J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 15 uitvoeringbesluiten 11 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/decreet/2014/04/25/2014036510/justel

Titel
25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 20-12-2017) Zie wijziging(en)

Bron : VLAAMSE OVERHEID
Publicatie : 23-10-2014 nummer :   2014036510 bladzijde : 82085   BEELD
Dossiernummer : 2014-04-25/M4
Inwerkingtreding : 23-02-2017

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen
Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities
Art. 1-5
Afdeling 2. - Vergunnings- en meldingsplicht
Art. 6-7
Afdeling 3. - Projectvergadering
Art. 8
Afdeling 4. [1 Aanwijzing gemeentelijke, provinciale en gewestelijke omgevingsambtenaar]1
Art. 9, 9/1, 10
Afdeling 5. - Omgevingsfonds en dossiertaksen
Art. 11-12
Afdeling 6. - Administratieve lus
Art. 13
Afdeling 7. - Rapportage naleving beslissingstermijnen
Art. 14
Afdeling 8. - [1 Digitalisering]1
Art. 14/1
HOOFDSTUK 2. - De vergunningsprocedure in eerste administratieve aanleg
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Onderafdeling 1. - Overheden die bevoegd zijn voor de kennisneming van en de beslissing over de vergunningsaanvraag
Art. 15, 15/1
Onderafdeling 2. - Omgevingsvergunningscommissie
Art. 16
Onderafdeling 3. - Soorten vergunningsprocedures
Art. 17
Afdeling 2. - Gewone vergunningsprocedure
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek
Art. 18-22
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project
Art. 23-27, 27/1, 28-31
Onderafdeling 3. - Beslissing over een vergunningsaanvraag
Art. 32-36
Afdeling 3. - Vereenvoudigde vergunningsprocedure
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek
Art. 37-41
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project
Art. 42-43, 43/1, 44-45
Onderafdeling 3. - Beslissing over een vergunningsaanvraag
Art. 46-50
Onderafdeling 4. - Aanvulling of wijziging van de indelingslijst
Art. 51
HOOFDSTUK 3. - De vergunningsprocedure in laatste administratieve aanleg
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 52-55
Afdeling 2. - Beroepsprocedure
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek
Art. 56-57, 57/1, 58
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project
Art. 59-63, 63/1, 64-65
Onderafdeling 3. - Beslissing over het ingestelde beroep
Art. 66-67
HOOFDSTUK 4. - Duur van de omgevingsvergunning
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 68
Afdeling 2. - Bijzondere bepalingen voor omgevingsvergunningen van bepaalde duur
Onderafdeling 1. - Omgevingsvergunning op proef
Art. 69
Onderafdeling 2. - Hernieuwen van de omgevingsvergunning van bepaalde duur
Art. 70
HOOFDSTUK 5. - Kenmerken van de omgevingsvergunning
Afdeling 1. - Voorwaarden en lasten die verbonden zijn aan de omgevingsvergunning
Onderafdeling 1. - Voorwaarden
Art. 71-73, 73/1, 73/2, 74
Onderafdeling 2. - Lasten
Art. 75-77
Afdeling 2. - Zakelijk karakter
Art. 78-79
Afdeling 3. - Fasering
Art. 80
Afdeling 4. - Regularisatievergunningen
Art. 81
HOOFDSTUK 6. - Het bijstellen van de omgevingsvergunning
Afdeling 1. - Bijstelling van in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden
Art. 82
Afdeling 2. - Bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit
Art. 83
Afdeling 3. - Bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden
Art. 84-86
Afdeling 4. - Procedure voor het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in afdeling 1 en 2, in eerste administratieve aanleg
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek
Art. 87
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het verzoek en het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning
Art. 88
Onderafdeling 3. - Beslissing over het verzoek en het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning
Art. 89
Afdeling 5. - Procedure voor het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in afdeling 1 en 2, in laatste administratieve aanleg
Art. 90
Afdeling 6. - Delegatiebepaling
Art. 91
HOOFDSTUK 7. - Schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning
Afdeling 1. - Schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning voor wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit
Art. 92-96
Afdeling 2. - Opheffing van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden
Art. 97
Afdeling 3. - Delegatiebepaling
Art. 98
HOOFDSTUK 8. - Verval en afstand van de omgevingsvergunning
Afdeling 1. [1 - Verval van de omgevingsvergunning voor de uitvoering van stedenbouwkundige handelingen, de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, kleinhandelsactiviteiten of het wijzigen van de vegetatie]1
Art. 99-101
Afdeling 2. - Verval van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden
Art. 102-103
Afdeling 3. - Afstand van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden
Art. 104
HOOFDSTUK 9. - Beroep tegen beslissingen genomen in laatste administratieve aanleg
Art. 105
HOOFDSTUK 10. - Meldingen
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 106-108
Afdeling 2. - Meldingsprocedure
Art. 109-112
Afdeling 3. - Kenmerken van de melding
Art. 113
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingsbepalingen
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging
Art. 114
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging
Art. 115-120
Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder
Art. 121-122
Afdeling 4. - Wijzigingen van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten
Art. 123-124
Afdeling 5. - Wijzigingen van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer
Art. 125-130
Afdeling 6. - Wijzigingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990
Art. 131-133
Afdeling 7. - Wijzigingen van het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning
Art. 134-135
Afdeling 8. - Wijzigingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Art. 136-220
Afdeling 9. - Wijzigingen van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten
Art. 221
Afdeling 10. - Wijzigingen van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996
Art. 222-223
Afdeling 11. - Wijzigingen van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg
Art. 224
Afdeling 12. - Wijzigingen van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode
Art. 225
Afdeling 13. - Wijzigingen aan het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
Art. 226
Afdeling 14. - Wijzigingen van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending
Art. 227
Afdeling 15. - Wijziging van het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen
Art. 228
Afdeling 16. - Wijzigingen van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid
Art. 229-230
Afdeling 17. - Wijziging van het decreet van 6 februari 2004 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor wat betreft de milieuaudit en tot aanvulling ervan met een titel milieuvoorwaarden
Art. 231
Afdeling 18. - Wijzigingen van het decreet van 30 april 2004 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel "Strategische adviesraad" en tot wijziging van diverse andere decreten
Art. 232
Afdeling 19. - Wijzigingen van het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur
Art. 233
Afdeling 20. - Wijzigingen van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming
Art. 234-248
Afdeling 21. - Wijzigingen van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 249-250
Afdeling 22. - Wijzigingen van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten
Art. 251
Afdeling 23. - Wijzigingen van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies
Art. 252-253
Afdeling 24. - Wijzigingen van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid
Art. 254-265
Afdeling 25. - Wijzigingen van het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen
Art. 266-271
Afdeling 26. - Wijzigingen van het Energiedecreet van 8 mei 2009
Art. 272-282
Afdeling 27. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
Art. 283-363
Afdeling 28. - Wijzigingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen
Art. 364-369
Afdeling 29. - Wijzigingen van het decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders
Art. 370
Afdeling 30. - Wijzigingen van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed
Art. 371-381
Afdeling 31. - Wijzigingen van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges
Art. 382-385
HOOFDSTUK 12. - Slotbepalingen
Afdeling 1. - Opheffingsbepalingen
Art. 386
Afdeling 2. - Overgangsmaatregelen voor vergunningen, meldingen of erkenningen met toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning
Art. 387-390, 390/1, 390/2, 391, 391/1, 392
Afdeling 3. - Overgangsmaatregelen voor vergunningen met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
Art. 393
Afdeling 4. - Overgangsbepalingen met betrekking tot milieueffect- en veiligheidsrapportage
Art. 394
Afdeling 4/1. [1 - Overgangsmaatregelen met betrekking tot gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaren]1
Art. 394/1
Afdeling 5. - Evaluatie, uitvoering en inwerkingtreding
Art. 395-397

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen

  Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities

  Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

  Art. 2.In dit decreet wordt verstaan onder:
  1° betrokken publiek: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon alsook elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden waarbij niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten, geacht worden belanghebbende te zijn;
  2° beveiligde zending: een van de hiernavolgende betekeningswijzen:
  a) een aangetekend schrijven;
  b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
  c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
  3° DABM: het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
  4° definitieve beslissing: een beslissing waartegen geen georganiseerd administratief beroep meer kan worden ingesteld [1 en die, wat betreft het recht tot voortzetting van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit als vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid, en artikel 390, § 6, niet voor een eerste maal geheel of gedeeltelijk vernietigd is door de Raad van Vergunningsbetwistingen en voor zover de beslissingen in eerste en tweede administratieve aanleg de verdere uitbating toelieten. Het recht op verdere exploitatie stopt definitief wanneer de Raad van Vergunningsbetwistingen de schorsing van de vergunning uitspreekt of na een termijn van maximum vijf maand na de eerste uitspraak van de Raad van Vergunningsbetwistingen" toegevoegd;]1;
  5° gemeentelijke projecten: de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen;
  6° meldingsakte: het document waaruit blijkt dat de bevoegde overheid akte heeft genomen van een melding;
  7° omgevingsvergunning: de schriftelijke beslissing van de vergunningverlenende overheid houdende toelating voor een vergunningsplichtig project;
  8° [2 project : het geheel van volgende elementen of minstens één ervan die onderworpen zijn aan de vergunnings- of meldingsplicht, vermeld in artikel 5 :
   a) stedenbouwkundige handelingen;
   b) de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten;
   c) kleinhandelsactiviteiten;
   dan wel het verkavelen van gronden;]2
  [3 d) het wijzigen van de vegetatie;]3
  9° provinciale projecten: de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor de deputatie bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen;
  10° VCRO: de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
  11° Vlaamse projecten: de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor de Vlaamse Regering bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen.
  [2 Tenzij bij dit decreet een andersluidende definitie is bepaald, zijn de volgende definities van toepassing in dit decreet :
   1° de definities, vermeld in artikel 1.1.2 en 4.1.1 van de VCRO;
   2° de definities, vermeld in artikel 5.1.1 en 5.1.2 van het DABM;
   3° de definities, vermeld in artikel 2 van het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.]2
  [4 4° de definities, vermeld in artikel 2 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]4
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 111,1°, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>
  (2)<DVR 2016-07-15/08, art. 34, 012; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  (3)<DVR 2017-12-08/06, art. 111,2°, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  (4)<DVR 2017-12-08/06, art. 111,3°, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 3.[1 Dit decreet beoogt een efficiënte, doelgerichte en geïntegreerde vergunningverlening die bijdraagt tot de doelstellingen, vermeld in :
   1° artikel 1.1.4 van de VCRO;
   2° artikel 5.1.3 van het DABM;
   3° artikel 4 van het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.
  [2 4° artikel 6 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]2
   Dit decreet doet geen afbreuk aan de inhoudelijke verplichtingen die zijn vastgesteld bij of krachtens :
   1° titel IV van de VCRO;
   2° titel V van het DABM;
   3° het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.]1
  [2 4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]2
  Voor projecten die onder de toepassing vallen van een Europese verordening gelden de bepalingen van dit decreet in de mate dat zij een aanvulling vormen op de bepalingen van de toepasselijke verordening.
  ----------
  (1)<DVR 2016-07-15/08, art. 35, 012; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  (2)<DVR 2017-12-08/06, art. 112, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 4. Binnen de perken van de begroting verleent de Vlaamse Regering subsidies aan lokale besturen voor de meerkosten die verband houden met de voorbereiding, organisatie en uitvoering van dit decreet.
  Deze subsidies kunnen aangewend worden voor bijkomende investeringen en voor personeels- en werkingskosten voor de behandeling en de evaluatie van de omgevingsvergunningen.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de toepassing van dit artikel.

  Art. 5.Dit decreet is van toepassing op projecten die zijn onderworpen aan:
  1° de vergunningsplicht, namelijk voor:
  a) het uitvoeren van stedenbouwkundige handelingen als vermeld in artikel 4.2.1 van de VCRO;
  b) het verkavelen van gronden als vermeld in artikel 4.2.15 van de VCRO;
  c) de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of tweede klasse als vermeld in artikel 5.2.1 van het DABM;
  [2 d) vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten als vermeld in artikel 11 van het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid;]2
  [3 e) vergunningsplichtige wijzigingen van de vegetatie, vermeld in artikel 9bis, § 7, en artikel 13, § 4 en § 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]3
  2° de meldingsplicht, namelijk voor:
  a) het uitvoeren van stedenbouwkundige handelingen als vermeld in artikel 4.2.2 [1 en artikel 4.2.4]1 van de VCRO;
  b) de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse als vermeld in artikel 5.2.1 van het DABM.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 113,2°, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>
  (2)<DVR 2016-07-15/08, art. 36, 012; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  (3)<DVR 2017-12-08/06, art. 113,1°, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Afdeling 2. - Vergunnings- en meldingsplicht

  Art. 6. Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning een project dat bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, is onderworpen aan vergunningsplicht uitvoeren, exploiteren, verkavelen of een vergunningsplichtige verandering eraan doen.
  Niemand mag zonder voorafgaande meldingsakte een project dat bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, is onderworpen aan meldingsplicht uitvoeren, exploiteren of een meldingsplichtige verandering eraan doen.

  Art. 7. Met behoud van de toepassing van artikel 5.2.1, § 3 en § 4, van het DABM, geldt de omgevingsvergunning als aktename voor het deel van het project dat meldingsplichtig is, als het project zowel aan de meldings- als aan de vergunningsplicht wordt onderworpen.

  Afdeling 3. - Projectvergadering

  Art. 8. De initiatiefnemer kan ter voorbereiding van een vergunningsaanvraag, als een realistische projectstudie voorhanden is, de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, verzoeken een projectvergadering te organiseren met de adviesinstanties, aangewezen met toepassing van artikel 24.
  De projectvergadering beoogt de procedurele afstemming tussen de betrokken overheden en de bespreking van de eventueel nodig of nuttig geachte projectbijsturingen.
  De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan op eigen initiatief of op verzoek van de initiatiefnemer, derde belanghebbenden uitnodigen op een projectvergadering.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake de projectvergadering en kan hierbij het toepassingsgebied beperken.

  Afdeling 4. [1 Aanwijzing gemeentelijke, provinciale en gewestelijke omgevingsambtenaar]1
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 114, 011; Inwerkingtreding : 04-05-2018>

  Art. 9. § 1. Iedere gemeente wijst bij gemeenteraadsbeslissing minimaal één gemeentelijke omgevingsambtenaar aan. De gemeente kan daarvoor een beroep doen op [1 eigen personeel of op personeel van een intergemeentelijk samenwerkingsverband]1.
  De gemeente zorgt ervoor dat de aangestelde ambtenaar of ambtenaren gezamenlijk voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu in zich verenigen. De Vlaamse Regering kan de kwaliteitseisen vastleggen waaruit deze kennis blijkt.
  § 2. De gemeentelijke omgevingsambtenaar oefent de taken, vermeld in dit decreet, onafhankelijk en neutraal uit. Hij mag geen nadeel ondervinden van de uitoefening hiervan.
  § 3. Als er geen gemeentelijke omgevingsambtenaar binnen [1 de gemeente of het intergemeentelijk samenwerkingsverband]1 beschikbaar is, oefent de gemeentesecretaris [1 voor een periode van maximum 12 maanden]1 de taken van de gemeentelijke omgevingsambtenaar uit of wijst hij een waarnemende gemeentelijke omgevingsambtenaar aan die de taken van de gemeentelijke omgevingsambtenaar uitoefent.
  § 4. Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering financiële of andere ondersteuning verlenen aan de gemeenten voor de opleiding en loonkosten van de gemeentelijke omgevingsambtenaar.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 129, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Art. 9/1. [1 Iedere provincie wijst bij provincieraadsbeslissing minimaal één provinciale omgevingsambtenaar aan.
   De provincie zorgt ervoor dat de aangestelde personeelsleden gezamenlijk voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu in zich verenigen. De Vlaamse Regering kan de kwaliteitseisen vastleggen waaruit deze kennis blijkt.
   De provinciale omgevingsambtenaar oefent de taken, vermeld in dit decreet, onafhankelijk en neutraal uit. Hij mag geen nadeel ondervinden van de uitoefening hiervan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2017-12-08/06, art. 115, 011; Inwerkingtreding : 04-05-2018>
  

  Art. 10. De Vlaamse Regering wijst een of meer gewestelijke omgevingsambtenaren aan.
  De Vlaamse Regering zorgt ervoor dat de aangestelde ambtenaar of ambtenaren gezamenlijk voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu in zich verenigen. De Vlaamse Regering kan de kwaliteitseisen vastleggen waaruit deze kennis blijkt.
  De gewestelijke omgevingsambtenaar oefent de taken, vermeld in dit decreet, onafhankelijk en neutraal uit. Hij mag geen nadeel ondervinden van de uitoefening hiervan.

  Afdeling 5. - Omgevingsfonds en dossiertaksen

  Art. 11. § 1. Er wordt een Omgevingsfonds opgericht. Het Omgevingsfonds is een begrotingsfonds in de zin van de bepalingen van artikel 12 van het Rekendecreet van 8 juli 2011.
  § 2. De middelen waarover het Omgevingsfonds beschikt zijn:
  1° het per 31 december van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar beschikbare saldo van het Omgevingsfonds;
  2° alle ontvangsten voortvloeiend uit de toepassing van dit decreet;
  3° andere middelen aan het fonds toegewezen krachtens wettelijke en decretale bepalingen.
  § 3. De middelen van het Omgevingsfonds worden aangewend voor beleidskosten die verband houden met de voorbereiding, organisatie en uitvoering van dit decreet.
  § 4. De Vlaamse Regering beheert het Omgevingsfonds.
  Ze stelt de nodige administratieve en logistieke ondersteuning ter beschikking van het Omgevingsfonds en kan, overeenkomstig de geldende regels, sommige van haar bevoegdheden delegeren aan de leidend ambtenaar die ze daartoe aanwijst.
  § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de organieke regels die van toepassing zijn op het financiële en materiële beheer van het Omgevingsfonds.

  Art. 12. § 1. Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon is een dossiertaks verschuldigd in de volgende gevallen:
  1° bij het indienen van een vergunningsaanvraag in eerste aanleg bij de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar;
  2° bij het indienen van een beroep tegen een beslissing in eerste aanleg over een aanvraag tot omgevingsvergunning, behalve in geval van een beroep tegen een stilzwijgende weigering;
  3° bij het indienen van een beroep tegen een beslissing in eerste aanleg over een verzoek tot bijstelling, behalve in geval van een beroep tegen een stilzwijgende weigering.
  De beroepsindieners, vermeld in artikel 53, 3° tot en met 6°, zijn geen dossiertaks verschuldigd.
  § 2. De dossiertaks bedraagt:
  1° in het geval van een aanvraag, vermeld in paragraaf 1, 1°, die behandeld wordt overeenkomstig de gewone procedure: 500 euro;
  2° in alle andere in paragraaf 1 bedoelde gevallen: 100 euro.
  § 3. De dossiertaks wordt gestort op de volgende rekening:
  1° de rekening van de provincie, als het een beroep bij de deputatie betreft;
  2° de rekening van het Omgevingsfonds, als het een aanvraag of beroep bij de Vlaamse Regering betreft.
  § 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake de dossiertaks.

  Afdeling 6. - Administratieve lus

  Art. 13. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 of artikel 52, vaststelt dat een onregelmatigheid die kan leiden tot een vernietiging van de beslissing, is begaan, kan ze de onregelmatigheid herstellen.
  De bevoegde overheid kan in voorkomend geval:
  1° een nieuw openbaar onderzoek organiseren;
  2° het advies van de omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, of de adviezen, vermeld in artikel 24, artikel 42 of artikel 59, alsnog, dan wel een tweede keer inwinnen.

  Afdeling 7. - Rapportage naleving beslissingstermijnen

  Art. 14. De vergunningverlenende overheden rapporteren jaarlijks via de Vlaamse Regering aan het Vlaams Parlement over de naleving van de beslissingstermijnen voor vergunningsaanvragen, vermeld in dit decreet.
  De rapportage door de gemeenten en de provincies gebeurt via de Vlaamse Regering volgens het model en op de wijze die door haar worden bepaald.
  De rapportage heeft betrekking op vergunningsaanvragen die ingediend werden in het kalenderjaar dat zich situeert twee jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin wordt gerapporteerd.

  Afdeling 8. - [1 Digitalisering]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-12-18/24, art. 127, 003; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  

  Art. 14/1.[1 De procedures, vermeld in dit decreet, en de procedures die door dit decreet in andere decreten gewijzigd of ingevoerd worden, kunnen geheel of gedeeltelijk digitaal verlopen, conform de regels die de Vlaamse Regering bepaalt.
   [2 De volgende aanvragen, verzoeken of ambtshalve initiatieven of meldingen worden digitaal ingediend: aanvragen, verzoeken of ambtshalve initiatieven of meldingen met betrekking tot:
   1° Vlaamse projecten;
   2° provinciale projecten;
   3° projecten die niet zijn vrijgesteld van de medewerking van een architect;
   4° de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse, als vermeld in artikel 5.2.1 van het DABM;
   5° het verkavelen van gronden;
   6° het bijstellen van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, als deze bijstelling een wijziging van de kavelgrenzen inhoudt.
   In afwijking van het tweede lid mogen deze aanvragen analoog of digitaal worden ingediend als deze met toepassing van de geldende taalwetgeving in het Frans mogen worden ingediend.
   Als de bevoegde overheid vaststelt dat bepaalde stukken van een analoog ingediende aanvraag, verzoek, melding of administratief beroep digitaal zijn opgesteld, dan kan zij de aanvrager, verzoeker, melder of beroepsindiener verzoeken deze stukken digitaal te bezorgen. Dezen gaan onverwijld op een dergelijk verzoek in.
   De Vlaamse Regering kan de lijst, opgenomen in het tweede lid, wijzigen. Zij kan ook nadere regels uitwerken in geval van onbeschikbaarheid wegens technische storingen van het door Vlaanderen ter beschikking gestelde digitaal systeem, en hierbij de termijnen van de procedures, vermeld in dit decreet, opschorten of verlengen voor de duur van de technische storingen.]2 ]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij DVR 2015-12-18/24, art. 128, 003; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<DVR 2017-02-03/01, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  HOOFDSTUK 2. - De vergunningsprocedure in eerste administratieve aanleg

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Onderafdeling 1. - Overheden die bevoegd zijn voor de kennisneming van en de beslissing over de vergunningsaanvraag

  Art. 15.[1 § 1.]1 De Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar is in eerste administratieve aanleg bevoegd voor de volgende aanvragen van [1 ...]1:
  1° de Vlaamse projecten;
  2° de projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten als vermeld in artikel 5.1.1, 10°, van het DABM over twee of meer provincies.
  De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen de gewestelijke omgevingsambtenaar over de vergunningsaanvraag kan beslissen.
  De deputatie is voor haar ambtsgebied in eerste administratieve aanleg bevoegd voor de volgende aanvragen van [1 ...]1:
  1° de provinciale projecten;
  2° de projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten als vermeld in artikel 5.1.1, 10°, van het DABM over twee of meer gemeenten in hun provincie;
  3° de projecten die in de eerste klasse ingedeelde inrichtingen of activiteiten omvatten die noch een Vlaams noch een gemeentelijk project of een onderdeel van een van beide zijn.
  Het college van burgemeester en schepenen is voor zijn ambtsgebied in eerste administratieve aanleg bevoegd voor volgende aanvragen van [1 ...]1:
  1° de gemeentelijke projecten;
  2° andere gevallen dan deze waarvoor de Vlaamse Regering of de deputatie bevoegd is.
  [1 § 2. [2 Van een vergunningsaanvraag voor de verandering van een ingedeelde inrichting of activiteit, met uitzondering van de splitsing van een ingedeelde inrichting of activiteit, wordt kennisgenomen en wordt er een beslissing genomen door de overheid die overeenkomstig paragraaf 1 bevoegd is voor het project waartoe de ingedeelde inrichting of activiteit behoort na verandering.
   Van een vergunningsaanvraag voor de splitsing van een ingedeelde inrichting of activiteit wordt kennisgenomen en wordt er een beslissing genomen door de overheid die overeenkomstig paragraaf 1 bevoegd is voor het project waartoe de ingedeelde inrichting of activiteit behoort voor de splitsing.]2
   In afwijking van het eerste lid wordt van de vergunningsaanvraag die uitsluitend het slopen van een project of het herstel van de terreinen in hun oorspronkelijke staat en de daarvoor noodzakelijke exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit als voorwerp heeft, kennisgenomen en er wordt een beslissing over genomen door de overheid die overeenkomstig paragraaf 1 en 3, eerste lid, bevoegd is voor het project.
   § 3. [2 Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 wordt als project beschouwd het geheel dat een bouwtechnisch en functioneel geheel vormt en waarbij in voorkomend geval de exploitatie een samenhangend technisch geheel vormt.
   Een bedrijfswoning vormt samen met de bijhorende bedrijfsgebouwen één project.]2
   § 4. De verandering van meerdere op zichzelf staande projecten, [2 ...]2 kan als een gezamenlijk project worden aangevraagd.
   Van de vergunningsaanvraag, vermeld in het eerste lid, wordt kennisgenomen en er wordt een beslissing over genomen door de overheid die overeenkomstig paragraaf 1 bevoegd is voor de totaliteit van het project.
   § 5. Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig de paragrafen 1, 2 of 4 het college van burgemeester en schepenen bevoegd is, is evenwel de deputatie bevoegd als het project of het project na verandering gelegen is op het grondgebied van twee of meer gemeenten.
   § 6. Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig paragrafen 1, 2, 4 of 5 het college van burgemeester en schepenen dan wel de deputatie bevoegd is, is evenwel de Vlaamse Regering bevoegd als het project of het project na verandering gelegen is op het grondgebied van twee of meer provincies.
   § 7. De vergunningsaanvraag die zowel betrekking heeft op de hernieuwing van de vergunning van bepaalde duur voor een project of voor een deel van een project als op de verandering ervan wordt ingediend bij de overheid die conform paragraaf 2 tot en met 6 bevoegd is.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 130, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>
  (2)<DVR 2017-12-08/06, art. 116, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Art. 15/1. [1 Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig artikel 15 het college van burgemeester en schepenen bevoegd is, is evenwel de deputatie bevoegd als voldaan is aan volgende twee voorwaarden:
   1° voor het project moet een milieueffectrapport worden opgesteld en is er geen ontheffing van de rapportageverplichting verkregen;
   2° het college van burgemeester en schepenen is initiatiefnemer en aanvrager van het project.
   Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig artikel 15 de deputatie bevoegd is, is evenwel de Vlaamse Regering bevoegd als voldaan is aan volgende twee voorwaarden:
   1° voor het project moet een milieueffectrapport worden opgesteld en is er geen ontheffing van de rapportageverplichting verkregen;
   2° de deputatie is initiatiefnemer en aanvrager van het project.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2016-12-23/58, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 23-02-2017>
  

  Onderafdeling 2. - Omgevingsvergunningscommissie

  Art. 16. § 1. In iedere provincie wordt een provinciale omgevingsvergunningscommissie opgericht die het college van burgemeester en schepenen en de deputatie advies verleent in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald.
  Er wordt een gewestelijke omgevingsvergunningscommissie opgericht die de Vlaamse Regering advies verleent in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald.
  § 2. De commissies zijn samengesteld uit een voorzitter, een secretaris, deskundigen en vertegenwoordigers van de instanties die bevoegd zijn om advies te geven. Het betrokken college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar maakt deel uit van de commissies met raadgevende stem behalve als de te behandelen aanvraag of het te behandelen beroep van het college uitgaat.
  De deputatie en de Vlaamse Regering wijzen de voorzitter, de secretaris en de deskundigen aan die in de provinciale respectievelijk de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie zetelen.
  De provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie beschikken elk over een permanent secretariaat.
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de samenstelling en de werking van de provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie.

  Onderafdeling 3. - Soorten vergunningsprocedures

  Art. 17. § 1. Er bestaan twee onderscheiden procedures voor het verlenen van de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg, namelijk:
  1° de gewone vergunningsprocedure, vermeld in afdeling 2;
  2° de vereenvoudigde vergunningsprocedure, vermeld in afdeling 3.
  § 2. De vereenvoudigde vergunningsprocedure is van toepassing voor:
  1° een beperkte verandering van een vergund project;
  2° een project dat uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvat als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van het DABM;
  3° de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, tenzij de wijziging of aanvulling van de indelingslijst tot gevolg heeft dat een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport moet worden opgesteld of een passende beoordeling moet worden uitgevoerd;
  4° de types van projecten die door de Vlaamse Regering worden aangewezen.
  De Vlaamse Regering bepaalt de criteria waaronder de vergunningverlenende overheid vaststelt dat een verandering van een vergund project beperkt is als vermeld in het eerste lid, 1°.
  § 3. De vereenvoudigde vergunningsprocedure is niet van toepassing voor projecten waarvoor de vergunningsaanvraag minstens een van de volgende bijlagen moet omvatten:
  1° een milieueffectrapport;
  2° een veiligheidsrapport;
  3° een passende beoordeling als vermeld in artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

  Afdeling 2. - Gewone vergunningsprocedure

  Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek

  Art. 18.De vergunningsaanvraag wordt per beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15.
  [2 Als het project elementen bevat die onderworpen zijn aan meerdere vergunningsplichten, bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, en die aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, wordt de vergunningsaanvraag ingediend voor de betrokken aspecten gezamenlijk.]2
  [1 De verplichting tot gezamenlijke indiening, vermeld in het tweede lid, geldt niet voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een project enerzijds, en voor het aanvragen van een omgevingsvergunning die alleen nodig is tijdens de uitvoeringsfase van het project anderzijds. Als voor het project een milieueffect-rapport moet worden opgesteld en het milieueffectrapport relevante uitspraken doet over de uitvoeringswijze, wordt gestreefd naar een gezamenlijke indiening voor wat betreft de aspecten die in het milieueffectrapport worden behandeld.]1
  De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de vergunningsaanvraag.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 117, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>
  (2)<DVR 2016-07-15/08, art. 37, 012; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 19.De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]1 onderzoekt de vergunningsaanvraag op haar ontvankelijkheid en volledigheid.
  Als de vergunningsaanvraag onvolledig is, kan de bevoegde overheid, [1 de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 de vergunningsaanvrager per beveiligde zending vragen om de ontbrekende gegevens of documenten aan de aanvraag toe te voegen en de termijn bepalen waarbinnen dit moet gebeuren.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 118, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 20.Als met toepassing van artikel 4.3.3, § 2, van het DABM bij de vergunningsaanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota is gevoegd, onderzoekt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]1 die nota en beslist of er over het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld.
  [1 Als de aanvraag door de bevoegde overheid zelf wordt ingediend, dan verricht de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar de in het eerste lid vermelde taken.]1
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 119, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 21. Het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 19 en 20, wordt bij beveiligde zending aan de aanvrager meegedeeld binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten.
  De beslissing dat er voor het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag en de stopzetting van de vergunningsprocedure tot gevolg.
  [1 Als het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 20, niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, aan de indiener van de vergunningsaanvraag is verzonden, doet de bevoegde vergunningverlenende overheid binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten uitdrukkelijk uitspraak of er een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Als zij beslist dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld verklaart zij de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp en wordt de procedure stopgezet.
   Tegen de beslissing dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld, de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp is en tegen de stopzetting van de procedure kan geen administratief beroep als vermeld in hoofdstuk 3 worden ingesteld.]1
  Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 20, beslist dat er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, kan de aanvrager een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het DABM. De beslissing van de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.3.3, § 6, van hetzelfde decreet, is bindend voor de bevoegde overheid, vermeld in artikel 20.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 131, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Art. 22. Als de overheid waarbij de vergunningsaanvraag is ingediend, vaststelt dat ze niet bevoegd is voor de aanvraag, stuurt ze die aanvraag onmiddellijk door naar de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15. De overheid waarbij de vergunningsaanvraag is ingediend, brengt de aanvrager er tegelijkertijd van op de hoogte dat de aanvraag is doorgestuurd. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, behandelt vervolgens de vergunningsaanvraag.
  Voor de toepassing van dit decreet geldt de datum waarop de overheid de vergunningsaanvraag doorstuurt naar de bevoegde overheid als de datum waarop de aanvraag is ingediend.

  Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project

  Art. 23. Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd over de vergunningsaanvraag.
  Gedurende het openbaar onderzoek kan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon zijn standpunten, opmerkingen en bezwaren indienen.
  [1 Als de vergunningsaanvraag een milieueffectrapport of omgevingsveiligheidsrapport over een project omvat, behandelt het openbaar onderzoek ook de inhoud van dat rapport, tenzij dit rapport al goedgekeurd en nog actueel is.]1
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de organisatie van het openbaar onderzoek. Ze kan de vergunningsaanvragen bepalen waarvoor het openbaar onderzoek een informatievergadering omvat alsook de nadere regels voor de organisatie van die informatievergadering.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 132, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Art. 24. De Vlaamse Regering wijst de adviesinstanties aan die over een vergunningsaanvraag advies verlenen.
  Het advies van het college van burgemeester en schepenen of van de gemeentelijke omgevingsambtenaar op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft, wordt altijd ingewonnen als de deputatie of de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is tenzij:
  1° de aanvraag ingediend is door het betrokken college;
  2° de aanvraag louter betrekking heeft op mobiele of verplaatsbare ingedeelde inrichtingen of activiteiten.

  Art. 25.In de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt, vraagt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde.]1 het advies van de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1. De provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie vraagt de adviesinstanties, vermeld in artikel 24, eerste lid, en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 24, tweede lid, om advies.
  Als er geen advies van een omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, vereist is, vraagt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde.]1 de adviesinstanties en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 24, om advies.
  Als met toepassing van het eerste lid, een advies van een omgevingsvergunningscommissie als vermeld in artikel 16, § 1, vereist is, verlenen de adviesinstanties en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 24, hun advies aan de omgevingsvergunningscommissie. Die commissie verleent een geïntegreerd advies.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 120, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 26. De Vlaamse Regering stelt de adviestermijnen vast en kan de elementen bepalen waarop de adviezen moeten ingaan.
  Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.

  Art. 27. De vergunningsaanvrager kan vragen om door de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie gehoord te worden.

  Art. 27/1. [1 Als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter, gelegen op een afstand van minder dan twintig kilometer van een ander gewest of van verschillende andere gewesten, en het college van burgemeester en schepenen of de deputatie de bevoegde overheid is, dan brengt de gemeentelijke of provinciale omgevingsambtenaar de Vlaamse Regering hiervan met een beveiligde zending op de hoogte, met het oog op de vervulling van de verplichtingen, opgenomen in artikel 6, § 5bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2016-07-15/08, art. 38, 012; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  

  Art. 28. [1 Tenzij het milieueffectrapport of het omgevingsveiligheidsrapport al goedgekeurd en nog actueel is, maakt de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage haar beslissing over de goedkeuring of afkeuring van dit rapport bekend met toepassing van artikel 4.3.8, § 3, en artikel 4.5.7, § 3, van het DABM.]1
  Als de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage het milieueffectrapport of omgevingsveiligheidsrapport afkeurt, dan wordt de vergunningsprocedure van rechtswege stopgezet.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 133, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Art. 29.[1 § 1.]1 Als het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is, [1 en geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is]1 maakt de gemeentelijke omgevingsambtenaar voor elke beslissing over een vergunningsaanvraag een verslag op, dat deel uitmaakt van het vergunningendossier. Het verslag toetst de aanvraag [3 , in voorkomend geval,]3 aan de beoordelingsgronden [3 bepaald bij of krachtens :
   1° titel IV van de VCRO;
   2° titel V van het DABM;
   3° het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid]3.
  [4 4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;]4 Het verslag omvat in voorkomend geval een voorstel van antwoord op de tijdens het eventuele openbaar onderzoek ingediende standpunten, opmerkingen en bezwaren.
  [2 De gemeentelijke omgevingsambtenaar stelt dit verslag ter beschikking van het college van burgemeester en schepenen uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde beslissingstermijn. Het college van burgemeester en schepenen geeft in haar motivering van de beslissing aan op welke wijze rekening wordt gehouden met het verslag. Als geen verslag wordt uitgebracht binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, kan het college van burgemeester en schepenen aan de vereiste van een verslag voorbijgaan.]2
  [5 § 2. Paragraaf 1 is van overeenkomstige toepassing op de deputatie en de provinciale omgevingsambtenaar.]5
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 121,1°,2°, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>
  (2)<DVR 2017-12-08/06, art. 121,4°, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>
  (3)<DVR 2016-07-15/08, art. 39, 012; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  (4)<DVR 2017-12-08/06, art. 121,3°, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  (5)<DVR 2017-12-08/06, art. 121,5°, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 30.[1 Na het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 23, kan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, op verzoek van de vergunningsaanvrager, toestaan dat er wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht.
   Het verzoek van de vergunningsaanvrager stelt de bevoegde overheid in staat om te oordelen of de wijzigingen geen afbreuk doen aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening.
   Als de bevoegde overheid toestaat dat er wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht, dan wordt een openbaar onderzoek over de gewijzigde vergunningsaanvraag georganiseerd als voldaan is aan een van volgende voorwaarden:
   1° de wijzigingen komen niet tegemoet aan de adviezen of aan de standpunten, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend;
   2° de wijzigingen brengen kennelijk een schending van de rechten van derden met zich mee.
   Als een openbaar onderzoek wordt georganiseerd over de gewijzigde vergunningsaanvraag, wint de bevoegde overheid, in voorkomend geval, het advies van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, of de adviezen, vermeld in artikel 24, alsnog, dan wel een tweede keer in.]1
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 122, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Art. 31. Als de vergunningsaanvraag wegenwerken omvat waarover de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid heeft en de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, oordeelt dat de omgevingsvergunning kan worden verleend, neemt de gemeenteraad een beslissing over de zaak van de wegen voor de bevoegde overheid een beslissing neemt over de aanvraag.
  Als dat nodig is, roept de provinciegouverneur op verzoek van de deputatie respectievelijk de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar, de gemeenteraad samen. De gemeenteraad neemt een beslissing over de zaak van de wegen en deelt die beslissing mee binnen een termijn van zestig dagen vanaf de samenroeping door de provinciegouverneur.

  Onderafdeling 3. - Beslissing over een vergunningsaanvraag

  Art. 32.§ 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt een beslissing over een vergunningsaanvraag binnen een termijn van:
  1° honderdenvijf dagen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
  2° honderdtwintig dagen als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.
  § 2. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, worden van rechtswege eenmalig met zestig dagen verlengd in de volgende gevallen:
  1° als met toepassing van artikel 30, derde lid, een openbaar onderzoek georganiseerd wordt;
  2° als toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13;
  3° als de vergunningsaanvraag wegenwerken omvat waarover de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid heeft.
  De mededeling van de termijnverlenging wordt aan de aanvrager verzonden vóór de einddatum van de normale beslissingstermijn.
  § 3. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, gaan altijd in op de dag na de datum dat de vergunningsaanvraag ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop de aanvraag is ingediend [2 hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten]2.
  § 4. Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn geweigerd.
  In afwijking van het eerste lid, worden de termijnen, vermeld in paragraaf 1, als termijnen van orde beschouwd als de vergunningsaanvraag het gevolg is van een wijziging of aanvulling van de indelingslijst waardoor een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport moet worden opgesteld of een passende beoordeling moet worden uitgevoerd. In voorkomend geval mag de exploitatie worden voortgezet tot een definitieve beslissing wordt genomen over de vergunningsaanvraag.
  [1 § 5. De bevoegde overheid kan over een vergunningsaanvraag als vermeld in artikel 5.4.1 en 5.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, waarbij een archeologienota die is ingediend ter bekrachtiging werd toegevoegd bij de aanvraag, maar een beslissing nemen als de bekrachtigde archeologienota is bezorgd. Als er geen bekrachtigde archeologienota is bezorgd voor het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, dan moet de omgevingsvergunning worden geweigerd.]1
  ----------
  (1)<DVR 2017-07-07/05, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  (2)<DVR 2017-12-08/06, art. 123, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Art. 33. De beslissing, vermeld in artikel 32, vermeldt de lasten en voorwaarden, met inbegrip van de bijzondere milieuvoorwaarden, die op het project van toepassing zijn. Voor de algemene en sectorale milieuvoorwaarden volstaat een verwijzing naar de regelgeving in kwestie.
  Als de omgevingsvergunning voor een bepaalde duur wordt verleend, vermeldt de beslissing de duur van de vergunning en de reden daarvoor.
  [1 Als een omgevingsvergunning betrekking heeft op de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project, geeft de beslissing de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten weer.]1 De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld.De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 134, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Art. 34. Met behoud van de toepassing van artikel 5.2.1, § 3 en § 4, van het DABM wordt de aktename van de melding in de beslissing geacht zonder voorwerp te zijn als een project bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, onderworpen is aan zowel de meldings- als de vergunningsplicht en de omgevingsvergunning uitdrukkelijk of stilzwijgend wordt geweigerd.

  Art. 35. Van een omgevingsvergunning mag gebruik worden gemaakt als de aanvrager niet binnen een termijn van vijfendertig dagen die ingaat na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep als vermeld in artikel 52.
  De aanvrager mag onmiddellijk gebruikmaken van de omgevingsvergunning:
  1° in de gevallen, vermeld in artikel 55, tweede lid;
  2° als de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de omgevingsvergunning verleend heeft.

  Art. 36. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de gewone vergunningsprocedure met inbegrip van de bekendmaking van de beslissing.

  Afdeling 3. - Vereenvoudigde vergunningsprocedure

  Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek

  Art. 37.De vergunningsaanvraag wordt per beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15.
  [2 Als het project elementen bevat die onderworpen zijn aan meerdere vergunningsplichten, bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, en die aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, wordt de vergunningsaanvraag ingediend voor de betrokken aspecten gezamenlijk.]2
  [1 De verplichting tot gezamenlijke indiening, vermeld in het tweede lid, geldt niet voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een project enerzijds, en voor het aanvragen van een omgevingsvergunning die enkel nodig is tijdens de uitvoeringsfase van het project anderzijds.]1
  De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de vergunningsaanvraag.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 124, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>
  (2)<DVR 2016-07-15/08, art. 40, 012; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 38.De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]1 onderzoekt de vergunningsaanvraag op haar ontvankelijkheid en volledigheid.
  Als de vergunningsaanvraag onvolledig is, kan de bevoegde overheid, [1 de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 de vergunningsaanvrager per beveiligde zending vragen om de ontbrekende gegevens of documenten aan de aanvraag toe te voegen en de termijn bepalen waarbinnen dit moet gebeuren.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 125, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 39.Als met toepassing van artikel 4.3.3, § 2, van het DABM bij de vergunningsaanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota is gevoegd, onderzoekt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]1 die nota en beslist of er over het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld.
  [1 Als de aanvraag door de bevoegde overheid zelf wordt ingediend, dan verricht de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar de in het eerste lid vermelde taken.]1
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 126, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 40.Het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 38 en 39, wordt bij beveiligde zending aan de aanvrager meegedeeld binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten.
  De beslissing dat er voor het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag en de stopzetting van de vergunningsprocedure tot gevolg.
  [1 Als het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 39, niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, aan de indiener van de vergunningsaanvraag is verzonden, doet de bevoegde vergunningverlenende overheid binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten uitdrukkelijk uitspraak of er een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Als zij beslist dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld verklaart zij de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp en wordt de procedure stopgezet.
   Tegen de beslissing dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld, de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp is en tegen de stopzetting van de procedure kan geen administratief beroep als vermeld in hoofdstuk 3 worden ingesteld.]1
  Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [2 of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]2, beslist dat er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, kan de aanvrager een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het DABM. De beslissing van de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.3.3, § 6, van hetzelfde decreet, is bindend voor de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [2 of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]2.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 135, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>
  (2)<DVR 2017-12-08/06, art. 127, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 41. Als de overheid waarbij de vergunningsaanvraag is ingediend, vaststelt dat ze niet bevoegd is voor de aanvraag, stuurt ze die aanvraag onmiddellijk door naar de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15. De overheid waarbij de vergunningsaanvraag is ingediend, brengt de aanvrager er tegelijkertijd van op de hoogte dat de aanvraag is doorgestuurd. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, behandelt vervolgens de vergunningsaanvraag.
  Voor de toepassing van dit decreet geldt de datum waarop de overheid de vergunningsaanvraag doorstuurt naar de bevoegde overheid als de datum waarop de aanvraag is ingediend.

  Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project

  Art. 42.De Vlaamse Regering wijst de adviesinstanties aan die over een vergunningsaanvraag advies verlenen.
  Het advies van het college van burgemeester en schepenen op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft of van de gemeentelijke omgevingsambtenaar wordt altijd ingewonnen als de deputatie of de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is tenzij de aanvraag ingediend is door het betrokken college.
  De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 vraagt de instanties, vermeld in het eerste lid, om advies.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 128, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 43. De Vlaamse Regering stelt de adviestermijnen vast en kan de elementen bepalen waarop de adviezen moeten ingaan.
  Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.

  Art. 43/1. [1 Als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter, gelegen op een afstand van minder dan twintig kilometer van een ander gewest of van verschillende andere gewesten, en het college van burgemeester en schepenen of de deputatie de bevoegde overheid is, dan brengt de gemeentelijke of provinciale omgevingsambtenaar de Vlaamse Regering hiervan met een beveiligde zending op de hoogte, met het oog op de vervulling van de verplichtingen, opgenomen in artikel 6, § 5bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2016-07-15/08, art. 41, 012; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  

  Art. 44.[1 § 1.]1 Als het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is, maakt de gemeentelijke omgevingsambtenaar voor elke beslissing over een vergunningsaanvraag een verslag op, dat deel uitmaakt van het vergunningendossier. Het verslag toetst de aanvraag [3 , in voorkomend geval,]3 aan de beoordelingsgronden, [3 bepaald bij of krachtens :
   1° titel IV van de VCRO;
   2° titel V van het DABM;
   3° het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid]3.
  [4 4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]4
  [2 De gemeentelijke omgevingsambtenaar stelt dit verslag ter beschikking van het college van burgemeester en schepenen uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde beslissingstermijn. Het college van burgemeester en schepenen geeft in haar motivering van de beslissing aan op welke wijze rekening wordt gehouden met het verslag. Als geen verslag wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, kan het college van burgemeester en schepenen aan de vereiste van een verslag voorbijgaan.]2
  [5 § 2. Paragraaf 1 is van overeenkomstige toepassing op de deputatie en de provinciale omgevingsambtenaar.]5
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 129,1°, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>
  (2)<DVR 2017-12-08/06, art. 129,3°, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>
  (3)<DVR 2016-07-15/08, art. 42, 012; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  (4)<DVR 2017-12-08/06, art. 129,2°, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  (5)<DVR 2017-12-08/06, art. 129,4°, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 45.[1 De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan, op verzoek van de vergunningsaanvrager, toestaan dat er wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht.
   Wijzigingen aan de vergunningsaanvraag kunnen worden toegestaan als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
   1° de wijzigingen doen geen afbreuk aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening;
   2° de wijzigingen hebben niet tot gevolg dat een openbaar onderzoek over de gewijzigde aanvraag zou dienen te worden georganiseerd.]1
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 130, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Onderafdeling 3. - Beslissing over een vergunningsaanvraag

  Art. 46.§ 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt een beslissing over een vergunningsaanvraag binnen een termijn van zestig dagen.
  De termijn gaat altijd in op de dag na de datum dat de vergunningsaanvraag ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop de aanvraag is ingediend [2 hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten]2.
  § 2. Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde termijn, wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn geweigerd.
  [1 § 3. De bevoegde overheid kan over een vergunningsaanvraag als vermeld in artikel 5.4.1 en 5.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, waarbij een archeologienota die is ingediend ter bekrachtiging werd toegevoegd bij de aanvraag, maar een beslissing nemen als de bekrachtigde archeologienota is bezorgd. Als er geen bekrachtigde archeologienota is bezorgd voor het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, dan moet de omgevingsvergunning worden geweigerd.]1
  ----------
  (1)<DVR 2017-07-07/05, art. 8, 009; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  (2)<DVR 2017-12-08/06, art. 131, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Art. 47. De beslissing, vermeld in artikel 46, vermeldt de lasten en voorwaarden, met inbegrip van de bijzondere milieuvoorwaarden, die op het project van toepassing zijn. Voor de algemene en sectorale milieuvoorwaarden volstaat een verwijzing naar de regelgeving in kwestie.
  Als de omgevingsvergunning voor een bepaalde duur wordt verleend, vermeldt de beslissing de duur van de vergunning en de reden daarvoor.
  [1 Als een omgevingsvergunning betrekking heeft op de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project, geeft de beslissing de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten weer.]1. De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld.De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 136, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Art. 48. Met behoud van de toepassing van artikel 5.2.1, § 3 en § 4, van het DABM, wordt de aktename van de melding in de beslissing geacht zonder voorwerp te zijn als een project bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, onderworpen is aan zowel de meldings- als de vergunningsplicht en de omgevingsvergunning uitdrukkelijk of stilzwijgend wordt geweigerd.

  Art. 49. Van een omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep als vermeld in artikel 52.
  De aanvrager mag onmiddellijk gebruikmaken van de omgevingsvergunning:
  1° in de gevallen, vermeld in artikel 55, tweede lid;
  2° als de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de omgevingsvergunning verleend heeft.

  Art. 50. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de vereenvoudigde vergunningsprocedure, met inbegrip van de bekendmaking van de beslissing.

  Onderafdeling 4. - Aanvulling of wijziging van de indelingslijst

  Art. 51. De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, deelt het bestaan van de exploitatie mee aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag na de datum van de inwerkingtreding van die aanvulling of wijziging.
  De termijn van zestig dagen, vermeld in artikel 46, wordt voor de projecten, vermeld in het eerste lid, als een termijn van orde beschouwd.
  In voorkomend geval mag de exploitatie worden voortgezet tot een definitieve beslissing is genomen over de verlening van de omgevingsvergunning.

  HOOFDSTUK 3. - De vergunningsprocedure in laatste administratieve aanleg

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 52.[1 De Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar zijn bevoegd]1 in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
  [1 De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen de gewestelijke omgevingsambtenaar over het beroep kan beslissen.]1
  De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 132, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Art. 53.Het beroep kan worden ingesteld door:
  1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
  2° het betrokken publiek;
  3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
  4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
  5° [1 ...]1
  6° [1 de leidend ambtenaar van het Departement Omgeving of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde.]1
  [3 7° de leidend ambtenaar van het Agentschap Innoveren en Ondernemen of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde, als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat.]3
  [4 8° de leidend ambtenaar van het agentschap, bevoegd voor natuur en bos, of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde als het project vergunningsplichtige wijzigingen van de vegetatie omvat.]4
  [2 Als de aanvraag in eerste administratieve aanleg overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure behandeld is, kan het betrokken publiek alleen een beroep instellen als hij tijdens het openbaar onderzoek een gemotiveerd standpunt, opmerking of bezwaar heeft ingediend, tenzij aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° het beroep is ingegeven door een wijziging aan de vergunningsaanvraag, aangebracht na het openbaar onderzoek;
   2° het beroep is ingegeven door:
   a) een bijzondere milieuvoorwaarde, opgelegd in de bestreden vergunning, wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
   b) een andere voorwaarde, opgelegd in de bestreden vergunning, die geen betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
   3° het betrokken publiek toont aan dat hij door specifieke omstandigheden in de onmogelijkheid was om een standpunt, opmerking of bezwaar in te dienen tijdens het openbaar onderzoek.]2
  ----------
  (1)<DVR 2017-10-27/06, art. 38, 010; Inwerkingtreding : 07-12-2017>
  (2)<DVR 2017-12-08/06, art. 133,2°, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>
  (3)<DVR 2016-07-15/08, art. 43, 012; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  (4)<DVR 2017-12-08/06, art. 133,2°, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Art. 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
  1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
  2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
  3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.

  Art. 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
  In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
  1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
  2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
  3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.

  Afdeling 2. - Beroepsprocedure

  Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek

  Art. 56.Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
  Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
  1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
  2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
  3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
  De Vlaamse Regering bepaalt [1 eventueel met inbegrip van een onontvankelijkheidssanctie, nadere regels met betrekking tot de opbouw en de inhoud van het beroepsschrift en]1 de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 134, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Art. 57.De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of [1 de provinciale respectievelijk gewestelijke omgevingsambtenaar]1 onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
  Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid [1 of de provinciale respectievelijk gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
  Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 135, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 57/1. [1 Beroepen inzake omgevingsvergunningen die uitsluitend kleinhandelsactiviteiten omvatten en die louter gebaseerd zijn op economische criteria in functie van economische doelstellingen, zijn onontvankelijk.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2016-07-15/08, art. 44, 012; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  

  Art. 58. Het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 57, wordt aan de beroepsindiener binnen een termijn van dertig dagen die ingaat de dag na de datum van de verzending van het beroepschrift per beveiligde zending meegedeeld.
  De onvolledigheid of onontvankelijkheid heeft van rechtswege de stopzetting van de beroepsprocedure tot gevolg. De beslissing wordt ter kennis gebracht van:
  1° de beroepsindiener;
  2° de vergunningsaanvrager;
  3° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
  4° het college van burgemeester en schepenen.

  Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project

  Art. 59. De Vlaamse Regering wijst de adviesinstanties aan die over een vergunningsaanvraag in beroep advies verlenen.
  Het advies van het college van burgemeester en schepenen op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft, of van de gemeentelijke omgevingsambtenaar wordt altijd ingewonnen tenzij het beroep ingesteld is door het betrokken college.

  Art. 60.In de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt, vraagt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, [1 de provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 het advies van de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1. De provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie vraagt de adviesinstanties, vermeld in artikel 59, eerste lid, en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 59, tweede lid, om advies.
  Als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, vereist is, vraagt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, [1 de provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 de adviesinstanties, vermeld in artikel 59, eerste lid, en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 59, tweede lid, om advies.
  Als met toepassing van het eerste lid een advies van een omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, vereist is, verlenen de adviesinstanties, vermeld in artikel 59, eerste lid, en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 59, tweede lid, hun advies aan de omgevingsvergunningscommissie. De voormelde commissie verleent een geïntegreerd advies.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 136, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 61. De Vlaamse Regering stelt de adviestermijnen vast en kan de elementen bepalen waarop de adviezen moeten ingaan.
  Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.

  Art. 62.De vergunningsaanvrager alsook elke beroepsindiener kan in tweede administratieve aanleg vragen om gehoord te worden door:
  1° de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
  2° de bevoegde overheid [1 of de provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]1, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie niet vereist is.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake de organisatie van en de vertegenwoordiging op de hoorzitting.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 137, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 63. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, onderzoekt de vergunningsaanvraag in haar totaliteit.

  Art. 63/1. [1 Als de deputatie de bevoegde overheid is en er geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is, maakt de provinciale omgevingsambtenaar voor elke beslissing over een beroep een verslag op, dat deel uitmaakt van het vergunningendossier. Het verslag toetst de aanvraag, in voorkomend geval, aan de beoordelingsgronden, bepaald bij of krachtens:
   1° titel IV van de VCRO;
   2° titel V van het DABM;
   3° het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid;
   4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
   Het verslag omvat, in voorkomend geval, een voorstel van antwoord op de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het eventuele openbaar onderzoek.
   De provinciale omgevingsambtenaar stelt dit verslag ter beschikking van de deputatie uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde beslissingstermijn. De deputatie geeft in haar motivering van de beslissing aan op welke wijze rekening wordt gehouden met het verslag. Als geen verslag wordt uitgebracht binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, kan de deputatie aan de vereiste van een verslag voorbijgaan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2017-12-08/06, art. 138, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  

  Art. 64. In beroep kunnen wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht.
  Het openbaar onderzoek over de gewijzigde vergunningsaanvraag is niet vereist als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° de wijzigingen doen geen afbreuk aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening;
  2° de wijzigingen komen tegemoet aan de adviezen of aan de standpunten, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend;
  3° de wijzigingen brengen kennelijk geen schending van de rechten van derden met zich mee.
  Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, kan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, beslissen om over de gewijzigde vergunningsaanvraag een openbaar onderzoek te organiseren. In voorkomend geval wint ze het advies van de omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, of de adviezen, vermeld in artikel 59, alsnog, dan wel een tweede keer in.
  Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, en de bevoegde overheid geen openbaar onderzoek heeft georganiseerd over de gewijzigde vergunningsaanvraag, houdt deze overheid bij haar beslissing geen rekening met de wijzigingen aan de vergunningsaanvraag.

  Art. 65. Als de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid had met toepassing van artikel 31, maar hetzij geen beslissing heeft genomen over de zaak van de wegen hetzij een weigeringsbeslissing heeft genomen en er beroep is ingesteld tegen de vergunningsbeslissing, roept de provinciegouverneur op verzoek van de deputatie respectievelijk de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar, de gemeenteraad samen. De gemeenteraad neemt een beslissing over de zaak van de wegen en deelt die beslissing mee binnen een termijn van zestig dagen vanaf de samenroeping door de provinciegouverneur.

  Onderafdeling 3. - Beslissing over het ingestelde beroep

  Art. 66.§ 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, neemt een definitieve beslissing over de vergunningsaanvraag binnen een termijn van:
  1° honderdtwintig dagen als de aanvraag in eerste administratieve aanleg overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure behandeld werd;
  2° zestig dagen als de aanvraag in eerste administratieve aanleg overeenkomstig de vereenvoudigde vergunningsprocedure behandeld werd.
  § 2. [1 Met behoud van de toepassing van paragraaf 2/1 wordt de beslissingstermijn van rechtswege eenmalig met zestig dagen verlengd in de volgende gevallen:
   1° als met toepassing van artikel 64, derde lid, een openbaar onderzoek georganiseerd wordt;
   2° als toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13;
   3° als de vergunningsaanvraag wegenwerken omvat waarover de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid heeft en de gemeenteraad in de loop van de beroepsprocedure samengeroepen wordt met toepassing van artikel 65.
   De mededeling van de termijnverlenging wordt aan de aanvrager en de beroepsindiener verzonden vóór de einddatum van de beslissingstermijn.]1
  [1 § 2/1. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 wordt de beslissingstermijn op gemotiveerd verzoek van de vergunningsaanvrager eenmalig met zestig dagen verlengd.
   De mededeling van de termijnverlenging wordt aan de aanvrager en de beroepsindiener verzonden vóór de einddatum van de beslissingstermijn.]1
  § 3. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, gaan altijd in op de dag na de datum dat het laatste beroep ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop het laatste beroep is ingediend [3 hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten, waarbij de meest recente datum geldt]3.
  Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, wordt het beroep of worden de beroepen geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing als definitief aanzien.
  § 4. Artikel 33 en 34 zijn van overeenkomstige toepassing op de beslissing.
  [2 § 5. De bevoegde overheid kan over een vergunningsaanvraag als vermeld in artikel 5.4.1 en 5.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, waarbij een archeologienota die is ingediend ter bekrachtiging werd toegevoegd bij de aanvraag, maar een beslissing nemen als de bekrachtigde archeologienota is bezorgd. Als er geen bekrachtigde archeologienota is bezorgd voor het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, dan moet de omgevingsvergunning worden geweigerd.]2
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 137, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>
  (2)<DVR 2017-07-07/05, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  (3)<DVR 2017-12-08/06, art. 139, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Art. 67. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de procedure in laatste administratieve aanleg.

  HOOFDSTUK 4. - Duur van de omgevingsvergunning

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 68.De omgevingsvergunning geldt voor onbepaalde duur.
  In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk voor een bepaalde duur verlenen in de volgende gevallen:
  1° op verzoek van de vergunningsaanvrager;
  2° voor projecten die uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvatten, vermeld in artikel 5.2.1, § 2, tweede lid, van het DABM;
  3° als de exploitatie betrekking heeft op een grondwaterwinning of een ontginning;
  4° als een omgevingsvergunning op proef noodzakelijk is;
  5° met het oog op de herlokalisatie van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die niet verenigbaar is met de ruimtelijke bestemming;
  6° als met toepassing van [1 artikel 4.4.4 of 4.4.23 van de VCRO]1 een omgevingsvergunning voor bepaalde duur mogelijk wordt geacht voor een project dat in strijd is met een stedenbouwkundig voorschrift;
  7° om rekening te kunnen houden met:
  a) de localiseerbare gebiedsspecifieke ontwikkelingsperspectieven opgenomen in een voorafgaand aan de indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning definitief vastgesteld [2 ruimtelijk structuurplan of ruimtelijk beleidsplan]2;
  b) de stedenbouwkundige voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan;
  8° voor constructies die door de aard ervan een tijdelijk karakter hebben;
  9° voor veranderingen van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor de initiële omgevingsvergunning voor een bepaalde duur is verleend.
  [3 10° voor projecten die kleinhandelsactiviteiten omvatten en voor niet langer dan 12 maanden vergund worden in een bestaand, vergund of hoofdzakelijk vergund gebouw of in tijdelijke vergunde of van vergunning vrijgestelde constructies.]3
  De vergunning van bepaalde duur die verleend wordt op basis van het tweede lid, 7°, a), wordt geacht voor onbepaalde duur te zijn verleend als bij het verstrijken van de duur van de vergunning de gebiedsspecifieke ontwikkelingsperspectieven niet zijn verankerd in een definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan.
  De Vlaamse Regering kan voor de toepassing van het tweede lid de minimale en maximale geldigheidsduur van de omgevingsvergunning vaststellen.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 138, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>
  (2)<DVR 2017-12-08/06, art. 140, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>
  (3)<DVR 2016-07-15/08, art. 45, 012; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Afdeling 2. - Bijzondere bepalingen voor omgevingsvergunningen van bepaalde duur

  Onderafdeling 1. - Omgevingsvergunning op proef

  Art. 69. § 1. De bevoegde overheid kan voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project waarvoor geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handeling is vereist, een omgevingsvergunning op proef verlenen voor minimaal zes maanden en ten hoogste twee jaar om na te gaan of de exploitatie na de proefperiode verder aanvaardbaar is voor de mens en het milieu.
  § 2. Voor het verstrijken van de proefperiode neemt de vergunningverlenende overheid een beslissing over de verdere exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.
  Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, geen beslissing neemt voor het verstrijken van de proefperiode, wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn geweigerd.
  Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, geen beslissing neemt voor het verstrijken van de proefperiode van een door haar verleende omgevingsvergunning op proef, wordt de bestreden beslissing uit eerste administratieve aanleg als definitief beschouwd.
  § 3. De Vlaamse Regering stelt de procedure vast voor de uitspraak na de proefperiode.

  Onderafdeling 2. - Hernieuwen van de omgevingsvergunning van bepaalde duur

  Art. 70.§ 1. De hernieuwing van een omgevingsvergunning die of van een gedeelte ervan dat voor bepaalde duur is verleend, kan op zijn vroegst 24 maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning aangevraagd worden.
  Als de vergunningsaanvraag ten minste twaalf maanden voor de einddatum van een omgevingsvergunning van bepaalde duur wordt ingediend, mag de stedenbouwkundige handeling in stand worden gehouden of mag de ingedeelde inrichting of activiteit verder geëxploiteerd worden na de einddatum in afwachting van een definitieve beslissing over de aanvraag. [1 De exploitatie gebeurt onder naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en de tot dan toe geldende bijzondere milieuvoorwaarden uit de vergunning.]1
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan een omgevingsvergunning voor de verdere exploitatie vroeger dan 24 maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning worden aangevraagd als:
  1° een overname van de vergunde ingedeelde inrichting of activiteit door een andere exploitant is gepland;
  2° de exploitant een belangrijke verandering van de vergunde ingedeelde inrichting beoogt. In dat geval heeft de vergunningsaanvraag zowel betrekking op de delen van de inrichting of activiteit die verder in exploitatie blijven als op de geplande verandering.
  § 3. Voor een tijdelijke inrichting of activiteit als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van het DABM, kan de bevoegde overheid de omgevingsvergunning slechts eenmaal verlengen voor maximaal dezelfde duur als die van de initiële omgevingsvergunning.
  § 4. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de hernieuwing van de omgevingsvergunning van bepaalde duur.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 141, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  HOOFDSTUK 5. - Kenmerken van de omgevingsvergunning

  Afdeling 1. - Voorwaarden en lasten die verbonden zijn aan de omgevingsvergunning

  Onderafdeling 1. - Voorwaarden

  Art. 71. Met behoud van de toepassing van de voorwaarde van rechtswege in de zin van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990 kan de bevoegde overheid voorwaarden verbinden aan de uitvoering van een stedenbouwkundige handeling of de verkaveling van gronden.

  Art. 72. Met behoud van de toepassing van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, verplichtingen en de toepassingsregels ervan, bepaald bij of krachtens het DABM, kan de bevoegde overheid de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit afhankelijk stellen van de naleving van bijzondere milieuvoorwaarden.

  Art. 73. § 1. De bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72, bevatten de bijkomende maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de mens en het milieu tegen onaanvaardbare risico's en hinder afkomstig van de exploitatie.
  De bijzondere milieuvoorwaarden kunnen onder meer bestaan uit een verplichting:
  1° om een studie uit te voeren of te voorzien in een monitoring met als doel de toepassing van de bijzondere milieuvoorwaarden te controleren;
  2° om lastens de exploitant een saneringscontract als vermeld in artikel 32septies, § 4 en § 5, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging af te sluiten. Het afsluiten van dat saneringscontract kan verwezenlijkt worden door toedoen van de exploitant, met name door zelf de procedure op te starten. De Vlaamse Regering stelt daarvoor de nadere regels vast.
  § 2. Als beste beschikbare technieken bestaan, vormen ze de referentie voor de vaststelling van de bijzondere milieuvoorwaarden.
  In afwijking van het eerste lid, kan de bevoegde overheid volgens de criteria die door de Vlaamse Regering worden bepaald, strengere bijzondere milieuvoorwaarden vaststellen dan die welke haalbaar zijn door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de beste beschikbare technieken vastgesteld worden.

  Art. 73/1. [1 De bevoegde overheid kan voorwaarden verbinden aan de uitvoering van kleinhandelsactiviteiten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2016-07-15/08, art. 46, 012; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  

  Art. 73/2. [1 De bevoegde overheid kan voorwaarden verbinden aan de uitvoering van het wijzigen van de vegetatie ervan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2017-12-08/06, art. 142, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  

  Art. 74. Alle voorwaarden zijn voldoende precies en redelijk in verhouding tot het vergunde project.
  Ze kunnen worden verwezenlijkt door toedoen van de aanvrager, bouwheer, gebruiker of exploitant.

  Onderafdeling 2. - Lasten

  Art. 75.De bevoegde overheid kan aan een omgevingsvergunning lasten verbinden. Die lasten vinden hun oorsprong in het voordeel dat de begunstigde van de omgevingsvergunning uit die vergunning haalt en in de bijkomende taken die de overheid door de uitvoering van de vergunning op zich moet nemen.
  Buiten het voorzien in de nodige financiële waarborgen kunnen lasten onder meer betrekking hebben op:
  1° de verwezenlijking of de renovatie van groene ruimten, ruimten voor openbaar nut, openbare gebouwen, infrastructuur met het oog op een verbetering van de mobiliteit, nutsvoorzieningen of woningen op kosten van de vergunninghouder. Vooraleer lasten op te leggen met betrekking tot nutsvoorzieningen worden de nutsmaatschappijen die actief zijn in de gemeente waarin het voorwerp van de vergunning gelegen is, door de bevoegde overheid, [1 de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 om advies verzocht. Hierbij wordt gestreefd naar het gelijktijdig aanleggen van nutsvoorzieningen, waardoor de hinder ten gevolge van deze aanleg maximaal wordt beperkt;
  2° de bewerkstelliging van een vermenging van kavels die tegemoetkomen aan de behoeften van diverse maatschappelijke groepen op grond van de grootte van de kavels, respectievelijk de typologie, de kwaliteit, de vloeroppervlakte, het volume of de lokalenindeling van de woningen die erop opgericht worden, of van de op te stellen vaste of verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt.
  Lasten kunnen ook inhouden dat als de werken zijn begonnen, aan de overheid gratis, vrij en onbelast de eigendom wordt overgedragen van de in de vergunningsaanvraag vermelde openbare wegen, groene of verharde ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen, of de gronden waarop die worden of zullen worden aangelegd.
  Als voldaan is aan de uitsluitende voorwaarde, vermeld in artikel 4.2.5 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, verbindt de vergunningverlenende overheid van rechtswege een last aan de omgevingsvergunning met het oog op de verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod.
  Als de uitvoering van diverse lasten financieel moet worden gewaarborgd, dan hanteert het bestuur één waarborg voor de totaliteit van de lasten in kwestie waarbij aangegeven wordt welk waarborggedeelte betrekking heeft op elk van de lasten afzonderlijk.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 143, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 76. De lasten zijn redelijk in verhouding tot het vergunde project. Ze kunnen worden verwezenlijkt door toedoen van de aanvrager.
  De bevoegde overheid kan een gefaseerde uitvoering van de lasten voorschrijven.

  Art. 77. Als een last als vermeld in artikel 75 niet is uitgevoerd binnen de daarvoor gestelde termijn en niet of onvoldoende gedekt is door een financiële waarborg, kan de schuldeiser van de last per beveiligde zending een beslissing tot toepassing van bestuursdwang betekenen aan de schuldenaar van de last. De beslissing vermeldt dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de schuldenaar van de last plaatsvindt. In de beslissing wordt een termijn gesteld waarbinnen de schuldenaar van de last de tenuitvoerlegging kan voorkomen door de last alsnog uit te voeren. Als niet tot tijdige uitvoering wordt overgegaan, kan de schuldeiser van de last ambtshalve in de uitvoering van de lasten voorzien. De schuldenaar van de last is verplicht alle uitvoeringskosten te vergoeden, op voorlegging van een staat, opgesteld door de schuldeiser van de last.

  Afdeling 2. - Zakelijk karakter

  Art. 78. § 1. De omgevingsvergunning heeft een zakelijk karakter. Ze wordt verleend onder voorbehoud van de burgerlijke rechten die betrekking hebben op het onroerend goed.
  De beslissingen genomen op grond van dit decreet doen geen afbreuk aan de burgerlijke rechten van derden.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 doet een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden door de mens gevestigde erfdienstbaarheden en bij overeenkomst vastgestelde verplichtingen met betrekking tot het grondgebruik teniet voor zover ze onverenigbaar zijn met de omgevingsvergunning en uitdrukkelijk in de vergunningsaanvraag zijn vermeld.
  De afgifte van de omgevingsvergunning verhindert op geen enkele wijze dat de begunstigden van de erfdienstbaarheden of verplichtingen een eventueel recht op schadeloosstelling ten laste van de aanvrager uitoefenen.

  Art. 79.[1 Een omgevingsvergunning die geen betrekking heeft op een vergunningsplichtige exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit kan zonder plichtplegingen worden overgedragen.
   Als de omgevingsvergunning betrekking heeft op een vergunningsplichtige exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit moet de overdracht vooraf worden gemeld aan de overheid die bevoegd is voor het project [2 voor de overdracht]2. De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van het formulier voor overdracht, de termijn waarbinnen en de wijze waarop de overdracht moet worden gemeld.
   Het vergunningsbesluit wordt als gevolg van de melding, vermeld in het tweede lid, door de bevoegde overheid aangepast [2 ...]2 overeenkomstig de regels die de Vlaamse Regering bepaalt.
   [2 ...]2]1
  Als er lasten aan een omgevingsvergunning verbonden zijn, blijft de overdrager ertoe gehouden ten aanzien van de bevoegde overheid tenzij deze met de substitutie van haar schuldenaar heeft ingestemd.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 139, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>
  (2)<DVR 2017-12-08/06, art. 144, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Afdeling 3. - Fasering

  Art. 80. Een omgevingsvergunning kan de verschillende fasen of onderdelen van een project vermelden en kan daarbij de verschillende referentiemomenten vaststellen.

  Afdeling 4. - Regularisatievergunningen

  Art. 81. § 1. Een regularisatievergunning is een omgevingsvergunning die tijdens of na de uitvoering van vergunningsplichtige projecten als vermeld in artikel 5, 1°, wordt afgeleverd.
  Bij de beoordeling van het aangevraagde wordt de actuele regelgeving, met inbegrip van stedenbouwkundige voorschriften, eventuele verkavelingsvoorschriften en algemene en sectorale milieuvoorwaarden, als uitgangspunt genomen.
  § 2. Een aanvraag tot regularisatie bevat een afschrift van eventuele processen-verbaal, administratieve beslissingen en rechterlijke beslissingen met betrekking tot het project die ter kennis van de aanvrager zijn gebracht.
  § 3. Het niet vervolgen van een inbreuk door de overheid, wettigt de regularisatie op zich niet.
  De sanctionering van een inbreuk sluit een regularisatie niet uit.
  § 4. De regularisatievergunning wordt afgeleverd met inachtneming van de gebruikelijke beoordelingscriteria en conform de gebruikelijke vergunningsprocedure.
  Aan de vergunning kunnen de voorwaarden en lasten, vermeld in artikel 71 tot en met 77, worden verbonden.

  HOOFDSTUK 6. - Het bijstellen van de omgevingsvergunning

  Afdeling 1. - Bijstelling van in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden

  Art. 82. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan de milieuvoorwaarden die in de omgevingsvergunning zijn opgelegd, wijzigen of aanvullen:
  1° ambtshalve via een gemotiveerd initiatief;
  2° op gemotiveerd verzoek van:
  a) de bevoegde dienst van de gemeente, de provinciale omgevingsvergunningscommissie of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie als gevolg van een evaluatie die zij hebben uitgevoerd als vermeld in artikel 5.4.11 van het DABM;
  b) de vergunninghouder of de exploitant;
  c) het betrokken publiek;
  d) de toezichthouder die met toepassing van titel XVI van het DABM is aangewezen om op de ingedeelde inrichting of activiteit toezicht uit te oefenen;
  e) de leidend ambtenaar van een adviesinstantie die met toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 24, eerste lid, is aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit advies uit te brengen.
  [1 f) de leidend ambtenaar van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.]1
  Het verzoek, vermeld in punt 2°, e), wordt ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, binnen een termijn van dertig dagen voorafgaand aan de maand waarin de evaluatie, vermeld in artikel 5.4.11 van het DABM, zou plaatsvinden.
  Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4 en 5.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 140, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Afdeling 2. - Bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit

  Art. 83. § 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit beperken:
  1° ambtshalve via een gemotiveerd initiatief;
  2° op gemotiveerd verzoek van:
  a) het betrokken publiek;
  b) de leidend ambtenaar van een adviesinstantie die met toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 24, eerste lid, is aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit advies uit te brengen.
  Het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt op straffe van onontvankelijkheid ingediend respectievelijk genomen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de bekendmaking van het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur.
  De bekendmaking, vermeld in het tweede lid, gebeurt op initiatief van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, binnen een termijn van zes maanden voor het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur. De geldigheidsperiode van twintig jaar vangt een eerste keer aan op de dag na de datum waarop de lopende initiële omgevingsvergunning is verleend [1 of in het geval van omzetting van een milieuvergunning naar een vergunning van onbepaalde duur op de dag van de aktename, vermeld in artikel 390, § 2,]1 en vervolgens telkens op de eerste dag die volgt op de einddatum van een nieuwe twintigjarige geldigheidsperiode van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur.
  De Vlaamse Regering kan het indienen van een verzoek als vermeld in het eerste lid aan bijkomende ontvankelijkheidsvoorwaarden onderwerpen.
  § 2. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan in haar beslissing over het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling als vermeld in paragraaf 1:
  1° de milieuvoorwaarden wijzigen of aanvullen;
  2° het voorwerp van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beperken voor zover de risico's en de hinder niet via milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden herleid;
  3° de duur van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beperken voor zover deze niet verder verenigbaar is met de ruimtelijke bestemming. In dat geval zal de resterende duur van de omgevingsvergunning niet minder dan zeven jaar bedragen.
  § 3. Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4 en 5.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 141, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Afdeling 3. - Bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden

  Art. 84. Een niet-vervallen omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden kan worden bijgesteld ingevolge de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan op voorwaarde dat dit bij de voorlopige en de definitieve vaststelling van het plan uitdrukkelijk aangegeven is, ten minste op het grafische plan.
  In het geval, vermeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan dat met toepassing van titel II, hoofdstuk II, van de VCRO bevoegd is voor de planopmaak, de schorsing gelasten van de verkoop of van de verhuring voor meer dan negen jaar en van de vestiging van een erfpacht of opstalrecht op het geheel of een gedeelte van de verkaveling.
  Afdeling 4 en 5 zijn niet van toepassing op dit artikel.

  Art. 85.§ 1. Op initiatief van het college van burgemeester en schepenen kan een niet-vervallen omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden voor wat het niet-vervallen gedeelte betreft, worden bijgesteld na verloop van vijftien jaar na de afgifte van deze omgevingsvergunning in laatste administratieve aanleg.
  [1 Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van de gewone vergunningsprocedure, met dien verstande dat de vergunningsaanvraag of de aanvraag gelezen moet worden als de aanvraag of het verzoek tot bijstelling en de aanvrager als aanvrager of verzoeker van de bijstelling.
   De gemeente brengt voor de start van het openbaar onderzoek alle eigenaars van een kavel met een gewone brief of beveiligde zending op de hoogte van het openbaar onderzoek en van de bepalingen van paragraaf 2.
   De gemeente brengt eveneens alle eigenaars van buiten de verkaveling gelegen percelen die palen aan de kavels die het voorwerp uitmaken van de bijstelling, voor de start van het openbaar onderzoek met een gewone brief of beveiligde zending op de hoogte van het openbaar onderzoek.]1
  § 2. De bevoegde overheid weigert de bijstelling als de eigenaars van meer dan één vierde van de in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels een ontvankelijk, gegrond en op ruimtelijke motieven gebaseerd schriftelijk of digitaal bezwaar hebben ingediend tijdens het openbaar onderzoek.
  Dit bezwaar geeft duidelijk aan dat het bezwaar afkomstig is van een eigenaar van een of meer in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels, zoniet houdt de bevoegde overheid geen rekening met dit bezwaar voor de berekening, vermeld in het eerste lid.
  De bevoegde overheid die zich uitspreekt over de bijstelling, kan de schorsing gelasten van de verkoop of van de verhuring voor meer dan negen jaar en van de vestiging van een erfpacht of opstalrecht op het geheel of een gedeelte van de verkaveling.
  § 3. [1 ...]1
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 145, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Art. 86.§ 1. De eigenaar van een kavel die begrepen is in een niet-vervallen omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, kan gemotiveerd om een bijstelling van deze omgevingsvergunning verzoeken voor het deel dat hij in eigendom heeft.
  [1 De aanvraag doorloopt dezelfde procedure als een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, met dien verstande dat de vergunningsaanvraag of de aanvraag gelezen moet worden als de aanvraag of het verzoek tot bijstelling en de aanvrager als aanvrager of verzoeker van de bijstelling.
   De gemeente brengt alle eigenaars van een kavel die geen aanvrager zijn op de hoogte van de bepalingen van paragraaf 2, en, in voorkomend geval, van het openbaar onderzoek:
   1° als een openbaar onderzoek vereist is, voor de start ervan;
   2° als er geen openbaar onderzoek vereist is, binnen tien dagen na de dag waarop de gemeente het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek aan de aanvrager heeft verstuurd.
   In het geval een openbaar onderzoek vereist is, brengt de gemeente de eigenaars van percelen die buiten de verkaveling liggen maar die palen aan de kavels die het voorwerp uitmaken van de bijstelling, op de hoogte van het openbaar onderzoek voor de start ervan.
   De mededeling, vermeld in het derde en vierde lid, wordt op volgende wijze gedaan:
   1° met een beveiligde zending voor de eigenaars van aanpalende percelen;
   2° met een gewone brief of beveiligde zending in de andere gevallen.]1
  § 2. De bevoegde overheid weigert de bijstelling als de eigenaars van meer dan de helft van de in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels een ontvankelijk, gegrond en op ruimtelijke motieven gebaseerd schriftelijk of digitaal bezwaar hebben ingediend [1 ...]1. [1 Dat bezwaar moet worden ingediend:
   1° als een openbaar onderzoek vereist is, tijdens het openbaar onderzoek;
   2° als er geen openbaar onderzoek vereist is, binnen een vervaltermijn van dertig dagen die ingaat de dag na de datum van de verzending van de mededeling, vermeld in paragraaf 1, derde lid.]1
  Dit bezwaar geeft duidelijk aan dat het bezwaar afkomstig is van een eigenaar van een of meer in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels, zoniet houdt de bevoegde overheid geen rekening met dit bezwaar voor de berekening, vermeld in het eerste lid.
  § 3. [1 ...]1
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 146, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Afdeling 4. - Procedure voor het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in afdeling 1 en 2, in eerste administratieve aanleg

  Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek

  Art. 87.§ 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]1 onderzoekt de ontvankelijkheid en volledigheid van het verzoek tot bijstelling van de omgevingsvergunning.
  Voor elk ambtshalve initiatief en elk verzoek tot bijstelling, vermeld in artikel 83, § 1, 1°, respectievelijk 83, § 1, 2°, b), dat niet de individuele toepassing van een door de Vlaamse Regering ter bescherming van de mens en het milieu goedgekeurd programma of plan als voorwerp heeft, evenals voor elk verzoek, vermeld in artikel 83, § 1, 2°, a), wordt door de omgevingsvergunningscommissie onderzocht of de aangevoerde motieven tot bijstelling kennelijk ongegrond zijn. Als de omgevingsvergunningscommissie bij haar onderzoek vaststelt dat het ambtshalve initiatief of het verzoek tot bijstelling uitsluitend gebaseerd is op motieven die kennelijk ongegrond zijn, wordt de procedure tot bijstelling definitief stopgezet.
  § 2. Het resultaat van het onderzoek, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en indien van toepassing, het resultaat van het onderzoek, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, wordt bij beveiligde zending aan de verzoeker of aan het bestuursorgaan dat het ambtshalve initiatief heeft genomen, meegedeeld binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum waarop het verzoek is ingediend.
  De exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt op dezelfde dag van de mededeling waarvan sprake in het eerste lid, op de hoogte gebracht van elk verzoek tot bijstelling dat hij niet zelf heeft ingediend evenals van elk initiatief tot ambtshalve bijstelling, voor zover ze niet onontvankelijk, onvolledig of indien van toepassing kennelijk ongegrond werden bevonden.
  § 3. Als het verzoek tot bijstelling van de omgevingsvergunning niet bij de bevoegde overheid werd ingediend, is artikel 22 van overeenkomstige toepassing.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 147, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Onderafdeling 2. - Onderzoek van het verzoek en het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning

  Art. 88. Het onderzoek van het verzoek en het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel 23 tot en met 27 en 29.
  In afwijking van artikel 23 wordt voor een bijstelling van een project dat uitsluitend een tijdelijke inrichting omvat, geen openbaar onderzoek georganiseerd.
  De omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, verleent een advies over:
  1° de bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 82, in de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt;
  2° de bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 83.
  De exploitant is verplicht aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, en de adviesinstanties die erom vragen, alle beschikbare gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling.

  Onderafdeling 3. - Beslissing over het verzoek en het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning

  Art. 89. § 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt een beslissing over het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning binnen een termijn van:
  1° honderdenvijf dagen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
  2° honderdtwintig dagen als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.
  § 2. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, worden van rechtswege eenmalig met zestig dagen verlengd in het geval toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13.
  De mededeling van de termijnverlenging wordt aan de aanvrager verzonden vóór de einddatum van de normale beslissingstermijn.
  § 3. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, gaan in:
  1° in het geval van een verzoek of een ambtshalve initiatief tot bijstelling als vermeld in artikel 82 en 83 dat niet van de exploitant uitgaat, de dag na de datum dat de exploitant in toepassing van artikel 87, § 2, tweede lid, op de hoogte wordt gebracht van het ontvankelijk, volledig of in voorkomend geval niet kennelijk ongegrond bevonden verzoek of ambtshalve initiatief;
  2° in het geval van een verzoek tot bijstelling als vermeld in artikel 82 van de vergunninghouder of de exploitant, de dag na de datum dat hij op de hoogte wordt gebracht dat zijn verzoek ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de vijftigste dag na de datum waarop het verzoek tot bijstelling is ingediend.
  § 4. Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, wordt het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning geacht te zijn afgewezen.

  Afdeling 5. - Procedure voor het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in afdeling 1 en 2, in laatste administratieve aanleg

  Art. 90. § 1. [1 Tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing over een verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de omgevingsvergunning kan beroep worden ingesteld bij:
   1° de deputatie als het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was;
   2° de Vlaamse Regering als de deputatie in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was.]1
  Het beroep schorst de beslissing.
  § 2. De bepalingen van hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing op het instellen van, behandelen van en beslissen over het beroep.
  Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn als vermeld in [1 artikel 66, § 2, 2°]1, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing als definitief aanzien.
  [1 Artikel 64 en artikel 66, § 2/1, zijn niet van overeenkomstige toepassing.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 142, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Afdeling 6. - Delegatiebepaling

  Art. 91. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de bijstelling van de omgevingsvergunning, vermeld in dit hoofdstuk.

  HOOFDSTUK 7. - Schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning

  Afdeling 1. - Schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning voor wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit

  Art. 92. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit volledig of gedeeltelijk schorsen of geheel of gedeeltelijk opheffen als de algemene, de sectorale of de bijzondere milieuvoorwaarden niet worden nageleefd.
  De vergunninghouder of exploitant wordt per beveiligde zending in kennis gesteld van het initiatief om de omgevingsvergunning te schorsen of op te heffen. De vergunninghouder of exploitant wordt gehoord op zijn verzoek.

  Art. 93. Tenzij de beslissing tot schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning door de Vlaamse Regering is genomen, kan de vergunninghouder of exploitant tegen deze beslissing beroep instellen bij de Vlaamse Regering.
  Het beroep schorst de beslissing.
  [1 De Vlaamse Regering neemt een beslissing over het ingestelde beroep binnen een termijn van honderdtwintig dagen die ingaat, ofwel vanaf de dag na de datum dat de vergunninghouder of de exploitant op de hoogte wordt gebracht dat zijn beroep ontvankelijk en volledig is, ofwel bij ontstentenis van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop het beroep werd ingediend.
   Als geen beslissing is genomen binnen de in het derde lid vastgestelde termijn wordt het beroep geacht te zijn ingewilligd en vervalt de bestreden beslissing.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 143, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Art. 94. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, niet of onvolkomen optreedt, kan de Vlaamse Regering bij gemotiveerd besluit, op elk moment en ongeacht de indelingsklasse de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit volledig of gedeeltelijk schorsen of opheffen.

  Art. 95. Als de bevoegde overheid de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit geheel of gedeeltelijk schorst of opheft, kan ze ook de omgevingsvergunning voor de stedenbouwkundige handeling die onlosmakelijk verbonden is met de exploitatie geheel of gedeeltelijk schorsen of opheffen. Als het een bestaande constructie betreft, is dit laatste slechts mogelijk als die constructie bouwfysisch niet geschikt is voor eenzelfde of een nieuwe functie.

  Art. 96. Als tegen een schorsing of opheffing als vermeld in artikel 92, geen beroep is ingesteld of als ze in laatste administratieve aanleg is bevestigd, wordt toepassing gemaakt van titel XVI van het DABM.

  Afdeling 2. - Opheffing van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden

  Art. 97. Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden kan geheel of gedeeltelijk worden opgeheven in de gevallen en onder dezelfde voorwaarden en procedurele bepalingen, vermeld in artikel 84 en 85.
  In het geval, vermeld in het eerste lid, kan de schorsing worden gelast van de verkoop of van de verhuring voor meer dan negen jaar en van de vestiging van een erfpacht of opstalrecht op het geheel of een gedeelte van de verkaveling.

  Afdeling 3. - Delegatiebepaling

  Art. 98. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning, vermeld in afdeling 1 en 2 van dit hoofdstuk.

  HOOFDSTUK 8. - Verval en afstand van de omgevingsvergunning

  Afdeling 1. [1 - Verval van de omgevingsvergunning voor de uitvoering van stedenbouwkundige handelingen, de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, kleinhandelsactiviteiten of het wijzigen van de vegetatie]1
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 148, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 99.§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
  1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
  2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
  3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn [1 binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning]1;
  4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
  [2 5° als de kleinhandelsactiviteiten niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangen.]2
  [1 De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
   1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
   2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
   De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.]1
  Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van [1 twee, drie of vijf jaar]1, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
  § 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
  1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
  2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
  3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
  [2 § 2/1. De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van kleinhandelsactiviteiten vervalt van rechtswege als de kleinhandelsactiviteiten meer dan vijf opeenvolgende jaren worden onderbroken.]2
  [3 § 2/2. De omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie vervalt van rechtswege als het wijzigen van de vegetatie niet binnen twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.]3
  § 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
  Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 149,1°-3°, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>
  (2)<DVR 2016-07-15/08, art. 48, 012; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  (3)<DVR 2017-12-08/06, art. 149,4°, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 100. De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
  In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.

  Art. 101.De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, [2 in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1]2 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 [1 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden]1.
  [1 [2 De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1,]2 worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
   [2 De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1,]2 worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
   [2 De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1,]2 worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI [2 van de VCRO]2, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 144, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>
  (2)<DVR 2017-12-08/06, art. 150, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Afdeling 2. - Verval van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden

  Art. 102. § 1. Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden waarbij geen nieuwe wegen worden aangelegd of het tracé van bestaande gemeentewegen niet moet worden gewijzigd, verbreed of opgeheven, vervalt van rechtswege als:
  1° binnen een termijn van vijf jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot registratie van de verkoop, de verhuring voor meer dan negen jaar of de vestiging van erfpacht of opstalrecht ten aanzien van ten minste één derde van de kavels;
  2° binnen een termijn van tien jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot dergelijke registratie ten aanzien van ten minste twee derde van de kavels.
  Voor de toepassing van het eerste lid:
  1° wordt met verkoop gelijkgesteld: de nalatenschapsverdeling en de schenking, met dien verstande dat slechts één kavel per deelgenoot of begunstigde in aanmerking komt;
  2° komt de [1 verkoop, de verhuring voor meer dan negen jaar, of de vestiging van erfpacht of opstalrecht]1 van de verkaveling in haar geheel niet in aanmerking;
  3° komt alleen de huur die erop gericht is de huurder te laten bouwen op het gehuurde goed in aanmerking.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt tijdige bebouwing door de verkavelaar conform de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, met verkoop gelijkgesteld.
  § 2. Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden waarbij nieuwe wegen worden aangelegd of waarbij het tracé van bestaande gemeentewegen gewijzigd, verbreed of opgeheven wordt, vervalt van rechtswege als:
  1° binnen een termijn van vijf jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot de oplevering van de onmiddellijk uit te voeren lasten of tot het verschaffen van waarborgen betreffende de uitvoering van deze lasten op de wijze, vermeld in artikel 75;
  2° binnen een termijn van tien jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot registratie van de in paragraaf 1 vermelde rechtshandelingen ten aanzien van ten minste één derde van de kavels;
  3° binnen een termijn van vijftien jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot registratie van de in paragraaf 1 vermelde rechtshandelingen ten aanzien van ten minste twee derde van de kavels.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt tijdige bebouwing door de verkavelaar conform de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, met verkoop gelijkgesteld.
  § 3. Als de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het verkavelingsproject, worden de termijnen van verval, vermeld in de paragrafen 1 tot en met 2, gerekend per fase. Voor de tweede en volgende fasen worden de termijnen van verval dientengevolge gerekend vanaf de aanvangsdatum van de betrokken fase.
  § 4. Het verval, vermeld in paragraaf 1 en 2, 2° en 3°, geldt slechts ten aanzien van het niet bebouwde, verkochte, verhuurde of aan een erfpacht of opstalrecht onderworpen gedeelte van de verkaveling.
  § 5. Onverminderd paragraaf 4, kan het verval van rechtswege niet worden tegengesteld aan personen die zich op de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden beroepen als zij kunnen aantonen dat de overheid na het verval en ten aanzien van een of meer van hun kavels binnen de verkaveling, wijzigingen aan deze omgevingsvergunning heeft toegestaan of stedenbouwkundige of bouwvergunningen of stedenbouwkundige attesten heeft verleend in zoverre deze door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig werden bevonden.
  § 6. De Vlaamse Regering kan maatregelen treffen aangaande de kennisgeving van het verval van rechtswege.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 145, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Art. 103. De termijnen van vijf, tien of vijftien jaar, vermeld in artikel 102, worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, [1 overeenkomstig hoofdstuk 9, behoudens als de verkaveling in strijd is met een vóór de datum van de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden]1.
  [1 De termijnen van vijf, tien of vijftien jaar, vermeld in artikel 102, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
   De termijnen van vijf, tien of vijftien jaar, vermeld in artikel 102, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
   De termijnen van vijf, tien of vijftien jaar, vermeld in artikel 102, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 146, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Afdeling 3. - Afstand van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden

  Art. 104. Een verkavelaar kan eenzijdig afstand doen van de rechten die hij verkregen heeft uit de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, tenzij al een aanvang werd genomen met de verwezenlijking van deze omgevingsvergunning, hetzij door het stellen van een of meer rechtshandelingen, vermeld in artikel 102, § 1, hetzij door de uitvoering van de werken waaraan de afgifte van de omgevingsvergunning verbonden werd.
  Aan het geheel van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden kan worden verzaakt door de eigenaar die alle kavels heeft verworven of in geval van akkoord van alle eigenaars, ongeacht of deze omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk verwezenlijkt is.
  Een verzaking wordt per beveiligde zending gemeld aan het college van burgemeester en schepenen.

  HOOFDSTUK 9. - Beroep tegen beslissingen genomen in laatste administratieve aanleg

  Art. 105.§ 1. De uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing betreffende een omgevingsvergunning, genomen in laatste administratieve aanleg, of de aktename [4 of de niet-aktename]4 van een melding, vermeld in artikel 111, kan bestreden worden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, vermeld in titel IV, hoofdstuk VIII, van de VCRO.
  § 2. Het beroep kan worden ingesteld door:
  1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder, de exploitant of de persoon die de melding heeft verricht;
  2° het betrokken publiek;
  3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties, vermeld in artikel 24 of in artikel 42 of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde, als die instantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
  4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
  5° [3 ...]3
  6° [3 de leidend ambtenaar van het Departement Omgeving of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde.]3
  [6 7° de leidend ambtenaar van het Agentschap Innoveren en Ondernemen of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde, als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat.]6
  [7 8° de leidend ambtenaar van het agentschap, bevoegd voor natuur en bos, of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde als het project vergunningsplichtige wijzigingen van de vegetatie omvat.]7
  De persoon aan wie kan worden verweten dat hij een voor hem nadelige vergunningsbeslissing niet heeft bestreden door middel van het daartoe openstaande georganiseerd administratief beroep bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen te wenden.
  [5 Als de aanvraag overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure behandeld is, kan het betrokken publiek alleen een beroep instellen als hij tijdens het openbaar onderzoek een gemotiveerd standpunt, opmerking of bezwaar heeft ingediend, tenzij aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° het beroep is ingegeven door een wijziging aan de vergunningsaanvraag, aangebracht na het openbaar onderzoek;
   2° het beroep is ingegeven door:
   a) een bijzondere milieuvoorwaarde, opgelegd in de bestreden vergunning, in het geval van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
   b) een voorwaarde, opgelegd in de bestreden vergunning, in het geval van een andere omgevingsvergunning, dan de vergunning vermeld in punt a);
   3° het betrokken publiek toont aan dat hij door specifieke omstandigheden in de onmogelijkheid was om een standpunt, opmerking of bezwaar in te dienen tijdens het openbaar onderzoek.]5
  [2 De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, die nagelaten heeft een uitdrukkelijke beslissing te nemen in eerste administratieve aanleg, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen te wenden, behoudens overmacht.]2
  § 3. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een vervaltermijn [1 van vijfenveertig dagen]1 die ingaat:
  1° de dag na de datum van de betekening, voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
  2° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de beslissing in de overige gevallen.
  § 4. Elk van de personen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, kan in de zaak tussenkomen.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 147, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>
  (2)<DVR 2016-12-09/09, art. 21, 006; Inwerkingtreding : 24-04-2017>
  (3)<DVR 2017-10-27/06, art. 39, 010; Inwerkingtreding : 07-12-2017>
  (4)<DVR 2017-12-08/06, art. 151,1°, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>
  (5)<DVR 2017-12-08/06, art. 151,3°, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>
  (6)<DVR 2016-07-15/08, art. 49, 012; Inwerkingtreding : 01-08-2018>
  (7)<DVR 2017-12-08/06, art. 151,2°, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  HOOFDSTUK 10. - Meldingen

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 106.[1 Een melding kan slechts gedaan worden voor meldingsplichtige stedenbouwkundige handelingen, een meldingsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die het project omvat of een combinatie hiervan.]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-07-15/08, art. 50, 012; Inwerkingtreding : 01-08-2018>

  Art. 107.[1 Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing op de melding.
   Onverminderd artikel 5.2.1 van het DABM geldt de omgevingsvergunning als aktename voor dat deel van het project dat meldingsplichtig is als tegelijkertijd uitspraak wordt gedaan over de vergunningsaanvraag en de melding. In het geval de vergunning wordt geweigerd, wordt aan de melding geen verder gevolg gegeven.]1
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 153, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Art. 108. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de wijze waarop de melding gebeurt, de procedure en de aktename, vermeld in afdeling 2 en 3 van dit hoofdstuk.

  Afdeling 2. - Meldingsprocedure

  Art. 109. De melding wordt per beveiligde zending bezorgd aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 107.

  Art. 110. De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit die meldingsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, deelt binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de dag na de datum van de inwerkingtreding van die aanvulling of wijziging het bestaan van de exploitatie mee aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 107.
  In afwijking van artikel 112 mag de exploitatie worden voortgezet.

  Art. 111.De bevoegde overheid, vermeld in artikel 107, gaat na of de gemelde handelingen of exploitatie meldingsplichtig zijn of niet verboden zijn bij of krachtens:
  1° artikel 5.4.3, § 3, van het DABM;
  2°[1 artikel 4.2.2, § 1, en artikel 4.2.4 van de VCRO.]1
  Als de handelingen of de exploitatie meldingsplichtig en niet verboden zijn, neemt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 107, akte van de melding. Ze bezorgt de meldingsakte per beveiligde zending aan de persoon die de melding heeft verricht binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de datum van ontvangst van de melding.
  Als de handelingen of de exploitatie niet meldingsplichtig of verboden zijn, stelt de overheid, vermeld in artikel 107, de persoon die de melding heeft verricht binnen dezelfde ordetermijn daarvan in kennis. In dat geval wordt geen akte genomen en wordt aan de melding geen verder gevolg gegeven.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 154, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Art. 112.Het project mag worden uitgevoerd of geëxploiteerd de dag na de datum van de betekening van de meldingsakte.
  [1 De vervalregeling, vermeld in artikel 99 tot en met 101, is van overeenkomstige toepassing op de meldingsakte.]1
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/06, art. 155, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Afdeling 3. - Kenmerken van de melding

  Art. 113. § 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 107, kan in de meldingsakte voorwaarden, met inbegrip van bijzondere milieuvoorwaarden, opleggen.
  De bevoegde overheid, vermeld in artikel 107, kan ook tijdens de exploitatie bijzondere milieuvoorwaarden opleggen aan de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. In dat geval bezorgt de bevoegde overheid haar beslissing daartoe per beveiligde zending aan de persoon die de melding heeft verricht.
  § 2. De voorwaarden mogen de melding niet onevenredig beperken of verbieden.
  De bijzondere milieuvoorwaarden worden opgelegd met het oog op de bescherming van de mens en het milieu tegen de gevolgen van de exploitatie. De bijzondere milieuvoorwaarden kunnen geen emissiegrenswaarden bevatten en niet afwijken van de beste beschikbare technieken als beschreven in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, vermeld in titel V, hoofdstuk 4, van het DABM.

  HOOFDSTUK 11. - Wijzigingsbepalingen

  Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging

  Art. 114. In artikel 5 van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, vervangen bij het decreet van 27 maart 2009, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".

  Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging

  Art. 115. In artikel 2, 1°, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, vervangen bij het decreet van 23 december 2010, wordt de zinsnede "decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".

  Art. 116. In artikel 32septies van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 1988, vervangen bij het decreet van 12 september 1990 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 4, eerste en vijfde lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
  2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-";
  3° in paragraaf 5, eerste, derde en negende lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
  4° in paragraaf 6 wordt de zinsnede "decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, alle uitvoeringsbesluiten van dit decreet, evenals de bepalingen uit de betreffende milieuvergunning, door de exploitant van de hinderlijke inrichting" vervangen door de zinsnede "decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, alle uitvoeringsbesluiten van dit decreet, alsook de bepalingen uit de betreffende omgevingsvergunning, door de exploitant van de hinderlijke inrichting of activiteit".

  Art. 117. In artikel 35bis, § 6, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 27 juni 2003, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 118. In artikel 35ter van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1990 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, eerste lid, a), wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid" en wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, b), paragraaf 4, 1°, tweede alinea, en paragraaf 4, 2°, tweede alinea, e), wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-";
  3° in paragraaf 4, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in punt 1°, tweede lid, wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-";
  b) in punt 2°, eerste lid, wordt de zinsnede "een milieudeskundige in de discipline water vermeld in hoofdstuk 1.3 van titel II van het Vlarem, die daarvoor is erkend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater, die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid";
  c) in punt 2°, tweede lid, e), wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-";
  4° in paragraaf 7, 3°, a), en 5°, a), wordt de zinsnede "een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting" vervangen door de zinsnede "een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
  5° in paragraaf 8, tweede lid, a), en vierde lid, a), wordt de zinsnede "een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting" vervangen door de zinsnede "een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
  6° in paragraaf 10 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 119. In artikel 35quinquies van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1990 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-" en wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
  2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".

  Art. 120. In artikel 35sexies, § 4, van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1990 en vervangen bij het decreet van 25 juni 1992, wordt de zinsnede "door een door de regering erkend laboratorium, zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "door een laboratorium dat daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".

  Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder

  Art. 121. In artikel 5 van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, vervangen bij het decreet van 27 maart 2009, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".

  Art. 122. In artikel 7 van dezelfde wet, vervangen bij het decreet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
  2° in het tweede lid wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".

  Afdeling 4. - Wijzigingen van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten

  Art. 123. In artikel 11 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het laatst gewijzigd bij het decreet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 4 worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
  2° in paragraaf 4, derde lid, wordt de zinsnede "de stedenbouwkundige melding, vermeld in artikelen 94 en 96, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" telkens vervangen door de zinsnede "de melding voor stedenbouwkundige handelingen, vermeld in artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening";
  3° in paragraaf 4/1, 4/2 en 4/3 worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
  4° in paragraaf 4/2, derde lid, wordt de zinsnede "door het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" vervangen door de zinsnede "door het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".

  Art. 124. In artikel 12/2, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning voor het slopen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het slopen";
  2° in het tweede lid wordt de zinsnede "artikelen 119 en 120 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" vervangen door de zinsnede "artikel 4.3.3 en 4.3.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" en worden de woorden "stedenbouwkundige vergunningsprocedure" vervangen door het woord "omgevingsvergunningsprocedure".

  Afdeling 5. - Wijzigingen van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer

  Art. 125. In artikel 7, § 2, vijfde lid, van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, worden de woorden "Bestendige Deputatie van de provincie" vervangen door het woord "deputatie".

  Art. 126. In artikel 9, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996 en vervangen bij het decreet van 1 maart 2013, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".

  Art. 127. In artikel 12 van hetzelfde decreet, hersteld bij het decreet van 1 maart 2013, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".

  Art. 128. In artikel 28ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996, vervangen bij het decreet van 22 december 1999 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 2001, 7 mei 2004, 18 december 2009 en 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, 7°, a), wordt de zinsnede "een milieudeskundige die overeenkomstig titel II van het Vlarem is erkend in de discipline grondwater" vervangen door de zinsnede "een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
  2° in paragraaf 3, eerste lid, 1°, a) en b), wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".

  Art. 129. In artikel 28quater, § 2, 2°, 1) en 2), van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996 en vervangen bij het decreet van 23 december 2010, worden de woorden "van het Vlarem" vervangen door de zinsnede "van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".

  Art. 130. In artikel 28quinquies, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996, vervangen bij het decreet van 22 december 2000 en gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt de zinsnede "het decreet betreffende de milieuvergunning d.d. 28 juni 1985" vervangen door de zinsnede "titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".

  Afdeling 6. - Wijzigingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990

  Art. 131. In artikel 47, tweede lid, van het Bosdecreet van 13 juni 1990, vervangen bij het decreet van 21 oktober 1997 en gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006, 12 december 2008, 20 april 2012 en 11 mei 2012, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunningsplicht voor ontbossing" vervangen door de woorden "de vergunningsplicht voor ontbossing".

  Art. 132. In artikel 87, vijfde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006, 7 december 2007, 20 april 2012 en 11 mei 2012, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunningsplicht voor ontbossing" vervangen door de woorden "de vergunningsplicht voor ontbossing".

  Art. 133. In artikel 90bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 oktober 1997, vervangen bij het decreet van 17 juli 2000 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 2001, 7 december 2007, 12 december 2008, 23 december 2010 en 20 april 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "een omgevingsvergunning", worden de woorden "Een stedenbouwkundige vergunning voor ontbossing of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "Een omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden" en wordt de zinsnede "de artikelen 4.1.1, 5°, 4.4.7, § 2, en 4.7.1, § 2," vervangen door de zinsnede "artikel 4.1.1, 5°, en artikel 4.4.7, § 2,";
  2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing of de verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden";
  3° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden";
  4° in paragraaf 2, 1°, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor ontbossing";
  5° in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden "De stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing" vervangen door de woorden "De vergunning tot ontbossing";
  6° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossen" vervangen door de woorden "de vergunning tot ontbossing";
  7° in paragraaf 5, derde lid, wordt de zinsnede "adviestermijn, zoals bepaald in artikelen 4.7.16 en 4.7.26, § 4, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening," vervangen door de zinsnede "adviestermijn, vermeld in artikel 26 en 43 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning,".

  Afdeling 7. - Wijzigingen van het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning

  Art. 134. In artikel 14bis, derde lid, van het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning, ingevoegd bij het decreet van 3 april 2009, worden de woorden "houder van de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "houder van de omgevingsvergunning".

  Art. 135. In artikel 20bis, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 3 april 2009, worden de woorden "houder van de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "houder van de omgevingsvergunning".

  Afdeling 8. - Wijzigingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid

  Art. 136. In artikel 2.1.16 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het woord "bestendige" opgeheven;
  2° in paragraaf 2 wordt het woord "milieuvergunningscommissie" vervangen door het woord "omgevingsvergunningscommissie".

  Art. 137. In artikel 2.1.17 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het woord "milieuvergunningscommissie" vervangen door het woord "omgevingsvergunningscommissie";
  2° in paragraaf 1 en 2 wordt het woord "bestendige" telkens opgeheven.

  Art. 138. In artikel 2.1.19, § 1, van hetzelfde decreet wordt het woord "bestendige" opgeheven.

  Art. 139. In artikel 2.1.23 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het woord "milieuvergunningscommissie" vervangen door het woord "omgevingsvergunningscommissie";
  2° in paragraaf 1, paragraaf 3, tweede lid, en paragraaf 6 wordt het woord "bestendige" telkens opgeheven.

  Art. 140. In artikel 2.1.23bis, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 28 april 2006, wordt het woord "bestendige" opgeheven.

  Art. 141. In artikel 3.1.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 18 december 2002 en 21 december 2007, worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt:
  "1° inrichtingen en activiteiten: de inrichtingen en activiteiten, vermeld in artikel 5.1.1, 8°, en artikel 5.1.1, 1° ;
  2° vergunningverlenende overheid: de overheid die de omgevingsvergunning, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, kan afleveren;".

  Art. 142. In artikel 3.2.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 27 maart 2009 en 23 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, 3, 4, 5, eerste lid, en paragraaf 11 wordt het woord "inrichtingen" telkens vervangen door de woorden "inrichtingen of activiteiten";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. De Vlaamse Regering wijst de inrichtingen of activiteiten van de tweede klasse aan waarvoor de exploitant een milieucoördinator moet aanstellen.";
  3° in paragraaf 3 wordt het woord "inrichting" vervangen door de woorden "inrichting of activiteit";
  4° in paragraaf 11, tweede lid, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6".

  Art. 143. In artikel 3.2.2, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt e) wordt het woord "inrichting" vervangen door de woorden "inrichting of activiteit";
  2° er wordt een punt f) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "f) medewerking te verlenen en informatie aan te reiken bij de uitvoering van de evaluaties, vermeld in artikel 5.4.11.".

  Art. 144. In artikel 3.2.3, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995, worden de woorden "sectorale voorwaarden" vervangen door de woorden "sectorale milieuvoorwaarden".

  Art. 145. Aan hoofdstuk II van titel III van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 27 maart 2009, 23 december 2010 en 23 december 2011, wordt een artikel 3.2.6 toegevoegd dat luidt als volgt:
  "Art. 3.2.6. De Vlaamse Regering bepaalt de informatie die in het kader van de toepassing van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V door de vergunningverlenende overheid, de exploitant of de milieucoördinator aan het Comité voor preventie en bescherming op het werk, bij ontstentenis daarvan aan de vakbondsafvaardiging of de werknemers, ter beschikking moet worden gesteld.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels uitvaardigen met het oog op het overleg over de bedrijfsinterne milieuzorg in de onderneming tussen de exploitant, afgevaardigde of de milieucoördinator enerzijds en het Comité voor preventie en bescherming op het werk, bij ontstentenis daarvan de vakbondsafvaardiging of de werknemers, anderzijds.".

  Art. 146. In artikel 3.3.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 6 februari 2004 en 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het woord "inrichtingen" telkens vervangen door de woorden "inrichtingen of activiteiten";
  2° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6".

  Art. 147. In artikel 3.4.1, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995, wordt het woord "inrichting" telkens vervangen door de woorden "inrichting of activiteit" en worden de woorden "sectorale voorwaarden" vervangen door de woorden "sectorale milieuvoorwaarden".

  Art. 148. In artikel 3.4.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het woord "inrichting" telkens vervangen door de woorden "inrichting of activiteit" en worden de woorden "sectorale voorwaarden" vervangen door de woorden "sectorale milieuvoorwaarden";
  2° in paragraaf 2 wordt het woord "inrichting" vervangen door de woorden "inrichting of activiteit".

  Art. 149. In artikel 3.4.3, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011, wordt de zinsnede "sectorale voorwaarden of in de vergunning, de exploitant van een inrichting" vervangen door de zinsnede "sectorale milieuvoorwaarden of in de omgevingsvergunning, de exploitant van een inrichting of activiteit".

  Art. 150. In artikel 3.5.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt het woord "inrichtingen" vervangen door de woorden "inrichtingen of activiteiten" en worden de woorden "sectorale voorwaarden" vervangen door de woorden "sectorale milieuvoorwaarden";
  2° in het tweede lid wordt het woord "inrichtingen" vervangen door de woorden "inrichtingen of activiteiten".

  Art. 151. In artikel 3.7.1, § 1 en § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2007, wordt het woord "inrichting" vervangen door de woorden "inrichting of activiteit".

  Art. 152. In artikel 4.1.1, § 1, 13°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 12 december 2008, wordt in punt 13° de zinsnede "overeenkomstig artikelen 41, 44 en 48 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" telkens vervangen door de zinsnede "overeenkomstig de artikelen 2.2.6, 2.2.9 en 2.2.13 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening".

  Art. 153. In artikel 4.1.6, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 27 april 2007, wordt de zinsnede "4.3.5, § 1, en 4.5.3, § 1" vervangen door de zinsnede "of in voorkomend geval bij haar advies als vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, en artikel 4.5.2, § 4".

  Art. 154. In artikel 4.1.7, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt het woord "daarover" vervangen door de woorden "over het rapport of de rapporten".

  Art. 155. In artikel 4.3.2, § 1, § 2, § 2bis, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 maart 2012, wordt het tweede lid telkens vervangen door wat volgt:
  "De verplichting tot het uitvoeren van een project-m.e.r. geldt niet voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning en de omzetting, vermeld in artikel 70 respectievelijk 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, tenzij de loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben.".

  Art. 156. In artikel 4.3.3, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 maart 2012, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Er moet geen milieueffectrapport over het project worden opgesteld als de overheid, vermeld in het eerste lid, oordeelt dat:
  1° een toetsing aan de criteria van bijlage II uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of
  2° vroeger al een plan-MER werd goedgekeurd betreffende een plan of programma waarin een project met vergelijkbare effecten beoordeeld werd of een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.".

  Art. 157. In titel IV, hoofdstuk III, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008 en 23 maart 2012, wordt het opschrift van afdeling II vervangen door wat volgt:
  "Afdeling II. - Aanmelding en inhoudsafbakening van het voorgenomen project-MER".

  Art. 158. Artikel 4.3.4 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 4.3.4. § 1. Voor de initiatiefnemer de vergunningsaanvraag of in voorkomend geval de vergunningsaanvragen indient, meldt hij aan de administratie zijn voornemen om een project-MER op te stellen.
  Die aanmelding bevat ten minste:
  1° een beschrijving van het project, met inbegrip van een beknopte beschrijving van de overwogen alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan;
  2° de vergunningen die moeten worden aangevraagd en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand;
  3° een beschrijving van de te onderzoeken aanzienlijke effecten voor mens en milieu die het project vermoedelijk zal hebben;
  4° een beschrijving van het procesverloop, met in voorkomend geval een beschrijving van het participatietraject;
  5° in voorkomend geval alle beschikbare informatie over de mogelijke aanzienlijke grensoverschrijdende effecten van het project;
  6° de relevante gegevens over de voorgestelde erkende MER-coördinator en het voorgestelde team van erkende MER-deskundigen, vermeld in artikel 4.3.6, en de taakverdeling tussen de deskundigen, op basis van de beschrijving, vermeld in punt 3° ;
  7° in voorkomend geval een verzoek tot advies over de te verstrekken informatie, vermeld in artikel 4.3.7;
  8° in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of aangeduide delen ervan.
  De administratie kan aan de initiatiefnemer steeds vragen om aanvullende informatie te verstrekken. De procedure kan pas worden voortgezet nadat de administratie de door haar gevraagde informatie heeft ontvangen.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de informatie die in de aanmelding opgenomen moet worden. Dit kan zowel gaan om aanvullende informatie die niet wordt vermeld in het tweede lid als om een verdere verduidelijking van de informatie vermeld in het tweede lid.
  § 2. Als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, meldt de administratie het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie, met de vraag of ze hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen. Die melding omvat ten minste de volgende informatie:
  1° een afschrift van de aanmelding, vermeld in paragraaf 1;
  2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
  3° informatie over de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project onderworpen is.
  De administratie brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie gemeld werd.
  § 3. De administratie neemt een beslissing over de opstellers van het project-MER, vermeld in artikel 4.3.6, en deelt haar beslissing aan de initiatiefnemer mee binnen de termijn en op de wijze die wordt bepaald door de Vlaamse Regering.
  § 4. Als de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, een verzoek tot advies als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 7°, bevat, bezorgt de administratie een afschrift van de aanmelding voor advies aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die de Vlaamse Regering heeft aangewezen.
  Na ontvangst van de adviezen van de instanties, vermeld in het eerste lid, verleent de administratie een advies over de informatie die de initiatiefnemer overeenkomstig artikel 4.3.7 moet verstrekken. De administratie houdt bij haar advies rekening met de opmerkingen en commentaren van de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen in kwestie.
  § 5. De administratie maakt de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn bekend op haar website.
  Als de initiatiefnemer in de aanmelding een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de gegevens in kwestie geheel of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking. Als ze beslist tot gehele of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking van de aangeduide gegevens, moet ze de gegevens die aan bekendmaking worden onttrokken, opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet bekendgemaakt.
  Tegen de beslissing tot onttrekking aan bekendmaking staat beroep open overeenkomstig artikel 22 tot en met 27 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.
  § 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de aanmeldingsprocedure, de grens- en gewestgrensoverschrijdende procedure en de procedure van adviesverlening vanwege de adviesinstanties en de administratie.
  § 7. De initiatiefnemer kan voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag of vergunningsaanvragen aan de administratie vragen dat het project-MER inhoudelijk op zijn kwaliteit wordt getoetst.
  In de gevallen, vermeld in het eerste lid, toetst de administratie het project-MER inhoudelijk aan:
  1° de beslissing, vermeld in paragraaf 3;
  2° in voorkomend geval het advies, vermeld in paragraaf 4, tweede lid;
  3° de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.3.7;
  4° in voorkomend geval de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in paragraaf 2.
  Het resultaat van de toetsing leidt tot de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER.
  De administratie bezorgt haar beslissing over de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER binnen een door de Vlaamse Regering bepaalde termijn aan de initiatiefnemer.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER en voor de bekendmaking ervan.".

  Art. 159. Artikel 4.3.5 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt opgeheven.

  Art. 160. In artikel 4.3.6 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "de in artikel 4.3.5, § 1, bedoelde inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen" vervangen door de zinsnede "in voorkomend geval met het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid";
  2° in paragraaf 3 wordt de zin "De MER-coördinator en zijn team moeten in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie, als aanvulling op de afgebakende inhoud en de bijzondere richtlijnen bedoeld in artikel 4.3.5, § 1, in acht nemen." opgeheven.

  Art. 161. In artikel 4.3.7, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt de zinsnede "de beslissing, bedoeld in artikel 4.3.5, § 1," vervangen door de zinsnede "het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid,".

  Art. 162. Artikel 4.3.8 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 4.3.8. § 1. Op de wijze, vermeld in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure of -procedures, bezorgt de initiatiefnemer het project-MER aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.
  De initiatiefnemer kan aan de overheid, vermeld in het eerste lid, vragen dat bepaalde delen uit het project-MER aan het openbaar onderzoek binnen de vergunningsprocedure worden onttrokken. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van de administratie met de administraties betrokken in de vergunningsprocedure.
  § 2. Na raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het derde lid, en na afsluiting van het openbaar onderzoek van de vergunningsprocedure, toetst de administratie het project-MER inhoudelijk:
  1° aan de beslissing, vermeld in artikel 4.3.4, § 3;
  2° in voorkomend geval aan het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid;
  3° aan de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.3.7;
  4° aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de instanties en het publiek over het project-MER, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek;
  5° in voorkomend geval aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2, en het publiek over het project-MER, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek in grensoverschrijdend verband.
  Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het project-MER-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het project-MER.
  De adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, zijn de instanties die de Vlaamse Regering heeft aangewezen en die vermeld zijn in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze van raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, en van de bevoegde autoriteiten, vermeld in het eerste lid, 5°, door de administratie.
  § 3. De administratie bezorgt haar beslissing over de goed- of afkeuring van het project-MER:
  1° aan de initiatiefnemer;
  2° in voorkomend geval aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, eerste lid;
  3° aan de adviesverlenende instanties, vermeld in paragraaf 2, derde lid;
  4° in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2;
  5° aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing over de vergunningsaanvraag voor het project zal nemen.
  De beslissing bevat ook een afschrift van het project-MER-verslag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
  § 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de goed- of afkeuring van het project-MER en voor de bekendmaking ervan.".

  Art. 163. In artikel 4.3.9 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Vanaf de betekening van de beslissing, vermeld in artikel 4.3.8, § 3, liggen het project-MER, het project-MER-verslag, vermeld in artikel 4.3.8, § 2, tweede lid, en in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, ter inzage bij de administratie.";
  2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999" vervangen door de zinsnede "artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004";
  3° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "bedoeld in artikel 4.3.4, § 5" telkens vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4.3.4, § 2".

  Art. 164. In artikel 4.4.1, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt de zinsnede "het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" vervangen door de zinsnede "de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening".

  Art. 165. In artikel 4.5.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, 2°, wordt de zinsnede "decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
  2° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt:
  "Voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning moet geen omgevingsveiligheidsrapport opgemaakt worden.";
  3° in paragraaf 3 worden de woorden "een reeds voor deze inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport kan worden gebruikt om te worden gevoegd bij de vergunningsaanvraag" vervangen door de woorden "er geen bijwerking nodig is van een reeds voor deze inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport";
  4° in paragraaf 6 worden de woorden ", het omgevingsveiligheidsrapport vermeld in paragraaf 3" opgeheven.

  Art. 166. Artikel 4.5.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 4.5.2. § 1. Voor de initiatiefnemer de vergunningsaanvraag indient, meldt hij aan de administratie zijn voornemen om een OVR op te stellen.
  Die aanmelding bevat ten minste:
  1° een beschrijving van het project, met inbegrip van een beknopte beschrijving van de overwogen alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan;
  2° de reden van de rapportageplicht van de inrichting;
  3° de vergunningen die moeten worden aangevraagd en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand;
  4° een beschrijving van het procesverloop, met in voorkomend geval een beschrijving van het participatietraject;
  5° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, vermeld in paragraaf 2;
  6° de relevante gegevens over de voorgestelde erkende deskundige, vermeld in artikel 4.5.5, in voorkomend geval aangevuld met de lijst van deskundigen die de erkende deskundige zullen bijstaan en de taakverdeling tussen de deskundigen;
  7° overeenkomstig de vereisten van artikel 4.5.6 en van het v.r.-richtlijnenboek, een beschrijving van de inhoudelijke aanpak, met inbegrip van de methodologie van het OVR;
  8° in voorkomend geval een verzoek tot advies over de te verstrekken informatie, vermeld in artikel 4.5.6;
  9° in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of aangeduide delen ervan.
  De administratie kan aan de initiatiefnemer steeds vragen om aanvullende informatie te verstrekken. De procedure kan pas worden voortgezet nadat de administratie de door haar gevraagde informatie heeft ontvangen.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de informatie die in aanmelding opgenomen moet worden. Dit kan zowel gaan om aanvullende informatie die niet wordt vermeld in het tweede lid als om een verdere verduidelijking van de informatie vermeld in het tweede lid.
  § 2. Als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat het project ten gevolge van een zwaar ongeval betekenisvolle effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het verdrag betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen dat op 17 maart 1992 in Helsinki werd ondertekend, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, meldt de administratie het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie, met de vraag of ze hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen. Die melding omvat ten minste de volgende informatie:
  1° een afschrift van de aanmelding, vermeld in paragraaf 1;
  2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
  3° informatie over de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project onderworpen is.
  De administratie brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie werd gemeld.
  § 3. De administratie neemt een beslissing over de opstellers van het OVR, vermeld in artikel 4.5.5, en deelt haar beslissing aan de initiatiefnemer mee binnen de termijn en op de wijze die wordt bepaald door de Vlaamse Regering.
  § 4. Als de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, een verzoek tot advies als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 8°, bevat, verleent de administratie een advies over de informatie die de initiatiefnemer overeenkomstig artikel 4.5.6 moet verstrekken.
  § 5. De administratie maakt de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn bekend op haar website.
  Als de initiatiefnemer in de aanmelding een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de gegevens in kwestie geheel of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking. Als ze beslist tot gehele of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking van de aangeduide gegevens, moet ze de gegevens die aan bekendmaking worden onttrokken, opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet bekendgemaakt.
  Tegen de beslissing tot onttrekking aan bekendmaking staat beroep open overeenkomstig artikel 22 tot en met 27 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.
  § 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de aanmeldingsprocedure, de grens- en gewestgrensoverschrijdende procedure en de procedure van adviesverlening vanwege de administratie.
  § 7. De initiatiefnemer kan voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag aan de administratie vragen dat het OVR inhoudelijk op zijn kwaliteit wordt getoetst.
  In de gevallen, vermeld in het eerste lid, toetst de administratie het OVR inhoudelijk aan:
  1° de beslissing, vermeld in paragraaf 3;
  2° de beschrijving van de inhoudelijke aanpak van het OVR, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 7° ;
  3° in voorkomend geval het advies, vermeld in paragraaf 4;
  4° de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.5.6;
  5° in voorkomend geval de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in paragraaf 2.
  Het resultaat van de toetsing leidt tot de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR.
  De administratie bezorgt haar beslissing over de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR binnen een door de Vlaamse Regering bepaalde termijn aan de initiatiefnemer.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR en voor de bekendmaking ervan.".

  Art. 167. Artikel 4.5.3 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt opgeheven.

  Art. 168. In artikel 4.5.5, § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt de zinsnede "de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie als aanvulling op de afgebakende inhoud, bedoeld in artikel 4.5.3, § 1, 1° en 2°, " vervangen door de zinsnede "het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4,".

  Art. 169. Artikel 4.5.7 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 4.5.7. § 1. Op de wijze, vermeld in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure, bezorgt de initiatiefnemer het OVR aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.
  De initiatiefnemer kan aan de overheid, vermeld in het eerste lid, vragen dat bepaalde delen uit het OVR aan het openbaar onderzoek binnen de vergunningsprocedure worden onttrokken. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van de administratie met de administraties betrokken in de vergunningsprocedure.
  § 2. Na raadpleging van de adviesverlenende instanties en na afsluiting van het openbaar onderzoek van de vergunningsprocedure, toetst de administratie het OVR inhoudelijk:
  1° aan de beslissing, vermeld in artikel 4.5.2, § 3;
  2° aan de beschrijving van de inhoudelijke aanpak van het OVR, vermeld in artikel 4.5.2, § 1, tweede lid, 7° ;
  3° in voorkomend geval aan het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4;
  4° aan de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.5.6;
  5° aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de instanties en het publiek over het OVR, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek;
  6° in voorkomend geval aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2, en het publiek over het OVR, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek in grensoverschrijdend verband.
  Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het OVR-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het OVR.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze van raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, en van de bevoegde autoriteiten, vermeld in het eerste lid, 5°, door de administratie.
  § 3. De administratie bezorgt haar beslissing over de goed- of afkeuring van het OVR:
  1° aan de initiatiefnemer;
  2° aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die de Vlaamse Regering heeft aangewezen;
  3° in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2;
  4° aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.
  De beslissing bevat ook een afschrift van het OVR-verslag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
  § 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de goed- of afkeuring van het OVR en de bekendmaking ervan.".

  Art. 170. In artikel 4.5.8 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Vanaf de betekening van de beslissing, vermeld in artikel 4.5.7, § 3, liggen het OVR, het OVR-verslag, vermeld in artikel 4.5.7, § 2, tweede lid, en in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4, ter inzage bij de administratie.";
  2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999" vervangen door de zinsnede "artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004";
  3° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "bedoeld in artikel 4.5.2, § 4" telkens vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4.5.2, § 2".

  Art. 171. In artikel 4.6.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en vervangen bij het decreet van 27 maart 2009, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6".

  Art. 172. In artikel 4.6.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt:
  "Het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, omvat de bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het tweede lid.";
  2° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt:
  "Het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4, omvat de bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het tweede lid.".

  Art. 173. In artikel 4.6.4 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij de decreten van 27 april 2007 en 23 maart 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, 1°, wordt punt b) opgeheven;
  2° in paragraaf 1, 1°, wordt punt c) vervangen door wat volgt:
  "c) de afkeuring van het plan-MER, vermeld in artikel 4.2.10, § 2;";
  3° in paragraaf 1, 2°, wordt punt a) opgeheven;
  4° in paragraaf 1, 2°, wordt punt b) vervangen door wat volgt:
  "b) de afkeuring van het ruimtelijk veiligheidsrapport, vermeld in artikel 4.4.4, § 2.".

  Art. 174. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt een titel V ingevoegd, die luidt als volgt:
  "TITEL V. - Exploitatie van inrichtingen en activiteiten en erkende personen".

  Art. 175. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "HOOFDSTUK 1. - Definities en doelstelling".

  Art. 176. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 175, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 1. - Algemene definities".

  Art. 177. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 november 2012, wordt in titel V, hoofdstuk 1, afdeling 1, ingevoegd bij artikel 176, een artikel 5.1.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.1.1. In deze titel wordt verstaan onder:
  1° activiteiten: de werken en handelingen, vermeld in de indelingslijst;
  2° decreet van 25 april 2014: het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
  3° emissie: de directe of indirecte uitstoot van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid uit puntbronnen of diffuse bronnen van inrichtingen en activiteiten in de lucht, het water of de bodem;
  4° exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een ingedeelde inrichting exploiteert of voor de rekening van wie ze wordt geëxploiteerd;
  5° exploiteren: het installeren, in werking stellen, gebruiken of in stand houden van ingedeelde inrichtingen of het aanvangen en uitvoeren van ingedeelde activiteiten;
  6° GPBV-installatie: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst, en aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;
  7° indelingslijst: de lijst, vastgesteld door de Vlaamse Regering bestaande uit rubrieken die een omschrijving omvatten van de inrichtingen en activiteiten die ernstige risico's of hinder voor de mens en het milieu kunnen inhouden;
  8° ingedeelde inrichting of activiteit: één inrichting of activiteit en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie of, in voorkomend geval, meerdere inrichtingen of activiteiten en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie die voor hun exploitatie als een samenhangend technisch geheel moeten worden beschouwd. Het feit dat verschillende inrichtingen en activiteiten een verschillend eigendomsstatuut hebben belet niet dat ze door hun onderlinge technische samenhang als één ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden beschouwd;
  9° inrichtingen: de bedrijven, werkplaatsen, opslagplaatsen, installaties, machines en toestellen, als omschreven in de indelingslijst;
  10° mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten: de door de Vlaamse Regering aangewezen inrichtingen of activiteiten die vanwege hun aard op verschillende locaties al dan niet binnen een vergunde inrichting, kunnen worden ingezet;
  11° tijdelijke inrichtingen en activiteiten: de door de Vlaamse Regering aangewezen inrichtingen en activiteiten die op tijdelijke basis, gedurende maximaal één jaar als ze verband houden met een bouwwerf of maximaal drie maanden in de overige gevallen, worden ingezet en waarvan de exploitatie geen blijvende gevolgen heeft voor de mens en het milieu;
  12° veranderen van een ingedeelde inrichting of activiteit:
  a) het wijzigen: het verplaatsen binnen de vergunde of gemelde inrichting of activiteit, of het aanwenden van een andere exploitatiemethode;
  b) het uitbreiden: het vergroten in capaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning of melding betrekking heeft;
  c) het toevoegen: het vergroten in opslagcapaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning of melding geen betrekking heeft;
  13° verontreiniging: de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem, die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, of de belevingswaarde van het milieu of een ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan.".

  Art. 178. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 175, een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 2. - Definities van genetisch gemodificeerde organismen of pathogene organismen".

  Art. 179. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, afdeling 2, ingevoegd bij artikel 178, een artikel 5.1.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Artikel 5.1.2. In hoofdstuk V wordt verstaan onder:
  1° genetisch gemodificeerd micro-organisme (ggm) of organisme (ggo): een micro-organisme of een organisme waarvan het genetische materiaal gewijzigd is op een wijze die van nature of door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is;
  2° pathogene organismen: fytopathogenen, menselijke pathogenen of zoöpathogenen;
  3° ingeperkt gebruik: elke activiteit waarbij organismen genetisch worden gemodificeerd of waarbij dergelijke ggo's of pathogene organismen worden gekweekt, opgeslagen, getransporteerd, vernietigd, verwijderd of anderszins gebruikt en waarbij specifieke inperkingsmaatregelen worden gebruikt om het contact van die organismen met de bevolking in het algemeen en het milieu te beperken;
  4° kennisgeving: het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het uitoefenen van activiteiten van risiconiveau 1 of 2;
  5° toelating: het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het verkrijgen van een toelating voor de uitoefening van activiteiten met risiconiveau 3 of 4.".

  Art. 180. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 175, een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 3. - Doelstelling".

  Art. 181. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, afdeling 3, ingevoegd bij artikel 180, een artikel 5.1.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.1.3. Deze titel heeft tot doel:
  1° de mens en het milieu te beschermen tegen onaanvaardbare risico's en hinder, afkomstig van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.
  De hinder en risico's omvatten:
  a) de hinder en risico's als gevolg van de directe of indirecte inbreng van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kunnen aantasten;
  b) de risico's op ongevallen als gevolg van de exploitatie en de gevolgen daarvan voor de gezondheid van de mens en het milieu;
  c) de risico's en de hinder door uitputting van hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen, de verspilling van materialen en energie in het algemeen alsook de schadelijke gevolgen voor mens en milieu, verbonden aan materiaalgebruik en -verbruik;
  d) mobiliteitshinder.
  De bescherming geldt eveneens ten aanzien van personen die zich binnen de inrichting bevinden en die niet dezelfde bescherming genieten als de werknemers of hun gelijkgestelden, vermeld in artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitoefening van hun werk;
  2° een erkenning in te stellen voor het uitoefenen van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen.
  Deze titel draagt bij tot de realisatie van de doelstellingen omschreven in artikel 1.2.1 van dit decreet.
  Deze titel beoogt tevens een proces van permanente verbetering aan te moedigen bij de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.".

  Art. 182. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "HOOFDSTUK 2. - Algemene beginselen inzake vergunnings- en meldingsplicht".

  Art. 183. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 182, een artikel 5.2.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.2.1. § 1. De Vlaamse Regering stelt de indelingslijst vast.
  § 2. In de indelingslijst bepaalt de Vlaamse Regering voor elke inrichting of activiteit of ze van de eerste, tweede of derde klasse is. Van de eerste klasse zijn de inrichtingen of activiteiten met de grootste risico's of hinder. Van de derde klasse zijn de inrichtingen of activiteiten met de minste risico's of hinder.
  In de indelingslijst wijst de Vlaamse Regering ook de inrichtingen en activiteiten aan die tijdelijk, mobiel of verplaatsbaar zijn.
  § 3. Een ingedeelde inrichting of activiteit is van de eerste klasse als ze bestaat uit minstens één inrichting of activiteit die van de eerste klasse is.
  In voorkomend geval omvat een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse ook alle inrichtingen of activiteiten van de tweede en de derde klasse die samen op de locatie worden geëxploiteerd.
  § 4. Een ingedeelde inrichting of activiteit is van de tweede klasse als ze bestaat uit minstens één inrichting of activiteit die van de tweede klasse is, maar geen inrichting of activiteit omvat die van de eerste klasse is.
  In voorkomend geval omvat een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse ook alle inrichtingen of activiteiten van de derde klasse die samen op de locatie worden geëxploiteerd.
  § 5. Een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse bestaat uitsluitend uit inrichtingen of activiteiten van de derde klasse.
  § 6. Voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse of voor de verandering ervan is een omgevingsvergunning vereist als vermeld in artikel 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
  Voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse of voor de verandering ervan is een meldingsakte vereist als vermeld in artikel 6, tweede lid, van het voormelde decreet.".

  Art. 184. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 2 van titel V, een artikel 5.2.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.2.2. De Vlaamse overheid houdt een databank bij van de omgevingsvergunningen die toelating verlenen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.
  De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van die databank, de gegevens die door de gemeenten en de provincies aan de voormelde afdeling worden aangeleverd en de wijze waarop dat gebeurt.".

  Art. 185. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria".

  Art. 186. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 3, ingevoegd bij artikel 185, een artikel 5.3.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.3.1. De vergunningverlenende overheid weigert de omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ingedeelde inrichting of activiteit, als de exploitatie:
  1° onaanvaardbare risico's of hinder voor de mens en het milieu inhoudt die niet door algemene, sectorale of bijzondere milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden herleid;
  2° in strijd is met:
  a) een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling, ingesteld ter bescherming van de mens en het milieu tegen de risico's en de hinder, afkomstig van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, voor zover daarvan niet op geldige wijze kan worden afgeweken;
  b) een stedenbouwkundig voorschrift of een verkavelingsvoorschrift, voor zover daarvan niet op geldige wijze kan worden afgeweken;
  c) de goede ruimtelijke ordening.".

  Art. 187. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk 4. Milieuvoorwaarden en evaluaties".

  Art. 188. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 1. - Algemeen".

  Art. 189. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, afdeling 1, ingevoegd bij artikel 188, een artikel 5.4.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.4.1. De Vlaamse Regering stelt de algemene en sectorale milieuvoorwaarden vast. De algemene en sectorale milieuvoorwaarden beogen het voorkomen en beperken van onaanvaardbare hinder en risico's die de betrokken inrichtingen en activiteiten kunnen veroorzaken. In voorkomend geval beogen ze tevens het ongedaan maken van de schade die de exploitatie van de inrichting of activiteit heeft toegebracht aan het milieu.
  De Vlaamse Regering kan voorwaarden vaststellen ter bescherming van de mens en het milieu tegen bepaalde vormen van hinder en risico's afkomstig van niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten.".

  Art. 190. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 1 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.4.2. De algemene milieuvoorwaarden gelden voor alle ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
  De sectorale milieuvoorwaarden gelden voor bepaalde types van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
  De milieuvoorwaarden voor niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten gelden voor de niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten die de Vlaamse Regering aanwijst.".

  Art. 191. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 1 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.4.3. § 1. Bij de vaststelling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden wordt voor een geïntegreerde aanpak gezorgd en wordt een hoog niveau van bescherming van de mens en het milieu gewaarborgd tegen de risico's en de hinder afkomstig van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.
  De milieuvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden op de beste beschikbare technieken gebaseerd. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de beste beschikbare technieken vastgesteld worden.
  § 2. Bij de vaststelling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden houdt de Vlaamse Regering rekening met:
  1° de geldende milieukwaliteitsnormen, met inbegrip van de bijzondere milieukwaliteitsnormen;
  2° de bestaande toestand van het milieu en van de gezondheid van de mens, voor zover die gezondheid wordt beïnvloed door de toestand van het milieu, telkens voor zover de betrokken inrichtingen en activiteiten hier risico's of hinder voor kunnen veroorzaken;
  3° de ligging van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten in of nabij gebieden die een bijzondere bescherming behoeven of hindergevoelige objecten;
  4° het feit dat de hinder en de risico's afkomstig van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten moeten worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau.
  § 3. Met het oog op de bescherming van de mens en het milieu kunnen de milieuvoorwaarden bepalingen bevatten die de toelaatbaarheid van bepaalde ingedeelde inrichtingen en activiteiten in of nabij sommige gebieden of hindergevoelige objecten beperken of verbieden.
  § 4. Waar mogelijk geven de algemene en sectorale milieuvoorwaarden de concrete doelstellingen aan die de betrokkenen op de door hen te bepalen wijze moeten verwezenlijken. Zij kunnen ook aangeven welke middelen moeten worden aangewend. Waar mogelijk geven ze dan ook aan welk beschermingsniveau of welke doelstelling hiermee wordt nagestreefd.".

  Art. 192. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 1 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.4.4. Het voorontwerp van besluit van de Vlaamse Regering inzake vaststelling van algemene en sectorale milieuvoorwaarden wordt gedurende een termijn van dertig dagen gepubliceerd op de website van de afdeling bevoegd voor de omgevingsvergunning van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie.
  Het voorontwerp van besluit is gedurende dezelfde termijn ter inzage bij de afdeling bevoegd voor de omgevingsvergunning van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie.
  Gedurende deze termijn kan elke persoon zijn opmerkingen aan deze afdeling meedelen.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake bekendmaking en inspraak van de bevolking.".

  Art. 193. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 2. - Onderlinge verhouding tussen de algemene milieuvoorwaarden, de sectorale milieuvoorwaarden en de bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72 en 113 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".

  Art. 194. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, afdeling 2, ingevoegd bij artikel 193, een artikel 5.4.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.4.5. De sectorale milieuvoorwaarden kunnen de algemene milieuvoorwaarden aanvullen of stellen bijkomende eisen.
  De sectorale milieuvoorwaarden kunnen strenger zijn dan de algemene milieuvoorwaarden.
  De sectorale milieuvoorwaarden kunnen om technische redenen in minder strenge zin afwijken van de algemene milieuvoorwaarden, in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald.".

  Art. 195. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 2 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.6 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.4.6. De bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72 en 113 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vullen de algemene en sectorale milieuvoorwaarden aan of stellen bijkomende eisen.
  De voormelde bijzondere milieuvoorwaarden kunnen strenger zijn dan de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, behalve als het andersluidend bepaald is door de Vlaamse Regering.
  De voormelde bijzondere milieuvoorwaarden kunnen om technische redenen in minder strenge zin afwijken van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden.".

  Art. 196. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 2 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.7 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.4.7. Tenzij anders bepaald door de Vlaamse Regering zijn de algemene en sectorale milieuvoorwaarden al dan niet na afloop van een door de Vlaamse Regering te bepalen overgangstermijn van toepassing op inrichtingen en activiteiten die op de datum van inwerkingtreding van het besluit houdende milieuvoorwaarden zijn vergund of waarvoor een meldingsakte bestaat. In afwijking hiervan blijven de strengere bijzondere milieuvoorwaarden uit de op die datum lopende vergunning of uit de geldende beslissing verder gelden.".

  Art. 197. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 3. - Afwijking van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden".

  Art. 198. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, afdeling 3, ingevoegd bij artikel 197, een artikel 5.4.8 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.4.8. De Vlaamse Regering bepaalt door wie, in welke gevallen, de voorwaarden waaronder en de grenzen waarbinnen een afwijking van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden toegestaan kan worden en stelt de verdere regels voor de indiening en de behandeling van en de beslissing over de afwijkingsaanvraag, met inbegrip van de bekendmaking ervan, vast.".

  Art. 199. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 4 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 4. - Verplichtingen van de exploitant".

  Art. 200. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, afdeling 4, ingevoegd bij artikel 199, een artikel 5.4.9 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.4.9. § 1. De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit is verplicht de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden na te leven.
  § 2. Ongeacht de verleende omgevingsvergunning treft de exploitant altijd de nodige maatregelen om schade, hinder, incidenten en ongevallen die de mens of het milieu aanzienlijk beïnvloeden, te voorkomen.
  Ongeacht de verleende omgevingsvergunning treft de exploitant, in geval van incidenten en ongevallen die de mens of het milieu aanzienlijk beïnvloeden, onmiddellijk de nodige maatregelen om de gevolgen ervan voor de mens en het milieu te beperken en om verdere mogelijke incidenten en ongevallen te voorkomen.".

  Art. 201. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 4 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.10 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.4.10. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de verplichtingen van de exploitant, vermeld in artikel 5.4.9.".

  Art. 202. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 5 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 5. - Evaluaties".

  Art. 203.
  <Opgeheven bij DVR 2015-12-18/24, art. 149, 003; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Art. 204.In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 5 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.12 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.4.12. § 1. De bevoegde dienst van de gemeente wordt belast met de coördinatie en de uitvoering van de evaluaties van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.
  De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de provinciale omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, voor het uitvoeren van de evaluaties een advies verleent aan het college van burgemeester en schepenen.
  § 2. De provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, worden belast met de coördinatie en de uitvoering van de evaluaties van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor respectievelijk de deputatie en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.
  De adviesinstanties die overeenkomstig artikel 24, eerste lid, [1 ...]1 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies te verlenen, verlenen advies in het kader van een evaluatie van de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie.
  [1 § 3. De Vlaamse Regering stelt de termijnen vast waarbinnen de in paragraaf 1 en 2 vermelde adviezen moeten worden uitgebracht. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn wordt de adviesinstantie of de adviserende provinciale omgevingsvergunningscommissie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden moet plaatsvinden.]1 ".
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 150, 003; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Art. 205. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 5 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.13 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.4.13. De bevoegde dienst van de gemeente, de provinciale en de gewestelijke omgevingvergunningscommissie kunnen voor de uitvoering van de evaluaties informatie vragen bij de exploitant of bij de bevoegde toezichthouder, vermeld in titel XVI.".

  Art. 206. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 5 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.14 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.4.14. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van de evaluaties.".

  Art. 207. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk 5. - Genetisch gemodificeerde organismen of pathogene organismen".

  Art. 208.[1 In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 207, een artikel 5.5.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
   " Art. 5.5.1. § 1. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een kennisgevingsdossier of toelatingsaanvraag met betrekking tot genetisch gemodificeerde organismen, genetisch gemodificeerde micro-organismen of pathogenen indient, is een dossiertaks verschuldigd.
   De opbrengst van de dossiertaks, vermeld in het eerste lid, wordt rechtstreeks en integraal in het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur gestort.
   § 2. De dossiertaks bedraagt:
   1° voor een toelatingsaanvraag bij een eerste of een volgend ingeperkt gebruik van niveau 2, 3 of 4: 500 euro;
   2° voor een kennisgeving van een eerste ingeperkt gebruik risiconiveau 1 of een kennisgeving van een volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 2: 100 euro.
   § 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels inzake de dossiertaks vaststellen.]1 ".
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 151, 003; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Art. 209. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 5 van titel V een artikel 5.5.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.5.2. § 1. Voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, ingedeeld in de eerste of de tweede klasse is, naast de omgevingsvergunning voor de inrichting bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, een kennisgeving of toelating vereist.
  De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de kennisgeving gebeurt en de toelating wordt aangevraagd en behandeld. De Vlaamse Regering wijst de overheid aan die de toelatingen verleent en de kennisgevingen ontvangt. De overheid die de toelating verleent, kan voorwaarden aan de toelating verbinden.
  § 2. De toelating kan alleen verleend worden zodra de omgevingsvergunning voor de inrichting, bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, verleend is.
  De kennisgeving voor het ingeperkte gebruik, ingedeeld in de eerste of de tweede klasse, heeft op zijn vroegst uitwerking nadat de omgevingsvergunning voor de inrichting, bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, verleend is.
  § 3. Als de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, vervalt, vervalt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten.
  Als de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, afloopt, ingetrokken, geschorst, opgeheven of vernietigd is, wordt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten geschorst zolang de omgevingsvergunning is geschorst of totdat de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, verkregen is.
  In ieder geval vervalt het recht het ingeperkte gebruik voort te zetten als de einddatum, vermeld in de toelating, verstreken is.
  § 4. De voorwaarden die door de bevoegde overheid aan de toelating verbonden worden, worden beschouwd als de voorwaarden, vermeld in artikel 72 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".

  Art. 210. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 6 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "HOOFDSTUK 6. - Erkenningen".

  Art. 211. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 6, ingevoegd bij artikel 210, een artikel 5.6.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.6.1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de erkenningen voorgeschreven bij of krachtens titel V en de andere titels van dit decreet, voor zover die titels naar de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verwijzen.
  De bepalingen van dit hoofdstuk zijn ook van toepassing op de erkenningen, voorgeschreven bij of krachtens andere wetten en decreten, voor zover die wetten en decreten naar de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verwijzen.".

  Art. 212. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.6.2. De uitoefening van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en de uitvoering van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen kan afhankelijk worden gemaakt van het voorafgaand verkrijgen van een erkenning.
  De erkenningen, vermeld in het eerste lid, worden op grond van de aard ervan in categorieën ingedeeld.
  De rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die door de Vlaamse overheid of door een door haar erkende organisatie is uitgereikt, krijgen van rechtswege een erkenning als vermeld in het eerste lid.
  Rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in België is uitgereikt door een andere overheid of organisatie dan de overheid of organisatie, vermeld in het derde lid, en waarvan ten aanzien van een bepaalde erkenning voorafgaandelijk de gelijkwaardigheid is vastgesteld, krijgen van rechtswege een erkenning als vermeld in het eerste lid.
  In afwijking van het eerste lid kan bij een tijdelijke en incidentele uitoefening van de erkenningsplichtige handelingen, vermeld in het eerste lid, voor een persoon die niet is gevestigd in het Vlaamse Gewest alleen een voorafgaande kennisgeving worden vereist. Die procedure wordt ingesteld op voorwaarde dat door de aard van de specifieke handelingen een tijdelijke en incidentele uitoefening in redelijkheid mogelijk is en de voorwaarden alleen betrekking hebben op het bezit van beroepskwalificaties.
  De Vlaamse Regering bepaalt voor welke functies, opleidingen en handelingen als vermeld in het eerste lid, de erkenningsplicht en, in voorkomend geval, de kennisgevingsplicht, vermeld in het vijfde lid, geldt. Ze stelt tevens de nadere regels vast met het oog op de uitvoering van de bepalingen van de leden 2 tot en met 5.".

  Art. 213. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.6.3. De Vlaamse Regering stelt voor de verschillende categorieën van erkenningen de nadere regels vast voor de aanvraag, weigering of verlening en bekendmaking van erkenningen. Ze bepaalt de adviezen die worden ingewonnen en de wijze waarop ze worden uitgebracht. Ze wijst ook de overheden en organisaties aan die uitspraak doen over de erkenningsaanvragen met een met redenen omkleed besluit.
  Op zijn verzoek wordt de aanvrager van een erkenning gehoord door de overheden of organisaties, vermeld in het eerste lid. Die overheden of organisaties kunnen zelf het initiatief nemen om de aanvrager over zijn aanspraken op een erkenning te horen.
  De erkenning wordt verleend als voldaan is aan de voorwaarden die per categorie van erkenning of per erkenning door de Vlaamse Regering zijn vastgesteld en die voorafgaand aan de erkenningsaanvraag zijn bekendgemaakt.
  Bij de toepassing van de voorwaarden, vermeld in het derde lid, wordt rekening gehouden met gelijkwaardige voorwaarden waaraan de aanvrager in een andere Europese lidstaat of in een ander gewest in België al heeft voldaan.".

  Art. 214. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.6.4. § 1. De overheid of organisatie die over de erkenningsaanvraag uitspraak moet doen, bevestigt binnen dertig dagen de ontvangst van het dossier van de aanvrager en deelt in voorkomend geval mee welke documenten ontbreken. Binnen een termijn van negentig dagen na de indiening van het volledige dossier wordt door de bevoegde overheid of organisatie uitspraak gedaan. De bevoegde overheid of organisatie kan die termijn met maximaal dertig dagen verlengen.
  § 2. De Vlaamse Regering kan de erkenningen aanwijzen die geacht worden stilzwijgend te zijn verkregen als geen beslissing over de erkenningsaanvraag wordt betekend binnen de door haar vastgestelde termijn.
  De Vlaamse Regering kan daartoe alleen besluiten nadat ze tot de vaststelling is gekomen dat de belangenafweging door de overheden en organisaties, vermeld in artikel 5.6.3, eerste lid, bij hun beslissingen over erkenningsaanvragen, niet in alle gevallen noodzakelijk is om dwingende reden van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij.".

  Art. 215. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.6.5. Het gebruik van erkenningen kan aan gebruikseisen worden onderworpen. Die gebruikseisen kunnen periodieke evaluaties inhouden waarvan het resultaat het verval van rechtswege van de erkenning tot gevolg kan hebben.
  De Vlaamse Regering stelt de gebruikseisen vast, alsook de nadere regels voor het verval van rechtswege van de erkenningen.".

  Art. 216. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.6 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.6.6. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van titel XVI kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen overheden de erkenning schorsen of opheffen.
  De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen tot schorsing of opheffing kan worden overgegaan. De houder van de erkenning wordt gehoord op zijn verzoek. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de procedure die gevolgd moet worden bij schorsing of opheffing van de erkenning.".

  Art. 217. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.7 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.6.7. Aan elke rechtspersoon of natuurlijke persoon die een erkenningsaanvraag indient, kan voor de behandeling van de erkenningsaanvraag een retributie worden gevraagd. Dezelfde retributie kan worden gevraagd voor de uitoefening van het toezicht op de erkennings- en gebruikseisen. De Vlaamse Regering bepaalt voor welke erkenningen of toezichtverplichtingen een retributie is verschuldigd en stelt de bedragen vast, alsook de wijze waarop aan de retributie moet worden voldaan.".

  Art. 218. In artikel 10.2.3, § 4, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2005, wordt de zinsnede "decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".

  Art. 219. In artikel 10.3.3, § 2, 6°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004, wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V".

  Art. 220.
  <Opgeheven bij DVR 2015-12-18/24, art. 152, 003; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Afdeling 9. - Wijzigingen van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten

  Art. 221. In artikel 44, § 2, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, hernummerd bij het decreet van 20 december 1996 en gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt de zinsnede "het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaamse Reglement betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".

  Afdeling 10. - Wijzigingen van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996

  Art. 222. In artikel 42, § 2, 1°, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, gewijzigd bij het decreet van 24 maart 2006, worden de woorden "geen stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 223. In artikel 43 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 8 juli 1997 en gewijzigd bij de decreten van 7 juli 1998, 7 mei 2004, 24 december 2004 en 23 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "stedenbouwkundige vergunning" worden telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
  2° in het eerste lid worden de woorden "de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar" telkens vervangen door de woorden "de gemeentelijke omgevingsambtenaar".

  Afdeling 11. - Wijzigingen van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg

  Art. 224. Artikel 25 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, ingevoegd bij het decreet van 13 februari 2004, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 25. Als een vergunningsaanvraag niet uitgaat van een administratieve overheid en de ankerplaatsen niet zijn opgenomen in de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de plannen van aanleg, vormen de ankerplaatsen geen beoordelingsgrond voor:
  1° de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
  2° het planologisch of stedenbouwkundig attest, vermeld in de artikelen 4.4.24 en 5.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
  3° de natuurvergunning, vermeld in de artikelen 9, § 2, tweede lid, 1°, en 13, § 3 tot § 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.".

  Afdeling 12. - Wijzigingen van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode

  Art. 225. In artikel 33, § 1, vierde lid, 8°, e), van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, ingevoegd bij het decreet van 27 maart 2009, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Afdeling 13. - Wijzigingen aan het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu

  Art. 226.In artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2002 en gewijzigd bij de decreten van 27 april 2007 en 8 mei 2009, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "Voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning of omzetting krachtens artikel 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning moet geen passende beoordeling uitgevoerd worden, tenzij deze loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu vereisen.
  In afwijking van het tweede lid, moet wel een passende beoordeling uitgevoerd worden indien de administratie bevoegd voor natuurbehoud in het kader van een omzetting krachtens artikel 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, ambtshalve of op gemotiveerd verzoek van het betrokken publiek, oordeelt dat er geen passende beoordeling werd uitgevoerd en dat het betrokken project een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken. Indien in het kader van de milieuvergunning waarvan de omzetting krachtens artikel 390 van het voormeld decreet wordt gevraagd, een passende beoordeling werd uitgevoerd of een advies van de administratie bevoegd voor natuurbehoud is verleend waaruit blijkt dat het uitvoeren van een passende beoordeling niet vereist was, is voldaan aan de verplichtingen van artikel 36ter, § 3.".
  
  (NOTA : bij arrest nr 125/2016 van 6-10-2016 (B.St. 20-10-2016, 70856), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)

  Afdeling 14. - Wijzigingen van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending

  Art. 227. In artikel 16sexies, § 4, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, ingevoegd bij het decreet 21 december 2007 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het derde lid wordt punt a) vervangen door wat volgt:
  "a) als het gaat om een krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeelde inrichting of activiteit moet de exploitatie gemeld of vergund zijn conform de bepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;";
  2° in het zevende lid wordt punt a) vervangen door wat volgt:
  "a) als het gaat om een krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeelde inrichting of activiteit, een afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie(s) voor afvalwater;".

  Afdeling 15. - Wijziging van het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen

  Art. 228. In artikel 2, 4°, van het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen, wordt het woord "milieuvergunningsplichtige" vervangen door de zinsnede "krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeelde".

  Afdeling 16. - Wijzigingen van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid

  Art. 229. In artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, derde lid, wordt de zinsnede "stedenbouwkundig of planologisch attest, vermeld in artikelen 135, § 2, en 145ter, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" vervangen door de zinsnede "planologisch of stedenbouwkundig attest, vermeld in artikelen 4.4.24 en 5.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening";
  2° in paragraaf 5, eerste lid, worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt:
  "1° de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden van een project, vermeld in artikel 5, 1°, a) en b), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
  2° als dat relevant is, gelet op het voorwerp van de vergunningsaanvraag, de omgevingsvergunning voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten van een project, vermeld in artikel 5, 1°, c), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;";
  3° in paragraaf 5, tweede lid, 1°, wordt de zinsnede "in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996" vervangen door de zinsnede "in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening".

  Art. 230. In artikel 60, § 3, 2°, c), van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt de zinsnede "de inrichtingen, vermeld in artikel 41bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning," vervangen door de zinsnede "de GPBV-installaties, aangewezen in de indelingslijst, vermeld in artikel 7.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid,".

  Afdeling 17. - Wijziging van het decreet van 6 februari 2004 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor wat betreft de milieuaudit en tot aanvulling ervan met een titel milieuvoorwaarden

  Art. 231. De artikelen 2, 3, 10 en punt 1° en 2° van artikel 11, van het decreet van 6 februari 2004 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor wat betreft de milieuaudit en tot aanvulling ervan met een titel milieuvoorwaarden, worden opgeheven.

  Afdeling 18. - Wijzigingen van het decreet van 30 april 2004 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel "Strategische adviesraad" en tot wijziging van diverse andere decreten

  Art. 232. Artikel 5 van het decreet van 30 april 2004 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel "Strategische adviesraad" en tot wijziging van diverse andere decreten, wordt ingetrokken.

  Afdeling 19. - Wijzigingen van het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur

  Art. 233. In artikel 41, § 1, van het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Afdeling 20. - Wijzigingen van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming

  Art. 234. In artikel 2 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008 en 25 mei 2012, wordt punt 31° opgeheven.

  Art. 235. In artikel 7, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt het woord "Bestendige" opgeheven.

  Art. 236. In artikel 11 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen, een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: de exploitant, vermeld in titel V;".

  Art. 237. In artikel 16 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008 en 25 mei 2012, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
  " § 2. Als de emissie waardoor de bodemverontreiniging tot stand is gebracht afkomstig is van een inrichting of activiteit die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, is de exploitant van de inrichting of activiteit, vermeld in titel V, echter aansprakelijk.".

  Art. 238. In artikel 22, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen, een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: de exploitant vermeld in titel V;".

  Art. 239. In artikel 33bis, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 mei 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "risico-inrichtingen die vergunningsplichtig zijn overeenkomstig artikel 4, § 1, van het Milieuvergunningsdecreet" vervangen door de zinsnede "risico-inrichtingen die vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
  2° in het tweede lid wordt het woord "milieuvergunningsaanvraag" vervangen door het woord "omgevingsvergunningsaanvraag".

  Art. 240. In titel III, hoofdstuk V, afdeling I, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt in het opschrift van onderafdeling V de zinsnede "melding, milieuvergunning of stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "meldingsakte of omgevingsvergunning".

  Art. 241. Artikel 54 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 54. Als de bodemsaneringswerken handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.".

  Art. 242. In hoofdstuk V, afdeling II, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2008, wordt in het opschrift van onderafdeling V het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 243. In artikel 69 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt:
  " § 3. Als de veiligheidsmaatregelen handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.".

  Art. 244. In artikel 70 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt:
  " § 3. Als de voorzorgsmaatregelen handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.".

  Art. 245. In artikel 75, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° een grond waarop een inrichting of activiteit is gevestigd die krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeeld wordt in de eerste klasse;".

  Art. 246. Artikel 77 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 77. Als de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt de beslissing van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 76, § 2, als meldingsakte of omgevingsvergunning.".

  Art. 247. In artikel 80 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° de exploitant, vermeld in titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V;".

  Art. 248. In artikel 146, tweede lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008 en 25 mei 2012, wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
  "3° de personen, vermeld in artikel 53 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".

  Afdeling 21. - Wijzigingen van het Mestdecreet van 22 december 2006

  Art. 249. In artikel 35, eerste lid, 5°, van het Mestdecreet van 22 december 2006 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".

  Art. 250. In artikel 47, § 2, 1°, van hetzelfde decreet, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".

  Afdeling 22. - Wijzigingen van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten

  Art. 251. In artikel 13, § 1, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, gewijzigd bij de decreten van 27 maart 2009 en 18 maart 2011, wordt punt 2° opgeheven.

  Afdeling 23. - Wijzigingen van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies

  Art. 252. In artikel 4, 4°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 253. In artikel 8, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2010 en gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2011, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Afdeling 24. - Wijzigingen van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid

  Art. 254. In artikel 1.2, eerste lid, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2010, 23 december 2011 en 31 mei 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 10° wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
  2° in punt 19° wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".

  Art. 255. In artikel 2.2.6 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2009, 9 juli 2010 en 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "afgeleverde of gedane stedenbouwkundige vergunning, melding in de zin van artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, milieuvergunning of melding in de zin van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "uitgereikte omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
  2° in paragraaf 4 worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning in laatste administratieve aanleg" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen in laatste administratieve aanleg".

  Art. 256. In artikel 3.2.11 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011, wordt het woord "verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".

  Art. 257. In artikel 3.2.21, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 2° worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
  2° in punt 7° worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning voor stabiliteitswerken of sloopwerkzaamheden" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stabiliteitswerken of sloopwerkzaamheden" en worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "deze omgevingsvergunning".

  Art. 258. In artikel 4.1.4, § 2, derde lid, 2°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2010 en 23 december 2011, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunningen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 259. In artikel 4.2.1, eerste lid, 4°, van hetzelfde decreet worden de woorden "een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden of een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 260. In artikel 4.2.4/1, 3°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2010, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning uitvoering geeft aan een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen uitvoering geeft aan een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".

  Art. 261. In artikel 4.2.5, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011, wordt de zinsnede "verkavelingsvergunning, respectievelijk de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de zinsnede "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, respectievelijk de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen" en de zinsnede "van artikel 4.2.20 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" door de zinsnede "van artikel 75 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".

  Art. 262. In artikel 4.2.6, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 23 december 2011 en 31 mei 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" vervangen door de zinsnede "het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
  2° in het derde lid worden de woorden "de verkavelingsvergunning of de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 263. In artikel 7.3.11 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "specifieke stedenbouwkundige en verkavelingsvergunningen" vervangen door de zinsnede "specifieke stedenbouwkundige en verkavelingsvergunningen, omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen en omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden";
  2° in het tweede lid wordt het woord "verkavelingswijzigingen" vervangen door de woorden "verkavelingswijzigingen of bijstellingen van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden" en wordt het woord "verkavelingswijziging" vervangen door de woorden "verkavelingswijziging of bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".

  Art. 264. In artikel 7.3.12, derde lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".

  Art. 265. In artikel 7.3.13/1, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "verkavelingsvergunning of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".

  Afdeling 25. - Wijzigingen van het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen

  Art. 266. In artikel 7, § 3, tweede lid, 5°, van het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 267. In artikel 9, § 2, tweede lid, 4°, van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 268. In artikel 15 van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".

  Art. 269. In artikel 16, tweede en derde lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 23 maart 2012, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 270. In artikel 17, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 271. In artikel 21 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 maart 2012, wordt de zinsnede "stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, zoals bedoeld in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" vervangen door de zinsnede "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden als vermeld in artikel 5, 1°, a) en b), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".

  Afdeling 26. - Wijzigingen van het Energiedecreet van 8 mei 2009

  Art. 272. In artikel 1.1.3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 19° wordt vervangen door wat volgt:
  "19° BKG-installatie: een vaste technische eenheid met inrichtingen of activiteiten die in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, als BKG-inrichting of activiteit zijn aangeduid, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende inrichtingen of activiteiten die technisch in verband staan met de voormelde inrichtingen of activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;";
  2° in punt 51° wordt het woord "milieuvergunning(en)" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie";
  3° in punt 113° /2 worden de woorden "een stedenbouwkundige of milieuvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
  4° in punt 113° /2 worden de zinsnede "stedenbouwkundige en/of milieuvergunning" en de woorden "stedenbouwkundige en milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
  5° in punt 113° /2 worden de woorden "de stedenbouwkundige en de milieuvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
  6° in punt 126° /1 worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 273. In artikel 4.1.14, a), van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 274. In artikel 4.1.15, a), van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 275. In artikel 4.1.27 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 maart 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, eerste lid, worden telkens de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
  2° in paragraaf 2, tweede lid, 1°, worden de woorden "de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" vervangen door de woorden "het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
  3° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning" en de zinsnede "artikel 1.1.2, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" door de woorden "artikel 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".

  Art. 276. In artikel 7.1.1, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 13 juli 2012, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 277. In artikel 7.1.6, § 1, negende lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 13 juli 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "een stedenbouwkundige vergunning en een milieuvergunning" worden vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
  2° tussen de woorden "op het moment dat" en de woorden "de laatste van die vergunningen" wordt de zinsnede "de omgevingsvergunning of als er voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van het project enerzijds en het uitvoeren van de stedenbouwkundige handelingen anderzijds een afzonderlijke omgevingsvergunning werd verleend," ingevoegd.

  Art. 278. In artikel 11.1.1 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 november 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "stedenbouwkundige vergunning wordt ingediend, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" vervangen door de zinsnede "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, wordt ingediend";
  2° in paragraaf 1, vijfde lid, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
  3° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "stedenbouwkundige vergunning moet worden ingediend, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" vervangen door de zinsnede "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, moet worden ingediend".

  Art. 279. In artikel 11.1.4, 3°, van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning".

  Art. 280. In artikel 11.1.9, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 281. In artikel 11.1.14, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 november 2011, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen" en de woorden "stedenbouwkundige vergunningen" door de woorden "omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 282. In artikel 13.1.4, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Afdeling 27. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening

  Art. 283. In titel I, hoofdstuk IV, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden afdeling 2, die bestaat uit artikel 1.4.4 en 1.4.5, en afdeling 3, die bestaat uit artikel 1.4.6, 1.4.7 en 1.4.8, opgeheven.

  Art. 284. In artikel 2.1.2 van dezelfde codex wordt paragraaf 7 vervangen door wat volgt:
  " § 7. De ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor aanvragen tot stedenbouwkundig attest of omgevingsvergunning, behalve voor wat betreft de toepassing van artikel 68, tweede lid, 7°, a), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".

  Art. 285. In artikel 2.3.1, eerste lid, 6°, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning".

  Art. 286. In artikel 2.3.2, § 2, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "Gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen de aanvrager van een omgevingsvergunning technische en financiële lasten opleggen. Alle lasten die in artikel 75 tot en met 77 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vermeld worden, kunnen door middel van een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening op algemene wijze opgelegd worden.".

  Art. 287. In artikel 2.4.2, 2°, van dezelfde codex wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".

  Art. 288. In artikel 2.6.1 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 worden de woorden "of te verkavelen" telkens vervangen door de woorden "of voor het verkavelen van gronden";
  2° in paragraaf 4, 3°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
  3° in paragraaf 4, 6°, wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".

  Art. 289. In artikel 2.6.2, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het derde lid, 2°, worden de woorden "een vergunning om te bouwen of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een vergunning om te bouwen of voor het verkavelen van gronden";
  2° in het zesde lid worden de woorden "een vergunning om te bouwen of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een vergunning om te bouwen of voor het verkavelen van gronden".

  Art. 290. In artikel 2.6.5, 1°, van dezelfde codex worden de woorden "een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning".

  Art. 291.In artikel 2.6.14, § 1, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 18 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° [1 ...]1;
  2° in het eerste lid, 2°, b), worden de woorden "een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
  3° in het tweede lid worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning".
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 153, 003; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Art. 292. In artikel 2.6.17, § 3, tweede lid, van dezelfde codex wordt de zinsnede "de verwezenlijking van de ontvoogdingsvoorwaarden, vermeld in artikel 7.2.1, § 1," opgeheven.

  Art. 293. In artikel 3.1.2, § 1, van dezelfde codex, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 2° wordt opgeheven;
  2° er wordt een punt 14° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "14° het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".

  Art. 294. In artikel 4.1.1 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 7° wordt de zinsnede "een stedenbouwkundige vergunningstoestand, waarbij geldt dat" vervangen door de zinsnede "een vergunningstoestand, waarbij voor de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen geldt dat";
  2° punt 8° en punt 13° worden opgeheven.

  Art. 295. In titel IV, hoofdstuk II, afdeling 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010, 11 mei 2012 en 6 juli 2012, wordt het opschrift van onderafdeling 1 vervangen door wat volgt:
  "Onderafdeling 1. Vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 296. In artikel 4.2.1 van dezelfde codex worden de woorden "voorafgaande stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 297. Artikel 4.2.2 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 4.2.2. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen vervangen wordt door een verplichte melding van de handelingen. De meldingsplicht betreft gevallen waarin de beoordelingsruimte van het bestuur minimaal is vanwege het eenvoudige en gangbare karakter van de handelingen in kwestie, of de onderworpenheid van de handelingen aan nauwkeurige stedenbouwkundige voorschriften, verkavelingsvoorschriften of integrale ruimtelijke voorwaarden als vermeld in artikel 4.3.1, § 2, tweede lid.
  De Vlaamse Regering kan de werken die vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht, vermeld in artikel 4.2.1, 5°, c), ook aan de meldingsplicht onderwerpen.
  De meldingsplichten, vermeld in het eerste en het tweede lid, kunnen nooit worden ingevoerd voor handelingen die in een ruimtelijk kwetsbaar gebied liggen.
  § 2. Een melding wordt als een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen beschouwd voor de toepassing van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. Een melding wordt ook gelijkgesteld met een voorafgaande toelating om te bouwen wat betreft de toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, tenzij de melding alleen betrekking heeft op handelingen die niet gebouwd worden.".

  Art. 298. In artikel 4.2.3 van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 299. In artikel 4.2.4, § 2, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning".

  Art. 300. In artikel 4.2.6 van dezelfde codex worden de woorden "vrijgestelde handelingen" vervangen door de woorden "vrijgestelde stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 301. In artikel 4.2.7, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning".

  Art. 302. In artikel 4.2.12, § 2, eerste lid, 1°, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 303. In titel IV, hoofdstuk II, afdeling 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010, 11 mei 2012 en 6 juli 2012, wordt het opschrift van onderafdeling 2 vervangen door wat volgt:
  "Onderafdeling 2. Vergunningsplicht voor het verkavelen van gronden".

  Art. 304. In artikel 4.2.15 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt het woord "verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".

  Art. 305. Artikel 4.2.17 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 4.2.17. Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden geldt als omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wat betreft alle handelingen die zijn opgenomen in de vergunning en die de verkaveling bouwrijp maken, zoals in het bijzonder:
  1° de aanleg van nieuwe verkeerswegen, of de tracéwijziging, verbreding of opheffing daarvan;
  2° de wijziging van het reliëf van de bodem;
  3° de ontbossing, met behoud van de toepassing van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990;
  4° het afbreken van constructies.
  Het eerste lid geldt als de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden ook wat betreft de handelingen die het voorwerp uitmaken van de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen, voldoet aan de vereisten inzake ontvankelijkheid en volledigheid.".

  Art. 306. Artikel 4.2.18 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 4.2.18. De bepalingen van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden worden niet opgeheven door de inwerkingtreding van een stedenbouwkundig voorschrift waarmee ze onverenigbaar zijn, met behoud van de toepassing van artikel 84 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".

  Art. 307. In titel IV, hoofdstuk II, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 23 december 2011, wordt afdeling 2, die bestaat uit artikel 4.2.19 tot artikel 4.2.25, opgeheven.

  Art. 308. In artikel 4.3.1 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° [1 in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  " Een aanpassing van de plannen, zoals vermeld in het tweede lid, is slechts mogelijk overeenkomstig artikel 30 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning "]1;
  2° in paragraaf 2, eerste lid, 3°, worden de woorden "een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
  3° in paragraaf 4 worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 154, 003; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Art. 309. In artikel 4.3.5 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
  2° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning".

  Art. 310. In artikel 4.3.6 van dezelfde codex worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning".

  Art. 311. In artikel 4.3.7 van dezelfde codex wordt de zinsnede "stedenbouwkundige vergunning voor de handelingen, vermeld in" vervangen door de zinsnede "omgevingsvergunning voor de handelingen, vermeld in".

  Art. 312. In artikel 4.3.8, § 1 en § 2, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 313. In artikel 4.4.1, § 3, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 16 juli 2010 en gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "van de vergunningsplicht" worden telkens vervangen door de woorden "van de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen";
  2° in het tweede lid wordt het woord "verkavelingsvergunningen" vervangen door het woord "verkavelingen".

  Art. 314. In artikel 4.4.2, § 1 en § 2, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 315. In artikel 4.4.3, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, worden de woorden "een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".

  Art. 316. In artikel 4.4.4, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door het woord "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
  2° in het derde lid worden de woorden "onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereisen".

  Art. 317. In artikel 4.4.6, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 318. In artikel 4.4.7/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 11 mei 2012, worden de woorden "aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsaanvragen" vervangen door de woorden "aanvragen voor een omgevingsvergunning".

  Art. 319. In artikel 4.4.9, § 1, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 320. In artikel 4.4.12 van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 321. In artikel 4.4.13, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 322. In artikel 4.4.14, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 323. In artikel 4.4.16 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
  2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden "milieuvergunningsplichtige inrichtingen" vervangen door de woorden "projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is";
  3° in het tweede lid, 1°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 324. In artikel 4.4.17, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
  2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden "milieuvergunningsplichtige inrichtingen" vervangen door de woorden "projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is";
  3° in het tweede lid, 1°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 325. In artikel 4.4.18, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
  2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden "milieuvergunningsplichtige inrichtingen" vervangen door de woorden "projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is";
  3° in het tweede lid, 1°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 326. In artikel 4.4.19, § 1, tweede lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid worden de woorden "milieuvergunningsplichtige inrichtingen" vervangen door de woorden "projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is";
  2° in het tweede lid, 1°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 327. In artikel 4.4.20, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 328. In artikel 4.4.22, tweede lid, van dezelfde codex worden de woorden "milieuvergunningsplichtige activiteiten" vervangen door de woorden "activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is,".

  Art. 329. In artikel 4.4.23, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 330. In artikel 4.4.24 van dezelfde codex wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
  "Het planologisch attest kan worden aangevraagd door en voor een bedrijf dat voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
  1° het bedrijf is onderworpen aan de vergunnings- of meldingsplicht, voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
  2° het bedrijf betreft een volwaardig land- of tuinbouwbedrijf.".

  Art. 331. In artikel 4.4.25, § 2, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar" worden telkens vervangen door de woorden "het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar";
  2° de woorden "biedt de ambtenaar de aanvrager de gelegenheid" worden vervangen door de woorden "wordt de aanvrager de gelegenheid geboden";
  3° het zesde lid wordt opgeheven.

  Art. 332. In artikel 4.4.26, § 2, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of een milieuvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning".

  Art. 333. In artikel 4.4.28, tweede lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 334. In titel IV van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt hoofdstuk V, dat bestaat uit artikel 4.5.1, opgeheven.

  Art. 335. In titel IV van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt hoofdstuk VI, dat bestaat uit artikel 4.6.1 tot en met 4.6.8, opgeheven.

  Art. 336. In titel IV van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt hoofdstuk VII, dat bestaat uit artikel 4.7.1 tot en met 4.7.26/1, opgeheven.

  Art. 337.[1 In artikel 4.8.2, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij decreet van 6 juli 2012 en 4 april 2014, worden punt 1° en 4° opgeheven.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 155, 003; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Art. 338. Artikel 4.8.11 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 6 juli 2012, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 4.8.11. § 1. De beroepen bij de Raad inzake validerings- of registratiebeslissingen kunnen door de volgende personen worden ingesteld:
  1° de aanvrager van het as-builtattest, respectievelijk de persoon die beschikt over zakelijke of persoonlijke rechten ten aanzien van een constructie die het voorwerp uitmaakt van een registratiebeslissing, of die deze constructie feitelijk gebruikt;
  2° elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van de validerings- of registratiebeslissing;
  3° procesbekwame verenigingen die optreden namens een groep wiens collectieve belangen door de validerings- of registratiebeslissing zijn bedreigd of geschaad, voor zover zij beschikken over een duurzame en effectieve werking overeenkomstig de statuten.
  § 2. De beroepen inzake validerings- of registratiebeslissingen worden ingesteld binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen, die ingaat als volgt:
  1° wat betreft valideringsbeslissingen:
  a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
  b) hetzij de dag na de opname in het vergunningenregister, in alle andere gevallen;
  2° wat betreft registratiebeslissingen:
  a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
  b) hetzij de dag na de opname van de constructie in het vergunningenregister, in alle andere gevallen.".

  Art. 339.In artikel 5.1.2, § 1, van dezelfde codex wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "Het vergunningenregister omvat ten minste de volgende gegevens, geordend per kadastraal perceel:
  1° het kadastraal nummer, het huisnummer en de straatnaam;
  2° de uitgereikte stedenbouwkundige en planologische attesten;
  3° elke aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen en de identiteit van de aanvrager;
  4° elke aanvraag van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden en de identiteit van de aanvrager;
  5° elke administratieve beslissing en rechterlijke uitspraak met betrekking tot die vergunningen, en de identiteit van de personen die beroep aantekenen;
  6° elke melding van stedenbouwkundige handelingen en de identiteit van de persoon die de melding verricht;
  7° de gevalideerde as-builtattesten;
  8° het verval van de vergunningen, vermeld in punt 3° en punt 4° ;
  9° [1 de vermelding van elke schriftelijke aanmaning, elk proces-verbaal en verslag van vaststelling dat opgemaakt wordt met betrekking tot misdrijven en inbreuken inzake ruimtelijke ordening alsook iedere navolgend proces-verbaal waarin het vrijwillig herstel of de regularisatie wordt vastgesteld, het verdere gevolg dat aan de processen-verbaal en verslagen van vaststelling gegeven wordt, iedere gerechtelijke uitspraak en ieder bestuurlijk besluit alsook iedere minnelijke schikking ter zake en de uitvoering van de herstelmaatregelen alsook elk herstelattest;]1
  10° [1 de vermelding van elk rechtsmiddel dat tegen de gerechtelijke uitspraken en bestuurlijke besluiten, vermeld in punt 9°, aangewend wordt, de daaropvolgende uitspraken en besluiten en het gevolg dat eraan gegeven wordt;]1
  11° het verschuldigd zijn van een planbatenheffing en het bewijs van betaling van de planbatenheffing;
  12° in voorkomend geval het declaratief attest, vermeld in artikel 5.4.3, § 5.".
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 156, 003; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Art. 340. In artikel 5.1.4, § 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de woorden "van deze codex" telkens vervangen door de woorden "van deze codex of van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".

  Art. 341. In artikel 5.2.1, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1° worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
  2° in punt 5° wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".

  Art. 342. In artikel 5.2.2, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het woord "verkavelingsvergunning" wordt vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
  2° de woorden "verkavelings- of stedenbouwkundige vergunning" worden vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 343. In artikel 5.2.3 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het woord "verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "wijziging van de verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
  3° in paragraaf 4 wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".

  Art. 344. In artikel 5.2.5, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "stedenbouwkundige vergunning" worden vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
  2° het woord "verkavelingsvergunning" wordt vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".

  Art. 345. In artikel 5.2.6, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1° worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
  2° in punt 5° wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".

  Art. 346. Artikel 5.3.1 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 5.3.1. § 1. Het stedenbouwkundig attest geeft op basis van een plan aan of een overwogen project voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden in redelijkheid de toets aan de stedenbouwkundige voorschriften, de eventuele verkavelingsvoorschriften en een goede ruimtelijke ordening zal kunnen doorstaan. Het wordt afgeleverd door de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
  Het stedenbouwkundig attest kan niet leiden tot de vrijstelling van een vergunningsaanvraag.
  § 2. De bevindingen van het stedenbouwkundig attest kunnen bij het beslissende onderzoek over een aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden niet worden gewijzigd of tegengesproken, als:
  1° in de periode waarin het stedenbouwkundig attest geldt, geen sprake is van substantiële wijzigingen van het betrokken terrein of wijzigingen van de stedenbouwkundige voorschriften of de eventuele verkavelingsvoorschriften;
  2° de verplicht in te winnen adviezen of de tijdens het eventuele openbaar onderzoek ingediende standpunten, opmerkingen en bezwaren geen feiten of overwegingen aan het licht brengen waarmee bij de opmaak van het stedenbouwkundig attest geen rekening is gehouden;
  3° het stedenbouwkundig attest niet is aangetast door manifeste materiële fouten.
  § 3. Het stedenbouwkundig attest blijft geldig gedurende twee jaar vanaf het ogenblik van de uitreiking ervan.
  § 4. De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regels bepalen voor de toepassing van dit artikel.".

  Art. 347. Artikel 5.3.2 van dezelfde codex wordt opgeheven.

  Art. 348. In artikel 5.4.2, derde lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 349. In artikel 5.4.3, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 350. In artikel 5.4.4 van dezelfde codex worden de woorden "vergunning voor handelingen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning".

  Art. 351. Artikel 5.5.2 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, wordt opgeheven.

  Art. 352. In artikel 5.6.6 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
  2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
  3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van woningen of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen of voor het verkavelen van gronden".

  Art. 353. Artikel 5.6.7 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 8 juli 2011, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 5.6.7. § 1. Een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit kan gunstig geadviseerd worden en vergund worden, in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
  1° de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de vastgestelde verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort;
  2° de inrichting of activiteit is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, als het gaat om een bestaande inrichting of activiteit, is hoofdzakelijk vergund.
  Als de goede ruimtelijke ordening geschaad wordt, kan rekening worden gehouden met de termijn die nodig is om de inrichting of activiteit te herlokaliseren. Die termijn is ten hoogste gelijk aan zeven jaar.
  De Vlaamse Regering kan de categorieën van bedrijven bepalen die door hun aard en omvang van het eerste lid zijn uitgesloten. Ze kan de gebieden aanwijzen waarin het eerste lid niet kan worden toegepast.
  § 2. Een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit kan ongunstig geadviseerd worden en geweigerd worden om de reden, vermeld in artikel 4.3.2.
  § 3. De mogelijkheden of verplichtingen om af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften of om rekening te houden met ontwerpen van stedenbouwkundige voorschriften, zoals die bij of krachtens deze codex zijn vastgesteld ten aanzien van de vergunningverlenende bestuursorganen en de ambtenaren van ruimtelijke ordening, gelden onder dezelfde voorwaarden ten aanzien van de instanties en organen die over een vergunningsaanvraag adviseren en ten aanzien van de instanties en organen die adviseren of beslissen over een onteigeningsplan of over een aanvraag van een onteigeningsmachtiging of een vergunning als vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu of in het Bosdecreet van 13 juni 1990, of andere vergunningen.".

  Art. 354. Artikel 7.2.1 van dezelfde codex wordt opgeheven.

  Art. 355. In artikel 7.4.7 van dezelfde codex wordt de zin "Desalniettemin voldoet de gemeente niet aan de ontvoogdingsvoorwaarden, vermeld in artikel 7.2.1, § 1." opgeheven.

  Art. 356. In artikel 7.5.3, § 1, vierde lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunningen" vervangen door het woord "omgevingsvergunningen".

  Art. 357. In artikel 7.5.4 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste, derde en vierde lid wordt het woord "verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
  2° het vijfde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Voor die kavels gelden artikel 84 tot en met 86, artikel 97 en artikel 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, met dien verstande dat de termijn van tien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 1, eerste lid, 2°, en § 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, vervangen wordt door een termijn van vijf jaar vanaf 1 mei 2000. De termijn van vijftien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 2, 3°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van tien jaar vanaf 1 mei 2000.";
  3° in het zesde lid wordt het woord "verkavelingsvergunningen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden".

  Art. 358. Artikel 7.5.5 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 7.5.5. Het verval van een verkavelingsakkoord of van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 7.5.4, kan niet worden tegengesteld aan personen die zich op dat verkavelingsakkoord of die omgevingsvergunning beroepen, als ze kunnen aantonen dat de overheid, na het verval, hetzij op grond van of refererend aan het verkavelingsakkoord of die vergunning omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen of stedenbouwkundige attesten heeft verleend, hetzij bijstellingen aan de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden heeft toegestaan. Daarvoor moet voldaan zijn aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
  1° de vergunningen of attesten zijn verleend voor een of meer kavels van die personen binnen de omschrijving van het verkavelingsakkoord of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden;
  2° de vergunningen of attesten zijn door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig bevonden.".

  Art. 359. In titel VII, hoofdstuk V, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 6 juli 2012, wordt het opschrift van afdeling 4 van hetzelfde decreet vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 4. Verval, bijstelling of opheffing van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden".

  Art. 360. Artikel 7.5.6 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 7.5.6. Artikel 84 tot en met 86, artikel 97 en artikel 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn van toepassing op de omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die verleend zijn vanaf 22 december 1970 en vóór 1 mei 2000. De beperking, vermeld in artikel 102, § 1, tweede lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, geldt evenwel niet voor de verkopen van verkavelingen in hun geheel die een vaste datum hebben verkregen vóór 1 september 2009, op voorwaarde dat de overheid hetzij op grond van of refererend aan de omgevingsvergunning stedenbouwkundige attesten of omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen heeft verleend, hetzij bijstellingen aan de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden heeft toegestaan, als die door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig zijn bevonden. Dergelijke verkopen in hun geheel konden wel het verval van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden verhinderen. Het voorgaande heeft nooit tot gevolg dat teruggekomen wordt op in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen die tot het verval van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden hebben geleid op grond van het oordeel dat verkopen van verkavelingen in hun geheel niet het verval van een verkaveling kunnen verhinderen.
  De termijn van tien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 1, eerste lid, 2°, en § 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van vijf jaar vanaf 1 mei 2000, voor niet-vervallen omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die zijn uitgereikt meer dan vijf jaar vóór 1 mei 2000.
  De termijn van vijftien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 2, 3°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van tien jaar vanaf 1 mei 2000, voor niet-vervallen omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die zijn uitgereikt meer dan vijf jaar vóór 1 mei 2000.".

  Art. 361. Artikel 7.5.7 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 7.5.7. Artikel 84, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is van toepassing op ruimtelijke uitvoeringsplannen en bijzondere plannen van aanleg die voorlopig zijn vastgesteld of aangenomen vanaf 1 september 2009.
  De bijstelling of de opheffing van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden ingevolge de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een bijzonder plan van aanleg dat voorlopig is vastgesteld of aangenomen vóór 1 september 2009, wordt afgehandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.".

  Art. 362. Artikel 7.5.9 van dezelfde codex wordt opgeheven.

  Art. 363. Artikel 8.1.1 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 8.1.1. Deze codex wordt aangehaald als "Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" en afgekort als VCRO.".

  Afdeling 28. - Wijzigingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen

  Art. 364. In artikel 3 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1°, d), wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
  2° punt 8° wordt vervangen door wat volgt:
  "8° beste beschikbare technieken: beste beschikbare technieken als vermeld bij of krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;".

  Art. 365. In artikel 7, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".

  Art. 366. In artikel 11 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "Op de vergunningen en meldingen, vermeld in paragraaf 1, zijn de bepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning van toepassing.";
  2° in paragraaf 3, eerste en tweede lid, wordt de zinsnede "28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning" en wordt het woord "milieuvergunningen" vervangen door het woord "omgevingsvergunningen".

  Art. 367. In artikel 25, § 1, 1°, van hetzelfde decreet wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".

  Art. 368. In artikel 44 van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".

  Art. 369. In artikel 46, § 1, 1°, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-".

  Afdeling 29. - Wijzigingen van het decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders

  Art. 370. In artikel 3 van het decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Afdeling 30. - Wijzigingen van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed

  Art. 371. In artikel 5.4.1 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".

  Art. 372. In artikel 5.4.2 van hetzelfde decreet wordt het woord "verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".

  Art. 373. In artikel 5.4.3 van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen" en het woord "verkavelingsvergunning" door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".

  Art. 374. In artikel 5.4.4 van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".

  Art. 375. In artikel 5.4.5 van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".

  Art. 376. In artikel 5.4.12 van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".

  Art. 377. In artikel 6.4.4 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "geen stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, geen milieuvergunning overeenkomstig het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de woorden "geen omgevingsvergunning";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden" en worden tussen de woorden "van de VCRO" en de zinsnede ". Dit advies heeft" de woorden "of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning" ingevoegd;
  3° in § 3, eerste lid, worden de woorden "milieuvergunning overeenkomstig het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning vereist" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vereist" en worden de woorden "procedurebepalingen van het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de woorden "procedurebepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".

  Art. 378. In artikel 6.4.6, tweede en derde lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning; een milieuvergunning overeenkomstig het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning".

  Art. 379. In artikel 10.3.1 van hetzelfde decreet worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden".

  Art. 380.
  <Opgeheven bij DVR 2016-05-04/15, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 381. In artikel 12.3.14 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede en het vijfde lid worden de woorden "geen stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "geen stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
  2° in het zesde lid worden de woorden "van het college van burgemeester en schepenen" opgeheven en worden tussen de woorden "toekenning of weigering van" en de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" de woorden "een omgevingsvergunning," ingevoegd;
  3° in het zevende lid worden de woorden "bij het college van burgemeester en schepenen" opgeheven en worden de woorden "voor een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "voor een omgevingsvergunning, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" en worden de woorden "het college nog" vervangen door de woorden "de vergunningverlenende overheid nog";
  4° het achtste lid wordt opgeheven;
  5° in het negende lid, dat het achtste lid wordt, worden de woorden "in de in het vorige lid omschreven gevallen" en de woorden "bij de deputatie" opgeheven;
  6° het tiende lid wordt opgeheven.

  Afdeling 31. - Wijzigingen van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges

  Art. 382. Aan artikel 2, 1°, b), van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges worden de woorden "en waaraan tevens bevoegdheden toegekend worden bij artikel 105 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning" toegevoegd.

  Art. 383. In artikel 20 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "De decreten, vermeld in artikel 2, 1°, b), bepalen welke personen belanghebbende zijn.".

  Art. 384. In artikel 21 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
  " § 2. De leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, of bij hun afwezigheid hun gemachtigden die optreden met toepassing van artikel 105, § 2, 5°, respectievelijk 6°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht, behalve in het geval de Vlaamse Regering de bevoegde overheid in eerste aanleg is.".

  Art. 385. Aan artikel 42, § 2, derde lid, 1°, van hetzelfde decreet worden de woorden "of van het Vlaamse milieurecht" toegevoegd".

  HOOFDSTUK 12. - Slotbepalingen

  Afdeling 1. - Opheffingsbepalingen

  Art. 386. Het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, wordt opgeheven.

  Afdeling 2. - Overgangsmaatregelen voor vergunningen, meldingen of erkenningen met toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning

  Art. 387.Een aanvraag van een milieuvergunning of een erkenning, een mededeling van een kleine verandering, een melding van een derdeklasse-inrichting [2 , een overname of een verzoek tot verlenging overeenkomstig artikel 45ter, § 3, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning]2, ingediend met toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, wordt behandeld op grond van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend.
  Hetzelfde geldt voor de procedures tot aanvulling [2 , wijziging of afwijking]2 van milieuvoorwaarden, schorsing of opheffing van de vergunning en inzake genetisch gemodificeerde of pathogene organismen.
  De vergunningverlenende overheid kan beslissen om de vergunning voor onbepaalde duur te verlenen. [2 De vergunningen die voor onbepaalde duur worden verleend, vermelden de geactualiseerde vergunningssituatie. De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijk karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld. De bevoegde overheid bezorgt de voormelde vergunningen aan de afdeling Milieu, bevoegd voor omgevingsvergunning. De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen.]2
  [1 Artikel 18, tweede lid, en artikel 106 zijn niet van toepassing voor aspecten van exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van het decreet een melding voor een derde klasse inrichting is gebeurd of een milieuvergunningsaanvraag werd ingediend waarvoor nog geen definitieve beslissing werd genomen of waarvoor een milieuvergunning werd of wordt verleend.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 157, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>
  (2)<DVR 2017-02-03/01, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Art. 388.§ 1. De vergunningen en milieuvergunningen die nog geldig waren alsook de milieuvergunningen die nog worden verleend op grond van de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, zijn geldig voor de vastgestelde duur, met behoud van de toepassing van artikel 43 [1 , 44 en 45ter van]1 het voormelde decreet en artikel 390 van dit decreet.
  Een melding van een derdeklasse-inrichting gedaan krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, blijft geldig.
  [2 De afwijkingen op de algemene en de sectorale milieuvoorwaarden, de kennisgevingen en de toelatingen inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen die nog geldig waren of nog worden verleend op grond van de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning blijven geldig voor de vastgestelde duur of overeenkomstig de voorwaarden die erop van toepassing zijn.
   In afwijking van het derde lid wordt een afwijking op de algemene en de sectorale milieuvoorwaarden overeenkomstig de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, geacht voor onbepaalde duur geldig te zijn als met toepassing van artikel 390 voor de ingedeelde inrichting of activiteit waarop zij betrekking heeft de milieuvergunning van bepaalde duur wordt omgezet in een vergunning van onbepaalde duur.]2
  § 2. De erkenningen die zijn of worden verleend op grond van de bepalingen die van toepassing zijn voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, blijven geldig voor de vastgestelde duur van de erkenning. Op de houders van die erkenningen kan binnen het voorwerp van hun erkenning een beroep worden gedaan.
  § 3. [2 [3 De vergunning en de milieuvergunning, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en de melding, vermeld in paragraaf 1, tweede lid]3, worden voor de toepassing van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het DABM beschouwd als de omgevingsvergunning respectievelijk de melding, waarvan akte is genomen.]2
  Voor de toepassing van de bepalingen van titel V van het DABM wordt een erkenning als vermeld in paragraaf 2, beschouwd als een erkenning als vermeld in hoofdstuk 6 van dezelfde titel V.
  [2 Voor de toepassing van de bepalingen van titel V van het DABM wordt:
   1° een afwijking als vermeld in paragraaf 1, derde lid, beschouwd als een afwijking vermeld in artikel 5.4.8 van dezelfde titel V;
   2° een kennisgeving en een toelating als vermeld in paragraaf 1, derde lid, beschouwd als de kennisgeving en de toelating vermeld in artikel 5.5.2, § 1, van dezelfde titel V.]2
  [2 § 4. De bijzondere milieuvoorwaarden opgelegd in de milieuvergunning of in een besluit betreffende een in de derde klasse ingedeelde inrichting of activiteit blijven in de mate dat zij van toepassing waren of worden gebracht op de ingedeelde inrichting of activiteit van toepassing tot zij worden gewijzigd of opgeheven.
   De krachtens artikel 20 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning door de Vlaamse Regering goedgekeurde algemene en sectorale milieuvoorwaarden blijven in de mate dat zij van toepassing waren of worden gebracht op de ingedeelde inrichting of activiteit van toepassing tot zij worden gewijzigd of opgeheven.
   Artikel 5.4.5 en 5.4.6 van titel V van het DABM gelden uitsluitend voor milieuvoorwaarden die vanaf de datum van inwerkingtreding van titel V van het DABM door de Vlaamse Regering worden goedgekeurd respectievelijk door de bevoegde overheid worden opgelegd.
   Artikel 5.4.7 van titel V van het DABM is niet van toepassing op algemene en sectorale milieuvoorwaarden die voor de datum van inwerkingtreding van titel V van het DABM door de Vlaamse Regering werden goedgekeurd.]2
  ----------
  (1)<DVR 2014-05-09/10, art. 104, 002; Inwerkingtreding : 17-07-2014>
  (2)<DVR 2015-12-18/24, art. 158, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>
  (3)<DVR 2017-12-08/06, art. 156, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Art. 389. De bepalingen van artikel 5 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en van artikel 4.5.1 van de VCRO gelden onverkort voor de inrichtingen of activiteiten en stedenbouwkundige handelingen die met toepassing van een van de decreten vergund of gemeld zijn, als voor de exploitatie of de uitvoering ervan nog een bijkomende vergunning of melding noodzakelijk is.

  Art. 390.§ 1. De milieuvergunning die [2 is]2 verleend voor een termijn van twintig jaar, wordt geacht voor onbepaalde duur verleend te zijn als aan de volgende voorwaarden cumulatief is voldaan:
  1° tussen de achtenveertig en zesendertig maanden voor het verstrijken van de vergunningstermijn van de milieuvergunning deelt de vergunninghouder of exploitant bij middel van een meldingsformulier waarvan de inhoud door de Vlaamse Regering wordt bepaald aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, per beveiligde zending mee dat hij van de regeling, vermeld in deze paragraaf, toepassing wil maken;
  2° [2 het betrokken publiek dient geen kennelijk gegrond bezwaar in tegen de omzetting tijdens het openbaar onderzoek. De omgevingsvergunningscommissie onderzoekt de kennelijke gegrondheid van de bezwaren binnen een termijn van vijftig dagen die aanvangt de dag na de datum waarop de mededeling, vermeld in punt 1°, door de bevoegde overheid naar de commissie is gestuurd;
   2°/1 de leidende ambtenaren van de adviesinstanties aangewezen krachtens artikel 24 of artikel 42, verlenen geen negatief advies over de mededeling van de vraag tot omzetting binnen een termijn van 30 dagen die aanvangt de dag na de datum waarop de mededeling, vermeld in punt 1°, door de bevoegde overheid naar de adviesinstantie is gestuurd.]2
  3° de stedenbouwkundige handelingen die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn op het tijdstip van de mededeling, vermeld in punt 1°, hoofdzakelijk vergund;
  4° de vraag tot omzetting vereist geen milieueffectrapport of passende beoordeling.
  De gemeente of de gemeentelijke omgevingsambtenaar staat in voor de organisatie van het openbaar onderzoek, vermeld in het eerste lid, 2°.
  Als met toepassing van het eerste lid de milieuvergunning geacht wordt voor onbepaalde duur verleend te zijn, wordt de milieuvergunning voor de verandering van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit ook voor onbepaalde duur geacht verleend te zijn, behalve als in het vergunningsbesluit van die milieuvergunning in een kortere vergunningstermijn is voorzien dan die welke op dat ogenblik gold voor de inrichting waarvoor de verandering toegelaten is.
  [1 § 1/1. Als met toepassing van artikel 4.3.3, § 2, van het DABM bij het meldingsformulier een project-m.e.r.-screeningsnota is gevoegd, onderzoekt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar die nota en beslist of er over het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld.
   Het resultaat van het onderzoek, vermeld in het eerste lid, wordt bij beveiligde zending aan de aanvrager meegedeeld binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop het meldingsformulier is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten.
   De beslissing dat er voor het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de stopzetting van de omzettingsprocedure tot gevolg.
   Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar, beslist dat er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, kan de aanvrager een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het DABM. De beslissing van de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.3.3, § 6, van hetzelfde decreet, is bindend voor de bevoegde overheid, vermeld in het eerste lid.]1
  § 2. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt akte van de mededeling, vermeld in paragraaf 1, punt 1°. [1 De akte geeft de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten weer.]1 De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld.
  De akte geldt als bewijs dat de milieuvergunning voortaan van onbepaalde duur is. Tegen die akte kan geen administratief beroep worden ingediend.
  § 3. Als de mededeling niet binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, is gedaan of als niet aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, is voldaan, wordt de vergunninghouder of exploitant daarvan door de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, op de hoogte gebracht. In dat geval vervalt de milieuvergunning de dag na het verstrijken van de vergunningstermijn.
  § 4. Als door het betrokken publiek of een adviesinstantie een bezwaar als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, wordt ingediend of in het geval er een milieueffectrapport of passende beoordeling vereist is, wordt de vraag tot omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur behandeld overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure.
  De Vlaamse Regering regelt de samenstelling van het dossier betreffende een vraag tot omzetting dat aan de gewone vergunningsprocedure wordt onderworpen.
  De termijnen, vermeld in artikel 32, gaan in op de dag na de datum dat de vergunninghouder of de exploitant per beveiligde zending op de hoogte wordt gebracht van het opstarten van de gewone vergunningsprocedure voor de omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur.
  Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of, in voorkomend geval, verlengde termijn als vermeld in artikel 32, wordt de omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur geacht te zijn geweigerd.
  § 5. Tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing, vermeld in paragraaf 4, van het college van burgemeester en schepenen of van de deputatie kan beroep worden ingesteld bij de deputatie respectievelijk de Vlaamse Regering.
  Het beroep schorst de beslissing.
  De bepalingen van hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing op het instellen, behandelen en beslissen over het beroep.
  Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of, in voorkomend geval, verlengde termijn als vermeld in artikel 66, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing als definitief aangezien.
  De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel.
  [2 § 6. De exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor de vraag tot omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur overeenkomstig artikel 390, § 4 of § 5, wordt behandeld, kan na de einddatum van de milieuvergunning in afwachting van een definitieve beslissing over de vraag tot omzetting worden voortgezet.
   De exploitatie gebeurt onder naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en de tot dan toe geldende bijzondere milieuvoorwaarden uit de vergunning.]2
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 159, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>
  (2)<DVR 2017-12-08/06, art. 157, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Art. 390/1.[1 § 1. De vergunningstermijn van een milieuvergunning verleend voor de exploitatie van een inrichting met een stikstofdepositie, die overeenkomstig artikel 388, § 1, verstrijkt voor 31 december 2018, wordt verlengd tot [2 uiterlijk 31 december 2019]2, mits voldaan wordt aan paragraaf 2, tenzij bij het ontbreken van een operationele programmatische aanpak stikstofdeposities deze laatste datum wordt vervangen door een latere datum die wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering.
   Onder inrichting met een stikstofdepositie, vermeld in het eerste lid, wordt verstaan een inrichting waarvan de stikstofdepositie volgens de depositiescan een risico inhoudt op een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
   Deze depositiescan, zoals aanvaard door de Vlaamse Regering, geeft als onderdeel van de online-voortoets aan of er een risico is op een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszones, vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, voor wat betreft de gevolgen van stikstofneerslag via de lucht onder vorm van verzuring en vermesting in de betrokken speciale beschermingszone. In dit artikel wordt verstaan onder de online-voortoets: een via het internet beschikbaar gesteld instrument dat op een gestandaardiseerde en geautomatiseerde wijze een berekening maakt van de milieudruk vanuit een voorgenomen vergunningsplichtige activiteit en deze milieudruk onder vorm van mathematische grootheden uitzet ten opzichte van de gevoeligheid van de habitats en soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende speciale beschermingszone zijn vastgesteld volgens artikel 36ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. De online-voortoets levert levert een rapport af waarin de ingevoerde gegevens en de beoordeling van het hierboven vermelde risico vermeld worden. Dit gebeurt in termen van het al dan niet uitsluiten van een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone, met name in de zone waar het voor de berekende milieudruk gevoelige habitat of leefgebied van een soort voorkomt, of gecreëerd wordt of tot doel kan worden gesteld in het kader van de instandhoudingsdoelen overeenkomstig de daartoe in het kader van de instandhoudingsdoelstellingen toe te passen zoekzone. De toetsing gebeurt vanuit de locatie van de voorgenomen vergunningsplichtige activiteit.
   § 2. Voor de verlenging van de vergunning, vermeld in paragraaf 1, moet de vergunninghouder vóór het verstrijken van de vergunningstermijn een verzoek indienen bij de bevoegde vergunningverlenende overheid.
   De bevoegde vergunningverlenende overheid neemt akte van het verzoek als aan de toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1 en 2 is voldaan.
   De aktename geldt als bevestiging dat de milieuvergunning is verlengd overeenkomstig paragraaf 1.
   Tegen die akte kan geen administratief beroep worden ingediend als aan de toepassingsvoorwaarden vermeld in paragraaf 1 en 2 is voldaan.
   Het ingediende verzoek, bevat het rapport van de uitgevoerde depositiescan op datum van het indienen van het verzoek, met daarin minstens vermeld, de ingevoerde gegevens en het eindresultaat van deze depositiescan. De invoer van de gegevens is in overeenstemming met de milieuvergunning vigerend op datum van het indienen van het verzoek.
   § 3. Deze bepalingen laten het verval van de vergunning, vermeld in artikel 99, § 2 en § 3, onverkort bestaan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-12-18/24, art. 164, 003>
  (2)<DVR 2017-12-08/06, art. 158, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>

  Art. 390/2. [1 § 1. De vergunningstermijn van een milieuvergunning, verleend voor de exploitatie van een inrichting met een stikstofdepositie die minstens 50 procent bijdraagt aan de kritische depositiewaarde van een habitat, en die overeenkomstig artikel 388, § 1, of artikel 390/1 vergund is, wordt verlengd met maximaal zeven jaar als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
   1° op het moment van het verstrijken van de verlengde vergunningstermijn is de exploitant ofwel een natuurlijke persoon die 65 jaar of ouder is, ofwel een personenvennootschap waarvan alle aandelen op naam zijn en waarbij minstens één van de zaakvoerders of bestuurders die sinds minstens vijf jaar voor de aanvang van de verlengde vergunningstermijn van maximaal zeven jaar meerderheidsaandeelhouder is, 65 jaar of ouder is;
   2° de exploitant van de inrichting deelt de gevraagde duur van de verlenging mee en geeft uitdrukkelijk aan dat hij de exploitatie uiterlijk zeven jaar na het verstrijken van de lopende vergunning zal stopzetten;
   3° de exploitatie stoot gedurende de termijn van de verlenging geen bijkomende stikstofemissies uit;
   4° tijdens de verlenging van de vergunning en op het einde van de verlengde vergunning kan de exploitant van de inrichting alleen nog beroep doen op de maatregelen bedrijfsbeëindiging, koopplicht of erfdienstbaarheid.
   § 2. Voor de verlenging van de vergunning, vermeld in paragraaf 1, moet de vergunninghouder uiterlijk vier maanden vóór het verstrijken van de lopende vergunning een verzoek indienen bij de bevoegde vergunningverlenende overheid.
   Het ingediende verzoek bevat het resultaat van de impactscoreberekening uitgevoerd met de onlinetoepassing `impactscore NH3', zoals beschikbaar op de website Natura 2000 die maximaal één maand vóór het indienen van het verzoek is uitgevoerd op basis van de gegevens uit de lopende milieuvergunning.
   De bevoegde vergunningverlenende overheid neemt akte van het verzoek als aan de toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1 en 2 is voldaan.
   Tegen die akte kan geen administratief beroep worden ingediend als aan de toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1 en 2 is voldaan.
   § 3. Deze bepalingen laten het verval van de vergunning, vermeld in artikel 99, § 2 en § 3, onverkort bestaan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2017-12-08/06, art. 159, 011; Inwerkingtreding : 30-12-2017>
  

  Art. 391.In afwijking van artikel 70, § 1, kan in de gevallen en volgens het tijdschema dat de Vlaamse Regering bepaalt, de vroegtijdige hernieuwing van een milieuvergunning op ontvankelijke wijze worden ingediend.

  Art. 391/1.
  <Impliciet opgeheven bij DVR 2015-12-18/24, art. 164, 003>

  Art. 392. De inrichtingen die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet vergund of gemeld zijn, worden van rechtswege ingedeeld op grond van de indelingslijst, vastgesteld krachtens titel V van het DABM.

  Afdeling 3. - Overgangsmaatregelen voor vergunningen met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening

  Art. 393. Een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning, gedaan met toepassing van titel IV, hoofdstuk 7, van de VCRO, die is ingediend voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, wordt behandeld op grond van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend.
  Als een melding voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet verricht werd met toepassing van artikel 4.2.2 van de VCRO, wordt de melding behandeld overeenkomstig de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de melding werd ingediend.
  Tot de datum van inwerkingtreding van het decreet betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges zijn de bepalingen van afdeling 2, 3, 5 en 6, van titel IV, hoofdstuk VIII, van de VCRO van overeenkomstige toepassing op de behandeling van beroepen tegen beslissingen betreffende een omgevingsvergunning, genomen in laatste administratieve aanleg.
  [1 Artikel 18, tweede lid, en artikel 106 zijn niet van toepassing voor aspecten van stedenbouwkundige handelingen waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van het decreet de melding is gebeurd of een vergunningsaanvraag werd ingediend waarvoor nog geen definitieve beslissing werd genomen of waarvoor een stedenbouwkundige vergunning werd of wordt verleend.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 160, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Afdeling 4. - Overgangsbepalingen met betrekking tot milieueffect- en veiligheidsrapportage

  Art. 394.§ 1. [1 Milieueffectrapportages over projecten waarvoor de kennisgeving, vermeld in artikel 4.3.4, § 2, van het DABM, ter beschikking is gesteld van de administratie die bevoegd is voor milieueffectrapportage, vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, worden uitgevoerd overeenkomstig de procedure die van toepassing was op de datum van de terbeschikkingstelling van de kennisgeving.]1
  § 2. Omgevingsveiligheidsrapportages waarvoor een beslissing van de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage overeenkomstig artikel 4.5.2, § 3, van het DABM, is tussengekomen voor de datum van inwerkingtreding van dit decreet, worden uitgevoerd overeenkomstig de procedure die van toepassing was op dat ogenblik.
  [2 § 3. De datum van inwerkingtreding van dit decreet, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, is een van de volgende data:
   1° 1 januari 2018 voor aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven die voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 397, § 4;
   2° de datum aangegeven door het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig artikel 397, § 3, tweede lid, 2°, voor aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven waarvoor punt 1° niet van toepassing is;
   3° 23 februari 2017 voor alle andere aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven.]2
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/58, art. 21, 005; Inwerkingtreding : 23-02-2017>
  (2)<DVR 2017-06-30/08, art. 113, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2017>

  Afdeling 4/1. [1 - Overgangsmaatregelen met betrekking tot gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaren]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 161, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Art. 394/1. [1 Personen die op de datum van goedkeuring van het besluit van de Vlaamse Regering waarmee de datum van inwerkingtreding wordt vastgelegd aangesteld zijn als gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar en die houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau A, B of C worden geacht als gemeentelijke omgevingsambtenaar te zijn aangewezen.
   Het eerste lid is eveneens van toepassing als het personen betreft die zijn aangesteld in toepassing van artikel 15 en 18 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2000 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan personen moeten voldoen om als ambtenaar van ruimtelijke ordening te kunnen worden aangesteld.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 162, 003; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Afdeling 5. - Evaluatie, uitvoering en inwerkingtreding

  Art. 395. De Vlaamse Regering evalueert de werking van dit decreet drie jaar na de inwerkingtreding ervan.
  Het evaluatierapport dat mogelijke beleidsaanbevelingen bevat, wordt ter informatie voorgelegd aan het Vlaams Parlement.

  Art. 396. De besluiten vastgesteld door de Vlaamse Regering ter uitvoering van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, blijven geldig tot ze worden opgeheven door besluiten ter uitvoering van dit decreet of titel V van het DABM.
  De besluiten vastgesteld door de Vlaamse Regering ter uitvoering van de VCRO, blijven geldig tot ze worden opgeheven door besluiten ter uitvoering van dit decreet.

  Art. 397.[1 § 1. Dit decreet treedt in werking op 23 februari 2017, met uitzondering van:
   1° artikel 2, dat al in werking is getreden met toepassing van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2015 tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten ter uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
   2° artikel 9, 10 en 16 die uitwerking hebben vanaf 28 november 2016;
   3° artikel 204 tot en met 206, die in werking treden op 1 januari 2018;
   4° paragraaf 2 en 3 die in werking treden op 1 februari 2017.
   § 2. Als het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is, worden aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven, vermeld in dit decreet, ingediend of opgestart vanaf 23 februari 2017 behandeld op grond van de [2 procedureregels]2 die geldig waren op 22 februari 2017, op voorwaarde dat akte is genomen, overeenkomstig paragraaf 3.
   Er wordt evenwel gebruikgemaakt van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het DABM, zoals deze zal gelden op 23 februari 2017.
   De bepalingen van het eerste en tweede lid gelden ook voor de procedures tot bijstelling of afwijking van de milieuvoorwaarden, schorsing of opheffing van de vergunning en inzake genetisch gemodificeerde of pathogene organismen.
   Vergunningen die worden verleend op basis van aanvragen gedaan vanaf 23 februari 2017 die behandeld worden op grond van de [2 procedureregels]2 die geldig waren op 22 februari 2017, gelden voor onbepaalde duur. In afwijking op de onbepaalde duur kan de bevoegde overheid beslissen een vergunning geheel of gedeeltelijk voor een bepaalde duur te verlenen in de gevallen, vermeld in artikel 68.
   De verplichtingen, vermeld in artikel 387, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen.
   Procedures in beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen worden behandeld op grond van de procedureregels die van toepassing waren in eerste administratieve aanleg.
   § 3. Het college van burgemeester en schepenen kan slechts gebruikmaken van de mogelijkheid om aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven te behandelen op grond van de bepalingen die geldig waren op 22 februari 2017, als vermeld in paragraaf 2, als de bevoegde ministers hiervan akte hebben genomen.
   Het verzoek tot aktename, vermeld in het eerste lid, wordt behandeld als volgt:
   1° het college van burgemeester en schepenen deelt, op straffe van onontvankelijkheid, uiterlijk op 14 februari 2017, haar beslissing tot toepassing van de mogelijkheid, vermeld in paragraaf 1, mee aan het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, met een aangetekend schrijven;
   2° het college van burgemeester en schepenen vermeldt in haar beslissing tot wanneer zij de bepalingen die geldig waren op 22 februari 2017 wenst toe te passen, met als uiterste datum 1 juni 2017;
   3° de Vlaamse minister, bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor Leefmilieu, nemen gezamenlijk akte van deze mededeling.]1
  [2 § 4. Aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven, vermeld in dit decreet, ingediend of opgestart vanaf 1 juni 2017 tot en met 31 december 2017, worden van rechtswege behandeld op grond van de procedureregels die geldig waren op 22 februari 2017, op voorwaarde dat:
   1° het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is;
   2° het college van burgemeester en schepenen besloten heeft toepassing te maken van de mogelijkheid, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, tot 1 juni 2017;
   3° de Vlaamse minister, bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, gezamenlijk akte hebben genomen van de beslissing, vermeld in punt 2°.
   De bepalingen van paragraaf 2, tweede tot en met zesde lid, zijn van toepassing.]2
  
  (NOTA : inwerkingtreding van art. 2 vastgesteld op 14-03-2015 door BVR 2015-02-13/08, art. 3)
  (NOTA : inwerkingtreding vastgesteld op 23-02-2017 - met uitzondering van art. 203 tot en met 206 - bij BVR 2015-11-27/29, art. 797, eerste lid)
  (NOTE : inwerkingtreding van art. 203 tot en met 206 vastgesteld op 01-01-2018 bij BVR 2015-11-27/29, art. 797, tweede lid)

  ----------
  (1)<DVR 2017-02-03/01, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 01-02-2017>
  (2)<DVR 2017-06-02/05, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 25 april 2014.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur,
J. SCHAUVLIEGE
De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en sport,
Ph. MUYTERS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :
   Decreet betreffende de omgevingsvergunning

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 13-07-2018 GEPUBL. OP 27-08-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 32; 45; 66; 101; 103) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 08-12-2017 GEPUBL. OP 20-12-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 5; 15; 29; 30; 32; 37; 44; 45; 46; 52; 53; 56; 66; 68; 70; 73/2; 79; 85; 86; 99; 101; 105; 106; 107; 111; 112; 388; 390; 390/1; 390/2; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 5; 9/1; 19; 20; 25; 29; 38; 39; 40; 42; 44; 45; 53; 57; 60; 62; 63/1; 73/2; 75; 87; 99; 105)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 27-10-2017 GEPUBL. OP 27-11-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 53; 105)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 07-07-2017 GEPUBL. OP 18-07-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 32; 46; 66)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 30-06-2017 GEPUBL. OP 07-07-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 394)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 02-06-2017 GEPUBL. OP 22-06-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 397)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 03-02-2017 GEPUBL. OP 09-02-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 14/1; 387; 397)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 23-12-2016 GEPUBL. OP 06-02-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 15/1; 394)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 09-12-2016 GEPUBL. OP 24-01-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 105)
  • BEELD
  • ARREST GRONDWETTELIJK HOF VAN 06-10-2016 GEPUBL. OP 20-10-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 226)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 15-07-2016 GEPUBL. OP 29-07-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 5; 18; 27/1; 29; 37; 43/1; 44; 53; 57/1; 68; 73/1; 99; 105; 106)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 04-05-2016 GEPUBL. OP 02-06-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 380)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 18-12-2015 GEPUBL. OP 29-12-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 14/1; 203; 204; 208; 220; 291; 308; 337; 339)
    (GEWIJZIGDE ART. : 9; 15; 21; 23; 28; 33; 40; 47; 66; 68; 79; 82; 83; 90; 93; 101; 102; 103; 105; 107; 387; 388; 390; 393; 394/1)
    (GEWIJZIGD ART. : 390/1)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 09-05-2014 GEPUBL. OP 07-07-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 388; 391/1)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
        Zitting 2013-2014. Stukken. - Ontwerp van decreet: 2334, Nr. 1. - Amendementen: 2334 - Nr. 2 t.e.m. 4. - Verslag over hoorzittingen: 2334 - Nr. 5. - Amendementen: 2334 - Nr. 6 en 7. - Verslag: 2334 - Nr. 8. - Amendementen ingediend na verslag: 2334 - Nr. 9. - Tekst aangenomen door de plenaire vergadering: 2334 - Nr. 10. Handelingen. - Bespreking en aanneming: Vergaderingen van 23 april 2014.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 15 uitvoeringbesluiten 11 gearchiveerde versies
    Franstalige versie