel van de consensus, advies uit over de vraag of er naar zijn oordeel al dan niet bevoegdheidsoverschrijding is; het advies wordt gemotiveerd.
  Indien het Overlegcomité oordeelt dat er overschrijding van bevoegdheid is, vraagt het, al naar het geval, ((aan de federale regering, aan de bevoegde gemeenschaps- of gewestregering, aan het College van de Franse Gemeenschapscommissie) of aan het Verenigd College) het voorontwerp te verbeteren of bij de assemblée waar het voorontwerp of het voorstel aanhangig is, de amendementen in te dienen welke het vaststelt en die een einde maken aan deze bevoegdheidsoverschrijding. (W 16-06-1989, art. 10) <W 1996-08-04/60, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01>

  Art. 3bis. <ingevoegd bij W 1996-08-04/60, art. 4; Inwerkingtreding : 1996-08-20> De ontwerpen van koninklijke besluiten die de van kracht zijnde wettelijke bepalingen kunnen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen, worden voorgelegd aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving.
  Dat advies wordt samen met het verslag aan de Koning en het koninklijk besluit waarop het betrekking heeft, gepubliceerd.
  De besluiten, het advies, het verslag aan de Koning en de tekst van de ontwerpen van besluiten die zijn voorgelegd aan de afdeling wetgeving, worden, voor hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, medegedeeld aan de Voorzitters van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat.
  § 2. Voor de ontwerpen van de koninklijke besluiten bedoeld in § 1 van dit artikel, kan de hoogdringendheid, bedoeld in § 1 van artikel 3, niet worden ingeroepen.

  Art. 4. (W 16-06-1989, art. 11) De Ministers, (de leden van de gemeenschaps- of gewestregeringen, de leden van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de leden van het Verenigd College respectievelijk bedoeld in het derde en het vierde lid van artikel 60) van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen kunnen, elk wat hem betreft, het met redenen omkleed advies van de afdeling vragen over alle voorstellen van wet, decreet of ordonnantie, alsmede over alle amendementen op ontwerpen of voorstellen van wet, decreet of ordonnantie.
  Artikel 3, §§ 3 en 4, is, in voorkomend geval, van toepassing op dat advies.

  Art. 5. De Minister tot wiens bevoegdheid de arbeid behoort, kan aan de afdeling vragen, binnen een termijn die niet korter dan vijftien dagen mag zijn, advies te geven over een ontwerp van koninklijk besluit tot algemeen verbindendverklaring van een collectieve arbeidsovereenkomst.

  Art. 5/1. [1 De Raad van State zorgt onverwijld, via een voor het publiek toegankelijk elektronisch informatienetwerk, voor de bekendmaking van de adviezen die hij uitbrengt en die in deze titel worden vermeld.
   Hij voegt er alle teksten bij waarop die adviezen betrekking hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-08-16/10, art. 2, 031; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2017>

  Art. 5/2. [1 In afwijking van artikel 5/1 vindt de bekendmaking, wanneer het advies betrekking heeft op een voorontwerp van wet, van decreet of van ordonnantie, pas plaats bij de indiening van het daaruit resulterende ontwerp.
   Indien het advies betrekking heeft op amendementen op een ontwerp of op een voorstel, vindt de bekendmaking pas bij de indiening daarvan plaats of, indien na de indiening om het advies wordt verzocht, wanneer het advies wordt bezorgd aan de assemblee die erom heeft verzocht.
   Indien het advies betrekking heeft op een ontwerpbesluit of op een ontwerpbesluit tot algemeen verbindend-verklaring van een collectieve arbeidsovereenkomst, vindt de bekendmaking slechts plaats indien dat besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-08-16/10, art. 3, 031; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2017>

  Art. 5/3. [1 § 1. De adviezen aangaande voorontwerpen van wet die niet zijn ingediend, de amendementen erop, en aangaande federale ontwerpbesluiten die niet zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, alsook de teksten van die voorontwerpen, amendementen en ontwerpbesluiten, worden bekendgemaakt na de ontbinding van de Kamer van volksvertegenwoordigers.
   § 2. De adviezen aangaande voorontwerpen van decreet of ordonnantie die niet zijn ingediend, de amendementen erop, en aangaande ontwerpen van besluiten van gemeenschappen en gewesten die niet zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, alsook de teksten van die voorontwerpen, amendementen en ontwerpbesluiten, worden slechts bekendgemaakt met de instemming van de betrokken gemeenschap of het betrokken gewest.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-08-16/10, art. 4, 031; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2017>

  Art. 5/4. [1 Nadat de Koning het gezamenlijke advies van de eerste voorzitter en de auditeur-generaal van de Raad van State heeft ingewonnen, bepaalt Hij, bij besluit, de nadere regels in verband met het ontwerp en de uitbouw van het in artikel 5/1 bedoelde elektronisch informatienetwerk. Ingeval binnen zes maanden na de in dit artikel bedoelde adviesaanvraag geen advies wordt uitgebracht, kan de Koning het besluit uitvaardigen zonder dat dit advies werd ingewonnen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-08-16/10, art. 5, 031; Inwerkingtreding : 24-09-2016>

  Art. 6. (W 16-06-1989, art. 12) De Eerste Minister, (de leden van de gemeenschaps- of gewestregeringen, de leden van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de leden van het Verenigd College respectievelijk bedoeld in het derde en het vierde lid van artikel 60) van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, voorzit, kunnen, ieder wat hem betreft, de afdeling belasten met het opmaken van de tekst van voorontwerpen van wetten, van decreten, van ordonnanties, van besluiten, van reglementen of van amendementen waarvan de stof en het voorwerp door hen worden vastgelegd. <W 1996-08-04/60, art. 6, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01>

  Art. 6bis. <ingevoegd bij W 1996-08-04/60, art. 7 ; Inwerkingtreding : 1996-10-01> De Eerste Minister, de voorzitters van de (wetgevende vergaderingen), de voorzitters van de gemeenschaps- of gewestregeringen en diegene die het College van de Franse Gemeenschapscommissie voorzit alsook diegene die het Verenigd College voorzit, respectievelijk bedoeld in het derde en vierde lid van artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, kunnen, ieder wat hem betreft, via de eerste voorzitter aan het coördinatiebureau vragen om de wetgeving die zij aanwijzen te coördineren, te codificeren of te vereenvoudigen. <W 1997-09-08/43, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 26-10-1997>
  Het coördinatiebureau legt zijn ontwerp voor aan de afdeling wetgeving, die het samen met haar gemotiveerd advies bezorgt aan de Eerste Minister of aan de betrokken voorzitters

  TITEL III. - BEVOEGDHEID VAN DE (AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK). <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 7. De (afdeling bestuursrechtspraak) (...) doet uitspraak bij wijze van arresten in de gevallen voorzien bij deze wet en de bijzondere wetten. <W 2006-09-15/71, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  HOOFDSTUK I. - BEREDENEERDE ADVIEZEN.

  Art. 8. (opgeheven) <W 2006-09-15/71, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 9. (opgeheven) <W 2006-09-15/71, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 10. (opgeheven) <W 2006-09-15/71, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  HOOFDSTUK II. - ARRESTEN.

  Art. 11. Als geen ander rechtscollege bevoegd is, doet de (afdeling bestuursrechtspraak) naar billijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang, bij wege van arrest uitspraak over de eisen tot herstelvergoeding voor buitengewone, morele of materiële schade, veroorzaakt door een administratieve overheid. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De eis tot herstelvergoeding is niet-ontvankelijk dan nadat de administratieve overheid een verzoekschrift om vergoeding geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen of gedurende zestig dagen verzuimd heeft daarop te beschikken.

  Art. 11bis. [1 Elke verzoekende of tussenkomende partij die de nietigverklaring van een akte, een reglement, of een stilzwijgend afwijzende beslissing vordert met toepassing van artikel 14, § 1 of § 3, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak vragen om haar bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen ten laste van de steller van de handeling indien zij een nadeel heeft geleden omwille van de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing, met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang.
   Het verzoek tot schadevergoeding wordt uiterlijk ingediend zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld. Er wordt een uitspraak gedaan over het verzoek tot schadevergoeding binnen de twaalf maanden na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld.
   Bij toepassing van artikel 38, moet het verzoek tot schadevergoeding uiterlijk worden ingediend zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de beroepsprocedure wordt afgesloten. Er wordt een uitspraak gedaan over het verzoek tot schadevergoeding binnen de twaalf maanden na de kennisgeving van het arrest waarbij de beroepsprocedure wordt afgesloten.
   De partij die het verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, kan geen burgerlijke aansprakelijkheidsvordering meer instellen om het herstel van hetzelfde nadeel te bekomen.
   Elke partij die een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering instelt of heeft ingesteld, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak geen vergoeding voor hetzelfde nadeel meer vragen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/64, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 12. De afdeling beslecht bij wijze van arresten de moeilijkheden betreffende de respectieve bevoegdheid van de provinciale en gemeentelijke overheden of van de openbare instellingen.
  (tweede lid opgeheven) <W 1996-08-04/60, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01>
  Deze moeilijkheden mogen bij haar aanhangig worden gemaakt door ieder betrokken administratieve overheid.

  Art. 13. De afdeling doet bij middel van arrest uitspraak over beroepen ter voorkoming of opheffing van strijdigheid tussen beslissingen van onder haar bevoegdheid ressorterende administratieve rechtscolleges.

  Art. 14.<W 1999-05-25/44, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999> § 1. ([2 Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, doet de afdeling uitspraak]2, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen :
  1° van de onderscheiden administratieve overheden;
  2° van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het [1 Grondwettelijk Hof]1, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en [2 van de Hoge Raad voor de Justitie, met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen]2.
  [1 De in het eerste lid bedoelde onregelmatigheden geven slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden.]1
  Artikel 159 van de Grondwet is eveneens van toepassing op [2 de in het eerste lid, 2°, bedoelde akten]2 en reglementen.) <W 2007-05-15/40, art. 2, 022; Inwerkingtreding : 18-06-2007>
  § 2. De afdeling doet uitspraak, bij wijze van arresten, over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Zij treedt daarbij niet in de beoordeling van de zaken zelf.
  § 3. Wanneer een administratieve overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen, wordt het stilzwijgen van de overheid geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen die een andere termijn vaststellen of aan het stilzwijgen van de administratieve overheid andere gevolgen verbinden.
  ----------
  (1)<W 2010-02-21/02, art. 12, 023; Inwerkingtreding : 08-03-2010>
  (2)<W 2014-01-20/13, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 14bis. (Ingevoegd bij W 16-06-1989, art. 14) Voor de toepassing van artikel 14 worden als substantiële vormen beschouwd, het overleg, de betrokkenheid, het geven van inlichtingen, de adviezen, de eensluidende adviezen, de akkoorden, de gemeenschappelijke akkoorden met uitzondering van de samenwerkingsakkoorden bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, en de voorstellen die de betrekkingen tussen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten betreffen en die voorgeschreven zijn door of krachtens de wetten aangenomen in uitvoering van de artikelen (de artikelen 39, 127, § 1, 128, § 1, 129, § 1, 130, § 1, 135, 136, eerste lid, 140, (...), 175, 176 en 177 van de Grondwet) <W 1996-08-04/60, art. 9, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01> <W 1997-09-08/43, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 26-10-1997>
  De natuurlijke en de rechtspersonen, behalve de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie wat de aangelegenheden betreft die bedoeld zijn in artikel 63 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, kunnen echter de schending van de in het vorige lid bedoelde vormen niet inroepen.

  Art. 14ter.[1 Op verzoek van een verwerende of tussenkomende partij, en als de afdeling bestuursrechtspraak het nodig oordeelt, wijst ze die gevolgen van de vernietigde individuele akten of, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde reglementen aan, die als definitief moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die ze vaststelt.
   De in het eerste lid bedoelde maatregel kan enkel worden bevolen om uitzonderlijke redenen die een aantasting van het legaliteitsbeginsel rechtvaardigen, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing en na een tegensprekelijk debat. Deze beslissing kan rekening houden met de belangen van derden.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 3, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014; zie KB 2014-01-28/02, art. 51, 1°>

  Art. 15.De administratieve rechtscolleges waarnaar de Raad van State de zaak na een arrest van [1 cassatie]1 heeft verwezen, gedragen zich naar dit arrest ten aanzien van het daarin beslechte rechtspunt.
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 16.De afdeling doet uitspraak, bij wijze van arresten op :
  1° (de beroepen in hoogste aanleg in kiesrechtzaken,(bedoeld in titel IV van de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en) bedoeld in titel V en VI van de gemeentekieswet en in de bepalingen die ernaar verwijzen) (zoals bij artikel 33 van de wet van 26 juli 1971 tot organisatie van de agglomeraties en federaties van gemeenten.); (W 05-07-1976, art. 147) <W 1994-07-07/34, art. 36, 003; Inwerkingtreding : 16-07-1994> (W 21-08-1987, art. 29)
  2° (opgeheven) <W 2006-09-15/71, art. 5, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  3° de beroepen als bedoeld in de artikelen 15 en 19 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de commissies van openbare onderstand;
  4° (de beroepen, als bedoeld bij de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) (W 08-07-1976, art. 144)
  (5° de geschillen bedoeld in artikel 151, derde lid, van de gemeentewet). (W 03-12-1984, art. 15)
  (6° de beroepen als bedoeld bij de artikelen 18quater en 21ter van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.) <W 2001-04-02/36, art. 6, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (7° de aanvragen ingediend overeenkomstig artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen.) <W 2005-02-17/62, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 13-10-2005>
  [1 8° elk ander beroep in volle rechtsmacht toegewezen aan de Raad van State.]1
  [1 Het arrest van de afdeling bestuursrechtspraak kan de beslissing genomen door de overheid of het administratief rechtscollege hervormen. In dat geval treedt het arrest in de plaats van die beslissing.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 5, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 16bis. (Opgeheven) <W 2005-02-17/62, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 13-10-2005>

  HOOFDSTUK III. - HET ADMINISTRATIEVE KORT GEDING.

  AFDELING 1. <Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38, 1°, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014; zie KB 2014-01-28/02, art. 51, 1°>

  Art. 17.[1 § 1. De afdeling bestuursrechtspraak is als enige bevoegd om, de partijen gehoord of behoorlijk opgeroepen, bij arrest de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement, vatbaar voor nietigverklaring krachtens artikel 14, §§ 1 en 3, en om alle maatregelen te bevelen die nodig zijn om de belangen veilig te stellen van de partijen of de personen die een belang hebben bij de beslechting van de zaak.
   Deze schorsing of deze voorlopige maatregelen kunnen op elk moment worden bevolen :
   1° indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring;
   2° en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
   In afwijking van het eerste en tweede lid, kunnen de schorsing of de voorlopige maatregelen niet worden gevorderd na de neerlegging van het verslag bedoeld in artikel 24. In dat geval mag evenwel elke partij die hierbij enig belang heeft aan de voorzitter van de kamer waar het verzoek aanhangig werd gemaakt een met redenen omkleed verzoek richten om met spoed een terechtzitting te bepalen. De vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen, ingediend tussen de neerlegging van het verslag en de kennisgeving ervan, wordt gelijkgesteld met het met redenen omkleed verzoek. De voorzitter spreekt zich over dit verzoek bij beschikking uit. Indien de spoedeisendheid gerechtvaardigd lijkt, stelt hij de zaak vast op korte termijn en ten laatste binnen de twee maanden na de ontvangst van het verzoek, en kan hij de termijnen voor de neerlegging van de laatste memories aanpassen.
   § 2. Het verzoekschrift tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen bevat een uiteenzetting van de feiten die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen.
   Op verzoek van de verwerende of de tussenkomende partij houdt de afdeling bestuursrechtspraak rekening met de vermoedelijke gevolgen van de schorsing van de tenuitvoerlegging of van de voorlopige maatregelen voor alle belangen die kunnen worden geschonden, alsook met het openbaar belang, en kan ze besluiten de schorsing of voorlopige maatregelen niet te bevelen indien de nadelige gevolgen ervan op een kennelijk onevenredige wijze zwaarder wegen dan de voordelen.
   Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing of voorlopige maatregelen verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd.
   § 3. Tegen de arresten inzake een vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan geen verzet noch derdenverzet worden aangetekend, noch zijn ze vatbaar voor herziening.
   De arresten waarbij de schorsing of voorlopige maatregelen zijn bevolen, kunnen worden ingetrokken of gewijzigd op verzoek van de partijen.
   § 4. In geval van een uiterst dringende noodzakelijkheid die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de vordering tot schorsing of voorlopige maatregelen bedoeld in paragraaf 1, kunnen de schorsing of voorlopige maatregelen worden bevolen, zelfs voordat een beroep tot nietigverklaring werd ingediend, volgens een procedure die afwijkt van die welke geldt voor de schorsing en de voorlopige maatregelen als bedoeld in paragraaf 1.
   In voorkomend geval kunnen deze schorsing of voorlopige maatregelen zelfs worden bevolen zonder dat alle partijen zijn opgeroepen. In dat laatste geval worden in het arrest dat de voorlopige schorsing of de voorlopige maatregelen beveelt, de partijen opgeroepen om op korte termijn te verschijnen voor de kamer, die uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing of de voorlopige maatregelen.
   De schorsing en de voorlopige maatregelen die zijn bevolen vóór het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring van de akte of het reglement worden onmiddellijk opgeheven als blijkt dat binnen de in de procedureregeling vastgestelde termijn geen verzoekschrift tot nietigverklaring werd ingediend waarin middelen worden aangevoerd die ze gerechtvaardigd hadden.
   § 5. De voorzitter van de kamer of de staatsraad die hij aanwijst, doet binnen vijfenveertig dagen uitspraak over de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen. Indien de schorsing of voorlopige maatregelen werden bevolen, wordt binnen zes maanden na de uitspraak van het arrest uitspraak gedaan over het verzoekschrift tot nietigverklaring.
   § 6. De afdeling bestuursrechtspraak kan volgens een door de Koning bepaalde versnelde procedure de akte of het reglement vernietigen indien de verwerende partij of degene die een belang heeft bij de beslechting van de zaak geen vordering tot voortzetting van de procedure heeft ingediend binnen dertig dagen te rekenen van de kennisgeving van het arrest waarbij de schorsing of de voorlopige maatregelen worden bevolen of de voorlopige schorsing of de voorlopige maatregelen worden bevestigd.
   § 7. Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding indien de verzoekende partij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement of de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen afgewezen is, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de kennisgeving van het arrest.
   § 8. Het arrest dat de schorsing, de voorlopige schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement of voorlopige maatregelen beveelt, kan op vordering van de verzoekende partij een dwangsom opleggen aan de betrokken overheid. In dat geval is artikel 36, §§ 2 tot 5, van toepassing.
   § 9. Ingeval de schorsing van de tenuitvoerlegging of voorlopige maatregelen worden bevolen wegens machtsafwending, wordt de zaak verwezen naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak.
   Indien de algemene vergadering de akte of het reglement waartegen het beroep is gericht niet vernietigt, houden de schorsing of de voorlopige maatregelen onmiddellijk op gevolg te hebben. In dit geval wordt de zaak voor de behandeling van eventuele andere middelen verwezen naar de kamer waarbij ze oorspronkelijk is ingeleid.
   § 10. Indien de kamer bevoegd om uitspraak te doen over de grond van de zaak de akte of het reglement waartegen het beroep gericht is niet vernietigt, heft ze de bevolen schorsing alsook de voorlopige maatregelen op.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014; zie KB 2014-01-28/02, art. 51, 1°>

  AFDELING 2. <Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38, 1°, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014; zie KB 2014-01-28/02, art. 51, 1°>

  Art. 18.<Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38, 1°, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014; zie KB 2014-01-28/02, art. 51, 1°>

  TITEL IV. - (...) (W 28-06-1983, art. 107)

  TITEL V. - RECHTSPLEGING.

  HOOFDSTUK I. - RECHTSPLEGING VOOR DE (AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK). <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 19.De (aanvragen, moeilijkheden en beroepen tot nietigverklaring en cassatieberoepen) bedoeld bij de artikelen 11, 12, 13, 14 en 16 (, 1° tot [1 8°]1 ,) kunnen voor de (afdeling bestuursrechtspraak) worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang en worden schriftelijk ingediend bij de afdeling in de vormen en binnen de termijn door de Koning bepaald. <W 1999-05-25/44, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999> <W 2005-02-17/62, art. 4, 016; Inwerkingtreding : 13-10-2005> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (De verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij (artikel 14, § 1), nemen alleen een aanvang op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt.) (Indien aan die verplichting niet wordt voldaan dan nemen de verjaringstermijnen een aanvang vier maanden [1 nadat aan de betrokkene de akte of de beslissing met individuele strekking ter kennis werd gebracht]1 .) <W 1994-03-24/42, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 27-05-1994> <W 1999-05-25/44, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999> <W 2006-09-15/71, art. 7, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  [1 Wanneer een klacht wordt ingediend tegen een akte of een reglement die vatbaar is voor beroep in de zin van artikel 14, § 1, bij een persoon die door een wet, een decreet of een ordonnantie bekleed is met de functie van ombudsman, binnen één van de verjaringstermijnen bedoeld in het tweede lid, wordt deze termijn voor de indiener van deze klacht opgeschort. Het resterende deel van die termijn vangt aan hetzij op het moment dat de klager in kennis wordt gesteld van de beslissing om zijn klacht niet te behandelen of te verwerpen, hetzij bij het verstrijken van een termijn van vier maanden die begint te lopen vanaf de indiening van de klacht, als de beslissing niet eerder tussenkomt. In dit laatste geval rechtvaardigt de klager dit door een attest van de betrokken ombudsman.]1
  ((De partijen mogen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen.) De advocaten hebben steeds het recht op de griffie kennis te nemen van het dossier en een toelichtende memorie in te dienen in de voorwaarden te bepalen bij de koninklijke besluiten bedoeld bij artikel 30.) <W 06-05-1982, art. 1> <W 1999-05-25/44, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>
  (Een cassatieberoep kan niet worden ingediend zonder de bijstand van een persoon bedoeld in het [1 vierde lid]1, die het verzoekschrift moet ondertekenen.) <W 2006-09-15/71, art. 7, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  [1 Behoudens bewijs van het tegendeel, wordt de advocaat verondersteld gemandateerd te zijn door de handelingsbekwame persoon die hij beweert te vertegenwoordigen.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 20.<W 2006-09-15/71, art. 8, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. Het in artikel 14, § 2, bedoelde cassatieberoep wordt pas behandeld voor zover het toelaatbaar is verklaard met toepassing van § 2.
  § 2. Elk cassatieberoep wordt, zodra het op de rol is geplaatst, en op inzage van het verzoekschrift en het rechtsplegingsdossier, onmiddellijk onderworpen aan een procedure van toelating.
  Cassatieberoepen waarvoor de Raad van State niet bevoegd is of zonder rechtsmacht, of die zonder voorwerp of kennelijk onontvankelijk zijn, worden niet toelaatbaar verklaard.
  Worden slechts toelaatbaar verklaard, de cassatieberoepen waarvan de middelen een schending van de wet of een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste aanvoeren, voor zover het erin aangevoerde middel niet kennelijk ongegrond is en dat die schending daadwerkelijk van die aard is dat ze tot cassatie van de bestreden beslissing kan leiden en de strekking van de beslissing kan hebben beïnvloed.
  Worden eveneens toelaatbaar verklaard, de cassatieberoepen waarvoor de Raad van State niet onbevoegd of zonder rechtsmacht is om het beroep in cassatie te berechten of die niet zonder voorwerp of kennelijk onontvankelijk zijn en waarvan het onderzoek door de afdeling noodzakelijk blijkt om te zorgen voor de eenheid van de rechtspraak [1 binnen het administratief rechtscollege bedoeld in artikel 14, § 2, of de Raad van State]1.
  § 3. De eerste voorzitter, de voorzitter, de kamervoorzitter of de staatsraad die ten minste drie jaar graadanciënniteit heeft en die daartoe is aangewezen door de korpschef die de (afdeling bestuursrechtspraak) onder zijn verantwoordelijkheid heeft, doet bij beschikking binnen de acht dagen vanaf de ontvangst van het dossier van het rechtscollege, uitspraak over de toelaatbaarheid van het cassatieberoep zonder terechtzitting en zonder dat de partijen worden gehoord. De hoofdgriffier vraagt onmiddellijk na ontvangst van het verzoekschrift het dossier van het rechtscollege op bij het administratief rechtscollege wiens beslissing met een cassatieberoep wordt bestreden. Dit rechtscollege bezorgt het dossier binnen de twee werkdagen na het verzoek tot mededeling aan de Raad van State. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De beschikking waarbij de toelating wordt geweigerd, motiveert bondig de weigering.
  De beschikking wordt onmiddellijk ter kennis gebracht aan de partijen in cassatie volgens de modaliteiten bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dit koninklijk besluit kan eveneens de gevallen bepalen waarin kan worden volstaan met een kennisgeving aan de in het geding zijnde administratieve overheden bedoeld in artikel 14, § 2, van het dispositief en het voorwerp, alsook de vorm waarin en de voorwaarden waaronder deze kennisgeving geschiedt en de wijze waarop deze beschikkingen voor deze partij integraal toegankelijk zijn.
  Tegen de krachtens deze bepaling uitgesproken beschikkingen kan geen verzet noch derdenverzet worden aangetekend noch zijn ze vatbaar voor herziening.
  § 4. De procedure in cassatie wordt aangevat indien het cassatieberoep met toepassing van deze bepaling toelaatbaar is. De kamer bij wie het beroep aanhangig is, doet binnen zes maanden na in de § 3 bedoelde beschikking uitspraak over het cassatieberoep.
  § 5. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de procedure met betrekking tot het in dit artikel bedoelde onderzoek van de toelaatbaarheid in cassatie.
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/68, art. 13, 027; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

  Art. 21.[1 De termijnen waarbinnen de partijen hun memories, hun administratief dossier of de door de afdeling bestuursrechtspraak gevraagde stukken of inlichtingen moeten toesturen, worden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
   Wanneer de verzoekende partij de termijnen voor het toesturen van de memorie van wederantwoord of van de toelichtende memorie niet eerbiedigt, doet de afdeling, nadat de partijen die daarom verzocht hebben, gehoord zijn, zonder verwijl uitspraak, waarbij het ontbreken van het vereiste belang wordt vastgesteld.
   Wanneer de verwerende partij het administratief dossier niet binnen de vastgestelde termijn toestuurt, worden de door de verzoekende partij aangehaalde feiten als bewezen geacht, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn.
   Wanneer het administratief dossier niet in het bezit is van de verwerende partij, deelt zij dit onverwijld mede aan de kamer waarbij het beroep aanhangig is.
   De kamer kan, ambtshalve of op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat of op verzoek van een partij, de neerlegging van het administratief dossier bevelen onder verbeurte van een dwangsom overeenkomstig artikel 36.
   De memories ingediend door de verwerende partij worden ambtshalve uit de debatten geweerd wanneer zij niet werden ingediend binnen de termijnen bepaald overeenkomstig het eerste lid.
   Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding wanneer zij geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient, binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het verslag van de auditeur of van de mededeling dat toepassing werd gemaakt van artikel 30, § 1, derde lid, en waarin de verwerping of onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 8, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014; zie KB 2014-01-28/02, art. 51, 1°>

  Art. 21bis.[1 Degenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak, kunnen erin tussenkomen. De kamer kan ambtshalve of op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat of van een partij, degenen van wie de aanwezigheid vereist is voor de zaak, oproepen als tussenkomende partij.
   De tussenkomende partij kan ter ondersteuning van het verzoek geen andere middelen aanvoeren dan die welke in het inleidende verzoekschrift zijn uiteengezet.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 9, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014; zie KB 2014-01-28/02, art. 51, 1°>

  Art. 22. De behandeling geschiedt schriftelijk.
  De afdeling kan echter partijen oproepen en horen. (...). <W 1994-03-24/42, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 27-05-1994>

  Art. 23. (De (afdeling bestuursrechtspraak) voert rechtstreeks briefwisseling met alle overheden en besturen die zij nuttig acht.) <W 2006-09-15/71, art. 11, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Zij is gerechtigd alle bescheiden en inlichtingen omtrent de zaken waarover zij zich uit te spreken heeft, door deze overheden en besturen te doen overleggen.

  Art. 24. (Nadat de voorafgaande maatregelen zijn uitgevoerd, maakt een lid van het auditoraat een verslag op van de zaak. Dit gedagtekend en ondertekend verslag wordt aan de kamer overgezonden binnen een termijn van zes maanden te rekenen van de dag waarop het lid van het auditoraat (het volledige dossier van de zaak heeft gekregen). Op verzoek van de auditeur-generaal kan die termijn met één enkele termijn van zes maanden worden verlengd bij met redenen omkleed bevelschrift van de kamer waarbij de zaak aanhangig is. (Err. zie B.St. 08-10-1996, p. 25742).
  Beveelt de kamer dat een aanvullend verslag moet worden ingediend, dan worden de in het eerste lid bedoelde termijnen tot drie maanden ingekort.
  In spoedgevallen kan de voorzitter van de kamer waarbij de zaak aanhangig is, bij met redenen omkleed bevelschrift en na het advies van de auditeur-generaal te hebben ingewonnen, de in de voorgaande leden bedoelde termijnen inkorten.) <W 1996-08-04/60, art. 15, 006; Inwerkingtreding : 5555-55-55>
  (In voorkomend geval kan het verslag zich beperken tot het middel van niet-ontvankelijkheid of tot het middel ten gronde dat de oplossing van het geschil mogelijk maakt.) (In dat geval doet de (afdeling bestuursrechtspraak) bij wege van arrest uitspraak over de conclusies van het verslag.) <W 1996-08-04/60, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (Indien na toepassing van het tweede lid blijkt dat de conclusies van het verslag geen oplossing van het geschil bieden, kan de kamer in het arrest het Auditoraat gelasten, naar gelang het geval, met het onderzoek van één of meerdere welbepaalde middelen of excepties, of met het verder onderzoek van het beroep dan wel met een onderzoeksmaatregel die zij in het arrest vaststelt.) <W 2006-09-15/71, art. 12, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 25. (Is er aanleiding tot onderzoek, dan beveelt de afdeling dat het wordt ingesteld, hetzij op haar terechtzitting, hetzij door het lid van de Raad van State, hetzij door het bevoegde lid van het Auditoraat dat wordt aangewezen door de auditeur-generaal. De auditeur-generaal of het door hem aangewezen lid van het Auditoraat, kan ambtshalve onderzoeksverrichtingen stellen.) <W 2006-09-15/71, art. 13, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (De Kamer (of de auditeur-generaal) kan bevelen dat getuigen onder eed worden gehoord. In dat geval leggen zij de volgende eed af : <W 2006-09-15/71, art. 13, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  " Ik zweer in eer en geweten dat ik de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen ".
  of :
  " Je jure en honneur et conscience de dire toute la vérité, rien que la vérité ".
  of :
  " Ich schwöre auf Ehre und Gewissen, die ganze Wahrheit und nur die Wahrheit zu sagen ".) (W 27-05-1974, art. 13)
  De getuigen worden bij een ter post aangetekende brief gedagvaard. Ieder die gedagvaard wordt om als getuige te worden gehoord krachtens dit artikel, is gehouden te verschijnen en aan de dagvaarding gevolg te geven. Hij die weigert te verschijnen, de eed af te leggen of te getuigen wordt gestraft met geldboete van zesentwintig (euro) tot honderd (euro). <W 2006-09-15/71, art. 13, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Van het niet-verschijnen of van de weigering om onder ede te getuigen wordt proces-verbaal opgemaakt; dit wordt gezonden aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de getuige moest worden gehoord.
  De bepalingen van het Strafwetboek betreffende de valse getuigenis in burgerlijke zaken en betreffende de verleiding van getuigen zijn van toepassing op de in dit artikel bepaalde onderzoeksprocedure.

  Art. 26. Wanneer een zaak, na afloop van de reglementaire termijn binnen welke het arrest gewezen of het advies verstrekt moet worden, niet in staat van wijzen is, kan de (afdeling bestuursrechtspraak), bij beredeneerd arrest, deze termijn voor de benodigde tijd verlengen. Zo nodig kan deze verlenging hernieuwd worden, zonder dat evenwel de totale duur der verlengingen het dubbele van de in het organiek besluit vastgestelde termijn mag overtreffen. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 26bis. (Ingevoegd bij W 05-05-1993, art. 4) De (afdeling bestuursrechtspraak) doet binnen zes maanden uitspraak bij wijze van arrest, over beroepen tot nietigverklaring van een besluit bedoeld in artikel 81, § 4 of § 5, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 27.(§ 1.) De terechtzittingen van de (afdeling bestuursrechtspraak), zetelende krachtens de (artikelen 11, [1 11bis,]1 14, 16, 17, 18 en 36) zijn openbaar, tenware zulks voor de orde of de zeden gevaar mocht opleveren; in dit geval wordt zulks door de afdeling bij gemotiveerde beslissing verklaard. <W 1996-08-04/60, art. 17, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01> <W 2006-09-15/71, art. 14, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (De terechtzittingen van de (afdeling bestuursrechtspraak) zijn evenmin openbaar, wanneer de partijen met toepassing van artikel 21, tweede lid, niet verzocht hebben om gehoord te worden.) <W 1999-05-25/44, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 01-08-2000> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (§ 2. De voorzitter van de kamer van de Raad van State waarbij het cassatieberoep gericht tegen een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, aanhangig is of de door hem aangewezen staatsraad, kan ambtshalve of op verzoek van een van de partijen, bevelen dat de zaak met gesloten deuren wordt behandeld.
  Hij kan dat ook bevelen wanneer het administratieve dossier krachtens artikel 39/64 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen vertrouwelijk erkende stukken bevat.
  Dergelijke stukken mogen in geen enkele akte van de procedure worden vermeld, aangehaald of overgenomen op straffe van nietigheid van die akte.) <W 2006-09-15/71, art. 14, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/64, art. 7, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 28. Elk arrest is met redenen omkleed; het wordt uitgesproken in openbare terechtzitting.
  (Een tussen- of een eindarrest wordt aan de partijen ter kennis gebracht volgens de modaliteiten bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dit koninklijk besluit kan eveneens de gevallen bepalen waarin kan worden volstaan met een kennisgeving aan de in het geding zijnde administratieve overheden bedoeld in artikel 14, van het dispositief en het voorwerp, alsook de vorm waarin en de voorwaarden waaronder deze beperkte kennisgeving geschiedt en de wijze waarop deze arresten voor deze partij in hun totaalversie toegankelijk zijn.) <W 2006-09-15/71, art. 15, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (De arresten (en de beschikkingen bedoeld in artikel 20, § 3) van de Raad van State zijn toegankelijk voor het publiek. <W 2006-09-15/71, art. 15, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  De Raad van State zorgt voor de publikatie ervan in de gevallen, in de vorm en onder de voorwaarden vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.) <W 1996-08-04/60, art. 18, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01>

  Art. 29.Artikel 258 van het Strafwetboek betreffende de rechtsweigering is ter zake van de bij de (artikelen (...) 11, [1 11bis,]1 12, 13, 14, 16, 17, 18 en 36) voorziene aangelegenheden, toepasselijk op de leden van de Raad van State. <W 1996-08-04/60, art. 19, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01> <W 2006-09-15/71, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (De beginselen die de wraking van rechters en raadsleden van de rechterlijke orde regelen, zijn toepasselijk op de leden van de (afdeling bestuursrechtspraak) en van het auditoraat. Bovendien mogen deze geen kennisnemen van de vorderingen tot nietigverklaring, tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen betreffende besluiten en verordeningen over de tekst waarvan zij hun advies hebben uitgebracht als lid van de Afdeling Wetgeving of in verband waarmee zij hun medewerking hebben verleend in die afdeling.) <W 1999-05-25/44, art. 8, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/64, art. 8, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 30.(W 17-10-1990, art. 4) (§ 1.) [De rechtspleging welke in de bij de [2 artikelen 11, [4 11bis]4 12, 13, 14, 14ter, 16, 17, 30/1, 36 en 38]2 bedoelde gevallen voor de (afdeling bestuursrechtspraak) dient te worden gevolgd, wordt vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.] <W 1996-08-04/60, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01> <W 2000-04-18/31, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 30-05-2000> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  [2 Het koninklijk besluit bedoeld in het eerste lid bepaalt onder meer de verjaringstermijnen voor de indiening van de aanvragen en beroepen bedoeld in de artikelen 11 en 14, waarbij deze termijnen ten minste zestig dagen moeten bedragen; het bepaalt de voorwaarden voor de uitoefening van de tussenkomsten, verzetten en derden-verzetten, alsook van de beroepen tot herziening; het bepaalt een bedrag boven hetwelk er geen enkele dwangsom kan worden verbeurd; [6 ...]6 het bepaalt het tarief van de kosten, uitgaven en rechten, waarbij deze rechten een bedrag van 225 euro niet mogen overschrijden; het voorziet in het verlenen van het voordeel van de juridische tweedelijnsbijstand aan de onvermogenden; het bepaalt de nadere regels om de kosten, uitgaven en rechten te voldoen; het bepaalt de gevallen waarin de partijen of hun advocaten gezamenlijk kunnen besluiten dat de zaak niet in openbare terechtzitting moet worden behandeld.]2
  [2 Het koninklijk besluit bedoeld in het eerste lid bepaalt de specifieke regels van de onderzoeksprocedure van een verzoek tot nietigverklaring nadat de schorsing werd bevolen en de gevallen waarin, nadat over de vordering tot schorsing bij arrest uitspraak werd gedaan, het aangewezen lid van het auditoraat geen nieuw verslag moet opstellen, alsook de nadere regels ter zake.]2
  Indien met toepassing van het tweede lid, de zaak niet in openbare terechtzitting wordt behandeld, wordt er geen advies van het Auditoraat gegeven;). <W 2006-09-15/71, art. 17, 018; Inwerkingtreding : 01-06-2007; 01-12-2006 wat betreft de beroepen bedoeld in artikel 14, § 2 van de gecoördineerde wetten>
  (In afwijking van het tweede lid, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad een kortere termijn van verjaring van het in artikel 14, § 2, bepaald cassatieberoep bepalen, zonder dat deze minder dan vijftien dagen mag bedragen.) <W 2006-09-15/71, art. 17, 018; Inwerkingtreding : onbepaald; 01-12-2006 wat betreft de beroepen bedoeld in artikel 14, § 2 van de gecoördineerde wetten>
  (§ 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bijzondere procedureregels vaststellen voor de behandeling van de verzoekschriften die doelloos, kennelijk onontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond zijn, zo nodig in afwijking van artikel 90. [2 Deze bijzondere procedure kan worden ingesteld indien de auditeur dit in zijn verslag voorstelt of indien één der partijen hierom verzoekt, ten laatste tijdens de terechtzitting, na kennisneming van het verslag neergelegd door de auditeur tijdens zijn onderzoek van de vordering tot schorsing.]2
  Onverminderd het vorige lid, kan Hij ook, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bijzondere regels vaststellen inzake de samenstelling van de kamers, de termijnen en de procedure voor de behandeling van de verzoekschriften die gericht zijn tegen een beslissing genomen met toepassing van de wetten betreffende de teemdelingen, zo nodig in afwijking van paragraaf 1, evenals van de artikelen 14, 17, 18, 21, 21bis en 90. Hij kan bovendien bijzondere regels vaststellen voor de behandeling van de verzoekschriften die enkel korte debatten met zich meebrengen.) <W 2000-04-18/31, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 30-05-2000>
  [2 De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere procedureregels die toelaten de nietigverklaring van een akte of van een reglement te vermijden door de toepassing van de bestuurlijke lus bedoeld in artikel 38, wanneer de spoedeisendheid die ingeroepen wordt ter ondersteuning van de vordering tot schorsing wordt vastgesteld en de auditeur alle middelen heeft onderzocht. De bestuurlijke lus kan slechts worden toegepast indien de verwerende partij dit voorafgaandelijk heeft aanvaard.]2
  
  (NOTA : in § 2, eerste lid, worden de woorden ", kennelijk onontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond zijn" vervangen door de woorden "of die enkel korte debatten met zich meebrengen," <W 2006-09-15/71, art. 17, 018; Inwerkingtreding : 01-06-2007; 01-12-2006 wat betreft de beroepen bedoeld in artikel 14, § 2 van de gecoördineerde wetten>)
  (NOTA : het onderhavig lid 2 wordt opgeheven bij W 2006-09-15/71, art. 17, 5°, met uitwerking op een datum door de Koning te bepalen.)
  

  [§ 2bis. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de regels van de versnelde procedure toepasselijk op het beroep bedoeld [1 in artikel 122 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en in artikel 36/22 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België]1, daarbij indien nodig afwijkend van § 1 alsook van de artikelen 14, 17, 18, 21, 21bis en 90.
  Hij stelt inzonderheid de termijn vast waarbinnen de aanvrager het beroep moet instellen op straffe van verval, de termijnen waarbinnen alle partijen hun memorie moeten indienen alsook de termijn waarbinnen de Raad van State zich dient uit te spreken.
  Hij kan bijzondere regels bepalen voor de samenstelling van de kamers. [1 Hij kan voor de beroepen bedoeld in artikel 122 van de voormelde wet van 2 augustus 2002 en in artikel 36/22 van de voormelde wet van 22 februari 1998 verschillende regels vaststellen.]1
  Hij kan de eiser verplichten om vóór de indiening van het beroep, bij [1 het directiecomité van de [1 FSMA]1 of van de Nationale Bank van België, naargelang het geval]1 een verzoek in te dienen tot intrekking of wijziging van de betwiste beslissing.] <W 2002-08-02/65, art. 4, § 1, 013; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
  (§ 2ter. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de regels van de versnelde procedure toepasselijk op het beroep bedoeld in artikel 122 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, daarbij indien nodig afwijkend van § 1 alsook van de artikelen 14, 17, 18, 21, 21bis en 90.
  Hij stelt inzonderheid de termijn vast waarbinnen de aanvrager het beroep moet instellen op straffe van verval, de termijnen waarbinnen alle partijen hun memorie moeten indienen alsook de termijn waarbinnen de Raad van State zich dient uit te spreken.
  Hij kan bijzondere regels bepalen voor de samenstelling van de kamers. Hij kan voor de beroepen bedoeld in artikel 126 van de voormelde wet van 2 augustus 2002, verschillende regels vaststellen.
  Hij kan de eiser verplichten om vóór de indiening van het beroep, bij het directiecomité van de CDV een verzoek in te dienen tot intrekking of wijziging van de betwiste beslissing.) <W 2002-08-02/65, art. 4, § 2, 013; Inwerkingtreding : onbepaald>
  [5 § 2quater. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de regels van de versnelde procedure toepasselijk op het beroep bedoeld in artikel 36/45, § 2 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, daarbij indien nodig afwijkend van § 1 alsook van de artikelen 14, 17, 18, 21, 21bis en 90.
   Hij stelt inzonderheid de termijn vast waarbinnen de aanvrager het beroep moet instellen op straffe van verval, de termijnen waarbinnen alle partijen hun memorie moeten indienen alsook de termijn waarbinnen de Raad van State zich dient uit te spreken.]5
  § 3. (De (afdeling bestuursrechtspraak) kan, volgens een versnelde rechtspleging vastgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de akte of het reglement nietig verklaren, indien de tegenpartij of degene die een belang heeft bij de beslechting van het geschil, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van 30 dagen die ingaat met de betekening van het verslag van de auditeur waarin de nietigverklaring wordt voorgesteld of, indien toepassing werd gemaakt [2 van paragraaf 1, derde lid]2 , van de mededeling waarin de nietigverklaring wordt voorgesteld.) <W 2006-09-15/71, art. 17, 018; Inwerkingtreding : 01-06-2007> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (§ 4. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bijzondere regels inzake de termijn en de procedure voor de behandeling van de aanvragen ingediend overeenkomstig artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen.
  De artikelen 19, 21 en 21 bis, voor zover zij betrekking hebben op het administratief dossier en op de tussenkomst ter ondersteuning van het beroep, zijn niet van toepassing op de procedures die gebaseerd zijn op voornoemd artikel 15ter.
  Degenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak kunnen erin tussenkomen als verdediger en het arrest waarin over de aanvraag uitspraak wordt gedaan, is vatbaar voor verzet, derdenverzet en herziening onder de voorwaarden als bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.) <W 2005-02-17/62, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 13-10-2005>
  (§ 5. [3 ...]3
  [3 ...]3
  [3 ...]3
  Wanneer een vordering tot schorsing en een verzoekschrift tot nietigverklaring aanhangig gemaakt worden bij de Raad van State, en wanneer de verzoeker zich in de loop van de schorsingsprocedure terugtrekt, of wanneer de aangeklaagde akte ingetrokken wordt zodat er geen uitspraak meer gedaan moet worden, kan de Raad van State in één en hetzelfde arrest uitspraak doen over de vordering tot schorsing en over het verzoekschrift tot nietigverklaring zonder dat de voortzetting van de procedure gevorderd kan worden, en is het recht dat daarmee verband houdt niet verschuldigd.
  [3 ...]3
  § 6. [3 ...]3
  § 7. [3 ...]3
  § 8. [3 ...]3
  § 9. [3 ...]3
  ----------
  (1)<KB 2011-03-03/01, art. 331 en 344, 024; Inwerkingtreding : 01-04-2011>
  (2)<W 2014-01-20/13, art. 10,1°-10,6°, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>
  (3)<W 2014-01-20/13, art. 10,7°, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014; zie KB 2014-01-30/02, art. 19, 1°>
  (4)<W 2014-04-10/68, art. 29, 027; Inwerkingtreding : 01-07-2014, bevestigd bij W 2014-01-06/64, art. 9, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (5)<W 2014-05-27/16, art. 4, 029; Inwerkingtreding : 03-07-2014>
  (6)<W 2015-12-26/02, art. 2, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 30/1.[1 § 1. De afdeling bestuursrechtspraak kan een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
   Na het advies ingewonnen te hebben van de Orde van Vlaamse Balies en van de "Ordre des barreaux francophones et germanophone" bepaalt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basisbedragen en de minimale en maximale bedragen van de rechtsplegingsvergoeding, afhankelijk van onder meer de aard van de zaak en het belang van het geschil.
   § 2. De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met :
   1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;
   2° de complexiteit van de zaak;
   3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.
   Indien de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning bepaalde minimale bedrag, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. Wat dit betreft, omkleedt de afdeling bestuursrechtspraak haar beslissing tot vermindering of verhoging met bijzondere redenen.
   Wanneer meer partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van een of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, is het bedrag ervan maximaal het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Ze wordt door de afdeling bestuursrechtspraak tussen de partijen verdeeld.
   Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij. De tussenkomende partijen kunnen niet worden gehouden tot de betaling van deze rechtsplegingsvergoeding of ervan genieten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-20/13, art. 11, 026; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-03-2014>

  Art. 31. Alleen arresten op tegenspraak zijn vatbaar voor herziening. Het beroep tot herziening is slechts ontvankelijk indien sinds de uispraak van het arrest doorslaggevende stukken zijn teruggevonden die door toedoen van de tegenpartij waren achtergehouden of indien het arrest werd gewezen op als vals erkende of vals verklaarde stukken.
  De termijn van beroep gaat in de dag waarop ontdekt wordt dat het stuk vals is of dat het achtergehouden stuk bestaat.

  Art. 31bis. (Opgeheven) (W 06-01-1989, art. 127, 2)

  Art. 32. Voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van een impliciet afwijzende beslissing gaat de verjaringstermijn in daags na het verstrijken van de in (artikel 14, § 3), bepaalde periode van vier maanden. <W 1999-05-25/44, art. 10, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>
  Indien de administratieve overheid na het verstrijken van de vier maanden een uitdrukkelijke beslissing neemt, staat daartegen in ieder geval beroep tot nietigverklaring open binnen de gewone in de procedureregeling bepaalde termijn.

  HOOFDSTUK II. - RECHTSMIDDELEN TEGEN DE ARRESTEN VAN DE (AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK). <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 33. Kunnen bij het Hof van Cassatie aanhangig worden gemaakt, de arresten (en de beschikkingen bedoeld in artikel 20, § 3) waarbij de (afdeling bestuursrechtspraak) beslist van de eis geen kennis te kunnen nemen op grond dat die kennisneming binnen de bevoegdheid der rechterlijke overheden valt, alsmede de arresten (en de beschikkingen bedoeld in artikel 20, § 3) waarbij de afdeling afwijzend beschikt op een declinatoire exceptie gesteund op de grond dat de eis tot de bevoegdheid van die overheden behoort. <W 2006-09-15/71, art. 18, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Het cassatieberoep wordt bij request der belanghebbende partij en overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek ingediend. Een koninklijk besluit bepaalt de vormen en de termijnen van rechtspleging. Het Hof doet uitspraak in verenigde kamers.
  Bij cassatie van het arrest (of van de beschikking bedoeld in artikel 20, § 3) (waarbij de (afdeling bestuursrechtspraak) beslist van de vordering geen kennis te kunnen nemen omdat die kennisneming tot de bevoegheid van de rechterlijke overheden behoort,) verwijst het Hof de zaak naar de uit andere leden samengestelde (afdeling bestuursrechtspraak) die zich naar de beslissing van het Hof schikt wat het rechtspunt betreft waarover het uitspraak heeft gedaan. <W 1999-05-25/44, art. 11, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999> <W 2006-09-15/71, art. 18, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 34. Wanneer de (afdeling bestuursrechtspraak) en een hof of een rechtbank van de rechterlijke orde zich beiden hetzij bevoegd, hetzij onbevoegd hebben verklaard om van dezelfde eis kennis te nemen, wordt de bevoegdheidsregeling ten aanzien van het geschil vervolgd door de meest naarstige partij en door het Hof van cassatie beslecht zoals bepaald voor de regeling van rechtsgebied in burgerlijke zaken. Het arrest tot regeling van rechtsgebied wordt echter door het Hof in verenigde kamers uitgesproken. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 35. In alle gevallen kunnen tegen de arresten der (afdeling bestuursrechtspraak) slechts de in (artikel 30, § 1, tweede lid), bedoelde rechtsmiddelen aangewend worden. <W 2000-04-18/31, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 30-05-2000> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  HOOFDSTUK III. - [1 Uitvoering van de arresten en dwangsom]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 12, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014; zie KB 2014-01-28/02, art. 51, 1°>

  Art. 35/1.[1 Op verzoek van één der partijen, ten laatste in de laatste memorie, verduidelijkt de afdeling bestuursrechtspraak in de motieven van haar arrest houdende nietigverklaring, de maatregelen die moeten worden genomen om de onwettigheid die heeft geleid tot deze nietigverklaring te verhelpen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-20/13, art. 12, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014; zie KB 2014-01-28/02, art. 51, 1°>

  Art. 36.[1 § 1. Wanneer het arrest inhoudt dat de betrokken overheid een nieuwe beslissing neemt, kan de afdeling bestuursrechtspraak, waarbij een vordering in die zin is ingesteld, in dat arrest bevelen dat die beslissing binnen een bepaalde termijn moet worden genomen. Zij kan dit bevelen bij een later arrest, op voorwaarde dat de partij op wier verzoek de nietigverklaring werd uitgesproken, voorafgaandelijk en via een aangetekende brief, de overheid in gebreke heeft gesteld een nieuwe beslissing te nemen en er ten minste drie maanden zijn verstreken sinds de kennisgeving van het arrest houdende de nietigverklaring.
   Wanneer de nieuw te nemen beslissing het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, treedt het arrest in de plaats van die beslissing.
   Wanneer haar arrest inhoudt dat de betrokken overheid zich onthoudt van het nemen van een beslissing, kan de afdeling bestuursrechtspraak, waarbij een vordering in die zin is ingesteld, een dergelijke onthoudingsverplichting bevelen.
   § 2. Indien de betrokken verwerende partij de verplichting opgelegd uit hoofde van paragraaf 1 niet nakomt, kan de partij op wier verzoek de nietigverklaring werd uitgesproken de afdeling bestuursrechtspraak vragen om een dwangsom op te leggen aan deze overheid of deze het bevel te geven, op verbeurte van een dwangsom, de beslissing in te trekken die zij heeft genomen met schending van de uit het arrest houdende nietigverklaring volgende onthoudingsverplichting.
   De afdeling bestuursrechtspraak kan de dwangsom vaststellen ofwel voor een globaal bedrag ofwel op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding.
   § 3. De kamer die de dwangsom heeft uitgesproken kan, op verzoek van de veroordeelde overheid, de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende een door haar vast te stellen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende, tijdelijke of gedeeltelijke onmogelijkheid voor die overheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Voor zover de dwangsom opgelegd is voordat er sprake was van deze onmogelijkheid, kan de kamer de dwangsom niet opheffen, noch verminderen.
   De partij op wier verzoek reeds een dwangsom werd opgelegd, kan vragen om een bijkomende dwangsom op te leggen of om de opgelegde dwangsom te verhogen wanneer de verwerende partij aanhoudend in gebreke blijft uitvoering te geven aan het arrest houdende nietigverklaring.
   § 4. De bepalingen van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek die op het beslag en de tenuitvoerlegging betrekking hebben, zijn eveneens van toepassing op de tenuitvoerlegging van het arrest waarbij een dwangsom is opgelegd.
   § 5. [2 De in paragraaf 2 bedoelde dwangsom wordt ten uitvoer gelegd op vraag van de partij ten verzoeke waarvan die werd opgelegd en met tussenkomst van de minister van Binnenlandse Zaken. Zij wordt voor de helft toegewezen aan de algemene middelen van de Schatkist. De andere helft wordt gestort aan de partij ten verzoeke waarvan de dwangsom werd opgelegd.]2]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 12, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014; zie KB 2014-01-28/02, art. 51, 1°>
  (2)<W 2015-12-26/02, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  HOOFDSTUK IV. (DE GELDBOETE WEGENS KENNELIJK ONRECHTMATIG BEROEP) <W 2002-02-17/43, art. 2, Inwerkingtreding : 26-03-2002>

  Art. 37.<Opgeheven bij W 28-06-1983, art. 107, en weer ingevoerd bij W 2002-02-17/43, art. 2, Inwerkingtreding : 26-03-2002> Als, na inzage van het verslag of het aanvullend verslag van de auditeur, de Raad van State vindt dat een geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep verantwoord kan zijn, bepaalt het arrest daartoe een hoorzitting op een nabije datum.
  (Als, nadat een cassatieberoep in toepassing van artikel 20 niet toelaatbaar is verklaard, de Raad van State vindt dat de in het eerste lid bedoelde geldboete verantwoord kan zijn, bepaalt een ander lid van de Raad van State dan het lid van de Raad van State dat de beschikking van niet-toelaatbaarheid heeft genomen, daartoe een hoorzitting op een nabije datum.) <W 2006-09-15/71, art. 19, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Het arrest wordt betekend aan de verzoeker en aan de tegenpartij.
  Het arrest dat de geldboete uitspreekt, geldt in elk geval als op tegenspraak gewezen.
  De geldboete gaat van 125 tot 2.500 EUR. Zij wordt geïnd overeenkomstig artikel 36, § 4.
  [1 De opbrengst van de geldboete wordt gestort aan de algemene middelen van de Schatkist.]1
  De in het vierde lid vermelde bedragen kunnen door de Koning worden gewijzigd ingevolge de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
  ----------
  (1)<W 2015-12-26/02, art. 4, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 38.[1 § 1. In geval van een beroep tot nietigverklaring bedoeld in artikel 14, § 1, kan de afdeling bestuursrechtspraak de verwerende partij bij tussenarrest opdragen om een gebrek in de bestreden akte of het bestreden reglement te herstellen of te laten herstellen.
   Het gebruik van deze bestuurlijke lus is alleen mogelijk nadat de partijen de mogelijkheid hebben gehad hun opmerkingen te doen kennen over het gebruik ervan.
   Het tussenarrest bepaalt de wijze waarop en de termijn waarbinnen het herstel moet plaatsvinden. Deze termijn kan worden verlengd op verzoek van de verwerende partij. Wanneer het herstel bestaat uit het nemen van een nieuwe akte, of een nieuw reglement wordt het voorwerp van het beroep uitgebreid tot deze akte of dit reglement.
   Het herstel kan alleen de gebreken betreffen die in het tussenarrest werden aangeduid. Het herstel van deze gebreken mag geen weerslag hebben op de inhoud van de akte of het reglement.
   § 2. De bestuurlijke lus kan niet worden toegepast wanneer :
   1° het gebrek niet herstelbaar is binnen een termijn van drie maanden, behalve als er wordt aangetoond dat dit binnen een redelijke termijn kan geschieden;
   2° de eigen beslissingsbevoegdheid van de verwerende partij niet volstaat om het gebrek te herstellen;
   3° de verwerende partij de toepassing van de procedure uitdrukkelijk weigert;
   4° het herstel van het gebrek niet kan leiden tot de definitieve beslechting van het hangende geding.
   § 3. Indien de toepassing van de bestuurlijke lus pas wordt voorgesteld in het tussenarrest beschikken de partijen over een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van dit arrest om hun standpunt omtrent de toepassing van de bestuurlijke lus mee te delen.
   Daarna spreekt de afdeling bestuursrechtspraak zich uit over de toepassing van de bestuurlijke lus, overeenkomstig paragraaf 1.
   § 4. Zodra de verwerende partij uitvoering heeft gegeven aan het in paragraaf 1 bedoelde tussenarrest, geeft zij daarvan onverwijld schriftelijk kennis aan de Raad van State, alsook van de wijze waarop het gebrek is hersteld. Indien de Raad van State binnen vijftien dagen na het verstrijken van de bij tussenarrest vastgestelde hersteltermijn geen kennisgeving heeft ontvangen, wordt de bestreden akte of het bestreden reglement nietig verklaard.
   De andere partijen kunnen, binnen een termijn van vijftien dagen vanaf het ogenblik waarop de afdeling bestuursrechtspraak hen in kennis stelt van de manier waarop het gebrek werd hersteld, hun opmerkingen daaromtrent doen gelden.
   Indien de afdeling bestuursrechtspraak vaststelt dat het gebrek niet volledig is hersteld of dat het herstel aangetast is door nieuwe gebreken, wordt de herstelde akte of het herstelde reglement of, in voorkomend geval de nieuwe akte of het nieuwe reglement nietig verklaard.
   Indien het gebrek volledig is hersteld, gelden de gevolgen van de bestuurlijke lus met terugwerkende kracht en wordt het beroep verworpen.]1
  ----------
  (1)<Hersteld bij W 2014-01-20/13, art. 13, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014; zie KB 2014-01-28/02, art. 51, 1°. (NOTA : bij arrest n° 103/2015 van 16-07-2015 (B.St. 01-09-2015, p. 55706), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd.>

  Art. 39. (Opgeheven) <W 28-06-1983, art. 107>

  HOOFDSTUK IV. - (Oude hoofdstuk IV opgeheven) <W 28-06-1983, art. 107>

  Art. 40. (Opgeheven) <W 28-06-1983, art. 107>

  Art. 41. (Opgeheven) <W 28-06-1983, art. 107>

  Art. 42. (Opgeheven) <W 28-06-1983, art. 107>

  Art. 43. (Opgeheven) <W 28-06-1983, art. 107>

  Art. 44. (Opgeheven) <W 28-06-1983, art. 107>

  Art. 45. (Opgeheven) <W 28-06-1983, art. 107>

  Art. 46. (Opgeheven) <W 28-06-1983, art. 107>

  TITEL VI. - TAALGEBRUIK IN DE RAAD VAN STATE.

  HOOFDSTUK I. - TAALGEBRUIK IN DE AFDELING WETGEVING.

  Art. 47. (W 09-08-1980, art. 22) De teksten worden aan de afdeling wetgeving voorgelegd en dezer advies wordt opgesteld in de taal of in de talen waarin de tekst afgekondigd of vastgesteld moet worden.

  Art. 48. (W 09-08-1980, art. 22) Wanneer aan de afdeling teksten worden voorgelegd die in het Nederlands en in het Frans zijn gesteld, loopt haar onderzoek zowel over de in ieder der twee talen gestelde teksten als over dezer overeenstemming.

  Art. 49. (W 09-08-1980, art. 22) Wanneer de afdeling belast is met het opmaken van één der in artikel 6 bedoelde voorontwerpen, stelt zij de tekst ervan op in de taal of talen waarin hij afgekondigd of vastgesteld moet worden.

  Art. 50. (W 09-08-1980, art. 22) Wanneer het advies verleend of de tekst opgesteld moet worden in slechts één taal, wordt de aanvraag aanhangig gemaakt (bij een kamer) die in de taal werkt, onverminderd het bepaalde in artikel 85bis. (W 06-05-1982, art. 2)

  Art. 50bis. (Ingevoegd bij W 31-12-1983, art. 64) In afwijking van de artikelen 47, 49 en 50 evenals van artikel 83 beraadslagen en besluiten de Franse en de Nederlandse Kamer in hun eigen taal over de in het Duits gestelde adviesaanvragen.

  HOOFDSTUK II. - GEBRUIK VAN DE TALEN IN DE (AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK). <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  AFDELING I. - GEBRUIK VAN DE TALEN DOOR DE ORGANEN VAN DE RAAD VAN STATE BETROKKEN BIJ DE WERKING VAN DE (AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK). <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 51. (opgeheven) <W 2006-09-15/71, art. 20, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 51bis. (opgeheven) <W 2006-09-15/71, art. 20, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 52. De zaken ingediend op grond van de artikelen 12, 13 en 16 (, 1° tot 6°,) worden behandeld in de taal waarin de in lagere instantie getroffen beslissing is gesteld. <W 2005-02-17/62, art. 6, 016; Inwerkingtreding : 13-10-2005>
  Oordeelt de Raad van State dat deze taal in strijd met de wet gebruikt werd, dan verzendt de kamer waarbij de zaak aanhangig is deze naar de tweetalige kamer, die uitspraak doet in de vereiste taal.
  Wordt door de Raad van State in eerste en laatste aanleg uitspraak gedaan, dan wordt de taal gebruikt die de diensten waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt krachtens de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, moeten gebruiken in hun binnendiensten.

  Art. 53.(De) verzoeken om schadevergoeding,de beroepen tot nietigverklaring en de cassatieberoepen), gegrond op de artikelen (...) 11, [1 11bis,]1 en 14 worden behandeld in de taal die de diensten waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt krachtens de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, moeten gebruiken in hun binnendiensten. <W 1999-05-25/44, art. 12, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999> <W 2006-09-15/71, art. 21, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Indien die wetgeving het gebruik van een bepaalde taal niet voorschrijft, geschiedt de behandeling in de taal van de akte waarbij de zaak bij de Raad van State werd ingediend.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/64, art. 10, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 54. Wanneer (het verzoek, het beroep tot nietigverklaring of het cassatieberoep) uitgaat van een ambtenaar in overheidsdienst en betrekking heeft op een beslissing waarbij de individuele rechtstoestand van deze ambtenaar bepaald of zijn statuut geregeld wordt, dan wordt de taal waarin de zaak moet behandeld worden bepaald op grond van de navolgende criteria, in de opgegeven volgorde : <W 1999-05-25/44, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>
  1° het eentalig gebied waarin de ambtenaar zijn ambt uitoefent;
  2° de taalrol waartoe hij behoort;
  3° de taal waarin hij zijn toelatingsexamen heeft afgelegd;
  4° de taal van het diploma of getuigschrift dat hij voor zijn benoeming heeft moeten overleggen;
  5° de taal van de akte waarbij de zaak werd ingediend.

  Art. 55. Wanneer (het verzoek, het beroep tot nietigverklaring of het cassatieberoep) uitgaat van een magistraat van de rechterlijke orde wordt de taal waarin de zaak moet behandeld worden bepaald door het taalstatuut van deze magistraat, zoals het is geregeld bij artikel 43 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd bij artikel 174 van de wijzigingsbepalingen die voorkomen in artikel 3 van de wet van 10 oktober 1967.
  Betreft het magistraten wier diploma van vóór 1 januari 1938 gedagtekend is, dan wordt de zaak behandeld in de taal van de akte waarbij zij ingediend werd. <W 1999-05-25/44, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>

  Art. 56. Wanneer (het verzoek, het beroep tot nietigverklaring of het cassatieberoep) uitgaat van een officier van het actief leger of van een officier van het aanvullingskader der strijdkrachten, wordt de zaak behandeld in de taal waarvan de officier een grondige kennis bezit, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, gewijzigd bij de wet van 30 juli 1955. <W 1999-05-25/44, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>

  Art. 57. Wanneer (het verzoek, het beroep tot nietigverklaring of het cassatieberoep) uitgaat van een aspirant-officier, aspirant-onderofficier, hulpofficier of hulponderofficier van de luchtmacht, wordt de zaak behandeld in de taal van het diploma of het getuigschrift dat belanghebbende heeft overlegd met het oog op zijn aanvaarding als aspirant-hulpofficier of aspirant-hulponderofficier van de luchtmacht. <W 1999-05-25/44, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>

  Art. 58. Wanneer (het verzoek, het beroep tot nietigverklaring of het cassatieberoep) uitgaat van een reserveofficier der strijdkrachten, wordt de zaak behandeld in de taal waarin deze officier de opleidingscyclus heeft gevolgd die voorafging aan zijn benoeming tot de graad van reserveonderluitenant bij de strijdkrachten. <W 1999-05-25/44, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>

  Art. 59. Wanneer (het verzoek, het beroep tot nietverklaring of het cassatieberoep) uitgaat van een onderofficier van het actief kader der strijdkrachten, wordt de zaak behandeld in de taal waarvan de onderofficier de werkelijke kennis bezit, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet van 30 juli 1938, betreffende het gebruik der talen bij het leger. <W 1999-05-25/44, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>

  Art. 60. Ook wanneer (het verzoek, het beroep tot nietigverklaring of het cassatieberoep) uitgaat van een titularis van een der ambten als bedoeld in de artikelen 54 tot 59 en betrekking heeft op een beslissing tot regeling van de individuele rechtstoestand van een andere titularis van een gelijkaardig ambt, wordt het taalgebruik bij de behandeling van de zaak geregeld overeenkomstig de artikelen 54 tot 59, onverminderd evenwel het bepaalde in artikel 61, 4°. <W 1999-05-25/44, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>

  Art. 61. Naar de tweetalige kamer, bedoeld bij de artikelen 86 tot 89, worden verwezen :
  1° alle gedingen tussen partijen welke onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken en die een verschillend taalstelsel hebben;
  2° de verknochte zaken waarvan de behandeling in een verschillende taal moeten geschieden;
  3° de zaken bedoeld in de artikelen 54 tot 59, welke bij een collectief verzoekschrift ingediend werden en waarvoor de toepassing van de in die artikelen vermelde criteria het verplicht gebruik van een verschillende taal tot gevolg heeft;
  4° de zaken bedoeld in artikel 60, wanneer de titularis wiens rechtstoestand geregeld wordt, op regelmatige wijze in de zaak tussenkomt, waardoor de toepassing in zijnen hoofde van de in de artikelen 54 tot 59 vermelde criteria het verplicht gebruik van een andere taal dan die waarin de zaak met toepassing van artikel 60 zou moeten behandeld worden tot gevolg heeft.

  Art. 62. Wanneer de zaak naar de tweetalige kamer wordt verwezen, moeten de geschreven akten uitgaande van de organen van de Raad van State in het Nederlands en in het Frans gesteld zijn. De adviezen en arresten worden in die twee talen verleend.

  Art. 63.( (De) arresten uitgesproken bij toepassing van (de artikelen 11, [1 11bis,]1 12, 13, 14, 16, 1° tot 6°, 17 en 18) worden gesteld in de taal waarin de zaak behandeld werd, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. (De arresten worden vertaald in de gevallen bepaald door de Koning.) ) (W 16-06-1989, art. 17) <W 1996-08-04/60, art. 21, 006; Inwerkingtreding : 26-03-2001> <W 2005-02-17/62, art. 7, 016; Inwerkingtreding : 13-10-2005> <W 2006-09-15/71, art. 22, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  De adviezen en arresten worden bovendien in het Duits gesteld voor zaken betreffende een inwoner van de kantons Eupen, Malmédy, Sankt-Vith of van de gemeenten Membach, Gemmenich, Moresnet en Kalmis, die het gebruik van deze taal mocht hebben aangevraagd.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/64, art. 11, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  AFDELING II. - GEBRUIK VAN DE TALEN DOOR DE PARTIJEN DIE VOOR DE RAAD VAN STATE VERSCHIJNEN.

  Art. 64. De partijen die onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gebruiken voor hun akten en verklaringen de taal welke hun opgelegd is door die wetgeving in hun binnendiensten.
  Evenwel in de gevallen bedoeld bij de artikelen 60 en 61, 4°, gebruiken zij de taal opgelegd aan de organen van de Raad van State.

  Art. 65. Nietig is ieder verzoekschrift dat en iedere memorie die door een aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken onderworpen partij aan de Raad van State is gericht in een andere taal dan die haar bij die wetgeving is opgelegd.
  De nietigheid wordt ambtshalve uitgesproken.
  De nietige akte stuit echter de termijnen van de verjaring en van de procedure; deze termijnen lopen niet gedurende de instantie.

  Art. 66. De partijen die niet onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, mogen voor hun akten en verklaringen de taal gebruiken welke zij verkiezen.
  Zo nodig, en inzonderheid op verzoek van een der partijen, wordt beroep gedaan op een vertaler; de kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat.
  (In afwijking van het eerste lid, moet op straffe van niet-ontvankelijkheid de kandidaat-vluchteling het verzoekschrift en de overige procedurestukken indienen in de taal die is bepaald bij het indienen van de asielaanvraag overeenkomstig artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.) <W 2006-09-15/71, art. 23, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  HOOFDSTUK III. - (...) (W 28-06-1983, art. 107)

  Art. 67. (Opgeheven) (W 28-06-1983, art. 107)

  HOOFDSTUK IV. - GEBRUIK VAN DE TALEN IN DE DIENSTEN VAN DE RAAD VAN STATE.

  Art. 68. De administratieve werkzaamheden van de Raad van State en de organisatie van zijn diensten zijn onderworpen aan de bepalingen van de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, die gelden voor de diensten waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt.

  TITEL VII. - INRICHTING VAN DE RAAD VAN STATE.

  HOOFDSTUK I. - BEPALINGEN GEMEEN AAN DE (TWEE) AFDELINGEN. (W 28-06-1983, art. 107)

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen. <Opschrift ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 24; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 69. <W 1996-08-04/60, art. 22, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01> De Raad van State is samengesteld :
  (1°) (uit (vierenveertig) leden, zijnde een eerste voorzitter, een voorzitter, (veertien) kamervoorzitters en (achtentwintig) staatsraden); <W 2000-04-18/31, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 30-05-2000> <W 2003-01-14/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 02-02-2003> <W 2003-04-02/40, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 24-05-2003> <W 2006-09-15/71, art. 25, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (2° uit het auditoraat, samengesteld uit een auditeur-generaal, een adjunct-auditeur-generaal, veertien eerste auditeurs-afdelingshoofden, en vierenzestig eerste auditeurs, auditeurs of adjunct-auditeurs;
  3° uit het coördinatiebureau, samengesteld uit twee eerste referendarissen-afdelingshoofden en twee eerste referendarissen, referendarissen of adjunct-referendarissen;
  4° uit de griffie, samengesteld uit een hoofdgriffier en vijfentwintig griffiers, van wie een griffier-informaticus.) <W 2003-04-02/40, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 24-05-2003>

  Art. 70.§ 1. (De staatsraden worden door de Koning benoemd uit een uitdrukkelijk gemotiveerde lijst met drie namen, voorgedragen door de Raad van State, nadat hij de ontvankelijkheid van de kandidaturen heeft onderzocht en de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken.
  (De algemene vergadering van de Raad van State kan een selectieproef organiseren waarvan zij de modaliteiten bepaalt.) <W 2006-09-15/71, art. 26, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  De algemene vergadering van de Raad van State hoort de kandidaten ambtshalve of op hun verzoek. Zij kan daartoe ten minste drie van haar leden aanwijzen, die bij haar verslag uitbrengen over het horen van de kandidaten.
  De Raad van State deelt zijn voordracht alsook alle kandidaturen en de beoordeling hiervan door de Raad van State, tegelijkertijd mee aan de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat, en aan de minister die bevoegd is voor de Binnenlandse Zaken.
  De kandidaat die door de algemene vergadering van de Raad van State eenparig als eerste is voorgedragen, kan tot staatsraad worden benoemd, tenzij de minister die bevoegd is voor de Binnenlandse Zaken deze voordracht weigert omdat niet aan de in paragraaf 2 vastgestelde voorwaarden voldaan is, dan wel omdat hij meent dat het aantal leden benoemd uit het auditoraat ten aanzien van het aantal andere leden van de Raad van State te hoog wordt.
  Wanneer de minister de unanieme voordracht van de Raad van State aanneemt, brengt hij de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat ervan op de hoogte die, indien zij van oordeel zijn dat het aantal leden benoemd uit het auditoraat ten aanzien van het aantal andere leden van de Raad van State te hoog wordt, beurtelings, binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen vanaf de ontvangst van deze mededeling, de voordracht kunnen weigeren.
  Ingeval van weigering van de Minister of van de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat, doet de algemene vergadering van de Raad van State een nieuwe voordracht.
  Indien er geen eenparigheid van stemmen is bij een eerste of bij een nieuwe voordracht naar aanleiding van een weigering, kunnen de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat beurtelings, binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen vanaf de ontvangst van de mededeling van deze voordracht, hetzij de door de Raad van State voorgedragen lijst bevestigen, hetzij een tweede lijst met drie namen die uitdrukkelijk wordt gemotiveerd, voordragen.
  De Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat kan de kandidaten horen. (Onverminderd het bepaalde in het elfde lid, geschiedt de benoeming op basis van de lijst voorgedragen door de Raad van State indien de in dit lid gestelde termijn is verstreken.) <W 2006-09-15/71, art. 26, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Indien de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat een tweede lijst met drie namen voordraagt, kan de staatsraad enkel worden benoemd uit de personen die voorkomen op een van de twee voorgedragen lijsten.
  (De termijnen bepaald in het vijfde en het zevende lid, worden gestuit :
  - wanneer de federale wetgevende kamers zijn ontbonden conform artikel 46 van de Grondwet;
  - wanneer de parlementaire zitting is verdaagd conform artikel 45 van de Grondwet;
  - wanneer de parlementaire zitting is gesloten conform artikel 44, derde lid, van de Grondwet;
  - tijdens het parlementair reces zoals bepaald door Kamer en Senaat.
  De nieuwe termijnen gaan in op de dag na de benoeming van de vaste bureaus van de federale wetgevende kamers.) <W 1999-03-22/48, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 11-05-1999>
  De minister die bevoegd is voor de Binnenlandse Zaken maakt, op initiatief van de Raad van State, de vacante betrekkingen bekend in het Belgisch Staatsblad.
  (In de bekendmaking worden het aantal vacante betrekkingen vermeld, de benoemingsvoorwaarden, de termijn voor het indienen van de kandidaturen, die ten minste een maand bedraagt, en de overheid waaraan deze moeten worden gezonden.) <W 1997-09-08/43, art. 3, 1°, 008; Inwerkingtreding : 26-10-1997>
  (Iedere voordracht wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt; de benoeming mag niet vroeger dan vijftien dagen na die bekendmaking geschieden.) (W 17-10-1990, art. 7)
  § 2. (Niemand kan tot staatsraad worden benoemd tenzij hij volle zevenendertig jaar oud en (doctor, licentiaat of master in de rechten) is, een nuttige juridische beroepservaring van ten minste tien jaar kan doen gelden en aan een van de volgende voorwaarden voldoet : <W 2006-09-15/71, art. 26, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  1° geslaagd zijn voor het vergelijkend examen van adjunct-auditeur en adjunct-referendaris bij de Raad van State, het vergelijkend examen van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1, [2 het vergelijkend examen van referendaris bij het Hof van Cassatie,]2 of het examen inzake beroepsbekwaamheid bedoeld in artikel 259bis van het Gerechtelijk Wetboek;
  2° een administratieve functie [2 met minstens klasse A4]2 of een gelijkwaardige rang uitoefenen bij een Belgische overheidsdienst of bij een Belgische overheidsinstelling;
  3° met goed gevolg een proefschrift tot het verkrijgen van het doctoraat in de rechtsgeleerdheid hebben verdedigd of geaggregeerde zijn voor het hoger onderwijs in de rechten;
  4° in België een ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van werkend rechter uitoefenen (dan wel lid is van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bedoeld in artikel 39/1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;) <W 2006-09-15/71, art. 26, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  5° houder zijn van een leeropdracht rechtswetenschappen aan een Belgische universiteit;) <W 1997-09-08/43, art. 3, 2°, 008; Inwerkingtreding : 26-10-1997>
  [2 6° gedurende minstens twintig jaar als voornaamste beroepsactiviteit het beroep van advocaat uitgeoefend hebben of gedurende minstens twintig jaar een functie hebben uitgeoefend waarvan de uitoefening een goede kennis van het recht vereist, waaronder minstens vijftien jaar als advocaat. De eis van relevante beroepservaring als bedoeld in het eerste lid is voldaan door naleving van deze voorwaarde.]2
  [2 ...]2
  (Lid 2 opgeheven) <W 1994-03-24/42, art. 4, 2°, 002; Inwerkingtreding : 27-05-1994>
  De staatsraden [2 van elke taalrol]2 worden, voor ten minste de helft van hun aantal, benoemd uit de leden van het auditoraat en van het coördinatiebureau.
  § 3. (opgeheven) <W 2006-09-15/71, art. 26, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  § 4. (De staatsraden worden voor het leven benoemd. De eerste voorzitter, de voorzitter en de kamervoorzitters worden in deze functies aangewezen uit de staatsraden onder de voorwaarden en op de wijze bij deze wetten bepaald.) <W 2006-09-15/71, art. 26, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  ----------
  (1)<W 2010-02-21/02, art. 13, 023; Inwerkingtreding : 08-03-2010>
  (2)<W 2014-01-20/13, art. 14, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 71. § 1. (De adjunct-auditeurs en de adjunct-referendarissen worden door de Koning benoemd uit een lijst vermeldende hun rangschikking in een vergelijkend examen waarvan de Raad van State de voorwaarden bepaalt. De jury belast met het onderzoek van de kandidaten bestaat uit twee leden van de Raad van State, de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal en een door hem aangewezen eerste auditeur, alsmede een buiten de instelling staande persoon. De leden van de Raad van State en de buiten de instelling staande persoon worden aangewezen door de algemene vergadering van de Raad van State. De leden van het auditoraat worden aangewezen door de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, naargelang het geval. De examenuitslag blijft drie jaar geldig.
  Om te worden toegelaten tot het examen bedoeld in het eerste lid, moet de kandidaat voor het vergelijkend examen ten volle 27 jaar oud zijn, moet hij doctor, licentiaat of master in de rechten zijn en moet hij na het verkrijgen van het diploma drie jaar nuttige juridische beroepservaring hebben opgedaan. In geval van betwisting beslist de examencommissie over de toelaatbaarheid tot het examen.) <W 2006-09-15/71, art. 27, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (Voor de toepassing van het vorige lid wordt het ambt van referendaris bij het Hof van Cassatie gelijkgesteld met de ambten waarvan de uitoefening een nuttige juridische beroepservaring oplevert in de zin van dat lid.) <W 1997-05-06/38, art. 32, 007; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
  (Iedere adjunct-auditeur, auditeur of eerste auditeur kan, bij iedere voor hem nuttige vacature, op zijn verzoek en bij voorrang op advies van de eerste voorzitter en van de auditeur-generaal, respectievelijk tot adjunct-referendaris, referendaris of eerste referendaris worden benoemd. Iedere adjunct-referendaris, referendaris of eerste referendaris kan in dezelfde voorwaarden respectievelijk tot adjunct-auditeur, auditeur of eerste auditeur worden benoemd.) <W 1999-05-25/44, art. 15, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>
  (Iedere eerste auditeur-afdelingshoofd kan, bij iedere voor hem nuttige vacature, op zijn verzoek en op eensluidend advies van de eerste voorzitter tot eerste referendaris-afdelingshoofd worden benoemd. Iedere eerste referendaris-afdelingshoofd kan op zijn verzoek en op eensluidend advies van de auditeur-generaal tot eerste auditeur-afdelingshoofd worden benoemd.) <W 1999-05-25/44, art. 15, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>
  § 2. Tot auditeur of referendaris worden onderscheidenlijk door de Koning benoemd :
  a) op eensluidend advies (...) van de auditeur-generaal, (of de adunct-auditeur-generaal naargelang het geval,) de adjunct-auditeurs die ten minste twee jaar dienst tellen; <W 1996-08-04/60, art. 23, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01> <W 2006-09-15/71, art. 27, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  b) op eensluidend advies van de eerste voorzitter, (of de voorzitter naargelang het geval,) de adjunct-referendarissen die ten minste twee jaar dienst tellen. <W 2006-09-15/71, art. 27, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (Indien het advies van de eerste voorzitter (of de voorzitter naargelang het geval) of van de auditeur-generaal niet gunstig is, wordt het in het eerste lid bedoelde advies door de algemene vergadering uitgebracht op het einde van het derde dienstjaar en kan het zo nodig om de twee jaar herhaald worden. <W 2006-09-15/71, art. 27, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Indien de algemene vergadering drie negatieve adviezen heeft uitgebracht is een benoeming tot auditeur of referendaris niet meer mogelijk.) (W 17-10-1990, art. 8)
  § 3. (Tot eerste auditeur of eerste referendaris (kunnen onderscheidenlijk door de Koning worden benoemd) : <W 2006-09-15/71, art. 27, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  a) de auditeurs die (elf) jaar dienst tellen als auditeur, adjunct-auditeur, referendaris of adjunct-referendaris; <W 1999-05-25/44, art. 15, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>
  b) de referendarissen die (elf) jaar dienst tellen als auditeur, adjunct-auditeur, referendaris of adjunct-referendaris.) (W 17-10-1990, art. 8) <W 1999-05-25/44, art. 15, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>
  (De in het eerste lid bedoelde benoeming geschiedt op éénsluidend advies van de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, respectievelijk de korpschef die de afdeling wetgeving en het Coördinatiebureau onder zijn verantwoordelijkheid heeft.
  Kan niet worden benoemd, de auditeur of de referendaris die bij de laatste periodieke beoordeling voorafgaand aan het in het tweede lid bedoelde advies als definitieve eindbeoordeling "onvoldoende" heeft.) <W 2006-09-15/71, art. 27, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  § 3bis. (opgeheven) <W 2006-09-15/71, art. 27, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  § 3ter. (opgeheven) <W 2006-09-15/71, art. 27, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  § 4. (opgeheven) <W 2006-09-15/71, art. 27, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  § 5. De auditeur-generaal (en de adjunct-auditeur-generaal kunnen) door de Koning worden geschorst en onslagen, de Raad van State gehoord. <W 2006-09-15/71, art. 27, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  De andere leden van het auditoraat en de leden van het coördinatiebureau kunnen op voorstel van onderscheidenlijk de auditeur-generaal (of de adjunct-auditeur-generaal naargelang het geval) of de eerste voorzitter (of de voorzitter naargelang het geval), door de Koning worden geschorst en ontslagen, de Raad van State gehoord. <W 2006-09-15/71, art. 27, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <W 2006-09-15/71, art. 27, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 72.§ 1. [1 De griffiers worden door de Koning benoemd uit een lijst die hun plaats vermeldt in de rangschikking voor een vergelijkend examen waarvan de algemene vergadering van de Raad van State de voorwaarden bepaalt. De jury belast met het onderzoek van de kandidaten bestaat uit twee leden van de Raad van State, een lid van het auditoraat en de hoofdgriffier of de door hem aangewezen persoon alsmede een buiten de instelling staande persoon. De leden van de Raad van State en de buiten de instelling staande persoon worden aangewezen door de algemene vergadering van de Raad van State. Het lid van het auditoraat wordt aangewezen door de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, naargelang de taalrol van de kandidaat. De uitslag van het vergelijkend examen blijft drie jaar geldig.]1
  (Niemand kan tot griffier worden benoemd tenzij hij :
  1° ten volle 25 jaar oud is;
  2° (houder is van minimum een graad van niveau [1 B of 2+]1 ;) <W 1999-05-25/44, art. 16, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>
  3° gedurende ten minste vijf jaar lid van het administratief personeel van de Raad van State is geweest (of lid van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bedoeld in artikel 39/4, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen). <W 2006-09-15/71, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  In afwijking van de in het vorige lid, 3°, bepaalde voorwaarden, kan de griffier die overeenkomstig artikel 73, § 3, het bewijs moet leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal, worden benoemd indien hij :
  1° gedurende ten minste vijf jaar functies gelijk aan of hoger dan die van klerk-griffier in een rechtbank van de rechterlijke orde heeft uitgeoefend;
  2° het bewijs kan leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal.) (W 17-10-1989, art. 9)
  (In afwijking van de voorwaarde bepaald in het tweede lid, 3°, kunnen de houders van een diploma van doctor of van licentiaat in de rechten tot griffier worden benoemd indien zij gedurende ten minste één jaar in functie zijn geweest als lid van het administratief personeel van de Raad van State (of benoemd als lid van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bedoeld in artikel 39/4, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen).) <W 1996-08-04/60, art. 24, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01> <W 2006-09-15/71, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  § 2. (opgeheven) <W 2006-09-15/71, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  § 3. (opgeheven) <W 2006-09-15/71, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  § 4. De leden van de griffie kunnen door de Koning worden geschorst en ontslagen, de Raad van State gehoord.
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 15, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 73.§ 1. De voorzitter moet door zijn diploma het bewijs leveren dat hij het examen van doctor in de rechten heeft afgelegd in de andere taal, Nederlands of Frans, dan die van de eerste voorzitter.
  (De adjunct-auditeur-generaal moet door zijn diploma het bewijs leveren dat hij het examen van doctor of licentiaat in de rechten heeft afgelegd in de andere taal, Nederlands of Frans, dan die van de auditeur-generaal.) <W 1996-08-04/60, art. 25, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01>
  (De helft van de Kamervoorzitters, de helft van de Staatsraden, de helft van de eerste auditeurs-afdelingshoofden, de helft van de eerste auditeurs, auditeurs en adjunct-auditeurs samen, de helft van de eerste referendarissen-afdelingshoofden, de helft van de eerste referendarissen, referendarissen en adjunct-referendarissen samen, moeten door hun diploma het bewijs leveren dat zij het examen van doctor of licentiaat in de rechten in het Nederlands hebben afgelegd; de andere helft van elke groep ambtsdragers, dat zij het in het Frans hebben afgelegd.) De helft van de griffiers moet worden benoemd uit de leden van het administratief personeel van de Nederlandse taalrol, de andere helft uit de leden van het administratief personeel van de Franse taalrol. <W 1999-05-25/44, art. 17, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>
  Is er in één van de in het derde lid bedoelde groepen een oneven aantal betrekkingen, dan wordt één ambtsdrager van die groep niet meegerekend voor de toepassing van deze bepaling.
  § 2. Een van beide voorzitters moet het bewijs leveren van de kennis van de andere taal, Nederlands of Frans, dan die waarin zijn diploma is gesteld.
  (Ten minste zes leden van de Raad van State, ten minste acht leden van het auditoraat, ten minste één lid van het coördinatiebureau, de hoofdgriffier en ten minste twee griffiers dienen het bewijs te leveren van de kennis van de andere taal dan die waarin hun diploma is gesteld.) (W 17-10-1990, art. 10)
  Bij het opleggen van de kennis van de andere taal dan die waarin het diploma is gesteld moet een billijk evenwicht worden in acht genomen tussen de titularissen van beide taalgroepen.
  Het bewijs van de kennis van die taal wordt geleverd overeenkomstig artikel 55 van de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gecoördineerd op 31 december 1949.
  Ambtsdragers en leden van het administratief personeel van de Raad van State (alsook de beheerder) kunnen dat bewijs ook leveren door te slagen voor een bijzonder examen. Dat examen wordt afgelegd voor een commissie die door een lid van de Raad van State wordt voorgezeten en voor het overige samengesteld is zoals bepaald in genoemd artikel 55. De Koning regelt de organisatie van het examen en bepaalt de examenstof met inachtneming van de eigen behoeften van de werkzaamheden van de Raad van State. <W 1996-08-04/60, art. 25, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01>
  § 3. (Een lid van de Raad van State [1 , twee auditeurs]1 en een lid van de griffie moeten bovendien het bewijs leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal. Een koninklijk besluit bepaalt de wijze waarop het bewijs van de voldoende kennis van de Duitse taal moet worden geleverd.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 16, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 73/1. <Ingevoed bij W 2006-09-15/71, art. 29; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De eerste voorzitter bepaalt, in overleg met de voorzitter, of hij de afdeling wetgeving en het Coördinatiebureau dan wel de (afdeling bestuursrechtspraak) tot zijn verantwoordelijkheid neemt, derwijze dat een korpschef die het bewijs levert van het Nederlands en het Frans, steeds de afdeling wetgeving tot zijn verantwoordelijkheid heeft. De andere houder van het mandaat van korpschef heeft dan de verantwoordelijkheid over de andere afdeling. De beide korpschefs plegen met elkaar overleg indien de uitoefening van hun onderscheiden bevoegdheden terzake een weerslag hebben op elkaars bevoegdheden. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De aanwijzing van de leden van het administratief personeel en de verdeling van de ter beschikking staande middelen geschiedt door de eerste voorzitter volgens zijn beleidsplan, in nauw overleg met de voorzitter en de korpschefs van het Auditoraat.
  De eerste voorzitter laat aan de Minister van Binnenlandse Zaken de met toepassing van deze bepaling bepaalde taakverdeling kennen.

  Art. 74. De eerste voorzitter en de auditeur-generaal leggen, in persoon of schriftelijk, in handen van de Koning de eed af die voorgeschreven is bij het decreet van 20 juli 1831.
  (Leggen die eed af in handen van de eerste voorzitter :
  de voorzitter, de Kamervoorzitters, de Staatsraden, de eerste referendarissen-afdelingshoofden, de eerste referendarissen, de referendarissen en de adjunct-referendarissen, de hoofdgriffier en de griffiers.) <W 1999-05-25/44, art. 18, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>
  (Leggen die eed af in handen van de auditeur-generaal :
  de adjunct-auditeur-generaal, de eerste auditeurs-afdelingshoofden, de eerste auditeurs, de auditeurs en de adjunct-auditeurs.) <W 1999-05-25/44, art. 18, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>
  Zij zijn tot de eedaflegging gehouden binnen de maand ingaande de dag waarop hun benoeming hun is bekendgemaakt, anders kan in hun vervanging worden voorzien.

  Afdeling 2. - De aanwijzing en uitoefening van mandaten. <Opschrift ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 30; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Onderafdeling 1. - De mandaten. <Opschrift ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 30; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 74/1. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 30; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De mandaten bij de Raad van State omvatten de mandaten van korpschef en de adjunct-mandaten.
  Oefenen het mandaat uit van korpschef, de titularissen van de mandaten van eerste voorzitter, van voorzitter, van auditeur-generaal en van adjunct-auditeur-generaal.
  Oefenen het adjunct-mandaat uit, de titularissen van de mandaten van kamervoorzitter, van eerste auditeur-afdelingshoofd, van eerste referendaris-afdelingshoofd en van hoofdgriffier.

  Art. 74/2.<Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 30; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. Om tot eerste voorzitter of voorzitter te worden aangewezen, moet de kandidaat ten minste elf jaar benoemd zijn als ambtsdrager in de zin van artikel 69, 1° tot 3°, waarvan minstens vijf jaar als staatsraad.
  Op het ogenblik dat het mandaat van korpschef daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 104. Deze leeftijdsgrens geldt niet in het geval van een hernieuwing van het mandaat van korpschef.
  § 2. Niemand kan tot auditeur-generaal worden aangewezen, tenzij hij adjunct-auditeur-generaal, eerste auditeur-afdelingshoofd of eerste auditeur is.
  Niemand kan tot adjunct-auditeur-generaal worden aangewezen, tenzij hij eerste auditeur-afdelingshoofd of eerste auditeur is.
  Op het ogenblik dat het mandaat van korpschef daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 104. Deze leeftijdsgrens geldt niet in het geval van een hernieuwing van het mandaat van korpschef.
  § 3. Om tot kamervoorzitter te worden aangewezen, moet de kandidaat ten minste drie jaar benoemd zijn als staatsraad.
  Op het ogenblik dat het adjunct-mandaat daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste drie jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 104. Deze leeftijdsgrens geldt niet in het geval van een hernieuwing van het adjunct-mandaat.
  § 4. Onverminderd de toepassing van artikel 71, § 1, vijfde lid, worden de eerste auditeur-afdelingshoofden en de eerste referendaris-afdelingshoofden aangewezen onder de eerste auditeurs en eerste referendarissen.
  Op het ogenblik dat het adjunct-mandaat daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste drie jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 104. Deze leeftijdsgrens geldt niet in het geval van een hernieuwing van het adjunct-mandaat.
  § 5. Om tot hoofdgriffier te worden aangewezen moet de kandidaat :
  1° volle dertig jaar oud zijn;
  2° geslaagd zijn voor één van de volgende examens :
  a) het vergelijkend examen van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1;
  b) het vergelijkend examen van referendaris bij het Hof van Cassatie;
  c) het vergelijkend examen van adjunct-auditeur of adjunct-referendaris bij de Raad van State;
  d) het bij artikel 259bis van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid;
  e) het vergelijkend toelatingsexamen voor de gerechtelijke stage bedoeld in artikel 259quater van het Gerechtelijk Wetboek;
  f) het examen voor de wervingsgraad van niveau [2 A of 1]2 , kwalificatie "jurist" voor de besturen van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en voor de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen evenals voor de diensten van het [1 Grondwettelijk Hof]1 en de diensten van de Raad van State;
  g) het examen voor de wervingsgraad van attaché, kwalificatie "jurist" voor de Wetgevende Kamers en de gemeenschaps- en gewestparlementen;
  3° een nuttige ervaring van ten minste drie jaar hebben.
  Op het ogenblik dat het adjunct-mandaat daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste drie jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 104. Deze leeftijdsgrens geldt niet in het geval van een hernieuwing van het adjunct-mandaat.
  ----------
  (1)<W 2010-02-21/02, art. 14, 023; Inwerkingtreding : 08-03-2010>
  (2)<W 2014-01-20/13, art. 17, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Onderafdeling II. Procedure van aanwijzing van mandaten. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 30; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 74/3.<Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 30; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. De titularissen van de mandaten van korpschef worden door de Koning aangewezen voor een mandaat van vijf jaar dat eenmaal kan worden hernieuwd.
  Na het verstrijken van elke periode van tien jaar wordt het ambt van korpschef van rechtswege vacant verklaard. Op straffe van onontvankelijkheid kunnen uitsluitend hun kandidatuur indienen, de ambtsdragers die door hun diploma het bewijs leveren dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten hebben afgelegd in de andere taal, Nederlands of het Frans, dan die van de vorige zittende korpschef. De zittende korpschef kan meedingen voor het vacant verklaarde ambt van zijn taalrol.
  De eerste voorzitter en voorzitter nemen hun mandaat op dezelfde dag op. De in het tweede lid bedoelde periode van tien jaar gaat voor die mandaten op die dag in. Dezelfde regel is van toepassing op de mandaten van auditeur-generaal en adjunct-auditeur-generaal.
  § 2. Bij hun kandidaatstelling voegen de kandidaten een beleidsplan. De Koning kan het voorwerp van dit beleidsplan bepalen.
  De algemene vergadering van de Raad van State hoort de kandidaten [1 voor de functies van eerste voorzitter en voorzitter]1 ambtshalve.
  [1 De korpsvergadering van het auditoraat hoort de kandidaten voor de functies van auditeur-generaal en adjunct-auditeur-generaal ambtshalve. Voor de toepassing van dit artikel, is de korpsvergadering samengesteld uit het geheel der leden van het auditoraat, met uitzondering van de adjunct-auditeurs. De eerste voorzitter en de voorzitter van de Raad van State nemen eraan deel met raadgevende stem.]1
  [1 De algemene vergadering van de Raad van State of de korpsvergadering van het auditoraat, doet, elk voor wat haar betreft,]1 , na de ontvankelijkheid van de kandidaturen te hebben onderzocht en de respectievelijke aanspraken en verdiensten van de kandidaten te hebben vergeleken, een uitdrukkelijk gemotiveerde voordracht van één kandidaat voor het vacante mandaat van korpschef. Zij deelt deze gemotiveerde voordracht, alsook alle kandidaturen en hun beoordeling mee aan de Minister van Binnenlandse Zaken.
  De kandidaat die door de algemene vergadering van de Raad van State [1 of de korpsvergadering van het auditoraat]1 wordt voorgedragen, kan door de Koning als korpschef worden aangewezen. De Koning neemt een beslissing binnen de twee maanden na ontvangst van de voordracht. In geval van weigering beschikt de algemene vergadering van de Raad van State [1 of de korpsvergadering van het auditoraat]1 vanaf de ontvangst van deze beslissing over een termijn van vijftien dagen om een nieuwe voordracht te doen overeenkomstig de hiervoor bepaalde regels.
  Volgt een tweede weigeringsbeslissing van de Koning binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van deze nieuwe voordracht, dan wordt gehandeld overeenkomstig het vierde lid, tenzij een zelfde kandidaat werd voorgedragen. In dit laatste geval dient [1 de algemene vergadering van de Raad van State of de korpsvergadering van het auditoraat]1 een andere kandidaat voor te stellen dan wel te beslissen de benoemingsprocedure van voren af aan te herbeginnen.
  § 3. Tussen de derde en de tweede maand voor het beëindigen van het mandaat van korpschef kan de korpschef de algemene vergadering [1 van de Raad van State of de korpsvergadering van het auditoraat]1 om een hernieuwing verzoeken van het mandaat. Hij voegt bij dit verzoek zijn beleidsplan alsook een rapport omtrent de uitoefening van het voorbije mandaat.
  De algemene vergadering van de Raad van State [1 of de korpsvergadering van het auditoraat]1beoordeelt het verzoek tot hernieuwing en beslist of het mandaat wordt hernieuwd. De beslissing tot niet-hernieuwing houdt van rechtswege de vacantverklaring van het mandaat in.
  [1 ...]1
  Bij niet-hernieuwing van het mandaat van korpschef neemt de betrokkene bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt of het mandaat weer op waarin hij het laatst werd benoemd of aangewezen. In voorkomend geval geschiedt dit in overtal. Indien betrokkene niet is benoemd in het terug opgenomen mandaat, dan geldt deze heropneming als een aanwijzing voor de gehele termijn waarvoor het mandaat is verleend.
  Het mandaat van korpschef dat niet wordt hernieuwd of dat met toepassing van § 1, tweede lid van rechtswege vacant wordt verklaard, wordt evenwel slechts beëindigd op het ogenblik dat de nieuwe korpschef het mandaat opneemt, zonder dat deze termijn meer dan negen maanden mag bedragen te rekenen vanaf de betekening van de beslissing tot niet hernieuwing dan wel vanaf de datum van de vacantverklaring.
  Indien de mandaathouder tweemaal opeenvolgend het zelfde mandaat van korpschef heeft uitgeoefend, geniet hij gedurende de twee jaren volgend op de beëindiging van de tweede mandaattermijn de overeenkomstige wedde van korpschef met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen, tenzij hij een mandaat van korpschef opneemt waaraan een hogere wedde is verbonden.
  § 4. De mandaathouder kan zijn mandaat van korpschef voortijdig ter beschikking stellen bij ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken.
  Het mandaat van korpschef wordt evenwel slechts beëindigd op het ogenblik dat de nieuwe korpschef het mandaat opneemt, zonder dat deze termijn meer dan negen maanden mag bedragen te rekenen vanaf de ontvangst van de terbeschikkingstelling. Deze termijn kan door de Koning, op gemotiveerd verzoek van betrokkene, worden ingekort.
  De bepalingen van § 3, derde lid, zijn van toepassing op de korpschef die zijn mandaat van korpschef voortijdig ter beschikking stelt.
  De mandaathouder die zijn mandaat van korpschef voortijdig ter beschikking stelt kan zich gedurende een termijn van twee jaar nadat hij zijn mandaat effectief neerlegde, niet opnieuw kandidaat stellen voor een mandaat van korpschef. Voor de toepassing van deze bepaling wordt niet beschouwd als een voortijdige ter beschikkingstelling van het mandaat van korpschef, de korpschef die aangewezen wordt voor een ander mandaat van korpschef.
  § 5. Indien het mandaat van korpschef openvalt vóór het verstrijken van de in § 1, tweede lid bepaalde termijn, dan kunnen, op straffe van onontvankelijkheid, uitsluitend diegenen die dezelfde taalrol hebben als de korpschef wiens mandaat van korpschef voortijdig een einde nam, hun kandidatuur indienen.
  De duur van het mandaat van korpschef van diegene die met toepassing van het eerste lid tot korpschef wordt aangewezen, is in afwijking van § 1, eerste lid beperkt tot de nog resterende duur van het mandaat dat voortijdig een einde nam.
  Indien op het ogenblik van het daadwerkelijk openvallen van het mandaat van eerste voorzitter of auditeur-generaal men nog minder dan een jaar is verwijderd van het einde van de in § 1, tweede lid bepaalde periode, dan vervangt de voorzitter of de adjunct-auditeur-generaal voor de nog resterende termijn van het lopende mandaat de eerste voorzitter of auditeur-generaal in de uitoefening van het mandaat.
  Heeft het in het vorig lid bedoelde daadwerkelijk openvallen van het mandaat betrekking op dat van voorzitter of adjunct-auditeur-generaal, dan wordt deze vervangen door de kamervoorzitter of de eerste auditeur-afdelingshoofd naar orde van dienstanciënniteit van dezelfde taalrol.
  De in het derde en vierde lid bedoelde vervanging neemt van rechtswege een einde bij het aanwijzen van een nieuwe mandaathouder.
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 18, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 74/4.<Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 30; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. De titularissen van een adjunct-mandaat worden aangewezen als volgt :
  1° de kamervoorzitters worden aangewezen door de algemene vergadering uit haar leden;
  2° de eerste auditeurs-afdelingshoofden worden aangewezen door de Koning, op eensluidend advies van de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, al naargelang het geval;
  3° de eerste referendarissen-afdelingshoofden worden aangewezen door de Koning, op eensluidend advies van de eerste voorzitter of de voorzitter, indien deze de afdeling wetgeving onder zijn verantwoordelijkheid heeft.
  4° de hoofdgriffier wordt aangewezen door de Koning, op advies van de eerste voorzitter en voorzitter.
  § 2. [1 De aanwijzingen in de adjunct-mandaten gebeuren voor een termijn van drie jaar die van rechtswege wordt verlengd behalve in geval van een evaluatie onvoldoende. Na negen jaar ambtsvervulling worden de betrokken mandaathouders van rechtswege vast aangewezen in dat mandaat behalve in geval van een evaluatie onvoldoende.]1
  Wordt toepassing gemaakt van artikel 71, § 1, vijfde lid, dan is in afwijking van het eerste lid, de duur van het adjunct-mandaat beperkt tot de nog resterende duur van het aangevatte mandaat.
  § 3. Bij niet-hernieuwing van het adjunct-mandaat neemt de betrokkene bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt weer op waarin hij het laatst werd benoemd. In voorkomend geval geschiedt dit in overtal.
  Indien voor het mandaat van hoofdgriffier geen ambtsdrager werd aangewezen, dan wordt bij niet hernieuwing de betrokkene benoemd, in voorkomend geval in overtal, als griffier zonder dat artikel 72, § 1, van toepassing is.
  § 4. De mandaathouder kan zijn mandaat voortijdig ter beschikking stellen bij ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Het mandaat wordt evenwel slechts beëindigd na negen maanden te rekenen vanaf de ontvangst van de terbeschikkingstelling. Deze termijn kan door de Koning, op gemotiveerd verzoek van betrokkene worden ingekort.
  De bepalingen van § 3 zijn van toepassing op de ambtsdrager die zijn mandaat voortijdig ter beschikking stelt en geen ander mandaat opneemt.
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 19, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 74/5. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 30; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De uitoefening van een mandaat van korpschef is onverenigbaar met de uitoefening van een adjunct-mandaat.
  Indien de houder van een adjunct-mandaat in de loop van zijn mandaat een mandaat van korpschef opneemt, dan valt diens adjunct-mandaat daadwerkelijk open op de dag waarop het mandaat van korpschef wordt opgenomen.

  Onderafdeling III. - Over de uitoefening van het mandaat. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 30; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 74/6.
  <Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38,2°, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Afdeling 3. - De evaluatie van de leden van de Raad, het Auditoraat en het Coördinatiebureau. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 31; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Onderafdeling I. - Algemene bepalingen. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 31; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 74/7.[1 § 1. Met uitzondering van de korpsoversten zijn de leden van de Raad, van het auditoraat, van het coördinatiebureau, de hoofdgriffier en de griffiers onderworpen aan een periodieke evaluatie die om de drie jaar plaatsvindt.
   Deze evaluatie wordt opgemaakt in de loop van de laatste vier maanden van de evaluatieperiode.
   Deze evaluatie is gebaseerd op criteria met betrekking tot de persoonlijkheid en de organisatorische en professionele vaardigheden van de ambtsdrager, met inbegrip van de kwaliteit van de geleverde diensten en het op peil houden van de kennis inzake de behandelde materies, zonder afbreuk te doen aan zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid.
   De Koning bepaalt, na advies van het college van de korpschefs gegeven na alle houders van een adjunct-mandaat te hebben gehoord, de evaluatiecriteria, waarbij rekening wordt gehouden met de specificiteit van functies en mandaten, en bepaalt hoe deze bepalingen dienen te worden toegepast.
   § 2. Tijdens de evaluatieperiode vinden minstens eenmaal per jaar functioneringsgesprekken plaats. Deze gesprekken geven aanleiding tot het formuleren van conclusies vervat in een bondig verslag.
   De functioneringsgesprekken vinden plaats tussen de betrokkene en de kamervoorzitter indien het een lid van zijn kamer betreft, of het afdelingshoofd indien het een lid van zijn afdeling betreft. Indien het een griffier betreft, vindt het functioneringsgesprek plaats tussen de betrokkene en de hoofdgriffier.
   Indien het functioneringsgesprek een kamervoorzitter betreft, wordt het gehouden tussen de betrokkene en de eerste voorzitter of de voorzitter die de betrokken kamer onder zijn verantwoordelijkheid heeft. Indien deze niet tot dezelfde taalrol behoort als de betrokken kamervoorzitter en niet wettelijk tweetalig is, wordt hij bijgestaan door een tweetalige kamervoorzitter van de taalrol van de betrokkene. Indien het een eerste auditeur-afdelingshoofd betreft, wordt het functioneringsgesprek gehouden tussen de betrokkene en de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal. Indien het een eerste referendaris-afdelingshoofd of de hoofdgriffier betreft, wordt het gehouden tussen de betrokkene en de eerste voorzitter. Indien deze niet tot dezelfde taalrol behoort als de eerste referendaris-afdelingshoofd of de hoofdgriffier en niet wettelijk tweetalig is, dan wordt het functioneringsgesprek gehouden tussen de betrokkene en de voorzitter.
   § 3. Elke ambtsdrager, met uitzondering van de korpsoversten, maakt op het einde van de evaluatieperiode een activiteitenverslag op dat hij aan zijn evaluator bezorgt. Daarin geeft hij aan welke werkzaamheden hij gedurende de evaluatieperiode heeft gepresteerd voor de Raad van State en op welke wijze hij rekening gehouden heeft met de besluiten die tijdens de functioneringsgesprekken werden geformuleerd.
   De evaluatie steunt op het activiteitenverslag en de gespreksverslagen.
   § 4. De evaluatoren zijn dezelfde als die in de aanwezigheid van wie de functioneringsgesprekken plaatsvinden.
   De evaluatie leidt tot de vermelding, "goed", "te ontwikkelen" of "onvoldoende". De vermelding "onvoldoende" kan enkel worden toegekend wegens kennelijk ondermaats functioneren.
   § 5. De evaluator stelt een ontwerp van evaluatie op dat reeds een voorstel voor een vermelding "te ontwikkelen" of "onvoldoende" kan bevatten.
   Het ontwerp wordt minstens tien dagen voor het evaluatiegesprek tegen gedagtekende ontvangstmelding ter kennis gebracht van de geëvalueerde. Op basis van dit gesprek stelt de evaluator een definitieve evaluatie op, behalve indien hij van mening is dat de geëvalueerde de vermelding "te ontwikkelen" of "onvoldoende" verdient. In dat geval is de evaluatie slechts voorlopig.
   In geval van voorlopige evaluatie bezorgt de eerste voorzitter of de auditeur-generaal naargelang het een lid van de Raad, van het coördinatiebureau of van de griffie betreft enerzijds, of van het auditoraat anderzijds, aan de betrokkene een kopie van de voorlopige evaluatie, tegen gedagtekend ontvangstbewijs of per aangetekende brief met ontvangstbewijs.
   De betrokkene kan, op straffe van verval, binnen een termijn van tien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige evaluatie, zijn schriftelijke opmerkingen bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij aangetekende brief met ontvangstbewijs bezorgen aan respectievelijk de eerste voorzitter of de auditeur-generaal, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt en er een afschrift van bezorgt aan de evaluator. Deze evaluator stelt binnen dertig dagen na ontvangst van het afschrift van deze opmerkingen een definitieve schriftelijke evaluatie op waarin hij deze opmerkingen beantwoordt. Binnen tien dagen na de ontvangst van de definitieve evaluatie zendt de korpschef een afschrift ervan bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de betrokkene.
   § 6. De betrokkene die een vermelding "onvoldoende" heeft gekregen en die toepassing heeft gemaakt van paragraaf 5, vierde lid, kan, op straffe van verval, binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de definitieve evaluatie, beroep tegen de definitieve evaluatie instellen bij :
   1° een beoordelingscommissie bestaande uit de eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang het geval, en twee kamervoorzitters van dezelfde taalrol als de betrokkene die in eerste aanleg geen evaluatie hebben uitgebracht, indien het gaat om leden van de Raad, het coördinatiebureau of de griffie;
   2° een beoordelingscommissie bestaande uit de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, naargelang het geval, en twee eerste-auditeurs-afdelingshoofden van dezelfde taalrol als de betrokkene die in eerste aanleg geen evaluatie hebben uitgebracht, indien het gaat om leden van het auditoraat;
   3° een beoordelingscommissie bestaande uit de eerste voorzitter of de voorzitter die niet is opgetreden bij de evaluatie en uit twee kamervoorzitters die behoren tot dezelfde taalrol als de betrokkene indien deze een kamervoorzitter is of een eerste referendaris-afdelingshoofd;
   4° een beoordelingscommissie bestaande uit de eerste voorzitter of de voorzitter die niet is opgetreden bij de evaluatie en uit twee tweetalige kamervoorzitters die behoren tot een verschillende taalrol, indien de betrokkene de hoofdgriffier is;
   5° een beoordelingscommissie bestaande uit de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal die niet is opgetreden bij de evaluatie en uit twee andere eerste auditeurs-afdelings-hoofden die behoren tot dezelfde taalrol als de betrokkene, indien deze een eerste auditeur-afdelingshoofd is.
   Het beroep wordt tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij aangetekende brief met ontvangstbewijs ingediend bij de eerste voorzitter of, wat de leden van het auditoraat betreft, bij de auditeur-generaal. Een tijdig ingesteld beroep schorst de uitvoering van de definitieve evaluatie.
   De in het eerste lid bedoelde beoordelingscommissie hoort de betrokkene indien hij daarom in zijn beroepsschrift heeft verzocht. Zij beschikt over een termijn van zestig dagen vanaf de ontvangst van het beroepsschrift, door respectievelijk de eerste voorzitter of de auditeur-generaal om een met redenen omklede eindbeslissing over de evaluatie te nemen.
   § 7. Indien een kamervoorzitter, een eerste auditeur-afdelingshoofd, een eerste referendaris-afdelingshoofd of de hoofdgriffier een vermelding "onvoldoende" ontvangt voor één van de eerste drie periodieke evaluaties, neemt hij bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt weer op waarin hij het laatst is benoemd, in voorkomend geval in overtal. In het tegenovergestelde geval wordt zijn mandaat vernieuwd. De eerste voorzitter of, voor een eerste auditeur-afdelingshoofd, de auditeur-generaal bezorgt aan de minister van Binnenlandse Zaken een attest waarin de vernieuwing van het mandaat wordt vastgesteld. Voor de houders van een mandaat die definitief zijn benoemd is het tweede lid van toepassing.
   Indien een ander lid van de Raad, het auditoraat, het coördinatiebureau of de griffie naar aanleiding van de periodieke evaluatie de vermelding "onvoldoende" krijgt, leidt dit met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving van deze definitieve evaluatie gedurende zes maanden tot de inhouding van de laatste driejaarlijkse verhoging bedoeld in artikel 3, § 1, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en de magistraten en de leden van de griffie van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen.
   In geval van een vermelding "onvoldoende" wordt de betrokkene opnieuw geëvalueerd na verloop van een termijn van zes maanden. Indien dit opnieuw leidt tot een vermelding "onvoldoende", is het tweede lid van toepassing gedurende een nieuwe periode van zes maanden.
   § 8. De evaluatiedossiers berusten bij de eerste voorzitter, wat de leden van de Raad, van het coördinatiebureau en van de griffie betreft, en bij de auditeur-generaal wat de leden van het auditoraat betreft. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de betrokkenen ingekeken worden. Ze worden gedurende ten minste tien jaar bewaard.
   Bij elke benoeming, bij elke voordracht of hernieuwing van een mandaat wordt het evaluatiedossier van de laatste zes jaar van de betrokkene gevoegd ter attentie van de benoemende overheid.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 20, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Onderafdeling II. - De periodieke evaluatie. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 31; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 74/8.
  <Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38,3°, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Onderafdeling III. - De evaluatie van adjunct-mandaten. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 31; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 74/9.
  <Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38,3°, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Afdeling 4. - De evaluatie van de leden van de griffie. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 31; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Onderafdeling I. - De evaluatie van de hoofdgriffier. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 31; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 74/10.
  <Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38,3°, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Onderafdeling II. - De evaluatie van de griffiers. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 31; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 74/11.
  <Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38,3°, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Onderafdeling 3. De evaluatie procedure van de hoofdgriffier en de griffier. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 31; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 74/12.
  <Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38,3°, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Afdeling 5. - Bijzondere bepalingen betreffende het Auditoraat. <Opschrift ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 32; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 75. (De auditeur-generaal en de adjunct-auditeur-generaal verdelen, elk wat hem betreft en in zijn taalrol, de zaken onder de leden van het auditoraat en leiden de werkzaamheden. De eerste auditeurs-afdelingshoofden nemen deel aan die leiding.) <W 1999-05-25/44, art. 19, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>
  De adjunct-auditeur oefent zijn ambt uit onder de leiding van een eerste auditeur.

  Art. 76.<W 1996-08-04/60, art. 28, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01> § 1. De leden van het auditoraat nemen in de (afdeling bestuursrechtspraak) deel aan het onderzoek. Zij kunnen worden belast met de onderzoeksverrichtingen waartoe de (afdeling bestuursrechtspraak) bij wege van arrest heeft besloten. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (Onverminderd de bepalingen die voorzien in specifieke termijnen, onderzoeken de leden van het Auditoraat die deelnemen aan het onderzoek in de (afdeling bestuursrechtspraak) bij voorrang de toelaatbaar verklaarde cassatieberoepen, alsook de beroepen tot nietigverklaring waarvan het beroep doelloos is, of waarvan afstand wordt gedaan of die dienen van de rol te worden afgevoerd. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Wanneer blijkt dat het beroep slechts korte debatten vereist, behandelt het aangewezen lid van het auditoraat bij voorrang de ingeleide vordering.
  [1 ...]1
  De leden van het Auditoraat nemen geen deel aan het onderzoek naar de toelaatbaarheid van de in artikel 20 bedoelde cassatieberoepen.) <W 2006-09-15/71, art. 33, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  De auditeur-generaal, de adjunct-auditeur-generaal, de eerste auditeurs-afdelingshoofden, de eerste auditeurs, de auditeurs en de daartoe door de auditeur-generaal gemachtigde adjunct-auditeurs [1 ...]1 brengen in deze afdeling advies uit in de openbare terechtzitting bij het einde van de debatten.
  (Vierentwintig leden van het auditoraat worden bij voorrang aangesteld bij de afdeling wetgeving. Zij nemen deel aan de werkzaamheden ervan overeenkomstig de richtlijnen van de auditeur-generaal. [1 ...]1 ) <W 2003-04-02/40, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 24-05-2003>
  § 2. De leden van het auditoraat worden ermee belast de documentatie betreffende de rechtspraak (en de adviezen) van de Raad van State in de vorm van geautomatiseerde bestanden bij te houden, te bewaren en ter beschikking te stellen. <W 2003-04-02/40, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 24-05-2003>
  § 3. [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 21, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Afdeling 6. - Bijzondere bepaling betreffende het Coördinatiebureau. <Opschrift ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 34; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 77.<W 2006-09-15/71, art. 35, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De leden van het Coördinatiebureau hebben onder meer tot taak :
  1° de stand van de wetgeving bij te houden;
  2° de documentatie van het Bureau ter beschikking te stellen van de twee afdelingen van de Raad van State;
  3° de documentatie van het Bureau betreffende de stand van de wetgeving ter beschikking te stellen van het publiek, in de vorm en onder de voorwaarden vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit;
  4° de coördinatie, de codificatie en de vereenvoudiging van de wetgeving voor te bereiden;
  [1 5° te zorgen voor het uitwerken en de verspreiding van de beginselen van de wetgevingstechniek.]1
  Het coördinatiebureau staat onder het gezag en de leiding van de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling wetgeving onder zijn verantwoordelijkheid heeft.
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 22, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Afdeling 7. - Bijzondere bepaling betreffende de leden van de griffie. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 36; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 77/1. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 36; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De hoofdgriffier is belast met de leiding van de griffie en staat daarbij onder leiding en toezicht van de eerste voorzitter en de voorzitter, elk wat zijn bevoegdheden betreft.
  De eerste voorzitter of voorzitter wijzen elke wat hun bevoegdheid betreft en na advies van de hoofdgriffier en de betrokken kamervoorzitter, de griffiers aan die de kamervoorzitter bijstaan.

  Afdeling 8. - Bijzondere bepalingen. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 37; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 78. Een koninklijk besluit bepaalt de ambtskledij die de ambtsdragers van de Raad van State op terechtzittingen en bij officiële plechtigheden dragen.
  De Koning regelt voorrang en eerbewijzen.

  Art. 78/1. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 38; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De Koning stelt, na gemotiveerd advies van de eerste voorzitter en de auditeur-generaal, de wijze vast waarop de werklast van de ambtsdrager wordt geregistreerd, alsook de wijze waarop deze geregistreerde gegevens worden geëvalueerd.

  Art. 78/2. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 39; Inwerkingtreding : 01-12-2006> Indien de afwezigheid van een lid van de Raad, van het Auditoraat, van het Coördinatiebureau of van de griffie te wijten is aan ziekte, kan onderscheidenlijk de eerste voorzitter of de voorzitter, de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal of de hoofdgriffier, de regelmatigheid van deze afwezigheid afhankelijk stellen van een medische controle door de Administratieve gezondheidsdienst die deel uitmaakt van het Bestuur van de Medische Expertise zoals bepaald in het administratief reglement van die dienst.

  HOOFDSTUK II. - INRICHTING VAN DE AFDELING WETGEVING.

  Art. 79. (De afdeling wetgeving is samengesteld uit twaalf leden van de Raad van State, en uit ten hoogste tien assessoren. Zij bestaat uit vier kamervoorzitters en acht staatsraden, in overleg met de voorzitter aangewezen door de eerste voorzitter, derwijze gekozen dat vier van hen het bewijs leveren van de kennis van het Nederlands, vier van de kennis van het Frans en vier van de kennis van het Nederlands en het Frans.) <W 2006-09-15/71, art. 40, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (tweede lid opgeheven) <W 1996-08-04/60, art. 30, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01>
  (De eerste voorzitter kan in overleg met de voorzitter leden van de Raad van State die deel uitmaken van de (afdeling bestuursrechtspraak), oproepen) om in de afdeling wetgeving te zetelen, hetzij om een verhinderd lid te vervangen, hetzij om zo nodig aanvullende kamers te vormen. <W 2006-09-15/71, art. 40, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 80. <W 1997-09-08/43, art. 4, 008; Inwerkingtreding : 26-10-1997> De assessoren van de afdeling wetgeving worden door de Koning benoemd voor een hernieuwbare periode van vijf jaar, uit een lijst met drie namen, voorgedragen door de Raad van State, nadat hij de ontvankelijkheid van de kandidaturen heeft onderzocht en de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken.
  Artikel 70, § 1, tweede tot twaalfde lid, is van toepassing op de voordracht van de assessoren.
  De voordrachten geschieden met inachtneming van de regels die zijn vastgesteld in de artikelen 348, eerste lid, 349, vierde lid, tweede zinsnede, en vijfde lid, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek.
  De artikelen 70, § 2, eerste lid, 73, § 1, derde lid, en 74, tweede en derde lid, zijn van toepassing op de assessoren.

  Art. 81. (W 06-05-1982, art. 7) (De Afdeling Wetgeving is ingedeeld in vier kamers. Iedere Kamer houdt zitting met drie leden van de Raad van State en twee assessoren. De voorzitter van de Kamer die om advies is verzocht kan echter, volgens de noden van de zaak, beslissen dat slechts één assessor zal worden opgeroepen om zitting te houden of dat de Kamer zonder assessor zitting zal houden.) <W 1999-05-25/44, art. 22, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>
  (De kamers worden voorgezeten door de kamervoorzitters die aangewezen zijn om deel uit te maken van de afdeling wetgeving.) Bij hun ontstentenis wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudstbenoemde aanwezige lid van de Raad van State. <W 2006-09-15/71, art. 41, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Twee van de kamers bestaan elk uit twee leden die bewijzen het Nederlands machtig te zijn. De twee andere kamers bestaan elk uit twee leden die bewijzen het Frans machtig te zijn. Tot elke kamer behoort bovendien een lid dat bewijst het Nederlands en het Frans machtig te zijn. De assessoren moeten bewijzen de taal van de kamers waarin zij zitting moeten nemen, machtig te zijn.
  (De eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling wetgeving onder zijn verantwoordelijkheid heeft, houdt volgens de behoeften van de dienst zitting in een kamer van de afdeling, in welk geval hij deze voorzit.) <W 2006-09-15/71, art. 41, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 82. De afdeling kan over speciale vraagpunten bijzonder bevoegde personen ter raadpleging oproepen.
  (Zij kan, gedurende gans de procedure, vragen stellen of horen hetzij de gemachtigde ambtenaar of de vertegenwoordiger van de minister, of indien het gaat om een voorstel van wet, decreet of ordonnantie, de gemachtigde van de voorzitter van de betrokken vergadering die, in de vraag om advies, aangeduid werd door de minister of de voorzitter van de vergadering.) <W 2003-04-02/40, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 24-05-2003>

  Art. 83.(De eerste voorzitter ontvangt de aanvragen waarvan sprake in de artikelen 2 tot 6 en regelt de verdeling ervan tussen de vier kamers, volgens een systeem omschreven in zijn beleidsplan.) Elk dezer beraadslaagt in de taal die haar eigen is. Behoudens wanneer zij betrekking hebben op ontwerpen die overeenkomstig de wet slechts in het Nederlands of in het Frans zijn gesteld, worden de adviezen in de andere taal vertaald en wordt de overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse versie nagezien door (...) het lid van de kamer dat het bewijs levert van de kennis van de twee talen. (W 06-05-1982, art. 8) <W 1996-08-04/60, art. 34, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01> <W 2006-09-15/71, art. 42, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (Voor de in het Duits gestelde adviesaanvragen evenwel worden de adviezen in het Duits vertaald onder het toezicht van een lid van het auditoraat dat het bewijs heeft geleverd van een [1 voldoende]1 kennis van de Duitse taal.) (W 31-12-1983, art. 64)
  (De adviezen worden vertaald binnen een termijn van ten hoogste vijftien dagen, die ingaat de dag dat het advies in één taal wordt medegedeeld.) <W 2003-04-02/40, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 14-06-2003>
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/68, art. 4, 027; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

  Art. 84.<W 2003-04-02/40, art. 7, 015; Inwerkingtreding : 14-06-2003> § 1. Het onderzoek van de zaken vindt plaats in de volgorde van de inschrijving op de rol, uitgezonderd :
  [1 1° wanneer de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies wordt medegedeeld binnen een termijn van zestig dagen, verlengd tot vijfenzeventig dagen in het geval waarin het advies gegeven wordt door de algemene vergadering met toepassing van artikel 85 of door de verenigde kamers met toepassing van artikel 85bis;]1
  [1 2°]1 wanneer de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies wordt medegedeeld binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot vijfenveertig dagen in het geval waarin het advies gegeven wordt door de algemene vergadering met toepassing van artikel 85 of door de verenigde kamers met toepassing van artikel 85bis ; [1 Deze termijn wordt van rechtswege verlengd met vijftien dagen wanneer hij begint te lopen tussen 15 juli en 31 juli of wanneer hij verstrijkt tussen 15 juli en 15 augustus.]1
  [1 3°]1 wanneer, in spoedeisende gevallen die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies wordt medegedeeld binnen een termijn van vijf werkdagen, verlengd tot acht werkdagen in het geval waarin het advies gegeven wordt ofwel met toepassing van artikel 2, § 4, ofwel door de algemene vergadering met toepassing van artikel 85 of door de verenigde kamers met toepassing van artikel 85bis.
  Wanneer met toepassing van het eerste lid, [1 3°]1 , om spoedbehandeling van een adviesaanvraag over een ontwerp van reglementair besluit wordt verzocht, wordt de motivering van het spoedeisend karakter, die in de aanvraag wordt opgegeven, in de aanhef van het besluit overgenomen.
  § 2. De werkdag is de dag die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een feestdag is. De termijnen gaan in op de eerste werkdag na die van de inschrijving op de rol. De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag geen werkdag, dan verstrijkt de termijn op de eerstvolgende werkdag.
  De hoofdgriffier deelt zonder verwijl aan de indiener van de adviesaanvraag de begin- en de einddatum van de termijn mee.
  Het advies wordt per post, per bode, per fax of per elektronische post medegedeeld; de mededeling per fax of per elektronische post wordt schriftelijk bevestigd. Indien het advies krachtens artikel 83 moet worden vertaald, wordt het geacht reeds te zijn medegedeeld op het ogenblik dat de tekst ervan wordt medegedeeld in de taal waarin het is gesteld.
  § 3. Onverminderd artikel 2, § 1, tweede lid, mag het advies van de afdeling wetgeving, in het geval bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, [1 1° en 2°]1 , zich beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, de rechtsgrond en de te vervullen voorgeschreven vormvereisten; het beperkt zich tot dat onderzoek in het geval bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, [1 3°]1.
  Wanneer het advies wordt gevraagd binnen een termijn van paragraaf 1, eerste lid, [1 ...]1 , wordt het gegeven zelfs indien de voorgeschreven vormvereisten niet zijn vervuld.
  § 4. Wanneer de adviesaanvraag betrekking heeft op een voorontwerp of een voorstel van wet, van decreet of van ordonnantie, of op een amendement op een dergelijk ontwerp of voorstel, dient de afdeling wetgeving binnen de termijnen gesteld in paragraaf 1, eerste lid, [1 ...]1 , of binnen een bijkomende termijn, door de adviesaanvrager verleend vóór het verstrijken van die termijnen, mededeling te doen van een advies, dat ten minste betrekking heeft op de drie punten genoemd in paragraaf 3, eerste lid.
  Wanneer de adviesaanvraag betrekking heeft op een ontwerp van reglementair besluit en de afdeling wetgeving geen advies heeft medegedeeld binnen de termijnen gesteld in paragraaf 1, eerste lid, [1 ...]1 , of binnen een bijkomende termijn, door de adviesaanvrager verleend vóór het verstrijken van die termijnen, wordt de adviesaanvraag aan de Raad van State onttrokken en wordt ze afgevoerd van de rol. In de aanhef van het besluit wordt melding gemaakt van het ontbreken van de mededeling van het advies binnen de termijn.
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 23, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 84bis.<Ingevoegd bij W 1999-05-25/44, art. 23; Inwerkingtreding : 02-07-1999> Van zodra er een aanvraag tot advies ontvangen wordt die niet voorzien is van een termijn krachtens artikel 84, (§ 1, eerste lid, [1 ...]1 ), onderzoekt de Kamer die om advies is verzocht of de voorafgaande formaliteiten die vereist zijn door het voorontwerp of het voorstel dat haar voorgelegd wordt, vervuld zijn. <W 2003-04-02/40, art. 8, 015; Inwerkingtreding : 14-06-2003>
  Binnen de vijftien dagen die volgen op de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde aanvraag, brengt zij, in voorkomend geval, de overheid schriftelijk op de hoogte van de voorafgaande formaliteiten die niet vervuld zouden zijn.
  Ingeval de Kamer die om advies is verzocht in de door het tweede lid voorgeschreven vormen en termijnen vaststelt dat het dossier niet onderzocht kan worden, kan deze Kamer beslissen, in afwijking van artikel 84, (§ 1, eerste lid, inleidende zin), om over te gaan tot het onderzoek van de zaak die onmiddellijk volgt in de volgorde van inschrijving op de rol. <W 2003-04-02/40, art. 8, 015; Inwerkingtreding : 14-06-2003>
  De zaak waarvan het onderzoek wordt uitgesteld krachtens het vorige lid, wordt van de rol geschrapt en ingeschreven op een wachtrol. Het onderzoek ervan wordt hernomen van zodra de Kamervoorzitter vastgesteld heeft dat de formaliteiten volledig vervuld zijn.
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 24, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 84ter.<Ingevoegd bij W 2003-04-02/40, art. 9; Inwerkingtreding : 14-06-2003> De auditeur die bij het onderzoek van een adviesaanvraag als bedoeld in artikel 84, § 1, eerste lid, [1 1° en 2°]1 , van oordeel is dat een voorgeschreven vormvereiste niet is vervuld, brengt de gemachtigde ambtenaar of de gemachtigde van de minister daarvan onmiddellijk op de hoogte.
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 25, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 85. De afdeling wetgeving zetelt in algemene vergadering, telkens als de voorzitter van een der Wetgevende Kamers of de minister door wie zij wordt geraadpleegd, haar hierom verzoekt.
  Aan de algemene vergadering nemen met stemrecht deel, de leden van de Raad van State die (...) aangewezen zijn om deel uit te maken van de afdeling wetgeving alsook de assessoren. (W 06-05-1982, art. 9)
  De algemene vergadering wordt voorgezeten door de eerste voorzitter of, bij zijn ontstentenis, door de voorzitter van de Raad van State. Zij zijn er stemgerechtigd, zelfs indien zij niet tot de afdeling wetgeving behoren. Bij ontstentenis van beiden wordt het voorzitterschap waargenomen door de oudstbenoemde onder de aanwezige kamervoorzitters of eventueel staatsraden.

  Art. 85bis. <Ingevoegd bij W 13-06-1979, art. 1> Wanneer de adviesaanvraag een probleem doet rijzen in verband met de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen of de gewesten, verwijst (de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling wetgeving onder zijn verantwoordelijkheid heeft) ze naar de verenigde kamers van de afdeling. (Om deze samen te stellen wijst de eerste voorzitter, elk jaar, twee kamers met verschillende taal aan waarvan de zes leden, met vier assessoren, de verenigde kamers van de afdeling vormen). <W 06-05-1982, art. 10> <W 2006-09-15/71, art. 43, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (Wanneer de auditeur-generaal oordeelt dat toepassing moet worden gemaakt van het eerste lid, beveelt de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling wetgeving onder zijn verantwoordelijkheid heeft, de verwijzing naar de verenigde kamers.) <W 2006-09-15/71, art. 43, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  HOOFDSTUK III. - INRICHTING VAN DE (AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK). <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 86. (De (afdeling bestuursrechtspraak) is ingedeeld in elf kamers, vijf Nederlandstalige kamers, vijf Franstalige kamers en één tweetalige kamer, elk samengesteld uit drie leden). <W 2000-04-08/31, art. 5, 011; Inwerkingtreding : 30-05-2000> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De eerste voorzitter (of de voorzitter indien die de (afdeling bestuursrechtspraak) onder zijn verantwoordelijkheid heeft kunnen) aanvullende kamers samenstellen, indien het aantal ingediende zaken dit vereist. <W 2006-09-15/71, art. 44, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 87. Nederlandse kamers, samengesteld uit leden die bewijzen het Nederlands machtig te zijn, nemen kennis van alle zaken die in het Nederlands moeten worden behandeld.
  (Ten minste zes leden van de Raad, zijnde drie Nederlandstalige en drie Franstalige, onderzoeken bij voorrang de toelaatbaarheid van de cassatieberoepen bedoeld in artikel 20. De eerste voorzitter of de voorzitter indien die de (afdeling bestuursrechtspraak) onder zijn verantwoordelijkheid heeft, kunnen dit aantal aanpassen naargelang de behoeften van de dienst, derwijze dat ten allen tijde de in artikel 20, § 3, bepaalde termijn wordt nageleefd. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De eerste voorzitter of de voorzitter indien die de (afdeling bestuursrechtspraak) onder zijn verantwoordelijkheid heeft, bepaalt maandelijks de gemiddelde behandelingstermijn van de in de voorbije maand behandelde toelaatbaarheidsonderzoeken. Zodra blijkt dat deze gemiddelde behandelingstermijn de in artikel 20, § 3 bepaalde termijn het dubbele van de termijn overschrijdt neemt de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de (afdeling bestuursrechtspraak) onder zijn verantwoordelijkheid heeft, de nodige maatregelen om hieraan te remediëren totdat blijkt dat de hiervoor bepaalde maandelijkse behandelingstermijn de in artikel 20, § 3, eerste lid, bepaalde termijn opnieuw heeft bereikt. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Inzonderheid kan hij aanvullende kamers instellen en alle dan wel enkele leden van de (afdeling bestuursrechtspraak) aanwijzen die geheel of gedeeltelijk, bij voorrang, dan wel voor alle andere zaken, worden belast met de behandeling van de beroepen in de procedure van toelating tot de cassatievoorziening. De bevoegde korpschef brengt verslag uit over de toepassing van deze bepaling aan de Minister van Binnenlandse Zaken en aan de algemene vergadering van de Raad van State. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De ambtsdragers die met toepassing van het derde lid zijn aangewezen, dienen niet te voldoen aan de anciënniteitsvoorwaarde gesteld in artikel 20, § 3.
  De (afdeling bestuursrechtspraak) behandelt bij voorrang de beroepen tot cassatie, alsook de beroepen tot vernietiging waarvan het beroep doelloos is, of de beroepen waarin het auditoraat van oordeel is dat zij slechts korte debatten vereisen, of waarvan afstand wordt gedaan of die dienen van de rol te worden afgevoerd.) <W 2006-09-15/71, art. 45, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De Franse kamers, samengesteld uit leden die bewijzen het Frans machtig te zijn, nemen kennis van alle zaken die in het Frans moeten worden behandeld.
  De tweetalige kamers, samengesteld uit (de eerste voorzitter indien die de (afdeling bestuursrechtspraak) onder zijn verantwoordelijkheid heeft en uit) leden die bewijzen het Nederlands en het Frans machtig te zijn, neemt kennis van de zaken die de artikelen 52 en 61 haar speciaal opdragen. <W 2006-09-15/71, art. 45, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 88. De kamer waarvan het lid van de Raad van State dat bewijst het Duits machtig te zijn deel uitmaakt, neemt kennis van zaken waarin het Duits moet worden gebruikt en van de zaken waarin het Duits en het Nederlands of het Frans moeten worden gebruikt. Is die taal niet die van de kamer waartoe het lid van de Raad van State dat bewijst het Duits machtig te zijn, behoort, dan wordt de zaak verwezen naar de tweetalige kamer; in dat geval echter zetelt het lid van de Raad van State dat bewijst het Duits machtig te zijn in de plaats van het jongstbenoemende lid van de Raad van State dat van de tweetalige kamer deel uitmaakt.

  Art. 89. (De (afdeling bestuursrechtspraak) bestaat uit de kamervoorzitters en staatsraden die niet zijn aangewezen om deel uit te maken van de afdeling wetgeving. De eerste voorzitter of de voorzitter houdt volgens de behoefte van de dienst zitting in een kamer van de afdeling, in welk geval hij deze voorzit.) <W 2006-09-15/71, art. 46, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De leden van de Raad van State die aangewezen zijn om van de afdeling wetgeving deel uit te maken, kunnen worden opgeroepen om in de (afdeling bestuursrechtspraak) te zetelen telkens als daartoe aanleiding bestaat, hetzij om de tweetalige kamer te vormen, hetzij om een verhinderd lid van een Nederlandse of van een Franse kamer te vervangen, hetzij om aanvullende kamers te vormen. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 90.<W 2006-09-15/71, art. 47, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. De kamers van de (afdeling bestuursrechtspraak) houden zitting met drie leden. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Zij houden evenwel zitting met één lid :
  1° voor vorderingen tot schorsing en tot het bevelen van voorlopige maatregelen;
  2° inzake beroepen tot nietigverklaring en cassatieberoepen waarbij toepassing wordt gegeven aan de artikelen 17, [1 §§ 6 en 7]1 , 21, tweede lid of 26, of wanneer het beroep doelloos is, de afstand van het geding toe te wijzen is of de zaak van de rol af te voeren is, of wanneer verzoekschriften worden behandeld die enkel korte debatten met zich meebrengen.
  In afwijking van het eerste lid, kan de kamervoorzitter ambtshalve bevelen dat een zaak wordt verwezen naar een kamer met één lid wanneer de juridische moeilijkheid of het belang van de zaak zich hiertegen niet verzetten.
  In afwijking van het tweede lid, kan de kamervoorzitter, als de verzoeker daarom op een gemotiveerde wijze vraagt in zijn verzoekschrift of ambtshalve, bevelen dat een zaak wordt verwezen naar een kamer met drie leden wanneer de juridische moeilijkheid of het belang van de zaak dan wel bijzondere omstandigheden daartoe grond opleveren.
  § 2. Bij het artikel 20 bedoelde onderzoek van de toelaatbaarheid van het cassatieberoep wordt steeds zitting gehouden met één lid.
  Wanneer de houder van een mandaat van kamervoorzitter oordeelt dat, om de eenheid van de rechtspraak in de kamer te verzekeren, een zaak met drie rechters dient te worden behandeld, beveelt hij de verwijzing naar een kamer met drie leden.
  De houder van een mandaat van kamervoorzitter deelt onverwijld aan de eerste voorzitter of voorzitter naar gelang het geval, de zaken mee die, naar zijn mening, door de verenigde kamers van de (afdeling bestuursrechtspraak) dienen te worden behandeld ten einde de eenheid van de rechtspraak te verzekeren. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 26, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  HOOFDSTUK IV. - (DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE (AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK)) (W 16-06-1989, art. 21) <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 91. Telkens wanneer een kamer erkent dat er aanleiding bestaat tot herziening of vernietiging wegens machtsafwending, wordt de zaak van rechtswege naar de algemene vergadering van de afdeling verwezen.

  Art. 92.<W 1996-08-04/60, art. 39, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01> Wanneer (de eerste voorzitter of de voorzitter), na het advies te hebben ingewonnen van de staatsraad belast met het ter terechtzitting te geven verslag, oordeelt dat, om de eenheid van de rechtspraak te verzekeren, een zaak door de algemene vergadering van de (afdeling bestuursrechtspraak) behandeld dient te worden, beveelt hij de verwijzing naar deze vergadering. <W 2006-09-15/71, art. 48, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (Indien de eerste voorzitter en de voorzitter het niet nodig achten de algemene vergadering bijeen te roepen, dan licht de kamervoorzitter zijn kamer in over deze zaak. Indien de kamer, na beraadslaging, om bijeenroeping van de algemene vergadering verzoekt, is de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de (afdeling bestuursrechtspraak) tot zijn verantwoordelijkheid heeft, gehouden daarop in te gaan.) <W 2006-09-15/71, art. 48, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Wanneer de auditeur-generaal, na het advies te hebben ingewonnen van de auditeur belast met het verslag, om dezelfde reden oordeelt dat een zaak door de algemene vergadering van de (afdeling bestuursrechtspraak) behandeld dient te worden, beveelt de eerste voorzitter de verwijzing naar deze vergadering. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (§ 2. Wanneer de eerste voorzitter of voorzitter, na het advies te hebben ingewonnen van het lid van de Raad dat belast is met het onderzoek naar de toelaatbaarheid van het cassatieberoep in de zin van artikel 20 [1 of met het onderzoek van dat beroep]1, oordeelt dat, om de eenheid van de rechtspraak te verzekeren, het onderzoek van de toelaatbaarheid van het cassatieberoep door de verenigde kamers van de (afdeling bestuursrechtspraak) behandeld dient te worden, beveelt hij de verwijzing naar de verenigde kamers. [1 ...]1. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Indien de eerste voorzitter en de voorzitter het niet nodig achten de verenigde kamers bijeen te roepen, dan licht de kamervoorzitter zijn kamer in over deze zaak. Indien de kamer, na beraadslaging, om bijeenroeping van de verenigde kamers verzoekt, is de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de (afdeling bestuursrechtspraak) tot zijn verantwoordelijkheid heeft, gehouden daarop in te gaan.) <W 2006-09-15/71, art. 48, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  [1 Indien het cassatieberoep in de zin van artikel 20 toelaatbaar is verklaard, beveelt de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling bestuursrechtspraak onder zijn verantwoordelijkheid heeft de verwijzing ervan naar de verenigde kamer van de afdeling bestuursrechtspraak telkens wanneer de bestreden beslissing door het administratief rechtscollege in algemene vergadering of in verenigde kamers genomen is. Hij doet dit evenzeer wanneer de auditeur-generaal, na het advies te hebben ingewonnen van de auditeur belast met het verslag, oordeelt dat, om de eenheid van de rechtspraak te verzekeren, de zaak door de verenigde kamers behandeld dient te worden.
   Indien hij meent dat het belang van de zaak dit vereist, kan de eerste voorzitter of de voorzitter indien hij verantwoordelijk is voor de afdeling bestuursrechtspraak, in afwijking van het voorgaande, beslissen de zaak te verwijzen naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak. Hij doet dit evenzeer wanneer de auditeur-generaal, na het advies te hebben ingewonnen van de auditeur belast met het verslag, oordeelt dat, om de eenheid van de rechtspraak te verzekeren, de zaak door de algemene vergadering behandeld dient te worden.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/68, art. 14, 027; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

  Art. 93.[1 § 1. In afwijking van de artikelen 17, § 1, tweede lid, § 3, vijfde lid, §§ 4 en 7, 18, tweede tot vierde lid, 52, tweede lid, en 61 worden de aanvragen, moeilijkheden, beroepen tot nietigverklaring of cassatieberoepen bedoeld in de artikelen 11, 12, 13, 14, 16, 1° tot [2 8°]2 , 17, 18 en 36 alsmede de verzetten, derdenverzetten en de beroepen tot herziening, die ingesteld worden door een persoon die gevestigd is in één van de gemeenten bedoeld in artikel 7 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, op vraag van deze persoon door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak behandeld wanneer de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn :
   1° het voorwerp van de aanvraag, de moeilijkheid of het beroep is gelokaliseerd of lokaliseerbaar in deze gemeenten;
   2° de persoon vraagt, in het opschrift van zijn schrijven waarmee hij de zaak voor de afdeling bestuursrechtspraak brengt overeenkomstig artikel 19, dat zijn zaak door de algemene vergadering wordt behandeld;
   3° dit schrijven bevat een formele verwijzing naar de garanties, rechtsstelsels en taalrechten die in die gemeenten van toepassing zijn.
   Indien de algemene vergadering van oordeel is dat niet voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, verwijst zij de zaak naar een kamer, overeenkomstig de bepalingen van titel VI, hoofdstuk II, afdeling 1, onverminderd de terugverwijzing naar de algemene vergadering met toepassing van de artikelen 91 en 92, § 1.
   § 2. In geval van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, ingediend overeenkomstig artikel 17 en onder de in § 1 bedoelde voorwaarden, kan de schorsing voorlopig worden bevolen door de eerste voorzitter of de voorzitter, die de afdeling bestuursrechtspraak tot zijn bevoegdheid heeft, of door de voorzitter van de kamer of de staatsraad die hij daartoe aanwijst. Indien de hoogdringendheid dat rechtvaardigt, kan deze voorlopige schorsing worden bevolen zonder dat de partijen of een deel van de partijen werden gehoord. Het arrest dat de voorlopige schorsing beveelt, roept de partijen binnen de vijftien werkdagen op om te verschijnen voor de algemene vergadering die uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing.
   De eerste voorzitter, voorzitter, kamervoorzitter of staatsraad mag de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts behandelen overeenkomstig het eerste lid na bewijs aan de hand van zijn diploma dat hij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten heeft afgelegd in de taal waarin de zaak moet behandeld worden overeenkomstig titel VI, hoofdstuk II, afdeling 1.
   § 3. In afwijking van de artikelen 20 en 90, § 2, wordt het onderzoek naar de toelaatbaarheid van een cassatieberoep dat onder de bevoegdheden van de algemene vergadering valt krachtens § 1 gezamenlijk uitgevoerd door de eerste voorzitter en de voorzitter. In geval van onenigheid tussen deze laatsten wordt het cassatieberoep naar de algemene vergadering verwezen. In geval van afwezigheid of verhindering van de eerste voorzitter of van de voorzitter, wordt hij vervangen als voorzitter door de oudstbenoemde van de voorzitters van de kamers, van wie aan de hand van hun diploma bewezen is dat zij geslaagd zijn voor het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten in dezelfde taal, of, bij gebrek daaraan, door de oudstbenoemde van de staatsraden, van wie aan de hand van hun diploma bewezen is dat zij geslaagd zijn voor het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten in dezelfde taal.
   § 4. Elke verwerende of tussenkomende partij die gevestigd is in één van de gemeenten bedoeld in artikel 7 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken kan vragen dat de zaak wordt verwezen naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak wanneer de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn :
   1° het voorwerp van de aanvraag, de moeilijkheid of het beroep is gelokaliseerd of lokaliseerbaar in deze gemeenten;
   2° hij verzoekt erom in het opschrift van het eerste procedurestuk dat hij indient;
   3° de taalwetgeving is in het geding.
   Bij een dergelijk verzoek wordt de zaak ambtshalve naar de algemene vergadering verwezen, tenzij de kamer waarbij de zaak aanhangig werd gemaakt, bij beschikking vaststelt dat duidelijk niet voldaan is aan de voorwaarde van het gevestigd zijn bedoeld in het eerste lid of de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, 1° of 2°. Deze beschikking wordt onmiddellijk, voordat de procedure wordt voortgezet, meegedeeld aan de eerste voorzitter en aan de voorzitter, die elk kunnen beslissen de zaak naar de algemene vergadering te verwijzen. In geval van afwezigheid of verhindering van de eerste voorzitter of van de voorzitter, wordt hij vervangen als voorzitter door de oudstbenoemde van de voorzitters van de kamers, van wie aan de hand van hun diploma bewezen is dat zij geslaagd zijn voor het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten in dezelfde taal, of, bij gebrek daaraan, door de oudstbenoemde van de staatsraden, van wie aan de hand van hun diploma bewezen is dat zij geslaagd zijn voor het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten in dezelfde taal.
   Indien de algemene vergadering van oordeel is dat de in het eerste lid bedoelde voorwaarden niet vervuld zijn, verwijst zij de zaak naar een kamer, overeenkomstig de bepalingen van titel VI, hoofdstuk II, afdeling 1, onverminderd de eventuele terugverwijzing naar de algemene vergadering met toepassing van de artikelen 91 en 92, § 1.
   § 5. De auditeur-generaal en de adjunct-auditeur-generaal wijzen, ieder binnen zijn taalrol, een lid van het auditoraat aan dat zal deelnemen aan het onderzoek van de zaak die door de algemene vergadering wordt behandeld overeenkomstig dit artikel. De twee aldus aangewezen leden van het auditoraat stellen samen een verslag op en geven elk hun advies tijdens de openbare zitting op het einde van de debatten.
   De artikelen 21, zesde lid, en 30, § 3, zijn slechts van toepassing als beide leden van het auditoraat besluiten dat hetzij het beroep onontvankelijk is of moet worden verworpen, hetzij de akte of het reglement moet worden vernietigd.
   § 6. Zo er grond toe bestaat door eenzelfde arrest uitspraak te doen over meerdere zaken, waarvan minstens een hangende is voor de algemene vergadering overeenkomstig §§ 1 tot 4, kan de samenvoeging ervan bevolen worden door de eerste voorzitter en de voorzitter gezamenlijk, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, hetzij op verzoek van de partijen.
   § 7. De artikelen 21bis, § 2, en 30, § 2 en § 2bis, derde lid, eerste zin, zijn niet van toepassing op de zaken die, krachtens §§ 1 en 4, behandeld worden door de algemene vergadering.]1
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/34, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 14-10-2012. Temporeel toepassingsgebied : art. 5>
  (2)<W 2014-01-20/13, art. 27, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 94. (W 16-06-1989, art. 23) De algemene vergadering bestaat uit de leden van de Raad van State vermeld in artikel 89, eerste lid. Ze houdt zitting in even getal en met ten minste acht leden, de voorzitter daaronder begrepen.
  Zij bestaat uit een gelijk aantal leden van de Raad van State die door hun diploma bewezen hebben dat zij het examen van doctor of licentiaat in de rechten enerzijds in het Nederlands en anderzijds in het Frans hebben afgelegd. In voorkomend geval wordt artikel 89, tweede lid, toegepast.

  Art. 95.(W 16-06-1989, art. 24) [1 § 1.]1 De algemene vergadering wordt voorgezeten door de eerste voorzitter of, bij ontstentenis, door de voorzitter van de Raad van State. Bij ontstentenis van beiden wordt het voorzitterschap waargenomen door de oudstbenoemde onder de aanwezige kamervoorzitters of, in voorkomend geval, door de oudstbenoemde onder de aanwezige staatsraden.
  [1 § 2. Echter, wanneer een zaak bij de algemene vergadering aanhangig wordt gemaakt met toepassing van artikel 93, wordt ze afwisselend voorgezeten door de eerste voorzitter en door de voorzitter in functie van de inschrijving op de rol.
   Een zaak die overeenkomstig artikel 93, § 4, naar de algemene vergadering wordt verwezen, wordt voor de toepassing van het eerste lid geacht te zijn ingeschreven op de rol op datum van de verwijzing, volgend op de zaken die op die datum werden ingeschreven.
   § 3. Indien meerdere zaken die voor de algemene vergadering aanhangig zijn op grond van artikel 93 samengevoegd worden overeenkomstig artikel 93, § 6, wordt het voorzitterschap waargenomen door de eerste voorzitter of de voorzitter die, voor de samenvoeging, belast was om de zaak voor te zitten die het eerst op de rol werd ingeschreven.
   § 4. In geval van afwezigheid of verhindering van de eerste voorzitter of van de voorzitter die de algemene vergadering moet voorzitten met toepassing van §§ 2 en 3, wordt hij vervangen als voorzitter door de oudstbenoemde van de voorzitters van de kamers, van wie aan de hand van hun diploma bewezen is dat zij geslaagd zijn voor het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten in dezelfde taal, of, bij gebrek daaraan, door de oudstbenoemde van de staatsraden, van wie aan de hand van hun diploma bewezen is dat zij geslaagd zijn voor het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten in dezelfde taal.]1
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/34, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 14-10-2012. Temporeel toepassingsgebied : art. 5>

  Art. 95bis. <Inséré par W 2006-09-15/71, art. 50; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. Voor de samenstelling van de verenigde kamers van de (afdeling bestuursrechtspraak) bedoeld in artikel 92, § 2, wijst de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de (afdeling bestuursrechtspraak) tot zijn bevoegdheid heeft, elk jaar twee kamers met verschillende taal aan die belast zijn met de behandeling van cassatieberoepen, waarvan de zes leden de verenigde kamers van de (afdeling bestuursrechtspraak) vormen. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  § 2. De in artikel 92, § 2, bedoelde verenigde kamers van de (afdeling bestuursrechtspraak) worden voorgezeten door de oudstbenoemde kamervoorzitter of bij ontstentenis van een kamervoorzitter door de oudstbenoemde onder de aanwezige staatsraden. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Onverminderd het eerste lid kunnen de eerste voorzitter en de voorzitter indien die de (afdeling bestuursrechtspraak) tot zijn bevoegdheid heeft deel nemen aan de verenigde kamers van de (afdeling bestuursrechtspraak). In dit geval bekleedt hij het voorzitterschap. <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 96. (W 16-06-1989, art. 24) De leden van de algemene vergadering hebben beslissende stem zelfs indien ze geen deel uitmaken van de (afdeling bestuursrechtspraak). <KB 2007-04-25/32, art. 99, 020; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 97.<W 16-06-1989, art. 24> (eerste lid opgeheven) <W 2006-09-15/71, art. 51, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Bij staking van stemmen, wat de toepassing van de artikelen 91 en 92 betreft, is het verzoek verworpen.
  (Bij staking van stemmen besluit het arrest dat de in artikel 16, 7°, bedoelde aanvraag verworpen wordt.) <W 2005-02-17/62, art. 8, 016; Inwerkingtreding : 13-10-2005>
  [1 Wanneer een zaak bij de algemene vergadering aanhangig wordt gemaakt met toepassing van artikel 93, is bij staking van stemmen de stem van degene die de algemene vergadering voorzit overeenkomstig artikel 95, §§ 2 tot 4, beslissend.]1
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/34, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 14-10-2012. Temporeel toepassingsgebied : art. 5>

  Art. 98. (W 16-06-1989, art. 24) Het arrest moet worden gewezen binnen 6 maanden na de uitspraak van het arrest tot verwijzing.
  Die termijn kan worden verlengd zonder dat de totale duur van de verleningen het dubbele van die termijn mag overschrijden.

  HOOFDSTUK V. - [1 De algemene vergadering van de Raad van State en het college van korpschefs]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 28, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 99. De algemene vergadering van de Raad van State is samengesteld uit de eerste voorzitter, de voorzitter, de kamervoorzitters en de staatsraden. Zij wordt voorgezeten door de eerste voorzitter of, bij zijn ontstentenis, door de voorzitter van de Raad van State; bij ontstentenis van beiden wordt het voorzitterschap waargenomen door de oudstbenoemde onder de aanwezige kamervoorzitters of eventueel staatsraden.
  De auditeur-generaal wordt opgeroepen voor alle algemene vergaderingen. Hij wordt gehoord telkens als hij het vraagt.

  Art. 100. De assessoren van de afdeling wetgeving (...) wonen de algemene vergaderingen bij, telkens wanneer onderwerpen met betrekking tot de afdeling waartoe zij behoren op de agenda voorkomen. (W 28-06-1983, art. 107)
  Wat deze onderwerpen betreft, hebben zij beraadslagende stem.

  Art. 101. (Het reglement van orde wordt vastgesteld door de algemene vergadering van de Raad van State na advies van de auditeur-generaal en de adjunct-auditeur-generaal. Het wordt goedgekeurd door de Koning.) <W 1996-08-04/60, art. 41, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01>
  De assessoren van de afdeling wetgeving (...) hebben beraadslagende stem bij de voorbereiding van vorenbedoelde reglementsbepalingen die de afdeling betreffen waartoe zij behoren. (W 28-06-1983, art. 107)

  Art. 101/1. [1 Het college van korpschefs bestaat uit de eerste voorzitter, de auditeur-generaal, de voorzitter en de adjunct-auditeur-generaal. De hoofdgriffier en de beheerder wonen de vergaderingen van het college bij met raadgevende stem wanneer het gaat om hun bevoegdheden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-20/13, art. 29, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  HOOFDSTUK VI. - ADMINISTRATIEF PERSONEEL.

  Art. 102. De leden van het administratief personeel worden benoemd en ontslagen door de algemene vergadering van de Raad van State, die deze bevoegdheid geheel of gedeeltelijk aan de eerste voorzitter kan opdragen.
  (Lid 2 opgeheven) (W 19-12-1974, art. 22)

  Art. 102bis.<ingevoegd bij W 1996-08-04/60, art. 42; Inwerkingtreding : 1996-10-01> De Koning benoemt, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de algemene vergadering van de Raad van State en van de auditeur-generaal, een beheerder die belast is met het administratieve beheer van de Raad van State en zijn infrastructuur, (voor een hernieuwbare periode van vijf jaar). <W 2006-09-15/71, art. 52, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Niemand kan benoemd worden tot beheerder indien hij :
  1° niet de leeftijd van 37 jaar heeft bereikt;
  2° geen houder is van een diploma dat toegang verleent tot de betrekkingen van (niveau A) in de Rijksbesturen; <W 2006-09-15/71, art. 52, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  3° niet het bewijs levert van ten minste 5 jaar ervaring in het domein van de te begeven functie.
  (De beheerder is als mandaathouder, onder gezag van de eerste voorzitter en de auditeur-generaal elk wat diens bevoegdheden betreft, belast met het administratieve beheer van de Raad van State en zijn infrastructuur, met uitsluiting van de bevoegdheden die krachtens artikel 77/1 toekomen aan de hoofdgriffier. Hij oefent eveneens, wat deze bevoegdheden betreft, het dagelijks beheer uit.
  Onverminderd artikel 102, kan de eerste voorzitter de door hem bepaalde bevoegdheden inzake administratief beheer van het personeel aan de beheerder opdragen. De beheerder pleegt overleg met de hoofdgriffier indien de in het derde lid bepaalde bevoegdheden een weerslag kunnen hebben op de bevoegdheden van de laatstgenoemde.
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  Onverminderd de bepalingen van deze wet zijn de bepalingen tot regeling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de ministeries van toepassing op de beheerder. (De Koning bepaalt het pecuniair statuut van de beheerder.) De beheerder moet het bewijs leveren van de kennis van de andere taal, Nederlands of Frans, dan die van zijn diploma. <L 2006-09-15/71, art. 52, 4°, 018; Inwerkingtreding : 17-04-2007>
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 30, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 102ter. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 53; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De Koning benoemt, na advies van de algemene vergadering van de Raad van State, de auditeur-generaal en de beheerder, de houder van het adjunct-mandaat van stafdirecteur personeel en organisatie en de houder van het adjunct-mandaat van stafdirecteur budget en beheer, voor een hernieuwbare periode van vijf jaar, die aanvat en een einde neemt gelijktijdig met de periode van het mandaat van de beheerder.
  De mandaathouder kan zijn mandaat voortijdig ter beschikking stellen bij ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Het mandaat wordt evenwel slechts beëindigd op het ogenblik dat de nieuwe stafdirecteur het mandaat opneemt, zonder dat deze termijn meer dan negen maanden mag bedragen te rekenen van de ontvangst van de terbeschikkingstelling. De termijn kan door de Koning, op gemotiveerd verzoek van betrokkene, worden ingekort. De duur van het mandaat van degene die wordt benoemd in het vroegtijdig opengevallen mandaat, is, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, beperkt tot de nog resterende duur van het mandaat dat voortijdig een einde nam.
  Niemand kan worden benoemd in het adjunct-mandaat van stafdirecteur personeel en organisatie of van stafdirecteur budget en beheer indien hij :
  1° niet de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt;
  2° geen houder is van een diploma dat toegang verleent tot de betrekkingen van niveau A in de Rijksbesturen;
  3° niet het bewijs levert van een nuttige beroepservaring op het vlak van de functionele inhoud van het adjunct-mandaat.
  De houders van de adjunct-mandaten van stafdirecteur personeel en organisatie en van stafdirecteur budget en beheer oefenen hun bevoegdheden uit onder het gezag en de leiding van de beheerder.
  Onverminderd de bepalingen van deze wet zijn de bepalingen tot regeling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de Ministeries van toepassing op de adjunct-mandaten van stafdirecteur personeel en organisatie en van stafdirecteur budget en beheer. De Koning bepaalt het geldelijk statuut van de houders van deze adjunct-mandaten. De houders van deze adjunct-mandaten moeten het bewijs leveren van de kennis van de andere taal, Nederlands of Frans, dan die van hun diploma. De stafdirecteur dient het bewijs te leveren een diploma te hebben behaald in een ander taal, Nederlands of Frans, dan die van de andere stafdirecteur.

  HOOFDSTUK VII. - BEZOLDIGINGEN EN PENSIOENEN.

  Art. 103. De wedden, verhogingen en vergoedingen, toe te kennen aan de leden van de Raad van State, van het auditoraat, van het coördinatiebureau en van de griffie, alsmede de vergoedingen, uit te keren aan de assessoren van de afdeling wetgeving, worden bij de wet vastgesteld.
  De magistraten die tot assessoren van de afdeling wetgeving benoemd zijn, trekken de vergoedingen zoals de overige assessoren.
  (Lid 3 opgeheven) (W 28-06-1983, art. 107)

  Art. 104. (W 17-10-1990, art. 13) De leden van de Raad van State, van het auditoraat en van het coördinatiebureau, alsmede de hoofdgriffier worden in ruste gesteld wanneer zij wegens zware en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen of wanneer zij de leeftijd van 70 jaar hebben bereikt.

  Art. 104/1. <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 54; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De leden van de Raad van State, van het Auditoraat, van het Coördinatiebureau en van de griffie die door een zware en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen en niet om hun inrustestelling hebben verzocht, worden bij ter post aangetekende brief ambtshalve of op verzoek van de auditeur-generaal gewaarschuwd door de eerste voorzitter. Betreft het de eerste voorzitter, dan waarschuwt de auditeur-generaal.

  Art. 104/2.[1 Indien het lid van de Raad van State, het auditoraat, het coördinatiebureau of de griffie binnen een maand na de waarschuwing niet om zijn inruststelling verzocht, is artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel van toepassing.
   De algemene vergadering van de Raad van State doet uitspraak over het gevolg dat wordt gegeven aan de geneeskundige beslissing tot definitieve ongeschiktheid die in laatste aanleg werd genomen, na advies van de auditeur-generaal of van de adjunct-auditeur-generaal.
   Ten minste vijftien dagen voor de datum waarop de algemene vergadering is vastgesteld, wordt aan de betrokkene kennis gegeven van de dag en het uur van de zitting waarop hij op eigen verzoek kan worden gehoord, en wordt hij verzocht zijn opmerkingen schriftelijk naar voren te brengen.
   De beslissing van de algemene vergadering wordt binnen vijftien dagen na de uitspraak ter kennis gebracht van de minister van Binnenlandse Zaken.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 31, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 104/3.
  <Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38,4°, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 104/4.
  <Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38,4°, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 104/5.
  <Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38,4°, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 104/6.
  <Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38,4°, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 105. De artikelen 391, 392, 393, 395, 396 en 397 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de leden van de Raad van State, van het auditoraat en van het coördinatiebureau alsmede op de hoofdgriffier (...) (W 17-10-1990, art. 14)
  (Voor de toepassing van artikel 8, § 1, tweede en vierde lid, van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en de kerkelijke pensioenen worden de in artikel 74/1 bedoelde aanwijzingen gelijkgesteld met vaste benoemingen.) <W 2006-09-15/71, art. 60, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 106. § 1. De griffiers en de leden van het administratief personeel worden in ruste gesteld wanneer zij wegens zware en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen of wanneer zij 65 jaar oud zijn.
  De algemene wet op de burgerlijke pensioenen is op hen toepasselijk.
  § 2. De griffiers en de leden van het administratief personeel die bij het bereiken van de leeftijd van volle 65 jaar niet de wettelijke voorwaarden inzake dienst vervullen om een rustpensioen te verkrijgen, worden in disponibiliteit geplaatst volgens de regelen die voor het rijkspersoneel gelden.
  Zij die geen tien jaar dienst tellen, worden echter in dienst gehouden, tot zij de wettelijke minimumdiensttijd hebben.
  § 3. De griffiers en de leden van het administratief personeel kunnen, op voorstel van de Raad van State bij uitzondering in dienst worden gehouden boven de in § 1 gestelde grens, ingeval de Raad van State bij hun verdere medewerking bijzonder belang heeft en zij, als zij in ruste werden gesteld, zouden moeten vervangen worden.
  De Koning beslist over het in dienst houden van griffiers, op advies van de in Raad vergaderde Ministers. Hij machtigt in dezelfde vorm tot het in dienst houden van leden van het administratief personeel.
  De indiensthouding geldt slechts voor één jaar; zij kan worden vernieuwd.

  HOOFDSTUK VIII. - ONVERENIGBAARHEDEN EN TUCHT.

  Art. 107. De ambten van lid van de Raad van State, van het auditoraat, van het coördinatiebureau en van de griffie zijn onverenigbaar met de rechterlijke ambten, met de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat, met enige bezoldigde openbare functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met het ambt van notaris of van gerechtsdeurwaarder, met het beroep van advocaat, met de militaire stand en met de geestelijke stand.
  Van het eerste lid kan worden afgeweken :
  1° wanneer het gaat om de uitoefening van het ambt van hoogleraar of leraar, docent, lector of assistent in een inrichting voor hoger onderwijs, voor zover dat ambt gedurende niet meer dan vijf uur per week en gedurende niet meer dan twee halve dagen per week wordt uitgeoefend;
  2° wanneer het gaat om de uitoefening van het ambt van lid van een examencommissie;
  3° wanneer het gaat om de deelneming aan een commissie, een raad of comité van advies, voor zover het aantal bezoldigde opdrachten of ambten beperkt blijft tot twee en het geheel van de bezoldiging niet hoger is dan het tiende deel van de jaarlijkse brutowedde van het hoofdambt in de Raad van State.
  Deze afwijkingen worden door de Koning of door de Minister van Binnenlandse Zaken toegestaan, naargelang het gaat om een afwijking bepaald in het 1° dan wel in het 2° en het 3°. (Zij worden toegestaan na advies van de eerste voorzitter voor de leden van de Raad van State, van het coördinatiebureau of van de griffie, en na advies van de auditeur-generaal voor de leden van (het auditoraat). (Err. zie B.St. 08-10-1996, p. 25742).) <W 1996-08-04/60, art. 43, 005; Inwerkingtreding : 1996-10-01>

  Art. 108. De leden van de Raad van State, van het auditoraat, van het coördinatiebureau en van de griffie, mogen niet voor enige andere openbare dienst worden opgevorderd, behoudens de gevallen die de wet bepaalt.

  Art. 109. Het is hun verboden :
  1° mondeling of schriftelijk de verdediging van de belanghebbenden te voeren of hun consult te geven;
  2° in een scheidsgerecht op te treden tegen bezoldiging;
  3° hetzij persoonlijk, hetzij door een tussenpersoon, enige handel te drijven, als zaakwaarnemer op te treden, deel te nemen aan de leiding of het beheer van of aan het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsinrichtingen.
  Het eerste lid, 1°, is van toepassing op de assessoren van de afdeling wetgeving (...) wat betreft de beroepen (tot nietigverklaring en cassatieberoepen) bij de Raad van State. (W 28-06-1983, art. 107) <W 1999-05-25/44, art. 25, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>
  In afwijking van het eerste lid, 3°, kan de Koning, in bijzondere gevallen, de deelneming in het toezicht op industriële vennootschappen of inrichtingen toestaan.

  Art. 110. Artikel 107, eerste lid, en artikel 109, eerste en derde lid, zijn van toepassing op de leden van het administratief persooneel van de Raad van State.
  Afwijkingen kunnen hun ook door de Raad van State worden toegestaan in de gevallen waarin de op de rijksambtenaren toepasselijke bepalingen aan dezen of hun echtgenoot de uitoefening van bepaalde aanvullende bezigheden toestaan.

  Art. 111. De ambtsdragers bij de Raad van State kunnen met hun instemmingen en op het advies als bedoeld in artikel 107, derde lid, door de Koning tijdelijk belast worden met het vervullen van een opdracht of het uitoefenen van een ambt bij een nationale instelling. Indien de taken die hun aldus worden opgedragen hun niet meer toelaten hun ambt in de Raad van State te vervullen, worden zij gedetacheerd.
  De detachering mag voor niet langer dan één jaar worden toegestaan. (Onder de in het eerste lid bepaalde voorwaarden kan de detachering evenwel telkens voor ten hoogste één jaar worden verlengd, zonder dat de totale duur van de detachering zes maar mag overtreffen.) Indien betrokkene bij het verstrijken van de detacheringstermijn zijn ambt in de Raad van State niet opnieuw heeft opgenomen, wordt hij geacht ontslag te hebben genomen.
  De gedetacheerde ambtsdragers behouden hun plaats op de ranglijst. De in de stand van detachering doorgebrachte tijd wordt als een periode van werkelijke dienst beschouwd.
  Zij blijven de aan hun ambt in de Raad van State verbonden wedde genieten. Geen enkele aanvullende bezoldiging, noch vergoeding mag hun worden verleend, buiten diegene welke de werkelijke lasten verbonden aan de toevertrouwde opdrachten of ambten dekken en diegene welke door de Koning in ieder bijzonder geval worden bepaald.
  (Een adjunct-auditeur of een adjunct-referendaris kan niet worden gedetacheerd.) <W 1994-03-24/42, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 27-05-1994>
  (De houder van een mandaat bedoeld in artikel 74/1, tweede lid, kan niet worden gedetacheerd. De houder van een mandaat bedoeld in artikel 74/1, derde lid, kan worden gedetacheerd voor een beperkte periode die de termijn van één jaar niet mag overschrijden.
  Indien de beheerder een ambtsdrager is, geschiedt in afwijking van het tweede lid, de detachering voor de duur van het mandaat van beheerder.
  De aanwijzing van een ambtsdrager bij de Raad van State voor een mandaat bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overeenkomstig de bepalingen gesteld in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, houdt van rechtswege de detachering in van de betrokken ambtsdrager voor de duur van het mandaat. Bij hernieuwing van het mandaat wordt deze detachering van rechtswege verlengd voor de duur van de hernieuwing. In afwijking van het vierde lid, eerste zin, genieten zij de wedde met inbegrip van de vergoedingen en verhogingen en weddebijslagen die aan het uitgeoefende mandaat zijn verbonden.) <W 2006-09-15/71, art. 61, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 111bis. (Ingevoegd bij W 17-10-1990, art. 16) Niet meer dan vier leden van het auditoraat mogen worden gedetacheerd. Niet meer dan dan drie van de gedetacheerde leden mogen tot dezelfde taalrol behoren.

  Art. 112. (Met uitsluiting van de houders van een mandaat van korpschef bedoeld in artikel 74/1, kunnen de ambtsdragers bij de Raad van State), op het advies als bedoeld in artikel 107, derde lid, door de Koning worden gemachtigd om een opdracht te vervullen of een ambt uit te oefenen bij supranationale, internationale of vreemde instellingen. <W 2006-09-15/71, art. 62, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Ingeval de hun aldus toegewezen taak hen in de onmogelijkheid stelt hun ambt bij de Raad van State uit te oefenen, worden zij buiten kader gesteld.
  De totale duur van de buitenkaderstelling mag niet langer zijn dan de periodes van werkelijke dienst bij de Raad van State.
  De betrokkenen die buiten kader gesteld zijn, ontvangen niet langer de wedde die aan hun ambt bij de Raad van State verbonden is en komen niet meer in aanmerking voor bevorderingen. Zij behouden hun recht om wederopgenomen te worden in hun vroeger ambt bij de Raad van State, ongeacht het aantal plaatsen bepaald in artikel 69.
  Indien de betrokkenen bij het verstrijken van de duur van de buitenkaderstelling hun ambt in de Raad van State niet opnieuw hebben opgenomen, worden zij geacht ontslag te hebben genomen.
  De personen bedoeld in het tweede lid mogen de duur van hun opdracht doen gelden voor de berekening van hun pensioen, voor zover deze niet reeds voor die berekening in aanmerking is genomen. Het aldus berekend pensioen wordt verminderd met het netto-bedrag van het pensioen dat aan de betrokkene uit hoofde van zijn opdracht wordt toegekend door de buitenlandse regering, het buitenlandse bestuur of de supranationale of internationale instelling waarbij hij ze heeft vervuld. Die vermindering wordt slechts toegepast op de pensienverhoging voortvloeiend uit de tenlasteneming door de Schatkist van de duur van die opdracht.
  (In afwijking van het vierde lid, blijven de ambtsdragers bij de Raad van State die bij supranationale of internationale instellingen zijn gedetacheerd om er niet-bezoldigde functies uit te oefenen waardoor ze niet langer hun ambt bij de Raad van State kunnen waarnemen, de wedde ontvangen die aan hun ambt bij de Raad van State verbonden is. Artikel 111bis is op hen van toepassing.) <W 2006-09-15/71, art. 62, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 113. De leden van de Raad van State die buiten kader zijn gesteld, alsmede de leden van het auditoraat, het coördinatiebureau en de griffie die gedetacheerd zijn of buiten kader zijn gesteld, kunnen niettegenstaande het in artikel 69 bepaalde aantal plaatsen worden vervangen, maar dan tot ten hoogste twee leden van de Raad van State, vier leden van het auditoraat, één lid van het coördinatiebureau en één lid van de griffie.
  (Alle ambtsdragers die voor een mandaat zijn aangewezen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overeenkomstig de bepalingen gesteld in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kunnen niettegenstaande het in artikel 69 bepaalde aantal plaatsen worden vervangen.) <W 2006-09-15/71, art. 63, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Voor de toepassing van artikel 73, § 1, (...), worden benoemingen om in een vervanging te voorzien als benoemingen in nieuwe plaatsen beschouwd. <W 06-05-1982, art. 12>
  Zij aan wie een ambt wordt begeven om in een vervanging te voorzien, worden vast benoemd. Van rechtswege bezetten zij de in artikel 69 bedoelde plaatsen naargelang deze vrijkomen en voor zover zij het bewijs leveren van de talenkennis die voor het bekleden van de vrijgekomen plaats vereist is.

  Art. 114. De bloed- en aanverwanten, tot en met de graad van oom en neef, mogen, tenzij de Koning dit verbod heeft opgeheven, niet tegelijkertijd van de Raad van State deel uitmaken; zij mogen niet tegelijkertijd zetelen, behalve op de algemene vergaderingen.

  Art. 115. Ieder lid van de Raad van State die te kort gekomen is aan de waardigheid van zijn ambt of aan de plichten van zijn staat, kan, volgens het geval, van zijn functie vervallen verklaard of daarin geschorst worden, bij een arrest dat door het Hof van cassatie, in algemene vergadering, op vordering van de procureur-generaal bij dit Hof, wordt uitgesproken.

  TITEL VIII. - (DIVERSE BEPALINGEN.) <W 2006-09-15/71, art. 66; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 116. De (beroepen tot nietigverklaring, cassatieberoepen, verzoekschriften of aanvragen) bedoeld bij de artikelen 11, 14 en 16 worden niet in aanmerking genomen indien die betwisting dagtekent van vóór de datum van de bekendmaking van de wet van 23 december 1946 houdende instelling van een Raad van State. <W 1999-05-25/44, art. 26, 010; Inwerkingtreding : 02-07-1999>

  Art. 117. Bij in Ministerraad overlegde koninklijke besluiten worden al de nodige aanvullende organieke maatregelen genomen welke ter uitvoering van deze gecoördineerde wetten nodig zijn.

  Art. 118. De kredieten welke voor de werking van de Raad van State nodig zijn, worden uitgetrokken op de begroting van (de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken). <W 2006-09-15/71, art. 64, 018; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 119.[1 Jaarlijks wordt door de Raad van State een activiteitenverslag opgemaakt en bekendgemaakt.
   Dit verslag bevat onder meer :
   1° de statistieken naargelang de aard van de geschillen of de aard van de adviesaanvragen, waaruit het aantal nieuwe zaken in die periode blijkt alsook het aantal bij eindarrest of bij advies afgedane zaken in diezelfde periode. Het verslag geeft tevens het totale werkvolume van de afdelingen aan waarbij de evolutie van die werklast eveneens wordt afgemeten aan het aantal neergelegde verslagen of gegeven adviezen van het auditoraat;
   2° een uiteenzetting over de tenuitvoerlegging van de beleidsplannen van de korpschefs;
   3° een bondig overzicht van de toepassing gedurende het voorbije gerechtelijk jaar van de toelaatbaarheidsprocedure bedoeld in artikel 20;
   4° informatie over het beheer van de Raad van State en van zijn infrastructuur, alsook over de weerslag die de ontwikkeling van de werklast heeft op de middelen die ter beschikking worden gesteld van de Raad van State, en een uiteenzetting van alle maatregelen die een budgettaire weerslag kunnen hebben. Deze informatie wordt voorgesteld onder een gescheiden vorm tussen het beheer van de centrale diensten, de diensten van het auditoraat en van de zetel. De informatie betreffende het beheer van de Raad van State houdt op zijn minst de informatie in betreffende de evolutie van de hangende zaken en van de gerechtelijke achterstand, met inbegrip van de procedure van toelaatbaarheid van de cassatieberoepen en deze betreffende het personeelskader en de bezetting van de effectieven.
   Dit verslag wordt, in voorkomend geval elektronisch, uiterlijk op 31 december meegedeeld aan de minister van Binne nlandse Zaken, aan de voorzitters van de Wetgevende Vergaderingen, aan de algemene vergadering van de Raad van State en aan de leden van het auditoraat.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 32, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 120.
  <Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38,5°, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 121.
  <Opgeheven bij W 2014-01-20/13, art. 38,5°, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  TITEL IX. - Maatregelen tot het wegwerken van de gerechtelijke achterstand [1 en tot het verwerken van de verhoging van het aantal adviesaanvragen]1 <Ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 68; Inwerkingtreding : 01-12-2006. Noteer dat er reeds een Titel IX bestond; zie verder>
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 33, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 122.[1 § 1. Teneinde de achterstand in de afdeling bestuursrechtspraak weg te werken of te voorkomen, of om het hoofd te kunnen bieden aan de werklast in de afdeling wetgeving, worden de in artikel 69, 1°, bepaalde cijfers respectievelijk van 44 tot 50 en van 28 tot 34 verhoogd, zijnde een verhoging met drie staatsraden per taalrol.
   Deze ambtsdragers worden bij voorrang belast met de medewerking aan de wegwerking of de voorkoming van de achterstand in de afdeling bestuursrechtspraak, of met de ten laste neming van het werk in de afdeling wetgeving, in de rechtsdomeinen waarin deze achterstand, die reeds bestaat of te voorzien valt, evenals de werklast, de grootste zijn. Deze rechtsdomeinen worden door de eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang de betrokken afdeling, aangewezen na overleg met de betrokken kamervoorzitters. Onverminderd de mogelijke toepassing van artikel 86, tweede lid, wijst de eerste voorzitter of de voorzitter deze ambtsdragers toe aan één of meer kamers in functie van de noden in deze kamers.
   De in het eerste lid bedoelde tijdelijke verhoging houdt op te bestaan op 31 december 2015. Op met redenen omkleed voorstel van de gezamenlijke korpschefs, indien de nood daartoe bestaat, kan het in artikel 69, 1°, bedoelde aantal staatsraden echter worden verhoogd bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad tot een maximum van drie staatsraden per taalrol voor een hernieuwbare periode van maximum twee jaar.
   § 2. De eerste voorzitter of de voorzitter brengen, in het jaarlijks activiteitenverslag, verslag uit over de aanwending van het op grond van dit artikel verhoogde aantal staatsraden en over de verwezenlijkte vooruitgang met het oog op de nagestreefde doelen.
   § 3. Zij aan wie met toepassing van dit artikel een ambt wordt verleend van staatsraad, worden in dit ambt benoemd en bekleden het in overtal. Van rechtswege bekleden zij de in artikel 69, 1°, bedoelde betrekkingen naargelang zij vacant worden en voor zover zij het bewijs leveren van de taalkennis die voor het bekleden van de vrijgekomen plaats vereist is.
   In functie van de noden van de dienst wijst de eerste voorzitter, in overleg met de voorzitter, de in overtal benoemde staatsraden aan voor de duur die hij bepaalt in een kamer in één van beide afdelingen van de Raad van State.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 34, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 123.[1 § 1. Teneinde de achterstand in de afdeling bestuursrechtspraak weg te werken of te voorkomen, of om het hoofd te kunnen bieden aan de werklast in de afdeling wetgeving, wordt het in artikel 69, 2°, bepaalde cijfer van 64 tot 76 verhoogd, zijnde een verhoging met zes eerste auditeurs, auditeurs of adjunct-auditeurs per taalrol.
   Deze ambtsdragers worden bij voorrang belast met de medewerking aan de wegwerking of de voorkoming van de achterstand in de afdeling bestuursrechtspraak, of de ten laste neming van het werk in de afdeling wetgeving, in de rechtsdomeinen waarin deze achterstand, die reeds bestaat of te voorzien valt, evenals de werklast, de grootste zijn. Deze rechtsdomeinen worden door de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, elk wat zijn bevoegdheid betreft, aangewezen na overleg met de betrokken eerste auditeurs-afdelingshoofden.
   De in het eerste lid bedoelde tijdelijke verhoging houdt op te bestaan op 31 december 2015. Op met redenen omkleed voorstel van de gezamenlijke korpschefs, indien de nood daartoe bestaat, kan het in artikel 69, 2°, bedoelde aantal leden van auditoraat, echter worden verhoogd bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad tot een maximum van zes eerste auditeurs, auditeurs of adjunct-auditeurs per taalrol voor een hernieuwbare periode van maximum twee jaar.
   § 2. De auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal brengen, in het jaarlijks activiteitenverslag, verslag uit over de aanwending van het op grond van dit artikel verhoogde aantal leden van het auditoraat en de verwezenlijkte vooruitgang met het oog op de nagestreefde doelen.
   § 3. Zij aan wie met toepassing van dit artikel een ambt wordt verleend van lid van het auditoraat, worden in dit ambt benoemd en bekleden het in overtal. Van rechtswege bekleden zij de in artikel 69, 2°, bedoelde betrekkingen naargelang deze vrijkomen en voor zover zij het bewijs leveren van de taalkennis die voor het bekleden van de vrijgekomen betrekking vereist is.
   In functie van de noden van de dienst, wijst de auditeur-generaal of adjunct-auditeur-generaal, ieder wat hem betreft, de in overtal benoemde leden van het auditoraat toe aan de afdeling van het auditoraat die hij bepaalt.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 35, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 124.[1 § 1. Teneinde de achterstand in de afdeling bestuursrechtspraak weg te werken of te voorkomen, of om het hoofd te kunnen bieden aan de werklast in de afdeling wetgeving, wordt het in artikel 69, 4°, bepaalde cijfer van 25 tot 31 verhoogd, zijnde een verhoging met drie griffiers per taalrol.
   De in het eerste lid bedoelde tijdelijke verhoging houdt op te bestaan op 31 december 2015. Op met redenen omkleed voorstel van de gezamenlijke korpschefs, indien de nood daartoe bestaat, kan het in artikel 69, 4°, bedoelde aantal griffiers echter worden verhoogd bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad voor maximaal drie griffiers per taalrol voor een hernieuwbare periode van maximum twee jaar.
   § 2. Zij aan wie met toepassing van dit artikel een ambt wordt verleend van griffier, worden in dit ambt benoemd en bekleden het in overtal. Zij krijgen van rechtswege toegang tot de betrekkingen bedoeld in artikel 69, 4°, wanneer deze vacant zijn, in zoverre zij de vereiste taalkennis om de vacant geworden betrekking te bezetten aantonen.
   In functie van de noden van de dienst, wijst de eerste voorzitter in overleg met de voorzitter, de in overtal benoemde griffiers aan voor de duur die hij bepaalt in een kamer in één van beide afdelingen van de Raad van State.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-20/13, art. 36, 026; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  TITEL IX. - OVERGANGSBEPALINGEN. (NOTA : toen de onderhavige titel reeds bestond heeft de W 2006-09-15/71, art. 68, de onderhavige gecoördineerde wetten aangevuld met een titel IX die Justel hoger heeft geplaatst.)

  HOOFDSTUK I. - OVERGANGSBEPALINGEN VAN DE WET VAN 23 DECEMBER 1946. - (Voor de tekst, zie artikelen 60 en 63 van de W 23-12-1946, B.St. 09-01-1947)

  HOOFDSTUK II. - OVERGANGSBEPALINGEN VAN DE WET VAN 15 APRIL 1958. - (Voor de tekst, zie artikel 17 van de W 15-04-1958, B.St. 25-04-1958)

  HOOFDSTUK III. - OVERGANGSBEPALINGEN VAN DE WET VAN 3 JUNI 1971. - (Voor de tekst, zie artikelen 47 tot 51 van de W 03-06-1971, B.St. 19-06-1971)

  Bijlagen.

  Art. N1. BEPALINGEN NIET OPGENOMEN IN DE COORDINATIE.

  Art. 1N1. Wet van 23 december 1946. (Voor de tekst, zie artikel 64 van de W 23-12-1946, B.St. 09-01-1947)

  Art. 2N1. Wet van 3 juni 1971. (Voor de tekst, zie artikel 46 van de W 03-06-1971, B.St. 19-06-1971)

  Art. 3N1. Wet van 3 juli 1971. (Voor de tekst, zie artikel 24 van de W 03-07-1971, B.St. 06-07-1971)

  Art. 4N1. Wet van 17 oktober 1990. - Voor de tekst, zie artikel 18 van de W 17-10-1990, B.St. 13-11-1990)

  Art. N2. CONCORDANTIETABEL.

  Art. 1N2. Wet van 23 december 1946 houdende instelling van een Raad van State, zoals gewijzigd, en artikelen 10 tot 21 van de wet van 3 juli 1971 tot indeling van de leden van de Wetgevende Kamers in taalgroepen en houdende diverse bepalingen betreffende de Cultuurraden voor de Nederlandse cultuurgemeenschap en voor de Franse cultuurgemeenschap.

  Art. 2N2. A. Wet van 23 december 1946.

           Coordinatie
  Art. 1, gew. W. 3.6.1971, art. 1                      Art. 1
  Art. 2, al. 1, al. 2, gew. W. 3.6.1971,               Art. 2
    art. 2                                              Art. 3
    al. 4, ing. bij W. 5.12.1968, art. 63               Art. 5
  Art. 3                                                Art. 6
  Art. 4                                                Art. 7
  Art. 5                                                Art. 8
  Art. 6                                                Art. 9
  Art. 7, # 1, zie art. 7bis                            -
  Art. 7, # 2, gew. W. 3.6.1971, art. 3, # 1            Art. 10
  Art. 7bis, ing. bij W. 3.6.1971, art. 3, # 2, in de
    plaats van het oorspronkelijk art. 7, # 1           Art. 11
  Art. 8, al. 1 + 2                                     Art. 12
    al. 3, toegev. W. 3.6.1971, art. 4                  Art. 13
  Art. 9, al. 1 + 2, toegev. W. 3.6.1971, art. 5        Art. 14
    al. 3, toegev. W. 3.6.1971, art. 5                  Art. 15
  Art. 10, gew. W. 9.7.1971, art. 19                    Art. 16
  Art. 11                                               Art. 19, lid 1
  Art. 12                                               Art. 20
  Art. 13, gew. W. 3.6.1971, art. 6                     Art. 21
  Art. 14, al. 1 + 2                                    Art. 22
    al. 3, gew. W. 11.6.1952, art. 1                    Art. 19, lid 2
  Art. 15                                               Art. 23
  Art. 16, gew. W. 3.6.1971, art. 7                     Art. 25
  Art. 17, al. 1                                        Art. 26
    al. 2, toegev. W. 3.6.1971, art. 8                  Art. 24
  Art. 18                                               Art. 27
  Art. 19                                               Art. 28
  Art. 20, # 1, gew. W. 3.6.1971, art. 9                Art. 33
    # 2                                                 Art. 34
    # 3                                                 Art. 35
  Art. 21, al. 1, gew. W. 3.6.1971, art. 10, 1°         Art. 30, lid 1
    al. 2, gew. W. 18.3.1954, art. 1, # 1, art. 10,
    2° + W. 3.6.1971                                    lid 2
    al. 3 + 4, gew. W. 18.3.1954, art. 1, # 2           Art. 31
  Art. 21bis, ingev. W. 3.6.1971, art. 11               Art. 32
  Art. 22, W. 3.6.1971, art. 12, 1 1 + 2 1              Art. 29
  Art. 23, al. 1, 2 + 3                                 Art. 47
    al. 4, toegev. W. 3.6.1971, art. 13                 Art. 48
  Art. 24                                               Art. 49
  Art. 25, # 1, gew. W. 15.4.1958, art. 1 + K.B.
    12.1.1973, art. 1, # 1, 1 1 + 2 1                   Art. 51
    # 2, gew. W 15.4.1958, art. 1 + K.B.
    12.1.1973, art. 1, # 1, 1 1                         Art. 52
  Art. 25, # 3, gew. W. 15.4.1958 + W. 3.6.1971,
    art. 14, 1 1 + K.B. 12.1.1973, art. 1, # 1, 1° + 2° Art. 53
    # 4, gew. W. 15.4.1958, art. 1                      Art. 54
    # 5, gew. W. 15.4.1958, art. 1                      Art. 55
    # 6, gew. W. 15.4.1958, art. 1                      Art. 46
    # 7, gew. W. 15.4.1958, art. 1                      Art. 57
    # 8, gew. W. 15.4.1958, art. 1                      Art. 58
    # 9, gew. W. 15.4.1958, art. 1                      Art. 59
    # 10, gew. W. 15.4.1958, art. 1                     Art. 60
    # 11, gew. W. 15.4.1958, art. 1                     Art. 61
    # 12, gew. W. 15.4.1958, art. 1                     Art. 62
    # 13, gew. W. 15.4.1958, art. 1 + W. 3.6.1971,
    art. 14, 2°                                         Art. 63
  Art. 26, # 1, gew. W. 15.4.14958, art. 1 + K.B.
    12.1.1973, art. 1, # 2, 1°                          Art. 64
    # 2, gew. W. 15.4.1958, art. 1 K.B.
    12.1.1973, art. 1, # 2, 2°                          Art. 65
    # 3, gew. W. 15.4.1958, art. 1 + W. 3.6.1971,
    art. 15 + K.B. 12.1.1973, art. 1, # 2, 2°           Art. 66
  Art. 27, gew. W. 15.4.1958, art. 1 + K.B.
    12.1.1973, art. 1, # 3                              Art. 68
  Art. 28, gew. W. 3.6.1971, art. 16                    Art. 69
  Art. 29                                               Art. 79
  Art. 30, al. 1 + 2 (partim) + 3,
    gew. W. 8.2.1962, art. 1 + W. 3.6.1971, art. 17     Art. 70, # 2
    al. 1 + 2 (partim)                                  Art. 80, lid 3
  Art. 31, # 1, gew. W. 3.6.1971, art. 18               Art. 71, # 2
    # 2, al. 1, gew. W. 3.6.1971, art. 18               Art. 71, # 1, lid 2
    al. 2, gew. W., idem                                lid 1
    al. 3, gew. W., idem                                Art. 75, lid 3
                                                         + 77, # 2, lid 2
  Art. 31, # 3, gew. idem                               Art. 71, # 1 lid 3
    # 4, gew. idem                                      Art. 71, # 3
    # 5, gew. idem                                      Art. 71, # 4
    # 6, gew. idem                                      Art. 71, # 5
  Art. 32, # 1, al. 1, gew. W. 3.6.1971, art. 19        Art. 72, # 1 lid 2
    al. 2, gew. idem                                    lid 1
    # 2, al. 1 + 2, gew. idem                           # 2, lid 2 + 3
    al. 3, gew. idem                                    lid 1
    # 3, gew. idem                                      # 3
    # 4, gew. idem                                      # 4
  Art. 33, # 1, al. 1, 2, 3 (partim), 4 + # 2, gew. W.
    15.4.1958, art. 5 W. 3.6.1971, art. 20              Art. 73
  Art. 33, # 1, al. 3 (partim), gew. W. 3.6.1971,
    art. 20                                             Art. 80, lid 3
  Art. 34, # 1, 2 + 3, gew. W. 3.7.1971, art. 21        Art. 70 ## 1, 3 + 4
  Art. 35, gew. W. 3.6.1971, art. 22                    Art. 80, lid 1 + 2
  Art. 36, al. 1 + 2, gew. W. 3.6.1971, art. 23         Art. 75 lid 1 + 2
    al. 3, gew. W. 3.6.1971, art. 23                    Art. 76
  Art. 37, al. 1, gew. W. 3.6.1971, art. 24 al. 2, gew. Art. 77, # 1
    idem                                                # 2, lid 1
  Art. 38, al. 1, 2 (partim) + 3, gew. W. 3.6.1971,
    art. 25                                             Art. 74
    al. 2 (partim), gew. W. 3.6.1971., art. 25          Art. 80, lid 3
  Art. 39, al. 1 + 4, gew. W. 3.6.1971, art. 26,
    # 1 + 2                                             Art. 99
    al. 2 + 3                                           Art. 100
  Art. 40, gew. W. 3.6.1971, art. 27                    Art. 101
  Art. 41, gew. W. 3.6.1971, art. 28                    Art. 102
  Art. 42, gew. W. 3.6.1971, art. 29                    Art. 78
  Art. 43, gew. W. 3.6.1971, art. 30                    Art. 79
  Art. 44, al. 1, 2 + 4, gew. W. 29.7.1963, art. 4 +
    W. 3.6.1971, art. 31                                Art. 81
  Art. 44, al. 3                                        Art. 82
    al. 5, gew. W. 3.6.1971, art. 31                    Art. 83
  Art. 45                                               Art. 84
  Art. 46, gew. W. 3.6.1971, art. 32                    Art. 85
  Art. 47, # 1, gew. W. 29.7.1963, art. 5               Art. 86
    # 2, gew. W. 29.7.1963, art. 5                      Art. 87
    # 3, gew. W. 29.7.1963, art. 5                      Art. 88
    # 4, gew. W. 29.7.1963, art. 5 + W. 3.6.1971,
    art. 33                                             Art. 89
  Art. 48, al. 1                                        Art. 90
    al. 2, gew. W. 15.4.1958, art. 9                    Art. 91
    al. 3, gew. W. 3.6.1971, art. 34                    Art. 92
    al. 4, gew. W. 3.6.1971, art. 34                    Art. 93
  Art. 49, gew. W. 3.6.1971, art. 35                    Art. 94
  Art. 50, gew. W. 15.4.1958, art. 10                   Art. 103
  Art. 51, gew. W. 3.6.1971, art. 36                    Art. 104
  Art. 52, gew. W. 3.6.1971, art. 37                    Art. 105
  Art. 53, gew. W. 3.6.1971, art. 38                    Art. 106
  Art. 54, # 1, gew. W. 3.6.1971, art. 39               Art. 107
    # 2, gew. W. 3.6.1971, art. 39                      Art. 108
    # 3, gew. W. 3.6.1971, art. 39                      Art. 109
    # 4, gew. W. 3.6.1971, art. 39                      Art. 110
  Art. 54bis, # 1, ingev. W. 15.4.1958, gew. W.
    3.6.1971, art. 40                                   Art. 111
    # 2, ingev. W. idem                                 Art. 112
  Art. 54ter, ingev. W. 3.6.1971. art. 41               Art. 113
  Art. 55                                               Art. 114
  Art. 56                                               Art. 115
  Art. 57, cfr. art. 42, # 2, W. 3.6.1971               -
  Art. 58                                               Art. 116
  Art. 59, opgeh. W. 3.6.1971, art. 46, 1°              -
  Art. 60, Overgangsbepaling                            -
  Art. 61                                               Art. 117
  Art. 62, opghev. W. 3.6.1971, art. 46, 1°             -
  Art. 63, Overgangsbepaling                            -
  Art. 64, Inwerkingtreding - Niet opgenomen bepaling   -
  Art. 65                                               Art. 118



  Art. 3N2. B. Wet van 3 juli 1971.

           Coordinatie
  Art. 10, al. 1, 2 + 3                                 Art. 4
    al. 4                                               Art. 50
  Art. 11                                               Art. 4
  Art. 12, # 1, eerste volzin                           Art. 1
    tweede volzin                                       Art. 17
    # 2, al. 1 + 2                                      Art. 95
    al. 3                                               Art. 96
    al. 4 + 5 (partim)                                  Art. 97
    al. 5 (partim)                                      Art. 100
  Art. 12, # 2, al. 5 (partim)                          Art. 101
    al. 5 (partim)                                      Art. 109
    al. 6                                               Art. 103
    # 3                                                 Art. 98
    # 4, al. 1                                          Art. 36
    al. 2                                               Art. 67
    # 5                                                 Art. 39
  Art. 13                                               Art. 37
  Art. 14, al. 1                                        Art. 18
    al. 2, 3 + 4                                        Art. 38
  Art. 15                                               Art. 40
  Art. 16                                               Art. 41
  Art. 17                                               Art. 42
  Art. 18                                               Art. 43
  Art. 19                                               Art. 44
  Art. 20                                               Art. 45
  Art. 21                                               Art. 46


Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 16-08-2016 GEPUBL. OP 14-09-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 5/1; 5/2; 5/3; 5/4)
  • originele versie
  • WET VAN 26-12-2015 GEPUBL. OP 30-12-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 30; 36; 37)
  • originele versie
  • ARREST GRONDWETTELIJK HOF VAN 16-07-2015 GEPUBL. OP 01-09-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 38)
  • originele versie
  • WET VAN 27-05-2014 GEPUBL. OP 03-07-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 30)
  • originele versie
  • WET VAN 10-04-2014 GEPUBL. OP 21-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 20; 30; 83; 92)
  • originele versie
  • WET VAN 20-01-2014 GEPUBL. OP 03-02-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 14 ; 14ter ; 15 ; 16 ; 17 ; 19 ; 21 ; 21bis ; 30 ; 30/1 ; 35/1 ; 36 ; 38 ; 70 ; 72 ; 73 ; 74/2 ; 74/3 ; 74/4 ; 74/7 ; 76 ; 77 ; 84 ; 84bis ; 84ter ; 90 ; 93 ; 101/1 ; 102bis ; 104/2 ; 119 ; 122 ; 123 ; 124 ; 18 ; 74/6 ; 74/8-74/12 ; 104/3-104/6 ; 120; 121)
  • originele versie
  • WET VAN 06-01-2014 GEPUBL. OP 31-01-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 11bis; 27; 29; 30; 53; 63)
  • originele versie
  • WET VAN 19-07-2012 GEPUBL. OP 22-08-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 93; 95; 97)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-03-2011 GEPUBL. OP 09-03-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 30)
  • originele versie
  • WET VAN 21-02-2010 GEPUBL. OP 26-02-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 70; 74/2)
  • originele versie
  • WET VAN 15-05-2007 GEPUBL. OP 08-06-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • originele versie
  • WET VAN 23-03-2007 GEPUBL. OP 01-06-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 30)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-04-2007 GEPUBL. OP 30-04-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 7; 11; 14TER; 17; 19; 20; 21; 23)
    (GEWIJZIGDE ART. : 24; 26; 26BIS; 27; 29; 30; 33; 34)
    (GEWIJZIGDE ART. : 35; 73/1; 76; 79; 86; 87; 89; 90)
    (GEWIJZIGDE ART. : 92; 95BIS; 96; 119; 120; 122-124)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 123)
  • originele versie
  • WET VAN 15-09-2006 GEPUBL. OP 06-10-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8; 9; 10; 14; 16; 17; 19; 20; 21)
    (GEWIJZIGDE ART. : 21BIS; 23; 25; 27; 28; 29; 30; 33)
    (GEWIJZIGDE ART. : 37; 51; 51BI; 53; 63; 66; 69-74; 69)
    (GEWIJZIGDE ART. : 70; 71; 72; 73/1; 74/1-74/12; 76; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 77; 77/1; 78/1; 78/2; 79; 81; 83; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 85BI; 86; 87; 89; 90; 92; 93; 95BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 97; 102BIS; 102TER; 104/1-104/6)
    (GEWIJZIGDE ART. : 105; 111; 112; 113; 118; 120; 121)
    (GEWIJZIGDE ART. : 122; 123; 124; 102BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 15-09-2006 GEPUBL. OP 06-10-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 17; 30; 69) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 27-03-2006 GEPUBL. OP 11-04-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 51BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 17-02-2005 GEPUBL. OP 13-10-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 16; 16BIS; 19; 30; 52; 63; 97)
  • originele versie
  • WET VAN 02-04-2003 GEPUBL. OP 14-05-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 69; 76; 77; 82; 83; 84; 84BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 84TER; 85BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 14-01-2003 GEPUBL. OP 23-01-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 69)
  • originele versie
  • WET VAN 02-08-2002 GEPUBL. OP 04-09-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 30)
  • originele versie
  • WET VAN 17-02-2002 GEPUBL. OP 16-03-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 37)
  • originele versie
  • WET VAN 02-04-2001 GEPUBL. OP 18-04-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 16)
  • originele versie
  • WET VAN 18-04-2000 GEPUBL. OP 20-05-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 30; 35; 69; 86; 87)
  • originele versie
  • WET VAN 25-05-1999 GEPUBL. OP 22-06-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 21; 27) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 25-05-1999 GEPUBL. OP 22-06-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 17; 19; 21BIS; 29; 30; 32; 33)
    (GEWIJZIGDE ART. : 53; 54-60; 69; 71; 72; 73; 74; 75)
    (GEWIJZIGDE ART. : 76; 77; 81; 84BIS; 90; 109; 116)
  • originele versie
  • WET VAN 22-03-1999 GEPUBL. OP 01-05-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 70)
  • originele versie
  • WET VAN 12-02-1999 GEPUBL. OP 18-03-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 16BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 08-09-1997 GEPUBL. OP 16-10-1997
    (GEWIJZIGDE ART. : 14BIS; 70; 87; 6BIS; 84; 120)
  • originele versie
  • WET VAN 06-05-1997 GEPUBL. OP 25-06-1997
    (GEWIJZIGDE ART. : 70; 71)
  • WET VAN 04-08-1996 GEPUBL. OP 20-08-1996
    (GEWIJZIGDE ART. : 28; 29; 30; 63; 69; 71; 72; 73; 74)
    (GEWIJZIGDE ART. : 75; 76; 77; 79; 80; 81; 82; 83; 84)
    (GEWIJZIGDE ART. : 86; 87; 90; 92; 93; 101; 102BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 107; 119; 120)
    (GEWIJZIGDE ART. : 17; 24; 63)
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 3BIS; 4; 6; 6BIS; 12; 14BIS; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 14TER; 17; 18; 21; 21BIS; 24; 27)
  • WET VAN 06-04-1995 GEPUBL. OP 29-04-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 84)
  • WET VAN 07-07-1994 GEPUBL. OP 16-07-1994
    (GEWIJZIGD ART. : 16)
  • WET VAN 24-03-1994 GEPUBL. OP 17-05-1994
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 20; 22; 70; 71; 111; 119)
  • WET VAN 06-05-1993 GEPUBL. OP 21-05-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 90)
  • WET VAN 05-05-1993 GEPUBL. OP 08-05-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 26BIS)
  • WET VAN 22-12-1992 GEPUBL. OP 04-03-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 18)
  • WET VAN 15-10-1991 GEPUBL. OP 09-01-1992
    (GEWIJZIGD ART. : 84)
  • WET VAN 19-07-1991 GEPUBL. OP 12-10-1991
    (GEWIJZIGDE ART. : 17; 18; 69; 72)
  • WET VAN 20-07-1991 GEPUBL. OP 01-08-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 36)
  • WET VAN 17-10-1990 GEPUBL. OP 13-11-1990
    (GEWIJZIGDE ART. : 21; 21BIS; 24; 30; 36; 69; 70; 71)
  • WET VAN 04-07-1989 GEPUBL. OP 25-07-1989
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • WET VAN 16-06-1989 GEPUBL. OP 17-06-1989
    (GEWIJZIGDE ART. : 2-4; 6; 9; 14BIS; 17; 18; 51BIS; 63; 69; 71; 75; 91; 93; 94; 95-98)
  • WET VAN 06-01-1989 GEPUBL. OP 07-01-1989
    (GEWIJZIGD ART. : 31BIS)
  • WET VAN 21-08-1987 GEPUBL. OP 26-09-1987
  • WET VAN 10-05-1985 GEPUBL. OP 12-06-1985
  • WET VAN 03-12-1984 GEPUBL. OP 22-12-1984
  • WET VAN 31-12-1983 GEPUBL. OP 18-01-1984

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Inhoudstafel 356 uitvoeringbesluiten 30 gearchiveerde versies
    Franstalige versie