J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2019/07/23/2019041730/justel

Titel
23 JULI 2019. - Ministerieel besluit houdende de organisatie van een call voor de ondersteuning van nuttige groene warmte, de ondersteuning van restwarmte en <energie>-efficiënte stadsverwarming Zie wijziging(en)

Bron :
VLAAMSE OVERHEID
Publicatie : 01-08-2019 nummer :   2019041730 bladzijde : 75749       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2019-07-23/01
Inwerkingtreding : 01-08-2019

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-16

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. De tweede call van 2019 voor nuttige-groenewarmte-installaties, voor installaties voor de benutting van restwarmte en voor <energie>-efficiënte stadsverwarming of -koeling wordt opengesteld voor het indienen van steunaanvragen van 8 augustus tot 9 augustus 2019.

  Art. 2. Het totale bedrag voor de tweede call van 2019 vermeld in artikel 1 bedraagt het niet-toegekende deel van de eerste call van 2019. Dit is een totaal van 2.751.438,50 euro uit het Energiefonds.

  Art. 3. Het maximale steunbedrag voor de tweede call in 2019 tot indiening van steunaanvragen voor nuttige-groenewarmte-installaties is 500.000 euro.

  Art. 4. Het maximale steunbedrag voor de tweede call in 2019 tot indiening van steunaanvragen voor de benutting van restwarmte en <energie>-efficiënte stadsverwarming of -koeling is 2.251.438,5 euro.

  Art. 5. Indien binnen één van de calls uit artikel 3 of 4 minder middelen worden toegekend dan het maximale steunbedrag, dan kan het resterende bedrag gebruikt worden om een tekort aan middelen voor een andere call te verminderen.

  Art. 6. Voor de toekenning van steun aan nuttige-groenewarmte-installaties komen volgende technologieën in aanmerking:
  1° de productie van nuttige groene warmte uit een organisch-biologische stof met een bruto thermisch vermogen van meer dan 300 kWth, conform artikel 7.4.1, § 1, derde lid van het Energiebesluit van 19 november 2010. De nageschakelde technieken voor rookgaszuivering bij installaties met een vermogen tussen 300 kWth en 1 MWth komen niet in aanmerking voor steun;
  2° de productie van nuttige groene warmte uit aardwarmte uit de diepe ondergrond met een bruto thermisch vermogen van meer dan 1 MWth en, als dat van toepassing is, een aangesloten Organische Rankinecyclus voor elektriciteitsproductie, conform artikel 7.4.1, § 1, derde lid van het Energiebesluit van 19 november 2010;
  3° de productie van nuttige groene warmte uit geconcentreerd zonlicht (CST) met een apertuuroppervlakte van meer dan 600 m2 en een bruto thermisch vermogen van meer dan 300 kWth;
  4° grootschalige zonneboilers met een apertuuroppervlakte van meer dan 425 m2 waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van afgedekte collectoren waarbij de transparante isolerende laag, niet zijnde beglazing van serres, een geïntegreerd geheel vormt met de collector, met een bruto thermisch vermogen van meer dan 300 kWth;
  5° boorgat-<energie>-opslag met een bruto thermisch vermogen van meer dan 300 kWth (inclusief een grootschalige centrale warmtepomp);
  6° koude-warmteopslag met een bruto thermisch vermogen van meer dan 300 kWth (inclusief een grootschalige centrale warmtepomp);
  7° grootschalige centrale warmtepompen met een bruto thermisch vermogen van meer dan 300 kWth.

  Art. 7. Indien een deel van een productie-installatie volledig zelfstandig elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen kan opwekken en hiervoor groenestroomcertificaten werden of kunnen worden toegekend, dan kan er conform artikel 7.4.1, § 1, tweede lid en artikel 7.5.1, § 1, tweede lid van het Energiebesluit van 19 november 2010 voor dit deel van de installatie geen steun worden toegekend. De delen van de installatie die echter niet dienen om zelfstandig elektriciteit op te wekken, maar dienen als nuttige-groenewarmte-installaties of installaties voor de benutting van restwarmte komen wel in aanmerking voor de steun vermeld in artikel 7.4.1, § 1, eerste lid en artikel 7.5.1, § 1, eerste lid van het Energiebesluit van 19 november 2010.
  Het Vlaams Energieagentschap bepaalt bij elke ingediende steunaanvraag welke delen worden beschouwd deel uit te maken van een installatie die volledig zelfstandig elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen kan opwekken en waarvoor conform het Energiebesluit van 19 november 2010 groenestroomcertificaten werden of kunnen worden toegekend. In dit kader worden minstens de volgende delen van een installatie door het Vlaams Energieagentschap beschouwd als zijnde een onderdeel van een installatie die volledig zelfstandig elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen kan opwekken:
  1° voor biomassa als hernieuwbare energiebron, betreft dit:
  a) de aansluitingsapparatuur en de aansluitingskosten van de elektriciteitsopwekkingsinstallatie op het elektriciteits- en aardgasnet voor wat betreft de afname van aardgas;
  b) de utiliteitsvoorzieningen van de elektriciteitsopwekkingsinstallatie;
  c) de voorbehandelingsinstallatie die verbonden is met de elektriciteitsopwekkingsinstallatie;
  d) de motor of verbrandingsinstallatie met turbine van de elektriciteitsopwekkingsinstallatie;
  c) de generator van de elektriciteitsopwekkingsinstallatie;
  d) de sturing van de elektriciteitsopwekkingsinstallatie.
  2° voor biogas uit rioolwaterzuiveringsslib of voor stortgas als hernieuwbare energiebron, betreft dit:
  a) de aansluitingsapparatuur en de aansluitingskosten van de elektriciteitsopwekkingsinstallatie op het elektriciteits- en aardgasnet voor wat betreft de afname van aardgas;
  b) de utiliteitsvoorzieningen van de elektriciteitsopwekkingsinstallatie;
  c) de voorbehandelingsinstallatie die verbonden is met de elektriciteitsopwekkingsinstallatie;
  d) de installaties nodig voor de productie van het biogas of voor de recuperatie van het stortgas voor elektriciteitsopwekking;
  e) de motor of turbine van de elektriciteitsopwekkingsinstallatie;
  f) de generator van de elektriciteitsopwekkingsinstallatie;
  g) de sturing van de elektriciteitsopwekkingsinstallatie.
  3° voor andere biogasstromen als hernieuwbare energiebron dan 2°, betreft dit:
  a) de aansluitingsapparatuur en de aansluitingskosten van de elektriciteitsopwekkingsinstallatie op het elektriciteits- en aardgasnet voor wat betreft de afname van aardgas;
  b) de utiliteitsvoorzieningen van de elektriciteitsopwekkingsinstallatie;
  c) de vergistingsinstallatie van de elektriciteitsopwekkingsinstallatie;
  d) de voorbehandelingsinstallatie die verbonden is met de elektriciteitsopwekkingsinstallatie;
  e) de motor of turbine van de elektriciteitsopwekkingsinstallatie;
  f) de generator van de elektriciteitsopwekkingsinstallatie;
  g)de sturing van de elektriciteitsopwekkingsinstallatie.

  Art. 8. Indien een deel van een productie-installatie volledig zelfstandig in één proces thermische warmte en elektrische of mechanische <energie> kan opwekken en hiervoor warmte-krachtcertificaten werden of kunnen worden toegekend, dan kan er conform artikel 7.4.1, § 1, tweede lid en artikel 7.5.1, § 1, tweede lid van het Energiebesluit van 19 november 2010 voor dit deel van de installatie geen steun worden toegekend. De delen van de installatie die echter niet dienen om zelfstandig in één proces thermische warmte en elektrische of mechanische <energie> op te wekken, maar dienen als nuttige-groenewarmte-installaties, installaties voor de benutting van restwarmte komen wel in aanmerking voor de steun vermeld in artikel 7.4.1, § 1, eerste lid en artikel 7.5.1, § 1, eerste lid van het Energiebesluit van 19 november 2010.
  Het Vlaams Energieagentschap bepaalt welke delen worden beschouwd deel uit te maken van een installatie die volledig zelfstandig in één proces thermische warmte en elektrische of mechanische <energie> kan opwekken en waarvoor conform het Energiebesluit van 19 november 2010 warmte-krachtcertificaten werden of kunnen worden toegekend. In dit kader worden minstens de volgende delen van een installatie door het Vlaams Energieagentschap beschouwd als zijnde een onderdeel van een installatie die volledig zelfstandig in één proces thermische warmte en elektrische of mechanische <energie> kan opwekken:
  1° de aansluitingsapparatuur en de aansluitingskosten van de warmte-krachtinstallatie op het elektriciteits- en aardgasnet voor wat betreft de afname van aardgas;
  2° de utiliteitsvoorzieningen van de warmte-krachtinstallatie;
  3° de motor van de warmte-krachtinstallatie;
  4° de turbine van de warmte-krachtinstallatie;
  5° de warmtewisselaars van de warmte-krachtinstallatie voor zover zij geen deel uitmaken van de warmtetoepassing;
  6° HRSG-ketel (Heat Recovery Steam Generator) van de warmte-krachtinstallatie;
  7° de generator van de warmte-krachtinstallatie;
  8° de sturing van de warmte-krachtinstallatie.

  Art. 9. Voor de berekening van de in aanmerking komende kosten voor nuttige-groenewarmte-installaties voor de productie van nuttige groene warmte en installaties voor de benutting van restwarmte wordt als referentie-installatie een hoogrendementsketel op aardgas gebruikt voor de productie van warmte, een stoomketel op aardgas voor de productie van stoom, en een elektrisch aangedreven compressiekoelmachine voor de productie van koude.
  Het Vlaams Energieagentschap bepaalt welke delen worden beschouwd deel uit te maken van de referentie-installatie, hoe de referentie-installatie gedimensioneerd wordt en welke investeringskosten gehanteerd worden.

  Art. 10. De steun voor de benutting van restwarmte wordt berekend op basis van de bijkomende benutting van de restwarmte ten opzichte van het huidige gebruik van de restwarmte.
  De in aanmerking komende kosten worden gecorrigeerd met volgende correctiefactor:
  Correctiefactor = 1- η huidig valorisatieproces η nieuw valorisatieproces
  waarbij:
  η huidig valorisatieproces: het rendement van het huidig valorisatieproces van de restwarmte rekening houdend met de omrekeningsfactor naar primaire <energie>;
  η nieuw valorisatieproces: het rendement van het nieuwe valorisatieproces van de restwarmte rekening houdend met de omrekeningsfactor naar primaire <energie>.
  Indien de restwarmte in de huidige toestand onbenut is, dan is de correctiefactor 1.
  Het Vlaams Energieagentschap bepaalt hoe het rendement rekening houdt met de omrekeningsfactor naar primaire <energie>.

  Art. 11. Het aandeel hernieuwbare energiebronnen of restwarmte in de inputstroom van de stadsverwarming of -koeling wordt berekend aan de hand van een formulier op de website van het Vlaamse Energieagentschap. Het aandeel wordt bepaald op basis van de jaarlijkse verwachte energieproductie. Het Vlaams Energieagentschap stelt het formulier op. Het formulier bevat minstens de vraag om voor elke warmteopwekker het soort opwekker, het type van brandstof en het nominaal thermisch vermogen te geven en desgevallend, per warmteopwekker het elektrisch vermogen voor pompen, motoren en hulpfuncties van de warmteopwekker te vermelden indien het hulpenergieverbruik in detail wordt berekend.

  Art. 12. Investeringen voor de bouw van warmterecuperatie bij een bestaande afvalverbrandingsinstallatie, worden niet beschouwd als een nieuwe nuttige-groenewarmte-installatie of als de vernieuwing van een nuttige-groenewarmte-installatie.

  Art. 13. Investeringen betreffende warmterecuperatie bij nieuwe afvalverbrandingsinstallaties komen enkel in aanmerking als nuttige-groenewarmte-installatie als de afvalverbrandingsinstallatie een primaire energiebesparing behaalt van meer dan 55%. Daarbij wordt dit percentage berekend als het netto thermisch rendement in procent/0,85 + het netto elektrisch rendement in procent/0,55. Het netto thermisch rendement is gelijk aan de effectief extern aan het project benutte warmte die voldoet aan een economisch aantoonbare vraag, gedeeld door de onderste verbrandingswaarde van de inputstromen, uitgedrukt in GWh en op jaarbasis. Het netto elektrisch rendement is gelijk aan de geproduceerde elektriciteit verminderd met het eigenverbruik voor afvalverwerking en energierecuperatie, en gedeeld door de onderste verbrandingswaarde van de inputstromen, uitgedrukt in GWh en op jaarbasis.

  Art. 14. Enkel investeringen voor warmterecuperatie in afvalverbrandingsinstallaties komen in aanmerking als nuttige-groenewarmte-installatie, conform artikel 7.4.2, § 1, elfde lid, 1° van het Energiebesluit van 19 november 2010. Investeringen voor elektriciteitsproductie betreffen minstens de stoomketel, turbine en de condensor. Conform hetzelfde artikel worden de investeringen die zowel voor elektriciteit- als voor warmteproductie noodzakelijk zijn, verdeeld in enerzijds elektriciteitsproductie anderzijds warmteproductie pro rata het respectievelijk aandeel ingezet voor elektriciteitsproductie en warmteproductie.
  Investeringen voor afvalverbranding of -verwerking komen niet in aanmerking voor steun. Deze omvatten onder meer investeringen voor aanvoer, bewerking en opslag van afvalstoffen, het afvalverbrandingsgedeelte, de rookgaszuivering, investeringen voor de afvoer van restproducten van het verbrandingsproces en de gebouwen.
  Start-up-kosten en generieke kosten komen niet in aanmerking, tenzij aangetoond kan worden dat de kosten enkel nodig zijn voor warmterecuperatie.

  Art. 15. Er kan enkel steun toegekend worden aan warmtepompen uit artikel 6, 7° die voldoen aan de minimale <energie>-efficiëntie vermeld in bijlage II bij het ministerieel besluit van 5 december 2018 houdende vaststelling van de nadere regels, technische vereisten en hoogten van de premies, trajectbegeleidingen en collectieve renovatieprojecten, vermeld in artikel 6.4.1/1, artikel 6.4.1/1/1, artikel 6.4.1/1/2, artikel 6.4.1/1/3, artikel 6.4.1/4, artikel 6.4.1/5, artikel 6.4.1/9 en artikel 6.4.1/9/1 van het Energiebesluit van 19 november 2010.

  Art. 16. Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 23 juli 2019.
De Vlaamse minister van Begroting, Financiën en <Energie>,
L. PEETERS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   DE VLAAMSE MINISTER VAN BEGROTING, FINANCIEN EN <ENERGIE>,
   Gelet op het Energiedecreet van 8 mei 2009, artikel 8.3.1 en 8.4.1;
   Gelet op het Energiebesluit van 19 november 2010, de artikelen 7.4.1, § 1, vierde lid, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018, 7.4.1, § 1, zevende lid, 7.4.1, § 2, tweede lid, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016, 7.4.1, § 2, derde lid, 7.4.2, § 1, vijfde lid, derde zin, en zesde lid, tweede zin, artikel 7.4.2, § 1, elfde lid, 2°, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016, en 7.4.3, § 3, vijfde lid, tweede en derde zin, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, artikelen 7.5.1, § 1, vierde lid, artikel 7.5.1, § 2, tweede lid, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016, 7.5.1, § 2, derde lid en § 6, eerste lid, artikel 7.5.2, § 1, tweede lid, artikel 7.5.3, § 3, vijfde lid, derde en vierde zin, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013;
   Gelet op het voorstel van het Vlaams Energieagentschap d.d. 28 mei 2019;
   Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, d.d. 23 mei 2019;
   Gelet op het advies 66.325/3 van de Raad van State, gegeven op 4 juli 2019, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten van de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973,
   Besluit :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
---------------------------------------------------OPGEHEVEN DOOR---------------------------------------------------
originele versie
  • MINISTERIEEL BESLUIT VAN 31-01-2020 GEPUBL. OP 10-02-2020

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel
    Franstalige versie