J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2018/07/22/2018040546/justel

Titel
22 JULI 2018. - Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het <huwelijksvermogensrecht> betreft en tot wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen ter zake

Bron :
JUSTITIE
Publicatie : 27-07-2018 nummer :   2018040546 bladzijde : 59435   BEELD
Dossiernummer : 2018-07-22/01
Inwerkingtreding : 01-09-2018

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
Art. 2-50
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 16 mei 1900 tot erfregeling van de kleine nalatenschappen
Art. 51
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 52-54
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 13 januari 1977 houdende goedkeuring van de overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972 en tot invoering van een centraal huwelijksovereenkomstenregister
Art. 55-57
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake
Art. 58-74
HOOFDSTUK 6. - Hercodificatie
Art. 75
HOOFDSTUK 7. - Overgangsbepalingen
Art. 76-79
HOOFDSTUK 8. - Inwerkingtreding
Art. 80

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek

  Art. 2. Artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij de wet van 27 april 2007, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 299. Behoudens overeenkomst in tegenovergestelde zin, leidt de echtscheiding tot het verval van de overlevingsrechten die de echtgenoten elkaar bij huwelijksovereenkomst en sinds het aangaan van het huwelijk hebben toegekend.".

  Art. 3. Artikel 733, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de volgende zin : "Deze verdeling in gelijke delen vindt niet plaats in het geval van artikel 754/1.".

  Art. 4. In artikel 745bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 mei 1981 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 maart 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "Wanneer de overledene bloedverwanten in de opgaande lijn of broeders, zusters of afstammelingen van dezen achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot :
  1° de volle eigendom van het deel van de eerststervende in het gemeenschappelijk vermogen en in het vermogen dat exclusief tussen de echtgenoten in onverdeeldheid is, en
  2° het vruchtgebruik van de overige goederen van diens eigen vermogen.";
  b) in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "andere erfgerechtigden of" ingevoegd tussen het woord "overledene" en het woord "geen";
  c) in paragraaf 2 worden de woorden "366, § 1, eerste en tweede lid, 747 en 766" vervangen door de woorden "353-16, eerste lid, 2°, en 747".

  Art. 5. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 754/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 754/1. Bloedverwanten in de zijlijn, andere dan broeders of zusters van de overledene of hun afstammelingen, erven niet wanneer de overledene een langstlevende echtgenoot nalaat.
  De verdeling van de nalatenschap bij helften, bedoeld in artikel 753, vindt niet plaats wanneer de overledene een langstlevende echtgenoot nalaat.".

  Art. 6. Artikel 792 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 792. De erfgenaam die te kwader trouw informatie verzwijgt of valse verklaringen aflegt met betrekking tot de samenstelling of de omvang van de nalatenschap, om hieruit voor zichzelf, ten nadele van zijn mede-erfgenamen of van de schuldeisers van de nalatenschap, een voordeel te verkrijgen, is schuldig aan heling.
  De erfgenaam die schuldig is aan heling verliest de bevoegdheid om de nalatenschap te verwerpen; al zou hij die willen verwerpen, toch blijft hij zuiver erfgenaam, zonder op enig aandeel in de geheelde goederen of waarden aanspraak te kunnen maken.
  Deze sanctie kan niet worden ingeroepen tegen de erfgenaam die spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie verstrekt of zijn valse verklaringen rechtzet.".

  Art. 7. In artikel 1388 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 22 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid wordt de zin "Deze regeling doet geen afbreuk aan het recht van de ene, om bij testament of bij akte onder de levenden te beschikken ten gunste van de andere en kan in geen geval aan de langstlevende het recht van vruchtgebruik ontnemen van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de eerststervende het gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad, volgens de voorwaarden bepaald in artikel 915bis, §§ 2 tot 4." vervangen door de zinnen "Deze regeling doet geen afbreuk aan het recht van de ene, om bij testament of bij akte onder de levenden te beschikken ten gunste van de andere. Ze kan in geen geval aan de langstlevende het recht van bewoning ontnemen van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de eerststervende het gezin tot voornaamste woning diende en het recht van gebruik van het daarin aanwezige huisraad voor een periode van zes maanden vanaf de dag van het openvallen van de nalatenschap van de eerststervende.";
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De artikelen 1100/2 tot 1100/6 zijn van toepassing op de overeenkomst bedoeld in het tweede lid.".

  Art. 8. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1389/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1389/1. Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door het overlijden van een der echtgenoten, kan de langstlevende, tegen opleg indien daartoe grond bestaat, zich bij voorrang doen toewijzen, voor zover deze behoren tot het gemeenschappelijk vermogen of tot het vermogen dat exclusief tussen de echtgenoten in onverdeeldheid is :
  1° een van de onroerende goederen die tot gezinswoning dient;
  2° het aldaar aanwezige huisraad;
  3° de goederen die hij aanwendt voor de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf.".

  Art. 9. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1389/2 ingevoegd, luidende :
  Art. 1389/2. § 1. Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door echtscheiding op grond van artikel 229, door de scheiding van tafel en bed of door de gerechtelijke scheiding van goederen, kan elk der echtgenoten binnen de vereffeningsprocedure aan de familierechtbank te zijnen voordele toepassing van artikel 1389/1 vragen.
  § 2. De rechtbank beslist met inachtneming van de belangen die ieder van de echtgenoten kan laten gelden en rekening houdend met de financiële mogelijkheden van degene die de opleg desgevallend zal moeten betalen.
  Behoudens uitzonderlijke omstandigheden, wordt het verzoek ingewilligd dat uitgaat van de echtgenoot die slachtoffer is van een feit bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1 tot 3 en 5 en 422bis van het Strafwetboek of van een poging tot het plegen van een feit bedoeld in de artikelen 375, 393 tot 397, 401, 404 en 409, § 4, van hetzelfde Wetboek, indien de andere echtgenoot door in kracht van gewijsde gegane beslissing uit dien hoofde als dader, mededader of medeplichtige schuldig werd bevonden.".

  Art. 10. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1389/3 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1389/3. De echtgenoot die te kwader trouw informatie verzwijgt of valse verklaringen aflegt met betrekking tot de samenstelling of de omvang van de gemeenschap, van de tussen echtgenoten bestaande onverdeeldheden, of, in geval van een stelsel van scheiding van goederen met beding van verrekening, van de verrekenmassa, om hieruit voor zichzelf, ten nadele van de andere echtgenoot, een voordeel te verkrijgen, is schuldig aan heling.
  De echtgenoot die schuldig is aan heling verliest zijn aandeel in de geheelde goederen of waarden of wordt, desgevallend, gesanctioneerd ten belope van de geheelde goederen of waarden bij de berekening van de verrekenvordering.
  Deze sanctie kan niet worden ingeroepen tegen de echtgenoot die spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie verstrekt of zijn valse verklaringen rechtzet.".

  Art. 11. In artikel 1395 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 januari 2013, wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende :
  " § 1/1. Dezelfde verplichting rust op de notaris voor wie een akte eigendomsverkrijging van een onroerend goed is verleden, waarin overeenkomstig artikel 1452, § 2, een verklaring van anticipatieve inbreng is opgenomen, voor wat die verklaring betreft.".

  Art. 12. In artikel 1399, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de woorden "of van schuldvorderingen" ingevoegd tussen het woord "goederen" en het woord "geleverd".

  Art. 13. In artikel 1400 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de bepaling onder 1 wordt vervangen als volgt :
  "1. het toebehoren van eigen goederen of rechten;";
  b) de bepaling onder 2 wordt opgeheven;
  c) de bepaling onder 6 wordt vervangen als volgt :
  "6. de vorderbare netto-afkoopwaarde, op het moment van de ontbinding van het stelsel, verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door één van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten, indien de verzekeringsprestatie niet verschuldigd is bij de ontbinding van het stelsel;";
  d) de bepaling onder 7 wordt vervangen als volgt :
  "7. de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door één van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten, en die bij de ontbinding van het stelsel ten voordele van die echtgenoot verschuldigd is.".

  Art. 14. In artikel 1401 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 1 april 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de bestaande tekst, die de paragraaf 1 zal vormen, wordt de bepaling onder 5 vervangen als volgt :
  "5. de lidmaatschapsrechten verbonden aan vennootschapsaandelen die met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen en op naam van één echtgenoot zijn ingeschreven, met inbegrip van het recht om als eigenaar van deze aandelen te handelen, voor zover het gaat, hetzij om een vennootschap die onderworpen is aan wettelijke of statutaire regels, of overeenkomsten tussen vennoten, die de overdracht van aandelen beperken, hetzij om een vennootschap waarin enkel die echtgenoot zijn professionele activiteit als zaakvoerder of beheerder uitoefent;";
  b) de bestaande tekst, die de paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de bepalingen onder 6 en 7, luidende :
  "6. het recht op goederen die een echtgenoot exclusief voor de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf aanwendt, met inbegrip van het recht om als eigenaar van deze beroepsgoederen te handelen, tenzij de echtgenoten samen dat beroep uitoefenen of dat bedrijf uitbaten;
  7. het recht op cliënteel, met inbegrip van het recht om als eigenaar van het cliënteel te handelen, tenzij het cliënteel is opgebouwd binnen een beroep dat de echtgenoten samen uitoefenen of een bedrijf dat ze samen uitbaten.";
  c) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
  " § 2. Eveneens eigen zijn :
  1. de schadevergoeding uitgekeerd aan een echtgenoot, voor zover deze vergoeding strekt tot herstel van zijn persoonlijke ongeschiktheid, die betrekking heeft op de niet economisch waardeerbare gevolgen van de aantasting van de fysieke en psychische integriteit in zijn dagelijks leven;
  2. de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door een van de echtgenoten tijdens het stelsel gesloten is, indien ze bij de ontbinding van het stelsel ten voordele van de andere echtgenoot verschuldigd is.".

  Art. 15. In artikel 1404 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de woorden "voor meer dan de helft" ingevoegd tussen het woord "goederen" en het woord "betaald".

  Art. 16. Artikel 1405 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Gemeenschappelijk zijn :
  1. de inkomsten uit de beroepsbezigheden van elk der echtgenoten, alle inkomsten of vergoedingen die ze vervangen of aanvullen, evenals de inkomsten uit openbare of particuliere mandaten; de opzeggingsvergoeding en andere uitkeringen waarop een echtgenoot wegens beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst gerechtigd is, voor het deel daarvan dat overeenstemt met de opzeggingstermijn die tijdens het stelsel loopt;
  2. de vruchten, inkomsten, interesten van hun eigen goederen;
  3. de goederen geschonken of vermaakt aan de twee echtgenoten samen of aan een van hen onder beding dat die goederen gemeenschappelijk zullen zijn;
  4. de schadevergoeding uitgekeerd aan een echtgenoot, voor zover deze vergoeding strekt tot herstel van zijn huishoudelijke of economische ongeschiktheid tijdens het stelsel;
  5. de vermogenswaarde van de vennootschapsaandelen bedoeld in artikel 1401, § 1, 5;
  6. de vermogenswaarde van de beroepsgoederen die door een van de echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen, als het recht op die beroepsgoederen eigen is krachtens artikel 1401, § 1, 6;
  7. de economische waarde van het cliënteel dat tijdens het stelsel door een van de echtgenoten in de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf is opgebouwd, als het recht op dat cliënteel eigen is krachtens artikel 1401, § 1, 7;
  8. de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door een van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten en tijdens het stelsel aan een van hen verschuldigd is. Indien de prestatie als kapitaal wordt uitbetaald, is het volledige bedrag ervan gemeenschappelijk. Indien de prestatie als rente wordt uitbetaald, zijn zowel de rentebedragen die tijdens het stelsel zijn uitbetaald als de reserve die overeenstemt met de na de ontbinding van het stelsel nog verschuldigde rentes, gemeenschappelijk.
  § 2. Gemeenschappelijk zijn ook alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan een der echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling.".

  Art. 17. In artikel 1406 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt het woord "huwelijk" telkens vervangen door het woord "stelsel".

  Art. 18. In artikel 1417 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de woorden "daartoe noodzakelijke bestuurshandelingen" vervangen door de woorden "bestuurshandelingen die voor deze uitoefening verantwoord zijn.".

  Art. 19. In artikel 1419 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt het tweede lid opgeheven.

  Art. 20. In artikel 1429bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 december 2012, worden de woorden "de aanwinsten" vervangen door de woorden "hetgeen is overgespaard van de wederzijdse inkomsten der echtgenoten".

  Art. 21. Artikel 1430 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
  " § 2. Voor de volgende goederen wordt in de te verdelen massa de waarde op het tijdstip van ontbinding van het stelsel, en niet op het tijdstip van verdeling opgenomen :
  1° de vermogenswaarde van de vennootschapsaandelen bedoeld in artikel 1401, § 1, 5;
  2° de vermogenswaarde van de beroepsgoederen die door een van de echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen, als het recht op die beroepsgoederen eigen is krachtens artikel 1401, § 1, 6;
  3° de economische waarde van het cliënteel dat tijdens het stelsel door een van de echtgenoten in de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf is opgebouwd, als het recht op dat cliënteel eigen is krachtens artikel 1401, § 1, 7.".

  Art. 22. Artikel 1432 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De echtgenoot die zijn beroep uitoefent binnen een vennootschap waarvan de aandelen hem eigen zijn, is aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding verschuldigd voor de nettoberoepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen een vennootschap was uitgeoefend.".

  Art. 23. In artikel 1440 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt het woord "huwelijk" vervangen door het woord "stelsel".

  Art. 24. In artikel 1442, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de woorden "artikelen 1446 en 1447" vervangen door de woorden "artikelen 1389/1 en 1389/2".

  Art. 25. Artikel 1446 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt opgeheven.

  Art. 26. Artikel 1447 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt opgeheven.

  Art. 27. Artikel 1448 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt opgeheven.

  Art. 28. In artikel 1452 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het tweede lid wordt opgeheven;
  2° het artikel, waarvan de bestaande tekst van het eerste lid paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de paragrafen 2 en 3, luidende :
  " § 2. Toekomstige echtgenoten die, voor het aangaan van het huwelijk, de volle eigendom van een onroerend goed verkrijgen, kunnen, voor zover zij ten gevolge van die verkrijging exclusief en ten belope van gelijke delen onverdeelde eigenaren zijn van dit goed, in de akte van eigendomsverkrijging een verklaring van anticipatieve inbreng opnemen. Door het louter feit van hun huwelijk, zal dit onroerend goed dan tot het gemeenschappelijk vermogen behoren, alsof ze de inbreng in hun huwelijksovereenkomst hadden bedongen.
  De echtgenoten kunnen in hun huwelijksovereenkomst afwijken van het eerste lid.
  § 3. De schulden die open staan op het ogenblik van de inbreng en die door de echtgenoot inbrenger werden aangegaan om de ingebrachte goederen te verkrijgen, te verbeteren of in stand te houden, komen ten laste van het gemeenschappelijk vermogen, behoudens andersluidende overeenkomst.".

  Art. 29. Artikel 1455 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt aangevuld met de volgende zin : "Deze bepaling is niet van toepassing op goederen die door beide echtgenoten gezamenlijk zijn ingebracht.".

  Art. 30. Artikel 1465 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 10 mei 2007, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Een kind van een van de echtgenoten dat gewoon of ten volle is geadopteerd door de andere echtgenoot, wordt beschouwd als een gemeenschappelijk kind.".

  Art. 31. In artikel 1466 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de woorden "artikel 215, § 1" vervangen door de woorden "de bepalingen betreffende hun wederzijdse rechten en verplichtingen".

  Art. 32. Artikel 1467 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1467. Het bewijs van de eigendom van een goed of een schuldvordering wordt tussen echtgenoten zowel als ten aanzien van derden geleverd volgens de regels van artikel 1399, tweede en derde lid.
  Roerende goederen waarvan niet kan worden bewezen dat ze eigendom zijn van een der echtgenoten, worden beschouwd als onverdeeld tussen de echtgenoten.".

  Art. 33. Artikel 1468 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1468. Onverminderd de toepassing van artikel 215, § 1, en onder voorbehoud van andersluidende overeenkomsten, kan elk der echtgenoten te allen tijde verdeling vorderen van al hun onverdeelde goederen of een deel ervan.".

  Art. 34. Artikel 1469 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1469. § 1. Echtgenoten die kiezen voor het stelsel van scheiding van goederen kunnen aan dit stelsel alle bedingen toevoegen die met dat stelsel verenigbaar zijn.
  Zij kunnen onder meer bedingen toevoegen met betrekking tot de bewijsvoering, tussen hen, van exclusief eigendomsrecht, met betrekking tot het bewijs van vorderingen die de ene tegen de andere kan inroepen, en bedingen ter nadere regeling van enige onverdeeldheid of doelvermogen die tussen hen zou bestaan.
  Zij kunnen ook bedingen opnemen die ertoe strekken een verrekening tussen hun vermogens te verwezenlijken, met name door toevoeging van een beding van verrekening van aanwinsten.
  De artikelen 1429bis, 1458, 1464 en 1465 zijn van overeenkomstige toepassing.
  § 2. Echtgenoten die een beding van verrekening van aanwinsten hebben opgenomen, zijn onderworpen aan de artikelen 1469/1 tot 1469/13. Het aanvangsvermogen, het eindvermogen, de verrekenvordering en de betaling daarvan worden overeenkomstig die artikelen bepaald.
  Echtgenoten kunnen bij huwelijksovereenkomst afwijken van het bepaalde in het eerste lid en zelf de verrekenmassa, verrekensleutel, het verrekentijdstip en de verrekenmodaliteiten overeenkomen.
  § 3. De notaris vermeldt uitdrukkelijk in de huwelijksovereenkomst dat hij ieder van de echtgenoten heeft gewezen op de juridische gevolgen van het opnemen of niet opnemen van een beding van verrekening van aanwinsten.".

  Art. 35. In titel III, hoofdstuk IV, afdeling 1 van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 1469/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1469/1. In een stelsel van scheiding van goederen met verrekening van aanwinsten worden de aanwinsten gevormd door het verschil tussen het eindvermogen van een echtgenoot en zijn aanvangsvermogen.
  Bij de ontbinding van het huwelijksstelsel blijkt de verrekenvordering uit de vergelijking tussen de aanwinsten van beide echtgenoten.".

  Art. 36. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1469/2. § 1. Het aanvangsvermogen is het vermogen van ieder van de echtgenoten op de datum waarop het huwelijksstelsel uitwerking krijgt. De schulden worden in het aanvangsvermogen in aanmerking genomen, zelfs al overschrijden zij het bedrag van het actief.
  § 2. De goederen en rechten die ieder van de echtgenoten later verkrijgt door schenking, erfenis of testament en deze bedoeld in artikel 1401, § 1, 1°, en § 2, worden in het aanvangsvermogen opgenomen. De schulden bedoeld in de artikelen 1406 en 1407 worden in het aanvangsvermogen in aanmerking genomen, zelfs al overschrijden zij het bedrag van het actief.
  § 3. Tot het aanvangsvermogen worden niet gerekend :
  1° de vruchten van de goederen die tot dat vermogen behoren;
  2° de goederen van het aanvangsvermogen die een echtgenoot tijdens het huwelijksstelsel aan één van zijn bloedverwanten in rechte lijn heeft gegeven.
  § 4. Bij het sluiten van het huwelijkscontract maken de echtgenoten een beschrijving op van hun respectieve aanvangsvermogen. Indien die beschrijving door beide echtgenoten is ondertekend, wordt zij geacht juist te zijn.
  § 5. Indien geen beschrijving werd opgemaakt, wordt het aanvangsvermogen geacht nul te zijn.".

  Art. 37. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/3 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1469/3. § 1. Het aanvangsvermogen wordt als volgt geschat :
  1° de op datum waarop het huwelijksstelsel in werking treedt bestaande goederen worden op die datum geschat;
  2° de goederen die na de datum waarop het huwelijksstelsel in werking treedt, worden verkregen en die, krachtens artikel 1469/2, § 2, tot het aanvangsvermogen behoren, worden op de datum van hun verkrijging geschat.
  § 2. De onroerende goederen en de onroerende zakelijke rechten van het aanvangsvermogen, andere dan vruchtgebruik en recht van gebruik en bewoning, worden op de datum van de ontbinding van het stelsel geschat. Indien die goederen tijdens het huwelijk zijn overgedragen of vervangen, wordt de waarde in aanmerking genomen op de datum van overdracht of vervanging. De tijdens het huwelijk ondernomen wijzigingen aan de toestand van die goederen, worden niet in aanmerking genomen voor de raming van het aanvangsvermogen.
  § 3. Indien de goederen worden geraamd op een datum die de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel voorafgaat, dan wordt hun overeenkomstig paragrafen 1 en 2 bepaalde waarde, aangepast volgens de wijziging van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen.
  § 4. De paragrafen 1 en 3 zijn ook van toepassing op de schatting van schulden.".

  Art. 38. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/4 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1469/4. § 1. Het eindvermogen is samengesteld uit de goederen die de echtgenoot op de datum van ontbinding van het stelsel toebehoren. De schulden worden in aanmerking genomen, zelfs als zij het bedrag van het actief overschrijden.
  § 2. Aan dat eindvermogen wordt de waarde toegevoegd van de goederen die een echtgenoot :
  1° heeft geschonken, behalve indien :
  a) de schenking niet overdreven was, gelet op de levenswijze van de echtgenoten of;
  b) de schenking betrekking heeft op een goed van het aanvangsvermogen dat aan bloedverwanten in rechte lijn werd geschonken. De meerwaarde ten gevolge van de verbeteringen die tijdens de duur van het huwelijksstelsel werd aangebracht, met gelden die niet van het aanvangsvermogen afhangen, wordt echter aan het eindvermogen toegevoegd;
  2° heeft overgedragen met oogmerk om de andere echtgenoot te benadelen of;
  3° heeft verkwist.
  Die bepalingen zijn niet van toepassing indien de schenking, de bedrieglijke vervreemding of de verkwisting meer dan tien jaar voor de ontbinding van het huwelijksstelsel plaatsvond, of indien de andere echtgenoot ermee heeft ingestemd.".

  Art. 39. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/5 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1469/5. § 1. Het eindvermogen wordt zowel voor het actief als voor het passief geschat op de datum van ontbinding van het huwelijksstelsel.
  § 2. De waarde van de goederen bedoeld in artikel 1469/4, § 2, wordt bepaald op de datum van de schenking, van de bedrieglijke vervreemding of van de verkwisting. De meerwaarde bedoeld in artikel 1469/4, § 2, eerste lid, 1°, b) wordt geschat op de datum van de schenking van het goed.
  § 3. De in paragraaf 2 vermelde waarden worden aangepast volgens de wijziging van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen.".

  Art. 40. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/6 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1469/6. § 1. Indien bij ontbinding van het huwelijksstelsel de aanwinsten van een van de echtgenoten die van de andere overschrijden, dan kan deze laatste tegen zijn echtgenoot een verrekenvordering gelijk aan de helft van dat verschil doen gelden.
  § 2. De verrekenvordering wordt in geld betaald. De rechtbank kan echter op verzoek van de ene of van de andere echtgenoot beslissen dat, met het oog op die betaling, goederen van de schuldenaar aan de schuldeiser worden overgedragen, indien dit met het billijkheidbeginsel overeenstemt.
  § 3. Na de ontbinding van het huwelijksstelsel is de verrekenvordering wegens overlijden vererfbaar en onder levenden overdraagbaar.".

  Art. 41. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/7 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1469/7. Indien het huwelijk door echtscheiding is ontbonden, of indien het huwelijksstelsel door een andere gerechtelijke beslissing is ontbonden, wordt de verrekenvordering bepaald volgens de samenstelling en de waarde van het vermogen van de echtgenoten op het tijdstip waarop de vordering in rechte is ingediend.".

  Art. 42. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/8 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1469/8. De verrekenvordering is beperkt tot de helft van de waarde van het vermogen van de schuldplichtige echtgenoot, zoals dat vermogen is na aftrek van de schulden op de datum die voor de bepaling van het bedrag ervan in aanmerking komt.
  De beperking van de verrekenvordering wordt verhoogd met de helft van het bedrag dat aan het eindvermogen wordt toegevoegd overeenkomstig artikel 1469/4, § 2, met uitzondering van het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, b), van diezelfde paragraaf.".

  Art. 43. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/9 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1469/9. Het recht op de verrekenvordering verjaart na drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de echtgenoot kennis heeft van de ontbinding van het huwelijksstelsel, en uiterlijk tien jaar na de ontbinding van het stelsel.".

  Art. 44. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/10 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1469/10. § 1. Na de ontbinding van het huwelijksstelsel moet iedere echtgenoot aan de andere alle informatie verschaffen over de samenstelling van zijn aanvangs- en eindvermogen. Hij moet op verzoek bewijsdocumenten voorleggen. Ieder van de echtgenoten kan eisen dat een volledige en waarheidsgetrouwe beschrijving wordt opgemaakt. Op zijn verzoek moet hij voor die beschrijving worden opgeroepen. Hij mag bovendien eisen dat die beschrijving op zijn kosten door een notaris wordt opgemaakt.
  § 2. Paragraaf 1 is eveneens van toepassing wanneer een van de echtgenoten de ontbinding van het huwelijk of de vervroegde uitbetaling van de verrekenvordering heeft geëist.".

  Art. 45. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/11 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1469/11. § 1. Indien de onmiddellijke betaling van de verrekenvordering de schuldenaar onbillijk belast, met name als hij verplicht zou worden een goed af te staan dat hij nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien, kan de rechtbank hem, op zijn verzoek, uitstel voor die betaling verlenen.
  § 2. De vordering waarvan de betaling wordt uitgesteld, brengt intrest op.
  § 3. De rechtbank kan, op verzoek van de schuldeiser, de schuldenaar verplichten zekerheden te stellen, waarvan hij de aard en het bedrag naar billijkheid bepaalt.".

  Art. 46. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/12 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1469/12. § 1. Indien een echtgenoot door het bestuur van zijn vermogen de rechten van de andere met betrekking tot de berekening van de verrekenvordering in gevaar brengt, kan deze laatste de vervroegde uitkering van de verrekenvordering eisen. Dat is met name zo in de gevallen die leiden tot de fictieve toevoeging bedoeld in artikel 1469/4, § 2.
  § 2. Vanaf de definitieve beslissing die de vraag inwilligt, zijn de echtgenoten aan het stelsel van scheiding van goederen onderworpen.".

  Art. 47. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/13 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1469/13. De beschrijving bedoeld in de artikelen 1469/2 en 1469/10 kan voor de notaris of onderhands worden opgemaakt. De notariële beschrijving kan worden opgemaakt op grond van verklaringen, voor zover beide echtgenoten hiermee akkoord gaan.".

  Art. 48. In titel 5, hoofdstuk 4, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende "Rechterlijke billijkheidscorrectie".

  Art. 49. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 48, wordt een artikel 1474/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1474/1. § 1. Onverminderd paragraaf 2, kan de familierechtbank, wanneer het huwelijk ontbonden is door echtscheiding wegens onherstelbare ontwrichting van het huwelijk tussen de echtgenoten, aan de benadeelde echtgenoot, op zijn verzoek, een vergoeding ten laste van de andere echtgenoot toekennen op voorwaarde dat de omstandigheden sedert het sluiten van de huwelijksovereenkomst van scheiding van goederen of sedert de dag van de eis tot gerechtelijke scheiding van goederen onvoorzien en ongunstig gewijzigd zijn, waardoor het gekozen stelsel, rekening houdend met de vermogensrechtelijke situatie van beide echtgenoten, tot manifest onbillijke gevolgen ten nadele van de verzoekende echtgenoot zou leiden.
  De toe te kennen vergoeding remedieert deze manifest onbillijke gevolgen en kan niet hoger liggen dan één derde van de nettowaarde van de samengevoegde aanwinsten van de echtgenoten op het tijdstip van ontbinding van hun huwelijk, waarvan vervolgens de nettowaarde van de persoonlijke aanwinsten van de verzoekende echtgenoot moet worden afgetrokken. De aanwinsten van de echtgenoten in de zin van dit lid worden bepaald bij toepassing van de artikelen 1469/1 tot 1469/5.
  De vordering tot vergoeding wordt behandeld binnen de procedure van vereffening van het huwelijksstelsel.
  § 2. Echtgenoten die kiezen voor het stelsel van scheiding van goederen, stellen in hun huwelijksovereenkomst hun akkoord vast over het al dan niet opnemen van dat recht op vergoeding, al of niet met afwijkende modaliteiten.
  De notaris wijst de echtgenoten op de in het eerste lid bepaalde verplichting en op de juridische gevolgen van hun keuze om het recht op vergoeding op te nemen, al of niet met afwijkende modaliteiten. Op straffe van aansprakelijkheid, vermeldt de notaris de keuze van de echtgenoten uitdrukkelijk in hun huwelijksovereenkomst.".

  Art. 50. Artikel 1595 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 16 mei 1900 tot erfregeling van de kleine nalatenschappen

  Art. 51. In artikel 4, eerste lid, van de wet van 16 mei 1900 tot erfregeling van de kleine nalatenschappen, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1961 en 14 mei 1981, worden de woorden "die artikel 1446" vervangen door de woorden "die artikel 1389/1".

  HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

  Art. 52. In artikel 628, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt het cijfer "1469" vervangen door het cijfer "1468".

  Art. 53. In artikel 1253quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1976 en laatstelijk gewijzigd bij wet 8 mei 2014, wordt het cijfer "1469" vervangen door het cijfer "1468".

  Art. 54. In artikel 1287, derde lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 mei 2018, worden de woorden ", 858bis, §§ 3 en 5," ingevoegd tussen de woorden "745bis" en de woorden "en 915bis".

  HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 13 januari 1977 houdende goedkeuring van de overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972 en tot invoering van een centraal huwelijksovereenkomstenregister

  Art. 55. In artikel 4, § 2, van de wet van 13 januari 1977 houdende goedkeuring van de overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972 en tot invoering van een centraal huwelijksovereenkomstenregister, ingevoegd bij de wet van 6 mei 2009 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015, wordt een bepaling onder 1° /1 ingevoegd, luidende :
  "1° /1 de verklaringen van anticipatieve inbreng opgenomen in een akte van eigendomsverkrijging van een onroerend goed overeenkomstig artikel 1452, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, met het oog op hun tegenwerpelijkheid aan derden;".

  Art. 56. In artikel 6/1, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 mei 2009 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "verklaringen van anticipatieve inbreng bedoeld in artikel 1452, § 2, van het Burgerlijk Wetboek," worden ingevoegd tussen de woorden "gegevens die inzake huwelijksovereenkomsten," en de woorden "overeenkomsten bedoeld in artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek";
  2° de woorden "de in artikel 1452, § 2, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verklaringen van anticipatieve inbreng," worden ingevoegd tussen de woorden "de verplichting tot registratie van alle huwelijksovereenkomsten," en de woorden "de in artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde overeenkomsten".

  Art. 57. In artikel 6/2, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 mei 2009 en gewijzigd bij de wet van 14 januari 2013, worden de worden "verklaringen van anticipatieve inbreng bedoeld in artikel 1452, § 2, van het Burgerlijk Wetboek," ingevoegd tussen het woord "huwelijksovereenkomsten," en het woord "overeenkomsten".

  HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake

  Art. 58. In artikel 2 van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen terzake, wordt het artikel 205bis, § 2, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek vervangen als volgt :
  "De minister van Justitie bepaalt jaarlijks, op voorstel van het Federaal Planbureau, twee tabellen, een voor mannen en een voor vrouwen, die toelaten om het bedrag van het kapitaal of de gekapitaliseerde waarde van de lijfrente te berekenen op de wijze zoals voorgeschreven in het derde lid. Met uitzondering van de eerste tabellen, worden deze tabellen, ieder jaar, op 1 juli bepaald. Ze worden elk jaar in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt."

  Art. 59. In dezelfde wet wordt een artikel 2/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 2/1. In artikel 353-16, eerste lid, 1°, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003 en gewijzigd bij de wet van 28 maart 2007, worden de woorden "de artikelen 747 en 915 zijn niet van toepassing" vervangen door de woorden "artikel 747 is niet van toepassing;".

  Art. 60. In artikel 28 van dezelfde wet, wordt in artikel 843/1 van het Burgerlijk Wetboek, paragraaf 3 aangevuld met de volgende zin : "De artikelen 1100/5 en 1100/6 zijn niet van toepassing op deze overeenkomst.".

  Art. 61. In artikel 38 van dezelfde wet worden in het artikel 858 van het Burgerlijk Wetboek de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "paragraaf 5" vervangen door de woorden "paragraaf 6";
  2° in paragraaf 5, derde lid, worden de woorden "de overeenkomst waarvan sprake in het tweede lid en" ingevoegd tussen de woorden "toepassing op" en de woorden "de aanvaarding";
  3° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende :
  " § 7. Dit artikel is van toepassing niettegenstaande elk andersluidend beding, tenzij in de gevallen waarin dergelijk beding door de wet wordt toegelaten.".

  Art. 62. In artikel 39 van dezelfde wet worden in het artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
  " § 3. Bij overlijden van de schenker ontvangt de langstlevende echtgenoot die tot de nalatenschap komt echter het vruchtgebruik van de goederen die de schenker heeft geschonken en waarvan hij zich het vruchtgebruik heeft voorbehouden, op voorwaarde dat de echtgenoot op het tijdstip van de schenking al die hoedanigheid heeft en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
  De artikelen 745ter tot 745septies zijn op dat vruchtgebruik van toepassing.";
  2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
  " § 4. De langstlevende wettelijk samenwonende die tot de nalatenschap komt ontvangt bij overlijden van de schenker het vruchtgebruik van het onroerend goed dat tijdens het samenwonen het gezin tot gemeenschappelijke verblijfplaats diende en van het daarin aanwezige huisraad, indien de schenker zich bij de schenking van deze goederen het vruchtgebruik ervan had voorbehouden, en op voorwaarde dat de wettelijk samenwonende op het tijdstip van de schenking al die hoedanigheid had en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
  Artikel 745octies, § 3, is op dat vruchtgebruik van toepassing.";
  3° tussen paragraaf 4 en paragraaf 5, die paragraaf 6 wordt, wordt een paragraaf 5 ingevoegd, luidende :
  " § 5. Bij het overlijden van de schenker ontvangt de langstlevende echtgenoot die tot de nalatenschap komt het vruchtgebruik van het onroerend goed dat tijdens het samenwonen het gezin tot gemeenschappelijke verblijfplaats diende en van het daarin aanwezige huisraad, op voorwaarde dat de schenker zich bij de schenking van die goederen het vruchtgebruik ervan had voorbehouden, dat de echtgenoot op het tijdstip van de schenking met de schenker wettelijk samenwoonde en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
  De artikelen 745ter tot 745septies zijn op dat vruchtgebruik van toepassing.";
  4° in paragraaf 5, die paragraaf 6 wordt, wordt het cijfer "1100/5" vervangen door het cijfer "1100/6".

  Art. 63. In dezelfde wet wordt een artikel 39/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 39/1. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 858ter ingevoegd, luidende :
  "Art. 858ter. Wanneer de langstlevende echtgenoot recht heeft op het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap, wordt dat vruchtgebruik vastgesteld zoals bepaald in de volgende leden.
  Het vruchtgebruik zoals bedoeld in het eerste lid bezwaart de goederen die op de dag van het overlijden aanwezig waren.
  Dat vruchtgebruik bezwaart eveneens, onder de voorwaarden bepaald in artikel 858bis, de goederen die door de overledene zijn geschonken en waarvan hij zich het vruchtgebruik had voorbehouden.
  Dat vruchtgebruik bezwaart eveneens, onder de voorwaarden en overeenkomstig de nadere regels bepaald in titel II, hoofdstuk III, de andere door de overledene geschonken goederen voor zover de langstlevende echtgenoot de inkorting ervan kan vragen of genieten.
  In afwijking van het tweede lid, bezwaart dat vruchtgebruik, onder de voorwaarden en overeenkomstig de modaliteiten bepaald in titel II, hoofdstuk III, de door de overledene gelegateerde goederen enkel voor zover de langstlevende echtgenoot de inkorting ervan kan vragen of genieten.".

  Art. 64. In artikel 40 van dezelfde wet wordt in artikel 859 van het Burgerlijk Wetboek de laatste zin van paragraaf 1 door de volgende zin vervangen :
  "De regels betreffende de wijze van inbreng van schenkingen zijn van toepassing op de inbreng van schulden, met uitzondering van de regels betreffende de waardering van schenkingen.".

  Art. 65. In artikel 47 van dezelfde wet wordt artikel 914 van het Burgerlijk Wetboek vervangen als volgt :
  "Art. 914. § 1. Het deel van de nalatenschap dat overeenkomstig artikel 913 aan de kinderen is voorbehouden wordt enkel bezwaard met vruchtgebruik ten voordele van de langstlevende echtgenoot wanneer hij recht heeft op het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap en in de mate als bepaald in artikel 858ter.
  § 2. In alle andere gevallen wordt het voorbehouden erfdeel van de kinderen enkel binnen onderstaande grenzen met dat vruchtgebruik bezwaard :
  1° wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het vruchtgebruik van een breukdeel van de nalatenschap, bezwaart dat vruchtgebruik eerst het saldo van het beschikbaar deel nadat hierop de giften werden aangerekend zoals bepaald in artikel 922/1, § 3. Indien dat saldo niet volstaat om de langstlevende echtgenoot te voldoen in de hem toegekende rechten van vruchtgebruik, wordt het saldo van het vruchtgebruik dat hem toekomt ten laste gelegd van het voorbehouden erfdeel dat aan de kinderen is toegekend, elk voor een gelijk deel;
  2° wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het gedeelte zoals bepaald in artikel 915bis, § 1, bezwaart dat vruchtgebruik eerst het saldo van het beschikbaar deel nadat hierop de giften werden aangerekend zoals bepaald in artikel 922/1, § 3. Indien dat saldo niet volstaat om de langstlevende echtgenoot in zijn rechten van vruchtgebruik te voldoen, kan hij de inkorting eisen van de op het beschikbaar deel aangerekende giften, in de volgorde zoals bepaald in artikel 923. Die inkorting gebeurt overeenkomstig het bepaalde in artikel 920;
  3° wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het vruchtgebruik van bepaalde goederen van de nalatenschap en die goederen, door de verdeling, aan de kinderen zijn toegewezen, kunnen de kinderen een compensatie voor de last van dat vruchtgebruik vorderen, in de mate waarin dit hun recht op een voorbehouden erfdeel van de nalatenschap bezwaart.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, kan de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik waarvan hij de inkorting niet kan verkrijgen, hetzij omwille van artikel 915bis, § 2/1 hetzij omdat hij aan de vordering tot inkorting heeft verzaakt, niet ten laste van het voorbehouden erfdeel van de kinderen leggen.
  De compensatie bedoeld in het eerste lid, 3°, komt ten laste van de begunstigden van de op het beschikbaar deel aan te rekenen legaten, zoals bepaald in artikel 922/1, § 3, alsook van de kinderen zelf in de mate waarin zij, naast hun voorbehouden erfdeel, in de goederen van de nalatenschap ook een deel of het geheel van het saldo van het beschikbaar deel ontvangen. Zij dragen allen de last van deze compensatie in verhouding tot de waarde van de goederen die zij ontvangen, met uitzondering van het voorbehouden erfdeel van de kinderen.
  De globale compensatie is gelijk aan de gekapitaliseerde waarde van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot, bepaald overeenkomstig artikel 745sexies, § 3.
  § 3. Wanneer de langstlevende wettelijke samenwonende recht heeft op het vruchtgebruik van bepaalde goederen van de nalatenschap en die goederen, door de verdeling, zijn toegewezen aan de kinderen, kunnen zij een compensatie vorderen voor de last van dat vruchtgebruik, in de mate waarin dit hun recht op een voorbehouden erfdeel van de nalatenschap bezwaart.
  Die compensatie komt ten laste van de begunstigden van de op het beschikbaar deel aangerekende legaten zoals bepaald in artikel 922/1, § 3, alsook van de kinderen zelf voor zover zij, naast hun voorbehouden erfdeel, in de goederen van de nalatenschap ook het saldo van het beschikbaar deel geheel of gedeeltelijk ontvangen. Zij dragen allen de last van deze compensatie in verhouding tot de waarde van de goederen die zij ontvangen, behoudens het reservatair erfdeel van de kinderen.
  De globale compensatie is gelijk aan de gekapitaliseerde waarde van het vruchtgebruik van de langstlevende wettelijke samenwonende, bepaald overeenkomstig artikel 745sexies, § 3.".

  Art. 66. In artikel 49 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 6° vervangen als volgt :
  "6° paragraaf 4 wordt opgeheven.".

  Art. 67. In artikel 52 van dezelfde wet wordt in artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek paragraaf 4 opgeheven.

  Art. 68. In artikel 54 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 920, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, worden de woorden "745quinquies, § 4" vervangen door de woorden "745quinquies, § 3";
  2° in artikel 920, § 4, van het Burgerlijk Wetboek, worden de woorden "in volle of blote eigendom" ingevoegd tussen de woorden"de inkorting" en de woorden "van legaten".

  Art. 69. In artikel 58 van dezelfde wet worden de woorden "920, § 2, tweede lid" vervangen door de woorden "920, § 4".

  Art. 70. In artikel 63 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In artikel 1100/1 van het Burgerlijk Wetboek wordt paragraaf 3 vervangen door een paragraaf 3 en een paragraaf 4, luidende :
  " § 3. Overeenkomsten of bedingen onder bezwarende titel betreffende de eigen toekomstige nalatenschap van een partij die de algemeenheid van de goederen betreffen die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, of een gedeelte van de goederen die de partij zal nalaten, of al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een gedeelte van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden, zijn niet toegelaten, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald.
  § 4. Overeenkomsten of bedingen onder bezwarende titel zijn altijd toegelaten, als ze onder bijzondere titel zijn gesloten of gemaakt, zelfs als ze de toekomstige nalatenschap van een partij betreffen, en zelfs als die partij zich het recht voorbehoudt om tijdens zijn leven over het voorwerp van die overeenkomst of dat beding te beschikken. Een overeenkomst of beding is onder bijzondere titel, wanneer de overeenkomst of het beding niet de algemeenheid van de goederen betreft die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, en evenmin een gedeelte van de goederen die de partij zal nalaten, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een gedeelte van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden.
  De artikelen 1100/5 en 1100/6 zijn niet van toepassing op de erfovereenkomsten in deze paragraaf vermeld.";
  2° artikel 1100/3 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Wanneer het gaat om een overeenkomst inzake de eigen toekomstige nalatenschap van een partij, verandert de nietigheid bedoeld in het eerste en tweede lid evenwel in een relatieve nietigheid op de dag van het overlijden van die partij, onder voorbehoud van de miskenning van de vereiste opgelegd door artikel 1100/5, § 1, die behept blijft met een absolute nietigheid.";
  3° het voorgestelde artikel 1100/4 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
  " § 4. Elke verzaking aan rechten in een niet opengevallen nalatenschap die voortvloeit uit een door de wet toegelaten erfovereenkomst wordt, ongeacht de nadere voorwaarden ervan, geacht geen gift te zijn. Dit vermoeden is onweerlegbaar.";
  4° in artikel 1100/5, paragraaf 3, van het Burgerlijk Wetboek, wordt het cijfer "1090" vervangen door het cijfer "1100";
  5° in artikel 1100/7, paragraaf 7, van het Burgerlijk Wetboek, worden de woorden "in paragraaf 1" vervangen door de woorden "in de paragrafen 1 en 2".

  Art. 71. In artikel 66, § 2, derde lid, 2°, en vierde lid, 2°, van dezelfde wet worden de woorden "binnen een termijn van een jaar na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad" telkens vervangen door de woorden "ten laatste op 1 september 2019, met inbegrip van laatstgenoemde datum".

  Art. 72. Artikel 68 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 68. In artikel 188 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen worden de woorden "en, voor zover de verzekeringnemer dit uitdrukkelijk heeft bedongen, aan de inbreng." vervangen door de woorden "en aan de inbreng."".

  Art. 73. In artikel 71 van dezelfde wet worden in het voorgestelde artikel 4/1 van de wet van 13 januari 1977 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972, en tot invoering van een centraal huwelijksovereenkomstenregister, de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het woord "betrokken" wordt telkens opgeheven;
  2° in de Franse tekst, worden de woorden "consultés de leur vivant" vervangen door de woorden "consulté du vivant".

  Art. 74. In artikel 72, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "in de vorm van een of meerdere boeken van een Burgerlijk Wetboek, de bepalingen van boek I en boek III van het Burgerlijk Wetboek" vervangen door de woorden "in de vorm van boek 4 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, de relevante bepalingen van het Burgerlijk Wetboek of van andere wetten inzake erfenissen, schenkingen en testamenten".

  HOOFDSTUK 6. - Hercodificatie

  Art. 75. De Koning kan, in de vorm van een of meerdere onderverdelingen van boek 2 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, de relevante bepalingen van het Burgerlijk Wetboek of van andere wetten inzake relatievermogensrecht, met inbegrip van diegene gewijzigd en ingevoegd door deze wet, codificeren, evenals de bepalingen die hieraan uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen aanbrengen tot aan het tijdstip van de codificatie.
  Daartoe kan Hij :
  1° de volgorde en de nummering van de te codificeren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;
  2° de verwijzingen die voorkomen in de te codificeren bepalingen, met de nieuwe nummering overeenbrengen;
  3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te codificeren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen om ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen.
  De codificatie vervangt de bepalingen bedoeld in het eerste lid en treedt in werking op de dag van de bekrachtiging ervan bij de wet.

  HOOFDSTUK 7. - Overgangsbepalingen

  Art. 76. Artikel 2 is van toepassing op de echtscheidingen die volgen uit een verzoek ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.

  Art. 77. De artikelen 3 tot 6 zijn enkel van toepassing op de nalatenschappen opengevallen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.

  Art. 78. § 1. De artikelen 7 tot 49 zijn van toepassing op de echtgenoten die een huwelijk aangaan vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet en op de reeds gehuwde echtgenoten die vanaf die datum overgaan tot een wijziging van hun huwelijksvermogensstelsel die de ontbinding ervan tot gevolg heeft.
  § 2. De artikelen 7 tot 47 zijn, onverminderd de huwelijksovereenkomsten die de echtgenoten op geldige wijze zouden hebben gesloten vooraleer de datum van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing op de echtgenoten die reeds gehuwd zijn vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet en van wie het huwelijksvermogensstelsel nog niet ontbonden was op de datum van inwerkingtreding van deze wet, zulks onder de hierna vermelde voorbehouden :
  1° de artikelen 13, 14, 16 en 21 zijn enkel van toepassing op de goederen verkregen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet;
  2° de artikelen 18 en 19 zijn enkel van toepassing op de bestuurshandelingen verricht vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  § 3. In afwijking van paragraaf 2 zijn niet onderworpen aan de artikelen 7 tot 47, de echtgenoten van wie het huwelijksvermogensstelsel zal worden ontbonden na de datum van inwerkingtreding van deze wet maar met uitwerking vóór die datum, naar aanleiding van :
  1° een vordering tot gerechtelijke scheiding van goederen overeenkomstig artikel 1470 van het Burgerlijk Wetboek;
  2° een vordering tot echtscheiding overeenkomstig artikel 1254, § 1, eerste of tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek; of
  3° een vordering tot echtscheiding door onderlinge toestemming overeenkomstig artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 79. Artikel 50 is van toepassing op de contracten gesloten vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.

  HOOFDSTUK 8. - Inwerkingtreding

  Art. 80. Deze wet treedt in werking op de dag van de inwerkingtreding van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 22 juli 2018.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
   Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 54-2848 Integraal Verslag : 19 juli 2018

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Franstalige versie