J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 586 uitvoeringbesluiten 211 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1967/10/10/1967101053/justel

Titel
10 OKTOBER 1967. - GERECHTELIJK WETBOEK - Deel II : RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555quinquies)
(NOTA 1 : art. 259bis-15 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij W 2014-04-04/44, art. 2, zelf gewijzigd bij W 2016-05-04/03, art. 139)
(NOTA 2 : art. 259bis-18 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij W 2014-04-04/44, art. 3)
(NOTA : art. 259quater, 259septies en 323bis,L6 gewijzigd in de toekomst door W 2017-07-06/24, art. 246, 249 et 259; Inwerkingtreding : 01-01-2019)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-01-1985 en tekstbijwerking tot 24-10-2017) Zie wijziging(en)

Publicatie : 31-10-1967 nummer :   1967101053 bladzijde : 11360
Dossiernummer : 1967-10-10/02
Inwerkingtreding : 01-11-1970

Inhoudstafel Tekst Begin
EERSTE BOEK. - ORGANEN VAN DE RECHTERLIJKE MACHT.
Art. 58, 58bis, 58ter
EERSTE TITEL. - Hoven en rechtbanken - Leden.
EERSTE HOOFDSTUK. - Vrederechter en politierechtbank.
Eerste afdeling. - Algemene bepalingen.
Art. 59-60, 60bis, 61-65, 65bis
Afdeling II. Dienst.
Art. 66-72, 72bis, 72ter
HOOFDSTUK II. Arrondissementsrechtbank,rechtbank van eerste aanleg,arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel.
Eerste afdeling. Algemene bepaling.
Art. 73
Afdeling II. Arrondissementsrechtbank.
Art. 74-75, 75bis
Afdeling III. Rechtbank van eerste aanleg.
Art. 76-80, 80bis
Afdeling IV. - Arbeidsrechtbank.
Art. 81-83
Afdeling V. - Rechtbank van koophandel.
Art. 84-85
Afdeling VI. Bureau voor rechtsbijstand.
Art. 86
Afdeling VIbis. [1 - Tijdelijke verplaatsing van de zetel van een rechtbank of een afdeling van een rechtbank.]1
Art. 86bis
Afdeling VII. - Plaatsvervangende rechters.
Art. 87
Afdeling VIII. - Dienst.
Art. 88-92, 92bis, 93-97
Afdeling IX. - [1 Opdracht en aanwijzing van rechters]1
Art. 98-99, 99bis, 99ter
Afdeling X. - Gelijktijdige benoemingen in verscheidene gerechten.
Art. 100, 100/1, 100/2
HOOFDSTUK III. Hof van beroep en arbeidshof.
Eerste afdeling. - Hof van beroep.
Art. 101
Afdeling 1bis. Plaatsvervangende raadsheren in de hoven van beroep. <ingevoeg bij W 1997-07-09/36, art. 3, Inwerkingtreding : 13-08-1997>
Art. 102
Afdeling 2. - Arbeidshof.
Art. 103-104
Afdeling 3. Bureau voor rechtsbijstand.
Art. 105
Afdeling 4. Dienst.
Art. 106, 106bis, 107-109, 109bis, 109ter, 109quater, 110-113
Afdeling V.- (Opdrachten van raadsheren van het ene hof tot het andere). <Ingevoegd bij W 1998-02-10/32, art. 6; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
Art. 113bis, 113ter
Afdeling VI. [1 - Tijdelijke verplaatsing van de zetel van een hof of een afdeling van een hof.]1
Art.
HOOFDSTUK IV. Hof van assisen.
Eerste afdeling. Algemene bepalingen.
Art. 114-118
Afdeling II. Samenstelling van het hof.
Art. 119-122
Afdeling III. Jury.
Art. 123-124
Afdeling IV. Verhindering en nietigheid.
Art. 125-127
HOOFDSTUK V. Hof van Cassatie.
Eerste afdeling. Algemene bepalingen.
Art. 128-131
Afdeling II. - Dienst.
Art. 132-135
Afdeling IIbis. - (De referendarissen). <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 3; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
Art. 135bis
Afdeling III. Documentatie en overeenstemming der teksten.
Art. 136
Afdeling IV. - (Beheer). <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 4; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
Art. 136bis, 136ter
TITEL II. - Openbaar ministerie.
Art. 137-138, 138bis, 138ter, 139-143, 143bis, 143ter, 143quater, 144, 144bis, 144ter, 144quater, 144quinquies, 144sexies, 144septies, 145-146, 146bis, 146ter, 146quater, 147-150, 150bis, 150ter, 151, 151bis, 152, 152bis, 153-156
TITEL IIbis. - <W 17-07-1984, art. 1> Plaatsvervangende magistraten aangewezen uit de op rust gestelde magistraten.
Art. 156bis
TITEL IIter. (...). <W 2007-04-25/64, art. 9, 1°, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 156ter
TITEL III. - (Gerechtspersoneel). <W 2007-04-25/64, art. 10, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 11; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 157-160, 160bis, 161
HOOFDSTUK II. - Referendarissen en parketjuristen bij de hoven van beroep, de arbeidshoven, en de rechtbanken. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 17; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 162
HOOFDSTUK III. - Leden van de griffie. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 19; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 163-169, 169bis, 170-171
HOOFDSTUK IV. - Leden van het parketsecretariaat. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 29; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 172-174, 174bis, 175-176
TITEL IIIbis. (...) <W 1999-04-12/38, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Art. 176bis, 176ter, 176quater
HOOFDSTUK V. - Personeel verbonden aan een griffie, een parketsecretariaat of een steundienst. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 36; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 177-178, 178/1, 179
TITEL IV. -[1 Beheer van de rechterlijke organisatie]1
HOOFDSTUK I. - [1 Algemene beginselen]1
Art. 180
HOOFDSTUK II. - [1 Centraal beheer]1
Afdeling I. [1 Het College van de hoven en rechtbanken]1
Art. 181-182, 182bis, 183
Afdeling II [1 Het College van het openbaar ministerie]1
Art. 184-185
Afdeling III. [1 Het gemeenschappelijke beheer voor de Rechterlijke Orde]1
Art. 185/1
HOOFDSTUK III. - [1 Beheerstructuur in de hoven, de rechtbanken en het openbaar ministerie]1
Art. 185/2, 185/3
HOOFDSTUK IV. - [1 Beheersovereenkomsten en beheersplannen]1
Art. 185/4, 185/5, 185/6, 185/7
HOOFDSTUK V. - [1 Financieel beheer]1
Art. 185/8
HOOFDSTUK VI - [1 Evaluatie en controle]1
Afdeling I. - [1 Evaluatie]1
Art. 185/9
Afdeling II. - [1 Controle]1
Art. 185/10, 185/11, 185/12
HOOFDSTUK VII. - [1 Evaluatie van het beheersmodel]1
Art. 185/13
TITEL V. - Zetel en personeel van hoven en rechtbanken Hun rechtsgebied.
Art. 186
TITEL VI. - (Benoemingsvoorwaarden en loopbaan van magistraten en het gerechtspersoneel). <W 2007-04-25/64, art. 41, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 186bis
EERSTE HOOFDSTUK. - Vrederechters en rechters in de politierechtbank.
Art. 186ter, 187, 187bis, 187ter, 188
HOOFDSTUK II. - Leden van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank en van de rechtbank van koophandel en van het openbaar ministerie.
Eerste afdeling- Rechters en magistraten van het openbaar ministerie.
Art. 189-191, 191bis, 191ter, 192-194, 194bis, 194ter
Afdeling II. - Leden van de rechtbank van eerste aanleg.
Art. 195, 195bis, 196, 196bis, 196ter, 196quater, 196quinquies
Afdeling III. - Leden van de arbeidsrechtbank.
Art. 197-202
Afdeling IV. - Leden van de rechtbank van koophandel.
Art. 203-205
Afdeling V. - Bepaling geldend voor de afdelingen III en IV.
Art. 206
HOOFDSTUK IIbis. (...). <W 2007-04-25/64, art. 42, 1°, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 206bis, 206ter
HOOFDSTUK III. - Leden van het hof van beroep en van het arbeidshof en magistraten van het openbaar ministerie.
Eerste afdeling. - Algemene bepalingen.
Art. 207, 207bis, 208-209
Afdeling II. - Hof van beroep.
Art. 210, 210bis, 210ter, 211-213, 213bis, 214
Afdeling III. - Arbeidshof.
Art. 215-216
HOOFDSTUK IIIbis. - Bepaling gemeen aan de hoofdstukken I tot III. <Ingevoegd bij W 2003-05-03/45, art. 13; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Art. 216bis
HOOFDSTUK IV. Juryleden.
Eerste afdeling. Opmaken van de lijsten van gezworenen.
Art. <217>
Eerste onderafdeling. - Gemeentelijke lijst.
Art. 218-227
Onderafdeling 2. Provinciale lijst.
Art. 228-229
Onderafdeling 3. Definitieve lijst.
Art. 230-236
Onderafdeling 4. Bijzondere lijst voor iedere zaak..
Art. 237-240, 240bis, 241
Afdeling II. Samenstelling van de rechtsprekende jury.
Art. 242-253
HOOFDSTUK V. - Leden van het Hof van Cassatie.
Art. 254-259
HOOFDSTUK Vbis. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Hoge Raad voor de Justitie.
Afdeling I. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Samenstelling.
Art. 259bis1
Afdeling II. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Aanstelling van de leden.
Art. 259bis2
Afdeling III. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Duur van het mandaat en onverenigbaarheden.
Art. 259bis3
Afdeling IV. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Werking.
Art. 259bis4-259bis6
Afdeling V. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Algemene vergadering van de Hoge Raad.
Art. 259bis7
Afdeling VI. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> De benoemings- en aanwijzingscommissies.
Art. 259bis8-259bis10
Afdeling VII. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> De advies- en onderzoekscommissies.
Art. 259bis11-259bis18
Afdeling VIII. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Gemeenschappelijke bepalingen.
Art. 259bis19-259bis22
HOOFDSTUK Vter. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Benoemings- en aanwijzingsprocedure.
Afdeling I. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Benoemingen.
Art. 259ter
Art. 259ter TOEKOMSTIG RECHT
Afdeling II. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Procedure van aanwijzing in mandaten.
Art. 259quater, 259quinquies, 259sexies, 259sexies/1, 259septies
HOOFDSTUK Vquater. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 47, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De gerechtelijke stage.
Art. 259octies
HOOFDSTUK Vquinquies. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De evaluatie van magistraten.
Afdeling I. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Algemene bepalingen.
Art. 259novies
Afdeling II. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De periodieke evaluatie.
Art. 259decies
Afdeling III. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De evaluatie van mandaten.
Art. 259undecies
Afdeling IV. - [1 Beroepscommissie]1
Art. 259undecies/1
HOOFDSTUK Vsexies. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 49, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Referendarissen bij het Hof van Cassatie.
Art. 259duodecies, 259terdecies, 259quaterdecies
HOOFDSTUK VI. - (Gerechtspersoneel.) <W 2007-04-25/64, art. 44, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Afdeling I. - Selectie- en benoemingsvoorwaarden. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 45; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Onderafdeling I. - Attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie. <W 2007-04-25/64, art. 46, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 260
Onderafdeling II. - Referendarissen en parketjuristen bij de hoven van beroep, de arbeidshoven en de rechtbanken. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 48; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 261
Onderafdeling III. - Leden van de griffie. <W 2007-04-25/64, art. 50, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 262-264
Onderafdeling IV. - Leden van het parketsecretariaat. <W 2007-04-25/64, art. 54, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 265-266, 266bis, 267
Onderafdeling V. - Personeelsleden verbonden aan de griffies, de parketsecretariaten en de steundiensten. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 58; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 268-269, 269bis, 269ter
HOOFDSTUK VII. - (...). <W 2007-04-25/64, art. 63, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 270-272
HOOFDSTUK VIIbis. - Bemiddelingsadviseurs en -assistenten. (opgeheven) <W 1999-04-12/38, art. 3, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Art. 272bis, 272ter
HOOFDSTUK VIII. - (...). <W 2006-06-10/68, art. 25, 140; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Afdeling II. -[1 Selectie.]1
Art. 273-275, 275bis
Afdeling III. - Ontwikkeling binnen de loopbaan <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 71; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Onderafdeling I. - Algemene bepalingen. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 72; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 276-278
HOOFDSTUK VIII. (...). <W 2007-04-25/64, art. 76, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Onderafdeling II. - [1 Bevordering naar niveau A]1
Art. 279-280, 280bis, 281-284, 284bis
HOOFDSTUK IX.
Art. 285
HOOFDSTUK X.
Art. 285bis, 286, 286bis, 287, 287bis
Afdeling IV. - Evaluatie. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 93; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 287ter, 287ter/1, 287quater
HOOFDSTUK VII. - Bepalingen gemeen aan de hoofdstukken I tot VI. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 96; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 287quinquies, 287sexies
HOOFDSTUK VIII. [1 Definitieve ambtsneerlegging]1
Art. 287septies, 287octies, 287novies
BOEK II. - GERECHTELIJKE AMBTEN.
EERSTE TITEL I. - Voorwaarden voor het uitoefenen van gerechtelijke ambten.
HOOFDSTUK I. - (Installatie van de magistraten, de referendarissen, de parketjuristen en de griffiers en hun eedaflegging.) <W 2007-04-25/64, art. 99, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 288-291
HOOFDSTUK Ibis. - <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 68; Inwerkingtreding : 01-07-1997> (Eedaflegging van de secretarissen.) <W 1999-04-12/38, art. 10, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Art. 291bis
HOOFDSTUK II. - Onverenigbaarheden.
Eerste afdeling. - Cumulatie van ambten.
Art. 292-294, 294bis, 295-299, 299bis, 300
Afdeling II. - Bloed- of aanverwantschap.
Art. 301-304
HOOFDSTUK III. - Standplaats.
Art. 305-307
HOOFDSTUK IV. - Magistraten gemachtigd om [1 een opdracht van algemeen belang]1 te aanvaarden bij een internationale, supranationale of buitenlandse instelling.
Art. 308-309
HOOFDSTUK V. - <Ingevoegd bij W 2003-04-10/59, art. 94; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Magistraten gemachtigd om Belgische militaire troepen in het buitenland te vergezellen
Art. 309bis
HOOFDSTUK VI. [1 Magistraten gemachtigd om een opdracht te vervullen in het kader van Eurojust]1
Art. 309ter, 309quater, 309quinquies
HOOFDSTUK VII. - [1 Parketjurist gemachtigd om een opdracht te vervullen in het kader van Eurojust]1
Art. 309sexies
HOOFDSTUK VIII. - [1 Gerechtspersoneel gemachtigd om een internationale opdracht uit te oefenen.]1
Art. 309septies, 309octies
TITEL II. - Uitoefening van gerechtelijke ambten.
HOOFDSTUK I. - Rangorde en voorrang.
Art. 310-311, 311bis, 312, 312bis, 312ter, 313-315, 315bis
Hoofdstuk Ibis. - [...]
Art. 315ter
HOOFDSTUK II. - Dienst der terechtzittingen.
Art. 316-318
HOOFDSTUK III. - Verhindering en vervanging.
Art. 319, 319bis, 320-321, 321bis, 322-323, 323bis, 324-326, 326bis, 327, 327bis, 327ter, 328, 328/1, 329, 329bis, 330, 330bis, 330ter
HOOFDSTUK IIIbis. - Mutatie en mobiliteit. <ingevoegd bij W 2006-06-10/68, art. 51; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 330quater, 330quinquies, 330sexies
HOOFDSTUK IV. - Afwezigheid en verlof.
Art. 331, 331bis, 332, 332bis, 333
HOOFDSTUK V. - Vakantie en vakantiekamers.
Art. 334-335, 335bis, 336-339
HOOFDSTUK VI. - Algemene vergaderingen.
Art. 340-342, 342bis, 343-345
HOOFDSTUK VIbis. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 74, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De korpsvergadering.
Art. 346-352
HOOFDSTUK VIter. <Ingevoegd bij W 2001-11-29/33, art. 7; Inwerkingtreding : 18-12-2001> - Registratie van de werklast
Art. 352bis
HOOFDSTUK VIquater. [1 Middelen van identificatie]1
Art. 352ter
HOOFDSTUK VII. - Ambtskledij.
Art. 353
HOOFDSTUK VIIbis. - (Bepalingen betreffende de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en de parketjuristen.) <W 2007-04-25/64, art. 120, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 353bis
HOOFDSTUK VIII. - (Gemeenschappelijke bepalingen geldend voor de leden van de griffies, het personeel van de griffies, de parketten en steundiensten en voor de attaché's in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie.) <W 2007-04-25/64, art. 122, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 353ter, 354
TITEL III. - Wedden, lonen en werkingskosten.
EERSTE HOOFDSTUK. - Wedden van de magistraten der rechterlijke orde.
Art. 355, 355bis, 355ter, 356-360, 360bis, 360ter, 360quater, 361-363, 363bis, 364-365
HOOFDSTUK Ibis. - (Wedden van de referendarissen bij het Hof van Cassatie). <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 18; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
Art. 365bis
HOOFDSTUK Iter. (...). <W 2007-04-25/64, art. 125, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 365ter
HOOFDSTUK II. - (Wedden en weddenbijslagen van het niveau A, de griffiers en de secretarissen) <W 2007-04-25/64, art. 126, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Afdeling I. - Algemene bepalingen. <W 2007-04-25/64, art. 127, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 366, 366bis, 366ter, 367, 367bis, 367ter, 367quater, 367quinquies
Afdeling II. - Wedden. <W 2007-04-25/64, art. 130, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Onderafdeling I. - Niveau A. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 132D : 01-12-2008>
Art. 368-370
Onderafdeling II. - Niveau B (griffiers en secretarissen). <ingevoegd bijW 2007-04-25/64, art. 137; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 371-372
Onderafdeling III. [1 Bevordering in weddeschaal ]1
Art. 372bis, 372ter, 372quater, 372quinquies, 372sexies
Onderafdeling IV. [1 Weddeschaal in het kader van de bevordering door overgang naar het hogere niveau, de bevordering naar de hogere klasse of de verandering van graad.]1
Art. 372septies, 372octies
Afdeling III. - Toelagen en premies. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 140; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 373, 373bis, 373ter, 374-375
HOOFDSTUK III. - (Gemeenschappelijke bepalingen voor de hoofdstukken I, Ibis (...) en II.) <W 1999-03-24/31, art. 20, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999> <W 2007-04-25/64, art. 146, 155; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 376-377
HOOFDSTUK IV. Bepalingen betreffende de plaatsvervangende magistraten.
Art. 378-379, 379bis, 379ter, 379quater
HOOFDSTUK V. - (Bepaling geldend voor het personeel van de griffies en de parketsecretariaten en voor de attachés in de Dienst voor Documentatie en Overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie.) <W 1999-04-12/38, art. 18, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Art. 380
HOOFDSTUK VI. - Werkingskosten.
Art. 381-382
TITEL IV. - Inruststelling, pensionering en emeritaat.
EERSTE HOOFDSTUK. Inruststelling.
Art. 383, 383bis, 383ter, 384-390
HOOFDSTUK II. - Pensioen en emeritaat.
Art. 391, 391/1, 392, 392/1, 393, 393/1, 393/2, 394-397
HOOFDSTUK IIbis. - (Pensionering en pensioen van de referendarissen bij het Hof van Cassatie en van de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg.) <W 1999-03-24/31, art. 21, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
Art. 397bis
TITEL V. - Tucht.
HOOFDSTUK I. - Bepalingen tot regeling van hiërarchie en toezicht.
Art. 398-402, 402bis, 403
HOOFDSTUK II. - Tuchtrechtelijke maatregelen.
Art. 404-405, 405bis, 405ter, 405quater, 406-408
HOOFDSTUK III. - (Bevoegde overheden.) <W 2002-07-07/43, art. 8; Inwerkingtreding : 14-02-2005>
Afdeling I. - [1 Tuchtrechtcolleges]1
Art. 409
Afdeling II.
Art. 410
Afdeling III.
Art. 411, 411/1
Afdeling II. - (vroeger afdeling IV)[1 De tuchtoverheden]1
Art. 412
Afdeling V. <Opgeheven bij W 2013-07-15/08, art. 22, 182; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
Art. 413-414, 414bis, 414ter
HOOFDSTUK IV. - (vroeger afdeling VI) [1 Tuchtprocedure]1
Art. 415-416
HOOFDSTUK IV.
Art. 417-427
HOOFDSTUK V.
Art. 427bis, 427ter, 427quater
BOEK III. - BALIE.
EERSTE TITEL. - <W 02-07-1975, art. 1> Algemene Bepalingen.
EERSTE HOOFDSTUK. - Advocaten.
Art. 428, 428bis, 428ter, 428quater, 428quinquies, 428sexies, 428septies, 428octies, 428nonies, 428decies, 429-432, 432bis
Art. 432bis FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 433-438
HOOFDSTUK II. - Rechten en plichten van de advocaten.
Art. 439-446, 446bis, 446ter, 446quater, 446quinquies
HOOFDSTUK III. Stafhouder en Raad van de Orde.
Art. 447-455, 455bis
HOOFDSTUK IV. - Tucht.
Afdeling 1. - Tuchtraden <Ingevoegd bij W 2006-06-21/36, art. 6; Inwerkingtreding : 01-11-2006>
Art. 456-457, 457bis, 458-463
Afdeling 2. - Tuchtraden in beroep <Ingevoegd bij W 2006-06-21/36, art. 16; Inwerkingtreding : 01-11-2006>
Art. 464-468
Afdeling 3. - Diverse bepalingen <Ingevoegd bij W 2006-06-21/36, art. 22; Inwerkingtreding : 01-11-2006>
Art. 469, 469bis, 470-471
HOOFDSTUK V. - Tuchtraden van beroep. (Opgeheven) <W 2006-06-21/36, art. 26, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006>
Art. 472-477
TITEL 1bis. <W 2001-11-22/39, art. 18, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001> - Uitoefening in België van het beroep van advocaat door advocaten die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie.
HOOFDSTUK I. <Ingevoegd bij W 2001-11-22/39, art. 18; Inwerkingtreding : 30-12-2001> - Vrij verrichten van diensten.
Art. 477bis, 477ter, 477quater
HOOFDSTUK II. <Ingevoegd bij W 2001-11-22/39, art. 18; Inwerkingtreding : 30-12-2001> - Vrijheid van vestiging.
Art. 477quinquies, 477sexies, 477septies, 477octies, 477nonies
TITEL II. - Advocaten bij het Hof van Cassatie.
Art. 478, 478bis, 478ter, 479-484, 484bis, 485-487
TITEL III. (Orde van Vlaamse Balies en Ordre des Barreaux francophones et germanophone.) <W 2001-07-04/41, art. 14; Inwerkingtreding : 25-07-2001>
HOOFDSTUK I. - (Algemene bepalingen.) <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001>
Art. 488-490
HOOFDSTUK II. - (Organisatie en werking.) <W 2001-07-04/41, art. 14; Inwerkingtreding : 25-07-2001>
Art. 491-494
HOOFDSTUK III. - (Bevoegdheden.) <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001>
Art. 495-505
HOOFDSTUK IV. - (Overgangsbepalingen.) <W 2001-07-04/41, art. 14; Inwerkingtreding : 25-07-2001>
Art. 506-508
BOEK IIIbis. - (JURIDISCHE EERSTE- EN TWEEDELIJNSBIJSTAND). <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
HOOFDSTUK I. - (Algemene bepaling). <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Art. 508/1
HOOFDSTUK II. - (Commissie voor juridische bijstand). <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Art. 508/2
Art. 508/2 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 508/3
Art. 508/3 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 508/4
Art. 508/4 FRANSE GEMEENSCHAP
HOOFDSTUK III. - (Juridische eerstelijnsbijstand). <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Art. 508/5
Art. 508/5 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 508/6
Art. 508/6 FRANSE GEMEENSCHAP
HOOFDSTUK IV. - (Gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand.) <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Afdeling I. - (Organisatie.) <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Art. 508/7, 508/8, 508/9, 508/10, 508/11, 508/12
Afdeling II. - (Toekenning van de gedeeltelijke of volledige kosteloosheid.) <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Art. 508/13, 508/14, 508/15, 508/16, 508/17, 508/18
HOOFDSTUK V. - (De vergoeding van de advocaten). <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Art. 508/19
HOOFDSTUK Vbis. - Kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand. <ingevoegd bij W 2005-12-27/30, art. 12; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
Art. 508/19bis
HOOFDSTUK VI. - [1 Terugvordering van de rijksvergoeding - Recht van de advocaat op de betaling van vergoedingen]1
Art. 508/19ter, 508/20
HOOFDSTUK VII. - (De ambtshalve toevoeging van advocaten). <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Art. 508/21, 508/22, 508/23
HOOFDSTUK VIII. - Grensoverschrijdende geschillen bedoeld in richtlijn 2003/8/EG. <ingevoegd bij W 2006-06-15/53, art. 5; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
Art. 508/24, 508/25
BOEK IV. - [1 Gerechtsdeurwaarders]1
HOOFDSTUK I. - [1 Titel, statuut, benoeming, eed en vestiging]1
Art. 509-518
HOOFDSTUK II. - [1 Taken en bevoegdheden van de gerechtsdeurwaarder]1
Art. 519-520
HOOFDSTUK III. - [1 Onverenigbaarheden]1
Art. 521
HOOFDSTUK IV. - [1 Tarief, boekhouding, derdengelden en kwaliteitsrekening]1
Art. 522, 522/1, 522/2
HOOFDSTUK V. - [1 Continuïteit van de openbare dienst, voortzetting van de activiteit, overdracht van dossiers en andere bestanddelen van het kantoor van een gerechtsdeurwaarder]1
Art. 523-525
HOOFDSTUK VI. - [1 Plaatsvervanging]1
Art. 526-532
HOOFDSTUK VII. - [1 Tucht]1
Afdeling I. - [1 Tuchtstraffen]1
Art. 533
Afdeling II. - [1 Tuchtprocedure voor de tuchtcommisie]1
Art. 534-544
Afdeling III. - [1 Tuchtprocedure voor de burgerlijke rechtbank]1
Art. 545-547
Afdeling IV. - [1 Preventieve schorsing]1
Art. 548
HOOFDSTUK VIII. - [1 Arrondissementskamers van gerechtsdeurwaarders]1
Art. 549-552
Art. 552 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 553-554
HOOFDSTUK IX. - [1 Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders]1
Art. 555, 555/1
HOOFDSTUK X. [1 Algemene bepaling]1
Art. 555/2
HOOFDSTUK XI. [1 Algemene bepaling]1
Art. 555quinquies

Tekst Inhoudstafel Begin
EERSTE BOEK. - ORGANEN VAN DE RECHTERLIJKE MACHT.

  Art. 58.Dit wetboek regelt de organisatie van de vredegerechten, de politierechtbanken, de arrondissementsrechtbanken, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de rechtbanken van koophandel, [1 de rechtbanken van koophandel,]1 de hoven van beroep, de arbeidshoven, de hoven van assisen [1 , de tuchtrechtbanken in hoger beroep]1 en van het Hof van Cassatie.
  (lid opgeheven) <W 2003-04-10/59, art. 88, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  ----------
  (1)<W 2013-07-15/08, art. 2, 182; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 58bis.<Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2000> (In dit wetboek, voor wat de magistraten betreft, wordt verstaan onder) : <W 2001-06-21/42, art. 2, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
  1° benoemingen : de benoeming tot vrederechter, rechter in de politierechtbank, [2 ...]2, [2 ...]2, plaatsvervangend rechter in een vredegerecht of in een politierechtbank, rechter [2 ...]2 in de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, [5 rechter gespecialiseerd in strafzaken in fiscale aangelegenheden in de rechtbank van eerste aanleg,]5 plaatsvervangend rechter, substituut-procureur des Konings, substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden, substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in handelszaken, [2 ...]2, substituut-arbeidsauditeur [2 ...]2, (...) raadsheer in het hof van beroep en in het arbeidshof, plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep bedoeld in artikel 207bis, § 1, substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep, substituut-generaal bij het arbeidshof, (...) raadsheer in het Hof van Cassatie en advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie; <W 2003-04-10/59, art. 89, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
   2° korpschef : de titularis van de mandaten van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, [2 voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank,]2 procureur des Konings, arbeidsauditeur, (...) eerste voorzitter van het hof van beroep en van het arbeidshof (...), procureur-generaal bij het hof van beroep en het arbeidshof, (...) (federale procureur), eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, procureur-generaal bij het Hof van Cassatie; <W 2001-06-21/42, art. 2, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001> <W 2003-04-10/59, art. 89, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  3° adjunct-mandaat : de mandaten van [2 afdelingsvoorzitter of]2 ondervoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, [2 ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, afdelingsprocureur, afdelingsauditeur,]2 eerste substituut-procureur des Konings, eerste substituut-arbeidsauditeur, (...) [1 eerste substituut-procureur des Konings die de functie van adjunct-procureur des Konings van Brussel uitoefent, eerste substituut-arbeidsauditeur die de functie van adjunct-arbeidsauditeur van Brussel uitoefent,]1 kamervoorzitter in het hof van beroep en in het arbeidshof, eerste advocaat-generaal en advocaat-generaal bij het hof van beroep en bij het arbeidshof, (...) voorzitter en [6 sectievoorzitter in het Hof van Cassatie]6 en eerste advocaat- generaal bij het Hof van Cassatie; <W 2003-04-10/59, art. 89, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  4° (bijzonder mandaat : de mandaten van onderzoeksrechter, rechter in de [4 familie- en jeugdrechtbank]4, rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, beslagrechter, [4 familie- en jeugdrechter in hoger beroep]4, verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat, federaal magistraat en substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken.) <W 2006-06-13/40, art. 31, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  [3 5° mandaat in de tuchtrechtscolleges : de mandaten van rechter in de tuchtrechtbank en van raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep.]3
  (NOTA: artikel 58bis, 4° gewijzigd bij art. 2 van W 2006-05-17/36, treedt in werking op een datum vastgesteld door de Koning en uiterlijk op 01-12-2007 (art. 51), heft zichzelf op bij art. 4, 1° van W 2006-08-05/59, inwerking op 01-02-2007 (art. 5, lid 1))
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 2, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 2, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2013-07-15/08, art. 3, 182; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (4)<W 2013-07-30/23, art. 101, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (5)<W 2014-12-19/24, art. 28, 196; Inwerkingtreding : 08-01-2015>
  (6)<W 2016-05-04/03, art. 18, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 58ter. [1 In dit Wetboek wordt, wanneer het gaat over de rechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel, onder procureur des Konings verstaan : de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde bedoeld in artikel 150, § 2, 1°, of de procureur des Konings van Brussel bedoeld in artikel 150, § 2, 2°, naargelang de naar de procureur verwijzende bepaling slaat op de uitoefening van zijn bevoegdheid in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde dan wel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
   In dit gerechtelijk arrondissement worden de adviezen van de procureur ingewonnen bij :
   1° de procureur des Konings van Brussel bedoeld in artikel 150, § 2, 2°, wat enerzijds de politierechtbanken en de vredegerechten betreft met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en anderzijds de Franstalige rechtbanken van Brussel;
   2° de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde bedoeld in artikel 150, § 2, 1°, wat de politierechtbanken en de vredegerechten betreft met zetel in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde;
   3° de twee procureurs des Konings bedoeld in 1° en 2°, wat de andere Nederlandstalige rechtbanken van Brussel dan de politierechtbanken betreft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-07-19/36, art. 3, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>

  EERSTE TITEL. - Hoven en rechtbanken - Leden.

  EERSTE HOOFDSTUK. - Vrederechter en politierechtbank.

  Eerste afdeling. - Algemene bepalingen.

  Art. 59.Er is een vredegerecht in ieder gerechtelijk kanton.
  [1 De vrederechter-titularis benoemd in een kanton wordt in subsidiaire orde benoemd in elk kanton van het gerechtelijk arrondissement waarin hij krachtens de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken kan worden benoemd.
   Naargelang van de behoeften van de dienst wijst de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, en na de betrokken magistraat te hebben gehoord, een of meer vrederechters aan om dit ambt gelijktijdig in een of meer kantons van het gerechtelijk arrondissement uit te oefenen.
   De aanwijzingsbeschikking geeft de redenen van de aanwijzing op en bepaalt de nadere regels ervan.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 3, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 60.[1 Er zijn politierechtbanken, bestaande uit één of meer afdelingen. Een of meer rechters oefenen er hun ambt uit in de gebiedsomschrijving bepaald in het bijvoegsel bij dit Wetboek. Een vrederechter kan bovendien tot rechter in de politierechtbank worden benoemd.
   De politierechtbanken en hun afdelingen bestaan uit een of meer kamers.
   In het gerechtelijk arrondissement Brussel worden de rechters in de politierechtbank die worden benoemd in de personeelsformatie van de Nederlandstalige politierechtbank of de politierechtbank [2 te Halle en te Vilvoorde]2, in subsidiaire orde in de andere Nederlandstalige politierechtbanken te Brussel benoemd.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 4, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 97, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 60bis. [1 In het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad is er een Franstalige politierechtbank en een Nederlandstalige politierechtbank.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-07-19/36, art. 4, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>

  Art. 61.De zetel van de vredegerechten wordt bepaald in artikel 1 van het bijvoegsel bij dit wetboek.
  (De zetel van de politierchtbanken wordt gevestigd in de hoofdplaats van het gerchtelijk arrondissement wanneer niet anders is bepaald in artikel 3 van het bijvoegsel bij dit Wetboek.) <W 1994-07-11/33, art. 21, 032; Inwerkingtreding : 1995-01-01>

  Art. 62. (Opgeheven) <W 2001-06-15/31, art. 2, 084; Inwerkingtreding : 01-09-2001>

  Art. 63. (Lid 1 opgeheven) <W 1999-03-25/50, art. 2, 071; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
  De Koning bepaalt jaarlijks de bevolking van ieder kanton op de grondslag van het aantal inwoners op de voorgaande 31e december.
  (Lid 3 opgeheven) <W 2001-06-15/31, art. 2, 084; Inwerkingtreding : 01-09-2001>

  Art. 64.(Plaatsvervangende rechters kunnen worden benoemd in een of meer vredegerechten en in een of meer politierechtbanken.) <W 1998-02-10/32, art. 2, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
  Aan een [1 vredegerecht of afdeling van de politierechtbank]1 kunnen ten hoogste zes plaatsvervangende rechters worden verbonden.
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 5, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 65.[1 § 1. Naargelang van de behoeften van de dienst wijst de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, tijdelijk en met zijn of hun instemming, een of meer vrederechters aan om de functie uit te oefenen van rechter in de politierechtbank, of een of meer rechters in de politierechtbank om de functie uit te oefenen van vrederechter in het gerechtelijk arrondissement.
   Naargelang van de behoeften van de dienst in het gerechtelijk arrondissement Brussel wijst de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, tijdelijk een of meer werkende of plaatsvervangende rechters in de politierechtbank aan, zonder dat zijn of hun instemming vereist is maar na hem of hen te hebben gehoord, om tegelijkertijd een ambt uit te oefenen in een andere politierechtbank van het arrondissement.
   Naargelang van de behoeften van de dienst kan met instemming van de betrokkene of betrokkenen de eerste voorzitter van het hof van beroep, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en op advies van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank een of meer rechters in de politierechtbank, of een of meer vrederechters opdragen tegelijkertijd een ambt uit te oefenen in een andere politierechtbank van het rechtsgebied of in een ander vredegerecht van het rechtsgebied gelegen in een ander arrondissement dan dat waarin hij benoemd is.
   § 2. De aanwijzings- of opdrachtbeschikking geeft de redenen van de aanwijzing of opdracht op en bepaalt de nadere regels ervan.
   De aanwijzing of de opdracht eindigt wanneer de reden ervan vervalt; voor de zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn, blijft de aanwijzing of de opdracht echter gelden tot aan het vonnis.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 6, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 65bis.[1 Met uitzondering van de gerechtelijke arrondissementen Brussel en Eupen is er in elk arrondissement een voorzitter en ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank.
   Het voorzitterschap wordt [2 ...]2 waargenomen door een vrederechter [2 of]2 door een rechter in de politierechtbank. De ondervoorzitter is respectievelijk vrederechter of rechter in de politierechtbank, naar gelang de voorzitter rechter in de politierechtbank dan wel vrederechter is.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 7, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 19, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling II. _ Dienst.

  Art. 66.[3 § 1.]3 [1 [3 Onverminderd de toepassing van paragraaf 2, worden de zittingen op de zetel of afdeling van het gerecht gehouden. Het aantal, de dagen en de duur van de gewone zittingen, met inbegrip van de zittingen bedoeld in paragraaf 2, worden in een bijzonder reglement vastgesteld :]3
   1° voor de politierechtbank, door de voorzitter of ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank die de hoedanigheid heeft van politierechter, na advies van de procureur des Konings en van de stafhouder(s) van de Orde of Ordes van Advocaten van het arrondissement;
   2° voor het vredegerecht, door de voorzitter of ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank die de hoedanigheid heeft van vrederechter, na advies van de betrokken vrederechter en van de stafhouder(s) van de Orde of Ordes van Advocaten van het arrondissement.
  [2 In de gerechtelijke arrondissementen Brussel en Eupen is het advies van de politierechtbank eveneens vereist.]2
   Het bijzonder reglement wordt publiek bekendgemaakt.]1
  Deze vaststelling belet niet dat de rechter, op andere dagen, buitengewone zittingen houdt, zelfs op zon- en feestdagen, zowel 's voormiddags als namiddags, indien de behoeften van de dienst het rechtvaardigen. Hij kan te zijnen huize zitting houden met open deuren.
  [3 § 2. De minister van Justitie kan bepalen, na raadpleging van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, het College van de hoven en rechtbanken, de Procureur des Konings, de hoofdgriffier en de stafhouder van de Orde van Advocaten, dat een vrederechter, met overeenkomstige toepassing van de regels betreffende de territoriale bevoegdheid, zittingen houdt in een voormalige, opgeheven zittingsplaats van het kanton of in een opgeheven kanton in een lokaal dat door de betrokken gemeente, krachtens een gebruiksovereenkomst met de minister, kosteloos ter beschikking wordt gesteld en geschikt is om het goede verloop van de terechtzittingen te verzekeren, met inbegrip van de openbaarheid van de terechtzittingen die niet met gesloten deuren plaatsvinden. Het besluit bepaalt tevens de gemeenten of gedeelten van gemeenten die geacht worden het rechtsgebied van die zittingsplaats uit te maken. Het geldt voor de duur van de gebruiksovereenkomst. Het besluit en zijn geldingsduur worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
   § 3. Indien over het houden van de in paragraaf 2 bedoelde zittingen vóór ieder ander middel, behalve een exceptie van onbevoegdheid, door de verweerder of bij de opening van de debatten ambtshalve door de vrederechter een incident wordt uitgelokt, kan de eiser vóór de sluiting van de debatten vorderen dat de zaak wordt verwezen naar de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, voor beslissing over het verzoek, bij gebrek waaraan de vrederechter zelf beslist, een en ander onverminderd de regeling van een geschil van bevoegdheid dat, in voorkomend geval, bij voorrang wordt afgewikkeld en, indien daartoe aanleiding bestaat, ook betrekking heeft op de zittingsplaats.
   In voorkomend geval wordt de zaak voor de voorzitter of ondervoorzitter gebracht zonder andere formaliteiten dan de vermelding van de verwijzing op het zittingsblad en de overzending van het dossier van de rechtspleging door toedoen van de griffier. De partijen kunnen hem en de andere partijen schriftelijk opmerkingen bezorgen binnen acht dagen na de verwijzing, tenzij de vrederechter die termijn heeft ingekort. Na het verstrijken van die termijn doet de voorzitter onverwijld uitspraak.
   Bij de in deze paragraaf bedoelde beslissingen kan onmiddellijk een datum worden vastgesteld voor verdere behandeling. Als zij niet staande de zitting en in aanwezigheid van de partijen of hun advocaten worden genomen, worden die partijen of advocaten daarvan bij gewone brief op de hoogte gebracht. Tegen deze beslissingen staat geen enkel rechtsmiddel open. De beslissing is geen eindvonnis in de zin van artikel 1050.]3
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 8, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 99, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2017-07-06/24, art. 219, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 67.[1 De voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank is belast met de algemene leiding en de organisatie van de vredegerechten.]1
  ----------
  (1)<hersteld bij W 2016-05-04/03, art. 20, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 68.[1 De voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank is belast met de algemene leiding en de organisatie van de politierechtbank.
   Hij verdeelt de zaken overeenkomstig het zaakverdelingsreglement en het bijzonder reglement van de rechtbank.
   Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan hij een deel van de zaken die aan een kamer zijn toegewezen, onder de andere kamers van de afdeling verdelen.
   Onder een behoefte van de dienst kan worden begrepen de verdeling van de werklast, de onbeschikbaarheid van een rechter, een vereiste deskundigheid, de goede rechtsbedeling of andere daarmee vergelijkbare objectieve redenen.
   De voorzitter verdeelt de rechters over de afdelingen. Indien hij een rechter aan een andere afdeling toewijst, hoort hij de betrokken rechter en omkleedt hij zijn beslissing met redenen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 9, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 69.
  <Opgeheven bij W 2013-12-01/01, art. 10, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 70.
  <Opgeheven bij W 2013-12-01/01, art. 11, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 71.[1 Naargelang van de behoeften van de dienst wijst de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank een van de plaatsvervangende rechters aan als vervanger van de vrederechter of van de rechter in de politierechtbank.
  [2 Naargelang van de behoeften van de dienst geeft de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank aan een plaatsvervangend rechter in een vredegerecht die daarmee instemt, opdracht om zijn ambt bijkomend uit te oefenen in een ander kanton van het arrondissement.
   Onverminderd artikel 65, § 1, tweede lid, en met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, geeft de eerste voorzitter van het hof van beroep, naargelang van de behoeften van de dienst, opdracht aan een plaatsvervangende rechter in de politierechtbank die daarmee instemt, in een andere politierechtbank van het rechtsgebied of aan een plaatsvervangend rechter in een vredegerecht die daarmee instemt, in een kanton in een ander arrondissement om er zijn ambt bijkomend uit te oefenen.]2
   In de aanwijzingsbeschikking wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een plaatsvervanger en worden de nadere regels van de aanwijzing omschreven.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 12, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 220, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 72.[2 Eerste en tweede lid opgeheven.]2
  [2 [4 Met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken kan de Koning, indien de behoeften van de dienst of gevallen van overmacht het rechtvaardigen,]4, op advies van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank en van de procureur des Konings, de zetel van het vredegerecht tijdelijk verplaatsen naar een andere gemeente van het arrondissement.]2
  [4 De zetel van de politierechtbank of van een afdeling van de politierechtbank kan onder dezelfde voorwaarden tijdelijk verplaatst worden naar een andere gemeente van het arrondissement.]4
   [2 Vijfde lid opgeheven.]2
  ---------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 5, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 13, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2014-05-08/02, art. 100, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (4)<W 2015-10-19/01, art. 55, 199; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 72bis.[1 Voor de politierechtbanken waarvan de zetel gevestigd is in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde en voor de Nederlandstalige politierechtbank van Brussel, worden de opdrachten van de [2 voorzitter bedoeld in dit hoofdstuk]2, uitgeoefend door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg; voor de Franstalige politierechtbank van Brussel worden deze opdrachten uitgeoefend door de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg.
   Voor de vredegerechten waarvan de zetel gevestigd is in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, worden de opdrachten van de [2 voorzitter bedoeld in dit hoofdstuk]2, uitgeoefend door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg; de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg wordt evenwel telkenmale bij eenvoudig verzoek aan de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg betrokken bij de door hem aangeduide beslissingen in het uitoefenen van deze opdrachten met het oog op een consensus.
   Voor de vredegerechten waarvan de zetel gevestigd is in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, worden deze opdrachten overlegd in consensus door de twee voorzitters van de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken van eerste aanleg.
   Bij gebrek aan consensus in geval van de toepassing van het tweede en het derde lid, neemt de eerste voorzitter van het hof van beroep van Brussel de beslissing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-07-19/36, art. 6, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 14, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 72ter. [1 Voor de politierechtbanken en de vredegerechten waarvan de zetel gevestigd is in het gerechtelijke arrondissement Eupen, worden de opdrachten van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank bedoeld in dit hoofdstuk, uitgeoefend door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-12-01/01, art. 15, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  HOOFDSTUK II. _ Arrondissementsrechtbank,rechtbank van eerste aanleg,arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel.

  Eerste afdeling. _ Algemene bepaling.

  Art. 73.[2 Er is een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank en een rechtbank van koophandel, waarvan de gebiedsomschrijving is vastgesteld in het bijvoegsel van dit Wetboek.]2
  [1 In afwijking van het eerste lid, zijn er in het gerechtelijk arrondissement Brussel een Nederlandstalige arrondissementsrechtbank, rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, en een Franstalige arrondissementsrechtbank, rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel.]1
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 7, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 16, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Afdeling II. _ Arrondissementsrechtbank.

  Art. 74.[2 In ieder arrondissement is er een arrondissementsrechtbank die bestaat uit de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de voorzitter van de arbeidsrechtbank, de voorzitter van de rechtbank van koophandel en de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank of een door hen aangewezen rechter.
   Bij staking van stemmen, beslist de voorzitter van de arrondissementsrechtbank]2
  [1 In het gerechtelijk arrondissement Brussel, bestaan de Nederlandstalige en de Franstalige arrondissementsrechtbank, naargelang het geval, uit de voorzitters van de respectievelijk Nederlandstalige en Franstalige rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel [2 uit een door hen aangewezen rechter]2.]1
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 8, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 17, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 75. <W 15-07-1970, art. 6> De arrondissementsrechtbank wordt, telkens voor een gerechtelijk jaar achtereenvolgens voorgezeten door ieder van de in artikel 74 genoemde magistraten.

  Art. 75bis. [1 Wanneer de wet het voorschrijft, zetelen de Franstalig arrondissementsrechtbank van Brussel en de Nederlandstalig arrondissementsrechtbank van Brussel in verenigde vergadering.
   Het voorzitterschap wordt afwisselend per zaak waargenomen door een Franstalige en een Nederlandstalige magistraat in functie van de inschrijving op de rol.
   Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter doorslaggevend.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-07-19/36, art. 9, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>

  Afdeling III. _ Rechtbank van eerste aanleg.

  Art. 76.[1 § 1. [2 De rechtbank van eerste aanleg en, in voorkomend geval, de afdelingen ervan, bestaan uit een of meer kamers voor burgerlijke zaken, uit een of meer kamers voor correctionele zaken, uit een of meer kamers voor familiezaken, uit een of meer jeugdkamers en, voor de afdeling van de rechtbank van eerste aanleg waar de zetel van het hof van beroep is gevestigd, uit een of meer [3 strafuitvoeringskamers en kamers voor de bescherming van de maatschappij]3.]2
   Die kamers vormen vier [2 secties]2, respectievelijk genaamd : burgerlijke rechtbank, correctionele rechtbank, familie- en jeugdrechtbank en strafuitvoeringsrechtbank.
   [2 De familie- en jeugdrechtbank bestaat uit de familiekamer(s) en de kamer(s) voor minnelijke schikking die de familierechtbank vormen en uit de jeugdkamer(s) die de jeugdrechtbank vormen.]2
   § 2. In de [2 sectie]2 van de correctionele rechtbank worden een of meer kamers onder meer bevoegd voor de procedures van onmiddellijke verschijning en van oproeping bij proces-verbaal.
   Ten minste één correctionele kamer neemt in het bijzonder kennis van de overtredingen van de wetten en verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, en, in geval van samenloop of samenhang, van genoemde overtredingen samen met een of meer overtredingen die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten.
   § 3. In de [2 sectie]2 van de jeugdrechtbank worden één of meer specifieke kamers, kamers van uithandengeving genaamd, bevoegd voor de berechting van personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, in het kader van een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad.
   § 4. [2 Behoudens voor de uitspraak van de vonnissen waarvoor zij zitting houden in elke rechtbank van eerste aanleg gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep, houden de strafuitvoeringskamers zitting in de gevangenis ten aanzien van de veroordeelden die in de gevangenis verblijven. Zij mogen zitting houden in de gevangenis of in elke rechtbank van eerste aanleg gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep ten aanzien van de veroordeelden die niet in de gevangenis verblijven. Wanneer artikel 36 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten wordt toegepast, houden zij zitting in elke rechtbank van eerste aanleg gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep.]2.
  [3 Behoudens voor de uitspraak van de vonnissen, waarvoor zij zitting houden in elke rechtbank van eerste aanleg gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep, mogen de kamers voor de bescherming van de maatschappij zitting houden in elke rechtbank van eerste aanleg gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep, in de penitentiaire inrichtingen, in de inrichtingen tot bescherming van de maatschappij en in alle inrichtingen waar geïnterneerde personen verblijven.]3
   [2 § 5. De raadkamer kan zitting hebben in de gevangenis voor de behandeling van zaken in toepassing van de artikelen 21, 22 en 22bis van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis [4 , artikel 16 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de artikelen 3 en 5 van de uitleveringswet van 15 maart 1874]4.]2]1
  [4 § 6. In geval van veiligheidsrisico's, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, op schriftelijke of mondelinge vordering van de procureur des Konings, gelasten dat de correctionele rechtbank in een bepaalde zaak een of meerdere zittingen houdt in de zetel van een rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep en zo daartoe grond bestaat, dat die zaak aldaar berecht wordt.]4
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 102, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 49, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (3)<W 2016-05-04/03, art. 21, 203; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 261, zevende en achtste lid )>
  (4)<W 2017-07-06/24, art. 221, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 77.De rechtbank van eerste aanleg bestaat uit een voorzitter van de rechtbank (, uit rechters en uit assessoren [2 [3 in de strafuitvoeringsrechtbank]3 en interneringszaken]2). <W 2006-05-17/36, art. 4, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  [1 In de gevallen bepaald in de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken bestaat ze daarenboven uit een of meer afdelingsvoorzitters en ondervoorzitters.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 19, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-05-05/11, art. 92, 195; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 136). Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>
  (3)<W 2016-05-04/03, art. 22, 203; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 261, zevende en achtste lid )>

  Art. 78. De kamers van de rechtbank van eerste aanleg bestaan uit één of uit drie rechters.
  [6 De strafuitvoeringskamers bedoeld in artikel 76, § 1, eerste lid, bestaan uit een rechter, die het voorzitterschap ervan bekleedt, een assessor in strafuitvoeringszaken gespecialiseerd in penitentiaire zaken en een assessor in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in sociale re-integratie.]6
  [6 De kamers voor de bescherming van de maatschappij bedoeld in artikel 76, § 1, eerste lid, bestaan uit een rechter, die het voorzitterschap ervan bekleedt, een assessor in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in sociale re-integratie en een assessor in interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie.]6
  [5 ...]5.
  [4 De kamers voor de bescherming van de maatschappij van de strafuitvoeringsrechtbank bedoeld in artikel 76, laatste lid, bestaan uit een rechter, die het voorzitterschap ervan bekleedt, en twee assessoren [6 in de strafuitvoeringsrechtbank]6 of interneringszaken, de ene gespecialiseerd in sociale integratie en de andere gespecialiseerd in klinische psychologie.]4
  [5 De alleenrechtsprekende rechter van de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer ontvangt een gespecialiseerde vorming georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.]5
  [5 ...]5.
  [1 De in artikel 92bis bedoelde kamers van de strafuitvoeringsrechtbank bestaan uit een rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, die het voorzitterschap ervan bekleedt, twee rechters in de correctionele rechtbank en twee assessoren [6 strafuitvoeringsrechtbank]6, de ene gespecialiseerd in penitentiaire zaken en de andere in de sociale re-ïntegratie.]1
  [3 Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een alleenrechtsprekende rechter die de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding verstrekte gespecialiseerde opleiding heeft gevolgd.]3
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/01, art. 2, 173; Inwerkingtreding : 19-03-2013>
  (3)<W 2013-07-30/23, art. 103, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (4)<W 2014-05-05/11, art. 93, 195; Inwerkingtreding : 01-10-2016. Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>
  (5)<W 2015-10-19/01, art. 56, 199; Inwerkingtreding : 01-01-2016 (zie ook art. 136). Overgangbepalingen : art. 84>
  (6)<W 2016-05-04/03, art. 23, 203; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 261, zevende en achtste lid)>

  Art. 79.<W 1991-07-18/35, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 28-03-1992> De Koning wijst uit de rechters in de rechtbank van eerste aanleg, volgens de behoeften van de dienst, een of meer onderzoeksrechters, een of meer beslagrechters en (, een of meer rechters in de [2 familie- en jeugdrechtbank]2 en één of meer rechters in de strafuitvoeringsrechtbank) aan. <W 2006-05-17/36, art. 6, 1°, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  (In het rechtsgebied van elk hof van beroep wijst de eerste voorzitter, op advies van de federale procureur, onder de onderzoeksrechters één of meerdere onderzoeksrechters aan wier contingent zal worden vastgesteld door de Koning. Deze onderzoeksrechters dienen over een nuttige ervaring te beschikken voor het onderzoek van de bij de artikelen 137 tot 141 van het Strafwetboek bepaalde misdrijven. Deze aanwijzing heeft geen enkel gevolg voor hun statuut noch voor hun affectatie. Krachtens deze aanwijzing, behandelen zij bij voorrang de dossiers die bij hen aanhangig zijn gemaakt overeenkomstig artikel 47duodecies, § 3, van het Wetboek van strafvordering.
  De onderzoeksrechter met de meeste dienstjaren die aangewezen is door de Eerste Voorzitter van het hof van beroep te Brussel zorgt, als deken, voor de verdeling van de dossiers die door de federale procureur bij hem aanhangig zijn gemaakt krachtens artikel 47duodecies, § 3, van het Wetboek van strafvordering.
  In geval van wettelijke verhindering van de deken, wijst deze in het rechtsgebied van het hof van beroep van Brussel een andere onderzoeksrechter aan gespecialiseerd om kennis te nemen van de in de artikelen 137 tot 141 van het Strafwetboek bedoelde misdrijven, die hem vervangt.) <W 2005-12-27/34, art. 26, 131 ; Inwerkingtreding : 29-05-2006>
  (...) <W 1998-12-22/47, art. 3, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  [1 Een of meer door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg aangewezen onderzoeksrechters behandelen bij voorrang de zaken wegens een overtreding van de wetten en de verordeningen in fiscale aangelegenheden.]1
  De onderzoeksrechters (, de beslagrechters en de rechters in de strafuitvoeringsrechtbank) kunnen volgens hun rang zitting blijven nemen voor de berechting van de zaken die aan de rechtbank van eerste aanleg worden voorgelegd. <W 2006-05-17/36, art. 6, 2°, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  [2 De rechters in de familie- en jeugdrechtbank kunnen zitting nemen in de burgerlijke kamers van de rechtbank van eerste aanleg. De rechter die echter in de kamer voor minnelijke schikking zitting heeft, kan voor de dossiers waarvan hij kennis heeft genomen, nooit zitting hebben in de andere kamers van de familie- en jeugdrechtbank. De beslissing van een rechter die eerder van het geschil kennis heeft genomen terwijl hij zitting had in een kamer voor minnelijke schikking, is nietig behalve als het om de homologatie van een akkoord of een proces-verbaal van verzoening gaat.]2
  De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kan de rechter in de [2 familie- en jeugdrechtbank]2, bij wijze van uitzondering en op advies van de procureur des Konings verzoeken zitting te nemen in de kamers voor correctionele zaken van de rechtbank van eerste aanleg. Wanneer ze worden verzocht zitting te nemen in de correctionele kamers van de rechtbank van eerste aanleg, worden de rechters in de [2 familie- en jeugdrechtbank]2 bij voorrang belast met de strafzaken betreffende misdrijven tegen de orde der familie en tegen de openbare zedelijkheid.) <W 1997-01-21/38, art. 2, 042; Inwerkingtreding : 1997-03-25>
  [3 ...]3.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 16, 184; Inwerkingtreding : 24-05-2014>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 104, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (3)<W 2014-05-08/02, art. 50, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 80.<W 1998-12-22/47, art. 4, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> [2 Bij verhindering van een onderzoeksrechter, een beslagrechter of een rechter van de familie- en jeugdrechtbank wijst de voorzitter een werkend rechter aan om hem te vervangen. De verhinderde rechter van de familie- en jeugdrechtbank wordt bij voorrang vervangen door een andere rechter van de familie- en jeugdrechtbank.]2
  Bovendien kan de voorzitter van de rechtbank, indien de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, bij wijze van uitzondering en na het advies van de procureur des Konings te hebben ingewonnen, een werkend rechter aanwijzen om de voornoemde ambten (gedurende een termijn van ten hoogste twee jaar) waar te nemen, die tweemaal kan worden hernieuwd. Om te kunnen worden aangewezen als onderzoeksrechter (of rechter bij de [2 familie- en jeugdrechtbank]2) , moet de werkende rechter de opleiding hebben gevolgd, bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid. <W 2003-12-22/53, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004> <W 2006-06-13/40, art. 34, 134; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2009>
   [1 Derde lid opgeheven.]1
  [3 In afwijking van artikel 79, tweede lid, wijst de eerste voorzitter van het hof van beroep, in uitzonderlijke omstandigheden en na het advies van de federale procureur te hebben ingewonnen, uit de onderzoeksrechters van zijn rechtsgebied die over nuttige ervaring beschikken, een of meer aanvullende onderzoeksrechters aan, voor een termijn van ten hoogste twee jaar, die tweemaal kan worden hernieuwd.]3
  De opdracht eindigt wanneer de reden ervan vervalt; voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn bij de rechter in de [2 familie- en jeugdrechtbank]2 of de beslagrechter, blijft de opdracht gelden tot aan het eindvonnis.
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 20, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 105, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (3)<W 2016-12-25/14, art. 58, 208; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  Art. 80bis.<ingevoegd bij W 2006-05-17/36, art. 7; Inwerkingtreding : 01-02-2007> (Bij verhindering van een rechter bij de strafuitvoeringsrechtbank, wijst de eerste voorzitter van het hof van beroep een [2 werkend rechter of raadsheer of plaatsvervangend magistraat bedoeld in artikel 156bis]2 van het rechtsgebied van het hof van beroep aan, die ermee instemt, aan om hem te vervangen.) <W 2006-12-27/33, art. 79, 144; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  In uitzonderlijke gevallen, na het advies van de procureur-generaal te hebben ingewonnen, wijst de eerste voorzitter van het hof van beroep, met zijn instemming, een werkend rechter [2 benoemd in het rechtsgebied van het hof van beroep of een raadsheer]2 aan, [1 en die een opleiding gevolgd heeft waarin voorzien wordt in artikel 259sexies, § 1, 4°, vierde lid,]1 om het ambt van rechter in de strafuitvoeringsrechtbank uit te oefenen voor een termijn van maximum twee jaar.
  De opdracht eindigt wanneer de reden ervan vervalt; voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn, blijft de opdracht niettemin gelden tot het eindvonnis.
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/73, art. 3, 187; Inwerkingtreding : 02-02-2008>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 24, 203; Inwerkingtreding : 13-05-2016>

  Afdeling IV. - Arbeidsrechtbank.

  Art. 81.De arbeidsrechtbank bestaat uit ten minste (drie kamers). <W 2005-12-13/36, art. 2, 128; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  (Ten minste één daarvan, die bevoegd is voor de geschillen betreffende de in artikel 578, 14°, bedoelde aangelegenheden, bestaat uit een rechter in de arbeidsrechtbank.) <W 2005-12-13/36, art. 2, 128; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  (De andere kamers worden voorgezeten door een rechter in de arbeidsrechtbank en bestaan) daarenboven uit twee rechters in sociale zaken. <W 2005-12-13/36, art. 3, 128; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1° , 2° , 3° en 7° , moet een van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als arbeider of als bediende, naar gelang van de hoedanigheid van de betrokken werknemer.
  Indien, vóór ieder ander middel, de hoedanigheid van arbeider of van bediende van een der partijen wordt betwist, doet de kamer uitspraak over de grond van het geschil nadat ze zo is aangevuld dat ze buiten de voorzitter bestaat uit twee rechters in sociale zaken benoemd als werkgever en twee rechters in sociale zaken benoemd respectievelijk als arbeider en als bediende.
  (In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 12°, b) , moet één van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als zelfstandige.) <W 2002-12-20/52, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  (In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°,10°, 11° en 12°, a) , 579, 580, 582, 3° en 4°, en voor de toepassing op de werkgevers van de administratieve sancties bedoeld in artikel 583, moet één van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als werknemer.) <W 2002-12-20/52, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 582, (1° en 2°) , moet één van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als zelfstandige, de andere als werknemer <W 30-06-1971, art. 14, § 2>.
  (In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld [1 in de artikelen 578bis en 581]1 en voor de toepassing van de in artikel 583 bedoelde administratieve sancties op zelfstandigen, bestaat de Kamer uit één rechter in de arbeidsrechtbank en twee rechters in sociale zaken die benoemd zijn als zelfstandigen.) <W 1990-07-26/31, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 1990-08-17>
  Heeft het geschil betrekking op een mijnwerker, zeeman, zeevisser, schipper, havenarbeider of een aangeslotene bij de overzeese sociale zekerheid, dan moet de rechter in sociale zaken, in de mate van het mogelijke, behoren of behoord hebben tot dezelfde kategorie als de betrokken werknemer.
  ----------
  (1)<W 2014-05-08/17, art. 4, 191; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 82.De arbeidsrechtbank bestaat uit een voorzitter, rechter in de arbeidsrechtbank, en rechters in sociale zaken.
  [1 In de gevallen bepaald in de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken, bestaat zij bovendien uit een of meer afdelingsvoorzitters, ondervoorzitters en een of meer rechters in de arbeidsrechtbank.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 21, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 83. De Koning stelt, op voordracht van de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, de regels volgens welke de rechters in sociale zaken geroepen worden om zitting te nemen bij toepassing van artikel 81.

  Afdeling V. - Rechtbank van koophandel.

  Art. 84. De rechtbank van koophandel bestaat uit een of meer kamers.
  Iedere kamer wordt voorgezeten door een rechter in de rechtbank van koophandel en telt bovendien twee rechters in handelszaken.
  (Iedere rechtbank van koophandel stelt een of meer kamers voor handelsonderzoek in.) <W 1997-07-17/65, art. 48, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>

  Art. 85.De rechtbank van koophandel bestaat uit een voorzitter, rechter in de rechtbank van koophandel, en uit rechters in handelszaken.
  [1 In de gevallen bepaald in de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken, bestaat zij bovendien uit een of meer afdelingsvoorzitters, ondervoorzitters en een of meer rechters in de rechtbank van koophandel.]1
  ([2 In elk arrondissement kiezen de rechters in handelszaken]2 in hun midden een voorzitter in handelszaken die de voorzitter bij de leiding van de rechtbank kan bijstaan.) <W 15-07-1970, art. 7>.
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 22, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 101, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Afdeling VI. _ Bureau voor rechtsbijstand.

  Art. 86.Er is in iedere rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel een bureau voor rechtsbijstand dat uit een of meer afdelingen bestaat. Iedere [1 kamer]1 bestaat uit een werkend rechter.
  De zaken worden verdeeld over de verscheidene [1 kamers]1 volgens een reglement dat de voorzitter van de rechtbank vaststelt.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 25, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling VIbis. [1 - Tijdelijke verplaatsing van de zetel van een rechtbank of een afdeling van een rechtbank.]1
  ----------
  (1)<W 2017-07-06/24, art. 222, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 86bis.[1 Indien de behoeften van de dienst of gevallen van overmacht het rechtvaardigen, kan de Koning, op voorstel of na advies van de korpschef en, naargelang van het geval, van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, alsmede van de hoofdgriffier en van de stafhouder(s) van de orde of ordes van advocaten, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de zetel van een afdeling tijdelijk verplaatsen naar een andere gemeente van het arrondissement of het rechtsgebied. In de rechtbanken die slechts een zetel tellen, kan die zetel onder dezelfde voorwaarden worden verplaatst naar een andere gemeente van het arrondissement of het rechtsgebied.]1
  ----------
  (1)<W 2017-07-06/24, art. 223, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Afdeling VII. - Plaatsvervangende rechters.

  Art. 87. Er zijn plaatsvervangende rechters in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank en in de rechtbank van koophandel; zij hebben geen gewone bezigheden en worden benoemd om verhinderde rechters of leden van het openbaar ministerie tijdelijk te vervangen.
  (De plaatsvervangende rechters kunnen ook geroepen worden om zitting te nemen wanneer de bezetting niet volstaat om de rechtbank overeenkomstig de bepalingen van de wet samen te stellen.) <W 15-07-1970, art. 8>
  [1 In de aanwijzingsbeschikking wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een plaatsvervanger en worden de nadere regels van de aanwijzing omschreven.]1
  Er kunnen plaatsvervangende rechters in sociale zaken en plaatsvervangende rechters in handelszaken, worden benoemd om verhinderde rechters in sociale zaken en rechters in handelszaken te vervangen.
  (Er kunnen plaatsvervangende assessoren [2 in de strafuitvoeringsrechtbank]2 worden benoemd, om verhinderde assessoren [2 in de strafuitvoeringsrechtbank]2 tijdelijk te vervangen.) <W 2006-05-17/36, art. 8, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  (De plaatsvervangende rechters bedoeld in het eerste lid, kunnen geen federaal magistraat, noch een lid van het openbaar ministerie vervangen die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, belast zijn met een opdracht.) <W 2001-06-21/42, art. 3, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 24, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 26, 203; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 261, zevende en achtste lid )>

  Afdeling VIII. - Dienst.

  Art. 88.§ 1. [2 § 1. Het bijzonder reglement voor elke rechtbank wordt bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank vastgesteld na advies van, naar gelang van het geval, de eerste voorzitter van het hof van beroep of de eerste voorzitter van het arbeidshof, van de procureur-generaal en, naar gelang van het geval, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, van de hoofdgriffier van de rechtbank en van de stafhouders van de Orde of Ordes van advocaten van het arrondissement. [5 ...]5.]2
  Dit reglement bepaalt het aantal kamers en hun bevoegdheid, de dagen en de uren van hun zittingen en van de inleiding van de zaken. Het bevat de aanduiding van de kamers die in de rechtbank van eerste aanleg onderscheidenlijk met drie (, met een rechter of met een rechter en twee assessoren [6 in de strafuitvoeringsrechtbank]6) zitting houden. Het bepaalt, zo nodig, ook de verdeling van de zaken onder de onderzoeksrechters. <W 2006-05-17/36, art. 9, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  [1 Derde lid opgeheven.]1
  [1 Om de drie jaar brengt de voorzitter van elke rechtbank met zetel in het gerechtelijk arrondissement Brussel verslag uit bij de minister van Justitie omtrent de behoeften van de dienst, op grond van het aantal zaken die gedurende de laatste drie jaren zijn behandeld.]1
  Het reglement wordt ter griffie van de rechtbank aangeplakt.
  § 2. [5 Incidenten in verband met de verdeling van de zaken onder de afdelingen, secties, kamers of rechters van een zelfde rechtbank zoals vastgelegd in het bijzonder reglement of zaakverdelingsreglement worden op de volgende manier geregeld :
   Indien een zodanig incident vóór ieder ander middel door een van de partijen of bij de opening van de debatten ambtshalve wordt uitgelokt, legt de afdeling, sectie, kamer of rechter het dossier voor aan de voorzitter van de rechtbank, die oordeelt of de zaak anders moet worden toegewezen en het openbaar ministerie wordt tezelfdertijd hiervan op de hoogte gebracht. De partijen die hierom verzoeken, beschikken over een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de zitting om conclusies in te dienen. Het openbaar ministerie kan binnen dezelfde termijn een advies uitbrengen.
   De voorzitter doet binnen acht dagen volgend op de zitting uitspraak bij beschikking. Hij kan de zaak onmiddellijk toekennen aan een afdeling, sectie, kamer of rechter en een datum vaststellen voor verdere behandeling. Tegen deze beschikking staat, buiten de voorziening van de procureur-generaal bij het hof van beroep, voor het Hof van Cassatie binnen de termijnen en volgens de regels zoals bepaald in artikel 642, tweede en derde lid, geen rechtsmiddel open. De griffier van het Hof zendt een afschrift van het arrest van het Hof van Cassatie aan de voorzitter van de rechtbank en aan de partijen.
   De beslissing bindt de rechter naar wie de vordering wordt verwezen, met dien verstande dat zijn recht om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen onverkort blijft.]5
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 10, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 25, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2014-05-08/02, art. 102, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (4)<W 2013-07-30/23, art. 106, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (5)<W 2016-05-04/03, art. 27, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (6)<W 2016-05-04/03, art. 27,2°, 203; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 261, zevende en achtste lid)>

  Art. 89. (LT}W 1997-02-17/50, art. 3, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de eerste voorzitter van het hof van beroep of, wanneer het gaat om de arbeidsrechtbank, van de eerste voorzitter van het arbeidshof, na het advies van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, naar gelang van het geval, en van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, een of meer tijdelijke kamers samen, bestaande uit de rechters en, in voorkomend geval, de rechters in sociale zaken of de rechters in handelszaken (of de assessoren [1 [2 in de strafuitvoeringsrechtbank]2 en interneringszaken]1) die hij aanwijst. <W 2006-05-17/36, art. 10, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/11, art. 95, 195; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 136) Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 28, 203; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 261, zevende en achtste lid)>

  Art. 90.[1 De voorzitter is belast met de algemene leiding en de organisatie van de rechtbank.
   In de gevallen bepaald in de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken staat een afdelingsvoorzitter de voorzitter bij in de leiding van de rechtbank en haar afdelingen.
   De voorzitter verdeelt de zaken overeenkomstig het zaakverdelingsreglement en het bijzonder reglement van de rechtbank. Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan hij een deel van de zaken die aan een kamer zijn toegewezen, onder de andere kamers van de afdeling verdelen.
   Onder een behoefte van de dienst kan worden begrepen de verdeling van de werklast, de onbeschikbaarheid van een rechter, een vereiste deskundigheid, de goede rechtsbedeling of [2 andere daarmee]2 vergelijkbare objectieve reden.
   De voorzitter verdeelt de rechters over de afdelingen. Indien hij een rechter aan een andere afdeling toewijst, hoort hij de betrokken rechter en omkleedt hij zijn beslissing met redenen.]1
  [3 De voorzitter zorgt er bij de verdeling van de zaken over de familiekamers en de jeugdkamers van de familie- en jeugdrechtbank in de mate van het mogelijke voor dat :
   1° [4 de zaken worden verdeeld volgens de criteria beschreven in artikel 629bis, § 1;]4
   2° een rechter die kennisgenomen heeft van een burgerlijke zaak als bedoeld in artikel 725bis ten aanzien van een minderjarig kind, geen kennis kan nemen van een zaak als bedoeld bij de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade.]3
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 26, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 103, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2013-07-30/23, art. 107, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (4)<W 2014-05-08/02, art. 51, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 91. <W 1992-08-03/31, art. 1, 025; Inwerkingtreding : 01-01-1993> In burgerlijke en strafzaken worden de vorderingen toegewezen aan kamers met één rechter, behalve in de gevallen van artikel 92.
  [5 Tweede tot achtste lid opgeheven.]5
  (In strafuitvoeringszaken worden de zaken betreffende één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbare gedeelte drie jaar of minder bedraagt, toegewezen aan de rechter in de strafuitvoeringsrechtbank die zitting houdt als alleenrechtsprekend rechter.) <W 2006-05-17/36, art. 11, 132; Inwerkingtreding : 01-01-2016. (Zie W 2015-08-10/02, art. 2)>
  [3 Het hoger beroep tegen beslissingen van de politierechtbank over burgerlijke rechtsvorderingen die tezelfdertijd en voor dezelfde rechters worden vervolgd als de strafvordering, voor zover dit hoger beroep niet gelijktijdig met het hoger beroep op strafgebied wordt behandeld, wordt toegewezen aan een kamer met één rechter. [5 ...]5.]3
  [2 In strafuitvoeringszaken worden de zaken betreffende de invordering van verbeurdverklaarde geldsommen, geldboeten en gerechtskosten enkel toegewezen aan de rechter in de strafuitvoeringsrechtbank die zitting houdt als alleenrechtsprekend rechter.]2
  [2 De strafuitvoeringsrechter die kennis neemt van de zaak heeft, bij voorkeur, de gespecialiseerde opleiding gevolgd over de tenuitvoerlegging van veroordelingen houdende verbeurdverklaring van geldsommen, van geldboeten en van gerechtskosten, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.]2
  [4 In interneringszaken worden de volgende zaken toegewezen aan de voorzitter van de kamer voor de bescherming van de maatschappij van de strafuitvoeringsrechtbank, die zitting houdt als alleenzetelend rechter
   - de toelating tot uitgaansvergunning, die op verzoek van één van de partijen of ambtshalve, zoals omschreven in artikel 20 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen.
   - de verzoeken van slachtoffers zoals bepaald in artikel 4, §§ 3 en 4 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen.]4
  [6 In interneringszaken worden de zaken bedoeld in de artikelen 4 en 53 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering toegewezen aan de voorzitter van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, die zitting houdt als alleenrechtsprekend rechter.]6
  ----------
  (1)<W 2007-04-21/01, art. 127, 152; Inwerkingtreding : 01-01-2015, maar opgeheven op 31-12-2014, vóór de inwerkingtreding>
  (2)<W 2014-02-11/13, art. 8, 183; Inwerkingtreding : 18-04-2014>
  (3)<W 2014-04-25/23, art. 10, 184; Inwerkingtreding : 24-05-2014>
  (4)<W 2014-05-05/11, art. 96, 195; Inwerkingtreding : 01-10-2016, zelf opgeheven bij art. 238 van W 2016-05-04/03. Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>
  (5)<W 2015-10-19/01, art. 57, 199; Inwerkingtreding : 01-01-2016. Overgangbepalingen : art. 84>
  (6)<W 2016-05-04/03, art. 29, 203; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 261, zevende en achtste lid)>

  Art. 92.§ 1.[7 De strafzaken betreffende misdaden waarop een straf staat van meer dan twintig jaar opsluiting en het hoger beroep tegen vonnissen gewezen in strafzaken door de politierechtbank, worden toegewezen aan een kamer met drie rechters.]7
  [8 In strafuitvoerings- en interneringszaken worden de zaken die niet aan een alleenrechtsprekend rechter worden toegewezen, toegewezen aan de overeenkomstig artikel 78, tweede en derde lid, samengestelde kamers.]8
  [6 In interneringszaken worden de zaken toegewezen aan de overeenkomstig artikel 78, vierde lid, samengestelde kamers.]6
  [7 § 1/1. In afwijking van artikel 91 kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, wanneer de complexiteit of het belang van de zaak of bijzondere, objectieve omstandigheden daartoe aanleiding geven, zaken geval per geval ambtshalve aan een kamer met drie rechters toewijzen.]7
  § 2. Wanneer er van verscheidene samenhangende zaken ten minste één bij een kamer met drie rechters moet worden aanhangig gemaakt, dan verwijst de voorzitter van de rechtbank al die zaken naar zulke kamer. Te dien einde kan hij ook hun vroegere verdeling wijzigen.
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 206, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>
  (2)<W 2010-06-02/11, art. 5, 166; Inwerkingtreding : 24-06-2010>
  (3)<W 2010-04-22/28, art. 2, 167; Inwerkingtreding : 28-06-2010>
  (4)<W 2007-04-21/01, art. 128, 152; Inwerkingtreding : 01-01-2015, maar opgeheven op 31-12-2014, vóór de inwerkingtreding>
  (5)<W 2014-04-25/23, art. 11, 184; Inwerkingtreding : 24-05-2014>
  (6)<W 2014-05-05/11, art. 97, 195; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 136). Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>
  (7)<W 2015-10-19/01, art. 58, 199; Inwerkingtreding : 01-01-2016. Overgangbepalingen : art. 84>
  (8)<W 2016-05-04/03, art. 30, 203; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 261, zevende en achtste lid)>

  Art. 92bis. [1 In strafuitvoeringszaken worden de zaken betreffende een veroordeling tot een vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf, met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank, overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek, toegewezen aan de overeenkomstig [2 artikel 78, vijfde lid]2, samengestelde kamers.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/01, art. 3, 173; Inwerkingtreding : 19-03-2013>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 31, 203; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 261, zevende en achtste lid)>

  Art. 93. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg geroepen wordt om burgerlijke zaken die na cassatie verwezen zijn, met verenigde kamers te berechten, bestaat zij uit een kamer met vijf werkende of plaatsvervangende rechters.
  Indien de zaak in de bevoegdheid valt van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel, bestaat de rechtbank uit drie werkende of plaatsvervangende rechters en uit vier rechters in sociale zaken of in handelszaken, naar gelang van het geval.
   De kamer, de rechters en de rechters in sociale zaken of in handelszaken worden aangewezen door de voorzitter van de rechtbank.

  Art. 94. De raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg die zitting houdt in correctionele zaken (bestaat) uit één rechter. <W 1998-03-12/39, art. 38, 058; Inwerkingtreding : 1998-10-02>

  Art. 95.De voorzitter van iedere rechtbank houdt de zitting in kort geding.
  [1 Onverminderd artikel 584, tweede lid, houdt de familierechtbank de zitting in kort geding voor de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van die rechtbank behoren.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 108, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 96. De vorderingen tot tussenkomst worden verdeeld zoals de hoofdvordering.

  Art. 97. De eed die, vó6r de aanvaarding van bij de wet bepaalde ambten, moet worden afgelegd voor de rechtbank van eerste aanleg, wordt afgenomen door de eerste kamer of in voorkomend geval door de vakantiekamer.

  Afdeling IX. - [1 Opdracht en aanwijzing van rechters]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 27, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 98.[1 Wanneer de behoeften van de dienst binnen de rechtbank van eerste aanleg het rechtvaardigen, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, via een beschikking, een rechter in de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied van het hof van beroep, die deze opdracht aanvaardt, opdragen er tijdelijk het ambt van rechter uit te oefenen.
   Wanneer de behoeften van de dienst binnen de rechtbank van koophandel het rechtvaardigen, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, via een beschikking, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep, die deze opdracht aanvaardt, opdragen er tijdelijk het ambt van rechter uit te oefenen.
   In dezelfde omstandigheden kan de eerste voorzitter ook een rechter van het rechtsgebied van het hof van beroep die deze opdracht aanvaardt via een beschikking opdragen zijn ambt bijkomend en voor een bepaalde termijn uit te oefenen in een rechtbank van eerste aanleg of een rechtbank van koophandel die in dat rechtsgebied ligt.
   Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen kunnen, in het rechtsgebied van het hof van beroep te Luik, naargelang het geval, respectievelijk de eerste voorzitter van het hof van beroep of de eerste voorzitter van het arbeidshof, de rechters in de rechtbank van eerste aanleg, de rechters in de rechtbank van koophandel en de rechters in de arbeidsrechtbanken, met hun instemming en met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op gebruik der taal in gerechtszaken, opdracht geven, zowel in de rechtbank van eerste aanleg als in de rechtbank van koophandel of de arbeidsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Eupen. Naargelang van het geval kunnen de eerste voorzitter van het hof van beroep of de eerste voorzitter van het arbeidshof respectievelijk rechters in de rechtbank van koophandel en in de arbeidsrechtbank van Eupen met hun instemming opdracht geven, hetzij in een rechtbank van koophandel of in een rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied, hetzij in een arbeidsrechtbank van het rechtsgebied.
   In de beschikking wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een rechter van een andere rechtbank van het rechtsgebied en worden de nadere regels van de opdracht omschreven.]1
  De opdracht eindigt wanneer de reden ervan vervalt (of de termijn [2 vermeld in de opdrachtbeschikking]2 is verstreken); voor zaken waarover de debatten aan gang zijn of die in beraad zijn, blijft de opdracht evenwel geldig tot aan het vonnis. <W 1998-02-10/32, art. 5, 2°, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 28, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 2, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 99.Voor de duur van zijn opdracht blijft de aldus aangestelde rechter [1 ...]1 geldig kennis nemen van de zaken waarover de debatten aan gang zijn of die in beraad zijn, en waarin hij zitting had voordat de hem gegeven opdracht gevolg heeft.
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 29, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 99bis.[1 In het gerechtelijk arrondissement Eupen kunnen de rechters benoemd in de rechtbank van eerste aanleg, in de rechtbank van koophandel en in de arbeidsrechtbank, met hun instemming, door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg opgedragen worden het ambt van vrederechter of van rechter in de politierechtbank uit te oefenen in een vredegerecht of in de politierechtbank van het arrondissement.
   In de beschikking wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een rechter van een van deze drie rechtbanken van het arrondissement en worden de nadere regels van de opdracht omschreven.]1
  ----------
  (1)<W 2017-07-06/24, art. 224, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 99ter. [1 Naargelang van de behoeften van de dienst kan de eerste voorzitter van het hof van beroep een rechter in de rechtbank van eerste aanleg of een rechter in de rechtbank van koophandel, benoemd in het rechtsgebied, met zijn instemming opdragen zijn ambt uit te oefenen in het hof van beroep.
   Naargelang van de behoeften van de dienst kan de eerste voorzitter van het arbeidshof een rechter in de arbeidsrechtbank, benoemd in het rechtsgebied, met zijn instemming opdragen zijn ambt uit te oefenen in het arbeidshof.
   In de beschikking wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een rechter en worden de nadere regels van de opdracht omschreven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-12-01/01, art. 30, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Afdeling X. - Gelijktijdige benoemingen in verscheidene gerechten.

  Art. 100.[1 § 1. De rechters benoemd in een rechtbank van eerste aanleg worden, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in subsidiaire orde benoemd in de andere rechtbanken van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep.
   De substituten benoemd in een parket van de procureur des Konings worden, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in subsidiaire orde benoemd in de andere parketten van de procureur des Konings van het rechtsgebied.
   § 2. De aanwijzing van een magistraat buiten het rechtscollege of het parket in de personeelsformatie waarvan hij in hoofdorde wordt benoemd, wordt in onderling overleg tussen de betrokken korpschefs geregeld nadat de betrokkene werd gehoord. De gemeenschappelijke beslissing bepaalt de nadere regels van de aanwijzing.
   De aanwijzingsbeschikking omschrijft de redenen waarom het noodzakelijk is een beroep te doen op een magistraat benoemd in hoofdorde in de personeelsformatie van een andere rechtbank of parket en omschrijft de nadere regels van de aanwijzing. De aanwijzing geldt voor een hernieuwbare periode van ten hoogste een jaar.
   De instemming van de aangewezen magistraat is niet vereist.
   Ingeval de korpschefs weigeren of bij gebreke van een akkoord over de nadere regels van de aanwijzing, beslist, naar gelang van het geval, de eerste voorzitter van het hof van beroep of de procureur-generaal bij het hof van beroep op grond van een met redenen omkleed advies van de korpschefs die betrokken zijn bij deze aanwijzing.
   § 3. Een magistraat benoemd overeenkomstig § 1 wordt niet benoemd in de personeelsformatie van de rechtscolleges of van de parketten waarin hij in subsidiaire orde wordt benoemd.
   § 4. De rechters benoemd in de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de rechtbank van eerste aanleg te Waals-Brabant en de rechters benoemd in de rechtbank van eerste aanleg te Waals-Brabant worden in subsidiaire orde benoemd in de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De rechters benoemd in de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de rechtbank van eerste aanleg te Leuven en de rechters benoemd in de rechtbank van eerste aanleg te Leuven worden in subsidiaire orde benoemd in de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
   De substituten benoemd bij het parket van de procureur des Konings te Brussel, daaronder begrepen de substituten bedoeld in artikel 150, § 3, worden, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in subsidiaire orde benoemd bij het parket van de procureur des Konings te Waals-Brabant of bij de parketten van de procureur des Konings te Leuven en te Halle-Vilvoorde. De substituten van de procureur des Konings benoemd te Waals-Brabant worden in subsidiaire orde benoemd bij het parket van de procureur des Konings te Brussel [2 , de substituten benoemd bij het parket van de procureur des Konings te Leuven worden in subsidiaire orde benoemd bij het parket van de procureur des Konings te Brussel en te Halle-Vilvoorde en de substituten benoemd bij het parket van de procureur des Konings te Halle-Vilvoorde worden in subsidiaire orde benoemd bij het parket van de procureur des Konings te Brussel en te Leuven]2.
   De rechters benoemd in de Franstalige rechtbank van koophandel te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de rechtbank van koophandel [3 Waals-Brabant]3 en de rechters benoemd in de rechtbank van koophandel [3 Waals-Brabant]3] worden in subsidiaire orde benoemd in de Franstalige rechtbank van koophandel te Brussel. De rechters benoemd in de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de rechtbank van koophandel te Leuven en de rechters benoemd in de rechtbank van koophandel te Leuven worden in subsidiaire orde benoemd in de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel.
   De rechters benoemd in de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de arbeidsrechtbank [3 Waals-Brabant]3] en de rechters benoemd in de arbeidsrechtbank [3 Waals-Brabant]3 worden in subsidiaire orde benoemd in de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel. De rechters benoemd in de Nederlandstalige arbeidsrechtbank te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de arbeidsrechtbank te Leuven en de rechters benoemd in de arbeidsrechtbank te Leuven worden in subsidiaire orde benoemd in de Nederlandstalige arbeidsrechtbank te Brussel.
   De substituten van de arbeidsauditeur benoemd te Brussel worden met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken respectievelijk in subsidiaire orde benoemd in het arbeidsauditoraat [3 Waals-Brabant]3 of in de arbeidsauditoraten te Leuven en te Halle-Vilvoorde. [2 De substituten van de arbeidsauditeur benoemd te Leuven worden in subsidiaire orde benoemd bij het arbeidsauditoraat te Brussel en te Halle-Vilvoorde en de substituten van de arbeidsauditeur benoemd bij het arbeidsauditoraat te Halle-Vilvoorde worden in subsidiaire orde benoemd bij het arbeidsauditoraat te Brussel en te Leuven.]2
   § 5. De aanwijzing van een in § 4 bedoelde magistraat buiten het rechtscollege of het parket in de personeelsformatie waarvan hij in hoofdorde wordt benoemd, wordt geregeld overeenkomstig § 2.
   § 6. Een overeenkomstig § 4 benoemde magistraat wordt niet benoemd in de personeelsformatie van het rechtscollege of van het parket waarin hij in subsidiaire orde wordt benoemd.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 32, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 104, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2015-10-19/01, art. 61, 199; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 100/1. [1 In het gerechtelijk arrondissement Eupen worden de rechters die benoemd zijn in een rechtbank, in subsidiaire orde benoemd in de andere rechtbanken, bedoeld in dit hoofdstuk, van het arrondissement.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-12-01/01, art. 33, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 100/2. [1 In het arrondissement Eupen wordt een enkele voorzitter aangewezen voor de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel. Hij oefent binnen deze rechtbanken de bevoegdheden uit die de wet toekent aan de voorzitter van de rechtbank.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-12-01/01, art. 34, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  HOOFDSTUK III. _ Hof van beroep en arbeidshof.

  Eerste afdeling. - Hof van beroep.

  Art. 101.[1 § 1 Er zijn in het hof van beroep kamers voor burgerlijke zaken, kamers voor correctionele zaken, [2 jeugdkamers en familiekamers, tot die laatste kamers behoren kamers voor minnelijke schikking-]2.
   Ten minste één correctionele kamer neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen gewezen betreffende de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde aangelegenheden.
   Ten minste één van de jeugdkamers wordt bevoegd voor de vervolgingen ingesteld tegen personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dat feit veroorzaakte schade, in het kader van een wanbedrijf en/of correctionaliseerbare misdaad.
  [3 In het hof van beroep te Brussel zijn er tevens kamers voor marktzaken, wier bevoegdheid wordt bepaald bij de wet. Die kamers vormen een sectie, Marktenhof genoemd.]3
  [4 De Koning kan, na advies van de eerste voorzitter, de procureur-generaal, de hoofdgriffier en de stafhouders van de balies van het rechtsgebied van het hof van beroep, bepalen dat een of meer jeugdkamers of familiekamers zitting houden ter zetel van de rechtbank van eerste aanleg of een afdeling van de rechtbank van eerste aanleg in een andere provincie van het rechtsgebied van het hof voor de behandeling van de hogere beroepen tegen de vonnissen van de familie- en jeugdrechtbanken van de betrokken provincie.]4
   § 2. Het hof van beroep bestaat uit een eerste voorzitter, kamervoorzitters en raadsheren in het hof van beroep.
   De kamers van het hof van beroep houden zitting, ofwel met drie raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter daaronder begrepen, ofwel met één lid, kamervoorzitter of raadsheer in het hof.
   De in § 1, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer is samengesteld uit twee raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter daaronder begrepen, en uit één raadsheer in het arbeidshof.
   Opdat de in § 1, derde lid, bedoelde jeugdkamers rechtsgeldig zouden zijn samengesteld, moeten ten minste twee leden ervan de opleiding hebben genoten die georganiseerd wordt in het kader van de voortgezette vorming van de magistraten, zoals bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, die vereist is voor de uitoefening van het ambt van rechter in de familie- en jeugdrechtbank.
   Opdat de gespecialiseerde kamer voor minnelijke schikking rechtsgeldig zou zijn samengesteld, moet het voor die kamer aangewezen lid van het hof een [2 gespecialiseerde opleiding hebben genoten verstrekt door het Instituut voor gerechtelijke opleiding]2. Als de dienstbehoeften zulks verantwoorden, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, uitzonderlijk en nadat het advies van de [2 procureur-generaal]2 is ingewonnen, een werkend magistraat aanwijzen om de bovengenoemde functies voor een termijn van ten hoogste een jaar te vervullen, zelfs als die magistraat de [2 gespecialiseerde opleiding]2 niet heeft genoten.
  [3 Het Marktenhof, bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, omvat ten minste zes raadsheren, onder wie ten hoogste zes raadsheren [4 kunnen worden benoemd]4 met toepassing van artikel 207, § 3, 4°. Bij de benoeming wordt er rekening gehouden met het taalevenwicht.]3
   [2 § 3. De kamer van inbeschuldigingstelling kan zitting hebben in de gevangenis voor de behandeling van zaken met toepassing van artikel 30 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis [4 , de artikelen 14 en 17 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de artikelen 3 en 5 van de uitleveringswet van 15 maart 1874]4.]2]1
  [4 § 4. In geval van veiligheidsrisico's, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, op schriftelijke of mondelinge vordering van de procureur-generaal, gelasten dat een correctionele kamer in het hof van beroep in een bepaalde zaak een of meerdere zittingen houdt in de zetel van een rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep en zo daartoe grond bestaat, dat die zaak aldaar berecht wordt.]4
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 110, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 52, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (3)<W 2016-12-25/14, art. 59, 208; Inwerkingtreding : 09-01-2017>
  (4)<W 2017-07-06/24, art. 225, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Afdeling 1bis. Plaatsvervangende raadsheren in de hoven van beroep. <ingevoeg bij W 1997-07-09/36, art. 3, Inwerkingtreding : 13-08-1997>

  Art. 102.<W 1997-07-09/36, art. 3, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997> § 1. Er zijn plaatsvervangende raadsheren in het hof van beroep; zij worden benoemd ter vervanging van de verhinderde raadsheren.
  De plaatsvervangende raadsheren kunnen geroepen worden zitting te nemen wanneer de bezetting niet volstaat om de zetel overeenkomstig de bepalingen van de wet samen te stellen.
  [2 In de aanwijzingsbeschikking wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een plaatsvervanger en worden de nadere regels van de aanwijzing omschreven.]2
  (Zij kunnen echter geen zitting nemen in de kamer van inbeschuldigingstelling wanneer deze uitspraak doet met toepassing van de artikelen 235ter en 235quater van het Wetboek van strafvordering.) <W 2005-12-27/34, art. 27, 131 ; Inwerkingtreding : 30-12-2005>
  § 2. [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2010-12-29/02, art. 20, 169; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 35, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Afdeling 2. - Arbeidshof.

  Art. 103. Er is een arbeidshof in ieder rechtsgebied van een hof van beroep.
  Het arbeidshof bestaat uit een eerste voorzitter, kamervoorzitters, raadsheren in het arbeidshof en raadsheren in sociale zaken.
  Er zijn plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken, benoemd om tijdelijk de verhinderde raadsheren in sociale zaken te vervangen.

  Art. 104. Het arbeidshof bestaat uit kamers die zitting houden met een raadsheer in het arbeidshof en, naar gelang het geval, met twee of vier raadsheren in sociale zaken.
  De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1° , 2°, 3° en 7° , bestaan, buiten de voorzitter, uit een raadsheer in sociale zaken benoemd als werkgever en een raadsheer in sociale zaken benoemd als werknemer-arbeider of als werknemer-bediende, naar gelang van de hoedanigheid van de betrokken werknemer.
  Die kamers bestaan evenwel uit twee raadsheren in sociale zaken benoemd als werkgever, en twee raadsheren in sociale zaken respectievelijk benoemd als arbeider en als bediende, wanneer het beroep gericht is tegen een vonnis uitgesproken door een kamer met vier rechters in sociale zaken.
  (De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis, gewezen in een geschil betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10°, 11° en 12°, a) , 579, 580, 582, 3° en 4°, of betreffende de toepassing op werkgevers van administratieve sancties bedoeld in artikel 583, bestaan, behalve de voorzitters, uit twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en werknemer.) <W 2002-12-20/52, art. 3, 104; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  (De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis, gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid als bedoeld in artikel 578, 12°, b) , bestaan behalve de voorzitters, uit twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en zelfstandige.) <W 2002-12-20/52, art. 3, 104; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid bedoeld in artikel 582, (1° en 2°), bestaan, buiten de voorzitter uit twee raadsheren in sociale zaken, van wie de ene benoemd is als zelfstandige en de andere als werknemer. <W 30-06-1971, art. 15, § 2>
  (De Kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid bedoeld in artikel 581 of betreffende de toepassing op zelfstandigen van administratieve sancties bedoeld in artikel 583, [1 bestaan buiten de voorzitter, uit twee raadsheren in sociale zaken die benoemd zijn als zelfstandigen]1.) <W 30-06-1971, art. 15, § 3>
  Heeft het geschil betrekking op een werknemer die mijnwerker, zeeman, zeevisser, schipper, havenarbeider of aangeslotene bij de overzeese sociale zekerheid is, dan moet, in de mate van het mogelijke, de raadsheer in sociale zaken die als werknemer benoemd is, bovendien tot dezelfde kategorie behoren of behoord hebben als de betrokken werknemer.
  De Koning stelt, op voordracht van de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, de regels vast volgens welke de raadsheren in sociale zaken geroepen worden om zitting te nemen bij toepassing van deze bepaling.
  (In afwijking van het eerste lid bestaan de kamers die kennis nemen van het hoger beroep tegen een vonnis betreffende de in artikel 578, 14°, bedoelde aangelegenheden uit een raadsheer bij het Arbeidshof.) <W 2005-12-13/36, art. 3, 128; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 62, 199; Inwerkingtreding : 01-01-2016. Overgangbepalingen : art. 84>

  Afdeling 3. _ Bureau voor rechtsbijstand.

  Art. 105.Er is in ieder hof van beroep en in ieder arbeidshof een bureau voor rechtsbijstand dat een of meer [1 kamers]1 omvat.
  Iedere [1 kamer]1 bestaat uit een kamervoorzitter of een raadsheer in het hof.
  De zaken worden onder de diverse afdelingen verdeeld volgens een reglement dat de eerste voorzitter van het hof vaststelt.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 32, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Afdeling 4. _ Dienst.

  Art. 106.[1 Het bijzonder reglement van het hof van beroep en dat van het arbeidshof worden door de eerste voorzitter vastgesteld, op advies van de procureur-generaal, van de hoofdgriffier en van de vergadering van de stafhouders van de balies van het rechtsgebied van het hof van beroep, voorgezeten door de eerste voorzitter van het hof van beroep. De stafhouders kunnen evenwel hun advies schriftelijk aan de eerste voorzitter van het hof van beroep toezenden. Het advies van de eerste voorzitter van het arbeidshof is eveneens vereist voor de in [2 artikel 101, § 1, tweede lid]2, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer.]1
  Dit reglement bepaalt het aantal kamers van het hof, hun bevoegdheid en het aantal raadsheren en in voorkomend geval het aantal werkende of plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken daaraan verbonden. (Het bevat de aanduiding van de kamers die in het hof van beroep onderscheidenlijk met drie raadsheren in het hof of met één enkele zitting houden.) <W 1985-07-19/30, art. 3, 007>
  Het reglement van het hof van beroep en van het arbeidshof gevestigd te Brussel, bepaalt de kamers die kennis nemen van de zaken in het Nederlands, in het Frans of in een van beide.
  (De reglementen van het hof van beroep en van het arbeidshof gevestigd te Luik bepalen welke kamers kennis nemen van zaken in het Duits alsook hun samenstelling.) <W 1998-12-22/47, art. 8, 066; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
  Het reglement wordt ter griffie van het hof aangeplakt.
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 36, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 111, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 106bis.<ingevoegd bij W 1997-07-09/36, art. 4, Inwerkingtreding : 13-02-1998>
  § 1. [1 Teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken zijn er aanvullende kamers tot 30 juni 2011.]1
  Er wordt voor deze kamers, die uitsluitend in burgerlijke en fiscale zaken en in handelszaken zitting houden, een bijzonder reglement opgesteld overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 106, eerste lid.
  Het reglement bepaalt het aantal aanvullende kamers van het hof van beroep.
  § 2. De aanvullende kamers zijn samengesteld uit ten minste twee plaatsvervangende raadsheren.
  Zij mogen niet worden voorgezeten door een advocaat ingeschreven op het tableau van de Orde van advocaten.
  
  

Art. 106bis. (vanaf 01-07-2011)
  <Opgeheven bij W 2010-12-29/02, art. 21, 169; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

----------
  (1)<W 2010-12-29/02, art. 19, 169; Inwerkingtreding : 13-02-2011>

  Art. 107. <W 1997-02-17/50, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, stelt de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, naar gelang van het geval, hetzij ambtshalve, na het advies van de procureur-generaal en van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, hetzij op verzoek van de procureur-generaal en na het advies van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, een of meer tijdelijke kamers samen, bestaande uit de raadsheren en, in voorkomend geval, de raadsheren in sociale zaken die hij aanwijst.

  Art. 108. Wanneer het hof van beroep geroepen wordt om zaken die na cassatie verwezen zijn, strafzaken uitgezonderd, met verenigde kamers te berechten, bestaat het uit twee kamers, aangewezen en voorgezeten door de eerste voorzitter, de kamervoorzitter of door de raadsheer die hem vervangt. (Deze kamers zijn uit drie raadsheren samengesteld.) <W 1985-07-19/30, art. 4, 007>
  Indien de zaak in de bevoegdheid valt van het arbeidshof, wordt het hof voorgezeten door de eerste voorzitter, door de kamervoorzitter of door de raadsheer die hem vervangt en bestaat het daarenboven uit twee raadsheren in het arbeidshof en vier raadsheren in sociale zaken.
  De eerste voorzitter wijst de kamer, de raadsheren en de raadsheren-assessoren aan.

  Art. 109. <W 2007-04-25/64, art. 3, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De eerste voorzitter is belast met de algemene leiding en de organisatie van het hof.
  Hij kan een of meer kamervoorzitters aanwijzen om hem bij te staan.
  Hij verdeelt de zaken overeenkomstig het bijzonder reglement van het hof. Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen kan hij een deel van de zaken die aan een kamer zijn toegewezen, onder de andere kamers van het hof verdelen. Ingeval van moeilijkheden in verband met de verdeling van de zaken onder de kamers van eenzelfde hof van beroep is artikel 88, § 2, van toepassing.

  Art. 109bis.<W 1985-07-19/30, art. 6, 007> § 1. [5 Tenzij het uitsluitend op burgerlijke vorderingen betrekking heeft of enkel nog op dergelijke vorderingen betrekking heeft, wordt het hoger beroep tegen beslissingen in strafzaken toegewezen aan een kamer met drie raadsheren, in voorkomend geval aan de kamer bedoeld in artikel 101, § 1, derde lid.]5
  § 2. [6 Het Marktenhof neemt steeds zitting met drie raadsheren.]6
  § 3. [5 De andere zaken worden toegewezen aan kamers met één raadsheer in het hof. Wanneer de complexiteit of het belang van de zaak of bijzondere, objectieve omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de eerste voorzitter zaken geval per geval ambtshalve aan een kamer met drie raadsheren toewijzen.]5
  § 4. Wanneer er van verscheidene samenhangende zaken ten minste één bij een kamer met drie raadsheren in het hof moet worden aanhangig gemaakt, verwijst de eerste voorzitter al die zaken naar zulk een kamer. Te dien einde kan hij ook hun vroegere verdeling wijzigen.
  ----------
  (1)<W 2010-04-22/28, art. 3, 167; Inwerkingtreding : 28-06-2010>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 12, 184; Inwerkingtreding : 24-05-2014>
  (3)<W 2013-07-30/23, art. 112, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (4)<W 2014-05-08/02, art. 53, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (5)<W 2015-10-19/01, art. 63, 199; Inwerkingtreding : 01-01-2016. Overgangbepalingen : art. 84>
  (6)<W 2016-12-25/14, art. 60, 208; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  Art. 109ter.
  <Opgeheven bij W 2010-12-29/02, art. 22, 169; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 109quater.
  <Opgeheven bij W 2010-12-29/02, art. 23, 169; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 110. De eerste voorzitter van het hof van beroep kan correctionele zaken toewijzen aan burgerlijke kamers en burgerlijke zaken aan correctionele kamers.

  Art. 111. Op vordering van de procureur-generaal, gegrond op een achterstand in correctionele zaken, geeft de eerste voorzitter van het hof van beroep aan een of meer burgerlijke kamers opdracht om de vijftien dagen buiten de gewone zittingen in burgerlijke zaken een bijkomende zitting te houden voor het berechten van correctionele zaken.
  Achterstand in correctionele zaken bestaat zodra het onmogelijk geworden is te voldoen aan artikel 209 van het Wetboek van strafvordering.
  Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de eerste voorzitter van het arbeidshof een deel van de aan een kamer toegewezen zaken onder de andere kamers van het hof verdelen.

  Art. 112. <W 1998-12-22/47, art. 11, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> (Eerste lid opgeheven) <W 2003-05-03/45, art. 4, 111; Inwerkingtreding : 31-03-2004, uiterlijk op 02-06-2004>
  Behoudens andersluidende bepalingen zit de eerste voorzitter de verenigde kamers en de plechtige zittingen voor. Hij houdt volgens de behoeften van de dienst zitting in de gewone kamers in welk geval hij deze voorzit.

  Art. 113. De correctionele zaken bedoeld in artikel 479 van het Wetboek van strafvordering worden toegewezen aan de kamer voor burgerlijke zaken, voorgezeten door de eerste voorzitter of door de voorzitter of de raadsheer in het hof die hem vervangt.

  Afdeling V.- (Opdrachten van raadsheren van het ene hof tot het andere). <Ingevoegd bij W 1998-02-10/32, art. 6; Inwerkingtreding : 02-03-1998>

  Art. 113bis.<Ingevoegd bij W 1998-02-10/32, art. 6; Inwerkingtreding : 02-03-1998> Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de Koning, hetzij op verzoek van een eerste voorzitter van een hof van beroep, hetzij op vordering van de procureur-generaal, met eerbiediging van de taalwet in gerechtszaken, een raadsheer bij het hof van beroep met diens toestemming aanwijzen om zijn ambt voor een bepaalde termijn waar te nemen in een hof van beroep van een ander rechtsgebied, na vooraf het advies te hebben ingewonnen van, naar gelang van het geval, de betrokken eerste voorzitters en de procureurs-generaal.
  Dezelfde bevoegdheid wordt op overeenkomstige wijze uitgeoefend door de Koning met betrekking tot de arbeidshoven.
  Behoudens verlenging eindigt de opdracht wanneer die termijn is verstreken; voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn, blijft de opdracht evenwel geldig tot aan het arrest.
  [1 Naargelang van de behoeften van de dienst kunnen de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de arbeidshoven, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in onderling overleg beslissen respectievelijk een magistraat van een hof van beroep of van een arbeidshof, die daarmee instemt, opdracht te geven in een ander hof van beroep of een ander arbeidshof.
   Naargelang van de behoeften van de dienst kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, een raadsheer bij het hof van beroep met zijn instemming opdragen het ambt van rechter uit te oefenen in een rechtbank van eerste aanleg of in een rechtbank van koophandel en kan de eerste voorzitter bij het arbeidshof een raadsheer bij dit hof opdragen het ambt van rechter uit te oefenen in een arbeidsrechtbank.
   In de beschikking wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een raadsheer en worden de nadere regels van de opdracht omschreven.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 37, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art 113ter.<Ingevoegd bij W 2006-12-03/41, art. 8; Inwerkingtreding : 28-12-2006> De eerste voorzitter van het arbeidshof geeft bij beschikking opdracht aan een raadsheer bij het arbeidshof, die deze opdracht aanvaardt, om aanvullend zitting te nemen in een in [1 artikel 101, § 1, tweede lid]1, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer, na vooraf het advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep te hebben ingewonnen.
  De opdracht is een jaar geldig en kan worden verlengd.
  De verlenging gebeurt op gelijkluidend advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep.
  De raadsheer bij het arbeidshof wiens opdracht bij de gespecialiseerde correctionele kamer eindigt, blijft tot het eindarrest in deze kamer zitting hebben in de zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 113, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Afdeling VI. [1 - Tijdelijke verplaatsing van de zetel van een hof of een afdeling van een hof.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-07-06/24, art. 226, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>
  

  Art 113quater.. . [1 Indien de behoeften van de dienst of gevallen van overmacht het rechtvaardigen, kan de Koning, op voorstel of na advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep of het arbeidshof en van de procureur-generaal bij het hof van beroep en het arbeidshof, alsmede van de hoofdgriffier en van de stafhouders van de balies van het rechtsgebied van het hof, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de zetel van een afdeling tijdelijk verplaatsen naar een andere gemeente van het rechtsgebied. In de hoven die slechts één zetel tellen, kan die zetel onder dezelfde voorwaarden worden verplaatst naar een andere gemeente van het rechtsgebied.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-07-06/24, art. 227, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>
  

  HOOFDSTUK IV. _ Hof van assisen.

  Eerste afdeling. _ Algemene bepalingen.

  Art. 114. In (elke provincie en in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad) worden assisen gehouden voor de berechting van de beschuldigden die het hof van beroep daarnaar verwijst. (...) <W 1993-07-16/31, art. 357, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  Art. 115.(Het Hof van Assisen houdt zitting in Aarlen, Antwerpen, Bergen, Brugge, Brussel, Gent, Leuven, Luik, Namen, Nijvel of Tongeren, naar gelang van het geval.) <W 1993-07-16/31, art. 358, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  Indien het aantal of de belangrijkheid van de zaken zulks rechtvaardigt, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, beschikkend op vordering van de procureur-generaal, de vorming van verscheidene hoven van assisen in eenzelfde provincie [1 of in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad]1 gelasten. [2 In het gerechtelijk arrondissement Brussel houdt het hof van assisen zitting in de zetel van de Franstalige rechtbank wanneer de rechtspleging in het Frans wordt gevoerd en in de zetel van de Nederlandstalige rechtbank wanneer de rechtspleging in het Nederlands wordt gevoerd.]2
  Indien buitengewone omstandigheden zulks rechtvaardigen, kan [3 de eerste voorzitter van het hof van beroep]3, op vordering van de procureur-generaal of deze magistraat gehoord, gelasten dat de zitting van een of meer hoven van assisen gehouden wordt in de zetel van een andere rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep en, zo daartoe grond bestaat, dat een bepaalde zaak aldaar zal berecht worden.
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 207, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>
  (2)<W 2012-07-19/36, art. 11, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (3)<W 2016-02-05/11, art. 193, 201; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 116.De hoven kunnen tegelijkertijd zitting houden, hetzij in de hoofdplaats van de provincie [1 of van het administratief arrondissement Brussel- Hoofdstad]1, [2 hetzij in een afdeling van een gerechtelijk arrondissement]2.
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 208, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 38, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 117. (Op advies van de procureur-generaal en na raadpleging van de partijen stelt de eerste voorzitter van het hof van beroep de datum van opening van de zittingen van de hoven van assisen vast, verdeelt hij onder de verschillende hoven van assisen de zaken die ernaar verwezen zijn, en stelt hij voor ieder daarvan de datum van de opening van de debatten vast.) <W 2000-03-28/33, art. 2, 081; Inwerkingtreding : 27-03-2001>
  Hij kan, met instemming van de beschuldigde, er de zaken laten berechten die bij de opening van de zitting niet in staat van wijzen zijn.
  Hij verklaart die zitting voor gesloten waarop alle vastgestelde zaken zijn berecht of het voorwerp zijn geweest van een beslissing tot verwijzing naar een latere zitting.

  Art. 118. De datum en de plaats van opening van de zittingen van het hof van assisen, alsmede de datum en de aanwijzing van de vastgestelde zaken worden ten minste twintig dagen vooraf bekendgemaakt bij middel van een bericht dat wordt aangeplakt in de voor het publiek toegankelijke lokalen van de correctionele griffie.

  Afdeling II. _ Samenstelling van het hof.

  Art. 119.[1 § 1. Het hof van assisen bestaat uit een voorzitter en twee assessoren. Het hof houdt zitting bijgestaan door een jury. Voor de behandeling en de berechting van burgerlijke rechtsvorderingen houdt het zitting zonder jury.
   § 2. Indien vervolging wordt ingesteld tegen ten minste één persoon ten aanzien van wie, met toepassing van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, een beslissing tot uithandengeving is genomen in het kader van een niet-correctionaliseerbare misdaad, moet het hof van assisen, om rechtsgeldig samengesteld te zijn, bestaan uit minstens twee magistraten die de voortgezette opleiding hebben gevolgd als bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, of artikel 259sexies, § 1, 2°, tweede lid.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 209, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 120.De voorzitter is [2 een lid van het hof van beroep, een lid van dat hof dat wegens zijn leeftijd tot de inruststelling is toegelaten en nog niet de leeftijd van 73 jaar heeft bereikt of een lid van dat hof dat op eigen verzoek voor de wettelijke leeftijd is toegelaten tot de inruststelling en dat bovendien werd gemachtigd tot het voeren van de eretitel van zijn ambt]2 aan wie de eerste voorzitter van dat hof opdracht geeft voor de gehele zitting of voor bepaalde zaken. [1 Om het ambt van voorzitter in het hof van assisen te kunnen uitoefenen, moet men een gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.]1 <W 1997-07-09/36, art. 8, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997>
  [1 De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de voorzitter moet voldoen om vrijgesteld te worden van de gespecialiseerde opleiding.]1
  Wanneer wegens verhindering van de voorzitter het hof van assisen niet kan worden samengesteld, geeft de eerste voorzitter van het hof van beroep opdracht aan een plaatsvervanger [2 onder de leden van dat hof, de leden van dat hof die wegens hun leeftijd tot de inruststelling zijn toegelaten en nog niet de leeftijd van 73 jaar hebben bereikt of de leden van dat hof die op eigen verzoek voor de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt]2). <W 1997-07-09/36, art. 9, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997>
  (In het belang van een goed verloop van de debatten of wanneer de aard van de zaken dit vereist,) geeft de eerste voorzitter van het hof van beroep op vordering van de procureur-generaal opdracht aan een of meer leden van dat hof, die als plaatsvervangend voorzitter de debatten bijwonen. <W 1987-11-13/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 10-01-1988>
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 210, 168; Inwerkingtreding : 01-01-2011>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 194, 201; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 121.[1 De assessoren worden voor iedere zaak aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep, in overleg met de betrokken voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg, onder de oudste ondervoorzitters en rechters in rang van het rechtsgebied van het hof van beroep.
  [3 Zij kunnen eveneens aangewezen worden door de eerste voorzitter van het hof van beroep in overleg met de betrokken voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg onder de ondervoorzitters en rechters toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd en die nog niet de leeftijd van 73 jaar hebben bereikt of die op eigen verzoek voor de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt.]3
  [2 In het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad heeft het overleg plaats, volgens het geval, met de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg of de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg.]2
   Wanneer het hof van assisen niet kan worden samengesteld wegens verhindering van een assessor of van beide assessoren, voorziet de eerste voorzitter van het hof van beroep onverwijld in hun vervanging.
   Wanneer de rechtspleging voor het hof van assisen van de provincie Luik in het Duits wordt gevoerd, zijn de aangewezen assessoren lid van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 211, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>
  (2)<W 2012-07-19/36, art. 12, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (3)<W 2016-02-05/11, art. 195, 201; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 122.[1 De eerste voorzitter van het hof van beroep kan, in uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de organisatie van de hoven en rechtbanken, op vordering van de procureur-generaal, beslissen dat een of meer leden van het hof die hij aanwijst als assessor of plaatsvervangend assessor zullen optreden in plaats van de leden van de rechtbank van eerste aanleg.]1
  [1 De eerste voorzitter van het hof van beroep kan, in uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de organisatie van de hoven en rechtbanken, op vordering van de procureur-generaal, beslissen dat een of meer leden van het hof die hij aanwijst als assessor of plaatsvervangend assessor zullen optreden in plaats van de leden van de rechtbank van eerste aanleg.]1
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 196, 201; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Afdeling III. _ Jury.

  Art. 123. De jury houdt zitting met twaalf gezworenen.

  Art. 124. <W 1987-11-13/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 10-01-1988> In het belang van een goed verloop van de debatten of wanneer de aard van de zaken dit vereist, kan het Hof van assisen, ambtshalve of op vordering van de procureur-generaal voor de uitloting bevelen dat buiten de twaalf werkende gezworenen nog één tot twaalf plaatsvervangende gezworenen worden uitgeloot die de debatten zullen bijwonen. Het is ertoe gehouden zulks te bevelen wanneer de eerste voorzitter aan een of meer plaatsvervangende voorzitters van het Hof van assisen opdracht heeft gegeven.

  Afdeling IV. _ Verhindering en nietigheid.

  Art. 125. De voorzitter en de assessoren van het hof van assisen die gedurende de debatten verhinderd zijn hun ambt te vervullen, worden vervangen door hun plaatsvervangers in de volgorde van de aanwijzing. De gezworene die verhinderd is de debatten bij te wonen, wordt vervangen door een plaatsvervangende gezworene volgens de orde van de uitloting, indien de reden van verhindering door het hof is aangenomen.
  De plaatsvervangende voorzitters en assessoren trekken zich eerst terug wanneer het arrest is uitgesproken.

  Art. 126. Het ambt in het hof van assisen heeft voor de magistraten die opdracht hebben ontvangen of die zijn aangewezen, voorrang boven hun andere ambten.

  Art. 127. Op straffe van nietigheid mogen de magistraten die als onderzoeksrechter of openbaar ministerie zijn opgetreden of uitspraak hebben gedaan over de regeling van het onderzoek, de assisen niet voorzitten noch als assessor optreden, en de personen die in de zaak opdrachten van gerechtelijke politie hebben vervuld of deel hebben genomen aan een daad van ambtelijk onderzoek of van strafonderzoek, en diegenen die getuige, deskundige, tolk, aangever, klager of betrokken partij zijn geweest, mogen geen gezworene zijn.

  HOOFDSTUK V. _ Hof van Cassatie.

  Eerste afdeling. _ Algemene bepalingen.

  Art. 128.Het Hof van Cassatie omvat drie kamers.
  Iedere kamer van het Hof van Cassatie bestaat uit twee [1 secties]1.
  Iedere [1 sectie]1 bestaat uit vijf raadsheren, de voorzitter daaronder begrepen.
  (De arresten worden gewezen door vijf raadsheren, daaronder begrepen de voorzitter. Zij worden echter gewezen door drie raadsheren in de door de wet bepaalde gevallen.) <W 1997-05-06/38, art. 2, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 33, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 129.Het Hof van Cassatie bestaat uit een eerste voorzitter, een voorzitter en raadsheren in het Hof van Cassatie.
  (Onder de raadsheren worden (zes) [1 sectievoorzitters]1 aangewezen.) <W 1998-12-22/47, art. 13, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 2004-12-27/31, art. 2, 121; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 34, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 130. In het hof wordt een bureau voor rechtsbijstand gevormd. Het bestaat uit één raadsheer.

  Art. 131.Wanneer de eerste voorzitter, na het advies van de raadsheerverslaggever en van de procureur-generaal te hebben ingewonnen, oordeelt dat een zaak in voltallige zitting moet worden behandeld, vergadert de kamer met negen raadsheren, de voorzitter daaronder begrepen.
  [1 De procureur-generaal kan aan de eerste voorzitter voorstellen dat een zaak in voltallige zitting wordt behandeld.]1
  In alle gevallen waarin het hof met verenigde kamers moet vergaderen, houdt het zitting in oneven getal en met (ten minste elf leden). <W 1994-12-01/38, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 1995-01-10>
  (Cassatieberoep tegen beslissingen van het hof van beroep, genomen met toepassing van artikel 103 van de Grondwet, wordt behandeld door de verenigde kamers.) <W 1998-06-25/30, art. 28, 060; Inwerkingtreding : 01-07-1998>
  (Cassatieberoep tegen beslissingen van het hof van beroep, genomen met toepassing van artikel 125 van de Grondwet, wordt behandeld door de verenigde kamers.) <W 1998-06-25/31, art. 28, 061; Inwerkingtreding : 01-07-1998>
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/57, art. 2, 186; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Afdeling II. - Dienst.

  Art. 132.Het reglement houdende de dienstregeling van het hof wordt [1 door de eerste voorzitter vastgesteld, op advies]1, van de procureur-generaal, van de hoofdgriffier en van de stafhouder van de Orde der Advocaten bij het Hof van Cassatie.
  Dit reglement bepaalt het aantal raadsheren aan elke kamer verbonden alsook het aantal en de duur van de zittingen.
  Het reglement wordt ter griffie aangeplakt.
  ----------
  (1)<L 2013-12-01/01, art. 38/1, 179; En vigueur : 01-04-2014, ingevoegd bij W 2014-05-08/02, art. 105, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 133. De eerste kamer neemt kennis van de voorzieningen in burgerlijke zaken en handelszaken, de tweede van de voorzieningen in criminele, correctionele en politiezaken, de derde van de voorzieningen tegen beslissingen in laatste aanleg gewezen door de arbeidshoven en -rechtbanken. De overige zaken die ingevolge de wet ter kennisneming van het Hof van Cassatie staan,worden door de eerste voorzitter verdeeld over de kamers.
  Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, behandelt iedere kamer, na verwijzing bevolen door de eerste voorzitter, de voorzieningen waarvan de andere kamers dienen kennis te nemen.

  Art. 134. Het Hof van Cassatie doet in verenigde kamers uitspraak over conflicten van attributie.

  Art. 135. De eerste voorzitter zit de kamer voor waarvan hij deel wil uitmaken; hij zit een van de andere kamers voor indien hij het dienstig acht; hij bekleedt het voorzitterschap van de voltallige zittingen, de verenigde kamers en de plechtige zittingen.

  Afdeling IIbis. - (De referendarissen). <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 3; Inwerkingtreding : 05-07-1997>

  Art. 135bis. <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 3; Inwerkingtreding : 05-07-1997> Het Hof van Cassatie wordt bijgestaan door ten minste vijf en ten hoogste dertig referendarissen. Hun aantal wordt door de minister van Justitie bepaald.
  De eerste voorzitter en de procureur-generaal stellen in onderlinge overeenstemming het aantal referendarissen vast dat onder hun respectief gezag komt te staan.
  De referendarissen bereiden het werk van de raadsheren en de leden van het parket voor; zij dragen bij aan de werkzaamheden in verband met de documentatie en werken mee aan de vertaling en de publicatie van de arresten alsook aan het in overeenstemming brengen van de Franse en Nederlandse tekst.

  Afdeling III. _ Documentatie en overeenstemming der teksten.

  Art. 136. Er is bij het Hof van Cassatie een dienst voor documentatie en overeenstemming der Franse en Nederlandse teksten van de arresten.
  Deze dienst staat onder het gezag en de leiding van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, bijgestaan door de procureur-generaal bij dit Hof.
  Hij bestaat uit magistraten die daartoe opdracht krijgen zoals bepaald is in artikel 326, en uit attachés. De minister van Justitie bepaalt het getal van die magistraten en van de attachés.

  Afdeling IV. - (Beheer). <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 4; Inwerkingtreding : 05-07-1997>

  Art. 136bis. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 14, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>

  Art. 136ter. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 14, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>

  TITEL II. - Openbaar ministerie.

  Art. 137.Het openbaar ministerie vervult zijn ambtsplichten in het rechtsgebied van het hof of van de rechtbank waarbij het aangesteld is, behoudens de gevallen waarin de wet anders bepaalt [1 en onverminderd artikel 150, §§ 2 en 3]1.
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 13, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>

  Art. 138.<W 2006-12-03/41, art. 9, 143; Inwerkingtreding : 28-12-2006> Onverminderd de bepalingen van artikel 141 vordert het openbaar ministerie de toepassing van de strafwet, overeenkomstig de regels die de wet stelt.
  In het rechtsgebied van elk hof van beroep waken de procureur-generaal, de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs in onderling overleg over de coherente en geïntegreerde uitoefening van de strafvordering. Daartoe roept de procureur-generaal ten minste één keer per trimester de procureurs des Konings van zijn rechtsgebied samen. Als er reden toe is, roept hij eveneens de arbeidsauditeurs samen.
  Buiten de gevallen die worden bedoeld in de wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers en in de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering, evenals in de artikelen 479 tot 503bis van het Wetboek van strafvordering, kan het ambt van openbaar ministerie bij de correctionele kamers van het hof van beroep, de kamer van inbeschuldigingstelling en het hof van assisen uitgeoefend worden door, naargelang van het geval, een magistraat van het parket van de procureur des Konings of van het arbeidsauditoraat, mits de procureur-generaal bij het hof van beroep en, naargelang van het geval, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur hiermee instemmen. De magistraat oefent dit ambt uit onder leiding en toezicht van de procureur-generaal.
  Het ambt van openbaar ministerie bij de correctionele rechtbank kan worden uitgeoefend, naargelang van het geval, door een magistraat van het parket-generaal bij het hof van beroep of het arbeidsauditoraat generaal, mits de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, naargelang van het geval, en de procureur-generaal bij het hof van beroep hiermee instemmen. De magistraat oefent dit ambt uit onder leiding en toezicht van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur.
  De bepalingen van het derde en het vierde lid zijn van toepassing op de rechtspleging voor de jeugdrechtbank en voor de jeugdkamer van het hof van beroep ten aanzien van personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven feit dat werd gepleegd voor de volle leeftijd van achttien jaar. [1 De aangewezen magistraat moet de in artikel 143, § 2/1, dan wel in artikel 151, tweede lid, naar gelang van het geval, bedoelde opleiding hebben gevolgd.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 114, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 138bis.<Ingevoegd bij W 2006-12-03/41, art. 10; Inwerkingtreding : 28-12-2006> § 1. [4 In burgerlijke zaken komt het openbaar ministerie tussen bij wege van rechtsvordering, vordering of, wanneer het zulks dienstig acht, bij wege van advies.]4 Het treedt ambtshalve op in de gevallen die de wet bepaalt en bovendien telkens als de openbare orde zijn tussenkomst vergt.
  § 1/1.[4 De familierechtbank doet uitspraak na mededeling van de zaak aan het openbaar ministerie met het oog op zijn eventueel advies of vorderingen omtrent:
   1° alle vorderingen met betrekking tot minderjarigen;
   2° alle aangelegenheden waarvoor het krachtens de wet moet optreden.]4
  § 2. Voor overtredingen op de wetten en verordeningen die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten en die het geheel of een deel van de werknemers van een onderneming betreffen, kan de arbeidsauditeur, ambtshalve, overeenkomstig de vormvoorschriften van dit Wetboek, een rechtsvordering instellen bij de arbeidsrechtbank teneinde de inbreuken op voormelde wetten en verordeningen te laten vaststellen.
  Ingeval van samenloop of samenhang van de genoemde overtredingen met één of meer overtredingen van andere wetsbepalingen die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten zendt de arbeidsauditeur een afschrift van het dossier aan de procureur des Konings met het oog op de uitoefening van de strafvordering voor de laatst vermelde overtredingen.
  De in het eerste lid bedoelde rechtsvordering kan niet meer worden aangewend zo de strafvordering werd ingesteld of zo overeenkomstig artikel [1 85 van het Sociaal Strafwetboek]1, de kennisgeving van het bedrag van de administratieve geldboete heeft plaatsgehad.
  [2 § 3. Onverminderd artikel 150, § 3, in geval van verwijzing naar de Franstalige rechtbank, vervult voor de toepassing van dit artikel, het openbaar ministerie bedoeld in artikel 150, § 2, 1°, en in artikel 152, § 2, 1°, zijn ambtsplichten voor de Nederlandstalige rechtbank, indien de zaak voor de rechtbank aanhangig werd gemaakt op grond van een territoriale bevoegdheid bepaald door een plaats welke zich binnen het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde bevindt. Indien de zaak voor de Nederlandstalige rechtbank of de Franstalige rechtbank aanhangig werd gemaakt, op grond van een territoriale bevoegdheid bepaald door een plaats welke zich binnen het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad bevindt, vervult het openbaar ministerie bedoeld in artikel 150, § 2, 2°, of in artikel 152, § 2, 2°, zijn ambtsplichten.]2
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 11, 168; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (2)<W 2012-07-19/36, art. 14, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (3)<W 2013-07-30/23, art. 115, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (4)<W 2015-10-19/01, art. 64, 199; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 138ter. <Ingevoegd bij W 2006-12-03/41, art. 11; Inwerkingtreding : 28-12-2006> In alle betwistingen die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, kan het openbaar ministerie bij de arbeidsgerechten van de minister of van de bevoegde openbare instellingen of diensten de nodige bestuurlijke inlichtingen vorderen. Daartoe kan het om medewerking verzoeken van de ambtenaren die door de bestuurlijke overheid belast zijn met het toezicht op de toepassing van de in de artikelen 578 tot 583 bedoelde wettelijke en verordeningsbepalingen.

  Art. 139. Het openbaar ministerie vervolgt ambtshalve de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissingen in verband met alle bepalingen die de openbare orde raken ten aanzien van particulieren kan het, op een daartoe gedaan verzoek, hetzij de gerechtsdeurwaarder gelasten op de treden, hetzij de sterke arm vorderen indien dit nodig is.
  Het kan ook de werken vorderen die voor de tenuitvoerlegging van de vonnissen nodig zijn, met last om de gewone prijs ervan aan de aannemer van het werk te doen betalen.

  Art. 140. Het openbaar ministerie waakt voor de regelmatigheid van de dienst van de hoven en rechtbanken.

  Art. 141. De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie oefent de strafvordering niet uit, tenzij hij een rechtsvordering instelt waarvan de berechting aan het Hof van Cassatie is opgedragen.

  Art. 142. Het ambt van openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie wordt onder het gezag van de minister van Justitie uitgeoefend door de procureur-generaal.
  (De procureur-generaal wordt bijgestaan door een eerste advocaat-generaal en door advocaten-generaal, die onder zijn toezicht en leiding hun ambt uitoefenen.) <W 1998-12-22/47, art. 15, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>

  Art. 143.<NOTA : Dit artikel werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 4, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> (§ 1.) Er is een procureur-generaal bij ieder hof van beroep (en een federale procureur die bevoegd is voor het gehele grondgebied van het Rijk.). <W 2001-06-21/42, art. 4, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  (§ 2.) (Onverminderd de bepalingen van artikel 138, derde en vierde lid, voert de procureur-generaal bij het hof van beroep onder het gezag van de Minister van Justitie en door toedoen van de Minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, voor de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, alle opdrachten van het openbaar ministerie uit bij het hof van beroep, het arbeidshof en de hoven van assisen van zijn rechtsgebied.) <W 2004-04-12/38, art. 3, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>
  De procureur-generaal voert het woord in de verenigde kamers en op de plechtige zittingen van het hof van beroep en van het arbeidshof; ook op de zittingen van de kamers, wanneer hij het geraden acht.
  [1 § 2/1. De opdrachten van openbaar ministerie bij de familiekamers en de jeugdkamers worden uitgevoerd door een of meer magistraten van het parket-generaal die de in artikel 259sexies, § 1, 2°, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde opleiding georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding hebben gevolgd en die zijn aangewezen door de procureur-generaal.
   In uitzonderlijke omstandigheden en voor een goede rechtsbedeling kan de procureur-generaal, bij een met redenen omklede beslissing, voor een welbepaalde periode een niet-opgeleide magistraat aanwijzen.]1
  (§ 3. De federale procureur voert, in de gevallen en op de wijze bepaald door de wet, onder het gezag van de Minister van Justitie, alle opdrachten van het openbaar ministerie in strafzaken uit bij de hoven van beroep, de hoven van assisen, de rechtbanken van eerste aanleg en de politierechtbanken.) <W 2001-06-21/42, art. 4, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 116, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 143bis.<Ingevoegd bij W 1997-03-04/41, art. 2; Inwerkingtreding : 15-05-1997> § 1. <NOTA : §1. werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 5, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> De procureurs-generaal bij de hoven van beroep vormen samen een college, college van de procureurs-generaal genaamd, dat onder het gezag van de minister van Justitie staat. De bevoegdheid van het college strekt zich uit over het gehele grondgebied van het Rijk en zijn beslissingen hebben bindende kracht (voor de procureurs-generaal bij de hoven van beroep, de federale procureur en alle leden van het openbaar ministerie (die onder hun gezag of hun toezicht en leiding staan)). <W 2001-06-21/42, art. 5, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> <W 2004-04-12/38, art. 4, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>
  § 2. Het college van procureurs-generaal beslist bij consensus over alle maatregelen die nodig zijn voor :
  1° de coherente uitwerking en de coördinatie van het strafrechtelijk beleid vastgelegd door de in [1 artikel 143quater]1 beoogde richtlijnen, en met inachtneming van de finaliteit ervan;
  2° de goede algemene en gecoördineerde werking van het openbaar ministerie.
  Indien het college geen consensus bereikt en indien de uitvoering van de ministeriële richtlijnen van het strafrechtelijk beleid daardoor in het gedrang komt, neemt de minister van Justitie de noodzakelijke maatregelen om de toepassing ervan te waarborgen.
  § 3. Het college van procureurs-generaal heeft daarenboven tot taak de minister van Justitie in te lichten en te adviseren, ambtshalve of op diens verzoek, over elke zaak die verband houdt met de opdrachten van het openbaar ministerie.
  Bij gebreke van consensus worden de verschillende standpunten in het advies vermeld.
  (Het college van procureurs-generaal evalueert, op basis van onder meer de rapporten van de federale procureur en na deze laatste te hebben gehoord, de wijze waarop de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid door de federale procureur worden uitgevoerd, de wijze waarop de federale procureur zijn bevoegdheden uitoefent en de werking van het federaal parket. Deze evaluatie wordt opgenomen in het verslag bedoeld in § 7.) <W 1998-12-22/48, art. 5, 069; Inwerkingtreding : onbepaald>
  (Het college van procureurs-generaal kan in de aangelegenheden die het bepaalt expertisenetwerken instellen, waarvan magistraten van het federaal parket, de parketten-generaal, de parketten van de procureur des Konings, de arbeidsauditoraten generaal en de arbeidsauditoraten en, desgevallend, andere deskundigen deel uitmaken.
  Het college van procureurs-generaal legt de nadere regels voor de organisatie en de werking van de expertisenetwerken vast in overleg met de raad van procureurs des Konings of de raad van arbeidsauditeurs.
  De aanwijzing van een magistraat van het openbaar ministerie voor een expertisenetwerk is onderworpen aan de toestemming van de korpschef van het korps waartoe de betrokken magistraat behoort.
  Deze netwerken zorgen ervoor, onder het gezag van het college van procureurs-generaal en onder de leiding en het toezicht van de voor de betreffende aangelegenheden speciaal aangewezen procureur-generaal, dat de informatie en documentatiedoorstroming tussen de leden van het openbaar ministerie wordt bevorderd. Bovendien kunnen zij door het college worden belast met elke ondersteuningsopdracht met het oog op de uitoefening van zijn bevoegdheden.) <W 2004-04-12/38, art. 4, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>
  § 4. (Voor het uitvoeren van zijn opdrachten wordt het college op permanente wijze bijgestaan door bijstandsmagistraten, wier aantal wordt bepaald door de wet.
  Voor de uitvoering van zijn opdrachten kan het college, na advies van de betrokken korpschef, tijdelijk een beroep doen op leden van het openbaar ministerie, met uitzondering van degenen die de opdrachten van het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie uitoefenen.) <W 1998-12-22/48, art. 5, 069; Inwerkingtreding : onbepaald>
  § 5. Het college van procureurs-generaal vergadert minstens eenmaal per maand, op eigen initiatief of op verzoek van de minister van Justitie.
  De minister van Justitie of, in geval van verhindering zijn gemachtigde, neemt deel aan de vergaderingen van het college indien bevoegdheden, bedoeld in [1 artikel 143quater]1, worden besproken en wanneer het college op zijn verzoek samenkomt in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in § 2.
  De minister zit de vergaderingen van het college voor waarop hij aanwezig is.
  Met het oog op de uitoefening van de bevoegdheden van het college kan de Koning, na overleg met dat college, specifieke taken opdragen aan elk lid van het college.
  (De federale procureur kan deelnemen aan de vergaderingen van het college, behalve wanneer het college vergadert in het kader van § 3, derde lid.) <W 1998-12-22/48, art. 5, 069; Inwerkingtreding : onbepaald>
  § 6. De Koning regelt de wijze van samenwerking tussen het college en de diensten die onder het gezag van de minister van Justitie staan.
  § 7. Het college brengt jaarlijks verslag uit aan de minister van Justitie. Dit verslag bevat een toelichting over zijn activiteiten, een analyse en een beoordeling van het opsporings- en vervolgingsbeleid in het voorbije jaar, alsook de prioritaire doelstellingen voor het komende jaar.
  Het verslag wordt door de minister van Justitie aan de Kamers medegedeeld en openbaar gemaakt.
  § 8. <NOTA : §8. werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 5, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> Het voorzitterschap wordt voor de duur van een gerechtelijk jaar bij toerbeurt achtereenvolgens waargenomen door de procureurs-generaal bij respectievelijk het hof van beroep te Antwerpen, te Bergen, te Brussel, te Gent en te Luik. Er kan met instemming van alle leden van het college worden afgeweken van deze beurtwisseling tussen procureurs-generaal van een zelfde taalstelsel.
  De procureur-generaal die het voorzitterschap bekleedt, bepaalt de agenda en de organisatie van de vergaderingen. (...). <W 2007-04-25/64, art. 4, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  § 9. (Ingeval een lid van het college van procureurs-generaal afwezig of verhinderd is, wordt het lid vervangen door de overeenkomstig artikel 319 aangewezen vervanger.) <W 2001-06-21/42, art. 5, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  Onverminderd het bepaalde in het vorige lid wordt het voorzitterschap, bij verhindering of afwezigheid van de voorzitter, bekleed door de oudste procureur-generaal in rang van hetzelfde taalstelsel.
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/73, art. 4, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>

  Art. 143ter.
  <Opgeheven bij W 2014-02-18/05, art. 2, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 143quater. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 6; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De minister van Justitie legt de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid vast, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, nadat hij het advies van het college van procureurs-generaal heeft ingewonnen.
  Deze richtlijnen zijn bindend voor alle leden van het openbaar ministerie.
  De procureurs-generaal bij de hoven van beroep staan in voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen binnen hun rechtsgebied.

  Art. 144. <W 1998-12-22/47, art. 16, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> De procureur-generaal bij het hof van beroep wordt bijgestaan door een eerste advocaat-generaal, advocaten-generaal en substituut-procureurs-generaal, die onder zijn toezicht en leiding hun ambt uitoefenen.

  Art. 144bis. <NOTA : Dit artikel werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 6, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> (§ 1. De federale procureur is belast met de leiding van het federaal parket, dat is samengesteld uit federale magistraten, die onder zijn rechtstreekse leiding en toezicht staan. Hun opdrachten strekken zich uit over het gehele grondgebied van het Rijk.
  § 2. De federale procureur wordt met de volgende opdrachten belast :
  1° de strafvordering uitoefenen overeenkomstig artikel 144ter;
  2° zorgen voor de coördinatie van de uitoefening van de strafvordering en het vergemakkelijken van de internationale samenwerking overeenkomstig artikel 144quater;
  3° het toezicht uitoefenen op de algemene en bijzondere werking van de federale politie, zoals bepaald in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
  § 3. In uitzonderlijke gevallen en enkel wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de federale procureur, bij een met redenen omklede beslissing, voor welbepaalde dossiers en na overleg met de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur, zijn bevoegdheden tijdelijk geheel of gedeeltelijk opdragen aan een lid van een parket-generaal, van een auditoraat-generaal bij het arbeidshof, van een parket van de procureur des Konings of van een arbeidsauditoraat bij de arbeidsrechtbank, die deze uitoefent vanuit zijn standplaats.
  In uitzonderlijke gevallen en enkel wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de Minister van Justitie, op voorstel van de federale procureur en na overleg met de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur, een lid van een parket-generaal, van een auditoraat-generaal bij het arbeidshof, van een parket van de procureur des Konings of van een arbeidsauditoraat bij de arbeidsrechtbank opdracht geven om in het federaal parket de opdrachten van het openbaar ministerie tijdelijk uit te oefenen in het kader van welbepaalde dossiers. Tijdens de uitoefening van zijn opdracht heeft deze magistraat dezelfde bevoegdheden als de federale magistraten.
  De voormelde magistraten oefenen in die gevallen deze taak uit onder de onmiddellijke leiding en toezicht van de federale procureur. Hun overige taken oefenen zij verder onder de onmiddellijke leiding en toezicht van hun korpschef uit.
  Ingeval omtrent de voormelde opdrachten geen overeenstemming bestaat tussen de federale procureur en de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur, beslist de federale procureur.) <W 2001-06-21/42, art. 6, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>

  Art. 144ter.<Ingevoegd bij W 2001-06-21/42, art. 7, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> § 1. Indien een goede rechtsbedeling het vereist, wordt, behoudens in de gevallen bepaald in de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering en de wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers, de strafvordering uitgeoefend door de federale procureur voor :
  1° de misdrijven welke bedoeld zijn in :
  - de artikelen 101 tot 136 van het Strafwetboek;
  - de artikelen 331bis, 477 tot 477sexies en 488bis [1 tot 488quinquies]1 van het Strafwetboek;
  - (de artikelen 433sexies, 433septies en 433octies van het Strafwetboek en de artikelen 77ter, 77quater en 77quinquies) van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; <W 2005-08-10/61, art. 27, 127; Inwerkingtreding : 12-09-2005>
  - (...) <W 2003-08-05/32, art. 24, 115; Inwerkingtreding : 07-08-2003>
  2° de misdrijven gepleegd met gebruik van geweld tegen personen of materiële belangen om ideologische of politieke redenen met het doel zijn doelstellingen door middel van terreur, intimidatie of bedreigingen te bereiken [2 , en in het bijzonder de in boek II, titel Iter van het Strafwetboek bedoelde misdrijven]2;
  3° de misdrijven die in belangrijke mate verschillende rechtsgebieden betreffen of een internationale dimensie hebben, in het bijzonder die van de georganiseerde criminaliteit;
  4° de misdrijven gepleegd in het kader van de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materiaal en daaraan verbonden technologie in de gevallen waarin de strafvordering wordt uitgeoefend door het openbaar ministerie;
  5° de misdrijven bedoeld in hoofdstuk I van titel VI van boek II van het Strafwetboek;
  6° de misdrijven die samenhangend zijn met die bedoeld in 1°, 2°, 3°, 4° en 5°.
  § 2. De procureur des Konings, of in de gevallen bepaald in de artikelen 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering, de procureur-generaal, licht ambtshalve de federale procureur in wanneer hij kennis neemt van een misdrijf bedoeld in § 1. Hij licht bovendien de federale procureur in, telkens als dit voor de uitoefening van de strafvordering door de federale procureur van belang is.
  § 3. In de gevallen bedoeld in § 1 beslist de federale procureur of, hetzij de procureur des Konings of in de gevallen bedoeld in de artikelen 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering de procureur-generaal, hetzij hijzelf de strafvordering uitoefent. De beslissing wordt, behoudens dringende en noodzakelijke omstandigheden, genomen na overleg met de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.
  § 4. De federale procureur licht de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal in, telkens dit voor de uitoefening van de strafvordering door de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal, van belang is.
  § 5. Inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal, en de federale procureur betreffende de uitoefening van de strafvordering kunnen geen nietigheden worden opgeworpen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-15/03, art. 2, 174; Inwerkingtreding : 16-06-2013>
  (2)<W 2016-08-03/15, art. 5, 206; Inwerkingtreding : 21-08-2016>

  Art. 144quater.<Ingevoegd bij W 2003-08-05/32, art. 25; Inwerkingtreding : 07-08-2003> Voor de misdrijven bedoeld in boek II, titel Ibis, van het Strafwetboek [1 en in de artikelen 3 en 4 van de wet van 30 december 2009 betreffende de strijd tegen piraterij op zee]1 wordt de strafvordering uitsluitend uitgeoefend door de federale procureur.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/11, art. 4, 161; Inwerkingtreding : 14-01-2010>

  Art. 144quinquies. <Ingevoegd bij W 2003-04-10/59, art. 90; Inwerkingtreding : 01-01-2004> In vredestijd wordt de federale procureur ingelicht over de misdrijven die, overeenkomstig artikel 10bis van de Voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering in België kunnen worden vervolgd. Onverminderd de bepalingen van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, wordt hij rechtstreeks ingelicht hetzij door de commandanten van de militaire eenheden die in het buitenland gestationeerd zijn, hetzij door de leden van de federale politie die, overeenkomstig artikel 112 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, belast zijn met de politie van de militairen.
  Wanneer overeenkomstig artikel 309bis een magistraat van het openbaar ministerie aanwezig is op de plaats van de operaties, wordt de in het vorige lid bedoelde inlichting rechtstreeks aan hem gegeven.
  Onverminderd artikel 144ter beslist de federale procureur of, hetzij de procureur des Konings, hetzij hijzelf de strafvordering uitoefent in de gevallen bedoeld in dit artikel. De beslissing wordt, behoudens dringende en noodzakelijke omstandigheden, genomen na overleg met de procureur des Konings.
  Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open. Inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings en de federale procureur betreffende de uitoefening van de strafvordering, kunnen geen nietigheden worden opgeworpen.

  Art. 144sexies. (oud artikel 144quater) <Ingevoegd bij W 2001-06-21/42, art. 8, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> De coördinatie van de uitoefening van de strafvordering en het vergemakkelijken van de internationale samenwerking gebeuren in overleg met een of meer procureurs des Konings of arbeidsauditeurs. Indien dit noodzakelijk is, kan de federale procureur daartoe, na de territoriaal bevoegde procureur-generaal te hebben ingelicht en behoudens diens andersluidende beslissing, dwingende onderrichtingen geven aan een of meer procureurs des Konings of arbeidsauditeurs. <W 2003-08-05/32, art. 25, 115; Inwerkingtreding : 07-08-2003>

  Art. 144septies. <Ingevoegd bij W 2006-06-13/40, art. 37; Inwerkingtreding : 16-08-2006> Er zijn twee verbindingsmagistraten in jeugdzaken. De eerste oefent zijn functie uit ten aanzien van de instanties die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap en van de instanties die afhangen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De tweede oefent zijn bevoegdheden uit ten aanzien van de instanties die afhangen van de Franse Gemeenschap, van de instanties die afhangen van de Duitstalige Gemeenschap en van de instanties die afhangen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Zo nodig, wordt een derde verbindingsmagistraat in jeugdzaken aangewezen voor de instanties die afhangen van de Duitstalige Gemeenschap.
  De verbindingsmagistraat in jeugdzaken is belast met de volgende opdrachten :
  1° in geval van gebrek aan beschikbare plaatsen in de openbare gemeenschapsinstellingen voor jeugdbescherming, de inwerkingstelling van de plaatsingsbeslissing optimaliseren voor de personen ten aanzien van wie een rechterlijke beslissing genomen is met toepassing van artikel 36, 4°, en 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade;
  2° de eventuele verwijzingen coördineren van veroordeelde personen die zich in een federaal gesloten centrum bevinden, naar een strafinrichting voor volwassenen.
  (3° met inachtneming van de respectieve bevoegdheden, voorzien in permanent contact met de leidende ambtenaren van de diensten van de gemeenschappen belast met de uitvoering van de beslissingen houdende plaatsing.) <W 2006-12-27/33, art. , 1°, 144; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  De verbindingsmagistraat in jeugdzaken vervult zijn opdrachten onder het gezag van het college van procureurs-generaal en onder de leiding van de procureur-generaal die belast is met jeugdzaken.
  Hij oefent zijn ambt uit ten zetel van het college van procureurs-generaal.

  Art. 145. <W 1998-12-22/47, art. 18, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Er is een arbeidsauditoraat-generaal bij ieder arbeidshof. Dit bestaat uit een eerste advocaat-generaal, een of meer advocaten-generaal en een of meer substituten-generaal die er, onder het toezicht en de leiding van de procureur-generaal, het ambt van openbaar ministerie uitoefenen.

  Art. 146. De advocaten-generaal bij het hof van beroep en de advocaten-generaal bij het arbeidshof zijn in het bijzonder ermee belast namens de procureur-generaal het woord te voeren op de zittingen van het hof van beroep en van het arbeidshof.
  (NOTA : Dit artikel wordt door <W 1998-12-22/48, art. 7, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> gewijzigd en deze wijziging wordt door <W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>)

  Art. 146bis.<Ingevoegd bij W 2004-04-12/38, art. 5; Inwerkingtreding : 17-05-2004> De procureurs-generaal bij de hoven van beroep zorgen in hun rechtsgebied voor de coherente uitvoering en de coördinatie, onder hun leiding, van het strafrechtelijk beleid.
  Zij geven met het oog hierop algemene onderrichtingen die dwingend zijn voor alle leden van het openbaar ministerie van hun rechtsgebied. Zij kunnen eveneens met dezelfde doeleinden onderrichtingen geven met het oog op de uitoefening van de strafvordering in bepaalde zaken. Deze onderrichtingen dienen in overeenstemming te zijn met de richtlijnen die door het college van procureurs-generaal zijn uitgevaardigd met toepassing van artikel 143bis, § 2, eerste lid, en met de in [1 artikel 143quater]1 bedoelde richtlijnen van de Minister van Justitie.
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/73, art. 5, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>

  Art. 146ter. <Ingevoegd bij W 2004-04-12/38, art. 6; Inwerkingtreding : 17-05-2004> De procureurs-generaal, de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs van hun rechtsgebied zorgen, in onderling overleg, voor de kwaliteit van de organisatie en de werking van de parketten van eerste aanleg en de arbeidsauditoraten.

  Art. 146quater. <Ingevoegd bij W 2004-04-12/38, art. 7; Inwerkingtreding : 17-05-2004> Onverminderd de toepassing van artikel 143bis, verschaffen de procureurs-generaal bij de hoven van beroep aan de parketten van eerste aanleg en aan de arbeidsauditoraten van hun rechtsgebied de nodige ondersteuning voor de uitoefening van de strafvordering.
  Met het oog hierop kan elke procureur-generaal binnen het parket-generaal of het auditoraat-generaal magistraten aanwijzen die in het bijzonder gelast worden met een permanente informatie-, documentatie- en raadgevende opdracht in één of meer bepaalde domeinen.

  Art. 147. De subsituut-procureurs-generaal zijn, onder de leiding van de procureur-generaal, in het bijzonder belast met het onderzoek van en de verslagen over de in beschuldigingstellingen; zij stellen de akten van beschuldiging op en staan de procureur-generaal bij in elk deel van de inwendige dienst van het parket.
  Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de procureur-generaal hen gelasten tijdelijk het ambt van advocaat-generaal waar te nemen.
  (NOTA : Dit artikel wordt door <W 1998-12-22/48, art. 8, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> gewijzigd en deze wijziging wordt door <W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>)

  Art. 148. <NOTA : Dit artikel werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 9, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> (De federale procureur oefent, onder het gezag van de Minister van Justitie, toezicht uit op alle officieren van gerechtelijke politie wanneer zij opdrachten uitvoeren overeenkomstig artikel 144bis.
  De procureurs-generaal bij de hoven van beroep oefenen in de overige gevallen, onder het gezag van de Minister van Justitie, toezicht uit op alle officieren van gerechtelijke politie en openbare en ministeriële ambtenaren van hun rechtsgebied.) <W 2001-06-21/42, art. 9, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>

  Art. 149. Het ambt van openbaar ministerie bij het hof van assisen wordt uitgeoefend door de procureur-generaal; hij kan deze bevoegdheid opdragen aan een lid van het parket-generaal of van het parket van de procureur des Konings in wiens zetel de assisen worden gehouden.
  (NOTA : Dit artikel wordt door <W 1998-12-22/48, art. 10, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> gewijzigd en deze wijziging wordt door <W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>)

  Art. 150.[1 § 1.]1 Er is een procureur des Konings in de zetel van ieder arrondissement.
  (Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 138, derde tot vijfde lid, oefent hij, onder het gezag van de procureur-generaal, het ambt van openbaar ministerie uit bij de arrondissementsrechtbank, de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel en de politierechtbanken van het arrondissement. Wat de strafvordering betreft, oefent de procureur-generaal zijn gezag uit in de gevallen en op de wijze bepaald in de artikelen 146bis en 146ter.) <W 2004-04-12/38, art. 8, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>
  [1 § 2. In afwijking van § 1, zijn er in het gerechtelijk arrondissement Brussel twee procureurs des Konings, onverminderd § 3, artikel 137 en artikel 138bis, § 3 :
   1° de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde oefent in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde onder het gezag van de procureur-generaal van Brussel het ambt van openbaar ministerie uit bij de Nederlandstalige arrondissementsrechtbank, de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg, de Nederlandstalige rechtbank van koophandel en bij de politierechtbanken. De aan deze procureur verbonden ambtenaren van het openbaar ministerie worden benoemd bij de Nederlandstalige rechtbank met standplaats het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde;
   2° de procureur des Konings van Brussel oefent, in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, onder het gezag van de procureur-generaal van Brussel, het ambt van openbaar ministerie uit bij de arrondissementsrechtbanken, de rechtbanken van eerste aanleg, de rechtbanken van koophandel en de politierechtbanken. Deze procureur des Konings wordt bijgestaan door een eerste substituut met als titel adjunct-procureur des Konings van Brussel, met het oog op het overleg bedoeld in artikel 150ter. Onverminderd de bevoegdheden van het coördinatiecomité bedoeld in artikel 150ter, treedt de adjunct-procureur des Konings van Brussel op onder het gezag en de leiding van de procureur des Konings van Brussel. In die omstandigheden staat hij hem bij, in het bijzonder voor de relaties met het parket van Halle-Vilvoorde, de goede werking van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg, de Nederlandstalige rechtbank van koophandel en de Nederlandstalige politierechtbank van het administratief arrondissement Brussel, en de relaties met de Nederlandstalige magistratuur en het Nederlandstalig personeel van het parket te Brussel. De aan de procureur des Konings van Brussel verbonden ambtenaren van het openbaar ministerie worden benoemd bij de Brusselse rechtbanken met standplaats het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
   § 3. In afwijking van § 2, oefenen substituten bedoeld in artikel 43, § 5bis, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, hun ambt uit bij voorrang ten opzichte van verdachten die een taalwijziging of doorverwijzing hebben gevraagd overeenkomstig artikel 15, § 2, en artikel 16, §§ 2 en 3, van dezelfde wet. Zij vorderen bij de Franstalige rechtbank van Brussel na toepassing van het voornoemde artikel 16, §§ 2 en 3, in voorkomend geval, ingevolge doorverwijzing op basis van deze bepaling, en bij de politierechtbank bedoeld in artikel 15 van dezelfde wet, en na verwijzing van die laatste overeenkomstig het voornoemd artikel 15, § 2, bij de Franstalige politierechtbank van Brussel. Zij blijven onder de hiërarchische leiding van de procureur des Konings van Brussel, maar worden geplaatst onder het gezag van de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde wat betreft de toepassing van de richtlijnen en de instructies inzake het strafrechtelijk beleid.]1
  [2 § 4. Onverminderd artikel 137 zijn er in het gerechtelijk arrondissement Henegouwen twee procureurs des Konings :
   1° de procureur des Konings van Charleroi oefent in de kantons van Beaumont-Chimay-Merbes-le-Château, Binche, Charleroi, Châtelet, Fontaine-l'Evêque, Seneffe en Thuin en onder het gezag van de procureur-generaal, het ambt van openbaar ministerie uit bij de afdelingen van de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel en de politierechtbank die gelegen zijn in dat grondgebied;
   2° de procureur des Konings van Bergen oefent in de overige kantons van de provincie Henegouwen en onder het gezag van de procureur-generaal, het ambt van openbaar ministerie uit bij de afdelingen van de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel en de politierechtbank die gelegen zijn in dat grondgebied.
   De procureur des Konings van Bergen oefent het ambt van openbaar ministerie uit bij de arrondissementsrechtbank.
   Binnen het grondgebied dat hem in het eerste lid is toegewezen, oefent elkeen de taken uit die de wetten en besluiten toekennen aan de procureur des Konings van een arrondissement. In de gevallen waarin de wet bepaalt dat de procureur des Konings een advies geeft aan de rechtbanken, geeft elk van beide procureurs een advies.]2
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 15, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 39, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 150bis.<Ingevoegd bij <W 1998-12-22/48, art. 12, Inwerkingtreding : 21-05-2002> De procureurs des Konings vormen samen een raad, raad van procureurs des Konings genoemd. [1 De adjunct-procureur des Konings van Brussel maakt deel uit van deze raad.]1 De federale procureur kan de vergaderingen van de raad bijwonen.
  De raad van procureurs des Konings heeft tot taak het college van procureurs-generaal ambtshalve of op diens verzoek te adviseren over de harmonisatie en de uniforme toepassing van de regels en over elke zaak die verband houdt met de opdrachten van het openbaar ministerie.
  De raad wijst, telkenmale voor de duur van een gerechtelijk jaar, onder zijn leden een voorzitter en een vice-voorzitter aan die tot een ander taalstelsel behoort, die de voorzitter in geval van afwezigheid of verhindering vervangt.
  [2 ...]2.
  De raad vergadert op eigen initiatief of op verzoek van het college van procureurs-generaal en minstens eenmaal per trimester.
  (Het laatste lid opgeheven). <W 2007-04-25/64, art. 7, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  ----------
  (1)<W 2014-02-18/05, art. 3, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 35, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 150ter.[1 Een coördinatiecomité, respectievelijk samengesteld uit de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs van het gerechtelijk arrondissement Brussel, wordt opgericht teneinde de coördinatie tussen het parket en het arbeidsauditoraat van Brussel en het parket en het arbeidsauditoraat van Halle-Vilvoorde te verzekeren.
   Volgens nadere regels vastgelegd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad heeft dit comité als opdracht het overleg te verzekeren tussen beide parketten en arbeidsauditoraten op het vlak van opsporing, gerechtelijk onderzoek, uitoefening van de strafvordering en strafuitvoering in het gerechtelijk arrondissement Brussel, in het bijzonder met betrekking tot de rol van de in artikel 150, § 3, bedoelde magistraten.
   Het comité vergadert minstens eenmaal per maand, en kan ook worden samengeroepen op verzoek van de procureur-generaal.
   Het comité kan zich voor de uitvoering van zijn opdrachten laten bijstaan door leden van het openbaar ministerie van Halle-Vilvoorde en Brussel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-07-19/36, art. 16, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>

  Art. 151.(De procureur des Konings wordt bijgestaan door een of meer substituten waarvan een of meer gespecialiseerd zijn in handelszaken. Hij kan worden bijgestaan door een of meer substituten gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden [1 ...]1. Zij staan onder zijn toezicht en leiding.) <W 1998-12-22/47, art. 19, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  [2 Het ambt van openbaar ministerie bij de familie- en jeugdrechtbank wordt uitgeoefend door een of meer parketmagistraten die de in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, bedoelde gespecialiseerde opleiding georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding hebben gevolgd en die zijn aangewezen door de procureur des Konings.
   In uitzonderlijke omstandigheden en voor een goed bestuur van het gerecht kan de procureur des Konings, bij een met redenen omklede beslissing, voor een welbepaalde periode een niet-opgeleide magistraat aanwijzen.]2
  (De procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg waar de zetel van het hof van beroep is gevestigd, wordt bijgestaan door één of meer substituten-procureur des Konings gespecialiseerd in [3 strafuitvoeringszaken en interneringszaken]3. Zij staan onder zijn toezicht en leiding.) <W 2006-05-17/36, art. 13, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  Een of meer eerste substituten kunnen de procureur des Konings bijstaan in de leiding van het parket. [1 In de gevallen bepaald bij de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken staat een afdelingsprocureur de procureur des Konings bij in de leiding van het parket en zijn afdelingen.]1
  (...) <W 1998-12-22/47, art. 19, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  (...) <W 1998-07-20/30, art. 8, 062; Inwerkingtreding : 31-07-1998>
  (...) <W 1998-12-22/47, art. 19, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  [1 De procureur des Konings verdeelt de substituten over de afdelingen. Indien de procureur des Konings een substituut aan een andere afdeling toewijst, hoort hij de betrokken substituut en motiveert hij zijn beslissing.]1
  
  (NOTA: De wijziging aangebracht door artikel 8 van W 2014-05-05/10, 190; Inwerkingtreding : 18-07-2014, is niet uitgevoerd kunnen worden, naar aanleiding van de wijziging aangebracht bij art. 40, 1° van W 2013-12-01/01, Inwerkingtreding : 01-04-2014)
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 40, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 117, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (3)<W 2014-05-05/11, art. 98, 195; Inwerkingtreding : onbepaald en uitlerlijk op 01-07-2016. Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>

  Art. 151bis.<W 1986-08-04/38, art. 113, 010> De strafvordering wegens een overtreding van de wetten en verordeningen in fiscale aangelegenheden kan uitgeoefend worden door de substituten gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden voor de rechtbanken van de gerechtelijke arrondissementen gelegen in het rechtsgebied van het Hof van beroep van het arrondissement waar ze benoemd zijn.
  [1 Wanneer zij worden opgeroepen om hun ambt uit te oefenen in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, worden zij onder toezicht en directe leiding van de in artikel 150, § 2, 1°, bedoelde procureur des Konings van Halle-Vilvoorde geplaatst, onverminderd artikel 150, § 3. Wanneer zij worden opgeroepen om hun ambt uit te oefenen in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, worden zij onder toezicht en directe leiding van de in artikel 150, § 2, 2°, bedoelde procureur des Konings van Brussel geplaatst.]1
  Wanneer zij hun ambt moeten uitoefenen in en ander arrondissement dan datgene waarin zij benoemd zijn, worden zij geplaatst onder het toezicht en de rechtstreekse leiding van de procureur des Konings van het arrondissement waar zij dat ambt uitoefenen.
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 17, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>

  Art. 152.[1 § 1.]1 <W 2004-04-12/38, art. 9, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004> Er is een arbeidsauditeur bij iedere arbeidsrechtbank.
  Onverminderd de toepassing van artikel 138, derde tot vijfde lid, oefent hij onder het gezag van de procureur-generaal het ambt van openbaar ministerie uit. Wat de strafvordering betreft oefent de procureur-generaal zijn gezag uit in de gevallen en op de wijze bepaald in de artikelen 146bis en 146ter.
  [1 § 2. In afwijking van § 1, zijn er in het gerechtelijk arrondissement Brussel twee arbeidsauditeurs, onverminderd § 3, artikel 137 en artikel 138bis, § 3 :
   1° de arbeidsauditeur van Halle-Vilvoorde oefent in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde onder het gezag van de procureur-generaal van Brussel het ambt van openbaar ministerie uit bij de Nederlandstalige rechtbanken. De aan deze auditeur verbonden ambtenaren van het openbaar ministerie worden benoemd bij de Nederlandstalige rechtbanken met standplaats het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde;
   2° de arbeidsauditeur van Brussel oefent in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad onder het gezag van de procureur-generaal van Brussel, het ambt van openbaar ministerie uit bij de rechtbanken. Hij wordt bijgestaan door een eerste substituut met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel, met het oog op het overleg bedoeld in artikel 150ter. Onverminderd de bevoegdheden van het coördinatiecomité bedoeld in artikel 150ter, treedt de adjunct-arbeidsauditeur van Brussel, op onder het gezag en de leiding van de arbeidsauditeur van Brussel. In die omstandigheden staat hij hem bij, in het bijzonder voor de relaties met het arbeidsauditoraat van Halle-Vilvoorde, de goede werking van de Nederlandstalige arbeidsrechtbank, en voor de relaties met de Nederlandstalige magistratuur en het Nederlandstalig personeel van het arbeidsauditoraat van Brussel. De aan de arbeidsauditeur van Brussel verbonden ambtenaren van het openbaar ministerie worden benoemd bij de Brusselse rechtbanken met standplaats het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
   § 3. In afwijking van § 2, oefenen substituten bedoeld in artikel 43, § 5quater, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, hun ambt uit bij voorrang ten opzichte van verdachten die een taalwijziging of doorverwijzing hebben gevraagd overeenkomstig artikel 16, §§ 2 en 3, van dezelfde wet. Zij oefenen de strafvordering uit bij de Franstalige rechtbank van Brussel na toepassing van het voornoemde artikel 16, §§ 2 en 3, in voorkomend geval na doorverwijzing op grond van deze bepaling. Zij blijven onder de hiërarchische leiding van de arbeidsauditeur van Brussel, maar worden geplaatst onder het gezag van de arbeidsauditeur van Halle-Vilvoorde wat betreft de toepassing van de richtlijnen en de instructies inzake het strafrechtelijk beleid.]1
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 18, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>

  Art. 152bis.<Ingevoegd bij W 2004-04-12/38, art. 10; Inwerkingtreding : 17-05-2004> De arbeidsauditeurs vormen samen een raad, die raad van arbeidsauditeurs wordt genoemd. [1 De adjunct-arbeidsauditeur van Brussel maakt deel uit van deze raad.]1 De federale procureur kan de vergaderingen van de raad bijwonen.
  De raad van arbeidsauditeurs heeft tot taak het college van procureurs-generaal ambtshalve of op diens verzoek te adviseren over de harmonisatie en de uniforme toepassing van de bepalingen en over elke zaak die verband houdt met de opdrachten van de arbeidsauditoraten.
  De raad wijst, telkenmale voor de duur van een gerechtelijk jaar, onder zijn leden een voorzitter en een ondervoorzitter aan die tot een ander taalstelsel behoort en die de voorzitter in geval van afwezigheid of verhindering vervangt.
  [2 ...]2.
  Minstens eenmaal per trimester vergadert de raad ambtshalve of op verzoek van het college van procureurs-generaal.
  (Het laatste lid opgeheven). <W 2007-04-25/64, art. 8, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  ----------
  (1)<W 2014-02-18/05, art. 4, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 36, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 153.Wanneer de behoeften van de dienst dit vergen, wordt de arbeidsauditeur bijgestaan door een of meer substituut-arbeidsauditeurs die onmiddellijk onder zijn toezicht en leiding staat. [1 ...]1
  Er kunnen een of meer eerste substituut-arbeidsauditeurs zijn die de arbeidsauditeur bijstaan bij de leiding van het auditoraat. [1 In de gevallen bepaald bij de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken staat een afdelingsauditeur de arbeidsauditeur bij in de leiding van het auditoraat en zijn afdelingen.]1
  (...) <W 1998-12-22/47, art. 20, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  [1 De arbeidsauditeur verdeelt de substituten over de afdelingen. Indien de arbeidsauditeur een substituut aan een andere afdeling toewijst, hoort hij de betrokken substituut en motiveert hij zijn beslissing.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 41, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 154. De procureur des Konings en de arbeidsauditeur verdelen de dienst, respectievelijk onder de leden van het parket en de leden van het arbeidsauditoraat. Zij kunnen hieraan wijzigingen aanbrengen of zelf het ambt waarnemen dat zij in het bijzonder aan hun substituten hebben opgedragen.
  (NOTA : Dit artikel wordt door <W 1998-12-22/48, art. 15, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> gewijzigd en deze wijziging wordt door <W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>)

  Art. 155. <W 2004-04-12/38, art. 11, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004> Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 138, derde tot vijfde lid, wordt de strafvordering wegens een overtreding van de wetten en de verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, voor de politierechtbanken en voor de rechtbanken van eerste aanleg uitgeoefend door de leden van het arbeidsauditoraat en voor de hoven van beroep door de leden van het arbeidsauditoraat-generaal.
  In geval van samenloop of samenhang van genoemde overtredingen met een of meer overtredingen van andere wetsbepalingen die niet tot de bevoegdheid behoren van de arbeidsgerechten, wijst de procureur generaal het parket van de procureur des Konings of het arbeidsauditoraat aan, en, in voorkomend geval, het parket generaal of het arbeidsauditoraat generaal dat bevoegd is om de strafvordering uit te oefenen, onverminderd de toepassing van artikel 149.
  (NOTA : Dit artikel wordt door <W 1998-12-22/48, art. 16, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> gewijzigd en deze wijziging wordt door <W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>)

  Art. 156.[1 In het gerechtelijk arrondissement Eupen oefent de procureur des Konings de bevoegdheden uit van arbeidsauditeur. De substituten van de procureur des Konings worden in subsidiaire orde benoemd tot substituut-arbeidsauditeur en de substituut-arbeidsauditeur wordt in subsidiaire orde benoemd tot substituut van de procureur des Konings.]1
  ----------
  (1)<hersteld door W 2013-12-01/01, art. 42, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  TITEL IIbis. - <W 17-07-1984, art. 1> Plaatsvervangende magistraten aangewezen uit de op rust gestelde magistraten.

  Art. 156bis.<W 17-07-1984, art. 1> Er zijn, in [1 het Hof van Cassatie,]1 de Hoven van beroep, de Arbeidshoven, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken (, de rechtbanken van koophandel, de vredegerechten en de politierechtbanken), plaatsvervangende magistraten, aangewezen uit de wegens hun leeftijd (overeenkomstig artikel 383, §1) op rust gestelde magistraten [2 en de magistraten die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd worden toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt]2; zij hebben geen gewone bezigheden en worden benoemd overeenkomstig artikel 383, § 2, om verhinderde magistraten of leden van het openbaar ministerie tijdelijk, naargelang van het geval en ieder wat hem betreft, te vervangen. <W 1998-02-10/32, art. 7, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998> <W 1998-12-22/47, art. 21, 066; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
  Deze plaatsvervangende magistraten kunnen ook geroepen worden om zitting te nemen wanneer de bezetting niet volstaat om de hangende zaken te behandelen.
  (De plaatsvervangende magistraten bedoeld in het eerste lid, kunnen geen federaal magistraat, noch een lid van het openbaar ministerie vervangen die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, belast zijn met een opdracht.) <W 2001-06-21/42, art. 10, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  ----------
  (1)<W 2010-05-07/08, art. 2, 165; Inwerkingtreding : 09-11-2012 (zie KB 2012-10-23/02, art. 1)>
  (2)<W 2015-10-19/01, art. 65, 199; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  TITEL IIter. (...). <W 2007-04-25/64, art. 9, 1°, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 156ter. (Opgeheven) <W 2007-04-25/64, art. 9, 2°, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  TITEL III. - (Gerechtspersoneel). <W 2007-04-25/64, art. 10, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 11; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 157.<W 2007-04-25/64, art. 12, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Aan ieder hof of rechtbank is een griffie verbonden. [1 De Koning kan, op voorstel of na advies van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, eenzelfde griffie aan meerdere vredegerechten van eenzelfde arrondissement verbinden en bepalen waar deze griffie haar zetel houdt. Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel komt de bevoegdheid van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank toe aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 72bis, tweede tot vierde lid.]1
  De griffies zijn open op de dagen en uren bij koninklijk besluit bepaald.
  Aan ieder parket is een secretariaat verbonden.
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/14, art. 61, 208; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  Art. 158. <W 2007-04-25/64, art. 13, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. De Koning kan in een hof, een rechtbank of een parket, op een gemotiveerd verzoek van de korpschef, een steundienst oprichten.
  Deze steundienst is belast met het verlenen van advies aan en ondersteuning van de korpschefs in diverse domeinen, waaronder juridische bijstand, personeelsbeleid, gebouwen en materiële uitrusting, administratief beheer, alsmede informaticabeheer.
  De personeelsleden van de steundienst staan onder gezag en toezicht van de korpschef van het hof, de rechtbank of het parket waaraan de steundienst is verbonden.
  De Koning bepaalt, naar gelang van het geval, op advies van de korpschef van het hof, de rechtbank of het parket waar een steundienst wordt ingericht, de nadere regels inzake de werking en de organisatie van de steundienst en het aantal betrekkingen.
  § 2. Ingeval, overeenkomstig § 1, geen steundienst is opgericht, kan de korpschef in deze hoven, rechtbanken en parketten, een kabinetssecretariaat oprichten dat onder zijn gezag en toezicht staat. Hij kan een kabinetssecretaris kiezen uit het gerechtspersoneel van, naar gelang van het geval, de griffies of de parketsecretariaten.

  Art. 159.<W 2007-04-25/64, art. 14, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De hiërarchische structuur van de griffie, het parketsecretariaat en in voorkomend geval de steundienst wordt in vier niveaus ingedeeld, namelijk niveau A, dat het hoger niveau is, en de niveaus B, C en D.
  Het niveau wordt bepaald volgens de kwalificatie van de opleiding en de geschiktheid waarvan blijk moet worden gegeven om een betrekking te bekleden.
  [1 Onverminderd de artikelen 164 en 173 wordt het gerechtspersoneel van niveau A en B benoemd in een arrondissement. Het gerechtspersoneel van niveau C en D wordt benoemd in het arrondissement, dan wel in een of twee afdelingen indien de rechtbank uit meerdere afdelingen bestaat. In de vredegerechten wordt het gerechtspersoneel van niveau C en D benoemd in [2 een of meerdere griffies van aan elkaar grenzende kantons van eenzelfde arrondissement]2. Door de benoeming in het arrondissement is het gerechtspersoneel van niveau A en B in de vredegerechten van rechtswege benoemd in alle kantons.
  [2 Op het ogenblik dat de Koning bij toepassing van artikel 157, eerste lid, tweede zin, eenzelfde griffie verbindt aan meerdere vredegerechten van eenzelfde arrondissement worden de personeelsleden van niveau C en D die vast benoemd zijn in de betrokken kantons of griffies ambtshalve herbenoemd in deze nieuwe griffie, zonder toepassing van artikel 287sexies en zonder nieuwe eedaflegging.]2 [3 De hoofdgriffier van de vredegerechten en de politierechtbank van het arrondissement kan een personeelslid van het niveau A of B van de vredegerechten van het arrondissement, met zijn instemming, aanwijzen in een politierechtbank van het arrondissement, of een personeelslid van niveau A of B van de politierechtbank aanwijzen in een vredegerecht van het arrondissement. Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel komt deze bevoegdheid toe aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 186bis, tweede tot zevende lid.]3
   De hoofdgriffier van de rechtbank van koophandel en de arbeidsrechtbank kan een personeelslid van niveau A en B met zijn instemming aanwijzen in een ander arrondissement.
   De hoofdgriffier kan een personeelslid van niveau C of D met zijn instemming aanwijzen in een andere afdeling. De hoofdgriffier van de vredegerechten en de politierechtbank van het arrondissement kan een personeelslid van niveau C of D, met zijn instemming, aanwijzen in [2 een griffie]2 van het arrondissement of in een afdeling van de politierechtbank.]1 [2 Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel komt deze bevoegdheid toe aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 186bis, tweede tot zevende lid.]2
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 43, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2016-12-25/14, art. 62, 208; Inwerkingtreding : 09-01-2017>
  (3)<W 2017-07-06/24, art. 228, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 160.<W 2007-04-25/64, art. 15, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Niveau A bevat vijf klassen, genummerd van A1 tot A5 die de hoogste is.
  Een klasse groepeert de functies van vergelijkbare complexiteit, technische expertise en verantwoordelijkheden.
  De functie wijst het geheel van taken en verantwoordelijkheden aan die een personeelslid op zich dient te nemen.
  [2 Vierde lid opgeheven.]2
  [4 ...]4
  § 2. [2 ...]2.
  § 3. De [2 functies]2 maken het voorwerp uit van een weging, op basis van een wegingsmatrix, uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel.
  De weging van de functies wordt uitgevoerd door een wegingscomité, opgericht door de minister van Justitie [2 ...]2.
  [2 Derde lid opgeheven.]2
  [4 § 3/1. De Koning classificeert de functies van niveau A op basis van hun weging overeenkomstig § 3.
   In afwijking van het eerste lid kan de Koning functies classificeren overeenkomstig de classificatie van toepassing op het personeel van het niveau A bij de federale overheidsdiensten]4
  § 4. Het wegingscomité is, paritair per taalrol voor de vertegenwoordigers in het [4 ...]4 2° en 3° bedoeld, samengesteld uit :
  1° [1 ...]1;
  2° vier vertegenwoordigers van het gerechtspersoneel van niveau A, aangewezen door de minister van Justitie, waarvan twee op voorstel van het [4 College van het openbaar ministerie]4 en twee op [4 voorstel van het College van de hoven en rechtbanken]4;
  3° twee vertegenwoordigers van niveau A van de federale overheidsdienst Justitie, aangewezen door de minister van Justitie, een vertegenwoordiger van niveau A van de federale overheidsdienst Personeel en Organisatie, aangewezen door de minister die de ambtenarenzaken onder zijn bevoegdheid heeft en een vertegenwoordiger van niveau A van de federale Overheidsdienst Budget en Beheerscontrole, aangewezen door de minister die de begroting onder zijn bevoegdheid heeft;
  4° een externe deskundige aangewezen door de minister van Justitie.
  De plaatsvervangende leden worden op dezelfde manier aangewezen als de vaste leden. Om aangewezen te worden moeten de vaste en de plaatsvervangende leden vooraf een opleiding tot de wegingsmethode met vrucht hebben gevolgd.
  De voorzitter van het wegingscomité wordt onder de leden aangewezen door de minister van Justitie.
  § 5. [2 Gedurende het gehele wegingsproces worden de representatieve vakorganisaties van elke taalrol ingelicht over het gehanteerde wegingssysteem en wordt de transparantie bij de classificatie van de functies gewaarborgd.]2
  § 6. [2 Er wordt een raadgevende commissie voor de weging opgericht, paritair samengesteld uit een vertegenwoordiger per representatieve vakorganisatie [4 ...]4 en een gelijk aantal leden van het wegingscomité aangewezen door de voorzitter.
   Elk effectief lid mag vergezeld zijn van een plaatsvervanger. Deze heeft enkel in afwezigheid van het effectief lid raadgevende stem.
   Het voorzitterschap van de raadgevende commissie voor de weging wordt uitgeoefend door de voorzitter van het wegingscomité.
   Deskundigen kunnen op vraag van een lid uitgenodigd worden door de voorzitter.
   De raadgevende commissie voor de weging wordt op de hoogte gehouden en brengt aan de minister van Justitie adviezen uit, hetzij eenparig, hetzij afwijkend, over elke vraag die betrekking heeft op de weging van de functies en de classificatie van alle functies alsook op de organisatie van de weging en de classificatie.]2
  § 7. De andere functies dan deze bedoeld in § 1 worden door het wegingscomité geclassificeerd op basis van een [2 classificatiematrix]2. Het wegingscomité deelt aan de minister van Justitie een voorstel mee, aangenomen bij meerderheid over de classificatie van elke functie.
  Een [2 classificatiematrix]2 is het geheel van competenties, zoals vermeld in artikel 20ter, § 1, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, gemeenschappelijk aan [4 de functie van een klasse]4.
  § 8. Elke functie ingedeeld in niveau A, wordt door de Koning in een [2 klasse]2 ingedeeld.
  Het gerechtspersoneel van niveau A wordt door de Koning in een [2 klasse]2 benoemd [3 of aangewezen]3.
  [3 De hoofdgriffier en de hoofdsecretaris die een griffie of een parketsecretariaat leiden waarvan de personeelsformatie meer dan honderd personeelsleden telt, worden aangewezen voor een hernieuwbaar mandaat van vijf jaar. De aanwijzing tot deze functie leidt van rechtswege tot de vacature van het ambt uitgeoefend op het tijdstip van de aanwijzing.
   De mandaathouder kan vragen dat een einde wordt gesteld aan zijn aanwijzing, mits een opzeggingstermijn van zes maanden. Indien de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, akkoord gaat, kan deze termijn worden ingekort.
   Op het einde van de periode van aanwijzing wordt de mandaathouder ter beschikking gesteld van zijn gerecht, parket of dienst van oorsprong, in voorkomend geval in overtal. Hij krijgt overeenkomstig artikel 372quinquies de bezoldiging terug die verbonden is aan de laatste functie waarin hij werd benoemd. Indien hij als hoofdgriffier of hoofdsecretaris was benoemd, is hij gemachtigd ten persoonlijken titel de titel verbonden aan die functie te dragen, en dit tot de dag van zijn inrustestelling, zijn ontslag, zijn afzetting of, in voorkomend geval, zijn benoeming in een ander ambt of functie.]3
  ----------
  (1)<W 2014-05-08/02, art. 3, 185; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (2)<W 2014-04-10/73, art. 6, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (3)<W 2014-04-10/72, art. 2, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (4)<W 2017-07-06/24, art. 229, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 160bis. [1 De hoofdgriffiers van de rechtbanken van eerste aanleg en de hoofdsecretarissen van het openbaar ministerie moeten een opleiding inzake budgettair beheer en gerechtskosten volgen binnen de twee jaren die volgen op het jaar van hun benoeming of hun aanwijzing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 37, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 161.<W 2007-04-25/64, art. 16, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> In de niveaus B, C en D wordt het gerechtspersoneel in graden benoemd. Met uitzondering van de griffiers en secretarissen wordt het gerechtspersoneel benoemd door de minister van Justitie. De griffiers en secretarissen worden door de Koning benoemd.
  De graad is de titel die het personeelslid machtigt tot het bekleden van een van de betrekkingen welke met die graad overeenstemmen.
  [1 ...]1.
  [1 ...]1.
  [2 Naargelang van het geval, kan de minister bevoegd voor Justitie op verzoek van het College van het openbaar ministerie of van het College van de hoven en rechtbanken, aan de wegingscomités bedoeld in artikel 160, § 3, de opdracht geven een functie van het niveau B te wegen.]2
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/72, art. 3, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 2, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  HOOFDSTUK II. - Referendarissen en parketjuristen bij de hoven van beroep, de arbeidshoven, en de rechtbanken. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 17; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 162.<W 2007-04-25/64, art. 18, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Er kunnen personeelsleden worden benoemd in niveau A die de titel dragen van referendaris of parketjurist.
  De referendarissen staan de magistraten van de hoven van beroep, de arbeidshoven en de rechtbanken bij. De parketjuristen staan de magistraten van het openbaar ministerie bij.
  § 2. Zij bereiden het werk van de magistraten op juridisch vlak voor, onder hun gezag en volgens hun aanwijzingen, met uitsluiting van de aan de griffiers of aan de secretarissen overeenkomstig dit wetboek opgedragen taken.
  Zij staan onder gezag en toezicht van de korpschef van het hof, de rechtbank of het parket waaraan zij zijn toegewezen. De korpschef staat in voor de toewijzing van hun opdrachten.
  [2 Bij een met redenen omklede individuele beschikking en na positief advies van de bevoegde procureur-generaal, kan de korpschef de uitoefening van alle bevoegdheden van het openbaar ministerie [3 delen met]3 de bij het parket-generaal, het auditoraat-generaal, het federaal parket, het parket of het arbeidsauditoraat aangewezen vastbenoemde parketjuristen, voor zover deze over een anciënniteit van ten minste twee jaar als jurist binnen de rechterlijke orde beschikken.
   De in het derde lid bedoelde parketjuristen kunnen de strafvordering voor de politierechtbank uitoefenen, behoudens wat inbreuken op artikel 419, tweede lid, van het Strafwetboek betreft.
   Uitgesloten zijn :
   - de bevoegdheid van het uitoefenen van de strafvordering voor de hoven van assisen, voor de kamers voor correctionele zaken van de hoven van beroep en voor de correctionele rechtbanken;
   - de bevoegdheden van het openbaar ministerie in het kader van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis;
   - het vorderingsrecht tot het opleggen van maatregelen op grond van als misdrijf omschreven feiten voor de jeugdkamers van de hoven van beroep of de jeugdrechtbank.
   De bevoegdheden die enkel parketmagistraten die daartoe een bijzondere, door de wet voorgeschreven opleiding hebben gevolgd, kunnen uitoefenen, kunnen de parketjuristen enkel uitoefenen mits eenzelfde opleiding gevolgd te hebben.
   De werkelijk gepresteerde diensten in de hoedanigheid van contractueel jurist worden in aanmerking genomen voor de berekening van de vereiste anciënniteit. Deze toekenning van bevoegdheden kan op elk ogenblik door de korpschef worden ingetrokken. De parketjurist staat onder het gezag en toezicht van zijn korpschef en oefent de hem toegekende bevoegdheden uit onder de verantwoordelijkheid van een of meerdere magistraten.]2
  § 3. Zij worden door de Koning benoemd per rechtsgebied van een hof van beroep. Zij worden door de minister van Justitie aangewezen om hun ambt, volgens de behoeften van de dienst, uit te oefenen binnen dit rechtsgebied. Die aanwijzing kan ofwel plaatsvinden bij het hof van beroep, het arbeidshof of het parket-generaal, ofwel bij een rechtbank of een parket uit het rechtsgebied van dat hof van beroep.
  Hun aantal wordt bepaald volgens de behoeften van de dienst. Deze behoeften moeten blijken uit een gemotiveerd verslag opgesteld door de korpschef ter attentie van de minister van Justitie. De minister wint over de behoeften van de dienst ook het gemotiveerd advies in van de eerste voorzitter en van de procureur-generaal. Hun aantal per rechtsgebied kan echter niet meer bedragen dan 35 % van het totaal aantal magistraten van de zetel van het hof van beroep, de zetel van de rechtbanken van eerste aanleg en de parketten van de procureur des Konings in dat rechtsgebied van het hof van beroep, zoals vastgesteld in de wet bedoeld in [1 artikel 186, § 1, tiende lid]1, onverminderd artikel 287sexies en dit binnen de budgettaire middelen.fiepersoneel op advies van de hoofdgriffier. <W 2001-06-15/31, art. 3, 084; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  ----------
  (1)<W 2014-05-08/02, art. 4, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014, bevestigd bij W 2014-04-10/73, art. 7, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 197, 201; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (3)<W 2016-05-04/03, art. 38, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  HOOFDSTUK III. - Leden van de griffie. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 19; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 163.<W 2007-04-25/64, art. 20, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Aan de griffie zijn leden verbonden die kunnen worden benoemd [1 of aangewezen]1 in twee niveaus, namelijk de niveaus A of B.
  De leden van de griffie die benoemd -1 of aangewezen]1 worden in het niveau A dragen de titel van hoofdgriffier of griffier-hoofd van dienst.
  De leden van de griffie die worden benoemd in het niveau B dragen de graad van griffier.
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/72, art. 4, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 164.<W 2007-04-25/64, art. 21, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> [1 Er is een hoofdgriffier in elk hof of elke rechtbank en, met uitzondering in Brussel en Eupen in elk arrondissement voor de politierechtbank en vredegerechten.]1
  Onverminderd de taken en bijstand bedoeld in artikel 168, is de hoofdgriffier belast met de leiding van de griffie en staat daarbij onder gezag en toezicht van de korpschef, bedoeld in artikel 58bis, 2°, [1 ...]1 waarmede hij regelmatig overleg pleegt. Hij verdeelt de taken onder de leden en het personeel van de griffie en wijst de griffiers aan die de magistraten bijstaan.
  [1 In het arrondissement Brussel is er een hoofdgriffier, in elk vredegerecht en in elke politierechtbank. [2 Wanneer ingevolge artikel 157, eerste lid, door de verbinding van eenzelfde griffie aan meerdere vredegerechten, meerdere hoofdgriffiers titularis worden van deze eenzelfde griffie, dan zijn deze hoofdgriffiers bevoegd voor de volledige rechtsgebieden van de kantons waaraan deze eenzelfde griffie verbonden is. De verdeling van de dienst en de leiding berust bij de hoofdgriffier die daarmee instemt en daartoe werd aangewezen door de overeenkomstig artikel 72bis, tweede tot vierde lid, bevoegde voorzitter of voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg. Wanneer ingevolge ambtsbeëindigingen één hoofdgriffier overblijft wordt deze, zonder dat artikel 287sexies van toepassing is, titularis van deze griffie zonder nieuwe eedaflegging.]2
   In het arrondissement Eupen oefent de hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg de bevoegdheden uit van hoofdgriffier bij de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel, de politierechtbank en de vredegerechten.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 44, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 231, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 165. <W 2007-04-25/64, art. 22, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De hoofdgriffier staat in voor de voorwerpen onder zijn bewaring of bewaking en is tegenover partijen verantwoordelijk voor de overgelegde stukken.

  Art. 166. <W 2007-04-25/64, art. 23, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De hoofdgriffier wordt bijgestaan door griffiers-hoofden van dienst en griffiers.

  Art. 167.<W 2007-04-25/64, art. 24, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Onverminderd de taken en bijstand bedoeld in artikel 168 neemt de griffier-hoofd van dienst, onder het gezag en toezicht van de hoofdgriffier, deel aan de leiding van de griffie. [1 De hoofdgriffier kan een of meer griffiers-hoofden van dienst aanwijzen als afdelingsgriffier om hem bij te staan bij de leiding van een afdeling, onverminderd de taken en bijstand bedoeld in artikel 168.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 45, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 168. <W 2007-04-25/64, art. 25, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De griffier oefent een gerechtelijke functie uit. Hij vervult de griffietaken en staat de magistraat bij als griffier in alle verrichtingen van diens ambt.
  Op deze regel wordt slechts een uitzondering gemaakt wanneer om dringende redenen zijn aanwezigheid niet kon worden gevorderd.
  Tot de taken van de griffier behoren :
  1° hij stelt de griffie voor het publiek toegankelijk;
  2° hij voert de boekhouding van de griffie;
  3° hij verlijdt de akten waarmee hij belast is, bewaart de minuten, registers en alle akten van het gerecht waarbij hij is aangesteld en geeft daarvan uitgiften, uittreksels of afschriften af;
  4° hij bewaart de rechtsdocumentatie inzake wetgeving, rechtspraak en rechtsleer ten behoeve van de rechters;
  5° hij maakt de tabellen, statistieken en andere documenten op, waarmee hij bij wet of besluit belast is; hij houdt de registers en repertoria bij;
  6° hij zorgt voor de bewaring van de waarden, documenten en voorwerpen die krachtens de wet ter griffie zijn neergelegd;
  7° hij neemt de passende maatregelen om alle archiefbescheiden die hij onder zijn beheer heeft in goede staat te bewaren, om ze te ordenen en te inventariseren, ongeacht hun vorm, structuur en inhoud.
  De griffier verleent bijstand aan de magistraat :
  1° hij bereidt de taken van de magistraat voor;
  2° hij is aanwezig op de terechtzitting;
  3° hij notuleert het verloop van de rechtszaken en de uitspraken;
  4° hij geeft akte van de verschillende formaliteiten waarvan de vervulling moet worden vastgesteld en verleent er authenticiteit aan;
  5° hij stelt de dossiers van de rechtspleging op en ziet, in het kader van zijn bevoegdheid, toe op de naleving van de geldende regelgeving.
  De Koning stelt nadere regels voor de toepassing van dit artikel. Voor de toepassing van het derde lid, 7°, wordt het advies van de Algemeen Rijksarchivaris ingewonnen.

  Art. 169. <W 2007-04-25/64, art. 26, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De griffier houdt een repertorium van de akten van de magistraat en een repertorium van de griffieakten overeenkomstig de verordeningen die de Koning vaststelt.

  Art. 169bis.[...]
  
  (NOTA : ingevoegd door W 2006-08-05/45, art. 10, 138; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 21), gewijzigd door W 2014-05-08/02, art. 138, Inwerkingtreding : 24-05-2014, art. 10 opgeheven zichzelf door art. 177 van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016

  Art. 170. <W 2007-04-25/64, art. 27, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg of de door hem aangewezen griffier verricht de dienst in de arrondissementsrechtbank.

  Art. 171. <W 2007-04-25/64, art. 28, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De functie van griffier van het hof van assisen wordt uitgeoefend door een griffier van de rechtbank van eerste aanleg in wier zetel de assisen worden gehouden. Hij wordt aangewezen door de hoofdgriffier.
  Wanneer de rechtspleging voor het hof van assisen van de provincie Luik in het Duits wordt gevoerd, wordt het ambt van griffier uitgeoefend door de hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen of door een door hem aangewezen griffier.

  HOOFDSTUK IV. - Leden van het parketsecretariaat. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 29; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 172.<W 2007-04-25/64, art. 30, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Aan het parketsecretariaat zijn leden verbonden die kunnen worden benoemd [1 of aangewezen]1 in twee niveaus, namelijk de niveaus A of B.
  De leden van het parketsecretariaat die worden benoemd [1 of aangewezen]1 in niveau A dragen de titel van hoofdsecretaris of secretaris-hoofd van dienst.
  De leden van het parketsecretariaat die worden benoemd in niveau B dragen de graad van secretaris.
  De Koning bepaalt het aantal betrekkingen.
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/72, art. 5, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 173.<W 2007-04-25/64, art. 31, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> [1 Er is een hoofdsecretaris in elk parketsecretariaat. Onverminderd]1 de taken en de bijstand bedoeld in artikel 176, is de hoofdsecretaris van het parket belast met de leiding van de administratieve diensten en staat daarbij onder gezag en toezicht van de procureur-generaal, van de federale procureur, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. Hij verdeelt de administratieve taken onder de leden en het personeel van het secretariaat.
  [1 In het arrondissement Eupen oefent de hoofdsecretaris van het parket bij de rechtbank van eerste aanleg de bevoegdheden uit van hoofdsecretaris bij het arbeidsauditoraat.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 46, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 174. <W 2007-04-25/64, art. 32, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De hoofdsecretaris kan worden bijgestaan door secretarissen-hoofden van dienst en secretarissen.

  Art. 174bis.(NOTA 1 : het artikel 10 van de wet 2006-08-05/45 werd door het artikel 167 van de wet 2007-04-25/64 vervangen. Nu het artikel 10 invoegt het artikel 169bis in plaats van het artikel 174bis, Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 21))

  Art. 175.<W 2007-04-25/64, art. 33, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Onverminderd de taken en bijstand bedoeld in artikel 176, neemt de secretaris-hoofd van dienst, onder het gezag en toezicht van de hoofdsecretaris, deel aan de leiding van het parketsecretariaat. [1 De hoofdsecretaris kan een of meer secretarissen-hoofden van dienst aanwijzen als afdelingssecretaris om hem bij te staan bij de leiding van een afdeling, onverminderd de taken en bijstand bedoeld in artikel 176.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 47, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 176.<W 2007-04-25/64, art. 34, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De secretaris staat de procureur-generaal, de federale procureur, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur bij. Hij ondertekent de documenten die eigen zijn aan zijn functie en die welke hij in opdracht van het hoofd van het parket moet ondertekenen. Hij verleent bijstand aan de magistraten voor documentatie- en opzoekingswerk, voor het samenstellen van de dossiers en voor alle taken, met uitzondering van die welke uitdrukkelijk aan de magistraten zijn voorbehouden.
  De secretaris bewaart alle archiefbescheiden die door het parket worden ontvangen of opgemaakt. Hij neemt de passende maatregelen om alle archiefbescheiden die hij onder zijn beheer heeft in goede staat te bewaren, om ze te ordenen en te inventariseren, ongeacht hun vorm, structuur en inhoud. De Koning stelt, na advies van de Algemeen Rijksarchivaris, nadere regels voor de toepassing van dit lid.
  
  (NOTA : ingevoegd door W 2006-08-05/45, art. 11, 138; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 21), gewijzigd door W 2014-05-08/02, art. 138, Inwerkingtreding : 24-05-2014, art. 11 opgeheven zichzelf door art. 177 van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016

  TITEL IIIbis. (...) <W 1999-04-12/38, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>

  Art. 176bis. (opgeheven) <W 1999-04-12/38, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>

  Art. 176ter. (opgeheven) <W 1999-04-12/38, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>

  Art. 176quater. (opgeheven) <W 1999-04-12/38, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>

  HOOFDSTUK V. - Personeel verbonden aan een griffie, een parketsecretariaat of een steundienst. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 36; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 177.<W 2007-04-25/64, art. 37, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Aan de griffies, de parketsecretariaten en in voorkomend geval de steundiensten, zijn personeelsleden verbonden die door de Koning worden benoemd in een [3 klasse]3 van het niveau A.
  Onverminderd de artikelen 162, 163, tweede lid, en 172, tweede lid, dragen de personeelsleden benoemd in :
  1° de klas A1 of A2 de titel van attaché;
  2° in de klasse A3 de titel van adviseur;
  3° in de klasse A4 of A5 de titel van adviseur-generaal.
  Een bijkomende titel kan door de Koning worden toegevoegd bij de titulatuur bedoeld in het tweede lid.
  De Koning bepaalt het aantal betrekkingen.
  § 2. Onverminderd de artikelen 163, derde lid en 172, derde lid, zijn aan de griffies, de parketsecretariaten en, in voorkomend geval, aan de steundiensten personeelsleden verbonden die door de minister van Justitie worden benoemd in het niveau B, C en D. [2 ...]2.
  [1 De hoofdsecretaris kan een personeelslid van niveau C of D, met zijn instemming, aanwijzen in een andere afdeling.]1
  Niveau B omvat de graden van deskundige, administratief deskundige en ICT deskundige.
  Niveau C omvat de graad van assistent.
  Niveau D omvat de graad van medewerker.
  De Koning bepaalt de nadere regels van het statuut van deze personeelsleden, hun wedde en het aantal betrekkingen.
  [1 De hoofdsecretaris van het arbeidsauditoraat kan een personeelslid van niveau A en B met zijn instemming aanwijzen in een ander arrondissement.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 48, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014,
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 106, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2014-04-10/73, art. 8, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>

  Art. 178. <W 2007-04-25/64, art. 38, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Om bijzondere redenen kan de minister van Justitie of de overheid aan wie hij die bevoegdheid overdraagt, personeel aanwerven op grond van een arbeidsovereenkomst, teneinde de continuïteit van de diensten te verzekeren. In aanmerking voor deze aanwervingen komen alleen de geslaagden van een vergelijkend examen of een examen voor desbetreffende functie, of bij ontstentenis, de kandidaten die geslaagd zijn voor een specifieke selectie op grond van een functieprofiel, georganiseerd door de minister van Justitie of door een dienst van de Staat. Om bij arbeidsovereenkomst in dienst te worden genomen, moeten de betrokkenen een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking en de burgerlijke en politieke rechten genieten.

  Art. 178/1. [1 In het gerechtelijk arrondissement Eupen wordt het gerechtspersoneel bedoeld in hoofdstuk III en V, gelijktijdig benoemd in de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel, de politierechtbank en de vredegerechten. De hoofdgriffier wijst het rechtscollege aan waarin die personeelsleden hun ambt vervullen.
   Het in hoofdstuk IV en V bedoelde gerechtspersoneel wordt gelijktijdig benoemd in het parketsecretariaat van de procureur des Konings en dat van de arbeidsauditeur. De hoofdsecretaris wijst het parketsecretariaat aan waarin die personeelsleden hun ambt vervullen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-12-01/01, art. 49, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 179. (Opgeheven) <W 2007-04-25/64, art. 39, 3°, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  TITEL IV. -[1 Beheer van de rechterlijke organisatie]1
  ----------
  (1)<Hersteld door W 2014-02-18/05, art. 5, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  HOOFDSTUK I. - [1 Algemene beginselen]1
  ----------
  (1)<Hesteld door W 2014-02-18/05, art. 6, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 180.[1 De gerechtelijke entiteiten van de rechterlijke organisatie zijn verantwoordelijk voor het beheer van de algemene werkingsmiddelen die hun ter beschikking worden gesteld.
   De colleges bedoeld in deze titel, bieden steun bij en houden toezicht op het beheer.
   Onder gerechtelijke entiteiten wordt verstaan :
   1° de hoven van beroep, de arbeidshoven, de rechtbanken en de vredegerechten wat de zetel betreft;
   2° de parketten-generaal, de parketten van de procureur des Konings, de arbeidsauditoraten en het federaal parket wat het openbaar ministerie betreft.
   Het Hof van Cassatie en het parket bij dit Hof vormen samen een afzonderlijke gerechtelijke entiteit.]1
  ----------
  (1)<Hersteld door W 2014-02-18/05, art. 7, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  HOOFDSTUK II. - [1 Centraal beheer]1
  ----------
  (1)<W 2014-02-18/05, art. 8, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Afdeling I. [1 Het College van de hoven en rechtbanken]1
  ----------
  (1)< Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 9, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 181.[1 Er wordt een College van de hoven en rechtbanken opgericht dat instaat voor de goede algemene werking van de zetel. Het College, binnen deze bevoegdheid :
   1° neemt maatregelen die een toegankelijke, onafhankelijke, tijdige en kwaliteitsvolle rechtsbedeling verzekeren door het organiseren van onder meer communicatie, kennisbeheer, een kwaliteitsbeleid, werkprocessen, de implementatie van informatisering, het strategisch personeelsbeleid, de statistieken, de werklastmeting en werklastverdeling;
   2° biedt ondersteuning aan het beheer binnen de hoven van beroep en arbeidshoven, rechtbanken en vredegerechten.
   Ter uitvoering van de bij dit artikel bepaalde taken en bevoegdheden geeft het College aanbevelingen en dwingende richtlijnen aan alle directiecomités van respectievelijk de hoven van beroep en arbeidshoven, rechtbanken en vredegerechten. De aanbevelingen en richtlijnen worden aan de minister van Justitie overgezonden.]1
  ----------
  (1)<Hersteld door W 2014-02-18/05, art. 10, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 182.[1 Het College bestaat uit drie eerste voorzitters van een hof van beroep, een eerste voorzitter van een arbeidshof, drie voorzitters van een rechtbank van eerste aanleg, een voorzitter van een rechtbank van koophandel, een voorzitter van een arbeidsrechtbank en een voorzitter van de vredegerechten en politierechtbanken. Het College wordt taalkundig paritair samengesteld. Indien een lid afkomstig is uit het arrondissement Eupen, wordt het meegeteld bij de taalgroep van zijn diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten.
   Het College kiest uit zijn leden een voorzitter voor een hernieuwbare periode van tweeënhalf jaar. Bij wijziging van voorzitter wordt een beurtwisseling van de taalstelsels in acht genomen. Er kan slechts eenmaal achtereenvolgens van deze beurtwisseling worden afgeweken, met instemming van alle leden van het College.
   De leden van het College worden verkozen door de korpschefs van de hoven van beroep, van de arbeidshoven en van de rechtbanken voor een termijn van vijf jaar.
   Een kiescollege van de eerste voorzitters kiest de vier vertegenwoordigers van de hoven, taalparitair verdeeld.
   Een kiescollege van de voorzitters kiest de zes vertegenwoordigers van de rechtbanken en de vredegerechten, taalparitair verdeeld.
   De Koning stelt de nadere regels vast voor de verkiezing.
   Het College beslist bij meerderheid van stemmen, waaronder minstens één stem in elke taalgroep. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Het College keurt zijn huishoudelijk reglement goed en kan zich voorzien van een taalparitair bureau voor de voorbereiding en uitvoering van de beslissingen.
   Het College van de hoven en rechtbanken vergadert minstens eenmaal per maand. De minister van Justitie of de voorzitter van het College van het openbaar ministerie kan eveneens het College van de hoven en rechtbanken op hun gemotiveerde vraag verzoeken bijeen te komen. Zij kunnen het College verzoeken een aanbeveling of richtlijn uit te vaardigen. Het College zal daarover beslissen. Op eigen initiatief of op vraag van de minister van Justitie vergaderen beide Colleges samen.
   [2 Voor de leden van het College wordt voor de duur van het mandaat een lijst met opvolgers opgesteld, die bestaat uit de niet-verkozen korpschefs in volgorde van het behaalde aantal stemmen. Bij afwezigheid of verhindering, het voortijdig openvallen van een mandaat in het College of het verlies van hoedanigheid om te kunnen zetelen in het College, wordt het betrokken lid, al naargelang, voor de duur van de afwezigheid of verhindering dan wel voor de resterende duur van het mandaat, vervangen door de eerst nuttig gerangschikte opvolger uit hetzelfde type rechtscollege en van dezelfde taalrol uit de lijst van opvolgers. Bij gebrek hieraan, wordt het lid vervangen door de korpschef van hetzelfde type rechtscollege en dezelfde taalrol met het hoogste aantal jaren dienstanciënniteit binnen de zetel.]2]1
  ----------
  (1)<Hersteld door W 2014-02-18/05, art. 11, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 232, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 182bis. (Opgeheven) <W 2006-06-10/68, art. 9, 139; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 183.[1 § 1. Bij het College van de hoven en rechtbanken wordt een gemeenschappelijke steundienst ingericht. De steundienst staat onder het gezag van de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken.
   De steundienst is belast met :
   1° het verlenen van ondersteuning in de domeinen vernoemd in artikel 181;
   2° het verlenen van ondersteuning van de directiecomités, bedoeld in hoofdstuk III;
   3° het organiseren van een interne audit van het College en de gerechtelijke entiteiten.
   Een directeur is belast met de dagelijkse leiding. Hij wordt voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar aangewezen door de Koning op voordracht van het College en op basis van een door de Koning op advies van het College vooraf bepaald profiel. De directeur neemt zitting in het College met raadgevende stem.
   De directeur oefent zijn functie voltijds uit. Hij ontvangt de wedde van kamervoorzitter bij een hof van beroep. De artikelen 323bis, 327 en 330 zijn in voorkomend geval van toepassing. In geval van ongeschiktheid, langdurige ziekte of ernstig plichtsverzuim kan de Koning, op voorstel van het College, het mandaat van de directeur schorsen of vroegtijdig beëindigen.
   § 2. De Koning bepaalt op advies van het College de nadere regels betreffende de werking en de organisatie van de steundienst. Het personeel wordt opgenomen in een personeelsplan, dat jaarlijks wordt opgesteld door het College. Bij de aanwervingen wordt de taalpariteit verzekerd.
   Het binnen de steundienst vastbenoemd personeel is onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op het in vast verband benoemde personeel van de rechterlijke organisatie.
   Magistraten kunnen een opdracht krijgen in de steundienst overeenkomstig de artikelen 323bis en 327. [2 Op zijn verzoek en op voorstel van de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken, kan een magistraat die overeenkomstig artikel 383, § 1, wegens zijn leeftijd is toegelaten tot de inruststelling of die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd is toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werd gemachtigd tot het voeren van de eretitel van zijn ambt, door de Koning worden gemachtigd om een onbezoldigde opdracht uit te oefenen binnen de steundienst. Daarenboven wordt het akkoord van de korpschef gevraagd wanneer de voorgestelde magistraat een in artikel 383, § 2, bedoelde plaatsvervangende magistraat is.]2
   Ieder personeelslid van de rechterlijke organisatie kan, met zijn instemming en op verzoek van het College aan de minister van Justitie, in de steundienst van het College een opdracht krijgen overeenkomstig de artikelen 330, 330bis en 330ter.
   Ieder vastbenoemd personeelslid van een federale overheidsdienst, een programmatorische federale overheidsdienst of van de Hoge Raad voor de Justitie kan, met zijn instemming en op verzoek van het College, al naargelang van het geval, aan de minister waaronder hij ressorteert of aan de Hoge Raad voor de Justitie, ter beschikking worden gesteld van de steundienst van het College.
   § 3. Aan de opdracht of aan de terbeschikkingstelling bedoeld in dit artikel kan een einde worden gemaakt :
   1° op voorstel van het College, na de magistraat, het personeelslid of de ambtenaar vooraf te hebben gehoord;
   2° op verzoek van de betrokken magistraat, het betrokken personeelslid of de betrokken ambtenaar met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand.
   De personeelsleden en magistraten bedoeld in dit artikel zijn onderworpen aan het gezag van de directeur.
   De personeelsleden bedoeld in dit artikel zijn onderworpen aan de evaluatieregeling, de tuchtregeling, de verlofregeling en de arbeidstijdregeling die van toepassing zijn op de personeelsleden bedoeld in § 2, tweede lid.
   Het personeelsplan kan voorzien in de mogelijkheid om werknemers met een arbeidsovereenkomst in dienst te nemen overeenkomstig de bepalingen voorzien in artikel 178.
   § 4. De wedde van het door het College aangeworven personeel en van het personeel dat met een opdracht belast is of ter beschikking wordt gesteld, is ten laste van de begroting van het College.
   Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk behoudt ieder met een opdracht belast of ter beschikking gesteld personeelslid zijn eigen statuut. Ingeval het statuut van het personeel bedoeld in dit artikel voor een vergelijkbare opdracht evenwel voorziet in een hogere bezoldiging of in bijzondere voordelen, wordt ten laste van de begroting van het College een weddensupplement dat de bezoldiging van dat personeelslid op hetzelfde niveau brengt, evenals deze voordelen toegekend.]1
  ----------
  (1)<Hersteld door W 2014-02-18/05, art. 12, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2015-10-19/01, art. 66, 199; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Afdeling II [1 Het College van het openbaar ministerie]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 13, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 184.[1 § 1. Er wordt een College van het openbaar ministerie opgericht dat binnen zijn bevoegdheden alle maatregelen neemt die nodig zijn voor een goed beheer van het openbaar ministerie :
   1° ondersteuning bieden aan het beheer ter uitvoering van het strafrechtelijk beleid bepaald door het College van procureurs-generaal overeenkomstig artikel 143bis, § 2;
   2° het nastreven van de integrale kwaliteit op het vlak van onder meer communicatie, kennisbeheer, kwaliteitsbeleid, werkprocessen, implementatie van de informatisering, strategisch personeelsbeleid, statistiek, werklastmeting en werklastverdeling, teneinde bij te dragen aan een toegankelijke, onafhankelijke, tijdige en kwaliteitsvolle rechtsbedeling;
   3° ondersteuning bieden aan het beheer binnen de gerechtelijke entiteiten van het openbaar ministerie.
   Ter uitvoering van de taken en bevoegdheden bedoeld in dit artikel kan het College aanbevelingen en dwingende richtlijnen richten aan de directiecomités van de gerechtelijke entiteiten van het openbaar ministerie. De aanbevelingen en richtlijnen worden aan de minister van Justitie overgezonden.
   § 2. In het College van het openbaar ministerie nemen naast de vijf procureurs-generaal bij de hoven van beroep, drie leden van de Raad van procureurs des Konings, een lid van de Raad van de arbeidsauditeurs en de federale procureur plaats. De Raad van procureurs des Konings en de Raad van arbeidsauditeurs verkiezen hun vertegenwoordigers in het College voor een termijn van vijf jaar. De Koning stelt de nadere regels vast voor de verkiezing.
   Het College van het openbaar ministerie wordt voorgezeten door de voorzitter van het College van procureurs-generaal. Het is taalparitair samengesteld. Indien een lid afkomstig is uit het arrondissement Eupen, wordt het meegeteld bij de taalgroep van zijn diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten.
   Het College beslist bij meerderheid van stemmen, waaronder minstens een stem in elke taalgroep. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Indien geen beslissing wordt genomen, neemt de minister van Justitie de noodzakelijke beheersmaatregelen.
   Het College keurt zijn huishoudelijk reglement goed en kan zich voorzien van een taalparitair samengesteld bureau voor de voorbereiding en uitvoering van de beslissingen.
   Het College van het openbaar ministerie vergadert minstens eenmaal per maand. De minister van Justitie of de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken kan eveneens het College van het openbaar ministerie verzoeken bijeen te komen op hun gemotiveerde vraag. Zij kunnen het College verzoeken een aanbeveling of richtlijn uit te vaardigen. Het College beslist over dat verzoek. Op eigen initiatief of op vraag van de minister van Justitie vergaderen beide Colleges samen.
   Ingeval een lid van het College afwezig of verhinderd is, wordt het lid vervangen door de overeenkomstig artikel 319 aangewezen vervanger.]1
  [2 Wanneer een vertegenwoordiger van de Raad van procureurs des Konings of van de Raad van arbeidsauditeurs zijn hoedanigheid van magistraat of van korpschef in de loop van zijn mandaat verliest, wordt hij vervangen door een opvolger vermeld in een lijst opgesteld volgens door de Koning bepaalde nadere regels.]2
  ----------
  (1)<Hersteld door W 2014-02-18/05, art. 14, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 233, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 185.[1 § 1. Bij het College van procureurs-generaal en het College van het openbaar ministerie wordt een gemeenschappelijke steundienst ingericht. De steundienst staat onder het gezag van de voorzitter van het College van het openbaar ministerie.
   De steundienst is belast met :
   1° het verlenen van ondersteuning bij de uitoefening van de bij de artikelen 143bis, §§ 2, 3, 4, 5 en 7, en 184, § 1, bepaalde opdrachten;
   2° het verlenen van ondersteuning van de directiecomités, bedoeld in hoofdstuk III;
   3° het organiseren van een interne audit van het College van het openbaar ministerie en van de gerechtelijke entiteiten.
   Een directeur is belast met de dagelijkse leiding. Hij wordt voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar aangewezen door de Koning op voordracht van het College van het openbaar ministerie en op basis van een door de Koning op advies van het College vooraf bepaald profiel. De directeur neemt zitting in het College met raadgevende stem.
   De directeur oefent zijn functie voltijds uit. Hij ontvangt de wedde van eerste advocaat-generaal bij het hof van beroep. De artikelen 323bis, 327 en 330bis zijn in voorkomend geval van toepassing.
   In geval van ongeschiktheid, langdurige ziekte of ernstig plichtsverzuim kan de Koning, op voorstel van het College het mandaat van de directeur en schorsen of vroegtijdig beëindigen.
   § 2. De Koning bepaalt, op advies van het College van het openbaar ministerie, de nadere regels betreffende de werking en de organisatie van de steundienst. Het personeel wordt opgenomen in een personeels plan, dat jaarlijks wordt opgesteld door het College. Bij de aanwervingen wordt de taalpariteit verzekerd.
   Het binnen de steundienst vastbenoemd personeel is onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op het in vast verband benoemde personeel van de rechterlijke organisatie.
   Magistraten kunnen een opdracht krijgen in de steundienst overeenkomstig de artikelen 323bis en 327. [2 Op zijn verzoek en op voorstel van de voorzitter van het College van het openbaar ministerie, kan een magistraat die overeenkomstig artikel 383, § 1, wegens zijn leeftijd is toegelaten tot de inruststelling of die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd is toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werd gemachtigd tot het voeren van de eretitel van zijn ambt, door de Koning worden gemachtigd om een onbezoldigde opdracht uit te oefenen binnen de steundienst. Daarenboven wordt het akkoord van de korpschef gevraagd wanneer de voorgestelde magistraat een in artikel 383, § 2, bedoelde plaatsvervangende magistraat is.]2
   Ieder personeelslid van de rechterlijke organisatie kan, met zijn instemming en op verzoek van het College aan de minister van Justitie, een opdracht krijgen in de steundienst van het College overeenkomstig de artikelen 330, 330bis en 330ter.
   Ieder vastbenoemd personeelslid van een federale overheidsdienst, een programmatorische federale overheidsdienst of van de Hoge Raad voor de Justitie kan, met zijn instemming en op verzoek van het College, naargelang van het geval, aan de minister waaronder hij ressorteert of aan de Hoge Raad voor de Justitie, ter beschikking worden gesteld van de steundienst van het College.
   § 3. Aan de opdracht of aan de terbeschikkingstelling bedoeld in dit artikel kan een einde worden gemaakt :
   1° op voorstel van het College na de magistraat, het personeelslid of de betrokken ambtenaar vooraf te hebben gehoord;
   2° op verzoek van de betrokken magistraat, het betrokken personeelslid of de betrokken ambtenaar, met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand.
   De personeelsleden en magistraten bedoeld in dit artikel zijn onderworpen aan het gezag van de directeur.
   De personeelsleden bedoeld in dit artikel zijn onderworpen aan de evaluatieregeling, de tuchtregeling, de verlofregeling en de arbeidstijdregeling die van toepassing zijn op de personeelsleden bedoeld in § 2, tweede lid.
   Het personeelsplan kan voorzien in de mogelijkheid om werknemers met een arbeidsovereenkomst in dienst te nemen overeenkomstig de nadere regels bepaald bij artikel 178.
   § 4. De wedde van het door het College aangeworven personeel en van het personeel dat met een opdracht belast is of ter beschikking wordt gesteld, is ten laste van de begroting van het College.
   Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk behoudt ieder met een opdracht belast of ter beschikking gesteld personeelslid zijn eigen statuut. Ingeval het statuut van het personeel bedoeld in dit artikel voor een vergelijkbare opdracht evenwel voorziet in een hogere bezoldiging of in bijzondere voordelen, dan wordt hen ten laste van de begroting van het College een weddensupplement dat de bezoldiging van dat personeelslid op hetzelfde niveau brengt, evenals deze voordelen toegekend.]1
  ----------
  (1)<Hersteld door W 2014-02-18/05, art. 15, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2015-10-19/01, art. 67, 199; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Afdeling III. [1 Het gemeenschappelijke beheer voor de Rechterlijke Orde]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 16, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 185/1. [1 Beheersaangelegenheden die als gemeenschappelijk worden aangewezen, worden samen beheerd hetzij door beide Colleges, hetzij door beide Colleges samen met de Federale Overheidsdienst Justitie. In het beheer zijn de Colleges en, in voorkomend geval, de Federale Overheidsdienst Justitie gelijk vertegenwoordigd en beslissen ze bij consensus.
   Onder gemeenschappelijke beheersaangelegenheden wordt verstaan aangelegenheden waarvan de ingezette middelen gemeenschappelijk zijn, aangelegenheden waarin de zetel, het openbaar ministerie en, in de bvoorkomend geval, de Federale overheidsdienst Justitie dermate verbonden zijn dat die niet alleen door de zetel, het openbaar ministerie of de Federale Overheidsdienst Justitie kunnen beheerd worden of aangelegenheden waarover de zetel en het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de Federale Overheidsdienst Justitie van oordeel zijn dat zij deze omwille van de schaalgrootte of efficiëntiewinsten beter samen kunnen beheren.
   De Koning bepaalt in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Colleges en de Federale Overheidsdienst Justitie, de gemeenschappelijke beheersaangelegenheden en de nadere regels waarop die beheerd worden. Het Hof van Cassatie wordt betrokken voor de aangelegenheden die het aanbelangt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 17, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  HOOFDSTUK III. - [1 Beheerstructuur in de hoven, de rechtbanken en het openbaar ministerie]1
  ----------
  (1)<Hersteld door W 2014-02-18/05, art. 18, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 185/2.[1 § 1. Elk hof, elke rechtbank en elk parket heeft een directiecomité dat wordt voorgezeten door de korpschef.
   § 2. Het directiecomité van het Hof van Cassatie wordt samengesteld uit de eerste voorzitter, de voorzitter, de procureur-generaal, de eerste advocaat-generaal, de hoofdgriffier en hoofdsecretaris. Het directiecomité wordt bijgestaan door een steundienst bedoeld in artikel 158, die onder het gemeenschappelijk gezag en toezicht staat van de korpschefs.
   In de hoven wordt het directiecomité samengesteld uit de eerste voorzitter, twee kamervoorzitters en de hoofdgriffier, in de parketten-generaal uit de procureur-generaal, de eerste advocaat-generaal bij het hof van beroep, de eerste advocaat-generaal bij het arbeidshof en de hoofdsecretarissen.
   Het directiecomité van het federaal parket wordt samengesteld uit de federale procureur, een federale magistraat van elke taalrol aangewezen door de federale procureur en de hoofdsecretaris.
   § 3. Het directiecomité van de rechtbank wordt samengesteld uit de voorzitter, de afdelingsvoorzitters en de hoofdgriffier.
   In de parketten van de procureurs des Konings wordt het directiecomité samengesteld uit de procureur des Konings, de afdelingsprocureurs en de hoofdsecretaris, en in de arbeidsauditoraten uit de arbeidsauditeur, afdelingsauditeurs en hoofdsecretaris.
   In de rechtbanken of parketten en arbeidsauditoraten zonder afdelingen wordt het directiecomité respectievelijk samengesteld uit de voorzitter, ten minste twee rechters aangewezen door de voorzitter en de hoofdgriffier, en uit de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, twee substituten aangewezen door de korpschef en de hoofdsecretaris. De rechters en substituten worden gekozen uit die welke door hun kennis of hoedanigheid betrokken worden bij het beheer [2 van de rechtbank, het parket of het arbeidsauditoraat]2.
   In het parket van de procureur des Konings en in het auditoraat van Brussel maken de adjunct-procureur des Konings en de adjunct-arbeidsauditeur deel uit van de directiecomités.
   Voor de vredegerechten en de politierechtbanken wordt het arrondissementeel directiecomité samengesteld uit de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, de ondervoorzitter en de hoofdgriffier.
  [2 De opleiding inzake budgettair beheer en gerechtskosten gegeven door het Instituut voor gerechtelijke opleiding wordt gevolgd door minstens een magistraat van het directiecomité van de rechtbanken van eerste aanleg, van de politierechtbanken, van de parketten van de procureurs des Konings en van de arbeidsauditoraten.]2
   § 4. De korpschef kan het directiecomité uitbreiden met maximaal twee personen van zijn gerechtelijke entiteit die hij bekwaam acht wegens hun kennis inzake beheer.
   De korpschef maakt de samenstelling van zijn directiecomité bekend in het werkingsverslag.
   § 5. Het directiecomité staat de korpschef bij in de algemene leiding, de organisatie en het beheer van de gerechtelijke entiteit. Het directiecomité van het Hof van Cassatie vervult dezelfde rol ten aanzien van de eerste voorzitter en de procureur-generaal.
   Het directiecomité stelt het in artikel 185/6 bedoelde beheersplan op en staat in voor zijn uitvoering.
   Het directiecomité beslist bij consensus. Bij gebrek aan consensus beslist de korpschef, behalve wat het directiecomité van het Hof van Cassatie betreft.
   Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden treedt het directiecomité niet op in de procesrechtelijke behandeling van de geschillen of individuele zaken.
   § 6. Voor gemeenschappelijke beheersaangelegenheden op lokaal niveau overleggen de directiecomités van de betrokken gerechtelijke entiteiten samen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 19, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 39, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 185/3. [1 Een College kan een beslissing van een directiecomité behorende tot zijn organisatie vernietigen indien het van oordeel is, na het directiecomité te hebben gehoord, dat deze beslissing strijdig is met een dwingende richtlijn of het in artikel 185/6 bedoelde beheersplan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 20, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  HOOFDSTUK IV. - [1 Beheersovereenkomsten en beheersplannen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 21, 180; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 185/4. [1 1. De minister van Justitie sluit met elk College een beheersovereenkomst voor het beheer van hun organisatie.
   Een beheersovereenkomst wordt gesloten voor een periode van drie jaar. De beheersovereenkomst bevat afspraken rond doelstellingen voor de rechterlijke organisatie en de middelen die daarvoor door de minister van Justitie aan de rechterlijke organisatie worden ter beschikking gesteld.
   De doelstellingen houden verband met de beheersopdrachten van de Colleges teneinde de goede werking van de rechterlijke organisatie te verzekeren.
   § 2. De beheersovereenkomst tussen de minister van Justitie en elk College regelt de volgende aangelegenheden :
   1° de omschrijving van de activiteiten die het College overeenkomstig artikel 181 of artikel 184, § 1, uitvoert;
   2° de doelstellingen die aan de toegekende middelen kunnen worden verbonden omtrent beheer en organisatie voor het geheel van de hoven en rechtbanken of het openbaar ministerie;
   3° de middelen die de overheid aan het geheel van de hoven en rechtbanken of het openbaar ministerie toekent voor hun werking;
   4° de middelen die aan elk College worden toegekend voor de eigen werking;
   5° de wijze waarop de realisatie van de beheersovereenkomst wordt gemeten en opgevolgd en de indicatoren die daarvoor worden gebruikt.
   § 3. Bij de onderhandelingen van de beheersovereenkomst kan de minister vertegenwoordigd worden door zijn afgevaardigde. De Colleges worden vertegenwoordigd door de voorzitter of zijn afgevaardigde en twee leden die elk van de Colleges onder zijn leden aanwijst.
   § 4. Het directiecomité van het Hof van Cassatie sluit zijn beheersovereenkomst met de minister van Justitie, voor een periode van drie jaar. De overeenkomst omvat de omschrijving van de voorgenomen activiteiten van de gerechtelijke entiteit voor die periode van de overeenkomst en de middelen vereist voor haar werking. Het Hof van Cassatie wordt vertegenwoordigd door de eerste voorzitter en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie.
   § 5. Drie maanden na het afsluiten van de beheersovereenkomsten worden de beheersovereenkomsten en de in artikel 185/6 bedoelde beheersplannen neergelegd in de Kamer van volksvertegenwoordigers.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 22, 180; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 185/5. [1 De beheersovereenkomst is geen akte of reglement bedoeld in artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
   De Koning bepaalt in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de wijze waarop beheersovereenkomsten worden onderhandeld, afgesloten en zo nodig tussentijds worden aangepast.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 23, 180; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 185/6. [1 De Colleges verdelen de middelen onder de gerechtelijke entiteiten van hun organisatie op basis van de beheersplannen van de gerechtelijke entiteiten.
   Het beheersplan omvat de omschrijving van de voorgenomen activiteiten van de gerechtelijke entiteit voor de komende drie jaar en de middelen vereist voor haar werking. De personele middelen worden bepaald op grond van de resultaten van een uniforme regelmatige uitgevoerde werklastmeting met nationale normtijden zoals voorzien in artikel 352bis, eventueel aangevuld met andere objectieve criteria.
   In het beheersplan worden aan de toegekende middelen doelstellingen verbonden in verband met het beheer en de werking van de gerechtelijke entiteiten.
   Het beheersplan is geen akte of reglement bedoeld in artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
   Het beheersplan wordt definitief neergelegd na omstandig advies van het College.
   De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels waarop de beheersplannen worden opgesteld, neergelegd en zo nodig tussentijds worden aanpast.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 24, 180; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 185/7. [1 Indien een beslissing van het College omtrent de verdeling van de middelen kennelijk de rechtsbedeling in een gerechtelijke entiteit in gevaar brengt, kan het betrokken directiecomité een beroep indienen bij de minister van Justitie. De minister beslist na beide partijen gehoord te hebben over de verdeling van de middelen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 25, 180; Inwerkingtreding : onbepaald>

  HOOFDSTUK V. - [1 Financieel beheer]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 26, 180; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 185/8.[1 De minister van Justitie kan via de beheersovereenkomsten een werkingsenveloppe overdragen aan elk College door middel van kredieten die hiervoor zijn ingeschreven op de administratieve begroting van de Federale Overheidsdienst Justitie voor, enerzijds, de eigen werking en, anderzijds, de werking van de gerechtelijke entiteiten.
   Het Hof van Cassatie ontvangt zijn werkingsenveloppe rechtstreeks van de minister van Justitie.
   Een wet bepaalt de nadere regels voor de financiering van de gerechtelijke entiteiten en de wijze waarop deze geldelijke middelen worden beheerd door de Colleges of door het directiecomité van het Hof van Cassatie.]1
   ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 27, 180; Inwerkingtreding : onbepaald>

  HOOFDSTUK VI - [1 Evaluatie en controle]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 28, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Afdeling I. - [1 Evaluatie]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 29, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 185/9. [1 Elke gerechtelijke entiteit, het Hof van Cassatie uitgezonderd, rapporteert in het werkingsverslag bedoeld in artikel 340, § 3, teneinde de Colleges in staat te stellen het gebruik van de middelen, de werkzaamheden en de realisatie van het beheersplan te evalueren. Het werkingsverslag wordt eveneens overgezonden aan het College van de hoven en rechtbanken of het College van het openbaar ministerie.
   Elk College stelt jaarlijks een werkingsverslag op. In het werkingsverslag vermeldt elke College zijn activiteiten, zijn richtlijnen en aanbevelingen, de beslissingen van de directiecomités die het heeft vernietigd, op welke wijze de middelen die door middel van de beheersovereenkomst werden verleend, zijn gebruikt, de resultaten die elke organisatie op basis van deze middelen heeft behaald, alsook de indicatoren waaruit blijkt of de doelstellingen van de organisatie al dan niet zijn gerealiseerd.
   Het in het tweede lid bedoelde werkingsverslag wordt voor 1 juli overgezonden aan de minister van Justitie en de federale Wetgevende Kamers. De minister van Justitie bepaalt na advies van het College het standaardformulier volgens hetwelk dit werkingsverslag wordt opgesteld.
   Het Hof van Cassatie rapporteert in het werkingsverslag bedoeld in artikel 340, § 3, over het gebruik van de middelen, de werkzaamheden en de realisatie van het beheersplan. In het werkingsverslag wordt vermeld op welke wijze de middelen die door middel van de beheersovereenkomst werden verleend, zijn gebruikt, de resultaten die op basis van deze middelen zijn behaald, alsook de indicatoren voor de realisatie of de niet realisatie van doelstellingen van de organisatie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 30, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Afdeling II. - [1 Controle]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 31, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 185/10. [1 De colleges en het directiecomité van het Hof van Cassatie wat zijn rekening betreft, keuren elk jaar voor 1 juni de rekeningen van de gerechtelijke entiteiten goed van het voorbije dienstjaar en zenden ze toe aan de minister van Justitie en aan de minister van Begroting. De minister van Justitie zendt de rekeningen voor nazicht toe aan het Rekenhof.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 32, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 185/11. [1 Het Rekenhof kan een toezicht ter plaatse organiseren op de boekhouding, de verrichtingen en de afsluiting van de rekeningen van de Colleges, van het Hof van Cassatie en de gerechtelijke entiteiten. Het Rekenhof kan de rekeningen van de Colleges en van het Hof van Cassatie in zijn boek met opmerkingen bekendmaken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 33, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 185/12. [1 § 1. De colleges en het directiecomité van het Hof van Cassatie staan onder de controlebevoegdheid van de minister van Justitie en de minister van Begroting.
   Deze controle wordt uitgeoefend door twee afgevaardigden van de minister, de ene aangewezen door de minister van Justitie en de andere door de minister van Begroting. De afgevaardigde van de minister van Begroting wordt gekozen uit de inspecteurs van financiën geaccrediteerd bij de Federale Overheidsdienst Justitie.
   De afgevaardigden van de minister kunnen met raadgevende stem de vergaderingen van de colleges en van het directiecomité van het Hof van Cassatie bijwonen.
   § 2. Iedere afgevaardigde van de minister kan binnen een termijn van tien werkdagen beroep instellen tegen elke beheersbeslissing van het College of van het directiecomité van het Hof van Cassatie die hij met de wet of met de beheersovereenkomst strijdig acht. De afgevaardigde van de minister van Begroting kan dit slechts doen voor zover die beslissing financiële gevolgen heeft. Het beroep heeft schorsende kracht.
   Deze termijn gaat in de dag volgend op de vergadering, waarop de beslissing genomen werd, voor zover de afgevaardigde daarop regelmatig uitgenodigd werd, en, in het tegenovergestelde geval, de dag waarop hij er kennis van heeft gekregen.
   Deze afgevaardigden oefenen hun beroep uit bij de minister die hen heeft aangewezen.
   De afgevaardigde informeert het College of het directiecomité van het Hof van Cassatie ervan. De voorzitter van het College of de eerste voorzitter wordt op zijn verzoek gehoord door de minister bij wie het beroep is ingesteld.
   § 3. De minister, bij wie het beroep werd ingesteld, beslist binnen een termijn van twintig werkdagen, die ingaat dezelfde dag als de in § 2 bedoelde termijn, na het advies van de andere betrokken minister te hebben ingewonnen. Indien de minister binnen die termijn de nietigverklaring niet heeft uitgesproken, wordt de beslissing van het College of het directiecomité definitief.
   Bij een aan het College of aan het directiecomité van het Hof van Cassatie betekende beslissing van de minister, kan die termijn met tien dagen worden verlengd.
   De nietigverklaring van de beslissing wordt aan het College of aan het directiecomité van het Hof van Cassatie meegedeeld door de minister die ze heeft uitgesproken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 34, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  HOOFDSTUK VII. - [1 Evaluatie van het beheersmodel]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 35, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 185/13. [1 Het beheersmodel wordt tweejaarlijks geëvalueerd. Daartoe wordt een evaluatiecollege opgericht. Het College omvat de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Justitie, de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie, de voorzitters van de Colleges en de minister van Justitie of zijn vertegenwoordiger. Het College zendt een rapport over aan de Koning, aan de Hoge Raad voor de Justitie en de voorzitters van de federale Wetgevende Kamers.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-18/05, art. 36, 180; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  TITEL V. - Zetel en personeel van hoven en rechtbanken Hun rechtsgebied.

  Art. 186.[1 § 1.]1 De zetel van de hoven en rechtbanken, alsmede hun rechtsgebied zijn vastgesteld in de artikelen 1 tot 6 van het bijvoegsel bij dit wetboek.
  [1 De Koning kan, bij zaakverdelingsreglement in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de hoven van beroep, de arbeidshoven, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de rechtbanken van koophandel of de politierechtbanken in twee of meer afdelingen verdelen en de plaatsen aanwijzen waar die afdeling zitting en haar griffie houdt.
   In voorkomend geval bepaalt Hij het grondgebied van elke afdeling en voor welke categorieën van zaken die afdeling haar rechtsmacht uitoefent. Het zaakverdelingsreglement kan de territoriale bevoegdheid van de afdeling uitbreiden tot een deel of het geheel van het grondgebied van het arrondissement. Het kan in geen geval leiden tot de afschaffing van bestaande zittingsplaatsen.
   Het zaakverdelingsreglement van het hof wordt op voorstel van de eerste voorzitter vastgesteld na advies van de procureur-generaal, de hoofdgriffier en de vergadering van de stafhouders van de balies van het rechtsgebied van het hof van beroep, voorgezeten door de eerste voorzitter. Indien het nodig blijkt, kan het zaakverdelingsreglement eveneens voorzien in de nadere regels om gedecentraliseerde zittingen van het hof te houden in het rechtsgebied.
   Het zaakverdelingsreglement van de rechtbank wordt op voorstel van de voorzitter vastgesteld na advies, naar gelang van het geval, van de procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de hoofdgriffier en de stafhouder(s) van de Orde of Ordes van advocaten.
   Voor de politierechtbank wordt het zaakverdelingsreglement voorgesteld door de ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank indien de voorzitter een vrederechter is.
   Indien de Koning bij een zaakverdelingsreglement een afdeling exclusief bevoegd maakt voor bepaalde categorieën van zaken, waakt Hij er over dat de toegang tot justitie en de kwaliteit van de dienstverlening gewaarborgd blijven. Het reglement dat een afdeling exclusief bevoegd maakt, kan in burgerlijke zaken enkel betrekking hebben op bevoegdheden bedoeld in :
   a) voor de rechtbank van eerste aanleg : de artikelen 569, 2° tot 42°, 570, 571 en 572;
   b) voor de rechtbank van koophandel : de artikelen 573, 2°, 574, 3°, 4°, 7°, 8°, 9°, 11° tot 19°, 575, 576 en 577;
   c) voor de arbeidsrechtbank : de [2 artikelen 578, 579, 582, 3° tot 14°]2, en 583.
   Het reglement dat een afdeling exclusief bevoegd maakt, kan in strafzaken enkel betrekking hebben op :
   1° cybercriminaliteit;
   2° socio-economische zaken;
   3° financiële en fiscale zaken;
   4° internationale drugshandel;
   5° wapenhandel;
   6° schijnhuwelijken, gedwongen huwelijken, schijn-wettelijke samenwoningen en gedwongen wettelijke samenwoningen;
   7° terrorisme;
   8° mensenhandel;
   9° milieu;
   10° stedenbouw;
   11° telecommunicatie;
   12° militaire misdrijven;
   13° intellectuele eigendom;
   14° landbouw;
   15° uitlevering;
   16° douane en accijnzen;
   17° hormonen;
   18° doping;
   19° voedselveiligheid;
   20° dierenwelzijn.]1
  (Wanneer het bijvoegsel van dit wetboek in verscheidene zetels voorziet voor een vredegerechtskanton is er in elke zetel een griffie. De Koning bepaalt het gebied binnen welk elke zetel zijn rechtsmacht, naar de regels van de territoriale bevoegdheid, uitoefent.) [5 Hij kan, op voorstel of na advies van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, eenzelfde griffie aan meerdere zetels van eenzelfde kanton verbinden en bepalen waar deze griffie haar zetel houdt. Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel komt de bevoegdheid van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank toe aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 72bis, tweede tot vierde lid.]5 <W 1999-03-25/50, art. 3, 071; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
  [3 Een wet stelt de personeelsformatie van de magistraten en de leden van de griffie vast. Het aantal raadsheren in sociale zaken, rechters in sociale zaken en assessoren [4 in de strafuitvoeringsrechtbank]4 en interneringszaken wordt evenwel door de Koning bepaald.]3
  (De zetel van het college van procureurs-generaal en van (het federaal parket) bevindt zich te Brussel.) <W 1997-03-04/41, art. 7, 046; Inwerkingtreding : 15-05-1997> <W 1998-12-22/48, art. 18, 069; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  [1 § 2. [6 De neerlegging van stukken ter griffie met het oog op de aanhangigmaking en behandeling van zaken die, overeenkomstig paragraaf 1, ingevolge een zaakverdelingsreglement zijn toegewezen aan een afdeling, kan gebeuren in elke afdeling van de bevoegde rechtbank.]6 De stukken worden door de griffie overgezonden aan de bevoegde afdeling en de griffie deelt de partijen die de stukken hebben neergelegd mee welke afdeling bevoegd is.
   Geen nietigheid, onregelmatigheid of onontvankelijkheid van de vordering kan met betrekking tot de in dit artikel bedoelde bevoegdheidsverdeling tussen afdelingen of met betrekking tot het zaakverdelingsreglement worden ingeroepen.
   De vorderingen of misdrijven die samenhangen met vorderingen of misdrijven die op grond van dit artikel uitsluitend tot de bevoegdheid van een bepaalde afdeling behoren, worden uitsluitend behandeld door deze afdeling.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 50, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 107, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2014-05-05/11, art. 99, 195; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 136). Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>
  (4)<W 2016-05-04/03, art. 40, 203; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 261, zevende en achtste lid)>
  (5)<W 2016-12-25/14, art. 63,1°, 208; Inwerkingtreding : 09-01-2017>
  (6)<W 2016-12-25/14, art. 63,2°, 208; Inwerkingtreding : 31-12-2016>

  TITEL VI. - (Benoemingsvoorwaarden en loopbaan van magistraten en het gerechtspersoneel). <W 2007-04-25/64, art. 41, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 186bis.<W 2001-03-13/36, art. 4, 086; Inwerkingtreding : 30-03-2001> [2 Voor de toepassing van deze titel treedt de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank op als korpschef van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank van zijn gerechtelijk arrondissement.]2
  [1 In het gerechtelijk arrondissement Brussel treedt de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg op als korpschef [2 van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank]2, de toegevoegde vrederechters [2 ...]2 in de politierechtbank zetelend in de vredegerechten en de politierechtbanken met zetel binnen het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde en van de rechters [2 ...]2 in de Nederlandstalige politierechtbank met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
   De voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg wordt, met betrekking tot de vrederechters [2 ...]2 met zetel binnen het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, evenwel telkenmale bij eenvoudig verzoek aan de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg betrokken bij de door hem aangeduide beslissingen met het oog op een consensus.
   In afwijking van het derde lid, met betrekking tot de vrederechters [2 ...]2 die zetelen in de vredegerechten van het gerechtelijk kanton met zetel in Kraainem en Sint-Genesius-Rode en van het gerechtelijk kanton met zetel in Meise, wordt het ambt van korpschef gezamenlijk uitgeoefend door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg en de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg. De beslissingen worden overlegd in consensus.
   De voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg treedt op als korpschef van de rechters [2 ...]2 in de Franstalige politierechtbank met zetel binnen het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
   Voor de vrederechters [2 ...]2 van de vredegerechten met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, wordt het ambt van korpschef gezamenlijk uitgeoefend door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg en de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg. De beslissingen worden overlegd in consensus.
   Bij gebrek aan consensus in geval van toepassing van het derde, vierde en zesde lid, neemt de eerste voorzitter van het hof van beroep van Brussel de beslissing.]1
  [2 In het gerechtelijk arrondissement Eupen treedt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op als korpschef van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank.]2
  Voor de toepassing van deze titel zijn voor de berekening van de termijnen de bepalingen van de artikelen 50, eerste lid, 52, eerste lid, 53 en 54 van toepassing.
  (De termijnen van de procedures met het oog op de benoeming bedoeld in artikel 58bis, 1°, de aanwijzing bedoeld in artikel 58bis, 2°, evenals de aanwijzing tot federaal magistraat (, verbindingsmagistraat in jeugdzaken) en bijstandsmagistraat, worden geschorst van 15 juli tot 15 augustus.) <W 2001-07-20/32, art. 2, 086; Inwerkingtreding : 15-07-2001> <W 2006-06-13/40, art. 38, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 19, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 51, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  EERSTE HOOFDSTUK. - Vrederechters en rechters in de politierechtbank.

  Art. 186ter.[1 Om tot voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank te worden aangewezen, moet de kandidaat :
   1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;
   2° hetzij [2 houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]2 en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie uitoefenen.
   Om tot ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar vrederechter of rechter in een politierechtbank zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-12-01/01, art. 52, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 234, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 187.<W 1991-07-18/35, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 1993-10-01> § 1. Om tot [2 vrederechter of rechter in de politierechtbank]2 [2 ...]2 te worden benoemd, moet de kandidaat ten minste 35 jaar oud zijn, doctor of licentiaat in de rechten zijn en voor het bij (artikel 259bis-9, §1) voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn of [3 houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]3. <W 1998-12-22/47, art. 23, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  § 2. De kandidaat moet bovendien aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
  1° ten minste twaalf jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, het ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van rechter of van notaris hebben vervuld (of gedurende twaalf jaar juridische functies hebben uitgeoefend, waarvan ten minste drie jaar in een gerechtelijk ambt.) <W 1998-12-22/47, art. 23, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  2° ten minste vijf jaar een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, (referendaris bij het Hof van Cassatie,) referendaris, adjunct-referendaris bij de Raad van State of een ambt van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 hebben uitgeoefend; <W 1997-05-06/38, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
  3° (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 23, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  In voorkomend geval wordt de duur van het ambt bedoeld in het 2° in aanmerking genomen voor de berekening van de periode van twaalf jaar voorgeschreven in het 1°.
  Voor de kandidaat die de kennis van de andere taal dan die waarin hij de examens van het doctoraat of het licentiaat in de rechten heeft afgelegd, bewijst door voorlegging van het getuigschrift afgegeven door de examencommissie ingesteld bij artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, wordt de totale duur (bedoeld in het 1° en 2° van deze paragraaf) verminderd met een jaar. <W 1998-12-22/47, art. 19, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  ----------
  (1)<W 2010-02-21/02, art. 6, 163; Inwerkingtreding : 08-03-2010>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 53, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2017-07-06/24, art. 235, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 187bis. <ingevoegd bij W 2005-04-07/63, art. 2; Inwerkingtreding : 13-05-2006> Eenieder die gedurende ten minste twintig jaar als voornaamste beroepsactiviteit het beroep van advocaat heeft uitgeoefend of die gedurende ten minste vijftien jaar deze activiteit als voornaamste beroepsactiviteit heeft uitgeoefend en gedurende ten minste vijf jaar een functie heeft uitgeoefend die een gedegen kennis van het recht vereist, wordt vrijgesteld van het bij artikel 259bis-9, § 1, bepaalde examen inzake beroepsbekwaamheid met het oog op een bij artikel 187 bedoelde benoeming, mits aan de bij artikel 191bis, §§ 2 en 3, bepaalde voorwaarden is voldaan.

  Art. 187ter.<ingevoegd bij W 2005-04-07/63, art. 3; Inwerkingtreding : 13-05-2006 ; zie ook art. 10> Het aantal personen dat op basis van het in artikel 191bis, § 2, bedoelde mondelinge evaluatie-examen wordt benoemd op een van de in artikel 187 bedoelde plaatsen, mag per rechtsgebied niet meer bedragen dan 12 % van het totaal aantal vrederechters en rechters in de politierechtbank van het rechtsgebied van het hof van beroep, zoals bepaald bij de in [1 artikel 186, § 1, tiende lid]1, bedoelde wet.
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 54, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 188.<W 1991-07-18/35, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 28-03-1992> Om tot plaatsvervangend vrederechter (of plaatsvervangend (rechter in de politierechtbank) te worden benoemd, moet de kandidaat ten minste 30 jaar oud zijn, doctor of licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, het notarisambt hebben vervuld, een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, (referendaris bij het Hof van Cassatie,) referendaris, adjunct-refendaris bij de Raad van State of een ambt van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 [2 of een ambt van referendaris of parketjurist bij de hoven en rechtbanken]2 hebben uitgeoefend of een academische of rechtswetenschappelijke functie hebben bekleed. <W 1994-07-11/33, art. 28, 032; Inwerkingtreding : 1995-01-01> <W 1997-05-06/38, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1999-03-24/31, art. 3, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999> <W 2001-03-13/36, art. 5, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
  ----------
  (1)<W 2010-02-21/02, art. 7, 163; Inwerkingtreding : 08-03-2010>
  (2)<W 2014-04-10/73, art. 9, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>

  HOOFDSTUK II. - Leden van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank en van de rechtbank van koophandel en van het openbaar ministerie.

  Eerste afdeling- Rechters en magistraten van het openbaar ministerie.

  Art. 189.<W 1998-12-22/47, art. 24, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de rechtbank van koophandel te worden aangewezen moet de kandidaat :
  1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;
  2° hetzij [1 houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]1 en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie uitoefenen.
  § 2. Om tot ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de rechtbank van koophandel te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van rechter in hetzelfde rechtscollege uitoefenen.
  ----------
  (1)<W 2017-07-06/24, art. 236, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 190.(oud 191) <W 1991-07-18/35, art. 7, 023; Inwerkingtreding : 1993-10-01> <W 1998-12-22/47, art. 26, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot rechter in de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de rechtbank van koophandel [2 ...]2 te worden benoemd, moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en voor het bij (artikel 259bis-9, §1) voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn of [4 houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]4. <W 1998-02-10/32, art. 8, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998> <W 1994-12-01/30, art. 1, 033; Inwerkingtreding : 1994-12-16> <W 1998-12-22/47, art. 26, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  § 2. De kandidaat die voor het examen inzake beroepsbekwaamheid is geslaagd, moet bovendien :
  1° hetzij ten minste tien jaar ononderbroken werkzaam zijn geweest aan de balie;
  2° hetzij ten minste vijf jaar (een ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van rechter of) een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, (referendaris bij het Hof van Cassatie,) referendaris, adjunct-referendaris bij de Raad van State of een ambt van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 (of een ambt van referendaris of parketjurist [3 bij de hoven en rechtbanken]3) hebben uitgeoefend; <W 1997-05-06/38, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1999-03-24/31, art. 3, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999> <W 2003-05-03/45, art. 10, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  3° hetzij ten minste twaalf jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, het ambt (...) van notaris hebben vervuld of een academische of een rechtswetenschappelijke functie hebben bekleed, of (juridische functies hebben uitgeoefend in een openbare of private dienst). <W 1998-12-22/47, art. 26, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 2003-05-03/45, art. 10, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  In voorkomend geval wordt de duur van het ambt bedoeld in het 2° in aanmerking genomen voor de berekening van de periode van twaalf jaar voorgeschreven in het 3°.
  (§ 2bis. Bij de bekendmaking van een vacature in de rechtbank van eerste aanleg kan de minister van Justitie bepalen dat het vacante ambt bij voorrang zal worden toegewezen aan een kandidaat die titels of verdiensten voorlegt waaruit een gespecialiseerde kennis blijkt. Deze titels en verdiensten worden onderzocht door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8.) <W 1999-03-23/30, art. 3, Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  (§ 2ter. Voor de kandidaat-rechter in een fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg die houder is van een diploma waaruit een gespecialiseerde opleiding in het fiscaal recht blijkt, afgegeven door een Belgische universiteit of door een niet-universitaire instelling van hoger onderwijs zoals bedoeld in artikel 357, § 1, tweede lid, wordt de duur bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, verminderd tot tien jaar.) <W 2003-05-03/45, art. 10, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  § 3. Voor de kandidaat-rechter in de arbeidsrechtbank die houder is van een diploma van licentiaat in het sociaal recht uitgereikt door een Belgische universiteit, wordt de duur bedoeld in § 2, 3°, verminderd tot tien jaar.
  § 4. Voor de kandidaat die de kennis van de andere taal dan die waarin hij de examens in het doctoraat of het licenciaat in de rechten heeft afgelegd, bewijst door voorlegging van het getuigschrift afgegeven door de examencommissie ingesteld bij artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935, wordt de duur bedoeld in § 2, 1°, 2° en 3° verminderd met een jaar.
  ----------
  (1)<W 2010-02-21/02, art. 8, 163; Inwerkingtreding : 08-03-2010>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 55, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2016-05-04/03, art. 41, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (4)<W 2017-07-06/24, art. 237, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 191.
  <Opgeheven bij W 2017-07-06/24, art. 238, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 191bis.<ingevoegd bij W 2005-04-07/63, art. 4; Inwerkingtreding : 13-05-2006> § 1. Eenieder die gedurende ten minste twintig jaar als voornaamste beroepsactiviteit het beroep van advocaat heeft uitgeoefend of die gedurende ten minste vijftien jaar deze activiteit als voornaamste beroepsactiviteit heeft uitgeoefend en gedurende ten minste vijf jaar een functie heeft uitgeoefend die een gedegen kennis van het recht vereist, wordt vrijgesteld van het bij artikel 259bis-9, § 1, bepaalde examen inzake beroepsbekwaamheid met het oog op een in artikel 190 bedoelde benoeming, mits aan de bij §§ 2 en 3 bepaalde voorwaarden is voldaan.
  § 2. Het verzoek daartoe wordt [1 langs elektronische weg ingediend bij]1 de benoemings- en aanwijzingscommissie die bevoegd is naar gelang van de taal van het diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten.
  Het verzoek moet vergezeld zijn van de nodige stavingsstukken waaruit blijkt dat de bij § 1 bepaalde voorwaarden zijn vervuld. [1 De bij een ontvankelijk verklaard verzoek gevoegde stavingsstukken moeten niet meer worden gevraagd wanneer de kandidaat een nieuw verzoek tot deelname aan een mondeling evaluatie-examen indient.]1.
  Binnen veertig dagen na de ontvangst van het verzoek beslist de benoemings- en aanwijzingscommissie met een meerderheid van drie vierde van de stemmen over de ontvankelijkheid ervan.
  Verklaart de benoemings- en aanwijzingscommissie het verzoek onontvankelijk, dan wordt de verzoeker hiervan [1 langs elektronische weg]1 in kennis gesteld.
  Verklaart de benoemings- en aanwijzingscommissie het verzoek ontvankelijk, dan wordt de verzoeker [1 langs elektronische weg]1 opgeroepen voor een mondeling evaluatie-examen.
  [1 Voorafgaand aan het mondelinge evaluatie-examen verzoekt de benoemings- en aanwijzingscommissie, langs elektronische weg, om een met redenen omkleed schriftelijk advies :
   1° van de vertegenwoordiger van de balie of van de balies van het betrokken gerechtelijk arrondissement aangewezen door de orde of de ordes van advocaten van de balie of de balies van dat arrondissement waar de kandidaat als advocaat werkzaam is of werkzaam geweest is. Voor het gerechtelijk arrondissement Brussel geeft al naargelang de kandidaat ingeschreven is of ingeschreven geweest is op het tableau van de Nederlandstalige of Franstalige orde van advocaten, hetzij de vertegenwoordiger van de Nederlandstalige orde, hetzij de vertegenwoordiger van de Franstalige orde advies;
   2° in voorkomend geval, van de korpschef van het rechtscollege waar de kandidaat werkzaam is, hetzij als plaatsvervangend rechter, hetzij als plaatsvervangend raadsheer.
   Het advies heeft met name betrekking op de nuttige beroepservaring die de kandidaat kan doen gelden, met het oog op het uitoefenen van een functie als magistraat.]1
  [1 De in het zesde lid bedoelde personen mogen geen advies verstrekken over bloed- of aanverwanten tot in de vierde graad noch over personen met wie zij een feitelijk gezin vormen.]1
  Het advies wordt aan de benoemings- en aanwijzingscommissie en aan de kandidaat overgezonden binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen van het verzoek om advies.
  Zo binnen de gestelde termijn geen advies wordt uitgebracht, wordt [1 aan dat advies voorbijgegaan]1.
  De kandidaat beschikt over een termijn van vijftien dagen vanaf de notificatie van het advies om zijn opmerkingen mee te delen aan de benoemings- en aanwijzingscommissie.
  (De termijnen van de procedure worden geschorst van 15 juli tot 15 augustus.) <W 2006-12-27/33, art. 81, 144; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
  De verzoeker ten aanzien van wie de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie met een meerderheid van drie vierde van de stemmen heeft geoordeeld dat hij geslaagd is voor het mondelinge evaluatie-examen, wordt gemachtigd om zich kandidaat te stellen voor een benoeming.
  § 3. De door de benoemings- en aanwijzingscommissie afgegeven machtiging is geldig gedurende drie jaar, te rekenen van de datum van de afgifte van de machtiging.
  Indien de kandidaat niet geslaagd is voor het mondelinge evaluatie-examen, wordt hij daarvan [1 bij een met redenen omklede en langs elektronische weg overgezonden brief]1 in kennis gesteld. In dit geval mag de betrokkene op zijn vroegst drie jaar na die kennisgeving een nieuw verzoek indienen.[1 In voorkomend geval wordt bij het verzoek een bijgewerkte versie gevoegd van het curriculum vitae.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 42, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016. Overgangsbepalingen : art. 251>

  Art. 191ter.<ingevoegd bij W 2005-04-07/63, art. 5; Inwerkingtreding : 13-05-2006 ; zie ook art. 10> Het aantal personen dat op basis van het in artikel 191bis, § 2, bedoelde mondelinge evaluatie-examen wordt benoemd op een van de in artikel 190 bedoelde plaatsen, mag per rechtsgebied niet meer bedragen dan 12 % van het totaal aantal magistraten van de zetel van de rechtbanken van eerste aanleg, de rechtbanken van koophandel en de arbeidsrechtbanken gelegen in het rechtsgebied van het hof van beroep of van het arbeidshof, zoals bepaald bij de in [1 artikel 186, § 1, tiende lid]1, bedoelde wet.
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 57, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 192.<W 1991-07-18/35, art. 8, 023; Inwerkingtreding : 28-03-1992> Om tot plaatsvervangend rechter te worden benoemd, moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, een gerechtelijk ambt of het notarisambt hebben vervuld, of een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, (referendaris bij het Hof van Cassatie,) referendaris, adjunct-referendaris bij de Raad van van State of een ambt van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 (of een ambt van referendaris of parketjurist [2 bij de hoven en rechtbanken]2) hebben uitgeoefend of een academische of rechtswetenschappelijke functie hebben bekleed. <W 1997-05-06/38, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1999-03-24/31, art. 3, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
  ----------
  (1)<W 2010-02-21/02, art. 9, 163; Inwerkingtreding : 08-03-2010>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 43, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 193.<W 1998-12-22/47, art. 28, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot procureur des Konings of tot arbeidsauditeur te worden aangewezen, moet de kandidaat :
  1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;
  2° hetzij [1 houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]1 en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie uitoefenen.
  § 2. Om tot eerste substituut-procureur des Konings of eerste substituut-arbeidsauditeur te worden aangewezen moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van substituut-procureur des Konings of substituut-arbeidsauditeur bij hetzelfde rechtscollege uitoefenen.
  ----------
  (1)<W 2017-07-06/24, art. 239, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 194.<W 1991-07-18/35, art. 10, 023; Inwerkingtreding : 1993-10-01> (§ 1. Om tot substituut-procureur des Konings, [2 of substituut-arbeidsauditeur ]2 te worden benoemd moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en voor het bij artikel 259bis-9, § 1, voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn of [5 houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]5.) <W 1998-12-22/47, art. 29, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  § 2. De kandidaat die voor het examen inzake beroepsbekwaamheid is geslaagd, moet bovendien :
  1° hetzij ten minste (vijf) jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, een gerechtelijk ambt of het notarisambt hebben vervuld, of een academische of een rechtswetenschappelijke functie hebben bekleed of (juridische functies hebben uitgeoefend in een openbare of private dienst; <W 1994-12-01/30, art. 3, 033; Inwerkingtreding : 1994-12-16> <W 1998-12-22/47, art. 29, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  2° hetzij ten minste (vier) jaar een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, (referendaris bij het Hof van Cassatie,) referendaris, adjunct-referendaris bij de Raad van State of een ambt van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 (of een ambt van referendaris of parketjurist [4 bij de hoven en rechtbanken]4) hebben uitgeoefend. <W 1997-05-06/38, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1999-03-24/31, art. 3, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
  In voorkomend geval wordt de duur van het ambt bedoeld in het 2° in aanmerking genomen voor de berekening van de periode van (vijf) jaar voorgeschreven in het 1°. <W 1994-12-01/30, art. 4, 033; Inwerkingtreding : 1994-12-16>
  § 3. Voor de kandidaat-substituut-arbeidsauditeur die houder is van een diploma van licentiaat in het sociaal recht uitgereikt door een Belgische universiteit, wordt de duur bedoeld in § 2, 1°, verminderd tot (vier) jaar. <W 1994-12-01/30, art. 5, 033; Inwerkingtreding : 1994-12-16>
  § 4. (Onverminderd de voorwaarden gesteld in § 1 wordt het ambt van de substituut-procureur des Konings, gespecialiseerd in fiscale zaken toegewezen aan een kandidaat die titels of verdiensten voorlegt waaruit deze gespecialiseerde kennis blijkt. Deze titels en verdiensten worden onderzocht door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8.) <W 2001-06-15/34, art. 4, 092; Inwerkingtreding : 21-07-2001>
  Voor de kandidaten die aan de voorwaarden gesteld in het voorgaande lid voldoen, wordt de duur bedoeld in § 2, 1°, verminderd tot (vier) jaar. <W 1994-12-01/30, art. 6, 033; Inwerkingtreding : 1994-12-16>
  [3 § 4/1. In geval van bekendmaking van een vacature bij het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, kan de minister van Justitie aangeven dat de vacante betrekking bij voorrang wordt toegewezen aan een kandidaat die titels of verdiensten voorlegt waaruit een gespecialiseerde kennis blijkt. Deze titels of verdiensten worden onderzocht door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8.]3
  § 5. Voor de kandidaat die de kennis van de andere taal dan die waarin hij de examens in het doctoraat of het licentiaat in de rechten heeft afgelegd, bewijst door voorlegging van het getuigschrift afgegeven door de examencommissie ingesteld bij artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935, wordt de duur bedoeld in § 2, 1° en 2°, verminderd met een jaar.
  ----------
  (1)<W 2010-02-21/02, art. 10, 163; Inwerkingtreding : 08-03-2010>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 58, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2013-07-30/23, art. 118, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (4)<W 2016-05-04/03, art. 44, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (5)<W 2017-07-06/24, art. 240, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 194bis. <ingevoegd bij W 2005-04-07/63, art. 6; Inwerkingtreding : 13-05-2006> Eenieder die gedurende ten minste twintig jaar als voornaamste beroepsactiviteit het beroep van advocaat heeft uitgeoefend of die gedurende ten minste vijftien jaar deze activiteit als voornaamste beroepsactiviteit heeft uitgeoefend en gedurende ten minste vijf jaar een functie heeft uitgeoefend die een gedegen kennis van het recht vereist, wordt vrijgesteld van het bij artikel 259bis-9, § 1, bepaalde examen inzake beroepsbekwaamheid met het oog op een bij artikel 194 bedoelde benoeming, mits aan de bij artikel 191bis, §§ 2 en 3, bepaalde voorwaarden is voldaan.

  Art. 194ter.<ingevoegd bij W 2005-04-07/63, art. 7; Inwerkingtreding : 13-05-2006 ; zie ook art. 10> Het aantal personen dat op basis van het in artikel 191bis, § 2, bedoelde mondelinge evaluatie-examen wordt benoemd op een van de in artikel 194 bedoelde plaatsen, mag per rechtsgebied niet meer bedragen dan 12 % van het totaal aantal substituut-procureurs des Konings en substituut - arbeidsauditeurs van het rechtsgebied van het hof van beroep of van het arbeidshof, zoals bepaald bij de in [1 artikel 186, § 1, tiende lid]1, bedoelde wet.
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 59, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Afdeling II. - Leden van de rechtbank van eerste aanleg.

  Art. 195.(Alle werkende rechters in de rechtbank van eerste aanleg die gedurende ten minste [1 één]1 jaar het ambt van rechter of van magistraat van het openbaar ministerie [1 hebben uitgeoefend, alsook de plaatsvervangende magistraten bedoeld in artikel 156bis,]1, kunnen als enige rechter zitting houden.
  Na het schriftelijk en met redenen omklede advies van de procureur des Konings en van de stafhouder van de Orde van advocaten te hebben gevraagd, kunnen evenwel alle werkende rechters in de rechtbank van eerste aanleg, ongeacht hun anciënniteit, als enige rechter zitting houden, wanneer de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de noodzaak daarvan aantoont.) (W 1997-01-21/39, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 1997-03-25>
  De aangewezen magistraten kunnen ook in de andere kamers van de rechtbank van eerste aanleg zitting nemen naar de rang van hun installatie.
  (Werkende rechters die als enige rechter zitting houden en die door de voorzitter van de rechtbank worden aangewezen om als assessor deel uit te maken van een hof van assisen, mogen voor de duur van de zitting van het hof van assisen worden vervangen door een plaatsvervangend rechter die deze functie al ten minste tien jaar uitoefent en die regelmatig zitting houdt of zitting heeft gehouden in strafzaken in een kamer met drie rechters, [1 ...]1.) <W 2005-04-13/30, art. 4, 123 ; Inwerkingtreding : 13-05-2005>
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 68, 199; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 195bis. [1 De rechters bedoeld in de tabel "Aantal rechters gespecialiseerd in strafzaken in fiscale aangelegenheden in de rechtbank van eerste aanleg", gevoegd bij de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting, houden zitting in strafzaken wegens een overtreding van de wetten en de verordeningen in fiscale aangelegenheden.
   De bepalingen van artikel 190, § 2bis en § 2ter zijn op hen van toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-25/23, art. 17, 184; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 196.
  <Opgeheven bij W 2012-07-19/36, art. 20, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>

  Art. 196bis. <ingevoegd bij W 2006-05-17/36, art. 16, Inwerkingtreding : 31-08-2006> [4 De Koning benoemt de werkende en plaatsvervangende assessoren in strafuitvoeringszaken gespecialiseerd in penitentiaire zaken, de werkende en plaatsvervangende assessoren in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in sociale re-integratie en de werkende en plaatsvervangende assessoren in interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie.]4
  Zij worden benoemd uit de geslaagden voor een examen georganiseerd door een [3 Nederlandstalig selectiecomité en een Franstalig selectiecomité samengesteld]3 uit :
  - [3 een magistraat van de zetel aangewezen door het College van de hoven en rechtbanken of zijn plaatsvervanger;]3
  - de directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie van de federale overheidsdienst Justitie of zijn vertegenwoordiger aangewezen door de minister van Justitie [2 of zijn vertegenwoordiger]2;
  - de directeur-generaal van het directoraat-generaal [2 Penitentiaire Inrichtingen]2 van de federale overheidsdienst Justitie of zijn vertegenwoordiger aangewezen door de minister van Justitie.
  [1 - de leidende ambtenaar van de Justitiehuizen of van de dienst die er de opdrachten van overneemt [3 of hun vertegenwoordiger aangewezen binnen deze diensten]3.]1
  Niemand mag zitting hebben in een comité indien hij geen blijk geeft van de kennis van de taal van de kandidaten. [3 ...]3.
  Het examen, waarvan de regels worden bepaald door de Koning, bestaat uit een schriftelijk gedeelte en een mondeling gedeelte.
  De geldigheidsduur van het examen is vastgesteld op zeven jaar.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/64, art. 2, 188; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (2)<W 2014-05-05/11, art. 100, 195; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-07-2016. Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>
  (3)<W 2016-05-04/03, art. 45, 203; Inwerkingtreding : 13-05-2016>
  (4)<W 2016-05-04/03, art. 45,1°, 203; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 261, zevende en achtste lid)>

  Art. 196ter. <ingevoegd bij W 2006-05-17/36, art. 17, Inwerkingtreding : 31-08-2006> § 1. Om tot werkend of plaatsvervangend assessor in [1 strafuitvoeringszaken en interneringszaken]1 gespecialiseerd in penitentiaire zaken te worden benoemd moet de kandidaat de volgende voorwaarden vervullen :
  1° ten minste vijf jaar nuttige beroepservaring hebben die blijk geeft van praktische kennis van aangelegenheden inzake penitentiaire zaken;
  2° houder zijn van een diploma van master;
  3° Belg zijn;
  4° ten minste dertig jaar oud zijn [3 ...]3;
  5° de burgerlijke en politieke rechten genieten.
  Om tot werkend of plaatsvervangend assessor [1 [3 in strafuitvoeringszaken en interneringszaken]3 en interneringszaken]1 gespecialiseerd [3 in sociale re-integratie]3 te worden benoemd moet de kandidaat de volgende voorwaarden vervullen :
  1° ten minste vijf jaar nuttige beroepservaring hebben die blijk geeft van praktische kennis van aangelegenheden inzake sociale reïntegratie;
  2° houder zijn van een diploma van master;
  3° Belg zijn;
  4° ten minste dertig jaar oud zijn [3 ...]3;
  5° de burgerlijke en politieke rechten genieten.
  [1 Om tot assessor in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie te worden benoemd, moet de kandidaat de volgende voorwaarden vervullen :
   1° ten minste vijf jaar nuttige beroepservaring hebben waaruit praktische kennis blijkt van de aangelegenheden die verband houden met de klinische psychologie;
   2° houder zijn van een diploma van master in de psychologische wetenschappen;
   3° Belg zijn;
   4° ten minste dertig jaar oud zijn en niet ouder zijn dan vijfenzestig jaar;
   5° de burgerlijke en politieke rechten genieten.]1
  [3 Om tot werkend of plaatsvervangend assessor in interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie te worden benoemd, moet de kandidaat de volgende voorwaarden vervullen :
   1° ten minste vijf jaar nuttige beroepservaring hebben waaruit praktische kennis blijkt van de aangelegenheden die verband houden met de klinische psychologie;
   2° houder zijn van een diploma van master in de psychologische wetenschappen;
   3° Belg zijn;
   4° ten minste dertig jaar oud zijn;
   5° de burgerlijke en politieke rechten genieten.]3
  § 2. [3 Het ambt van werkend assessor in de strafuitvoeringsrechtbank wordt voltijds uitgeoefend.
   De werkende en plaatsvervangende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank worden benoemd voor een periode van een jaar, die een eerste maal voor een periode van drie jaar en vervolgens telkens voor een periode van vier jaar kan worden verlengd, na evaluatie.]3
  § 3. De assessor die op de dag van zijn benoeming een statutaire band heeft met de Staat of met enige andere van de Staat afhangende publiekrechtelijke rechtspersoon, wordt voor de duur van zijn benoeming ter beschikking gesteld van de strafuitvoeringsrechtbank.
  Tijdens de hele duur van de benoeming is de assessor met onbetaald verlof. Hij wordt gelijkgesteld met een ambtenaar met opdracht.
  Hij behoudt evenwel zijn recht op bevordering en op verhoging in zijn weddenschaal.
  De assessor die op de dag van zijn benoeming een contractuele band heeft met de Staat of met enige andere van de Staat afhangende publiekrechtelijke rechtspersoon, wordt voor de duur van zijn benoeming ter beschikking gesteld van de strafuitvoeringsrechtbank.
  Tijdens de duur van zijn benoeming wordt de arbeidsovereenkomst geschorst.
  Hij behoudt evenwel het recht op verhoging in zijn weddeschaal.
  De in § 3, eerste en vierde lid, bedoelde ambtenaren kunnen vervangen worden in hun oorspronkelijke dienst door een contractueel personeelslid voor de duur van hun terbeschikkingstelling.
  § 4. De assessor die zijn benoeming wenst te beëindigen, moet een opzeggingstermijn van tenminste een maand eerbiedigen. Hij stelt de voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg hiervan in kennis bij een ter post aangetekende brief die deze overzendt aan de minister.
  Wanneer een assessor zich tijdens zijn mandaat niet langer in de wettelijke voorwaarden bevindt om zijn ambt uit te oefenen, vervalt zijn benoeming van rechtswege.
  § 5. [3 De mandaten van assessor in strafuitvoeringszaken gespecialiseerd in penitentiaire zaken, van assessor in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in sociale re-integratie en van assessor in interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie mogen niet worden gecumuleerd.]3
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/11, art. 101, 195; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-07-2016. Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>
  (3)<W 2016-05-04/03, art. 46, 203; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 261, zevende en achtste lid)>

  Art. 196quater.<ingevoegd bij W 2006-05-17/36, art. 18, Inwerkingtreding : 31-08-2006> § 1. [3 De evaluatie van de werkende en plaatsvervangende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank geschiedt, na advies van de voorzitter van de kamer van de strafuitvoeringsrechtbank waarin de assessor zitting heeft, door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg waarin de assessor zijn ambt uitoefent.]3
   § 2. De werkende of plaatsvervangende assessor in [2 [3 in de strafuitvoeringsrechtbank]3 en interneringszaken]2 wordt onderworpen aan een met redenen omklede schriftelijke evaluatie, uiterlijk vier maanden vóór het verstrijken van iedere verlengbare periode waarvoor het mandaat is verleend.
   De evaluatie geschiedt binnen dertig dagen na de termijn bedoeld in het eerste lid.
   De evaluatie van het mandaat kan leiden tot de beoordeling " goed " of " onvoldoende ".
   Het mandaat wordt enkel verlengd als de werkende of plaatsvervangende assessor de beoordeling " goed " krijgt.
   § 3. De evaluatie slaat op de wijze van ambtsuitoefening, met uitsluiting van de inhoud van een rechterlijke beslissing, en geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten.
   De Koning bepaalt de evaluatiecriteria en de weging van deze criteria rekening houdend met de eigenheid van de ambten, en stelt nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen op.
   De evaluatie wordt voorafgegaan door één of meerdere functioneringsgesprekken tussen de geëvalueerde en ten minste een van zijn beoordelaars.
   [3 De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg]3 zendt bij gedagtekend ontvangstbewijs [3 langs elektronische weg tegen]3 ontvangstbewijs een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene.
   De betrokkene kan op straffe van verval binnen een termijn van tien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige beoordeling, zijn schriftelijke opmerkingen bij gedagtekend ontvangstbewijs of [3 langs elektronische weg tegen]3 ontvangstbewijs bezorgen bezorgen [3 zendt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg]3, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt. Binnen tien dagen na de ontvangst van de opmerkingen, zendt de eerste voorzitter van het hof van beroep een afschrift van de definitieve beoordeling aan de minister van Justitie en bij gedagtekend ontvangstbewijs of [3 langs elektronische weg tegen]3 ontvangstbewijs aan de betrokkene.
   De evaluatiedossiers worden bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg waar de zetel van het hof van beroep is gevestigd, bewaard. Een afschrift van de definitieve beoordelingen wordt bewaard bij de minister van Justitie gedurende ten minste tien jaar. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de betrokkenen ingekeken worden.
  [3 § 4. De assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank die een definitieve beoordeling "onvoldoende" hebben gekregen, kunnen binnen dertig dagen na de kennisgeving tegen die beoordeling beroep instellen bij de eerste voorzitter van het hof van beroep.]3
  ----------
  (2)<W 2014-05-05/11, art. 102, 195; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 136). Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>
  (3)<W 2016-05-04/03, art. 47, 203; Inwerkingtreding : 13-05-2016>

  Art. 196quinquies. [1 Met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, op verzoek van een voorzitter van een rechtbank van eerste aanleg die in een ander rechtsgebied is gelegen, een werkende of plaatsvervangende assessor in de strafuitvoeringsrechtbank die daarmee instemt opdracht geven om zijn ambt bijkomend uit te oefenen in een andere strafuitvoeringsrechtbank.
   In de opdrachtbeschikking van de eerste voorzitter wordt vermeld waarom die opdracht moet worden gegeven aan een werkende of plaatsvervangende assessor en worden de nadere regels van de opdracht omschreven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 48, 203; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 261, zevende en achtste lid)>

  Afdeling III. - Leden van de arbeidsrechtbank.

  Art. 197. Onverminderd de bepalingen betreffende de benoeming van de werkende en plaatsvervangende rechters in sociale zaken worden de leden van de arbeidsrechtbank en van het arbeidsauditoraat (, al naar gelang, door de Koning benoemdof aangewezen) op de gezamenlijke voordracht van de ministers die de Arbeid en de Justitie in hun bevoegdheid hebben. <W 1998-12-22/47, art. 31, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>

  Art. 198.Werkende en plaatsvervangende rechters in sociale zaken worden benoemd door de Koning op voordracht van de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft.
  De werkende en plaatsvervangende rechters in sociale zaken, die zijn voorgedragen door organisaties van zelfstandigen, worden evenwel benoemd door de Koning op de voordracht van de minister die de Middenstand in zijn bevoegdheid heeft.
  [1 De werkende en plaatsvervangende rechters in sociale zaken worden benoemd per arrondissement.]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-08/02, art. 5, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 199. Ter voorziening in de vacature van de plaatsen die bezet worden door rechters in sociale zaken benoemd als werkgever, als werknemer-arbeider, als werknemer-bediende of als zelfstandige, worden de kandidaten respectievelijk voorgedragen door de representatieve organisaties van werkgevers, werknemers-arbeiders, werknemers-bedienden en zelfstandigen.
  De wijze van voordracht van de kandidaten wordt geregeld door de Koning.

  Art. 200. Wanneer openstaande plaatsen van werkend of plaatsvervangend rechter in sociale zaken niet tijdig zijn kunnen begeven worden en wanneer de voorzitter van de arbeidsrechtbank vaststelt dat die vertraging de normale loop van het gerecht in het gedrang brengt, dan deelt hij dit mee aan de eerste voorzitter van het arbeidshof die, na het advies van de procureur-generaal te hebben ingewonnen, onder de werkende of plaatsvervangende rechters in sociale zaken die respectievelijk door de representatieve organisaties van werkgevers, van werknemers en van zelfstandigen werden voorgedragen, diegenen aanwijst die voorlopig de openstaande plaatsen zullen bezetten. Die aanwijzing gebeurt zonder inachtneming van de bijzondere samenstelling van de kamers, bedoeld in artikel 81.

  Art. 201. De representatieve organisaties van werkgevers, werknemers en zelfstandigen doen hun voordrachten toekomen binnen de kortst mogelijke tijd en ten laatste binnen drie maanden na het verzoek dat de minister tot hen richt, bij gebreke waarvan de benoemingen ambtshalve gebeuren.

  Art. 202. Om benoemd te worden tot werkend of plaatsvervangend rechter in sociale zaken, moet men volle vijfentwintig jaar oud zijn.
  De benoeming heeft plaats voor vijf jaar en kan na iedere termijn voor vijf jaar verlengd worden.) <W 06-05-1982, art. 1>
  (Lid 3 opgeheven) <W 2003-12-22/53, art. 8, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  (De functies van de rechters en raadsheren in sociale zaken, die worden uitgeoefend op het moment van de inwerkingtreding van deze wet, worden met 2 jaar verlengd.) <W 22-10-1982, art. 1>
  De rechter in sociale zaken die wordt benoemd als plaatsvervanger voor een ontslagnemende of overleden rechter in sociale zaken wordt benoemd voor de tijd die het ambt van zijn voorganger nog moest lopen.

  Afdeling IV. - Leden van de rechtbank van koophandel.

  Art. 203.Werkende en plaatsvervangende rechters in handelszaken worden door de Koning benoemd op de gezamenlijke voordracht van de ministers die Justitie, Economische Zaken en Middenstand in hun bevoegdheid hebben.
  [1 De werkende en plaatsvervangende rechters in handelszaken worden benoemd per arrondissement.]1
  De kandidaten voor die ambten kunnen zichzelf aanmelden of worden voorgedragen door representatieve professionele of interprofessionele organisaties uit de handel of de nijverheid (, overeenkomstig [1 [2 artikel 287sexies]2]1). <W 1998-12-22/47, art. 32, 066; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
  ----------
  (1)<W 2014-05-08/02, art. 6, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-04-10/73, art. 10, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>

  Art. 204. (De werkende of plaatsvervangende rechters in handelszaken worden benoemd voor vijf jaar. Hun benoeming kan na iedere termijn voor vijf jaar vernieuwd worden.) <W 06-05-1982, art. 1>
  (Lid 2 opgeheven) <W 2003-12-22/53, art. 9, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  (De functies van de rechters in handelszaken, die worden uitgeoefend op het moment van de inwerkingtreding van deze wet, worden met twee jaar verlengd.) <W 22-10-1982, art. 1>
  De rechters in handelszaken die worden benoemd als plaatsvervanger voor ontslagnemende of overleden rechters in handelszaken, worden benoemd voor de tijd die het ambt van hun voorganger nog moest lopen.

  Art. 205. (Om tot werkend of plaatsvervangend rechter in handelszaken te worden benoemd, moet men volle dertig jaar oud zijn, ten minste vijf jaar met ere handel hebben gedreven, deelgenomen hebben aan het bestuur van een handelsvennootschap waarvan de hoofdvestiging zich in België bevindt of van een representatieve professionele of interprofessionele organisatie uit de handel of de nijverheid, of vertrouwd zijn met het bestuur van een onderneming en met boekhouden.) <W 1997-07-17/65, art. 50, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Aan (het bestuur) van een handelsvennootschap worden geacht deel te nemen: <W 1997-07-17/65, art. 50, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  1° indien het een vennootschap (onder firma) betreft: de vennoten: <W 1997-07-17/65, art. 50, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  2° indien het een commanditaire vennootschap betreft: de werkende vennoten;
  3° indien het een naamloze vennootschap, een ((besloten vennootschap) met beperkte aansprakelijkheid) of een cooperatieve vennootschap betreft: (de bestuurders) of de zaakvoerders; <W 1985-07-15/35, art. 1, 006> <W 1997-07-17/65, art. 50, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  4° de personeelsleden van dergelijke vennootschappen die in de onderneming een leidinggevend ambt uitoefenen.
  Worden geacht deel te hebben genomen aan het bestuur van een professionele of interprofessionele organisatie: de bestuurders of de zaakvoerders en iedere persoon die in de bedoelde organisatie bestendig een leidende functie waarneemt.
  (Voor de toepassing van dit artikel worden mee name geacht vertrouwd te zijn met het bestuur van een onderneming en met boekhouden :
  1° de bedrijfsrevisoren ingeschreven op de lijst van het Instituut der Bedrijfsrevisoren;
  2° de accountants ingeschreven op de lijst van het Instituut der Accountants;) <W 1997-07-17/65, art. 50, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  (3° de erkende boekhouders en erkende boekhouders-fiscalisten ingeschreven op het tableau van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten.) <W 2005-04-13/31, art. 4, 124; Inwerkingtreding : 14-05-2005>

  Afdeling V. - Bepaling geldend voor de afdelingen III en IV.

  Art. 206.Om tot werkend of plaatsvervangend rechter in sociale zaken of in handelszaken te worden benoemd in rechtbanken welke enkel kennis nemen van Nederlandstalige zaken, moet men in het bezit zijn van een studiegetuigschrift of diploma van Nederlands onderwijs.
  Om tot werkend of plaatsvervangend rechter in sociale zaken of in handelszaken te worden benoemd in rechtbanken welke enkel kennis nemen van Franstalige zaken, moet men in het bezit zijn van een studiegetuigschrift of diploma van Frans onderwijs.
  [1 Derde lid opgeheven.]1
  [2 Derde tot vijfde lid opgeheven.]2
  [3 Om tot rechter of plaatsvervangend rechter in sociale zaken of in handelszaken te worden benoemd in rechtbanken welke enkel kennis nemen van Duitstalige zaken, moet de kandidaat ofwel in het bezit zijn van een studiegetuigschrift of diploma van Duits onderwijs ofwel geslaagd zijn in het mondeling examen over de kennis van de Duitse taal en het schriftelijk examen over de passieve kennis van de Duitse taal bedoeld in artikel 216, zesde lid.]3
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 21, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 7, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2014-12-19/24, art. 29, 196; Inwerkingtreding : 08-01-2015>

  HOOFDSTUK IIbis. (...). <W 2007-04-25/64, art. 42, 1°, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 206bis. (Opgeheven) <W 2007-04-25/64, art. 42, 2°, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 206ter. (Opgeheven) <W 2007-04-25/64, art. 42, 3°, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  HOOFDSTUK III. - Leden van het hof van beroep en van het arbeidshof en magistraten van het openbaar ministerie.

  Eerste afdeling. - Algemene bepalingen.

  Art. 207.<W 1998-12-22/47, art. 33, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste zeven jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie.
  § 2. Om tot kamervoorzitter in het hof van beroep of in het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van raadsheer in hetzelfde hof uitoefenen.
  § 3. Om tot raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof te worden benoemd moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en :
  1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;
  2° (hetzij voor het bij artikel 259bis-9, § 1, voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn en sedert ten minste vijftien jaar ononderbroken werkzaam zijn als advocaat of een gecumuleerde ervaring van minstens vijftien jaar hebben als advocaat en als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;) <W 2003-05-03/45, art. 12, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  3° hetzij [2 houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]2 en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of van het openbaar ministerie uitoefenen.
  [1 4° hetzij, wat betreft de raadsheren in het hof van beroep te Brussel die bij voorrang zitting nemen in het Marktenhof, beschikken over ten minste vijftien jaar nuttige beroepservaring die blijk geeft van gespecialiseerde kennis van het economisch, financieel of marktrecht.]1
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/14, art. 64, 208; Inwerkingtreding : 09-01-2017>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 241, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 207bis.<ingevoegd bij W 1997-07-09/36, art. 10, Inwerkingtreding : 13-08-1997> § 1. Om tot plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep te kunnen worden benoemd, moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en (...) aan een van de volgende voorwaarden voldoen : <W 2005-12-20/36, art. 9, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  1° ten minste twintig jaar werkzaam zijn geweest aan de balie [1 of het notarisambt hebben vervuld]1;
  2° sedert ten minste tien jaar plaatsvervangend rechter zijn bij een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank, een rechtbank van koophandel, een vredegerecht of een politierechtbank;
  3° in rust gesteld magistraat zijn, met uitzondering van de in § 2 bedoelde leden van de hoven van beroep;
  4° hoogleraar zijn die gedurende ten minste twintig jaar het recht aan een rechtsfaculteit onderwezen heeft;
  5° gedurende ten minste twintig jaar de werkzaamheden bedoeld in het 1° en het 4° gecumuleerd of opeenvolgend uitgeoefend hebben.
  § 2. De in rust gestelde leden van de hoven van beroep worden op hun verzoek door de eerste voorzitters van de hoven van beroep aangewezen om het ambt van plaatsvervangend raadsheer uit te oefenen [2 ...]2.
  § 3. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 34, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  ----------
  (1)<W 2010-01-31/13, art. 1, 162; Inwerkingtreding : 04-03-2010>
  (2)<W 2015-10-19/01, art. 69, 199; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 208. <W 1998-12-22/47, art. 35, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> (Om tot procureur-generaal bij een hof van beroep te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste zeven jaar als magistraat van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie.
  Om tot federaal procureur bij het federaal parket te worden aangewezen moet de kandidaat magistraat zijn van het openbaar ministerie. Daarenboven dient hij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uit te oefenen, waarvan de laatste zeven jaar als magistraat van de rechterlijke orde.) <W 2001-06-21/42, art. 13, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>

  Art. 209.<W 1998-12-22/47, art. 36, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot eerste advocaat-generaal bij het hof van beroep of bij het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat gedurende ten minste drie jaar de functie van advocaat-generaal respectievelijk bij hetzelfde hof van beroep of bij hetzelfde arbeidshof hebben uitgeoefend.
  Om tot advocaat-generaal bij het hof van beroep of bij het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar respectievelijk het ambt van substituut-procureur-generaal bij hetzelfde hof van beroep of substituut-generaal bij hetzelfde arbeidshof hebben uitgeoefend.
  § 2. Om tot substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep of substituut-generaal bij het arbeidshof te worden benoemd moet de kandidaat voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 207, § 3.
  [1 In geval van bekendmaking van een vacature kan de minister van Justitie aangeven dat de vacante betrekking bij voorrang wordt toegewezen aan een kandidaat die titels of verdiensten voorlegt waaruit een gespecialiseerde kennis blijkt. Deze titels of verdiensten worden onderzocht door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 119, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Afdeling II. - Hof van beroep.

  Art. 210.[2 De voorzitter en de raadsheren die alleen zitting houden in de gevallen bedoeld in artikel 109bis, § 3, worden door de eerste voorzitter van het hof van beroep, op schriftelijk en met redenen omkleed advies van de procureur-generaal, gekozen uit de raadsheren die sedert ten minste een jaar zijn benoemd [3 of uit de plaatsvervangende magistraten bedoeld in artikel 156bis]3.]2
  [3 Na het schriftelijk en met redenen omklede advies van de procureur-generaal en van de stafhouders van de Orde van advocaten te hebben gevraagd, kunnen evenwel alle werkende raadsheren in het hof van beroep, ongeacht hun anciënniteit, als enige raadsheer zitting houden, wanneer de eerste voorzitter van het hof van beroep de noodzaak daarvan aantoont.]3
  De magistraten bedoeld in het [3 eerste]3 lid en de [1 familie- en jeugdrechter]1 in hoger beroep kunnen ook volgens hun rang zitting nemen in de andere kamers van het hof.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 120, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014, gewijzigd bij W 2014-05-08/02, art. 54, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2015-10-19/01, art. 70, 199; En vigueur : 01-11-2015>
  (3)<W 2017-07-06/24, art. 242, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 210bis. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 38, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>

  Art. 210ter. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 39, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>

  Art. 211.<W 1998-12-22/47, art. 39, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Voor het hof van beroep te Brussel worden door elke taalgroep van de algemene vergadering evenveel kamervoorzitters aangewezen.
  (Voor het hof van beroep te Brussel worden [1 vierendertig]1 raadsheren en zevenentwintig plaatsvervangende raadsheren voorgedragen door de Franstalige benoemingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie en [1 eenendertig]1 raadsheren en zevenentwintig plaatsvervangende raadsheren door de Nederlandstalige benoemingscommissie van dezelfde Raad.) <W 2004-12-14/34, art. 6, 122; Inwerkingtreding : 31-12-2004>
  De voordracht van een openstaande plaats van raadsheer of plaatsvervangend raadsheer geschiedt door de benoemingscommissie die de magistraat heeft voorgedragen ten gevolge van wiens vertrek de plaats is opengevallen.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 231, 184; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 212. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 40, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>

  Art. 213. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 40, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>

  Art. 213bis. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 40, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>

  Art. 214. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 40, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>

  Afdeling III. - Arbeidshof.

  Art. 215. <W 1998-12-22/47, art. 41, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Onverminderd de bepalingen betreffende de benoeming van de werkende en de plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken worden de eerste voorzitter, de kamervoorzitters, de raadsheren in het arbeidshof en de eerste advocaat-generaal, de advocaten-generaal en de substituten-generaal bij dit hof, al naar gelang, aangewezen of benoemd door de Koning op gezamenlijke voordracht van de ministers tot wier bevoegdheid Arbeid en Justitie behoort.

  Art. 216.De werkende en de plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken worden benoemd door de Koning, op voordracht van de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft.
  De werkende en plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken die voorgedragen zijn door de organisaties van zelfstandigen, worden evenwel benoemd door de Koning op de voordracht van de minister die de Middenstand in zijn bevoegdheid heeft.
  De artikelen 199, 200, 201, 202 en 206 zijn van toepassing op de werkende en de plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken. [1 Om tot werkend of plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken te worden benoemd in het arbeidshof met zetel te Brussel, moet men in het bezit zijn van een studiegetuigschrift of diploma van Nederlands of Frans onderwijs. De raadsheer mag slechts zitting houden in zaken van dezelfde taal als het getuigschrift of het diploma dat hij bezit.]1
  In afwijking van artikel 202, moeten de kandidaten evenwel volle dertig jaar oud zijn.
  [2 Om te worden benoemd tot werkend of plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken bij het arbeidshof te Luik moet de kandidaat houder zijn van een studiegetuigschrift of diploma dat getuigt van een opleiding gevolgd in het Frans of in het Duits. De raadsheer in sociale zaken mag slechts zitting houden in zaken van dezelfde taal als het getuigschrift of diploma dat hij bezit.
   Hij mag echter zitting houden in zaken van een andere taal dan die van het studiegetuigschrift of diploma dat hij bezit, op voorwaarde dat hij geslaagd is voor een mondeling examen over de kennis van de andere taal alsook voor een schriftelijk examen over de passieve kennis ervan; beide examens worden door de Koning ingericht. De jury's waarvoor de proeven worden afgelegd, zijn samengesteld uit een voorzitter, gekozen uit de werkende leden van het hof van beroep, het arbeidshof, het parket-generaal of het auditoraat-generaal te Luik en uit twee werkende magistraten, die allen aangetoond hebben dat zij kennis hebben van de taal waarop het examen betrekking heeft, alsook uit twee taalprofessoren van het universitair onderwijs.
   Het besluit van benoeming bepaalt het taalstelsel waartoe de betrokkene behoort.]2
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 22, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 8, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  HOOFDSTUK IIIbis. - Bepaling gemeen aan de hoofdstukken I tot III. <Ingevoegd bij W 2003-05-03/45, art. 13; Inwerkingtreding : 02-06-2003>

  Art. 216bis.<Ingevoegd bij W 2003-05-03/45, art. 13; Inwerkingtreding : 02-06-2003> Een kandidaat die benoemd wordt tot een ambt bedoeld in artikel 58bis, 1°, kan zich in de loop van de drie jaar die volgen op de bekendmaking van het benoemingsbesluit in het Belgisch Staatsblad, geen kandidaat stellen voor een benoeming tot een ander ambt bedoeld in artikel 58bis, 1°, of voor hetzelfde ambt in of bij een ander rechtscollege.
  Deze bepaling is niet van toepassing op plaatsvervangende magistraten. [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 60, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  HOOFDSTUK IV. _ Juryleden.

  Eerste afdeling. _ Opmaken van de lijsten van gezworenen.

  Art. <217>. [1 Om op de lijst van gezworenen te worden ingeschreven, moet men voldoen aan de volgende voorwaarden :
   1° ingeschreven zijn in het kiezersregister;
   2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
   3° ten volle achtentwintig jaar en minder dan vijfenzestig jaar zijn;
   4° kunnen lezen en schrijven;
   5° geen strafrechtelijke veroordeling tot een gevangenisstraf van meer dan vier maanden [2 , tot een straf onder elektronisch toezicht van meer vier maanden, tot een werkstraf van meer dan zestig uur of tot een autonome probatiestraf van een jaar of meer]2 hebben opgelopen.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 213, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>
  (2)<W 2014-05-08/55, art. 2, 194; Inwerkingtreding : 01-05-2016>

  Eerste onderafdeling. - Gemeentelijke lijst.

  Art. 218.<W 05-01-1983, art. 2> Om de vier jaar, in de loop van de maand januari, worden de gezworenen bij loting aangewezen uit de laatste lijst van in het kiezersregister ingeschreven personen, opgemaakt overeenkomstig [1 artikel 10, § 1 ]1, van het kieswetboek.
  <NOTA : Volgens de wet van 20-11-1989 (B.St. 29-11-1989, p. 19507), "in afwijking van artikel 218 ... kunnen in het jaar 1989 de gezworenen bij loting worden aangewezen uit de lijst van de Belgische kiezers die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente, welke lijst door het college van burgemeester en schepenen moet worden opgemaakt met het oog op de Europese verkiezingen van 18 juni 1989.">
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 214, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 219. De loting heeft in het openbaar plaats op het gemeentehuis, op de datum en het uur die bij aanplakking worden bekendgemaakt.

  Art. 220. De burgemeester, _ bijgestaan door twee schepenen, laat tweemaal door het lot een cijfer van 1 tot 0 aanwijzen. Het eerst getrokken cijfer stelt de eenheden voor, het tweede de tientallen. De personen wier rangnummer op de lijst van de parlementskiezers, van de gemeente of van iedere wijk van de gemeente, eindigt op het aldus gevormde getal, worden op de voorbereidende lijst van gezworenen ingeschreven.

  Art. 221.De minister van Justitie bepaalt alle andere omstandigheden van die loting en inzonderheid in hoeveel malen die loting in iedere provincie [1 en in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad]1 moet plaatshebben opdat het nodige aantal gezworenen zou bekomen zijn.
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 215, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 222.Onmiddellijk na de loting laat de burgemeester uit de voorbereidende lijst van gezworenen de namen weg van de personen die geen volle [1achtentwintig]1 jaar oud zijn of die op één januari daarvoor [1 vijfenzestig]1 jaar geworden zijn.
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 216, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 223.[1 De burgemeester is ertoe gehouden een onderzoek in te stellen bij iedere kiezer die op de voorbereidende lijst is ingeschreven gebleven, teneinde te bepalen :
   1° of hij kan lezen en schrijven;
   2° a) in de provincies Antwerpen, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Limburg en Vlaams-Brabant, of hij ertoe in staat is de debatten van het hof van assisen in het Nederlands te volgen;
   b) in de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en Waals-Brabant, of hij ertoe in staat is de debatten van het hof van assisen in het Frans te volgen;
   c) in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, of hij ertoe in staat is de debatten van het hof van assisen in het Nederlands, in het Frans of in de twee talen te volgen; in dit laatste geval kan de kiezer aangeven welke taal hij verkiest;
   d) in [3 het gerechtelijk arrondissement Eupen en de kantons Limburg-Aubel, Malmedy-Spa-Stavelot, Verviers-Herve en Verviers]3, of hij ertoe in staat is de debatten van het hof van assisen in het Frans, in het Duits of in beide talen te volgen; in dit laatste geval kan de kiezer aangeven welke taal hij verkiest;
   3° of hij werkelijk een beroep uitoefent en hetwelk;
   4° of hij, al dan niet als hoofdbetrekking, een openbaar ambt bekleedt en hetwelk;
   5° of hij bedienaar is van een door de Staat erkende eredienst of afgevaardigde van een door de wet erkende organisatie die morele diensten verleent op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing;
   6° of hij militair is in actieve dienst;
   7° of hij in het bezit is van een diploma afgeleverd door een universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, van een diploma van hoger secundair onderwijs, van een diploma of een getuigschrift van technisch onderwijs, ingericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van de Gemeenschappen, of door een examencommissie ingesteld krachtens een wet of een decreet, van een diploma van onderwijzer of onderwijzeres of van een diploma van geaggregeerde van het secundair onderwijs van de lagere graad;
   8° of hij gewezen lid is van het Europees Parlement, van de federale wetgevende Kamers, van de gemeenschaps- en gewestparlementen, van de provincieraden, van de gemeenteraden, van de agglomeratieraden, van de federatieraden, van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, van de Franse Gemeenschapscommissie, van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, van de federale Regering en van de gemeenschaps -en gewestregeringen of gewezen burgemeester;
   9° of hij lid of gewezen lid is van een raad van advies ingesteld krachtens een wet of een koninklijk besluit;
   10° of er voor hem enig beletsel bestaat waardoor het onmogelijk is het ambt van gezworene te vervullen;
   11° of hij een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen tot een gevangenisstraf van meer dan vier maanden [2 , tot een straf onder elektronisch toezicht van meer vier maanden, tot een werkstraf van meer dan zestig uur of tot een autonome probatiestraf van een jaar of meer]2.]1
   Die kiezers dienen nauwkeurig een formulier in te vullen waarvan de minister van Justitie het model vaststelt.
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. <217>, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>
  (2)<W 2014-05-08/55, art. 3, 194; Inwerkingtreding : 01-05-2016>
  (3)<W 2016-02-05/11, art. 198, 201; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 224. [1 Op grond van de inlichtingen ingewonnen door middel van het onderzoek bedoeld in artikel 223, laat de burgemeester uit de voorbereidende lijst van gezworenen weg :
   1° de personen die niet kunnen lezen of schrijven;
   2° de personen die de taal niet kennen die gebruikt wordt in de rechtspleging ter zitting van het hof van assisen bij hetwelk zij zouden opgeroepen zijn om het ambt van gezworenen te vervullen;
   3° de personen die lid zijn van het Europees Parlement, van de federale wetgevende kamers, van de parlementen van de gemeenschappen en gewesten, van de provincieraden, van de gemeenteraden, van de agglomeratieraden, van de federatieraden, van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, van de Franse Gemeenschapscommissie, van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, van de federale regering en van de gemeenschaps- en gewestregeringen en de burgemeesters;
   4° de werkende magistraten van de rechterlijke orde, de raadsheren en de rechters in sociale zaken en in handelszaken, de assessoren [3 in de strafuitvoeringsrechtbank]3, de referendarissen bij het Hof van Cassatie, de griffiers en de leden van de parketsecretariaten;
   5° de leden van de Raad van State, de assessoren van de afdeling Wetgeving, de leden van het auditoraat, van het coördinatiebureau, de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en van de griffie;
   6° de leden van het Grondwettelijk Hof, de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof en de leden van de griffie;
   7° de leden van het Rekenhof;
   8° de provinciegouverneurs, de arrondissementscommissarissen en de provinciale griffiers;
   9° de leden van de Hoge Raad voor de Justitie;
   10° de titularissen van een management- of staffunctie in een ministerieel departement, federale overheidsdienst of programmatorische overheidsdienst, de ambtenaren-generaal en de bestuursdirecteurs bij de ministeriële departementen van de Gemeenschappen en Gewesten;
   11° de militairen in actieve dienst;
   12° de bedienaars van een door de Staat erkende eredienst en de afgevaardigden van door de wet erkende organisaties die morele diensten verlenen op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing;
   13° de personen die een strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen tot een gevangenisstraf van meer dan vier maanden [2 , tot een straf onder elektronisch toezicht van meer vier maanden, tot een werkstraf van meer dan zestig uur of tot een autonome probatiestraf van een jaar of meer]2.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 218, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>
  (2)<W 2014-05-08/55, art. 4, 194; Inwerkingtreding : 01-05-2016>
  (3)<W 2016-05-04/03, art. 49, 203; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 261, zevende en achtste lid)>

  Art. 225. Na de weglating wordt de gemeentelijke lijst van gezworenen definitief door de burgemeester afgesloten. Hij is ertoe gehouden er de in aanmerking genomen kiezers in alfabetische orde en volgens een gemeentelijk rangnummer in op te schrijven, zelfs indien er niet is geantwoord bij het onderzoek bedoeld in artikel 223, of er onvolledig of onjuist is geantwoord.

  Art. 226.(In het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad) maakt de burgemeester twee lijsten op : <W 1993-07-16/31, art. 363, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  De ene omvat de namen van de personen die, volgens hun verklaringen naar aanleiding van het onderzoek, in het Nederlands de debatten kunnen volgen of die taal gekozen hebben.
  De andere omvat de personen die, volgens hun verklaring naar aanleiding van het onderzoek, in het Frans de debatten kunnen volgen of die taal gekozen hebben.
  ((In [1 het gerechtelijk arrondissement Eupen en de kantons Limburg-Aubel, Malmedy-Spa-Stavelot, Verviers-Herve en Verviers]1) maakt de burgemeester twee lijsten op : de ene omvat de namen van de personen die, volgens hun verklaringen naar aanleiding van het onderzoek de debatten in het Frans kunnen volgen of die taal gekozen hebben; de andere omvat de personen die volgens hun verklaringen naar aanleiding van het onderzoek de debatten in het Duits kunnen volgen of die taal gekozen hebben.) <W 24-03-1980, art. 9> <W 1985-09-23/33, art. 43, 008>
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 199, 201; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 227. De gemeentelijke lijst van gezworenen wordt aan de bestendige deputatie (of de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, naargelang het geval) toegezonden vóór één mei, met de formulieren die bij toepassing van artikel 223 zijn ingezameld. <W 1993-07-16/31, art. 364, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  De minister van Justitie bepaalt de wijze waarop de lijsten worden opgemaakt en de gegevens die er moeten worden op ingeschreven.

  Onderafdeling 2. _ Provinciale lijst.

  Art. 228. De bestendige deputatie maakt de provinciale lijst van gezworenen op en zendt deze vóór 1 juni met dezelfde formulieren aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de hoofdplaats van de provincie. Zij is ertoe gehouden er alle namen op in te schrijven die voorkomen op de gemeentelijke lijsten. Zij volgt de alfabetische orde, neemt alle gegevens over van de gemeentelijke lijsten en geeft aan elke naam een provinciaal rangnummer.

  Art. 229.(De Brusselse Hoofdstedelijke Regering maakt twee lijsten van gezworenen op : de ene met de Nederlandstalige gemeentelijke lijsten, de andere met de Franstalige gemeentelijke lijsten.) <W 1993-07-16/31, art. 365, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  [1 Zij bezorgt de lijst van de gezworenen die de Franstalige gemeentelijke lijsten bevat aan de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg en de lijst van de gezworenen die de Nederlandstalige gemeentelijke lijsten bevat aan de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg.]1
  (De bestendige deputatie van de provincieraad van Luik maakt twee provinciale lijsten van gezworenen op: de ene met de Franstalige gemeentelijke lijsten van [2 het gerechtelijk arrondissement Eupen en de kantons Limburg-Aubel, Malmedy-Spa-Stavelot, Verviers-Herve en Verviers]2 en de gemeentelijke lijsten van de overige arrondissementen; de andere met de Duitstalige gemeentelijke lijsten van [2 het gerechtelijk arrondissement Eupen en de kantons Limburg-Aubel, Malmedy-Spa-Stavelot, Verviers-Herve en Verviers]2). <W 1985-09-23/33, art. 44, 008>
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 23, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 200, 201; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Onderafdeling 3. _ Definitieve lijst.

  Art. 230. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg belast een van de oudstbenoemde rechters met het opmaken van de definitieve lijst van gezworenen. Hij kan een tweede rechter aanwijzen die de eerste bijstaat in alle verrichtingen. Deze geschieden in raadkamer, in aanwezigheid van het openbaar ministerie en nadat het gehoord is; de griffie maakt er proces-verbaal van op zoals in correctionele zaken. De rechter wint door tussenkomst van het openbaar ministerie de inlichtingen in die nodig zijn voor de toepassing van artikel 231.

  Art. 231.De rechter laat uit de provinciale lijst de namen weg van de personen die:
  a) bij vergissing ingeschreven zijn gebleven op de gemeentelijke lijst of (die vermoedelijk afwezig zijn in de zin van artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek); <W 2007-05-10/51, art. 2, 150; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  b) die niet of onvolledig hebben geantwoord bij het onderzoek voorgeschreven bij artikel 223, wanneer er voor hen een beletsel bestaat om aanwezig te zijn op de zittingen van het hof van assisen;
  c) wier oorzaken van verhindering, ingeroepen bij het in artikel 223 bedoelde onderzoek, hij aanneemt.
  [1 d) een veroordeling hebben opgelopen tot een gevangenisstraf van meer dan vier maanden [2 , tot een straf onder elektronisch toezicht van meer dan vier maanden, tot een werkstraf van meer dan zestig uur of tot een autonome probatiestraf van een jaar of meer]2.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 219, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>
  (2)<W 2014-05-08/55, art. 5, 194; Inwerkingtreding : 01-05-2016>

  Art. 232. Nadat hij beslist heeft over de gevallen die in artikel 231 zijn vermeld, sluit de rechter de definitieve in alfabetische orde opgemaakte lijst van gezworenen af. Hij laat elke naam het rangnummer van de provinciale lijst behouden.
  Hij laat er alle personen op ingeschreven staan wier namen hij niet uit de provinciale lijst heeft weggelaten, en die een van de diploma's of getuigschriften bezitten die zijn opgesomd in artikel 223, 7°, die een van de ambten hebben vervuld die zijn aangegeven in artikel 223, 8°, of die een van de in artikel 223, 9°, aangegeven ambten vervullen of hebben vervuld. Hij voegt er een gelijk aantal bij loting uit de provinciale lijst aangewezen personen aan toe, die deze voorwaarden niet vervullen.

  Art. 233.
  <Opgeheven bij W 2009-12-21/14, art. 220, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 234.Tegen de inschrijving van een persoon op de definitieve lijst van gezworenen staat geen voorziening open; ze houdt het vermoeden in dat de gezworene er wettelijk toe in staat is het ambt van gezworene te vervullen in de provincie [1 of in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad]1, gedurende de geldigheidsduur van de lijst.
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 221, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 235. De rechter zendt aan de procureur des Konings de namen van de personen die niet hebben geantwoord of onvolledig of onjuist hebben geantwoord bij de in de artikelen 223 en 230 bedoelde onderzoeken.

  Art. 236.Vóór 1 november legt hij op de griffie van de rechtbank de definitieve lijst neer van de gezworenen [1 ...]1 waaruit de gezworenen die geroepen worden om zitting te nemen vanaf 1 januari van het volgende jaar, zullen worden uitgeloot.
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 222, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Onderafdeling 4. _ Bijzondere lijst voor iedere zaak..

  Art. 237.Ten minste dertig dagen voor de datum die hij heeft bepaald voor de opening van de zitting, gelast de eerste voorzitter van het hof van beroep, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de hoofdplaats der provincie [1 of [2 van de betrokken Nederlandstalige of Franstalige rechtbank van eerste aanleg]2 van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad]1 binnen tien dagen te doen overgaan tot de uitloting van de gezworenen die geroepen worden om mede te werken aan de samenstelling van de jury voor iedere zaak.
  [1 De eerste voorzitter van het hof van beroep meldt, op advies van de procureur-generaal, voor iedere zaak, aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg het aantal namen die in de definitieve lijst van gezworenen zullen worden opgenomen. Dit aantal mag niet lager zijn dan zestig.]1
  [3 Bij toepassing van artikel 115, derde lid, geschiedt de loting van de gezworenen in de definitieve lijst van het gerechtelijk arrondissement waar de zitting van het hof van assisen door die beslissing geopend wordt. In voorkomend geval geschiedt de bijkomende loting bedoeld in artikel 238, tweede lid, in dezelfde definitieve lijst van gezworenen.]3
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 223, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>
  (2)<W 2012-07-19/36, art. 24, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (3)<W 2016-02-05/11, art. 201, 201; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 238.De loting geschiedt in openbare zitting in de kamer die de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg aanwijst en in aanwezigheid van het openbaar ministerie. (De voorzitter van die kamer neemt, voor iedere zaak, het aantal namen opgegeven overeenkomstig artikel 237 uit de definitieve lijst van gezworenen [1 ...]1 van het gerechtelijk arrondissement waar een zitting van het hof van assisen geopend wordt.) <W 1993-07-15/30, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 24-07-1993>
  [1 In voorkomend geval gelast de voorzitter van het hof van assisen ten minste vijftien dagen vóór de opening van de debatten, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de hoofdplaats der provincie of van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad binnen achtenveertig uur een bijkomend aantal namen te doen uitloten dat hij vaststelt in de definitieve lijst van gezworenen.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 224, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 239.De loting wordt derwijze verricht dat een zelfde gezworene niet kan geroepen worden om zitting te nemen:
  1° [1 ...]1;
  1° (oude 2°) in meer dan een zaak gedurende dezelfde zitting;
  2° (oude 3°) tegelijkertijd bij twee verschillende hoven van assisen.
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 225, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 240. Binnen tien dagen na de loting wordt door het openbaar ministerie:
  1° aan iedere gezworene overeenkomstig de artikelen 33 en 35 tot 40 van dit wetboek een dagvaarding betekend om zich aan te melden op de zetel van het hof van assisen op de dag die de eerste voorzitter van het hof van beroep voor de opening van de debatten heeft vastgesteld;
  2° aan de procureur-generaal en aan de voorzitter van het hof van assisen de lijst van gezworenen toegezonden.

  Art. 240bis.<ingevoegd bij W 2000-03-28/33, art. 3; Inwerkingtreding : 27-03-2001> Ten minste acht dagen vóór de opening van de debatten beslist de voorzitter van het hof van assisen, na kennisneming van de schriftelijke conclusies van de procureur-generaal, bij beschikking over de rechtzetting van de materiële fouten betreffende de identiteit van de gezworenen die voorkomen op de lijst van de gezworenen [1 ...]1.
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 226, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 241.Ten minste achtenveertig uren vóór de opening van de debatten wordt de lijst van gezworenen door toedoen van het openbaar ministerie aan iedere beschuldigde ter kennis gebracht en worden de stukken van het onderzoek bedoeld in artikel 223 betreffende de [1 ...]1 gezworenen die geroepen zijn om zitting te nemen, bij het strafdossier gevoegd; zij blijven erin berusten totdat de rechtsprekende jury samengesteld is.
  ----------
  (1)<W 2009-12-21/14, art. 227, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Afdeling II. _ Samenstelling van de rechtsprekende jury.

  Art. 242.
  <Opgeheven bij W 2009-12-21/14, art. 228, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 243.
  <Opgeheven bij W 2009-12-21/14, art. 228, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 244.
  <Opgeheven bij W 2009-12-21/14, art. 228, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 245.
  <Opgeheven bij W 2009-12-21/14, art. 228, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 246.
  <Opgeheven bij W 2009-12-21/14, art. 228, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 247.
  <Opgeheven bij W 2009-12-21/14, art. 228, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 248.
  <Opgeheven bij W 2009-12-21/14, art. 228, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 249.
  <Opgeheven bij W 2009-12-21/14, art. 228, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 250.
  <Opgeheven bij W 2009-12-21/14, art. 228, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 251.
  <Opgeheven bij W 2009-12-21/14, art. 228, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 252.
  <Opgeheven bij W 2009-12-21/14, art. 228, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  Art. 253.
  <Opgeheven bij W 2009-12-21/14, art. 228, 159; Inwerkingtreding : 21-01-2010>

  HOOFDSTUK V. - Leden van het Hof van Cassatie.

  Art. 254.<W 1998-12-22/47, art. 42, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot eerste voorzitter van het Hof van Cassatie te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar in het ambt van raadsheer in het Hof van Cassatie.
  § 2. Om tot voorzitter, in het Hof van Cassatie te worden aangewezen moet de kandidaat sedert tenminste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar in het ambt van raadsheer in het Hof van Cassatie.
  Om tot [1 sectievoorzitter]1 in het Hof van Cassatie te worden aangewezen. moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van raadsheer in het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend.
  § 3. Om tot raadsheer in het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste tien jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 50, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 255. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 43, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>

  Art. 256. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 43, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>

  Art. 257. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 43, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>

  Art. 258. <W 1998-12-22/47, art. 44, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot procureur-generaal bij het Hof van Cassatie te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar in het ambt van advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie.
  § 2. Om tot eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie uitoefenen.
  § 3. Om tot advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 254, § 3.

  Art. 259. Vijf raadsheren en een advocaat-generaal moeten gedurende ten minste vijf jaar een gerechtelijk ambt hebben uitgeoefend bij een arbeidsrechtbank of een arbeidshof.

  HOOFDSTUK Vbis. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Hoge Raad voor de Justitie.

  Afdeling I. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Samenstelling.

  Art. 259bis1.<Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De Hoge Raad voor de Justitie zoals ingesteld door artikel 151 van de Grondwet, hierna te noemen "Hoge Raad", telt vierenveertig leden van Belgische nationaliteit.
  De Hoge Raad bestaat uit een Nederlandstalig en een Franstalig college van elk tweeëntwintig leden. Elk college telt elf magistraten en elf niet-magistraten.
  [1 Alle leden moeten de burgerlijke en politieke rechten genieten. Zij mogen niet veroordeeld zijn door een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, zelfs niet met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf, tenzij ze in eer en rechten hersteld zijn. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op personen die in het buitenland tot een soortgelijkestraf zijn veroordeeld door een in kracht van gewijsde gegane veroordeling.]1
  § 2. De groep magistraten bestaat per college ten minste uit :
  1° een lid van een hof of van het openbaar ministerie bij een hof;
  2° een lid van de zittende magistratuur;
  3° een lid van het openbaar ministerie;
  4° een lid per rechtsgebied van het hof van beroep.
  De magistraten van het Hof van Cassatie, (...) de bijstandsmagistraten (, de verbindingsmagistraten in jeugdzaken) en de federale magistraten worden geacht deel uit te maken van het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel. (De magistraten die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, belast zijn met een opdracht, blijven, voor de verkiezingen bedoeld in artikel 259bis-2, verbonden aan hun rechtscollege.) <W 2001-06-21/42, art. 14, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> <W 2003-04-10/59, art. 91, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <W 2006-06-13/40, art. 39, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  § 3. De groep niet-magistraten telt per college ten minste vier leden van elk geslacht en bestaat uit ten minste :
  1° vier advocaten met een beroepservaring van ten minste tien jaar balie;
  2° drie hoogleraren aan een universiteit of een hogeschool in de Vlaamse of Franse Gemeenschap met een voor de opdracht van de Hoge Raad relevante beroepservaring van ten minste tien jaar;
  3° vier leden die houder zijn van ten minste een diploma van een hogeschool van de Vlaamse of Franse Gemeenschap met een voor de opdracht van de Hoge Raad relevante beroepservaring van ten minste tien jaar op juridisch, economisch, administratief, sociaal of wetenschappelijk vlak.
  [1 Om te kunnen worden benoemd in de groep niet magistraten mag een kandidaat in de vijf jaar die voorafgaan aan zijn kandidaatstelling geen beroepsmagistraat in actieve dienst zijn geweest.]1
  Ten minste één lid van het Franstalig college moet het bewijs leveren van de kennis van het Duits.
  ----------
  (1)<W 2015-11-23/01, art. 2, 200; Inwerkingtreding : 27-11-2015>

  Afdeling II. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Aanstelling van de leden.

  Art. 259bis2.<Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De magistraten worden verkozen bij rechtstreekse en geheime verkiezing uit de beroepsmagistraten in actieve dienst door een Nederlandstalig en een Franstalig kiescollege dat bestaat uit de beroepsmagistraten van de taalrol die overeenstemt met die van de benoeming.
  De stemming is verplicht en geheim.
  Op straffe van ongeldigheid van het stembiljet brengt elke kiezer drie stemmen uit waarvan, ten minste één voor een kandidaat van de zittende magistratuur, één voor een kandidaat van het openbaar ministerie en één voor een kandidaat van elk geslacht.
  De kandidaten worden per kiescollege gerangschikt in volgorde van het aantal behaalde stemmen.
  In de volgorde van het aantal behaalde stemmen zijn eerst de magistraten verkozen die voldoen aan de criteria bedoeld in artikel 259bis-1, § 2, in de aldaar bepaalde volgorde.
  Zodra aan de criteria bedoeld in artikel 259bis-1, § 2, is voldaan, zijn de magistraten verkozen in de volgorde van het aantal behaalde stemmen.
  [1 Wanneer verschillende kandidaten een gelijk aantal stemmen behalen, worden zij gerangschikt volgens hun anciënniteit als beroepsmagistraat in aflopende volgorde. Wanneer er dan nog een gelijke rangschikking is, worden ze gerangschikt volgens leeftijd.]1
  De verkiezingsprocedure wordt geregeld bij [1 ...]1 koninklijk besluit.
  § 2. De niet-magistraten worden door de Senaat benoemd met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen.
  Onverminderd het recht om zich individueel kandidaat te stellen, kunnen door elk van de orden van advocaten en door elk van de universiteiten en hogescholen van de Vlaamse en Franse Gemeenschap kandidaten worden voorgedragen. Per college worden ten minste vijf leden uit de voorgedragen kandidaten benoemd.
  § 3. Op het ogenblik van de kandidaatstelling mag de leeftijd van [1 66]1 jaar niet zijn bereikt.
  § 4. Voor de leden van de Hoge Raad wordt voor de duur van het mandaat een lijst met opvolgers opgesteld.
  Voor de magistraten bestaat deze lijst uit de niet-verkozen magistraten in de volgorde van het aantal behaalde stemmen.
  Voor de niet-magistraten wordt deze lijst opgesteld door de Senaat; hij bestaat uit de niet-benoemde kandidaten.
  [2 § 4/1. De kandidaten die zijn opgenomen in de definitieve kandidatenlijsten en die niet werden verkozen, kunnen binnen een termijn van vijf dagen vanaf de verzending van het uittreksel uit het proces-verbaal van de verkiezing per elektronische post ter attentie van de voorzitter van de Hoge Raad, een bezwaar indienen tegen de regelmatigheid van de kiesverrichtingen, de stemopneming, de rangschikking van de kandidaten of de aanwijzing van de verkozenen.
   De kandidaat die het bezwaar indient moet een belang hebben. Het bezwaar dient, op straffe van onontvankelijkheid, met reden omkleed te zijn en vergezeld te zijn van de stavingsstukken die de kandidaat in zijn bezit heeft.
   Het Bureau spreekt zich binnen acht dagen na de ontvangst van het bezwaar uit over de ontvankelijkheid ervan. Het deelt binnen vijf dagen deze beslissing per elektronische post mee aan de indiener en bezorgt per elektronische post een kopie van het ontvankelijk verklaarde bezwaar aan de minister bevoegd voor Justitie en aan de andere kandidaten.
   De andere kandidaten kunnen binnen vijf dagen vanaf de verzending van de kopie hun opmerkingen per elektronische post overzenden aan de voorzitter van de Hoge Raad.
   Indien het bezwaar ontvankelijk is verklaard, wijst het Bureau één van zijn leden aan of een lid van de Hoge Raad die geen kandidaat is om een onderzoek in te stellen en verslag uit te brengen aan de algemene vergadering. Het aangewezen lid is bevoegd om alle nuttige vaststellingen te doen, alle betrokken personen te horen en alle relevante documenten op te vragen en te onderzoeken. De stembiljetten mogen alleen worden onderzocht in het bijzijn van twee getuigen, leden-magistraten van de Hoge Raad die geen kandidaat zijn. De enveloppen die de stembiljetten bevatten, worden na het onderzoek in hun bijzijn opnieuw verzegeld.
   Binnen veertig dagen na de ontvangst van het bezwaar en na de indiener van het bezwaar te hebben gehoord, doet de algemene vergadering van de Hoge Raad, met uitsluiting van de leden-magistraten die kandidaat zijn, uitspraak, deelt zij deze beslissing per elektronische post mee aan de indiener en bezorgt zij per elektronische post een kopie aan de minister bevoegd voor Justitie en aan de andere kandidaten.
   Indien het bezwaar gegrond wordt verklaard en de vastgestelde onregelmatigheid een invloed zou kunnen hebben gehad op de rangschikking van de kandidaten, de aanwijzing van de verkozenen of de opstelling van de lijst met opvolgers overeenkomstig paragraaf 4, tweede lid, dan neemt de algemene vergadering de nodige maatregelen om deze onregelmatigheid recht te zetten.]2
  § 5. Ten laatste (acht maanden) voor het verstrijken van het mandaat van de leden van de Hoge Raad wordt een oproep tot de kandidaten bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. <W 2002-12-19/59, art. 2, 101; 16-01-2003>
  Voor de magistraten moeten de kandidaturen op straffe van verval binnen een termijn van een maand na deze oproep bij een ter post aangetekende brief aan de Hoge Raad worden gericht.
  Voor de niet-magistraten moeten de kandidaturen en de lijsten met voorgedragen kandidaten bedoeld in § 2, tweede lid, op straffe van verval binnen een termijn van drie maanden na deze oproep aan de voorzitter van de Senaat worden gericht bij een ter post aangetekende brief.
  (De Minister van Justitie maakt de lijst met de aantredende leden van de Hoge Raad voor de Justitie en hun opvolgers bekend in het Belgisch Staatsblad in de derde maand vóór het verstrijken van het mandaat. De Hoge Raad maakt de samenstelling van het bureau en de commissies bekend in het Belgisch Staatsblad en deze bekendmaking geldt als installatie.
  De uittredende leden houden zitting tot het verstrijken van hun mandaat en in ieder geval tot de installatie van de nieuwe leden van het bureau en de commissies overeenkomstig artikel 259bis -4.) <W 2002-12-19/59, art. 2, 101; 16-01-2003>
  ----------
  (1)<W 2015-11-23/01, art. 3, 200; Inwerkingtreding : 27-11-2015>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 243, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Afdeling III. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Duur van het mandaat en onverenigbaarheden.

  Art. 259bis3.<Ingevogd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1.[1 De leden nemen in de Hoge Raad zitting voor een periode van vier jaar die ingaat op de dag van de installatie. Niemand mag meer dan twee mandaten vervullen.]1
  § 2. Het lidmaatschap van de Hoge Raad is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met de uitoefening van :
  1° een ambt van plaatsvervangend magistraat; (NOTA : Bij arrest nr 3/2001 van 25 januari 2001 (B.S. 13-02-2001) heeft het Arbitragehof in dit artikel, het 1° vernietigd en handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling, wat de samenstelling en de handelingen van de Hoge Raad voor de Justitie betreft, tot aan de volgende benoemingen die zullen worden gedaan door de Senaat met toepassing van artikel 259bis2, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek)
  2° een bij verkiezing verleend openbaar mandaat;
  3° een openbaar ambt van politieke aard;
  4° een mandaat van korpschef.
  § 3. Het mandaat in de Hoge Raad eindigt van rechtswege indien :
  1° het lid er om verzoekt;
  2° een onverenigbaarheid bedoeld in § 2 ontstaat;
  3° een lid de hoedanigheid vereist als voorwaarde om in de Hoge Raad zitting te kunnen nemen, verliest;
  4° een lid kandidaat is voor een benoeming tot magistraat of een aanwijzing tot korpschef, bijstandsmagistraat (, verbindingsmagistraat in jeugdzaken of federale) magistraat; <W 2006-06-13/40, art. 40, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  5° [1 een magistraat werd toegelaten tot de inruststelling;]1
  [1 6° een lid niet meer voldoet aan de in artikel 259bis-1, § 1, derde lid, bedoelde voorwaarden.]1
  § 4. Het mandaat van een lid kan om ernstige redenen worden opgeheven door de Hoge Raad die daarover beslist met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen in elke college. Tegen de beslissingen staat geen enkel beroep open.
  Het mandaat kan niet worden opgeheven dan nadat het lid gehoord is over de aangevoerde redenen. Voorafgaandelijk aan de hoorzitting stelt de Hoge Raad een dossier samen dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de aangevoerde redenen.
  Ten minste vijf dagen voor de hoorzitting wordt de betrokkene opgeroepen bij een ter post aangetekende brief met ten minste opgave van :
  1° de aangevoerde ernstige redenen;
  2° het feit dat de opheffing van het mandaat wordt overwogen;
  3° plaats, dag en uur van de hoorzitting;
  4° het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze;
  5° de plaats waar en de termijn waarbinnen het dossier kan worden ingezien;
  6° het recht om getuigen te doen oproepen.
  Vanaf de oproeping tot en met de dag voor de hoorzitting kunnen de betrokkene en de persoon die hem bijstaat het dossier inzien.
  Van de hoorzitting wordt proces-verbaal opgesteld.
  ----------
  (1)<W 2015-11-23/01, art. 4, 200; Inwerkingtreding : 27-11-2015>

  Afdeling IV. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Werking.

  Art. 259bis4. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De Hoge Raad stelt met een meerderheid van twee derden van zijn leden een bureau samen dat bestaat uit twee magistraten en twee niet-magistraten. Elk college draagt hiertoe een magistraat en een niet-magistraat voor. De Hoge Raad wijst tevens op voorstel van elk college met dezelfde meerderheid de commissies aan waarvan de leden van het bureau het voorzitterschap bekleden.
  De Koning kan op voorstel van de Hoge Raad bij een in Ministerraad overlegd besluit het aantal leden van het bureau verhogen volgens de behoeften van de dienst met inachtneming van de verdeling bedoeld in het eerste lid.
  De leden van het bureau oefenen hun functie voltijds uit en mogen tijdens de duur van hun mandaat geen andere beroepsactiviteit uitoefenen. De Hoge Raad kan afwijkingen op dit verbod toestaan op voorwaarde dat ze de betrokkene niet beletten zijn opdracht naar behoren te vervullen.
  § 2. Het voorzitterschap van de Hoge Raad wordt, in de volgorde bepaald door twee derden van zijn leden, voor een termijn van één jaar beurtelings bekleed door (een lid van het bureau behorend tot een verschillend college en dat nog geen voorzitter van de Hoge Raad is geweest.) <W 2000-07-17/34, art. 2, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 3. Het voorzitterschap van elk college wordt voor een termijn van twee jaar beurtelings bekleed door de voorzitters van de benoemingscommissie en de advies- en onderzoekscommissie, te beginnen met de oudste.
  § 4. Elk lid van de Hoge Raad neemt zitting in één van de commissies van de colleges.
  Elk college wijst de leden van zijn commissies aan met een meerderheid van twee derden van zijn leden.
  § 5. Het Nederlandstalige college en zijn commissies verrichten hun werkzaamheden in het Nederlands. Het Franstalige college en zijn commissies verrichten hun werkzaamheden in het Frans.
  De algemene vergadering en de verenigde commissies verrichten hun werkzaamheden in het Nederlands en het Frans. De leden gebruiken daarbij de taal van het college waartoe zij behoren.
  De Hoge Raad neemt de nodige maatregelen voor de vertaling.

  Art. 259bis5.<Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. Onverminderd andersluidende bepalingen besluiten de Hoge Raad, de colleges, de commissies en het bureau bij volstrekte meerderheid van stemmen op voorwaarde dat ten minste de helft van de leden aanwezig is. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.
  § 2. Een lid waarvan het mandaat voortijdig openvalt, wordt voor de resterende duur vervangen door een opvolger. Betreft het een magistraat dan wordt hij vervangen door de eerst gerangschikte kandidaat op de lijst bedoeld in artikel 259bis-2, § 4, tweede lid. Betreft het een niet-magistraat, dan wijst de Senaat de opvolger aan uit de lijst bedoeld in artikel 259bis-2, § 4, derde lid.
  [1 De opvolger valt onder de toepassing van artikel 259bis-3, § 1. Indien de resterende duur van het mandaat minder dan een jaar bedraagt, geldt dit niet als een mandaat voor de toepassing van de beperking van het aantal mandaten voorzien in die bepaling.]1
  ----------
  (1)<W 2015-11-23/01, art. 5, 200; Inwerkingtreding : 27-11-2015>

  Art. 259bis6. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De Hoge Raad, de colleges en de commissies kunnen bij hun werkzaamheden deskundigen raadplegen.
  § 2. (De Hoge Raad beschikt over eigen personeel dat belast is met de ondersteuning van zijn werkzaamheden en de organisatie van de verkiezingen bedoeld in artikel 259bis -2, § 1. De Hoge Raad stelt de personeelsformatie en de taalkaders vast, met inachtneming van de taalpariteit per niveau. De Hoge Raad bepaalt het statuut van zijn personeel. Hij benoemt en ontslaat zijn personeel.
  De Koning keurt bij een in Ministerraad overlegd besluit de personeelsformatie, de taalkaders en het statuut bedoeld in het vorige lid goed.) <W 2002-12-19/59, art. 4, 101; 01-04-2003>
  (Lid 3 opgeheven) <W 2002-12-19/59, art. 4, 101; 01-04-2003>
  (Lid 4 opgeheven) <W 2002-12-19/59, art. 4, 101; 01-04-2003>
  De Hoge Raad beslist over de opdrachten, de verhindering en de vervanging, de afwezigheid, het verlof en de vakantie van de leden van het administratief personeel.
  § 3. De Hoge Raad stelt een huishoudelijk reglement op dat de werkwijze van de Hoge Raad en het bureau bepaalt.
  § 4. Het bureau coördineert de werkzaamheden van de Hoge Raad, de colleges en het personeel.

  Afdeling V. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Algemene vergadering van de Hoge Raad.

  Art. 259bis7. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De Hoge Raad ontvangt rechtstreeks van de bevoegde instanties de door de wet of bij verordening voorgeschreven verslagen die verband houden met de algemene werking van de rechterlijke orde.
  § 2. De algemene vergadering is bevoegd voor :
  1° de goedkeuring van de adviezen, voorstellen, verslagen, richtlijnen, programma's en andere handelingen van de colleges en de commissies in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald in de afdelingen VI en VII;
  2° de vaststelling van de beëindiging van het mandaat van een lid van de Hoge Raad in de gevallen bedoeld in artikel 259bis-3, § 3.
  § 3. De algemene vergadering stelt aan de hand van een analyse en een evaluatie van de vergaarde informatie een jaarlijks verslag op over de algemene werking van de rechterlijke orde, dat wordt bezorgd aan de Minister van Justitie, de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat en de korpschefs van de hoven en van het openbaar ministerie bij deze hoven. Deze verslagen bevatten geen enkele aanwijzing over de identiteit van personen.
  § 4. De Minister van Justitie of zijn vertegenwoordiger kan op uitnodiging van de Hoge Raad of op eigen verzoek worden gehoord.

  Afdeling VI. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> De benoemings- en aanwijzingscommissies.

  Art. 259bis8. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. Elk college stelt in zijn midden een benoemings- en aanwijzingscommissie in, hierna "de benoemingscommissie" genoemd, die bestaat uit veertien leden, waarvan de helft magistraten en de helft niet-magistraten zijn. Ten minste één lid van de Franstalige benoemingscommissie moet blijk geven van de kennis van het Duits.
  Het voorzitterschap van elke benoemingscommissie wordt bekleed door het daartoe aangewezen lid van het bureau. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste aanwezige lid.
  Elke benoemingscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste tien leden aanwezig zijn.
  § 2. De benoemingscommissies vormen samen de verenigde benoemingscommissie.
  Het voorzitterschap van de verenigde benoemingscommissie wordt voor een termijn van twee jaar beurtelings bekleed door de voorzitters van de benoemingscommissies, te beginnen met de oudste. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste aanwezige lid van de commissie waartoe de voorzitter in functie behoort.
  De verenigde benoemingscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste tien leden van elke benoemingscommissie aanwezig zijn.

  Art. 259bis9.<Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De verenigde benoemingscommissie bereidt de programma's voor het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage voor (evenals het programma van het mondelinge evaluatie-examen). <W 2005-04-07/63, art. 8, 125; Inwerkingtreding : 13-05-2006>
  (Het examen inzake beroepsbekwaamheid, het vergelijkend examen tot de gerechtelijke stage en het mondelinge evaluatie-examen) zijn bedoeld om de voor de uitoefening van het ambt van magistraat noodzakelijke maturiteit en bekwaamheid te beoordelen en worden afgelegd in de taal van het diploma van doctor of licentiaat in de rechten van de kandidaat. [1 Wanneer evenwel de benoemingscommissie daartoe beslist, kan het schriftelijk gedeelte van het examen inzake beroepsbekwaamheid of van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage door de Duitstalige kandidaten die hierom verzoeken in de Duitse taal worden afgelegd. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder Duitstalige kandidaat iedere persoon verstaan die houder is van een diploma van het secundair onderwijs dat werd behaald in een onderwijsinstelling van het Duitse taalgebied of iedere persoon wiens hoofdverblijfplaats of werkplaats zich sinds ten minste vijf jaar in een gemeente van het Duitse taalgebied bevindt.]1 <W 2005-04-07/63, art. 8, 125; Inwerkingtreding : 13-05-2006>
  [3 De kandidaten die zich voor het examen inzake beroepsbekwaamheid inschrijven moeten, op het ogenblik van hun inschrijving, licentiaat of master in de rechten zijn en tijdens de periode van vijf jaar voorafgaand aan de inschrijving gedurende ten minste vier jaar als houder van het diploma van licentiaat of master in de rechten, als voornaamste beroepsactiviteit juridische functies hebben uitgeoefend.
   De kandidaten die vijf keer niet geslaagd zijn voor het examen inzake beroepsbekwaamheid worden uitgesloten van elke latere deelname aan dat examen.]3
  De geslaagden voor het examen inzake beroepsbekwaamheid behouden het voordeel van hun uitslag gedurende zeven jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van het examen.
  [3 § 1/1. Op verzoek van de minister bevoegd voor Justitie of zijn gemachtigde wordt een vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage georganiseerd. Tijdens hetzelfde gerechtelijk jaar wordt op verzoek van de minister bevoegd voor Justitie of zijn gemachtigde een tweede vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage georganiseerd.
   De benoemingscommissie zendt het aantal geslaagden van het schriftelijke gedeelte van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage onverwijld over aan de minister bevoegd voor Justitie en zendt de definitieve rangschikking van de geslaagden van het vergelijkend examen onverwijld over aan de minister bevoegd voor Justitie.
   De geslaagden van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage kunnen uiterlijk vier jaar na de afsluiting van de examens benoemd worden tot gerechtelijk stagiair. Onder de geslaagden van verschillende vergelijkende toelatingsexamens tot de gerechtelijke stage wordt voorrang verleend aan degenen van wie de naam voorkomt op de lijst met de recentste datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
   De kandidaten die vijf keer niet geslaagd zijn voor het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage worden uitgesloten van elke latere deelname aan het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage.]3
  § 2. [1 De Duitstalige geslaagden voor het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage moeten de eerste keer solliciteren voor een ambt van magistraat waarvoor de kennis van het Duits is vereist en moeten dit ambt gedurende ten minste drie jaar uitoefenen.]1
  § 3. De examenprogramma's bedoeld in § 1 (...) worden na goedkeuring door de algemene vergadering bekrachtigd door de Minister van Justitie en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. <W 2007-01-31/30, art. 44, 146; Inwerkingtreding : 02-02-2008>
  (§ 4. De magistraten benoemd op grond van het examen inzake beroepsbekwaamheid of het mondeling evaluatie-examen, volgen [3 in de loop van de twee jaren die volgen op hun benoeming]3 een theoretische en een praktische opleiding waarvan de inhoud en duur worden vastgesteld door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.)[2 De verplichte opleiding van magistraten benoemd op grond van het examen inzake beroepsbekwaamheid of op grond van het mondelinge evaluatie-examen bevat een opleiding inzake budgettair beheer en gerechtskosten]2 <W 2007-01-31/30, art. 44, 146; Inwerkingtreding : 02-02-2008>
  ----------
  (1)<W 2009-04-28/06, art. 2, 156; Inwerkingtreding : 08-06-2009>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 51, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (3)<W 2017-07-06/24, art. 244, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 259bis10.<Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De benoemingscommissies zijn bevoegd voor :
  1° de voordracht van kandidaten voor de benoemingen tot magistraat en de aanwijzingen tot korpschef, bijstandsmagistraat (, verbindingsmagistraat in jeugdzaken) of federale magistraat, (bedoeld in artikel 58bis, 1°, 2° en 4°); <W 2000-07-17/34, art. 3, 080; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 2006-06-13/40, art. 41, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  2° de organisatie [1 van het schriftelijke en het mondelinge gedeelte]1 van het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij koninklijk besluit.
  (3° de organisatie van het mondelinge evaluatie-examen op de wijze en onder de voorwaarden die bij koninklijk besluit bepaald zijn en het verstrekken van de in artikel 191bis, § 2, laatste lid, bedoelde machtiging.) <W 2005-04-07/63, art. 9, 125 ; Inwerkingtreding : 13-05-2006>
  § 2. Elke benoemingscommissie kan met een meerderheid van twee derden van haar leden besluiten om voor de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in § 1, 2°, en artikel 259bis-9 in haar midden een subcommissie in te stellen die evenveel magistraten als niet-magistraten telt. (Elke benoemingscommissie kan een beroep doen op externe deskundigen om de subcommissies bij te staan bij de voorbereiding [1 en de verbetering]1 van de in § 1, 2°, bedoelde examens en bij de voorbereiding van de proeven. [1 Deze deskundigen brengen verslag uit van hun werkzaamheden bij de benoemingscommissie die hen heeft aangewezen. De deskundigen die de subcommissies dienen bij te staan in de voorbereiding en de verbetering van de examens bedoeld in § 1, 2°, waarvan het schriftelijke gedeelte in het Duits werd afgenomen, worden aangewezen op grond van hun juridische en taalkundige bekwaamheid. Er zijn vier deskundigen: twee magistraten en twee niet-magistraten. Eén van de niet-magistraten moet licentiaat in de Germaanse filologie zijn en Duits gestudeerd hebben.]1 Deze deskundigen maken in geen geval deel uit van de subcommissies en mogen niet deelnemen aan de beraadslagingen.) <W 2003-05-03/45, art. 15, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  In de gevallen bedoeld in artikel 259bis-9 kan de ene benoemingscommissie of subcommissie niet meer stemmen uitbrengen dan de andere benoemingscommissie of subcommissie.
  § 3. Elke benoemingscommissie doet jaarlijks aan de algemene vergadering verslag over zijn werkzaamheden.
  ----------
  (1)<W 2009-04-28/06, art. 3, 156; Inwerkingtreding : 08-06-2009>

  Afdeling VII. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> De advies- en onderzoekscommissies.

  Art. 259bis11. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. Elk college stelt in zijn midden een advies- en onderzoekscommissie in die bestaat uit acht leden, waarvan de helft magistraten en de helft niet-magistraten zijn.
  Het voorzitterschap van elke advies- en onderzoekscommissie wordt bekleed door het daartoe aangewezen lid van het bureau. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste aanwezige lid.
  Elke advies- en onderzoekscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste zes leden aanwezig zijn.
  § 2. De advies- en onderzoekscommissies vormen samen de verenigde advies- en onderzoekscommissie.
  Het voorzitterschap van de verenigde advies- en onderzoekscommissie wordt voor een termijn van twee jaar beurtelings bekleed door de voorzitters van de advies- en onderzoekscommissies, te beginnen met de oudste. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudst aanwezige lid van de commissie waartoe de voorzitter in functie behoort.
  De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste zes leden van elke commissie aanwezig zijn.

  Art. 259bis12. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De verenigde advies- en onderzoekscommissie bereidt, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de algemene vergadering, de Minister van Justitie of de meerderheid van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat de adviezen en voorstellen voor over :
  1° de algemene werking van de rechterlijke orde;
  2° de wetsvoorstellen en -ontwerpen die een weerslag hebben op de algemene werking van de rechterlijke orde;
  3° de aanwending van de beschikbare middelen.
  § 2. De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan alle informatie inwinnen die nuttig is voor de taken vermeld in § 1, onverminderd het bepaalde in artikel 259bis-16.
  Een verzoek tot informatie aan leden van de rechterlijke orde geschiedt na voorafgaande kennisgeving aan hun respectieve korpschefs en hiërarchische meerderen. Is het lid van de rechterlijke orde geen magistraat, dan wordt de informatie meegedeeld na goedkeuring door de korpschef van het betrokken rechtscollege.
  § 3. De adviezen en voorstellen van de verenigde advies- en onderzoekscommissie zijn schriftelijk en hebben bindende, noch schorsende werking.
  (Voorzover er overeenkomstig artikel 259bis -18 meegedeelde adviezen en voorstellen betreffende de wetsontwerpen die een weerslag hebben op de werking van de rechterlijke orde beschikbaar zijn, worden zij aan de ontwerpen van de regering gehecht op het ogenblik waarop zij worden ingediend bij de Kamer van volksvertegenwoordigers of bij de Senaat.) <W 2002-12-19/59, art. 5, 101; 16-01-2003>

  Art. 259bis13. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> De verenigde advies- en onderzoekscommissie bereidt de standaardprofielen voor de functies van korpschef voor op basis van de criteria bepaald door de Hoge Raad.
  De standaardprofielen worden binnen een maand na goedkeuring door de algemene vergadering bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  De Koning kan de verschillende categorieën van profielen vastleggen.

  Art. 259bis14. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De verenigde advies- en onderzoekscommissie is belast met het algemeen toezicht op en de bevordering van het gebruik van de middelen van interne controle binnen de rechterlijke orde, bedoeld in de artikelen 140, 340, 398 tot 400 in fine, 401 tot 414, 651, 652, 838 en 1088 van het Gerechtelijk Wetboek en 441 en 442 van het Wetboek van Strafvordering.
  § 2. De overheden bevoegd voor de toepassing van de wetsbepalingen bedoeld in § 1, brengen hierover jaarlijks verslag uit aan de verenigde advies- en onderzoekscommissie en aan de Minister van Justitie.
  De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan bovendien deze overheden om alle nuttige informatie verzoeken. De Minister van Justitie wordt hiervan gelijktijdig in kennis gesteld.
  § 3. De verenigde advies- en onderzoekscommissie brengt jaarlijks verslag uit over de wijze waarop de middelen van interne controle worden aangewend en hun werking kan worden verbeterd.

  Art. 259bis15.<Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Elke advies- en onderzoekscommissie ontvangt de klachten over de werking van de rechterlijke orde en verzekert de opvolging ervan.
  § 2. Om ontvankelijk te zijn moeten de klachten schriftelijk, ondertekend en gedagtekend zijn en de volledige identiteit van de klager bevatten.
  § 3. Komen niet in aanmerking voor behandeling :
  1° klachten die behoren tot de strafrechtelijke of tuchtrechtelijke bevoegdheid van andere overheden;
  2° klachten met betrekking tot de inhoud van een rechterlijke beslissing;
  3° klachten waarvan het doel via het aanwenden van een gewoon of buitengewoon rechtsmiddel kan of kon worden bereikt;
  4° klachten die reeds zijn behandeld en geen nieuwe elementen bevatten;
  5° klachten die kennelijk ongegrond zijn.
  Tot de niet-behandeling van de klacht wordt besloten bij gemotiveerde beslissing waartegen geen enkel beroep openstaat.
  In voorkomend geval wordt de klager doorverwezen naar de bevoegde overheden die gehouden zijn de advies- en onderzoekscommissies op gemotiveerde wijze in te lichten over het gevolg dat aan de klacht werd gegeven.
  § 4. De klachten die de advies- en onderzoekscommissies zelf behandelen worden, al naar gelang, ter kennis gebracht van de korpschef van het rechtscollege en van de korpschefs of hiërarchische meerderen van de personen die het voorwerp zijn van de klacht.
  Onverminderd de bevoegdheden van de korpschef of de hiërarchische meerdere, delen de advies- en onderzoekscommissies de klacht op het ogenblik dat dit nuttig wordt geacht mee aan de persoon tegen wie de klacht gericht is of voor wie de klacht bezwarend is.
  § 5. De personen die in kennis zijn gesteld van de klacht hebben het recht om hierover aan de advies- en onderzoekscommissies mondelinge of schriftelijke verklaringen af te leggen. De advies- en onderzoekscommissie kunnen deze personen om bijkomende inlichtingen verzoeken op voorwaarde dat hun korpschef of hiërarchische meerdere gelijktijdig wordt verwittigd.
  § 6. De advies- en onderzoekscommissies lichten de klager schriftelijk in over het gevolg dat aan de klacht gegeven werd.
  Bij gegronde klachten kunnen de advies- en onderzoekscommissies aanbevelingen doen ter oplossing van het gestelde probleem en voorstellen ter verbetering van de algemene werking van de rechterlijke orde formuleren ten behoeve van de betrokken instanties en de Minister van Justitie.
  § 7. Elke advies- en onderzoekscommissie stelt minstens eenmaal per jaar een schriftelijk verslag op over de opvolging van de ontvangen klachten.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  

Art. 259bis15. [1 § 1. Elke advies- en onderzoekscommissie ontvangt en volgt de klachten op over de werking van de rechterlijke orde, met inbegrip van de klachten over het gedrag van de leden en personeelsleden van de rechterlijke orde alsook van de personen die onder toezicht van die leden een opdracht vervullen, met uitzondering van de leden van de rechterlijke orde die worden bedoeld in het tweede deel, boek I, titel VI, hoofdstuk Vbis.
   Voor behandeling door de advies- en onderzoekscommissies komen niet in aanmerking :
   1° klachten die behoren tot de strafrechtelijke of tuchtrechtelijke bevoegdheid van andere overheden;
   2° klachten met betrekking tot de inhoud van een rechterlijke beslissing;
   3° klachten waarvan het doel door middel van het aanwenden van een gewoon of buitengewoon rechtsmiddel kan of kon worden bereikt;
   4° klachten die al zijn behandeld en geen nieuwe elementen bevatten;
   5° klachten die gelijkstaan met algemene verzoeken om inlichtingen of met vragen over dossiers die in behandeling zijn;
   6° kennelijk ongegronde klachten.
   In die gevallen wordt tot niet-behandeling van de klacht besloten bij een met redenen omklede beslissing waartegen geen enkel beroep open staat.
   § 2. Elke belanghebbende kan kosteloos zijn klacht indienen bij de Hoge Raad voor de Justitie.
   Om ontvankelijk te zijn, moeten de klachten schriftelijk, ondertekend en gedagtekend zijn door de klager of door zijn gemachtigde, en de volledige identiteit bevatten van de klager, alsook een bondige beschrijving van de feiten.
   De klacht kan ook elektronisch worden ingediend. In dat geval kan de in § 4 bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere, een schriftelijke bevestiging van de klacht vragen, die is ondertekend en gedagtekend door de klager of zijn gemachtigde.
   § 3. Elke overheid die een klacht ontvangt zoals bepaald bij § 1, eerste lid, deelt die integraal mee aan de Hoge Raad voor de Justitie.
   § 4. Na de klacht te hebben geregistreerd, zenden de advies- en onderzoekscommissies ze voor behandeling naar de korpschef of diens hiërarchische meerdere, die zij bevoegd acht om ze te behandelen. Tegelijk brengen ze de klager hiervan op de hoogte.
   De registratie van de klacht, alsmede de behandeling ervan en de communicatie tussen de in het eerste lid bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere en de advies- en onderzoekscommissies, geschieden volgens nadere regels welke de Koning bepaalt op voorstel van de advies- en onderzoekscommissies.
   § 5. De in § 4 bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere bericht onverwijld ontvangst van de klacht en vermeldt hierbij de datum waarop de klacht werd ontvangen. Tegelijk brengt de in § 4 bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere de klager ervan op de hoogte dat de klacht bij hem is aanhangig gemaakt. Op het ogenblik waarop de in § 4 bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere dat nuttig acht, deelt hij de klacht mee aan de persoon tegen wie de klacht gericht is of aan de persoon voor wie de klacht bezwarend is.
   De Koning regelt de procedure van interne klachtenbehandeling door de in § 4 bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere, na advies van de Hoge Raad voor de Justitie. Elke beslissing wordt met redenen omkleed en wordt gewezen binnen drie maanden vanaf de ontvangst van de klacht. De in § 4 bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere kan in voorkomend geval beslissen de klager, de persoon tegen wie de klacht gericht is of de persoon voor wie de klacht bezwarend is te horen en bijkomende inlichtingen te vragen. In dit geval kan de termijn van drie maanden tot vier maanden worden verlengd.
   De in § 4 bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere licht de advies- en onderzoekscommissies en de klager schriftelijk in over het gevolg dat aan de klacht is gegeven.
   § 6. Wanneer de advies- en onderzoekscommissies een klacht ontvangen die geen betrekking heeft op de werking van de rechterlijke orde, wordt de klager doorverwezen naar de bevoegde overheden, die de advies- en onderzoekscommissies op met redenen omklede wijze inlichten over het gevolg dat aan de klacht is gegeven.
   Wanneer de advies- en onderzoekscommissies een klacht ontvangen als bedoeld in § 1, tweede lid, wordt tot niet-behandeling van de klacht besloten bij een met redenen omklede beslissing waartegen geen enkel beroep open staat. In voorkomend geval wordt de klager doorverwezen naar de bevoegde overheden, die de advies- en onderzoekscommissies op een met redenen omklede wijze inlichten over het gevolg dat aan de klacht is gegeven.
   § 7. De advies- en onderzoekscommissies behandelen zelf de klacht indien ze van mening zijn dat geen andere overheid bevoegd is of dat zij het beste geschikt zijn om ze te behandelen. Zij kunnen eveneens een in § 5 bedoelde klacht zelf onderzoeken wanneer ze niet binnen de vastgestelde termijn is behandeld.
   De klachten die de advies- en onderzoekscommissies zelf behandelen, worden ter kennis gebracht van de korpschef van het rechtscollege en van de korpschef of hiërarchische meerdere van de persoon op wie de klacht betrekking heeft.
   Onverminderd de bevoegdheden van de korpschef of de hiërarchische meerdere, delen de advies- en onderzoekscommissies de klacht, op het ogenblik waarop ze dit nuttig achten, mee aan de persoon tegen wie de klacht gericht is of voor wie de klacht bezwarend is.
   De advies- en onderzoekscommissies kunnen beslissen om de klager, de persoon tegen wie de klacht gericht is of de persoon voor wie de klacht bezwarend is te horen. De advies- en onderzoekscommissies kunnen eveneens deze personen om bijkomende inlichtingen verzoeken, op voorwaarde dat hun korpschef of hiërarchische meerdere gelijktijdig wordt verwittigd.
   De advies- en onderzoekscommissies doen in voorkomend geval aanbevelingen ter oplossing van het gerezen probleem.
   De advies- en onderzoekscommissies brengen de klager schriftelijk op de hoogte van de genomen beslissing.
   § 8. Wanneer de klager na afloop van de in § 5 bedoelde procedure niet tevreden is met het antwoord van de in § 4 bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere of wanneer deze zonder rechtvaardiging nalaat om binnen de vastgestelde termijn te antwoorden, kan de klager zich wenden tot de Hoge Raad voor de Justitie.
   Op basis van de analyse van de klacht, doen de advies- en onderzoekscommissies in voorkomend geval aanbevelingen ter oplossing van het gerezen probleem.
   § 9. Op basis van de klachten kan de Verenigde advies- en onderzoekscommissie aanbevelingen ter verbetering van de algemene werking van de rechterlijke orde sturen aan de betrokken overheden, de minister van Justitie, de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat.
   § 10. De in artikel 259bis-7, § 2, 1°, bedoelde goedkeuring van de algemene vergadering is niet vereist voor de aanbevelingen van de advies- en onderzoekscommissies.
   § 11. De Verenigde advies- en onderzoekscommissie stelt minstens eenmaal per jaar een schriftelijk verslag op over de opvolging van de ontvangen klachten.]1

----------
  (1)<W 2014-04-04/44, art. 2, 193; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 259bis16. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan met uitsluiting van strafrechtelijke en tuchtrechtelijke bevoegdheden een bijzonder onderzoek instellen naar de werking van de rechterlijke orde.
  Dit onderzoek gebeurt hetzij ambtshalve na voorafgaande goedkeuring door de meerderheid van de leden van de verenigde advies- en onderzoekscommissie, hetzij op verzoek van de Minister van Justitie of de meerderheid van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat.
  § 2. Het onderzoek wordt in opdracht van de verenigde advies- en onderzoekscommissie uitgevoerd door de bevoegde korpschef of hiërarchische meerdere die hierover schriftelijk verslag uitbrengt binnen de door de verenigde advies- en onderzoekscommissie vastgestelde termijn.
  § 3. Het onderzoek wordt uitzonderlijk door de verenigde advies- en onderzoekscommissie zelf uitgevoerd na voorafgaande goedkeuring door twee derden van haar leden wanneer :
  1° de Minister van Justitie dit bij zijn verzoek heeft gevraagd;
  2° het gelet op het onderwerp van het onderzoek niet raadzaam is dit op te dragen aan de korpschef of de hiërarchische meerdere bedoeld in § 2 of het onderzoek door dezen niet naar behoren is of wordt gevoerd.
  De Minister van Justitie wordt hiervan voor aanvang van het onderzoek in kennis gesteld.
  De verenigde advies- en onderzoekscommissie voert het onderzoek onder leiding van een lid-magistraat en kan :
  1° zich ter plaatse begeven teneinde alle nuttige vaststellingen te doen, zonder te kunnen overgaan tot huiszoeking;
  2° beëindigde gerechtelijke dossiers raadplegen en zich deze ter plaatse doen overleggen teneinde er kennis van te nemen alsook uittreksels en kopies ervan nemen of zich deze kosteloos doen bezorgen;
  3° leden van de rechterlijke orde horen bij wijze van inlichting. In voorkomend geval is het deze leden toegestaan verklaringen af te leggen die gedekt zijn door het beroepsgeheim.
  § 4. De verenigde advies- en onderzoekscommissie stelt over elk onderzoek een verslag op dat wordt goedgekeurd met een meerderheid van twee derden van haar leden.

  Art. 259bis17. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De betrokken commissie heeft in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 259bis-11 tot 259bis-16 tevens het recht de werking van de rechterlijke orde door te lichten, zonder zich te kunnen mengen in de behandeling van lopende dossiers.
  § 2. (...) <W 2003-05-03/45, art. 16, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>

  Art. 259bis18.<W 2002-12-19/59, art. 6, 101; 16-01-2003> § 1. De adviezen en voorstellen bedoeld in artikel 259bis -12, § 1, en de verslagen bedoeld in de artikelen 259bis -14, § 3, 259bis -15, § 7, en 259bis -16, § 4, worden ter goedkeuring overgezonden aan de algemene vergadering, die ze vervolgens meedeelt aan de Minister van Justitie, aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, aan de Senaat, alsook aan de korpschefs van de hoven en van het openbaar ministerie bij deze hoven.
  § 2. Een goedkeuring van de algemene vergadering is niet vereist voor de adviezen met spoedeisend karakter aan de verenigde advies- en onderzoekscommissie gevraagd door de minister van Justitie of door de meerderheid van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat. Het spoedeisend karakter wordt bepaald door de verzoekende instantie.
  Het spoedeisend karakter moet gemotiveerd worden, met uiteenzetting van de uitzonderlijke omstandigheden.
  In dat geval wordt onverwijld door de verenigde advies- en onderzoekscommissie aan de leden van de algemene vergadering mededeling gedaan van het verzoek om spoedadvies, en de tekst van het voorstel of ontwerp waarover het advies wordt gevraagd op basis van artikel 259bis -12, § 1.
  De termijnen waarbinnen de adviezen moeten worden afgeleverd, maken het voorwerp uit van een protocolakkoord tussen de minister van Justitie, de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat en de Hoge Raad voor de Justitie.
  De leden van de algemene vergadering kunnen hun opmerkingen schriftelijk en binnen de vooropgestelde termijn overzenden aan de verenigde advies- en onderzoekscommissie, die hierover overlegt. Een samenvatting van de opmerkingen wordt toegevoegd aan het advies.
  Het advies en de samenvatting van de opmerkingen worden overgezonden aan de verzoekende instantie en aan de leden van de algemene vergadering.

  Afdeling VIII. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Gemeenschappelijke bepalingen.

  Art. 259bis19. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. Het is de leden van de Hoge Raad verboden deel te nemen aan een beraadslaging of een beslissing over zaken waarbij zij een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben, waarbij hun bloed- of aanverwanten tot in de vierde graad of de personen met wie zij een feitelijk gezin vormen een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben of waarbij zij in een professionele hoedanigheid betrokken zijn of zijn geweest.
  § 2. Wanneer een lid van de Hoge Raad bij de uitoefening van zijn opdrachten kennis krijgt van een misdaad of een wanbedrijf, moet hij overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering de bevoegde procureur des Konings onverwijld in kennis stellen.
  (§ 2bis. Wanneer de Hoge Raad bij het uitvoeren van zijn opdrachten van mening is dat een van zijn leden behorend tot de Rechterlijke Orde, een magistraat, een lid van de griffies en parketsecretariaten, een lid van het personeel van de griffies en de parketsecretariaten of een verstrekker van het advies bedoeld in de artikelen 259ter, § 1, en 259quater, § 1, niet voldoet aan de plichten van zijn ambt of weigert zijn medewerking te verlenen, brengt de Hoge Raad dit in voorkomend geval ter kennis van de bevoegde tuchtoverheden met het verzoek te onderzoeken of een tuchtprocedure dient te worden ingesteld. Hij deelt dit terzelfder tijd mee aan de Minister van Justitie.
  Wanneer de Hoge Raad dezelfde vaststelling doet omtrent zijn andere leden, deelt hij dit terzelfder tijd mee aan de voorzitter van de Senaat.
  De tuchtoverheden stellen de Hoge Raad op een met redenen omklede wijze in kennis van het gevolg dat hieraan is gegeven.) <W 2003-05-03/45, art. 17, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  § 3. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de leden van de Hoge Raad, op hun opvolgers, op de deskundigen en op het personeel van de Raad voor alle gegevens waarvan zij kennis nemen in het kader van de uitoefening van hun opdrachten in de Hoge Raad.

  Art. 259bis20. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De Hoge Raad moet steeds in kennis worden gesteld van een tuchtprocedure tegen een van zijn leden, alsook van de redenen die aan deze procedure ten grondslag liggen.
  Ingeval de Hoge Raad van oordeel is dat de tuchtprocedure steunt op de activiteiten die betrokkene in de Raad uitoefent, voegt hij zijn advies bij het dossier betreffende de procedure.
  § 2. De bepalingen van § 1 zijn van toepassing op voormalige leden van de Hoge Raad gedurende vier jaren te rekenen van de beëindiging van hun mandaat.

  Art. 259bis21. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. (De magistraten die lid zijn van het bureau hebben op jaarbasis recht op een toelage van 15.000 EUR. De niet-magistraten die lid zijn van het bureau genieten een wedde die gelijk staat met die van kamervoorzitter in het hof van beroep met eenentwintig jaar nuttige anciënniteit.
  Artikel 362 is van toepassing op het in het vorige lid vermelde bedrag.) <W 2002-12-19/59, art. 7, 101; 16-01-2003>
  § 2. De leden van de Hoge Raad die geen lid zijn van het bureau hebben voor hun werkzaamheden in de Hoge Raad en de commissies recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerde dag niet meer mag bedragen dan 1/30 van de maandelijkse toelage toegekend aan (de leden van het bureau die geen magistraat zijn), dat geen magistraat is. Werkzaamheden die per dag minder dan vier uur bestrijken, geven recht op de helft van bovenvermelde maximumtoelage. <W 2002-12-19/59, art. 7, 101; 16-01-2003>
  § 3. De leden van de Hoge Raad hebben recht op de vergoedingen voor de reis- en verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van de ministeries. De personen die niet tot het bestuur behoren of voor wie de rang waartoe hun graad behoort niet is bepaald, worden gelijkgesteld met ambtenaren van rang 13. De voorzitter wordt gelijkgesteld met een ambtenaar van rang 17.
  (§ 4. De Hoge Raad kan aan zijn leden een vergoeding per uur toekennen voor de werkzaamheden verricht buiten de lokalen van de Hoge Raad, die betrekking hebben op de verbetering van de examens en de vergelijkende examens alsook voor het onderzoek van klachten voor zover deze prestaties niet worden vergoed op grond van §§ 2 en 3.) <W 2000-07-17/34, art. 4, 080; Inwerkingtreding : 02-08-2000>

  Art. 259bis22.<Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De zetel van de Hoge Raad is gevestigd in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
  § 2. [1 Onverminderd de bevoegdheid van de Kamer van volksvertegenwoordigers om de begrotingsvoorstellen van de Hoge Raad voor de Justitie te onderzoeken en zijn begroting goed te keuren alsook de regelmatigheid van de uitvoering ervan te controleren en de rekeningen op hun regelmatigheid te verifiëren en goed te keuren, worden de kredieten voor deze begroting uitgetrokken als dotatie op de algemene uitgavenbegroting van het Rijk.]1
  ----------
  (1)<W 2009-06-18/04, art. 2, 157; Inwerkingtreding : 12-07-2009>

  HOOFDSTUK Vter. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Benoemings- en aanwijzingsprocedure.

  Afdeling I. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Benoemingen.

  Art. 259ter.<Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Vooraleer de Koning tot een benoeming bedoeld in artikel 58bis, 1° overgaat, vraagt de Minister van Justitie binnen [2 vijfendertig]2 dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad, [2 voor de kandidaturen die hij ontvankelijk heeft verklaard overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in de artikelen 287sexies en 216bis,]2 een gemotiveerd schriftelijk advies (overeenkomstig een door de Minister van Justitie, op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie, bepaald standaardformulier) aan : <W 2003-05-03/45, art. 18, 111; Inwerkingtreding : onbepaald, uiterlijk op 02-06-2004>
  1° de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de benoeming moet geschieden, behoudens wanneer het een benoeming tot raadsheer in het Hof van Cassatie, raadsheer of plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep of raadsheer in het arbeidshof betreft;
  2° de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de kandidaat werkzaam is, hetzij als magistraat, hetzij als plaatsvervangend magistraat (hetzij als referendaris of parketjurist, hetzij als gerechtelijk stagiair); <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (Voor de magistraten die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, belast zijn met een opdracht, verstrekt de federale procureur advies indien de betrokkene deze opdracht voltijds uitoefent. Wordt de opdracht niet voltijds uitgeoefend, dan heeft het advies van de federale procureur betrekking op de deeltijds uitgeoefende opdracht en wordt het toegevoegd aan dat van de korpschef.) <W 2001-06-21/42, art. 15, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  3° een vertegenwoordiger van de balie aangewezen door de orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de kandidaat werkzaam is, hetzij als advocaat, hetzij als magistraat. Voor het gerechtelijk arrondissement Brussel geeft al naar gelang de kandidaat ingeschreven is op het tableau van de Nederlandstalige of Franstalige orde van advocaten of de magistraat behoort tot de Nederlandstalige of Franstalige taalrol, hetzij de vertegenwoordiger van de Nederlandstalige orde, hetzij de vertegenwoordiger van de Franstalige orde advies.
  De korpschef van een rechtscollege of het openbaar ministerie bij een rechtscollege met zetel te Brussel die niet wettelijk tweetalig is, wijst een titularis van een adjunct-mandaat van de andere taalrol aan om hem bij te staan bij het inwinnen van inlichtingen en doornemen van de stukken voor het verstrekken van advies over de kandidaten behorend tot de andere taalrol.
  (Ingeval de in het eerste lid bedoelde korpschefs om welke reden dan ook in de onmogelijkheid zijn om advies te verstrekken, wordt het advies bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, verstrekt door de in [1 artikel 319, eerste lid, tweede zin, of 319, tweede lid, tweede zin]1 bedoelde magistraat.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (Is de kandidaat hoogleraar dan vraagt de Minister van Justitie overeenkomstig het bepaalde in § 1, eerste lid, het advies van zijn decaan en van de rector of van een van beiden indien de kandidaat zelf decaan of rector is.
  De personen bedoeld in deze paragraaf dienen zich ervan te onthouden advies te verstrekken telkens er een persoonlijk of strijdig belang bestaat. Zij kunnen inzonderheid geen advies verstrekken over bloed- en aanverwanten tot in de vierde graad noch over personen met wie zij een feitelijk gezin vormen. In die gevallen wordt het advies bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, verstrekt door de in [1 artikel 319, eerste lid, tweede zin, of 319, tweede lid, tweede zin]1, bedoelde magistraat. Indien deze laatste omwille van de hiervoor vermelde redenen evenmin advies kan verstrekken, dan wordt het advies verstrekt door de korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege of voor wat het Hof van Cassatie betreft, door de algemene vergadering [1 of de korpsvergadering]1.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  § 2. De adviezen worden binnen dertig dagen na het verzoek om advies bedoeld in § 1 door de adviesverlenende instanties [2 ...]2 overgezonden aan de Minister van Justitie en in afschrift [2 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]2 meegedeeld aan de betrokken kandidaat. [2 ...]2.
  [2 Onverminderd de toepassing van artikel 259bis-19, § 2bis, wordt, bij gebrek aan advies binnen de vastgestelde termijn of bij gebrek aan gebruik van het standaardformulier, aan dat advies voorbijgegaan, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn door de minister van Justitie langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaat.]2
  De kandidaten beschikken op straffe van verval over een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de adviezen om hun opmerkingen aan de Minister van Justitie [2 langs elektronische weg]2 mee te delen. Wanneer een of meerdere adviezen niet tijdig zijn uitgebracht, dienen zij dit te doen binnen [2 tachtig]2 dagen na de bekendmaking bedoeld in § 1.
  (Het benoemingsdossier bestaat uitsluitend, al naargelang het geval, uit de volgende stukken :
  a) [2 de kandidatuur met de stavingsstukken bedoeld in artikel 287sexies, derde of achtste lid, met betrekking tot de studies en beroepservaring;]2
  b) het curriculum vitae;
  c) de schriftelijke adviezen bedoeld in § 1 en in voorkomend geval de opmerkingen van de kandidaat [2 , alsmede de stukken waaruit de ontvangst van deze adviezen door de kandidaat blijkt]2;
  d) (het eindverslag van de gerechtelijke stage opgemaakt door de bevoegde evaluatiecommissie) [3 , het getuigschrift waaruit blijkt dat de gerechtelijke stage met vrucht is voltooid]3 [2 en de stageverslagen opgesteld door de stagemeesters]2; <W 2007-01-31/30, art. 45, 146; Inwerkingtreding : onbepaald, ten laatste op 02-02-2008>
  e) de definitieve beoordeling in het evaluatiedossier;
  f) [2 een uittreksel uit het strafregister dat dateert van na de bekendmaking bedoeld in paragraaf 1, eerste lid.]2
  § 3. Voor een benoeming tot raadsheer in het Hof van Cassatie, raadsheer of plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep of raadsheer in het arbeidshof, zendt de Minister van Justitie binnen [2 negentig]2 dagen te rekenen van de bekendmaking bedoeld in § 1 aan de algemene vergadering van het rechtscollege waar de benoeming moet geschieden voor elke kandidaat het benoemingsdossier over met het verzoek een gemotiveerd advies uit te brengen over elk van de kandidaten; dit advies wordt bij hun dossier gevoegd.
  De algemene vergadering hoort de kandidaten die haar binnen [2 negentig]2 dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature als bedoeld in § 1 daarom [2 langs elektronische weg]2 hebben verzocht.
  Voor het hof van beroep en het arbeidshof te Brussel worden de adviezen goedgekeurd met een meerderheid van twee derden van de leden van de algemene vergadering.
   De algemene vergadering zendt binnen dertig dagen na het verzoek om advies de gemotiveerde adviezen [2 ...]2 aan de Minister van Justitie over en deelt een afschrift [2 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]2 mee aan de betrokken kandidaten. [2 ...]2.
  [2 Bij gebrek aan adviezen binnen de vastgestelde termijn over elke kandidaat of bij gebrek aan gebruik van het standaardformulier, wordt aan dat advies voorbijgegaan, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn door de minister van Justitie langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaten.]2
  [2 De kandidaten beschikken op straffe van verval over een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van het advies van de algemene vergadering om hun opmerkingen aan de minister van Justitie langs elektronische weg mee te delen. Wanneer het advies niet tijdig is uitgebracht, dienen zij dit te doen binnen honderdvijfendertig dagen na de bekendmaking bedoeld in paragraaf 1.]2
  § 4. Binnen [2 negentig]2 dagen te rekenen van de bekendmaking bedoeld in § 1 zendt de Minister van Justitie aan de bevoegde benoemingscommissie voor [2 de kandidaten wier kandidatuur ontvankelijk werd verklaard]2 het benoemingsdossier over met het verzoek over te gaan tot een voordracht van een kandidaat.
  In geval van tussenkomst van de algemene vergadering bedoeld in § 3 (en van het college van procureurs-generaal bedoeld in artikel 259sexies, § 1), wordt deze termijn verlengd met [2 vijfenvijftig dagen]2. <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  Met uitzondering van de gerechtelijke stagiairs moeten de kandidaten, al naar gelang, uiterlijk op het einde van de termijn bedoeld in het eerste en het tweede lid voldoen aan de benoemingsvoorwaarden. De gerechtelijke stagiairs (kunnen zich ten vroegste [3 vijf maanden]3 voor het einde van de gerechtelijke stage kandidaat stellen en ze) moeten aan de benoemingsvoorwaarden voldoen op het ogenblik van de benoeming. <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  De benoemingscommissie hoort de kandidaten die binnen [2 negentig]2 dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature als bedoeld in § 1, haar daarom [2 langs elektronische weg]2 hebben verzocht. In geval van tussenkomst van de algemene vergadering bedoeld in § 3 (of van het college van procureurs-generaal bedoeld in artikel 259sexies, § 1) wordt deze termijn verlengd met [2 vijfenvijftig dagen]2. <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (De benoemingscommissie kan ambtshalve beslissen om alle kandidaten [2 wier kandidatuur ontvankelijk werd verklaard]2 te horen.
  De benoemingscommissie nodigt de kandidaten uit [2 langs elektronische weg]2 waarin de plaats en het tijdstip waarop zij zich moeten aanbieden, worden vermeld.
  (Van het onderhoud met de kandidaat wordt een geluidsopname gemaakt. Die opname wordt door de Hoge Raad voor de Justitie samen met het dossier over de voordracht bewaard.
  Het op deze manier opgenomen onderhoud wordt uitgetikt wanneer de kandidaat bij de Raad van State beroep instelt tegen de benoeming voor de functie waarvoor hij zich kandidaat stelde. Op dezelfde wijze wordt het onderhoud van de kandidaat die tot de genoemde functie werd benoemd, uitgetikt. Daartoe zendt de Minister van Justitie een kopie van het bij de Raad van State ingestelde beroep aan de voorzitter van de betrokken benoemingscommissie. De uitgetikte tekst wordt door de voorzitter en een lid van de benoemingscommissie gelijkluidend verklaard en door tussenkomst van de Minister van Justitie overgezonden aan de Raad van State.) <W 2004-07-09/31, art. 6, 119; Inwerkingtreding : 15-07-2004>
  Een kandidaat die niet verschijnt op het door de benoemingscommissie bepaalde tijdstip wordt, behoudens in geval van overmacht, geacht te verzaken aan de mogelijkheid om gehoord te worden. In geval van overmacht, die soeverein door de benoemingscommissie wordt beoordeeld, wordt de kandidaat opnieuw opgeroepen, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de termijn waarover de benoemingscommissie beschikt om de voordracht te doen.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 111; Inwerkingtreding : onbepaald, uiterlijk op 02-06-2004>
  De voordracht gebeurt bij meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen op grond van criteria die betrekking hebben op de bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaat.
  In geval van een vacature voor de ambten bedoeld in artikel 43, § 4, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, geschiedt de voordracht door de verenigde benoemingscommissie bij meerderheid van twee derden van de stemmen uitgebracht binnen elke benoemingscommissie.
  Van de met redenen omklede voordracht wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de voorzitter en een lid van de benoemingscommissie wordt ondertekend.
  Binnen veertig dagen na het verzoek tot voordracht deelt de benoemingscommissie [2 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]2 de lijst met de voorgedragen kandidaat en de niet-voorgedragen kandidaten, en het proces-verbaal van voordracht mee aan de Minister van Justitie. Een afschrift van de lijst wordt [2 langs elektronische weg]2 aan de kandidaten meegedeeld (evenals aan de korpschef van de vacature en de korpschef van de voorgedragen kandidaat). <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (Wordt geen voordracht meegedeeld binnen de voorgeschreven termijn, dan kan de Minister van Justitie vanaf de veertigste dag tot de vijfenvijftigste dag na het verzoek tot voordracht, de benoemingscommissie [2 langs elektronische weg]2 aanmanen om een voordracht te doen. De benoemingscommissie beschikt over vijftien dagen vanaf de verzending van de aanmaning om vooralsnog een voordracht te doen.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  Wordt geen voordracht meegedeeld binnen de voorgeschreven termijn (of binnen de ingevolge aanmaning verlengde termijn), dan brengt de Minister van Justitie dit binnen vijftien dagen [2 langs elektronische weg]2 ter kennis van de kandidaten en wordt een nieuwe oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  § 5. [2 De Koning beschikt vanaf de ontvangst van de voordracht over vijftig dagen om een beslissing te nemen en deze langs elektronische weg mee te delen aan de benoemingscommissie, aan de kandidaten, aan de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de benoeming moet geschieden, aan de korpschef van de kandidaat en aan de procureur-generaal van de plaats waar de eed moet worden afgelegd.]2
  In geval van gemotiveerde weigering beschikt de benoemingscommissie vanaf de ontvangst van deze beslissing over vijftien dagen om een nieuwe voordracht te doen overeenkomstig de nadere regels bepaald in § 4. (De gemotiveerde weigeringsbeslissing wordt [2 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]2 meegedeeld aan de benoemingscommissie en aan de voorgedragen kandidaat. De korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de benoeming moet geschieden, de korpschef van de voorgedragen kandidaat en andere kandidaten worden [2 langs elektronische weg]2 op de hoogte gebracht van de weigeringsbeslissing.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  [2 Telkens wanneer de Koning niet beslist binnen de termijn van vijftig dagen, beschikken de betrokken benoemingscommissie en de kandidaten vanaf de vijfenvijftigste dag over een termijn van vijftien dagen om langs elektronische weg een aanmaning aan de minister van Justitie te betekenen.]2. Wanneer de Koning binnen vijftien dagen na de betekening geen beslissing treft, wordt zijn stilzwijgen geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep bij de Raad van State kan worden ingesteld. Bij ontstentenis van tijdige aanmaning en zo het een eerste voordracht betreft, doet de benoemingscommissie een nieuwe voordracht, overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid; zo het geen eerste voordracht betreft, wordt een nieuwe oproep tot de kandidaten bekendgemaakt.
  ----------
  (1)<W 2014-05-08/02, art. 9, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 52, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (3)<W 2017-07-06/24, art. 245, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 259ter TOEKOMSTIG RECHT.


   <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Vooraleer de Koning tot een benoeming bedoeld in artikel 58bis, 1° overgaat, vraagt de Minister van Justitie binnen [2 vijfendertig]2 dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad, [2 voor de kandidaturen die hij ontvankelijk heeft verklaard overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in de artikelen 287sexies en 216bis,]2 een gemotiveerd schriftelijk advies (overeenkomstig een door de Minister van Justitie, op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie, bepaald standaardformulier) aan : <W 2003-05-03/45, art. 18, 111; Inwerkingtreding : onbepaald, uiterlijk op 02-06-2004>
  1° de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de benoeming moet geschieden, behoudens wanneer het een benoeming tot raadsheer in het Hof van Cassatie, raadsheer of plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep of raadsheer in het arbeidshof betreft;
  2° de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de kandidaat werkzaam is, hetzij als magistraat, hetzij als plaatsvervangend magistraat (hetzij als referendaris of parketjurist, hetzij als gerechtelijk stagiair); <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (Voor de magistraten die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, belast zijn met een opdracht, verstrekt de federale procureur advies indien de betrokkene deze opdracht voltijds uitoefent. Wordt de opdracht niet voltijds uitgeoefend, dan heeft het advies van de federale procureur betrekking op de deeltijds uitgeoefende opdracht en wordt het toegevoegd aan dat van de korpschef.) <W 2001-06-21/42, art. 15, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  3° een vertegenwoordiger van de balie aangewezen door de orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de kandidaat werkzaam is, hetzij als advocaat, hetzij als magistraat. Voor het gerechtelijk arrondissement Brussel geeft al naar gelang de kandidaat ingeschreven is op het tableau van de Nederlandstalige of Franstalige orde van advocaten of de magistraat behoort tot de Nederlandstalige of Franstalige taalrol, hetzij de vertegenwoordiger van de Nederlandstalige orde, hetzij de vertegenwoordiger van de Franstalige orde advies.
  De korpschef van een rechtscollege of het openbaar ministerie bij een rechtscollege met zetel te Brussel die niet wettelijk tweetalig is, wijst een titularis van een adjunct-mandaat van de andere taalrol aan om hem bij te staan bij het inwinnen van inlichtingen en doornemen van de stukken voor het verstrekken van advies over de kandidaten behorend tot de andere taalrol.
  (Ingeval de in het eerste lid bedoelde korpschefs om welke reden dan ook in de onmogelijkheid zijn om advies te verstrekken, wordt het advies bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, verstrekt door de in [1 artikel 319, eerste lid, tweede zin, of 319, tweede lid, tweede zin]1 bedoelde magistraat.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (Is de kandidaat hoogleraar dan vraagt de Minister van Justitie overeenkomstig het bepaalde in § 1, eerste lid, het advies van zijn decaan en van de rector of van een van beiden indien de kandidaat zelf decaan of rector is.
  De personen bedoeld in deze paragraaf dienen zich ervan te onthouden advies te verstrekken telkens er een persoonlijk of strijdig belang bestaat. Zij kunnen inzonderheid geen advies verstrekken over bloed- en aanverwanten tot in de vierde graad noch over personen met wie zij een feitelijk gezin vormen. In die gevallen wordt het advies bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, verstrekt door de in [1 artikel 319, eerste lid, tweede zin, of 319, tweede lid, tweede zin]1, bedoelde magistraat. Indien deze laatste omwille van de hiervoor vermelde redenen evenmin advies kan verstrekken, dan wordt het advies verstrekt door de korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege of voor wat het Hof van Cassatie betreft, door de algemene vergadering [1 of de korpsvergadering]1.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  § 2. De adviezen worden binnen dertig dagen na het verzoek om advies bedoeld in § 1 door de adviesverlenende instanties [2 ...]2 overgezonden aan de Minister van Justitie en in afschrift [2 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]2 meegedeeld aan de betrokken kandidaat. [2 ...]2.
  [2 Onverminderd de toepassing van artikel 259bis-19, § 2bis, wordt, bij gebrek aan advies binnen de vastgestelde termijn of bij gebrek aan gebruik van het standaardformulier, aan dat advies voorbijgegaan, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn door de minister van Justitie langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaat.]2
  De kandidaten beschikken op straffe van verval over een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de adviezen om hun opmerkingen aan de Minister van Justitie [2 langs elektronische weg]2 mee te delen. Wanneer een of meerdere adviezen niet tijdig zijn uitgebracht, dienen zij dit te doen binnen [2 tachtig]2 dagen na de bekendmaking bedoeld in § 1.
  (Het benoemingsdossier bestaat uitsluitend, al naargelang het geval, uit de volgende stukken :
  a) [2 de kandidatuur met de stavingsstukken bedoeld in artikel 287sexies, derde of achtste lid, met betrekking tot de studies en beroepservaring;]2
  b) het curriculum vitae;
  c) de schriftelijke adviezen bedoeld in § 1 en in voorkomend geval de opmerkingen van de kandidaat [2 , alsmede de stukken waaruit de ontvangst van deze adviezen door de kandidaat blijkt]2;
  d) (het eindverslag van de gerechtelijke stage opgemaakt door de bevoegde evaluatiecommissie) [2 en de stageverslagen opgesteld door de stagemeesters]2; <W 2007-01-31/30, art. 45, 146; Inwerkingtreding : onbepaald, ten laatste op 02-02-2008>
  e) de definitieve beoordeling in het evaluatiedossier;
  f) [2 een uittreksel uit het strafregister dat dateert van na de bekendmaking bedoeld in paragraaf 1, eerste lid.]2
  § 3. Voor een benoeming tot raadsheer in het Hof van Cassatie, raadsheer of plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep of raadsheer in het arbeidshof, zendt de Minister van Justitie binnen [2 negentig]2 dagen te rekenen van de bekendmaking bedoeld in § 1 aan de algemene vergadering van het rechtscollege waar de benoeming moet geschieden voor elke kandidaat het benoemingsdossier over [3 met het verzoek een met redenen omkleed schriftelijk advies overeenkomstig een door de minister van Justitie, op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie, bepaald standaardformulier uit te brengen over elk van de kandidaten;]3; dit advies wordt bij hun dossier gevoegd.
  De algemene vergadering hoort de kandidaten die haar binnen [2 negentig]2 dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature als bedoeld in § 1 daarom [2 langs elektronische weg]2 hebben verzocht.
  Voor het hof van beroep en het arbeidshof te Brussel worden de adviezen goedgekeurd met een meerderheid van twee derden van de leden van de algemene vergadering.
   De algemene vergadering zendt binnen dertig dagen na het verzoek om advies de gemotiveerde adviezen [2 ...]2 aan de Minister van Justitie over en deelt een afschrift [2 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]2 mee aan de betrokken kandidaten. [2 ...]2.
  [2 Bij gebrek aan adviezen binnen de vastgestelde termijn over elke kandidaat of bij gebrek aan gebruik van het standaardformulier, wordt aan dat advies voorbijgegaan, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn door de minister van Justitie langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaten.]2
  [2 De kandidaten beschikken op straffe van verval over een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van het advies van de algemene vergadering om hun opmerkingen aan de minister van Justitie langs elektronische weg mee te delen. Wanneer het advies niet tijdig is uitgebracht, dienen zij dit te doen binnen honderdvijfendertig dagen na de bekendmaking bedoeld in paragraaf 1.]2
  § 4. Binnen [2 negentig]2 dagen te rekenen van de bekendmaking bedoeld in § 1 zendt de Minister van Justitie aan de bevoegde benoemingscommissie voor [2 de kandidaten wier kandidatuur ontvankelijk werd verklaard]2 het benoemingsdossier over met het verzoek over te gaan tot een voordracht van een kandidaat.
  In geval van tussenkomst van de algemene vergadering bedoeld in § 3 (en van het college van procureurs-generaal bedoeld in artikel 259sexies, § 1), wordt deze termijn verlengd met [2 vijfenvijftig dagen]2. <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  Met uitzondering van de gerechtelijke stagiairs moeten de kandidaten, al naar gelang, uiterlijk op het einde van de termijn bedoeld in het eerste en het tweede lid voldoen aan de benoemingsvoorwaarden. De gerechtelijke stagiairs (kunnen zich ten vroegste zes maanden voor het einde van de gerechtelijke stage kandidaat stellen en ze) moeten aan de benoemingsvoorwaarden voldoen op het ogenblik van de benoeming. <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  De benoemingscommissie hoort de kandidaten die binnen [2 negentig]2 dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature als bedoeld in § 1, haar daarom [2 langs elektronische weg]2 hebben verzocht. In geval van tussenkomst van de algemene vergadering bedoeld in § 3 (of van het college van procureurs-generaal bedoeld in artikel 259sexies, § 1) wordt deze termijn verlengd met [2 vijfenvijftig dagen]2. <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (De benoemingscommissie kan ambtshalve beslissen om alle kandidaten [2 wier kandidatuur ontvankelijk werd verklaard]2 te horen.
  De benoemingscommissie nodigt de kandidaten uit [2 langs elektronische weg]2 waarin de plaats en het tijdstip waarop zij zich moeten aanbieden, worden vermeld.
  (Van het onderhoud met de kandidaat wordt een geluidsopname gemaakt. Die opname wordt door de Hoge Raad voor de Justitie samen met het dossier over de voordracht bewaard.
  Het op deze manier opgenomen onderhoud wordt uitgetikt wanneer de kandidaat bij de Raad van State beroep instelt tegen de benoeming voor de functie waarvoor hij zich kandidaat stelde. Op dezelfde wijze wordt het onderhoud van de kandidaat die tot de genoemde functie werd benoemd, uitgetikt. Daartoe zendt de Minister van Justitie een kopie van het bij de Raad van State ingestelde beroep aan de voorzitter van de betrokken benoemingscommissie. De uitgetikte tekst wordt door de voorzitter en een lid van de benoemingscommissie gelijkluidend verklaard en door tussenkomst van de Minister van Justitie overgezonden aan de Raad van State.) <W 2004-07-09/31, art. 6, 119; Inwerkingtreding : 15-07-2004>
  Een kandidaat die niet verschijnt op het door de benoemingscommissie bepaalde tijdstip wordt, behoudens in geval van overmacht, geacht te verzaken aan de mogelijkheid om gehoord te worden. In geval van overmacht, die soeverein door de benoemingscommissie wordt beoordeeld, wordt de kandidaat opnieuw opgeroepen, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de termijn waarover de benoemingscommissie beschikt om de voordracht te doen.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 111; Inwerkingtreding : onbepaald, uiterlijk op 02-06-2004>
  De voordracht gebeurt bij meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen op grond van criteria die betrekking hebben op de bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaat.
  In geval van een vacature voor de ambten bedoeld in artikel 43, § 4, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, geschiedt de voordracht door de verenigde benoemingscommissie bij meerderheid van twee derden van de stemmen uitgebracht binnen elke benoemingscommissie.
  Van de met redenen omklede voordracht wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de voorzitter en een lid van de benoemingscommissie wordt ondertekend.
  Binnen veertig dagen na het verzoek tot voordracht deelt de benoemingscommissie [2 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]2 de lijst met de voorgedragen kandidaat en de niet-voorgedragen kandidaten, en het proces-verbaal van voordracht mee aan de Minister van Justitie. Een afschrift van de lijst wordt [2 langs elektronische weg]2 aan de kandidaten meegedeeld (evenals aan de korpschef van de vacature en de korpschef van de voorgedragen kandidaat). <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (Wordt geen voordracht meegedeeld binnen de voorgeschreven termijn, dan kan de Minister van Justitie vanaf de veertigste dag tot de vijfenvijftigste dag na het verzoek tot voordracht, de benoemingscommissie [2 langs elektronische weg]2 aanmanen om een voordracht te doen. De benoemingscommissie beschikt over vijftien dagen vanaf de verzending van de aanmaning om vooralsnog een voordracht te doen.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  Wordt geen voordracht meegedeeld binnen de voorgeschreven termijn (of binnen de ingevolge aanmaning verlengde termijn), dan brengt de Minister van Justitie dit binnen vijftien dagen [2 langs elektronische weg]2 ter kennis van de kandidaten en wordt een nieuwe oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  § 5. [2 De Koning beschikt vanaf de ontvangst van de voordracht over vijftig dagen om een beslissing te nemen en deze langs elektronische weg mee te delen aan de benoemingscommissie, aan de kandidaten, aan de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de benoeming moet geschieden, aan de korpschef van de kandidaat en aan de procureur-generaal van de plaats waar de eed moet worden afgelegd.]2
  In geval van gemotiveerde weigering beschikt de benoemingscommissie vanaf de ontvangst van deze beslissing over vijftien dagen om een nieuwe voordracht te doen overeenkomstig de nadere regels bepaald in § 4. (De gemotiveerde weigeringsbeslissing wordt [2 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]2 meegedeeld aan de benoemingscommissie en aan de voorgedragen kandidaat. De korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de benoeming moet geschieden, de korpschef van de voorgedragen kandidaat en andere kandidaten worden [2 langs elektronische weg]2 op de hoogte gebracht van de weigeringsbeslissing.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  [2 Telkens wanneer de Koning niet beslist binnen de termijn van vijftig dagen, beschikken de betrokken benoemingscommissie en de kandidaten vanaf de vijfenvijftigste dag over een termijn van vijftien dagen om langs elektronische weg een aanmaning aan de minister van Justitie te betekenen.]2. Wanneer de Koning binnen vijftien dagen na de betekening geen beslissing treft, wordt zijn stilzwijgen geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep bij de Raad van State kan worden ingesteld. Bij ontstentenis van tijdige aanmaning en zo het een eerste voordracht betreft, doet de benoemingscommissie een nieuwe voordracht, overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid; zo het geen eerste voordracht betreft, wordt een nieuwe oproep tot de kandidaten bekendgemaakt.
  

----------
  (1)<W 2014-05-08/02, art. 9, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 52, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (3)<W 2016-05-04/03, art. 52,10°, 203; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Afdeling II. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Procedure van aanwijzing in mandaten.

  Art. 259quater.<Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. (De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie worden door de Koning aangewezen voor een mandaat van vijf jaar dat niet hernieuwbaar is in hetzelfde rechtscollege of hetzelfde parket.
  De andere korpschefs bedoeld in artikel 58bis, 2°, worden door de Koning aangewezen voor een mandaat van vijf jaar dat onmiddellijk één keer hernieuwbaar is in hetzelfde rechtscollege of hetzelfde parket.) <W 2006-12-18/37, art. 3, 1°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  § 2. De Minister van Justitie vraagt binnen [5 vijfendertig]5 dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad [2 door middel van een standaardformulier vastgesteld door de minister van Justitie, op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie]2, [5 voor de kandidaturen die hij ontvankelijk heeft verklaard overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de artikelen 287sexies,]5 een gemotiveerd schriftelijk advies, al naar gelang het geval aan :
  1° (de nog in functie zijnde uittredende korpschef) van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de aanwijzing moet geschieden; <W 2003-05-03/45, art. 19, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  2° (de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de kandidaat als magistraat werkzaam is. Voor de magistraten die bij toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, een opdracht krijgen, verstrekt de federale procureur advies indien de betrokkene voltijds voor hem werkt. Zijn de prestaties niet voltijds dan wordt voor het aspect federaal werk, het advies van de federale procureur aan dat van de korpschef toegevoegd.)[1 Voor de magistraten bedoeld in artikel 43, § 5bis, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, verstrekt de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde de nodige inlichtingen aan de procureur des Konings van Brussel, die zijn advies verleent.]1 <W 2006-12-18/37, art. 3, 2°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  3° een vertegenwoordiger van de balie aangewezen door de orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de kandidaat werkzaam is als magistraat. Voor het gerechtelijk arrondissement Brussel geeft, al naar gelang de magistraat behoort tot de Nederlandse of Franse taalrol, hetzij de vertegenwoordiger van de Nederlandstalige orde, hetzij de vertegenwoordiger van de Franstalige orde advies.[5 Voor de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij dit Hof, geeft de stafhouder van de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie advies.]5
  (Ingeval de in het eerste lid, 2°, bedoelde korpschef dezelfde persoon is als de in het eerste lid, 1° bedoelde korpschef, dan wordt het advies verstrekt hetzij door de algemene vergadering [3 of de korpsvergadering]3 wat het Hof van Cassatie betreft, [6 hetzij de eerste voorzitter van het hof van beroep voor de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank,]6 hetzij door de voorzitter van het college van procureurs-generaal wat de federale procureur betreft, hetzij door de korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege wat de andere gevallen betreft. Zulks geldt ook ingeval de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde korpschef om enige reden in de onmogelijkheid is om advies te verstrekken of er in zijn hoofde een persoonlijk tegenstrijdig belang bestaat in de zin van artikel 259ter, § 1, vijfde lid. De regels van artikel 259ter, § 1, tweede lid, en § 2, eerste tot derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.) <W 2006-12-18/37, art. 3, 3°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (Het aanwijzingsdossier van een korpschef bestaat uitsluitend uit de volgende stukken :
  a) [5 de kandidatuur met de stavingsstukken bedoeld in artikel 287sexies, achtste lid, met betrekking tot de studies en beroepservaring;]5;
  b) het curriculum vitae;
  c) de schriftelijke adviezen bedoeld in het eerste lid en in voorkomend geval de opmerkingen van de kandidaat [5 , alsmede de stukken waaruit de ontvangst van deze adviezen door de kandidaat blijkt]5;
  d) het beleidsplan van de kandidaat;
  e) de definitieve beoordeling in het evaluatiedossier;
  f) [5 een uittreksel uit het strafregister dat dateert van na de bekendmaking bedoeld in het eerste lid.]5) <W 2003-05-03/45, art. 19, 111; Inwerkingtreding : 02-06-2004>
  § 3. Voor een aanwijzing tot eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, eerste voorzitter van het hof van beroep of eerste voorzitter van het arbeidshof is artikel 259ter, § 3, van overeenkomstige toepassing. (Indien de algemene vergadering niet het vereiste quorum bereikt, omdat teveel leden van het betrokken hof van beroep of arbeidshof kandidaat zijn voor de functie van korpschef van dat hof, wordt het in artikel 259ter, § 3, bedoelde advies verstrekt door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie.) <W 2003-05-03/45, art. 19, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  Voor het overige zijn de bepalingen bedoeld in artikel 259ter, §§ 4 en 5, van overeenkomstige toepassing, behoudens voor wat hierna volgt :
  1° de voordracht geschiedt tevens op basis van het standaardprofiel bedoeld in artikel 259bis-13;
  2° betreft het een aanwijzing tot korpschef bedoeld in de artikelen 43, § 4, 43bis, § 4, eerste lid, en 49, § 2, eerste en vierde lid in fine, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, dan gebeurt de voordracht door de verenigde benoemingscommissie met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen binnen elke benoemingscommissie;
  3° (op het ogenblik dat het mandaat daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste (vijf jaar) verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 383, § 1;) <W 2003-05-03/45, art. 19, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003> <W 2006-12-18/37, art. 3, 4°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (4° de benoemingscommissie hoort alle kandidaten voor een mandaat van korpschef [5 wier kandidatuur ontvankelijk werd verklaard]5.) <W 2003-05-03/45, art. 19, 111; Inwerkingtreding : 02-06-2004>
  (§ 3bis. Uiterlijk op het einde van de 52e maand van de uitoefening van het mandaat brengt de korpschef bedoeld in § 1, tweede lid, de minister van Justitie ervan op de hoogte of hij al dan niet de verlenging van het mandaat vraagt. Indien hij deze verlenging niet vraagt, valt het mandaat open.
  [6 ...]6
  Indien de betrokkene de verlenging van het mandaat heeft gevraagd, zendt de minister van Justitie uiterlijk 60 dagen voor het verstrijken van het mandaat, het verlengingsdossier dat de stukken bevat bedoeld in artikel 259novies, § 10, veertiende lid, over aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie.
  De benoemings- en aanwijzingscommissie hoort de korpschef.
  De voordracht door de benoemings- en aanwijzingscommissie neemt de vorm aan van een met redenen omklede beslissing tot aanvaarding of weigering van de verlenging van het mandaat van korpschef. Zij wordt uiterlijk 30 dagen voor het verstrijken van het mandaat overgezonden aan de Minister van Justitie.
  De verlenging van het mandaat of het openvallen van het mandaat vindt plaats binnen 30 dagen voor het verstrijken van het mandaat.
  In geval van aanwijzing van een korpschef bedoeld in § 6, derde lid, lopen de in deze paragraaf bedoelde termijnen volgens het tijdschema dat van toepassing zou geweest zijn op zijn voorganger.
  Indien het mandaat van een korpschef niet wordt verlengd, wordt het mandaat, tot de aanwijzing van de opvolger, uitgeoefend door een adjunct-mandaathouder naar orde van dienstanciënniteit of bij ontstentenis van deze door een ander magistraat naar orde van dienstanciënniteit.) <W 2006-12-18/37, art. 3, 5°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  § 4. (De korpschef die uit hetzelfde rechtscollege of hetzelfde parket afkomstig is, neemt op het einde van het mandaat het ambt waarin hij op het tijdstip van zijn aanwijzing was benoemd weer op of, naar gelang van het geval, het adjunct-mandaat waarin hij was aangewezen.
  De aanwijzing als korpschef in het rechtscollege waaruit de magistraat afkomstig is, schorst het adjunct-mandaat.) <W 2006-12-18/37, art. 3, 6°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>hef met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.
  [3 Toch maakt het mandaat van korpschef een einde aan het mandaat van adjunct-procureur des Konings te Brussel, adjunct-arbeidsauditeur te Brussel, afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur, afdelingsauditeur, ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank.
   De houders van een adjunct-mandaat waarvan het mandaat geschorst is, kunnen in voorkomend geval in overtal worden vervangen tijdens de duur van het mandaat van korpschef.]3
  § 5. [3 De aanwijzing in de functie van korpschef van een kandidaat van buiten het rechtscollege of parket geeft aanleiding tot een gelijktijdige benoeming, in voorkomend geval in overtal, in dat rechtscollege of parket zonder dat artikel 287sexies van toepassing is, met uitzondering van de federale procureur die zijn benoeming behoudt en van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank die tegelijkertijd benoemd wordt hetzij als vrederechter in een kanton van het arrondissement, aangewezen door de Koning, hetzij als rechter in de politierechtbank van het arrondissement. [4 In voorkomend geval geeft de aanwijzing in het mandaat van federale procureur bovendien aanleiding tot een gelijktijdige aanwijzing in subsidiaire orde, in overtal, als federaal magistraat.]4 [5 Wanneer de als voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank aangewezen magistraat geen vrederechter of rechter in de politierechtbank is, wordt hij respectievelijk aangewezen als vrederechter als de ondervoorzitter rechter in de politierechtbank is en als rechter in de politierechtbank als de ondervoorzitter vrederechter is.]5
   De aanwijzing in het mandaat van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of van procureur des Konings van een kandidaat van buiten het rechtscollege of parket geeft ook aanleiding tot een benoeming in subsidiaire orde, in voorkomend geval in overtal, in de andere rechtbanken van eerste aanleg of parketten van de procureur des Konings van het rechtsgebied van het hof van beroep, overeenkomstig artikel 100 en met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
   Het tweede lid is eveneens van toepassing op de aanwijzingen in de rechtbanken van koophandel, de arbeidsrechtbanken en de arbeidsauditoraten in het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel.
   De aanwijzing in het mandaat van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen van een kandidaat van buiten het rechtscollege geeft ook aanleiding tot een benoeming in subsidiaire orde, in overtal, in de rechtbank van koophandel en in de arbeidsrechtbank te Eupen overeenkomstig artikel 100/1. De aanwijzing in het mandaat van procureur des Konings te Eupen, van een kandidaat van buiten het parket geeft ook aanleiding tot een benoeming in subsidiaire orde, in overtal, in het arbeidsauditoraat te Eupen overeenkomstig artikel 156/1.
   De houder van een adjunct-mandaat kan worden vervangen in zijn oorspronkelijk rechtscollege.
   Wanneer de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank een vrederechter is, wordt hij in zijn oorspronkelijk vredegerecht vervangen door een vrederechter in overtal die eveneens in subsidiaire orde wordt benoemd in alle kantons van het arrondissement, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
   De uittredende korpschef kan op zijn verzoek door de Koning opnieuw benoemd worden, desnoods in overtal, in het ambt waarin hij het laatst was benoemd voor zijn aanwijzing tot korpschef. In voorkomend geval wordt tevens het adjunct-mandaat waarin hij was aangewezen weer opgenomen in de fase waarin hij had opgehouden die uit te oefenen, voor zover het niet gaat om een mandaat bedoeld in § 4, derde lid.
   Bij gebrek aan een verzoek tot heropneming gericht aan de Koning, naargelang van het geval hetzij uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van het mandaat, hetzij binnen een maand voor het einde van het mandaat indien het mandaat niet is verlengd, wordt hij gehandhaafd in het ambt waarin hij bij zijn aanwijzing als korpschef was benoemd.]3
  [4 Uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van zijn mandaat of binnen de maand voorafgaand aan het verstrijken van zijn mandaat wanneer dit niet verlengd werd, licht de federale procureur de minister van Justitie in of hij opteert om terug te keren naar zijn functie waarin hij laatstelijk benoemd werd en overeenkomstig het zevende lid, in voorkomend geval met het adjunct-mandaat waarin hij was aangewezen, ofwel zijn mandaat van federaal magistraat uit te oefenen.]4
  [6 § 5/1. Behoudens het geval waarin bij hun evaluatie de vermelding "onvoldoende" aan hen werd toegekend, mogen de magistraten die een mandaat van korpschef hebben uitgeoefend, respectievelijk de titel van ereeerste-voorzitter, erevoorzitter, ereprocureur-generaal, erefederale procureur, ereprocureur des Konings of ere-arbeidsauditeur dragen.]6
  § 6. (Het openvallen van een mandaat van korpschef leidt tot toepassing van [3 artikel 287sexies]3.
  Indien het mandaat van eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of van procureur-generaal bij het Hof van Cassatie voortijdig openvalt, wordt [3 artikel 287sexies]3 enkel toegepast voor zover de normale einddatum van het mandaat ten minste twee jaar verwijderd is van het tijdstip waarop het mandaat openvalt. Indien deze termijn korter is dan twee jaar, wordt het mandaat voltooid door de vervanger bedoeld in [3 artikel 319, tweede lid, tweede zin]3.
  [1 Indien op het tijdstip waarop een mandaat van federale procureur, van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, van procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel of van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel voortijdig openvalt, de normale einddatum van het mandaat ten minste twee jaar verwijderd is, wordt artikel 287sexies toegepast.]1
  Indien op het tijdstip waarop een mandaat bedoeld in het derde lid voortijdig openvalt, de normale einddatum van het mandaat minder dan twee jaar verwijderd is, wordt het mandaat voltooid door de vervanger bedoeld in [3 artikel 319, tweede lid, tweede zin]3.
  Indien de vervanging bedoeld in het vierde lid in de loop van het eerste mandaat gebeurt, wordt [3 artikel 287sexies]3 toegepast voor de toekenning van een mandaat voor de hernieuwingsperiode of voor het resterende deel van deze periode.
  In geval van een oproep tot de kandidaten met toepassing van het tweede, derde en vijfde lid, kunnen op straffe van onontvankelijkheid enkel degenen die voldoen aan dezelfde taalvoorwaarden als de korpschef wiens mandaat voortijdig afloopt, zich kandidaat stellen.
  De duur van het mandaat van degene die met toepassing van het tweede, derde of vijfde lid, tot korpschef wordt aangewezen, wordt in afwijking van § 1 beperkt tot de resterende duur van het mandaat dat voortijdig afloopt. Indien de aanwijzing in een mandaat bedoeld in het derde lid evenwel gebeurt in de loop van het eerste mandaat, wordt voor de hernieuwingsperiode § 3bis toegepast.) <W 2006-12-18/37, art. 3, 10°, 145; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op : 01-01-2008>
  (§ 7. De korpschef kan zijn mandaat voortijdig ter beschikking stellen [5 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]5. Het mandaat wordt evenwel slechts beëindigd na negen maanden te rekenen vanaf de ontvangst van de terbeschikkingstelling. Deze termijn kan door de Koning, op gemotiveerd verzoek van de betrokken korpschef, worden ingekort.
  Onverminderd § 6 zijn de bepalingen van de §§ 4 en 5 van toepassing op de korpschef die zijn mandaat voortijdig ter beschikking stelt (...). <W 2006-12-18/37, art. 3, 11°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  De korpschef die zijn mandaat voortijdig ter beschikking stelt kan zich gedurende een termijn van twee jaar nadat hij zijn mandaat effectief neerlegde, niet opnieuw kandidaat stellen voor een mandaat van korpschef.) <W 2003-05-03/45, art. 19, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  
  (NOTA : bij arrest nr 122/2008 van 01-09-2008 (B.St. 18-09-2008, p. 48642-48649), heeft het Grondwettelijk Hof de woorden " dat de stukken bevat bedoeld in artikel 259novies, § 10, veertiende lid, " in artikel 259quater, § 3bis, derde lid, vernietigd in zoverre zij van toepassing zijn op de korpschefs van de hoven en rechtbanken)
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 25, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 10,1°, 185; Inwerkingtreding : 24-10-2016 (KB 2016-09-28/10, art. 1)>
  (3)<W 2014-05-08/02, art. 10,2° à 10,8°, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014, bevestigd door W 2014-04-10/73, art. 11, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (4)<W 2016-02-05/11, art. 202, 201; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (5)<W 2016-05-04/03, art. 53, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (6)<W 2017-07-06/24, art. 246,b, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 259quinquies.<Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De titularissen van de adjunct-mandaten bedoeld in artikel 58bis, 3°, worden aangewezen als volgt :
  1° de voorzitter en de afdelingsvoorzitters in het Hof van Cassatie, de kamervoorzitters in het hof van beroep en [2 in het arbeidshof, de ondervoorzitters van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel en de ondervoorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank.]2 worden door de bevoegde algemene vergaderingen uit hun midden aangewezen, uit twee kandidaten die door de korpschef op gemotiveerde wijze worden voorgedragen voorzover er voldoende leden zijn die in de voorwaarden verkeren en zich kandidaat hebben gesteld. [1 Voor de hoven met zetel te Brussel]1 geschieden de voordrachten en de aanwijzing per taalgroep volgens de taalrol van het mandaat.
  Telt het betrokken rechtscollege minder dan zeven magistraten, dan geschiedt de aanwijzing door de korpschef bij beschikking;
  (Om te kunnen worden aangewezen tot voorzitter van het Hof van Cassatie moet de kandidaat op het tijdstip waarop het mandaat daadwerkelijk openvalt bovendien ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 383, § 1.) <W 2006-12-18/37, art. 4, 1°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  2° de eerste advocaten-generaal bij de hoven, de advocaten-generaal bij het hof van beroep en het arbeidshof [1 , de eerste substituten, de eerste substituut-procureur des Konings die de functie van adjunct-procureur des Konings van Brussel uitoefent en de eerste substituut-arbeidsauditeur die de functie van adjunct-arbeidsauditeur van Brussel uitoefent]1 worden door de Koning aangewezen op gemotiveerde voordracht door de korpschef van twee kandidaten, indien voorhanden.
  (Om te kunnen worden aangewezen tot eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie moet de kandidaat op het tijdstip waarop het mandaat daadwerkelijk openvalt bovendien ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 383, § 1.) <W 2006-12-18/37, art. 4, 2°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  [2 3° de afdelingsvoorzitter bij een rechtbank wordt [3 ...]3 aangewezen door de algemene vergadering uit twee kandidaten op een met redenen omklede voordracht van de voorzitter van de rechtbank uit magistraten van de zetel die zich bij hem kandidaat hebben gesteld.
   De Koning wijst een afdelingsprocureur of afdelingsauditeur aan [3 ...]3 op een met redenen omklede voordracht door de korpschef van twee parketmagistraten die zich bij hem kandidaat hebben gesteld.
   De afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur, of afdelingsauditeur, kan voor de duur van zijn mandaat worden vervangen, in voorkomend geval in overtal.]2 [3 Naargelang het geval kan de vervanging worden toegestaan in de rechtbank of het parket waarin de aanwijzing heeft plaatsgevonden of, indien de aangewezen persoon magistraat was in een andere rechtbank of in een ander parket dan in de rechtbank of het parket waarin hij wordt aangewezen, in die rechtbank of dat parket.]3
  [3 De aanwijzing in het mandaat van afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur of afdelingsauditeur schorst het adjunct-mandaat waarin die magistraat was aangewezen binnen of buiten het rechtscollege of het parket waarin de aanwijzing als afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur of afdelingsauditeur heeft plaatsgevonden. De aanwijzing in het adjunct-mandaat van afdelingsprocureur of afdelingsauditeur maakt evenwel een einde aan het adjunct-mandaat van adjunct-procureur des Konings van Brussel of van adjunct-arbeidsauditeur van Brussel.]3
  (§ 1bis. De aanwijzingen in de adjunct-mandaten van voorzitter van het Hof van Cassatie en van eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie gebeuren voor een niet-hernieuwbare termijn van vijf jaar.
  De voorzitter van het Hof van Cassatie en de eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie worden onderworpen aan een evaluatie in de loop van het vijfde jaar van het mandaat.
  Bij het verstrijken van hun mandaat nemen zij het laatste ambt of het laatste adjunct-mandaat waarin zij werden benoemd of aangewezen, weer op. In voorkomend geval verdwijnt het overtal bij het openvallen van een mandaat van dezelfde rang.
  De aanwijzing als voorzitter van het Hof van Cassatie schorst het adjunct-mandaat van [3 sectievoorzitter]3 in het Hof van Cassatie.
  In geval van vervroegde beëindiging van het mandaat wordt de in § 1 bedoelde procedure aangevat met het oog op de aanwijzing van een magistraat van dezelfde taalrol die het lopende mandaat beëindigt.) <W 2006-12-18/37, art. 4, 3°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  [3 § 1ter. De aanwijzingen als ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank gebeuren voor een termijn van vijf jaar die kan worden hernieuwd na evaluatie indien de nieuwe voorzitter dezelfde hoedanigheid heeft als de uittredende voorzitter of indien de magistraat die is aangewezen als voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank geen vrederechter of rechter in de politierechtbank is. De vervroegde beëindiging van het mandaat van voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank heeft tot gevolg dat het mandaat van ondervoorzitter wordt beëindigd bij de eedaflegging van de opvolger van de voorzitter, behalve indien de nieuwe voorzitter dezelfde hoedanigheid heeft als de uittredende voorzitter of indien de magistraat die is aangewezen als voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank geen vrederechter of rechter in de politierechtbank is.
   In geval van vervroegde beëindiging van het mandaat van ondervoorzitter, wordt de in paragraaf 1 bedoelde procedure aangevat met het oog op de aanwijzing van de magistraat die het lopende mandaat zal beëindigen. Naargelang de te vervangen ondervoorzitter vrederechter of rechter in de politierechtbank was, zal hij respectievelijk worden vervangen door een vrederechter of een rechter in de politierechtbank.
   Bij niet-hernieuwing van het mandaat van ondervoorzitter wordt de procedure bedoeld in paragraaf 1 aangevat.
   Bij het verstrijken van hun mandaat nemen zij het laatste ambt waarin zij werden benoemd weer op.
   De ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank wordt verondersteld zijn mandaat te hebben aangevat op de datum van de eedaflegging van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank.]3
  § 2. De aanwijzingen in de (andere) adjunct-mandaten gebeuren voor een termijn van drie jaar die kan worden hernieuwd na evaluatie. Na negen jaar ambtsvervulling woen zij na evaluatie vast aangewezen. [2 De afdelingsvoorzitters, afdelingsprocureurs, [3 en de afdelingsauditeurs]3 worden niet vast aangewezen in hun adjunct-mandaat.]2 <W 2006-12-18/37, art. 4, 4°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  Bij niet-hernieuwing van het mandaat wordt de procedure bedoeld in § 1 aangevat. In dit geval neemt de magistraat bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt of het adjunct-mandaat waarin hij het laatst werd benoemd of vast aangewezen weer op. In voorkomend geval verdwijnt het overtal bij het openvallen van een mandaat van dezelfde rang. <W 2006-12-18/37, art. 4, 5°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 26, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 61, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014, gewijzigd door W 2014-05-08/02, art. 109, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2016-05-04/03, art. 54, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 259sexies.<Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De titularissen van de bijzondere mandaten bedoeld in artikel 58bis, 4°, worden aangewezen als volgt :
  1° de onderzoeksrechters, de beslagrechters en de rechters in de [4 familie- en jeugdrechtbank]4 worden door de Koning aangewezen op voordracht van de bevoegde algemene vergadering uit de kandidaten die op gemotiveerde wijze door de korpschef worden voorgesteld.
  Zij worden aangewezen uit de rechters die gedurende ten minste drie jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van rechter in de rechtbank van eerste aanleg hebben uitgeoefend en die voornoemde ambten reeds hebben uitgeoefend krachtens artikel 80, tweede lid, tenzij de Koning van de laatste voorwaarde afwijkt en Hij zijn keuze met bijzondere redenen omkleedt.
  (Om het ambt van onderzoeksrechter, beslagrechter of rechter in de [4 familie- en jeugdrechtbank]4 te kunnen uitoefenen moet men een gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.
  Bovendien, om het ambt van onderzoeksrechter [4 of van rechter van de familie- en jeugdrechtbank]4 te kunnen uitoefenen, moet men gedurende tenminste een jaar het ambt van rechter in de rechtbank van eerste aanleg hebben uitgeoefend.) <W 2007-01-31/30, art. 46, 146; Inwerkingtreding : 02-02-2008>
  2° de [4 familie- en jeugdrechter]4 in hoger beroep wordt door de Koning aangewezen op voordracht van de bevoegde algemene vergadering uit de kandidaten die op gemotiveerde wijze door de korpschef worden voorgesteld. Hij wordt aangewezen uit de kamervoorzitters en raadsheren;
  (Om het ambt [4 familie- en jeugdrechter]4 in hoger beroep te kunnen uitoefenen moet men een gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.) <W 2007-01-31/30, art. 46, 146; Inwerkingtreding : 02-02-2008>
  3° (de verbindingsmagistraten in jeugdzaken, de bijstandsmagistraten) en de federale magistraten worden aangewezen uit de leden van het openbaar ministerie die gedurende ten minste vijf jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van onderzoeksrechter hebben uiteoefend. <W 2006-06-13/40, art. 42, 2°, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  De aanwijzing geschiedt door de Koning op voordracht van de verenigde benoemingscommissie overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikel 259ter, §§ 1, 2, 4 en 5. (Voor de verbindingsmagistraten in jeugdzaken wordt het door artikel 259ter, § 1, 1°, voorgeschreven advies niet ingewonnen.) <W 2006-06-13/40, art. 42, 3°, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  (Om het ambt van verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat of federaal magistraat te kunnen uitoefenen moet men een gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.) <W 2007-01-31/30, art. 46, 146; Inwerkingtreding : onbepaald, ten laatste op 02-02-2008>
  De Minister van Justitie zendt binnen [7 negentig dagen]7 te rekenen van de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad aan het college van procureurs-generaal voor elke kandidaat het benoemingsdossier over met het verzoek een gemotiveerd advies uit te brengen over elk van de kandidaten; dit advies wordt bij hun dossier gevoegd.
  Het college van procureurs-generaal hoort de kandidaten die haar binnen [7 negentig dagen]7 te rekenen van de bekendmaking van de vacature zoals bedoeld in het vorige lid daarom [7 langs elektronische weg]7 hebben verzocht.
  [7 Het College van procureurs-generaal zendt binnen dertig dagen na het verzoek om advies de met redenen omklede adviezen over aan de minister van Justitie en deelt langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs een afschrift mee aan de betrokken kandidaten.]7
  Bij gebrek aan adviezen binnen de vastgestelde termijn over elke kandidaat, wordt met deze adviezen geen rekening gehouden, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn door de Minister van Justitie [7 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]7 wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaten.
  (4° De rechters in de strafuitvoeringsrechtbank worden door de Koning aangewezen op met redenen omklede voordracht van de eerste voorzitter van het hof van beroep (uit de [1 rechters [7 ...]7 of raadsheren [7 ...]7]1) die zich kandidaat hebben gesteld. <W 2006-12-27/33, art. 82, 1°, 144; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
  De minister van Justitie stuurt de kandidaturen voor advies aan de korpschef van de kandidaten en aan de korpschef van het rechtscollege waar de aanwijzing moet geschieden. Deze laatsten bezorgen de kandidaturen aan de eerste voorzitter van het betrokken hof van beroep en voegen er hun advies aan toe.
  De eerste voorzitter van het hof van beroep bezorgt de voordracht en de adviezen aan de Minister van Justitie.
  [1 Om te worden aangewezen als rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, moet het bewijs worden geleverd van vijf jaar ervaring als werkend magistraat, waarvan drie jaar als rechter [7 bij het hof van beroep]7 of raadsheer bij het hof van beroep en de voortgezette gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd, die georganiseerd wordt [3 door het Instituut voor gerechtelijke opleiding]3.
   De rechter in de strafuitvoeringsrechtbank kan voor de duur van zijn mandaat worden vervangen door middel van een benoeming of, in voorkomend geval, van een aanwijzing in overtal.]1 [7 Naargelang het geval kan de vervanging worden toegestaan in het rechtscollege waarin de aanwijzing heeft plaatsgevonden of, indien hij is benoemd in een ander rechtscollege, in dat rechtscollege.]7
  5° [1 De substituten-procureur des Konings gespecialiseerd in [5 strafuitvoeringszaken en interneringszaken]5 worden door de Koning aangewezen op met redenen omklede voordracht van de procureur-generaal bij het hof van beroep uit de substituten-procureurs des Konings en de substituten-procureur-generaal [2 en]2 de advocaten-generaal bij het hof van beroep die zich kandidaat hebben gesteld.]1
  De minister van Justitie stuurt de kandidaturen voor advies aan de korpschef van de kandidaten en aan de korpschef van het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de aanwijzing moet geschieden. Deze laatsten bezorgen de kandidaturen aan de betrokken procureur-generaal en voegen er hun advies aan toe.
  De procureur-generaal bij het hof van beroep bezorgt de voordracht en de adviezen aan de Minister van Justitie.
  [2 De substituten-procureur des Konings gespecialiseerd in [5 strafuitvoeringszaken en interneringszaken]5 worden aangewezen uit de magistraten bedoeld in het eerste lid die minimum vijf jaar ervaring hebben, waarvan drie jaar als substituut van de procureur des Konings, substituut van de procureur-generaal of advocaat-generaal bij het hof van beroep en die een voortgezette gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.]2
  [1 De parketmagistraat gespecialiseerd in [5 strafuitvoeringszaken en interneringszaken]5 kan voor de duur van zijn mandaat worden vervangen door middel van een benoeming of, in voorkomend geval, van een aanwijzing in overtal.]1) [7 Naargelang het geval kan de vervanging worden toegestaan in het parket waarin de aanwijzing heeft plaatsgevonden of, indien hij is benoemd in een ander parket, in dat parket]7 <W 2006-05-17/36, art. 19, 2°, 132; Inwerkingtreding : 31-08-2006>
  § 2. De onderzoeksrechters, de beslagrechters en de rechters in de jeugdrechtbank worden aangewezen voor een termijn van een jaar, die na evaluatie een eerste maal voor twee jaar en vervolgens telkens voor vijf jaar kan worden hernieuwd.
  [8 De rechters in de strafuitvoeringsrechtbank en de substituten-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken worden aangewezen voor een periode van een jaar, die een eerste maal voor een periode van drie jaar en vervolgens telkens voor een periode van vier jaar kan worden verlengd, na evaluatie.]8
  De jeugdrechters in hoger beroep worden aangewezen voor een termijn van drie jaar die na evaluatie telkens voor vijf jaar kan worden hernieuwd.
  [6 De verbindingsmagistraten in jeugdzaken en de bijstandsmagistraten worden aangewezen voor een termijn van vijf jaar, die na evaluatie tweemaal kan worden hernieuwd. De federale magistraten worden aangewezen voor een termijn van vijf jaar die na een positieve evaluatie telkens voor vijf jaar kan worden hernieuwd. Na twee hernieuwingen kan het mandaat van federaal magistraat maar hernieuwd worden mits een bijkomende positief advies van het College van procureurs-generaal.]6
  (De magistraten van het openbaar ministerie die worden aangewezen tot (verbindingsmagistraat in jeugdzaken of federaal magistraat) kunnen vervangen worden door een benoeming en, in voorkomend geval, een aanwijzing in overtal.) <W 2003-05-03/45, art. 20, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003> <W 2006-06-13/40, art. 42, 5°, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  § 3. Ingeval een bijzonder mandaat niet wordt hernieuwd, wordt de procedure bedoeld in § 1 aangevat.
  (De (verbindingsmagistraat in jeugdzaken, de bijstandsmagistraat) en de federale magistraat nemen na het verstrijken van hun mandaat het ambt waarin zij zijn benoemd weer op en in voorkomend geval het adjunct-mandaat waarin zij zijn aangewezen. [9 De aanwijzing in één van de in de eerste zin bedoelde mandaten maakt een einde aan het mandaat van afdelingsprocureur, van afdelingsauditeur, van adjunct-procureur des Konings te Brussel en van adjunct-arbeidsauditeur te Brussel.]9 <W 2006-06-13/40, art. 42, 6°, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  [9 Met uitzondering van de adjunct-mandaten bedoeld in het tweede lid, tweede zin, worden de niet vast adjunct-mandaten geschorst voor de duur van de mandaten van verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat en federale magistraat.]9
  Het bijzonder mandaat van (rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat, federaal magistraat of substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in [5 strafuitvoeringszaken en interneringszaken]5) neemt een einde wanneer de betrokkene een opdracht als bedoeld in de artikelen 308, 323bis, 327 en 327bis aanvaardt.) <W 2001-06-21/42, art. 17, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001> <W 2006-06-13/40, art. 42, 7°, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  
  (NOTA : alle wijzigingen aan artikel 259sexies bij art. 103 van W 2014-05-05/11, Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 136) zijn niet compatibel met de wijzigingen zoals reeds doorgevoerd bij de hieronder gewijzigde wetten
  

----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 62, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 110, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2014-04-10/73, art. 12, 187; Inwerkingtreding : 02-02-2008>
  (4)<W 2013-07-30/23, art. 121, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (5)<W 2014-05-05/11, art. 103, 195; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 136. Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>
  (6)<W 2016-02-05/11, art. 203, 201; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (7)<W 2016-05-04/03, art. 55, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016. Overgangsbepalingen : art. 251>
  (8)<W 2016-05-04/03, art. 55,9°, 203; Inwerkingtreding : 13-05-2016. Overgangsbepalingen : art. 251>
  (9)<W 2017-07-06/24, art. 247, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 259sexies/1.[1 De rechters in de tuchtrechtbank en de raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep worden [3 aangewezen uit de magistraten van de zetel of uit de plaatsvervangende magistraten bedoeld in artikel 156bis]3 die gedurende ten minste tien jaar een ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van de zetel hebben uitgeoefend en die nog nooit een tuchtsanctie hebben opgelopen, tenzij deze werd uitgewist.
   De rechters in de tuchtrechtbank worden door de algemene vergaderingen van de rechtbanken van eerste aanleg aangewezen voor een niet-hernieuwbare termijn van zeven jaar uit de kandidaten die op een met redenen omklede wijze door de korpschef worden voorgesteld.
   De raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep worden door de algemene vergaderingen van de hoven van beroep aangewezen voor een niet-hernieuwbare termijn van zeven jaar uit de kandidaten die op een met redenen omklede wijze door de korpschef worden voorgesteld.
   [2 De kandidaturen voor de mandaten van rechter bij de tuchtrechtbank en van raadsheer bij de tuchtrechtbank in hoger beroep worden naar de bevoegde algemene vergadering gestuurd binnen een termijn van een maand vanaf de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad.
   De voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg en de eerste voorzitters van de hoven van beroep bezorgen de naam van de aangewezen rechters en raadsheren aan de minister van Justitie binnen vijfenzeventig dagen na de oproep tot kandidaten.]2
   De Koning stelt het contingent vast van de rechters die zitting kunnen houden in de tuchtrechtbank en van de raadsheren die zitting kunnen houden in de tuchtrechtbank in hoger beroep.
   De korpschefs en de leden van de Hoge Raad voor de Justitie kunnen niet worden aangewezen om zitting te houden in de tuchtrechtscolleges.
   Het mandaat van rechter in de tuchtrechtbank en van raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep neemt een einde wanneer de betrokkene een in de artikelen 308, 323bis, 327 en 327bis bedoelde opdracht aanvaardt. Het mandaat neemt ambtshalve een einde wanneer hem een tuchtstraf wordt opgelegd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-15/08, art. 4, 182; Inwerkingtreding : 09-04-2014 (KB 2014-03-28/13, art. 3, 1°)>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 29, 185; Inwerkingtreding : 09-04-2014>
  (3)<W 2017-07-06/24, art. 248, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 259septies.<Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De uitoefening van een mandaat van korpschef is onverenigbaar met de uitoefening van een adjunct-mandaat en met de uitoefening van een bijzonder mandaat indien dit laatste buiten het rechtscollege gebeurt.
  De uitoefening van een adjunct-mandaat is verenigbaar met de uitoefening van een bijzonder mandaat voor zover dit binnen hetzelfde rechtscollege gebeurt.
  ([4 Met uitzondering van de mandaten van afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur en afdelingsauditeur is een aanwijzing in een adjunct-mandaat overeenkomstig artikel 259quinquies]4 uitsluitend mogelijk in het rechtscollege waar de magistraat op de personeelsformatie wordt aangerekend.
  Met uitzondering van de mandaten (van rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, van verbindingsmagistraat in jeugdzaken, van bijstandsmagistraat, van federaal magistraat en van substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in [3 strafuitvoeringszaken en interneringszaken]3) is de aanwijzing in een bijzonder mandaat overeenkomstig artikel 259sexies uitsluitend mogelijk in het rechtscollege waar de magistraat op de personeelsformatie aangerekend wordt.) <W 2000-07-17/34, art. 6, 080; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 2006-06-13/40, art. 43, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  (Tijdens de uitoefening van hun mandaat kunnen de rechter in de strafuitvoeringsrechtbank en de substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in [3 strafuitvoeringszaken en interneringszaken]3 in een adjunct-mandaat worden aangewezen in het rechtscollege van herkomst. Artikel 323bis, § 1, tweede tot vierde lid, is op hen van toepassing.) <W 2006-05-17/36, art. 20, 2°, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  [1 In geval van met redenen omklede behoeften kan een onderzoeksrechter, een [2 rechter in de familie- en jeugdrechtbank]2 of een beslagrechter echter met zijn instemming, na gunstig advies van de betrokken korpschefs en met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bij beschikking van de eerste voorzitter, de opdracht worden gegeven zijn ambt gelijktijdig en voor een beperkte periode uit te oefenen in een andere rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied. In de beschikking van de eerste voorzitter wordt vermeld waarom deze opdracht [2 onontbeerlijk]2 is en worden de nadere regels van de opdracht bepaald.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 63, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 111, 185; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (3)<W 2014-05-05/11, art. 104, 195; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 136). Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>
  (4)<W 2014-12-19/24, art. 30, 196; Inwerkingtreding : 08-01-2015>

  HOOFDSTUK Vquater. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 47, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De gerechtelijke stage.

  Art. 259octies.[1 § 1. De kandidaten die zich voor het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage inschrijven, moeten, op het ogenblik van hun inschrijving, licentiaat in de rechten of houder van een masterdiploma in de rechten en tijdens de periode van vier jaar voorafgaand aan de inschrijving gedurende ten minste twee jaar als houder van het diploma van licentiaat of master in de rechten als voornaamste beroepsactiviteit hetzij een stage bij de balie hebben doorlopen, hetzij andere juridische functies hebben uitgeoefend.
   De kandidaturen voor dit vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage moeten worden ingediend binnen een maand na de bekendmaking van de oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad.
   De Koning bepaalt bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op advies van het College van het openbaar ministerie en van het College van de hoven en rechtbanken voor elk gerechtelijk jaar vóór 30 april het aantal vacante plaatsen van gerechtelijk stagiair voor de Nederlandse en voor de Franse taalrol. De Koning houdt rekening met het aantal gerechtelijke attachés bedoeld in § 7.
   De minister bevoegd voor Justitie benoemt de gerechtelijke stagiairs en wijst op gezamenlijk voorstel van het College van hoven en rechtbanken en het College van het openbaar ministerie het rechtsgebied van het hof van beroep aan waar de stage wordt doorgemaakt. De procureur-generaal verleent, binnen dit rechtsgebied, dienstaanwijzing aan de gerechtelijk stagiair bij een parket van de procureur des Konings of een arbeidsauditoraat en de eerste voorzitter van het hof van beroep verleent dienstaanwijzing aan de gerechtelijk stagiair in een rechtbank van eerste aanleg, een rechtbank van koophandel of een arbeidsrechtbank.
   Bij de benoeming, de aanwijzing in een rechtsgebied van een hof van beroep en de dienstaanwijzing van de gerechtelijke stagiairs wordt rekening gehouden met de voorrang volgens de rangschikking bedoeld in artikel 259bis-9, § 1/1, tweede lid.
   § 2. De stage die toegang geeft tot het ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van de zetel heeft een duur van twee jaar. Zij behelst een opleiding bestaande uit een cyclus van cursussen georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding en een praktische opleiding die verloopt in verschillende opeenvolgende stadia :
   - van de 1e tot de 11e maand, stage bij een parket van de procureur des Konings en/of van de arbeidsauditeur; deze periode omvat eveneens een maand in een administratieve dienst van een of meer parketten;
   - van de 12e tot de 14e maand een externe stage;
   - van de 15e tot de 24e maand, stage bij een of meer kamers van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank en/of de rechtbank van koophandel; deze periode omvat eveneens een maand in een of meer griffies.
   Het programma van de externe stage wordt goedgekeurd door de bevoegde commissie voor de evaluatie van de gerechtelijke stage.
   De deelname aan de opleidingssessies georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding is verplicht voor alle gerechtelijke stagiairs.
   § 3. De gerechtelijk stagiair staat tijdens de hele duur van zijn stage, ook tijdens de externe stage, onder het gezag en toezicht van de korpschef van het parket of de zetel waar hij zijn stage doormaakt.
   Hij staat eveneens onder leiding van twee stagemeesters die met zijn opleiding zijn belast en die bij de opmaak en de follow-up van het stageprogramma worden bijgestaan door het Instituut voor gerechtelijke opleiding. De eerste is magistraat bij het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. De tweede is magistraat van de zetel in de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de rechtbank van koophandel. Zij worden door hun respectievelijke korpschefs aangewezen onder de magistraten die de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd. Deze opleiding wordt minstens tweejaarlijks georganiseerd.
   De stagiair moet vóór het einde van de 9e maand van de stage een met redenen omkleed voorstel inzake de externe stage ter goedkeuring voorleggen aan de bevoegde commissie voor de evaluatie van de gerechtelijke stage.
   In de loop van de 12e maand van de stage zendt de eerste stagemeester aan de bevoegde commissie voor de evaluatie van de gerechtelijke stage een omstandig verslag over omtrent het verloop van het eerste deel van de stage en in de loop van de 15e maand van de stage een omstandig verslag omtrent het verloop van de externe stage. Hij bezorgt een afschrift van die verslagen aan de procureur des Konings en/of de arbeidsauditeur van het parket of het auditoraat waarin de stagiair dienstaanwijzing is verleend, evenals aan de betrokken procureur-generaal.
   In de loop van de 21e maand zendt de tweede stagemeester aan de bevoegde commissie voor de evaluatie van de gerechtelijke stage een omstandig verslag over omtrent het verloop van het derde deel van de stage en bezorgt een afschrift ervan aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank en/of van de rechtbank van koophandel waarin de stagiair dienstaanwijzing is verleend, evenals aan de eerste voorzitter van het betrokken hof van beroep. Indien nodig dient de stagemeester op dezelfde wijze een aanvullend verslag in omtrent de laatste drie stagemaanden.
   Vóór het einde van de 22e stagemaand zendt de bevoegde commissie voor de evaluatie van de gerechtelijke stage het omstandig eindverslag en de door de stagemeesters opgestelde verslagen over aan de minister bevoegd voor Justitie en zendt een afschrift van het eindverslag over aan de korpschefs van het parket en van het rechtscollege waarin de stagiair dienstaanwijzing is verleend, evenals aan de betrokken procureur-generaal en eerste voorzitter van het hof van beroep.
   De gerechtelijk stagiair ontvangt binnen dezelfde termijn een afschrift van de stageverslagen. Indien de inhoud van een of meer verslagen ongunstig is, brengt de bevoegde commissie voor de evaluatie van de gerechtelijke stage advies uit, na de betrokkene te hebben gehoord. Van de inachtneming van dit voorschrift wordt melding gemaakt in het aan de minister bevoegd voor Justitie toegezonden verslag.
   Indien het eindverslag gunstig is en de stagiair alle stageverplichtingen is nagekomen, reikt de directeur van het Instituut voor gerechtelijke opleiding aan de stagiair in de loop van de 22e stagemaand een getuigschrift uit waaruit blijkt dat hij met vrucht de gerechtelijke stage heeft voltooid en zendt hij een afschrift ervan aan de minister bevoegd voor Justitie. Het getuigschrift wordt echter ingetrokken indien de stagiair een ernstige fout maakt gedurende de laatste twee stagemaanden.
   § 4. De minister bevoegd voor Justitie of zijn gemachtigde kan de stage, op gemotiveerd advies van de korpschef van het parket of van het rechtscollege waar de stagiair zijn stage doormaakt en van de bevoegde commissie voor de evaluatie van de gerechtelijke stage, vroegtijdig beëindigen wegens professionele ongeschiktheid na de betrokkene te hebben gehoord en met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. De opzegtermijn gaat in na het verstrijken van de kalendermaand waarin de opzegging ter kennis wordt gebracht van de betrokkene.
   De minister bevoegd voor Justitie of zijn gemachtigde kan de stage, op gemotiveerd advies van de korpschef van het parket of van het rechtscollege waar de stagiair zijn stage doormaakt en van de bevoegde commissie voor de evaluatie van de gerechtelijke stage, ook vroegtijdig beëindigen wegens een ernstige fout na de betrokkene te hebben gehoord en zonder opzegtermijn.
   In de gevallen bedoeld in het eerste en het tweede lid is de betrokkene onderworpen aan de artikelen 7 tot 13 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen.
   De minister bevoegd voor Justitie of zijn gemachtigde kan de stage om gegronde redenen schorsen, hetzij ambtshalve na advies van de betrokken korpschef, hetzij op verzoek van de betrokkene.
   In geval van een onafgebroken schorsing of afwezigheid van meer dan een maand wordt de stage van rechtswege met eenzelfde termijn verlengd zonder dat deze verlenging meer dan acht maanden kan bedragen.
   Het vierde en het vijfde lid zijn niet van toepassing op de in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 bedoelde verloven met betrekking tot moederschapsbescherming, die worden gelijkgesteld met stageperiodes.
   § 5. De gerechtelijke stagiairs benoemd overeenkomstig § 1 worden in die hoedanigheid in dienst genomen nadat zij de eed hebben afgelegd die bepaald is in artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eed.
   De stagiair heeft niet de hoedanigheid van magistraat.
   De stagiair heeft, voor de duur van de stage bij het parket van de procureur des Konings of voor de duur van de stage bij het parket van de arbeidsauditeur, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier respectievelijk van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, maar mag in die hoedanigheid niet optreden dan na aanstelling door de procureur-generaal.
   Na zes maanden stage kan hij door de procureur-generaal worden aangesteld om het ambt van openbaar ministerie geheel of ten dele uit te oefenen, enkel voor de duur van de stage bij het parket van de procureur des Konings en/of van de arbeidsauditeur.
   Tijdens de duur van de stage bij de zetel kan de stagiair als griffier worden toegevoegd overeenkomstig artikel 329. In die periode staat de gerechtelijk stagiair de rechter of de rechters bij uit wie de kamer van de rechtbank waarvoor hem dienstaanwijzing is verleend, is samengesteld. Hij woont de beraadslagingen bij, maar kan geen rechter vervangen.
   Die dienstaanwijzingen worden ter kennis gebracht van de in § 3 bedoelde stagemeesters en van de respectieve korpschefs.
   Het ambt van gerechtelijk stagiair is onverenigbaar met iedere andere bezoldigde betrekking. De minister bevoegd voor Justitie of zijn gemachtigde kan op advies van de betrokken stagemeester aan de belanghebbende evenwel toestemming verlenen tot de uitoefening van de ambten bedoeld in artikel 294, eerste lid.
   § 6. De gerechtelijk stagiair ontvangt :
   1° een wedde uitbetaald na vervallen termijn, berekend in de weddeschaal NA 11, die aan het personeel van de federale overheidsdiensten wordt toegekend;
   2° de in deze schaal voorziene tussentijdse verhogingen;
   3° de bijslagen, vergoedingen en bijkomende bezoldigingen die aan het personeel van de federale overheidsdiensten worden toegekend, in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor voornoemd personeel;
   4° een forfaitaire premie van 138 euro per daadwerkelijk in een parket van de procureur des Konings geleverde wachtdienst tijdens de nacht of tijdens de weekends of de feestdagen, voor zover hij op de rol van de wachtprestaties ingeschreven staat. Onder wachtdienst wordt een doorlopende dienst van twaalf uur verstaan tijdens dewelke betrokkenen bereikbaar en beschikbaar zijn, maar zich ook kunnen verplaatsen om prestaties te verrichten op een werkplaats. Het maximumbedrag van de premies voor de wettelijke stageperiode in het parket mag niet hoger zijn dan 1 242 euro.
   Bij de benoeming tot de stage, wordt de wedde vastgesteld door enkel een periode van twee jaar in aanmerking te nemen die geldt als de ervaring vereist overeenkomstig § 1, eerste lid, als voorwaarde voor deelname aan het vergelijkend toelatingsexamen tot de stage.
   De mobiliteitsregeling die geldt voor de wedde van het personeel is ook van toepassing op de wedde van de stagiair en op de wachtpremie. Zij worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
   De volledige wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de stagiairs van het openbaar ambt is op de gerechtelijk stagiair toepasselijk.
   De Koning regelt de rechtshulp aan de gerechtelijke stagiairs en de schadeloosstelling van de door hen opgelopen zaakschade, overeenkomstig de bepalingen die op het rijkspersoneel van toepassing zijn.
   § 7. Indien de stage met vrucht is voltooid en de benoeming van de stagiair niet kan plaatshebben op het einde van de 24e maand, benoemt de Koning de stagiair ambtshalve tot gerechtelijk attaché bij de hoven en rechtbanken of bij het openbaar ministerie, naargelang van het geval.
   Daartoe stellen de gerechtelijke stagiairs vóór het einde van de 21e maand van hun stage de minister bevoegd voor Justitie elektronisch ervan in kennis of zij eventueel, na afloop van hun stage, bij voorkeur bij het parket dan wel bij de zetel de functie van gerechtelijk attaché willen uitoefenen.
   De minister bevoegd voor Justitie of zijn gemachtigde wijst naargelang van de noodwendigheden van de dienst en, indien mogelijk, op grond van de voorkeur van de gerechtelijk attaché, de rechtbank of het parket aan waarin hij zijn ambt zal uitoefenen. De noodwendigheden van de dienst worden opgesteld op advies van het College van de hoven en rechtbanken en van het College van het openbaar ministerie.
   Het College van hoven en rechtbanken en het College van het openbaar ministerie brengen elk jaar aan de minister bevoegd voor Justitie verslag uit met betrekking tot de situatie van de gerechtelijk attachés bij de hoven en rechtbanken en het openbaar ministerie, evenals de evaluatie van de overgang naar de magistratuur in de loop van het afgelopen gerechtelijk jaar. Dit verslag wordt overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
   De gerechtelijk attaché heeft bij het parket de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier respectievelijk van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, maar mag in die hoedanigheid niet optreden dan na aanstelling door de procureur-generaal. Hij kan door de procureur-generaal worden aangesteld om het ambt van openbaar ministerie geheel of ten dele uit te oefenen onder toezicht van de korpschef van het parket waaraan hij verbonden is.
   De gerechtelijk attaché bij de hoven en rechtbanken staat onder toezicht van de korpschef van het rechtscollege waaraan hij is verbonden. Hij kan als griffier worden toegevoegd overeenkomstig artikel 329. Hij staat de rechter of de rechters bij uit wie de kamer van de rechtbank waarvoor hem dienstaanwijzing is verleend, is samengesteld. Hij woont de beraadslagingen bij en kan een plaatsvervanging waarnemen.
   § 8. Het statuut van de referendarissen en parketjuristen is van toepassing op de gerechtelijke attachés onder voorbehoud van het volgende :
   1° de gerechtelijk attaché ontvangt een wedde uitbetaald na vervallen termijn, die overeenkomt met een ambt in de klasse A1;
   2° voor de toepassing van artikel 372bis wordt de duur van de gerechtelijke stage als schaalanciënniteit gerekend en wordt de gerechtelijk attaché geacht twee keer ambtshalve de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" te hebben gekregen;
   3° de gerechtelijk attaché is vrijgesteld van de stageperiode die aan de benoeming voorafgaat;
   4° de gerechtelijk attaché ontvangt een forfaitaire premie van 138 euro per daadwerkelijk in een parket van de procureur des Konings geleverde wachtdienst tijdens de nacht of tijdens de weekends of de feestdagen, voor zover hij op de rol van de wachtprestaties ingeschreven staat. Onder wachtdienst wordt een doorlopende dienst van twaalf uur verstaan tijdens dewelke betrokkenen bereikbaar en beschikbaar zijn, maar zich ook kunnen verplaatsen om prestaties te verrichten op een werkplaats. Het aantal gepresteerde wachtdiensten per jaar mag niet hoger zijn dan 18.
   De mobiliteitsregeling die geldt voor de wedden van het personeel is ook van toepassing op de wedde van de gerechtelijk stagiair en op de wachtpremie. Zij worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.]1
  ----------
  (1)<W 2017-07-06/24, art. 250, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  HOOFDSTUK Vquinquies. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De evaluatie van magistraten.

  Afdeling I. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Algemene bepalingen.

  Art. 259novies.<W 2006-12-18/37, art. 5, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008> § 1. De werkende beroepsmagistraten worden onderworpen aan een met redenen omklede schriftelijke evaluatie, hetzij een periodieke evaluatie wanneer het een benoeming betreft, hetzij een evaluatie van het mandaat wanneer het een mandaat van korpschef, een adjunct-mandaat of een bijzonder mandaat betreft.
  De periodieke evaluaties geschieden binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijnen bepaald in dit hoofdstuk. Er kan vervroegd worden overgegaan tot een nieuwe evaluatie wanneer zich sedert de laatste evaluatie bijzondere feiten hebben voorgedaan of bijzondere vaststellingen zijn gedaan.
  De periodieke evaluatie kan leiden tot een beoordeling " zeer goed ", " goed ", " voldoende " of " onvoldoende ". De evaluatie van de houders van mandaten kan leiden tot een beoordeling " goed " of " onvoldoende ".
  De evaluatie slaat op de wijze van ambtsuitoefening, met uitsluiting van de inhoud van een rechterlijke beslissing, en geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten.
  De evaluatie van de korpschefs heeft tevens betrekking op hun managementcapaciteiten en inzonderheid op het personeelsbeheer en de initiatieven genomen met het oog op de bestrijding van de gerechtelijke achterstand.
  De Koning bepaalt op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie de evaluatiecriteria en de weging van deze criteria rekening houdend met de eigenheid van de ambten en mandaten, en stelt nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen op.
  § 2. Bij de aanvang van de periode waarover de magistraat moet worden geëvalueerd vindt een planningsgesprek plaats tussen de magistraat en zijn beoordelaars of één van hen.
  De plaats en het tijdstip waarop het planningsgesprek zal plaatshebben, worden uiterlijk vijftien dagen vooraf [2 langs elektronische weg]2 of tegen gedagtekend ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de magistraat.
  Het planningsgesprek strekt ertoe op grond van de concrete functiebeschrijving van de magistraat en rekening houdend met de organisatorische context de doelstellingen voor de komende evaluatieperiode vast te stellen. Die doelstellingen moeten specifiek, meetbaar, aanvaardbaar en realiseerbaar zijn.
  De beoordelaars, of één van hen, bepalen welke beoordeling aan de magistraat zal worden verleend indien hij de vooropgestelde doelstellingen haalt. Gaat het niet om de hoogste beoordeling dan wordt aan de magistraat meegedeeld welke doelstellingen bereikt zouden moeten worden om een betere beoordeling te behalen.
  De magistraat stelt, ten behoeve van zijn beoordelaars of één van hen, een verslag op van het planningsgesprek.
  Dit verslag vermeldt de punten waarover overeenstemming werd bereikt. Voor de punten waarover geen overeenstemming werd bereikt, worden de verschillende standpunten weergegeven.
  Bij gebrek aan overeenstemming wordt het meningsverschil zo nauwkeurig mogelijk omschreven. Indien de beoordelaars, of één van hen, van oordeel zijn dat het verslag geen accurate weergave is van de inhoud van het planningsgesprek, voegen zij hun versie eraan toe. Een afschrift wordt aan de magistraat bezorgd.
  Het origineel van het verslag en, in voorkomend geval, de versie van de beoordelaars worden bewaard in het evaluatiedossier.
  § 3. In de loop van de evaluatieperiode kan tot een functioneringsgesprek worden overgegaan wanneer aanleiding bestaat om de functiebeschrijving of de doelstellingen aan te passen. Dit gebeurt hetzij op initiatief van de beoordelaars, of van één van hen, hetzij op verzoek van de magistraat.
  De plaats en het tijdstip worden in gemeen overleg bepaald.
  Bij gebrek aan consensus vindt het functioneringsgesprek plaats binnen vijftien dagen na het schriftelijk verzoek van één van de partijen dat aan de andere partij [2 langs elektronische weg]2 of tegen gedagtekend ontvangstbewijs ter kennis is gebracht.
  De magistraat stelt, ten behoeve van zijn beoordelaars, of één van hen, een verslag op van het functioneringsgesprek, overeenkomstig de procedure bepaald in § 2, zesde tot achtste lid.
  § 4. De plaats en het tijdstip waarop het evaluatiegesprek plaatsheeft, worden uiterlijk 15 dagen voordien [2 langs elektronische weg]2 of tegen gedagtekend ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de magistraat.
  In deze kennisgeving wordt de magistraat verzocht het evaluatiegesprek schriftelijk voor te bereiden en deze voorbereiding uiterlijk drie dagen voor het evaluatiegesprek aan de beoordelaars te bezorgen.
  De beoordelaars stellen vervolgens een ontwerp van voorlopige beoordeling op. Dit ontwerp wordt tijdens het evaluatiegesprek aan de magistraat meegedeeld en met hem besproken. Het kan worden aangepast rekening houdend met het onderhoud.
  § 5. De korpschef [1 ...]1 zendt tegen gedagtekend ontvangstbewijs of [2 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]2 een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene.
  De betrokkene kan op straffe van verval binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige beoordeling, zijn schriftelijke opmerkingen tegen gedagtekend ontvangstbewijs of [2 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]2 bezorgen aan de korpschef [1 ...]1, [2 die ze]2 bij het evaluatiedossier voegt.
  De voorlopige beoordeling wordt definitief ingeval de magistraat geen schriftelijke opmerkingen formuleert.
  Ingeval de magistraat evenwel schriftelijke opmerkingen met betrekking tot de voorlopige beoordeling formuleert, wordt een definitieve schriftelijke beoordeling opgesteld waarin deze opmerkingen schriftelijk worden beantwoord.
  § 6. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van deze opmerkingen, zendt de korpschef [1 ...]1 een afschrift van de definitieve beoordeling aan de minister van Justitie en tegen gedagtekend ontvangstbewijs of [2 langs elektronische weg tegen]2 ontvangstbewijs aan de betrokkene.
  § 7. Het evaluatiegesprek wordt gevolgd door een planningsgesprek voor de volgende periode.
  § 8. De evaluatiedossiers berusten bij de korpschef [1 ...]1. Een afschrift van de definitieve beoordelingen berust bij de Minister van Justitie gedurende ten minste tien jaar. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de geëvalueerde ingekeken worden.
  § 9. De §§ 2 tot 8 zijn niet van toepassing op de korpschefs.
  In de loop van het tweede jaar van uitoefening van het mandaat wordt over de uitvoering van het beheersplan, als bedoeld in artikel 259quater, § 2, derde lid, d, een follow-upgesprek gehouden tussen de korpschef en de leden van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege bedoeld in artikel 259undecies, § 3. Dit gesprek heeft betrekking op de genomen maatregelen op managementsvlak en in voorkomend geval op de aanpassingen die de korpschef na zijn indiensttreding in het beheersplan heeft aangebracht. Er is geen follow-upgesprek voor de korpschef bedoeld in artikel 259quater, § 6, derde lid, noch voor deze bedoeld in het vijfde lid wanneer het mandaat voor een duur van minder dan vijf jaar wordt toegewezen.
  Wordt het mandaat verlengd dan gaat het follow-upgesprek over de invoering van het functioneringsplan dat de korpschef heeft opgesteld tijdens het vijfde jaar van zijn eerste mandaat.
  Het follow-upgesprek heeft plaats op zijn vroegst in de achttiende maand van uitoefening van het mandaat.
  De korpschef stelt een verslag op van dit gesprek. Indien de bevoegde kamer van het evaluatiecollege van oordeel is dat het verslag geen accurate weergave vormt van de inhoud van het follow-upgesprek, voegt zij er haar versie aan toe. Een afschrift wordt aan de magistraat bezorgd. Het origineel van het verslag en, in voorkomend geval, de versie van de beoordelaars worden bewaard in het evaluatiedossier.
  De plaats en het tijdstip waarop de follow-upgesprekken tussen de korpschef en de bevoegde kamer van het genoemde college plaatsvinden, worden door de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege ter kennis gebracht van de magistraat uiterlijk tien dagen voordien [2 langs elektronische weg]2 of tegen gedagtekend ontvangstbewijs.
  De bevoegde kamer van het evaluatiecollege stelt uiterlijk in de loop van de 24e maand van uitoefening van het mandaat eventuele aanbevelingen op die zijn ingegeven door het follow-upgesprek.
  In voorkomend geval deelt de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege binnen die termijn aan de betrokkene een afschrift van de aanbevelingen mee tegen gedagtekend ontvangstbewijs of [2 langs elektronische weg tegen]2 ontvangstbewijs.
  Een afschrift van de eventuele aanbevelingen berust gedurende ten minste tien jaar bij de minister van Justitie.
  § 10. De korpschefs worden geëvalueerd in de loop van het vijfde jaar van uitoefening van hun mandaat. Voor de evaluatie van de korpschef bedoeld in artikel 259quater, § 6, derde lid, alsook voor deze bedoeld in het vijfde lid ingeval het mandaat wordt toegewezen voor een duur van minder dan vijf jaar, lopen de in deze paragraaf bedoelde termijnen volgens het tijdschema dat van toepassing zou zijn geweest op de voorganger.
  De evaluatie vangt op zijn vroegst aan in de loop van de vierenvijftigste maand van uitoefening van het mandaat.
  Het verslag van het follow-upgesprek en in voorkomend geval de versie van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege als bedoeld in artikel 259undecies, § 3, het functioneringsverslag opgesteld door de korpschef, de verplichte en facultatieve adviezen en de evaluatiegesprekken tussen de korpschef en de bevoegde kamer van het evaluatiecollege vormen de grondslag van de evaluatie.
  De korpschefs bezorgen het functioneringsverslag [2 ...]2 aan de bevoegde kamer van het genoemde college in de loop van de vierenvijftigste maand van uitoefening van het mandaat.
  De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie van de federale overheidsdienst Justitie en naar gelang van het geval de algemene vergadering of de korpsvergadering zenden [2 ...]2 een met de redenen omkleed advies over aan de bevoegde kamer van het genoemde college in de loop van de vierenvijftigste maand van uitoefening van het mandaat.
  Een afschrift van deze adviezen wordt, binnen dezelfde termijnen, [2 langs elektronische weg tegen]2 ontvangstbewijs of tegen gedagtekend ontvangstbewijs bezorgd aan de betrokken korpschef, respectievelijk door de algemene vergadering of door de korpsvergadering en door de federale overheidsdienst Justitie.
  [2 Bij gebrek aan adviezen binnen de vastgestelde termijn wordt aan dat advies voorbijgegaan.]2
  De plaats en het tijdstip waarop de evaluatiegesprekken tussen de korpschefs en de bevoegde kamer van het genoemde college plaatsvinden worden aan de magistraat meegedeeld door de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege [2 langs elektronische weg]2 of tegen gedagtekend ontvangstbewijs, uiterlijk tien dagen vóór de datum van het gesprek.
  De bevoegde kamer van het evaluatiecollege stelt de voorlopige beoordeling op.
  De voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege zendt tegen gedagtekend ontvangstbewijs of [2 langs elektronische weg tegen]2 ontvangstbewijs een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene.
  Op straffe van verval kan de betrokkene binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de voorlopige beoordeling zijn schriftelijke opmerkingen tegen gedagtekend ontvangstbewijs of [2 langs elektronische weg tegen]2 ontvangstbewijs meedelen aan de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege, [2 die ze]2 bij het evaluatiedossier voegt.
  De bevoegde kamer van het evaluatiecollege stelt de definitieve beoordeling op uiterlijk zeventig dagen vóór het einde van het mandaat. De definitieve beoordeling wordt met redenen omkleed.
  De voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege zendt binnen deze termijn een afschrift van de definitieve met redenen omklede beoordeling tegen gedagtekend ontvangstbewijs of [2 langs elektronische weg tegen]2 ontvangstbewijs over aan de betrokkene.
  De voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege bezorgt tegelijkertijd de volgende stukken aan de minister van Justitie :
  - het verslag van het follow-upgesprek opgesteld door de korpschef en in voorkomend geval aangevuld met de versie van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege;
  - het door de korpschef opgestelde functioneringsverslag;
  - de in het vijfde lid bedoelde verplichte adviezen en de door de kamer gevraagde facultatieve adviezen;
  - de definitieve met redenen omklede evaluatiebeoordeling;
  - [2 de stukken waaruit blijkt dat de kandidaat de adviezen heeft ontvangen.]2.
  De evaluatiedossiers berusten bij de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege. Een afschrift van de definitieve beoordelingen berust bij de minister van Justitie gedurende ten minste tien jaar. De evaluatie is vertrouwelijk en kan te allen tijde door de geëvalueerde ingekeken worden. ".
  
  (NOTA : bij arrest nr 122/2008 van 01-09-2008 (B.St. 18-09-2008, p. 48642-48649), heeft het Grondwettelijk Hof de woorden " de woorden " een mandaat van korpschef, " in artikel 259novies, § 1, eerste lid, vernietigd, in zoverre zij van toepassing zijn op de korpschefs van de hoven en rechtbanken)
  (NOTA : bij arrest nr 122/2008 van 01-09-2008 (B.St. 18-09-2008, p. 48642-48649), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 259novies, § 1, vijfde lid, § 9, tweede tot en met het negende lid, en § 10, vernietigd, in zoverre zij van toepassing zijn op de korpschefs van de hoven en rechtbanken)

  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 64, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 57, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016. Overgangsbepalingen art. 251>

  Afdeling II. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De periodieke evaluatie.

  Art. 259decies.<Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De periodieke evaluatie van een magistraat vindt de eerste maal plaats een jaar te rekenen van de eedaflegging in het ambt waarin hij moet beoordeeld worden en vervolgens om de drie jaar. (De vervroegde evaluatie bedoeld in (artikel 259novies, § 1, tweede lid), doet geen afbreuk aan het tijdstip waarop de evaluatie gebruikelijk moet geschieden.) <W 2003-05-03/45, art. 23, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003> <W 2006-12-18/37, art. 6, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  § 2. [3 De evaluatie geschiedt bij volstrekte meerderheid van stemmen door de korpschef en twee magistraten, verkozen door de algemene vergadering, de korpsvergadering of de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank. De beoordelaars moeten ten minste de beoordeling "goed" hebben. De twee magistraten worden verkozen voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar uit de leden van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege of door de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank. Telt het rechtscollege of het openbaar ministerie bij een rechtscollege of de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank minder dan vijf leden in de personeelsformatie, dan geschiedt de evaluatie door de korpschef.]3
  In de rechtscolleges met zetel te Brussel en het openbaar ministerie bij deze [1 hoven]1 worden met het oog op de evaluatie uit en door elke taalgroep van de algemene vergadering of de korpsvergadering twee magistraten gekozen die samen met de korpschef belast zijn met de evaluatie van de magistraten die behoren tot hun taalrol.
  [3 Derde lid opgeheven.]3
  [3 Voor wat het gerechtelijk arrondissement Brussel betreft worden twee algemene vergaderingen van vrederechters en rechters in de politierechtbank opgericht volgens de taal van het diploma van de betrokken vrederechter of rechter in de politierechtbank.]3
  [2 Vijfde lid opgeheven.]2
  (Heeft de evaluatie betrekking op het ambt van rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, dan geschiedt zij door de eerste voorzitter van het hof van beroep, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar het hof van beroep zijn zetel heeft en een van de magistraten die door de algemene vergadering aangewezen zijn voor de evaluatie van de rechters in de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar het hof van beroep zijn zetel heeft, gekozen door de eerste voorzitter van het hof van beroep.
  Heeft de evaluatie betrekking op het ambt van substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in [4 strafuitvoeringszaken en interneringszaken]4, dan geschiedt zij door de procureur-generaal bij het hof van beroep, de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar het hof van beroep zijn zetel heeft en een van de magistraten die door de korpsvergadering aangewezen zijn voor de evaluatie van de substituten in de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar het hof van beroep zijn zetel heeft, gekozen door de procureur-generaal bij het hof van beroep.) <W 2006-05-17/36, art. 21, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  § 3. De beoordeling "onvoldoende" geeft aanleiding tot de toepassing (van artikel 360quater). <W 2002-12-27/30, art. 2, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 27, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 65, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2014-05-08/02, art. 112, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (4)<W 2014-05-05/11, art. 105, 195; Inwerkingtreding : 01-10-2016. (zie ook art. 136). Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>

  Afdeling III. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De evaluatie van mandaten.

  Art. 259undecies. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De evaluatie van de titularissen van een adjunct-mandaat en van een bijzonder mandaat vindt plaats op het einde van elke termijn waarvoor het mandaat is verleend en geschiedt uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de termijn op de wijze bedoeld in artikel 259decies, § 2, met uitzondering van de bijstandsmagistraat (en de verbindingsmagistraat in jeugdzaken) (...) die (worden) onderworpen aan een evaluatie door het college van procureurs-generaal. <W 2001-06-21/42, art. 19, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> <W 2006-06-13/40, art. 44, 1°, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  § 2. Krijgt de titularis van een (ander) adjunct-mandaat (het mandaat van voorzitter van het Hof van Cassatie en van eerste advocaat-generaal van het Hof van Cassatie) of een bijzonder mandaat de beoordeling "goed", dan wordt zijn mandaat hernieuwd. Is de beoordeling "onvoldoende" dan is, al naar gelang het geval, de procedure bedoeld in artikel 259quinquies of 259sexies van toepassing. (De korpschef (of het college van procureurs-generaal) zendt aan de Federale Overheidsdienst Justitie een beschikking over waarin de verlenging of het einde van het mandaat wordt vastgesteld.) <W 2003-05-03/45, art. 24, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003> <W 2006-06-13/40, art. 44, 2°, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006> <W 2006-12-18/37, art. 7, 1°, 145; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op : 01-01-2008>
  De titularissen van een adjunct-mandaat die na negen jaar vast aangewezen zijn, worden onderworpen aan een periodieke evaluatie.
  (§ 3. Er wordt een evaluatiecollege opgericht samengesteld uit een Nederlandstalige kamer en een Franstalige kamer die respectievelijk belast zijn met de evaluatie van de korpschefs van de Nederlandstalige of Franstalige taalgroep.
  Bij gebrek aan een magistraat in de Franstalige kamer die blijk geeft van kennis van de Duitse taal, wordt een beroep gedaan op een tolk.
  De korpschefs worden geëvalueerd door de bevoegde kamer van het evaluatiecollege samengesteld uit twee korpschefs afkomstig uit de zittende magistratuur of het parket naargelang de geëvalueerde behoort tot de zittende magistratuur of het parket, twee magistraten die lid zijn van de advies- en onderzoekscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, een magistraat van het Rekenhof en een specialist in het beheer van human resources.
  Elk van de kamers wordt voorgezeten door de korpschef met de meeste anciënniteit.
  De leden van het evaluatiecollege zetelen voor een hernieuwbare periode van vier jaar die begint te lopen de dag van de bekendmaking van de samenstelling van de kamers in het Belgisch Staatsblad. De uittredende leden zetelen tot de installatie van de nieuwe leden.
  De aanwijzingsprocedure wordt gestart uiterlijk acht maanden voor het verstrijken van de mandaten.
  De leden die een evaluatie " onvoldoende " hebben gekregen of die de hoedanigheid hebben verloren op grond waarvan zij als lid van het college werden aangewezen, worden ambtshalve door een plaatsvervanger vervangen. De gepensioneerde leden van de evaluatiecolleges kunnen hun mandaat na hun pensionering beëindigen.
  De leden van de kamers van het evaluatiecollege dienen zich ervan te onthouden advies te verstrekken telkens er een persoonlijk of strijdig belang bestaat. Ze kunnen inzonderheid geen advies verstrekken over bloed- en aanverwanten tot in de vierde graad noch over personen met wie ze een feitelijk gezin vormen.
  De beslissingen van de kamers worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen van de leden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van de kamer beslissend.
  Naargelang de korpschefs hun ambt uitoefenen in de zittende magistratuur of het parket, worden zij respectievelijk verkozen door de korpschefs van de zittende magistratuur of het parket onder alle korpschefs van de zittende magistratuur of het parket van dezelfde taalgroep die ten minste vier jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 383, § 1. De stemming is verplicht.
  De magistraten die lid zijn van de Hoge Raad voor de Justitie worden aangewezen door de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie.
  De raadsheren in het Rekenhof worden aangewezen door de eerste voorzitter van het Rekenhof.
  De specialisten in het beheer van human resources worden aangewezen door de minister van Justitie op voorstel van de minister van Ambtenarenzaken.
  Het secretariaat van de kamers van het evaluatiecollege wordt waargenomen door de griffie van het Hof van Cassatie.
  De nadere regels inzake de verkiezingen, het aantal plaatsvervangers van iedere categorie van leden van het evaluatiecollege en het aan de magistraten van het Rekenhof en de specialisten in human resources toegekende presentiegeld, worden vastgesteld bij koninklijk besluit.) <W 2006-12-18/37, art. 7, 2°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (NOTA : bij arrest nr 122/2008 van 01-09-2008 (B.St. 18-09-2008, p. 48642-48649), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 259undecies, § 3, vernietigd, in zoverre zij van toepassing zijn op de korpschefs van de hoven en rechtbanken)

  Afdeling IV. - [1 Beroepscommissie]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 58, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 259undecies/1. [1 De magistraten kunnen tegen de definitieve beoordeling "onvoldoende" die zij hebben gekregen in het kader van hun evaluatie binnen dertig dagen na de kennisgeving van die beoordeling beroep instellen bij een beroepscommissie.
   Het College van de hoven en rechtbanken wijst per taalrol en voor drie jaar zes leden aan uit de rechtscolleges van eerste aanleg en zes leden uit de hoven.
   Het College van het openbaar ministerie wijst per taalrol en voor drie jaar zes leden aan uit de parketten van de procureur des Konings en uit de arbeidsauditoraten en zes leden uit de parketten-generaal en de auditoraten-generaal.
   Voor de toepassing van dit artikel worden de leden van en bij het Hof van Cassatie respectievelijk gelijkgesteld met leden van de hoven en de parketten-generaal.
   Voor de toepassing van dit artikel worden de leden van het federaal parket gelijkgesteld met de leden van de parketten-generaal.
   Naargelang de verzoeker tot de zetel of het openbaar ministerie behoort, wordt het beroep respectievelijk gericht aan de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken of aan de voorzitter van het College van het openbaar ministerie die de beroepscommissie binnen vijf dagen samenstelt.
   De beroepscommissie bestaat respectievelijk uit drie magistraten van het openbaar ministerie van dezelfde taalrol als de verzoeker en worden aangewezen door de voorzitter van het College van het openbaar ministerie of uit drie magistraten van de zetel van dezelfde taalrol als de verzoeker en worden aangewezen door de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 59, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  HOOFDSTUK Vsexies. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 49, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Referendarissen bij het Hof van Cassatie.

  Art. 259duodecies. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 49, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Om tot referendaris bij het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men volle vijfentwintig jaar oud zijn en doctor of licentiaat in de rechten zijn.
  De kandidaten worden met het oog op hun benoeming gerangschikt op grond van een vergelijkend examen.
  Het Hof stelt de examenstof vast rekening houdend met de behoeften van de dienst. Het bepaalt de voorwaarden van het vergelijkend examen en stelt de examencommissies aan.
  Met inachtneming van het taalevenwicht bestaat elke examencommissie uit twee leden van het Hof aangewezen door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, twee leden van het parket aangewezen door de procureur-generaal bij het Hof en vier buiten de instelling staande personen die door de Koning worden aangewezen uit twee lijsten van vier kandidaten, elk met inachtneming van het taalevenwicht, die respectievelijk door de eerste voorzitter en procureur-generaal voorgedragen worden.
  De examenuitslag blijft (zes) jaar geldig. <W 2005-08-10/60, art. 2, 126 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 259terdecies. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 49, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De referendarissen worden door de Koning benoemd voor een stage van drie jaar volgens de rangschikking bedoeld in artikel 259duodecies.
  Na drie jaar wordt de benoeming definitief tenzij de Koning, uitsluitend op voorstel van al naar het geval de eerste voorzitter of de procureur-generaal, anders beslist, ten laatste tijdens het derde kwartaal van het derde stagejaar.
  De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij dit Hof wijzen in onderlinge overeenstemming de referendarissen-stagiairs en de definitief benoemde referendarissen aan die onder het gezag van de ene en die onder het gezag van de andere komen te staan.

  Art. 259quaterdecies.<Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 49, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De jaren als referendaris bij het Hof van Cassatie doorgebracht, komen in aanmerking voor de berekening van de anciënniteit in elke administratieve of gerechtelijke functie of in een functie bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 of bij de Raad van State, die de referendarissen nadien zouden bekleden.
  ----------
  (1)<W 2010-02-21/02, art. 11, 163; Inwerkingtreding : 08-03-2010>

  HOOFDSTUK VI. - (Gerechtspersoneel.) <W 2007-04-25/64, art. 44, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Afdeling I. - Selectie- en benoemingsvoorwaarden. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 45; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Onderafdeling I. - Attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie. <W 2007-04-25/64, art. 46, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 260.<W 2007-04-25/64, art. 47, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> [2 § 1.]2 Om te worden benoemd in een [1 klasse]1 van het niveau A, met de titel van attaché in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie moet de kandidaat hetzij doctor, licentiaat of master in de rechten zijn, hetzij licentiaat of master in de Romaanse of Germaanse filologie, hetzij licentiaat vertaler.
  De kandidaten worden met het oog op hun benoeming gerangschikt op grond van een vergelijkend examen. Het Hof van Cassatie stelt de examenmaterie vast, bepaalt de voorwaarden van het vergelijkend examen en stelt de examencommissie aan. De geslaagden behouden gedurende drie jaar te rekenen vanaf de datum van het proces-verbaal van het vergelijkend examen het voordeel van hun uitslag.
  Iedere examencommissie bestaat uit een lid van het Hof dat door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie is aangewezen, uit een magistraat van het parket aangewezen door de procureur-generaal bij dit Hof, uit een advocaat bij het Hof van Cassatie aangewezen door de stafhouder, uit een attaché in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten en uit een buiten de instelling staande persoon, deze laatste twee in onderling overleg aangewezen door de eerste voorzitter en de procureur-generaal.
  De uitkeringen en vergoedingen aan de leden en aan de secretaris van de examencommissie worden door de Koning vastgesteld.
  [2 § 2. Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.
   De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]2
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/73, art. 13, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 60, 203; Inwerkingtreding : 01-07-2016 (zie ook art. 261, vijfde en achtste lid. Overgangsbepalingen : art. 251) >

  Onderafdeling II. - Referendarissen en parketjuristen bij de hoven van beroep, de arbeidshoven en de rechtbanken. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 48; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 261.<W 2007-04-25/64, art. 49, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Om te worden benoemd in een [1 klasse]1 van het niveau A, met als titel referendaris bij het hof van beroep, bij het arbeidshof en bij de rechtbanken, of parketjurist bij de parketten bij die hoven en die rechtbanken, moet de kandidaat :
  1° doctor, licentiaat of master in de rechten zijn;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [2 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]2
  [2 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]2
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/73, art. 14, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 61, 203; Inwerkingtreding : 01-07-2016 (zie ook art. 261, vijfde en achtste lid). Overgangsbepalingen : art. 251 >

  Onderafdeling III. - Leden van de griffie. <W 2007-04-25/64, art. 50, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 262.<W 2007-04-25/64, art. 51, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in een [3 klasse]3 van het niveau A, met de titel van hoofdgriffier, moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau A bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [5 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]5
  [5 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]5
  § 2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in een vakklasse van het niveau A, met de titel van hoofdgriffier, moet de kandidaat :
  1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang van het geval, een klassenanciënniteit of graadanciënniteit van ten minste 5 jaar in het ambt van referendaris, griffier-hoofd van dienst of griffier als deze beschikt over een diploma of getuigschrift bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, of 10 jaar in het ambt van griffier;
  2° [5 geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt als bedoeld in artikel 279, § 4.]5
  [5 tweede en zesde lid opgeheven.]5
  [4 § 3. Om overeenkomstig artikel 160, § 8, derde lid, aangewezen te worden in een klasse van niveau A met de titel van hoofdgriffier, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in het niveau A als lid van het gerechtspersoneel;
   2° beschikken over een niveau-anciënniteit van ten minste 6 jaar;
   3° en geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt die wordt georganiseerd door Selor - het Selectiebureau van de federale overheid.
   De vergelijkende selectie bestaat uit een onderhoud op grond van een praktijkgeval dat verband houdt met de gerechtelijke context van de functie.
   De werkelijk gepresteerde diensten in de hoedanigheid van contractueel personeelslid worden in aanmerking genomen voor de berekening van de vereiste niveau-anciënniteit.]4
  ----------
  (1)<Opgeheven bij W 2010-12-29/02, art. 30, 169; Inwerkingtreding : 25-10-2010>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 66, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2014-04-10/73, art. 15, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (4)<W 2014-04-10/72, art. 6, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (5)<W 2016-05-04/03, art. 62, 203; Inwerkingtreding : 01-07-2016 (zie ook art. 261, vijfde en achtste lid). Overgangsbepalingen : art. 251>

  Art. 263.<W 2007-04-25/64, art. 52, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in een [3 klasse]3 van het niveau A, met de titel van griffier-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau A bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [4 "Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]4
  [4 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]4
  § 2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in een [3 klasse]3 van het niveau A, met de titel van griffier-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
  1° [5 vast benoemd zijn in een functie van het niveau A of een graad van het niveau B en beschikken over, naargelang het geval, een klassenanciënniteit of een graadanciënniteit van tenminste 2 jaar als deze beschikt over een diploma of getuigschrift bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, of van ten minste 5 jaar indien deze niet over dergelijk diploma of getuigschrift beschikt;]5
  2° [4 geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt als bedoeld in artikel 279, § 4.]4.
  [4 ...]4.
  [4 ...]4.
  ----------
  (1)<W 2010-12-29/02, art. 31, 169; Inwerkingtreding : 25-10-2010>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 67, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2014-04-10/73, art. 16, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (4)<W 2016-05-04/03, art. 63, 203; Inwerkingtreding : 01-07-2016 (zie ook art. 261, vijfde en achtste lid). Overgangsbepalingen : art. 251>
  (5)<W 2017-07-06/24, art. 251, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 264.<W 2007-04-25/64, art. 53, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving tot de graad van griffier te worden benoemd in het niveau B moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau B bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [2 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]2
  [2 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]2
  § 2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in het niveau B tot de graad van griffier moet de kandidaat :
  1° vast benoemd zijn in het ambt van assistent of deskundige bij een griffie [2 , een parketsecretariaat of, in voorkomend geval, een steundienst]2;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  § 3. [2 De vergelijkende selectie kan meerdere opeenvolgende modules van proeven omvatten waarbij de kandidaat enkel tot de volgende module wordt toegelaten op voorwaarde dat hij geslaagd is voor de vorige. In dat geval wordt de rangschikking enkel vastgelegd op basis van de resultaten van de laatste module.]2
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 68, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 64, 203; Inwerkingtreding : 01-07-2016 (zie ook art. 261, vijfde en achtste lid). Overgangsbepalingen : art. 251>

  Onderafdeling IV. - Leden van het parketsecretariaat. <W 2007-04-25/64, art. 54, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 265.<W 2007-04-25/64, art. 55, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in een [2 klasse]2 van het niveau A, met de titel van hoofdsecretaris, moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau A bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [4 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]4.
  [4 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]4
  § 2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in een vakklasse van het niveau A, met de titel van hoofdsecretaris, moet de kandidaat :
  1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang van het geval, een klassenanciënniteit of graadanciënniteit van ten minste 5 jaar in het ambt van parketjurist, secretaris-hoofd van dienst of secretaris als deze beschikt over een diploma of getuigschrift bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, of ten minste 10 jaar in het ambt van secretaris;
  2° [4 geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt als bedoeld in artikel 279, § 4.]4.
  [4 ...]4.
  [4 ...]4.
  [3 § 3. Om overeenkomstig artikel 160, § 8, derde lid, aangewezen te worden in een klasse van niveau A, met de titel van hoofdsecretaris, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in het niveau A als lid van het gerechtspersoneel;
   2° beschikken over een niveau-anciënniteit van ten minste 6 jaar;
   3° en geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt die wordt georganiseerd door Selor - het Selectiebureau van de federale overheid.
   De vergelijkende selectie bestaat uit een onderhoud op grond van een praktijkgeval dat verband houdt met de gerechtelijke context van de functie.
   De werkelijk gepresteerde diensten in de hoedanigheid van contractueel personeelslid worden in aanmerking genomen voor de berekening van de vereiste niveau-anciënniteit.]3
  ----------
  (1)<W 2010-12-29/02, art. 32, 169; Inwerkingtreding : 25-10-2010>
  (2)<W 2014-04-10/73, art. 17, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (3)<W 2014-04-10/72, art. 7, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (4)<W 2016-05-04/03, art. 65, 203; Inwerkingtreding : 01-07-2016 (zie ook art. 261, vijfde en achtste lid). Overgangsbepalingen : art. 251>

  Art. 266.<W 2007-04-25/64, art. 56, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in een [2 klasse]2 van het niveau A, met de titel van secretaris-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau A bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [3 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]3
  [3 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]3
  § 2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in een [2 klasse]2 van het niveau A, met de titel van secretaris-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
  1° [4 vast benoemd zijn in een functie van het niveau A of een graad van het niveau B en beschikken over, naargelang het geval, een klassenanciënniteit of een graadanciënniteit van tenminste 2 jaar als deze beschikt over een diploma of getuigschrift bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, of van ten minste 5 jaar indien deze niet over dergelijk diploma of getuigschrift beschikt;]4
  2° [3 geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt als bedoeld in artikel 279, § 4.]3
  [3 ...]3.
  [3 ...]3.
  ----------
  (1)<W 2010-12-29/02, art. 33, 169; Inwerkingtreding : 25-10-2010>
  (2)<W 2014-04-10/73, art. 18, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (3)<W 2016-05-04/03, art. 66, 203; Inwerkingtreding : 01-07-2016 (zie ook art. 261, vijfde en achtste lid). Overgangsbepalingen : art. 251>
  (4)<W 2017-07-06/24, art. 252, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 266bis. (Abrogé) <W 2006-06-10/68, art. 16, 140; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 267.<W 2007-04-25/64, art. 57, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in het niveau B tot de graad van secretaris bij een parket moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau B bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [1 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]1
  [1 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]1
  § 2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in het niveau B met de graad van secretaris moet de kandidaat :
  1° vast benoemd zijn in het ambt van assistent of deskundige bij een griffie [1 , een parketsecretariaat of, in voorkomend geval, een steundienst]1;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  § 3. [1 De vergelijkende selectie kan meerdere opeenvolgende modules van proeven omvatten waarbij de kandidaat enkel tot de volgende module wordt toegelaten op voorwaarde dat hij geslaagd is voor de vorige. In dat geval wordt de rangschikking enkel vastgelegd op basis van de resultaten van de laatste module.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 67, 203; Inwerkingtreding : 01-07-2016 (zie ook art. 261, vijfde en achtste lid). Overgangsbepalingen : art. 251>

  Onderafdeling V. - Personeelsleden verbonden aan de griffies, de parketsecretariaten en de steundiensten. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 58; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 268.<W 2007-04-25/64, art. 59, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in een [2 klasse]2 van het niveau A moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau A bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [3 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.
   De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]3
  § 2. [3 Om door middel van bevordering te worden benoemd in een klasse van het niveau A, moet de kandidaat vast benoemd zijn in het niveau C of B bij een griffie, een parketsecretariaat of, in voorkomend geval, een steundienst en geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt als bedoeld in artikel 279, § 4.]3
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 69, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-04-10/73, art. 19, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (3)<W 2016-05-04/03, art. 68, 203; Inwerkingtreding : 01-07-2016 (zie ook art. 261, vijfde en achtste lid). Overgangsbepalingen : art. 251>

  Art. 269.
  <Opgeheven bij W 2016-05-04/03, art. 69, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 269bis. (Opgeheven) <W 2007-04-25/64, art. 61, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 269ter. (Opgeheven) <W 2007-04-25/64, art. 62, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  HOOFDSTUK VII. - (...). <W 2007-04-25/64, art. 63, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 270.<W 2007-04-25/64, art. 64, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving tot deskundige, administratief deskundige of ICT-deskundige bij een griffie, een parketsecretariaat of in voorkomend geval een steundienst te worden benoemd, moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau B bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [3 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de minister van Justitie, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]3
  § 2. Om door middel van bevordering tot deskundige, administratief deskundige of ICT-deskundige bij een griffie, een parketsecretariaat of in voorkomend geval een steundienst te worden benoemd, moet de kandidaat :
  1° vast benoemd zijn in het ambt van assistent bij een griffie [3 , een parketsecretariaat of, in voorkomend geval, een steundienst]3;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  § 3. De Koning stelt de termijn, welke niet langer kan zijn dan één jaar, en het statuut vast die van toepassing zijn op de [3 stage]3.
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 70, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-04-10/73, art. 21, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (3)<W 2016-05-04/03, art. 70, 203; Inwerkingtreding : 01-07-2016 (zie ook art. 261, vijfde en achtste lid). Overgangsbepalingen : art. 251>

  Art. 271.<W 2007-04-25/64, art. 65, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving tot assistent bij een griffie, een parketsecretariaat of in voorkomend geval een steundienst te worden benoemd, moet de kandidaat :
  [2 1°]2 houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau C bij de Rijksbesturen;
  [2 2°]2 geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door het Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [3 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de minister van Justitie, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]3
  § 2. Om door middel van bevordering tot assistent bij een griffie, een parketsecretariaat of in voorkomend geval een steundienst te worden benoemd, moet de kandidaat :
  1° vast benoemd zijn in het ambt van medewerker bij een griffie [3 , een parketsecretariaat of, in voorkomend geval, een steundienst]3
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  § 3. De Koning stelt de termijn, welke niet langer kan zijn dan één jaar, en het statuut vast die van toepassing zijn op de [3 stage3.
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 71, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-04-10/73, art. 22, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (3)<W 2016-05-04/03, art. 71, 203; Inwerkingtreding : 01-07-2016 (zie ook art. 261, vijfde en achtste lid). Overgangsbepalingen : art. 251>

  Art. 272.<W 2007-04-25/64, art. 66, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Om tot medewerker bij een griffie, een parketsecretariaat of in voorkomend geval een steundienst te worden benoemd, moet de kandidaat geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [3 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de minister van Justitie, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]3
  De Koning stelt de termijn, welke niet langer kan zijn dan één jaar, en het statuut vast die van toepassing zijn op de [3 stage]3.
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 72, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-04-10/73, art. 23, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (3)<W 2016-05-04/03, art. 72, 203; Inwerkingtreding : 01-07-2016 (zie ook art. 261, vijfde en achtste lid). Overgangsbepalingen : art. 251> >

  HOOFDSTUK VIIbis. - Bemiddelingsadviseurs en -assistenten. (opgeheven) <W 1999-04-12/38, art. 3, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>

  Art. 272bis.[1 fwijking van de in de artikelen 262 tot 268, 270 en 271 bedoelde diplomavoorwaarden wordt toegestaan aan de kandidaten die houder zijn van een attest dat getuigt van generieke competenties die buiten diploma zijn verworven en toegang geeft tot het niveau waarin zich de graad of de klasse bevindt waartoe de functie waarvoor de selectie is georganiseerd, behoort. Dit getuigschrift wordt uitgereikt door het Selectiebureau van de Federale Overheid en de geldigheidsduur ervan wordt bepaald op vijf jaar te rekenen vanaf de datum van aflevering. De beslissing tot het organiseren van een selectie wordt genomen op voorstel van de directeur-generaal van de rechterlijke organisatie na goedkeuring door de onderhandelingsorganen bedoeld in de wet van 25 april 2007 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken en de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/73, art. 24, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>

  Art. 272ter. (opgeheven) <L 1999-04-12/38, art. 3, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>

  HOOFDSTUK VIII. - (...). <W 2006-06-10/68, art. 25, 140; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Afdeling II. -[1 Selectie.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 73, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016. Overgangsbepalingen : art. 251>

  Art. 273.[1 De Koning bepaalt de nadere regels voor de vergelijkende selectie bedoeld in de artikelen 261 tot 268 en 270 tot 272.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 74, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016. Overgangsbepalingen : art. 251>

  Art. 274.<W 2007-04-25/64, art. 69, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. [4 In het niveau A en voor een betrekking van griffier of secretaris, kiest het directiecomité of de betrekking moet worden verleend door middel van mutatie, mobiliteit, werving, bevordering en/of verandering van graad.
   Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel ligt die keuze bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 186bis, tweede tot zevende lid.]4
  § 2. [4 Voor de benoeming tot hoofdgriffier, griffier-hoofd van dienst, hoofdsecretaris, secretaris-hoofd van dienst of tot functies in de klasse A3 of A4 in niveau A kiest het directiecomité of de betrekking moet worden verleend door middel van mutatie of bevordering.]4
  Wanneer de betrekking niet kan worden toegekend onder deze personeelsleden wordt, bij mobiliteit, een beroep gedaan op de ambtenaren van het federaal administratief openbaar ambt, in de zin van artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, die voldoen aan de reglementaire voorwaarden en die er aanspraak kunnen op maken door bevordering tot de hogere klasse [2 ...]2.
  Wanneer de betrekking niet kan worden toegekend bij mobiliteit, wordt ze toegekend overeenkomstig de regels bepaald inzake aanwerving. Evenwel, wordt van de kandidaten een nuttige ervaring voor de functie van zes jaar voor de klasse A3 en van negen jaar voor de klasse A4 geëist.
  [4 § 2/1. Voor de aanwijzing tot hoofdgriffier of hoofdsecretaris wordt in de vacante betrekking voorzien door een beroep te doen op gerechtspersoneel dat voldoet aan de reglementaire voorwaarden en dat aanspraak kan maken op bevordering.]4
  § 3. Op aanvraag van de minister [4 van Justitie]4 of zijn gemachtigde organiseert Selor een vergelijkende selectie die leidt tot een rangschikking van de geslaagden.
  § 4. Wanneer de aard van de te begeven functie dit vereist kan de minister [4 van Justitie]4 of zijn gemachtigde [4 op verzoek van het directiecomité]4 , onder toezicht van Selor een bijkomende vergelijkende proef organiseren die voor deze functie leidt tot een aparte rangschikking van de geslaagden. [5 De bijkomende vergelijkende proef kan uit meerder opeenvolgende delen bestaan waarbij de kandidaat enkel kan deelnemen aan het volgende deel als deze geslaagd is voor het vorige deel. In dit geval wordt de rangschikking bepaald op basis van de resultaten van het laatste deel, dat minstens een interview omvat.]5
  De selectiecommissie is samengesteld als volgt :
  1° Als voorzitter, naar gelang van het geval, de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, [1 ...]1 van het hof, de rechtbank of het parket waarin de betrekking is vacant verklaard of zijn aangestelde;
  2° [2 minstens twee leden]2 die door de minister van Justitie zijn aangewezen uit personen die wegens hun bevoegdheid of hun specialisatie, bijzonder geschikt zijn. Deze bijzondere geschiktheid kan worden aangetoond hetzij door een diploma, hetzij door een relevante beroepsbekwaamheid.
  [4 Ingeval van samenloop van kandidaten die in aanmerking komen voor mutatie, mobiliteit, werving, bevordering en/of verandering van graad, wordt steeds een bijkomende proef georganiseerd.
   De werfreserve van de bijkomende vergelijkende proef heeft een geldigheidsduur van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van het proces-verbaal dat deze afsluit.]4
  De deelname aan de bijkomende vergelijkende proef is niet verplicht. De geslaagden voor deze vergelijkende proef, evenals de kandidaten die niet zijn geslaagd, behouden de rangschikking bedoeld in § 3.
  [4 § 4/1. Het directiecomité kan, zonder toepassing van artikel 287sexies, een beroep doen op de bestaande reserve van een bijkomende vergelijkende proef bedoeld in paragraaf 4, vierde lid.
   § 4/2. De geslaagden voor de bijkomende vergelijkende proef die niet ingaan op een betrekking die hen wordt aangeboden, worden geschrapt uit de werfreserve van de bijkomende vergelijkende proef.]4
  § 5. De Koning benoemt [3 of, in voorkomend geval, wijst aan]3 [4 ...]4 de geslaagde die het hoogst is gerangschikt voor de desbetreffende vergelijkende selectie ofwel de geslaagde die het hoogst is gerangschikt voor de bijkomende vergelijkende proef.
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 73, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-04-10/73, art. 25, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (3)<W 2014-04-10/72, art. 8, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (4)<W 2016-05-04/03, art. 75, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016. Overgangsbepalingen : art. 251>
  (5)<W 2017-07-06/24, art. 253, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 275. <W 2007-04-25/64, art. 70, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Onder geslaagden van twee of meer vergelijkende selecties, wordt voorrang verleend aan de geslaagden van de selectie waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum is afgesloten.

  Art. 275bis.[1 De geslaagden die een ambt postuleren, verbinden er zich toe in dienst te treden. Zij die na de kennisgeving van de benoeming weigeren in dienst te treden, worden uit de reserve van geslaagden geschrapt.
   Met de benoeming putten de personeelsleden de rechten uit verbonden aan hun uitslag. Ontslagnemende personeelsleden verliezen het voordeel van hun uitslag, zelfs indien de termijn van de betrokken selectie niet is verstreken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 76, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016. Overgangsbepalingen : art. 251>

  Afdeling III. - Ontwikkeling binnen de loopbaan <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 71; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Onderafdeling I. - Algemene bepalingen. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 72; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 276.<W 2007-04-25/64, art. 73, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Er zijn twee soorten bevorderingen :
  1° wat de administratieve loopbaan betreft, is de bevordering de benoeming van het personeelslid :
  a) tot een graad van een hoger niveau;
  b) tot een klasse van niveau A wanneer hij deel uitmaakt van een lager niveau;
  c) tot de hogere klasse;
  2° [1 wat de geldelijke loopbaan betreft, is de bevordering de toekenning aan het personeelslid in zijn graad of in zijn klasse van de weddeschaal die hoger is dan die welke hij genoot; ze wordt "bevordering in weddeschaal" genoemd;]1
  § 2. [2 Om een bevordering of een bevordering in weddenschaal te verkrijgen, moet het personeelslid zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden. Bovendien mag hij geen vermelding "te verbeteren" of "onvoldoende" hebben verkregen op het einde van zijn evaluatie.]2
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/72, art. 9, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 254, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 277.<W 2007-04-25/64, art. 74, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. [2 Om tot de klasse A2 te worden bevorderd moet het personeelslid ten minste twee jaar anciënniteit in de klasse A1 hebben.
   Om tot de klasse A3 te worden bevorderd moet het personeelslid ten minste vier jaar anciënniteit in de klasse A2 hebben of ten minste zes jaar anciënniteit in de klasse A1 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen.
   Om tot de klasse A4 te worden bevorderd moet het personeelslid met de klasse A3 bekleed zijn.
   Om tot de klasse A5 te worden bevorderd moet het personeelslid ten minste twee jaar anciënniteit in de klasse A4 hebben.]2
  § 2. In afwijking van § 1, moeten personeelsleden bedoeld in de artikelen 262, § 2, 263, § 2, 265, § 2, 266, § 2, niet beschikken over een klassenanciënniteit om te worden bevorderd tot een [1 klasse]1 A2 of A3, met de titel van hoofdgriffier, hoofdsecretaris, griffier-hoofd van dienst of secretaris-hoofd van dienst.
  § 3. [2 ...]2.
  § 4. [2 ...]2.
  § 5. De bevordering door overgang naar het hogere niveau wordt verleend bij wege van een vergelijkende selectie.
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/73, art. 26, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (2)<W 2014-04-10/72, art. 10, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 278.<W 2007-04-25/64, art. 75, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. De verandering van graad is de benoeming van het personeelslid tot een graad die gelijkwaardig is met de zijne.
  [1 ...]1.
  § 2. [1 [2 ...]2.
   De benoemingen door verandering van graad worden door de Koning gedaan, of door de minister [2 van Justitie]2 wat de deskundigen betreft.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/73, art. 27, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 77, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016. Overgangsbepalingen : art. 251>

  HOOFDSTUK VIII. (...). <W 2007-04-25/64, art. 76, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Onderafdeling II. - [1 Bevordering naar niveau A]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 78, 203; Inwerkingtreding : 01-07-2016 (zie ook art. 261, vijfde en achtste lid>

  Art. 279.[1 § 1. § 1. Om aan de proeven voor de bevordering naar niveau A deel te nemen moet het personeelslid zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan laten gelden, en bij zijn laatste evaluatie de vermelding "uitzonderlijk" of "voldoet aan de verwachting" hebben gekregen en behouden.
   § 2. De proeven voor de overgang naar het niveau A zijn in drie reeksen ingedeeld :
   De eerste reeks wordt georganiseerd door Selor. De proeven van die reeks beogen een evaluatie van het vermogen van een personeelslid om in niveau A te functioneren. Ze worden afgesloten met een attest van slagen of een verslag van het niet-slagen. Het attest van slagen is onbeperkt in de tijd geldig.
   De afgevaardigd bestuurder van Selor kan een vrijstelling toekennen voor proeven waarvoor men reeds geslaagd is.
   Een personeelslid dat niet geslaagd is voor een proef wordt gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het afleggen van deze proef, uitgesloten van de mogelijkheid van het opnieuw afleggen ervan.
   § 3. De tweede reeks omvat vier proeven die een evaluatie van de verwerving van kennis beogen. Elk van de vier proeven bestaat in het volgen van en slagen voor cursussen van minstens vier ECTS-studiepunten van een masterprogramma van een universiteit of hogeschool van de Europese Economische Ruimte. De tweede reeks proeven is alleen toegankelijk voor de geslaagden van de eerste reeks proeven.
   Een van die proeven dient gekozen te worden binnen de vakgebieden economie, recht of overheidsfinanciën.
   De drie andere proeven worden gekozen in onderling akkoord tussen de kandidaat en de minister van Justitie of zijn afgevaardigde op advies van het Instituut voor de gerechtelijke opleiding.
   Het Instituut voor gerechtelijke opleiding kan ook zelf de in het derde lid bedoelde proeven organiseren, mits gunstig advies van twee hoogleraren, één van elke taalrol, gespecialiseerd in het vakgebied van die proeven. Het advies zal gunstig zijn indien en alleen indien de proeven tot het niveau van een master behoren en indien elke proef met minstens vier ECTS-studiepunten overeenkomt.
   Kandidaten die houder zijn van een master of van een ander diploma dat toegang verleent tot het niveau A, die is uitgereikt door een universiteit of hogeschool van de Europese Economische Ruimte, worden beschouwd als geslaagden van de proeven van deze reeks.
   Voor elke proef van deze reeks is het slagen onbeperkt in de tijd geldig.
   De inschrijvingskosten voor de proeven van deze reeks worden ten laste genomen door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.
   § 4. De derde reeks is een vergelijkende selectie voor een functie van het niveau A. Ze wordt georganiseerd door Selor. Ze is alleen toegankelijk voor de geslaagden van de eerste en de tweede reeks proeven. De vergelijkende selectie kan meerdere proeven omvatten, waarvan de eerste een uitsluitingsproef kan zijn.]1
  ----------
  (1)<Hersteld bij W 2016-05-04/03, art. 79, 203; Inwerkingtreding : 01-07-2016 (zie ook art. 261, vijfde en achtste lid)>

  Art. 280.
  <Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 280bis.
  <Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 281.
  <Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 282.
  <Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 283.
  <Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 284.
  <Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 284bis.
  <Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  HOOFDSTUK IX.
  <Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 285.
  <Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  HOOFDSTUK X.
  <Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 285bis.
  <Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 286.
  <Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 286bis.
  <Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 287.
  <Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 287bis.
  <Opgeheven bij W 2014-04-10/72, art. 11, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Afdeling IV. - Evaluatie. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 93; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 287ter.[1 § 1. Alle [2 ...]2 personeelsleden van niveau A, B, C en D zijn onderworpen aan een evaluatiecyclus.
   Wat de hoofdgriffiers en de hoofdsecretarissen betreft, is de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, de evaluator. Wat de andere personeelsleden betreft, is de evaluator de hiërarchische meerdere van het personeelslid of de functionele chef aan wie de hiërarchische meerdere de evaluatietaak heeft gedelegeerd.
   De hiërarchische meerdere is [2 de magistraat die of]2 het vastbenoemd personeelslid dat de verantwoordelijkheid over een dienst of over een team heeft en dat dientengevolge rechtstreeks gezag uitoefent over de personeelsleden van die dienst of van dat team. De functionele chef is [2 de magistraat die of]2 het vastbenoemd of contractueel personeelslid dat, onder de verantwoordelijkheid van de hiërarchische meerdere van een personeelslid, een rechtstreekse gezagsrelatie heeft ten aanzien van laatstgenoemde bij het dagelijks uitoefenen van zijn ambt.
   § 2. [2 De evaluatieperiode duurt een jaar behoudens uitzonderingen bepaald door de Koning. Er vindt een functiegesprek plaats in het begin van de evaluatieperiode wanneer het personeelslid vastbenoemd wordt, in dienst genomen wordt of van functie verandert. Er wordt ook een functiegesprek gehouden wanneer de functie belangrijke veranderingen ondergaat.]2.
   Bij het begin van de [2 ...]2 evaluatieperiode, in voorkomend geval onmiddellijk na het functiegesprek, vindt een planningsgesprek plaats. Tijdens dit planningsgesprek worden de evaluator en het personeelslid het eens over de prestatiedoelstellingen en eventueel over de persoonlijke ontwikkelingsdoelstellingen.
   Tijdens de evaluatieperiode wordt, telkens dat nodig is, een functioneringsgesprek gehouden tussen de evaluator en het personeelslid.
   Op het einde van de evaluatieperiode nodigt de evaluator het personeelslid uit voor een evaluatiegesprek.
   § 3. De evaluatie is hoofdzakelijk gebaseerd op de volgende elementen :
   1° het bereiken van de prestatiedoelstellingen vastgelegd tijdens het planningsgesprek en eventueel aangepast tijdens de functioneringsgesprekken;
   2° de ontwikkeling van de competenties van het personeelslid die nuttig zijn voor zijn functie;
   3° in voorkomend geval, de kwaliteit van de evaluaties die het personeelslid heeft uitgevoerd, als hij daarmee belast is.
   De evaluatie berust eveneens op de volgende elementen :
   - de bijdrage van het personeelslid aan de prestaties van het team waarin hij werkt;
   - de beschikbaarheid van het personeelslid voor de gebruikers van de dienst, zowel interne als externe gebruikers.
   Het evaluatieverslag wordt afgesloten met één van de volgende vermeldingen : uitzonderlijk, voldoet aan de verwachtingen, te verbeteren en onvoldoende.
   Het heeft uitwerking op het einde van de evaluatieperiode.
  [2 § 3bis. De paragrafen 2 en 3 zijn van toepassing op de stage, onder voorbehoud van de volgende specificiteiten :
   1° de stage bestaat minstens uit drie functioneringsgesprekken. Zij zijn evenwichtig verdeeld over de volledige evaluatieperiode en worden elk afgesloten met de toekenning van een vermelding "uitzonderlijk", "voldoet aan de verwachtingen", "te verbeteren" of "onvoldoende";
   2° wanneer ze betrekking hebben op de stage worden de in § 3 bedoelde elementen bepaald om :
   - de optimale integratie van de stagiair in zijn dienst en binnen de rechterlijke orde in het algemeen mogelijk te maken;
   - aan te tonen of de stagiair over de vereiste bekwaamheden beschikt om de taken uit te voeren die verbonden zijn aan de betrekking waarvoor hij aangewezen is.]2
   § 4. Ingeval gedurende de drie jaar na de toekenning van de eerste vermelding "onvoldoende" een tweede vermelding "onvoldoende" wordt gegeven, [2 zelfs als ze niet opeenvolgend zijn";]2, leidt dit tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid van het personeelslid.
   Aan het wegens beroepsongeschiktheid ontslagen vastbenoemd personeelslid wordt een ontslagvergoeding toegekend. Deze vergoeding is gelijk aan twaalfmaal de laatste maandbezoldiging indien het personeelslid ten minste twintig jaar dienst heeft, aan achtmaal of zesmaal deze bezoldiging naargelang hij tien jaar dienst of minder dan tien jaar dienst heeft.
  [2 Deze paragraaf is niet van toepassing op de stagiairs.]2
  [2 § 4bis. Indien gedurende de stage een vermelding "onvoldoende" wordt toegekend na afloop van een verplicht functioneringsgesprek, maakt de magistraat-korpschef het dossier over aan de in artikel 287quater bedoelde beroepscommissie die beslist of de stage mag worden verdergezet of die een ontslagvoorstel overmaakt aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken.
  In afwijking van het eerste lid leidt de aan de stagiair toegekende functioneringsvermelding "onvoldoende" niet tot de aanhangigmaking bij de beroepscommissie indien de stagiair, de evaluator en de magistraat-korpschef akkoord zijn over de verderzetting van de stage.
   § 4ter. Indien na afloop van de stage een vermelding "te verbeteren" of "onvoldoende" wordt toegekend, maakt de magistraat-korpschef het dossier over aan de beroepscommissie.
   In geval van vermelding "onvoldoende", naargelang het geval :
   1° beslist de beroepscommissie of de stage moet worden verlengd;
   2° legt de beroepscommissie een met redenen omkleed ontslagvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken.
   In geval van vermelding "te verbeteren", naar gelang het geval :
   1° beslist de beroepscommissie of de stage moet worden verlengd;
   2° legt de beroepscommissie een met redenen omkleed benoemingsvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken. In dat geval wordt de stageperiode beschouwd als een periode die afgesloten wordt met de vermelding "voldoet aan de verwachtingen".
   § 4quater. Na afloop van de stage die werd verlengd overeenkomstig § 4ter, maakt de magistraat-korpsoverste aan de commissie het evaluatiedossier over van de stagiair aan wie de evaluatievermelding "te verbeteren" of "onvoldoende" werd toegekend.
   De commissie legt, naar gelang het geval :
   1° een met redenen omkleed benoemingsvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken. In dat geval wordt de stageperiode beschouwd als een periode die afgesloten wordt met de vermelding "voldoet aan de verwachtingen";
   2° een met redenen omkleed ontslagvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken.]2
   § 5. De Koning stelt de nadere regels vast voor de toepassing van deze bepalingen met betrekking tot de evaluatieprocedure, de duurtijd ervan en de bedoelde personen]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/73, art. 28, 187; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 80, 203; Inwerkingtreding : 01-07-2016 (zie ook art. 261, vijfde en achtste lid). Overgangsbepalingen : art. 251>

  Art. 287ter/1.[1 § 1. In afwijking van artikel 287ter, wordt elke houder van een functie van hoofdgriffier of hoofdsecretaris, bedoeld in artikel 160, § 8, derde lid, tijdens zijn mandaat jaarlijks geëvalueerd door de korpschef, bedoeld in artikel 58bis, 2°. De eerste vier cycli worden met een tussentijdse evaluatie afgesloten. De laatste cyclus eindigt zes maanden voor het verstrijken van het mandaat en wordt met een eindevaluatie afgesloten.
   § 2. De mandaathouder wordt geëvalueerd op de wijze waarop de dienst die hij leidt heeft bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen bepaald in het beheersplan, bedoeld in artikel 185/6, rekening houdend met de resultaatgebieden die in zijn functieprofiel nader worden bepaald.
   Hij wordt bovendien geëvalueerd op de wijze waarop hij zijn taak van evaluator heeft vervuld. De controle op deze taak wordt uitgevoerd volgens de regels die van toepassing zijn op de hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen die geen mandaathouder zijn.
   In voorkomend geval wordt geen rekening gehouden met de doelstellingen waarvan het niet bereiken geenszins aan de geëvalueerde kan worden toegeschreven. In ieder geval houdt de evaluatie van de eigen bijdrage van de geëvalueerde rekening met wat redelijkerwijze van hem kan worden verwacht.
   § 3. Op het einde van elke evaluatiecyclus nodigt de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, de mandaathouder uit voor een evaluatiegesprek. [2 Als voorbereiding op dit gesprek maakt de te evalueren persoon een zelfevaluatie op die hij twintig kalenderdagen vóór het gesprek doorstuurt naar de evaluator. Die schriftelijke zelfevaluatie wordt bij het evaluatiedossier gevoegd.]2
   Een personeelslid belast met personeelsaangelegenheden kan dit gesprek als secretaris bijwonen.
   In ieder geval heeft de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, een functioneringsgesprek met de te evalueren mandaathouder met het oog op zijn evaluatie.
   § 4. Na het evaluatiegesprek werkt de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, het evaluatieverslag af dat binnen twintig kalenderdagen na het evaluatiegesprek tegen ontvangstbewijs aan de geëvalueerde wordt bezorgd.
  [2 ...]2.
   De houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris wiens tussentijdse evaluatie resulteert in de vermelding "onvoldoende" of wiens eindevaluatie niet resulteert in de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of de vermelding "uitzonderlijk", kan, per aangetekende zending, beroep instellen bij de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater, binnen vijftien kalenderdagen na de betekening van het evaluatieverslag.
   Het beroep is opschortend. In voorkomend geval wordt het mandaat verlengd tot het einde van de beroepsprocedure bedoeld in artikel 287quater.
   § 5. Elke evaluatie wordt afgesloten met een van de volgende vermeldingen : "uitzonderlijk", "voldoet aan de verwachtingen", "te verbeteren", of "onvoldoende".
   De evaluatie van de mandaathouder wordt afgesloten met de vermelding "onvoldoende" als eruit blijkt dat de doelstellingen voor de dienst die hij leidt, omschreven in het beheersplan bedoeld in artikel 185/6, en in het bijzonder in de resultaatgebieden die in het functieprofiel van de functiehouder nader worden bepaald, klaarblijkelijk niet zijn verwezenlijkt tijdens de geëvalueerde periode.
   De vermelding "onvoldoende" wordt bovendien toegekend als minder dan 70 % van de evaluaties waarmee hij belast is, uitgevoerd zijn binnen de vastgestelde termijnen en overeenkomstig artikel 287ter.
   De evaluatie van de mandaathouder wordt afgesloten met de vermelding "te verbeteren" als eruit blijkt dat de doelstellingen voor de dienst die hij leidt, omschreven in het beheersplan bedoeld in artikel 185/6, en in het bijzonder in de resultaatgebieden die in het functieprofiel van de functiehouder nader worden bepaald, slechts gedeeltelijk zijn verwezenlijkt tijdens de geëvalueerde periode.
   Behalve als de vermelding "onvoldoende" zich opdringt, wordt de vermelding "te verbeteren" bovendien ambtshalve toegekend als minder dan 90 % van de evaluaties waarmee hij belast is uitgevoerd zijn, of als de evaluaties buiten de vastgestelde termijnen of niet overeenkomstig artikel 287ter uitgevoerd zijn.
   De evaluatie van de mandaathouder wordt afgesloten met de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" als eruit blijkt dat de meerderheid van de doelstellingen voor de dienst die hij leidt, omschreven in het beheersplan bedoeld in artikel 185/6, en in het bijzonder in de resultaatgebieden die in het functieprofiel van de functiehouder nader worden bepaald, werden verwezenlijkt tijdens de geëvalueerde periode.
   De vermelding "voldoet aan de verwachtingen" wordt bovendien pas toegekend als ten minste 90 % van alle evaluaties waarmee hij belast is, uitgevoerd zijn binnen de vastgestelde termijnen en overeenkomstig artikel 287ter.
   De evaluatie van de mandaathouder wordt afgesloten met de vermelding "uitzonderlijk" als eruit blijkt dat de meerderheid van de doelstellingen voor de dienst die hij leidt, omschreven in het beheersplan bedoeld in artikel 185/6, en in het bijzonder in de resultaatgebieden die in het functieprofiel van de functiehouder nader worden bepaald, werden verwezenlijkt tijdens de geëvalueerde periode en dat sommige overtroffen werden.
   De toekenning van de vermelding "uitzonderlijk" vereist bovendien dat alle evaluaties waarmee hij belast is, uitgevoerd zijn binnen de vastgestelde termijnen en overeenkomstig artikel 287ter, en dat de mandaathouder een echte leader van zijn team is gebleken, die het team ertoe kan brengen zijn doelstellingen te overtreffen.
   § 6. De eindevaluatie van de houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris bedoeld in artikel 160, § 8, derde lid, wordt gestaafd met de evaluatieverslagen betreffende de verstreken periodes voor de tussentijdse evaluaties en de totale periode van het mandaat.
   § 7. Indien een tussentijdse of de eindevaluatie van een houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris bedoeld in artikel 160, § 8, derde lid, leiden tot een vermelding "onvoldoende", komt aan zijn aanwijzing een einde op de eerste dag van de maand die volgt op de definitieve toekenning van de vermelding.
   De betrokkene wordt ter beschikking van zijn dienst van oorsprong gesteld.
   § 8. Indien de eindevaluatie van een houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris bedoeld in artikel 160, § 8, derde lid, leidt tot een vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk", wordt het mandaat van rechtswege verlengd met een nieuwe periode van vijf jaar.
   Indien de eindevaluatie leidt tot een vermelding "te verbeteren", komt aan zijn aanwijzing een einde op de eerste dag van de maand die volgt op de definitieve toekenning van de vermelding.
   De betrokkene wordt ter beschikking van zijn dienst van oorsprong gesteld.]1
  [2 § 9. Het evaluatiedossier van de houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris bedoeld in artikel 160, § 8, derde lid, bestaat uit de volgende elementen :
   1° een identificatiefiche met de persoonlijke gegevens en het aanstellingsbesluit;
   2° een gevalideerde functiebeschrijving;
   3° het beheersplan bedoeld in artikel 185/6;
   4° in voorkomend geval, de verslagen over de functioneringsgesprekken en/of ieder ander document dat inzicht verschaft in de afspraken, de schikkingen en de aanpassingen aan de te bereiken doelstellingen, die tussen de geëvalueerde mandaathouder en zijn evaluator werden getroffen;
   5° de zelfevaluatie van de mandaathouder;
   6° de evaluatieverslagen;
   7° eventueel dossier van het ingestelde beroep.
   De geëvalueerde kan documenten laten opnemen in zijn evaluatiedossier.
   Het evaluatiedossier wordt bewaard bij de korpschef bedoeld in artikel 58bis.
   Het individuele evaluatiedossier is toegankelijk voor de geëvalueerde, voor zijn evaluator en voor de minister van Justitie of zijn gemachtigde.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/72, art. 12, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 81, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 287quater.[1 § 1.[2 Er wordt een beroepscommissie opgericht die bevoegd is voor de beroepen inzake evaluatie en de stage.
   De zetel van deze beroepscommissie is gevestigd te Brussel.
   De beroepscommissie bestaat uit een Nederlandstalige afdeling en een Franstalige afdeling. De taalrol van het personeelslid bepaalt voor welke afdeling hij dient te verschijnen.
   Het Duitstalige personeelslid verschijnt voor de afdeling voorgezeten door de plaatsvervangende voorzitter die zijn kennis van het Duits bewijst.
   De beroepscommissie stelt haar huishoudelijk reglement op.
   De beroepscommissie is samengesteld uit :
   1° twee voorzitters aangewezen door de minister van Justitie : de Nederlandstalige voorzitter zit de Nederlandstalige afdeling voor, de Franstalige voorzitter zit de Franstalige afdeling voor;
   2° per afdeling, vijf leden, van wie er twee zijn aangewezen door de minister van Justitie en drie zijn aangewezen door de representatieve vakorganisaties, naar rato van één per organisatie;
   3° plaatsvervangers, namelijk : drie voorzitters aangewezen door de minister van Justitie, en, per afdeling, vijf leden, van wie er twee worden aangewezen door de minister van Justitie en drie worden aangewezen door de representatieve vakorganisaties.
   De voorzitters en de plaatsvervangende voorzitters worden aangewezen onder de magistraten van de rechterlijke orde.
   De andere leden en de andere plaatsvervangende leden worden aangewezen uit het gerechtspersoneel van het niveau A of B.
   Met uitzondering van de voorzitters, wordt de ene helft van de leden en de plaatsvervangers aangewezen door de minister van Justitie op voorstel van het College van het openbaar ministerie en de andere helft op voorstel van het College van de hoven en rechtbanken.
   Twee van de plaatsvervangende voorzitters nemen respectievelijk het voorzitterschap waar van de Nederlandstalige afdeling voor de Nederlandstalige voorzitter en van de Franstalige afdeling voor de Franstalige voorzitter. De derde plaatsvervangende voorzitter moet zijn kennis van het Duits bewijzen, evenals van het Nederlands of het Frans. Hij neemt met name het voorzitterschap waar van de afdeling die instaat voor de dossiers van Duitstalige personeelsleden.
   Het beroep is opschortend.]2
   § 2. [2 [3 Onverminderd artikel 287ter, § 4ter dat van toepassing is op de stagiair, bestaat het met redenen omkleed advies van de commissie]3 hetzij uit een voorstel van behoud van de toegekende vermelding, hetzij uit een voorstel van een gunstigere vermelding.]2
   Indien de beroepscommissie heeft voorgesteld de vermelding te behouden, wordt deze definitief. [2 De minister van Justitie of zijn afgevaardigde brengt het personeelslid dat beroep heeft ingesteld onmiddellijk ervan op de hoogte en deelt hem het advies mee.]2
   Indien de beroepscommissie heeft voorgesteld de vermelding te wijzigen, neemt de minister van Justitie of zijn afgevaardigde de beslissing om hetzij de vermelding te wijzigen overeenkomstig het advies van de beroepscommissie, hetzij de oorspronkelijke vermelding te bevestigen, [2 ...]2. Zij deelt haar beslissing mee binnen twintig werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van het advies.
   § 3. De Koning stelt de nadere regels vast voor de organisatie en de werking van de beroepscommissie inzake evaluatie.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/73, art. 29, 187; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 82, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (3)<W 2017-07-06/24, art. 255, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  HOOFDSTUK VII. - Bepalingen gemeen aan de hoofdstukken I tot VI. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 96; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 287quinquies.<ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 97; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Voor de ambten, de functies en bedieningen die in deze titel zijn bepaald moet de kandidaat aan de bij de wet gestelde eisen inzake kennis van de landstalen hebben voldaan.
  § 2. Voor de ambten en functies bedoeld in de artikelen 187 tot 194, 207 tot 209 en de artikelen 254 en 258, moeten de kandidaten de voorgeschreven juridische functies als houder van het diploma van master, licentiaat of doctor in de rechten en als voornaamste beroepsactiviteit hebben uitgeoefend.
  § 3. Voor de ambten, de functies en de bedieningen die in deze titel zijn bepaald moeten de betrokkenen een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking en de burgerlijke en politieke rechten genieten. [1 De voorwaarde met betrekking tot het gedrag wordt bewezen door middel van een uittreksel uit het strafregister waaruit blijkt dat de kandidaat niet werd veroordeeld, zelfs niet met uitstel, bij een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, tot enige correctionele of criminele straf, tenzij hij in eer en rechten hersteld is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op de personen die soortgelijke, in kracht van gewijsde gegane veroordelingen hebben ondergaan in het buitenland.]1
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 83, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016. Overgangsbepalingen : art. 251>

  Art. 287sexies.<ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 98; Inwerkingtreding : 01-12-2008> [2 Elke kandidaatstelling voor een benoeming in de rechterlijke orde of voor een aanwijzing als korpschef, rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat, federaal magistraat, substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken of van lid van het gerechtspersoneel moet op straffe van verval aan de minister van Justitie worden gericht binnen een termijn van twintig dagen vanaf de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad.]2
  De bekendmaking van de vacature vermeldt, in voorkomend geval, binnen welke termijn de kandidaten kunnen vragen gehoord te worden met toepassing van de artikelen 259ter, 259quater en 259sexies, § 1, 3°.
  Elke kandidatuur voor een benoeming of voor een aanwijzing tot korpschef in de magistratuur dient op straffe van verval, vergezeld te zijn van :
  a) alle stavingstukken met betrekking tot de studies en beroepservaring;
  b) een curriculum vitae overeenkomstig een door de minister van Justitie, op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie, bepaald standaardformulier;
  [2 ...]2.
  Het beleidsplan, bedoeld in artikel 259quater, § 2, derde lid, moet, op straffe van verval [2 ...]2 [2 langs elektronische weg]2 aan de minister van Justitie worden gericht binnen een termijn van zestig dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad.
  De bekendmaking kan geschieden op zijn vroegst vijftien maanden vóór het ontstaan van de vacature.
  Geen benoeming noch aanwijzing kan geschieden dan nadat de termijn bepaald in het eerste lid is verlopen.
  [2 De oproep in het Belgisch Staatsblad vermeldt de wijze waarop de kandidaturen moeten worden ingediend. De oproep kan evenzeer voor vacatures van het gerechtspersoneel en rekening houdende met de rangschikking, het maximum aantal deelnemers aan de bijkomende proef vastleggen.]2
  [2 De in het derde lid bedoelde stavingstukken met betrekking tot de studies en beroepservaring moeten evenwel niet meer aan de kandidaat worden gevraagd wanneer zij reeds werden ingediend bij een eerdere kandidaatstelling of wanneer zij beschikbaar zijn omdat de kandidaat al lid of personeelslid is van de rechterlijke orde.]2
  ----------
  (1)<W 2012-12-31/02, art. 24, 172; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
  (2)<W 2016-05-04/03, art. 84, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016. Overgangsbepalingen : art. 251>

  HOOFDSTUK VIII. [1 Definitieve ambtsneerlegging]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 85, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  

  Art. 287septies. [1 Wordt ambtshalve en zonder opzeggingstermijn uit zijn ambt ontslagen, het personeelslid bedoeld in de hoofdstukken Vsexies en VI :
   1° van wie de benoeming als onregelmatig werd vastgesteld binnen de termijn van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; deze termijn geldt niet in geval van fraude of bedrog vanwege het personeelslid;
   2° die zonder geldige reden zijn post verlaat en gedurende meer dan tien werkdagen afwezig blijft en die behoorlijk en op voorhand verwittigd werd en om opheldering verzocht werd;
   3° die verkeert in een geval waarin toepassing van de strafwetten en de burgerlijke wetten ambtsneerlegging ten gevolge heeft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 86, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  

  Art. 287octies. [1 Het vrijwillig ontslag geeft aanleiding tot ambtsneerlegging. In dat geval mag het personeelslid bedoeld in de hoofdstukken Vsexies en VI zijn dienst slechts verlaten nadat hij zijn ontslag, bij een ter post aangetekende brief, ter kennis heeft gebracht aan de minister van Justitie of zijn gemachtigde.
   De in het eerste lid bedoelde kennisgeving gebeurt ten minste dertig dagen voorafgaand aan het ontslag, dat ingaat op de datum van verzending van de aangetekende brief. Die termijn kan in onderlinge overeenstemming worden ingekort.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 87, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  

  Art. 287novies. [1 De artikelen 287septies en 287octies zijn van toepassing op de stagiairs.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-05-04/03, art. 88, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  

  BOEK II. - GERECHTELIJKE AMBTEN.

  EERSTE TITEL I. - Voorwaarden voor het uitoefenen van gerechtelijke ambten.

  HOOFDSTUK I. - (Installatie van de magistraten, de referendarissen, de parketjuristen en de griffiers en hun eedaflegging.) <W 2007-04-25/64, art. 99, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 288.(De installatie geschiedt bij elke benoeming, bij elke aanwijzing tot korpschef [6 , bij elke eerste aanwijzing in een adjunct-mandaat en bij de eerste benoeming van rechter in sociale zaken, raadsheer in sociale zaken [7 , rechter in handelszaken of assessor [9 in de strafuitvoeringsrechtbank]9]7]6 .) <W 1998-12-22/47, art. 52, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  De installatie van de eerste voorzitter, de voorzitters, de raadsheren, de procureur-generaal, (de eerste advocaat-generaal,) de advocaten-generaal, de substituut-procureurs-generaal bij het hof van beroep, (de eerste advocaat-generaal,) de advocaten-generaal en de substituten-generaal bij het arbeidshof, alsmede van de hoofdgriffiers, geschiedt in openbare zitting van de verenigde kamers, respectievelijk van het Hof van Cassatie, van het hof van beroep en van het arbeidshof. <W 1998-12-22/47, art. 52, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  (De installatie van de plaatsvervangende raadsheren in de hoven van beroep, zoals bedoeld in artikel 207bis, § 1, geschiedt voor een kamer van het hof van beroep, voorgezeten door de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt of voor de vakantiekamer.) <W 1997-07-09/36, art. 15, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997>
  (De installatie van de federale procureur geschiedt voor de eerste kamer van het Hof van beroep te Brussel.) <W 2001-06-21/42, art. 27, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
  (De installatie van de voorzitters, ondervoorzitters, rechters, [2 ...]2 en plaatsvervangende rechters in de rechtbanken van eerste aanleg, de rechtbanken van koophandel, en van de werkende en plaatsvervangende rechters in handelszaken, [7 de voorzitters en ondervoorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank,]7 de procureurs des Konings, hun eerste substituten en hun substituten, [10 de gerechtelijke attachés bij de rechtbanken van eerste aanleg, de rechtbanken van koophandel en de parketten van de procureurs des Konings,]10 de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven van beroep, en bij de rechtbanken van eerste aanleg en de rechtbanken van koophandel, alsmede van de hoofdgriffiers van voormelde rechtbanken, geschiedt vóór één van de kamers van het hof van beroep, voorgezeten door de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt, of vóór de vakantiekamer.) <W 2007-04-25/64, art. 100, 1°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  (De installatie van de voorzitters, ondervoorzitters, rechters, [2 ...]2 en plaatsvervangende rechters, van de arbeidsauditeurs, hun eerste substituten en hun substituten, [10 van de gerechtelijke attachés bij de arbeidsrechtbanken en de parketten van de arbeidsauditeurs,]10 van de referendarissen en de parketjuristen bij de arbeidshoven en de arbeidsrechtbanken, evenals van de hoofdgriffiers in de arbeidsrechtbanken geschiedt vóór één van de kamers van het arbeidshof, voorgezeten door de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt, of voor de vakantiekamer.) <W 2007-04-25/64, art. 100, 2°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  (De installatie van de federale magistraten geschiedt voor de federale procureur.) <W 2001-06-21/42, art. 27, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
  (De installatie van de werkende en plaatsvervangende assessoren [5 [9 in de strafuitvoeringsrechtbank]9 en interneringszaken]5 geschiedt voor een kamer van het hof van beroep, voorgezeten door de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt, of voor de vakantiekamer.) <W 2006-05-17/36, art. 23, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  De installatie van de werkende en plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken en rechters in sociale zaken geschiedt vóór een kamer van het arbeidshof, voorgezeten door de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt, of vóór de vakantiekamer.
   (De installatie van de griffiers en personeelsleden van niveau A van de hoven geschiedt vóór de kamer waarin de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt zitting heeft, en de installatie van de griffiers en personeelsleden van niveau A van de rechtbanken voor de kamer waarin de voorzitter van de rechtbank waaraan zij verbonden zijn, zitting heeft, of vóór de vakantiekamer.) <W 2007-04-25/64, art. 100, 3°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  (De installatie van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank, hun plaatsvervangers, hun hoofdgriffiers en griffiers, geschiedt voor één van de kamers van de rechtbank van eerste aanleg, voorgezeten door de voorzitter of de rechter die hem vervangt, of vóór de vakantiekamer. De installatie van de referendarissen bij de politierechtbank geschiedt overeenkomstig het vijfde lid. [1 In het gerechtelijk arrondissement Brussel geschiedt de installatie van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank, hun plaatsvervangers, hun hoofdgriffiers en griffiers voor een kamer of vakantiekamer van de Franstalige of Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg, naargelang de taal van het diploma van licentiaat, doctor of master in de rechten waarvan zij houders zijn dan wel, wat de hoofdgriffiers en griffiers betreft, naargelang de bewezen taalkennis. ]1 <W 2007-04-25/64, art. 100, 4°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  (De installatie van de referendarissen bij het Hof van Cassatie geschiedt voor een kamer van het hof, voorgezeten door de eerste voorzitter, de voorzitter of de afdelingsvoorzitter dan wel door de raadsheer die hem vervangt.) <W 1997-05-06/38, art. 8, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
  [3 De installatie van de raadsheren en de raadsheren-assessoren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en van de rechters en rechters-assessoren in de tuchtrechtbank geschiedt [4 respectievelijk]4 voor een van de kamers van het hof van beroep in het rechtsgebied waarvan de tuchtrechtbank [4 of de tuchtrechtbank in hoger beroep]4 gevestigd is, voorgezeten door de eerste voorzitter of door de raadsheer die hem vervangt, of voor de vakantiekamer.]3 [8 De installatie van een assessor in de tuchtrechtbank of in de tuchtrechtbank in hoger beroep geldt als installatie in de tuchtrechtbank in hoger beroep respectievelijk in de tuchtrechtbank.]8
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/36, art. 28, 175; Inwerkingtreding : 31-03-2014 (zie ook art. 61, L1 en L2)>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 75, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<W 2013-07-15/08, art. 6, 182; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (4)<W 2014-05-08/02, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (5)<W 2014-05-05/11, art. 106, 195; Inwerkingtreding : 01-10-2016. (zie ook art. 136). Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>
  (6)<W 2015-07-20/19, art. 4, 198; Inwerkingtreding : 05-09-2015>
  (7)<W 2016-05-04/03, art. 89,1° en 3°, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (8)<W 2016-05-04/03, art. 89,5°, 203; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (9)<W 2016-05-04/03, art. 89,2° et 4°, 203; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 261, zevende en achtste lid)>
  (10)<W 2017-07-06/24, art. 256, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 289. De eerste voorzitters van het Hof van Cassatie, van de hoven van beroep en van de arbeidshoven en de procureurs-generaal bij die hoven leggen, persoonlijk of schriftelijk, in handen van de Koning de eed af bij het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven.
  (De federale procureur legt die eed bij zijn installatie af in handen van de eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Brussel, de federale magistraten bij hun installatie in handen van de federale procureur.) <W 2001-06-21/42, art. 28, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
  De andere in artikel 288 genoemde personen leggen die eed bij hun installatie af in handen van de eerste voorzitter van het hof of van de voorzitter der rechtbank.

  Art. 290. <W 2003-05-03/45, art. 26, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003> Is de plaats onbezet op het ogenblik van de bekendmaking van de benoeming of de aanwijzing in het Belgisch Staatsblad, dan moet de eed worden afgelegd binnen een maand na die bekendmaking, anders kan de benoeming of de aanwijzing als niet-bestaande worden beschouwd.
  Is de plaats nog bezet op het ogenblik van de bekendmaking van de benoeming of aanwijzing in het Belgisch Staatsblad, dan moet de eed worden afgelegd in de loop van een maand te rekenen vanaf het daadwerkelijk vrij komen van de plaats, anders kan de benoeming of aanwijzing als niet-bestaande worden beschouwd.
  Vanaf de dag waarop de eed wordt afgelegd, wordt betrokkene bekleed met de overeenstemmende hoedanigheid van magistraat.

  Art. 291.Wanneer de installatie of de eedaflegging van de voorzitters, ondervoorzitters, (rechters [1 ...]1, rechters in sociale zaken) en in handelszaken (, assessoren [3 [5 in de strafuitvoeringsrechtbank]5 en interneringszaken]3) en plaatsvervangende rechters in de rechtbanken, [4 de voorzitters en ondervoorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, de assessoren in de tuchtrechtscolleges, ]4 van de procureurs des Konings en hun substituten, [2 de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven en rechtbanken]2 de arbeidsauditeurs en hun substituten, [6 van de gerechtelijke attachés bij die rechtbanken en die parketten,]6 van de griffiers bij die rechtbanken, van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, hun plaatsvervangers en griffiers, wegens buitengewone omstandigheden niet overeenkomstig de artikelen 288 en 289 kan geschieden, leggen die personen, persoonlijk of schriftelijk, naar gelang van het geval, in handen van de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, de eed af die bij het decreet van 20 juli 1831 is voorgeschreven. <W 1998-02-10/32, art. 12, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998> <W 1999-03-24/31, art. 9, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999> <W 2006-05-17/36, art. 24, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  (In het geval bedoeld in het eerste lid, leggen de federale procureur en de federale magistraten de eed af in handen van de voorzitter van het college van procureurs-generaal.) <W 2001-06-21/42, art. 29, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
  (In het eerste lid bedoelde geval leggen de referendarissen bij het Hof van Cassatie de eed af in handen van de eerste voorzitter van het hof.) <W 1997-05-06/38, art. 9, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 76, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<W 2014-04-10/73, art. 30, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  (3)<W 2014-05-05/11, art. 107, 195; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 136). Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>
  (4)<W 2016-05-04/03, art. 90,1°, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
  (5)<W 2016-05-04/03, art. 90,2°, 203; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie ook art. 261, zevende en achtste lid)>
  (6)<W 2017-07-06/24, art. 257, 211; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  HOOFDSTUK Ibis. - <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 68; Inwerkingtreding : 01-07-1997> (Eedaflegging van de secretarissen.) <W 1999-04-12/38, art. 10, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>

  Art. 291bis. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 68; Inwerkingtreding : 01-07-1997> (...) <W 1999-04-12/38, art. 11, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
  De hoofdsecretarissen, secretarissen (...) bij de parketten leggen de in het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af in handen, naar gelang van het geval, van de procureur-generaal, (van de federale procureur), van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. <W 2001-06-21/42, art. 30; Inwerkingtreding : 20-07-2001> <W 2007-04-25/64, art. 101, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  (Is de plaats onbezet op het ogenblik van de bekendmaking van de benoeming of de aanwijzing in het Belgisch Staatsblad, dan moet de eed worden afgelegd binnen een maand na die bekendmaking, anders kan de benoeming of de aanwijzing als niet-bestaande worden beschouwd.
  Is de plaats nog bezet op het ogenblik van de bekendmaking van de benoeming of aanwijzing in het Belgisch Staatsblad, dan moet de eed worden afgelegd in de loop van een maand te rekenen van het daadwerkelijk vrij komen van de plaats, anders kan de benoeming of aanwijzing als niet-bestaande worden beschouwd.) <W 2006-06-10/68, art. 44, 140; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  De eed moet worden afgelegd binnen een maand na de kennisgeving van de benoeming; anders mag deze als niet-bestaande worden beschouwd.

  HOOFDSTUK II. - Onverenigbaarheden.

  Eerste afdeling. - Cumulatie van ambten.

  Art. 292. Cumulatie van rechterlijke ambten is verboden, uitgenomen de gevallen die de wet bepaalt.
  Nietig is het vonnis, gewezen door een rechter die vroeger bij het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt kennis genomen heeft van de zaak.

  Art. 293. De ambten van de rechterlijke orde zijn onverenigbaar met de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat, met enige bezoldigde openbare functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met het ambt van notaris of van gerechtsdeurwaarder, met het beroep van advokaat, met de militaire stand en met de geestelijke stand.
  Deze ambten zijn, wanneer ze worden uitgeoefend in een arbeidsgerecht, ook onverenigbaar met ieder ambt in een representatieve organisatie van werknemers, zelfstandigen of werkgevers of in een instelling die deelneemt a