J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 18 uitvoeringbesluiten 8 gearchiveerde versies
Erratum Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
26 SEPTEMBER 1996. - Algemene aannemingsvoorwaarden voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en voor de concessies voor openbare werken.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-10-1996 en tekstbijwerking tot 18-08-2008).

Bron : EERSTE MINISTER
Publicatie : 18-10-1996 nummer :   1996092652 bladzijde : 26880
Dossiernummer : 1996-09-26/46
Inwerkingtreding : onbepaald (ART. (41))

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Afdeling 1. - Leiding van en toezicht op de uitvoering.
Onderafdeling 1. - Leidend ambtenaar.
Art. 1
Onderafdeling 2. - Organisatie en draagwijdte van het toezicht.
Art. 2
Afdeling 2. - Technische specificaties - Plannen, documenten en voorwerpen.
Opsomming en draagwijdte van de plannen, documenten en voorwerpen van de opdracht.
Art. 3
Voorwaarden voor gebruik van de plannen, documenten en voorwerpen van de opdracht.
Art. 4
Afdeling 3. - Regels betreffende de borgtocht.
Onderafdeling 1. - (Borgstelling). <KB 2001-07-04/32, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 10-07-2001>
Art. 5
Onderafdeling 2. - Verzuim van (borgstelling). <KB 2001-07-04/32, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 10-07-2001>
Art. 6
Onderafdeling 3. - Rechten van de aanbestedende overheid op de borgtocht.
Art. 7
Onderafdeling 4. - Door derden gestelde borgtocht.
Art. 8
Onderafdeling 5. - Vrijgave van de borgtocht.
Art. 9
Afdeling 4. - Derden.
Art. 10
Afdeling 5. - Meerdere opdrachten gegund aan dezelfde aannemer.
Art. 11
Afdeling 6. - Keuringen.
Art. 12
Afdeling 7. - Prijsherziening.
Art. 13
Afdeling 8. - Intellectuele rechten.
Art. 14
Afdeling 9. - Betalingen.
Art. 15
Afdeling 10. - Klachten en verzoeken.
Art. 16
Afdeling 11. - Teruggave van boeten wegens laattijdige uitvoering.
Art. 17
Afdeling 12. - Rechtsvorderingen en termijnen.
Art. 18
Afdeling 13. - Einde van de opdracht - Sancties - Beroepsmogelijkheden.
Onderafdeling 1. - Opleveringen en waarborgtermijnen.
Art. 19
Onderafdeling 2. - Middelen van optreden van de aanbestedende overheid.
Art. 20
Onderafdeling 3. - Verbreking.
Art. 21
Onderafdeling 4. - Afspraken.
Art. 22
Onderafdeling 5. - Beroep op het Hoog Comité van Toezicht.
Art. 23
HOOFDSTUK II. - Bijzondere bepalingen.
Afdeling 1. - Opdrachten voor aanneming van werken en concessies voor openbare werken.
Onderafdeling 1. - Prijsbepaling.
Wijze van prijsbepaling.
Art. 24
Elementen die in de prijzen zijn begrepen.
Art. 25
Onderafdeling 2. - Leiding van en toezicht op de werken.
Art. 26
Onderafdeling 3. - Keuring.
Art. 27
Onderafdeling 4. - Verloop van de werken.
Uitvoeringstermijnen.
Art. 28
Incidenten.
Art. 29
Algemene organisatie van de bouwplaats.
Art. 30
Tracé van het werk.
Art. 31
Ter beschikking stellen van gronden of van lokalen.
Art. 32
Afbraakmateriaal.
Art. 33
Voorlopige werken- Grondonderzoek.
Art. 34
Onderafdeling 5. - Personeel van de aanneming.
Arbeidsverdeling.
Art. 35
Lonen en algemene arbeidsvoorwaarden.
Art. 36
Onderafdeling 6. - Dagboek van de werken.
Art. 37
Onderafdeling 7. - Aansprakelijkheid van de aannemer.
Verzekeringen.
Art. 38
Verplichtingen van de aannemer tot de definitieve oplevering
Art. 39
Ingebruikneming van het werk door de aanbestedende overheid.
Art. 40
Draagwijdte van de aansprakelijkheid van de aannemer.
Art. 41
Onderafdeling 8. - Wijzigingen aan de opdracht.
Art. 42
Onderafdeling 9. - Einde van de opdracht.
Opleveringen.
Art. 43
Verrekeningen.
Art. 44
Onderafdeling 10. - Gebrekkige uitvoering.
Bedrog en slecht werk.
Art. 45
Aannemer die in gebreke blijft bij de uitvoering.
Art. 46
Vaststelling van in gebreke blijven.
Art. 47
Middelen van optreden.
Art. 48
Afdeling 2. - Opdrachten voor aanneming van leveringen.
Onderafdeling 1. - Elementen die in de prijzen zijn begrepen.
Art. 49
Onderafdeling 2. - Eigendomsoverdracht.
Art. 50
Onderafdeling 3. - Verloop van de opdracht.
Meerdere opdrachten.
Art. 51
Uitvoeringsmodaliteiten.
Art. 52
Keuring.
Art. 53
Verlenging van de leveringstermijn.
Art. 54
Levering en aansprakelijkheid van de leverancier.
Art. 55
Verpakkingen.
Art. 56
Onderafdeling 4. - Einde van de opdracht.
Wijzen van voorlopige oplevering.
Art. 57
Dubbele voorlopige oplevering.
Art. 58
Aanbieden van de leveringen voor de gedeeltelijke voorlopige oplevering op de plaats van fabricage.
Art. 59
Verzegelingen, verzendingen en afgekeurde materialen.
Art. 60
Volledige voorlopige oplevering op de plaats van levering.
Art. 61
Schifting.
Art. 62
Verplichtingen van de leverancier na de oplevering.
Art. 63
Definitieve oplevering.
Art. 64
Bezwaren in verband met de oplevering.
Art. 65
Onderafdeling 5. - Gebrekkige uitvoering - Middelen van optreden van de aanbestedende overheid.
Art. 66
Afdeling 3. - Opdrachten voor aanneming van diensten.
Onderafdeling 1. - Elementen die in de prijzen zijn begrepen.
Art. 67
Onderafdeling 2. - Briefwisseling met de dienstverlener.
Art. 68
Onderafdeling 3. - Verloop van de opdracht.
Uitvoeringsmodaliteiten.
Art. 69
Plaats van dienstverlening
Art. 70
Keuring.
Art. 71
Aansprakelijkheid van de dienstverlener
Art. 72
Onderafdeling 4. - Onverenigbaarheid.
Art. 73
Onderafdeling 5. - Einde van de opdracht.
Art. 74
Onderafdeling 6. - Gebrekkige uitvoering - Middelen van optreden van de aanbestedende overheid.
Art. 75

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Gemeenschappelijke bepalingen.

  Afdeling 1. - Leiding van en toezicht op de uitvoering.

  Onderafdeling 1. - Leidend ambtenaar.

  Artikel 1. De ambtenaar of ieder persoon die leiding van en toezicht uitoefent op de uitvoering van de opdracht wordt door de aanbestedende overheid aangewezen bij de betekening van de opdracht, tenzij deze inlichting reeds in de aankondiging van de opdracht of in het bestek is vermeld.
  Indien de leiding van en het toezicht op de uitvoering worden toevertrouwd aan een ambtenaar van de aanbestedende overheid, wordt elke eventuele beperking van zijn bevoegdheden aan de aannemer medegedeeld, tenzij dit in het bestek gebeurd is.
  Indien de leiding van en het toezicht op de uitvoering worden toevertrouwd aan een persoon buiten de aanbestedende overheid, wordt de draagwijdte van zijn eventueel mandaat in de betekening van de opdracht bepaald tenzij dit in het bestek gebeurd is.
  In deze algemene aannemingsvoorwaarden wordt de ambtenaar of elke andere persoon die belast is met de leiding van en het toezicht op de uitvoering van de opdracht, de leidend ambtenaar genoemd.

  Onderafdeling 2. - Organisatie en draagwijdte van het toezicht.

  Art. 2. De aanbestedende overheid kan overal toezicht laten houden op de voorbereiding en/of de uitvoering van werken, leveringen en diensten met alle geëigende middelen, in het bijzonder de keuringen. De aannemer is verplicht alle inlichtingen en faciliteiten aan de gemachtigden van de aanbestedende overheid te verstrekken voor het vervullen van hun taak.
  De aannemer kan zich op dit toezicht niet beroepen om van zijn aansprakelijkheid te worden ontheven wanneer de werken, leveringen of diensten uit hoofde van een of ander gebrek zouden worden geweigerd.

  Afdeling 2. - Technische specificaties - Plannen, documenten en voorwerpen.

  Opsomming en draagwijdte van de plannen, documenten en voorwerpen van de opdracht.

  Art. 3. § 1. De technische specificaties die op de opdracht toepasselijk zijn, worden aangevuld met mallen, stalen, modellen, types en dergelijke, die hierna de documenten en voorwerpen worden genoemd. Deze documenten en voorwerpen zijn door de aanbestedende overheid gemerkt.
  § 2. De werken, leveringen en diensten moeten in alle opzichten overeenstemmen met de plannen, documenten en voorwerpen die van toepassing zijn op de opdracht. Zelfs bij ontstentenis van contractuele technische specificaties moeten de werken, leveringen en diensten op alle punten aan de regels van goed vakmanschap voldoen.
  Indien de werken, leveringen en diensten tegelijkertijd omschreven worden door plannen, modellen en stalen, en voor zover het bestek geen tegengestelde bepaling bevat, bepalen de plannen de vorm, de afmetingen en de aard van het materiaal waaruit het produkt is vervaardigd; de modellen dienen slechts voor het onderzoek van de afwerking en de stalen om de kwaliteit na te gaan.

  Voorwaarden voor gebruik van de plannen, documenten en voorwerpen van de opdracht.

  Art. 4. § 1. Plannen, documenten en voorwerpen opgemaakt door de aanbestedende overheid.
  1° Gedurende de vijftien kalenderdagen volgend op de dag van de gunning van de opdracht, kan de aannemer zijn stempel of zijn handtekening plaatsen op het bestek en zijn bijlagen alsook op de door de aanbestedende overheid goedgekeurde plannen, documenten en voorwerpen, die met het oog hierop in ter beschikking blijven op de plaatsen en gedurende de uren die in het bestek worden vermeld. De aannemer kan zich in geen geval op het verzuim van deze formaliteit beroepen.
  2° De aannemer ontvangt kosteloos een exemplaar van het bestek en zijn bijlagen evenals, zo hij erom vraagt, een kopie van zijn goedgekeurde offerte met haar bijlagen.
  De aannemer wordt op zijn verzoek kosteloos in het bezit gesteld van een volledige stel kopies van de plannen die als basis voor de gunning van de opdracht hebben gediend. De aanbestedende overheid is verantwoordelijk voor de overeenstemming van de kopies met de oorspronkelijke plannen.
  3° Het bestek vermeldt welke andere documenten en voorwerpen ter beschikking van de aannemer kunnen gesteld worden om zijn werk te vergemakkelijken. Deze documenten en voorwerpen worden slechts geleverd op schriftelijk verzoek van de aannemer en nadat hij het bewijs heeft geleverd dat hij de voorgeschreven borgtocht heeft gesteld. De waarde van die documenten en voorwerpen wordt aan de aannemer medegedeeld.
  De documenten en voorwerpen bedoeld in het eerste lid worden binnen de vijftien kalenderdagen volgend op de datum van de betekening van het proces-verbaal van voorlopige oplevering van het geheel van de opdracht aan de aanbestedende overheid terugbezorgd.
  De aanbestedende overheid kan de documenten en voorwerpen als verloren beschouwen wanneer zij niet binnen de vijftien kalenderdagen na de gestelde datum zijn terugbezorgd en zij kan ze doen vervangen op kosten van de aannemer. De beschadigde documenten en voorwerpen worden eveneens op kosten van de aannemer vervangen of hersteld.
  De verzendingskosten heen en terug van de documenten en voorwerpen zijn voor rekening van de aannemer.
  De aannemer wordt verondersteld te hebben nagegaan of de dubbels van de documenten en voorwerpen die hem werden bezorgd identiek zijn met die welke als grondslag voor de gunning van de opdracht hebben gediend en die door de aanbestedende overheid ten behoeve van de oplevering van deze opdracht worden bewaard.
  De bovenstaande bepalingen zijn eveneens van toepassing wanneer materieel ter beschikking van de aannemer wordt gesteld.
  4° De aannemer ontvangt slechts één exemplaar van ieder plan, document of voorwerp gratis, ongeacht het aantal percelen dat hem wordt gegund; hij kan evenmin een gratis exemplaar eisen van de documenten en voorwerpen die hij reeds bezit. Hij kan, voor zover de voorraad strekt, van de bestekken en de plannen die voor de gunning van de opdracht hebben gediend, zoveel exemplaren aankopen als hij wil.
  § 2. Detail- en werktekeningen opgemaakt door de aannemer.
  De aannemer maakt op eigen kosten alle detail- en werktekeningen op die hij nodig heeft om de uitvoering van de opdracht tot een goed einde te brengen.
  Het bestek bepaalt nader welke tekeningen door de aanbestedende overheid moeten worden goedgekeurd. Deze beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de datum waarop de tekeningen werden voorgelegd om ze goed te keuren of te weigeren. De eventueel verbeterde tekeningen moeten opnieuw aan de aanbestedende overheid worden voorgelegd die over een termijn van vijftien kalenderdagen beschikt om ze goed te keuren, voor zover de gevraagde verbeteringen niet het gevolg zijn van nieuwe eisen vanwege de aanbestedende overheid. (Elke overschrijding van deze termijnen geeft aanleiding tot een evenredige verlenging van de uitvoeringstermijn, tenzij de aanbestedende overheid het bewijs levert dat de werkelijk ten nadele van de aannemer veroorzaakte vertraging van kortere duur is dan de overschrijding van de termijn.) <KB 1999-04-29/46, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-06-1999>
  Het bestek vermeldt het aantal exemplaren van de tekeningen dat de aannemer aan de aanbestedende overheid moet ter hand stellen.
  Deze tekeningen mogen door de aanbestedende overheid niet worden gereproduceerd noch voor enig ander gebruik worden aangewend. Zij mogen bijgevolg niet aan derden worden medegedeeld.
  De bovenstaande beschikkingen zijn ook van toepassing op de andere documenten en voorwerpen die de aannemer opstelt of vervaardigt om de opdracht tot een goed einde te brengen.
  § 3. Merktekens.
  Indien het bestek het aanbrengen van een merkteken oplegt, zullen alle tekeningen, documenten en voorwerpen bedoeld in § 2 die ervoor in aanmerking komen het merkteken van de aannemer dragen, op een door de aanbestedende overheid aangewezen plaats.

  Afdeling 3. - Regels betreffende de borgtocht.

  Onderafdeling 1. - (Borgstelling). <KB 2001-07-04/32, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 10-07-2001>

  Art. 5. § 1. Bedrag van de borgtocht.
  De borgtocht dient als onderpand voor het nakomen van de verplichtingen van de aannemer tot de opdracht volledig is uitgevoerd. Zij wordt bepaald op 5 percent van de oorspronkelijke aannemingssom.
  (De berekeningsbasis van de borgtocht van de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en diensten die geen totale prijs vermelden, wordt vastgelegd in de documenten betreffende de opdracht. Zoniet stemt de berekeningsbasis overeen met het geraamde maandelijkse bedrag van de opdracht vermenigvuldigd met zes.) <KB 2001-07-04/32, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 10-07-2001>
  Het aldus bekomen bedrag wordt (naar het hoger tiental in euro) afgerond. <KB 2000-07-20/50, art. 6, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Worden evenzo afgerond, de aanvullende bedragen in speciën van de gedeeltelijk in publieke fondsen gestelde borgtocht, alsmede de gedeeltelijke terugbetalingen van de borgtocht overeenkomstig de opdracht.
  Tenzij het bestek het anders bepaalt, wordt geen borgtocht geëist :
  1° voor de opdrachten voor aanneming van leveringen en van diensten waarvan de uitvoeringstermijn dertig kalenderdagen niet overschrijdt;
  2° voor de opdrachten voor aanneming van diensten in de zin van de categorieën 6, 21, 24 en 25 van bijlage 2 van de wet.
  § 2. Aard van de borgtocht.
  Overeenkomstig de wets- en reglementsbepalingen kan de borgtocht hetzij in speciën of publieke fondsen, hetzij onder de vorm van een gezamenlijke (borgstelling) (...) worden gesteld. <KB 2001-07-04/32, art. 1 en 4, 006; Inwerkingtreding : 10-07-2001>
  (De borgtocht kan eveneens worden gesteld via een waarborg toegestaan door een kredietinstelling die voldoet aan de voorschriften van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen of door een verzekeringsonderneming die voldoet aan de voorschriften van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en die toegelaten is tot tak 15 (borgtocht)) <KB 2001-07-04/32, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 10-07-2001>
  (§ 3. Borgstelling en bewijs van borgstelling.
  De borgtocht moet door de aannemer of door een derde gesteld worden binnen dertig kalenderdagen volgend op de dag van de gunning van de opdracht, tenzij het bestek in een langere termijn voorziet.
  Binnen deze termijn stelt de aannemer de borgtocht op een van de volgende wijzen :
  1° wanneer de borgtocht in speciën wordt gesteld, door storting van het bedrag op de rekening van de Deposito- en Consignatiekas of van een openbare instelling die een functie vervult die gelijkaardig is met die van genoemde Kas, hierna genoemd openbare instelling die een gelijkaardige functie vervult;
  2° wanneer de borgtocht uit publieke fondsen bestaat, door neerlegging van deze voor rekening van de Deposito- en Consignatiekas in handen van de Rijkskassier op de zetel van de Nationale Bank te Brussel of bij een van haar provinciale agentschappen of van een openbare instelling die een gelijkaardige functie vervult;
  3° wanneer de borgtocht gedekt wordt door een gezamenlijke borgtochtmaatschappij, door neerlegging via een instelling die deze activiteit wettelijk uitoefent, van een akte van solidaire borg bij de Deposito- en Consignatiekas of bij een openbare instelling die een gelijkaardige functie vervult;
  4° wanneer de borgtocht gesteld wordt door middel van een waarborg, door de verbintenisakte van de kredietinstelling of van de verzekeringsonderneming.
  Het bewijs wordt geleverd naar gelang van het geval door overlegging aan de aanbestedende overheid van :
  1° hetzij het ontvangstbewijs van de Deposito- en Consignatiekas of van een openbare instelling die een gelijkaardige functie vervult;
  2° hetzij het debetbericht van de kredietinstelling of van de verzekeringsonderneming;
  3° hetzij het deposito-attest van de Rijkskassier of van een openbare instelling die een gelijkaardige functie vervult;
  4° hetzij de originele akte van solidaire borg, geviseerd door de Deposito- en Consignatiekas of een openbare instelling die een gelijkaardige functie vervult;
  5° hetzij het origineel van de verbintenisakte opgemaakt door de kredietinstelling of de verzekeringsonderneming die een waarborg heeft toegestaan.
  Deze documenten, ondertekend door de deponent, vermelden waarvoor de borgtocht werd gesteld en de precieze bestemming, bestaande uit de beknopte gegevens betreffende de opdracht en verwijzing naar het bestek, alsmede de naam, de voornamen en het volledige adres van de aannemer en eventueel deze van de derde die voor rekening van de aannemer het deposito heeft verricht, met de vermelding " geldschieter " of " gemachtigde ", naar gelang van het geval.
  De termijn bedoeld in het eerste lid wordt opgeschort tijdens de sluitingsperiode van de onderneming van de aannemer voor de betaalde jaarlijkse vakantiedagen en de inhaalrustdagen die op reglementaire wijze of in een algemeen bindende collectieve arbeidsovereenkomst werden bepaald. Indien het bestek dit vereist, dienen deze periodes te worden vermeld en bewezen in de offerte of dienen zij, van zodra zij bekend zijn, onmiddellijk te worden medegedeeld aan de aanbestedende overheid.) <KB 2001-07-04/32, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 10-07-2001>
  § 4. Aanpassing van de borgtocht.
  Wanneer de borgtocht door om het even welke reden niet meer aangepast is, met name als gevolg van de ambtshalve afhoudingen door de aanbestedende overheid, de bijkomende prestaties of de door de aanbestedende overheid besloten wijzigingen, welke het oorspronkelijk bedrag van de opdracht zonder belasting op de toegevoegde waarde met meer dan 20 percent doen af- of toenemen, dient de borgtocht te worden aangevuld ten belope van het vroegere bedrag of te worden aangepast.
  Wanneer de borgtocht niet meer integraal is gesteld en de aannemer nalaat het ontbrekende aan te vullen, kan de aanbestedende overheid van de te betalen bedragen een som, gelijk aan het ontbrekende afhouden en deze aanwenden om de borgtocht terug aan te vullen te stellen.

  Onderafdeling 2. - Verzuim van (borgstelling). <KB 2001-07-04/32, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 10-07-2001>

  Art. 6. <KB 2001-07-04/32, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 10-07-2001> § 1. Wanneer de aannemer, binnen de termijn bedoeld in artikel 5, § 3, eerste lid, het bewijs niet overlegt dat de borgtocht werd gesteld, geeft deze vertraging van rechtswege en zonder ingebrekestelling aanleiding tot het toepassen van een straf van 0,02 % van de oorspronkelijke aannemingssom per dag vertraging. De volledige straf mag niet hoger zijn dan 2 % van de oorspronkelijke aannemingssom.
  § 2. Wanneer de aannemer, na ingebrekestelling bij een ter post aangetekende brief, het bewijs van de borgstelling niet kan overleggen binnen een laatste termijn van vijftien dagen vanaf de verzendingsdatum van het aangetekend schrijven, kan de aanbestedende overheid :
  1° hetzij overgaan tot een borgstelling van ambtswege via afhoudingen van de op de beschouwde opdracht verschuldigde bedragen; in dat geval wordt de straf forfaitair vastgelegd op 2 % van de oorspronkelijke aannemingssom;
  2° hetzij de maatregelen van ambtswege toepassen. In elk geval sluit de verbreking van de opdracht op deze basis de toepassing van straffen of boetes wegens laattijdige uitvoering uit.
  § 3. De tekortkomingen inzake de bepalingen van de opdracht betreffende borgstelling geven geen aanleiding tot het opmaken van het proces-verbaal bepaald in artikel 20, § 2.

  Onderafdeling 3. - Rechten van de aanbestedende overheid op de borgtocht.

  Art. 7. Bij vertraging wegens laattijdige uitvoering of bij gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van de opdracht, zelfs bij ontbinding of verbreking ervan, houdt de aanbestedende overheid van ambtswege de sommen die haar toekomen van de borgtocht af.

  Onderafdeling 4. - Door derden gestelde borgtocht.

  Art. 8. Telkens de borgtocht door een derde wordt gesteld is deze, onverminderd de bepalingen van artikel 7, solidair borg en gebonden door elke gerechtelijke beslissing die naar aanleiding van om het even welke betwisting omtrent het bestaan, de interpretatie of de uitvoering van de opdracht wordt genomen, op voorwaarde dat hem van die betwisting in de hierna omschreven vorm kennis werd gegeven; de beslissing heeft voor hem kracht van gewijsde.
  De bedoelde kennisgeving wordt door de aanbestedende overheid per deurwaardersexploot gedaan binnen de termijn die voor het verschijnen op de rechtszitting is gesteld. De derde kan tussenkomen zo hij het wenselijk acht.
  De derde die de borgtocht heeft gesteld of waarborgt, wordt op zijn schriftelijk verzoek en alleen ter inlichting op de hoogte gehouden van elk proces-verbaal of iedere mededeling waarbij de aannemer in kennis wordt gesteld dat de werken, leveringen of diensten worden geweigerd of dat maatregelen van ambtswege worden toegepast.

  Onderafdeling 5. - Vrijgave van de borgtocht.

  Art. 9. § 1. Voor de opdrachten voor aanneming van werken wordt, ingeval van twee opleveringen, een voorlopige en een definitieve, de borgtocht bij helften vrijgegeven : de ene helft na de voorlopige oplevering van de gehele opdracht, de andere helft na de definitieve oplevering, na aftrek van de sommen die de aannemer eventueel aan de aanbestedende overheid verschuldigd is.
  Indien geen voorlopige oplevering is voorzien wordt de borgtocht ineens na de definitieve oplevering vrijgegeven.
  § 2. Voor de opdrachten voor aanneming van leveringen of van diensten kan de borgtocht ineens na de voorlopige oplevering van de gezamenlijke leveringen of diensten worden vrijgegeven, tenzij het bestek het anders bepaalt.
  (§ 3. In alle gevallen stuurt de aannemer het verzoek om totale of gedeeltelijke vrijgave van de borgtocht naar de aanbestedende overheid. In de mate dat de borgtocht kan worden vrijgegeven verleent de aanbestedende overheid, binnen vijftien kalenderdagen na de dag waarop het verzoek wordt ontvangen, handlichting aan de Deposito- en Consignatiekas, aan de openbare instelling die een gelijkaardige functie vervult, aan de kredietinstelling of aan de verzekeringsonderneming. Na deze termijn heeft de aannemer recht op de betaling :
  1° hetzij van een intrest berekend overeenkomstig artikel 15, § 4, op de neergelegde bedragen, in geval van storting in speciën of publieke fondsen, eventueel verminderd met de gestorte intrest door de Deposito- en Consignatiekas of door een openbare instelling die een gelijkaardige functie vervult. De aanvraag tot teruggave van de borgtocht geldt, in dat geval, als schuldvordering voor de betaling van deze intrest;
  2° hetzij van de gemaakte kosten voor het behoud van de borgstelling, in geval van collectieve (borgstelling) of van een waarborg toegestaan door een kredietinstelling of een verzekeringsonderneming.) <KB 2001-07-04/32, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 10-07-2001> <ERR 14-07-2001, p. 24268>

  Afdeling 4. - Derden.

  Art. 10. § 1. Onderaannemers.
  De aannemer blijft aansprakelijk ten opzichte van de aanbestedende overheid wanneer hij de uitvoering van zijn verbintenissen geheel of gedeeltelijk aan derden toevertrouwt. De aanbestedende overheid acht zich door geen enkele contractuele band met die derden verbonden.
  De aanbestedende overheid mag evenwel eisen dat de onderaannemers voldoen aan de wetgeving houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken in verhouding tot het deel van de opdracht dat zij zullen uitvoeren. In elk geval blijft alleen de aannemer, wat de uitvoering van de opdracht betreft, aansprakelijk ten opzichte van de aanbestedende overheid.
  § 2. Uitgesloten natuurlijke en rechtspersonen.
  Het is de aannemer verboden het geheel of een gedeelte van de opdracht toe te vertrouwen :
  1° aan een aannemer, leverancier of dienstverlener die zich in een van de gevallen bevindt respectievelijk bedoeld in de artikelen 17, 43 en 69 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996, in de artikelen 17, 39 en 60 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 alsook in het artikel 21, § 4;
  2° aan een aannemer die werd uitgesloten bij toepassing van de bepalingen van de wetgeving houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken.
  Het is de aannemer bovendien verboden deze personen te laten deelnemen aan de leiding van of aan het toezicht op het geheel of een deel van de opdracht.
  Elke inbreuk van dit verbod kan aanleiding geven tot de toepassing van de maatregelen van ambtswege.

  Afdeling 5. - Meerdere opdrachten gegund aan dezelfde aannemer.

  Art. 11. Behoudens eventuele toepassing van de regelen betreffende de wettelijke compensatie en van artikel 51, staat de uitvoering van een opdracht los van elke andere opdracht die aan dezelfde aannemer werd gegund.
  De moeilijkheden met betrekking tot een opdracht staan in geen enkel geval aan de aannemer toe om de uitvoering van een andere opdracht te wijzigen of uit te stellen. De aanbestedende overheid kan zich eveneens niet op dergelijke moeilijkheden beroepen om voor een andere opdracht verschuldigde betalingen op te schorten.

  Afdeling 6. - Keuringen.

  Art. 12. § 1. Soorten keuringen.
  De keuring bestaat erin na te gaan of de uitgevoerde werken, de uit te voeren leveringen of de daartoe in gereedheid gebrachte leveringen, de te verwerken produkten of de verleende diensten aan de (in de opdracht gestelde voorwaarden) beantwoorden. <KB 1999-04-29/46, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-06-1999>
  Inzake keuringen worden onderscheiden :
  1° de voorafgaande keuring behandeld in § 5 en § 6;
  2° de a posteriori uitgevoerde keuring behandeld in § 7;
  3° voor de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten, de andere eventueel door het bestek voorziene keuringswijzen.
  De aannemer dient bij de aanbestedende overheid een schriftelijk aanvraag tot keuring in.
  Zijn verzoek vermeldt de specificaties van de te keuren produkten en verwijst bovendien naar het nummer van het bestek, het nummer van het perceel en de plaats waar de keuring moet worden verricht.
  De aanbestedende overheid is gerechtigd de keuring in haar geheel of voor een gedeelte niet te verrichten wanneer de aannemer aantoont dat de produkten, overeenkomstig de besteksbepalingen, tijdens hun fabricage door een onafhankelijke instantie werden gecontroleerd. In dit opzicht wordt gelijkgesteld met de nationale procedure voor het gelijkvormigheidsattest elke andere certificatieprocedure die werd ingesteld in een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap en die als gelijkwaardig werd bevonden.
  Wanneer de aanbestedende overheid die keuring toch eist vallen de kosten ervan te haren last.
  § 2. Nazicht van de produkten.
  In algemene regel mogen de produkten niet worden verwerkt vooraleer zij door de leidend ambtenaar of zijn gemachtigde zijn goedgekeurd.
  Men verstaat onder produkten de grondstoffen, de materialen, de componenten of andere elementen bestemd voor de opdracht.
  De keuring kan tijdens verschillende fabricagestadia worden verricht.
  De produkten die in een bepaald stadium niet aan de gestelde keuringsproeven voldoen, worden beschouwd zich niet in een staat te bevinden om voor keuring te worden aangeboden.
  De aanbestedende overheid onderzoekt, overeenkomstig de voorschriften van het bestek en met de middelen die zij dienstig acht en gebruikelijk zijn, met inbegrip van de technische erkenning en de continue controle, in hoeverre de produkten aan de kwaliteitseisen voldoen of op zijn minst aan de regels van goed vakmanschap en aan de voorwaarden van de opdracht beantwoorden.
  Indien het nazicht het vernietigen van bepaalde produkten met zich meebrengt, moet de aannemer deze op eigen kosten vervangen.
  Het bestek bepaalt hoeveel produkten zullen vernietigd worden.
  Wanneer de aanbestedende overheid vaststelt dat het ter keuring aangeboden produkt niet in de voorwaarden verkeert om te worden onderzocht, wordt het verzoek van de aannemer als niet bestaande beschouwd. De aanvraag tot keuring dient opnieuw te worden gesteld van zodra het produkt klaar is voor keuring.
  § 3. Afkeuring.
  De produkten die de geëiste kwaliteiten niet bezitten worden afgekeurd.
  Er kan een bijzonder merkteken worden op aangebracht, zonder de produkten hierdoor te ontaarden of hun handelswaarde te verminderen.
  De afgekeurde produkten moeten onmiddellijk worden vervangen en, naargelang de aanbestedende overheid het gebiedt, worden verwijderd of ter plaatse gehouden.
  § 4. Keuringskosten.
  De keuringkosten vallen ten laste van de aannemer. Te dien einde moet het bestek de wijze bepalen waarop de keuringskosten zullen berekend worden. Bij ontstentenis vallen deze kosten ten laste van de aanbestedende overheid.
  De keuringskosten behelzen de reis- en verblijfkosten en vergoeding van het met de keuring belaste personeel.
  Het nazicht wordt door de ambtenaren van de aanbestedende overheid of ieder ander hiertoe gemachtigd natuurlijk of rechtspersoon uitgevoerd.
  § 5. Voorafgaande keuring.
  Indien het bestek keuringseisen stelt voor de produkten welke de aannemer moet aanwenden, moeten deze vóór hun verwerking worden goedgekeurd door de aanbestedende overheid.
  Dit geldt eveneens zo in het bestek de vervaardiging van een of meer modelstukken is voorzien.
  Deze voorafgaande keuring wordt in het algemeen bij de aannemer of de fabrikant verricht.
  Indien het bestek het voorschrijft, kan de voorafgaande keuring eveneens inhouden dat het vervaardigen, eventueel onder de verplichte controle van de aanbestedende overheid, en het onderzoek van de monsters of modelstukken, vóór de fabricage plaats heeft.
  Produkten die voorafgaandelijk gekeurd werden kunnen later nog worden afgekeurd. Ze moeten door de aannemer onmiddellijk worden vervangen, wanneer uit een nieuw onderzoek zou blijken, hetzij vóór het in gebruik nemen, hetzij bij het verwerken, hetzij na de uitvoering van de opdracht maar vóór de definitieve oplevering, dat zij gebreken of beschadigingen vertonen die bij het eerste onderzoek niet werden opgemerkt of beschadigingen die achteraf zijn ontstaan.
  De eventuele vervanging van de gebrekkige produkten doet voor de aannemer geen afbreuk aan de verplichtingen die voortvloeien uit de bepalingen van de artikelen 19, 43 en 63.
  § 6. Bijzondere voorschriften betreffende de voorafgaande keuring.
  1° Termijnen.
  Tenzij het bestek een kortere termijn bepaalt, beschikt de aanbestedende overheid voor de kennisgeving van de goedkeuring of weigering over maximum dertig kalenderdagen, ingaande de dag van het verzoek om tot de keuring over te gaan.
  Deze termijn beloopt zestig kalenderdagen indien het bestek bepaalt dat de keuringsverrichtingen een onderzoek in een laboratorium medebrengen.
  Wanneer de keuring van de produkten buiten het Belgisch gebied moet plaats vinden, wordt de termijn met het nodige aantal dagen voor de heen- en terugreis van de keurders verlengd.
  Indien deze termijnen door toedoen van de aanbestedende overheid worden overschreden, wordt de uitvoeringstermijn van rechtswege dienovereenkomstig verlengd. Deze verlenging sluit elk recht op schadevergoeding uit.
  2° Proefstukken.
  Indien het bestek bepaalt dat een keuring van proefstukken de fabricage of de levering moet voorafgaan, laat de aannemer voor elk van de te verwerken of te leveren produkten twee identieke proefstukken door de aanbestedende overheid onderzoeken, waarmede, na de goedkeuring, de ganse levering of prestatie moet overeenstemmen.
  De beide proefstukken worden door de aanbestedende overheid gemerkt.
  Binnen de vijftien kalenderdagen vanaf het merken zendt de aannemer één van beide naar de plaats waar de levering zal geschieden; het wordt daar bewaard tot de voorlopige oplevering van de opdracht om in geval van betwisting te kunnen worden getoond.
  Het proefstuk wordt eventueel geacht deel uit te maken van de laatste levering.
  Het andere proefstuk wordt door de aannemer bewaard tenzij hij het in zijn levering wenst op te nemen.
  De uitvoering van de opdracht mag slechts aangevat worden nadat de aannemer het aanvaarde proefstuk naar de plaats van levering heeft gezonden.
  Indien in functie van de aard van de produkten het bestek vereist dat een enig proefstuk van elke levering voor onderzoek aan de aanbestedende overheid moet worden voorgelegd, wordt dit enig proefstuk, nadat het gemerkt is geworden, door de aannemer tot de voorlopige oplevering van de opdracht bewaard. De aanbestedende overheid kan de aannemer toelaten dit proefstuk vroeger te leveren.
  De aanbestedende overheid moet omtrent de ter keuring voorgelegde proefstukken een beslissing treffen binnen de dertig kalenderdagen volgend op de dag waarop ze haar werden voorgelegd.
  Ingeval deze termijn door toedoen van de aanbestedende overheid wordt overschreden, wordt de uitvoeringstermijn van rechtswege dienovereenkomstig verlengd. Deze verlenging sluit elk recht op schadevergoeding uit.
  § 7. A posteriori uitgevoerde keuring.
  Voor de in het bestek gespecifieerde categorieën van prestaties kan, naast de a priori uitgevoerde keuring een keuring a posteriori verricht, dit wil zeggen na hun uitvoering.
  Deze keuringen en het nemen van stalen geschieden op tegenspraak overeenkomstig de voorschriften van het bestek dat de draagwijdte ervan nader moet bepalen.
  Op de betalingen van de werken, leveringen of diensten die onderworpen zijn aan een a posteriori uitgevoerde keuring wordt een door het bestek vastgestelde afhouding verricht totdat de uitslag ervan bekend is.

  Afdeling 7. - Prijsherziening.

  Art. 13. § 1. Opdrachten voor aanneming van werken.
  Voor de opdrachten voor aanneming van werken voorziet de opdracht in de modaliteiten voor een prijsherziening wegens schommelingen van de lonen en de sociale lasten van de op de bouwplaats tewerkgestelde arbeiders. Zij kan ook een prijsherziening inhouden aan de hand van andere elementen, inzonderheid voor de materialenprijzen.
  § 2. Opdrachten voor aanneming van leveringen en van diensten
  Voor de opdrachten voor aanneming van leveringen en van diensten kan het bestek in de modaliteiten voor een prijsherziening voorzien aan de hand van verschillende elementen zoals de lonen, de sociale lasten, de prijzen van de grondstoffen of de wisselkoersen.
  § 3. Belastingen die een weerslag hebben op de aannemingssom
  Op verzoek van de aannemer of van de aanbestedende overheid en onverminderd de toepassing van § 4 en van artikel 16, § 2, geeft elke wijziging in België van de heffingen zoals tol- en accijnsrechten en retributies die een weerslag heeft op de aannemingssom, aanleiding tot prijsherziening op dubbele voorwaarde :
  1° dat de wijziging in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt na de tiende dag die de uiterste dag voor het ontvangen van de offertes voorafgaat, of bij de onderhandelingsprocedure, na de datum waarop de aannemer zijn akkoord gaf;
  2° en dat deze heffingen, noch rechtstreeks noch onrechtstreeks door tussenkomst van een index in de voorziene herzieningsformule voorkomen.
  In geval van verhoging van de voornoemde heffingen dient de aannemer aan te tonen dat hij werkelijk de door hem gevorderde bijkomende lasten heeft gedragen en dat deze laatste betrekking hebben op prestaties die tot de uitvoering van de opdracht behoren.
  In geval van verlaging is er geen herziening indien de aannemer bewijst dat hij de heffingen tegen de oude aanslagvoet heeft betaald.
  De aanvragen tot betaling of tot terugbetaling wegens de voormelde schommelingen der heffingen moeten zonder verwijl worden ingediend en, op straf van verval, ten laatste de negentigste kalenderdag volgend op de datum van de voorlopige oplevering van de werken en, voor de leveringen en diensten, van de voorlopige oplevering van het geheel van de prestaties.
  § 4. Vertraging der uitvoering
  De prijs van de prestaties die tijdens een aan de aannemer te wijten periode van vertraging worden uitgevoerd, wordt op grond van de voor de aanbestedende overheid meest voordelige berekeningsmethode als volgt vastgesteld :
  1° hetzij door aan de samenstellende faktoren van de prijzen, die contractueel voor herziening zijn aangeduid, de waarden toe te kennen die gedurende de beschouwde periode van vertraging toepasselijk waren;
  2° hetzij door aan elk van die faktoren een gemiddelde waarde E toe te kennen welke door volgende formule wordt bepaald :

                    (e1 x t2) + (e2 x t2) + ... + (en x tn)
            E = --------------------------------------------------
                             t1 + t2 + ... + tn


  waarin :
  e1, e2, ... en, de opeenvolgende waarden van de beschouwde faktor gedurende de contractuele termijn, eventueel verlengd in de mate waarin de vertraging niet aan de aannemer te wijten was;
  t1, t2, .. tn, de met deze waarde overeenstemmende tijdsduur, uitgedrukt in maanden van dertig dagen; een deel van een maand en de duur van de schorsingen in de uitvoering van de opdracht komen niet in aanmerking.
  De waarde van E wordt tot op het tweede decimale cijfer berekend.
  Deze bepaling is van toepassing, onverminderd de voorschriften van het bestek, inzonderheid deze die de periode van de contractuele termijn beperken gedurende welke zekere elementen voor de prijsvaststelling kunnen worden herzien.
  § 5. Onderaannemingscontracten
  Voor de toepassing van artikel 6 van dit besluit moeten de onderaannemingscontracten aan één van de volgende voorwaarden beantwoorden :
  1° de aannemingssom moet groter zijn dan (27.000 EUR), zonder belasting op de toegevoegde waarde; <KB 2000-07-20/50, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° de uitvoeringstermijn dient gelijk te zijn aan of groter dan negentig kalenderdagen zo het aantal dagen begrepen tussen de datum van het sluiten van het onderaannemingscontract en de datum van de aanvang van de uitvoering van de opdracht geen vijfenveertig kalenderdagen overschrijdt; zo deze laatste termijn wel vijfenveertig kalenderdagen overschrijdt wordt de gestelde minimum uitvoeringstermijn bepaald door de negentig kalenderdagen te verminderen met het aantal dagen dat deze vijfenveertig kalenderdagen overschrijdt.

  Afdeling 8. - Intellectuele rechten.

  Art. 14. § 1. Aankoopprijs en vergoedingen.
  1° De aankoopprijs van de octrooirechten en de verschuldigde vergoedingen voor de octrooilicenties en voor het aanhouden van de octrooien vallen voor rekening van de aannemer zo het bestaan ervan in het bestek is vermeld.
  2° Indien de aanbestedende overheid zelf een volledige beschrijving van het geheel of een deel van de werken, leveringen of diensten of van het werk geeft, zonder het bestaan te vermelden van een octrooi of een octrooilicentie, vallen de aankoopprijs, de vergoedingen en het eventueel aanhouden ervan ten laste van de aanbestedende overheid; deze laatste is aansprakelijk voor eventuele schadevergoeding gevorderd door de houder van de octrooirechten of van de titularis van de octrooilicentie.
  Hetzelfde geldt voor de tekeningen en modellen en voor alle intellectuele eigendomsrechten die nodig zijn voor de uitvoering van de werken, leveringen, diensten of van het werk.
  3° Indien het bestek de inschrijvers vraagt zelf de beschrijving van het geheel of een deel van de werken, leveringen of diensten of van het werk te geven, kunnen de inschrijvers die houder zijn van een octrooi of octrooilicentie betreffende deze werken, leveringen of diensten of dat werk, hiervoor geen enkele verhoging van de aannemingssom van de aanbestedende overheid vorderen. Zij moeten in de bij hun offerte behorende documenten het bestaan van dat octrooi of die octrooilicentie vermelden en, inzonderheid, het nummer en de datum van het octrooi. Zij moeten eveneens de tekeningen, de modellen en de auteursrechten vermelden die voor de uitvoering van de werken, leveringen, diensten of van het werk nodig zijn en waarvan zij de auteurs of de rechthebbenden zijn.
  Bij weglating van deze vermeldingen wordt de aannemer in verband met deze opdracht elk recht ontnomen om van de aanbestedende overheid schadevergoeding te eisen op grond van de miskenning van zijn octrooi- of auteursrecht.
  § 2. Gebruik van de resultaten.
  1° De aanbestedende overheid mag de resultaten van de intellectuele prestaties slechts aanwenden voor haar eigen, door het bestek bepaalde behoeften, of voor de behoeften van derden, aangeduid in het bestek.
  De aanbestedende overheid kan, na de aannemer hierover ingelicht te hebben, algemene gegevens publiceren over het bestaan van de opdracht en de verkregen resultaten; ze moeten zodanig opgesteld zijn dat ze niet door derden kunnen gebruikt worden zonder daarvoor een beroep te doen op de aannemer. In die publikatie wordt de tussenkomst van de aannemer vermeld.
  2° De voorwaarden voor het commercieel of ander gebruik, door de aannemer, van de algemene gegevens over het bestaan van de opdracht en over de verkregen resultaten, worden bepaald door het bestek. Indien het bestek de deelname voorziet van de aanbestedende overheid aan de financiering van het onderzoek en de ontwikkeling verbonden aan het voorwerp van de opdracht, kan hij de toekenningsvoorwaarden van de vergoeding verschuldigd aan de aanbestedende overheid in geval van het gebruik van de resultaten door de aannemer bepalen.
  § 3. Uitvindingen, verworven kennis, methodes en know-how.
  Door de opdracht verkrijgt de aanbestedende overheid niet de intellectuele en industriële eigendom van de uitvindingen die gedaan, ontwikkeld of gebruikt worden bij de uitvoering van de opdracht, en ook niet die van de methodes of de know-how.
  De aannemer deelt de aanbestedende overheid op haar verzoek mee welke kennis, de know-how inbegrepen, nodig is voor het gebruik van het werk, de levering of de dienst, of die nu aanleiding gegeven heeft tot het aanvragen van een octrooi of niet.
  De aanbestedende overheid beschouwt de methodes en de know-how van de aannemer als vertrouwelijk, behalve wanneer die methodes en die know-how het voorwerp uitmaken van de opdracht.
  De titels ter bescherming van de intellectuele en industriële rechten op de uitvindingen die gedaan, ontwikkeld of gebruikt worden bij de uitvoering van de opdracht kunnen niet tegen de aanbestedende overheid aangevoerd worden voor het gebruik van de resultaten van de opdracht.
  § 4. Octrooien.
  De aannemer moet bij de aanbestedende overheid binnen de maand, aangifte doen van alle octrooiaanvragen die hij in België of in het buitenland doet in verband met de uitvindingen die hij ontwikkeld of gebruikt heeft bij de uitvoering van de opdracht. Hij bezorgt de aanbestedende overheid, tegelijk met die aangifte, een kopie van de schriftelijke akte waarin de ter zake geldende wetgeving voorziet.
  § 5. Octrooilicentie.
  Behoudens het geval bedoeld in § 1, 2° heeft de aanbestedende overheid, voor het gebruik dat de opdracht haar toestaat, recht op een octrooilicentie, met mogelijkheid tot sublicentie.
  De aannemer moet alle nodige maatregelen nemen om de rechten van de aanbestedende overheid te vrijwaren en moet, zo nodig, op eigen kosten de formaliteiten vervullen die nodig zijn opdat die rechten zouden kunnen tegengeworpen worden aan derden. Hij licht de aanbestedende overheid in over de schikkingen die getroffen en de formaliteiten die vervuld werden.
  § 6. Wederzijdse bijstand en waarborg.
  Vanaf de eerste tekenen van een vordering door een derde tegen de aannemer of de aanbestedende overheid, moeten deze elkaar inlichten en alle mogelijke maatregelen nemen om de stoornis te doen ophouden, en moeten zij wederzijds bijstand verlenen door elkaar met name bewijselementen mee te delen of nuttige documenten te overhandigen die ze in hun bezit hebben of kunnen verkrijgen.
  De aannemer die de rechten van een derde niet heeft geëerbiedigd of hen niet aan de aanbestedende overheid kenbaar heeft gemaakt staat borg voor elk verhaal dat een derde tegen haar zou stellen. Tenzij het bestek het anders bepaalt is die waarborg evenwel beperkt tot het bedrag van de opdracht zonder belasting op de toegevoegde waarde.

  Afdeling 9. - Betalingen.

  Art. 15. § 1. Betaling van de werken.
  1° Zowel voor de betalingen in mindering als voor de betaling van het saldo of van de enige betaling van de aannemingssom, is de aannemer verplicht een gedagtekende en ondertekende schuldvordering over te leggen die steunt op een gedetailleerde staat van de werken, welke zijns inziens, de gevraagde betalingen rechtvaardigen.
  Deze gedetailleerde staat kan omvatten :
  a) de hoeveelheden uitgevoerd boven de vermoedelijke hoeveelheden die voorkomen in de posten van de prijslijst;
  b) de bijwerken uitgevoerd op schriftelijk bevel van de leidend ambtenaar;
  c) de werken uitgevoerd tegen de door de aannemer voorgestelde en door de aanbestedende overheid nog niet aanvaarde eenheidsprijzen.
  2° De aanbestedende overheid ziet de ingediende staat van werken na en brengt er eventueel verbeteringen in aan; wanneer er niet tussen de partijen overeengekomen eenheidsprijzen in voorkomen, stelt ze deze prijzen ambtshalve vast met behoud van alle rechten van de aannemer.
  Na ontvangst van elke verklaring van schuldvordering maakt ze onverwijld een proces-verbaal op met vermelding van het bedrag dat ze werkelijk verschuldigd acht te zijn en geeft de aannemer schriftelijk kennis van de staat van de werken die aldus voor betaling zijn aanvaard. Terzelfdertijd verzoekt de aanbestedende overheid de aannemer, binnen de vijf kalenderdagen, een faktuur in te dienen voor hetzelfde bedrag.
  (Enkel in de gevallen van betaling van het saldo van de opdracht of van enige betaling beschikt de aanbestedende overheid over een termijn van dertig kalenderdagen om deze verrichtingen uit te voeren. Deze termijn vangt aan op de dag dat de aanbestedende overheid de verklaring van schuldvordering bedoeld in 1° ontvangt.) <KB 2002-12-17/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 08-08-2002>
  3° De betaling van de aan de aannemer verschuldigde sommen, geschiedt binnen de zestig kalenderdagen vanaf de dag waarop de aanbestedende overheid de verklaring van schuldvordering heeft ontvangen.
  (De termijn van zestig kalenderdagen, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd naar rato van de overschrijding van de termijn van vijf kalenderdagen die krachtens 2° aan de aannemer wordt verleend om zijn factuur in te dienen.
  Enkel in de gevallen van betaling van het saldo van de opdracht of van enige betaling vangt de termijn van zestig kalenderdagen, bedoeld in het eerste lid, aan de dag na het verstrijken van de termijn van dertig kalenderdagen waarover de aanbestedende overheid beschikt om de verrichtingen vermeld in 2° uit te voeren en wordt hij ingekort naar rato van de overschrijding van deze termijn van dertig kalenderdagen.) <KB 2002-12-17/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 08-08-2002>
  (lid opgeheven) <KB 2002-12-17/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 08-08-2002>
  (§ 2. - Betaling van de leveringen en van de diensten :
  1° Wat de leveringen betreft, moet de betaling plaatsvinden binnen een termijn van vijftig kalenderdagen vanaf de datum waarop de keuringsformaliteiten werden beëindigd, voor zover de aanbestedende overheid tegelijk over de regelmatig opgemaakte factuur beschikt, alsook over de andere, eventueel vereiste documenten.
  Deze factuur geldt als schuldvordering.
  Wanneer de levering in verschillende keren plaatsvindt, gaat de termijn van vijftig dagen in vanaf de dag waarop de formaliteiten voor de laatste keuring van elk van de gedeeltelijke leveringen werden beëindigd.
  2° Wat de diensten betreft, moet de betaling, overeenkomstig de nadere regels bepaald in het bestek, plaatsvinden binnen een termijn van vijftig kalenderdagen vanaf de keuring van de schuldvordering, voor zover de aanbestedende overheid binnen de vastgelegde termijn over de andere, eventueel vereiste documenten beschikt.) <KB 2002-04-22/30, art. 88, 007; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  § 3. Betaling in geval van derdenbeslag.
  In geval van verzet tegen de betaling of van derdenbeslag ten laste van de aannemer, beschikt de aanbestedende overheid, onverminderd de in § 1 en § 2 bepaalde termijnen van vijftig, zestig en negentig dagen, over een termijn van vijftien kalenderdagen te rekenen vanaf die waarop het beletsel tegen betaling wordt opgeheven.
  (§ 4. Intrest voor achterstallige betalingen.
  Wanneer de in § 1 tot 3 vastgestelde betalingstermijnen worden overschreden, heeft de aannemer, van rechtswege en zonder ingebrekestelling, per maand of per gedeelte van een maand vertraging, recht op de betaling van een intrest. Deze intrest wordt berekend naar rato van het aantal kalenderdagen vertraging tegen de intrestvoet die door de Europese Centrale Bank wordt toegepast voor haar meest recente basisherfinancieringstransactie vóór de eerste kalenderdag van het semester in kwestie wanneer de betrokken transactie werd uitgevoerd door middel van een vaste-rentetender. Indien de betrokken transactie werd uitgevoerd door middel van een variabele-rentetender is de referentie-interestvoet de uit deze tender voortvloeiende marginale interestvoet, zowel bij toewijzingen op basis van een enkelvoudige rentevoet, als bij toewijzingen op basis van een meervoudige rentevoet. Deze intrestvoet wordt vermeerderd met zeven procent en afgerond tot het hogere halve procentpunt.
  Dit vermeerderingspercentage kan worden verminderd, mits de aanbestedende overheid in het bestek of in de documenten die het vervangen, de objectieve redenen vermeldt, waaruit kan worden afgeleid dat deze vermindering geen kennelijke onbillijkheid jegens de aannemer behelst. Een vermindering van het vermeerderingspercentage wordt evenwel voor niet geschreven gehouden voor het gedeelte dat 3,5 procent overschrijdt. In elk geval zal de verschuldigde intrest niet lager zijn dan de wettelijke intrestvoet bepaald in de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest en elke tegenstrijdig bepaling wordt ook voor niet geschreven gehouden.
  Het indienen van de regelmatig opgestelde factuur overeenkomstig § 1 en 2 of, voor de dienstverleningen waarvoor geen factuur moet worden opgesteld, aangezien de schuldvordering ze vervangt, geldt als schuldvordering voor de betaling van deze intrest, maar heeft geen invloed op het tijdstip waarop de intrest begint te lopen.
  De intrest is alleen verschuldigd indien hij ten minste vijf euro bedraagt per betaling uitgevoerd overeenkomstig de contractuele bepalingen.
  De Minister van Financiën deelt de in het eerste lid bepaalde intrestvoet mede, alsook elke wijziging van deze intrestvoet, via een bericht in het Belgisch Staatsblad.
  De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op de betalingen die betrekking hebben op schadevergoedingen.) <KB 2002-12-17/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 08-08-2002>
  § 5. Onderbreking door de aanbestedende overheid.
  Wanneer, op bevel of door toedoen van de aanbestedende overheid, de uitvoering van de aanneming voor een periode van minstens dertig kalenderdagen wordt onderbroken, ontvangt de aannemer een betaling in mindering naar rato van de uitgevoerde prestaties.
  De aannemer heeft het recht een rekening tot schadevergoeding in te dienen, voor een in gemeen overleg te bepalen bedrag, voor de onderbrekingen op bevel van de aanbestedende overheid die in totaal een twintigste van de uitvoeringstermijn overschrijden en minstens tien werkdagen of vijftien kalenderdagen, naargelang de uitvoeringstermijn uitgedrukt is in werk- of kalenderdagen. Deze onderbrekingen mogen niet het gevolg zijn van ongunstige weersomstandigheden noch voorzien zijn in het bestek; bovendien moeten ze plaatsvinden binnen de contractuele uitvoeringstermijn.
  De behoorlijk gestaafde rekening tot schadeloosstelling moet schriftelijk ingediend worden binnen de in artikel 16, § 4, eerste lid, 2°, voorziene termijnen.
  De aannemer kan zich op het ter zake aan de gang zijnde overleg niet beroepen om de uitvoering van de opdracht niet te hervatten.
  § 6. Onderbreking of vertraging van de uitvoering door de aannemer.
  Wanneer, door de schuld van de aanbestedende overheid de betaling niet is verricht na verloop van dertig kalenderdagen na de gestelde betalingstermijn, kan de aannemer het uitvoeringstempo van de werken, leveringen of diensten vertragen of onderbreken.
  In dit geval heeft de aannemer recht :
  1° alleszins of er een vertraging van het uitvoeringstempo of een onderbreking is of niet, op een termijnverlenging die gelijk is aan het aantal kalenderdagen begrepen tussen het verloop van de voornoemde periode van dertig dagen en de betalingsdatum, voor zover de aanvraag schriftelijk wordt ingediend vóór het verstrijken van de contractuele termijnen;
  2° op schadevergoeding, indien er werkelijk een vertraging van de uitvoeringstempo of een onderbreking is geweest, voor zover de rekening voor schadevergoeding wordt ingediend binnen de termijnen bepaald in artikel 16, § 4, eerste lid, 2°.
  De beslissing om het uitvoeringstempo te vertragen of de werken, leveringen of diensten te onderbreken wegens achterstal van betaling, dient evenwel bij ter post aangetekende brief ten laatste vijftien kalenderdagen vóór de dag van vertraging van het uitvoeringstempo of van de daadwerkelijke onderbreking aan de aanbestedende overheid te worden gemeld.
  Ingeval meerdere overschrijdingen van betalingstermijnen elkaar overlappen, mogen deze slechts één keer in rekening gebracht worden.
  De bepalingen van deze paragraaf kunnen slechts worden ingeroepen op voorwaarde dat dit wordt gerechtvaardigd door het belang van de achterstallige betalingen in de loop van de beschouwde periode.
  § 7. Betalingsformaliteiten.
  De betalingen geschieden op een rekening geopend op naam van de aannemer bij de Postcheque of bij een andere financiële instelling.
  Na het sluiten van de overeenkomst moeten alle opdrachten tot betaling in de handen van derden geschieden door een bij deurwaardersexploot aan de aanbestedende overheid betekende overdracht van schuldvordering.

  Afdeling 10. - Klachten en verzoeken.

  Art. 16. § 1. De aannemer kan zich beroepen op nalatigheden, vertragingen of welke feiten ook die hij aan de aanbestedende overheid of haar personeel ten laste legt en die voor hem oorzaak zouden zijn van een vertraging en/of een nadeel, met het oog op het verkrijgen van een verlenging van de uitvoeringstermijnen, herziening of verbreking van de opdracht en/of schadevergoeding. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 42, § 1, tweede lid, is een op een mondeling bevel gesteunde klacht onontvankelijk.
  De aanbestedende overheid kan zich beroepen op nalatigheden, vertragingen of welke feiten ook die het aan de aannemer of zijn personeel ten laste legt, en die voor haar oorzaak zouden zijn van een vertraging en/of een nadeel, met het oog op het verkrijgen van herziening of verbreking van de opdracht en/of schadevergoeding.
  § 2. 1°. In beginsel heeft de aannemer geen recht op enige wijziging van de contractuele voorwaarden wegens onverschillig welke omstandigheden waaraan de aanbestedende overheid vreemd is. De aannemer kan nochtans, hetzij om verlenging van de uitvoeringstermijnen, hetzij, wanneer hij een zeer belangrijk nadeel heeft geleden, om herziening of verbreking van de overeenkomst vragen, door omstandigheden te doen gelden, die hij redelijkerwijze niet kon voorzien bij het indienen van de offerte of de gunning van de opdracht, die hij niet kon ontwijken en waarvan hij de gevolgen niet kon verhelpen alhoewel hij al het nodige daarvoor heeft gedaan.
  2°. Dienen als onder 1° bedoelde omstandigheden beschouwd, de ongunstige weersomstandigheden en de gevolgen hiervan, doch slechts in de mate waarin ze door de aanbestedende overheid als abnormaal worden erkend, voor de plaats en voor het seizoen.
  3°. De aannemer kan slechts het in gebreke blijven van een onderaannemer aanvoeren, inzoverre deze zich kan beroepen op omstandigheden die de aannemer zelf had kunnen inroepen indien hij zich in een gelijkaardige toestand zou hebben bevonden.
  4°. Wanneer de aannemer een zeer belangrijk voordeel genoten heeft ten gevolge van sub 1° hierboven genoemde omstandigheden, kan de aanbestedende overheid om herziening van de opdracht vragen ten laatste negentig kalenderdagen volgend op de datum van de betekening van het proces-verbaal van voorlopige oplevering van de opdracht.
  De aanbestedende overheid is evenwel verplicht om, op straffe van verval, de aannemer zo snel mogelijk schriftelijk op de hoogte te brengen van deze omstandigheden, door hem in het kort te wijzen op de invloed die zij op het verloop en op de kostprijs van de opdracht hebben gehad of zouden kunnen hebben.
  § 3. De aannemer is verplicht op straffe van verval, de aanbestedende overheid ten spoedigste en schriftelijk in te lichten wanneer hij feiten of eender welke omstandigheden vaststelt die de goede gang van de opdracht verstoren, die onder de toepassing van § 1 en § 2 vallen en waaromtrent hij bijgevolg een verlenging van de uitvoeringstermijn, de herziening of verbreking van de overeenkomst en/of schadevergoeding kan vragen; hij moet hierbij bondig de invloed doen kennen die deze feiten hebben of zouden kunnen hebben op het verloop en de kostprijs van de opdracht.
  Zijn niet ontvankelijk, de klachten en verzoeken die steunen op feiten en omstandigheden die door de aannemer niet te gepasten tijde aan de aanbestedende overheid werden kenbaar gemaakt en waarvan ze bijgevolg het bestaan en de invloed op de opdracht niet heeft kunnen nagaan teneinde de door de toestand eventueel vereiste maatregelen te nemen.
  Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op de bevelen van de aanbestedende overheid, zelfs indien deze slechts in het dagboek der werken werden ingeschreven zoals voorgeschreven in de artikelen 37, § 1, en 42, § 1. In dit geval is de aannemer enkel verplicht de aanbestedende overheid in te lichten zodra hij de invloed die de bevelen op het verloop en de kostprijs van de opdracht zouden kunnen hebben, kent of zou moeten kennen.
  Bedoelde klachten en verzoeken zijn in elk geval niet ontvankelijk wanneer de ingeroepen feiten en omstandigheden niet schriftelijk werden bekendgemaakt binnen de dertig kalenderdagen ofwel nadat ze zich hebben voorgedaan, ofwel na de datum waarop de aannemer ze normaal had moeten kennen.
  § 4. Onverminderd de bepalingen van § 3, moeten de klachten en verzoeken van de aannemer, behoorlijk gerechtvaardigd en becijferd, op straffe van verval, schriftelijk ingediend worden binnen onderstaande termijnen :
  1° vóór het verstrijken van de contractuele termijnen om termijnverlenging of de verbreking van de opdracht te verkrijgen;
  2° negentig kalenderdagen volgend op de datum van de betekening van het proces-verbaal van voorlopige oplevering van de opdracht om de herziening van de opdracht of schadevergoeding te verkrijgen.
  Wanneer de klachten of verzoeken hun oorsprong evenwel vinden in feiten of omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens de waarborgperiode kunnen ze op een behoorlijk becijferde wijze worden ingediend tot zestig kalenderdagen na het verstrijken van deze periode.
  § 5. Wanneer de aannemer schadevergoeding of een herziening van de opdracht vraagt op basis van welke feiten of omstandigheden ook waarover sprake in dit artikel, of indien hij een rekening tot schadeloosstelling indient op basis van de bepalingen van artikel 15, § 5 of § 6, heeft de bevoegde overheid het recht ongeacht de gunningswijze van de opdracht, alle mogelijke verificaties van de boekhoudkundige stukken ter plaatse uit te voeren of te laten uitvoeren.
  § 6. Voor de toepassing van dit artikel moet onder herziening van de opdracht worden verstaan het aanpassen van haar clausules en voorwaarden aan de in § 1 en § 2 bedoelde feiten of omstandigheden.
  § 7. Dit artikel doet geen afbreuk aan de toepassing van de andere bepalingen van de algemene aannemingsvoorwaarden.
  § 8. De aannemer kan geen beroep doen op de op grond van § 1 en § 2 aan de gang zijnde besprekingen om het uitvoeringstempo te vertragen of de uitvoering van de opdracht te onderbreken.

  Afdeling 11. - Teruggave van boeten wegens laattijdige uitvoering.

  Art. 17. § 1. De aannemer kan teruggave van boeten wegens laattijdige uitvoering verkrijgen :
  1° geheel of gedeeltelijk wanneer hij bewijst dat de vertraging geheel of gedeeltelijk te wijten is, hetzij aan de aanbestedende overheid, hetzij aan bij artikel 16, § 2, bedoelde omstandigheden voor zover deze zich hebben voorgedaan vóór het verstrijken van de contractuele termijnen, in welke gevallen vanaf de datum waarop de betrokken betaling diende te geschieden, op de teruggegeven boeten van rechtswege een intrest dient uitbetaald te worden tegen de rentevoet bepaald in artikel 15, § 4;
  2° gedeeltelijk, wanneer de aanbestedende overheid oordeelt dat er een wanverhouding is tussen de boeten en het geringe belang van de te laat uitgevoerde werken, leveringen of diensten; voor de opdrachten voor aanneming van werken, zal deze wanverhouding geacht worden te bestaan wanneer de waarde van de niet uitgevoerde prestaties geen 5 percent bereikt van het totaal bedrag van de opdracht, voor zover de uitgevoerde werken nochtans normaal kunnen gebruikt worden en de aannemer alles in het werk heeft gesteld om de laattijdige prestaties binnen de kortste tijd te beëindigen.
  § 2. Artikel 16, § 3, is van toepassing op de feiten en omstandigheden die ingeroepen worden bij de aanvragen tot teruggave van de bij § 1, 1°, bedoelde boeten wegens laattijdige uitvoering.
  § 3. Op straffe van verval moet elke aanvraag tot teruggave van boeten schriftelijk worden ingediend, uiterlijk de zestigste kalenderdag te rekenen vanaf :
  - de betaling die voor saldo werd aangegeven, voor wat de opdrachten voor aanneming van werken betreft;
  - de betaling van de factuur waarop de boeten werden ingehouden voor wat de opdrachten voor aanneming van leveringen en van diensten betreft.

  Afdeling 12. - Rechtsvorderingen en termijnen.

  Art. 18. § 1.- Elke rechtsvordering van de aannemer, die steunt op de in artikel 16, § 1 en § 2, bedoelde feiten of omstandigheden moet op straffe van verval binnen de termijnen bepaald in artikel 16, § 3 en § 4, of in artikel 17 schriftelijk voorafgaandelijk worden bekendgemaakt en het voorwerp uitmaken van een geschreven aanvraag.
  § 2. Iedere dagvaarding voor de rechter op verzoek van de aannemer en met betrekking tot een opdracht moet, op straffe van verval en onverminderd § 1, aan de aanbestedende overheid worden betekend uiterlijk twee jaren volgend op de datum van betekening van het proces-verbaal van de definitieve oplevering.
  Indien geen proces-verbaal opgelegd is gaat die termijn in op datum van de definitieve oplevering.
  § 3. De termijnen waarvan sprake in § 2 worden verlengd met de tijd die verstreken is tussen de datum waarop het geschil voor het Hoog Comité van Toezicht wordt gebracht en deze welke de procedure, overeenkomstig het organiek reglement van dit Comité definitief sluit.
  Wanneer het geschil het voorwerp heeft uitgemaakt van besprekingen tussen de partijen en de beslissing van de aanbestedende overheid minder dan drie maanden vóór het verstrijken of helemaal niet binnen deze termijnen werd betekend, worden deze verlengd tot op het einde van de derde maand die deze van de betekening van de beslissing volgt.

  Afdeling 13. - Einde van de opdracht - Sancties - Beroepsmogelijkheden.

  Onderafdeling 1. - Opleveringen en waarborgtermijnen.

  Art. 19. § 1. De oplevering van de opdracht bestaat uit de controle door de aanbestedende overheid van de overeenstemming van de door de aannemer uitgevoerde prestaties met de regels van de kunst evenals met de bepalingen en de (voorwaarden van de opdracht). <KB 1999-04-29/46, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-06-1999>
  De prestaties worden slechts opgeleverd nadat de controles, de keuringen en de voorgeschreven proeven voldoening schenken. Volgens het geval wordt er een voorlopige oplevering voorzien na afloop van de uitvoering van de prestaties die het voorwerp van de opdracht uitmaken en, bij het verstrijken van de waarborgtermijn een definitieve oplevering die de volledige beëindiging van de opdracht aangeeft, behalve bij eventuele toepassing van de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek op de opdrachten waarop zij betrekking hebben.
  De opleveringskosten vallen ten laste van de aannemer. Te dien einde moet het bestek de wijze bepalen waarop de opleveringskosten zullen berekend worden. Bij ontstentenis vallen die kosten ten laste van de aanbestedende overheid.
  § 2. Wat de waarborgtermijn betreft kunnen in het bestek bepalingen of technische specificaties worden opgenomen die er de termijn en de voorwaarden van bepalen.
  De waarborgtermijn wordt eventueel verlengd met de tijd gedurende dewelke het produkt niet kon worden gebruikt ten gevolge van beschadiging, te wijten aan oorzaken waarvoor de aannemer verantwoordelijk is.
  Op de produkten die ter vervanging worden geleverd is de waarborgtermijn integraal van toepassing.
  § 3. Onverminderd de artikelen 39 en 63, vervangt de aannemer op zijn kosten, overeenkomstig de oorspronkelijke voorschriften, de produkten die gebreken vertonen die geen gebruik toelaten dat in overeenstemming is met de voorwaarden van de opdracht of die buiten dienst geraken in de loop van de waarborgtermijn bij normaal dienstgebruik.
  De beschadigingen die aan toeval, aan overmacht of aan een abnormaal gebruik van de geleverde produkten zijn te wijten, vallen niet onder de waarborg, tenzij naar aanleiding van het voorval slecht werk of een gebrek aan het licht komt dat een reden is om de vervanging te eisen.
  § 4. Van iedere beschadiging of buitendienststelling moet een door de leidend ambtenaar gedateerd en ondertekend proces-verbaal worden opgemaakt.
  Dat proces-verbaal moet vóór het verstrijken van de waarborgtermijn worden opgemaakt en binnen dertig kalenderdagen aan de aannemer worden betekend.
  Buiten die formaliteiten moet, zodra beschadiging of buitendienststelling wordt vastgesteld, daarvan zo snel mogelijk aan de aannemer bij ter post aangetekende brief kennis worden gegeven, opdat deze alle nodige vaststellingen zou kunnen doen of laten doen.
  De aannemer is maar aansprakelijk zo die formaliteiten werden vervuld.
  § 5. Al de produkten die uit de dienst werden genomen in de loop van de waarborgtermijn en waarvan de vervanging afhangt van de aannemer, worden te zijner beschikking gehouden en dienen door hem te worden weggehaald binnen de hem opgelegde termijn, die aanvangt de dag waarop er hem kennis is van gegeven. Na afloop van deze termijn wordt de aanbestedende overheid eigenaar van deze voorwerpen, behalve zo de aannemer binnen deze termijn schriftelijk gevraagd heeft ze op zijn kosten en risico terug te sturen.
  § 6. Zo de aannemer niet overgaat tot de vervanging, zoals voorgeschreven in § 2, is hij gehouden tot de betaling van de waarde van de produkten die moeten worden vervangen.
  § 7. De aanbestedende overheid kan toelaten dat hetgeen tijdens de waarborgtermijn werd beschadigd, door de aannemer op eigen kosten wordt hersteld. Wanneer het belang van de dienst het vereist, kan de aanbestedende overheid herstellingswerken doen uitvoeren op kosten van de aannemer, die behoorlijk verwittigd wordt door middel van een proces-verbaal.
  Wanneer de herstelling in de werkplaatsen van de aanbestedende overheid geschiedt, omvat de rekening die moet worden overgemaakt de waarde van de grondstoffen en het arbeidsloon, vermeerderd met het overeenstemmende deel van de algemene onkosten der werkplaatsen van de aanbestedende overheid.

  Onderafdeling 2. - Middelen van optreden van de aanbestedende overheid.

  Art. 20. § 1. Aannemer die in gebreke blijft bij de uitvoering.
  De aannemer wordt in verband met de uitvoering van de opdracht geacht in gebreke te zijn :
  1° wanneer de prestaties niet geheel voltooid zijn binnen de contractuele bedongen uitvoeringstermijn of op de verschillende voor de gedeeltelijke voltooiingen vastgestelde data;
  2° ongeacht het ogenblik, wanneer de prestaties niet zodanig vorderen dat zij op de vastgestelde data volledig kunnen worden voltooid;
  3° wanneer hij de geldig gegeven schriftelijke bevelen van de aanbestedende overheid niet naleeft;
  4° wanneer de prestaties niet uitgevoerd worden volgens de voorschriften (bepaald in de opdracht). <KB 1999-04-29/46, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 01-06-1999>
  § 2. Vaststelling van in gebreke blijven
  Al de tekortkomingen op de bepalingen van de opdracht daarin begrepen het niet-naleven van de bevelen van de aanbestedende overheid, worden in een proces-verbaal vastgesteld, waarvan een afschrift onmiddellijk bij ter post aangetekende brief aan de aannemer wordt gezonden.
  De aannemer dient zonder verwijl zijn tekortkomingen te herstellen. Hij kan bij ter post aangetekende brief aan de aanbestedende overheid, te verzenden binnen de vijftien kalenderdagen volgend op de postdatum van het toezenden van het proces-verbaal, zijn verweermiddelen doen gelden. Zijn stilzwijgen na die termijn geldt als een erkenning van de vastgestelde feiten.
  § 3. Gevolgen van het in gebreke blijven.
  Wanneer tekortkomingen vanwege de aannemer worden vastgesteld, stelt hij zich bloot aan sancties door toepassing van een of meer van de maatregelen bepaald in § 4 tot 9 en in de artikelen 48, 66 en 75.
  § 4. Straffen
  Elke inbreuk waarvoor geen speciale straf is voorzien en waarvoor geen enkele rechtvaardiging werd aanvaard of binnen de vereiste termijn werd verstrekt, wordt van rechtswege bestraft, hetzij met een enige straf van 0,07 percent van de oorspronkelijke aannemingssom, met een minimum van (27 EUR) en een maximum van (270 EUR), hetzij zo de overtreding onmiddellijk behoort te worden hersteld, met een (straf van 0,02 percent) van de oorspronkelijke aannemingssom per kalenderdag van niet-uitvoering, met een minimum van (13 EUR) en een maximum van (135 EUR) per dag. <KB 1999-04-29/46, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 01-06-1999> <KB 2000-07-20/50, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Deze laatste straf wordt toegepast vanaf de derde dag na de datum van de afgifte van de aangetekende brief waarvan sprake in § 2, eerste lid, tot en met de dag waarop aan de inbreuk door toedoen van de aannemer of de aanbestedende overheid zelf, een einde werd gesteld.
  § 5. Boeten wegens laattijdige uitvoering.
  De boeten wegens laattijdige uitvoering worden als forfaitaire vergoeding wegens vertraging in de uitvoering van de opdracht opgelegd. Zij zijn onafhankelijk van de in § 4 bedoelde straffen. Zij zijn eisbaar zonder ingebrekestelling door het eenvoudig verstrijken van de uitvoeringstermijn zonder opstelling van een proces-verbaal en worden van rechtswege toegepast voor het totaal aantal kalenderdagen vertraging.
  Onverminderd de toepassing van de boeten wegens laattijdige uitvoering vrijwaart de aannemer, in voorkomend geval, de aanbestedende overheid tegen elke schadevergoeding die deze aan derden verschuldigd is op grond van zijn vertraging in de uitvoering van de opdracht.
  § 6. Maatregelen van ambtswege.
  De maatregelen van ambtswege die van toepassing zijn in geval van in gebreke blijven bij de uitvoering van de opdracht zijn :
  1° het eenzijdig verbreken van de opdracht; in dit geval verwerft de aanbestedende overheid van rechtswege het geheel van de borgtocht als forfaitaire schadevergoeding; deze maatregel sluit de toepassing uit van iedere boete wegens laattijdige uitvoering op het deel waarop de verbreking slaat;
  2° de uitvoering in eigen beheer van het geheel of van een deel van de niet-uitgevoerde opdracht;
  3° het sluiten van één of meerdere overeenkomsten voor rekening met één of meerdere derden voor het geheel of een deel van de nog uit te voeren opdracht.
  De maatregelen onder 2° en 3° worden getroffen op kosten en risico van de in gebreke gebleven aannemer. Nochtans vallen de boeten en straffen die bij de uitvoering van één opdracht voor rekening worden toegepast, ten laste van de nieuwe aannemer.
  Wanneer de aanbestedende overheid in de loop van de uitvoeringstermijn vaststelt dat de aannemer, doordat hij onvoldoende vlijt betoont, de opdracht onmogelijk volledig binnen die termijn zal kunnen uitvoeren, is zij vanaf dat ogenblik gerechtigd één van de maatregelen van ambtswege te treffen.
  De beslissing van de aanbestedende overheid om tot de maatregelen van ambtswege over te gaan wordt bij ter post aangetekende brief aan de in gebreke gebleven aannemer of aan zijn afgevaardigde bekendgemaakt.
  Vanaf deze kennisgeving, mag de in gebreke gebleven aannemer niet meer tussenkomen in de uitvoering van de opdracht onderworpen aan de maatregelen van ambtswege.
  Wanneer tot het sluiten van een overeenkomst voor rekening wordt overgegaan wordt een exemplaar van het bestek aangaande de te gunnen opdracht, bij ter post aangetekende brief aan de in gebreke gebleven aannemer gezonden.
  Wanneer de prijs van de uitvoering in eigen beheer of deze van de nieuwe overeenkomst, welke voor rekening werd gesloten, hoger is dan die van de oorspronkelijke opdracht, draagt de in gebreke gebleven aannemer de meerkosten; in het tegenovergestelde geval komt het verschil ten goede aan de aanbestedende overheid.
  § 7. Compensatie.
  Het bedrag van de boeten en straffen, alsook het bedrag voor de schade, onkosten of uitgaven ingevolge de toepassing van de maatregelen van ambtswege of die er zullen uit voortvloeien worden in eerste instantie op de door de aannemer om welke reden ook, opeisbare bedragen en vervolgens op de borgtocht ingehouden.
  § 8. Bijkomende sancties.
  Onafgezien van de hierboven voorziene strafmaatregelen is de in gebreke gebleven aannemer vatbaar voor de sancties die werden bepaald in artikel 19 van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, indien het om een aannemer van werken gaat, en kan hij door de aanbestedende overheid voor bepaalde tijd van haar opdrachten worden uitgesloten indien het om een leverancier of dienstverlener gaat. Betrokkene wordt vooraf gehoord om zich te verdedigen en de beslissing wordt hem betekend.
  § 9. Korting wegens minderwaarde.
  Wanneer de vastgestelde afwijkingen van niet essentiële voorwaarden (van de opdracht) miniem zijn en geen grote hinder kunnen veroorzaken bij het gebruik, bij de verwerking of ten aanzien van de levensduur, kan de aanbestedende overheid de werken, leveringen of diensten aanvaarden onder beding van korting wegens minderwaarde. <KB 1999-04-29/46, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 01-06-1999>

  Onderafdeling 3. - Verbreking.

  Art. 21. § 1. Wanneer de opdracht aan één enkele natuurlijke persoon is gegund, wordt zij bij zijn overlijden van rechtswege verbroken.
  Indien de rechtsopvolgers evenwel schriftelijk aan de aanbestedende overheid kennis geven van het overlijden en tevens van hun wil de opdracht voort te zetten, beschikt de aanbestedende overheid over een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de datum van ontvangst van dit voorstel om kennis te geven van haar beslissing.
  § 2. Wanneer de opdracht aan verscheidene natuurlijke personen is gegund en zo één of meer van die personen overlijden, wordt de stand van de opdracht tegensprekelijk opgenomen; de aanbestedende overheid oordeelt of de opdracht dient te worden verbroken of dat de overlevende of de overlevenden in staat zijn deze overeenkomstig hun verbintenis voort te zetten.
  Wanneer de opdracht voortgezet wordt door verscheidene personen blijven deze hoofdelijk aansprakelijk.
  § 3. In de gevallen bedoeld in § 1 en § 2, geven de rechtsopvolgers binnen de vijftien kalenderdagen na het overlijden, aan de aanbestedende overheid schriftelijk kennis van hun voornemen.
  Bij voortzetting van de opdracht wordt zo nodig een regeling betreffende de borgtocht getroffen.
  § 4. Onverminderd de toepassing van de maatregelen van ambtswege, kan de aanbestedende overheid de opdracht verbreken in de volgende gevallen :
  1° faillissement van de aannemer of elke analoge toestand als gevolg van een gelijkaardige procedure bestaande in de nationale wetgevingen en reglementeringen;
  2° onder bijstandstelling wegens verkwisting;
  3° onbekwaamverklaring, voorlopige onderbewindstelling of onder voogdijstelling wegens zwakzinnigheid;
  4° in observatiestelling of internering bij toepassing van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij;
  5° veroordeling van de aannemer tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van één maand of meer, wegens deelneming aan een van de hierna vermelde misdrijven of, eventueel aan een poging daartoe :
  a) misdaden of wanbedrijven tegen de veiligheid van de Staat;
  b) misdaden of wanbedrijven tegen de openbare trouw;
  c) samenspanning van ambtenaren;
  d) knevelarijen en verduisteringen, gepleegd door ambtenaren;
  e) omkoperij van ambtenaren;
  f) belemmering van de uitvoering van openbare werken;
  g) misdrijven en wanbedrijven van de leveranciers;
  h) misdaden en wanbedrijven tegen eigendommen;
  6° (...). <KB 2008-07-31/32, art. 27, 009; Inwerkingtreding : 18-08-2008>
  § 5. In de gevallen van verbreking opgesomd in § 4 :
  1° wordt de opdracht voor aanneming van werken vereffend in de staat waarin zij zich bevindt waarbij, na de keuring, rekening wordt gehouden met de waarde van de uitgevoerde werken en van de nuttig aangevoerde of nuttig bestelde materialen en voorwerpen;
  2° wordt de opdracht voor aanneming van leveringen vereffend door de waarde van de gedane leveringen te betalen op grond van de opdracht;
  3° wordt de opdracht voor aanneming van diensten vereffend door de waarde van de verstrekte diensten te betalen op grond van de uitgevoerde prestaties.

  Onderafdeling 4. - Afspraken.

  Art. 22. Indien de aanbestedende overheid op eender welk ogenblik vaststelt dat de aannemer de bepalingen van artikel 11 van de wet niet heeft geëerbiedigd, moet de aanbestedende overheid één of meer van volgende maatregelen treffen :
  1° toepassing van maatregelen van ambtswege;
  2° a) indien het een aannemer van werken betreft, voorstel tot sanctie bij toepassing van artikel 19 van de wet van 21 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken;
  b) indien het een leverancier of een dienstverlener betreft, uitsluiting voor een bepaalde duur van de opdrachten van de aanbestedende overheid;
  3° een straf toepassen welke het drievoud is van het bedrag dat bij de aannemingssom wordt gevoegd om aan derden een bepaalde winst of voordeel toe te kennen.

  Onderafdeling 5. - Beroep op het Hoog Comité van Toezicht.

  Art. 23. Het beroep op het Hoog Comité van Toezicht zoals bepaald in artikel 10 van dit besluit schorst de uitvoering van de opdracht niet.

  HOOFDSTUK II. - Bijzondere bepalingen.

  Afdeling 1. - Opdrachten voor aanneming van werken en concessies voor openbare werken.

  Onderafdeling 1. - Prijsbepaling.

  Wijze van prijsbepaling.

  Art. 24. § 1. Werken tegen een globale prijs.
  Ingeval de werken tegen een globale prijs worden gegund, wordt de inschrijver verondersteld de som van zijn offerte volgens eigen bewerkingen, berekeningen en ramingen te hebben vastgesteld.
  Na de opening van de offertes is hij niet meer gerechtigd zich op fouten of leemten te beroepen die in de opmetingsstaat voorkomen, die door de aanbestedende overheid aan de inschrijvers ter beschikking is gesteld.
  In geval van tegenstrijdigheid tussen de verschillende documenten, geldt voor interpretatie de volgende orde :
  1° de plannen;
  2° het bestek;
  3° de opmetingsstaat.
  Wanneer de plannen tegenstrijdigheden vertonen, is de aannemer gerechtigd te beweren dat hij zich op de voor hem meest gunstige hypothese heeft gesteund, tenzij de opmetingsstaat daaromtrent nadere aanwijzingen bevat.
  § 2. Werken tegen een andere dan een globale prijs.
  Indien de werken tegen een andere dan een globale prijs worden uitgevoerd, worden de diverse elementen tot vaststelling van de te betalen sommen, op tegenspraak vastgesteld.
  § 3. De bepalingen van § 1 zijn van toepassing op de forfaitaire posten van de gemengde opdrachten.

  Elementen die in de prijzen zijn begrepen.

  Art. 25. § 1. De aannemer wordt geacht de aard van de bouwgronden te kennen en zijn prijzen op grond van de uitslag van zijn eigen berekeningen te hebben vastgesteld.
  Alle werken, metingen en kosten betreffende de uitvoering van de opdracht zijn voor rekening van de aannemer, inzonderheid :
  1° alle werken en leveringen die nodig zijn om de grondafkalvingen en andere beschadigingen te voorkomen en eventueel te verhelpen zoals stempelingen, beschoeiingen, bemalingen;
  2° de ongeschonden bewaring, de eventuele verlegging en terugplaatsing van kabels en leidingen waarop bij grond-, graaf- of baggerwerken kan worden gestuit, voor zover de last hiervoor niet op de eigenaars van die kabels en leidingen berust;
  3° de verwijdering binnen de grenzen van de grond-, graaf- of baggerwerken eventueel noodzakelijk voor de uitvoering van het werk :
  a) van grond, slijk en kiezel, stenen, breukstenen, allerlei gesteente, overblijfselen van metselwerk, zoden, beplantingen, struiken, stronken, wortels, kreupelhout, puin en afval;
  b) van ieder rotsblok, ongeacht zijn volume, wanneer het bestek vermeldt dat de graaf-, grond- en baggerwerken moeten worden uitgevoerd in rotsachtig terrein, en bij gebrek aan deze vermelding van ieder uit één stuk bestaande rotsblok, metselwerk of betonblok waarvan het volume een halve kubieke meter niet overschrijdt; indien in de opmetingsstaat hiervoor geen speciale prijs is vermeld, wordt de te verwijderen hoeveelheid rots op grond van een overeen te komen prijs betaald, zelfs wanneer dit te verwijderen gedeelte kleiner is dan 0,500 m3 voor zover het deel uitmaakt van een rotsblok groter dan 0,500 m3;
  4° het vervoer en het wegbrengen van graafspecie hetzij buiten het domein van de aanbestedende overheid, hetzij naar de plaatsen voor herbruik binnen de uitgestrektheid van de bouwplaatsen, hetzij naar de voorziene stortplaatsen overeenkomstig de voorschriften van het bestek;
  5° alle algemene onkosten, bijkosten en onderhoudskosten gedurende de uitvoerings- en de waarborgtermijn;
  6° keurings- en opleveringskosten.
  De uitvoeringsmiddelen die bij het graafwerk verloren gaan worden niet in rekening gebracht.
  De aannemer neemt eveneens alle werken ten laste die uiteraard afhangen van of samenhangen met deze die in de plans en in het bestek zijn beschreven.
  § 2. Alleen de principiële toelatingen die voor de uitvoering van de opdracht zelf nodig zijn moeten door de aanbestedende overheid worden bezorgd. Het verkrijgen van de vergunningen nodig voor de uitvoering van de werken en alle andere verrichtingen en verplichtingen die er aan onderworpen zijn vallen ten laste van de aannemer.

  Onderafdeling 2. - Leiding van en toezicht op de werken.

  Art. 26. § 1. De aannemer neemt persoonlijk de leiding van en het toezicht op de werken op zich of wijst hiervoor een gemachtigde aan; hij is in ieder geval verantwoordelijk voor de goede uitvoering van de opdracht.
  De gemachtigde moet door de aanbestedende overheid worden erkend. Zijn opdracht moet duidelijk en schriftelijk door de aannemer aan de aanbestedende overheid worden medegedeeld, die hiervoor een ontvangstbewijs aflevert.
  De woonplaats van de gemachtigde is ambtshalve de werkelijke of de gekozen woonplaats van de aannemer.
  De aanbestedende overheid is gerechtigd te allen tijde de gemachtigde te doen vervangen.
  § 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 37 met betrekking tot het dagboek van de werken oefent de aanbestedende overheid de controle uit op de werken met name door het afleveren van dienstorders of het opstellen van processen-verbaal. De dienstorders, de processen-verbaal en alle andere akten of bescheiden betreffende de opdracht worden aan de aannemer of zijn gemachtigde betekend, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij per brief tegen ontvangstbewijs, hetzij bij deurwaardersexploot.

  Onderafdeling 3. - Keuring.

  Art. 27. § 1. Algemeen.
  De aanbestedende overheid mag alle onderzoeksmiddelen aanwenden die zij voor de keuring van de kwaliteit en de kwantiteit van de produkten dienstig acht; deze onderzoeksmiddelen worden in het bestek nader omschreven.
  De aannemer moet ervoor zorgen dat de werktuigen en produkten tijdig voor gebruik op de bouwplaats worden gebracht zodat de aanbestedende overheid de nodige tijd heeft om de keuringsformaliteiten betreffende de produkten te vervullen, welke ook hun herkomst, de staat van de verbindingswegen en de gebruikte transportwijze moge zijn.
  De aanbestedende overheid kan beslissen de keuring geheel of gedeeltelijk op de afgewerkte stukken of het voltooid werk te verrichten; dergelijke beslissing dient in het bestek te worden vermeld.
  § 2. Keuringsmodaliteiten.
  1° De proeven en controles voor de keuring van de produkten worden naar keuze van de aanbestedende overheid verricht, hetzij :
  a) op de bouwplaats of op de plaats van de levering;
  b) in de werkhuizen van de fabrikant;
  c) in de laboratoria van de aanbestedende overheid of door haar erkend;
  d) in de laboratoria bedoeld in de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van certificatie- en keuringsinstellingen alsmede van beproevingslaboratoria, of in gelijkaardige laboratoria geaccrediteerd in de Europese Gemeenschap.
  2° Zo de keuring op de bouwplaats of op de plaats van levering geschiedt, stelt de aannemer kosteloos aan de aanbestedende overheid het personeel alsmede de werktuigen en voorwerpen die voor het nazicht en de keuring van de produkten nodig zijn ter beschikking.
  3° Zo de keuring in de werkhuizen geschiedt, worden de in gereedheid gebrachte proefstukken of te onderzoeken stukken, binnen de vijftien kalenderdagen na het merken, ter beschikking van de gemachtigde van de aanbestedende overheid gesteld. De keuring gebeurt in aanwezigheid van deze gemachtigde.
  Het bestek vermeldt welke produkten in de werkhuizen van de fabrikant moeten gekeurd worden.
  De wegingen die voor de keuring van de produkten waarvoor een theoretisch of een benaderend gewicht werd vooropgesteld nodig zijn, worden in de werkhuizen van de fabrikant verricht, die behoorlijk geijkte weegtoestellen kosteloos ter beschikking van de aanbestedende overheid moet stellen.
  4° Zo de keuring in een laboratorium geschiedt, worden de proefstukken en de materialen die voor de vervaardiging nodig zijn, onmiddellijk nadat ze door de gemachtigde van de aanbestedende overheid zijn genomen en gemerkt, door de aannemer naar het laboratorium gezonden onder toezicht van de gemachtigde van de aanbestedende overheid en vrij van alle kosten.
  5° De aannemer stelt eveneens gewaarmerkte meettoestellen en de proeftuigen voor het verrichten van de proeven in zijn werkhuizen of op de bouwplaats, ter beschikking van de aanbestedende overheid. De merktekens moeten in ieder geval tot op het ogenblik van de proeven worden behouden. De aanbestedende overheid is gerechtigd na de proeven een termijn vast te stellen voor het behoud van de brokstukken of de overschotten van de proefstukken, waar ook het nemen van en de proeven op de proefstukken geschieden en heeft ook het recht deze mee te nemen.
  § 3. Keuringstermijn.
  De termijn die verloopt tussen het nemen en het merken van de proefstukken enerzijds en hun ontvangst bij de instelling die de proeven moet uitvoeren anderzijds valt buiten de termijn waarover de aanbestedende overheid beschikt om van haar beslissing tot aanvaarding of weigering kennis te geven.
  § 4. Keuring en toezicht.
  De aannemer deelt aan de aanbestedende overheid de juiste plaats mee van de uitvoering van de werken op zijn bouwplaats, in zijn werkhuizen alsook bij zijn onderaannemers en zijn leveranciers.
  Onverminderd de keuringen die op de bouwplaats moeten worden verricht, draagt de aannemer er zorg voor dat de leidend ambtenaar en de door de aanbestedende overheid aangestelde gemachtigden te allen tijde vrij toegang hebben tot de plaatsen van uitvoering, ten einde de stipte naleving van de opdracht te controleren, onder andere wat de herkomst en de kwaliteit van de materialen, de fabricage van de produkten en de vervaardiging van de stukken betreft.
  Wanneer de aanbestedende overheid toezicht houdt op de plaats van fabricage, mag, op straffe van weigering, geen enkele levering naar de bouwplaats worden verzonden, vooraleer zij door de aangestelde van de aanbestedende overheid voor verzending werd goedgekeurd.
  Zo de produkten onder continu toezicht in een bepaald werkhuis worden vervaardigd, kunnen ze zonder verder nazicht vanwege de aanbestedende overheid, worden verzonden.
  § 5. Tegenproef.
  Ingeval de resultaten van de proeven worden aangevochten, heeft ieder van de partijen het recht een tegenproef te vragen.
  Tenzij anders bepaald is door het bestek, gebeurt de tegenproef altijd op grond van een dubbel aantal stalen en proefstukken dan het aantal waarop de aangevochten proef werd verricht.
  Elk van de partijen mag een laboratorium aanduiden waar de helft van de stalen en proefstukken wordt getest. Beide partijen mogen hetzelfde laboratorium kiezen.
  De tegenproef bestaat altijd uit het onderzoek van alle eigenschappen die bij de eerste proef werden nagegaan. Al de resultaten van de tegenproef dienen voldoening te geven.
  De processen-verbaal van de laboratoria worden aan de aanbestedende overheid toegezonden, die deze bij ter post aangetekende brief aan de aannemer mededeelt.
  De uitslagen van de tegenproeven zijn beslissend.
  De kosten van de tegenproef vallen ten laste van de aanbestedende overheid in het geval deze tegenproef de aannemer in het gelijk stelt.
  Zo de aannemer de tegenproef aanvraagt, moet hij dit bij ter post aangetekende brief mededelen ten laatste de vijftiende kalenderdag volgend op de afgifte bij de post van het proces-verbaal dat hem kennis geeft van het resultaat van de eerste proef.
  Zo de aanbestedende overheid de tegenproef aanvraagt, moet de aanvraag bij ter post aangetekende brief aan de aannemer worden overgemaakt gelijktijdig met het proces-verbaal dat hem kennis geeft van de uitslag van de oorspronkelijke proef.
  Na verloop van de aangehaalde termijnen is de aanvraag van een tegenproef niet meer ontvankelijk.
  Een dienovereenkomstige verlenging van de uitvoeringstermijn wordt toegestaan in de mate dat de tegenproef de aannemer in het gelijk stelt, en voor zover hij bewijst dat de uitvoering van zijn werken hierdoor werd vertraagd. Deze verlenging sluit elk recht op schadevergoeding uit.
  § 6. Aanvaarde produkten.
  De aanvaarde produkten die zich op de bouwplaats bevinden blijven er onder toezicht van de aannemer. Ze mogen niet meer zonder de toestemming van de aanbestedende overheid van de bouwplaats worden verwijderd.
  De aanbestedende overheid wordt eigenaar van de voor verwerking op de bouwplaats aangevoerde produkten van zodra zij voor betaling overeenkomstig artikel 15, § 1, werden aanvaard; de aannemer blijft echter voor deze produkten verantwoordelijk tot de voorlopige oplevering van de opdracht.
  § 7. Geweigerde produkten.
  Wanneer de aanbestedende overheid het eist, worden de geweigerde produkten door de aannemer verwijderd binnen de vijftien kalenderdagen en buiten de bouwplaats afgevoerd; zoniet geschiedt de verwijdering van ambtswege door de aanbestedende overheid op kosten en voor risico van de aannemer.
  Ieder gebruik van geweigerde produkten heeft van rechtswege de weigering van de oplevering van de opdracht tot gevolg.

  Onderafdeling 4. - Verloop van de werken.

  Uitvoeringstermijnen.

  Art. 28. § 1. Bevel tot uitvoering en leiding van de werken.
  1° Behoudens voor de gedurende de winterperiode gegunde werken en waarvan de uitvoering tot het gunstige seizoen moet worden uitgesteld, dient de aanbestedende overheid de aanvang van de werken binnen de volgende perken vast te stellen :
  a) voor gewone werken waarvan de aannemingssom overeenstemt met of lager ligt dan klasse 5 van de reglementering houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken : tussen de vijftiende en vijfenveertigste kalenderdag volgend op de dag van de gunning van de opdracht;
  b) voor de werken waarvan de aannemingssom overeenstemt met of hoger ligt dan klasse 6 van de reglementering houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken: tussen de dertigste en de zestigste kalenderdag volgend op de dag van de gunning van de opdracht;
  c) op de werken voor een kleinere aannemingssom dan klasse 5 van de reglementering houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken doch waarvoor bijzondere technieken of materialen moeten worden aangewend, zijn de modaliteiten van b) van toepassing. Het bestek vermeldt duidelijk of dat geval op de opdracht toepasselijk is.
  Er moet een minimum van vijftien kalenderdagen verlopen tussen het zenden van de brief waarbij de aanvang van de werken wordt vastgesteld en de hiervoor bepaalde datum. Deze bepaling geldt echter niet ingeval van dringendheid of voor elke andere dan de eerste faze van een zelfde opdracht.
  Wanneer de in het eerste lid gestelde termijnen van vijfenveertig en zestig kalenderdagen verstrijken zonder dat de aanbestedende overheid een datum voor de aanvang van de werken heeft vastgesteld of indien zij die datum buiten deze termijnen heeft bepaald, is de aannemer gerechtigd de verbreking van de opdracht te eisen en/of het herstel van de hierdoor geleden schade te vorderen. De rechten van de aannemer vervallen wanneer hij hiervan binnen de dertig kalenderdagen na de dag van het verstrijken van deze termijn, geen gebruik maakt. Hij moet hieromtrent zijn wil uitdrukkelijk en met een ter post aangetekende brief aan de aanbestedende overheid doen kennen.
  Behoudens de bepalingen van het tweede en derde lid, is de aannemer verplicht de werken op de dag die hem werd medegedeeld aan te vangen en deze regelmatig voort te zetten zodat zij volledig binnen de contractueel bedongen uitvoeringstermijn zullen voltooid zijn.
  2° Wanneer de uitvoeringstermijn in werkdagen is gesteld, worden als zodanig niet beschouwd :
  a) de zondagen en wettelijke feestdagen;
  b) de betaalde jaarlijkse vakantiedagen en de inhaalrustdagen bepaald bij een koninklijk besluit of in een bij koninklijk besluit algemeen bindend verklaarde kollektieve arbeidsovereenkomst;
  c) de zaterdagen behalve deze waarop de aannemer heeft of had moeten werken omwille van de verdeling van de arbeidsduur op de bouwplaats;
  d) de dagen waarop, zoals aanvaard door de aanbestedende overheid, het werken wegens ongunstige weersomstandigheden of de gevolgen ervan gedurende ten minste vier uren onmogelijk was of zou zijn geweest.
  3° Indien de uitvoeringstermijn van de opdracht evenwel om economische redenen niet in werkdagen is uitgedrukt maar in kalenderdagen, weken, maanden of jaren, of van de ene datum tot de andere of tegen een bepaalde einddatum, worden alle dagen zonder onderscheid in deze termijn gerekend. Zo in dit geval de oorspronkelijke uitvoeringstermijn de tachtig kalenderdagen niet overschrijdt, is de verplichte vakantieperiode verondersteld niet in deze uitvoeringstermijn te zijn begrepen, voor zover deze vakantieperiode tijdens de uitvoeringstermijn plaats vindt.
  4° Indien de aannemer zich genoodzaakt ziet buiten de bij wet gestelde perken te werken, dient hij de aanbestedende overheid over de werkelijkheid van deze toestand te laten oordelen en daarvoor bij de bevoegde overheden de nodige toelatingen aan te vragen.
  § 2. Gelijktijdig uit te voeren opdrachten.
  Indien andere werken, leveringen of diensten die geen voorwerp van de opdracht zijn, gelijktijdig moeten worden uitgevoerd, moet de aannemer zich schikken naar de bevelen die door de leidend ambtenaar worden gegeven om de uitvoering van die opdrachten mogelijk te maken. Het bestek zal deze andere opdrachten vermelden.

  Incidenten.

  Art. 29. § 1. Onderbreking van de werken.
  De aanbestedende overheid mag gedurende een bepaalde periode de uitvoering van de werken onderbreken die naar haar oordeel niet zonder bezwaar op dat ogenblik kunnen worden uitgevoerd.
  De uitvoeringstermijn wordt verlengd ten belope van de door deze onderbreking veroorzaakte vertraging, op voorwaarde dat de contractuele uitvoeringstermijn niet verstreken is. Wanneer deze termijn verstreken is, kan er teruggave van boete wegens laattijdige uitvoering worden toegestaan overeenkomstig artikel 17.
  Wanneer de werken op bevel of door toedoen van de aanbestedende overheid of krachtens de bepalingen van het bestek worden onderbroken, dient de aannemer op zijn kosten alle nodige voorzorgsmaatregelen te treffen ten einde de werken en materialen te vrijwaren tegen mogelijke beschadigingen door ongunstige weersomstandigheden, diefstal of kwaadwillige daden.
  § 2. Vondsten tijdens het werk.
  Iedere vondst van enig belang tijdens het graaf- of slopingswerk wordt op staande voet ter kennis van de aanbestedende overheid gebracht.
  In afwachting van een beslissing van de aanbestedende overheid en zonder afbreuk te doen aan zijn recht op schadevergoeding, onderbreekt de aannemer de uitvoering van de werken in de onmiddellijke omgeving van de vondst en verbiedt elke toegang door het plaatsen van afsluitingen.
  De kunstvoorwerpen, de oudheidkundige-, natuurhistorische-, numismatieke voorwerpen of andere die een wetenschappelijke waarde hebben evenals de zeldzame en kostbare voorwerpen die bij het graaf- of het slopingswerk worden gevonden, zijn eigendom van de aanbestedende overheid en worden ter beschikking van de leidend ambtenaar of van haar gemachtigde gehouden.

  Algemene organisatie van de bouwplaats.

  Art. 30. § 1. De aannemer moet instaan voor de orde op de bouwplaats tijdens de duur van de werken, en hij is er toe gehouden, in het belang van de ambtenaren van de aanbestedende overheid en van derden, zowel als in dat van zijn eigen personeel, alle nodige maatregelen te treffen om hun veiligheid te waarborgen.
  Hij gedraagt zich naar de wets- en reglementsbepalingen inzake ondermeer bouwpolitie, wegenpolitie, hygiëne, arbeidsbescherming, evenals naar de bepalingen van de collectieve overeenkomsten van het nationale, gewestelijke, lokale en bedrijfsniveau.
  De aannemer mag op het werk geen personen toelaten die niet tot zijn bedienden en arbeiders behoren, tenzij de door hem opgeroepen deskundigen, raadslieden en inspecteurs en de behoorlijk gemachtigde leden-werknemers van het betrokken paritair comité. Alleen de aanbestedende overheid is gerechtigd om deze toelatingen te verlenen.
  De aannemer neemt alle nodige voorzorgen opdat het verkeer ondermeer op de openbare wegen, spoorwegen, waterwegen, vliegvelden, door de werken en installaties van zijn onderneming niet méér wordt gehinderd dan door het bestek is toegelaten.
  De aannemer neemt op zijn verantwoordelijkheid al de geschikte maatregelen om in alle omstandigheden te voorzien in de afvloeiing, zowel van het regen- of bemalingswater als van het water onder meer van de sloten, riolen, leidingen, goten, zeeen, meren, vijvers, kanalen, rivieren, beken, en in het algemeen ter voorkoming van ieder gevaar voor schade of ongevallen dat door de uitvoering van de werken van zijn aanneming kan ontstaan. Hij brengt ondermeer aan de rand van de bouwputten en op de plaatsen die niet zonder gevaar kunnen worden benaderd, stevige leuningen aan en houdt deze in stand zolang de werken duren. Hij moet die plaatsen voldoende verlichten en aanduiden, overeenkomstig de van kracht zijnde reglementen.
  Voor ieder werk dat een mogelijke oorzaak van schade of stoornis kan zijn voor een dienst van algemeen nut waarop door de aanbestedende overheid de aandacht van de aannemer is gevestigd of dat bij de uitvoering zich als dusdanig openbaart, geeft de aannemer aan de uitbater van deze dienst schriftelijk bericht tegen ontvangstbewijs, zulks ten minste vijftien kalenderdagen vóór dat met het uitvoeren van dat werk wordt begonnen.
  Wanneer de aannemer bij de uitvoering van de werken merktekens tot aanduiding van de loop van ondergrondse leidingen ontmoet, moet hij die merktekens op hun plaats laten, of ze althans terugplaatsen indien het voor de uitvoering van de werken noodzakelijk was ze tijdelijk te verwijderen.
  De aanbestedende overheid kan van de aannemer eisen dat hij voor al de op de bouwplaats gebruikte toestellen en voertuigen het bewijs levert dat ze voldoen aan de voorschriften van de wetten en reglementen ter zake, inzonderheid wat betreft de schouwingen die ze moeten ondergaan.
  § 2. De aannemer treft op zijn volle verantwoordelijkheid en op zijn kosten al de maatregelen die onontbeerlijk zijn voor de bescherming, de instandhouding en de integriteit van de bestaande constructies en werken; hij neemt tevens alle voorzorgen die door de bouwkunst en door de bijzondere omstandigheden worden vereist om de naburige eigendommen te vrijwaren en om te vermijden dat daarin door zijn schuld stoornissen worden veroorzaakt.
  § 3. Lokalen ter beschikking gesteld van de aanbestedende overheid.
  Het bestek kan bepalen dat de aannemer en zijn eventuele onderaannemers een of meer lokalen met een welbepaalde oppervlakte en uitgerust met een aangepast meubilair ter exclusieve beschikking moeten stellen van de ambtenaren van de aanbestedende overheid, voor zover het belang en de aard van de werken dit verantwoorden.
  Het bestek kan de installatie opleggen van een telefoontoestel en/of een telefaxapparaat dat verbonden is met het openbaar net.
  Alle kosten verbonden aan dergelijke eventuele voorschriften, met inbegrip van de onderhouds-, verwarmings- en verlichtingskosten, de kosten van de telefoon en van het telefaxapparaat zijn ten laste van de aannemer.
  Indien toezicht en/of kontrole moet worden uitgeoefend in de werkplaats stelt de aannemer aan de afgevaardigden van de aanbestedende overheid tijdens hun aanwezigheid in de werkplaats aangepaste kleding en beschermingsmiddelen ter beschikking.

  Tracé van het werk.

  Art. 31. Alvorens met de uitvoering te beginnen, zet de aannemer het werk uit en brengt hij een voldoende aantal hoogtemerken aan, ten opzichte waarvan de relatieve hoogte van de verschillende delen der werken nauwkeurig moet worden bepaald. Overal waar de aanbestedende overheid te dien einde zulks nodig oordeelt, plaatst hij ondermeer piketten, baken en profiellatten.
  Wanneer die verrichtingen beëindigd zijn, geeft hij daarvan schriftelijk kennis aan de aanbestedende overheid, die onverwijld doet overgaan tot het nazicht ervan en desnoods de nodige verbeteringen aanbrengt in het bijzijn van de aannemer of van zijn gemachtigde.
  De aannemer zorgt er voor dat de hoogtemerken in de aldus bepaalde stand en op de aldus bepaalde hoogte behouden worden; hij is in ieder geval verantwoordelijk voor al de gevolgen die uit hun plaats- of standverandering mochten voortspruiten.
  De aannemer laat op zijn kosten de aanbestedende overheid naar behoefte beschikken over de piketten, meetsnoeren, bordjes, baken, landmeterskruisen, profiellatten, flesjeswaterpassen en luchtbelwaterpassen, waterpasbaken, kettingen alsmede over alle voorwerpen welke nodig zijn om er zich van te vergewissen dat de werken overeenkomstig de goedgekeurde tekeningen en de voorwaarden van de aanneming worden uitgevoerd.
  De aanbestedende overheid mag onder het personeel van de aannemer de bekwaamste arbeiders uitkiezen om bij die verrichtingen behulpzaam te zijn. Het loon van die arbeiders komt voor rekening van de aannemer.

  Ter beschikking stellen van gronden of van lokalen.

  Art. 32. § 1. Ter beschikking stellen van gronden.
  Buiten het terrein dat door het werk wordt ingenomen, moet de aannemer er zelf voor zorgen dat hij de beschikking krijgt over de gronden, die hij voor de uitvoering van de opdracht nodig acht. Wil de aanbestedende overheid de aannemer deze gronden geheel of ten dele verschaffen, dan wordt zulks aangeduid in het bestek of op de tekeningen.
  Zonder schriftelijke toestemming mag de aannemer geen voordeel halen uit de hem door de aanbestedende overheid verschafte gronden, onder meer door ze te verhuren, door ze in cultuur te brengen of door in de opdracht materialen te verwerken die van het voorziene graafwerk voortkomen of uit de gronden kunnen worden gewonnen. De toestemming kan worden verleend onder bepaalde voorwaarden, en eventueel tegen betaling van een te bepalen vergoeding.
  De schuttingen mogen niet worden gebruikt voor reclame, tenzij met akkoord van de aanbestedende overheid.
  § 2. Ter beschikking stellen van lokalen.
  Wanneer lokalen ter beschikking van de aannemer gesteld worden voor om het even welk gebruik, moet hij die lokalen in goede staat houden zolang hij ze in gebruik heeft, en moet hij ze desgevraagd op het einde van de opdracht in hun oorspronkelijke staat herstellen.
  § 3. Geschiktmakingswerken.
  Voor de verbeteringen ten gevolge van geschiktmakingswerken die de aannemer uit eigen beweging heeft uitgevoerd, kan, ingeval de aanbestedende overheid beslist dat die verbeteringen zullen worden behouden, geen enkele vergoeding worden geëist.

  Afbraakmateriaal.

  Art. 33. Indien de opdracht slopingswerken omvat, worden de daarvan voortkomende materialen en voorwerpen eigendom van de aannemer, onverminderd de bepalingen van artikel 29, § 2.
  Het bestek kan van die regel afwijken en bepalen dat de aanbestedende overheid eigenaar blijft van de materialen dan wel van alle of van sommige voorwerpen van de afbraak. De aannemer moet dan alle nodige voorzorgen treffen om de bewaring ervan te waarborgen. Hij is aansprakelijk voor iedere door zijn fout of door deze van zijn personeel veroorzaakte vernietiging of beschadiging van de materialen.
  Ongeacht de bestemming die de aanbestedende overheid denkt te geven aan de materialen of voorwerpen waarvan ze de eigendom voor zich heeft voorbehouden, worden al de kosten voor het opslaan ervan op de plaats die door de aanbestedende overheid wordt aangewezen door de aannemer gedragen voor ieder vervoer, over een afstand van niet meer dan honderd meter.
  Behoudens andersluidende bepaling in het bestek, moet de aannemer de afbraakmaterialen, het puin en de afval regelmatig opruimen overeenkomstig de bevelen van de aanbestedende overheid.

  Voorlopige werken- Grondonderzoek.

  Art. 34. De aannemer verwezenlijkt op zijn kosten al de voorlopige werken om in de uitvoering van en de controle op de werkzaamheden van de aanneming te voorzien en ze te vergemakkelijken.
  Hij toont aan de aanbestedende overheid de ontwerpen van de door hem voorgenomen voorlopige werken, zoals kistdammen, steigers, formelen, bekistingen. Hij houdt rekening met de hem gemaakte opmerkingen, maar blijft niettemin de enige verantwoordelijke voor die ontwerpen.
  Wanneer de aanbestedende overheid een bijkomend grondonderzoek noodzakelijk acht, moet de aannemer haar laten beschikken over het personeel en het materieel dat nodig is voor het verrichten van ieder door de aanbestedende overheid wenselijk geacht grondonderzoek. Het arbeidsloon voor dat onderzoek en, ingeval daarvoor buitengewoon materieel moet worden gebruikt, de netto-kost van dat materieel, worden door de aanbestedende overheid aan de aannemer vergoed.

  Onderafdeling 5. - Personeel van de aanneming.

  Arbeidsverdeling.

  Art. 35. Het door de aannemer ingezet personeel moet voldoende in aantal zijn en moet, ieder in zijn vak, de vereiste bekwaamheid bezitten om de regelmatige vooruitgang van de werkzaamheden en de goede uitvoering van de werken te waarborgen. De aannemer dient onmiddellijk al de personeelsleden te vervangen die de aanbestedende overheid aanwijst als een bezwaar voor die goede uitvoering, wegens hun onbekwaamheid, hun slechte wil of hun algemeen gekend wangedrag.

  Lonen en algemene arbeidsvoorwaarden.

  Art. 36. § 1. Ongeacht of zij voortvloeien uit de wet dan wel uit paritaire overeenkomsten op nationaal, gewestelijk of plaatselijk niveau, zijn alle wettelijke, reglementaire of conventionele bepalingen inzake de algemene arbeidsvoorwaarden, veiligheid en hygiëne, toepasselijk op al het personeel van de bouwplaats van de onderneming.
  De teksten van de collectieve overeenkomsten die op de bouwplaats van toepassing zijn, worden er door de aannemer ter beschikking gehouden van alle belanghebbenden.
  § 2. De aannemer, ieder die in enig stadium als onderaannemer optreedt en ieder die personeel ter beschikking stelt, zijn verplicht hun personeel de lonen, bijlonen en vergoedingen te betalen tegen de prijs die is vastgesteld ofwel bij wet, ofwel door kollektieve overeenkomsten gesloten door paritaire comités of door ondernemingsovereenkomsten.
  § 3. De aannemer houdt te allen tijde een dagelijks bijgewerkte lijst van al het personeel dat hij op de bouwplaats tewerkstelt, ter beschikking van de aanbestedende overheid op een door deze op de bouwplaats aangeduide plaats.
  Deze lijst bevat minstens de volgende individuele inlichtingen :
  1° de naam;
  2° de voornaam;
  3° de geboortedatum;
  4° het beroep;
  5° de kwalifikatie;
  6° de reële of gelijkgestelde prestaties per dag, op de bouwplaats geleverd;
  7° het uurloon.
  § 4. De aannemer zorgt ervoor dat ieder die in enig stadium als onderaannemer optreedt of personeel ter beschikking stelt op de bouwplaats, een dagelijks bijgewerkte lijst van al zijn op de bouwplaats tewerkgesteld personeel ter beschikking houdt van de aanbestedende overheid op een door haar op de bouwplaats aangeduide plaats.
  De verantwoordelijkheid voor het opstellen van deze lijst berust bij de onderaannemer of bij de persoon die personeel ter beschikking stelt. De lijst moet de inlichtingen bevatten die in § 3 bedoeld worden.
  § 5. Alvorens zijn werk aan te vatten, maakt de aannemer, wat hem betreft, het volledig adres in België bekend waar de afgevaardigden van de aanbestedende overheid zich op eenvoudig verzoek hiernagenoemde dokumenten ter beschikking kunnen doen stellen :
  1° de individuele periodieke loonstaten, volgens het door de sociale wetgeving voorgeschreven model, van ieder op de bouwplaats werkend arbeider;
  2° de periodieke aangifte aan de bevoegde dienst inzake sociale zekerheid.
  Deze verplichting van de aannemer geldt ook wat de personen betreft die in enig stadium als onderaannemer optreden of personeel ter beschikking stellen, vooraleer zij hun werken aanvatten.
  § 6. Dit artikel is van toepassing op alle aannemers en op alle personen die personeel ter beschikking stellen, ook op hen waarvan de zetel of het domicilie op het grondgebied van een andere Staat is gevestigd, en dit alles wat ook de nationaliteit en de verblijfplaats van het tewerkgesteld personeel zij.

  Onderafdeling 6. - Dagboek van de werken.

  Art. 37. § 1. Een dagboek van de werken, opgemaakt in de vorm door de aanbestedende overheid aanvaard en door de aannemer geleverd, wordt in beginsel bijgehouden op elke bouwplaats door de zorgen van de afgevaardigde van de aanbestedende overheid, die er, dagelijks, onder meer onderstaande inlichtingen in optekent :
  1° de aanduiding van de weersomstandigheden, de werkonderbrekingen wegens ongunstige weersomstandigheden, de werkuren, het aantal en de hoedanigheid van de op de bouwplaats tewerkgestelde arbeiders, de aangevoerde materialen, het gebruikte materieel, het materieel buiten dienst, de ter plaatse gedane proeven, de verstuurde monsters, de onvoorziene omstandigheden, alsmede de louter toevallige en minder belangrijke bevelen aan de aannemer;
  2° de gedetailleerde aantekeningen van alle op de bouwplaats controleerbare elementen, die nuttig zijn voor het berekenen van de aan de aannemer te verrichten betalingen, zoals uitgevoerde werken, uitgevoerde hoeveelheden, aangevoerde materialen. Deze aantekeningen maken integraal deel uit van het dagboek van de werken, maar kunnen, in voorkomend geval, in afzonderlijke documenten worden opgetekend.
  § 2. De aanbestedende overheid mag beslissen geen dagboek of een gedeelte ervan bij te houden. Ze mag ook beslissen dit boek niet per dag bij te houden. Hiervan wordt de aannemer tijdig ingelicht.
  Evenwel dienen de aantekeningen steeds te worden bijgehouden ingeval van opdrachten tegen andere dan globale prijzen.
  § 3. Op verzoek van de aanbestedende overheid verstrekt de aannemer alle nuttige inlichtingen voor het regelmatig bijhouden van het dagboek van de werken.
  § 4. De inlichtingen verstrekt door beide partijen worden ingeschreven in het dagboek van de werken en in de aantekeningen en worden ondertekend door de afgevaardigde van de aanbestedende overheid en medeondertekend door de aannemer of zijn vertegenwoordiger.
  Indien hierover onenigheid is, maakt de aannemer bij ter post aangetekende brief, verzonden binnen de vijftien kalenderdagen volgend op de datum van de inschrijving van de betwiste vermelding of aantekeningen, zijn bemerkingen aan de aanbestedende overheid bekend. Hij dient zijn betwistingen of aanspraken op duidelijke en omstandige wijze te staven.
  Wanneer deze bemerkingen niet als gegrond worden beoordeeld, wordt de aannemer hierover ingelicht en de staat van de werken van ambtswege voorlopig opgemaakt.
  De staat van de werken wordt eveneens van ambtswege opgemaakt en de aannemer wordt verondersteld in te stemmen met de vermeldingen in het dagboek of in de aantekeningen, wanneer hij binnen de voornoemde termijn van vijftien kalenderdagen het voor hem bestemde exemplaar, voorzien van zijn akkoord of van zijn opmerkingen, niet terugstuurt.

  Onderafdeling 7. - Aansprakelijkheid van de aannemer.

  Verzekeringen.

  Art. 38. Binnen de vijftien kalenderdagen na de dag van de gunning van de opdracht, legt de aannemer aan de aanbestedende overheid de bescheiden voor waaruit blijkt dat hij een verzekering heeft aangegaan die, van bij de aanvang van de werken zijn aansprakelijkheid dekt bij arbeidsongevallen, alsmede zijn burgerlijke aansprakelijkheid bij ongevallen die door de werken aan derden worden berokkend; telkens dit wordt gevergd, levert hij het bewijs dat de vervallen premies betaald zijn.
  Indien de aannemer zijn eigen verzekeraar tegen arbeidsongevallen is, moet hij het bewijs leveren dat hij zijn bijdrage aan het van de Deposito- en Consignatiekas afhangend waarborgfonds heeft gestort of dat hij daarvan is vrijgesteld.

  Verplichtingen van de aannemer tot de definitieve oplevering

  Art. 39. § 1. De aannemer is voor de werken of voor het werk aansprakelijk tot de definitieve oplevering van de gezamenlijke werken.
  Gedurende de waarborgtermijn moet de aannemer, naargelang van de vereisten, aan het werk al de nodige werken uitvoeren om het in goede staat of in goede werking te herstellen of te houden.
  Na de voorlopige oplevering is de aannemer evenwel niet aansprakelijk voor de schade waarvan de schuld niet bij hem ligt.
  Onverminderd het bepaalde in het vorig lid, is de aannemer gehouden tot de uitvoering van alle herstellings-, herbouw-, bagger- en andere werken die noodzakelijk zijn ten gevolge van verzakkingen, verschuivingen, afkalvingen, aanslijkingen, breuken, ontaardingen of beschadigingen van om het even welke aard.
  § 2. De aannemer is verplicht vanaf de gunning tot de definitieve oplevering alle documenten en briefwisseling met betrekking tot de gunning en de uitvoering van de opdracht te bewaren en ter beschikking te houden van de aanbestedende overheid.

  Ingebruikneming van het werk door de aanbestedende overheid.

  Art. 40. Door de voorlopige oplevering beschikt de aanbestedende overheid over heel het door de aannemer uitgevoerde werk.
  Vóór de voorlopige oplevering mag de aanbestedende overheid wanneer zij dit wenselijk acht, over de verschillende delen van het werk beschikken naargelang ze klaar komen, op voorwaarde dat er een plaatsbeschrijving wordt van opgemaakt.
  De volledige of gedeeltelijke inbezitneming van het werk door de aanbestedende overheid kan niet gelden als voorlopige oplevering.
  Zodra de aanbestedende overheid het werk geheel of gedeeltelijk in bezit heeft genomen, is de aannemer niet meer gehouden de aan het gebruik te wijten beschadigingen te herstellen.

  Draagwijdte van de aansprakelijkheid van de aannemer.

  Art. 41. De aannemer staat ten opzichte van de aanbestedende overheid in voor al de door hemzelf of door zijn onderaannemers uitgevoerde werken.
  Vanaf de voorlopige oplevering en onverminderd de bepalingen van artikel 39 betreffende zijn verplichtingen gedurende de waarborgtermijn is de aannemer aansprakelijk voor de stevigheid van het werk en voor de goede uitvoering van de werkzaamheden, overeenkomstig de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek.

  Onderafdeling 8. - Wijzigingen aan de opdracht.

  Art. 42. § 1. De aannemer is ertoe gehouden alle toevoegingen, weglatingen en wijzigingen aan de opdracht aan te brengen, die de aanbestedende overheid in de loop van de uitvoering beveelt en die met het voorwerp van de opdracht samenhangen en binnen de perken ervan blijven. De aannemer is echter tot de uitvoering van bijwerken niet meer verplicht zodra hun totale waarde méér dan 50 percent van het initieel bedrag van de opdracht beloopt.
  Deze wijzigingsbevelen moeten schriftelijk gegeven worden. Wordt nochtans met een geschreven bevel gelijkgesteld, het mondeling bevel waarvan de aannemer binnen de achtenveertig uur bij een ter post aangetekende brief melding heeft gemaakt en dat door de aanbestedende overheid niet werd gelogenstraft binnen de drie dagen te rekenen vanaf de ontvangst van bedoelde brief.
  Minder belangrijke wijzigingen kunnen evenwel enkel als vermeldingen in het dagboek worden opgetekend.
  De bevelen of de vermeldingen duiden de wijzigingen aan die aan de oorspronkelijke bepalingen van de opdracht alsmede aan de plannen dienen te worden aangebracht.
  § 2. De onvoorziene werken die de aannemer gehouden is uit te voeren, de voorziene werken die aan de aanneming worden onttrokken alsmede al de andere wijzigingen, worden berekend tegen de eenheidsprijzen van de offerte of bij ontstentenis aan de hand van overeen te komen eenheidsprijzen.
  Elke partij kan, in onderstaande gevallen, een herziening van de eenheidsprijzen eisen voor de bijwerken van dezelfde aard en beschreven in dezelfde termen als in de post van de opmetingsstaat :
  1° wanneer de bijkomende werken het drievoudige overtreffen van de hoeveelheid voorzien in de betreffende post van de opmetingsstaat;
  2° wanneer de prijs van de supplementen die betrekking hebben op de betreffende post 10 percent van het bedrag der aanneming overtreft, met een minimum van (1.350 EUR). <KB 2000-07-20/50, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Wanneer een nieuwe eenheidsprijs wordt overeengekomen voor een bijkomend werk, blijft de oude prijs van toepassing op de aanvankelijk voorziene hoeveelheid.
  Elke partij kan eveneens een herziening van de eenheidsprijzen eisen wanneer de hoeveelheid, die wordt onttrokken aan een post van de opmetingsstaat, meer dan het vijfde van de aanvankelijk aangeduide hoeveelheid beloopt.
  § 3. Opdat er tot herziening van eenheidsprijzen aanleiding zou zijn, moet één der partijen zijn wil dienaangaande aan de andere partij te kennen geven bij ter post aangetekende brief, en dit binnen een termijn van vijftien kalenderdagen vanaf de datum waarop de wijzigingsbevelen geldig werden gegeven.
  Wanneer geen akkoord bereikt wordt over de nieuwe eenheidsprijzen, stelt de aanbestedende overheid ze van ambtswege vast, met behoud van alle rechten van de aannemer.
  De aannemer is ertoe gehouden de werken zonder onderbreking voort te zetten, ondanks de betwistingen waartoe het vaststellen van nieuwe prijzen aanleiding zou kunnen geven.
  § 4. Wanneer de wijzigingen op bevel van de aanbestedende overheid leiden tot een of meer verrekeningen, waarvan het geheel een vermindering van de oorspronkelijke aannemingssom veroorzaakt, heeft de aannemer recht op een forfaitaire vergoeding van 10 percent van deze vermindering, welk ook het uiteindelijk bedrag van de opdracht zij.
  De betaling van deze vergoeding is onderworpen aan het indienen van een schuldvordering of een geschreven aanvraag die hiervoor in de plaats komt.
  § 5. In geval van bijkomende werken of wijzigingen aan het voorziene werk, vermeldt het geschreven bevel of de bijakte :
  1° ofwel de verlenging van de uitvoeringstermijn op grond van de verhoging van het bedrag van de opdracht en van de aard van de wijzigingen en de bijkomende werken;
  2° ofwel de uitsluiting van iedere verlenging van de termijn;
  3° ofwel het uitstel tot een latere datum van de vaststelling van een verlenging van de termijn.
  Ieder bezwaar vanwege de aannemer moet worden ingediend overeenkomstig de bepalingen van artikel 16, § 4.
  § 6. Wanneer, onafhankelijk van elke door de aanbestedende overheid aangebrachte wijziging aan de opdracht, de werkelijk uitgevoerde hoeveelheden van een post volgens prijslijst het drievoudige overtreffen of minder bedragen dan de helft van de vermoedelijke hoeveelheden, kan ieder der partijen de herziening van de oorspronkelijke eenheidsprijzen en uitvoeringstermijnen vragen.
  Zelfs wanneer de in het vorige lid vermelde drempels niet bereikt zijn, mag de uitvoeringstermijn aangepast worden aan de werkelijk uitgevoerde hoeveelheden wanneer hun omvang dit rechtvaardigt.
  In geval van overschrijding zijn de eventueel herziene prijzen slechts van toepassing op de uitgevoerde hoeveelheden die het drievoudige van de vermoedelijke hoeveelheden overschrijden.
  De partij die de herziening vraagt moet de andere partij van haar voornemen de eenheidsprijzen en/of termijnen te willen herzien op de hoogte brengen ten laatste vijftien kalenderdagen na het opstellen van de vorderingsstaat waarin vastgesteld wordt dat de uitgevoerde hoeveelheid het drievoudige van de vermoedelijke hoeveelheid bereikt. Deze kennisgeving dient bij ter post aangetekende brief te geschieden.
  Na verloop van deze termijn geldt deze kennisgeving slechts voor de vanaf de datum van deze kennisgeving uitgevoerde hoeveelheden.
  In ieder geval moet de eisende partij de nieuwe eenheidsprijzen en/of termijnen die uit die nieuwe toestand voortkomen rechtvaardigen.
  Voor het geval geen akkoord bereikt wordt of zolang de partijen geen akkoord bereikt hebben over de nieuwe eenheidsprijzen, stelt de aanbestedende overheid ambtshalve de prijzen die ze gerechtvaardigd acht vast, met behoud van alle rechten van de aannemer.
  De aannemer is verplicht de werken zonder onderbreking voort te zetten onafgezien de betwistingen waartoe het vaststellen van de nieuwe eenheidsprijzen zou aanleiding geven.

  Onderafdeling 9. - Einde van de opdracht.

  Opleveringen.

  Art. 43. § 1. Werken die niet voor oplevering worden aanvaard.
  Het werk dat niet aan de bepalingen en voorwaarden van de opdracht voldoet of niet volgens de regels van vakmanschap en bouwkunde is uitgevoerd, wordt door de aannemer gesloopt en herbouwd. Zoniet geschiedt dit van ambtswege op bevel van de aanbestedende overheid op zijn kosten en risico, overeenkomstig de middelen van optreden bepaald in artikel 48. De aannemer stelt zich bovendien bloot aan boeten en straffen wegens niet-naleving van de bepalingen en voorwaarden van de opdracht.
  De aanbestedende overheid kan de aannemer eveneens verplichten het werk of delen ervan waarin niet aanvaarde produkten werden verwerkt of die in een verbodsperiode werden uitgevoerd te slopen en te herbouwen. Desnoods handelt ze ambtshalve op kosten en risico van de aannemer.
  § 2. Voorlopige oplevering.
  Binnen de vijftien kalenderdagen na de dag waarop het gehele werk moet worden voltooid, en voor zover de resultaten van de keuringen en van de voorgeschreven proeven zijn gekend, wordt naargelang het geval een proces-verbaal van voorlopige oplevering of van weigering van oplevering opgemaakt.
  Wanneer het werk vóór of na die datum wordt voltooid, moet de aannemer daarvan bij ter post aangetekende brief aan de leidende ambtenaar kennis geven en terzelfdertijd om de voorlopige oplevering verzoeken.
  Binnen de vijftien dagen na de datum waarop het verzoek van de aannemer wordt ontvangen, en voorzover de resultaten van de keuringen en van de voorgeschreven proeven zijn gekend, wordt een proces-verbaal van voorlopige oplevering of van weigering van oplevering opgemaakt.
  Bij overschrijding van die termijn door de schuld van de aanbestedende overheid is zij aan de aannemer per kalenderdag vertraging een vergoeding verschuldigd van 0,07 percent van de bedragen waarvan de betaling van de voorlopige oplevering afhankelijk is, met een maximum van 5 percent van het totaal van deze bedragen.
  Het werk dat in staat van voorlopige oplevering is bevonden wordt vermoed, tot bewijs van het tegendeel, in die toestand te hebben verkeerd op de datum waarop het diende te zijn voltooid of, voor wat de gevallen van het tweede lid betreft, op de datum van de werkelijke voltooiing die door de aannemer in zijn aangetekende brief werd vermeld.
  De waarborgtermijn gaat in op de datum van de voorlopige oplevering.
  Indien het bestek geen waarborgtermijn vooropstelt, wordt hij op één jaar gesteld.
  § 3. Definitieve oplevering.
  Binnen de vijftien kalenderdagen vóór de dag waarop de waarborgtermijn verstrijkt, wordt naargelang het geval een procesverbaal van definitieve oplevering of van weigering van oplevering opgemaakt.
  In dit laatste geval moet de aannemer achteraf bij ter post aangetekende brief aan de aanbestedende overheid laten weten dat het geheel van het werk in staat van definitieve oplevering is gesteld; het werk wordt binnen de vijftien kalenderdagen volgend op de ontvangst van die mededeling door de aanbestedende overheid opgeleverd.
  Het werk dat in staat van definitieve oplevering is bevonden wordt vermoed, tot bewijs van het tegendeel, in die toestand te hebben verkeerd op de einddatum van de waarborgtermijn of, voor wat de gevallen van het tweede lid betreft, op de datum van de definitieve oplevering die door de aannemer in zijn aangetekende brief werd vermeld.
  § 4. Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de voorlopige en de definitieve oplevering.
  Het nazicht met het oog op de voorlopige of de definitieve oplevering van de werken geschiedt in aanwezigheid van de aannemer ofwel nadat hij tenminste zeven kalenderdagen vóór de dag van de oplevering behoorlijk bij ter post aangetekende brief werd opgeroepen.
  Wanneer ingevolge ongunstige weersomstandigheden de staat van het werk niet kan opgenomen worden gedurende de voor de voorlopige of voor de definitieve oplevering vastgestelde termijn van vijftien dagen, wordt die onmogelijkheid bij proces-verbaal na oproeping van de aannemer vastgesteld, en wordt het proces-verbaal van oplevering of van weigering van oplevering binnen de vijftien kalenderdagen na de dag waarop de onmogelijkheid heeft opgehouden te bestaan, opgemaakt.
  De aannemer kan die omstandigheden niet inroepen om zich te onttrekken aan de verplichting het werk in goede staat van oplevering aan te bieden.
  Het werk wordt pas als voltooid beschouwd nadat de aannemer ieder depot, iedere belemmering of iedere wijziging van de plaatsgesteldheid aangebracht voor de uitvoering van de opdracht heeft doen verdwijnen.

  Verrekeningen.

  Art. 44. § 1. De wijzigingen ingevolge de bepalingen van artikel 42, § 1, geven aanleiding tot het opmaken van verrekeningen.
  § 2. Indien het bestek bepaalt dat de bij artikel 13 toegelaten prijsherzieningen aanleiding geven tot verrekeningen, worden deze, op straffe van verval zo spoedig mogelijk ingediend en dit ten laatste op de negentigste kalenderdag volgend op de datum van de betekening van het proces-verbaal van de voorlopige oplevering. Het indienen van verrekeningen ontslaat de aannemer niet van de verplichting een schuldvordering in te dienen.
  § 3. De vereffening van deze verrekeningen geschiedt overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, § 1.

  Onderafdeling 10. - Gebrekkige uitvoering.

  Bedrog en slecht werk.

  Art. 45. Wordt bedrog of slecht werk vermoed, dan kan de aannemer verplicht worden het uitgevoerde werk geheel of gedeeltelijk te slopen en te herbouwen. De kosten van sloping en herbouw komen, naar gelang het vermoeden bewaarheid wordt of niet, hetzij voor rekening van de aannemer, hetzij voor rekening van de aanbestedende overheid.

  Aannemer die in gebreke blijft bij de uitvoering.

  Art. 46. De aannemer wordt in verband met de uitvoering van de opdracht geacht in gebreke te zijn in de gevallen vermeld in artikel 20, § 1.

  Vaststelling van in gebreke blijven.

  Art. 47. De tekortkomingen aan de bepalingen van de opdracht, daarin begrepen het niet-naleven van de bevelen van de aanbestedende overheid, worden vastgesteld en afgehandeld overeenkomstig artikel 20, § 2.

  Middelen van optreden.

  Art. 48. § 1. Algemeen.
  Wanneer de aannemer de opdracht niet uitvoert binnen de gestelde termijn of niet overeenkomstig de in het bestek gestelde voorwaarden, stelt hij zich bloot, volgens het geval, aan de toepassing van boeten wegens laattijdige uitvoering, straffen en/of maatregelen van ambtswege overeenkomstig de bepalingen van artikel 20 en van dit artikel.
  § 2. Boeten wegens laattijdige uitvoering.
  1° De boeten wegens laattijdige uitvoering worden berekend op grond van de formule :

                    M x n2
  R = 0,45 ------------------------
                 N exponent 2


  waarin :
  R = het bedrag van de boete voor n dagen vertraging;
  M = de oorspronkelijke aannemingssom;
  N = het aantal werkdagen vastgesteld voor de uitvoering bij de aanvang van de opdracht;
  n = aantal kalenderdagen vertraging.
  Evenwel, indien de faktor M niet meer bedraagt dan (54.000 euro) terwijl N niet groter is dan tweehonderd dagen, wordt de noemer N2 door 200 x N vervangen. <KB 2002-04-22/30, art. 88, 007; Inwerkingtreding : 30-04-2002>
  2° Wanneer de uitvoeringstermijn niet in werkdagen is uitgedrukt, wordt het getal N in de formule conventioneel verkregen door het aantal kalenderdagen van de uitvoeringstermijn te vermenigvuldigen met 0,7; in het verkregen produkt worden de breukcijfers weggelaten en naar beneden afgerond.
  3° Wanneer de opdracht uit verschillende delen of fazen bestaat, ieder met een eigen uitvoeringstermijn N en een eigen bedrag M, wordt voor de toepassing van de boeten elk van de onderdelen met een afzonderlijke opdracht gelijkgesteld.
  4° Indien de opdracht niet uit delen of fazen in de zin van het 3° bestaat, doch dat het bestek gedeeltelijke uitvoeringstermijnen bepaalt zonder deze daarom als bindend aan te wijzen, moeten deze termijnen als loutere vooruitzichten worden beschouwd voor de uitvoering van de opdracht en wordt, voor de toepassing van de boeten alleen de eindtermijn in aanmerking genomen. Indien het bestek daarentegen vermeldt dat de gedeeltelijke uitvoeringstermijnen dwingend zijn, dan wordt het niet in acht nemen ervan bestraft door speciale in het bestek daartoe voorziene boeten of indien geen dergelijke bepaling voorkomt, door boeten die volgens de in het 1° voorziene formule zijn berekend en waarin de faktoren M en N op de gehele opdracht betrekking hebben. De hoogste boete voor elke gedeeltelijke uitvoeringstermijn van P werkdagen bedraagt evenwel :

             M     P
            --- x ---
            20     N


  Indien een gedeeltelijke uitvoeringstermijn niet in werkdagen is uitgedrukt wordt 2° toegepast.
  5° Het totaal bedrag van de boeten wegens laattijdige uitvoering dat op een opdracht wordt toegepast mag niet hoger zijn dan 5 percent van de aannemingssom M, zoals in het 1° bepaald.
  6° De boeten waarvan het totaal geen (55 EUR) per opdracht bereikt worden niet aangerekend. <KB 2000-07-20/50, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 3. Maatregelen van ambtswege.
  1° Wanneer de aannemer, na het verstrijken van de in artikel 20, § 2, gestelde termijn om zijn verweermiddelen te doen gelden, inactief is gebleven of middelen heeft aangevoerd die door de aanbestedende overheid als niet gerechtvaardigd worden beoordeeld, kan deze laatste een van de maatregelen van ambtswege vermeld in artikel 20, § 6, treffen. De aanbestedende overheid mag nochtans een van de maatregelen van ambtswege treffen zonder het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 20, § 2, af te wachten wanneer de aannemer op voorhand expliciet de vastgestelde tekortkomingen heeft toegegeven.
  De berichten betreffende de plaats en datum voor de oplevering van het voor zijn rekening uitgevoerde werk worden bij ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs aan de in gebreke gebleven aannemer of aan zijn vertegenwoordiger betekend.
  2° De in gebreke gebleven aannemer moet zijn werken stilleggen vanaf de dag die hem wordt aangeduid; elk werk dat daarna wordt uitgevoerd blijft kosteloos verworven door de aanbestedende overheid.
  Nadat de aannemer hiervoor wordt opgeroepen, wordt de staat van het werk, het materieel en de materialen die op de bouwplaats zijn aangevoerd opgemaakt.
  De aanbestedende overheid kan overgaan tot elke bouw of sloping of tot het nemen van elke andere maatregel die zij voor het behoud en de goede uitvoering van het werk nodig acht.
  Behalve bij verbreking van de opdracht, is de aanbestedende overheid gerechtigd, tegen vergoeding, van het materieel en de materialen van de aannemer waarvan zij hem de lijst bezorgt gebruik te maken om de opdracht voort te zetten of te doen voortzetten.
  De aannemer is verplicht binnen de kortst mogelijke tijd zijn materieel en materialen welke de aanbestedende overheid niet wenst te behouden van de bouwplaats te verwijderen.
  De aannemer mag de voor zijn rekening verrichte werken volgen, zonder de uitvoering evenwel van de bevelen van de aanbestedende overheid te hinderen.
  3° Ingeval de maatregelen bedoeld in artikel 20, § 6, 2° en 3°, worden toegepast, worden de boeten wegens laattijdige uitvoering voor hun maximum bedrag, overeenkomstig § 1, toegepast. Het uitblijven van een bevel om de werken aan te vatten belet niet dat boeten wegens laattijdige uitvoering worden toegepast.
  Buiten het bedrag van de straffen, de boeten wegens laattijdige uitvoering en de slopingskosten, vallen de extra kosten ingevolge de nieuwe wijze van uitvoering ten laste van de in gebreke gebleven aannemer.
  De voornoemde extra kosten maken het positief verschil uit tussen enerzijds, het bedrag van de van ambtswege uitgevoerde werken desgevallend verhoogd met de belasting op de toegevoegde waarde en, anderzijds, het bedrag desgevallend verhoogd met de belasting op de toegevoegde waarde dat door de in gebreke gebleven aannemer voor die werken zou zijn aangerekend. Indien dat verschil negatief uitvalt blijft het verworven door de aanbestedende overheid.
  Komen niet in aanmerking voor de berekening van de extra kosten voor de werken voor rekening van de in gebreke gebleven aannemer :
  a) binnen de perken van artikel 42, § 1, de werken in meer of in min die van ambtswege door de aanbestedende overheid werden bevolen na kennisgeving van de beslissing tot het nemen van maatregelen van ambtswege;
  b) de prijsherzieningen bedoeld in artikel 13;
  c) de nieuwe eenheidsprijzen overeengekomen met de aannemer belast met de uitvoering van de opdracht voor rekening, bij toepassing van artikel 42, § 2 en § 6.
  Vallen eveneens voor rekening van de in gebreke gebleven aannemer, de kosten van het voor rekening aangaan van de nieuwe opdracht of opdrachten; ongeacht de gunningswijze worden deze kosten op één percent van de oorspronkelijke aannemingssom van deze opdracht of opdrachten aangerekend, zonder (11.000 EUR) te overschrijden. <KB 2000-07-20/50, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  4° Wanneer de aannemer gedurende de waarborgtermijn zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 39 niet nakomt, kan de aanbestedende overheid, na ingebrekestelling bij proces-verbaal overeenkomstig artikel 20, § 2, de herstellings- en verbouwingswerken voor rekening van de in gebreke gestelde aannemer uitvoeren of doen uitvoeren.
  Hetzelfde geldt wanneer de aannemer bij het verstrijken van de waarborgtermijn zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 41 niet nakomt.
  § 4. Inhoudingen voor niet betaalde lonen, sociale lasten en belastingen die zijn verschuldigd.
  Wanneer lonen en/of sociale zekerheidsbijdragen, evenals de er bijbehorende belastingen, verschuldigd voor het personeel dat op de bouwplaats is of was tewerkgesteld en door een dienstcontract aan die aannemer of aan een van zijn onderaannemers is of was verbonden, of nog, aan de aannemer of aan een van zijn onderaannemers ter beschikking werd gesteld door een uitleenbureau voor werkkrachten niet zijn betaald, dan houdt de aanbestedende overheid ambtshalve het brutobedrag van de achterstallige lonen en bijdragen in op de aan de aannemer verschuldigde bedragen.
  De aanbestedende overheid betaalt die achterstallige lonen en maakt de sociale zekerheidsbijdragen alsmede de afhoudingen betreffende de inkomstenbelasting op die achterstallige lonen rechtstreeks over aan de rechthebbenden.

  Afdeling 2. - Opdrachten voor aanneming van leveringen.

  Onderafdeling 1. - Elementen die in de prijzen zijn begrepen.

  Art. 49. De leverancier wordt geacht zowel in zijn eenheidsprijzen als in zijn globale prijzen alle kosten en heffingen die op de leveringen wegen te hebben inbegrepen, met uitzondering van de belasting op de toegevoegde waarde.
  In de prijzen zijn inzonderheid ingerekend :
  1° de kosten voor verpakking, behalve bij toepassing van artikel 56, § 2, het laden, de overslag en het overladen, het vervoer, de verzekering en het inklaren;
  2° de kosten van het lossen, van het uitpakken en van het stapelen op de plaats van de levering, op voorwaarde dat het bestek de juiste plaats van levering en de toegangswijzen vermeldt. Bij gebreke hiervan vallen deze kosten ten laste van de aanbestedende overheid;
  3° de kosten voor de dokumentatie die eventueel door de aanbestedende overheid wordt geëist betreffende de levering;
  4° het monteren en het bedrijfsklaarmaken;
  5° de tol- en accijnsrechten;
  6° de keurings- en opleveringskosten.

  Onderafdeling 2. - Eigendomsoverdracht.

  Art. 50. De aanbestedende overheid wordt van rechtswege eigenaar van de leveringen van zodra deze voor betaling werden aanvaard, overeenkomstig artikel 15, § 2.

  Onderafdeling 3. - Verloop van de opdracht.

  Meerdere opdrachten.

  Art. 51. Wanneer een leverancier aannemer is van verscheidene opdrachten voor identieke leveringen, worden de leveringen die hij doet op de ene of de andere opdracht aangerekend, in volgorde van de contractuele leveringstermijnen. Dezelfde regel geldt ook voor de gedeeltelijke bestellingen verricht in uitvoering van één enkele opdracht. De betreffende fakturen moeten overeenkomstig de verschillende leveringen worden opgemaakt.

  Uitvoeringsmodaliteiten.

  Art. 52. § 1.- Minimale hoeveelheden.
  Indien het bestek vaste of minimale hoeveelheden vaststelt, verkrijgt de leverancier door de gunning van de opdracht, het recht die vaste of minimale hoeveelheden te leveren.
  In geval de aanbestedende overheid de vaste of minimale hoeveelheden toch vermindert heeft de leverancier recht op de vergoeding van zijn schade.
  § 2. Gedeeltelijke bestellingen.
  Indien het bestek voor het geheel of voor een deel van de te leveren hoeveelheden één of meer gedeeltelijke bestellingen voorschrijft, is de uitvoering van de opdracht afhankelijk van de betekening van elk der bestellingen.
  § 3. Leveringstermijnen.
  1° De leveringstermijnen worden hetzij in kalenderdagen, -weken of -maanden bepaald of van datum tot datum, hetzij in werkdagen. Wanneer de uitvoeringstermijn in werkdagen is gesteld, worden als zodanig niet beschouwd :
  a) de zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen;
  b) de betaalde jaarlijkse vakantiedagen en de inhaalrustdagen bepaald in een koninklijk besluit of in een bij koninklijk besluit algemeen bindend verklaarde kollektieve arbeidsovereenkomst.
  Indien de leveringstermijnen in kalenderdagen, -weken, of -maanden zijn vastgesteld, worden de sluitingsdagen voor de jaarlijkse vakanties in de onderneming van de leverancier daar niet ingerekend.
  Indien de leveringstermijn één van de gunningscriteria uitmaakt van de opdracht, worden echter alle dagen zonder onderscheid in de termijn gerekend.
  2° De leveringstermijnen vangen aan naar gelang het geval ofwel op de dag volgend op de datum van de gunning van de opdracht, ofwel op de dag van de bestelling. De datum van de afgifte bij de post van de aangetekende brief, van het telegram of de datum van het verzenden van de telex of van de telefax geldt als bewijs, met dien verstande dat het telegram, de telex of de telefax binnen de vijf dagen bij ter post aangetekende brief moet worden bevestigd. De leveringstermijnen behelzen de tijd die nodig is voor de aan de fabricage voorafgaande verrichtingen en de voorbereiding van de leveringen, inzonderheid de eventuele voorafgaande keuringen.

  Keuring.

  Art. 53. § 1. Proeven - De proeven en de controles voor de keuring van de leveringen en hun bestanddelen worden, zelfs gedurende de fabricage, uitgevoerd naar keuze van de aanbestedende overheid ofwel :
  1° in de werkhuizen van de fabrikant;
  2° in de laboratoria van de leverancier;
  3° in de laboratoria van de aanbestedende overheid of door haar erkend;
  4° in andere erkende laboratoria in de zin van de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van certificatie- en keuringsinstellingen, alsmede van beproevingslaboratoria, of in gelijkaardige laboratoria geaccrediteerd in de Europese Gemeenschap.
  In de gevallen bedoeld onder 1° en 2°, worden de proefstukken of de te beproeven produkten klaar voor proeven ter beschikking van de afgevaardigde van de aanbestedende overheid gesteld binnen de vijftien kalenderdagen na de dag van het merken. De proeven worden in het bijzijn van die afgevaardigde verricht.
  Het bestek vermeldt de produkten die in de werkplaats of het laboratorium van de leverancier zullen worden getest.
  In de gevallen bedoeld onder 3° en 4°, worden onmiddellijk nadat de afgevaardigde van de aanbestedende overheid de te beproeven produkten of de materialen voor het vervaardigen der proefstukken genomen en gemerkt heeft, die produkten of materialen door toedoen van de leverancier zonder verwijl, kostenvrij en onder toezicht van de afgevaardigde van de aanbestedende overheid verzonden naar het laboratorium waar de proeven moeten worden uitgevoerd.
  In ieder geval moeten de merken aanwezig blijven tot op de dag van de proeven. Waar ook de monstername en de proeven geschieden, de aanbestedende overheid kan een termijn stellen waarbinnen het afval van de proefstukken, de gebroken stukken en de overschotten van de genomen materialen dienen bewaard te worden of waarbinnen zij ze kan meenemen.
  § 2. Termijn voor de proeven.
  De tijd die verloopt tussen de datum van het nemen van proefstukken of stalen of van het merken en die van aankomst in de inrichting waar de proeven moeten worden verricht, blijft buiten beschouwing bij de berekening van de termijn die de aanbestedende overheid stelt voor de mededeling van haar beslissing tot aanvaarding of weigering.
  § 3. Controlemiddelen door de leverancier ter beschikking gesteld van de aanbestedende overheid.
  De wegingen voor de keuringen van produkten waarvoor een theoretisch gewicht of gewichtstolerantie is bepaald, worden in de werkplaats van de leverancier of van zijn onderaannemer verricht. De leverancier moet de door de controleur van maten en gewichten behoorlijk geijkte weeginstrumenten kosteloos ter beschikking stellen van de aanbestedende overheid.
  De behoorlijk geijkte meetinstrumenten en de controle-apparaten worden voor de in de technische bepalingen voorziene proeven eveneens kosteloos door de leverancier aan de aanbestedende overheid ter beschikking gesteld in zijn werkplaatsen of laboratoria.
  § 4. Nazicht en toezicht.
  De leverancier deelt de aanbestedende overheid de juiste plaats mee van de aan de gang zijnde fabricages in zijn werkhuizen en deze van zijn onderaannemers en leveranciers.
  De leverancier draagt er zorg voor dat de leidend ambtenaar en de door de aanbestedende overheid aangestelde ambtenaren te allen tijde vrij toegang hebben tot de produktieplaatsen, ten einde de stipte naleving van de voorwaarden van de opdracht te controleren wat de herkomst, de kwaliteit of de fabricage van de produkten betreft, dit alles onverminderd de keuringen die op de afgewerkte produkten moeten worden verricht.
  Wanneer de produkten in een bepaald bedrijf onder bestendig toezicht van de aanbestedende overheid worden vervaardigd, kan zij de verzending van deze produkten zonder verder nazicht toelaten.
  § 5. Tegenproef en expertise.
  1° Ingeval de resultaten van de proeven worden aangevochten, heeft ieder van de partijen het recht een tegenproef te vragen.
  Tenzij anders bepaald is door het bestek, gebeurt de tegenproef altijd op grond van een dubbel aantal stalen en proefstukken dan het aantal waarop de aangevochten proef werd verricht.
  Elk van de partijen mag een laboratorium aanduiden waar de helft van de stalen en proefstukken wordt getest. Beide partijen mogen hetzelfde laboratorium kiezen.
  De tegenproef bestaat altijd uit het onderzoek van alle eigenschappen die bij de eerste proef werden nagegaan. Al de resultaten dienen voldoening te geven.
  Wanneer de betwisting betrekking heeft op een punt dat niet volmaakt kan worden beoordeeld, heeft ieder van de partijen het recht een expertise aan te vragen. De expert wordt in gemeen overleg tussen de partijen aangewezen. De expertise wordt verricht in een door de expert aangewezen erkend laboratorium.
  Het laboratorium of de expert maakt een proces-verbaal over aan de aanbestedende overheid, die het bij ter post aangetekende brief naar de leverancier stuurt.
  Het resultaat van de tegenproef of van de expertise is beslissend.
  De kosten van de tegenproef of van de expertise vallen ten laste van de aanbestedende overheid in het geval deze tegenproef of expertise de leverancier in het gelijk stelt.
  2° Zo de leverancier de tegenproef of expertise aanvraagt, moet hij dit bij ter post aangetekende brief mededelen ten laatste de vijftiende kalenderdag, volgend op de betekening van het proces-verbaal van weigering. Voor bederfbare goederen mag de aanvraag binnen de vierentwintig uur per telegram, telex of telefaxapparaat gebeuren.
  Zo de aanbestedende overheid de tegenproef of expertise aanvraagt, moet de aanvraag per aangetekende brief aan de leverancier worden overgemaakt met het proces-verbaal dat hem kennis geeft van de uitslag van de oorspronkelijke proef of expertise. Voor bederfbare goederen, mag de aanvraag ook per telegram, telex of telefaxapparaat gebeuren binnen de vierentwintig uur na de oorspronkelijke proef.
  Na verloop van de bovenvermelde termijnen is de aanvraag van een tegenproef of expertise niet meer ontvankelijk.
  3° Een dienovereenkomstige verlenging van de leveringstermijn wordt toegestaan in de mate dat de tegenproef of de expertise de leverancier in het gelijk stelt, en voor zover hij bewijst dat de levering hierdoor werd vertraagd. Deze verlenging sluit elk recht op schadevergoeding uit.

  Verlenging van de leveringstermijn.

  Art. 54. § 1. De plannen, documenten en voorwerpen, vermeld in artikel 4, § 1, worden aan de leverancier ter hand gesteld of te zijner beschikking gesteld, en dit binnen de vijftien kalenderdagen volgend op de dag waarop zijn schriftelijke aanvraag is toegekomen bij de door het bestek daartoe aangewezen ambtenaar, of bij ontstentenis bij de leidend ambtenaar.
  § 2. Wanneer de in de voorafgaande paragraaf en in de artikelen 4, § 2, en 12, § 6, gestelde termijnen door de schuld van de aanbestedende overheid worden overschreden, wordt de leveringstermijn dienovereenkomstig verlengd, tenzij de aanbestedende overheid bewijst dat de werkelijk veroorzaakte vertraging kleiner is dan die overschrijding.
  Hetzelfde geldt wanneer de uiterste data voor het verzenden van de te verwerken voorwerpen niet werden geëerbiedigd.
  De leveringstermijn mag niet met meer dan de duur van de overschrijding door de leverancier verlengd worden, tenzij hij bewijst dat bijzondere omstandigheden een grotere verlenging verantwoorden.
  § 3. Van zodra de aanbestedende overheid door toedoen van de leverancier kennis heeft gekregen van een feit dat zijn inziens een verlenging van de leveringstermijn verantwoordt, doet zij de nodige vaststellingen op tegenspraak verrichten om er de gegrondheid van na te gaan. Hiervan wordt een proces-verbaal opgemaakt dat de leverancier wordt verzocht tegen te tekenen.

  Levering en aansprakelijkheid van de leverancier.

  Art. 55. § 1. Plaats van levering.
  De goederen moeten op de in het bestek vermelde plaats geleverd worden.
  Wanneer het noodzakelijk is, mag de aanbestedende overheid de goederen doen afleveren op andere plaatsen en daar de keuringen en opleveringen verrichten, zonder dat de leverancier hiertegen enig bezwaar kan inbrengen.
  In dat geval, vallen de risico's en de kosten van het bijkomend vervoer, lossen en laden voor rekening van de aanbestedende overheid.
  § 2. Leveringsformaliteiten.
  Voor iedere leveringslijst maakt de leverancier een vijfvoudige lijst op, met het oog op de voorlopige oplevering. Hij laat die exemplaren bij de aanbestedende overheid toekomen ten laatste op de dag zelf van de verzending of van de aflevering van de goederen. De lijst bevat de specificatie van de verzonden grondstoffen of goederen met opgave van de hoeveelheden, het merk, het nummer , het bruto- en het nettogewicht van de levering, alsmede de merktekens van de voor verzending gebruikte spoorwagens, vrachtwagens, schepen of vliegtuigen; ook het nummer van het bestek, de datum van het sluiten van de overeenkomst en eventueel die van de bestelling en het nummer van het perceel, worden erop vermeld.
  De leveringslijst mag worden vervangen door een faktuur, die dezelfde inlichtingen vermeldt.
  § 3. Voorwaarden betreffende de levering.
  De leveringen die niet worden aangeboden overeenkomstig de (in de opdracht gestelde voorwaarden) om te worden opgeleverd of waarop enige onkosten moeten worden vereffend, kunnen met afgekeurde leveringen worden gelijkgesteld. <KB 1999-04-29/46, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 01-06-1999>
  § 4. Nazicht van de levering.
  De aanbestedende overheid ziet de leveringen na op de leveringsplaats. Ze neemt eveneens de eventuele beschadigingen op. Het resultaat van dit nazicht alsmede de juiste datum van de aankomst van de leveringen worden vermeld in een proces-verbaal of eventueel op de leveringslijst of de faktuur bedoeld in § 2.
  De aanbestedende overheid beschikt over vijftien kalenderdagen om voornoemde formaliteiten van onderzoek te vervullen en aan de aannemer kennis te geven van de uitslag. Deze termijn gaat in de dag volgend op de dag waarop de leveringen ter bestemming zijn gekomen, voor zover de aanbestedende overheid in het bezit van de leveringslijst of faktuur wordt gesteld.
  In elk geval neemt de keurder de nodige maatregelen om te beletten dat de afgekeurde produkten opnieuw ter keuring of oplevering worden aangeboden of geleverd in de toestand waarin ze zich bevinden.
  § 5. Aansprakelijkheid van de leverancier.
  De leverancier is voor zijn leveringen aansprakelijk tot op het ogenblik dat de in § 4 vermelde formaliteiten zijn verricht, behalve wanneer in de opslagplaatsen van de bestemmeling verliezen of beschadigingen zijn ontstaan, te wijten aan feiten of omstandigheden bedoeld in artikel 16.

  Verpakkingen.

  Art. 56. § 1. Behoudens andersluidende bepaling in het bestek worden de verpakkingen eigendom van de aanbestedende overheid, zonder dat de leverancier hiervoor op enige vergoeding aanspraak kan maken.
  § 2. Indien het bestek bepaalt dat de verpakkingen eigendom blijven van de leverancier worden zij hem vrij van iedere aan de aanbestedende overheid te wijten abnormale beschadiging terugbezorgd. Dit geschiedt binnen de in het bestek hiervoor bepaalde termijn, die ingaat op de dag waarop de leveringen op de plaats van levering toekomen.
  Eens die termijn is verlopen mag de leverancier de verpakkingen aan de aanbestedende overheid aanrekenen tegen de prijs die hij hiervoor in zijn offerte heeft vermeld.
  De verpakkingen die moeten worden terugbezorgd dragen een volgnummer en het merkteken van de leverancier. Zij worden op zijn kosten naar het in zijn offerte vermelde plaats van bestemming teruggezonden.

  Onderafdeling 4. - Einde van de opdracht.

  Wijzen van voorlopige oplevering.

  Art. 57. § 1. Bij het verstrijken van de bij artikel 55, § 4, bepaalde termijn van vijftien kalenderdagen, wordt naar gelang het geval een proces-verbaal opgesteld van voorlopige oplevering van de levering of van weigering van oplevering.
  Het bestek kan evenwel bepalen dat de voorlopige oplevering verloopt volgens één van de twee volgende werkwijzen die ook gelden als keuring a posteriori :
  1° een dubbele oplevering, die een gedeeltelijke oplevering inhoudt op de plaats van fabricage en een volledige oplevering op de plaats van levering; die dubbele oplevering wordt behandeld in de artikelen 58 tot 60;
  2° een volledige oplevering op de plaats van levering zonder gedeeltelijke oplevering op de plaats van fabricage; die oplevering wordt behandeld in artikel 61.
  § 2. Bij overschrijding van de termijn door de schuld van de aanbestedende overheid blijft zij niettemin gerechtigd de leveringen te aanvaarden of te weigeren, doch is zij in dit geval aan de leverancier per kalenderdag vertraging een vergoeding verschuldigd van 0,07 percent van de bedragen waarvan de betaling van de voorlopige oplevering afhankelijk is, met een maximum van 5 percent van het totaal van deze bedragen.

  Dubbele voorlopige oplevering.

  Art. 58. § 1. Iedere gedeeltelijke voorlopige oplevering op de plaats van fabricage moet door de leverancier schriftelijk en volgens de voorschriften aan de aanbestedende overheid worden aangevraagd.
  § 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 60, § 3, derde lid, geldt als leveringsdatum voor de toepassing van boeten wegens laattijdige uitvoering, de datum waarop de leveringen voor het verrichten van de gedeeltelijke voorlopige oplevering ter beschikking van de aanbestedende overheid worden gesteld.
  De datum van terbeschikkingstelling van de leveringen voor de verrichtingen van de voorlopige gedeeltelijke oplevering, wordt door de leverancier vastgesteld in de aanvraag tot oplevering. Indien de datum evenwel niet is vermeld of indien hij vóór de datum is gesteld waarop de aanvraag tot oplevering bij de aanbestedende overheid toekomt, dan is het deze laatste datum die voor het aanbieden van de leveringen voor oplevering in aanmerking komt.
  Om de aannemer in kennis te stellen van de oplevering of van de weigering van oplevering, beschikt de aanbestedende overheid over een termijn van dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de dag van de aanvraag tot oplevering. Deze termijn bedraagt zestig kalenderdagen wanneer het bestek bepaalt dat de opleveringsverrichtingen de tussenkomst vereisen van een laboratorium. Het bestek kan kortere termijnen bepalen.
  De termijn waarover de aanbestedende overheid beschikt om haar beslissing bekend te maken, wordt verlengd met het aantal dagen, nodig voor de heen- en terugreis van de keurders.
  Ingeval van weigering van de leveringen aangeboden voor oplevering, wordt met het aantal dagen waarmede voormelde termijnen wordt overschreden rekening gehouden voor het vaststellen van de eventuele vertraging van de ter vervanging verrichte leveringen.
  § 3. De voorlopige oplevering is slechts volledig nadat de aanbestedende overheid de in artikel 55 bedoelde handelingen heeft verricht.

  Aanbieden van de leveringen voor de gedeeltelijke voorlopige oplevering op de plaats van fabricage.

  Art. 59. § 1. De plannen, tekeningen, modellen en stalen, gemerkt met de stempel van de aanbestedende overheid die aan de leverancier ter hand werden gesteld, alsmede de modelstukken, de kennisgeving van het aanvaarden van de te verwerken grondstoffen en voorwerpen, moeten, voor de keuring in de werkhuizen, ter beschikking van de gemachtigde van de aanbestedende overheid worden gehouden. De tracé's en de mallen worden door toedoen van de leverancier kosteloos gemaakt onder toezicht van de aanbestedende overheid en ter beschikking van de keurders gehouden.
  De nodige wegingen voor het nazicht van de voorwerpen en werktuigen waarvoor theoretische gewichten of gewichtsafwijkingen zijn voorgeschreven worden in de werkhuizen van de leverancier verricht die de aanbestedende overheid kosteloos over de door de ijkmeester behoorlijk geijkte weegtoestellen moet laten beschikken.
  De leverancier laat de aanbestedende overheid ook kosteloos voor de in zijn werkhuizen uit te voeren proeven over behoorlijk gecontroleerde meetapparaten en proefmachines beschikken.
  De voorwerpen die moeten geverfd of ingesmeerd worden dienen vooraf te worden gekeurd.
  § 2. De leveringen worden door toedoen van de leverancier op een passende plaats gerangschikt en uitgestald.
  De arbeidskrachten die nodig zijn voor het schouwen, het sorteren, het wegen en het merken, moeten door de leverancier kosteloos en in voldoend aantal ter beschikking worden gesteld.
  § 3. Wanneer de aanbestedende overheid vaststelt dat de leveringen niet in staat zijn om te worden opgeleverd of dat de leverancier merkelijk kleinere hoeveelheden aanbiedt dan in zijn aanvraag was vermeld, wordt de vraag tot oplevering van de leverancier als onbestaande beschouwd. De leverancier moet een nieuwe vraag tot oplevering indienen.

  Verzegelingen, verzendingen en afgekeurde materialen.

  Art. 60. § 1. Verzegeling van de verpakte leveringen. De leveringen waarop geen goedkeuringsmerk kan worden aangebracht, moeten zodanig worden verpakt, dat het verzegelen gemakkelijk kan geschieden en de echtheid van de aanvaarde goederen volkomen wordt gewaarborgd.
  De leverancier en de keurder moeten eventueel akkoord gaan over het toe te passen verzegelingssysteem. Het verzegelen geschiedt op het ogenblik van de voorafneming van de te beproeven stukken of van de materialen voor het vervaardigen van de proefstukken. Het leveren en aanbrengen van de vereiste zegelloodjes, draden en zegels worden verricht door de leverancier.
  § 2. Verzegeling van de te beproeven stukken of van de proefstukken.
  De te beproeven stukken en de materialen voor het vervaardigen van de proefstukken worden gemerkt ofwel in een verzegelde verpakking gedaan op het ogenblik dat ze worden genomen.
  De leverancier levert de benodigdheden voor het vervullen van die formaliteiten alsmede proper en behoorlijke verpakkingen voor de verzending.
  § 3. Verzending van de leveringen die voorlopig zijn aanvaard op de plaats van fabricage.
  Wanneer de proeven voldoening hebben gegeven, verleent de keurder toelating tot het verzenden van de aangeboden goederen, tot het beloop van de bestelde hoeveelheid.
  Wat de leveringen betreft waaruit geen te beproeven stukken of geen proefstukken worden genomen, geeft de keurder aanstonds na het nazicht van de levering, aan de aannemer bericht van de beslissing die omtrent de ter oplevering aangeboden voorwerpen werd getroffen; de gunstige kennisgeving geldt als toelating tot verzending.
  De leveringen moeten op de leveringsplaats worden bezorgd binnen de vijftien kalenderdagen na de dag waarop de leverancier het bericht van goedkeuring heeft ontvangen. Deze bindende termijn omvat de tijd nodig voor alle verrichtingen tot de aankomst van de goederen op de leveringsplaats, zoals de verpakking, het vervoer, het in- of uitklaren of het verkrijgen van vergunningen of voorafgaande toelatingen. Bij overschrijding van die termijn, wordt de leveringsdatum bepaald in artikel 58, § 2, dienovereenkomstig verschoven.
  § 4. Leveringen die worden verworpen ingevolge de proeven die zijn verricht buiten de fabriek van de producent.
  Wanneer de aangeboden leveringen worden verworpen ingevolge de uitslagen van de proeven, wordt in de fabriek van de producent als volgt gehandeld :
  1° wanneer het leveringen betreft die in één en dezelfde verpakking zijn gedaan, kan de keurder de verworpen goederen doen blokkeren tot bij de volledige voorlopige oplevering;
  2° wanneer het stukken betreft die afzonderlijk zijn gemerkt, mag de keurder de stempel van verwerping overdrukken op het oorspronkelijk aangebracht merk, doch zo, dat hun handelswaarde niet wordt aangetast.
  In elk geval neemt de keurder de nodige maatregelen om te beletten dat de afgekeurde produkten opnieuw ter oplevering worden aangeboden of geleverd in de toestand waarin ze zich bevinden.

  Volledige voorlopige oplevering op de plaats van levering.

  Art. 61. § 1. Indien de voorlopige oplevering geheel op de plaats van levering wordt verricht, beschikt de aanbestedende overheid over dertig kalenderdagen om de leveringen te onderzoeken en te beproeven en om haar beslissing van aanvaarding of verwerping ervan mede te delen. Deze termijn wordt zestig kalenderdagen indien het bestek bepaalt dat de opleveringsverrichtingen de tussenkomst van een laboratorium eisen. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de goederen op de plaats van levering aankomen, op voorwaarde dat de aanbestedende overheid in het bezit is gesteld van de leveringslijst of faktuur bedoeld in artikel 55, § 2; de in artikel 55, § 4, voorziene termijn van vijftien kalenderdagen is hierin begrepen.
  § 2. De leverancier of zijn gemachtigden mogen bij de opleveringen aanwezig zijn.
  § 3. De afgekeurde voorwerpen mogen niet alleen van een merk van verwerping worden voorzien overeenkomstig het bepaalde bij artikel 60, § 4, maar de aanbestedende overheid mag ze tevens bijhouden tot de datum van de betekening van het proces-verbaal van voorlopige oplevering.
  Het staat de aanbestedende overheid evenwel vrij van dat recht geen gebruik te maken wanneer de leverancier bewijst dat hij het voorwerp aan een derde heeft verkocht; ook kan de aanbestedende overheid aan de leverancier, op zijn verzoek, toelating verlenen het voorwerp te vernielen, met inachtneming van de controlemaatregelen die zij nodig acht.
  In elk geval neemt de keurder alle nodige maatregelen om te beletten dat de afgekeurde produkten opnieuw ter oplevering worden aangeboden of geleverd in de toestand waarin ze zich bevinden.
  § 4. Ingeval voorwerpen worden verworpen, wordt daarvan bij ter post aangetekende brief kennis gegeven aan de leverancier, die ze moet doen weghalen binnen een termijn van vijftien kalenderdagen, tenzij gebruik wordt gemaakt van het in § 3 voorziene recht om ze bij te houden.
  Na het verstrijken van die termijn is de aanbestedende overheid ontheven van iedere verantwoordelijkheid voor de niet weggehaalde voorwerpen. Ze mogen van ambtswege en op kosten van de leverancier worden teruggezonden.
  § 5. De aanbestedende overheid kan voor het weghalen van de verworpen voorwerpen een uiterste datum stellen. Zij kan van dat recht slechts gebruik maken indien er ten minste dertig kalenderdagen zijn verlopen tussen de dag van de kennisgeving en die welke voor het weghalen is bepaald.
  Voor iedere kalenderdag vertraging na de gestelde uiterste datum kan een straf worden toegepast overeenkomstig artikel 20, § 4.

  Schifting.

  Art. 62. Indien tijdens het nazicht van een ter keuring of oplevering aangeboden levering, om het even hoever dat onderzoek gevorderd is, vastgesteld wordt dat de hoeveelheid produkten of materialen die aan de gestelde eisen niet voldoen, tenminste 10 percent bedraagt van de aangeboden totale hoeveelheid, kan de aanbestedende overheid hetzij gans de aangeboden levering afkeuren zonder vergoeding voor de leverancier, hetzij de goederen schiften en de aanvaardbare stukken in ontvangst nemen.
  Wanneer het aandeel van produkten of van materialen die niet aan de gestelde eisen voldoen, lager is dan 10 procent van de aangeboden totale hoeveelheid, gaat de aanbestedende overheid over tot schifting om de aanvaardbare stukken in ontvangst te nemen.
  De schiftingskosten vallen in ieder geval ten laste van de leverancier.

  Verplichtingen van de leverancier na de oplevering.

  Art. 63. De aanbestedende overheid kan gedurende de waarborgtermijn vermeld in het bestek of, bij ontstentenis, binnen een termijn van één jaar, te rekenen vanaf de dag van de voorlopige oplevering op de leveringsplaats, van de leverancier eisen dat hij op zijn kosten de produkten binnen de gestelde termijn vervangt, wanneer ze gebreken vertonen die geen gebruik toelaten overeenkomstig de voorwaarden van de opdracht.
  Op al de in vervanging geleverde produkten wordt een nieuwe gelijkwaardige waarborgtermijn toegepast.

  Definitieve oplevering.

  Art. 64. De definitieve oplevering heeft plaats bij het verstrijken van de waarborgtermijn vermeld in het bestek of, bij ontstentenis, binnen de termijn van een jaar bepaald in artikel 63; ze gebeurt stilzwijgend wanneer de levering gedurende die termijn geen aanleiding tot klachten heeft gegeven.
  Wanneer de levering tijdens de waarborgtermijn aanleiding heeft gegeven tot klachten, wordt er binnen de vijftien kalenderdagen voorafgaand aan het verstrijken van die termijn een proces-verbaal van definitieve oplevering of van weigering van oplevering opgesteld.

  Bezwaren in verband met de oplevering.

  Art. 65. Behoudens overmacht moet ieder bezwaar tegen de beslissingen genomen door de aanbestedende overheid inzake opleveringen worden ingediend bij ter post aangetekende brief uiterlijk de vijftiende kalenderdag na de dag die overeenstemt met de postdatum van de brief die de kennisgeving van weigering of van aanvaarding tegen korting wegens minderwaarde bevat.

  Onderafdeling 5. - Gebrekkige uitvoering - Middelen van optreden van de aanbestedende overheid.

  Art. 66. § 1.- Boeten wegens laattijdige uitvoering.
  1° Het louter verstrijken van de eventuele verlengde leveringstermijn stelt de leverancier in gebreke. Alle voorschriften betreffende de boeten wegens laattijdige uitvoering, treden van rechtswege in werking, zonder enige kennisgeving of bericht.
  2° De boeten wegens laattijdige uitvoering worden berekend naar rata van 0,07 percent per kalenderdag vertraging, met een maximum van 5 percent van de waarde van de goederen waarvan de levering met dezelfde vertraging gebeurde.
  De waarde van de leveringen wordt berekend op grond van de oorspronkelijke aannemingsprijs eventueel gewijzigd door bijakten, zonder rekening te houden met de prijsherzieningen bedoeld in artikel 13, § 2 en § 3, noch met de kortingen wegens minderwaarde bedoeld in artikel 20, § 9.
  Worden niet aangerekend, de boeten wegens laattijdige uitvoering waarvan het totaal bedrag geen (55 EUR) per opdracht bereikt. <KB 2000-07-20/50, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  3° Indien bepaald is dat de levering gespreid moet worden uitgevoerd, worden de boeten wegens laattijdige uitvoering overeenkomstig de uitvoeringstermijnen voor elke gedeeltelijke levering afzonderlijk toegepast.
  Onverminderd het bepaalde in artikel 60, § 3, derde lid, geldt als de datum voor de levering voor het toepassen van boeten wegens laattijdige uitvoering, de datum waarop de leveringen voor het verrichten van de gedeeltelijke voorlopige oplevering ter beschikking van de aanbestedende overheid worden gesteld.
  4° Wanneer de opdracht uit verschillende delen of fazen bestaat, ieder met een eigen uitvoeringstermijn en een eigen bedrag, wordt voor de toepassing van de boeten elk van de onderdelen met een afzonderlijke opdracht gelijkgesteld.
  5° Indien de opdracht niet uit delen of fazen in de zin van het 4° bestaat, doch dat het bestek gedeeltelijke uitvoeringstermijnen bepaalt zonder deze daarom als bindend aan te wijzen, moeten deze termijnen als loutere vooruitzichten worden beschouwd voor de uitvoering van de opdracht en wordt, voor de toepassing van de boeten alleen de eindtermijn in aanmerking genomen. Indien het bestek daarentegen vermeldt dat de gedeeltelijke uitvoeringstermijnen dwingend zijn, dan wordt het niet in acht nemen ervan bestraft door speciale in het bestek daartoe voorziene boeten of indien geen dergelijke bepaling voorkomt, door boeten die overeenkomstig de bepaling in het 2° worden berekend.
  § 2. Maatregelen van ambtswege
  1° Wanneer wordt overgegaan tot maatregelen van ambtswege onder de vorm van uitvoering in eigen beheer of van opdracht voor rekening worden de meerkosten uitsluitend berekend op de leveringen die de ingebreke gebleven leverancier gehouden was uit te voeren en die werkelijk werden uitgevoerd in eigen beheer of besteld bij de nieuwe leverancier, zonder dat de prijsherzieningen bedoeld in artikel 13 in aanmerking komen, die de prijzen van de ingebreke gebleven leverancier of de nieuwe leverancier hadden kunnen wijzigen. De prijzen die voor de berekening van de meerkosten in aanmerking komen worden desgevallend verhoogd met de belasting op de toegevoegde waarde.
  De boeten wegens laattijdige uitvoering blijven lopen ten laste van de in gebreke gestelde leverancier tot de datum van de levering of van fabricage en, in geval van opdracht voor rekening, uiterlijk tot het verstrijken van de termijn voor de uitvoering van ambtswege.
  2° Wanneer de opdracht betrekking heeft op leveringen die niet of niet meer in de handel zijn of die alleen door de leverancier die in gebreke is gesteld hadden kunnen worden geleverd en indien de aanbestedende overheid zich onmogelijk identieke goederen kan aanschaffen, kan het die na ingebrekestelling bij ter post aangetekende brief, door soortgelijke vervangen, onder de in artikel 20, § 6, en in 1° van deze paragraaf bedoelde voorwaarden.
  Bij de ingebrekestelling bepaalt de aanbestedende overheid de gelijkaardige leveringen die zij voornemens is te bestellen.
  3° De leveringen voor rekening van de in gebreke gestelde leverancier worden gekeurd en opgeleverd volgens de voorschriften van de oorspronkelijke opdracht.
  In het in 2° van deze paragraaf genoemde geval worden de voor rekening bestelde of in eigen beheer uitgevoerde leveringen van gelijke aard onderworpen aan de door de aanbestedende overheid bepaalde proeven.
  Aan de leverancier die in gebreke is gebleven wordt behoorlijk kennis gegeven van de plaats waar en van de datum waarop de in de twee voorafgaande leden bedoelde proeven zullen worden verricht; hij mag er bij aanwezig zijn of er zich laten vertegenwoordigen, tenzij de nieuwe leverancier zich hiertegen verzet wanneer de keuringsverrichtingen in zijn instellingen moeten plaatsvinden. In dit geval kan de in gebreke gestelde leverancier de mededeling van het resultaat van de keuring en van de oplevering eisen.
  4° De ingebreke gestelde leverancier draagt insgelijks de kosten voor het gunnen van de opdracht voor rekening; welke ook de gunningswijze is, worden deze kosten op één percent van de oorspronkelijke aannemingssom van deze opdracht bepaald, met een maximum van (11.000 EUR). <KB 2000-07-20/50, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Afdeling 3. - Opdrachten voor aanneming van diensten.

  Onderafdeling 1. - Elementen die in de prijzen zijn begrepen.

  Art. 67. De dienstverlener wordt geacht zowel in zijn eenheidsprijzen als in zijn globale prijzen alle kosten en heffingen die op de diensten wegen te hebben inbegrepen, met uitzondering van de belasting op de toegevoegde waarde.
  In de prijzen zijn inzonderheid ingerekend :
  1° de administratie -en secretariaatskosten;
  2° de verplaatsings-, vervoers- en verzekeringskosten;
  3° de kosten voor de documentatie die betreffende de diensten en eventueel door de aanbestedende overheid wordt geëist;
  4° de levering van documenten of van stukken die gepaard gaan met de uitvoering van de diensten;
  5° de tol- en accijnsrechten betreffende het gebruikte materieel en de produkten;
  6° de kosten voor verpakking;
  7° de keurings- en de opleveringskosten.

  Onderafdeling 2. - Briefwisseling met de dienstverlener.

  Art. 68. De kennisgevingen door de aanbestedende overheid worden gezonden naar de woonplaats of de sociale zetel die wordt vermeld in de offerte tenzij het bestek de dienstverlener na het sluiten van de opdracht verplicht een andere woonplaats te kiezen.

  Onderafdeling 3. - Verloop van de opdracht.

  Uitvoeringsmodaliteiten.

  Art. 69. § 1. Indien het bestek vaste of minimaal te verlenen diensten vaststelt, verkrijgt de dienstverlener door het louter sluiten van de overeenkomst, het recht die vaste of minimale hoeveelheden uit te voeren. In geval de aanbestedende overheid de vaste of minimale hoeveelheden toch vermindert heeft de dienstverlener recht op de vergoeding van zijn schade. Het bestek kan de modaliteiten van deze vergoeding bepalen.
  § 2. Indien het bestek voor het geheel of voor een deel van de te verlenen diensten één of meer gedeeltelijke bestellingen voorschrijft, is de uitvoering van de opdracht afhankelijk van de betekening van elk der bestellingen.
  § 3. De uitvoeringstermijnen worden hetzij in kalenderdagen, -weken of -maanden bepaald of van datum tot datum, hetzij in werkdagen. Indien de uitvoeringstermijn in werkdagen is gesteld, worden als zodanig niet beschouwd :
  1° de zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen;
  2° de betaalde jaarlijkse vakantiedagen en de inhaalrustdagen bepaald in een koninklijk besluit of in een bij koninklijk besluit algemeen bindend verklaarde kollektieve arbeidsovereenkomst.
  Indien de uitvoeringstermijnen in kalenderdagen, -weken, of -maanden zijn vastgesteld, worden de sluitingsdagen voor de jaarlijkse vakanties in de onderneming van de dienstverlener daar niet ingerekend.
  Indien de uitvoeringstermijn één van de criteria uitmaakt voor de gunning van de opdracht, worden echter alle dagen zonder onderscheid in de termijn gerekend.
  § 4. De uitvoeringstermijnen vangen aan ofwel op de dag volgend op de datum van kennisgeving van het sluiten van de overeenkomst, ofwel op de dag van de bestelling. De datum van de afgifte bij de post van de aangetekende brief, van het telegram of de datum van het verzenden van de telex of van de telefax geldt als bewijs, met dien verstande dat het telegram, de telex of de telefax zonder verwijl bij ter post aangetekende brief moet worden bevestigd. De uitvoeringstermijnen behelzen de tijd die nodig is voor de voorbereiding van de diensten, inzonderheid de eventuele voorafgaande technische keuringen.
  In voorkomend geval en indien het bestek zulks bepaalt, begint de termijn te lopen op de dag dat de noodzakelijke gegevens aan de dienstverlener zijn overgemaakt.

  Plaats van dienstverlening

  Art. 70. § 1. Het bestek vermeldt desgevallend de plaats waar de diensten moeten verleend worden. Wanneer het noodzakelijk is mag de aanbestedende overheid de diensten doen verlenen op andere plaatsen en daar de keuringen en opleveringen verrichten, zonder dat de dienstverlener hiertegen enig bezwaar kan inbrengen.
  In dat geval vallen de bijkomende risico's en kosten ten laste van de aanbestedende overheid.
  § 2. Bij gebrek aan een aanwijzing hieromtrent in het bestek, verduidelijkt de dienstverlener, binnen de vijftien dagen na de betekening van de goedkeuring van zijn offerte, de plaats waar de diensten zullen worden verleend.

  Keuring.

  Art. 71. De diensten die het voorwerp van de opdracht uitmaken worden aan controles onderworpen ten einde vast te stellen of zij beantwoorden aan de voorschriften van het bestek.
  De dienstverlener deelt aan de leidend ambtenaar bij ter post aangetekende brief de datum mede waarop de diensten kunnen gecontroleerd worden.
  Tenzij het bestek een kortere termijn bepaalt, beschikt de aanbestedende overheid over een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf ontvangst van het door de dienstverlener aan haar gerichte bericht, om tot de controles over te gaan en om haar beslissing mede te delen.

  Aansprakelijkheid van de dienstverlener

  Art. 72. § 1. De dienstverlener draagt de volle aansprakelijkheid voor de fouten en nalatigheden die in de verleende diensten voorkomen, inzonderheid in de studies, de berekeningen, de plannen of in alle andere ter uitvoering van de opdracht door hem voorgelegde stukken.
  In de architectuur- en ingenieursopdrachten is de dienstverlener er ten overstaan van de aanbestedende overheid toe gehouden vanaf de voorlopige oplevering van het geheel van de werken waarop zijn studieopdracht slaat, de aansprakelijkheid op zich te nemen bedoeld in de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek.
  § 2. De dienstverlener vrijwaart de aanbestedende overheid bovendien tegen elke schadevergoeding die deze aan derden verschuldigd is op grond van zijn vertraging of in gebreke blijven.

  Onderafdeling 4. - Onverenigbaarheid.

  Art. 73. § 1. Wanneer, overeenkomstig artikel 10 van de wet, een dienstverlener aan de aanbestedende overheid meldt dat hij zich in de situatie bevindt of zou kunnen bevinden dat hij niet mag tussenkomen in de gunning noch in het toezicht op de uitvoering van een overheidsopdracht, na onderzoek van deze situatie, beschikt de aanbestedende overheid over de mogelijkheid om zonder schadevergoeding een einde te stellen aan de opdracht waarmee voornoemde dienstverlener belast is. Bij het uitvoeren van dit onderzoek wordt ondermeer rekening gehouden met de inlichtingen en de bewijsstukken die bij de belanghebbende ingewonnen werden.
  In geval van verbreking wordt er een staat van de verleende diensten opgemaakt, met het oog op hun betaling aan de dienstverlener.
  § 2. Iedere vaststelling door de aanbestedende overheid van een inbreuk op de voorschriften van artikel 10 van de wet kan leiden tot de nietigheid van de opdracht voor aanneming van diensten. Niettemin dient de aanbestedende overheid, vóór zij een dergelijke maatregel toepast, de dienstverlener per aangetekende brief uit te nodigen om binnen een termijn van twaalf kalenderdagen adequate bewijsstukken te leveren.
  Ingeval de dienstverlener deze bewijsstukken niet aanbrengt, heeft hij geen recht op enige betaling voor de prestaties die werden geleverd na het ogenblik waarop hij weet heeft of zou moeten hebben gehad van de onverenigbaarheid.
  De aanbestedende overheid kan echter ten behoeve van de opdracht vrij beschikken over de studies, verslagen en andere documenten die door de dienstverlener werden uitgewerkt in uitvoering van de opdracht.
  Bovendien kan de aanbestedende overheid deze dienstverlener voor een bepaalde tijd van haar opdrachten uitsluiten.

  Onderafdeling 5. - Einde van de opdracht.

  Art. 74. § 1. De diensten die niet beantwoorden aan de bepalingen en de voorwaarden van de opdracht of niet werden verleend overeenkomstig de regels van de kunst, dienen door de dienstverlener te worden herbegonnen. Zoniet geschiedt dit van ambtswege op bevel van de aanbestedende overheid op zijn kosten en risico's, via een van de middelen van optreden vermeld in artikel 75. De dienstverlener stelt zich bovendien bloot aan boeten en straffen wegens niet-naleving van de bepalingen en voorwaarden van de opdracht.
  § 2. Binnen de vijftien kalenderdagen die volgen op de dag die werd vastgesteld voor de afwerking van het geheel van de diensten, wordt er een proces-verbaal van oplevering of van weigering van oplevering van de opdracht opgesteld.
  Wanneer de diensten beëindigd worden vóór of na deze datum, is het aan de dienstverlener om de leidend ambtenaar bij een ter post aangetekende brief hiervan in kennis te stellen en hem bij deze gelegenheid te vragen om tot de oplevering over te gaan. Binnen de vijftien dagen die volgen op de ontvangst van de aanvraag van de dienstverlener, wordt er een proces-verbaal van oplevering of van weigering van oplevering opgesteld.
  Indien de opdracht het opstellen van plannen, verslagen of andere soortgelijke stukken behelst, zijn de in deze paragraaf bepaalde voorschriften van toepassing, waarbij de termijnen in dat geval echter op dertig kalenderdagen gebracht worden.
  De diensten die zich in staat van oplevering bevinden, worden verondersteld, tot bewijs van het tegendeel, opgeleverd te zijn op de voor hun afwerking vastgestelde datum of, in de in het tweede lid bedoelde gevallen, op de datum van de daadwerkelijke afwerking die de dienstverlener in zijn aangetekende brief aangegeven heeft.
  Behalve indien het bestek andere voorschriften in dit opzicht bevat, is de oplevering van de in deze paragraaf beschreven diensten definitief.

  Onderafdeling 6. - Gebrekkige uitvoering - Middelen van optreden van de aanbestedende overheid.

  Art. 75. § 1. Boeten wegens laattijdige uitvoering.
  1° Het louter verstrijken van de eventueel verlengde leveringstermijn stelt de dienstverlener in gebreke. Alle voorschriften betreffende de boeten wegens laattijdige uitvoering, treden van rechtswege in werking, zonder enige kennisgeving of bericht.
  2° De boeten wegens laattijdige uitvoering worden berekend naar rato van 0,07 percent per kalenderdag vertraging, met een maximum van 5 percent van de waarde van de diensten waarvan de uitvoering met dezelfde vertraging gebeurde.
  De waarde van de diensten wordt berekend op grond van de prijs van de opdracht, bepaald overeenkomstig artikel 67 en eventueel gewijzigd door bijakten, zonder rekening te houden met de prijsherzieningen bedoeld in artikel 13, § 2 en § 3, noch met de kortingen wegens minderwaarde bedoeld in artikel 20, § 9.
  Worden niet aangerekend de boeten wegens laattijdige uitvoering waarvan het totaal bedrag geen (55 EUR) per opdracht bereikt. <KB 2000-07-20/50, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  3° Indien wordt bepaald dat de opdracht gespreid moet worden uitgevoerd, worden de boeten wegens laattijdige uitvoering voor elke gedeeltelijke dienstverlening afzonderlijk toegepast overeenkomstig hun uitvoeringstermijnen.
  4° Indien de opdracht uit verschillende delen of fazen bestaat, ieder met een eigen uitvoeringstermijn en een eigen bedrag, wordt voor de toepassing van de boeten elk van de onderdelen met een afzonderlijke opdracht gelijkgesteld.
  5° Indien de opdracht niet uit delen of fazen in de zin van het 4° bestaat, doch dat het bestek gedeeltelijke uitvoeringstermijnen bepaalt zonder deze daarom als bindend aan te wijzen, moeten deze termijnen als loutere vooruitzichten worden beschouwd voor de uitvoering van de opdracht en wordt, voor de toepassing van de boeten alleen de eindtermijn in aanmerking genomen. Indien het bestek daarentegen vermeldt dat de gedeeltelijke uitvoeringstermijnen dwingend zijn, dan wordt het niet in acht nemen ervan bestraft door speciale in het bestek daartoe voorziene boeten of, indien geen dergelijke bepaling voorkomt, door boeten die overeenkomstig de bepaling in het 2° berekend worden.
  § 2. Maatregelen van ambtswege.
  1° Wanneer wordt overgegaan tot maatregelen van ambtswege onder de vorm van uitvoering in eigen beheer of van opdracht voor rekening worden de extra kosten uitsluitend berekend op de diensten die de ingebreke gebleven dienstverlener gehouden was uit te voeren en die werkelijk werden besteld bij de nieuwe dienstverlener of uitgevoerd in eigen beheer, zonder dat de prijsherzieningen bedoeld in artikel 13, in aanmerking komen, die de prijzen van de ingebreke gebleven dienstverlener of de nieuwe dienstverlener hadden kunnen wijzigen. De prijzen die voor de berekening van de extra kosten in aanmerking komen worden desgevallend verhoogd met de belasting op de toegevoegde waarde.
  De boeten wegens laattijdige uitvoering blijven lopen ten laste van de in gebreke gestelde dienstverlener tot de werkelijke datum van uitvoering van de diensten en, in geval van opdracht voor rekening, uiterlijk tot het verstrijken van de termijn voor de uitvoering van ambtswege.
  2° De diensten die worden uitgevoerd voor rekening worden gekeurd en opgeleverd volgens de voorschriften van de oorspronkelijke opdracht.
  Aan de dienstverlener die in gebreke is gesteld wordt behoorlijk kennis gegeven van de plaats waar en van de datum waarop de proeven zullen worden verricht; hij mag er bij aanwezig zijn of er zich laten vertegenwoordigen, tenzij de nieuwe dienstverlener zich hiertegen verzet wanneer de keuringsverrichtingen in diens instellingen moeten plaatsvinden. In dit geval kan de in gebreke gestelde dienstverlener de mededeling van het resultaat van de keuring en van de oplevering eisen.
  3° De ingebreke gestelde dienstverlener draagt insgelijks de kosten voor het gunnen van de opdracht voor rekening; welke ook de gunningswijze is, worden deze kosten op één percent van de oorspronkelijke aannemingssom van deze opdracht bepaald, met een maximum van (11.000 EUR). <KB 2000-07-20/50, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 26 september 1996.
  (Voor het KB, zie 1996-09-26/35).
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Eerste Minister,
  J.-L. DEHAENE
Erratum Tekst Begin

BEELD
2001021374
PUBLICATIE :
2001-07-14
bladzijde : 24268

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-07-2008 GEPUBL. OP 18-08-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 21)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-12-2002 GEPUBL. OP 21-12-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 15)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-04-2002 GEPUBL. OP 30-04-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 15; 48)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-07-2001 GEPUBL. OP 10-07-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 6; 9)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 13; 15; 20; 42; 48; 66; 75)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-04-1999 GEPUBL. OP 19-05-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 6; 12; 19; 20; 55)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-02-1999 GEPUBL. OP 24-02-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 15)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-10-1998 GEPUBL. OP 27-10-1998
    (GEWIJZIGD ART. : 15)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING,
       Sire,
       ......
       (Voor het KB, zie 1996-09-26/35).
       BIJLAGE.
       Algemene aannemingsvoorwaarden voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en voor de concessies voor openbare werken.
       - HOOFDSTUK I. - Gemeenschappelijke bepalingen.
       - Afdeling 1. - Leiding van en toezicht op de uitvoering.
       - Onderafdeling 1. - Leidend ambtenaar.
       - Artikel 1. Dit artikel vervangt artikel 2 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden en de tekst wordt uitgebreid omdat hij vanaf nu de leiding van en het toezicht op de opdrachten beoogt, door personen die al dan niet tot de aanbestedende overheid behoren. Er wordt eveneens verduidelijkt dat leidend ambtenaar genoemd wordt, de ambtenaar of elke andere persoon die belast is met de leiding en het toezicht. De tekst bepaalt bovendien dat de aannemer dient te worden ingelicht over de draagwijdte en de eventuele beperkingen van het mandaat van de leidend ambtenaar.
       - Onderafdeling 2. - Organisatie en draagwijdte van het toezicht.
       - Art. 2. Dit artikel stemt overeen met artikel 4 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Het werd aangepast op het stuk van de terminologie en uitgebreid naar de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten.
       - Afdeling 2. - Technische specificaties Plannen, documenten en voorwerpen.
       - Art. 3. In § 1 werd de tekst van artikel 1 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden gewijzigd. Het doel ervan is duidelijk te laten blijken dat deze bepaling betreffende de technische specificaties betrekking heeft op hulp die aan de aannemer werd gegeven tijdens de uitvoering van de opdracht en niet op de problematiek van de raadpleging van modellen en stalen tijdens de gunningsprocedure van de opdracht.
       Het vroegere tweede lid van artikel 1, dat verwees naar de gehomologeerde of geregistreerde Belgische normen werd geschrapt aangezien deze materie voortaan behandeld wordt in de koninklijke besluiten van 8 en van 10 januari 1996 die inderdaad de voorrang van de Europese normalisatie voorzien.
       Paragraaf 2 herneemt een gewijzigde bepaling die voordien in artikel 3, § 5, stond. De vroegere tekst kon worden geïnterpreteerd in die zin dat de werken, leveringen en diensten slechts moesten beantwoorden aan de regels van het artikel bij ontstentenis van contractuele technische specificaties. De nieuwe bepaling, die werd uitgebreid tot de diensten, legt de naleving op van de contractuele technische specificaties en, in elke hypothese, van de regels van het artikel.
       - Art. 4. Dit artikel vervangt artikel 3 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Afgezien van sommige vereenvoudigingen en aanpassingen van de terminologie werd bijzondere aandacht besteed aan het nauwkeurig bepalen van het tijdstip waarop de termijnen ingaan. In § 2 werd de verwijzing naar de vervaltermijn van artikel 16, § 4, weggelaten, want dit was overbodig aangezien de bepaling van het vermelde artikel 16 een algemene regel uitmaakt.
       - Afdeling 3. - Regels betreffende de borgtocht.
       - Onderafdeling 1. - Borgtochtstelling.
       - Art. 5. Dit artikel vervangt de artikelen 5 en 7, § 2 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Bij de aanpassingen die aan de tekst werden aangebracht, past het volgende te onderstrepen :
       - in § 1, de inlassing van een bepaling met betrekking tot het voorwerp van de waarborg, de uniformisering van het percentage op 5 percent, ook wat de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten betreft. Nieuwe bepalingen werden ingelast, voor twee gevallen, waarin geen enkele borgtocht vereist is :
       - voor de leveringen en diensten waarvan de uitvoeringstermijn dertig kalenderdagen niet overschrijdt;
       - voor de diensten van de categorieën 6, 21, 24 en 25 van bijlage 2 van de wet (financiële, juridische, sociale opvoedkundige, beroepsvormende en gezondheidsdiensten);
       - in § 3 wordt voortaan in de mogelijkheid voorzien om de borgtocht te stellen bij een andere openbare instelling die gelijkaardig is aan de Deposito- en Consignatiekas en die bijvoorbeeld opgericht zou zijn op het niveau van een Gewest. Het laatste lid van § 3 werd eveneens aangevuld. Hij verduidelijkt dat de termijn van dertig dagen om de borgtocht te stellen opgeschort wordt tijdens de sluitingsperiode van de onderneming van de aannemer voor de betaalde jaarlijkse vakantiedagen en voor de inhaalrustdagen bepaald bij een koninklijk besluit of in een algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst. Nieuw is dat, indien het bestek het vereist, deze periodes dienen vermeld te worden in de offerte of bekendgemaakt te worden aan de aanbestedende overheid, van zodra zij bekend zijn;
       - een nieuwe § 4 die handelt over de aanpassing van de borgtocht en die artikel 7, § 3 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden gedeeltelijk overneemt, werd ingevoegd.
       - Onderafdeling 2. - Verzuim van borgtochtstelling.
       - Art. 6. Dit artikel komt overeen met artikel 6 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Naast een grotere duidelijkheid en een uitbreiding naar de diensten toe, wordt tevens het laatste lid van de vroegere § 1 weggelaten worden omdat deze bepaling i.v.m. de borgtocht geen enkele bijzondere betekenis had.
       De vroegere § 3 die de toepassing toeliet van de sancties van de wetgeving met betrekking tot de erkenning en de uitsluiting van de opdrachten van de aanbestedende overheid, werd weggelaten, aangezien de grondslag van dergelijke maatregelen niet in dit besluit, maar in de wet van 20 maart 1991 aanwezig is.
       - Onderafdeling 3. - Rechten van de aanbestedende overheid op de borgtocht.
       - Art. 7. Gelet wat voorafgaat, beperkt de tekst van artikel 7 betreffende de rechten van de aanbestedende overheid op de borgtocht zich tot het overnemen van § 1 van artikel 7 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       - Onderafdeling 4. - Door derden gestelde borgtocht.
       - Art. 8. Afgezien van de uitbreiding naar de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten toe, stemt deze tekst overeen met artikel 8 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden over de borgtocht die wordt gesteld door derden.
       - Onderafdeling 5. - Vrijgave van de borgtocht.
       - Art. 9. De tekst van dit artikel stemt voor het belangrijkste deel overeen met deze van het vroegere artikel 9 van de algemene aannemingsvoorwaarden. Het voorlaatste lid wordt opgesteld zoals artikel 15, § 4. Er werd een nieuw laatste lid toegevoegd, dat verduidelijkt dat indien het om een collectieve borgtochtstelling gaat, de aannemer slechts schadeloos gesteld wordt in geval van laattijdig vrijgeven van de borgtocht ten belope van de werkelijke kosten die werden gemaakt voor het behoud van de borgtochtstelling boven de termijn van vijftien dagen bepaald in voornoemde § 3. Deze toevoeging beantwoordt aan de jongste stand van de rechtspraak in de materie (arrest van het Hof van Cassatie van 4 september 1992).
       In § 7 is het tweede lid duidelijker en wordt het derde lid geschrapt wegens overtollig.
       - Afdeling 4. - Derden.
       - Art. 10. Dit artikel vervangt artikel 10 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. De bepaling wordt evenwel uitgebreid naar de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten. In het eerste lid bepaalt de tekst dat de aanbestedende overheid zich door geen enkele contractuele band met de onderaannemers verbonden acht. De vorige tekst gebruikte de uitdrukking "geen enkele juridische band", wat een te absolute formulering was. Juridische banden kunnen inderdaad tot stand komen tussen aanbestedende overheid en onderaannemer, namelijk krachtens artikel 1798 van het Burgerlijk wetboek (rechtstreekse vordering), krachtens artikel 23 van de wet van 24 december 1993 (beslag onder derden en verzet) en krachtens artikel 48, § 4, van de algemene aannemingsvoorwaarden (inhoudingen voor lonen en sociale lasten).
       - Afdeling 5. - Meerdere opdrachten gegund aan dezelfde aannemer.
       - Art. 11. Dit artikel vervangt en verduidelijkt de inhoud van artikel 11 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden, en wordt tevens uitgebreid tot de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten.
       - Afdeling 4. - Keuringen.
       - Art. 12. Dit artikel stemt gedeeltelijk overeen met artikel 12 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       In § 1 werd het vroegere eerste lid geschrapt omdat de definitie van de produkten voortaan overgenomen wordt in § 2. Het nieuwe eerste lid werd aangevuld met de vermelding van de diensten.
       In het tweede lid werd de vermelding van de voorlopige en de definitieve opleveringen geschrapt omdat het gaat over opleveringsmaatregelen die zich bevinden op het einde van de uitvoering en die worden behandeld in het hoofdstuk dat gewijd is aan de bijzondere clausules voor de werken, de leveringen en de diensten.
       Paragraaf 1 werd bovendien aangevuld met een bepaling die zich voordien bevond in artikel 12, § 5 met betrekking tot de manier van indienen van een aanvraag tot keuring.
       Het voorlaatste lid betreft het verzaken aan de keuring indien de aannemer bewijst dat de produkten werden gecontroleerd door een onafhankelijke instantie volgens de vereisten van het bestek. Indien de aanbestedende overheid in dat geval een keuring eist, dan vallen de kosten ervan te haren laste.
       Paragraaf 2 omschrijft de produkten en voorziet dat deze in principe slechts kunnen verwerkt worden indien ze voorafgaand goedgekeurd werden. Bovendien voorziet § 2 voortaan dat het bestek de hoeveelheid produkten aanduidt die tijdens het nazicht zullen worden vernietigd. Het volstaat dus niet meer om op dit punt te verwijzen naar een technische specificatie.
       In § 3 werd de verwijzing naar sommige artikelen geschrapt omdat deze overbodig was. Dit zelfde geldt voor het laatste lid omdat het logisch is dat een aannemer die vertraging oploopt bij de uitvoering zou worden onderworpen aan de boetes wegens vertraging.
       Paragraaf 4 werd sterk vereenvoudigd omdat de tekst bepaalt dat de kosten voor de keuring ten laste vallen van de aannemer. Het bestek dient derhalve de berekeningswijze vast te stellen van de keuringskosten voor deze keuring, zo niet vallen deze kosten ten laste van de aanbestedende overheid.
       In § 6 werd in de mogelijkheid voorzien om de termijnen voor de keuring in het bestek te verminderen. Er werd in § 6, 1°, in fine, een wijziging aangebracht die voorziet dat bij overschrijding van de termijn door de schuld van de aanbestedende overheid, er van rechtswege een overeenkomstige verlenging wordt toegekend aan de aannemer. In § 6, 2° werd voor eenzelfde oplossing gekozen.
       Paragraaf 7 werd veralgemeend naar alle opdrachten toe en werd aangevuld met een laatste lid dat voortkomt uit artikel 15, § 1, 4° inzake betalingen. Van de betaling van de werken, leveringen of diensten onderworpen aan een keuring a posteriori wordt een door het bestek vastgesteld bedrag afgehouden tot het resultaat van deze keuring bekend is.
       - Afdeling 7. - Prijsherziening.
       - Art. 13. Dit artikel met betrekking tot de herziening van de prijzen komt overeen met artikel 13 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. De verschillende paragrafen werden evenwel in een logischere volgorde opgesteld.
       In § 2 wordt er voor de herziening van de prijzen van de leveringen of de diensten eveneens melding gemaakt van de wisselkoers.
       In § 3 werd de verwijzing naar artikel 16 verduidelijkt. Bovendien blijkt duidelijker uit de tekst dat de opgesomde voorwaarden cumulatief zijn.
       - Afdeling 8. - Intellectuele rechten.
       - Art. 14. De tekst van het vroegere artikel 14 van de algemene aannemingsvoorwaarden die werd opgenomen in een afdeling gewijd aan de intellectuele rechten, werd niet enkel uitgebreid naar de diensten maar eveneens gevoelig hervormd.
       Paragraaf 1 hergroepeert de vroegere § 1, 2 en 3. In 2°, in fine werd de vermelding toegevoegd van elk ander intellectueel eigendomsrecht. In 3°, in fine, verduidelijkt de tekst voortaan dat bij niet-vermelding van de rechten die hij bezit, de aannemer slechts in verband met deze opdracht elk recht ontnomen wordt om van de aanbestedende overheid schadevergoeding te eisen op grond van de miskenning van zijn rechten. De onderverdeling van de paragraaf in verschillende punten werd behouden daar ze het begrijpen van de tekst gemakkelijker maakt.
       Paragraaf 2 is nieuw en handelt over het gebruik van de resultaten van de intellectuele prestaties door de aanbestedende overheid en door de aannemer.
       Hetzelfde geldt voor § 3, die handelt over de mogelijkheid voor de aanbestedende overheid om de kennis, met inbegrip van de know-how, te gebruiken die nodig is voor het gebruik van de levering, de dienst of het werk, en dit op vertrouwelijke basis. Deze bepaling is vanzelfsprekend niet van toepassing indien deze kennis of deze know-how deel uitmaken van de opdracht. Trouwens, een vergoeding kan verschuldigd zijn aan de aanbestedende overheid in geval van het gebruik van de resultaten van een onderzoek en ontwikkeling indien het bestek de deelname voorziet van de aanbestedende overheid aan de financiering van het onderzoek en de ontwikkeling verbonden aan het voorwerp van de opdracht. Het is aangewezen om in het bestek de toepasselijke modaliteiten te voorzien. Deze verduidelijking werd op voorstel van de Raad van State gemaakt.
       Volgens § 4, die een nieuwe bepaling vormt, dient de aannemer binnen de maand de aanbestedende overheid op de hoogte te brengen van elke ingediende octrooiaanvraag met betrekking tot de op punt gestelde of naar aanleiding van een opdracht gebruikte uitvindingen.
       Zo kan, volgens § 5, de aanbestedende overheid eveneens voor het gebruik dat de opdracht haar toestaat, een octrooilicentie eisen, met mogelijkheid tot sublicentie. In dit geval moet de aannemer alle nodige formaliteiten vervullen die nodig zijn.
       Paragraaf 6, een andere gedeeltelijk nieuwe bepaling, handelt over de wederzijdse bijstand en over de waarborg. Het eerste lid stelt een verplichting in tot wederzijdse inlichting ingeval van terugvordering door een derde. Het tweede lid neemt § 3, 2°, over van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. De aannemer die de rechten van een derde niet heeft geëerbiedigd of deze niet aan de aanbestedende overheid kenbaar heeft gemaakt staat borg voor elk verhaal dat een derde tegen haar zou stellen. De tekst voegt er voortaan aan toe dat, tenzij het bestek het anders bepaalt, de waarborg beperkt wordt tot het bedrag van de opdracht zonder belasting op de toegevoegde waarde.
       - Afdeling 9. - Betalingen.
       - Art. 15. Dit artikel vervangt artikel 15 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       In § 1, 2°, werd de vermelding van de belasting op de toegevoegde waarde weggelaten en in 3° wordt de mogelijkheid voorzien om te betalen aan een andere financiële instelling dan de Postcheque. Wat het vorige 4° betreft, dit werd verplaatst naar artikel 12, § 7, laatste lid inzake de betaling van prestaties die zijn onderworpen aan een a posteriori keuring. De tekst bepaalt trouwens dat het de betaling is die moet gebeuren binnen de voorziene termijn en niet enkel het bevel om de aan de ondernemer verschuldigde sommen te betalen.
       In § 2 werd er, naast de uitbreiding naar de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten en het weglaten van de belasting op de toegevoegde waarde, een verduidelijking aangebracht wat betreft het beginpunt van de betalingstermijn indien de levering of de dienstverlening in meerdere keren plaatsvindt. De betalingstermijn is bovendien van 45 op 50 dagen gebracht.
       In § 3 is, naast het derdenbeslag, de bepaling eveneens van toepassing in geval van verzet tegen de betaling.
       De bepaling van § 6 betreffende het verlengd uitstel van betaling door de schuld van de aanbestedende overheid wordt gewijzigd. De termijn bedraagt geen 90 kalenderdagen meer na de indiening van de betalingsaanvraag maar wel 30 kalenderdagen na de vervaldag van de betalingstermijn. De betalingstermijnen voor de werken (60 en 90 dagen) zijn inderdaad verschillend van die voor de leveringen en de diensten (50 dagen). De hier gekozen oplossing is logisch aangezien dezelfde regel wordt toegepast bij verlengd uitstel van betaling. Dit verlengd uitstel stemt overeen met 30 dagen, te rekenen vanaf de uiterste datum waarop de betaling van de werken, de leveringen en de diensten had moeten verricht zijn. De vroegere oplossing kwam neer, zonder daarom verantwoord te zijn, op een minder gunstig stelsel voor de leveranciers en de dienstverleners. De bepaling tot verlenging van de uitvoeringstermijn werd eveneens aangepast om rekening te houden met de nieuwe maatregelen.
       Het op twee na laatste lid voorziet vanaf nu dat niet enkel de beslissing om de uitvoering van de opdracht te onderbreken maar eveneens de beslissing om het uitvoeringstempo te vertragen, vooraf per aangetekende brief dienen te worden bekendgemaakt.
       De vroegere tekst van artikel 15, § 6, heeft aanleiding gegeven tot verscheidene toepassingsmoeilijkheden enerzijds wat betreft de vraag te weten welke betalingen door de bepalingen werden bedoeld en, anderzijds wat betreft de rechten waarop de aannemer zich kon beroepen op grond van die bepalingen.
       Het toepassingsgebied van de tekst werd duidelijk beperkt tot de laattijdige betaling van de prijs van de opdracht, met uitsluiting van de laattijdige betalingen van schadevergoedingen die kunnen gevraagd worden op grond van de ene of de andere bepaling van de algemene aannemingsvoorwaarden of van de laattijdige betalingen van verwijlintresten. In geval van voorrangstoerekening van de betalingen op de interesten (artikel 1254 van het Burgerlijk wetboek) kunnen evenwel de bedragen die met deze verwijlintresten overeenstemmen en die als hoofdbedrag nog verschuldigd zijn, in voorkomend geval een beroep op artikel 15, § 6, rechtvaardigen.
       Alleen de verlenging van de termijn verkrijgt een automatisch karakter of er nu een onderbreking of een vertraging van de prestaties is of niet. Vergoeding van een gebeurlijke schade is slechts mogelijk wanneer de aannemer de uitvoering van de opdracht daadwerkelijk heeft vertraagd of onderbroken.
       In het tegenovergestelde geval kan enkel de toekenning van verwijlintresten worden voorzien op grond van artikel 15, § 4.
       Aan het einde van § 6 werd een voorlaatste lid toegevoegd, dat bepaalt dat indien meerdere overschrijdingen van de betalingstermijnen elkaar overlappen, deze overschrijdingen slechts éénmaal in rekening kunnen worden gebracht.
       Het laatste lid bepaalt trouwens dat de bepalingen van § 6 niet kunnen worden aangehaald, tenzij op voorwaarde dat de omvang van de achterstallige betalingen in de loop van de beschouwde periode het rechtvaardigt. Dit strekt tot het vermijden van een verkeerd gebruik van § 6.
       Paragraaf 7 bevat strikte maatregelen voor de overdracht van schuldvorderingen. Na het gunnen van een opdracht dienen de betalingsopdrachten in de handen van derden te worden uitgevoerd in de vorm van een overdracht van schuldvordering die op juiste wijze aan de aanbestedende overheid werd betekend door een gerechtsdeurwaarder, en dit in afwijking van artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek. Eveneens wordt de overdracht van de factuur per endossering niet meer toegestaan en dit krachtens artikel 23 van de wet.
       - Afdeling 10. - Klachten en verzoeken.
       - Art. 16. Dit artikel vervangt artikel 16 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. De voornaamste wijzigingen die werden aangebracht zijn de volgende :
       - in § 1 werd er een nieuw tweede lid ingevoerd, dat aan de aanbestedende overheid toelaat om zich eveneens te beroepen op de nalatigheden, vertragingen of welke feiten ook die het aan de aannemer ten laste legt en die voor haar oorzaak zouden zijn van een vertraging of nadeel, met het oog op het verkrijgen van herziening of verbreking van de opdracht en/of schadevergoeding;
       - in § 2 werd er een nieuw 4° toegevoegd in dezelfde zin als dat wat voorafgaat ten einde aan de aanbestedende overheid toe te laten om de herziening van de opdracht te vragen indien de aannemer genoten heeft van een belangrijk voordeel dat voortvloeit uit de in § 2, 1° vermelde omstandigheden. De onderverdeling van § 2 in verschillende punten wordt behouden daar ze het begrijpen van de tekst vergemakkelijkt;
       - er werd een bijkomende § 6 ingelast om juist te bepalen wat men dient te verstaan onder herziening van de opdracht;
       - de laatste paragraaf, die een nieuwe § 8 vormt, verduidelijkt dat de aannemer zich niet kan beroepen op de aan de gang zijnde besprekingen krachtens § 1 en 2 om het uitvoeringstempo van de opdracht te vertragen of de uitvoering van de opdracht te onderbreken.
       - Afdeling 11. - Teruggave van boeten wegens laattijdige uitvoering.
       - Art. 17. Dit artikel vervangt artikel 17 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Naast enkele aanpassingen van de terminologie en de uitbreiding naar de diensten toe, werd de tekst van § 1, 2°, in fine met betrekking tot de wanverhouding tussen het bedrag van de toegepaste boetes en het minimale belang van de met vertraging uitgevoerde prestaties, beperkt tot de werken.
       - Afdeling 12. - Rechtsvorderingen en termijnen.
       - Art. 18. Deze tekst stemt overeen met deze van artikel 18 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Een nieuwe bepaling op het einde van § 2 stelt dat de termijn van verval begint te lopen vanaf de definitieve oplevering wanneer voor die oplevering geen procesverbaal moet opgemaakt worden wat in het bijzonder het geval is voor de opdrachten voor aanneming van leveringen.
       - Afdeling 13. - Einde van de opdracht Sancties. Beroepsmogelijkheden.
       - Onderafdeling 1. - Opleveringen en waarborgtermijnen.
       - Art. 19. Deze tekst stemt overeen met die van artikel 19 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Hij werd in een nieuwe § 1 evenwel aangevuld met een definitie van de oplevering van de opdracht. Bovendien wordt in die § 1 vastgelegd wie de kosten van oplevering draagt, zodat dergelijke bepaling in de artikelen 43, § 2 en 57, § 3, kan weggelaten worden. Zoals bij de keuring (artikel 12, § 4), zijn deze kosten ten laste van de aannemer. Het bestek dient evenwel de berekeningswijze van de kosten te vermelden. Bij ontstentenis worden die kosten gedragen door de aanbestedende overheid. Overigens werd § 3 verduidelijkt terwijl § 6 vereenvoudigd werd.
       - Onderafdeling 2. - Middelen van optreden van de aanbestedende overheid.
       - Art. 20. Artikel 20 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden heeft zeer belangrijke wijzigingen ondergaan. Het bevat alle verweermiddelen van de aanbestedende overheid.
       In § 1 wordt er een definitie van een in gebreke gebleven aannemer ingevoerd die voorheen vervat was in het vroegere artikel 46 dat de werken beoogde maar dat vanaf nu werd uitgebreid tot alle types van opdrachten.
       In § 2 werden op dezelfde wijze de bepalingen van het vorige artikel 47 overgenomen, met betrekking tot de vaststelling van de niet-uitvoering van de opdracht.
       In § 3 werd § 1 van het vorige artikel 48, met betrekking tot de gevolgen van de niet-uitvoering, overgenomen en veralgemeend tot alle opdrachten.
       In § 4 werd een bepaling die gelijkaardig is aan deze uit artikel 48, § 2, met betrekking tot de straffen, toepasbaar gemaakt op alle types van opdrachten en dit om volgende redenen :
       - dit voorschrift is een aanvullende bepaling voor het geval de overeenkomst hierover zwijgt. Het beoogt immers die overtredingen waarvoor nog geen bijzondere straf voorzien is;
       - tot hiertoe bedroeg die straf in artikel 48 van de algemene aannemingsvoorwaarden de eenmalige som van 1.000 frank of een bedrag van 500 frank per dag; de nieuwe bepaling voert een evenredigheidselement in ten opzichte van het bedrag van de opdracht. Zij legt er evenwel de grenzen van vast om te vermijden dat eender welke overtreding, hoe licht ook, aanleiding zou geven tot de toepassing van straffen die merkelijk zwaarder zouden uitvallen voor belangrijkere opdrachten. Men kan er immers van uitgaan dat het risico voor de aannemer om voor een of ander aspect in een toestand van overtreding verzeild te raken, aanzienlijk groeit naarmate de omvang van de opdracht en van de werf toeneemt.
       Paragraaf 5 bevat de basisbepaling die gewijd is aan de boetes wegens vertraging die voorheen vervat was in het begin van artikelen 48, § 3 en 66, § 2, en die vanaf nu wordt uitgebreid naar alle types van opdrachten. Het forfaitaire karakter van deze boetes wordt duidelijk onderstreept.
       Paragraaf 6 is een veralgemening naar alle types van opdrachten toe, van alle maatregelen die tot op heden ambtshalve voorzien waren in artikelen 48 en 66, voor de werken en de leveringen. In de nieuwe tekst wordt er vanaf nu verduidelijkt dat :
       - de boetes en straffen tijdens een opdracht voor rekening, ten laste vallen van de nieuwe aannemer. Deze bepaling werd overgenomen van het oude artikel 66, § 10;
       - de aanbestedende overheid een beroep kan doen op de maatregelen van ambtswege indien in de loop van de uitvoering blijkt dat bij gebrek aan vlijt van de aannemer, deze in de onmogelijkheid verkeert om de gehele opdracht binnen de termijn uit te voeren. Deze bepaling werd overgenomen van § 4 van hetzelfde artikel 66.
       Bovendien worden er net als in artikelen 48 en 61 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden verduidelijkingen gegeven over de wijzen van bekendmaking van het beroep op de maatregelen van ambtswege evenals over de manier waarop de procedure voor een opdracht voor rekening dient te verlopen.
       Paragraaf 7 betreft de compensatie; deze materie werd behandeld in artikelen 48, § 7, en 66, § 12, van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. De tekst verduidelijkt dat het bedrag van de boetes en de straffen in de eerste plaats wordt afgehouden van de sommen die verschuldigd zijn aan de aannemer, en vervolgens van de borgtocht.
       Paragraaf 8 heeft betrekking op de eventuele uitsluiting van de aannemer, nadat de betrokkene vooraf werd gehoord over zijn middelen tot verdediging. Deze materie werd behandeld in artikelen 48, § 6, en 66, § 11, van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Voor dit punt wordt verwezen naar de bespreking van artikel 10.
       Paragraaf 9 betreft de kortingen wegens minderwaarde waarvan sprake is in artikelen 27 en 62 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. De tekst verduidelijkt voortaan dat de minieme divergenties slechts kunnen betrekking hebben op niet-essentiële voorwaarden van het bestek. Voor essentiële voorwaarden is er dus geen enkele korting wegens minderwaarde mogelijk. De korting vertegenwoordigt meer een gunstmaatregel dan een strafmaatregel, zodat het beter is deze te behouden in deze paragraaf.
       - Onderafdeling 3. - Verbreking.
       - Art. 21. Dit artikel stemt overeen met artikel 21 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. In § 4, 1°, verwijst de tekst, net als in de Europese richtlijnen, naast het faillissement, naar elke gelijkaardige toestand die voortvloeit uit een procedure van dezelfde aard. In 6° van dezelfde paragraaf wordt er verwezen naar de schrapping van de registratie als aannemer. Paragraaf 5, betreffende de vereffening van de opdracht wordt uitgebreid naar de diensten toe.
       - Onderafdeling 5. - Afspraken.
       - Art. 22. Dit artikel stemt overeen met artikel 22 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Het bevat strafmaatregelen die moeten worden toegepast in geval van ontdekking van een afspraak in strijd met artikel 11 van de wet.
       - Onderafdeling 5. - Beroep op het Hoog Comité van Toezicht.
       - Art. 23. Dit artikel stemt overeen met artikel 23, tweede lid, van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden (in verband met de tussenkomst van het Hoog Comité van Toezicht past het eveneens rekening te houden met artikel 10 van het ontwerp van koninklijk besluit).
       Hoofdstuk II wordt aangevat met artikel 24 met betrekking tot de bepalingen respectievelijk eigen aan de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.
       - HOOFDSTUK II. - Bijzondere bepalingen.
       - Afdeling 1. - Opdrachten voor aanneming van werken en concessies voor openbare werken.
       - Onderafdeling 1. - Prijsbepaling.
       Wijze van prijsbepaling.
       - Art. 24. Dit artikel vervangt artikel 24 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Er werd evenwel een § 3 toegevoegd die de regels van § 1 inzake werken tegen een globale prijs toepasbaar maakt op de forfaitaire posten van de gemengde opdrachten.
       Elementen die in de prijs zijn begrepen.
       - Art. 25. Dit artikel vervangt artikel 25, § 2, van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Inderdaad, paragraaf 1 van voornoemd artikel dat handelt over allerlei heffingen, werd hernomen in de koninklijke besluiten van 8 en van 10 januari 1996.
       De huidige § 1 neemt derhalve § 2 over van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden en voegt er een 6° aan toe met betrekking tot de keurings- en opleveringskosten die ten laste vallen van de aannemer, zoals in de artikelen 12, § 4, en 19, § 1, werd verduidelijkt.
       - Artikel 25, § 2, op twee na laatste en voorlaatste lid, handelt over de verplichtingen van de aannemer met het oog op het bekomen van de noodzakelijke vergunningen voor de uitvoering van de werken. De tekst werd ten gronde niet gewijzigd.
       - Onderafdeling 2. - Leiding van en toezicht op de werken.
       - Art. 26. Dit artikel vervangt artikel 26 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Paragraaf 2 verduidelijkt dat de aanbestedende overheid het toezicht op de werken uitoefent, met name door het geven van dienstorders of door de opstelling van processen-verbaal. Er wordt een verband gelegd met artikel 37 betreffende het bijhouden van een dagboek van de werken.
       - Onderafdeling 3. - Keuring.
       - Art. 27. Dit artikel wijzigt gevoelig artikel 27 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       Paragraaf 1 werd herschreven om te komen tot een logische volgorde, te beginnen met een bepaling die zich voorheen bevond in het voorlaatste lid van artikel 27, vroegere § 1.
       Het derde, vijfde en zesde lid van het artikel 27, vroegere § 1, werden hernomen in artikel 12 met het oog op een betere schikking van de teksten. Het laatste lid van artikel 27, vroegere § 1, werd geschrapt gezien het gebrek aan inhoud, evenals het vroegere eerste lid dat handelde over het begrip produkten.
       Paragraaf 2 die handelt over de keuringsmodaliteiten, werd voor de duidelijkheid in vijf punten verdeeld. Het vierde punt kon vereenvoudigd worden inzake de kosten van keuring in een laboratorium, gelet op de algemene bepaling van artikel 12, § 4.
       Paragraaf 4 neemt het artikel 27, § 7, over van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       Paragraaf 5 voegt § 4, 5 en 6 van artikel 27 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden samen en past ze aan, terwijl, het systeem van tenlastelegging van de kosten van de tegenproeven gewijzigd werd.
       Paragrafen 6 en 7 nemen respectievelijk § 8 en 9 over van artikel 27 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       - Onderafdeling 4. - Verloop van de werken.
       Uitvoeringstermijnen.
       - Art. 28. Dit artikel stemt, op enkele kleine aanpassingen na, overeen met artikel 28 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       Incidenten.
       - Art. 29. Dit artikel stemt overeen met artikel 29 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden, waarbij de tekst evenwel geherstructureerd werd in twee paragrafen in plaats van drie. Bovendien werd het laatste lid van de oude § 3 dat voorzag dat het bestuur soeverein besliste in geval van betwisting over de vondsten, geschrapt.
       Algemene organisatie van de bouwplaats.
       - Art. 30. Dit artikel is gelijkaardig aan artikel 30 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. In § 1 werden de leden 7 en 8 weggelaten, betreffende de telegrafie en telefonie en de spoorwegen.
       Tracé van het werk.
       - Art. 31. Dit artikel neemt artikel 31 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden over.
       Ter beschikking stellen van gronden of van lokalen.
       - Art. 32. Dit artikel stemt overeen met artikel 32 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       Afbraakmateriaal.
       - Art. 33. Dit artikel stemt overeen met artikel 33 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Er werd verwezen naar de tweede paragraaf van artikel 29 die handelt over vondsten tijdens het werk, en niet naar § 3 zoals in het advies van de Raad van State werd aangeduid.
       Voorlopige werken - Grondonderzoek.
       - Art. 34. Dit artikel is gelijkaardig aan artikel 34 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       - Onderafdeling 5. - Personeel van de aanneming.
       Arbeidsverdeling.
       - Art. 35. Dit artikel is gelijkaardig aan artikel 35 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       Lonen en algemene arbeidsvoorwaarden.
       - Art. 36. Op enkele verduidelijkingen en structurele aanpassingen na, stemt dit artikel overeen met artikel 36 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       - Onderafdeling 6. - Dagboek van de werken.
       - Art. 37. Op enkele verduidelijkingen en structurele aanpassingen na, stemt dit artikel overeen met artikel 37 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       - Onderafdeling 7. - Aansprakelijkheid van de aannemer.
       Verzekeringen.
       - Art. 38. Dit artikel stemt overeen met artikel 38 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       Verplichtingen van de aannemer tot de definitieve oplevering.
       - Art. 39. Dit artikel stemt overeen met artikel 39 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. In § 2 werd de verplichting geschrapt voor de aannemer om alle documenten en briefwisseling betreffende de opdracht in België te bewaren, en dit teneinde te vermijden dat een discriminatie tussen de Belgische ondernemingen en deze gevestigd in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap tot stand zou komen.
       Ingebruikneming van het werk door de aanbestedende overheid.
       - Art. 40. Dit artikel stemt overeen met artikel 40 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       Draagwijdte van de aansprakelijkheid van de aannemer.
       - Art. 41. Dit artikel stemt overeen met artikel 41 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       - Onderafdeling 8. - Wijzigingen aan de opdracht.
       - Art. 42. Artikel 42 stemt overeen met artikel 42 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       - Onderafdeling 9. - Einde van de opdracht.
       Opleveringen.
       - Art. 43. Artikel 43 vervangt artikel 43 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. De vroegere § 1 werd evenwel weggelaten omdat de definitie van de oplevering voortaan gegeven wordt in artikel 19.
       In § 2 wordt verduidelijkt dat het proces-verbaal van oplevering of van weigering van oplevering moet gesteld worden binnen de toegestane termijn in zoverre dat de resultaten van de keuringen en van de voorgeschreven proeven gekend zijn.
       Paragraaf 3, die betrekking heeft op de definitieve oplevering, werd aangevuld met een laatste lid dat gelijkaardig is aan datgene dat van toepassing is op de voorlopige oplevering, in § 2, zesde lid, van hetzelfde artikel. Zo wordt het werk dat in de staat van definitieve oplevering wordt bevonden, verondersteld, tot het bewijs van het tegendeel, in die toestand te hebben verkeerd op de einddatum van de waarborgtermijn of, bij een vorige weigering van oplevering, op de datum van de definitieve oplevering die door de aannemer werd aangegeven in zijn aangetekende brief met aanvraag tot oplevering.
       In § 4 werd de termijn waarbinnen de aannemer wordt opgeroepen om over te gaan tot de voorlopige of definitieve oplevering, verminderd van vijftien dagen naar zeven dagen.
       Verrekeningen.
       - Art. 44. Artikel 44 stemt overeen met artikel 44 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       - Onderafdeling 10. - Gebrekkige uitvoering.
       Bedrog en slecht werk.
       - Art. 45. Artikel 45 stemt overeen met artikel 45 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       Aannemer die in gebreke blijft bij de uitvoering.
       - Art. 46. Artikel 46 verwijst naar artikel 20, § 1, dat de tekst van het vroegere artikel 46 overneemt.
       Vaststelling van in gebreke blijven.
       - Art. 47. Artikel 47 verwijst naar artikel 20, § 2, dat de tekst van het vroegere artikel 47 overneemt.
       Middelen van optreden.
       - Art. 48. Artikel 48 neemt slechts gedeeltelijk artikel 48 over van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden, gezien de uitbreiding die werd gegeven in artikel 20 en die van toepassing is op alle opdrachten.
       Paragraaf 1 neemt in aangepaste vorm de algemene bepalingen van § 1 van het vroegere artikel 48 over.
       In § 2 is een deel van de vroegere § 3 overgenomen, inzake boeten wegens vertraging. Naast de aanpassingen van sommige bedragen beperkt de bepaling zich tot datgene wat kenmerkend is voor de werken.
       Paragraaf 3 bevat ambtshalve maatregelen die vroeger voorzien waren in § 4, maar in een vereenvoudigde vorm vermits de algemene beginselen reeds in artikel 20, § 6, werden vastgelegd. Bovendien werd de tekst gestructureerd. In 3° van dezelfde paragraaf verduidelijkt een nieuw vierde lid welke de factoren zijn die niet in aanmerking komen voor de berekening van de bijkomende kostprijs van de werken die ten laste wordt gelegd van de in gebreke gebleven aannemer.
       - Afdeling 2. - Opdrachten voor aanneming van leveringen.
       - Onderafdeling 1. - Elementen die in de prijs zijn begrepen.
       - Art. 49. Dit artikel dat handelt over de leveringen, vervangt artikel 49 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. De tekst werd evenwel geherstructureerd door het weglaten van de bepalingen die vroeger waren vervat in § 2 en 3. In het tweede lid, 1°, verduidelijkt de tekst dat de verpakkingskosten in de prijs begrepen zijn behalve indien de aanbestedende overheid hiervan geen eigenaar wordt. Volgens 2° komen het lossen, het uitpakken en het stapelen op de plaats van de levering voortaan toe aan de leverancier op voorwaarde dat de plaats van de levering en de toegangswijzen nader omschreven zijn in het bijzonder bestek. In 5° wordt er aan herinnerd dat de opleveringskosten ten laste vallen van de leverancier.
       De vroegere § 2 en 3 werden geschrapt. Paragraaf 2 handelde over de belasting op de toegevoegde waarde; dit is een zaak voor de aanbestedende overheid bij het opstellen van het bestek. Paragraaf 3 verduidelijkte dat men de prijzen en bedragen zonder belasting op de toegevoegde waarde diende te verstaan, wat de regel is in de gehele nieuwe reglementering.
       - Onderafdeling 2. - Eigendomsoverdracht.
       - Art. 50. Deze nieuwe bepaling die voortaan is opgenomen onder artikel 50 dat in de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden ongebruikt gebleven is, handelt over de eigendomsoverdracht van de leveringen die plaatsvindt vanaf het ogenblik dat deze overeenkomstig artikel 15, § 2, voor betaling werden aanvaard. De bedoeling was een eenvormig stelsel te bepalen voor het geheel van de opdrachten voor aanneming van leveringen.
       - Onderafdeling 3. - Verloop van de opdracht.
       Meerdere opdrachten.
       - Art. 51. Dit artikel vervangt artikel 51, § 1, van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Paragraaf 2 werd geschrapt. Deze paragraaf bepaalde immers dat indien een leverancier aannemer is van een opdracht die is samengesteld uit meerdere identieke percelen maar die tegen verschillende prijzen werden toegewezen, de opeenvolgende leveringen aan de gemiddelde prijs worden betaald. Het schrappen wordt gerechtvaardigd door het feit dat dergelijke maatregel een vorm van vooruitbetalingen veronderstelt in een geval dat niet door de terzake geldende regels werd voorzien.
       Uitvoeringsmodaliteiten.
       - Art. 52. Dit artikel vervangt artikel 52 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       In § 1 bepaalt de tekst voortaan dat indien de aanbestedende overheid de vastgelegde of minimale hoeveelheden vermindert, de leverancier recht heeft op de vergoeding van zijn schade.
       In § 3 werden nauwkeurigere regels bepaald voor de berekening van de leveringstermijnen. Een nieuwe bepaling verduidelijkt, in fine, dat indien de leveringstermijn een criterium vormt voor de gunning van de opdracht, alle dagen zonder onderscheid tot de termijn worden gerekend.
       Keuring.
       - Art. 53. Dit artikel stemt overeen met artikel 63 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Aangezien de proeven en tegenproeven betrekking hebben op keuringen die zelfs tijdens de vervaardiging van de leveringen gebeuren, staan de bepalingen hieromtrent logischerwijze meer op hun plaats in dit deel van de algemene aannemingsvoorwaarden dan in het deel dat gewijd is aan de oplevering. Voor de rest werd de tekst verduidelijkt, naast een overname in § 4 van de tekst van het vroegere artikel 63, § 7.
       Zoals in artikel 27, § 2, werden de regels inzake de kosten van keuring in een laboratorium vereenvoudigd, gelet op de algemene bepaling van artikel 12, § 4.
       Verlenging van de leveringstermijn.
       - Art. 54. Dit artikel neemt § 1, 2 en 4 van artikel 53 over van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. De vroegere § 3 werd overbodig bevonden omdat hij bepaalde dat de bezwaren en verzoekschriften moesten worden ingediend in overeenstemming met artikel 16. Hetzelfde geldt voor de vroegere § 5 met betrekking tot de inwerkingtreding van rechtswege bij het verstrijken van de termijnen, zonder enige kennisgeving of bericht, van alle voorwaarden van het contract.
       In § 3 werd het tweede lid geschrapt. De tekst voorzag inderdaad de niet-ontvankelijkheid indien de leverancier niet binnen vijftien dagen zijn niet-akkoord met de beslissing van de aanbestedende overheid inzake de verlenging van de leveringstermijn zou betekenen. De regels van artikel 16 lijken voldoende dwingend in dat opzicht.
       Levering en aansprakelijkheid van de leverancier.
       - Art. 55. Dit artikel stemt overeen met artikel 54 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       In § 1, derde lid, werd de bepaling vereenvoudigd die vroeger bepaalde dat ingeval van wijziging van de plaats van levering, de transport- en onderhoudskosten slechts ten laste vielen van de aanbestedende overheid ten belope van de door haar aanvaard produkten.
       In § 4 bepaalt een nieuw lid in fine, dat de keurder alle nodige maatregelen dient te nemen om te beletten dat de geweigerde produkten opnieuw ter keuring zouden kunnen worden aangeboden of geleverd.
       In § 5 betreffende de aansprakelijkheid van de leverancier, wordt er verwezen naar artikel 16.
       Verpakkingen.
       - Art. 56. Dit artikel stemt overeen met artikel 55 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       - Onderafdeling 4. - Einde van de opdracht.
       Wijzen van voorlopige oplevering.
       - Art. 57. Artikel 57 voert nieuwe nauwkeurigere bepalingen in met betrekking tot de wijzen van voorlopige oplevering van de leveringen.
       Paragraaf 1 handelt over de eenvoudigste en meest voorkomende vorm van voorlopige oplevering : de oplevering van de leveringen op de plaats van levering. Elke andere vorm van oplevering dient dus te worden bepaald in het bestek en moet bestaan uit :
       - ofwel een dubbele oplevering die een gedeeltelijke oplevering omvat op de plaats van fabricage en een volledige oplevering op de plaats van levering; hierover handelen artikelen 58 tot 60;
       - ofwel een volledige oplevering op de plaats van levering zonder gedeeltelijke oplevering op de plaats van fabricage; hierover handelt artikel 61.
       Paragraaf 2 is een nieuwe bepaling tot bestraffing van de aanbestedende overheid, door de verplichting tot toekenning van een forfaitaire schadevergoeding aan de leverancier indien deze overheid draalt met het uitvoeren van de oplevering.
       Dubbele voorlopige oplevering.
       - Art. 58. Artikel 58 stemt overeen met artikel 57 en, gedeeltelijk, met artikel 59 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Het bestek kan kortere opleveringstermijnen bevatten. De opleveringstermijn waarover de aanbestedende overheid beschikt om haar beslissing bekend te maken, wordt vermeerderd met het aantal dagen dat de keurders nodig hebben voor de heen- en terugreis.
       Paragraaf 3 verduidelijkt bovendien dat de voorlopige oplevering slechts volledig is nadat de aanbestedende overheid de in artikel 55 bedoelde handelingen uitgevoerd heeft.
       Aanbieden van de leveringen voor de gedeeltelijke voorlopige oplevering op de plaats van fabricage.
       - Art. 59. Dit artikel stemt overeen met artikel 58 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       Verzegelingen, verzendingen en afgekeurde materialen.
       - Art. 60. Artikel 60 stemt overeen met artikel 60 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden.
       Volledige voorlopige oplevering op de plaats van levering.
       - Art. 61. Dit artikel vervangt artikel 61 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. In § 5, tweede lid, werd de bepaling die voorziet in een straf van 500 frank per dag vertraging, vervangen door een nieuwe tekst waarbij een boete per kalenderdag kan worden opgelegd.
       Schifting.
       - Art. 62. Dit artikel stemt overeen met artikel 62, § 2, van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Paragraaf 1 van dit artikel werd inderdaad overgebracht naar artikel 20, § 9, van hoofdstuk I dat gewijd is aan de gemeenschappelijke clausules voor alle opdrachten.
       Verplichtingen van de leverancier na de oplevering.
       - Art. 63. Artikel 63 stemt overeen met artikel 65 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. De tekst werd evenwel verbeterd.
       Definitieve oplevering.
       - Art. 64. Dit artikel stemt overeen met artikel 64 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Er werd evenwel, zoals voor de werken, een tweede lid toegevoegd dat bepaalt dat er binnen de vijftien dagen na de definitieve oplevering of na de weigering van oplevering door de aanbestedende overheid een proces-verbaal dient te worden opgemaakt, indien de levering aanleiding heeft gegeven tot een klacht tijdens de waarborgtermijn.
       Bezwaren in verband met de oplevering.
       - Art. 65. Dit artikel stemt overeen met artikel 65 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. De zin betreffende het bewijs van toeval of overmacht werd evenwel weggelaten omdat het gaat over een algemeen beginsel dat niet dient te worden herhaald in de algemene aannemingsvoorwaarden.
       - Onderafdeling 5. - Gebrekkige uitvoering.
       Middelen van optreden van de aanbestedende overheid.
       - Art. 66. Dit artikel stemt gedeeltelijk overeen met artikelen 52 en 66 van de vroegere algemene aannemingsvoorwaarden. Dit artikel dient evenwel te worden toegepast samen met het nieuwe artikel 20 van het eerste hoofdstuk dat de gemeenschappelijke clausules voor alle opdrachten bevat.
       De vroegere § 1 werd geschrapt omdat hij ingevolge artikel 20 niet meer nodig was.
       Paragraaf 1, 2°, werd herschreven aangezien de bepaling werd geschrapt volgens dewelke geen enkele boete wordt toegepast indien de vertraging niet oploopt tot zeven kalenderdagen. Worden overigens niet aangerekend de boetes waarvan het totaal bedrag geen 2.000 frank bereiken (vroeger 1.000 frank).
       In 3° werd de tekst van het vroegere artikel 52, § 5, ingelast die voorziet dat indien de levering gespreid plaatsvindt, de boetes wegens laattijdige uitvoering toegepast worden op de gedeeltelijke leveringen, op grond van de door ieder aan hen aangegeven termijnen. Een nieuw tweede lid bepaalt welke datum in dit geval beschouwd wordt als de leveringsdatum voor de eventuele toepassing van de boetes wegens laattijdige uitvoering.
       Het ten vierde en ten vijfde komen van artikel 48, § 2, 3° en 4°, inzake werken en betreffen de opdrachten, verdeeld in meerdere delen of fazen of voor dewelke niet bindende gedeeltelijke uitvoeringstermijnen van toepassing zijn.
       Paragraaf 2 betreft de maatregelen van ambtswege. Hij vervolledigt voor de leveringen de bepalingen die zich in artikel 20 bevinden.
       Punt 1 neemt § 5 van het vroegere artikel 66 over in een aangepaste versie, evenals § 10 van ditzelfde artikel. Hij betreft de berekening van de bijkomende kosten in geval van een uitvoering in eigen beheer of van een opdracht voor rekening, evenals de datum tot dewelke de boetes wegens laattijdige uitvoering blijven lopen.
       Punt 2 herneemt de tekst van § 6 van het vroegere artikel 66 dat handelt over de vervanging door soortgelijke leveringen indien, in het raam van de maatregelen van ambtswege, geen identieke leveringen meer kunnen worden aangeschaft.
       Punt 3 hergroepeert § 7, 8 en 9 van het vroegere artikel 66 dat handelt over de manier waarop men dient te werk te gaan voor de keuring en de oplevering bij een opdracht voor rekening.
       Punt 4 vervolledigt § 2, door een bepaling gelijkaardig aan een lid van artikel 48, § 3, inzake werken, dat de kosten voor het sluiten van de opdracht voor rekening, ten laste legt van de in gebreke gebleven aannemer binnen de hier bepaalde grenzen.
       - Afdeling 3. - Opdrachten voor aanneming van diensten.
       - Onderafdeling 1. - Elementen die in de prijzen zijn begrepen.
       - Art. 67. Met artikel 67 wordt een nieuwe afdeling III aangevat met betrekking tot de bijzondere clausules die van toepassing zijn op de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten. Artikel 67 neemt de elementen over die, net als voor de werken en de leveringen, begrepen zijn in de prijs.
       - Onderafdeling 2. - Briefwisseling met de dienstverlener.
       - Art. 68. Artikel 68 bepaalt de modaliteiten voor de briefwisseling van de aanbestedende overheid met de dienstverlener. Deze bepaling kan vooral nuttig blijken voor dienstverleners die geen maatschappelijke zetel hebben.
       - Onderafdeling 3. - Verloop van de opdracht.
       Uitvoeringsmodaliteiten.
       - Art. 69. Artikel 69 verduidelijkt in zijn § 1 dat de dienstverlener, door het sluiten van de opdracht, het recht heeft de hoeveelheden of de in het bestek bepaalde minima te presteren. Anders dient hij schadeloos te worden gesteld.
       Paragraaf 2 handelt over de volgens gedeeltelijke bestellingen te presteren diensten.
       Paragraaf 3 handelt over de uitvoeringstermijn en § 4 over de vaststelling van deze termijn in kalenderdagen, -weken of -maanden of in werkdagen.
       Plaats van dienstverlening.
       - Art. 70. Dit artikel stelt de plaats van prestatie van de diensten vast.
       Het beoogde doel is de aanbestedende overheid toe te laten een controle op de uitvoering van de opdracht uit te oefenen.
       Keuring.
       - Art. 71. Artikel 71 stelt de regels vast met betrekking tot de keuring en de toegestane termijnen voor het aanvaarden of weigeren van de prestaties.
       Aansprakelijkheid van de dienstverlener.
       - Art. 72. Dit artikel handelt over de aansprakelijkheid van de dienstverlener. Wat betreft de tienjarige aansprakelijkheid die uit de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk wetboek voortvloeit, bepaalt de tekst dat deze aanvangt vanaf de voorlopige oplevering van het geheel der werken waarvan de studie het voorwerp van de opdracht voor aanneming van diensten uitmaakt.
       - Onderafdeling 4. - Onverenigbaarheid.
       - Art. 73. Artikel 73 handelt over de onverenigbaarheid bepaald in artikel 10 van de wet en over de gevolgen van deze onverenigbaarheid op de uitvoering van de opdracht. Het gaat om een aanvullende bepaling in vergelijking met deze voorzien in de koninklijke besluiten van 8 en 10 januari 1996.
       - Onderafdeling 5. - Einde van de opdracht.
       - Art. 74. Artikel 74 betreft het einde van de opdracht. Paragraaf 1 neemt een bepaling over die zich bevindt in het gedeelte dat toepasbaar is op de werken en volgens hetwelk de prestaties die niet voldoen aan de clausules of aan de voorwaarden van de opdracht of aan de regels van de kunst, door de aannemer dienen herbegonnen te worden.
       Paragraaf 2 handelt over de oplevering. Behoudens andersluidende bepaling in het bestek is er slechts één enkele oplevering, en geen voorlopige oplevering gevolgd door een definitieve oplevering.
       - Onderafdeling 6. - Gebrekkige uitvoering.
       Middelen van optreden van de aanbestedende overheid.
       - Art. 75. Artikel 75 werd overgenomen van de regels die van toepassing zijn op de opdrachten voor aanneming van leveringen.
       Paragraaf 1 neemt bepalingen over, gelijkaardig aan deze van artikel 66, § 1, inzake boeten voor vertraging. De datum waarop de boeten beginnen te lopen, dient evenwel te worden verduidelijkt in het bestek.
       Paragraaf 2 behandelt de maatregelen van ambtswege voor de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten.
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige
       en zeer getrouwe dienaar,
       De Eerste Minister,
       J.-L. DEHAENE
       ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE.
       Bijlage.
       - Artikel 4. Het is niet duidelijk waarom in paragraaf 3, derde lid, de verplichting voor de aannemer om klachten en verzoeken overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 16, § 4, in te dienen, geschrapt werd.
       - Artikel 5. 1. In tegenstelling tot wat het geval lijkt te zijn in de bepalingen van het ontwerp-koninklijk besluit zelf - de algemene uitvoeringsregels wordt in dit artikel van de algemene aannemingsvoorwaarden blijkbaar wel gedoeld op een meer specifiek soort zekerheid, die hoe dan ook geen borgtocht is in de betekenis welke het Burgerlijk Wetboek daaraan hecht (16).
       2. In paragraaf 4 worden de Franse termen "reconstitué" en "reconstitution" nu eens vertaald door "aanvullen", dan weer door "integraal te stellen".
       - Artikel 10. In paragraaf 2 zou de term "uitgesloten aannemer" nader moeten worden omschreven, eventueel als volgt : "de aannemer, die met toepassing van artikel 19, § 3, van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, van overheidsopdrachten uitgesloten werd".
       Uit voormelde wet blijkt ook dat deze alleen van toepassing is op de aannemers van werken en dat leveranciers en dienstverleners op basis van deze wet niet van overheidsopdrachten kunnen worden uitgesloten, hetgeen door de gemachtigde van de regering werd bevestigd. De woorden "leverancier of dienstverlener" moeten dan ook worden weggelaten.
       - Artikel 12. In paragraaf 6, 2°, wordt de Franse term "échantillon" in het Nederlands weergegeven als "proefstuk", daar waar dit onder meer in artikel 4, § 5, door "monster" of "staal" wordt vertaald.
       - Artikel 13. 1. In het begin van paragraaf 1 schrijve men beter, zoals voorheen in het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 : "Voor de opdrachten van werken voorziet de overeenkomst in de nadere regels ... " en in het begin van paragraaf 2 : "Voor de opdrachten van leveringen en diensten kan de overeenkomst ... ".
       2. In paragraaf 5 schrijve men beter : "Voor de toepassing van artikel 6 van dit besluit moeten de onderaannemingscontracten aan één van de volgende voorwaarden beantwoorden : ... ".
       - Artikel 14. 1. Paragraaf 1 groepeert de vroegere paragrafen 1, 2 en 3 van artikel 14 van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977. Er is echter geen reden om de betrokken paragraaf 1 in te delen in 1°, 2° en 3°. Ook in de paragrafen 2 en 6 van de voorliggende tekst is dergelijke indeling zinloos. Het spreekt vanzelf dat, indien deze indelingen weggelaten worden, de eventuele interne verwijzingen dan moeten worden aangepast.
       2. De paragrafen 2 en volgende, die nieuw zijn ten opzichte van de vroegere tekst, doen de indruk ontstaan dat de overheid op het stuk van de intellectuele eigendom in een ondergeschikte positie staat, ook wanneer zij onderzoek en ontwikkeling financiert. Minstens zouden echter een aantal hypotheses moeten worden onderscheiden die, eventueel genuanceerd volgens de aard van het intellectuele recht, een gedifferentieerde toepassing mogelijk maken :
       a) indien bij de uitvoering van de opdracht gebruik wordt gemaakt van bestaande intellectuele rechten, is het evident dat de aanbestedende overheid hierop geen enkel recht kan doen gelden en in voorkomend geval enkel een gebruikslicentie kan verkrijgen;
       b) indien bij de uitvoering van de opdracht bepaalde produkten dienen te worden ontwikkeld om de opdracht uit te kunnen voeren, kan bijkomend onderscheiden worden of de overheid deze ontwikkeling financiert; is dit niet het geval, dan is er evenmin sprake van enig intellectueel recht in hoofde van de overheid; is dit wel het geval, dan zou op zijn minst moeten worden voorzien in een vergoeding voor de overheid, zeker wanneer de aannemer dit ontwikkelde produkt nog bij de uitvoering van andere projecten kan aanwenden;
       c) indien het voorwerp van de opdracht precies de ontwikkeling van een produkt betreft en dit dus tot gevolg heeft dat de volledige ontwikkeling door de overheid gefinancierd wordt, dan zou de overheid hierop een intellectueel recht moeten kunnen doen gelden; het ontwerp wekt, op zijn minst, de indruk dat dit niet het geval is.
       3. In paragraaf 3, tweede lid, schrijve men : "... het gebruik van het werk, de levering of de dienst, of die nu aanleiding ... ".
       - Artikel 16. 1. Aangaande de indeling in 1°, 2°, ... in paragraaf 2 geldt dezelfde opmerking als die welke is gemaakt bij artikel 14.
       2. In het derde lid van paragraaf 3 schrijve men : "In dit geval is de aannemer enkel verplicht de aanbestedende overheid in te lichten zodra hij ... ".
       3. Men schrijve in paragraaf 6 : "Voor de toepassing van dit artikel moet onder herziening van de opdracht worden verstaan de aanpassing van ... ".
       - Artikel 17. In het opschrift en in het artikel vervange men "teruggave" door "kwijtschelding".
       - Artikel 20. 1. Voor paragraaf 8 geldt dezelfde opmerking als die bij artikel 10. Voor de uitsluiting van een leverancier of een dienstverlener, zoals dit door het voorliggend ontwerp geregeld wordt, is geen rechtsgrond voorhanden, aangezien de wet van 20 maart 1991 enkel betrekking heeft op aannemers van werken.
       2. Gezien de sanctie waarin paragraaf 9 voorziet minder zwaar is dan die van de vorige paragrafen, zou deze bepaling beter na paragraaf 3 opgenomen worden.
       - Artikel 22. In verband met punt 2°, b), dient nogmaals dezelfde opmerking te worden gemaakt als bij de artikelen 10 en 20, wat betreft de uitsluiting van leveranciers en dienstverleners.
       - Artikel 23. In deze bepaling moet worden verwezen naar artikel 10, en niet naar Artikel 9, van het besluit.
       - Artikel 27. Behalve dat het om de reeds uiteengezette reden geen zin heeft om paragraaf 2 in 1°, 2°, ... in te delen, lijkt het er op dat de stellers een indeling hebben beoogd, gebaseerd eerst op het algemeen principe (1°) en vervolgens naargelang de verschillende plaatsen waar de keuring kan plaatsvinden (2°, 3°, 4°, 5°). Bij nader toezien is die indeling niet relevant, aangezien bijvoorbeeld punt 3° (proeven in de werkhuizen van de fabrikant), derde lid, het heeft over "..., waar de proeven ook mogen plaatsvinden" en het vijfde lid spreekt over het verrichten van proeven in de werkhuizen van de aannemer of op de bouwplaats.
       - Artikel 33. Er kan in het eerste lid beter worden gespecificeerd dat het gaat om de bepalingen van artikel 29, § 3 (vondsten tijdens het werk).
       - Artikel 42. Men schrijve in paragraaf 3, eerste lid : "Opdat een herziening van de eenheidsprijzen zou kunnen plaatsvinden, moet één der partijen ... " . Ook in paragraaf 6 zou duidelijker tot uiting moeten worden gebracht dat het om een herziening van de eenheidsprijzen gaat.
       - Artikelen 46 en 47. Deze bepalingen voegen niets toe aan de voor de opdrachten van werken, leveringen en diensten gemeenschappelijke principes vervat in artikel 20, §§ 1 en 2, en worden alleen verantwoord door het behoud van de nummering van de artikelen zoals in het ministerieel besluit van 10 augustus 1977.
       - Artikel 48. In paragraaf 3, 3°, vierde lid, c), schrijve men : "de nieuwe eenheidsprijzen overeengekomen... ".
       - Artikel 59. Paragraaf 3 kan beter geredigeerd worden als volgt :
       "Indien de aanbestedende overheid vaststelt dat de levering niet in staat is om te worden opgeleverd of dat de leverancier merkelijk kleinere hoeveelheden aanbiedt dan in zijn aanvraag was vermeld, wordt de vraag tot oplevering van de leverancier als onbestaande beschouwd. De leverancier moet een nieuwe vraag tot oplevering indienen".
       - Artikel 66. 1. In paragraaf 1, 3°, schrijve men : " Wanneer is bepaald dat de levering gespreid moet worden uitgevoerd, ... ".
       2. In paragraaf 1, 5°, moet worden verwezen naar het 4° in plaats van naar het 3°.
       - Artikel 68. Men schrijve in dit artikel : "... tenzij het bestek de dienstverlener na gunning van de opdracht verplicht ... ".
       - Artikel 70. Paragraaf 1 werd geïnspireerd door artikel 55, dat betrekking heeft op leveringen. In de eerste zin van paragraaf 1 schrijve men : "... de plaats waar de diensten verleend moeten worden ... ".
       - Artikel 71. Het is niet duidelijk of de in dit artikel bedoelde controles als een vorm van keuring beschouwd moeten worden, zoals het opschrift laat uitschijnen (17).
       - Artikel 73. Artikel 10 van de wet van 24 december 1993 handelt over de onverenigbaarheid die ontstaat ingeval een ambtenaar, openbare gezagsdrager of andere natuurlijke of rechtspersoon belast met een openbare dienst, persoonlijk of via een tussenpersoon, belangen heeft in één van de inschrijvende ondernemingen, waarbij hem dan verboden wordt op te treden bij de gunning van en het toezicht op de uitvoering van een overheidsopdracht. Niet alleen geldt deze bepaling reeds bij de gunning van de opdracht, maar bovendien betreft het de verantwoordelijkheid van de betrokkene en niet van de dienstverlener. Dergelijke bepaling komt trouwens niet voor bij de werken of de diensten, waar deze onverenigbaarheid eveneens kan optreden. Het is echter niet die onverenigbaarheid welke geviseerd wordt door artikel 73, wel die waarbij een dienstverlener een tegenstrijdig belang heeft. Volgens de gemachtigde van de regering is deze bepaling bedoeld voor studiebureaus en dergelijke die voor openbare besturen een opdracht uitwerken en geacht worden nadien niet meer bij de gunning of de uitvoering van die opdracht op te treden (18). Het ware aangewezen de tekst in die zin te verduidelijken.
       - Artikel 74. Men schrijve in paragraaf 2, laatste lid : "... is de oplevering van de in deze paragraaf beschreven diensten definitief".
       - Artikel 75. 1. In paragraaf 1, 3°, schrijve men : "... dat de levering gespreid moet worden uitgevoerd, ... ".
       2. In paragraaf 1, 5°, dient te worden verwezen naar het 4°.
       (16) Zie ook de opmerkingen bij de artikelen 5 en 22 van de algemene uitvoeringsregels.
       (17) De inspectie van Financiën (advies p. 14) heeft het in dit verband over "réception technique" (technische keuring). Zie ook artikel 12, § 1, tweede lid, 3° van de algemeen aannemingsvoorwaarden.
       (18) De gemachtigde verwijst hiervoor naar de memorie van toelichting bij artikel 10 van de wet van 24 december 1993.
       De kamer was samengesteld uit
       De heren :
       J. De Brabandere, kamervoorzitter;
       M. Van Damme en D. Albrecht, staatsraden;
       G. Schrans en E. Wymeersch, assessoren van de afdeling wetgeving;
       Mevr. A. Beckers, griffier.
       De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer D. Albrecht.
       Het verslag werd uitgebracht door de heer P. Depuydt, auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer E. Vanherck, adjunct-referendaris.
       De Griffier,
       A. Beckers. J.
       De Voorzitter,
       De Brabandere.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 18 uitvoeringbesluiten 8 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie