J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2002/07/07/2002009754/justel

Titel
7 JULI 2002. - Wet houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen

Bron :
JUSTITIE
Publicatie : 10-08-2002 nummer :   2002009754 bladzijde : 34665       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2002-07-07/42
Inwerkingtreding : 20-08-2002

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1999007004        1808120950        1808111701        1991000380       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
Art. 1
HOOFDSTUK II. - Bepalingen tot wijziging van het Wetboek van strafvordering.
Art. 2-6
HOOFDSTUK III. - Bepalingen tot wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen.
Art. 7-9
HOOFDSTUK IV. - Bepaling tot wijziging van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Art. 10
HOOFDSTUK V. - Slotbepaling.
Art. 11

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK II. - Bepalingen tot wijziging van het Wetboek van strafvordering.

  Art. 2. In artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998 en gewijzigd bij de wet van 4 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 4 wordt tussen het tweede en het derde lid het volgende lid ingevoegd :
  " Indien het opsporingsonderzoek wordt gevoerd door de federale procureur, wordt de zaak aangebracht bij de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel. ";
  2° in § 5 wordt na de derde volzin de volgende zin ingevoegd :
  " Indien het opsporingsonderzoek wordt gevoerd door de federale procureur, wordt de zaak aangebracht bij de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel. ";
  3° in § 5 worden de woorden " § 4, derde tot zesde lid " vervangen door de woorden " § 4, vierde tot zevende lid ".

  Art. 3. In artikel 90ter , § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wetten van 7 en 13 april 1995, 10 juni 1998, 10 januari 1999, 28 november 2000 en 29 november 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° 4bis , wordt opgeheven;
  2° er wordt een 7bis ingevoegd, luidende :
  " 7bis . de artikelen 428 en 429 van hetzelfde Wetboek; ".

  Art. 4. Artikel 90decies van hetzelfde Wetboek aangevuld met het volgende lid :
  " Hij brengt tegelijkertijd verslag uit over de toepassing van de artikelen 102 tot 111 en 317 en stelt de federale Wetgevende Kamers in kennis van het aantal betrokken dossiers, personen en misdrijven. "

  Art. 5. In boek I van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk VIIter ingevoegd, dat de artikelen 102 tot 111 omvat, luidende :
  " HOOFDSTUK VIIter . - Bescherming van bedreigde getuigen
  Afdeling 1. - Definities van sommige in dit hoofdstuk voorkomende uitdrukkingen.
  Art. 102. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° bedreigde getuige : een persoon die gevaar loopt als gevolg van afgelegde of af te leggen verklaringen in de loop van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek in het kader van een strafzaak, hetzij in Belgiė, hetzij voor een internationaal rechtscollege hetzij, wanneer terzake de wederkerigheid gewaarborgd is, in het buitenland, en die bereid is die verklaringen desgevraagd ter terechtzitting te bevestigen;
  2° gezinsleden : de echtgenoot van de bedreigde getuige of de persoon met wie hij samenleeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft, de inwonende bloedverwanten van de bedreigde getuige, van diens echtgenoot of van de persoon met wie hij samenleeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft, hun inwonende adoptanten en adoptiekinderen en de inwonende bloedverwanten van hun adoptanten en adoptiekinderen;
  3° andere bloedverwanten : de niet-inwonende bloedverwanten tot in de derde graad van de bedreigde getuige, van diens echtgenoot of van de persoon met wie hij samenleeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft, hun niet-inwonende adoptanten en adoptiekinderen en de niet-inwonende bloedverwanten van hun adoptanten en adoptiekinderen tot in de tweede graad.
  Afdeling 2. - De organen van de bescherming.
  Art. 103. § 1. De Getuigenbeschermingscommissie is bevoegd voor het toekennen, wijzigen en intrekken van beschermingsmaatregelen en van financiėle hulpmaatregelen.
  De Getuigenbeschermingscommissie is samengesteld uit de federale procureur, die als voorzitter fungeert, een procureur des Konings aangewezen door de Raad van procureurs des Konings, de procureur-generaal aan wie de specifieke taak van internationale betrekkingen is toegewezen, de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie, de directeur-generaal Operationele Ondersteuning van de federale politie, een vertegenwoordiger van het Ministerie van Justitie en een vertegenwoordiger van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De twee laatstgenoemden hebben slechts een adviserende bevoegdheid en hebben geen stemrecht.
  De Getuigenbeschermingscommissie komt samen na bijeenroeping door haar voorzitter. De leden van de Getuigenbeschermingscommissie zijn in persoon aanwezig of laten zich vervangen overeenkomstig de regels die zij vastleggen in het huishoudelijk reglement. De Koning keurt het huishoudelijk reglement van de commissie goed.
  § 2. De coördinatie van de bescherming wordt verzorgd door de Getuigenbeschermingsdienst bij de Algemene Directie Gerechtelijke Politie van de federale politie.
  § 3. De tenuitvoerlegging van de bescherming van gedetineerde personen binnen de gevangenis wordt verzorgd door het Directoraat-generaal der Strafinrichtingen.
  In alle andere gevallen wordt de tenuitvoerlegging van de bescherming verzekerd door de Algemene Directie Operationele Ondersteuning van de federale politie.
  Afdeling 3. - De toekenning van bescherming.
  Art. 104. § 1. De Getuigenbeschermingscommissie kan, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit, gewone beschermingsmaatregelen toekennen aan een bedreigde getuige en, in voorkomend geval en voorzover zij gevaar lopen als gevolg van de door hem afgelegde of af te leggen verklaringen, aan zijn gezinsleden en andere bloedverwanten.
  De gewone beschermingsmaatregelen kunnen inzonderheid omvatten :
  1° het afschermen van de gegevens van de betrokken persoon bij de dienst bevolking en bij de burgerlijke stand;
  2° het verstrekken van raadgevingen op het vlak van preventie;
  3° het plaatsen van technopreventieve middelen;
  4° het aanstellen van een contactambtenaar;
  5° het voorzien in een alarmprocedure;
  6° het verstrekken van psychologische bijstand;
  7° het preventief patrouilleren door de politiediensten;
  8° het registeren van in- en uitgaande gesprekken;
  9° het op regelmatige tijdstippen controleren van de raadplegingen van het rijksregister en/of het afschermen van de gegevens van de betrokkene;
  10° het ter beschikking stellen van een geheim telefoonnummer;
  11° het ter beschikking stellen van een afgeschermde nummerplaat;
  12° het ter beschikking stellen van een GSM voor noodoproepen;
  13° het onmiddellijk en van nabij fysiek beveiligen van de betrokken persoon;
  14° het elektronisch beveiligen van de betrokken persoon;
  15° het reloceren van de betrokken persoon gedurende maximaal 45 dagen;
  16° het plaatsen van de gedetineerde betrokken persoon in een bijzonder beveiligde afdeling van de gevangenis.
  § 2. Bovendien kan de Getuigenbeschermingscommissie, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit, uitsluitend bijzondere beschermingsmaatregelen toekennen aan een bedreigde getuige wiens bescherming met gewone beschermingsmaatregelen niet kan worden verzekerd en wiens verklaringen betrekking hebben op een misdrijf zoals bedoeld in artikel 90ter , §§ 2, 3 of 4, een misdrijf gepleegd in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek of een misdrijf zoals bedoeld in de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, en, in voorkomend geval, aan zijn gezinsleden en, voorzover zij gevaar lopen als gevolg van de door hem afgelegde of af te leggen verklaringen, aan zijn andere bloedverwanten.
  De bijzondere beschermingsmaatregelen kunnen omvatten :
  1° het reloceren van de betrokken persoon gedurende meer dan 45 dagen;
  2° het wijzigen van de identiteit van de betrokken persoon.
  § 3. De Getuigenbeschermingscommissie kan, rekening houdend met de specifieke situatie van de betrokken persoon, financiėle hulpmaatregelen toekennen aan de bedreigde getuige aan wie bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
  De financiėle hulpmaatregelen kunnen omvatten :
  1° een maandelijkse uitkering om in het onderhoud van de bedreigde getuige en zijn samen met hem beschermde gezinsleden en andere bloedverwanten te voorzien, en waarvan bepaalde gedeelten kunnen bestemd worden voor specifieke doeleinden;
  2° de éénmalige uitkering van een bedrag voor het opstarten van een zelfstandige activiteit;
  3° een bijzondere financiėle bijdrage voor specifieke doeleinden.
  § 4. De persoon aan wie bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend, heeft van rechtswege recht op psychologische begeleiding, op hulp bij het zoeken naar werk en op tussenkomst bij de uitoefening van verworven pecuniaire rechten, overeenkomstig de modaliteiten bepaald bij artikel 107, derde lid.
  Art. 105. § 1. De procureur des Konings, de procureur-generaal, de federale procureur of de onderzoeksrechter, naar gelang van het geval, kan bij een met redenen omkleed verzoekschrift, waarbij een afschrift van het dossier is gevoegd, om de toekenning van beschermingsmaatregelen en van financiėle hulpmaatregelen verzoeken.
  Het verzoekschrift vermeldt :
  1° de dag, de maand en het jaar;
  2° de naam en de functie van de magistraat die het verzoekschrift indient;
  3° de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de personen voor wie de bedoelde maatregelen worden gevraagd;
  4° of gewone, dan wel bijzondere beschermingsmaatregelen, en in voorkomend geval welke, en financiėle hulpmaatregelen dienen te worden toegekend;
  5° de gewone beschermingsmaatregelen bedoeld in § 3, en de bijzondere redenen die deze wettigen.
  De procureur des Konings, de procureur-generaal en de federale procureur zenden het verzoekschrift over aan de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.
  De onderzoeksrechter zendt het verzoekschrift over aan de procureur des Konings, die het onverwijld doorstuurt naar de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.
  Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de bedreigde getuige kan de procureur des Konings, de procureur-generaal, de federale procureur of de onderzoeksrechter in zijn verzoekschrift aanduiden aan welke andere personen dan degenen bedoeld in artikel 102 beschermingsmaatregelen kunnen worden toegekend. Deze beschermingsmaatregelen kunnen door de Commissie slechts worden toegekend voor zover deze personen effectief gevaar lopen.
  § 2. Zodra de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie het verzoekschrift tot het toekennen van beschermingsmaatregelen en desgevallend van financiėle hulpmaatregelen heeft ontvangen, verzoekt hij de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie om een schriftelijk advies.
  § 3. Indien bij hoogdringendheid beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn, kan de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie na ruggespraak met de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie en in afwachting van diens advies, bij voorlopige beslissing gewone beschermingsmaatregelen toekennen.
  De voorlopige beslissing is met redenen omkleed. Zij houdt precieze opgave in van de beschermingsmaatregelen die worden toegekend.
  Van de voorlopige beslissing wordt schriftelijk kennis gegeven aan de bedreigde getuige.
  § 4. De directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie zendt, binnen een maand na ontvangst van het verzoek bepaald in § 2, een omstandig advies over nopens het voldaan zijn van de wettelijke voorwaarden voor de gevraagde beschermingsmaatregelen in hoofde van de personen waarvoor bescherming wordt gevraagd en, in voorkomend geval en indien bijzondere beschermingsmaatregelen worden gevraagd, nopens de persoonlijke geschiktheid van de betrokken personen voor de toekenning van de gevraagde beschermingsmaatregelen, alsook nopens in voorkomend geval gevraagde financiėle hulpmaatregelen.
  Indien een persoon waarvoor bijzondere beschermingsmaatregelen worden gevraagd schuldig is bevonden aan een feit dat een gevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben, of indien de strafvordering wegens dergelijk feit ten aanzien van hem vervallen is ingevolge toepassing van artikel 216bis of 216ter, houdt het advies nopens de persoonlijke geschiktheid van de betrokkene voor de toekenning van bijzondere beschermingsmaatregelen in elk geval een evaluatie in van het gevaar dat de betrokkene zon kunnen vormen voor de samenleving waarnaar hij wordt gereloceerd.
  § 5. Van zodra de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie het advies van de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie heeft ontvangen, roept hij de Commissie samen om over het verzoek te beslissen.
  § 6. De Getuigenbeschermingscommissie beslist bij meerderheid van stemmen.
  § 7. De beslissing van de Getuigenbeschermingscommissie is met redenen omkleed. Zij houdt precieze opgave in van de bijzondere beschermingsmaatregelen en de financiėle hulpmaatregelen die in voorkomend geval worden toegekend.
  Indien gewone beschermingsmaatregelen worden toegekend, wordt de Getuigenbeschermingsdienst ermee belast te bepalen welke beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104, § 1, concreet worden genomen.
  § 8. Wanneer de beslissing een wijziging van de identiteit betreft, wordt zij meegedeeld aan de minister van Justitie.
  § 9. De beslissing van de Getuigenbeschermingscommissie heft van rechtswege de door de voorzitter bij voorlopige beslissing toegekende beschermingsmaatregelen op.
  § 10. Tegen de beslissing van de Getuigenbeschermingscommissie staat geen rechtsmiddel open.
  Art. 106. § 1. In afwijking van de bepalingen van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, kan de minister van Justitie een verandering van naam en van voornamen toestaan op voorstel van de Getuigenbeschermingscommissie.
  De nieuwe identiteit wordt vastgesteld in overleg met de Getuigenbeschermingsdienst en de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger.
  § 2. Een afschrift van het ministerieel besluit dat de verandering van naam en voornamen toestaat, wordt binnen tien dagen na de ondertekening overgezonden aan de Getuigenbeschermingsdienst en aan de procureur des Konings. De Getuigenbeschermingsdienst neemt onmiddellijk contact op met de procureur des Konings met het oog op de overschrijving van het dispositief van het besluit in de registers van de burgerlijke stand.
  De procureur des Konings vordert de overschrijving in de registers van de burgerlijke stand van :
  1° de plaats waar de begunstigde of een van de begunstigden is geboren;
  2° de plaats waar de begunstigde of een van de begunstigden zijn gewone verblijfplaats heeft, wanneer geen van de begunstigden in Belgiė is geboren;
  3° van Brussel, wanneer geen van de begunstigden in Belgiė is geboren noch er zijn gewone verblijfplaats heeft.
  De verandering van naam en de verandering van voornamen hebben gevolg op de dag van de overschrijving. De naamsverandering geldt vanaf die dag voor de minderjarige kinderen tot wie zij is uitgebreid.
  Door toedoen van de procureur des Konings wordt melding gemaakt van de overschrijving op de kant van de akten van de burgerlijke stand die betrekking hebben op de begunstigden.
  § 3. De verandering van naam en de verandering van voornamen zijn vrij van zegelrecht en registratierecht.
  § 4. In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek mag een uittreksel of afschrift van een akte van de burgerlijke stand met betrekking tot een persoon die met toepassing van dit artikel een wijziging van identiteit heeft verkregen, slechts worden gegeven met uitdrukkelijke toestemming van de procureur des Konings, op eensluidend advies van de Getuigenbeschermingsdienst.
  Art. 107. De bedreigde getuige aan wie de beslissing tot het toekennen van beschermingsmaatregelen wordt overhandigd, ondertekent een schriftelijk memorandum, waarin hij zich ertoe verbindt om oprechte en volledige verklaringen af te leggen betreffende de zaak waarin hij zal getuigen, en om te getuigen telkens als hij hierom verzocht wordt.
  Ingeval bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend, verbindt hij zich er in het memorandum bovendien toe om oprechte en volledige verklaringen af te leggen over alle burgerrechtelijke verplichtingen die hetzij op hemzelf, hetzij op de samen met hem te beschermen gezinsleden of andere bloedverwanten rusten, en verzekert hij de integrale nakoming van deze verplichtingen.
  Tevens verleent hij een algemene lastgeving aan de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie. Met instemming van de getuige kan de directeur-generaal Gerechtelijke Politie lastgevingsovereenkomsten sluiten met andere personen met het oog op het beheer van het vermogen van de getuige.
  Afdeling 4. - Wijziging en intrekking van de bescherming.
  Art. 108. § 1. De Getuigenbeschermingsdienst toetst op aangifte van de politie, de procureur des Konings, de federale procureur, de onderzoeksrechter, de directeur-generaal der Strafinrichtingen, de bedreigde getuige of ambtshalve, doch minimaal om de zes maanden, of er een grond is tot wijziging of intrekking van de toegekende beschermingsmaatregelen en, desgevallend, van de toegekende financiėle hulpmaatregelen.
  § 2. De toegekende beschermingsmaatregelen kunnen worden gewijzigd indien deze niet volstaan of indien minder verstrekkende maatregelen volstaan om de bescherming van de bedreigde getuige of de leden van zijn gezin of andere bloedverwanten te verzekeren, en in de gevallen waarin zijn kunnen worden ingetrokken.
  § 3. De aan een persoon toegekende beschermingsmaatregelen kunnen worden ingetrokken indien :
  1° hij ervan verdacht wordt een wanbedrijf of misdaad te hebben gepleegd na toekenning van de beschermingsmaatregelen;
  2° hij na toekenning van beschermingsmaatregelen schuldig is bevonden aan een feit dat een gevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben, of indien de strafvordering wegens dergelijk feit ten aanzien van hem vervallen is ingevolge toepassing van artikel 216bis of 216ter,
  3° hij enige handeling heeft gesteld die afbreuk doet aan de hem toegekende beschermingsmaatregelen;
  4° de toegekende beschermingsmaatregelen kunnen bovendien worden ingetrokken indien de bepalingen van het memorandum niet worden nageleefd.
  § 4. De aan een persoon toegekende beschermingsmaatregelen worden in elk geval ingetrokken wanneer deze geen gevaar meer loopt, voor zover dit door de wet als een voorwaarde door toekenning van de toegekende beschermingsmaatregelen wordt omschreven.
  De aan een bedreigde getuige toegekende beschermingsmaatregelen worden in elk geval ingetrokken wanneer deze formeel in verdenking gesteld wordt of vervolgd wordt door het openbaar ministerie voor de feiten die het voorwerp uitmaken van zijn getuigenis.
  § 5. De aan de bedreigde getuigde toegekende financiėle hulpmaatregelen kunnen worden gewijzigd indien het bedrag ervan niet volstaat, dan wel een geringer bedrag volstaat om in het onderhoud van de bedreigde getuige en de samen met hem beschermde gezinsleden en andere bloedverwanten te voorzien, en in de gevallen waarin zij kunnen worden ingetrokken. De Getuigenbeschermingscommissie houdt rekening met de specifieke situatie van de betrokken persoon.
  § 6. De aan de bedreigde getuige toegekende financiėle hulpmaatregelen kunnen worden ingetrokken indien :
  1° de bedreigde getuige zelf in zijn onderhoud en dat van de samen met hem gereloceerde leden van zijn gezin en andere bloedverwanten kan voorzien of had kunnen voorzien, doch dit door eigen fout of nalatigheid heeft verhinderd;
  2° in geval van aanwending van voor specifieke doeleinden bestemde gedeelten van de maandelijkse uitkering of van een bijzondere financiėle bijdrage, voor andere dan de door de Getuigenbeschermingscommissie bepaalde doeleinden;
  3° de bedreigde getuigde overleden is, en de samen met hem gereloceerde gezinsleden en andere bloedverwanten zelf in hun onderhoud kunnen voorzien.
  Art. 109. § 1. Indien de Getuigenbeschermingsdienst van oordeel is dan een grond tot wijziging of intrekking, zoals bepaald in het voorgaande artikel, van de toegekende beschermingsmaatregelen of financiėle hulpmaatregelen voorhanden is, zendt de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie binnen een maand een met redenen omkleed advies ter zake over aan de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.
  Wordt de wijziging van de toegekende beschermingsmaatregelen geadviseerd, dan wordt het bepaalde in artikel 105, § 4, toegepast, met dien verstande dat de Getuigenbeschermingsdienst die een wijziging van gewone naar bijzondere beschermingsmaatregelen adviseert, zelf een voorstel tot financiėle hulpmaatregelen kan formuleren.
  § 2. Van zodra de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie het advies van de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie heeft ontvangen, roept hij de Commissie samen om te beslissen.
  § 3. De Getuigenbeschermingscommissie beslist bij meerderheid van stemmen.
  § 4. De Getuigenbeschermingscommissie beslist met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en van proportionaliteit over de wijziging of de intrekking van de toegekende beschermingsmaatregelen of de financiėle hulpmaatregelen, en over de desgevallend door de Getuigenbeschermingsdienst in toepassing van § 1 voorgestelde financiėle hulpmaatregelen.
  § 5. De beslissing van de Getuigenbeschermingscommissie is met redenen omkleed. Zij houdt precieze opgave in van de bijzondere beschermingsmaatregelen en de financiėle hulpmaatregelen die desgevallend worden toegekend.
  Indien gewone beschermingsmaatregelen worden toegekend, wordt de Getuigenbeschermingsdienst ermee belast te bepalen welke beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104, § 1, concreet worden genomen.
  § 6. Van de beslissing wordt schriftelijk kennis gegeven aan de bedreigde getuige.
  § 7. Tegen de beslissing van de Getuigenbeschermingscommissie staat geen rechtsmiddel open.
  Art. 110. § 1. De beslissing van intrekking van de aan de bedreigde getuige toegekende beschermingsmaatregelen leidt van rechtswege tot het verval van de aan zijn gezinsleden, andere bloedverwanten en de andere personen bedoeld in artikel 105, § 1, vijfde lid, toegekende beschermingsmaatregelen.
  § 2. De beslissing van intrekking van de aan de bedreigde getuigde toegekende bijzondere beschermingsmaatregelen leidt van rechtswege tot het verval van het recht op psychologische begeleiding, op hulp bij het zoeken naar werk en op tussenkomst bij de uitoefening van verkregen pecuniaire rechten, en van de toegekende financiėle hulpmaatregelen.
  § 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de beslissing van wijziging van bijzondere beschermingsmaatregelen " naar gewone beschermingsmaatregelen " gelijkgesteld met een beslissing tot intrekking.
  Art. 111. Aan een persoon die een getuigenis heeft afgelegd met toepassing van de artikelen 86bis en 86ter , en van wie de identiteitsgegevens door omstandigheden onafhankelijk van zijn wil bekend zijn geraakt, kunnen gewone of bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend in de mate dat aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 102 en volgende is voldaan. "

  Art. 6. Artikel 317 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet wan 30 juni 2000, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Getuigen van wie de identiteit veranderd is, overeenkomstig de toepassing van artikel 104, § 2, leggen hun verklaring steeds onder hun oude identiteit af. "

  HOOFDSTUK III. - Bepalingen tot wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen.

  Art. 7. Artikel 3 van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen wordt aangevuld als volgt :
  " i ) de veiligheid van de personen aan wie, krachtens artikel 104, § 2, van het Wetboek van strafvordering, bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend. "

  Art. 8. In dezelfde wet wordt een artikel 5bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 5bis . In de context van de bijzondere bescherming van personen zoals bedoeld in artikel 3, i ), wordt aan alle documenten waarin een verband wordt gelegd tussen de oude en de nieuwe verblijfplaats en/of identiteit van de beschermde persoon, het classificatieniveau ZEER GEHEIM toegekend.
  Deze classificatie wordt van rechtswege opgeheven wanneer de bijzondere beschermingsmaatregelen door de Getuigenbeschermingscommissie worden ingetrokken. "

  Art. 9. Artikel 12 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Deze wet is eveneens van toepassing op alle personen die toegang willen krijgen tot geclassificeerde documenten, bedoeld in artikel 5bis . "

  HOOFDSTUK IV. - Bepaling tot wijziging van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.

  Art. 10. In artikel 1 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, gewijzigd bij de wetten van 24 mei 1994 en 24 januari 1997, wordt een § 3 ingevoegd, luidende :
  " § 3. Op verzoek van de Getuigenbeschermingsdienst worden personen aan wie de Getuigenbeschermingscommissie bijzondere beschermingsmaatregelen heeft toegekend, ingeschreven op een referentieadres als bedoeld in § 2, eerste en tweede lid. "

  HOOFDSTUK V. - Slotbepaling.

  Art. 11. De Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken nemen de bijzondere organisatorische maatregelen, die noodzakelijk zijn om de in deze wet vervatte bescherming van getuigen mogelijk te maken.
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Brussel, 7 juli 2002.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Justitie,
  M. VERWILGHEN
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  M. VERWILGHEN.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
   Zitting 2001-2002. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp, 50-1483 - Nr. 1. - Amendementen, 50-1483 - Nrs. 2-8. - Verslag, 50-1483 - Nr. 9. - Tekst aangenomen door de Commissie, 50-1483 - Nr. 10. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden naar de Senaat, 50-1483 Nr. 11. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 2 mei 2002. Senaat. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp overgzonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers, 2-1135 - Nr. 1. - Amendementen2-1135 Nr. 2. - Verslag, 2-1135 - Nr. 3. - Amendementen 2-1135 - Nr. 4. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd, 2-1135 - Nr. 5. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 27 juni 2002.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Franstalige versie