J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 16 uitvoeringbesluiten 6 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2002/08/22/2002022737/justel

Titel
22 AUGUSTUS 2002. - Wet betreffende de rechten van de patiŽnt.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-09-2002 en tekstbijwerking tot 16-11-2018) Zie wijziging(en)

Bron : SOCIALE ZAKEN.VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU
Publicatie : 26-09-2002 nummer :   2002022737 bladzijde : 43719   BEELD
Dossiernummer : 2002-08-22/45
Inwerkingtreding : 06-10-2002

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
Art. 1
HOOFDSTUK II. - Definities en toepassingsgebied.
Art. 2-4
HOOFDSTUK III. - Rechten van de patiŽnt.
Art. 5-8, 8/1, 8/2, 9-11, 11bis
HOOFDSTUK IV. - Vertegenwoordiging van de patiŽnt.
Art. 12-15
HOOFDSTUK V. - Federale commissie " Rechten van de patiŽnt ".
Art. 16
HOOFDSTUK VI. - Wijzigende en slotbepalingen.
Art. 17-19

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK II. - Definities en toepassingsgebied.

  Art. 2.Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder :
  1į patiŽnt : de natuurlijke persoon aan wie gezondheidszorg wordt verstrekt, al dan niet op eigen verzoek;
  2į gezondheidszorg : diensten verstrekt door een beroepsbeoefenaar met het oog op het bevorderen, vaststellen, behouden, herstellen of verbeteren van de gezondheidstoestand van een patiŽnt [1 , om het uiterlijk van een patiŽnt om voornamelijk esthetische redenen te veranderen of om de patiŽnt bij het sterven te begeleiden]1;
  3į beroepsbeoefenaar : de beoefenaar bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen alsmede de beroepsbeoefenaar van een niet-conventionele praktijk bedoeld in de wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen.
  ----------
  (1)<W 2013-05-23/21, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 12-07-2013>

  Art. 3. ß 1. Deze wet is van toepassing op (contractuele en buitencontractuele) privaatrechtelijke en publiekrechtelijke rechtsverhoudingen inzake gezondheidszorg verstrekt door een beroepsbeoefenaar aan een patiŽnt. <W 2006-12-13/35, art. 61, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  ß 2. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de in artikel 16 bedoelde commissie kan de Koning nadere regels bepalen inzake de toepassing van de wet op door Hem te omschrijven in ß 1 bedoelde rechtsverhoudingen, teneinde rekening te houden met de nood aan specifieke bescherming.

  Art. 4. In de mate waarin de patiŽnt hieraan zijn medewerking verleent, leeft de beroepsbeoefenaar de bepalingen van deze wet na binnen de perken van de hem door of krachtens de wet toegewezen bevoegdheden. In het belang van de patiŽnt pleegt hij desgevallend multidisciplinair overleg.

  HOOFDSTUK III. - Rechten van de patiŽnt.

  Art. 5. De patiŽnt heeft, met eerbiediging van zijn menselijke waardigheid en zijn zelfbeschikking en zonder enig onderscheid op welke grond ook, tegenover de beroepsbeoefenaar recht op kwaliteitsvolle dienstverstrekking die beantwoordt aan zijn behoeften.

  Art. 6. De patiŽnt heeft recht op vrije keuze van de beroepsbeoefenaar en recht op wijziging van deze keuze behoudens, in beide gevallen, beperkingen opgelegd krachtens de wet.

  Art. 7. ß 1. De patiŽnt heeft tegenover de beroepsbeoefenaar recht op alle hem betreffende informatie die nodig is om inzicht te krijgen in zijn gezondheidstoestand en de vermoedelijke evolutie ervan.
  ß 2. De communicatie met de patiŽnt geschiedt in een duidelijke taal.
  De patiŽnt kan erom verzoeken dat de informatie hem schriftelijk wordt bevestigd.
  (De patiŽnt heeft het recht zich te laten bijstaan door een vertrouwenspersoon of het recht op de in ß 1 bedoelde informatie uit te oefenen via deze persoon. De beroepsbeoefenaar noteert in voorkomend geval in het patiŽntendossier dat de informatie, met akkoord van de patiŽnt, werd meegedeeld aan de vertrouwenspersoon of aan de patiŽnt in aanwezigheid van de vertrouwenspersoon evenals de identiteit van laatstgenoemde. De patiŽnt kan bovendien uitdrukkelijk verzoeken dat voormelde gegevens in het patiŽntendossier worden opgenomen.) <W 2006-12-13/35, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  ß 3. De informatie wordt niet aan de patiŽnt verstrekt indien deze hierom uitdrukkelijk verzoekt tenzij het niet meedelen ervan klaarblijkelijk ernstig nadeel voor de gezondheid van de patiŽnt of derden oplevert en mits de beroepsbeoefenaar hierover voorafgaandelijk een andere beroepsbeoefenaar heeft geraadpleegd en de desgevallend aangewezen vertrouwenspersoon, bedoeld in ß 2, derde lid, heeft gehoord.
  Het verzoek van de patiŽnt wordt opgetekend in of toegevoegd aan het patiŽntendossier.
  ß 4. De beroepsbeoefenaar mag de in ß 1 bedoelde informatie uitzonderlijk onthouden aan de patiŽnt, voorzover het meedelen ervan klaarblijkelijk ernstig nadeel voor de gezondheid van de patiŽnt zou meebrengen en mits de beroepsbeoefenaar hierover een andere beroepsbeoefenaar heeft geraadpleegd.
  In dergelijk geval voegt de beroepsbeoefenaar een schriftelijke motivering toe aan het patiŽntendossier en licht hij de desgevallend aangewezen vertrouwenspersoon bedoeld in ß 2, derde lid, in.
  Zodra het meedelen van de informatie niet langer het in het eerste lid bedoelde nadeel oplevert, moet de beroepsbeoefenaar de informatie alsnog meedelen.

  Art. 8. ß 1. De patiŽnt heeft het recht om geÔnformeerd, voorafgaandelijk en vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar.
  Deze toestemming wordt uitdrukkelijk gegeven behalve wanneer de beroepsbeoefenaar, na de patiŽnt voldoende te hebben geÔnformeerd, uit de gedragingen van de patiŽnt redelijkerwijze diens toestemming kan afleiden.
  Op verzoek van de patiŽnt of van de beroepsbeoefenaar en met de instemming van de beroepsbeoefenaar of van de patiŽnt, wordt de toestemming schriftelijk vastgelegd en toegevoegd aan het patiŽntendossier.
  ß 2. De inlichtingen die aan de patiŽnt verstrekt worden, met het oog op het verlenen van diens toestemming bedoeld in ß 1, hebben betrekking op het doel, de aard, de graad van urgentie, de duur, de frequentie, de voor de patiŽnt relevante tegenaanwijzingen, nevenwerkingen en risico's verbonden aan de tussenkomst, de nazorg, de mogelijke alternatieven en de financiŽle gevolgen. Ze betreffen bovendien de mogelijke gevolgen ingeval van weigering of intrekking van de toestemming, en andere door de patiŽnt of de beroepsbeoefenaar relevant geachte verduidelijkingen, desgevallend met inbegrip van de wettelijke bepalingen die met betrekking tot een tussenkomst dienen te worden nageleefd.
  ß 3. De in ß 1 bedoelde informatie wordt voorafgaandelijk en tijdig verstrekt en onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten voorzien in ß 2 en ß 3 van artikel 7.
  ß 4. De patiŽnt heeft het recht om de in ß 1 bedoelde toestemming voor een tussenkomst te weigeren of in te trekken.
  Op verzoek van de patiŽnt of de beroepsbeoefenaar wordt de weigering of intrekking van de toestemming schriftelijk vastgelegd en toegevoegd aan het patiŽntendossier.
  De weigering of intrekking van de toestemming heeft niet tot gevolg dat het in artikel 5 bedoelde recht op kwaliteitsvolle dienstverstrekking jegens de beroepsbeoefenaar ophoudt te bestaan.
  Indien de patiŽnt toen hij nog in staat was de rechten zoals vastgelegd in deze wet uit te oefenen, schriftelijk te kennen heeft gegeven zijn toestemming tot een welomschreven tussenkomst van de beroepsbeoefenaar te weigeren, dient deze weigering te worden geŽerbiedigd zolang de patiŽnt ze niet herroept op een moment dat hij in staat is om zijn rechten zelf uit te oefenen.
  ß 5. Wanneer in een spoedgeval geen duidelijkheid aanwezig is omtrent de al dan niet voorafgaande wilsuitdrukking van de patiŽnt of zijn vertegenwoordiger zoals bedoeld in hoofdstuk IV, gebeurt iedere noodzakelijke tussenkomst van de beroepsbeoefenaar onmiddellijk in het belang van de gezondheid van de patiŽnt. De beroepsbeoefenaar maakt hiervan melding in het in artikel 9 bedoelde patiŽntendossier en handelt van zodra dit mogelijk is overeenkomstig de bepalingen van de voorgaande paragrafen.

  Art. 8/1. [1 De beroepsbeoefenaar informeert de patiŽnt of hij al dan niet beschikt over een verzekeringsdekking of een andere individuele of collectieve vorm van bescherming met betrekking tot de beroepsaansprakelijkheid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/23, art. 174, 005; Inwerkingtreding : 10-05-2014>

  Art. 8/2. [1 De beroepsbeoefenaar informeert de patiŽnt omtrent zijn vergunnings- of registratiestatus.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/23, art. 175, 005; Inwerkingtreding : 10-05-2014>

  Art. 9.ß 1. De patiŽnt heeft ten opzichte van de beroepsbeoefenaar recht op een zorgvuldig bijgehouden en veilig bewaard patiŽntendossier.
  Op verzoek van de patiŽnt voegt de beroepsbeoefenaar door de patiŽnt verstrekte documenten toe aan het hem betreffende patiŽntendossier.
  ß 2. De patiŽnt heeft recht op inzage in het hem betreffend patiŽntendossier.
  Aan het verzoek van de patiŽnt tot inzage in het hem betreffend patiŽntendossier wordt onverwijld en ten laatste binnen 15 dagen na ontvangst ervan gevolg gegeven.
  De persoonlijke notities van een beroepsbeoefenaar en gegevens die betrekking hebben op derden zijn van het recht op inzage uitgesloten.
  Op zijn verzoek kan de patiŽnt zich laten bijstaan door of zijn inzagerecht uitoefenen via een door hem aangewezen vertrouwenspersoon. Indien deze laatste een beroepsbeoefenaar is, heeft hij ook inzage in de in het derde lid bedoelde persoonlijke notities. (In dit geval is het verzoek van de patiŽnt schriftelijk geformuleerd en worden het verzoek en de identiteit van de vertrouwenspersoon opgetekend in of toegevoegd aan het patiŽntendossier.) <W 2006-12-13/35, art. 63, 1į, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Indien het patiŽntendossier een schriftelijke motivering bevat zoals bedoeld in artikel 7, ß 4, tweede lid, die nog steeds van toepassing is, oefent de patiŽnt zijn inzagerecht uit via een door hem aangewezen beroepsbeoefenaar, die ook inzage heeft in de in het derde lid, bedoelde persoonlijke notities.
  [1 De situatie bedoeld in het vorige lid waarbij de patiŽnt het recht op inzage in zijn patiŽntendossier enkel kan uitoefenen via een door hem aangewezen beroepsbeoefenaar wanneer het patiŽntendossier een schriftelijke motivering bevat zoals omschreven in artikel 7, ß 4, tweede lid, die nog steeds van toepassing is, is in overeenstemming met artikel 23 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).]1
  ß 3. De patiŽnt heeft recht op afschrift van het geheel of een gedeelte van het hem betreffend patiŽntendossier (...), overeenkomstig de in ß 2 bepaalde regels. Ieder afschrift vermeldt dat het strikt persoonlijk en vertrouwelijk is. (De Koning kan het maximumbedrag vaststellen dat aan de patiŽnt mag worden gevraagd per gekopieerde pagina die in toepassing van voornoemd recht op afschrift wordt verstrekt of andere dragers van informatie.) <W 2006-12-13/35, art. 63, 2į, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  De beroepsbeoefenaar weigert dit afschrift indien hij over duidelijke aanwijzingen beschikt dat de patiŽnt onder druk wordt gezet om een afschrift van zijn dossier aan derden mee te delen.
  ß 4. Na het overlijden van de patiŽnt hebben de echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, de partner en de bloedverwanten tot en met de tweede graad van de patiŽnt, via een door de verzoeker aangewezen beroepsbeoefenaar, het in ß 2 bedoelde recht op inzage voorzover hun verzoek voldoende gemotiveerd en gespecifieerd is en de patiŽnt zich hiertegen niet uitdrukkelijk heeft verzet. De aangewezen beroepsbeoefenaar heeft ook inzage in de in ß 2, derde lid, bedoelde persoonlijke notities.
  ----------
  (1)<W 2018-10-30/06, art. 69, 007; Inwerkingtreding : 26-11-2018>

  Art. 10. ß 1. De patiŽnt heeft recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer bij iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar en inzonderheid betreffende de informatie die verband houdt met zijn gezondheid.
  De patiŽnt heeft recht op respect voor zijn intimiteit. Behoudens akkoord van de patiŽnt, kunnen enkel de personen waarvan de aanwezigheid is verantwoord in het kader van de dienstverstrekking van de beroepsbeoefenaar, aanwezig zijn bij de zorg, de onderzoeken en de behandelingen.
  ß 2. Geen inmenging is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover het bij wet is voorzien en nodig is voor de bescherming van de volksgezondheid of voor de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen.

  Art. 11. ß 1. De patiŽnt heeft het recht een klacht in verband met de uitoefening van zijn rechten toegekend door deze wet neer te leggen bij de bevoegde ombudsfunctie.
  ß 2. De ombudsfunctie heeft volgende opdrachten :
  1į het voorkomen van vragen en klachten door de communicatie tussen de patiŽnt en de beroepsbeoefenaar te bevorderen;
  2į het bemiddelen bij de in ß 1 bedoelde klachten met het oog op het bereiken van een oplossing;
  3į het inlichten van de patiŽnt inzake de mogelijkheden voor de afhandeling van zijn klacht bij gebrek aan het bereiken van een in 2į bedoelde oplossing;
  4į het verstrekken van informatie over de organisatie, de werking en de procedureregels van de ombudsfunctie;
  5į het formuleren van aanbevelingen ter voorkoming van herhaling van tekortkomingen die aanleiding kunnen geven tot een in ß 1 bedoelde klacht.
  ß 3. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad regelt de Koning de voorwaarden waaraan de ombudsfunctie dient te voldoen wat betreft de onafhankelijkheid, het beroepsgeheim, de deskundigheid, de juridische bescherming, de organisatie, de werking, de financiering, de procedureregeling en de gebiedsomschrijving.

  Art. 11bis. <ingevoegd bij L 2004-11-24/42, art. 2 ; Inwerkingtreding : 27-10-2005> Elkeen behoort van de beroepsbeoefenaars in de zorgsector de meest aangepaste zorg te krijgen om de pijn te voorkomen, er aandacht voor te hebben, te evalueren, in aanmerking te nemen, te behandelen en te verzachten.

  HOOFDSTUK IV. - Vertegenwoordiging van de patiŽnt.

  Art. 12. ß 1. Bij een patiŽnt die minderjarig is, worden de rechten zoals vastgesteld door deze wet uitgeoefend door de ouders die het gezag over de minderjarige uitoefenen of door zijn voogd.
  ß 2. De patiŽnt wordt betrokken bij de uitoefening van zijn rechten rekening houdend met zijn leeftijd en maturiteit. De in deze wet opgesomde rechten kunnen door de minderjarige patiŽnt die tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat kan worden geacht, zelfstandig worden uitgeoefend.

  Art. 13.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 214, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 14.[1 ß 1. De in deze wet vervatte rechten van een meerderjarige persoon [2 ...]2 worden door de persoon zelf uitgeoefend voor zover hij hiertoe wilsbekwaam is.
   Deze rechten worden evenwel uitgeoefend door een persoon die de patiŽnt vooraf heeft aangewezen om in zijn plaats op te treden, voor zover en zolang hij niet in staat is om zijn rechten zelf uit te oefenen.
   De aanwijzing van de in het tweede lid bedoelde persoon geschiedt bij een gedagtekend en door de patiŽnt en deze persoon ondertekend bijzonder schriftelijk mandaat waaruit de toestemming van laatstgenoemde blijkt. Dit mandaat kan door de patiŽnt of door de door hem aangewezen vertegenwoordiger door middel van een gedagtekend en ondertekend geschrift worden herroepen.
   ß 2. Heeft de patiŽnt geen vertegenwoordiger aangewezen of treedt de door de patiŽnt aangewezen vertegenwoordiger niet op, dan worden de rechten bepaald bij deze wet uitgeoefend door de bewindvoerder over de persoon, na machtiging door de vrederechter overeenkomstig artikel 499/7, ß 1, van het Burgerlijk Wetboek, voor zover en zolang de beschermde persoon niet in staat is om zijn rechten zelf uit te oefenen.
   ß 3. Is er geen bewindvoerder die bevoegd is om de patiŽnt krachtens ß 2 te vertegenwoordigen, dan worden de rechten bepaald bij deze wet uitgeoefend door de samenwonende echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner of de feitelijk samenwonende partner.
   Indien de persoon die krachtens het eerste lid kan optreden dat niet wenst te doen of ontbreekt, worden de rechten in opeenvolgende volgorde uitgeoefend door een meerderjarig kind, een ouder, een meerderjarige broer of zus van de patiŽnt.
   Indien ook de persoon die krachtens het tweede lid kan optreden dat niet wenst te doen of ontbreekt, behartigt de betrokken beroepsbeoefenaar, in voorkomend geval in multidisciplinair overleg, de belangen van de patiŽnt. Dit is eveneens het geval bij conflict tussen twee of meer personen die krachtens ß 2 of krachtens het eerste en het tweede lid kunnen optreden.
   ß 4. De patiŽnt wordt zoveel mogelijk en in verhouding tot zijn begripsvermogen betrokken bij de uitoefening van zijn rechten.
   ß 5. Het in artikel 11 bedoelde klachtrecht kan in afwijking van ßß 1, 2 en 3 worden uitgeoefend door de in voornoemde paragrafen bedoelde personen die door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad zijn aangewezen zonder dat de voorziene volgorde in acht moet worden genomen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 215, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 214, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 15.ß 1. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de patiŽnt zoals bedoeld in artikel 10, kan de betrokken beroepsbeoefenaar het verzoek van de in artikel 12 [1 ...]1 en 14 bedoelde persoon om inzage of afschrift zoals bedoeld in artikel 9, ß 2, of ß 3, geheel of gedeeltelijk weigeren. In dergelijk geval wordt het recht op inzage of afschrift uitgeoefend door een door de vertegenwoordiger aangewezen beroepsbeoefenaar.
  ß 2. In het belang van de patiŽnt en teneinde een bedreiging van diens leven of een ernstige aantasting van diens gezondheid af te wenden, wijkt de betrokken beroepsbeoefenaar, in voorkomend geval in multidisciplinair overleg, af van de beslissing genomen door de in artikel 12, [1 14, ß 2 of 3]1 bedoelde persoon. Indien de beslissing genomen werd door een in artikel 14, ß 1, bedoelde persoon, wijkt de beroepsbeoefenaar hiervan slechts af voor zover die persoon zich niet kan beroepen op de uitdrukkelijke wil van de patiŽnt.
  ß 3. In de gevallen van ß 1, en ß 2, voegt de beroepsbeoefenaar een schriftelijke motivering toe aan het patiŽntendossier.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 216, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  HOOFDSTUK V. - Federale commissie " Rechten van de patiŽnt ".

  Art. 16.ß 1. Bij het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu wordt een Federale commissie " Rechten van de patiŽnt " opgericht.
  ß 2. Bedoelde commissie heeft tot taak :
  1į verzamelen en verwerken van nationale en internationale informatie met betrekking tot patiŽntenrechtelijke aangelegenheden;
  2į op verzoek of op eigen initiatief adviseren van de minister bevoegd voor de Volksgezondheid met betrekking tot rechten en plichten van patiŽnten en beroepsbeoefenaars;
  3į evalueren van de toepassing van de rechten bepaald in deze wet;
  4į evalueren van de werking van de ombudsfuncties [1 en terzake aanbevelingen formuleren]1;
  5į [1 ...]1.
  ß 3. Bij de commissie wordt een ombudsdienst opgericht. Deze is bevoegd om een klacht van een patiŽnt in verband met de uitoefening van zijn rechten toegekend door deze wet, door te verwijzen naar de bevoegde ombudsfunctie of bij ontstentenis hiervan, deze zelf te behandelen, zoals bedoeld in artikel 11, ß 2, 2į, en 3į.
  ß 4. De Koning bepaalt nadere regelen inzake de samenstelling en de werking van de Federale commissie " Rechten van de patiŽnt ". In de samenstelling wordt een evenwichtige verhouding gewaarborgd tussen vertegenwoordigers van de patiŽnten, van de beroepsbeoefenaars, de ziekenhuizen en verzekeringsinstellingen zoals bedoeld in artikel 2, i, van de gecoŲrdineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Als leden met raadgevende stem kunnen eveneens ambtenaren van betrokken ministeriŽle departementen of overheidsdiensten worden voorzien.
  ß 5. Het secretariaat van de commissie wordt waargenomen door de ambtenaar-generaal aangeduid door de minister bevoegd voor de Volksgezondheid.
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/23, art. 176, 005; Inwerkingtreding : 10-05-2014>

  HOOFDSTUK VI. - Wijzigende en slotbepalingen.

  Art. 17. In de wet op de ziekenhuizen, gecoŲrdineerd op 7 augustus 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1į In titel 1 wordt een hoofdstuk V (nieuw) ingevoegd, luidend als volgt :
  " HOOFDSTUK V. - Naleving van de rechten van de patiŽnt. ";
  2į Er wordt een artikel 17novies ingevoegd, luidend als volgt :
  Art. 17novies. Ieder ziekenhuis leeft, binnen zijn wettelijke mogelijkheden, de bepalingen na van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiŽnt wat betreft de medische, verpleegkundige en andere gezondheidszorgberoepsmatige aspecten in zijn rechtsverhoudingen jegens de patiŽnt. Bovendien waakt ieder ziekenhuis erover dat ook de beroepsbeoefenaars die er niet op basis van een arbeidsovereenkomst of een statutaire benoeming werkzaam zijn, de rechten van de patiŽnt eerbiedigen.
  Ieder ziekenhuis waakt erover dat alle klachten in verband met de naleving van het vorig lid, kunnen worden neergelegd bij de in artikel 70quater bedoelde ombudsfunctie om er te worden behandeld.
  Op zijn verzoek heeft de patiŽnt het recht om uitdrukkelijk en voorafgaandelijk informatie inzake de in het eerste lid bedoelde rechtsverhoudingen te ontvangen die door de Koning wordt bepaald na advies van de in artikel 16 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiŽnt bedoelde commissie.
  Het ziekenhuis is aansprakelijk voor de tekortkomingen, begaan door de er werkzame beroepsbeoefenaars, in verband met de eerbiediging van de in deze wet bepaalde rechten van de patiŽnt, met uitzondering van de tekortkomingen begaan door beroepsbeoefenaars ten aanzien van wie in de in het vorige lid bedoelde informatie uitdrukkelijk anders is bepaald. ";
  3į Er wordt een artikel 70quater ingevoegd, luidend als volgt :
  " Art. 70quater. Om te worden erkend moet ieder ziekenhuis beschikken over een ombudsfunctie zoals bedoeld in artikel 11, ß 1, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiŽnt met dien verstande dat de Koning de voorwaarden kan omschrijven waaronder bedoelde ombudsfunctie via een samenwerkingsakkoord tussen ziekenhuizen mag worden uitgeoefend. "

  Art. 18. ß 1. Het eerste lid van artikel 10, ß 2, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, zoals gewijzigd door de wet van 11 december 1998 wordt als volgt gewijzigd :
  " Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 9, ß 2, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiŽnt, heeft elke persoon het recht om hetzij op rechtstreekse wijze hetzij met behulp van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg kennis te krijgen van de persoonsgegevens die betreffende zijn gezondheid worden verwerkt. "
  ß 2. Het tweede lid van artikel 10, ß 2, van dezelfde wet, wordt als volgt gewijzigd :
  " Onverminderd het bepaalde in artikel 9, ß 2, van voornoemde wet, kan op verzoek van de verantwoordelijke van de verwerking of op verzoek van de betrokkene, de mededeling gebeuren door tussenkomst van een door de betrokkene gekozen beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg. "

  Art. 19. Artikel 95 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 95. - Medische informatie - De door de verzekerde gekozen arts kan de verzekerde die erom verzoekt de geneeskundige verklaringen afleveren die voor het sluiten of het uitvoeren van de overeenkomst nodig zijn. Deze verklaringen beperken zich tot een beschrijving van de huidige gezondheidstoestand.
  Deze verklaringen mogen uitsluitend aan de adviserend arts van de verzekeraar worden bezorgd. Deze mag de verzekeraar geen informatie geven die niet-pertinent is gezien het risico waarvoor de verklaringen werden opgemaakt of betreffende andere personen dan de verzekerde.
  Het medisch onderzoek, noodzakelijk voor het sluiten en het uitvoeren van de overeenkomst, kan slechts steunen op de voorgeschiedenis van de huidige gezondheidstoestand van de kandidaat-verzekerde en niet op technieken van genetisch onderzoek die dienen om de toekomstige gezondheidstoestand te bepalen.
  Mits de verzekeraar aantoont de voorafgaande toestemming van de verzekerde te bezitten, geeft de arts van de verzekerde aan de adviserend arts van de verzekeraar een verklaring af over de doodsoorzaak.
  Wanneer er geen risico meer bestaat voor de verzekeraar, bezorgt de adviserend arts de geneeskundige verklaringen, op hun verzoek, terug aan de verzekerde of, in geval van overlijden, aan zijn rechthebbenden.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Ch‚teauneuf-de-Grasse, 22 augustus 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu,
Mevr. M. AELVOET
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

BEELD
2002023007
PUBLICATIE :
2002-12-20
bladzijde : 57406

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 21-12-2018 GEPUBL. OP 31-12-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • BEELD
  • WET VAN 30-10-2018 GEPUBL. OP 16-11-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 9)
  • BEELD
  • WET VAN 04-04-2014 GEPUBL. OP 20-05-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • BEELD
  • WET VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 14-05-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • BEELD
  • WET VAN 10-04-2014 GEPUBL. OP 30-04-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 8/1; 8/2; 16)
  • BEELD
  • WET VAN 23-05-2013 GEPUBL. OP 02-07-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • BEELD
  • WET VAN 17-03-2013 GEPUBL. OP 14-06-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 13; 14; 15)
  • BEELD
  • WET VAN 13-12-2006 GEPUBL. OP 22-12-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 7; 9; 14)
  • BEELD
  • WET VAN 24-11-2004 GEPUBL. OP 17-10-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 11BIS)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Stukken van de Kamer van volksvertegenwoordigers : [50-1642/2001/2002] : Nr. 1 : Wetsontwerp. - Nrs. 2 tot 11 : Amendementen. - Nr. 12 : Verslag. - Nr. 013 : Tekst aangenomen door de commissie. - Nr. 14 : Amendement. [- Nr. 15 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering.] Integraal verslag : 15 juli 2002. Stukken van de Senaat : 2-1250-2001-2002 : Nr. 1 : Ontwerp geŽvoceerd door de Senaat. - Nr. 2 : Amendementen. [- Nr 3 : Verslag.] - Nr. 4 : Amendement. - Nr. 6 : Beslissing om niet te amenderen. Handelingen van de Senaat : 19 juli 2002. .

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 16 uitvoeringbesluiten 6 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie