J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2017/03/19/2017201784/justel

Titel
19 MAART 2017. - Wet tot wijziging van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen

Bron :
WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG
Publicatie : 29-03-2017 nummer :   2017201784 bladzijde : 42357       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2017-03-19/04
Inwerkingtreding : 01-01-2017

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-14

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  Art. 2. In artikel 2 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede streepje worden de woorden "conventionele", de woorden "uitgedrukt in nationale munt" en de woorden "de OESO" respectievelijk vervangen door de woorden "effectieve", de woorden "uitgedrukt in euro" en de woorden "het Instituut van Nationale Rekeningen en van de beschikbare nationale en internationale officiële bronnen;
  2° tussen het tweede en het derde streepje, dat het zevende streepje wordt, worden de volgende streepjes ingevoegd, luidende :
  - de "loonkosten": de beloning van werknemers (D.1) omvat de totale vergoeding, in geld of in natura, die door een werkgever aan werknemers verschuldigd is voor de arbeid die deze tijdens een verslagperiode hebben verricht, zoals vermeld in de bijlage A, hoofdstuk 4, punt 4.02 van Verordening 549/2013 van 21 mei 2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie;
  - de "loonkostenhandicap": het verschil tussen de loonkostenontwikkeling in België en die in de referentie-lidstaten sinds 1996, uitgedrukt als een percentage ten opzichte van 1996;
  - de "absolute loonkostenhandicap": de verhouding tussen enerzijds de deling van de loonkosten van de werknemers verminderd met de loonsubsidies door het aantal werkuren in België en anderzijds de deling van de loonkosten van de werknemers verminderd met de loonsubsidies door het aantal werkuren in de drie referentielidstaten;
  - de "historische loonkostenhandicap" : de handicap die overblijft na het wegwerken van de loonkostenhandicap die opgebouwd is sinds 1996. De omvang van deze handicap wordt bepaald door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven;
  3° in het vroegere derde streepje, dat het zevende streepje wordt, wordt het woord "OESO" vervangen door de woorden "beschikbare officiële nationale en internationale bronnen";
  4° in het vroegere vierde streepje, dat het achtste streepje wordt, worden de woorden "het gezondheidsindexcijfer" vervangen door de woorden "de afgevlakte gezondheidsindex".

  Art. 3. In artikel 3, § 2, van dezelfde wet worden de woorden "uitgedrukt in gemeenschappelijke munt" vervangen door de woorden "uitgedrukt in euro".

  Art. 4. Artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 12 juli 2013, wordt opgeheven.

  Art. 5. Artikel 5 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 12 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Om de twee jaar in de even jaren brengt de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, voor 15 december, een verslag uit.
  § 2. Het eerste deel van het verslag wordt uitgebracht onder de verantwoordelijkheid van het secretariaat van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en betreft de maximaal beschikbare marges voor de loonkostenontwikkeling en de loonkostenhandicap.
  Voor de berekening van de loonkostenhandicap houdt het secretariaat op het moment van die berekening geen rekening met de verminderingen van socialezekerheidsbijdragen van de taxshift 2016-2020, met inbegrip van de verschuiving van de 1 % vermindering van de bedrijfsvoorheffing naar een sociale werkgeversbijdragevermindering, maar wel met het effect van de verminderingen van de werkgeversbijdragen ten gevolge van het competitiviteitspact van 2016, met uitzondering van de loonsubsidie voor ploegen- en nachtarbeid uit het competitiviteitspact. De verminderingen van werkgeversbijdragen van de taxshift 2016-2020, met inbegrip van de verschuiving van de 1 % vermindering van de bedrijfsvoorheffing naar een sociale werkgeversbijdragevermindering met uitzondering van de bijdrageverminderingen van het competitiviteitspact in 2016, worden gebruikt om bij te dragen aan het wegwerken van de historische loonkostenhandicap.
  Bij iedere nieuwe beslissing na of bovenop de taxshift 2016-2020 om de werkgeversbijdragen te verminderen, wordt ten minste de helft ervan niet in rekening gebracht voor en op het moment van de berekening van de loonkostenhandicap. Dit deel van de verminderingen wordt daarentegen gebruikt om bij te dragen tot het wegwerken van de historische loonkostenhandicap.
  Voor de berekening van de maximaal beschikbare marge bedoeld in het eerste lid houdt het secretariaat rekening met de vooruitzichten voor de loonkostenontwikkeling in de referentielidstaten in de twee volgende jaren. De volgende elementen worden door het secretariaat van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven ten opzichte van vooruitzichten voor de loonkostenontwikkeling in de buurlanden in mindering gebracht voor de berekening van de maximaal beschikbare marge :
  - de geraamde indexeringen;
  - een correctieterm;
  - een veiligheidsmarge van 25 % van de resterende marge na toepassing van de verminderingen ten gevolge van de indexeringen en de correctieterm, met een minimum van 0,5 % .
  De correctieterm bedoeld in het vierde lid wordt als volgt bepaald :
  - indien de voorspellingsfout groter is dan de vorige veiligheidsmarge en de loonkostenhandicap is positief of gelijk aan nul, dan is de correctieterm gelijk aan de loonkostenhandicap. Indien de voorspellingsfout groter is dan de vorige veiligheidsmarge en de loonkostenhandicap is negatief, dan is de correctieterm gelijk aan de helft van de loonkostenhandicap. De overige helft, in absolute waarde, dient om bij te dragen tot het wegwerken van de historische loonkostenhandicap. Dit laatste deel wordt dan ook niet meer in rekening gebracht voor en op het moment van de berekening van de loonkostenhandicap;
  - indien de voorspellingsfout negatief is en de loonkostenhandicap is positief of gelijk aan nul, dan is de correctieterm gelijk aan de loonkostenhandicap verminderd met de vorige veiligheidsmarge. Indien de voorspellingsfout negatief is en de loonkostenhandicap ook negatief is, dan is de correctieterm gelijk aan de helft van de loonkostenhandicap die niet aan de vorige veiligheidsmarge is te wijten verminderd met de vorige veiligheidsmarge. De overige helft, in absolute waarde, van de loonkostenhandicap die niet aan de vorige veiligheidsmarge is te wijten, dient om bij te dragen tot het wegwerken van de historische loonkostenhandicap. Dit laatste deel wordt dan ook niet meer in rekening gebracht voor en op het moment van de berekening van de loonkostenhandicap;
  - indien de voorspellingsfout positief of nul is, maar kleiner of gelijk aan de vorige veiligheidsmarge en de loonkostenhandicap is positief of gelijk aan nul, dan is de correctieterm gelijk aan de loonkostenhandicap verminderd met het verschil tussen de vorige veiligheidsmarge en de voorspellingsfout. Indien de voorspellingsfout positief of gelijk aan nul is, maar kleiner of gelijk aan de vorige veiligheidsmarge en de loonkostenhandicap is negatief, dan is de correctieterm gelijk aan de helft van de loonkostenhandicap die niet aan de vorige veiligheidsmarge te wijten is verminderd met het verschil tussen de vorige veiligheidsmarge en de voorspellingsfout. De overige helft, in absolute waarde, van de loonkostenhandicap die niet aan de vorige veiligheidsmarge te wijten is, dient om bij te dragen tot het wegwerken van de historische loonkostenhandicap. Dit laatste deel wordt dan ook niet meer in rekening gebracht voor en op het moment van de berekening van de loonkostenhandicap.
  Het resultaat van de berekening bedoeld in het vierde lid wordt afgerond tot op de tweede decimaal. Als de derde decimaal 5 is, wordt afgerond naar boven.
  De voorspellingsfout is positief wanneer de geraamde indexeringen en/of de loonkostenevolutie in de referentielidstaten niet gelijk zijn aan de realisatie en wanneer dat de loonkostenhandicap verhoogt. De voorspellingsfout is negatief wanneer de geraamde indexeringen en/of de loonkostenevolutie in de referentielidstaten niet gelijk zijn aan de realisatie en wanneer dat de loonkostenhandicap vermindert.
  Het mechanisme bedoeld in het derde lid en de mechanismen die de helft van de negatieve loonkostenhandicap die niet te wijten is aan de veiligheidsmarge toewijzen aan het wegwerken van de historische loonkostenhandicap, bedoeld in het vijfde lid, worden toegepast tot het totaal van de bijdragen tot het wegwerken van de historische loonkostenhandicap bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid en in artikel 6, § 2, gelijk is aan de historische loonkostenhandicap, zodat deze is weggewerkt. Wanneer deze is weggewerkt, wordt de negatieve handicap die niet het gevolg is van de veiligheidsmarge toegewezen aan de maximaal beschikbare marge.
  De indexeringen en de baremieke verhogingen zijn steeds gegarandeerd, ongeacht de maximaal beschikbare marge.
  Indien de toepassing van de vorige leden tot gevolg heeft dat de maximaal beschikbare marge niet toelaat de loonkostenhandicap in één tweejaarlijkse periode weg te werken, gegeven de op dat moment beschikbare vooruitzichten, neemt de regering maatregelen na uitbrenging van het advies van de sociale partners in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, dat binnen een termijn van twee maanden uitgebracht wordt.
  De maximaal beschikbare marge wordt door het secretariaat van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven in het rapport opgedeeld in een deel dat in alle gevallen beschikbaar is en een deel dat overeenstemt met de helft van de negatieve loonkostenhandicap die niet te wijten is aan de veiligheidsmarge en die niet automatisch wordt toegewezen aan het bijdragen tot het wegwerken van de historische loonkostenhandicap als bedoeld in het vijfde lid en waarover de sociale partners beslissen of ze deze eventueel geheel of gedeeltelijk gebruiken om bij te dragen tot het wegwerken van de historische loonhandicap. Het deel waarvan de sociale partners beslissen dat het bijdraagt tot het wegwerken van de historische loonhandicap wordt niet meer in rekening gebracht voor en op het moment van de berekening van de loonkostenhandicap.
  Het in het eerste lid bedoelde verslag omvat bovendien een analyse van de evolutie van de loonkloof tussen mannen en vrouwen.
  Tevens brengt de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven in het deel van het verslag bedoeld in het eerste lid verslag uit over:
  - de absolute loonkostenhandicap;
  -de absolute loonkostenhandicap, gecorrigeerd voor het productiviteitsniveau;
  - de loonkostenhandicap gecorrigeerd voor verminderingen van de werkgeversbijdragen en loonkostensubsidies in België en de referentielidstaten sinds 1996.
  § 3. Het tweede deel van het in paragraaf 1 bedoelde verslag omvat een analyse van het loon- en werkgelegenheidsbeleid bij de referentie-lidstaten, en van de factoren die een andere ontwikkeling dan in België kunnen verklaren.
  Tevens wordt verslag uitgebracht over de structurele aspecten van het concurrentievermogen en de werkgelegenheid, inzonderheid de sectorale structuur van de nationale en buitenlandse investeringen, de uitgaven inzake onderzoek en ontwikkeling, de marktaandelen, de geografische bestemming van de uitvoer, de structuur van de economie, de innovatieprocessen, de financieringsstructuren voor de economie, de productiviteitsdeterminanten, de opleidings- en onderwijsstructuren, de veranderingen in de organisatie en de ontwikkeling van de ondernemingen. In voorkomend geval worden suggesties geformuleerd om verbeteringen aan te brengen.
  Het verslag bevat eveneens een analyse van de naleving van de sociale vrede en van de invloed van de anciënniteit op de lonen, alsook een analyse van de impact van de loonniveaus op de werking van de arbeidsmarkt in het algemeen en op de integratie van risicogroepen op de arbeidsmarkt in het bijzonder.
  § 4. In het jaar dat de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven geen verslag uitbrengt als bedoeld in paragraaf 1, publiceert het vóór 15 december een tussentijds verslag met de actualisering van het eerste deel, met uitzondering van de maximaal beschikbare marge, en het tweede deel van het verslag bedoeld in artikel 5.
  § 5. De verslagen bedoeld in de paragrafen 1 en 4 worden onverwijld overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers en aan de regering, alsook aan de sociale gesprekspartners.".

  Art. 6. Artikel 6 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 april 2012, wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Om de twee jaar in de oneven jaren worden, vóór 15 januari, op basis van het verslag als bedoeld in artikel 5, § 1, in het interprofessioneel akkoord van de sociale gesprekspartners, onder meer werkgelegenheidsmaatregelen en de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling voor de twee jaren van het interprofessioneel akkoord vastgesteld. Er worden ook maatregelen in het kader van de bestrijding van de loonkloof tussen mannen en vrouwen vastgesteld, in het bijzonder door de functieclassificatiesystemen genderneutraal te maken. Eveneens wordt ruime aandacht besteed aan de naleving van de doelstelling inzake opleiding en aan de mate waarin de sectoren effectief hun inspanningen vergroten.
  De in het eerste lid bedoelde marge wordt vervolgens vastgesteld in een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad, die door de Koning algemeen verbindend wordt verklaard overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
  § 2. De maximale marge voor de loonkostenontwikkeling bedoeld in paragraaf 1 bedraagt ten hoogste de maximaal beschikbare marge bedoeld in artikel 5, § 2. De sociale partners kunnen de helft van de negatieve loonkostenhandicap die niet te wijten is aan de veiligheidsmarge en die niet automatisch toegewezen is aan het bijdragen tot het wegwerken van de historische loonkostenhandicap, bedoeld in artikel 5, § 2, vijfde lid, integraal of gedeeltelijk bestemmen om bij te dragen tot het wegwerken van de historische loonkostenhandicap. Deze marge kan uitgedrukt worden hetzij via twee jaarlijkse percentages, hetzij via één tweejaarlijks percentage.
  § 3. Bij gebrek aan een consensus tussen de sociale gesprekspartners binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van het verslag bedoeld in artikel 5, § 1, roept de regering de sociale gesprekspartners voor overleg bijeen en doet zij een bemiddelingsvoorstel, op grond van de gegevens opgenomen in hetzelfde verslag.
  In geval van een akkoord tussen de regering en de sociale partners wordt de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling vastgesteld in een binnen de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst die door de Koning algemeen verbindend wordt verklaard overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
  § 4. De maximale marge voor loonkostenontwikkeling bedraagt minimaal nul om toe te laten de geraamde indexeringen toe te passen. De indexeringen en baremieke verhogingen zijn steeds gegarandeerd.
  Indien de toepassing van het eerste lid tot gevolg heeft dat de maximale marge niet toelaat de loonkostenhandicap in één tweejaarlijkse periode weg te werken, gegeven de op dat moment beschikbare vooruitzichten, dan neemt de regering, zoals bepaald in artikel 5, § 2, tiende lid, maatregelen nadat de sociale partners binnen een termijn van twee maanden een advies hebben uitgebracht in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.".

  Art. 7. Artikel 7, § 1, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Bij gebrek aan een akkoord tussen de regering en de sociale gesprekspartners, binnen één maand na het bijeenroepen van de sociale gesprekspartners voor overleg als bedoeld in artikel 6, § 3, legt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling, overeenkomstig artikel 6, § 1 en § 2, vast, hetzij via twee jaarlijkse percentages, hetzij via één tweejaarlijks percentage.
  Het eerste lid is eveneens van toepassing indien de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling zoals afgesproken in het interprofessioneel akkoord of na bemiddelingsvoorstel van de regering, de bepalingen van artikel 5, § 2 en 6, § § 1 en 2, niet respecteert.
  Artikel 6, § 4, is van toepassing op het besluit bedoeld in het eerste en het tweede lid.".

  Art. 8. In artikel 9 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden het tweede tot zevende lid vervangen als volgt :
  "Wanneer sectorale sociale partners zich willen vergewissen van de conformiteit van een ontwerp van collectieve arbeidsovereenkomst met de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling, kunnen zij de algemene directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg om advies vragen.
  Aan de werkgever die de verplichting bedoeld in het eerste lid niet naleeft, kan een administratieve geldboete van 250 tot 5.000 euro worden opgelegd.
  De administratieve geldboete bedoeld in het derde lid wordt opgelegd door de bevoegde administratie bedoeld in de artikelen 16, 13°, en 70 van het Sociaal Strafwetboek. De artikelen 74 tot 91 en 111 tot 116 van het Sociaal Strafwetboek zijn van toepassing.
  De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers, met een maximum van 100 werknemers.
  De beslissing die de administratieve geldboete bedoeld in het vierde lid oplegt, is vatbaar voor beroep op grond van artikel 3 van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht en volgens de vormen, termijn en reikwijdte bedoeld in dat artikel.";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Aan de werkgever die de bepalingen van de koninklijke besluiten genomen in uitvoering van artikel 7, § 2, niet naleeft, kan dezelfde geldboete als deze bepaald bij paragraaf 1, derde lid, onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde modaliteiten, worden opgelegd.".

  Art. 9. In artikel 12 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  - in paragraaf 1 wordt het woord "technisch" weggelaten;
  - in paragraaf 2 worden de woorden "30 november" vervangen door de woorden "15 december".

  Art. 10. In artikel 13, § 2, van dezelfde wet, wordt het woord "technisch" weggelaten.

  Art. 11. Artikel 14, § 2, van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling:
  " § 2. Op de overtreding van de krachtens dit artikel vastgestelde bepalingen staat een administratieve geldboete, die de bedragen bepaald bij artikel 9, § 1, derde lid, niet overschrijdt.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de vaststelling en de inning van deze boete.

  Art. 12. In titel II van dezelfde wet wordt een hoofdstuk V/1 ingevoegd, luidende : "Bepalingen betreffende het toezicht".

  Art. 13. In het nieuwe hoofdstuk V/1 wordt een artikel 14/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 14/1. De inbreuken op de bepalingen van artikel 9, § 1, eerste lid, en op de bepalingen van de koninklijke besluiten bedoeld bij de artikelen 7, § 2, en 14, § 1, worden opgespoord en vastgesteld overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
  De sociaal inspecteurs beschikken over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatieverstrekking, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.".

  Art. 14. Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2017.
  In afwijking van het eerste lid wordt, voor de tweejaarlijkse periode 2017-2018 :
  - het in artikel 5, § 1, bedoelde verslag uitgebracht voor 5 januari 2017, en;
  - het in artikel 6, § 1, bedoelde interprofessioneel akkoord gesloten voor 31 januari 2017.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 19 maart 2017.
FILIP
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
C. MICHEL
De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met buitenlandse handel,
K. PEETERS
Met 's Lands Zegel gezegeld,
De Minister van Justitie
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heef aangenomen en Wij bekrachtingen hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
   KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS Stukken : Doc 54 2248 (2016/2017) : 001 : Wetsontwerp. 002 en 003 : Amendementen. 004 : Verslag. 005 : Artikelen aangenomen (eerste lezing). 006 : Amendementen. 007 : Verslag. 008 : Tekst aangenomen in tweede lezing. 009 : Amendementen ingediend in plenaire vergadering. 010 : Advies van de Raad van State. 011 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd. Zie ook : Integraal verslag : 9 maart 2017.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Franstalige versie