J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 699 uitvoeringbesluiten 65 gearchiveerde versies
Erratum Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1944/12/28/1944122850/justel

Titel
28 DECEMBER 1944. - Besluitwet betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
(NOTA : art. 7,§1,L3 gewijzigd in de toekomst door DVR 2017-12-22/47, art. 12, 065; Inwerkingtreding : onbepaald)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-01-1985 en tekstbijwerking tot 21-12-2018) Zie wijziging(en)

Publicatie : 30-12-1944 nummer :   1944122850 bladzijde : 1730
Dossiernummer : 1944-12-28/01
Inwerkingtreding : 01-01-1945

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-7
Art. 7 WAALS GEWEST
Art. 7 VLAAMS GEWEST
Art. 7 GRONDGEBIED VAN HET FRANSE TAALGEBIED
Art. 7 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 7 BRUSSSEL HOOFDSTEDELIJK GEWEST, 8
Art. 8 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 8 WAALS GEWEST
Art. 8 VLAAMS GEWEST
Art. 8bis
Art. 8bis VLAAMS GEWEST
Art. 8ter
Art. 8ter VLAAMS GEWEST
Art. 8ter DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 8ter WAALS GEWEST
Art. 8quater WAALS GEWEST
Art. 8quater BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 9
Art. 9 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 10-14

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. (opgeheven) <W 27-06-1969, art. 50, 1°>

  Art. 2. (opgeheven) <W 27-06-1969, art. 50, 1°>

  Art. 3. § 1 tot en met § 3. (opgeheven) <W 27-06-1969, art. 50, 1°>
  § 4. (al. 1 tot en met al. 3 opgeheven) <W 27-06-1969, art. 50, 1°>
  (Een deel van (10,27) pct., vervat in de bijdrage van (16,27) pct. als beoogd bij § 2, eerste lid, 4°, wordt aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid slechts jaarlijks gestort, en zulks in de loop van het jaar volgend op het vakantiejaar en op de door de Koning vastgestelde datum. Weliswaar kan de Koning, op voorstel van het bevoegde paritair comité, andere uitbetalingsmodaliteiten voorschrijven voor een deel van (8 pct.) vervat in bedoelde (10,27) pct. <KB 28-03-1975, art. 8> <AR 1999-03-29/30, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <W 2001-05-22/36, art. 11, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Hij kan eveneens, op voorstel van het bevoegde paritair comité, beslissen dat dit deel van (8 pct.) van de bijdragen aan een andere instelling dan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid zal worden gestort.) <W 13-06-1966, art. 14>
  (De voornoemde bijdrage van (16,27) pct. wordt rechtstreeks door de werkgever gestort aan de Rijksverlofkas voor diamantnijverheid wat betreft de arbeiders van de diamantnijverheid en -handel). <W 28-03-1975, art. 9> <W 2001-05-22/36, art. 11, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  § 5. (opgeheven) <W 27-06-1969, art. 50, 1°>

  Art. 4. (...) <W 27-06-1969, art. 50, 1°>
  A. (...) <W 27-06-1969, art. 50, 1°>
  (1° tot en met 4° zijn opgeheven) <W 27-06-1969, art. 50, 1°>
  5° ((16,27) pct. aan de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie. Dat percentage bedraagt evenwel: <W 2001-05-22/36, art. 12, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  a) (8,27) pct. wanneer een deel van 8 pct. door de werkgever aan een andere instelling dan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid wordt gestort overeenkomstig een ander koninklijk besluit, genomen ter uitvoering van artikel 3, § 4, vijfde lid; <W 2001-05-22/36, art. 12, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  b) (10,27) pct. of (8,27) pct. in het geval beoogd bij artikel 65, § 1, van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, naargelang de in dat artikel voorgeschreven bestemming ten aanzien van de aan het Fonds voor bestaanszekerheid gestorte bijdrage; <W W 2001-05-22/36, art. 12, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  c) 6 pct. in het geval beoogd bij artikel 65, § 2, van bedoelde vakantiewetten, wat betreft de werkgevers die moeten bijdragen aan het Fonds voor bestaanszekerheid voor arbeiders van de bouwnijverheid.) <W 28-03-1975, art. 10>
  B. (opgeheven) <W 27-06-1969, art. 50, 1°>

  Art. 5. (opgeheven) <W 27-06-1969, art. 50, 1°>

  Art. 6. (opgeheven) <W 27-06-1969, art. 50, 1°>

  Art. 7.(NOTA : zie verder gemeenschappelijke of gewestelijke vormen van artikel 7.)(De wijzigingen aan dit artikel door de federale macht aangebracht zullen in de verschillende versies gebracht worden.)
  <W 14-07-1951, art. 3> § 1. Bij het Ministerie van Arbeid en Sociale Voorzorg wordt een [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] opgericht. <W 14-2-1961, art. 9>
  Deze dienst is een publiekrechtelijk lichaam bekleed met rechtspersoonlijkheid.
  [Onder de voorwaarden, die de Koning bepaalt, heeft de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening tot taak:
  a) de aanwerving en de plaatsing van de werknemers te bevorderen en te organiseren;
  b) de herscholing van de onvrijwillige werklozen te bevorderen en te organiseren;
  c) de versnelde beroepsopleiding van de volwassenen te bevorderen en te organiseren, hetzij door met dit doel eigen centra op te richten, hetzij door het subsidiëren van centra die de rechtspersoonlijkheid bezitten en tot hetzelfde doel worden erkend;
  d) tegemoet te komen in het loon van de onvrijwillige werklozen van gevorderde leeftijd, mindervaliden of die om andere redenen als moeilijk te plaatsen worden beschouwd en die door zijn toedoen worden aangeworven;
  e) tegemoet te komen in de uitgaven die inherent zijn aan de selectie, de beroepsopleiding of het opnieuw installeren van het personeel dat door de werkgevers wordt in dienst genomen met het oog op de oprichting, de uitbreiding of overschakeling van ondernemingen;
  f) tegemoet te komen in de kosten van nieuwe installatie der werkloze werknemers;
  g) tegemoet te komen in het loon van de werknemers, die door de overschakeling van hun onderneming zijn getroffen;
  h) [de terugbetaling verzekeren van de lonen en de sociale bijdragen met betrekking tot het betaald educatief verlof, op grond van de verzamelstaten die door de werkgevers werden ingediend bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid overeenkomstig artikel 120 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, na vaststelling door dit ministerie van de conformiteit van de vraag om terugbetaling met de wettelijke en reglementaire bepalingen.] <W 2001-07-19/38, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  i) met behulp van de te dien einde opgerichte of nog op te richten organismen, aan de onvrijwillige werklozen en aan hun gezin de uitbetaling van de hun verschuldigde uitkeringen te verzekeren] <W 14-02-1961, art. 10>
  j) [met de hulp van de daartoe opgerichte of op te richten instellingen, te zorgen voor de uitbetaling aan de in Frankrijk tewerkgestelde grensarbeiders van een compensatievergoeding ter compensatie van de loonderving [die voortvloeit uit de schommelingen van de wisselkoers tussen de Belgische en de Franse munt die zich voordeden voor 1 april 1987]] <KBN13 11-10-1978, art. 1> <W 1999-03-26/30, art. 80, 010; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  [k) de uitbetaling verzekeren van de onderbrekingstoelage bedoeld in artikel 3, § 3bis, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, met behulp van de Divisie Begroting van de Generale Staf bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 1989 houdende organisatie van de Generale Staf.] <W 1998-02-13/32, art. 36, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  [ [l]) de uitbetaling verzekeren van de vergoedingen bedoeld bij afdeling 5 van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.] <W 2001-08-10/59, art. 20, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <Erratum, B.S. 09-10-2001, p. 34387>
  [De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de voorwaarden en modaliteiten bepalen volgens dewelke de uitbetaling van deze vergoedingen, aan werknemers tewerkgesteld bij een werkgever die niet valt onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités in zoverre voor deze werknemers geen werkgeversbijdrage betaald dienen te worden zoals voorzien in artikel 17, § 2, 1°, c) en 2°, c), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, afhankelijk gemaakt wordt van de voorwaarde dat deze werkgever er zich voorafgaandelijk toe verbonden heeft in te staan, volgens de voorwaarden en modaliteiten bepaald door Hem, voor de financiering van de uit te betalen sommen.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het toepassingsgebied van het vorige lid verruimen tot bepaalde werkgevers die ressorteren onder de wet van 5 december 1968 en die werknemers tewerkstellen anders dan onder een arbeidsovereenkomst. De Koning kan bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalde werkgevers geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het toepassingsgebied van het vorige lid.] <W 2003-12-22/42, art. 31, 028; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  [m) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van een uitkering voor bepaalde categorieën van werklozen die tewerkgesteld zijn in een inschakelingsprojekt met het oog op de bevordering van hun integratie op de arbeidsmarkt.] <KB 1996-11-14/34, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  [n) met de hulp van de daartoe opgerichte of op te richten instellingen, te zorgen voor de uitbetaling aan de Belgische grensarbeiders van een vergoeding ter compensatie van het inkomstenverlies dat zij lijden ten gevolge van het feit dat zij hun belastingen in België en hun sociale zekerheidsbijdragen in het werkland betalen. De voorwaarden voor de toekenning van deze vergoedingen, het bedrag van de vergoedingen en de datum van inwerkingtreding van de uitvoeringsmaatregelen worden vastgelegd door een in Ministerraad goedgekeurd koninklijk besluit.] <W 1998-12-22/53, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  [o) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van jeugdvakantieuitkeringen voor de jeugdvakantiedagen bedoeld in artikel 5 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971.] <W 2001-05-22/36, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  p) [met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering, de uitbetaling verzekeren van de werkhervattingstoeslag voor [bepaalde categorieën van werklozen] die het werk hervatten, [hierbij inbegrepen de werklozen] die een beroepsactiviteit als zelfstandige starten om aan de werkloosheid te ontsnappen, met het oog op de bevordering van hun herintegratie op de arbeidsmarkt.] <W 2005-12-23/30, art. 65, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2006> <W 2008-07-24/35, art. 88, 041; Inwerkingtreding : 17-08-2008>
  [Deze toeslag wordt voor de toepassing van de fiscale wetgeving beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering behoudens indien de Koning daarvan afwijkt. De periode die gedekt is door deze werkhervattingstoeslag, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.] (W 2001-12-30/30, art. 61, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2002)
  [q) met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i) de betaling verzekeren van een vergoeding ter gedeeltelijke compensatie van het inkomensverlies dat een onthaalouder door omstandigheden buiten zijn of haar wil lijdt ingevolge de tijdelijke afwezigheid van kinderen die hij of zij normaal opvangt.] <W 2002-12-24/32, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 01-04-2003; inwerkingtreding op een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum, en uiterlijk op 1 april 2003; Justel heeft geen kennis van betrokken besluit>
  [r) de financiering verzekeren van de startbaanovereenkomsten die deel uitmaken van de globale projecten in de openbare sector bedoeld in artikel 43 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid.] <W 2002-12-24/31, art. 316, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [s) de betaling verzekeren, volgens de nadere regels en ten belope van het bedrag vastgesteld door de Koning, van de kostprijs van de outplacementbegeleidingen georganiseerd via de tussenkomst van instellingen ingesteld of erkend door de gewestelijke instellingen ingesteld door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en door de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, en die bevoegd zijn voor deze materie, voor de werknemers die niet genoten van de outplacementbegeleiding bepaald bij artikels 13 en 14 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers.] <W 2002-12-24/31, art. 320, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [t) de terugbetaling verzekeren, volgens de nadere regels en ten belope van het bedrag vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, van de kostprijs van de outplacementbegeleiding die werkelijk gedragen werd door de werkgever in herstructurering, voor die werknemers die binnen een bepaalde periode na hun ontslag bij de werkgever in herstructurering door toedoen van een tewerkstellingscel opnieuw op duurzame wijze in dienst zijn genomen bij een nieuwe werkgever.] <W 2003-12-22/42, art. 27, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  [u) vanaf 1 juli 2004 de financiering verzekeren van de begeleiding van jongeren in het kader van een inschakelingparcours, zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 31 augustus 2001 tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten betreffende het inschakelingsparcours van werkzoekenden naar de startbaanovereenkomst [, en van de actieve begeleiding en opvolging van werklozen, zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 30 april 2004 tussen de Federale Staat, de Gewesten en de Gemeenschappen betreffende de actieve begeleiding en opvolging van werklozen].] <W 2004-07-09/30, art. 256, 029; Inwerkingtreding : 01-07-2004> <W 2005-09-17/80, art. 3, 039; Inwerkingtreding : 04-08-2007>
  [ [v]) de betaling verzekeren van de bedragen voor cofinanciering voorzien bij artikel 8 van het samenwerkingsakkoord van 4 juli 2000 tussen de Staat, de Gewesten en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de sociale economie, waarmee ingestemd werd bij de wet van 26 juni 2001 en bij de daaropvolgende samenwerkingsakkoorden;] <W 2004-12-27/30, art. 171, 030; Inwerkingtreding : 10-01-2005> <W 2005-12-23/30, art. 60, 1°, 032; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  [w) de betaling verzekeren van de start- en stagebonussen, bedoeld in artikel 58 van de wet 23 december 2005 van betreffende het generatiepact.] <W 2005-12-23/30, art. 60, 2°, 033; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  [x) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van seniorvakantie-uitkeringen voor de seniorvakantiedagen bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, ingevoegd bij de wet van december 2005.] <W 2005-12-23/30, art. 54, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [y) met behulp van de instellingen opgericht krachtens littera i), onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering, de uitbetaling verzekeren van een begeleidingsuitkering voor bepaalde categorieën van jongeren die niet gerechtigd zijn op uitkeringen toegekend krachtens littera i), doch ingeschreven zijn als werkzoekende en een opleiding of een begeleiding volgen met het oog op de integratie op de arbeidsmarkt.
  Deze uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering. De Koning bepaalt evenwel voor welke bepalingen van de uitvoeringsbesluiten deze uitkering niet beschouwd wordt als een werkloosheidsuitkering, inzonderheid om te voorkomen dat de begeleidingsuitkering in rekening wordt gebracht bij de vaststelling van de toelaatbaarheidsvoorwaarden tot het recht op uitkeringen in toepassing van littera i), en om te voorkomen dat de begeleidingsuitkering in rekening wordt gebracht als werkloosheidsduur. De periode die gedekt is door een begeleidingsuitkering, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.] <W 2005-12-27/30, art. 11, 031; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  [z) de terugbetaling verzekeren aan de werkgever of aan het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers van het bedrag bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.] <W 2005-12-23/30, art. 39, 033; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
  [za) de terugbetaling verzekeren van het terugbetaalbaar deel van de opleidingskosten zoals bedoeld in afdeling 3 van Hoofdstuk II van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van de buurtdiensten en -banen.] <W 2006-12-27/30, art. 259, 036; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
  [zb) de uitbetaling verzekeren van de uitkeringen toegekend met het oog op het verstrekken van pleegzorgen bedoeld bij Titel VI, Hoofdstuk II, van de programmawet van 27 april 2007.] <W 2007-04-27/35, art. 58, 038; Inwerkingtreding : 08-05-2007>
  [zc) met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, de toekenning en de uitbetaling verzekeren van een tijdelijke premie aan bepaalde categorieën van oudere werknemers die op eigen verzoek met inkomensverlies bij dezelfde werkgever overstappen naar lichter werk. Deze premies worden verrekend vanuit het bedrag dat jaarlijks overeenkomstig artikel 25, 1°, van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt toegewezen aan het Ervaringsfonds bedoeld in artikel 24 van dezelfde wet.] <L 2008-12-22/32, art. 124, 1°, 042; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  [1 [6 zd). Met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, de uitbetaling verzekeren van een crisisuitkering wegens schorsing van de arbeidsovereenkomst voor bedienden. Deze uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering;]6 ]1
  [2 ze) de uitbetaling verzekeren van de kosten van opleidingsinitiatieven met het oog op de inschakeling op de arbeidsmarkt van de risicogroepen [11 en van de projecten gericht op de preventie van burn-out en op toekomstgerichte arbeidsorganisatie]11, die gefinancierd worden op basis van artikel 191, § 3, van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen;]2
  [8 zf) met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, de uitbetaling verzekeren van een ontslagcompensatievergoeding aan werknemers waarvan de duur van de opzeggingstermijn of van de overeenstemmende opzeggingsvergoeding overeenkomstig de wetgeving minstens gedeeltelijk moet worden bepaald op basis van de anciënniteit verworven als arbeider in de periode gelegen vóór 1 januari 2014.]8
  Hij wordt gestijfd door een gedeelte van de bij deze besluitwet opgelegde bijdragen, zoals in artikel 4 wordt bepaald, en door rijkstoelagen.
  [Wanneer het de uitbetaling van uitkeringen betreft aan de onvrijwillig werklozen waarvan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst is met toepassing van Titel II, hoofdstuk II, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, betaalt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor rekening van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, opgericht bij artikel 9 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, de tussenkomst uit in het bedrag van deze werkloosheidsuitkeringen voor rekening van dit Fonds.] <W 1992-06-26/30, art. 101, 005; Inwerkingtreding : 10-07-1992>
  [De Rijksdienst voor arbeidsvoorziening is onderworpen aan de controle die is geregeld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut. De Rijksdienst wordt beheerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg.] <W 11-01-1967, art. 5>
  De inrichting en de werking van de [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] wordt door de Koning geregeld. <W 14-02-1961, art. 9>
  [§ 1bis. De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, wordt geacht een uitkering te zijn inzake werkloosheidsverzekering. Voor wat betreft de fiscale en sociale wetgeving, met uitzondering van de gevallen die de Koning bepaalt in de wetgeving betreffende de werkloosheidsverzekering, wordt deze uitkering nochtans als loon beschouwd.
  De werkgever die de in § 1, derde lid, m, bedoelde werknemers tewerkstelt en de voorwaarden vastgesteld door de Koning niet naleeft is gehouden aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een forfaitaire schadevergoeding te betalen waarvan het bedrag, de nadere voorwaarden en regelen door de Koning worden bepaald, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  In afwijking van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers mag de uitkering bedoeld in het eerste lid in mindering worden gebracht op het loon van de werknemer. Deze aftrek geschiedt dadelijk na de inhoudingen toegelaten krachtens artikel 23, eerste lid, 1°, van dezelfde wet en telt niet mee voor de grens van een vijfde voorzien in artikel 23, tweede lid.
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, voor de werknemers tewerkgesteld met genot van de uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m :
  1° afwijkingen voorzien aan de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten inzake het naleven van de regels betreffende de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wanneer hij aangeworven wordt in het kader van een andere arbeidsovereenkomst of benoemd wordt in een administratie;
  2° afwijkingen voorzien op de bepalingen inzake het bepalen van het bedrag van het loon, zonder evenwel af te wijken van de bedragen van de gewaarborgde gemiddelde minimum maandinkomens vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomsten afgesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit;
  3° [opgeheven] <W 2002-12-24/31, art. 362, 027; Inwerkingtreding : 27-04-2003; zoals gewijzigd bij W 2003-04-08/33, art. 71>
  4° afwijken van de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 juni 1971 houdende aanpassing en coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers rekening houdend met de rechten die de werknemer behoudt in het stelsel van werkloosheidsverzekering.] <W 1998-02-13/32, art. 35, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  [Voor de inschakelingsprojecten die Hij bepaalt, kan de Koning, overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten die Hij vaststelt, de werkgever, die overeenkomstig het derde lid de uitkering in mindering mag brengen op het loon van de werknemer, verplichten het overeenkomstig bedrag over te maken aan de derde, die het recht op werk garandeert van de werkloze die wordt tewerkgesteld in het inschakelingsproject.] <W 2000-08-12/62, art. 202, 014; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
  [De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan slechts worden toegekend voor zover de werknemer wordt aangeworven met een schriftelijke arbeidsovereenkomst die een contractueel voorziene normale uurregeling bevat waarvan het minimum wordt vastgelegd door de Koning.
  De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan niet worden toegekend in het kader van :
  1° een programma voor wedertewerkstelling zoals bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
  2° [...] <W 2006-07-20/38, art. 53, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
  De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan niet worden toegekend samen met andere tegemoetkomingen in het loon bepaald door de Koning.
   De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan wel worden toegekend samen met de dienstencheque bedoeld in de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van de buurtdiensten en -banen [3 , behalve in de gevallen voorzien bij koninklijk besluit]3.] <W 2003-12-22/42, art. 42, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [§ 1ter. De jeugdige werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 25 jaar niet bereikt heeft, heeft in het vakantiejaar recht op de jeugdvakantiedagen bedoeld in § 1, derde lid, o), indien hij in de loop van het vakantiedienstjaar zijn studies, leertijd of opleiding heeft beëindigd, en na deze beëindiging arbeid als loontrekkende heeft verricht gedurende tenminste één maand in de loop van het vakantiedienstjaar.
  De jonge werknemer kan, na uitputting van de gewone vakantiedagen waarop hij gerechtigd is, voor de jeugdvakantiedagen jeugdvakantie-uitkeringen bekomen.
  De jeugdvakantie-uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt toegekend onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering. De Koning bepaalt eveneens wat verstaan wordt onder arbeid als loontrekkende gedurende ten minste een maand.] <W 2001-05-22/36, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  [§ 1quater. De werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, heeft in het vakantiejaar tijdens de tewerkstelling als loontrekkende recht op de seniorvakantiedagen bedoeld in § 1, derde lid, x), indien hij ingevolge werkloosheid in het vakantiedienstjaar, gedurende het vakantiejaar geen recht heeft op vier weken betaalde vakantie.
  De werknemer bedoeld in het eerste lid kan, na uitputting van de gewone vakantiedagen waarop hij eventueel gerechtigd is, voor de seniorvakantiedagen seniorvakantie-uitkeringen bekomen.
  De seniorvakantie-uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt toegekend onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering. De Koning bepaalt eveneens wat verstaan wordt onder " ingevolge werkloosheid in het vakantiedienstjaar, gedurende het vakantiejaar geen recht heeft op vier weken betaalde vakantie ", zoals vermeld in het eerste lid, en welke regelen toegepast worden ten aanzien van werknemers die in het vakantiedienstjaar tewerkgesteld zijn geweest met toepassing van de vakantieregeling geldend voor openbare diensten of van een regeling van uitgestelde bezoldiging als leerkracht.] <W 2005-12-23/30, art. 54, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [§ 1quinquies. De premie bedoeld in § 1, derde lid, zc), wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering behoudens indien de Koning daarvan afwijkt.
  De periode die gedekt is door deze premie, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.
  Voor de toepassing van § 4 wordt de controle op de naleving van de voorwaarden voor de toekenning van de premie gelijkgesteld met de controle van de werkelijkheid van de werkloosheid.] <W 2008-12-22/32, art. 124, 2°, 042; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  [8 § 1sexies. De vergoeding bedoeld in § 1, derde lid, zf), compenseert, volgens de regels bepaald door de Koning, het verschil tussen enerzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever moet toekennen en anderzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever zou toegekend hebben alsof de totale anciënniteit van de werknemer volledig verworven was na 31 december 2013.
   De vergoeding wordt slechts toegekend indien de werknemer gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :
   1° de begindatum van zijn ononderbroken arbeidsovereenkomst is gelegen vóór 1 januari 2014;
   2° de arbeidsovereenkomst bedoeld in 1° is [10 op 31 december 2013]10 een arbeidsovereenkomst voor werklieden in de zin van artikel 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of in de zin van artikel 7bis van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, of bedoeld door Titel V van de voormelde wet van 3 juli 1978;
   3° hij voldoet aan één van de volgende voorwaarden :
   a) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt ten minste dertig jaar op de dag waarop de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad;
   b) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2014 ten minste twintig jaar;
   c) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2015 ten minste vijftien jaar;
   d) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2016 ten minste tien jaar;
   e) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2017 minder dan tien jaar;
   4° hij wordt ontslagen na 31 december 2013.
   De werknemer op wie artikel 70 van voormelde wet van toepassing is, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding.
   De werknemer ten aanzien van wie, op basis van artikel 73 van voormelde wet, de opzeggingstermijn wordt vastgesteld op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die gelden op 31 december 2013 en die van toepassing zijn in geval van opzegging ter kennis gebracht op deze datum, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding.
   De vergoeding wordt voor de toepassing van de werkloosheidsverzekering gelijkgesteld met een opzeggingsvergoeding die wordt toegekend wanneer de werkgever de overeenkomst beëindigt zonder dringende redenen en zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
   De Koning bepaalt de wijze waarop deze vergoeding wordt berekend, aangevraagd en toegekend. De Koning bepaalt eveneens welke invloed de vergoeding heeft, inzonderheid wat betreft het openen of heropenen van het recht van de werkloze op uitkeringen en de cumul met zijn uitkeringen.
   Deze vergoeding is vrijgesteld van inhoudingen en bijdragen voor de sociale zekerheid en van fiscale inhoudingen.
   Indien de werknemer gerechtigd is op de inschakelingsvergoeding bedoeld in artikel 36 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact is hij slechts gerechtigd op de ontslagcompensatievergoeding onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
   [10 ...]10 ]8
  [9 § 1septies. Voor de toepassing van § 1, derde lid, i), zijn enkel uitkeringen verschuldigd aan de werkloze die cumulatief voldoet aan :
   1° de toelaatbaarheidsvoorwaarden, zijnde de wachttijdvoorwaarden die de werkloze moet vervullen om van de werkloosheidsverzekering te kunnen genieten, inzonderheid door het leveren van het bewijs van een aantal arbeids-of gelijkgestelde dagen voorafgaand aan de werkloosheid;
   2° de toekenningsvoorwaarden, zijnde de voorwaarden die een werkloze die toelaatbaar is, moet vervullen om effectief uitkeringen te kunnen ontvangen, inzonderheid onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn, be-schikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, ingeschreven zijn als werkzoekende en actief werk zoeken, arbeidsgeschikt zijn, verblijven in België, voldoen aan leeftijdsvoorwaarden en de voorschriften naleven inzake aangifte en controle van werkloosheidsperiodes.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, bepaalt de Koning :
   1° het vereiste aantal arbeids- of gelijkgestelde dagen, de referteperiode waarin die dagen gelegen moeten zijn, de voorwaarden waaraan die arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen moeten voldoen en de wijze van bere-kenen van die arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen, waarbij een modulatie mogelijk is in functie van :
   a) de leeftijd van de werkloze;
   b) het arbeidsregime van de werknemer voorafgaand aan de werkloosheid, waarbij inzonderheid een onderscheid kan gemaakt worden tussen voltijdse werknemers, deeltijdse werknemers met behoud van rechten en vrijwillig deeltijdse werknemers. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder voltijdse werknemer, deeltijdse werknemer met behoud van rechten en vrijwillig deeltijdse werknemer;
   c) specifieke karakteristieken van de vóór de werkloosheid uitgeoefende arbeid, zoals de tewerkstelling als havenarbeider, als zeevisser of als kunstenaar;
   2° onder welke voorwaarden en nadere regelen jongeren die niet voldoen aan de in a) gestelde vereisten, geacht worden te voldoen aan de wachttijdvoorwaarden omwille van de studies die ze voleindigd hebben. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder jongere, studies en voleindigd hebben;
   3° onder welke voorwaarden en nadere regelen de tijdelijk werkloze die door een arbeidsovereenkomst ver-bonden is waarvan de uitvoering tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, geschorst is en de volledig werkloze die voorheen reeds voldeed aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden, vrijgesteld kan worden van de toelaatbaarheids-voorwaarden. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder volledig werkloze, tijdelijk werkloze en werkloze die vroeger reeds voldeed aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, bepaalt de Koning :
   1° wat dient te worden verstaan onder onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn, beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, ingeschreven zijn als werkzoekende, arbeidsgeschikt zijn, verblijven in België, voldoen aan leef-tijdsvoorwaarden en de voorschriften naleven inzake aangifte en controle van werkloosheidsperiodes;
   2° in welke gevallen en onder welke voorwaarden en nadere regelen werklozen vrijgesteld kunnen worden van sommige toekenningsvoorwaarden, inzonderheid omwille van hun leeftijd, het volgen van studies of opleidingen, omwille van moeilijkheden veroorzaakt op sociaal en familiaal vlak, omwille van het afsluiten als kandi-daat-ondernemer van een overeenkomst met een activiteitencoöperatie of omwille van een vrijwillige militaire inzet. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder het volgen van studies of opleidingen, moeilijkheden veroorzaakt op sociaal en familiaal vlak, het afsluiten als kandidaat-ondernemer van een overeenkomst met een activiteitencoöperatie en vrijwillige militaire inzet.
   § 1octies. Het bedrag van de in § 1, derde lid, i), bedoelde verschuldigde uitkering voor elke kalendermaand wordt bepaald in functie van het aantal vergoedbare uitkeringsdagen of halve uitkeringsdagen en van het dagbedrag voor elke uitkeringsdag.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regelen voor vaststelling van het aantal vergoedbare uitkeringsdagen of halve uitkeringsdagen in elke kalendermaand, waarbij inzonderheid rekening gehouden wordt met :
   1° de toelaatbaarheidsvoorwaarden en toekenningsvoorwaarden bedoeld in § 1septies;
   2° de aard van de werkloosheid, waarbij een onderscheid kan gemaakt worden naargelang de werkloze al dan niet nog verbonden is met een arbeidsovereenkomst met een werkgever;
   3° de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de werkloze vooraleer hij werkloos werd, de gemiddelde weke-lijkse arbeidsduur van de maatpersoon, de uren en dagen waarop arbeid werd verricht, de uren en dagen waarop er recht op loon is;
   4° de invloed van de activiteiten en het inkomen van deze activiteiten die de werkloze verricht op werkloos-heidsdagen of in een periode van werkloosheid.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regelen voor de vaststelling van het dagbedrag of het halve dagbedrag van de uitkering, waarbij inzonderheid rekening gehouden wordt met :
   1° de hoogte van het loon dat de werkloze verdiende vooraleer hij werkloos werd, en, voor de werkloze die nog verbonden is met een arbeidsovereenkomst, de hoogte van het loon tijdens die arbeidsovereenkomst;
   2° de wekelijkse arbeidsduur van de werkloze vooraleer hij werkloos werd, en, voor de werkloze die nog ver-bonden is met een arbeidsovereenkomst, de arbeidsduur tijdens die arbeidsovereenkomst;
   3° de gezinssamenstelling van de werkloze, waarbij een onderscheid kan gemaakt worden naargelang de werkloze al dan niet alleen woont en al dan niet personen ten zijnen laste heeft, waarbij rekening kan gehouden worden met de aard van bloed- of aanverwantschap, de omvang van het inkomen van de personen met wie de werkloze onder één dak leeft en de lasten die de werkloze heeft ten opzichte van bloed- of aanverwanten met wie hij niet meer onder één dak woont;
   4° de duur van de werkloosheid, waarbij de uitkering kan afnemen in functie van de werkloosheidsduur en waarbij bij langdurige werkloosheid de band met het vroegere loon kan verbroken worden;
   5° het beroepsverleden van de werkloze, zijn graad van verminderde geschiktheid en zijn leeftijd;
   6° het al dan niet ingeschreven zijn als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsbemiddeling;
   7° de aard, de omvang, het inkomen en het ogenblik van uitoefenen van activiteiten door de werkloze.
   Voor de overeenkomstig het vorige lid vastgestelde uitkeringen kan de Koning een maximum- en minimum-bedrag vaststellen, dat kan variëren in functie van de in het vorig lid opgesomde criteria.
   Het basisbedrag van de overeenkomstig de vorige leden vastgestelde uitkering kan verhoogd worden met een toeslag, inzonderheid wanneer het een oudere werkloze betreft. De Koning bepaalt de berekeningswijze en de voorwaarden en nadere regelen van deze toeslag.]9
  § 2. [De werkloosheidsuitkeringen worden aan de gerechtigden uitbetaald hetzij door bemiddeling van uitbetalingsinstellingen, welke opgericht worden door representatieve werknemersorganisaties en die daartoe door de Koning, onder de voorwaarden die hij bepaalt, erkend zijn en wegens dit feit rechtspersoonlijkheid verkregen hebben, hetzij door bemiddeling van een openbare instelling beheerd door het beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.] <Bijlage Ger.Wb., W 10-10-1967, hoofdart. 3, art. 63, § 1>
  Dit officieel organisme wordt gelijkgesteld met de andere door de Koning aangenomen uitbetalingsorganismen en wordt dus met deze, wat de werking, de financiële verantwoordelijkheid en middelen betreft, op dezelfde voet geplaatst.
  De Koning bepaalt, na advies van het beheerscomité van de [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] de modaliteiten van uitvoering der maatregelen voorzien bij voorgaand lid. [Het dagelijks beheer van de officiële instelling bedoeld in het voorgaand lid wordt uitgeoefend door de houder van een managementfunctie " administrateur-generaal ", bijgestaan door een houder van een managementfunctie " adjunct-administrateur-generaal ". Deze houders van een managementfunctie worden door de Koning aangesteld, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort en het Beheerscomité van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen. Hun statuut en de procedure van aanstelling worden door de Koning bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De Koning stelt eveneens de houders van de overige managementfuncties aan, op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort en het Beheerscomité van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen, na voordracht van de houder van de managementfunctie " administrateur-generaal ". De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, hun statuut en de procedure van aanstelling.] <W 14-02-1961, art. 9> <W 2003-04-08/33, art. 27, 023; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  De [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] kan aan de betalingsorganismen de sommen voorschieten voor de betaling van de werklozenvergoeding en ze voor hun bestuurskosten vergoeden. <W 14-02-1961, art. 9>
  De Koning bepaalt in welke gevallen de betalingsorganismen de last van de betalingen die zij ten onrechte zouden gedaan hebben, dragen.
  § 3. De provinciën en de gemeenten mogen onder geen enkele vorm tussenkomen om de krachtens deze besluitwet en de uitvoeringsbesluiten er van verleende werkloosheidsvergoeding te verhogen.
  § 4. De Koning kan aan de werkgevers de nodige maatregelen opleggen om de werkelijkheid en de voortduring van de onvrijwillige werkloosheid te controleren en op de niet-uitvoering van die maatregelen correctionele of politiestraffen stellen die [op de werkgevers, hun aangestelden of lasthebbers] toepasselijk zijn. Hij kan insgelijks correctionele of politiestraffen bepalen toepasselijk op de werklozen die gebruik zouden maken van bedrieglijke handelingen om vergoedingen waarop zij geen recht hebben of hogere vergoedingen dan die waarop zij mogen aanspraak maken, te bekomen of pogen te bekomen. <W 1998-02-13/32, art. 74, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  (NOTA : de W 2009-12-23/04, art. 66, waarvan de inwerkingtredingsdatum bepaald dient te worden, voegt hier een lid in.)
  [7 De inbreuken op de bepalingen van deze paragraaf [8 en van § 1, derde lid, littera j, en volgende]8 worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
   De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van deze paragraaf en de uitvoeringsbesluiten ervan.]7
  [Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V maar met inbegrip van hoofdstuk VII, zijn toepasselijk op de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde misdrijven. Artikel 85 van voormeld wetboek is toepasselijk op de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde misdrijven zonder dat het bedrag van de geldboete lager mag zijn dan 40 % van de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde minimumbedragen.] <W 1998-02-13/32, art. 83, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  [§ 4bis. De Koning wijst de ambtenaren aan belast met het toezicht op de toepassing van de bepalingen tot toekenning van de uitkeringen bedoeld bij de artikelen 100 en 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, alsmede de strafbepalingen die van toepassing zijn bij niet-naleving van de bepalingen tot toekenning van deze uitkeringen.] <W 1985-01-22/30, art. 107, 002>
  § 5. Het koninklijk besluit van 27 juli 1935 houdende oprichting van een Nationale Dienst voor arbeidsbemiddeling en werkloosheid is opgeheven. De Koning zal de nodige maatregelen treffen om de vereffening van dit organisme te verzekeren.
  § 6. Het houden van arbeidsbemiddelingsbureau's tegen betaling is verboden. Evenwel kan de Koning, voor bepaalde beroepen, de tijdelijke voortzetting der bedrijvigheid van deze bureau's toestaan, mits er voor te zorgen dat zij geleidelijk verdwijnen. Hij kan hun bedrijf onderwerpen aan bepaalde voorwaarden en aan controlemaatregelen.
  § 7. De Koning kan de werkzaamheden van en de controle op de kosteloze arbeidsbemiddelingsbureau's reglementeren.
  § 8. Inbreuk op het bepaalde in de §§ 6 en 7 alsmede op de besluiten genomen ter uitvoering van die paragrafen wordt gestraft met correctionele of politiestraffen, door de Koning bepaald.
  § 9. De Koning kan de bepalingen wijzigen van het koninklijk besluit nr. 285, van 31 maart 1936, houdende aanvulling en samenordening van de bepalingen betreffende de tewerkstelling van vreemde arbeiders, bekrachtigd bij de wet van 4 mei 1936 houdende bekrachtiging van sommige koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van de wet van 31 juni 1934, zoals verlengd en aangevuld bij de wetten van 7 december 1934, 15 en 30 maart 1935.
  § 10. [De gemeenten moeten, onder de voorwaarden en de nadere regelen die de Koning bepaalt :
  1° een verblijfsbewijs afleveren aan de onvrijwillig werklozen die zich, in het kader van het nazicht van de verblijfsvereiste, in de door de Koning bepaalde gevallen, persoonlijk bij de gemeente aanmelden;
  2° instaan voor het afstempelen van de controleformulieren van de deeltijdse werknemers die zich in de door de Koning bepaalde gevallen, persoonlijk bij de gemeente aanmelden.] <W 2004-12-27/30, art. 142, 030; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  § 11. [Geschillen over rechten, ontstaan uit de werkloosheidsregeling, behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank.
  [De beslissingen genomen over rechten ontstaan uit de werkloosheidsregeling moeten op straffe van verval, binnen drie maanden na de kennisgeving, of, bij gebrek aan kennisgeving, binnen de drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de betrokkene er kennis van gehad heeft, aan de bevoegde arbeidsrechtbank voorgelegd worden. Bij het ontbreken van erkenning van een recht moet het beroep tot erkenning van het recht worden voorgelegd binnen de drie maanden na de vaststelling van het in gebreke blijven.
  De vordering ingeleid voor de arbeidsrechtbank werkt niet schorsend.] ] <W 10-10-1967, art. 63, § 2> <W 1998-02-13/32, art. 61, 009; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  [In de zaken waarvoor een medische deskundige is aangesteld, worden de voorschotten, de erelonen en de kosten van deze deskundige, die voorkomen in de staat die hij opstelt in overeenstemming met de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, aangegeven, met toepassing van het tarief bepaald door de Koning.] <W 1998-02-13/32, art. 61, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2003>
  [De regeling bedoeld in § 1, derde lid, q) , wordt voor de toepassing van de vorige leden gelijkgesteld met een werkloosheidsregeling.] <W 2002-12-24/32, art. 5, 024: Inwerkingtreding : 01-04-2003; inwerkingtreding op een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum, en uiterlijk op 1 april 2003; Justel heeft geen kennis van betrokken besluit>
  [§ 12. De werknemer heeft geen recht op werkloosheidsuitkeringen gedurende de periode gedekt door een vergoeding of een schadevergoeding, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade, waarop hij aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Nochtans, wanneer hij de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel recht heeft, niet of slechts gedeeltelijk ontvangen heeft, kan hij voor de overeenstemmende periode voorlopig werkloosheidsuitkeringen genieten, indien hij, naast de gewone voorwaarden voor het verkrijgen van laatstgenoemde uitkeringen, de volgende voorwaarden vervult :
  1° zich ertoe verbinden van zijn werkgever de betaling te eisen, indien nodig langs gerechtelijke weg, van de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel recht heeft;
  2° zich ertoe verbinden de voorlopig ontvangen werkloosheidsuitkeringen terug te storten van zodra hij de vergoeding of de schadevergoeding verkregen heeft;
  3° zich ertoe verbinden de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op de hoogte te brengen van elke schuldbekentenis die zijn werkgever doet of van elke gerechtelijke beslissing die wordt genomen met betrekking tot de vergoeding of de schadevergoeding;
  4° aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, de vergoeding of de schadevergoeding waarvan het recht hem is erkend, over te dragen ten belope van het bedrag van de voorlopig toegekende werkloosheidsuitkeringen.
  Artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek en hoofdstuk VI van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers zijn niet van toepassing op de overdracht bedoeld in het eerste lid, 4°. De overdracht is aan derden tegenstelbaar door de betekening ervan bij ter post aangetekend schrijven aan de werkgever.
  De werknemer moet de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening binnen het jaar dat volgt op het eindigen van de arbeidsovereenkomst, het bewijs leveren dat een rechtsvordering werd ingesteld bij het bevoegde gerecht ten einde de vergoeding of de schadevergoeding te verkrijgen. Indien hij dit niet doet, wordt hij uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf de datum van de beëindiging van de overeenkomst en voor de periode gedekt door de wettelijke minimumopzeggingstermijnen, die gelden in zijn geval.
  In geval van faillissement of van vereffening van de onderneming hebben de lasthebbers, curatoren en vereffenaars, wat de overdracht van schuldvordering bedoeld bij het eerste lid, 4°, betreft, dezelfde verplichtingen als de werkgevers.] <W 1988-12-30/31, art. 111, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  [§ 13. De rechtsvorderingen tot uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Deze termijn gaat in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarop de uitkeringen betrekking hebben.
  Het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, alsmede de rechtsvorderingen van de uitbetalingsinstellingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Die termijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist of bedrog van de werkloze.
  De verjaringstermijnen bepaald in het tweede lid gaan in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd. Wanneer de uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen onverschuldigd worden omwille van de toekenning of de vermeerdering van een voordeel dat, geheel of gedeeltelijk, niet samen kan genoten worden met de werkloosheidsuitkeringen, gaat de verjaringstermijn in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene waarin dat voordeel of die vermeerdering werd betaald.
  Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek kunnen deze verjaringstermijnen gestuit worden door een ter post aangetekende brief. De daden die de verjaring stuiten blijven geldig ook indien ze gericht zijn aan een onbevoegde instelling of bestuur op voorwaarde dat die instelling of dat bestuur belast is met de toekenning of de betaling van werkloosheidsuitkeringen.] <W 1988-12-30/31, art. 112, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  [De vergoedingen voorzien in § 1, derde lid, [8 littera j, l, n, q en zf,]8 worden gelijkgesteld met de werkloosheidsuitkering voor de toepassing van onderhavige paragraaf.] <W 2004-12-27/30, art. 173, 030; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  [§ 14. Deze paragraaf betreft de wachttijdvoorwaarden voor de toekenning van het recht op uitkeringen bedoeld in § 1, derde lid, i , m , o en p , in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer.
  De vreemde of staatloze werknemer wordt enkel toegelaten tot het recht op uitkeringen indien hij op het tijdstip van de uitkeringsaanvaag voldoet aan de wetgeving die betrekking heeft op het verblijf en op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
  De door de vreemde of staatloze werknemer in België verrichte arbeid komt enkel in aanmerking voor het voldoen aan de wachttijdvoorwaarden, indien hij verricht werd overeenkomstig de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
  Het recht op uitkeringen ingevolge de beëindiging van studies geldt in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer enkel binnen de grenzen van een bilaterale of een internationale overeenkomst. Dit recht geldt eveneens voor de onderdanen van de landen opgesomd in de wet van 13 december 1976 houdende goedkeuring van de bilaterale akkoorden betreffende de tewerkstelling in België van buitenlandse werknemers.
  De vreemde of staatloze werknemer kan de in het buitenland verrichte arbeid en de aldaar met arbeid gelijkgestelde periodes, enkel inroepen binnen de grenzen van een bilaterale of een internationale overeenkomst.
  De vreemde of staatloze werknemer wiens arbeidskaart vervallen is en die na een termijn van zestig dagen de arbeid krachtens een nieuwe arbeidskaart hervat heeft, en die vervolgens opnieuw een uitkeringsaanvraag doet, kan niet vrijgesteld worden van wachttijd op grond van een voorheen toegekend recht op uitkeringen.
  Het voorgaande lid is niet toepasselijk op :
  1° de werknemer die de toelating heeft zich met zijn gezin in België te vestigen;
  2° de werknemer aan wie, met toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
  3° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit.
  § 15. Deze paragraaf betreft de toekenningsvoorwaarden van het recht op uitkeringen bedoeld in § 1, derde lid, i , m , o en p , in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer.
  Om uitkeringen te genieten moet de vreemde of staatloze werknemer voldoen aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen en deze die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
  De werkloze verliest het genot van de uitkeringen zestig dagen nadat de arbeidskaart is vervallen.
  Het voorgaande lid is niet toepasselijk op :
  1° de werknemer aan wie, met toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
  2° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit.] <W 2002-08-02/45, art. 114, 021; Inwerkingtreding : 29-08-2002>
  ----------
  (1)<W 2009-06-19/04, art. 27, 043; Inwerkingtreding : 25-06-2009; Opheffing : 01-10-2010, zie W 2009-06-19/04, art. 28, zoals gewijzigd>
  (2)<W 2009-12-30/02, art. 6, 044; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (3)<W 2009-12-30/02, art. 22, 044; Inwerkingtreding : 10-01-2010>
  (6)<W 2011-02-01/01, art. 10, 049; Inwerkingtreding : 01-02-2011; AD 31-03-2011>
  (7)<W 2010-06-06/06, art. 34, 048; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (8)<W 2013-12-26/08, art. 97, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (9)<W 2014-04-25/77, art. 35, 052; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
  (10)<W 2015-04-23/01, art. 11, 053; Inwerkingtreding : 27-04-2015; zie ook W 2015-04-23/01, art. 12>
  (11)<W 2018-12-14/02, art. 8, 066; Inwerkingtreding : 01-07-2018>

  Art. 7_WAALS_GEWEST.
  <W 14-07-1951, art. 3> § 1. Bij het Ministerie van Arbeid en Sociale Voorzorg wordt een [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] opgericht. <W 14-2-1961, art. 9>
  Deze dienst is een publiekrechtelijk lichaam bekleed met rechtspersoonlijkheid.
  [Onder de voorwaarden, die de Koning bepaalt, heeft de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening tot taak:
  a) de aanwerving en de plaatsing van de werknemers te bevorderen en te organiseren;
  b) de herscholing van de onvrijwillige werklozen te bevorderen en te organiseren;
  c) de versnelde beroepsopleiding van de volwassenen te bevorderen en te organiseren, hetzij door met dit doel eigen centra op te richten, hetzij door het subsidiëren van centra die de rechtspersoonlijkheid bezitten en tot hetzelfde doel worden erkend;
  d) tegemoet te komen in het loon van de onvrijwillige werklozen van gevorderde leeftijd, mindervaliden of die om andere redenen als moeilijk te plaatsen worden beschouwd en die door zijn toedoen worden aangeworven;
  e) tegemoet te komen in de uitgaven die inherent zijn aan de selectie, de beroepsopleiding of het opnieuw installeren van het personeel dat door de werkgevers wordt in dienst genomen met het oog op de oprichting, de uitbreiding of overschakeling van ondernemingen;
  f) tegemoet te komen in de kosten van nieuwe installatie der werkloze werknemers;
  g) tegemoet te komen in het loon van de werknemers, die door de overschakeling van hun onderneming zijn getroffen;
  h) [de terugbetaling verzekeren van de lonen en de sociale bijdragen met betrekking tot het betaald educatief verlof, op grond van de verzamelstaten die door de werkgevers werden ingediend bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid overeenkomstig artikel 120 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, na vaststelling door dit ministerie van de conformiteit van de vraag om terugbetaling met de wettelijke en reglementaire bepalingen.] <W 2001-07-19/38, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  i) met behulp van de te dien einde opgerichte of nog op te richten organismen, aan de onvrijwillige werklozen en aan hun gezin de uitbetaling van de hun verschuldigde uitkeringen te verzekeren] <W 14-02-1961, art. 10>
  j) [met de hulp van de daartoe opgerichte of op te richten instellingen, te zorgen voor de uitbetaling aan de in Frankrijk tewerkgestelde grensarbeiders van een compensatievergoeding ter compensatie van de loonderving [die voortvloeit uit de schommelingen van de wisselkoers tussen de Belgische en de Franse munt die zich voordeden voor 1 april 1987]] <KBN13 11-10-1978, art. 1> <W 1999-03-26/30, art. 80, 010; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  [k) de uitbetaling verzekeren van de onderbrekingstoelage bedoeld in artikel 3, § 3bis, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, met behulp van de Divisie Begroting van de Generale Staf bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 1989 houdende organisatie van de Generale Staf.] <W 1998-02-13/32, art. 36, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  [ [l]) de uitbetaling verzekeren van de vergoedingen bedoeld bij afdeling 5 van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.] <W 2001-08-10/59, art. 20, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <Erratum, B.S. 09-10-2001, p. 34387>
  [De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de voorwaarden en modaliteiten bepalen volgens dewelke de uitbetaling van deze vergoedingen, aan werknemers tewerkgesteld bij een werkgever die niet valt onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités in zoverre voor deze werknemers geen werkgeversbijdrage betaald dienen te worden zoals voorzien in artikel 17, § 2, 1°, c) en 2°, c), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, afhankelijk gemaakt wordt van de voorwaarde dat deze werkgever er zich voorafgaandelijk toe verbonden heeft in te staan, volgens de voorwaarden en modaliteiten bepaald door Hem, voor de financiering van de uit te betalen sommen.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het toepassingsgebied van het vorige lid verruimen tot bepaalde werkgevers die ressorteren onder de wet van 5 december 1968 en die werknemers tewerkstellen anders dan onder een arbeidsovereenkomst. De Koning kan bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalde werkgevers geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het toepassingsgebied van het vorige lid.] <W 2003-12-22/42, art. 31, 028; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  [m) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van een uitkering voor bepaalde categorieën van werklozen die tewerkgesteld zijn in een inschakelingsprojekt met het oog op de bevordering van hun integratie op de arbeidsmarkt.] <KB 1996-11-14/34, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  [n) met de hulp van de daartoe opgerichte of op te richten instellingen, te zorgen voor de uitbetaling aan de Belgische grensarbeiders van een vergoeding ter compensatie van het inkomstenverlies dat zij lijden ten gevolge van het feit dat zij hun belastingen in België en hun sociale zekerheidsbijdragen in het werkland betalen. De voorwaarden voor de toekenning van deze vergoedingen, het bedrag van de vergoedingen en de datum van inwerkingtreding van de uitvoeringsmaatregelen worden vastgelegd door een in Ministerraad goedgekeurd koninklijk besluit.] <W 1998-12-22/53, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  [o) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van jeugdvakantieuitkeringen voor de jeugdvakantiedagen bedoeld in artikel 5 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971.] <W 2001-05-22/36, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  p) [met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering, de uitbetaling verzekeren van de werkhervattingstoeslag voor [bepaalde categorieën van werklozen] die het werk hervatten, [hierbij inbegrepen de werklozen] die een beroepsactiviteit als zelfstandige starten om aan de werkloosheid te ontsnappen, met het oog op de bevordering van hun herintegratie op de arbeidsmarkt.] <W 2005-12-23/30, art. 65, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2006> <W 2008-07-24/35, art. 88, 041; Inwerkingtreding : 17-08-2008>
  [Deze toeslag wordt voor de toepassing van de fiscale wetgeving beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering behoudens indien de Koning daarvan afwijkt. De periode die gedekt is door deze werkhervattingstoeslag, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.] (W 2001-12-30/30, art. 61, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2002)
  [q) met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i) de betaling verzekeren van een vergoeding ter gedeeltelijke compensatie van het inkomensverlies dat een onthaalouder door omstandigheden buiten zijn of haar wil lijdt ingevolge de tijdelijke afwezigheid van kinderen die hij of zij normaal opvangt.] <W 2002-12-24/32, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 01-04-2003; inwerkingtreding op een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum, en uiterlijk op 1 april 2003; Justel heeft geen kennis van betrokken besluit>
  [r) de financiering verzekeren van de startbaanovereenkomsten die deel uitmaken van de globale projecten in de openbare sector bedoeld in artikel 43 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid.] <W 2002-12-24/31, art. 316, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [s) de betaling verzekeren, volgens de nadere regels en ten belope van het bedrag vastgesteld door de Koning, van de kostprijs van de outplacementbegeleidingen georganiseerd via de tussenkomst van instellingen ingesteld of erkend door de gewestelijke instellingen ingesteld door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en door de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, en die bevoegd zijn voor deze materie, voor de werknemers die niet genoten van de outplacementbegeleiding bepaald bij artikels 13 en 14 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers.] <W 2002-12-24/31, art. 320, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [t) de terugbetaling verzekeren, volgens de nadere regels en ten belope van het bedrag vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, van de kostprijs van de outplacementbegeleiding die werkelijk gedragen werd door de werkgever in herstructurering, voor die werknemers die binnen een bepaalde periode na hun ontslag bij de werkgever in herstructurering door toedoen van een tewerkstellingscel opnieuw op duurzame wijze in dienst zijn genomen bij een nieuwe werkgever.] <W 2003-12-22/42, art. 27, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  [u) vanaf 1 juli 2004 de financiering verzekeren van de begeleiding van jongeren in het kader van een inschakelingparcours, zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 31 augustus 2001 tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten betreffende het inschakelingsparcours van werkzoekenden naar de startbaanovereenkomst [, en van de actieve begeleiding en opvolging van werklozen, zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 30 april 2004 tussen de Federale Staat, de Gewesten en de Gemeenschappen betreffende de actieve begeleiding en opvolging van werklozen].] <W 2004-07-09/30, art. 256, 029; Inwerkingtreding : 01-07-2004> <W 2005-09-17/80, art. 3, 039; Inwerkingtreding : 04-08-2007>
  [ [v]) de betaling verzekeren van de bedragen voor cofinanciering voorzien bij artikel 8 van het samenwerkingsakkoord van 4 juli 2000 tussen de Staat, de Gewesten en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de sociale economie, waarmee ingestemd werd bij de wet van 26 juni 2001 en bij de daaropvolgende samenwerkingsakkoorden;] <W 2004-12-27/30, art. 171, 030; Inwerkingtreding : 10-01-2005> <W 2005-12-23/30, art. 60, 1°, 032; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  w) [12 ...]12
  [x) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van seniorvakantie-uitkeringen voor de seniorvakantiedagen bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, ingevoegd bij de wet van december 2005.] <W 2005-12-23/30, art. 54, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [y) met behulp van de instellingen opgericht krachtens littera i), onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering, de uitbetaling verzekeren van een begeleidingsuitkering voor bepaalde categorieën van jongeren die niet gerechtigd zijn op uitkeringen toegekend krachtens littera i), doch ingeschreven zijn als werkzoekende en een opleiding of een begeleiding volgen met het oog op de integratie op de arbeidsmarkt.
  Deze uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering. De Koning bepaalt evenwel voor welke bepalingen van de uitvoeringsbesluiten deze uitkering niet beschouwd wordt als een werkloosheidsuitkering, inzonderheid om te voorkomen dat de begeleidingsuitkering in rekening wordt gebracht bij de vaststelling van de toelaatbaarheidsvoorwaarden tot het recht op uitkeringen in toepassing van littera i), en om te voorkomen dat de begeleidingsuitkering in rekening wordt gebracht als werkloosheidsduur. De periode die gedekt is door een begeleidingsuitkering, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.] <W 2005-12-27/30, art. 11, 031; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  [z) de terugbetaling verzekeren aan de werkgever of aan het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers van het bedrag bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.] <W 2005-12-23/30, art. 39, 033; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
  [za) de terugbetaling verzekeren van het terugbetaalbaar deel van de opleidingskosten zoals bedoeld in afdeling 3 van Hoofdstuk II van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van de buurtdiensten en -banen.] <W 2006-12-27/30, art. 259, 036; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
  [zb) de uitbetaling verzekeren van de uitkeringen toegekend met het oog op het verstrekken van pleegzorgen bedoeld bij Titel VI, Hoofdstuk II, van de programmawet van 27 april 2007.] <W 2007-04-27/35, art. 58, 038; Inwerkingtreding : 08-05-2007>
  [zc) [13 ...]13
  [1 [6 zd). Met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, de uitbetaling verzekeren van een crisisuitkering wegens schorsing van de arbeidsovereenkomst voor bedienden. Deze uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering;]6 ]1
  [2 ze) de uitbetaling verzekeren van de kosten van opleidingsinitiatieven met het oog op de inschakeling op de arbeidsmarkt van de risicogroepen, die gefinancierd worden op basis van artikel 191, § 3, van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen;]2
  [8 zf) met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, de uitbetaling verzekeren van een ontslagcompensatievergoeding aan werknemers waarvan de duur van de opzeggingstermijn of van de overeenstemmende opzeggingsvergoeding overeenkomstig de wetgeving minstens gedeeltelijk moet worden bepaald op basis van de anciënniteit verworven als arbeider in de periode gelegen vóór 1 januari 2014.]8
  Hij wordt gestijfd door een gedeelte van de bij deze besluitwet opgelegde bijdragen, zoals in artikel 4 wordt bepaald, en door rijkstoelagen.
  [Wanneer het de uitbetaling van uitkeringen betreft aan de onvrijwillig werklozen waarvan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst is met toepassing van Titel II, hoofdstuk II, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, betaalt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor rekening van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, opgericht bij artikel 9 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, de tussenkomst uit in het bedrag van deze werkloosheidsuitkeringen voor rekening van dit Fonds.] <W 1992-06-26/30, art. 101, 005; Inwerkingtreding : 10-07-1992>
  [De Rijksdienst voor arbeidsvoorziening is onderworpen aan de controle die is geregeld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut. De Rijksdienst wordt beheerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg.] <W 11-01-1967, art. 5>
  De inrichting en de werking van de [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] wordt door de Koning geregeld. <W 14-02-1961, art. 9>
  [§ 1bis. De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, wordt geacht een uitkering te zijn inzake werkloosheidsverzekering. Voor wat betreft de fiscale en sociale wetgeving, met uitzondering van de gevallen die de Koning bepaalt in de wetgeving betreffende de werkloosheidsverzekering, wordt deze uitkering nochtans als loon beschouwd.
  De werkgever die de in § 1, derde lid, m, bedoelde werknemers tewerkstelt en de voorwaarden vastgesteld door de Koning niet naleeft is gehouden aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een forfaitaire schadevergoeding te betalen waarvan het bedrag, de nadere voorwaarden en regelen door de Koning worden bepaald, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  In afwijking van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers mag de uitkering bedoeld in het eerste lid in mindering worden gebracht op het loon van de werknemer. Deze aftrek geschiedt dadelijk na de inhoudingen toegelaten krachtens artikel 23, eerste lid, 1°, van dezelfde wet en telt niet mee voor de grens van een vijfde voorzien in artikel 23, tweede lid.
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, voor de werknemers tewerkgesteld met genot van de uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m :
  1° afwijkingen voorzien aan de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten inzake het naleven van de regels betreffende de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wanneer hij aangeworven wordt in het kader van een andere arbeidsovereenkomst of benoemd wordt in een administratie;
  2° afwijkingen voorzien op de bepalingen inzake het bepalen van het bedrag van het loon, zonder evenwel af te wijken van de bedragen van de gewaarborgde gemiddelde minimum maandinkomens vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomsten afgesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit;
  3° [opgeheven] <W 2002-12-24/31, art. 362, 027; Inwerkingtreding : 27-04-2003; zoals gewijzigd bij W 2003-04-08/33, art. 71>
  4° afwijken van de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 juni 1971 houdende aanpassing en coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers rekening houdend met de rechten die de werknemer behoudt in het stelsel van werkloosheidsverzekering.] <W 1998-02-13/32, art. 35, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  [Voor de inschakelingsprojecten die Hij bepaalt, kan de Koning, overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten die Hij vaststelt, de werkgever, die overeenkomstig het derde lid de uitkering in mindering mag brengen op het loon van de werknemer, verplichten het overeenkomstig bedrag over te maken aan de derde, die het recht op werk garandeert van de werkloze die wordt tewerkgesteld in het inschakelingsproject.] <W 2000-08-12/62, art. 202, 014; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
  [De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan slechts worden toegekend voor zover de werknemer wordt aangeworven met een schriftelijke arbeidsovereenkomst die een contractueel voorziene normale uurregeling bevat waarvan het minimum wordt vastgelegd door de Koning.
  De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan niet worden toegekend in het kader van :
  1° een programma voor wedertewerkstelling zoals bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
  2° [...] <W 2006-07-20/38, art. 53, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
  De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan niet worden toegekend samen met andere tegemoetkomingen in het loon bepaald door de Koning.
   De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan wel worden toegekend samen met de dienstencheque bedoeld in de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van de buurtdiensten en -banen [3 , behalve in de gevallen voorzien bij koninklijk besluit]3.] <W 2003-12-22/42, art. 42, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [§ 1ter. De jeugdige werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 25 jaar niet bereikt heeft, heeft in het vakantiejaar recht op de jeugdvakantiedagen bedoeld in § 1, derde lid, o), indien hij in de loop van het vakantiedienstjaar zijn studies, leertijd of opleiding heeft beëindigd, en na deze beëindiging arbeid als loontrekkende heeft verricht gedurende tenminste één maand in de loop van het vakantiedienstjaar.
  De jonge werknemer kan, na uitputting van de gewone vakantiedagen waarop hij gerechtigd is, voor de jeugdvakantiedagen jeugdvakantie-uitkeringen bekomen.
  De jeugdvakantie-uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt toegekend onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering. De Koning bepaalt eveneens wat verstaan wordt onder arbeid als loontrekkende gedurende ten minste een maand.] <W 2001-05-22/36, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  [§ 1quater. De werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, heeft in het vakantiejaar tijdens de tewerkstelling als loontrekkende recht op de seniorvakantiedagen bedoeld in § 1, derde lid, x), indien hij ingevolge werkloosheid in het vakantiedienstjaar, gedurende het vakantiejaar geen recht heeft op vier weken betaalde vakantie.
  De werknemer bedoeld in het eerste lid kan, na uitputting van de gewone vakantiedagen waarop hij eventueel gerechtigd is, voor de seniorvakantiedagen seniorvakantie-uitkeringen bekomen.
  De seniorvakantie-uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt toegekend onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering. De Koning bepaalt eveneens wat verstaan wordt onder " ingevolge werkloosheid in het vakantiedienstjaar, gedurende het vakantiejaar geen recht heeft op vier weken betaalde vakantie ", zoals vermeld in het eerste lid, en welke regelen toegepast worden ten aanzien van werknemers die in het vakantiedienstjaar tewerkgesteld zijn geweest met toepassing van de vakantieregeling geldend voor openbare diensten of van een regeling van uitgestelde bezoldiging als leerkracht.] <W 2005-12-23/30, art. 54, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [§ 1quinquies. [13 ...]13
  [8 § 1sexies. De vergoeding bedoeld in § 1, derde lid, zf), compenseert, volgens de regels bepaald door de Koning, het verschil tussen enerzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever moet toekennen en anderzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever zou toegekend hebben alsof de totale anciënniteit van de werknemer volledig verworven was na 31 december 2013.
   De vergoeding wordt slechts toegekend indien de werknemer gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :
   1° de begindatum van zijn ononderbroken arbeidsovereenkomst is gelegen vóór 1 januari 2014;
   2° de arbeidsovereenkomst bedoeld in 1° is [10 op 31 december 2013]10 een arbeidsovereenkomst voor werklieden in de zin van artikel 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of in de zin van artikel 7bis van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, of bedoeld door Titel V van de voormelde wet van 3 juli 1978;
   3° hij voldoet aan één van de volgende voorwaarden :
   a) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt ten minste dertig jaar op de dag waarop de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad;
   b) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2014 ten minste twintig jaar;
   c) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2015 ten minste vijftien jaar;
   d) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2016 ten minste tien jaar;
   e) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2017 minder dan tien jaar;
   4° hij wordt ontslagen na 31 december 2013.
   De werknemer op wie artikel 70 van voormelde wet van toepassing is, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding.
   De werknemer ten aanzien van wie, op basis van artikel 73 van voormelde wet, de opzeggingstermijn wordt vastgesteld op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die gelden op 31 december 2013 en die van toepassing zijn in geval van opzegging ter kennis gebracht op deze datum, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding.
   De vergoeding wordt voor de toepassing van de werkloosheidsverzekering gelijkgesteld met een opzeggingsvergoeding die wordt toegekend wanneer de werkgever de overeenkomst beëindigt zonder dringende redenen en zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
   De Koning bepaalt de wijze waarop deze vergoeding wordt berekend, aangevraagd en toegekend. De Koning bepaalt eveneens welke invloed de vergoeding heeft, inzonderheid wat betreft het openen of heropenen van het recht van de werkloze op uitkeringen en de cumul met zijn uitkeringen.
   Deze vergoeding is vrijgesteld van inhoudingen en bijdragen voor de sociale zekerheid en van fiscale inhoudingen.
   Indien de werknemer gerechtigd is op de inschakelingsvergoeding bedoeld in artikel 36 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact is hij slechts gerechtigd op de ontslagcompensatievergoeding onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
   [10 ...]10 ]8
  [9 § 1septies. Voor de toepassing van § 1, derde lid, i), zijn enkel uitkeringen verschuldigd aan de werkloze die cumulatief voldoet aan :
   1° de toelaatbaarheidsvoorwaarden, zijnde de wachttijdvoorwaarden die de werkloze moet vervullen om van de werkloosheidsverzekering te kunnen genieten, inzonderheid door het leveren van het bewijs van een aantal arbeids-of gelijkgestelde dagen voorafgaand aan de werkloosheid;
   2° de toekenningsvoorwaarden, zijnde de voorwaarden die een werkloze die toelaatbaar is, moet vervullen om effectief uitkeringen te kunnen ontvangen, inzonderheid onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn, be-schikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, ingeschreven zijn als werkzoekende en actief werk zoeken, arbeidsgeschikt zijn, verblijven in België, voldoen aan leeftijdsvoorwaarden en de voorschriften naleven inzake aangifte en controle van werkloosheidsperiodes.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, bepaalt de Koning :
   1° het vereiste aantal arbeids- of gelijkgestelde dagen, de referteperiode waarin die dagen gelegen moeten zijn, de voorwaarden waaraan die arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen moeten voldoen en de wijze van bere-kenen van die arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen, waarbij een modulatie mogelijk is in functie van :
   a) de leeftijd van de werkloze;
   b) het arbeidsregime van de werknemer voorafgaand aan de werkloosheid, waarbij inzonderheid een onderscheid kan gemaakt worden tussen voltijdse werknemers, deeltijdse werknemers met behoud van rechten en vrijwillig deeltijdse werknemers. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder voltijdse werknemer, deeltijdse werknemer met behoud van rechten en vrijwillig deeltijdse werknemer;
   c) specifieke karakteristieken van de vóór de werkloosheid uitgeoefende arbeid, zoals de tewerkstelling als havenarbeider, als zeevisser of als kunstenaar;
   2° onder welke voorwaarden en nadere regelen jongeren die niet voldoen aan de in a) gestelde vereisten, geacht worden te voldoen aan de wachttijdvoorwaarden omwille van de studies die ze voleindigd hebben. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder jongere, studies en voleindigd hebben;
   3° onder welke voorwaarden en nadere regelen de tijdelijk werkloze die door een arbeidsovereenkomst ver-bonden is waarvan de uitvoering tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, geschorst is en de volledig werkloze die voorheen reeds voldeed aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden, vrijgesteld kan worden van de toelaatbaarheids-voorwaarden. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder volledig werkloze, tijdelijk werkloze en werkloze die vroeger reeds voldeed aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, bepaalt de Koning :
   1° wat dient te worden verstaan onder onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn, beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, ingeschreven zijn als werkzoekende, arbeidsgeschikt zijn, verblijven in België, voldoen aan leef-tijdsvoorwaarden en de voorschriften naleven inzake aangifte en controle van werkloosheidsperiodes;
   2° in welke gevallen en onder welke voorwaarden en nadere regelen werklozen vrijgesteld kunnen worden van sommige toekenningsvoorwaarden, inzonderheid omwille van hun leeftijd, het volgen van studies of opleidingen, omwille van moeilijkheden veroorzaakt op sociaal en familiaal vlak, omwille van het afsluiten als kandi-daat-ondernemer van een overeenkomst met een activiteitencoöperatie of omwille van een vrijwillige militaire inzet. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder het volgen van studies of opleidingen, moeilijkheden veroorzaakt op sociaal en familiaal vlak, het afsluiten als kandidaat-ondernemer van een overeenkomst met een activiteitencoöperatie en vrijwillige militaire inzet.
   § 1octies. Het bedrag van de in § 1, derde lid, i), bedoelde verschuldigde uitkering voor elke kalendermaand wordt bepaald in functie van het aantal vergoedbare uitkeringsdagen of halve uitkeringsdagen en van het dagbedrag voor elke uitkeringsdag.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regelen voor vaststelling van het aantal vergoedbare uitkeringsdagen of halve uitkeringsdagen in elke kalendermaand, waarbij inzonderheid rekening gehouden wordt met :
   1° de toelaatbaarheidsvoorwaarden en toekenningsvoorwaarden bedoeld in § 1septies;
   2° de aard van de werkloosheid, waarbij een onderscheid kan gemaakt worden naargelang de werkloze al dan niet nog verbonden is met een arbeidsovereenkomst met een werkgever;
   3° de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de werkloze vooraleer hij werkloos werd, de gemiddelde weke-lijkse arbeidsduur van de maatpersoon, de uren en dagen waarop arbeid werd verricht, de uren en dagen waarop er recht op loon is;
   4° de invloed van de activiteiten en het inkomen van deze activiteiten die de werkloze verricht op werkloos-heidsdagen of in een periode van werkloosheid.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regelen voor de vaststelling van het dagbedrag of het halve dagbedrag van de uitkering, waarbij inzonderheid rekening gehouden wordt met :
   1° de hoogte van het loon dat de werkloze verdiende vooraleer hij werkloos werd, en, voor de werkloze die nog verbonden is met een arbeidsovereenkomst, de hoogte van het loon tijdens die arbeidsovereenkomst;
   2° de wekelijkse arbeidsduur van de werkloze vooraleer hij werkloos werd, en, voor de werkloze die nog ver-bonden is met een arbeidsovereenkomst, de arbeidsduur tijdens die arbeidsovereenkomst;
   3° de gezinssamenstelling van de werkloze, waarbij een onderscheid kan gemaakt worden naargelang de werkloze al dan niet alleen woont en al dan niet personen ten zijnen laste heeft, waarbij rekening kan gehouden worden met de aard van bloed- of aanverwantschap, de omvang van het inkomen van de personen met wie de werkloze onder één dak leeft en de lasten die de werkloze heeft ten opzichte van bloed- of aanverwanten met wie hij niet meer onder één dak woont;
   4° de duur van de werkloosheid, waarbij de uitkering kan afnemen in functie van de werkloosheidsduur en waarbij bij langdurige werkloosheid de band met het vroegere loon kan verbroken worden;
   5° het beroepsverleden van de werkloze, zijn graad van verminderde geschiktheid en zijn leeftijd;
   6° het al dan niet ingeschreven zijn als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsbemiddeling;
   7° de aard, de omvang, het inkomen en het ogenblik van uitoefenen van activiteiten door de werkloze.
   Voor de overeenkomstig het vorige lid vastgestelde uitkeringen kan de Koning een maximum- en minimum-bedrag vaststellen, dat kan variëren in functie van de in het vorig lid opgesomde criteria.
   Het basisbedrag van de overeenkomstig de vorige leden vastgestelde uitkering kan verhoogd worden met een toeslag, inzonderheid wanneer het een oudere werkloze betreft. De Koning bepaalt de berekeningswijze en de voorwaarden en nadere regelen van deze toeslag.]9
  § 2. [De werkloosheidsuitkeringen worden aan de gerechtigden uitbetaald hetzij door bemiddeling van uitbetalingsinstellingen, welke opgericht worden door representatieve werknemersorganisaties en die daartoe door de Koning, onder de voorwaarden die hij bepaalt, erkend zijn en wegens dit feit rechtspersoonlijkheid verkregen hebben, hetzij door bemiddeling van een openbare instelling beheerd door het beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.] <Bijlage Ger.Wb., W 10-10-1967, hoofdart. 3, art. 63, § 1>
  Dit officieel organisme wordt gelijkgesteld met de andere door de Koning aangenomen uitbetalingsorganismen en wordt dus met deze, wat de werking, de financiële verantwoordelijkheid en middelen betreft, op dezelfde voet geplaatst.
  De Koning bepaalt, na advies van het beheerscomité van de [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] de modaliteiten van uitvoering der maatregelen voorzien bij voorgaand lid. [Het dagelijks beheer van de officiële instelling bedoeld in het voorgaand lid wordt uitgeoefend door de houder van een managementfunctie " administrateur-generaal ", bijgestaan door een houder van een managementfunctie " adjunct-administrateur-generaal ". Deze houders van een managementfunctie worden door de Koning aangesteld, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort en het Beheerscomité van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen. Hun statuut en de procedure van aanstelling worden door de Koning bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De Koning stelt eveneens de houders van de overige managementfuncties aan, op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort en het Beheerscomité van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen, na voordracht van de houder van de managementfunctie " administrateur-generaal ". De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, hun statuut en de procedure van aanstelling.] <W 14-02-1961, art. 9> <W 2003-04-08/33, art. 27, 023; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  De [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] kan aan de betalingsorganismen de sommen voorschieten voor de betaling van de werklozenvergoeding en ze voor hun bestuurskosten vergoeden. <W 14-02-1961, art. 9>
  De Koning bepaalt in welke gevallen de betalingsorganismen de last van de betalingen die zij ten onrechte zouden gedaan hebben, dragen.
  § 3. De provinciën en de gemeenten mogen onder geen enkele vorm tussenkomen om de krachtens deze besluitwet en de uitvoeringsbesluiten er van verleende werkloosheidsvergoeding te verhogen.
  § 4. De Koning kan aan de werkgevers de nodige maatregelen opleggen om de werkelijkheid en de voortduring van de onvrijwillige werkloosheid te controleren en op de niet-uitvoering van die maatregelen correctionele of politiestraffen stellen die [op de werkgevers, hun aangestelden of lasthebbers] toepasselijk zijn. Hij kan insgelijks correctionele of politiestraffen bepalen toepasselijk op de werklozen die gebruik zouden maken van bedrieglijke handelingen om vergoedingen waarop zij geen recht hebben of hogere vergoedingen dan die waarop zij mogen aanspraak maken, te bekomen of pogen te bekomen. <W 1998-02-13/32, art. 74, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  (NOTA : de W 2009-12-23/04, art. 66, waarvan de inwerkingtredingsdatum bepaald dient te worden, voegt hier een lid in.)
  [7 De inbreuken op de bepalingen van deze paragraaf [8 en van § 1, derde lid, littera j, en volgende]8 worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
   De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van deze paragraaf en de uitvoeringsbesluiten ervan.]7
  [Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V maar met inbegrip van hoofdstuk VII, zijn toepasselijk op de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde misdrijven. Artikel 85 van voormeld wetboek is toepasselijk op de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde misdrijven zonder dat het bedrag van de geldboete lager mag zijn dan 40 % van de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde minimumbedragen.] <W 1998-02-13/32, art. 83, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  [§ 4bis. De Koning wijst de ambtenaren aan belast met het toezicht op de toepassing van de bepalingen tot toekenning van de uitkeringen bedoeld bij de artikelen 100 en 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, alsmede de strafbepalingen die van toepassing zijn bij niet-naleving van de bepalingen tot toekenning van deze uitkeringen.] <W 1985-01-22/30, art. 107, 002>
  [11 § 4/1. Het toezicht en de controle op de naleving van paragraaf 1, derde lid, h), m), p), s), t), w), za) en zc), en van paragraaf 1bis, eerste tot en met derde lid en van het vijfde tot en met het negende lid, worden uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 5 februari 1998 houdende toezicht en controle op de naleving van de wetgeving betreffende het tewerkstellingsbeleid.
   Het toezicht en de controle op de naleving van paragraaf 1, derde lid, m), en van paragraaf 1bis, eerste tot en met derde lid en vijfde tot en met negende lid, worden uitgeoefend onverminderd de inspectie- en controlebevoegdheden van de federale instellingen die voor de sociale zekerheidsbijdragen of de werkloosheidsuitkeringen bevoegd zijn en die de enige administratieve en technische operatoren terzake zijn.]11
  § 5. Het koninklijk besluit van 27 juli 1935 houdende oprichting van een Nationale Dienst voor arbeidsbemiddeling en werkloosheid is opgeheven. De Koning zal de nodige maatregelen treffen om de vereffening van dit organisme te verzekeren.
  § 6. Het houden van arbeidsbemiddelingsbureau's tegen betaling is verboden. Evenwel kan de Koning, voor bepaalde beroepen, de tijdelijke voortzetting der bedrijvigheid van deze bureau's toestaan, mits er voor te zorgen dat zij geleidelijk verdwijnen. Hij kan hun bedrijf onderwerpen aan bepaalde voorwaarden en aan controlemaatregelen.
  § 7. De Koning kan de werkzaamheden van en de controle op de kosteloze arbeidsbemiddelingsbureau's reglementeren.
  § 8. Inbreuk op het bepaalde in de §§ 6 en 7 alsmede op de besluiten genomen ter uitvoering van die paragrafen wordt gestraft met correctionele of politiestraffen, door de Koning bepaald.
  § 9. De Koning kan de bepalingen wijzigen van het koninklijk besluit nr. 285, van 31 maart 1936, houdende aanvulling en samenordening van de bepalingen betreffende de tewerkstelling van vreemde arbeiders, bekrachtigd bij de wet van 4 mei 1936 houdende bekrachtiging van sommige koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van de wet van 31 juni 1934, zoals verlengd en aangevuld bij de wetten van 7 december 1934, 15 en 30 maart 1935.
  § 10. [De gemeenten moeten, onder de voorwaarden en de nadere regelen die de Koning bepaalt :
  1° een verblijfsbewijs afleveren aan de onvrijwillig werklozen die zich, in het kader van het nazicht van de verblijfsvereiste, in de door de Koning bepaalde gevallen, persoonlijk bij de gemeente aanmelden;
  2° instaan voor het afstempelen van de controleformulieren van de deeltijdse werknemers die zich in de door de Koning bepaalde gevallen, persoonlijk bij de gemeente aanmelden.] <W 2004-12-27/30, art. 142, 030; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  § 11. [Geschillen over rechten, ontstaan uit de werkloosheidsregeling, behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank.
  [De beslissingen genomen over rechten ontstaan uit de werkloosheidsregeling moeten op straffe van verval, binnen drie maanden na de kennisgeving, of, bij gebrek aan kennisgeving, binnen de drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de betrokkene er kennis van gehad heeft, aan de bevoegde arbeidsrechtbank voorgelegd worden. Bij het ontbreken van erkenning van een recht moet het beroep tot erkenning van het recht worden voorgelegd binnen de drie maanden na de vaststelling van het in gebreke blijven.
  De vordering ingeleid voor de arbeidsrechtbank werkt niet schorsend.] ] <W 10-10-1967, art. 63, § 2> <W 1998-02-13/32, art. 61, 009; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  [In de zaken waarvoor een medische deskundige is aangesteld, worden de voorschotten, de erelonen en de kosten van deze deskundige, die voorkomen in de staat die hij opstelt in overeenstemming met de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, aangegeven, met toepassing van het tarief bepaald door de Koning.] <W 1998-02-13/32, art. 61, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2003>
  [De regeling bedoeld in § 1, derde lid, q) , wordt voor de toepassing van de vorige leden gelijkgesteld met een werkloosheidsregeling.] <W 2002-12-24/32, art. 5, 024: Inwerkingtreding : 01-04-2003; inwerkingtreding op een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum, en uiterlijk op 1 april 2003; Justel heeft geen kennis van betrokken besluit>
  [§ 12. De werknemer heeft geen recht op werkloosheidsuitkeringen gedurende de periode gedekt door een vergoeding of een schadevergoeding, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade, waarop hij aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Nochtans, wanneer hij de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel recht heeft, niet of slechts gedeeltelijk ontvangen heeft, kan hij voor de overeenstemmende periode voorlopig werkloosheidsuitkeringen genieten, indien hij, naast de gewone voorwaarden voor het verkrijgen van laatstgenoemde uitkeringen, de volgende voorwaarden vervult :
  1° zich ertoe verbinden van zijn werkgever de betaling te eisen, indien nodig langs gerechtelijke weg, van de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel recht heeft;
  2° zich ertoe verbinden de voorlopig ontvangen werkloosheidsuitkeringen terug te storten van zodra hij de vergoeding of de schadevergoeding verkregen heeft;
  3° zich ertoe verbinden de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op de hoogte te brengen van elke schuldbekentenis die zijn werkgever doet of van elke gerechtelijke beslissing die wordt genomen met betrekking tot de vergoeding of de schadevergoeding;
  4° aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, de vergoeding of de schadevergoeding waarvan het recht hem is erkend, over te dragen ten belope van het bedrag van de voorlopig toegekende werkloosheidsuitkeringen.
  Artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek en hoofdstuk VI van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers zijn niet van toepassing op de overdracht bedoeld in het eerste lid, 4°. De overdracht is aan derden tegenstelbaar door de betekening ervan bij ter post aangetekend schrijven aan de werkgever.
  De werknemer moet de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening binnen het jaar dat volgt op het eindigen van de arbeidsovereenkomst, het bewijs leveren dat een rechtsvordering werd ingesteld bij het bevoegde gerecht ten einde de vergoeding of de schadevergoeding te verkrijgen. Indien hij dit niet doet, wordt hij uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf de datum van de beëindiging van de overeenkomst en voor de periode gedekt door de wettelijke minimumopzeggingstermijnen, die gelden in zijn geval.
  In geval van faillissement of van vereffening van de onderneming hebben de lasthebbers, curatoren en vereffenaars, wat de overdracht van schuldvordering bedoeld bij het eerste lid, 4°, betreft, dezelfde verplichtingen als de werkgevers.] <W 1988-12-30/31, art. 111, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  [§ 13. De rechtsvorderingen tot uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Deze termijn gaat in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarop de uitkeringen betrekking hebben.
  Het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, alsmede de rechtsvorderingen van de uitbetalingsinstellingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Die termijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist of bedrog van de werkloze.
  De verjaringstermijnen bepaald in het tweede lid gaan in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd. Wanneer de uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen onverschuldigd worden omwille van de toekenning of de vermeerdering van een voordeel dat, geheel of gedeeltelijk, niet samen kan genoten worden met de werkloosheidsuitkeringen, gaat de verjaringstermijn in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene waarin dat voordeel of die vermeerdering werd betaald.
  Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek kunnen deze verjaringstermijnen gestuit worden door een ter post aangetekende brief. De daden die de verjaring stuiten blijven geldig ook indien ze gericht zijn aan een onbevoegde instelling of bestuur op voorwaarde dat die instelling of dat bestuur belast is met de toekenning of de betaling van werkloosheidsuitkeringen.] <W 1988-12-30/31, art. 112, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  [De vergoedingen voorzien in § 1, derde lid, [8 littera j, l, n, q en zf,]8 worden gelijkgesteld met de werkloosheidsuitkering voor de toepassing van onderhavige paragraaf.] <W 2004-12-27/30, art. 173, 030; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  [§ 14. Deze paragraaf betreft de wachttijdvoorwaarden voor de toekenning van het recht op uitkeringen bedoeld in § 1, derde lid, i , m , o en p , in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer.
  De vreemde of staatloze werknemer wordt enkel toegelaten tot het recht op uitkeringen indien hij op het tijdstip van de uitkeringsaanvaag voldoet aan de wetgeving die betrekking heeft op het verblijf en op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
  De door de vreemde of staatloze werknemer in België verrichte arbeid komt enkel in aanmerking voor het voldoen aan de wachttijdvoorwaarden, indien hij verricht werd overeenkomstig de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
  Het recht op uitkeringen ingevolge de beëindiging van studies geldt in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer enkel binnen de grenzen van een bilaterale of een internationale overeenkomst. Dit recht geldt eveneens voor de onderdanen van de landen opgesomd in de wet van 13 december 1976 houdende goedkeuring van de bilaterale akkoorden betreffende de tewerkstelling in België van buitenlandse werknemers.
  De vreemde of staatloze werknemer kan de in het buitenland verrichte arbeid en de aldaar met arbeid gelijkgestelde periodes, enkel inroepen binnen de grenzen van een bilaterale of een internationale overeenkomst.
  De vreemde of staatloze werknemer wiens arbeidskaart vervallen is en die na een termijn van zestig dagen de arbeid krachtens een nieuwe arbeidskaart hervat heeft, en die vervolgens opnieuw een uitkeringsaanvraag doet, kan niet vrijgesteld worden van wachttijd op grond van een voorheen toegekend recht op uitkeringen.
  Het voorgaande lid is niet toepasselijk op :
  1° de werknemer die de toelating heeft zich met zijn gezin in België te vestigen;
  2° de werknemer aan wie, met toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
  3° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit.
  § 15. Deze paragraaf betreft de toekenningsvoorwaarden van het recht op uitkeringen bedoeld in § 1, derde lid, i , m , o en p , in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer.
  Om uitkeringen te genieten moet de vreemde of staatloze werknemer voldoen aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen en deze die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
  De werkloze verliest het genot van de uitkeringen zestig dagen nadat de arbeidskaart is vervallen.
  Het voorgaande lid is niet toepasselijk op :
  1° de werknemer aan wie, met toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
  2° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit.] <W 2002-08-02/45, art. 114, 021; Inwerkingtreding : 29-08-2002>
  
----------
  (1)<W 2009-06-19/04, art. 27, 043; Inwerkingtreding : 25-06-2009; Opheffing : 01-10-2010, zie W 2009-06-19/04, art. 28, zoals gewijzigd>
  (2)<W 2009-12-30/02, art. 6, 044; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (3)<W 2009-12-30/02, art. 22, 044; Inwerkingtreding : 10-01-2010>
  (6)<W 2011-02-01/01, art. 10, 049; Inwerkingtreding : 01-02-2011; AD 31-03-2011>
  (7)<W 2010-06-06/06, art. 34, 048; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (8)<W 2013-12-26/08, art. 97, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (9)<W 2014-04-25/77, art. 35, 052; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
  (10)<W 2015-04-23/01, art. 11, 053; Inwerkingtreding : 27-04-2015; zie ook W 2015-04-23/01, art. 12>
  (11)<DWG 2016-04-28/08, art. 1, 055; Inwerkingtreding : 21-05-2016>
  (12)<DWG 2016-07-20/09, art. 6, 059; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (13)<DWG 2017-02-02/24, art. 20, 062; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 7_VLAAMS_GEWEST.
  <W 14-07-1951, art. 3> § 1. Bij het Ministerie van Arbeid en Sociale Voorzorg wordt een [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] opgericht. <W 14-2-1961, art. 9>
  Deze dienst is een publiekrechtelijk lichaam bekleed met rechtspersoonlijkheid.
  [Onder de voorwaarden, die de Koning bepaalt, heeft de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening tot taak:
  a) de aanwerving en de plaatsing van de werknemers te bevorderen en te organiseren;
  b) de herscholing van de onvrijwillige werklozen te bevorderen en te organiseren;
  c) de versnelde beroepsopleiding van de volwassenen te bevorderen en te organiseren, hetzij door met dit doel eigen centra op te richten, hetzij door het subsidiëren van centra die de rechtspersoonlijkheid bezitten en tot hetzelfde doel worden erkend;
  d) tegemoet te komen in het loon van de onvrijwillige werklozen van gevorderde leeftijd, mindervaliden of die om andere redenen als moeilijk te plaatsen worden beschouwd en die door zijn toedoen worden aangeworven;
  e) tegemoet te komen in de uitgaven die inherent zijn aan de selectie, de beroepsopleiding of het opnieuw installeren van het personeel dat door de werkgevers wordt in dienst genomen met het oog op de oprichting, de uitbreiding of overschakeling van ondernemingen;
  f) tegemoet te komen in de kosten van nieuwe installatie der werkloze werknemers;
  g) tegemoet te komen in het loon van de werknemers, die door de overschakeling van hun onderneming zijn getroffen;
  h) [de terugbetaling verzekeren van de lonen en de sociale bijdragen met betrekking tot het betaald educatief verlof, op grond van de verzamelstaten die door de werkgevers werden ingediend bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid overeenkomstig artikel 120 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, na vaststelling door dit ministerie van de conformiteit van de vraag om terugbetaling met de wettelijke en reglementaire bepalingen.] <W 2001-07-19/38, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  i) met behulp van de te dien einde opgerichte of nog op te richten organismen, aan de onvrijwillige werklozen en aan hun gezin de uitbetaling van de hun verschuldigde uitkeringen te verzekeren] <W 14-02-1961, art. 10>
  j) [met de hulp van de daartoe opgerichte of op te richten instellingen, te zorgen voor de uitbetaling aan de in Frankrijk tewerkgestelde grensarbeiders van een compensatievergoeding ter compensatie van de loonderving [die voortvloeit uit de schommelingen van de wisselkoers tussen de Belgische en de Franse munt die zich voordeden voor 1 april 1987]] <KBN13 11-10-1978, art. 1> <W 1999-03-26/30, art. 80, 010; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  [k) de uitbetaling verzekeren van de onderbrekingstoelage bedoeld in artikel 3, § 3bis, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, met behulp van de Divisie Begroting van de Generale Staf bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 1989 houdende organisatie van de Generale Staf.] <W 1998-02-13/32, art. 36, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  [ [l]) de uitbetaling verzekeren van de vergoedingen bedoeld bij afdeling 5 van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.] <W 2001-08-10/59, art. 20, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <Erratum, B.S. 09-10-2001, p. 34387>
  [De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de voorwaarden en modaliteiten bepalen volgens dewelke de uitbetaling van deze vergoedingen, aan werknemers tewerkgesteld bij een werkgever die niet valt onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités in zoverre voor deze werknemers geen werkgeversbijdrage betaald dienen te worden zoals voorzien in artikel 17, § 2, 1°, c) en 2°, c), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, afhankelijk gemaakt wordt van de voorwaarde dat deze werkgever er zich voorafgaandelijk toe verbonden heeft in te staan, volgens de voorwaarden en modaliteiten bepaald door Hem, voor de financiering van de uit te betalen sommen.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het toepassingsgebied van het vorige lid verruimen tot bepaalde werkgevers die ressorteren onder de wet van 5 december 1968 en die werknemers tewerkstellen anders dan onder een arbeidsovereenkomst. De Koning kan bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalde werkgevers geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het toepassingsgebied van het vorige lid.] <W 2003-12-22/42, art. 31, 028; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  [m) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van een uitkering voor bepaalde categorieën van werklozen die tewerkgesteld zijn in een inschakelingsprojekt met het oog op de bevordering van hun integratie op de arbeidsmarkt.] <KB 1996-11-14/34, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  [n) met de hulp van de daartoe opgerichte of op te richten instellingen, te zorgen voor de uitbetaling aan de Belgische grensarbeiders van een vergoeding ter compensatie van het inkomstenverlies dat zij lijden ten gevolge van het feit dat zij hun belastingen in België en hun sociale zekerheidsbijdragen in het werkland betalen. De voorwaarden voor de toekenning van deze vergoedingen, het bedrag van de vergoedingen en de datum van inwerkingtreding van de uitvoeringsmaatregelen worden vastgelegd door een in Ministerraad goedgekeurd koninklijk besluit.] <W 1998-12-22/53, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  [o) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van jeugdvakantieuitkeringen voor de jeugdvakantiedagen bedoeld in artikel 5 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971.] <W 2001-05-22/36, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  p) [met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering, de uitbetaling verzekeren van de werkhervattingstoeslag voor [bepaalde categorieën van werklozen] die het werk hervatten, [hierbij inbegrepen de werklozen] die een beroepsactiviteit als zelfstandige starten om aan de werkloosheid te ontsnappen, met het oog op de bevordering van hun herintegratie op de arbeidsmarkt.] <W 2005-12-23/30, art. 65, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2006> <W 2008-07-24/35, art. 88, 041; Inwerkingtreding : 17-08-2008>
  [Deze toeslag wordt voor de toepassing van de fiscale wetgeving beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering behoudens indien de Koning daarvan afwijkt. De periode die gedekt is door deze werkhervattingstoeslag, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.] (W 2001-12-30/30, art. 61, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2002)
  [q) met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i) de betaling verzekeren van een vergoeding ter gedeeltelijke compensatie van het inkomensverlies dat een onthaalouder door omstandigheden buiten zijn of haar wil lijdt ingevolge de tijdelijke afwezigheid van kinderen die hij of zij normaal opvangt.] <W 2002-12-24/32, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 01-04-2003; inwerkingtreding op een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum, en uiterlijk op 1 april 2003; Justel heeft geen kennis van betrokken besluit>
  [r) de financiering verzekeren van de startbaanovereenkomsten die deel uitmaken van de globale projecten in de openbare sector bedoeld in artikel 43 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid.] <W 2002-12-24/31, art. 316, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [s) de betaling verzekeren, volgens de nadere regels en ten belope van het bedrag vastgesteld door de Koning, van de kostprijs van de outplacementbegeleidingen georganiseerd via de tussenkomst van instellingen ingesteld of erkend door de gewestelijke instellingen ingesteld door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en door de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, en die bevoegd zijn voor deze materie, voor de werknemers die niet genoten van de outplacementbegeleiding bepaald bij artikels 13 en 14 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers.] <W 2002-12-24/31, art. 320, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [t) de terugbetaling verzekeren, volgens de nadere regels en ten belope van het bedrag vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, van de kostprijs van de outplacementbegeleiding die werkelijk gedragen werd door de werkgever in herstructurering, voor die werknemers die binnen een bepaalde periode na hun ontslag bij de werkgever in herstructurering door toedoen van een tewerkstellingscel opnieuw op duurzame wijze in dienst zijn genomen bij een nieuwe werkgever.] <W 2003-12-22/42, art. 27, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  [u) vanaf 1 juli 2004 de financiering verzekeren van de begeleiding van jongeren in het kader van een inschakelingparcours, zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 31 augustus 2001 tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten betreffende het inschakelingsparcours van werkzoekenden naar de startbaanovereenkomst [, en van de actieve begeleiding en opvolging van werklozen, zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 30 april 2004 tussen de Federale Staat, de Gewesten en de Gemeenschappen betreffende de actieve begeleiding en opvolging van werklozen].] <W 2004-07-09/30, art. 256, 029; Inwerkingtreding : 01-07-2004> <W 2005-09-17/80, art. 3, 039; Inwerkingtreding : 04-08-2007>
  [ [v]) de betaling verzekeren van de bedragen voor cofinanciering voorzien bij artikel 8 van het samenwerkingsakkoord van 4 juli 2000 tussen de Staat, de Gewesten en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de sociale economie, waarmee ingestemd werd bij de wet van 26 juni 2001 en bij de daaropvolgende samenwerkingsakkoorden;] <W 2004-12-27/30, art. 171, 030; Inwerkingtreding : 10-01-2005> <W 2005-12-23/30, art. 60, 1°, 032; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  [w) de betaling verzekeren van de start- en stagebonussen, bedoeld in artikel 58 van de wet 23 december 2005 van betreffende het generatiepact.] <W 2005-12-23/30, art. 60, 2°, 033; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  [x) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van seniorvakantie-uitkeringen voor de seniorvakantiedagen bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, ingevoegd bij de wet van december 2005.] <W 2005-12-23/30, art. 54, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [y) met behulp van de instellingen opgericht krachtens littera i), onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering, de uitbetaling verzekeren van een begeleidingsuitkering voor bepaalde categorieën van jongeren die niet gerechtigd zijn op uitkeringen toegekend krachtens littera i), doch ingeschreven zijn als werkzoekende en een opleiding of een begeleiding volgen met het oog op de integratie op de arbeidsmarkt.
  Deze uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering. De Koning bepaalt evenwel voor welke bepalingen van de uitvoeringsbesluiten deze uitkering niet beschouwd wordt als een werkloosheidsuitkering, inzonderheid om te voorkomen dat de begeleidingsuitkering in rekening wordt gebracht bij de vaststelling van de toelaatbaarheidsvoorwaarden tot het recht op uitkeringen in toepassing van littera i), en om te voorkomen dat de begeleidingsuitkering in rekening wordt gebracht als werkloosheidsduur. De periode die gedekt is door een begeleidingsuitkering, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.] <W 2005-12-27/30, art. 11, 031; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  [z) de terugbetaling verzekeren aan de werkgever of aan het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers van het bedrag bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.] <W 2005-12-23/30, art. 39, 033; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
  [za) de terugbetaling verzekeren van het terugbetaalbaar deel van de opleidingskosten zoals bedoeld in afdeling 3 van Hoofdstuk II van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van de buurtdiensten en -banen.] <W 2006-12-27/30, art. 259, 036; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
  [zb) de uitbetaling verzekeren van de uitkeringen toegekend met het oog op het verstrekken van pleegzorgen bedoeld bij Titel VI, Hoofdstuk II, van de programmawet van 27 april 2007.] <W 2007-04-27/35, art. 58, 038; Inwerkingtreding : 08-05-2007>
  [zc) [12 ...]12
  [1 [6 zd). Met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, de uitbetaling verzekeren van een crisisuitkering wegens schorsing van de arbeidsovereenkomst voor bedienden. Deze uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering;]6 ]1
  [2 ze) de uitbetaling verzekeren van de kosten van opleidingsinitiatieven met het oog op de inschakeling op de arbeidsmarkt van de risicogroepen, die gefinancierd worden op basis van artikel 191, § 3, van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen;]2
  [8 zf) met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, de uitbetaling verzekeren van een ontslagcompensatievergoeding aan werknemers waarvan de duur van de opzeggingstermijn of van de overeenstemmende opzeggingsvergoeding overeenkomstig de wetgeving minstens gedeeltelijk moet worden bepaald op basis van de anciënniteit verworven als arbeider in de periode gelegen vóór 1 januari 2014.]8
  Hij wordt gestijfd door een gedeelte van de bij deze besluitwet opgelegde bijdragen, zoals in artikel 4 wordt bepaald, en door rijkstoelagen.
  [Wanneer het de uitbetaling van uitkeringen betreft aan de onvrijwillig werklozen waarvan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst is met toepassing van Titel II, hoofdstuk II, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, betaalt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor rekening van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, opgericht bij artikel 9 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, de tussenkomst uit in het bedrag van deze werkloosheidsuitkeringen voor rekening van dit Fonds.] <W 1992-06-26/30, art. 101, 005; Inwerkingtreding : 10-07-1992>
  [De Rijksdienst voor arbeidsvoorziening is onderworpen aan de controle die is geregeld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut. De Rijksdienst wordt beheerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg.] <W 11-01-1967, art. 5>
  De inrichting en de werking van de [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] wordt door de Koning geregeld. <W 14-02-1961, art. 9>
  [§ 1bis. De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, wordt geacht een uitkering te zijn inzake werkloosheidsverzekering. Voor wat betreft de fiscale en sociale wetgeving, met uitzondering van de gevallen die de Koning bepaalt in de wetgeving betreffende de werkloosheidsverzekering, wordt deze uitkering nochtans als loon beschouwd.
  De werkgever die de in § 1, derde lid, m, bedoelde werknemers tewerkstelt en de voorwaarden vastgesteld door de Koning niet naleeft is gehouden aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een forfaitaire schadevergoeding te betalen waarvan het bedrag, de nadere voorwaarden en regelen door de Koning worden bepaald, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  In afwijking van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers mag de uitkering bedoeld in het eerste lid in mindering worden gebracht op het loon van de werknemer. Deze aftrek geschiedt dadelijk na de inhoudingen toegelaten krachtens artikel 23, eerste lid, 1°, van dezelfde wet en telt niet mee voor de grens van een vijfde voorzien in artikel 23, tweede lid.
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, voor de werknemers tewerkgesteld met genot van de uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m :
  1° afwijkingen voorzien aan de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten inzake het naleven van de regels betreffende de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wanneer hij aangeworven wordt in het kader van een andere arbeidsovereenkomst of benoemd wordt in een administratie;
  2° afwijkingen voorzien op de bepalingen inzake het bepalen van het bedrag van het loon, zonder evenwel af te wijken van de bedragen van de gewaarborgde gemiddelde minimum maandinkomens vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomsten afgesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit;
  3° [opgeheven] <W 2002-12-24/31, art. 362, 027; Inwerkingtreding : 27-04-2003; zoals gewijzigd bij W 2003-04-08/33, art. 71>
  4° afwijken van de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 juni 1971 houdende aanpassing en coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers rekening houdend met de rechten die de werknemer behoudt in het stelsel van werkloosheidsverzekering.] <W 1998-02-13/32, art. 35, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  [Voor de inschakelingsprojecten die Hij bepaalt, kan de Koning, overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten die Hij vaststelt, de werkgever, die overeenkomstig het derde lid de uitkering in mindering mag brengen op het loon van de werknemer, verplichten het overeenkomstig bedrag over te maken aan de derde, die het recht op werk garandeert van de werkloze die wordt tewerkgesteld in het inschakelingsproject.] <W 2000-08-12/62, art. 202, 014; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
  [De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan slechts worden toegekend voor zover de werknemer wordt aangeworven met een schriftelijke arbeidsovereenkomst die een contractueel voorziene normale uurregeling bevat waarvan het minimum wordt vastgelegd door de Koning.
  De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan niet worden toegekend in het kader van :
  1° een programma voor wedertewerkstelling zoals bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
  2° [...] <W 2006-07-20/38, art. 53, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
  De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan niet worden toegekend samen met andere tegemoetkomingen in het loon bepaald door de Koning.
   De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan wel worden toegekend samen met de dienstencheque bedoeld in de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van de buurtdiensten en -banen [3 , behalve in de gevallen voorzien bij koninklijk besluit]3.] <W 2003-12-22/42, art. 42, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [§ 1ter. De jeugdige werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 25 jaar niet bereikt heeft, heeft in het vakantiejaar recht op de jeugdvakantiedagen bedoeld in § 1, derde lid, o), indien hij in de loop van het vakantiedienstjaar zijn studies, leertijd of opleiding heeft beëindigd, en na deze beëindiging arbeid als loontrekkende heeft verricht gedurende tenminste één maand in de loop van het vakantiedienstjaar.
  De jonge werknemer kan, na uitputting van de gewone vakantiedagen waarop hij gerechtigd is, voor de jeugdvakantiedagen jeugdvakantie-uitkeringen bekomen.
  De jeugdvakantie-uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt toegekend onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering. De Koning bepaalt eveneens wat verstaan wordt onder arbeid als loontrekkende gedurende ten minste een maand.] <W 2001-05-22/36, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  [§ 1quater. De werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, heeft in het vakantiejaar tijdens de tewerkstelling als loontrekkende recht op de seniorvakantiedagen bedoeld in § 1, derde lid, x), indien hij ingevolge werkloosheid in het vakantiedienstjaar, gedurende het vakantiejaar geen recht heeft op vier weken betaalde vakantie.
  De werknemer bedoeld in het eerste lid kan, na uitputting van de gewone vakantiedagen waarop hij eventueel gerechtigd is, voor de seniorvakantiedagen seniorvakantie-uitkeringen bekomen.
  De seniorvakantie-uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt toegekend onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering. De Koning bepaalt eveneens wat verstaan wordt onder " ingevolge werkloosheid in het vakantiedienstjaar, gedurende het vakantiejaar geen recht heeft op vier weken betaalde vakantie ", zoals vermeld in het eerste lid, en welke regelen toegepast worden ten aanzien van werknemers die in het vakantiedienstjaar tewerkgesteld zijn geweest met toepassing van de vakantieregeling geldend voor openbare diensten of van een regeling van uitgestelde bezoldiging als leerkracht.] <W 2005-12-23/30, art. 54, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [§ 1quinquies. De premie bedoeld in § 1, derde lid, zc), wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering behoudens indien de Koning daarvan afwijkt.
  De periode die gedekt is door deze premie, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.
  Voor de toepassing van § 4 wordt de controle op de naleving van de voorwaarden voor de toekenning van de premie gelijkgesteld met de controle van de werkelijkheid van de werkloosheid.] <W 2008-12-22/32, art. 124, 2°, 042; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  [8 § 1sexies. De vergoeding bedoeld in § 1, derde lid, zf), compenseert, volgens de regels bepaald door de Koning, het verschil tussen enerzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever moet toekennen en anderzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever zou toegekend hebben alsof de totale anciënniteit van de werknemer volledig verworven was na 31 december 2013.
   De vergoeding wordt slechts toegekend indien de werknemer gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :
   1° de begindatum van zijn ononderbroken arbeidsovereenkomst is gelegen vóór 1 januari 2014;
   2° de arbeidsovereenkomst bedoeld in 1° is [10 op 31 december 2013]10 een arbeidsovereenkomst voor werklieden in de zin van artikel 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of in de zin van artikel 7bis van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, of bedoeld door Titel V van de voormelde wet van 3 juli 1978;
   3° hij voldoet aan één van de volgende voorwaarden :
   a) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt ten minste dertig jaar op de dag waarop de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad;
   b) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2014 ten minste twintig jaar;
   c) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2015 ten minste vijftien jaar;
   d) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2016 ten minste tien jaar;
   e) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2017 minder dan tien jaar;
   4° hij wordt ontslagen na 31 december 2013.
   De werknemer op wie artikel 70 van voormelde wet van toepassing is, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding.
   De werknemer ten aanzien van wie, op basis van artikel 73 van voormelde wet, de opzeggingstermijn wordt vastgesteld op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die gelden op 31 december 2013 en die van toepassing zijn in geval van opzegging ter kennis gebracht op deze datum, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding.
   De vergoeding wordt voor de toepassing van de werkloosheidsverzekering gelijkgesteld met een opzeggingsvergoeding die wordt toegekend wanneer de werkgever de overeenkomst beëindigt zonder dringende redenen en zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
   De Koning bepaalt de wijze waarop deze vergoeding wordt berekend, aangevraagd en toegekend. De Koning bepaalt eveneens welke invloed de vergoeding heeft, inzonderheid wat betreft het openen of heropenen van het recht van de werkloze op uitkeringen en de cumul met zijn uitkeringen.
   Deze vergoeding is vrijgesteld van inhoudingen en bijdragen voor de sociale zekerheid en van fiscale inhoudingen.
   Indien de werknemer gerechtigd is op de inschakelingsvergoeding bedoeld in artikel 36 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact is hij slechts gerechtigd op de ontslagcompensatievergoeding onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
   [10 ...]10 ]8
  [9 § 1septies. Voor de toepassing van § 1, derde lid, i), zijn enkel uitkeringen verschuldigd aan de werkloze die cumulatief voldoet aan :
   1° de toelaatbaarheidsvoorwaarden, zijnde de wachttijdvoorwaarden die de werkloze moet vervullen om van de werkloosheidsverzekering te kunnen genieten, inzonderheid door het leveren van het bewijs van een aantal arbeids-of gelijkgestelde dagen voorafgaand aan de werkloosheid;
   2° de toekenningsvoorwaarden, zijnde de voorwaarden die een werkloze die toelaatbaar is, moet vervullen om effectief uitkeringen te kunnen ontvangen, inzonderheid onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn, be-schikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, ingeschreven zijn als werkzoekende en actief werk zoeken, arbeidsgeschikt zijn, verblijven in België, voldoen aan leeftijdsvoorwaarden en de voorschriften naleven inzake aangifte en controle van werkloosheidsperiodes.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, bepaalt de Koning :
   1° het vereiste aantal arbeids- of gelijkgestelde dagen, de referteperiode waarin die dagen gelegen moeten zijn, de voorwaarden waaraan die arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen moeten voldoen en de wijze van bere-kenen van die arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen, waarbij een modulatie mogelijk is in functie van :
   a) de leeftijd van de werkloze;
   b) het arbeidsregime van de werknemer voorafgaand aan de werkloosheid, waarbij inzonderheid een onderscheid kan gemaakt worden tussen voltijdse werknemers, deeltijdse werknemers met behoud van rechten en vrijwillig deeltijdse werknemers. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder voltijdse werknemer, deeltijdse werknemer met behoud van rechten en vrijwillig deeltijdse werknemer;
   c) specifieke karakteristieken van de vóór de werkloosheid uitgeoefende arbeid, zoals de tewerkstelling als havenarbeider, als zeevisser of als kunstenaar;
   2° onder welke voorwaarden en nadere regelen jongeren die niet voldoen aan de in a) gestelde vereisten, geacht worden te voldoen aan de wachttijdvoorwaarden omwille van de studies die ze voleindigd hebben. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder jongere, studies en voleindigd hebben;
   3° onder welke voorwaarden en nadere regelen de tijdelijk werkloze die door een arbeidsovereenkomst ver-bonden is waarvan de uitvoering tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, geschorst is en de volledig werkloze die voorheen reeds voldeed aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden, vrijgesteld kan worden van de toelaatbaarheids-voorwaarden. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder volledig werkloze, tijdelijk werkloze en werkloze die vroeger reeds voldeed aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, bepaalt de Koning :
   1° wat dient te worden verstaan onder onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn, beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, ingeschreven zijn als werkzoekende, arbeidsgeschikt zijn, verblijven in België, voldoen aan leef-tijdsvoorwaarden en de voorschriften naleven inzake aangifte en controle van werkloosheidsperiodes;
   2° in welke gevallen en onder welke voorwaarden en nadere regelen werklozen vrijgesteld kunnen worden van sommige toekenningsvoorwaarden, inzonderheid omwille van hun leeftijd, het volgen van studies of opleidingen, omwille van moeilijkheden veroorzaakt op sociaal en familiaal vlak, omwille van het afsluiten als kandi-daat-ondernemer van een overeenkomst met een activiteitencoöperatie of omwille van een vrijwillige militaire inzet. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder het volgen van studies of opleidingen, moeilijkheden veroorzaakt op sociaal en familiaal vlak, het afsluiten als kandidaat-ondernemer van een overeenkomst met een activiteitencoöperatie en vrijwillige militaire inzet.
   § 1octies. Het bedrag van de in § 1, derde lid, i), bedoelde verschuldigde uitkering voor elke kalendermaand wordt bepaald in functie van het aantal vergoedbare uitkeringsdagen of halve uitkeringsdagen en van het dagbedrag voor elke uitkeringsdag.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regelen voor vaststelling van het aantal vergoedbare uitkeringsdagen of halve uitkeringsdagen in elke kalendermaand, waarbij inzonderheid rekening gehouden wordt met :
   1° de toelaatbaarheidsvoorwaarden en toekenningsvoorwaarden bedoeld in § 1septies;
   2° de aard van de werkloosheid, waarbij een onderscheid kan gemaakt worden naargelang de werkloze al dan niet nog verbonden is met een arbeidsovereenkomst met een werkgever;
   3° de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de werkloze vooraleer hij werkloos werd, de gemiddelde weke-lijkse arbeidsduur van de maatpersoon, de uren en dagen waarop arbeid werd verricht, de uren en dagen waarop er recht op loon is;
   4° de invloed van de activiteiten en het inkomen van deze activiteiten die de werkloze verricht op werkloos-heidsdagen of in een periode van werkloosheid.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regelen voor de vaststelling van het dagbedrag of het halve dagbedrag van de uitkering, waarbij inzonderheid rekening gehouden wordt met :
   1° de hoogte van het loon dat de werkloze verdiende vooraleer hij werkloos werd, en, voor de werkloze die nog verbonden is met een arbeidsovereenkomst, de hoogte van het loon tijdens die arbeidsovereenkomst;
   2° de wekelijkse arbeidsduur van de werkloze vooraleer hij werkloos werd, en, voor de werkloze die nog ver-bonden is met een arbeidsovereenkomst, de arbeidsduur tijdens die arbeidsovereenkomst;
   3° de gezinssamenstelling van de werkloze, waarbij een onderscheid kan gemaakt worden naargelang de werkloze al dan niet alleen woont en al dan niet personen ten zijnen laste heeft, waarbij rekening kan gehouden worden met de aard van bloed- of aanverwantschap, de omvang van het inkomen van de personen met wie de werkloze onder één dak leeft en de lasten die de werkloze heeft ten opzichte van bloed- of aanverwanten met wie hij niet meer onder één dak woont;
   4° de duur van de werkloosheid, waarbij de uitkering kan afnemen in functie van de werkloosheidsduur en waarbij bij langdurige werkloosheid de band met het vroegere loon kan verbroken worden;
   5° het beroepsverleden van de werkloze, zijn graad van verminderde geschiktheid en zijn leeftijd;
   6° het al dan niet ingeschreven zijn als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsbemiddeling;
   7° de aard, de omvang, het inkomen en het ogenblik van uitoefenen van activiteiten door de werkloze.
   Voor de overeenkomstig het vorige lid vastgestelde uitkeringen kan de Koning een maximum- en minimum-bedrag vaststellen, dat kan variëren in functie van de in het vorig lid opgesomde criteria.
   Het basisbedrag van de overeenkomstig de vorige leden vastgestelde uitkering kan verhoogd worden met een toeslag, inzonderheid wanneer het een oudere werkloze betreft. De Koning bepaalt de berekeningswijze en de voorwaarden en nadere regelen van deze toeslag.]9
  § 2. [De werkloosheidsuitkeringen worden aan de gerechtigden uitbetaald hetzij door bemiddeling van uitbetalingsinstellingen, welke opgericht worden door representatieve werknemersorganisaties en die daartoe door de Koning, onder de voorwaarden die hij bepaalt, erkend zijn en wegens dit feit rechtspersoonlijkheid verkregen hebben, hetzij door bemiddeling van een openbare instelling beheerd door het beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.] <Bijlage Ger.Wb., W 10-10-1967, hoofdart. 3, art. 63, § 1>
  Dit officieel organisme wordt gelijkgesteld met de andere door de Koning aangenomen uitbetalingsorganismen en wordt dus met deze, wat de werking, de financiële verantwoordelijkheid en middelen betreft, op dezelfde voet geplaatst.
  De Koning bepaalt, na advies van het beheerscomité van de [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] de modaliteiten van uitvoering der maatregelen voorzien bij voorgaand lid. [Het dagelijks beheer van de officiële instelling bedoeld in het voorgaand lid wordt uitgeoefend door de houder van een managementfunctie " administrateur-generaal ", bijgestaan door een houder van een managementfunctie " adjunct-administrateur-generaal ". Deze houders van een managementfunctie worden door de Koning aangesteld, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort en het Beheerscomité van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen. Hun statuut en de procedure van aanstelling worden door de Koning bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De Koning stelt eveneens de houders van de overige managementfuncties aan, op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort en het Beheerscomité van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen, na voordracht van de houder van de managementfunctie " administrateur-generaal ". De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, hun statuut en de procedure van aanstelling.] <W 14-02-1961, art. 9> <W 2003-04-08/33, art. 27, 023; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  De [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] kan aan de betalingsorganismen de sommen voorschieten voor de betaling van de werklozenvergoeding en ze voor hun bestuurskosten vergoeden. <W 14-02-1961, art. 9>
  De Koning bepaalt in welke gevallen de betalingsorganismen de last van de betalingen die zij ten onrechte zouden gedaan hebben, dragen.
  § 3. De provinciën en de gemeenten mogen onder geen enkele vorm tussenkomen om de krachtens deze besluitwet en de uitvoeringsbesluiten er van verleende werkloosheidsvergoeding te verhogen.
  § 4. De Koning kan aan de werkgevers de nodige maatregelen opleggen om de werkelijkheid en de voortduring van de onvrijwillige werkloosheid te controleren en op de niet-uitvoering van die maatregelen correctionele of politiestraffen stellen die [op de werkgevers, hun aangestelden of lasthebbers] toepasselijk zijn. Hij kan insgelijks correctionele of politiestraffen bepalen toepasselijk op de werklozen die gebruik zouden maken van bedrieglijke handelingen om vergoedingen waarop zij geen recht hebben of hogere vergoedingen dan die waarop zij mogen aanspraak maken, te bekomen of pogen te bekomen. <W 1998-02-13/32, art. 74, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  (NOTA : de W 2009-12-23/04, art. 66, waarvan de inwerkingtredingsdatum bepaald dient te worden, voegt hier een lid in.)
  [7 De inbreuken op de bepalingen van deze paragraaf [8 en van § 1, derde lid, littera j, en volgende]8 worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
   De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van deze paragraaf en de uitvoeringsbesluiten ervan.]7
  [Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V maar met inbegrip van hoofdstuk VII, zijn toepasselijk op de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde misdrijven. Artikel 85 van voormeld wetboek is toepasselijk op de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde misdrijven zonder dat het bedrag van de geldboete lager mag zijn dan 40 % van de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde minimumbedragen.] <W 1998-02-13/32, art. 83, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  [§ 4bis. De Koning wijst de ambtenaren aan belast met het toezicht op de toepassing van de bepalingen tot toekenning van de uitkeringen bedoeld bij de artikelen 100 en 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, alsmede de strafbepalingen die van toepassing zijn bij niet-naleving van de bepalingen tot toekenning van deze uitkeringen.] <W 1985-01-22/30, art. 107, 002>
  § 4ter. [12 Het toezicht en de controle op de uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, i), m) en p), van deze besluitwet, en de uitvoeringsbesluiten van de voormelde bepalingen, verlopen conform het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht.]12
  § 5. Het koninklijk besluit van 27 juli 1935 houdende oprichting van een Nationale Dienst voor arbeidsbemiddeling en werkloosheid is opgeheven. De Koning zal de nodige maatregelen treffen om de vereffening van dit organisme te verzekeren.
  § 6. Het houden van arbeidsbemiddelingsbureau's tegen betaling is verboden. Evenwel kan de Koning, voor bepaalde beroepen, de tijdelijke voortzetting der bedrijvigheid van deze bureau's toestaan, mits er voor te zorgen dat zij geleidelijk verdwijnen. Hij kan hun bedrijf onderwerpen aan bepaalde voorwaarden en aan controlemaatregelen.
  § 7. De Koning kan de werkzaamheden van en de controle op de kosteloze arbeidsbemiddelingsbureau's reglementeren.
  § 8. Inbreuk op het bepaalde in de §§ 6 en 7 alsmede op de besluiten genomen ter uitvoering van die paragrafen wordt gestraft met correctionele of politiestraffen, door de Koning bepaald.
  § 9. De Koning kan de bepalingen wijzigen van het koninklijk besluit nr. 285, van 31 maart 1936, houdende aanvulling en samenordening van de bepalingen betreffende de tewerkstelling van vreemde arbeiders, bekrachtigd bij de wet van 4 mei 1936 houdende bekrachtiging van sommige koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van de wet van 31 juni 1934, zoals verlengd en aangevuld bij de wetten van 7 december 1934, 15 en 30 maart 1935.
  § 10. [De gemeenten moeten, onder de voorwaarden en de nadere regelen die de Koning bepaalt :
  1° een verblijfsbewijs afleveren aan de onvrijwillig werklozen die zich, in het kader van het nazicht van de verblijfsvereiste, in de door de Koning bepaalde gevallen, persoonlijk bij de gemeente aanmelden;
  2° instaan voor het afstempelen van de controleformulieren van de deeltijdse werknemers die zich in de door de Koning bepaalde gevallen, persoonlijk bij de gemeente aanmelden.] <W 2004-12-27/30, art. 142, 030; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  § 11. [Geschillen over rechten, ontstaan uit de werkloosheidsregeling, behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank.
  [De beslissingen genomen over rechten ontstaan uit de werkloosheidsregeling moeten op straffe van verval, binnen drie maanden na de kennisgeving, of, bij gebrek aan kennisgeving, binnen de drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de betrokkene er kennis van gehad heeft, aan de bevoegde arbeidsrechtbank voorgelegd worden. Bij het ontbreken van erkenning van een recht moet het beroep tot erkenning van het recht worden voorgelegd binnen de drie maanden na de vaststelling van het in gebreke blijven.
  De vordering ingeleid voor de arbeidsrechtbank werkt niet schorsend.] ] <W 10-10-1967, art. 63, § 2> <W 1998-02-13/32, art. 61, 009; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  [In de zaken waarvoor een medische deskundige is aangesteld, worden de voorschotten, de erelonen en de kosten van deze deskundige, die voorkomen in de staat die hij opstelt in overeenstemming met de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, aangegeven, met toepassing van het tarief bepaald door de Koning.] <W 1998-02-13/32, art. 61, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2003>
  [De regeling bedoeld in § 1, derde lid, q) , wordt voor de toepassing van de vorige leden gelijkgesteld met een werkloosheidsregeling.] <W 2002-12-24/32, art. 5, 024: Inwerkingtreding : 01-04-2003; inwerkingtreding op een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum, en uiterlijk op 1 april 2003; Justel heeft geen kennis van betrokken besluit>
  [§ 12. De werknemer heeft geen recht op werkloosheidsuitkeringen gedurende de periode gedekt door een vergoeding of een schadevergoeding, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade, waarop hij aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Nochtans, wanneer hij de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel recht heeft, niet of slechts gedeeltelijk ontvangen heeft, kan hij voor de overeenstemmende periode voorlopig werkloosheidsuitkeringen genieten, indien hij, naast de gewone voorwaarden voor het verkrijgen van laatstgenoemde uitkeringen, de volgende voorwaarden vervult :
  1° zich ertoe verbinden van zijn werkgever de betaling te eisen, indien nodig langs gerechtelijke weg, van de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel recht heeft;
  2° zich ertoe verbinden de voorlopig ontvangen werkloosheidsuitkeringen terug te storten van zodra hij de vergoeding of de schadevergoeding verkregen heeft;
  3° zich ertoe verbinden de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op de hoogte te brengen van elke schuldbekentenis die zijn werkgever doet of van elke gerechtelijke beslissing die wordt genomen met betrekking tot de vergoeding of de schadevergoeding;
  4° aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, de vergoeding of de schadevergoeding waarvan het recht hem is erkend, over te dragen ten belope van het bedrag van de voorlopig toegekende werkloosheidsuitkeringen.
  Artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek en hoofdstuk VI van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers zijn niet van toepassing op de overdracht bedoeld in het eerste lid, 4°. De overdracht is aan derden tegenstelbaar door de betekening ervan bij ter post aangetekend schrijven aan de werkgever.
  De werknemer moet de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening binnen het jaar dat volgt op het eindigen van de arbeidsovereenkomst, het bewijs leveren dat een rechtsvordering werd ingesteld bij het bevoegde gerecht ten einde de vergoeding of de schadevergoeding te verkrijgen. Indien hij dit niet doet, wordt hij uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf de datum van de beëindiging van de overeenkomst en voor de periode gedekt door de wettelijke minimumopzeggingstermijnen, die gelden in zijn geval.
  In geval van faillissement of van vereffening van de onderneming hebben de lasthebbers, curatoren en vereffenaars, wat de overdracht van schuldvordering bedoeld bij het eerste lid, 4°, betreft, dezelfde verplichtingen als de werkgevers.] <W 1988-12-30/31, art. 111, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  [§ 13. De rechtsvorderingen tot uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Deze termijn gaat in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarop de uitkeringen betrekking hebben.
  Het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, alsmede de rechtsvorderingen van de uitbetalingsinstellingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Die termijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist of bedrog van de werkloze.
  De verjaringstermijnen bepaald in het tweede lid gaan in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd. Wanneer de uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen onverschuldigd worden omwille van de toekenning of de vermeerdering van een voordeel dat, geheel of gedeeltelijk, niet samen kan genoten worden met de werkloosheidsuitkeringen, gaat de verjaringstermijn in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene waarin dat voordeel of die vermeerdering werd betaald.
  Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek kunnen deze verjaringstermijnen gestuit worden door een ter post aangetekende brief. De daden die de verjaring stuiten blijven geldig ook indien ze gericht zijn aan een onbevoegde instelling of bestuur op voorwaarde dat die instelling of dat bestuur belast is met de toekenning of de betaling van werkloosheidsuitkeringen.] <W 1988-12-30/31, art. 112, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  [De vergoedingen voorzien in § 1, derde lid, [8 littera j, l, n, q en zf,]8 worden gelijkgesteld met de werkloosheidsuitkering voor de toepassing van onderhavige paragraaf.] <W 2004-12-27/30, art. 173, 030; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  [§ 14. Deze paragraaf betreft de wachttijdvoorwaarden voor de toekenning van het recht op uitkeringen bedoeld in § 1, derde lid, i , m , o en p , in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer.
  De vreemde of staatloze werknemer wordt enkel toegelaten tot het recht op uitkeringen indien hij op het tijdstip van de uitkeringsaanvaag voldoet aan de wetgeving die betrekking heeft op het verblijf en op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
  De door de vreemde of staatloze werknemer in België verrichte arbeid komt enkel in aanmerking voor het voldoen aan de wachttijdvoorwaarden, indien hij verricht werd overeenkomstig de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
  Het recht op uitkeringen ingevolge de beëindiging van studies geldt in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer enkel binnen de grenzen van een bilaterale of een internationale overeenkomst. Dit recht geldt eveneens voor de onderdanen van de landen opgesomd in de wet van 13 december 1976 houdende goedkeuring van de bilaterale akkoorden betreffende de tewerkstelling in België van buitenlandse werknemers.
  De vreemde of staatloze werknemer kan de in het buitenland verrichte arbeid en de aldaar met arbeid gelijkgestelde periodes, enkel inroepen binnen de grenzen van een bilaterale of een internationale overeenkomst.
  De vreemde of staatloze werknemer wiens arbeidskaart vervallen is en die na een termijn van zestig dagen de arbeid krachtens een nieuwe arbeidskaart hervat heeft, en die vervolgens opnieuw een uitkeringsaanvraag doet, kan niet vrijgesteld worden van wachttijd op grond van een voorheen toegekend recht op uitkeringen.
  Het voorgaande lid is niet toepasselijk op :
  1° de werknemer die de toelating heeft zich met zijn gezin in België te vestigen;
  2° de werknemer aan wie, met toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
  3° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit.
  § 15. Deze paragraaf betreft de toekenningsvoorwaarden van het recht op uitkeringen bedoeld in § 1, derde lid, i , m , o en p , in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer.
  Om uitkeringen te genieten moet de vreemde of staatloze werknemer voldoen aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen en deze die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
  De werkloze verliest het genot van de uitkeringen zestig dagen nadat de arbeidskaart is vervallen.
  Het voorgaande lid is niet toepasselijk op :
  1° de werknemer aan wie, met toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
  2° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit.] <W 2002-08-02/45, art. 114, 021; Inwerkingtreding : 29-08-2002>

  ----------
  (1)<W 2009-06-19/04, art. 27, 043; Inwerkingtreding : 25-06-2009; Opheffing : 01-10-2010, zie W 2009-06-19/04, art. 28, zoals gewijzigd>
  (2)<W 2009-12-30/02, art. 6, 044; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (3)<W 2009-12-30/02, art. 22, 044; Inwerkingtreding : 10-01-2010>
  (6)<W 2011-02-01/01, art. 10, 049; Inwerkingtreding : 01-02-2011; AD 31-03-2011>
  (7)<W 2010-06-06/06, art. 34, 048; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (8)<W 2013-12-26/08, art. 97, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (9)<W 2014-04-25/77, art. 35, 052; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
  (10)<W 2015-04-23/01, art. 11, 053; Inwerkingtreding : 27-04-2015; zie ook W 2015-04-23/01, art. 12>
  (11)<DVR 2016-03-04/12, art. 16, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2016 (BVR 2016-06-10/03, art. 36)>
  (12)<DVR 2016-07-08/06, art. 5, 060; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 7_GRONDGEBIED_VAN_HET_FRANSE_TAALGEBIED.
  <W 14-07-1951, art. 3> § 1. Bij het Ministerie van Arbeid en Sociale Voorzorg wordt een [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] opgericht. <W 14-2-1961, art. 9>
   Deze dienst is een publiekrechtelijk lichaam bekleed met rechtspersoonlijkheid.
   [Onder de voorwaarden, die de Koning bepaalt, heeft de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening tot taak:
   a) de aanwerving en de plaatsing van de werknemers te bevorderen en te organiseren;
   b) de herscholing van de onvrijwillige werklozen te bevorderen en te organiseren;
   c) de versnelde beroepsopleiding van de volwassenen te bevorderen en te organiseren, hetzij door met dit doel eigen centra op te richten, hetzij door het subsidiëren van centra die de rechtspersoonlijkheid bezitten en tot hetzelfde doel worden erkend;
   d) tegemoet te komen in het loon van de onvrijwillige werklozen van gevorderde leeftijd, mindervaliden of die om andere redenen als moeilijk te plaatsen worden beschouwd en die door zijn toedoen worden aangeworven;
   e) tegemoet te komen in de uitgaven die inherent zijn aan de selectie, de beroepsopleiding of het opnieuw installeren van het personeel dat door de werkgevers wordt in dienst genomen met het oog op de oprichting, de uitbreiding of overschakeling van ondernemingen;
   f) tegemoet te komen in de kosten van nieuwe installatie der werkloze werknemers;
   g) tegemoet te komen in het loon van de werknemers, die door de overschakeling van hun onderneming zijn getroffen;
   h) [de terugbetaling verzekeren van de lonen en de sociale bijdragen met betrekking tot het betaald educatief verlof, op grond van de verzamelstaten die door de werkgevers werden ingediend bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid overeenkomstig artikel 120 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, na vaststelling door dit ministerie van de conformiteit van de vraag om terugbetaling met de wettelijke en reglementaire bepalingen.] <W 2001-07-19/38, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
   i) met behulp van de te dien einde opgerichte of nog op te richten organismen, aan de onvrijwillige werklozen en aan hun gezin de uitbetaling van de hun verschuldigde uitkeringen te verzekeren) <W 14-02-1961, art. 10>
   j) [met de hulp van de daartoe opgerichte of op te richten instellingen, te zorgen voor de uitbetaling aan de in Frankrijk tewerkgestelde grensarbeiders van een compensatievergoeding ter compensatie van de loonderving [die voortvloeit uit de schommelingen van de wisselkoers tussen de Belgische en de Franse munt die zich voordeden voor 1 april 1987] ] <KBN13 11-10-1978, art. 1> <W 1999-03-26/30, art. 80, 010; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
   [k) de uitbetaling verzekeren van de onderbrekingstoelage bedoeld in artikel 3, § 3bis, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, met behulp van de Divisie Begroting van de Generale Staf bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 1989 houdende organisatie van de Generale Staf.] <W 1998-02-13/32, art. 36, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
   [ [l]) de uitbetaling verzekeren van de vergoedingen bedoeld bij afdeling 5 van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.] <W 2001-08-10/59, art. 20, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <Erratum, B.S. 09-10-2001, p. 34387>
   [De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de voorwaarden en modaliteiten bepalen volgens dewelke de uitbetaling van deze vergoedingen, aan werknemers tewerkgesteld bij een werkgever die niet valt onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités in zoverre voor deze werknemers geen werkgeversbijdrage betaald dienen te worden zoals voorzien in artikel 17, § 2, 1°, c) en 2°, c), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, afhankelijk gemaakt wordt van de voorwaarde dat deze werkgever er zich voorafgaandelijk toe verbonden heeft in te staan, volgens de voorwaarden en modaliteiten bepaald door Hem, voor de financiering van de uit te betalen sommen.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het toepassingsgebied van het vorige lid verruimen tot bepaalde werkgevers die ressorteren onder de wet van 5 december 1968 en die werknemers tewerkstellen anders dan onder een arbeidsovereenkomst. De Koning kan bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalde werkgevers geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het toepassingsgebied van het vorige lid.] <W 2003-12-22/42, art. 31, 028; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
   [m) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van een uitkering voor bepaalde categorieën van werklozen die tewerkgesteld zijn in een inschakelingsprojekt met het oog op de bevordering van hun integratie op de arbeidsmarkt.] <KB 1996-11-14/34, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
   [n) met de hulp van de daartoe opgerichte of op te richten instellingen, te zorgen voor de uitbetaling aan de Belgische grensarbeiders van een vergoeding ter compensatie van het inkomstenverlies dat zij lijden ten gevolge van het feit dat zij hun belastingen in België en hun sociale zekerheidsbijdragen in het werkland betalen. De voorwaarden voor de toekenning van deze vergoedingen, het bedrag van de vergoedingen en de datum van inwerkingtreding van de uitvoeringsmaatregelen worden vastgelegd door een in Ministerraad goedgekeurd koninklijk besluit.] <W 1998-12-22/53, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
   [o) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van jeugdvakantieuitkeringen voor de jeugdvakantiedagen bedoeld in artikel 5 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971.] <W 2001-05-22/36, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
   p) [met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering, de uitbetaling verzekeren van de werkhervattingstoeslag voor [bepaalde categorieën van werklozen] die het werk hervatten, [hierbij inbegrepen de werklozen] die een beroepsactiviteit als zelfstandige starten om aan de werkloosheid te ontsnappen, met het oog op de bevordering van hun herintegratie op de arbeidsmarkt.] <W 2005-12-23/30, art. 65, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2006> <W 2008-07-24/35, art. 88, 041; Inwerkingtreding : 17-08-2008>
  [Deze toeslag wordt voor de toepassing van de fiscale wetgeving beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering behoudens indien de Koning daarvan afwijkt. De periode die gedekt is door deze werkhervattingstoeslag, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.] (W 2001-12-30/30, art. 61, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2002)
   [q) met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i) de betaling verzekeren van een vergoeding ter gedeeltelijke compensatie van het inkomensverlies dat een onthaalouder door omstandigheden buiten zijn of haar wil lijdt ingevolge de tijdelijke afwezigheid van kinderen die hij of zij normaal opvangt.] <W 2002-12-24/32, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 01-04-2003; inwerkingtreding op een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum, en uiterlijk op 1 april 2003; Justel heeft geen kennis van betrokken besluit>
   [r) de financiering verzekeren van de startbaanovereenkomsten die deel uitmaken van de globale projecten in de openbare sector bedoeld in artikel 43 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid.] <W 2002-12-24/31, art. 316, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
   (s) de betaling verzekeren, volgens de nadere regels en ten belope van het bedrag vastgesteld door de Koning, van de kostprijs van de outplacementbegeleidingen georganiseerd via de tussenkomst van instellingen ingesteld of erkend door de gewestelijke instellingen ingesteld door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en door de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, en die bevoegd zijn voor deze materie, voor de werknemers die niet genoten van de outplacementbegeleiding bepaald bij artikels 13 en 14 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers.) <W 2002-12-24/31, art. 320, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
   [t) de terugbetaling verzekeren, volgens de nadere regels en ten belope van het bedrag vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, van de kostprijs van de outplacementbegeleiding die werkelijk gedragen werd door de werkgever in herstructurering, voor die werknemers die binnen een bepaalde periode na hun ontslag bij de werkgever in herstructurering door toedoen van een tewerkstellingscel opnieuw op duurzame wijze in dienst zijn genomen bij een nieuwe werkgever.] <W 2003-12-22/42, art. 27, 028; Inwerkingtreding : onbepaald>
   [u) vanaf 1 juli 2004 de financiering verzekeren van de begeleiding van jongeren in het kader van een inschakelingparcours, zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 31 augustus 2001 tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten betreffende het inschakelingsparcours van werkzoekenden naar de startbaanovereenkomst.] <W 2004-07-09/30, art. 256, 029; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
   [ [v]) de betaling verzekeren van de bedragen voor cofinanciering voorzien bij artikel 8 van het samenwerkingsakkoord van 4 juli 2000 tussen de Staat, de Gewesten en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de sociale economie, waarmee ingestemd werd bij de wet van 26 juni 2001 en bij de daaropvolgende samenwerkingsakkoorden;] <W 2004-12-27/30, art. 171, 030; Inwerkingtreding : 10-01-2005> <W 2005-12-23/30, art. 60, 1°, 032; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
   [w) de betaling verzekeren van de start- en stagebonussen, bedoeld in artikel 58 van de wet 23 december 2005 van betreffende het generatiepact.] <W 2005-12-23/30, art. 60, 2°, 033; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
   [x) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van seniorvakantie-uitkeringen voor de seniorvakantiedagen bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, ingevoegd bij de wet van december 2005.] <W 2005-12-23/30, art. 54, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
   [y) met behulp van de instellingen opgericht krachtens littera i), onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering, de uitbetaling verzekeren van een begeleidingsuitkering voor bepaalde categorieën van jongeren die niet gerechtigd zijn op uitkeringen toegekend krachtens littera i), doch ingeschreven zijn als werkzoekende en een opleiding of een begeleiding volgen met het oog op de integratie op de arbeidsmarkt.
   Deze uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering. De Koning bepaalt evenwel voor welke bepalingen van de uitvoeringsbesluiten deze uitkering niet beschouwd wordt als een werkloosheidsuitkering, inzonderheid om te voorkomen dat de begeleidingsuitkering in rekening wordt gebracht bij de vaststelling van de toelaatbaarheidsvoorwaarden tot het recht op uitkeringen in toepassing van littera i), en om te voorkomen dat de begeleidingsuitkering in rekening wordt gebracht als werkloosheidsduur. De periode die gedekt is door een begeleidingsuitkering, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.] <W 2005-12-27/30, art. 11, 031; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
   [z) de terugbetaling verzekeren aan de werkgever of aan het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers van het bedrag bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.] <W 2005-12-23/30, art. 39, 033; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
   [za) de terugbetaling verzekeren van het terugbetaalbaar deel van de opleidingskosten zoals bedoeld in afdeling 3 van Hoofdstuk II van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van de buurtdiensten en -banen.] <W 2006-12-27/30, art. 259, 036; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
   [zb) de uitbetaling verzekeren van de uitkeringen toegekend met het oog op het verstrekken van pleegzorgen bedoeld bij Titel VI, Hoofdstuk II, van de programmawet van 27 april 2007] <W 2007-04-27/35, art. 58, 038; Inwerkingtreding : 08-05-2007>
   [zc) met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, de toekenning en de uitbetaling verzekeren van een tijdelijke premie aan bepaalde categorieën van oudere werknemers die op eigen verzoek met inkomensverlies bij dezelfde werkgever overstappen naar lichter werk. Deze premies worden verrekend vanuit het bedrag dat jaarlijks overeenkomstig artikel 25, 1°, van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt toegewezen aan het Ervaringsfonds bedoeld in artikel 24 van dezelfde wet;] <W 2008-12-22/32, art. 124, 1°, 042; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
   [1 [6 zd). Met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, de uitbetaling verzekeren van een crisisuitkering wegens schorsing van de arbeidsovereenkomst voor bedienden. Deze uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering;]6 ]1
   [2 ze) de uitbetaling verzekeren van de kosten van opleidingsinitiatieven met het oog op de inschakeling op de arbeidsmarkt van de risicogroepen, die gefinancierd worden op basis van artikel 191, § 3, van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen;]2
   [8 zf) met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, de uitbetaling verzekeren van een ontslagcompensatievergoeding aan werknemers waarvan de duur van de opzeggingstermijn of van de overeenstemmende opzeggingsvergoeding overeenkomstig de wetgeving minstens gedeeltelijk moet worden bepaald op basis van de anciënniteit verworven als arbeider in de periode gelegen vóór 1 januari 2014.]8
   Hij wordt gestijfd door een gedeelte van de bij deze besluitwet opgelegde bijdragen, zoals in artikel 4 wordt bepaald, en door rijkstoelagen.
   [Wanneer het de uitbetaling van uitkeringen betreft aan de onvrijwillig werklozen waarvan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst is met toepassing van Titel II, hoofdstuk II, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, betaalt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor rekening van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, opgericht bij artikel 9 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, de tussenkomst uit in het bedrag van deze werkloosheidsuitkeringen voor rekening van dit Fonds.] <W 1992-06-26/30, art. 101, 005; Inwerkingtreding : 10-07-1992>
   [De Rijksdienst voor arbeidsvoorziening is onderworpen aan de controle die is geregeld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut. De Rijksdienst wordt beheerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg.] <W 11-01-1967, art. 5>
   De inrichting en de werking van de (Rijksdienst voor arbeidsvoorziening) wordt door de Koning geregeld. <W 14-02-1961, art. 9>
   [§ 1bis. De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, wordt geacht een uitkering te zijn inzake werkloosheidsverzekering. Voor wat betreft de fiscale en sociale wetgeving, met uitzondering van de gevallen die de Koning bepaalt in de wetgeving betreffende de werkloosheidsverzekering, wordt deze uitkering nochtans als loon beschouwd.
   De werkgever die de in § 1, derde lid, m, bedoelde werknemers tewerkstelt en de voorwaarden vastgesteld door de Koning niet naleeft is gehouden aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een forfaitaire schadevergoeding te betalen waarvan het bedrag, de nadere voorwaarden en regelen door de Koning worden bepaald, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
   In afwijking van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers mag de uitkering bedoeld in het eerste lid in mindering worden gebracht op het loon van de werknemer. Deze aftrek geschiedt dadelijk na de inhoudingen toegelaten krachtens artikel 23, eerste lid, 1°, van dezelfde wet en telt niet mee voor de grens van een vijfde voorzien in artikel 23, tweede lid.
   De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, voor de werknemers tewerkgesteld met genot van de uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m :
   1° afwijkingen voorzien aan de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten inzake het naleven van de regels betreffende de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wanneer hij aangeworven wordt in het kader van een andere arbeidsovereenkomst of benoemd wordt in een administratie;
   2° afwijkingen voorzien op de bepalingen inzake het bepalen van het bedrag van het loon, zonder evenwel af te wijken van de bedragen van de gewaarborgde gemiddelde minimum maandinkomens vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomsten afgesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit;
   3° [opgeheven] <W 2002-12-24/31, art. 362, 027; Inwerkingtreding : 27-04-2003; zoals gewijzigd bij W 2003-04-08/33, art. 71>
   4° afwijken van de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 juni 1971 houdende aanpassing en coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers rekening houdend met de rechten die de werknemer behoudt in het stelsel van werkloosheidsverzekering.] <W 1998-02-13/32, art. 35, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
   [Voor de inschakelingsprojecten die Hij bepaalt, kan de Koning, overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten die Hij vaststelt, de werkgever, die overeenkomstig het derde lid de uitkering in mindering mag brengen op het loon van de werknemer, verplichten het overeenkomstig bedrag over te maken aan de derde, die het recht op werk garandeert van de werkloze die wordt tewerkgesteld in het inschakelingsproject.] <W 2000-08-12/62, art. 202, 014; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
   [De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan slechts worden toegekend voor zover de werknemer wordt aangeworven met een schriftelijke arbeidsovereenkomst die een contractueel voorziene normale uurregeling bevat waarvan het minimum wordt vastgelegd door de Koning.
   De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan niet worden toegekend in het kader van :
   1° een programma voor wedertewerkstelling zoals bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
   2° [...] <W 2006-07-20/38, art. 53, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
   De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan niet worden toegekend samen met andere tegemoetkomingen in het loon bepaald door de Koning.
   De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan wel worden toegekend samen met de dienstencheque bedoeld in de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van de buurtdiensten en -banen [3 , behalve in de gevallen voorzien bij koninklijk besluit]3.] <W 2003-12-22/42, art. 42, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
   [§ 1ter. De jeugdige werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 25 jaar niet bereikt heeft, heeft in het vakantiejaar recht op de jeugdvakantiedagen bedoeld in § 1, derde lid, o), indien hij in de loop van het vakantiedienstjaar zijn studies, leertijd of opleiding heeft beëindigd, en na deze beëindiging arbeid als loontrekkende heeft verricht gedurende tenminste één maand in de loop van het vakantiedienstjaar.
   De jonge werknemer kan, na uitputting van de gewone vakantiedagen waarop hij gerechtigd is, voor de jeugdvakantiedagen jeugdvakantie-uitkeringen bekomen.
   De jeugdvakantie-uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt toegekend onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering. De Koning bepaalt eveneens wat verstaan wordt onder arbeid als loontrekkende gedurende ten minste een maand.] <W 2001-05-22/36, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
   [§ 1quater. De werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, heeft in het vakantiejaar tijdens de tewerkstelling als loontrekkende recht op de seniorvakantiedagen bedoeld in § 1, derde lid, x), indien hij ingevolge werkloosheid in het vakantiedienstjaar, gedurende hetvakantiejaar geen recht heeft op vier weken betaalde vakantie.
   De werknemer bedoeld in het eerste lid kan, na uitputting van de gewone vakantiedagen waarop hij eventueel gerechtigd is, voor de seniorvakantiedagen seniorvakantie-uitkeringen bekomen.
   De seniorvakantie-uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt toegekend onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering. De Koning bepaalt eveneens wat verstaan wordt onder " ingevolge werkloosheid in het vakantiedienstjaar, gedurende het vakantiejaar geen recht heeft op vier weken betaalde vakantie ", zoals vermeld in het eerste lid, en welke regelen toegepast worden ten aanzien van werknemers die in het vakantiedienstjaar tewerkgesteld zijn geweest met toepassing van de vakantieregeling geldend voor openbare diensten of van een regeling van uitgestelde bezoldiging als leerkracht.] <W 2005-12-23/30, art. 54, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
   [§ 1quinquies. De premie bedoeld in § 1, derde lid, zc), wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering behoudens indien de Koning daarvan afwijkt.
   De periode die gedekt is door deze premie, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.
   Voor de toepassing van § 4 wordt de controle op de naleving van de voorwaarden voor de toekenning van de premie gelijkgesteld met de controle van de werkelijkheid van de werkloosheid.] <W 2008-12-22/32, art. 124, 2°, 042; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
   [8 § 1sexies. De vergoeding bedoeld in § 1, derde lid, zf), compenseert, volgens de regels bepaald door de Koning, het verschil tussen enerzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever moet toekennen en anderzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever zou toegekend hebben alsof de totale anciënniteit van de werknemer volledig verworven was na 31 december 2013.
   De vergoeding wordt slechts toegekend indien de werknemer gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :
   1° de begindatum van zijn ononderbroken arbeidsovereenkomst is gelegen vóór 1 januari 2014;
   2° de arbeidsovereenkomst bedoeld in 1° is [10 op 31 december 2013]10 een arbeidsovereenkomst voor werklieden in de zin van artikel 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of in de zin van artikel 7bis van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, of bedoeld door Titel V van de voormelde wet van 3 juli 1978;
   3° hij voldoet aan één van de volgende voorwaarden :
   a) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt ten minste dertig jaar op de dag waarop de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad;
   b) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2014 ten minste twintig jaar;
   c) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2015 ten minste vijftien jaar;
   d) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2016 ten minste tien jaar;
   e) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2017 minder dan tien jaar;
   4° hij wordt ontslagen na 31 december 2013.
   De werknemer op wie artikel 70 van voormelde wet van toepassing is, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding.
   De werknemer ten aanzien van wie, op basis van artikel 73 van voormelde wet, de opzeggingstermijn wordt vastgesteld op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die gelden op 31 december 2013 en die van toepassing zijn in geval van opzegging ter kennis gebracht op deze datum, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding.
   De vergoeding wordt voor de toepassing van de werkloosheidsverzekering gelijkgesteld met een opzeggingsvergoeding die wordt toegekend wanneer de werkgever de overeenkomst beëindigt zonder dringende redenen en zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
   De Koning bepaalt de wijze waarop deze vergoeding wordt berekend, aangevraagd en toegekend. De Koning bepaalt eveneens welke invloed de vergoeding heeft, inzonderheid wat betreft het openen of heropenen van het recht van de werkloze op uitkeringen en de cumul met zijn uitkeringen.
   Deze vergoeding is vrijgesteld van inhoudingen en bijdragen voor de sociale zekerheid en van fiscale inhoudingen.
   Indien de werknemer gerechtigd is op de inschakelingsvergoeding bedoeld in artikel 36 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact is hij slechts gerechtigd op de ontslagcompensatievergoeding onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
   [10 ...]10 ]8
   [9 § 1septies. Voor de toepassing van § 1, derde lid, i), zijn enkel uitkeringen verschuldigd aan de werkloze die cumulatief voldoet aan :
   1° de toelaatbaarheidsvoorwaarden, zijnde de wachttijdvoorwaarden die de werkloze moet vervullen om van de werkloosheidsverzekering te kunnen genieten, inzonderheid door het leveren van het bewijs van een aantal arbeids-of gelijkgestelde dagen voorafgaand aan de werkloosheid;
   2° de toekenningsvoorwaarden, zijnde de voorwaarden die een werkloze die toelaatbaar is, moet vervullen om effectief uitkeringen te kunnen ontvangen, inzonderheid onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn, be-schikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, ingeschreven zijn als werkzoekende en actief werk zoeken, arbeidsgeschikt zijn, verblijven in België, voldoen aan leeftijdsvoorwaarden en de voorschriften naleven inzake aangifte en controle van werkloosheidsperiodes.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, bepaalt de Koning :
   1° het vereiste aantal arbeids- of gelijkgestelde dagen, de referteperiode waarin die dagen gelegen moeten zijn, de voorwaarden waaraan die arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen moeten voldoen en de wijze van bere-kenen van die arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen, waarbij een modulatie mogelijk is in functie van :
   a) de leeftijd van de werkloze;
   b) het arbeidsregime van de werknemer voorafgaand aan de werkloosheid, waarbij inzonderheid een onderscheid kan gemaakt worden tussen voltijdse werknemers, deeltijdse werknemers met behoud van rechten en vrijwillig deeltijdse werknemers. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder voltijdse werknemer, deeltijdse werknemer met behoud van rechten en vrijwillig deeltijdse werknemer;
   c) specifieke karakteristieken van de vóór de werkloosheid uitgeoefende arbeid, zoals de tewerkstelling als havenarbeider, als zeevisser of als kunstenaar;
   2° onder welke voorwaarden en nadere regelen jongeren die niet voldoen aan de in a) gestelde vereisten, geacht worden te voldoen aan de wachttijdvoorwaarden omwille van de studies die ze voleindigd hebben. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder jongere, studies en voleindigd hebben;
   3° onder welke voorwaarden en nadere regelen de tijdelijk werkloze die door een arbeidsovereenkomst ver-bonden is waarvan de uitvoering tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, geschorst is en de volledig werkloze die voorheen reeds voldeed aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden, vrijgesteld kan worden van de toelaatbaarheids-voorwaarden. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder volledig werkloze, tijdelijk werkloze en werkloze die vroeger reeds voldeed aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, bepaalt de Koning :
   1° wat dient te worden verstaan onder onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn, beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, ingeschreven zijn als werkzoekende, arbeidsgeschikt zijn, verblijven in België, voldoen aan leef-tijdsvoorwaarden en de voorschriften naleven inzake aangifte en controle van werkloosheidsperiodes;
   2° in welke gevallen en onder welke voorwaarden en nadere regelen werklozen vrijgesteld kunnen worden van sommige toekenningsvoorwaarden, inzonderheid omwille van hun leeftijd, het volgen van studies of opleidingen, omwille van moeilijkheden veroorzaakt op sociaal en familiaal vlak, omwille van het afsluiten als kandi-daat-ondernemer van een overeenkomst met een activiteitencoöperatie of omwille van een vrijwillige militaire inzet. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder het volgen van studies of opleidingen, moeilijkheden veroorzaakt op sociaal en familiaal vlak, het afsluiten als kandidaat-ondernemer van een overeenkomst met een activiteitencoöperatie en vrijwillige militaire inzet.
   " § 1octies. Het bedrag van de in § 1, derde lid, i), bedoelde verschuldigde uitkering voor elke kalendermaand wordt bepaald in functie van het aantal vergoedbare uitkeringsdagen of halve uitkeringsdagen en van het dagbedrag voor elke uitkeringsdag.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regelen voor vaststelling van het aantal vergoedbare uitkeringsdagen of halve uitkeringsdagen in elke kalendermaand, waarbij inzonderheid rekening gehouden wordt met :
   1° de toelaatbaarheidsvoorwaarden en toekenningsvoorwaarden bedoeld in § 1septies;
   2° de aard van de werkloosheid, waarbij een onderscheid kan gemaakt worden naargelang de werkloze al dan niet nog verbonden is met een arbeidsovereenkomst met een werkgever;
   3° de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de werkloze vooraleer hij werkloos werd, de gemiddelde weke-lijkse arbeidsduur van de maatpersoon, de uren en dagen waarop arbeid werd verricht, de uren en dagen waarop er recht op loon is;
   4° de invloed van de activiteiten en het inkomen van deze activiteiten die de werkloze verricht op werkloos-heidsdagen of in een periode van werkloosheid.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regelen voor de vaststelling van het dagbedrag of het halve dagbedrag van de uitkering, waarbij inzonderheid rekening gehouden wordt met :
   1° de hoogte van het loon dat de werkloze verdiende vooraleer hij werkloos werd, en, voor de werkloze die nog verbonden is met een arbeidsovereenkomst, de hoogte van het loon tijdens die arbeidsovereenkomst;
   2° de wekelijkse arbeidsduur van de werkloze vooraleer hij werkloos werd, en, voor de werkloze die nog ver-bonden is met een arbeidsovereenkomst, de arbeidsduur tijdens die arbeidsovereenkomst;
   3° de gezinssamenstelling van de werkloze, waarbij een onderscheid kan gemaakt worden naargelang de werkloze al dan niet alleen woont en al dan niet personen ten zijnen laste heeft, waarbij rekening kan gehouden worden met de aard van bloed- of aanverwantschap, de omvang van het inkomen van de personen met wie de werkloze onder één dak leeft en de lasten die de werkloze heeft ten opzichte van bloed- of aanverwanten met wie hij niet meer onder één dak woont;
   4° de duur van de werkloosheid, waarbij de uitkering kan afnemen in functie van de werkloosheidsduur en waarbij bij langdurige werkloosheid de band met het vroegere loon kan verbroken worden;
   5° het beroepsverleden van de werkloze, zijn graad van verminderde geschiktheid en zijn leeftijd;
   6° het al dan niet ingeschreven zijn als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsbemiddeling;
   7° de aard, de omvang, het inkomen en het ogenblik van uitoefenen van activiteiten door de werkloze.
   Voor de overeenkomstig het vorige lid vastgestelde uitkeringen kan de Koning een maximum- en minimum-bedrag vaststellen, dat kan variëren in functie van de in het vorig lid opgesomde criteria.
   Het basisbedrag van de overeenkomstig de vorige leden vastgestelde uitkering kan verhoogd worden met een toeslag, inzonderheid wanneer het een oudere werkloze betreft. De Koning bepaalt de berekeningswijze en de voorwaarden en nadere regelen van deze toeslag]9
   § 2. [De werkloosheidsuitkeringen worden aan de gerechtigden uitbetaald hetzij door bemiddeling van uitbetalingsinstellingen, welke opgericht worden door representatieve werknemersorganisaties en die daartoe door de Koning, onder de voorwaarden die hij bepaalt, erkend zijn en wegens dit feit rechtspersoonlijkheid verkregen hebben, hetzij door bemiddeling van een openbare instelling beheerd door het beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.] <Bijlage Ger.Wb., W 10-10-1967, hoofdart. 3, art. 63, § 1>
   Dit officieel organisme wordt gelijkgesteld met de andere door de Koning aangenomen uitbetalingsorganismen en wordt dus met deze, wat de werking, de financiële verantwoordelijkheid en middelen betreft, op dezelfde voet geplaatst.
   De Koning bepaalt, na advies van het beheerscomité van de [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] de modaliteiten van uitvoering der maatregelen voorzien bij voorgaand lid. [Het dagelijks beheer van de officiële instelling bedoeld in het voorgaand lid wordt uitgeoefend door de houder van een managementfunctie " administrateur-generaal ", bijgestaan door een houder van een managementfunctie " adjunct-administrateur-generaal ". Deze houders van een managementfunctie worden door de Koning aangesteld, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort en het Beheerscomité van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen. Hun statuut en de procedure van aanstelling worden door de Koning bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De Koning stelt eveneens de houders van de overige managementfuncties aan, op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort en het Beheerscomité van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen, na voordracht van de houder van de managementfunctie " administrateur-generaal ". De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, hun statuut en de procedure van aanstelling.] <W 14-02-1961, art. 9> <W 2003-04-08/33, art. 27, 023; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
   De [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] kan aan de betalingsorganismen de sommen voorschieten voor de betaling van de werklozenvergoeding en ze voor hun bestuurskosten vergoeden. <W 14-02-1961, art. 9>
   De Koning bepaalt in welke gevallen de betalingsorganismen de last van de betalingen die zij ten onrechte zouden gedaan hebben, dragen.
   § 3. De provinciën en de gemeenten mogen onder geen enkele vorm tussenkomen om de krachtens deze besluitwet en de uitvoeringsbesluiten er van verleende werkloosheidsvergoeding te verhogen.
   § 4. De Koning kan aan de werkgevers de nodige maatregelen opleggen om de werkelijkheid en de voortduring van de onvrijwillige werkloosheid te controleren en op de niet-uitvoering van die maatregelen correctionele of politiestraffen stellen die [op de werkgevers, hun aangestelden of lasthebbers] toepasselijk zijn. Hij kan insgelijks correctionele of politiestraffen bepalen toepasselijk op de werklozen die gebruik zouden maken van bedrieglijke handelingen om vergoedingen waarop zij geen recht hebben of hogere vergoedingen dan die waarop zij mogen aanspraak maken, te bekomen of pogen te bekomen. <W 1998-02-13/32, art. 74, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
   (NOTA : de W 2009-12-23/04, art. 66, waarvan de inwerkingtredingsdatum bepaald dient te worden, voegt hier een lid in.)
   [7 De inbreuken op de bepalingen van deze paragraaf [8 en van § 1, derde lid, littera j, en volgende]8 worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
   De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van deze paragraaf en de uitvoeringsbesluiten ervan.]7
   [Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V maar met inbegrip van hoofdstuk VII, zijn toepasselijk op de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde misdrijven. Artikel 85 van voormeld wetboek is toepasselijk op de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde misdrijven zonder dat het bedrag van de geldboete lager mag zijn dan 40 % van de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde minimumbedragen.] <W 1998-02-13/32, art. 83, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
   [§ 4bis. De Koning wijst de ambtenaren aan belast met het toezicht op de toepassing van de bepalingen tot toekenning van de uitkeringen bedoeld bij de artikelen 100 en 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, alsmede de strafbepalingen die van toepassing zijn bij niet-naleving van de bepalingen tot toekenning van deze uitkeringen.] <W 1985-01-22/30, art. 107, 002>
   § 5. Het koninklijk besluit van 27 juli 1935 houdende oprichting van een Nationale Dienst voor arbeidsbemiddeling en werkloosheid is opgeheven. De Koning zal de nodige maatregelen treffen om de vereffening van dit organisme te verzekeren.
   § 6. [opgeheven wat het grondgebied van het Franse taalgebied betreft] <DWG 2003-03-13/35, art. 33, 026; Inwerkingtreding : 01-06-2004>
   § 7. [opgeheven wat het grondgebied van het Franse taalgebied betreft] <DWG 2003-03-13/35, art. 33, 026; Inwerkingtreding : 01-06-2004>
   § 8. [opgeheven wat het grondgebied van het Franse taalgebied betreft] <DWG 2003-03-13/35, art. 33, 026; Inwerkingtreding : 01-06-2004>
   § 9. (NOTA : volgens de nederlandstalige versie van DWG 2003-03-13/35, art. 33, wordt § 9 opgeheven wat het grondgebied van het Franse taalgebied betreft. Het stemt niet overeen met de Franse versie.) De Koning kan de bepalingen wijzigen van het koninklijk besluit nr. 285, van 31 maart 1936, houdende aanvulling en samenordening van de bepalingen betreffende de tewerkstelling van vreemde arbeiders, bekrachtigd bij de wet van 4 mei 1936 houdende bekrachtiging van sommige koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van de wet van 31 juni 1934, zoals verlengd en aangevuld bij de wetten van 7 december 1934, 15 en 30 maart 1935.
   § 10. [De gemeenten moeten, onder de voorwaarden en de nadere regelen die de Koning bepaalt :
   1° een verblijfsbewijs afleveren aan de onvrijwillig werklozen die zich, in het kader van het nazicht van de verblijfsvereiste, in de door de Koning bepaalde gevallen, persoonlijk bij de gemeente aanmelden;
   2° instaan voor het afstempelen van de controleformulieren van de deeltijdse werknemers die zich in de door de Koning bepaalde gevallen, persoonlijk bij de gemeente aanmelden.] <W 2004-12-27/30, art. 142, 030; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
   § 11. [Geschillen over rechten, ontstaan uit de werkloosheidsregeling, behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank.
   [De beslissingen genomen over rechten ontstaan uit de werkloosheidsregeling moeten op straffe van verval, binnen drie maanden na de kennisgeving, of, bij gebrek aan kennisgeving, binnen de drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de betrokkene er kennis van gehad heeft, aan de bevoegde arbeidsrechtbank voorgelegd worden. Bij het ontbreken van erkenning van een recht moet het beroep tot erkenning van het recht worden voorgelegd binnen de drie maanden na de vaststelling van het in gebreke blijven.
   De vordering ingeleid voor de arbeidsrechtbank werkt niet schorsend.] ] <W 10-10-1967, art. 63, § 2> <W 1998-02-13/32, art. 61, 009; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
   [In de zaken waarvoor een medische deskundige is aangesteld, worden de voorschotten, de erelonen en de kosten van deze deskundige, die voorkomen in de staat die hij opstelt in overeenstemming met de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, aangegeven, met toepassing van het tarief bepaald door de Koning.] <W 1998-02-13/32, art. 61, 009; Inwerkingtreding : onbepaald>
   [De regeling bedoeld in § 1, derde lid, q) , wordt voor de toepassing van de vorige leden gelijkgesteld met een werkloosheidsregeling.] <W 2002-12-24/32, art. 5, 024: Inwerkingtreding : 01-04-2003; inwerkingtreding op een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum, en uiterlijk op 1 april 2003; Justel heeft geen kennis van betrokken besluit>
   [§ 12. De werknemer heeft geen recht op werkloosheidsuitkeringen gedurende de periode gedekt door een vergoeding of een schadevergoeding, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade, waarop hij aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Nochtans, wanneer hij de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel recht heeft, niet of slechts gedeeltelijk ontvangen heeft, kan hij voor de overeenstemmende periode voorlopig werkloosheidsuitkeringen genieten, indien hij, naast de gewone voorwaarden voor het verkrijgen van laatstgenoemde uitkeringen, de volgende voorwaarden vervult :
   1° zich ertoe verbinden van zijn werkgever de betaling te eisen, indien nodig langs gerechtelijke weg, van de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel recht heeft;
   2° zich ertoe verbinden de voorlopig ontvangen werkloosheidsuitkeringen terug te storten van zodra hij de vergoeding of de schadevergoeding verkregen heeft;
   3° zich ertoe verbinden de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op de hoogte te brengen van elke schuldbekentenis die zijn werkgever doet of van elke gerechtelijke beslissing die wordt genomen met betrekking tot de vergoeding of de schadevergoeding;
   4° aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, de vergoeding of de schadevergoeding waarvan het recht hem is erkend, over te dragen ten belope van het bedrag van de voorlopig toegekende werkloosheidsuitkeringen.
   Artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek en hoofdstuk VI van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers zijn niet van toepassing op de overdracht bedoeld in het eerste lid, 4°. De overdracht is aan derden tegenstelbaar door de betekening ervan bij ter post aangetekend schrijven aan de werkgever.
   De werknemer moet de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening binnen het jaar dat volgt op het eindigen van de arbeidsovereenkomst, het bewijs leveren dat een rechtsvordering werd ingesteld bij het bevoegde gerecht ten einde de vergoeding of de schadevergoeding te verkrijgen. Indien hij dit niet doet, wordt hij uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf de datum van de beëindiging van de overeenkomst en voor de periode gedekt door de wettelijke minimumopzeggingstermijnen, die gelden in zijn geval.
   In geval van faillissement of van vereffening van de onderneming hebben de lasthebbers, curatoren en vereffenaars, wat de overdracht van schuldvordering bedoeld bij het eerste lid, 4°, betreft, dezelfde verplichtingen als de werkgevers.] <W 1988-12-30/31, art. 111, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
   [§ 13. De rechtsvorderingen tot uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Deze termijn gaat in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarop de uitkeringen betrekking hebben.
   Het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, alsmede de rechtsvorderingen van de uitbetalingsinstellingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Die termijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist of bedrog van de werkloze.
   De verjaringstermijnen bepaald in het tweede lid gaan in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd. Wanneer de uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen onverschuldigd worden omwille van de toekenning of de vermeerdering van een voordeel dat, geheel of gedeeltelijk, niet samen kan genoten worden met de werkloosheidsuitkeringen, gaat de verjaringstermijn in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene waarin dat voordeel of die vermeerdering werd betaald.
   Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek kunnen deze verjaringstermijnen gestuit worden door een ter post aangetekende brief. De daden die de verjaring stuiten blijven geldig ook indien ze gericht zijn aan een onbevoegde instelling of bestuur op voorwaarde dat die instelling of dat bestuur belast is met de toekenning of de betaling van werkloosheidsuitkeringen.] <W 1988-12-30/31, art. 112, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
   [De vergoedingen voorzien in § 1, derde lid, [8 littera j, l, n, q en zf,]8 worden gelijkgesteld met de werkloosheidsuitkering voor de toepassing van onderhavige paragraaf.] <W 2004-12-27/30, art. 173, 030; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
   [§ 14. Deze paragraaf betreft de wachttijdvoorwaarden voor de toekenning van het recht op uitkeringen bedoeld in § 1, derde lid, i , m , o en p , in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer.
   De vreemde of staatloze werknemer wordt enkel toegelaten tot het recht op uitkeringen indien hij op het tijdstip van de uitkeringsaanvaag voldoet aan de wetgeving die betrekking heeft op het verblijf en op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
   De door de vreemde of staatloze werknemer in België verrichte arbeid komt enkel in aanmerking voor het voldoen aan de wachttijdvoorwaarden, indien hij verricht werd overeenkomstig de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
   Het recht op uitkeringen ingevolge de beëindiging van studies geldt in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer enkel binnen de grenzen van een bilaterale of een internationale overeenkomst. Dit recht geldt eveneens voor de onderdanen van de landen opgesomd in de wet van 13 december 1976 houdende goedkeuring van de bilaterale akkoorden betreffende de tewerkstelling in België van buitenlandse werknemers.
   De vreemde of staatloze werknemer kan de in het buitenland verrichte arbeid en de aldaar met arbeid gelijkgestelde periodes, enkel inroepen binnen de grenzen van een bilaterale of een internationale overeenkomst.
   De vreemde of staatloze werknemer wiens arbeidskaart vervallen is en die na een termijn van zestig dagen de arbeid krachtens een nieuwe arbeidskaart hervat heeft, en die vervolgens opnieuw een uitkeringsaanvraag doet, kan niet vrijgesteld worden van wachttijd op grond van een voorheen toegekend recht op uitkeringen.
   Het voorgaande lid is niet toepasselijk op :
   1° de werknemer die de toelating heeft zich met zijn gezin in België te vestigen;
   2° de werknemer aan wie, met toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
   3° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit.
   § 15. Deze paragraaf betreft de toekenningsvoorwaarden van het recht op uitkeringen bedoeld in § 1, derde lid, i , m , o en p , in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer.
   Om uitkeringen te genieten moet de vreemde of staatloze werknemer voldoen aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen en deze die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
   De werkloze verliest het genot van de uitkeringen zestig dagen nadat de arbeidskaart is vervallen.
   Het voorgaande lid is niet toepasselijk op :
   1° de werknemer aan wie, met toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
   2° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit.] <W 2002-08-02/45, art. 114, 021; Inwerkingtreding : 29-08-2002>

   ----------
   (1)<W 2009-06-19/04, art. 27, 043; Inwerkingtreding : 25-06-2009; Opheffing : 01-10-2010, zie W 2009-06-19/04, art. 28, zoals gewijzigd>
   (2)<W 2009-12-30/02, art. 6, 044; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
   (3)<W 2009-12-30/02, art. 22, 044; Inwerkingtreding : 10-01-2010>
   (6)<W 2011-02-01/01, art. 10, 049; Inwerkingtreding : 01-02-2011; AD 31-03-2011>
   (7)<W 2010-06-06/06, art. 34, 048; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
   (8)<W 2013-12-26/08, art. 97, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
   (9)<W 2014-04-25/77, art. 35, 052; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
   (10)<W 2015-04-23/01, art. 11, 053; Inwerkingtreding : 27-04-2015; zie ook W 2015-04-23/01, art. 12>

  Art. 7_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. § 1. Bij het Ministerie van Arbeid en Sociale Voorzorg wordt een [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] opgericht. <W 14-2-1961, art. 9>
   Deze dienst is een publiekrechtelijk lichaam bekleed met rechtspersoonlijkheid.
   [Onder de voorwaarden, die de Koning bepaalt, heeft de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening tot taak:
   a) de aanwerving en de plaatsing van de werknemers te bevorderen en te organiseren;
   b) de herscholing van de onvrijwillige werklozen te bevorderen en te organiseren;
   c) de versnelde beroepsopleiding van de volwassenen te bevorderen en te organiseren, hetzij door met dit doel eigen centra op te richten, hetzij door het subsidiëren van centra die de rechtspersoonlijkheid bezitten en tot hetzelfde doel worden erkend;
   d) tegemoet te komen in het loon van de onvrijwillige werklozen van gevorderde leeftijd, mindervaliden of die om andere redenen als moeilijk te plaatsen worden beschouwd en die door zijn toedoen worden aangeworven;
   e) tegemoet te komen in de uitgaven die inherent zijn aan de selectie, de beroepsopleiding of het opnieuw installeren van het personeel dat door de werkgevers wordt in dienst genomen met het oog op de oprichting, de uitbreiding of overschakeling van ondernemingen;
   f) tegemoet te komen in de kosten van nieuwe installatie der werkloze werknemers;
   g) tegemoet te komen in het loon van de werknemers, die door de overschakeling van hun onderneming zijn getroffen;
   h) [de terugbetaling verzekeren van de lonen en de sociale bijdragen met betrekking tot het betaald educatief verlof, op grond van de verzamelstaten die door de werkgevers werden ingediend bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid overeenkomstig artikel 120 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, na vaststelling door dit ministerie van de conformiteit van de vraag om terugbetaling met de wettelijke en reglementaire bepalingen.] <W 2001-07-19/38, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
   i) met behulp van de te dien einde opgerichte of nog op te richten organismen, aan de onvrijwillige werklozen en aan hun gezin de uitbetaling van de hun verschuldigde uitkeringen te verzekeren) <W 14-02-1961, art. 10>
   j) [met de hulp van de daartoe opgerichte of op te richten instellingen, te zorgen voor de uitbetaling aan de in Frankrijk tewerkgestelde grensarbeiders van een compensatievergoeding ter compensatie van de loonderving [die voortvloeit uit de schommelingen van de wisselkoers tussen de Belgische en de Franse munt die zich voordeden voor 1 april 1987]] <KBN13 11-10-1978, art. 1> <W 1999-03-26/30, art. 80, 010; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
   [k) de uitbetaling verzekeren van de onderbrekingstoelage bedoeld in artikel 3, § 3bis, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, met behulp van de Divisie Begroting van de Generale Staf bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 1989 houdende organisatie van de Generale Staf.] <W 1998-02-13/32, art. 36, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
   [ [l]) de uitbetaling verzekeren van de vergoedingen bedoeld bij afdeling 5 van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.] <W 2001-08-10/59, art. 20, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <Erratum, B.S. 09-10-2001, p. 34387>
   [De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de voorwaarden en modaliteiten bepalen volgens dewelke de uitbetaling van deze vergoedingen, aan werknemers tewerkgesteld bij een werkgever die niet valt onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités in zoverre voor deze werknemers geen werkgeversbijdrage betaald dienen te worden zoals voorzien in artikel 17, § 2, 1°, c) en 2°, c), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, afhankelijk gemaakt wordt van de voorwaarde dat deze werkgever er zich voorafgaandelijk toe verbonden heeft in te staan, volgens de voorwaarden en modaliteiten bepaald door Hem, voor de financiering van de uit te betalen sommen.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het toepassingsgebied van het vorige lid verruimen tot bepaalde werkgevers die ressorteren onder de wet van 5 december 1968 en die werknemers tewerkstellen anders dan onder een arbeidsovereenkomst. De Koning kan bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalde werkgevers geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het toepassingsgebied van het vorige lid.] <W 2003-12-22/42, art. 31, 028; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
   [m) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van een uitkering voor bepaalde categorieën van werklozen die tewerkgesteld zijn in een inschakelingsprojekt met het oog op de bevordering van hun integratie op de arbeidsmarkt.] <KB 1996-11-14/34, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
   [n) met de hulp van de daartoe opgerichte of op te richten instellingen, te zorgen voor de uitbetaling aan de Belgische grensarbeiders van een vergoeding ter compensatie van het inkomstenverlies dat zij lijden ten gevolge van het feit dat zij hun belastingen in België en hun sociale zekerheidsbijdragen in het werkland betalen. De voorwaarden voor de toekenning van deze vergoedingen, het bedrag van de vergoedingen en de datum van inwerkingtreding van de uitvoeringsmaatregelen worden vastgelegd door een in Ministerraad goedgekeurd koninklijk besluit.] <W 1998-12-22/53, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
   [o) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van jeugdvakantieuitkeringen voor de jeugdvakantiedagen bedoeld in artikel 5 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971.] <W 2001-05-22/36, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
   p) [met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering, de uitbetaling verzekeren van de werkhervattingstoeslag voor [bepaalde categorieën van werklozen] die het werk hervatten, [hierbij inbegrepen de werklozen] die een beroepsactiviteit als zelfstandige starten om aan de werkloosheid te ontsnappen, met het oog op de bevordering van hun herintegratie op de arbeidsmarkt.] <W 2005-12-23/30, art. 65, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2006> <W 2008-07-24/35, art. 88, 041; Inwerkingtreding : 17-08-2008>
  [Deze toeslag wordt voor de toepassing van de fiscale wetgeving beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering behoudens indien de Koning daarvan afwijkt. De periode die gedekt is door deze werkhervattingstoeslag, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.] (W 2001-12-30/30, art. 61, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2002)
   [q) met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i) de betaling verzekeren van een vergoeding ter gedeeltelijke compensatie van het inkomensverlies dat een onthaalouder door omstandigheden buiten zijn of haar wil lijdt ingevolge de tijdelijke afwezigheid van kinderen die hij of zij normaal opvangt.] <W 2002-12-24/32, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 01-04-2003; inwerkingtreding op een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum, en uiterlijk op 1 april 2003; Justel heeft geen kennis van betrokken besluit>
   r) [11 ...]11
   [s) de betaling verzekeren, volgens de nadere regels en ten belope van het bedrag vastgesteld door de Koning, van de kostprijs van de outplacementbegeleidingen georganiseerd via de tussenkomst van instellingen ingesteld of erkend door de gewestelijke instellingen ingesteld door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en door de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, en die bevoegd zijn voor deze materie, voor de werknemers die niet genoten van de outplacementbegeleiding bepaald bij artikels 13 en 14 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers.] <W 2002-12-24/31, art. 320, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
   [t) de terugbetaling verzekeren, volgens de nadere regels en ten belope van het bedrag vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, van de kostprijs van de outplacementbegeleiding die werkelijk gedragen werd door de werkgever in herstructurering, voor die werknemers die binnen een bepaalde periode na hun ontslag bij de werkgever in herstructurering door toedoen van een tewerkstellingscel opnieuw op duurzame wijze in dienst zijn genomen bij een nieuwe werkgever.] <W 2003-12-22/42, art. 27, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
   [u) vanaf 1 juli 2004 de financiering verzekeren van de begeleiding van jongeren in het kader van een inschakelingparcours, zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 31 augustus 2001 tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten betreffende het inschakelingsparcours van werkzoekenden naar de startbaanovereenkomst [, en van de actieve begeleiding en opvolging van werklozen, zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 30 april 2004 tussen de Federale Staat, de Gewesten en de Gemeenschappen betreffende de actieve begeleiding en opvolging van werklozen].] <W 2004-07-09/30, art. 256, 029; Inwerkingtreding : 01-07-2004> <W 2005-09-17/80, art. 3, 039; Inwerkingtreding : 04-08-2007>
   [ [v]) de betaling verzekeren van de bedragen voor cofinanciering voorzien bij artikel 8 van het samenwerkingsakkoord van 4 juli 2000 tussen de Staat, de Gewesten en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de sociale economie, waarmee ingestemd werd bij de wet van 26 juni 2001 en bij de daaropvolgende samenwerkingsakkoorden;] <W 2004-12-27/30, art. 171, 030; Inwerkingtreding : 10-01-2005> <W 2005-12-23/30, art. 60, 1°, 032; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
   w) [11 ...]11
   [x) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van seniorvakantie-uitkeringen voor de seniorvakantiedagen bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, ingevoegd bij de wet van december 2005.] <W 2005-12-23/30, art. 54, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
   [y) met behulp van de instellingen opgericht krachtens littera i), onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering, de uitbetaling verzekeren van een begeleidingsuitkering voor bepaalde categorieën van jongeren die niet gerechtigd zijn op uitkeringen toegekend krachtens littera i), doch ingeschreven zijn als werkzoekende en een opleiding of een begeleiding volgen met het oog op de integratie op de arbeidsmarkt.
   Deze uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering. De Koning bepaalt evenwel voor welke bepalingen van de uitvoeringsbesluiten deze uitkering niet beschouwd wordt als een werkloosheidsuitkering, inzonderheid om te voorkomen dat de begeleidingsuitkering in rekening wordt gebracht bij de vaststelling van de toelaatbaarheidsvoorwaarden tot het recht op uitkeringen in toepassing van littera i), en om te voorkomen dat de begeleidingsuitkering in rekening wordt gebracht als werkloosheidsduur. De periode die gedekt is door een begeleidingsuitkering, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.] <W 2005-12-27/30, art. 11, 031; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
   [z) de terugbetaling verzekeren aan de werkgever of aan het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers van het bedrag bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.] <W 2005-12-23/30, art. 39, 033; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
   [za) de terugbetaling verzekeren van het terugbetaalbaar deel van de opleidingskosten zoals bedoeld in afdeling 3 van Hoofdstuk II van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van de buurtdiensten en -banen.] <W 2006-12-27/30, art. 259, 036; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
   [zb) de uitbetaling verzekeren van de uitkeringen toegekend met het oog op het verstrekken van pleegzorgen bedoeld bij Titel VI, Hoofdstuk II, van de programmawet van 27 april 2007.] <W 2007-04-27/35, art. 58, 038; Inwerkingtreding : 08-05-2007>
   zc) [11 ...]11
   [1 [6 zd). Met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, de uitbetaling verzekeren van een crisisuitkering wegens schorsing van de arbeidsovereenkomst voor bedienden. Deze uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering;]6 ]1
   [2 ze) de uitbetaling verzekeren van de kosten van opleidingsinitiatieven met het oog op de inschakeling op de arbeidsmarkt van de risicogroepen, die gefinancierd worden op basis van artikel 191, § 3, van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen;]2
   [8 zf) met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, de uitbetaling verzekeren van een ontslagcompensatievergoeding aan werknemers waarvan de duur van de opzeggingstermijn of van de overeenstemmende opzeggingsvergoeding overeenkomstig de wetgeving minstens gedeeltelijk moet worden bepaald op basis van de anciënniteit verworven als arbeider in de periode gelegen vóór 1 januari 2014.]8
   Hij wordt gestijfd door een gedeelte van de bij deze besluitwet opgelegde bijdragen, zoals in artikel 4 wordt bepaald, en door rijkstoelagen.
   [Wanneer het de uitbetaling van uitkeringen betreft aan de onvrijwillig werklozen waarvan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst is met toepassing van Titel II, hoofdstuk II, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, betaalt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor rekening van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, opgericht bij artikel 9 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, de tussenkomst uit in het bedrag van deze werkloosheidsuitkeringen voor rekening van dit Fonds.] <W 1992-06-26/30, art. 101, 005; Inwerkingtreding : 10-07-1992>
   [De Rijksdienst voor arbeidsvoorziening is onderworpen aan de controle die is geregeld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut. De Rijksdienst wordt beheerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg.] <W 11-01-1967, art. 5>
   De inrichting en de werking van de [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] wordt door de Koning geregeld. <W 14-02-1961, art. 9>
   [§ 1bis. De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, wordt geacht een uitkering te zijn inzake werkloosheidsverzekering. Voor wat betreft de fiscale en sociale wetgeving, met uitzondering van de gevallen die de Koning bepaalt in de wetgeving betreffende de werkloosheidsverzekering, wordt deze uitkering nochtans als loon beschouwd.
   De werkgever die de in § 1, derde lid, m, bedoelde werknemers tewerkstelt en de voorwaarden vastgesteld door de Koning niet naleeft is gehouden aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een forfaitaire schadevergoeding te betalen waarvan het bedrag, de nadere voorwaarden en regelen door de Koning worden bepaald, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
   In afwijking van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers mag de uitkering bedoeld in het eerste lid in mindering worden gebracht op het loon van de werknemer. Deze aftrek geschiedt dadelijk na de inhoudingen toegelaten krachtens artikel 23, eerste lid, 1°, van dezelfde wet en telt niet mee voor de grens van een vijfde voorzien in artikel 23, tweede lid.
   De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, voor de werknemers tewerkgesteld met genot van de uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m :
   1° afwijkingen voorzien aan de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten inzake het naleven van de regels betreffende de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wanneer hij aangeworven wordt in het kader van een andere arbeidsovereenkomst of benoemd wordt in een administratie;
   2° afwijkingen voorzien op de bepalingen inzake het bepalen van het bedrag van het loon, zonder evenwel af te wijken van de bedragen van de gewaarborgde gemiddelde minimum maandinkomens vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomsten afgesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit;
   3° [opgeheven] <W 2002-12-24/31, art. 362, 027; Inwerkingtreding : 27-04-2003; zoals gewijzigd bij W 2003-04-08/33, art. 71>
   4° afwijken van de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 juni 1971 houdende aanpassing en coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers rekening houdend met de rechten die de werknemer behoudt in het stelsel van werkloosheidsverzekering.] <W 1998-02-13/32, art. 35, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
   [Voor de inschakelingsprojecten die Hij bepaalt, kan de Koning, overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten die Hij vaststelt, de werkgever, die overeenkomstig het derde lid de uitkering in mindering mag brengen op het loon van de werknemer, verplichten het overeenkomstig bedrag over te maken aan de derde, die het recht op werk garandeert van de werkloze die wordt tewerkgesteld in het inschakelingsproject.] <W 2000-08-12/62, art. 202, 014; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
   [De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan slechts worden toegekend voor zover de werknemer wordt aangeworven met een schriftelijke arbeidsovereenkomst die een contractueel voorziene normale uurregeling bevat waarvan het minimum wordt vastgelegd door de Koning.
   De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan niet worden toegekend in het kader van :
   1° een programma voor wedertewerkstelling zoals bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
   2° [...] <W 2006-07-20/38, art. 53, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
   De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan niet worden toegekend samen met andere tegemoetkomingen in het loon bepaald door de Koning.
   De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan wel worden toegekend samen met de dienstencheque bedoeld in de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van de buurtdiensten en -banen [3 , behalve in de gevallen voorzien bij koninklijk besluit]3.] <W 2003-12-22/42, art. 42, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
   [§ 1ter. De jeugdige werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 25 jaar niet bereikt heeft, heeft in het vakantiejaar recht op de jeugdvakantiedagen bedoeld in § 1, derde lid, o), indien hij in de loop van het vakantiedienstjaar zijn studies, leertijd of opleiding heeft beëindigd, en na deze beëindiging arbeid als loontrekkende heeft verricht gedurende tenminste één maand in de loop van het vakantiedienstjaar.
   De jonge werknemer kan, na uitputting van de gewone vakantiedagen waarop hij gerechtigd is, voor de jeugdvakantiedagen jeugdvakantie-uitkeringen bekomen.
   De jeugdvakantie-uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt toegekend onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering. De Koning bepaalt eveneens wat verstaan wordt onder arbeid als loontrekkende gedurende ten minste een maand.] <W 2001-05-22/36, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
   [§ 1quater. De werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, heeft in het vakantiejaar tijdens de tewerkstelling als loontrekkende recht op de seniorvakantiedagen bedoeld in § 1, derde lid, x), indien hij ingevolge werkloosheid in het vakantiedienstjaar, gedurende het vakantiejaar geen recht heeft op vier weken betaalde vakantie.
   De werknemer bedoeld in het eerste lid kan, na uitputting van de gewone vakantiedagen waarop hij eventueel gerechtigd is, voor de seniorvakantiedagen seniorvakantie-uitkeringen bekomen.
   De seniorvakantie-uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt toegekend onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering. De Koning bepaalt eveneens wat verstaan wordt onder " ingevolge werkloosheid in het vakantiedienstjaar, gedurende het vakantiejaar geen recht heeft op vier weken betaalde vakantie ", zoals vermeld in het eerste lid, en welke regelen toegepast worden ten aanzien van werknemers die in het vakantiedienstjaar tewerkgesteld zijn geweest met toepassing van de vakantieregeling geldend voor openbare diensten of van een regeling van uitgestelde bezoldiging als leerkracht.] <W 2005-12-23/30, art. 54, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
   [§ 1quinquies. De premie bedoeld in § 1, derde lid, zc), wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering behoudens indien de Koning daarvan afwijkt.
   De periode die gedekt is door deze premie, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.
   Voor de toepassing van § 4 wordt de controle op de naleving van de voorwaarden voor de toekenning van de premie gelijkgesteld met de controle van de werkelijkheid van de werkloosheid.] <W 2008-12-22/32, art. 124, 2°, 042; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
   [8 § 1sexies. De vergoeding bedoeld in § 1, derde lid, zf), compenseert, volgens de regels bepaald door de Koning, het verschil tussen enerzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever moet toekennen en anderzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever zou toegekend hebben alsof de totale anciënniteit van de werknemer volledig verworven was na 31 december 2013.
   De vergoeding wordt slechts toegekend indien de werknemer gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :
   1° de begindatum van zijn ononderbroken arbeidsovereenkomst is gelegen vóór 1 januari 2014;
   2° de arbeidsovereenkomst bedoeld in 1° is [10 op 31 december 2013]10 een arbeidsovereenkomst voor werklieden in de zin van artikel 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of in de zin van artikel 7bis van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, of bedoeld door Titel V van de voormelde wet van 3 juli 1978;
   3° hij voldoet aan één van de volgende voorwaarden :
   a) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt ten minste dertig jaar op de dag waarop de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad;
   b) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2014 ten minste twintig jaar;
   c) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2015 ten minste vijftien jaar;
   d) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2016 ten minste tien jaar;
   e) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2017 minder dan tien jaar;
   4° hij wordt ontslagen na 31 december 2013.
   De werknemer op wie artikel 70 van voormelde wet van toepassing is, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding.
   De werknemer ten aanzien van wie, op basis van artikel 73 van voormelde wet, de opzeggingstermijn wordt vastgesteld op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die gelden op 31 december 2013 en die van toepassing zijn in geval van opzegging ter kennis gebracht op deze datum, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding.
   De vergoeding wordt voor de toepassing van de werkloosheidsverzekering gelijkgesteld met een opzeggingsvergoeding die wordt toegekend wanneer de werkgever de overeenkomst beëindigt zonder dringende redenen en zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
   De Koning bepaalt de wijze waarop deze vergoeding wordt berekend, aangevraagd en toegekend. De Koning bepaalt eveneens welke invloed de vergoeding heeft, inzonderheid wat betreft het openen of heropenen van het recht van de werkloze op uitkeringen en de cumul met zijn uitkeringen.
   Deze vergoeding is vrijgesteld van inhoudingen en bijdragen voor de sociale zekerheid en van fiscale inhoudingen.
   Indien de werknemer gerechtigd is op de inschakelingsvergoeding bedoeld in artikel 36 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact is hij slechts gerechtigd op de ontslagcompensatievergoeding onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
   [10 ...]10 ]8
   [9 § 1septies. Voor de toepassing van § 1, derde lid, i), zijn enkel uitkeringen verschuldigd aan de werkloze die cumulatief voldoet aan :
   1° de toelaatbaarheidsvoorwaarden, zijnde de wachttijdvoorwaarden die de werkloze moet vervullen om van de werkloosheidsverzekering te kunnen genieten, inzonderheid door het leveren van het bewijs van een aantal arbeids-of gelijkgestelde dagen voorafgaand aan de werkloosheid;
   2° de toekenningsvoorwaarden, zijnde de voorwaarden die een werkloze die toelaatbaar is, moet vervullen om effectief uitkeringen te kunnen ontvangen, inzonderheid onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn, be-schikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, ingeschreven zijn als werkzoekende en actief werk zoeken, arbeidsgeschikt zijn, verblijven in België, voldoen aan leeftijdsvoorwaarden en de voorschriften naleven inzake aangifte en controle van werkloosheidsperiodes.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, bepaalt de Koning :
   1° het vereiste aantal arbeids- of gelijkgestelde dagen, de referteperiode waarin die dagen gelegen moeten zijn, de voorwaarden waaraan die arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen moeten voldoen en de wijze van bere-kenen van die arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen, waarbij een modulatie mogelijk is in functie van :
   a) de leeftijd van de werkloze;
   b) het arbeidsregime van de werknemer voorafgaand aan de werkloosheid, waarbij inzonderheid een onderscheid kan gemaakt worden tussen voltijdse werknemers, deeltijdse werknemers met behoud van rechten en vrijwillig deeltijdse werknemers. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder voltijdse werknemer, deeltijdse werknemer met behoud van rechten en vrijwillig deeltijdse werknemer;
   c) specifieke karakteristieken van de vóór de werkloosheid uitgeoefende arbeid, zoals de tewerkstelling als havenarbeider, als zeevisser of als kunstenaar;
   2° onder welke voorwaarden en nadere regelen jongeren die niet voldoen aan de in a) gestelde vereisten, geacht worden te voldoen aan de wachttijdvoorwaarden omwille van de studies die ze voleindigd hebben. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder jongere, studies en voleindigd hebben;
   3° onder welke voorwaarden en nadere regelen de tijdelijk werkloze die door een arbeidsovereenkomst ver-bonden is waarvan de uitvoering tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, geschorst is en de volledig werkloze die voorheen reeds voldeed aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden, vrijgesteld kan worden van de toelaatbaarheids-voorwaarden. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder volledig werkloze, tijdelijk werkloze en werkloze die vroeger reeds voldeed aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, bepaalt de Koning :
   1° wat dient te worden verstaan onder onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn, beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, ingeschreven zijn als werkzoekende, arbeidsgeschikt zijn, verblijven in België, voldoen aan leef-tijdsvoorwaarden en de voorschriften naleven inzake aangifte en controle van werkloosheidsperiodes;
   2° in welke gevallen en onder welke voorwaarden en nadere regelen werklozen vrijgesteld kunnen worden van sommige toekenningsvoorwaarden, inzonderheid omwille van hun leeftijd, het volgen van studies of opleidingen, omwille van moeilijkheden veroorzaakt op sociaal en familiaal vlak, omwille van het afsluiten als kandi-daat-ondernemer van een overeenkomst met een activiteitencoöperatie of omwille van een vrijwillige militaire inzet. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder het volgen van studies of opleidingen, moeilijkheden veroorzaakt op sociaal en familiaal vlak, het afsluiten als kandidaat-ondernemer van een overeenkomst met een activiteitencoöperatie en vrijwillige militaire inzet.
   § 1octies. Het bedrag van de in § 1, derde lid, i), bedoelde verschuldigde uitkering voor elke kalendermaand wordt bepaald in functie van het aantal vergoedbare uitkeringsdagen of halve uitkeringsdagen en van het dagbedrag voor elke uitkeringsdag.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regelen voor vaststelling van het aantal vergoedbare uitkeringsdagen of halve uitkeringsdagen in elke kalendermaand, waarbij inzonderheid rekening gehouden wordt met :
   1° de toelaatbaarheidsvoorwaarden en toekenningsvoorwaarden bedoeld in § 1septies;
   2° de aard van de werkloosheid, waarbij een onderscheid kan gemaakt worden naargelang de werkloze al dan niet nog verbonden is met een arbeidsovereenkomst met een werkgever;
   3° de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de werkloze vooraleer hij werkloos werd, de gemiddelde weke-lijkse arbeidsduur van de maatpersoon, de uren en dagen waarop arbeid werd verricht, de uren en dagen waarop er recht op loon is;
   4° de invloed van de activiteiten en het inkomen van deze activiteiten die de werkloze verricht op werkloos-heidsdagen of in een periode van werkloosheid.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regelen voor de vaststelling van het dagbedrag of het halve dagbedrag van de uitkering, waarbij inzonderheid rekening gehouden wordt met :
   1° de hoogte van het loon dat de werkloze verdiende vooraleer hij werkloos werd, en, voor de werkloze die nog verbonden is met een arbeidsovereenkomst, de hoogte van het loon tijdens die arbeidsovereenkomst;
   2° de wekelijkse arbeidsduur van de werkloze vooraleer hij werkloos werd, en, voor de werkloze die nog ver-bonden is met een arbeidsovereenkomst, de arbeidsduur tijdens die arbeidsovereenkomst;
   3° de gezinssamenstelling van de werkloze, waarbij een onderscheid kan gemaakt worden naargelang de werkloze al dan niet alleen woont en al dan niet personen ten zijnen laste heeft, waarbij rekening kan gehouden worden met de aard van bloed- of aanverwantschap, de omvang van het inkomen van de personen met wie de werkloze onder één dak leeft en de lasten die de werkloze heeft ten opzichte van bloed- of aanverwanten met wie hij niet meer onder één dak woont;
   4° de duur van de werkloosheid, waarbij de uitkering kan afnemen in functie van de werkloosheidsduur en waarbij bij langdurige werkloosheid de band met het vroegere loon kan verbroken worden;
   5° het beroepsverleden van de werkloze, zijn graad van verminderde geschiktheid en zijn leeftijd;
   6° het al dan niet ingeschreven zijn als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsbemiddeling;
   7° de aard, de omvang, het inkomen en het ogenblik van uitoefenen van activiteiten door de werkloze.
   Voor de overeenkomstig het vorige lid vastgestelde uitkeringen kan de Koning een maximum- en minimum-bedrag vaststellen, dat kan variëren in functie van de in het vorig lid opgesomde criteria.
   Het basisbedrag van de overeenkomstig de vorige leden vastgestelde uitkering kan verhoogd worden met een toeslag, inzonderheid wanneer het een oudere werkloze betreft. De Koning bepaalt de berekeningswijze en de voorwaarden en nadere regelen van deze toeslag]9
  [11 § 1novies. De machtiging bedoeld in paragraaf 1, derde lid, i) en p), omvat niet de machtiging om maatregelen te nemen voor de uitbetaling van de volgende premies, uitkeringen of toeslagen:
   1° de vestigingsuitkering;
   2° de mobiliteitstoeslag;
   3° de PWA-opleidingspremie;
   4° de doorstromingspremie.]11
   § 2. [De werkloosheidsuitkeringen worden aan de gerechtigden uitbetaald hetzij door bemiddeling van uitbetalingsinstellingen, welke opgericht worden door representatieve werknemersorganisaties en die daartoe door de Koning, onder de voorwaarden die hij bepaalt, erkend zijn en wegens dit feit rechtspersoonlijkheid verkregen hebben, hetzij door bemiddeling van een openbare instelling beheerd door het beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.] <Bijlage Ger.Wb., W 10-10-1967, hoofdart. 3, art. 63, § 1>
   Dit officieel organisme wordt gelijkgesteld met de andere door de Koning aangenomen uitbetalingsorganismen en wordt dus met deze, wat de werking, de financiële verantwoordelijkheid en middelen betreft, op dezelfde voet geplaatst.
   De Koning bepaalt, na advies van het beheerscomité van de [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] de modaliteiten van uitvoering der maatregelen voorzien bij voorgaand lid. [Het dagelijks beheer van de officiële instelling bedoeld in het voorgaand lid wordt uitgeoefend door de houder van een managementfunctie " administrateur-generaal ", bijgestaan door een houder van een managementfunctie " adjunct-administrateur-generaal ". Deze houders van een managementfunctie worden door de Koning aangesteld, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort en het Beheerscomité van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen. Hun statuut en de procedure van aanstelling worden door de Koning bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De Koning stelt eveneens de houders van de overige managementfuncties aan, op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort en het Beheerscomité van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen, na voordracht van de houder van de managementfunctie " administrateur-generaal ". De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, hun statuut en de procedure van aanstelling.] <W 14-02-1961, art. 9> <W 2003-04-08/33, art. 27, 023; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
   De [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] kan aan de betalingsorganismen de sommen voorschieten voor de betaling van de werklozenvergoeding en ze voor hun bestuurskosten vergoeden. <W 14-02-1961, art. 9>
   De Koning bepaalt in welke gevallen de betalingsorganismen de last van de betalingen die zij ten onrechte zouden gedaan hebben, dragen.
   § 3. De provinciën en de gemeenten mogen onder geen enkele vorm tussenkomen om de krachtens deze besluitwet en de uitvoeringsbesluiten er van verleende werkloosheidsvergoeding te verhogen.
   § 4. De Koning kan aan de werkgevers de nodige maatregelen opleggen om de werkelijkheid en de voortduring van de onvrijwillige werkloosheid te controleren en op de niet-uitvoering van die maatregelen correctionele of politiestraffen stellen die [op de werkgevers, hun aangestelden of lasthebbers] toepasselijk zijn. Hij kan insgelijks correctionele of politiestraffen bepalen toepasselijk op de werklozen die gebruik zouden maken van bedrieglijke handelingen om vergoedingen waarop zij geen recht hebben of hogere vergoedingen dan die waarop zij mogen aanspraak maken, te bekomen of pogen te bekomen. <W 1998-02-13/32, art. 74, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
   (NOTA : de W 2009-12-23/04, art. 66, waarvan de inwerkingtredingsdatum bepaald dient te worden, voegt hier een lid in.)
   [7 De inbreuken op de bepalingen van deze paragraaf [8 en van § 1, derde lid, littera j, en volgende]8worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
   De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van deze paragraaf en de uitvoeringsbesluiten ervan.]7
   [Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V maar met inbegrip van hoofdstuk VII, zijn toepasselijk op de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde misdrijven. Artikel 85 van voormeld wetboek is toepasselijk op de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde misdrijven zonder dat het bedrag van de geldboete lager mag zijn dan 40 % van de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde minimumbedragen.] <W 1998-02-13/32, art. 83, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
   [§ 4bis. De Koning wijst de ambtenaren aan belast met het toezicht op de toepassing van de bepalingen tot toekenning van de uitkeringen bedoeld bij de artikelen 100 en 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, alsmede de strafbepalingen die van toepassing zijn bij niet-naleving van de bepalingen tot toekenning van deze uitkeringen.] <W 1985-01-22/30, art. 107, 002>
   § 5. Het koninklijk besluit van 27 juli 1935 houdende oprichting van een Nationale Dienst voor arbeidsbemiddeling en werkloosheid is opgeheven. De Koning zal de nodige maatregelen treffen om de vereffening van dit organisme te verzekeren.
   § 6. [4 Opgeheven]4 [5 opnieuw opgeheven]5
   § 7. [4 Opgeheven]4 [5 opnieuw opgeheven]5
   § 8. [4 Opgeheven]4 [5 opnieuw opgeheven]5
   § 9. De Koning kan de bepalingen wijzigen van het koninklijk besluit nr. 285, van 31 maart 1936, houdende aanvulling en samenordening van de bepalingen betreffende de tewerkstelling van vreemde arbeiders, bekrachtigd bij de wet van 4 mei 1936 houdende bekrachtiging van sommige koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van de wet van 31 juni 1934, zoals verlengd en aangevuld bij de wetten van 7 december 1934, 15 en 30 maart 1935.
   § 10. [De gemeenten moeten, onder de voorwaarden en de nadere regelen die de Koning bepaalt :
   1° een verblijfsbewijs afleveren aan de onvrijwillig werklozen die zich, in het kader van het nazicht van de verblijfsvereiste, in de door de Koning bepaalde gevallen, persoonlijk bij de gemeente aanmelden;
   2° instaan voor het afstempelen van de controleformulieren van de deeltijdse werknemers die zich in de door de Koning bepaalde gevallen, persoonlijk bij de gemeente aanmelden.] <W 2004-12-27/30, art. 142, 030; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
   § 11. [Geschillen over rechten, ontstaan uit de werkloosheidsregeling, behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank.
   [De beslissingen genomen over rechten ontstaan uit de werkloosheidsregeling moeten op straffe van verval, binnen drie maanden na de kennisgeving, of, bij gebrek aan kennisgeving, binnen de drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de betrokkene er kennis van gehad heeft, aan de bevoegde arbeidsrechtbank voorgelegd worden. Bij het ontbreken van erkenning van een recht moet het beroep tot erkenning van het recht worden voorgelegd binnen de drie maanden na de vaststelling van het in gebreke blijven.
   De vordering ingeleid voor de arbeidsrechtbank werkt niet schorsend.] ] <W 10-10-1967, art. 63, § 2> <W 1998-02-13/32, art. 61, 009; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
   [In de zaken waarvoor een medische deskundige is aangesteld, worden de voorschotten, de erelonen en de kosten van deze deskundige, die voorkomen in de staat die hij opstelt in overeenstemming met de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, aangegeven, met toepassing van het tarief bepaald door de Koning.] <W 1998-02-13/32, art. 61, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2003>
   [De regeling bedoeld in § 1, derde lid, q) , wordt voor de toepassing van de vorige leden gelijkgesteld met een werkloosheidsregeling.] <W 2002-12-24/32, art. 5, 024: Inwerkingtreding : 01-04-2003; inwerkingtreding op een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum, en uiterlijk op 1 april 2003; Justel heeft geen kennis van betrokken besluit>
   [§ 12. De werknemer heeft geen recht op werkloosheidsuitkeringen gedurende de periode gedekt door een vergoeding of een schadevergoeding, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade, waarop hij aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Nochtans, wanneer hij de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel recht heeft, niet of slechts gedeeltelijk ontvangen heeft, kan hij voor de overeenstemmende periode voorlopig werkloosheidsuitkeringen genieten, indien hij, naast de gewone voorwaarden voor het verkrijgen van laatstgenoemde uitkeringen, de volgende voorwaarden vervult :
   1° zich ertoe verbinden van zijn werkgever de betaling te eisen, indien nodig langs gerechtelijke weg, van de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel recht heeft;
   2° zich ertoe verbinden de voorlopig ontvangen werkloosheidsuitkeringen terug te storten van zodra hij de vergoeding of de schadevergoeding verkregen heeft;
   3° zich ertoe verbinden de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op de hoogte te brengen van elke schuldbekentenis die zijn werkgever doet of van elke gerechtelijke beslissing die wordt genomen met betrekking tot de vergoeding of de schadevergoeding;
   4° aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, de vergoeding of de schadevergoeding waarvan het recht hem is erkend, over te dragen ten belope van het bedrag van de voorlopig toegekende werkloosheidsuitkeringen.
   Artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek en hoofdstuk VI van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers zijn niet van toepassing op de overdracht bedoeld in het eerste lid, 4°. De overdracht is aan derden tegenstelbaar door de betekening ervan bij ter post aangetekend schrijven aan de werkgever.
   De werknemer moet de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening binnen het jaar dat volgt op het eindigen van de arbeidsovereenkomst, het bewijs leveren dat een rechtsvordering werd ingesteld bij het bevoegde gerecht ten einde de vergoeding of de schadevergoeding te verkrijgen. Indien hij dit niet doet, wordt hij uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf de datum van de beëindiging van de overeenkomst en voor de periode gedekt door de wettelijke minimumopzeggingstermijnen, die gelden in zijn geval.
   In geval van faillissement of van vereffening van de onderneming hebben de lasthebbers, curatoren en vereffenaars, wat de overdracht van schuldvordering bedoeld bij het eerste lid, 4°, betreft, dezelfde verplichtingen als de werkgevers.] <W 1988-12-30/31, art. 111, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
   [§ 13. De rechtsvorderingen tot uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Deze termijn gaat in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarop de uitkeringen betrekking hebben.
   Het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, alsmede de rechtsvorderingen van de uitbetalingsinstellingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Die termijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist of bedrog van de werkloze.
   De verjaringstermijnen bepaald in het tweede lid gaan in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd. Wanneer de uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen onverschuldigd worden omwille van de toekenning of de vermeerdering van een voordeel dat, geheel of gedeeltelijk, niet samen kan genoten worden met de werkloosheidsuitkeringen, gaat de verjaringstermijn in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene waarin dat voordeel of die vermeerdering werd betaald.
   Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek kunnen deze verjaringstermijnen gestuit worden door een ter post aangetekende brief. De daden die de verjaring stuiten blijven geldig ook indien ze gericht zijn aan een onbevoegde instelling of bestuur op voorwaarde dat die instelling of dat bestuur belast is met de toekenning of de betaling van werkloosheidsuitkeringen.] <W 1988-12-30/31, art. 112, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
   [De vergoedingen voorzien in § 1, derde lid, [8 littera j, l, n, q en zf,]8 worden gelijkgesteld met de werkloosheidsuitkering voor de toepassing van onderhavige paragraaf.] <W 2004-12-27/30, art. 173, 030; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
   [§ 14. Deze paragraaf betreft de wachttijdvoorwaarden voor de toekenning van het recht op uitkeringen bedoeld in § 1, derde lid, i , m , o en p , in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer.
   De vreemde of staatloze werknemer wordt enkel toegelaten tot het recht op uitkeringen indien hij op het tijdstip van de uitkeringsaanvaag voldoet aan de wetgeving die betrekking heeft op het verblijf en op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
   De door de vreemde of staatloze werknemer in België verrichte arbeid komt enkel in aanmerking voor het voldoen aan de wachttijdvoorwaarden, indien hij verricht werd overeenkomstig de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
   Het recht op uitkeringen ingevolge de beëindiging van studies geldt in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer enkel binnen de grenzen van een bilaterale of een internationale overeenkomst. Dit recht geldt eveneens voor de onderdanen van de landen opgesomd in de wet van 13 december 1976 houdende goedkeuring van de bilaterale akkoorden betreffende de tewerkstelling in België van buitenlandse werknemers.
   De vreemde of staatloze werknemer kan de in het buitenland verrichte arbeid en de aldaar met arbeid gelijkgestelde periodes, enkel inroepen binnen de grenzen van een bilaterale of een internationale overeenkomst.
   De vreemde of staatloze werknemer wiens arbeidskaart vervallen is en die na een termijn van zestig dagen de arbeid krachtens een nieuwe arbeidskaart hervat heeft, en die vervolgens opnieuw een uitkeringsaanvraag doet, kan niet vrijgesteld worden van wachttijd op grond van een voorheen toegekend recht op uitkeringen.
   Het voorgaande lid is niet toepasselijk op :
   1° de werknemer die de toelating heeft zich met zijn gezin in België te vestigen;
   2° de werknemer aan wie, met toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
   3° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit.
   § 15. Deze paragraaf betreft de toekenningsvoorwaarden van het recht op uitkeringen bedoeld in § 1, derde lid, i , m , o en p , in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer.
   Om uitkeringen te genieten moet de vreemde of staatloze werknemer voldoen aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen en deze die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
   De werkloze verliest het genot van de uitkeringen zestig dagen nadat de arbeidskaart is vervallen.
   Het voorgaande lid is niet toepasselijk op :
   1° de werknemer aan wie, met toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
   2° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit.] <W 2002-08-02/45, art. 114, 021; Inwerkingtreding : 29-08-2002>

   ----------
   (1)<W 2009-06-19/04, art. 27, 043; Inwerkingtreding : 25-06-2009; Opheffing : 01-10-2010, zie W 2009-06-19/04, art. 28, zoals gewijzigd>
   (2)<W 2009-12-30/02, art. 6, 044; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
   (3)<W 2009-12-30/02, art. 22, 044; Inwerkingtreding : 10-01-2010>
   (4)<DDG 2009-04-27/19, art. 31, 046; Inwerkingtreding : 27-04-2009>
   (5)<DDG 2009-05-11/12, art. 31, 047; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
   (6)<W 2011-02-01/01, art. 10, 049; Inwerkingtreding : 01-02-2011; AD 31-03-2011>
   (7)<W 2010-06-06/06, art. 34, 048; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
   (8)<W 2013-12-26/08, art. 97, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
   (9)<W 2014-04-25/77, art. 35, 052; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
   (10)<W 2015-04-23/01, art. 11, 053; Inwerkingtreding : 27-04-2015; zie ook W 2015-04-23/01, art. 12>
  (11)<DDG 2016-04-25/10, art. 1, 056; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 7_BRUSSSEL_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.<W 14-07-1951, art. 3> § 1. Bij het Ministerie van Arbeid en Sociale Voorzorg wordt een [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] opgericht. <W 14-2-1961, art. 9>
  Deze dienst is een publiekrechtelijk lichaam bekleed met rechtspersoonlijkheid.
  [Onder de voorwaarden, die de Koning bepaalt, heeft de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening tot taak:
  a) de aanwerving en de plaatsing van de werknemers te bevorderen en te organiseren;
  b) de herscholing van de onvrijwillige werklozen te bevorderen en te organiseren;
  c) de versnelde beroepsopleiding van de volwassenen te bevorderen en te organiseren, hetzij door met dit doel eigen centra op te richten, hetzij door het subsidiëren van centra die de rechtspersoonlijkheid bezitten en tot hetzelfde doel worden erkend;
  d) tegemoet te komen in het loon van de onvrijwillige werklozen van gevorderde leeftijd, mindervaliden of die om andere redenen als moeilijk te plaatsen worden beschouwd en die door zijn toedoen worden aangeworven;
  e) tegemoet te komen in de uitgaven die inherent zijn aan de selectie, de beroepsopleiding of het opnieuw installeren van het personeel dat door de werkgevers wordt in dienst genomen met het oog op de oprichting, de uitbreiding of overschakeling van ondernemingen;
  f) tegemoet te komen in de kosten van nieuwe installatie der werkloze werknemers;
  g) tegemoet te komen in het loon van de werknemers, die door de overschakeling van hun onderneming zijn getroffen;
  h) [de terugbetaling verzekeren van de lonen en de sociale bijdragen met betrekking tot het betaald educatief verlof, op grond van de verzamelstaten die door de werkgevers werden ingediend bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid overeenkomstig artikel 120 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, na vaststelling door dit ministerie van de conformiteit van de vraag om terugbetaling met de wettelijke en reglementaire bepalingen.] <W 2001-07-19/38, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  i) met behulp van de te dien einde opgerichte of nog op te richten organismen, aan de onvrijwillige werklozen en aan hun gezin de uitbetaling van de hun verschuldigde uitkeringen te verzekeren] <W 14-02-1961, art. 10>
  j) [met de hulp van de daartoe opgerichte of op te richten instellingen, te zorgen voor de uitbetaling aan de in Frankrijk tewerkgestelde grensarbeiders van een compensatievergoeding ter compensatie van de loonderving [die voortvloeit uit de schommelingen van de wisselkoers tussen de Belgische en de Franse munt die zich voordeden voor 1 april 1987]] <KBN13 11-10-1978, art. 1> <W 1999-03-26/30, art. 80, 010; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  [k) de uitbetaling verzekeren van de onderbrekingstoelage bedoeld in artikel 3, § 3bis, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, met behulp van de Divisie Begroting van de Generale Staf bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 1989 houdende organisatie van de Generale Staf.] <W 1998-02-13/32, art. 36, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  [ [l]) de uitbetaling verzekeren van de vergoedingen bedoeld bij afdeling 5 van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.] <W 2001-08-10/59, art. 20, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <Erratum, B.S. 09-10-2001, p. 34387>
  [De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de voorwaarden en modaliteiten bepalen volgens dewelke de uitbetaling van deze vergoedingen, aan werknemers tewerkgesteld bij een werkgever die niet valt onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités in zoverre voor deze werknemers geen werkgeversbijdrage betaald dienen te worden zoals voorzien in artikel 17, § 2, 1°, c) en 2°, c), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, afhankelijk gemaakt wordt van de voorwaarde dat deze werkgever er zich voorafgaandelijk toe verbonden heeft in te staan, volgens de voorwaarden en modaliteiten bepaald door Hem, voor de financiering van de uit te betalen sommen.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het toepassingsgebied van het vorige lid verruimen tot bepaalde werkgevers die ressorteren onder de wet van 5 december 1968 en die werknemers tewerkstellen anders dan onder een arbeidsovereenkomst. De Koning kan bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalde werkgevers geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het toepassingsgebied van het vorige lid.] <W 2003-12-22/42, art. 31, 028; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  [m) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van een uitkering voor bepaalde categorieën van werklozen die tewerkgesteld zijn in een inschakelingsprojekt met het oog op de bevordering van hun integratie op de arbeidsmarkt.] <KB 1996-11-14/34, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  [n) met de hulp van de daartoe opgerichte of op te richten instellingen, te zorgen voor de uitbetaling aan de Belgische grensarbeiders van een vergoeding ter compensatie van het inkomstenverlies dat zij lijden ten gevolge van het feit dat zij hun belastingen in België en hun sociale zekerheidsbijdragen in het werkland betalen. De voorwaarden voor de toekenning van deze vergoedingen, het bedrag van de vergoedingen en de datum van inwerkingtreding van de uitvoeringsmaatregelen worden vastgelegd door een in Ministerraad goedgekeurd koninklijk besluit.] <W 1998-12-22/53, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  [o) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van jeugdvakantieuitkeringen voor de jeugdvakantiedagen bedoeld in artikel 5 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971.] <W 2001-05-22/36, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  p) [met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering, de uitbetaling verzekeren van de werkhervattingstoeslag voor [bepaalde categorieën van werklozen] die het werk hervatten, [hierbij inbegrepen de werklozen] die een beroepsactiviteit als zelfstandige starten om aan de werkloosheid te ontsnappen, met het oog op de bevordering van hun herintegratie op de arbeidsmarkt.] <W 2005-12-23/30, art. 65, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2006> <W 2008-07-24/35, art. 88, 041; Inwerkingtreding : 17-08-2008>
  [Deze toeslag wordt voor de toepassing van de fiscale wetgeving beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering behoudens indien de Koning daarvan afwijkt. De periode die gedekt is door deze werkhervattingstoeslag, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.] (W 2001-12-30/30, art. 61, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2002)
  [q) met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i) de betaling verzekeren van een vergoeding ter gedeeltelijke compensatie van het inkomensverlies dat een onthaalouder door omstandigheden buiten zijn of haar wil lijdt ingevolge de tijdelijke afwezigheid van kinderen die hij of zij normaal opvangt.] <W 2002-12-24/32, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 01-04-2003; inwerkingtreding op een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum, en uiterlijk op 1 april 2003; Justel heeft geen kennis van betrokken besluit>
  [r) de financiering verzekeren van de startbaanovereenkomsten die deel uitmaken van de globale projecten in de openbare sector bedoeld in artikel 43 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid.] <W 2002-12-24/31, art. 316, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [s) de betaling verzekeren, volgens de nadere regels en ten belope van het bedrag vastgesteld door de Koning, van de kostprijs van de outplacementbegeleidingen georganiseerd via de tussenkomst van instellingen ingesteld of erkend door de gewestelijke instellingen ingesteld door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en door de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, en die bevoegd zijn voor deze materie, voor de werknemers die niet genoten van de outplacementbegeleiding bepaald bij artikels 13 en 14 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers.] <W 2002-12-24/31, art. 320, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [t) de terugbetaling verzekeren, volgens de nadere regels en ten belope van het bedrag vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, van de kostprijs van de outplacementbegeleiding die werkelijk gedragen werd door de werkgever in herstructurering, voor die werknemers die binnen een bepaalde periode na hun ontslag bij de werkgever in herstructurering door toedoen van een tewerkstellingscel opnieuw op duurzame wijze in dienst zijn genomen bij een nieuwe werkgever.] <W 2003-12-22/42, art. 27, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  [u) vanaf 1 juli 2004 de financiering verzekeren van de begeleiding van jongeren in het kader van een inschakelingparcours, zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 31 augustus 2001 tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten betreffende het inschakelingsparcours van werkzoekenden naar de startbaanovereenkomst [, en van de actieve begeleiding en opvolging van werklozen, zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 30 april 2004 tussen de Federale Staat, de Gewesten en de Gemeenschappen betreffende de actieve begeleiding en opvolging van werklozen].] <W 2004-07-09/30, art. 256, 029; Inwerkingtreding : 01-07-2004> <W 2005-09-17/80, art. 3, 039; Inwerkingtreding : 04-08-2007>
  [ [v]) de betaling verzekeren van de bedragen voor cofinanciering voorzien bij artikel 8 van het samenwerkingsakkoord van 4 juli 2000 tussen de Staat, de Gewesten en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de sociale economie, waarmee ingestemd werd bij de wet van 26 juni 2001 en bij de daaropvolgende samenwerkingsakkoorden;] <W 2004-12-27/30, art. 171, 030; Inwerkingtreding : 10-01-2005> <W 2005-12-23/30, art. 60, 1°, 032; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  [w) de betaling verzekeren van de start- en stagebonussen, bedoeld in artikel 58 van de wet 23 december 2005 van betreffende het generatiepact.] <W 2005-12-23/30, art. 60, 2°, 033; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  [x) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van seniorvakantie-uitkeringen voor de seniorvakantiedagen bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, ingevoegd bij de wet van december 2005.] <W 2005-12-23/30, art. 54, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [y) met behulp van de instellingen opgericht krachtens littera i), onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering, de uitbetaling verzekeren van een begeleidingsuitkering voor bepaalde categorieën van jongeren die niet gerechtigd zijn op uitkeringen toegekend krachtens littera i), doch ingeschreven zijn als werkzoekende en een opleiding of een begeleiding volgen met het oog op de integratie op de arbeidsmarkt.
  Deze uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering. De Koning bepaalt evenwel voor welke bepalingen van de uitvoeringsbesluiten deze uitkering niet beschouwd wordt als een werkloosheidsuitkering, inzonderheid om te voorkomen dat de begeleidingsuitkering in rekening wordt gebracht bij de vaststelling van de toelaatbaarheidsvoorwaarden tot het recht op uitkeringen in toepassing van littera i), en om te voorkomen dat de begeleidingsuitkering in rekening wordt gebracht als werkloosheidsduur. De periode die gedekt is door een begeleidingsuitkering, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.] <W 2005-12-27/30, art. 11, 031; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  [z) de terugbetaling verzekeren aan de werkgever of aan het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers van het bedrag bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.] <W 2005-12-23/30, art. 39, 033; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
  [za) de terugbetaling verzekeren van het terugbetaalbaar deel van de opleidingskosten zoals bedoeld in afdeling 3 van Hoofdstuk II van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van de buurtdiensten en -banen.] <W 2006-12-27/30, art. 259, 036; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
  [zb) de uitbetaling verzekeren van de uitkeringen toegekend met het oog op het verstrekken van pleegzorgen bedoeld bij Titel VI, Hoofdstuk II, van de programmawet van 27 april 2007.] <W 2007-04-27/35, art. 58, 038; Inwerkingtreding : 08-05-2007>
  [zc) met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, de toekenning en de uitbetaling verzekeren van een tijdelijke premie aan bepaalde categorieën van oudere werknemers die op eigen verzoek met inkomensverlies bij dezelfde werkgever overstappen naar lichter werk. Deze premies worden verrekend vanuit het bedrag dat jaarlijks overeenkomstig artikel 25, 1°, van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt toegewezen aan het Ervaringsfonds bedoeld in artikel 24 van dezelfde wet.] <L 2008-12-22/32, art. 124, 1°, 042; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  [1 [6 zd). Met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, de uitbetaling verzekeren van een crisisuitkering wegens schorsing van de arbeidsovereenkomst voor bedienden. Deze uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering;]6 ]1
  [2 ze) de uitbetaling verzekeren van de kosten van opleidingsinitiatieven met het oog op de inschakeling op de arbeidsmarkt van de risicogroepen, die gefinancierd worden op basis van artikel 191, § 3, van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen;]2
  [8 zf) met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, de uitbetaling verzekeren van een ontslagcompensatievergoeding aan werknemers waarvan de duur van de opzeggingstermijn of van de overeenstemmende opzeggingsvergoeding overeenkomstig de wetgeving minstens gedeeltelijk moet worden bepaald op basis van de anciënniteit verworven als arbeider in de periode gelegen vóór 1 januari 2014.]8
  Hij wordt gestijfd door een gedeelte van de bij deze besluitwet opgelegde bijdragen, zoals in artikel 4 wordt bepaald, en door rijkstoelagen.
  [Wanneer het de uitbetaling van uitkeringen betreft aan de onvrijwillig werklozen waarvan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst is met toepassing van Titel II, hoofdstuk II, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, betaalt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor rekening van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, opgericht bij artikel 9 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, de tussenkomst uit in het bedrag van deze werkloosheidsuitkeringen voor rekening van dit Fonds.] <W 1992-06-26/30, art. 101, 005; Inwerkingtreding : 10-07-1992>
  [De Rijksdienst voor arbeidsvoorziening is onderworpen aan de controle die is geregeld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut. De Rijksdienst wordt beheerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg.] <W 11-01-1967, art. 5>
  De inrichting en de werking van de [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] wordt door de Koning geregeld. <W 14-02-1961, art. 9>
  [§ 1bis. De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, wordt geacht een uitkering te zijn inzake werkloosheidsverzekering. Voor wat betreft de fiscale en sociale wetgeving, met uitzondering van de gevallen die de Koning bepaalt in de wetgeving betreffende de werkloosheidsverzekering, wordt deze uitkering nochtans als loon beschouwd.
  De werkgever die de in § 1, derde lid, m, bedoelde werknemers tewerkstelt en de voorwaarden vastgesteld door de Koning niet naleeft is gehouden aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een forfaitaire schadevergoeding te betalen waarvan het bedrag, de nadere voorwaarden en regelen door de Koning worden bepaald, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  In afwijking van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers mag de uitkering bedoeld in het eerste lid in mindering worden gebracht op het loon van de werknemer. Deze aftrek geschiedt dadelijk na de inhoudingen toegelaten krachtens artikel 23, eerste lid, 1°, van dezelfde wet en telt niet mee voor de grens van een vijfde voorzien in artikel 23, tweede lid.
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, voor de werknemers tewerkgesteld met genot van de uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m :
  1° afwijkingen voorzien aan de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten inzake het naleven van de regels betreffende de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wanneer hij aangeworven wordt in het kader van een andere arbeidsovereenkomst of benoemd wordt in een administratie;
  2° afwijkingen voorzien op de bepalingen inzake het bepalen van het bedrag van het loon, zonder evenwel af te wijken van de bedragen van de gewaarborgde gemiddelde minimum maandinkomens vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomsten afgesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit;
  3° [opgeheven] <W 2002-12-24/31, art. 362, 027; Inwerkingtreding : 27-04-2003; zoals gewijzigd bij W 2003-04-08/33, art. 71>
  4° afwijken van de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 juni 1971 houdende aanpassing en coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers rekening houdend met de rechten die de werknemer behoudt in het stelsel van werkloosheidsverzekering.] <W 1998-02-13/32, art. 35, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  [Voor de inschakelingsprojecten die Hij bepaalt, kan de Koning, overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten die Hij vaststelt, de werkgever, die overeenkomstig het derde lid de uitkering in mindering mag brengen op het loon van de werknemer, verplichten het overeenkomstig bedrag over te maken aan de derde, die het recht op werk garandeert van de werkloze die wordt tewerkgesteld in het inschakelingsproject.] <W 2000-08-12/62, art. 202, 014; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
  [De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan slechts worden toegekend voor zover de werknemer wordt aangeworven met een schriftelijke arbeidsovereenkomst die een contractueel voorziene normale uurregeling bevat waarvan het minimum wordt vastgelegd door de Koning.
  De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan niet worden toegekend in het kader van :
  1° een programma voor wedertewerkstelling zoals bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
  2° [...] <W 2006-07-20/38, art. 53, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
  De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan niet worden toegekend samen met andere tegemoetkomingen in het loon bepaald door de Koning.
   De uitkering bedoeld in § 1, derde lid, m, kan wel worden toegekend samen met de dienstencheque bedoeld in de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van de buurtdiensten en -banen [3 , behalve in de gevallen voorzien bij koninklijk besluit]3.] <W 2003-12-22/42, art. 42, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [§ 1ter. De jeugdige werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 25 jaar niet bereikt heeft, heeft in het vakantiejaar recht op de jeugdvakantiedagen bedoeld in § 1, derde lid, o), indien hij in de loop van het vakantiedienstjaar zijn studies, leertijd of opleiding heeft beëindigd, en na deze beëindiging arbeid als loontrekkende heeft verricht gedurende tenminste één maand in de loop van het vakantiedienstjaar.
  De jonge werknemer kan, na uitputting van de gewone vakantiedagen waarop hij gerechtigd is, voor de jeugdvakantiedagen jeugdvakantie-uitkeringen bekomen.
  De jeugdvakantie-uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt toegekend onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering. De Koning bepaalt eveneens wat verstaan wordt onder arbeid als loontrekkende gedurende ten minste een maand.] <W 2001-05-22/36, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  [§ 1quater. De werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, heeft in het vakantiejaar tijdens de tewerkstelling als loontrekkende recht op de seniorvakantiedagen bedoeld in § 1, derde lid, x), indien hij ingevolge werkloosheid in het vakantiedienstjaar, gedurende het vakantiejaar geen recht heeft op vier weken betaalde vakantie.
  De werknemer bedoeld in het eerste lid kan, na uitputting van de gewone vakantiedagen waarop hij eventueel gerechtigd is, voor de seniorvakantiedagen seniorvakantie-uitkeringen bekomen.
  De seniorvakantie-uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt toegekend onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering. De Koning bepaalt eveneens wat verstaan wordt onder " ingevolge werkloosheid in het vakantiedienstjaar, gedurende het vakantiejaar geen recht heeft op vier weken betaalde vakantie ", zoals vermeld in het eerste lid, en welke regelen toegepast worden ten aanzien van werknemers die in het vakantiedienstjaar tewerkgesteld zijn geweest met toepassing van de vakantieregeling geldend voor openbare diensten of van een regeling van uitgestelde bezoldiging als leerkracht.] <W 2005-12-23/30, art. 54, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [§ 1quinquies. De premie bedoeld in § 1, derde lid, zc), wordt voor de toepassing van dit artikel en zijn uitvoeringsbesluiten beschouwd als een werkloosheidsuitkering behoudens indien de Koning daarvan afwijkt.
  De periode die gedekt is door deze premie, wordt voor de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de berekening van het rustpensioen niet beschouwd als een periode waarvoor een werkloosheidsuitkering werd betaald.
  Voor de toepassing van § 4 wordt de controle op de naleving van de voorwaarden voor de toekenning van de premie gelijkgesteld met de controle van de werkelijkheid van de werkloosheid.] <W 2008-12-22/32, art. 124, 2°, 042; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  [8 § 1sexies. De vergoeding bedoeld in § 1, derde lid, zf), compenseert, volgens de regels bepaald door de Koning, het verschil tussen enerzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever moet toekennen en anderzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever zou toegekend hebben alsof de totale anciënniteit van de werknemer volledig verworven was na 31 december 2013.
   De vergoeding wordt slechts toegekend indien de werknemer gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :
   1° de begindatum van zijn ononderbroken arbeidsovereenkomst is gelegen vóór 1 januari 2014;
   2° de arbeidsovereenkomst bedoeld in 1° is [10 op 31 december 2013]10 een arbeidsovereenkomst voor werklieden in de zin van artikel 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of in de zin van artikel 7bis van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, of bedoeld door Titel V van de voormelde wet van 3 juli 1978;
   3° hij voldoet aan één van de volgende voorwaarden :
   a) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt ten minste dertig jaar op de dag waarop de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad;
   b) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2014 ten minste twintig jaar;
   c) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2015 ten minste vijftien jaar;
   d) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2016 ten minste tien jaar;
   e) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2017 minder dan tien jaar;
   4° hij wordt ontslagen na 31 december 2013.
   De werknemer op wie artikel 70 van voormelde wet van toepassing is, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding.
   De werknemer ten aanzien van wie, op basis van artikel 73 van voormelde wet, de opzeggingstermijn wordt vastgesteld op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die gelden op 31 december 2013 en die van toepassing zijn in geval van opzegging ter kennis gebracht op deze datum, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding.
   De vergoeding wordt voor de toepassing van de werkloosheidsverzekering gelijkgesteld met een opzeggingsvergoeding die wordt toegekend wanneer de werkgever de overeenkomst beëindigt zonder dringende redenen en zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
   De Koning bepaalt de wijze waarop deze vergoeding wordt berekend, aangevraagd en toegekend. De Koning bepaalt eveneens welke invloed de vergoeding heeft, inzonderheid wat betreft het openen of heropenen van het recht van de werkloze op uitkeringen en de cumul met zijn uitkeringen.
   Deze vergoeding is vrijgesteld van inhoudingen en bijdragen voor de sociale zekerheid en van fiscale inhoudingen.
   Indien de werknemer gerechtigd is op de inschakelingsvergoeding bedoeld in artikel 36 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact is hij slechts gerechtigd op de ontslagcompensatievergoeding onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
   [10 ...]10 ]8
  [9 § 1septies. Voor de toepassing van § 1, derde lid, i), zijn enkel uitkeringen verschuldigd aan de werkloze die cumulatief voldoet aan :
   1° de toelaatbaarheidsvoorwaarden, zijnde de wachttijdvoorwaarden die de werkloze moet vervullen om van de werkloosheidsverzekering te kunnen genieten, inzonderheid door het leveren van het bewijs van een aantal arbeids-of gelijkgestelde dagen voorafgaand aan de werkloosheid;
   2° de toekenningsvoorwaarden, zijnde de voorwaarden die een werkloze die toelaatbaar is, moet vervullen om effectief uitkeringen te kunnen ontvangen, inzonderheid onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn, be-schikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, ingeschreven zijn als werkzoekende en actief werk zoeken, arbeidsgeschikt zijn, verblijven in België, voldoen aan leeftijdsvoorwaarden en de voorschriften naleven inzake aangifte en controle van werkloosheidsperiodes.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, bepaalt de Koning :
   1° het vereiste aantal arbeids- of gelijkgestelde dagen, de referteperiode waarin die dagen gelegen moeten zijn, de voorwaarden waaraan die arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen moeten voldoen en de wijze van bere-kenen van die arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen, waarbij een modulatie mogelijk is in functie van :
   a) de leeftijd van de werkloze;
   b) het arbeidsregime van de werknemer voorafgaand aan de werkloosheid, waarbij inzonderheid een onderscheid kan gemaakt worden tussen voltijdse werknemers, deeltijdse werknemers met behoud van rechten en vrijwillig deeltijdse werknemers. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder voltijdse werknemer, deeltijdse werknemer met behoud van rechten en vrijwillig deeltijdse werknemer;
   c) specifieke karakteristieken van de vóór de werkloosheid uitgeoefende arbeid, zoals de tewerkstelling als havenarbeider, als zeevisser of als kunstenaar;
   2° onder welke voorwaarden en nadere regelen jongeren die niet voldoen aan de in a) gestelde vereisten, geacht worden te voldoen aan de wachttijdvoorwaarden omwille van de studies die ze voleindigd hebben. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder jongere, studies en voleindigd hebben;
   3° onder welke voorwaarden en nadere regelen de tijdelijk werkloze die door een arbeidsovereenkomst ver-bonden is waarvan de uitvoering tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, geschorst is en de volledig werkloze die voorheen reeds voldeed aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden, vrijgesteld kan worden van de toelaatbaarheids-voorwaarden. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder volledig werkloze, tijdelijk werkloze en werkloze die vroeger reeds voldeed aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, bepaalt de Koning :
   1° wat dient te worden verstaan onder onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn, beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, ingeschreven zijn als werkzoekende, arbeidsgeschikt zijn, verblijven in België, voldoen aan leef-tijdsvoorwaarden en de voorschriften naleven inzake aangifte en controle van werkloosheidsperiodes;
   2° in welke gevallen en onder welke voorwaarden en nadere regelen werklozen vrijgesteld kunnen worden van sommige toekenningsvoorwaarden, inzonderheid omwille van hun leeftijd, het volgen van studies of opleidingen, omwille van moeilijkheden veroorzaakt op sociaal en familiaal vlak, omwille van het afsluiten als kandi-daat-ondernemer van een overeenkomst met een activiteitencoöperatie of omwille van een vrijwillige militaire inzet. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder het volgen van studies of opleidingen, moeilijkheden veroorzaakt op sociaal en familiaal vlak, het afsluiten als kandidaat-ondernemer van een overeenkomst met een activiteitencoöperatie en vrijwillige militaire inzet.
   § 1octies. Het bedrag van de in § 1, derde lid, i), bedoelde verschuldigde uitkering voor elke kalendermaand wordt bepaald in functie van het aantal vergoedbare uitkeringsdagen of halve uitkeringsdagen en van het dagbedrag voor elke uitkeringsdag.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regelen voor vaststelling van het aantal vergoedbare uitkeringsdagen of halve uitkeringsdagen in elke kalendermaand, waarbij inzonderheid rekening gehouden wordt met :
   1° de toelaatbaarheidsvoorwaarden en toekenningsvoorwaarden bedoeld in § 1septies;
   2° de aard van de werkloosheid, waarbij een onderscheid kan gemaakt worden naargelang de werkloze al dan niet nog verbonden is met een arbeidsovereenkomst met een werkgever;
   3° de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de werkloze vooraleer hij werkloos werd, de gemiddelde weke-lijkse arbeidsduur van de maatpersoon, de uren en dagen waarop arbeid werd verricht, de uren en dagen waarop er recht op loon is;
   4° de invloed van de activiteiten en het inkomen van deze activiteiten die de werkloze verricht op werkloos-heidsdagen of in een periode van werkloosheid.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regelen voor de vaststelling van het dagbedrag of het halve dagbedrag van de uitkering, waarbij inzonderheid rekening gehouden wordt met :
   1° de hoogte van het loon dat de werkloze verdiende vooraleer hij werkloos werd, en, voor de werkloze die nog verbonden is met een arbeidsovereenkomst, de hoogte van het loon tijdens die arbeidsovereenkomst;
   2° de wekelijkse arbeidsduur van de werkloze vooraleer hij werkloos werd, en, voor de werkloze die nog ver-bonden is met een arbeidsovereenkomst, de arbeidsduur tijdens die arbeidsovereenkomst;
   3° de gezinssamenstelling van de werkloze, waarbij een onderscheid kan gemaakt worden naargelang de werkloze al dan niet alleen woont en al dan niet personen ten zijnen laste heeft, waarbij rekening kan gehouden worden met de aard van bloed- of aanverwantschap, de omvang van het inkomen van de personen met wie de werkloze onder één dak leeft en de lasten die de werkloze heeft ten opzichte van bloed- of aanverwanten met wie hij niet meer onder één dak woont;
   4° de duur van de werkloosheid, waarbij de uitkering kan afnemen in functie van de werkloosheidsduur en waarbij bij langdurige werkloosheid de band met het vroegere loon kan verbroken worden;
   5° het beroepsverleden van de werkloze, zijn graad van verminderde geschiktheid en zijn leeftijd;
   6° het al dan niet ingeschreven zijn als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsbemiddeling;
   7° de aard, de omvang, het inkomen en het ogenblik van uitoefenen van activiteiten door de werkloze.
   Voor de overeenkomstig het vorige lid vastgestelde uitkeringen kan de Koning een maximum- en minimum-bedrag vaststellen, dat kan variëren in functie van de in het vorig lid opgesomde criteria.
   Het basisbedrag van de overeenkomstig de vorige leden vastgestelde uitkering kan verhoogd worden met een toeslag, inzonderheid wanneer het een oudere werkloze betreft. De Koning bepaalt de berekeningswijze en de voorwaarden en nadere regelen van deze toeslag.]9
  § 2. [De werkloosheidsuitkeringen worden aan de gerechtigden uitbetaald hetzij door bemiddeling van uitbetalingsinstellingen, welke opgericht worden door representatieve werknemersorganisaties en die daartoe door de Koning, onder de voorwaarden die hij bepaalt, erkend zijn en wegens dit feit rechtspersoonlijkheid verkregen hebben, hetzij door bemiddeling van een openbare instelling beheerd door het beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.] <Bijlage Ger.Wb., W 10-10-1967, hoofdart. 3, art. 63, § 1>
  Dit officieel organisme wordt gelijkgesteld met de andere door de Koning aangenomen uitbetalingsorganismen en wordt dus met deze, wat de werking, de financiële verantwoordelijkheid en middelen betreft, op dezelfde voet geplaatst.
  De Koning bepaalt, na advies van het beheerscomité van de [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] de modaliteiten van uitvoering der maatregelen voorzien bij voorgaand lid. [Het dagelijks beheer van de officiële instelling bedoeld in het voorgaand lid wordt uitgeoefend door de houder van een managementfunctie " administrateur-generaal ", bijgestaan door een houder van een managementfunctie " adjunct-administrateur-generaal ". Deze houders van een managementfunctie worden door de Koning aangesteld, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort en het Beheerscomité van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen. Hun statuut en de procedure van aanstelling worden door de Koning bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De Koning stelt eveneens de houders van de overige managementfuncties aan, op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort en het Beheerscomité van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen, na voordracht van de houder van de managementfunctie " administrateur-generaal ". De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, hun statuut en de procedure van aanstelling.] <W 14-02-1961, art. 9> <W 2003-04-08/33, art. 27, 023; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  De [Rijksdienst voor arbeidsvoorziening] kan aan de betalingsorganismen de sommen voorschieten voor de betaling van de werklozenvergoeding en ze voor hun bestuurskosten vergoeden. <W 14-02-1961, art. 9>
  De Koning bepaalt in welke gevallen de betalingsorganismen de last van de betalingen die zij ten onrechte zouden gedaan hebben, dragen.
  § 3. De provinciën en de gemeenten mogen onder geen enkele vorm tussenkomen om de krachtens deze besluitwet en de uitvoeringsbesluiten er van verleende werkloosheidsvergoeding te verhogen.
  § 4. De Koning kan aan de werkgevers de nodige maatregelen opleggen om de werkelijkheid en de voortduring van de onvrijwillige werkloosheid te controleren en op de niet-uitvoering van die maatregelen correctionele of politiestraffen stellen die [op de werkgevers, hun aangestelden of lasthebbers] toepasselijk zijn. Hij kan insgelijks correctionele of politiestraffen bepalen toepasselijk op de werklozen die gebruik zouden maken van bedrieglijke handelingen om vergoedingen waarop zij geen recht hebben of hogere vergoedingen dan die waarop zij mogen aanspraak maken, te bekomen of pogen te bekomen. <W 1998-02-13/32, art. 74, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  (NOTA : de W 2009-12-23/04, art. 66, waarvan de inwerkingtredingsdatum bepaald dient te worden, voegt hier een lid in.)
  [7 De inbreuken op de bepalingen van deze paragraaf [8 en van § 1, derde lid, littera j, en volgende]8 worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
   De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van deze paragraaf en de uitvoeringsbesluiten ervan.]7
  [Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V maar met inbegrip van hoofdstuk VII, zijn toepasselijk op de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde misdrijven. Artikel 85 van voormeld wetboek is toepasselijk op de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde misdrijven zonder dat het bedrag van de geldboete lager mag zijn dan 40 % van de in uitvoering van deze paragraaf bepaalde minimumbedragen.] <W 1998-02-13/32, art. 83, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  [§ 4bis. De Koning wijst de ambtenaren aan belast met het toezicht op de toepassing van de bepalingen tot toekenning van de uitkeringen bedoeld bij de artikelen 100 en 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, alsmede de strafbepalingen die van toepassing zijn bij niet-naleving van de bepalingen tot toekenning van deze uitkeringen.] <W 1985-01-22/30, art. 107, 002>
  [11 § 4/1. Les fonctionnaires désignés par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale contrôlent l'application du paragraphe 1er, troisième alinéa, litteras h), i), m), p), s), t), w), za) et zc), et du paragraphe 1erbis, premier alinéa jusqu'au troisième alinéa inclus, et du cinquième alinéa jusqu'au neuvième alinéa inclus, et surveillent le respect de ceux-ci.
   Le contrôle et la surveillance desdits paragraphe 1er, troisième alinéa, m), et du paragraphe 1erbis, premier alinéa jusqu'au troisième alinéa, et cinquième alinéa jusqu'au neuvième alinéa inclus, s'opèrent sans préjudice des compétences d'inspection et de contrôle des institutions fédérales compétentes pour les cotisations de sécurité sociale ou pour les allocations de chômage, qui, en la matière, sont les seuls opérateurs administratifs et techniques.
   Les fonctionnaires visés au premier alinéa exercent ce contrôle ou cette surveillance conformément aux dispositions de l'ordonnance du 30 avril 2009 relative à la surveillance des réglementations en matière d'emploi qui relèvent de la compétence de la Région de Bruxelles-Capitale et à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces réglementations.]11
  § 5. Het koninklijk besluit van 27 juli 1935 houdende oprichting van een Nationale Dienst voor arbeidsbemiddeling en werkloosheid is opgeheven. De Koning zal de nodige maatregelen treffen om de vereffening van dit organisme te verzekeren.
  § 6. Het houden van arbeidsbemiddelingsbureau's tegen betaling is verboden. Evenwel kan de Koning, voor bepaalde beroepen, de tijdelijke voortzetting der bedrijvigheid van deze bureau's toestaan, mits er voor te zorgen dat zij geleidelijk verdwijnen. Hij kan hun bedrijf onderwerpen aan bepaalde voorwaarden en aan controlemaatregelen.
  § 7. De Koning kan de werkzaamheden van en de controle op de kosteloze arbeidsbemiddelingsbureau's reglementeren.
  § 8. Inbreuk op het bepaalde in de §§ 6 en 7 alsmede op de besluiten genomen ter uitvoering van die paragrafen wordt gestraft met correctionele of politiestraffen, door de Koning bepaald.
  § 9. De Koning kan de bepalingen wijzigen van het koninklijk besluit nr. 285, van 31 maart 1936, houdende aanvulling en samenordening van de bepalingen betreffende de tewerkstelling van vreemde arbeiders, bekrachtigd bij de wet van 4 mei 1936 houdende bekrachtiging van sommige koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van de wet van 31 juni 1934, zoals verlengd en aangevuld bij de wetten van 7 december 1934, 15 en 30 maart 1935.
  § 10. [De gemeenten moeten, onder de voorwaarden en de nadere regelen die de Koning bepaalt :
  1° een verblijfsbewijs afleveren aan de onvrijwillig werklozen die zich, in het kader van het nazicht van de verblijfsvereiste, in de door de Koning bepaalde gevallen, persoonlijk bij de gemeente aanmelden;
  2° instaan voor het afstempelen van de controleformulieren van de deeltijdse werknemers die zich in de door de Koning bepaalde gevallen, persoonlijk bij de gemeente aanmelden.] <W 2004-12-27/30, art. 142, 030; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  § 11. [Geschillen over rechten, ontstaan uit de werkloosheidsregeling, behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank.
  [De beslissingen genomen over rechten ontstaan uit de werkloosheidsregeling moeten op straffe van verval, binnen drie maanden na de kennisgeving, of, bij gebrek aan kennisgeving, binnen de drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de betrokkene er kennis van gehad heeft, aan de bevoegde arbeidsrechtbank voorgelegd worden. Bij het ontbreken van erkenning van een recht moet het beroep tot erkenning van het recht worden voorgelegd binnen de drie maanden na de vaststelling van het in gebreke blijven.
  De vordering ingeleid voor de arbeidsrechtbank werkt niet schorsend.] ] <W 10-10-1967, art. 63, § 2> <W 1998-02-13/32, art. 61, 009; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  [In de zaken waarvoor een medische deskundige is aangesteld, worden de voorschotten, de erelonen en de kosten van deze deskundige, die voorkomen in de staat die hij opstelt in overeenstemming met de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, aangegeven, met toepassing van het tarief bepaald door de Koning.] <W 1998-02-13/32, art. 61, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2003>
  [De regeling bedoeld in § 1, derde lid, q) , wordt voor de toepassing van de vorige leden gelijkgesteld met een werkloosheidsregeling.] <W 2002-12-24/32, art. 5, 024: Inwerkingtreding : 01-04-2003; inwerkingtreding op een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum, en uiterlijk op 1 april 2003; Justel heeft geen kennis van betrokken besluit>
  [§ 12. De werknemer heeft geen recht op werkloosheidsuitkeringen gedurende de periode gedekt door een vergoeding of een schadevergoeding, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade, waarop hij aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Nochtans, wanneer hij de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel recht heeft, niet of slechts gedeeltelijk ontvangen heeft, kan hij voor de overeenstemmende periode voorlopig werkloosheidsuitkeringen genieten, indien hij, naast de gewone voorwaarden voor het verkrijgen van laatstgenoemde uitkeringen, de volgende voorwaarden vervult :
  1° zich ertoe verbinden van zijn werkgever de betaling te eisen, indien nodig langs gerechtelijke weg, van de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel recht heeft;
  2° zich ertoe verbinden de voorlopig ontvangen werkloosheidsuitkeringen terug te storten van zodra hij de vergoeding of de schadevergoeding verkregen heeft;
  3° zich ertoe verbinden de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op de hoogte te brengen van elke schuldbekentenis die zijn werkgever doet of van elke gerechtelijke beslissing die wordt genomen met betrekking tot de vergoeding of de schadevergoeding;
  4° aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, de vergoeding of de schadevergoeding waarvan het recht hem is erkend, over te dragen ten belope van het bedrag van de voorlopig toegekende werkloosheidsuitkeringen.
  Artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek en hoofdstuk VI van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers zijn niet van toepassing op de overdracht bedoeld in het eerste lid, 4°. De overdracht is aan derden tegenstelbaar door de betekening ervan bij ter post aangetekend schrijven aan de werkgever.
  De werknemer moet de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening binnen het jaar dat volgt op het eindigen van de arbeidsovereenkomst, het bewijs leveren dat een rechtsvordering werd ingesteld bij het bevoegde gerecht ten einde de vergoeding of de schadevergoeding te verkrijgen. Indien hij dit niet doet, wordt hij uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf de datum van de beëindiging van de overeenkomst en voor de periode gedekt door de wettelijke minimumopzeggingstermijnen, die gelden in zijn geval.
  In geval van faillissement of van vereffening van de onderneming hebben de lasthebbers, curatoren en vereffenaars, wat de overdracht van schuldvordering bedoeld bij het eerste lid, 4°, betreft, dezelfde verplichtingen als de werkgevers.] <W 1988-12-30/31, art. 111, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  [§ 13. De rechtsvorderingen tot uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Deze termijn gaat in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarop de uitkeringen betrekking hebben.
  Het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, alsmede de rechtsvorderingen van de uitbetalingsinstellingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Die termijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist of bedrog van de werkloze.
  De verjaringstermijnen bepaald in het tweede lid gaan in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd. Wanneer de uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen onverschuldigd worden omwille van de toekenning of de vermeerdering van een voordeel dat, geheel of gedeeltelijk, niet samen kan genoten worden met de werkloosheidsuitkeringen, gaat de verjaringstermijn in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene waarin dat voordeel of die vermeerdering werd betaald.
  Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek kunnen deze verjaringstermijnen gestuit worden door een ter post aangetekende brief. De daden die de verjaring stuiten blijven geldig ook indien ze gericht zijn aan een onbevoegde instelling of bestuur op voorwaarde dat die instelling of dat bestuur belast is met de toekenning of de betaling van werkloosheidsuitkeringen.] <W 1988-12-30/31, art. 112, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  [De vergoedingen voorzien in § 1, derde lid, [8 littera j, l, n, q en zf,]8 worden gelijkgesteld met de werkloosheidsuitkering voor de toepassing van onderhavige paragraaf.] <W 2004-12-27/30, art. 173, 030; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  [§ 14. Deze paragraaf betreft de wachttijdvoorwaarden voor de toekenning van het recht op uitkeringen bedoeld in § 1, derde lid, i , m , o en p , in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer.
  De vreemde of staatloze werknemer wordt enkel toegelaten tot het recht op uitkeringen indien hij op het tijdstip van de uitkeringsaanvaag voldoet aan de wetgeving die betrekking heeft op het verblijf en op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
  De door de vreemde of staatloze werknemer in België verrichte arbeid komt enkel in aanmerking voor het voldoen aan de wachttijdvoorwaarden, indien hij verricht werd overeenkomstig de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
  Het recht op uitkeringen ingevolge de beëindiging van studies geldt in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer enkel binnen de grenzen van een bilaterale of een internationale overeenkomst. Dit recht geldt eveneens voor de onderdanen van de landen opgesomd in de wet van 13 december 1976 houdende goedkeuring van de bilaterale akkoorden betreffende de tewerkstelling in België van buitenlandse werknemers.
  De vreemde of staatloze werknemer kan de in het buitenland verrichte arbeid en de aldaar met arbeid gelijkgestelde periodes, enkel inroepen binnen de grenzen van een bilaterale of een internationale overeenkomst.
  De vreemde of staatloze werknemer wiens arbeidskaart vervallen is en die na een termijn van zestig dagen de arbeid krachtens een nieuwe arbeidskaart hervat heeft, en die vervolgens opnieuw een uitkeringsaanvraag doet, kan niet vrijgesteld worden van wachttijd op grond van een voorheen toegekend recht op uitkeringen.
  Het voorgaande lid is niet toepasselijk op :
  1° de werknemer die de toelating heeft zich met zijn gezin in België te vestigen;
  2° de werknemer aan wie, met toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
  3° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit.
  § 15. Deze paragraaf betreft de toekenningsvoorwaarden van het recht op uitkeringen bedoeld in § 1, derde lid, i , m , o en p , in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer.
  Om uitkeringen te genieten moet de vreemde of staatloze werknemer voldoen aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen en deze die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
  De werkloze verliest het genot van de uitkeringen zestig dagen nadat de arbeidskaart is vervallen.
  Het voorgaande lid is niet toepasselijk op :
  1° de werknemer aan wie, met toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
  2° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit.] <W 2002-08-02/45, art. 114, 021; Inwerkingtreding : 29-08-2002>

  ----------
  (1)<W 2009-06-19/04, art. 27, 043; Inwerkingtreding : 25-06-2009; Opheffing : 01-10-2010, zie W 2009-06-19/04, art. 28, zoals gewijzigd>
  (2)<W 2009-12-30/02, art. 6, 044; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (3)<W 2009-12-30/02, art. 22, 044; Inwerkingtreding : 10-01-2010>
  (6)<W 2011-02-01/01, art. 10, 049; Inwerkingtreding : 01-02-2011; AD 31-03-2011>
  (7)<W 2010-06-06/06, art. 34, 048; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (8)<W 2013-12-26/08, art. 97, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (9)<W 2014-04-25/77, art. 35, 052; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
  (10)<W 2015-04-23/01, art. 11, 053; Inwerkingtreding : 27-04-2015; zie ook W 2015-04-23/01, art. 12>
  (11)<ORD 2015-07-09/17, art. 17, 058; Inwerkingtreding : 01-08-2016 (BESL 2016-06-09/15, art. 42, 1°)>

  Art. 8.<ingevoegd bij W 1994-03-30/31, art. 73, 006; Inwerkingtreding : 01-06-1994> § 1. De gemeenten of een groep van gemeenten moeten een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap oprichten. Dit agentschap is, in samenwerking met de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, bevoegd voor de organisatie en de controle van activiteiten die men niet aantreft in de reguliere arbeidscircuits.
  Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap wordt opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk.
  Om erkend te kunnen worden in het kader van dit artikel moet deze vereniging zonder winstoogmerk paritair worden samengesteld, enerzijds uit leden aangewezen door de gemeenteraad of de gemeenteraden in proportionaliteit tussen de meerderheid en de minderheid en anderzijds uit leden die de organisaties die zitting hebben in de Nationale Arbeidsraad, vertegenwoordigen. De vereniging zonder winstoogmerk telt minstens 12 en hoogstens 24 leden. De gemeenteraad kan andere leden toevoegen met raadgevende stem. De Koning kan, voor de samenstelling van deze vereniging, nadere voorwaarden bepalen.
  (In afwijking van artikel 13, eerste lid, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen kan de algemene vergadering van deze vereniging een zelfde aantal leden tellen als de raad van bestuur.) <W 2003-12-22/42, art. 82, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 2. (Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap staat in voor de administratieve organisatie van de in § 1 bedoelde activiteiten.
  De kandidaat-gebruiker moet vooraf een aanvraag indienen bij het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, waarin hij de te verrichten activiteiten omschrijft.
  Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap bepaalt of deze activiteiten toegelaten worden binnen het raam van dit artikel.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor de indiening van de aanvraag en voor de te verlenen toelating.
  De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag vast van de vergoedingen die de kandidaat-gebruiker van een activiteit moet betalen aan het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, wanneer hij een aanvraag indient bij dit agentschap. Hij bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de grenzen waarbinnen de aanschafprijs die de gebruiker moet betalen voor de PWA-cheques gelegen is en hoe dit bedrag wordt vastgesteld. Hij bepaalt eveneens de wijze waarop de kandidaat-gebruiker de PWA-cheques aanschaft en aan wie het bedrag van de PWA-cheques ten goede komt.) (Hij kan tevens bepalen op welke wijze dit bedrag van de PWA-cheques wordt aangewend.) (Hij kan ook de wijze bepalen waarop de gebruiker de terugbetaling van niet gebruikte PWA-cheques kan bekomen.) <W 1999-04-07/32, art. 28, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2002-03-05/32, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 13-03-2002> <W 2005-12-27/31, art. 131, 034; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  § 3. (De activiteiten verricht in het kader van het plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap mogen slechts uitgeoefend worden door hetzij :
  1° langdurig uitkeringsgerechtigde volledig werklozen;
  2° volledig werklozen die ingeschreven zijn als werkzoekenden bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en die :
  a) het bestaansminimum genieten, bepaald bij de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
  b) financiële sociale bijstand genieten en :
  - ofwel ingeschreven zijn in het bevolkingsregister;
  - ofwel beschikken over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur;
  - ofwel beschikken over een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in zoverre de verlenging van de verblijfsvergunning onderworpen is aan de voorwaarde tewerkgesteld te zijn;
  - ofwel gerechtigd of toegelaten zijn, met toepassing van de artikelen 9 of 10 van voormelde wet van 15 december 1980, voor een bepaalde duur te verblijven in zoverre in de mogelijkheid van een verblijfsvergunning van onbepaalde duur uitdrukkelijk voorzien is.) <W 2001-01-02/30, art. 38, 015; Inwerkingtreding : 03-01-2001>
  De Koning bepaalt wie beschouwd wordt als langdurig werkloze en welke categorieën van werklozen de voormelde activiteiten niet mogen verrichten. De Koning bepaalt welke categorieën van werklozen zich vrijwillig kunnen inschrijven bij een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap.
  (De activiteiten verricht in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap moeten, voor de werkloze, het karakter behouden van een bijkomende activiteit. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het maximum aantal uren van activiteit dat de werknemer mag verrichten.) <W 1999-04-07/32, art. 28, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 4. (De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, welke activiteiten die men niet aantreft in de reguliere arbeidscircuits, verricht mogen worden in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap. Hij mag daarbij een onderscheid maken naargelang de kandidaat-gebruiker een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is (en bepaalde activiteiten voorbehouden aan bepaalde categorieën van werknemers). <W 2008-12-22/32, art. 126, 154; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  De werknemer wordt voor de activiteiten die hij verricht in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap aangeworven met een PWA-arbeidsovereenkomst die wordt gesloten met dit agentschap.
  De werknemer die activiteiten bedoeld in het eerste lid heeft verricht, ontvangt een loon voor de activiteitsuren dat betaald wordt onder de vorm van PWA-cheques. Hij ontvangt eveneens een PWA-inkomensgarantie-uitkering waarvan de berekeningswijze door de Koning wordt bepaald.) <W 1999-04-07/32, art. 28, 3°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 5. De in dit artikel bedoelde (werknemer) wordt door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening verzekerd tegen arbeidsongevallen volgens de voorwaarden en de regels bepaald door de Koning. <W 1999-04-07/32, art. 28, 4°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 6. De Koning bepaalt de voorwaarden en de wijze waarop tegemoetgekomen wordt in de oprichting en de werking van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap.
  Deze tegemoetkoming wordt verleend door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.
  Deze tegemoetkoming evenals de administratiekosten van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, verbonden aan deze tegemoetkoming en aan zijn opdrachten in het kader van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen, zijn ten laste van een specifiek begrotingsartikel opgenomen in de begroting van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening en worden gedekt door het bedrag bestemd voor de financiering van de administratieve omkadering van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.
  (De uitgaven van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening die betrekking hebben op de uitbetaling van de PWA-cheques worden opgenomen in de begroting van de Rijksdienst zoals de gewone werkloosheidsuitkering.) <W 1999-04-07/32, art. 28, 5°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  (De Koning kan, volgens de voorwaarden en de nadere regels die Hij bepaalt, de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening belasten met de controle op de inkomsten en de uitgaven van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen en voorzien in een vermindering ten belope van ten hoogste 75 % van de financiële middelen die aan deze agentschappen worden toebedeeld in geval van verhindering van de controle, het niet opmaken of het niet ter beschikking stellen van voorgeschreven documenten of onjuiste besteding van de ontvangsten.) <W 2002-03-05/32, art. 4, 020; Inwerkingtreding : 13-03-2002>
  (§ 7. Voor de toepassing van dit artikel worden de begrippen "werknemer" en "gebruiker" begrepen in de betekenis die daaraan wordt verleend in artikel 2 van de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst.) <W 1999-04-07/32, art. 28, 6°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  (§ 8. De Koning kan bepalen dat de werknemer recht heeft op een tegemoetkoming in zijn verplaatsingskosten en ten laste van wie deze verplichting geldt. Hij kan tevens de nadere regelen vastleggen met betrekking tot het minimum en maximum bedrag van deze tegemoetkoming en de voorwaarden waaronder deze tegemoetkoming wordt toegekend.) <W 2002-03-05/32, art. 4, 020; Inwerkingtreding : 13-03-2002>
  (§ 9. Bij elk PWA wordt een overlegcomité opgericht. Dit comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van het PWA en vertegenwoordigers van de werknemers die verbonden zijn door een PWA-arbeidsovereenkomst.
  Het overlegcomité is bevoegd om inlichtingen te ontvangen en adviezen te geven omtrent de arbeidsvoorwaarden en het welzijn op het werk van de PWA-werknemers.
  De Koning kan deze opdrachten nader omschrijven en andere, meer specifieke opdrachten aan het comité toevertrouwen.
  Hij bepaalt de samenstelling van dit comité, de wijze van aanduiding of verkiezing van zijn leden en de nadere regelen inzake zijn werking.) <W 2002-03-05/32, art. 4, 020; Inwerkingtreding : 13-03-2002>
  § 10. (De PWA's zijn, voor hun werknemers onder PWA-overeenkomst, vrijgesteld van het oprichten van een ondernemingsraad, bedoeld in artikel 14 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en van een Comité voor Preventie en Bescherming op het werk, bedoeld in artikel 48 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.) <W 2007-11-08/35, art. 3, 040; Inwerkingtreding : 28-11-2007>
  (§ 11. In afwijking van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, mogen de personeelsleden die door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening door middel van een arbeidsovereenkomst zijn in dienst genomen, ter beschikking gesteld worden van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap met het oog op de administratieve organisatie van de activiteiten van het agentschap.
  Gedurende de periode waarin het personeelslid bij hem werkt, staat het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap in voor de toepassing van de wetgeving inzake de reglementering en de bescherming van de arbeid, welke gelden op de plaats van het werk, overeenkomstig artikel 19, eerste en tweede lid, van hogervermelde wet van 24 juli 1987.) <W 2003-04-08/33, art. 67, 025; Inwerkingtreding : 27-04-2003>

  Art. 8_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <ingevoegd bij W 1994-03-30/31, art. 73, 006; Inwerkingtreding : 01-06-1994>
  § 1. [2 Voor de toepassing van deze wet wordt de Dienst voor Arbeidsbemiddeling van de Duitstalige Gemeenschap als enige plaatselijk werkgelegenheidsagentschap op het Duitse grondgebied ingesteld. Dit plaatselijk werkgelegenheidsagentschap is bevoegd voor de organisatie van activiteiten die men niet aantreft in de reguliere arbeidscircuits.]2
  § 2. (Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap staat in voor de administratieve organisatie van de in § 1 bedoelde activiteiten.
  De kandidaat-gebruiker moet vooraf een aanvraag indienen bij het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, waarin hij de te verrichten activiteiten omschrijft.
  Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap bepaalt of deze activiteiten toegelaten worden binnen het raam van dit artikel.
  [1 De Regering]1 bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor de indiening van de aanvraag en voor de te verlenen toelating.
  [1 De Regering stelt het bedrag vast van de vergoedingen die de kandidaat-gebruiker van een activiteit moet betalen aan het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, wanneer hij een aanvraag indient bij dit agentschap. Zij bepaalt [2 de aanschafprijs die de gebruiker moet betalen voor de PWA-cheques]2. Zij bepaalt eveneens de wijze waarop de kandidaat-gebruiker de PWA-cheques aanschaft en aan wie het bedrag van de PWA-cheques ten goede komt. Zij kan tevens bepalen op welke wijze dit bedrag van de PWA-cheques wordt aangewend. Zij kan ook de wijze bepalen waarop de gebruiker de terugbetaling van niet gebruikte PWA-cheques kan bekomen.]1
  § 3. (De activiteiten verricht in het kader van het plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap mogen slechts uitgeoefend worden door hetzij :
  1° langdurig uitkeringsgerechtigde volledig werklozen;
  2° volledig werklozen die ingeschreven zijn als werkzoekenden [2 bij de Dienst voor Arbeidsbemiddeling van de Duitstalige Gemeenschap]2 en die :
  a) [1 het leefloon ontvangen bepaald bij de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;]1
  b) financiële sociale bijstand genieten en :
  - ofwel ingeschreven zijn in het bevolkingsregister;
  - ofwel beschikken over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur;
  - ofwel beschikken over een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in zoverre de verlenging van de verblijfsvergunning onderworpen is aan de voorwaarde tewerkgesteld te zijn;
  - ofwel gerechtigd of toegelaten zijn, met toepassing van de artikelen 9 of 10 van voormelde wet van 15 december 1980, voor een bepaalde duur te verblijven in zoverre in de mogelijkheid van een verblijfsvergunning van onbepaalde duur uitdrukkelijk voorzien is.) <W 2001-01-02/30, art. 38, 015; Inwerkingtreding : 03-01-2001>
  [1 De Regering]1 bepaalt wie beschouwd wordt als langdurig werkloze en welke categorieën van werklozen de voormelde activiteiten niet mogen verrichten. De Koning bepaalt welke categorieën van werklozen zich vrijwillig kunnen inschrijven bij [2 het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap]2.
  (De activiteiten verricht in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap moeten, voor de werkloze, het karakter behouden van een bijkomende activiteit. [1 De Regering bepaalt]1 het maximum aantal uren van activiteit dat de werknemer mag verrichten.) <W 1999-04-07/32, art. 28, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 4. ([1 De Regering bepaalt]1 welke activiteiten die men niet aantreft in de reguliere arbeidscircuits, verricht mogen worden in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap. [1 Zij]1 mag daarbij een onderscheid maken naargelang de kandidaat-gebruiker een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is (en bepaalde activiteiten voorbehouden aan bepaalde categorieën van werknemers). <W 2008-12-22/32, art. 126, 154; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  De werknemer wordt voor de activiteiten die hij verricht in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap aangeworven met een PWA-arbeidsovereenkomst die wordt gesloten met dit agentschap.
  De werknemer die activiteiten bedoeld in het eerste lid heeft verricht, ontvangt een loon voor de activiteitsuren dat betaald wordt onder de vorm van PWA-cheques. [2 De Regering bepaalt de nadere regels volgens welke de werknemer de PWA-cheques inwisselt en volgens welke die PWA-cheques uitbetaald worden.]2 Hij ontvangt eveneens een PWA-inkomensgarantie-uitkering waarvan de berekeningswijze door de Koning wordt bepaald.) <W 1999-04-07/32, art. 28, 3°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 5. De in dit artikel bedoelde (werknemer) wordt door de [1 dienst voor arbeidsbemiddeling van de Duitstalige Gemeenschap]1 verzekerd tegen arbeidsongevallen volgens de voorwaarden en de regels bepaald [1 door de Regering]1. <W 1999-04-07/32, art. 28, 4°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 6. [2 ...]2
  (§ 7. Voor de toepassing van dit artikel worden de begrippen "werknemer" en "gebruiker" begrepen in de betekenis die daaraan wordt verleend in artikel 2 van de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst.) <W 1999-04-07/32, art. 28, 6°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  (§ 8. [1 De Regering]1 kan bepalen dat de werknemer recht heeft op een tegemoetkoming in zijn verplaatsingskosten en ten laste van wie deze verplichting geldt. [1 Zij]1 kan tevens de nadere regelen vastleggen met betrekking tot het minimum en maximum bedrag van deze tegemoetkoming en de voorwaarden waaronder deze tegemoetkoming wordt toegekend.) <W 2002-03-05/32, art. 4, 020; Inwerkingtreding : 13-03-2002>
  (§ 9. Bij elk PWA wordt een overlegcomité opgericht. Dit comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van het PWA en vertegenwoordigers van de werknemers die verbonden zijn door een PWA-arbeidsovereenkomst.
  Het overlegcomité is bevoegd om inlichtingen te ontvangen en adviezen te geven omtrent de arbeidsvoorwaarden en het welzijn op het werk van de PWA-werknemers.
  De Koning kan deze opdrachten nader omschrijven en andere, meer specifieke opdrachten aan het comité toevertrouwen.
  Hij bepaalt de samenstelling van dit comité, de wijze van aanduiding of verkiezing van zijn leden en de nadere regelen inzake zijn werking.) <W 2002-03-05/32, art. 4, 020; Inwerkingtreding : 13-03-2002>
  § 10. (De PWA's zijn, voor hun werknemers onder PWA-overeenkomst, vrijgesteld van het oprichten van een ondernemingsraad, bedoeld in artikel 14 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en van een Comité voor Preventie en Bescherming op het werk, bedoeld in artikel 48 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.) <W 2007-11-08/35, art. 3, 040; Inwerkingtreding : 28-11-2007>
  (§ 11. In afwijking van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, mogen de personeelsleden die door de [1 Dienst voor Arbeidsbemiddeling van de Duitstalige Gemeenschap]1 door middel van een arbeidsovereenkomst zijn in dienst genomen, ter beschikking gesteld worden van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap met het oog op de administratieve organisatie van de activiteiten van het agentschap.
  Gedurende de periode waarin het personeelslid bij hem werkt, staat het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap in voor de toepassing van de wetgeving inzake de reglementering en de bescherming van de arbeid, welke gelden op de plaats van het werk, overeenkomstig artikel 19, eerste en tweede lid, van hogervermelde wet van 24 juli 1987.) <W 2003-04-08/33, art. 67, 025; Inwerkingtreding : 27-04-2003>
  

  ----------
  (1)<DDG 2016-04-25/10, art. 2, 056; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DDG 2017-01-23/02, art. 1, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 8_WAALS_GEWEST.
   <ingevoegd bij W 1994-03-30/31, art. 73, 006; Inwerkingtreding : 01-06-1994> § 1. De gemeenten of een groep van gemeenten moeten een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap oprichten. Dit agentschap is, in samenwerking met [1 l'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi " (Waalse dienst voor beroepsopleiding en tewerkstelling)]1, bevoegd voor de organisatie en de controle van activiteiten die men niet aantreft in de reguliere arbeidscircuits.
  Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap wordt opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk.
  Om erkend te kunnen worden in het kader van dit artikel moet deze vereniging zonder winstoogmerk paritair worden samengesteld, enerzijds uit leden aangewezen door de gemeenteraad of de gemeenteraden in proportionaliteit tussen de meerderheid en de minderheid en anderzijds uit leden die de organisaties die zitting hebben in de Nationale Arbeidsraad, vertegenwoordigen. De vereniging zonder winstoogmerk telt minstens 12 en hoogstens 24 leden. De gemeenteraad kan andere leden toevoegen met raadgevende stem. De Koning kan, voor de samenstelling van deze vereniging, nadere voorwaarden bepalen.
  (In afwijking van artikel 13, eerste lid, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen kan de algemene vergadering van deze vereniging een zelfde aantal leden tellen als de raad van bestuur.) <W 2003-12-22/42, art. 82, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 2. (Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap staat in voor de administratieve organisatie van de in § 1 bedoelde activiteiten.
  De kandidaat-gebruiker moet vooraf een aanvraag indienen bij het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, waarin hij de te verrichten activiteiten omschrijft.
  Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap bepaalt of deze activiteiten toegelaten worden binnen het raam van dit artikel.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor de indiening van de aanvraag en voor de te verlenen toelating.
  De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag vast van de vergoedingen die de kandidaat-gebruiker van een activiteit moet betalen aan het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, wanneer hij een aanvraag indient bij dit agentschap. Hij bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de grenzen waarbinnen de aanschafprijs die de gebruiker moet betalen voor de PWA-cheques gelegen is en hoe dit bedrag wordt vastgesteld. Hij bepaalt eveneens de wijze waarop de kandidaat-gebruiker de PWA-cheques aanschaft en aan wie het bedrag van de PWA-cheques ten goede komt.) (Hij kan tevens bepalen op welke wijze dit bedrag van de PWA-cheques wordt aangewend.) (Hij kan ook de wijze bepalen waarop de gebruiker de terugbetaling van niet gebruikte PWA-cheques kan bekomen.) <W 1999-04-07/32, art. 28, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2002-03-05/32, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 13-03-2002> <W 2005-12-27/31, art. 131, 034; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  § 3. (De activiteiten verricht in het kader van het plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap mogen slechts uitgeoefend worden door hetzij :
  1° langdurig uitkeringsgerechtigde volledig werklozen;
  2° volledig werklozen die ingeschreven zijn als werkzoekenden bij een [1 service public régional de l'emploi (gewestelijke overheidsdienst tewerkstelling)]1 en die :
  a) [1 het leefloon genieten zoals bepaald bij de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie]1;
  b) financiële sociale bijstand genieten en :
  - ofwel ingeschreven zijn in het bevolkingsregister;
  - ofwel beschikken over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur;
  - ofwel beschikken over een verblijfsvergunning met toepassing [1 artikel 9bis]1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in zoverre de verlenging van de verblijfsvergunning onderworpen is aan de voorwaarde tewerkgesteld te zijn;
  - ofwel gerechtigd of toegelaten zijn, met toepassing van de artikelen 9 of 10 van voormelde wet van 15 december 1980, voor een bepaalde duur te verblijven in zoverre in de mogelijkheid van een verblijfsvergunning van onbepaalde duur uitdrukkelijk voorzien is.) <W 2001-01-02/30, art. 38, 015; Inwerkingtreding : 03-01-2001>
  De Koning bepaalt wie beschouwd wordt als langdurig werkloze en welke categorieën van werklozen de voormelde activiteiten niet mogen verrichten. De Koning bepaalt welke categorieën van werklozen zich vrijwillig kunnen inschrijven bij een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap.
  (De activiteiten verricht in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap moeten, voor de werkloze, het karakter behouden van een bijkomende activiteit. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het maximum aantal uren van activiteit dat de werknemer mag verrichten.) <W 1999-04-07/32, art. 28, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 4. (De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, welke activiteiten die men niet aantreft in de reguliere arbeidscircuits, verricht mogen worden in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap. Hij mag daarbij een onderscheid maken naargelang de kandidaat-gebruiker een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is (en bepaalde activiteiten voorbehouden aan bepaalde categorieën van werknemers). <W 2008-12-22/32, art. 126, 154; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  De werknemer wordt voor de activiteiten die hij verricht in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap aangeworven met een PWA-arbeidsovereenkomst die wordt gesloten met dit agentschap.
  De werknemer die activiteiten bedoeld in het eerste lid heeft verricht, ontvangt een loon voor de activiteitsuren dat betaald wordt onder de vorm van PWA-cheques. Hij ontvangt eveneens een PWA-inkomensgarantie-uitkering waarvan de berekeningswijze door de Koning wordt bepaald.) <W 1999-04-07/32, art. 28, 3°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 5. De in dit artikel bedoelde (werknemer) wordt door [1 " l'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi "]1 verzekerd tegen arbeidsongevallen volgens de voorwaarden en de regels bepaald door de Koning. <W 1999-04-07/32, art. 28, 4°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 6. De Koning bepaalt de voorwaarden en de wijze waarop tegemoetgekomen wordt in de oprichting en de werking van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap.
  Deze tegemoetkoming wordt verleend door [1 " l'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi "]1.
  Deze tegemoetkoming evenals de administratiekosten van [1 " l'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi "]1, verbonden aan deze tegemoetkoming en aan zijn opdrachten in het kader van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen, zijn ten laste van een specifiek begrotingsartikel opgenomen in de begroting van [1 " l'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi "]1 en worden gedekt door het bedrag bestemd voor de financiering van de administratieve omkadering van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.
  (De uitgaven van [1 " l'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi "]1 die betrekking hebben op de uitbetaling van de PWA-cheques worden opgenomen in de begroting van de Rijksdienst [1 ...]1.) <W 1999-04-07/32, art. 28, 5°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  (De Koning kan, volgens de voorwaarden en de nadere regels die Hij bepaalt, [1 " l'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi "]1 belasten met de controle op de inkomsten en de uitgaven van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen en voorzien in een vermindering ten belope van ten hoogste 75 % van de financiële middelen die aan deze agentschappen worden toebedeeld in geval van verhindering van de controle, het niet opmaken of het niet ter beschikking stellen van voorgeschreven documenten of onjuiste besteding van de ontvangsten.) <W 2002-03-05/32, art. 4, 020; Inwerkingtreding : 13-03-2002>
  (§ 7. Voor de toepassing van dit artikel worden de begrippen "werknemer" en "gebruiker" begrepen in de betekenis die daaraan wordt verleend in artikel 2 van de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst.) <W 1999-04-07/32, art. 28, 6°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  (§ 8. De Koning kan bepalen dat de werknemer recht heeft op een tegemoetkoming in zijn verplaatsingskosten en ten laste van wie deze verplichting geldt. Hij kan tevens de nadere regelen vastleggen met betrekking tot het minimum en maximum bedrag van deze tegemoetkoming en de voorwaarden waaronder deze tegemoetkoming wordt toegekend.) <W 2002-03-05/32, art. 4, 020; Inwerkingtreding : 13-03-2002>
  (§ 9. Bij elk PWA wordt een overlegcomité opgericht. Dit comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van het PWA en vertegenwoordigers van de werknemers die verbonden zijn door een PWA-arbeidsovereenkomst.
  Het overlegcomité is bevoegd om inlichtingen te ontvangen en adviezen te geven omtrent de arbeidsvoorwaarden en het welzijn op het werk van de PWA-werknemers.
  De Koning kan deze opdrachten nader omschrijven en andere, meer specifieke opdrachten aan het comité toevertrouwen.
  Hij bepaalt de samenstelling van dit comité, de wijze van aanduiding of verkiezing van zijn leden en de nadere regelen inzake zijn werking.) <W 2002-03-05/32, art. 4, 020; Inwerkingtreding : 13-03-2002>
  § 10. (De PWA's zijn, voor hun werknemers onder PWA-overeenkomst, vrijgesteld van het oprichten van een ondernemingsraad, bedoeld in artikel 14 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en van een Comité voor Preventie en Bescherming op het werk, bedoeld in artikel 48 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.) <W 2007-11-08/35, art. 3, 040; Inwerkingtreding : 28-11-2007>
  (§ 11. In afwijking van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, mogen de personeelsleden die door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening door middel van een arbeidsovereenkomst zijn in dienst genomen, ter beschikking gesteld worden van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap met het oog op de administratieve organisatie van de activiteiten van het agentschap.
  Gedurende de periode waarin het personeelslid bij hem werkt, staat het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap in voor de toepassing van de wetgeving inzake de reglementering en de bescherming van de arbeid, welke gelden op de plaats van het werk, overeenkomstig artikel 19, eerste en tweede lid, van hogervermelde wet van 24 juli 1987.) <W 2003-04-08/33, art. 67, 025; Inwerkingtreding : 27-04-2003>
  

  ----------
  (1)<DWG 2016-04-28/08, art. 2, 055; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 8_VLAAMS_GEWEST.[1 <ingevoegd bij W 1994-03-30/31, art. 73, 006; Inwerkingtreding : 01-06-1994>
  § 1. [3 ...]3
  § 2. [3 ...]3
  § 3. [3 ...]3
  § 4. [3 ...]3
  De werknemer wordt voor de activiteiten die hij verricht in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap aangeworven met een PWA-arbeidsovereenkomst die wordt gesloten met dit agentschap.
  De werknemer die activiteiten bedoeld in het eerste lid heeft verricht, ontvangt een loon voor de activiteitsuren dat betaald wordt onder de vorm van PWA-cheques. Hij ontvangt eveneens een PWA-inkomensgarantie-uitkering waarvan de berekeningswijze door de Koning wordt bepaald.) <W 1999-04-07/32, art. 28, 3°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 5. [3 ...]3
  § 6. [3 ...]3
  (§ 7. Voor de toepassing van dit artikel worden de begrippen "werknemer" en "gebruiker" begrepen in de betekenis die daaraan wordt verleend in artikel 2 van de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst.) <W 1999-04-07/32, art. 28, 6°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  (§ 8. [3 ...]3
  (§ 9. [3 ...]3
  § 10. (De PWA's zijn, voor hun werknemers onder PWA-overeenkomst, vrijgesteld van het oprichten van een ondernemingsraad, bedoeld in artikel 14 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en van een Comité voor Preventie en Bescherming op het werk, bedoeld in artikel 48 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.) <W 2007-11-08/35, art. 3, 040; Inwerkingtreding : 28-11-2007>
  (§ 11. [3 ...]3
  [1 § 12. Het toezicht en de controle op de uitvoering van dit artikel [2 , met uitzondering van de bepalingen van paragraaf 4, derde lid, en paragraaf 10,]2 en de uitvoeringsbesluiten ervan verlopen conform het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.
   § 13. De rechtsvorderingen die ontstaan uit de toepassing van dit artikel en de uitvoeringsbesluiten ervan, verjaren na verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan.]1

  ----------
  (1)<DVR 2015-04-24/05, art. 2, 054; Inwerkingtreding : 1-05-2015>
  (2)<DVR 2016-12-23/67, art. 2, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (3)<DVR 2017-07-07/30, art. 47, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 8bis. <ingevoegd bij W 2002-08-02/45, art. 98; Inwerkingtreding : 29-08-2002> Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap is eveneens bevoegd om buurtwerken of -diensten te leveren overeenkomstig de bepalingen en onder de voorwaarden van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen.

  Art. 8bis_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DVR 2017-07-07/30, art. 48, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 8ter. [1 De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening kan het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap belasten met de opdracht om, onder zijn gezag en volgens de voorwaarden en nadere regels die door de Koning worden bepaald, het actief zoeken naar werk van uitkeringsgerechtigd werklozen en van werklozen die ingeschreven zijn als werkzoekende schoolverlater met het oog op het bekomen van een inschakelingsuitkering, te evalueren.
   De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening kan personeelsleden die door hem, met toepassing van artikel 8, § 11, ter beschikking worden gesteld van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, eveneens belasten met de opdracht om, onder zijn gezag en volgens de regels die door de Koning worden bepaald, het actief zoeken naar werk van uitkeringsgerechtigd werklozen en van werklozen die ingeschreven zijn als werkzoekende schoolverlater met het oog op het verkrijgen van een inschakelingsuitkering, te evalueren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-03-29/01, art. 80, 050; Inwerkingtreding : 09-04-2012>

  Art. 8ter_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DVR 2017-07-07/30, art. 49, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 8ter_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij DDG 2017-01-23/02, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 8ter_WAALS_GEWEST.
   [1 [2 " L'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi "]2 kan het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap belasten met de opdracht om, onder zijn gezag en volgens de voorwaarden en nadere regels die door de Koning worden bepaald, het actief zoeken naar werk van uitkeringsgerechtigd werklozen en van werklozen die ingeschreven zijn als werkzoekende schoolverlater met het oog op het bekomen van een inschakelingsuitkering, te evalueren.
   [2 " L'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi "]2 kan personeelsleden die door hem, met toepassing van artikel 8, § 11, ter beschikking worden gesteld van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, eveneens belasten met de opdracht om, onder zijn gezag en volgens de regels die door de Koning worden bepaald, het actief zoeken naar werk van uitkeringsgerechtigd werklozen en van werklozen die ingeschreven zijn als werkzoekende schoolverlater met het oog op het verkrijgen van een inschakelingsuitkering, te evalueren.]1
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-03-29/01, art. 80, 050; Inwerkingtreding : 09-04-2012>
  (2)<DWG 2016-04-28/08, art. 3, 055; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 8quater_WAALS_GEWEST.
  [1 De controle en het toezicht op de naleving van de artikelen 8 en 9 en van de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen, met uitzondering van de bepalingen van paragraaf 4, tweede en derde lid, de paragrafen 7 en 10 van artikel 8, worden uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 5 februari 1998 houdende toezicht en controle op de naleving van de wetgeving betreffende het tewerkstellingsbeleid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2016-04-28/08, art. 4, 055; Inwerkingtreding : 21-05-2016>

  Art. 8quater_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.[1 De door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aangewezen ambtenaren controleren de uitvoering van de artikelen 8 tot en met 9 en de uitvoeringsmaatregelen daarvan, met uitzondering van de bepalingen van § 4, tweede en derde lid, § 7 en § 10 van artikel 8, en houden toezicht op de naleving ervan.
   Deze ambtenaren oefenen die controle of dit toezicht uit in overeenstemming met de bepalingen van de ordonnantie van 30 april 2009 betreffende het toezicht op de reglementeringen inzake werkgelegenheid die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren en de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze reglementeringen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2015-07-09/17, art. 18; Inwerkingtreding : 01-08-2016 (ARR 2016-06-09/15, art. 42, 1°)>

  Art. 9. <ingevoegd bij W 1994-03-30/31, art. 73, 006; Inwerkingtreding : 10-04-1994> De plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen opgericht overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 2, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, blijven de opdrachten bepaald in artikel 8 uitoefenen tot hun vervanging door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap opgericht overeenkomstig ditzelfde artikel 8. Deze vervanging moet ten laatste geschieden op de datum die door de Koning bepaald zal worden.

  Art. 9_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij DDG 2017-01-23/02, art. 3, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 10. <ingevoegd bij W 1994-03-30/31, art. 73, 006; Inwerkingtreding : 10-04-1994> De Koning bepaalt de datum waarop artikel 8 in werking treedt.
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 7, § 11, vierde lid, vastgesteld op 01-12-2003 door KB 2003-11-14/39, art. 4)

  Art. 11. (opgeheven) <W 27-06-1969, art. 50, 1°>

  Art. 12. (opgeheven) <W 27-06-1969, art. 50, 1°>

  Art. 13. (opgeheven) <W 27-06-1969, art. 50, 1°>

  Art. 14. (opgeheven) <W 27-06-1969, art. 50, 1°>

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Gelet op art. 5 der wet van 14 december 1944 tot aanvulling van die van 7 september 1939, waarbij aan den Koning buitengewone machten worden toegekend;
   .....;
   Op de voordracht van den Minister van Arbeid en Sociale voorzorg en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers;
Erratum Tekst Begin

originele versie
1944122855
PUBLICATIE :
1945-01-25
bladzijde : 0

ERRATUM



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 28-02-2019 GEPUBL. OP 03-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8quater)
  • originele versie
  • WET VAN 14-12-2018 GEPUBL. OP 21-12-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 22-12-2017 GEPUBL. OP 09-02-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 7) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 07-07-2017 GEPUBL. OP 09-08-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 8; 8bis: 8ter)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 02-02-2017 GEPUBL. OP 16-03-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • DECREET DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 23-01-2017 GEPUBL. OP 15-02-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 8; 8ter; 9)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 23-12-2016 GEPUBL. OP 09-02-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 08-07-2016 GEPUBL. OP 22-08-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 20-07-2016 GEPUBL. OP 02-08-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • DECREET DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 25-04-2016 GEPUBL. OP 14-06-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8; 8ter; 9)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 28-04-2016 GEPUBL. OP 11-05-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8; 8ter; 8quater)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 04-03-2016 GEPUBL. OP 04-04-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 09-07-2015 GEPUBL. OP 02-09-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8quater)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 24-04-2015 GEPUBL. OP 07-05-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • originele versie
  • WET VAN 23-04-2015 GEPUBL. OP 27-04-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 06-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 26-12-2013 GEPUBL. OP 31-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 29-03-2012 GEPUBL. OP 30-03-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 8ter)
  • originele versie
  • WET VAN 01-02-2011 GEPUBL. OP 07-02-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 06-06-2010 GEPUBL. OP 01-07-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 30-12-2009 GEPUBL. OP 31-12-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 23-12-2009 GEPUBL. OP 30-12-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 7) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • DECREET DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 11-05-2009 GEPUBL. OP 13-07-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 19-06-2009 GEPUBL. OP 25-06-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • DECREET DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 27-04-2009 GEPUBL. OP 15-06-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8)
  • originele versie
  • WET VAN 24-07-2008 GEPUBL. OP 07-08-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 08-11-2007 GEPUBL. OP 28-11-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • originele versie
  • WET VAN 17-09-2005 GEPUBL. OP 25-07-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 27-04-2007 GEPUBL. OP 08-05-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • DECREET DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 18-12-2006 GEPUBL. OP 12-03-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 7) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 20-07-2006 GEPUBL. OP 28-07-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2005 GEPUBL. OP 30-12-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2005 GEPUBL. OP 30-12-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 23-12-2005 GEPUBL. OP 30-12-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2004 GEPUBL. OP 31-12-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 09-07-2004 GEPUBL. OP 15-07-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-2003 GEPUBL. OP 31-12-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8)
  • originele versie
  • WET VAN 08-04-2003 GEPUBL. OP 17-04-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 13-03-2003 GEPUBL. OP 31-03-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 7) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 24-12-2002 GEPUBL. OP 31-12-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 24-12-2002 GEPUBL. OP 31-12-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 02-08-2002 GEPUBL. OP 29-08-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 8BIS; 7)
  • originele versie
  • WET VAN 05-03-2002 GEPUBL. OP 13-03-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • originele versie
  • WET VAN 30-12-2001 GEPUBL. OP 31-12-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 10-08-2001 GEPUBL. OP 15-09-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 19-07-2001 GEPUBL. OP 28-07-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 22-05-2001 GEPUBL. OP 21-06-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 4; 7)
  • originele versie
  • WET VAN 02-01-2001 GEPUBL. OP 03-01-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • originele versie
  • WET VAN 12-08-2000 GEPUBL. OP 31-08-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 07-04-1999 GEPUBL. OP 20-04-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-1998 GEPUBL. OP 10-04-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 26-03-1999 GEPUBL. OP 01-04-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 3; 4)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-03-1999 GEPUBL. OP 31-03-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • WET VAN 13-02-1998 GEPUBL. OP 19-02-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8)
  • originele versie
  • WET VAN 13-02-1998 GEPUBL. OP 19-02-1998
    (GEWIJZIGD ART. : 7) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 13-03-1997 GEPUBL. OP 10-06-1997
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-11-1996 GEPUBL. OP 31-12-1996
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-05-1994 GEPUBL. OP 01-06-1994
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • WET VAN 30-03-1994 GEPUBL. OP 31-03-1994
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8; 9; 10)
  • WET VAN 26-06-1992 GEPUBL. OP 30-06-1992
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-03-1989 GEPUBL. OP 30-03-1989
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 4)
  • WET VAN 30-12-1988 GEPUBL. OP 05-01-1989
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • WET VAN 22-01-1985 GEPUBL. OP 24-01-1985
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-03-1982 GEPUBL. OP 26-03-1982

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 699 uitvoeringbesluiten 65 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie