J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2019/04/19/2019011989/justel

Titel
19 APRIL 2019. - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 7, § 1, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen

Bron :
KANSELARIJ VAN DE EERSTE MINISTER.WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG
Publicatie : 24-04-2019 nummer :   2019011989 bladzijde : 40182   BEELD
Dossiernummer : 2019-04-19/01
Inwerkingtreding : 24-04-2019

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-3

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. De maximale marge voor de loonkostenontwikkeling voor de periode 2019-2020 wordt op 1,1% vastgelegd.
  Overeenkomstig artikel 6, § 4, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, zijn de indexeringen en baremieke verhogingen steeds gegarandeerd.

  Art. 2. De minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

  Art. 3. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.(1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad:
  Wet van 26 juli 1996, Belgisch Staatsblad van 1 augustus 1996.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 19 april 2019.
FILIP
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
Ch. MICHEL
De Minister van Werk,
K. PEETERS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, inzonderheid op artikel 7, § 1, eerste lid;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 1 april 2019;
   Gelet op de impactanalyse uitgevoerd in overstemming met artikel 6 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 2 april 2019;
   Overwegende dat de Regering moet waken over de vrijwaring van de concurrentiepositie van België met de buurlanden en de gevolgen van de verhoging van de loonkloof tussen België en de buurlanden moet verminderen;
   Overwegende dat het technisch verslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) van 16 januari 2019, geactualiseerd op 22 februari 2019, met nieuwe cijfers van de Europese Commissie inzake de economische groei bij de buurlanden en met nieuwe inflatieramingen vanwege het Planbureau en de Nationale Bank van België, de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling voor de periode 2019-2020 op 1,1 % vastlegt;
   Overwegende dat in geval van het ontbreken van een interprofessioneel akkoord zoals voorzien in artikel 6, § 1, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, de regering op basis van artikel 6, § 3, van deze wet een voorstel tot consensus over de maximale marge van de loonkostenontwikkeling heeft voorgesteld op 27 maart 2019 en dat formeel werd vastgesteld tijdens een bijeenkomst van de Regering met de sociale gesprekpartner op dezelfde dag dat geen akkoord werd bereikt op basis van dit voorstel zodat de Regering op basis van artikel 7, § 1, van deze wet de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling kan vastleggen;
   Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat de voormelde wet van 26 juli 1996 voorziet dat de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling tweejaarlijks wordt vastgelegd, de Regering bij het ontbreken van een consensus over deze marge, deze marge moet vastleggen voor de periode 2019-2020 en de ondernemingen snel geïnformeerd dienen te worden over de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling dewelke voor de periode 2019-2020 van kracht zal zijn;
   Gelet op het feit dat het tweede trimester van het jaar 2019 reeds is begonnen en dat het belangrijk is dat de sociale partners hun onderhandelingen met kennis van zaken kunnen aanvangen ;
   Dat het bijgevolg noodzakelijk is dat zij, binnen de kortst mogelijke termijnen, zouden worden geïnformeerd over het percentage van de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling;
   Gelet op het advies 65.852/1 van de Raad van State, gegeven op 10 april 2019, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van de Eerste Minister en de minister van Werk en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Het ontwerp van koninklijk besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd heeft tot voorwerp het bepalen van de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling in België voor de periode 2019 en 2020 in de voorwaarden voorzien door artikel 7, § 1, eerste lid, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen.
   De sociale gesprekspartners hebben, binnen de termijn bepaald door de wet, geen interprofessioneel akkoord bereikt dat bedoelde marge vastlegt.
   Het overleg waarop de Regering de sociale gesprekspartners op 27 maart 2019 heeft uitgenodigd en waar door de Regering een bemiddelingsvoorstel inzake het vastleggen van een maximale marge voor de loonkostenontwikkeling voor de periode 2019-2020 werd voorgelegd, heeft evenmin geleid tot een akkoord tussen de Regering en de sociale gesprekspartners over een maximale marge.
   Overeenkomstig met wat de wet voorschrijft, stelt de Regering U bijgevolg voor om de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling vast te leggen voor de twee jaren die zouden zijn gedekt door een interprofessioneel akkoord dat, onder andere, de marge bepaalt, te weten voor de periode 2019-2020.
   Overeenkomstig dezelfde wet wordt U voorgesteld om de marge te bepalen op grond van de gegevens in het technische verslag over de beschikbare maximale marges voor de loonkostenontwikkeling, opgesteld op 16 januari 2019, door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven krachtens artikel 5 van de wet, geactualiseerd op 22 februari 2019 met nieuwe cijfers van de Europese Commissie inzake de economische groei bij de buurlanden en met nieuwe inflatieramingen vanwege het Planbureau en de Nationale Bank van België.
   Op basis van dit verslag wordt U voorgesteld om, voor de periode 2019-2020, een maximale marge voor de loonkostenontwikkeling in België te bepalen van 1,1%.
   Overeenkomstig artikel 6, § 4, van de wet, zijn de indexeringen en de baremieke verhogingen steeds gegarandeerd.
   Wij hebben de eer te zijn,
   Sire,
   Van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars,
   De Eerste Minister,
   Ch. MICHEL
   De Minister van Werk,
   K. PEETERS
   
   ADVIES 65.852/1 VAN 10 APRIL 2019 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT `TOT UITVOERING VAN ARTIKEL 7, § 1, VAN DE WET VAN 26 JULI 1996 TOT BEVORDERING VAN DE WERKGELEGENHEID EN TOT PREVENTIEVE VRIJWARING VAN HET CONCURRENTIEVERMOGEN'
   Op 3 april 2019 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Werk, Economie en Consumenten verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot uitvoering van artikel 7, § 1, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen'.
   Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 9 april 2019. De kamer was samengesteld uit Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter, Jeroen VAN NIEUWENHOVE en Wouter PAS, staatsraden, en Wim GEURTS, griffier.
   Het verslag is uitgebracht door Jonas RIEMSLAGH, auditeur.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wouter PAS, staatsraad.
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 10 april 2019.
   1. Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.
   2. Zowel in de adviesaanvraag als in de aanhef van het ontwerp wordt het beroep op de spoedeisendheid als volgt verantwoord:
   "Considérant que le Gouvernement doit veiller à la sauvegarde de la position concurrentielle de la Belgique par rapport aux Etats voisins et limiter les effets de l'augmentation de l'écart salarial entre la Belgique et ces derniers;
   Considérant que le rapport technique du Conseil central de l'économie (CCE) du 16 janvier 2019, actualisé le 22 février 2019, avec de nouveaux chiffres de la Commission européenne sur la croissance économique dans les pays voisins et de nouvelles prévisions d'inflation du Bureau du plan et de la Banque Nationale de Belgique fixe la marge maximale pour l'évolution du coût salarial à 1,1% pour la période 2019-2020;
   Considérant qu'en l'absence d'un accord interprofessionnel tel que visé à l'article 6, § 1er, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, le gouvernement, sur base de l'article 6, § 3, de cette loi, a proposé un projet de consensus sur la marge maximale pour l'évolution du coût salarial le 27 mars 2019 et qu'il a été formellement constaté lors d'une réunion entre le Gouvernement et les interlocuteurs sociaux tenue le même jour qu'aucun accord n'a été atteint sur base de la proposition formulée, de sorte que le Gouvernement peut fixer la marge maximale pour l'évolution du coût salarial sur base de l'article 7, § 1er, de cette loi;
   Vu l'urgence motivée par le fait que la loi précitée du 26 juillet 1996 prévoit que la marge maximale pour l'évolution du coût salarial est fixée pour une période de deux ans, que le Gouvernement, en l'absence d'un consensus sur cette marge, doit la fixer pour la période 2019-2020 et que les entreprises doivent être informées rapidement de la marge maximale du coût salarial qui sera d'application pour la période 2019-2020;
   Vu que le 2ème trimestre de l'année 2019 est déjà entamé et qu'il est essentiel que les partenaires sociaux puissent commencer leurs négociations en toute connaissance de cause.
   Qu'il est donc essentiel qu'ils soient informés dans les plus brefs délais du pourcentage de la marge maximale pour l'évolution du coût salarial disponible".
   3. Overeenkomstig artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, heeft de afdeling Wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan.
   Voorafgaande opmerking
   4. Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht op het feit dat, wegens het ontslag van de regering, de bevoegdheid van deze laatste beperkt is tot het afhandelen van de lopende zaken. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de regering in aanmerking kan nemen als ze te oordelen heeft of het vaststellen of het wijzigen van een verordening noodzakelijk is.
   Strekking en rechtsgrond van het ontwerp
   5. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling voor de periode 2019-2020 vast te leggen op 1,1%.
   6. Luidens de aanhef van het ontwerp wordt er rechtsgrond gezocht in artikel 7, § 1, eerste lid, van de wet van 26 juli 1996 `tot bevordering van de werkgelegenheid en preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen', dat als volgt luidt:
   "Bij gebrek aan een akkoord tussen de regering en de sociale gesprekspartners, binnen één maand na het bijeenroepen van de sociale gesprekspartners voor overleg als bedoeld in artikel 6, § 3, legt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling, overeenkomstig artikel 6, § 1 en § 2, vast, hetzij via twee jaarlijkse percentages, hetzij via één tweejaarlijks percentage."
   Het voorgelegde ontwerp bepaalt de maximale marge voor loonkostenontwikkeling via één tweejaarlijks percentage. Opdat het voorgelegde ontwerp effectief rechtsgrond kan vinden in de geciteerde bepaling, is vereist dat er geen "akkoord tussen de regering en de sociale gesprekspartners [is], binnen één maand na het bijeenroepen van de sociale gesprekspartners voor overleg als bedoeld in artikel 6, § 3" van de wet van 26 juli 1996 en dat de in het besluit voorziene maximale marge "overeenkomstig artikel 6, § 1 en § 2" van voormelde wet is bepaald.
   Gevraagd om toe te lichten op welke wijze de zo-even geschetste voorwaarden zijn nageleefd, verklaarde de gemachtigde het volgende:
   "- Le 16 janvier 2019, le CCE a publié son rapport fixant la marge maximale pour l'évolution du coût salarial à 0,8%. Ce chiffre a ensuite été augmenté à 1,1% suite à une actualisation. Conformément à l'article 6 § 1er de la loi les partenaires sociaux se réunissent pour fixer la marge maximale pour l'évolution du coût salarial. Ils ont pour ce faire 2 mois (article 6 § 3).
   - Le 26 février 2019, les partenaires sociaux ont signé un projet d'AIP qui n'a pas recueilli l'accord de tous les partenaires sociaux.
   - Le 27 mars 2019, vu le défaut d'accord dans les 2 mois de la publication du rapport du CCE, le Gouvernement a convoqué les partenaires sociaux et a proposé une médiation (confer également l'article 6 § 3).
   - Vu qu'aucun consensus ne pouvait se dégager même en attendant le mois visé à l'article 7 § 1er de la loi, les partenaires sociaux et le Gouvernement ont constaté le même jour soit le 27 mars 2019, qu'il n'était pas possible d'arriver à un accord et de fixer la marge salariale.
   - Vu l'échec des négociations sur ce point, le Gouvernement a décidé de fixer la marge disponible dans un A.R. (article 7 § 1er de la loi).
   L'échec de l'accord sur la proposition de médiation du Gouvernement a été constaté dans l'écrit et [dans une] `déclaration commune'".
   De maximale marge voor de loonkostenontwikkeling die door het ontwerp wordt vastgesteld, bedraagt 1,1%. Overeenkomstig artikel 6, §§ 1 en 2, van de wet van 26 juli 1996 bedraagt deze marge aldus niet meer dan de maximaal beschikbare marge zoals bedoeld in artikel 5, § 2, van de wet van 26 juli 1996. De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven heeft het in artikel 5, § 2, bedoelde verslag uitgebracht en heeft in februari 2019 de maximaal beschikbare marge "geactualiseerd" naar 1,1%.(Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, "Actualisering van het Technisch verslag over de maximaal beschikbare marge ingevolge de herziening van de inflatie- en groeivooruitzichten in februari 2019", Verslag CRB 2019-0440, https://www.ccecrb.fgov.be/dpics/fichiers/2019-02-25-09-03-21_doc19440nl.pdf.)
   De artikelen 6, § 3 en 7, § 1, van de wet van 26 juli 1996 vereisen voor het bijeenroepen voor overleg van de sociale gesprekspartners door de regering respectievelijk het bij koninklijk besluit vastleggen van de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling dat "een gebrek aan consensus tussen de sociale gesprekspartners" respectievelijk "een gebrek aan akkoord tussen de regering en de sociale gesprekspartners" is vastgesteld. Dit gebrek aan consensus respectievelijk gebrek aan akkoord moet worden vastgesteld "binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van het verslag bedoeld in artikel 5, § 1" respectievelijk "binnen één maand na het bijeenroepen van de sociale gesprekspartners voor overleg".
   Indien dit gebrek aan consensus respectievelijk aan akkoord ondubbelzinnig vaststaat voor het verstrijken van de termijn van twee maanden respectievelijk één maand, kan worden aangenomen dat de regering respectievelijk de Koning kan overgaan tot het bijeen roepen van de sociale gesprekspartners respectievelijk het nemen van het in artikel 7, § 1, bedoelde koninklijk besluit, zonder het verstrijken van die termijn te moeten afwachten.
   Zoals blijkt uit het door de gemachtigde bezorgde document, hebben de sociale gesprekspartners op 27 maart 2019 in een gemeenschappelijk verklaring uitdrukkelijk vastgesteld dat geen akkoord kan worden bereikt over het bemiddelingsvoorstel dat door de regering in toepassing van artikel 6, § 3, van de wet van 26 juli 1996 werd voorgelegd. De Koning kan bijgevolg, in toepassing van artikel 7, § 1, van de wet van 26 juli 1996, overgaan tot het bij besluit vastleggen van de maximale marge van de loonkostontwikkeling.
   Onderzoek van de tekst
   7. In het kader van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State noopt het ontwerp niet tot het maken van verdere opmerkingen.
   DE GRIFFIER,
   Wim GEURTS
   DE VOORZITTER,
   Marnix VAN DAMME

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie