J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Inhoudstafel 12 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
25 JUNI 2014. - CODEX DEONTOLOGIE VOOR ADVOCATEN
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-09-2014 en tekstbijwerking tot 30-09-2015) Zie wijziging(en)

Bron : ORDE VAN VLAAMSE BALIES
Publicatie : 30-09-2014 nummer :   2014018346 bladzijde : 77350       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2014-06-25/05
Inwerkingtreding : 30-09-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
DEEL I. - ESSENTIELE PLICHTEN VAN DE ADVOCAAT
HOOFDSTUK I.1. - EssentiŽle plichten
Art. I.1.1
HOOFDSTUK I.2. - Onafhankelijkheid
Afdeling I.2.1. - Onafhankelijkheid
Art. I.2.1.1-I.2.1.2
Afdeling I.2.2. - Partijdigheid
Art. I.2.2.1
Afdeling I.2.3. - Tegenstrijdige belangen
Art. I.2.3.1-I.2.3.5
Afdeling I.2.4. - Optreden voor kantoorgenoten
Art. I.2.4.1
Afdeling I.2.5. - Onverenigbaarheden
Art. I.2.5.1-I.2.5.7
HOOFDSTUK I.3. - Het beroepsgeheim
Afdeling I.3.1. - Principes
Art. I.3.1.1-I.3.1.5
Afdeling I.3.2. - Het beslag onder derden in handen van een advocaat
Art. I.3.2.1-I.3.2.2
DEEL II. - TOEGANG TOT HET BEROEP, STAGE EN VORMING
HOOFDSTUK II.1. - De stage
Afdeling II.1.1. - Algemene organisatie van de stage
Art. II.1.1.1-II.1.1.5
Afdeling II.1.2. - Voorwaarden voor het stagemeesterschap
Art. II.1.2.1-II.1.2.2
Afdeling II.1.3. - De stageovereenkomst
Art. II.1.3.1-II.1.3.2
Afdeling II.1.4. - Plichten van de stagemeester
Art. II.1.4.1-II.1.4.3
Afdeling II.1.5. - Plichten van de stagiair
Art. II.1.5.1
Afdeling II.1.6. - De stagecommissie
Art. II.1.6.1-II.1.6.2
HOOFDSTUK II.2. - De beroepsopleiding
Afdeling II.2.1. - Algemeen
Art. II.2.1.1
Afdeling II.2.2. - Stageschool
Art. II.2.2.1-II.2.2.2
Afdeling II.2.3. - Commissie beroepsopleiding
Art. II.2.3.1-II.2.3.2
Afdeling II.2.4. - Beroepsopleiding
Art. II.2.4.1-II.2.4.6
Afdeling II.2.5. - Procedure beroep
Art. II.2.5.1
HOOFDSTUK II.3. - Permanente vorming
Art. II.3.1-II.3.6
HOOFDSTUK II.4. - Advocaten die onderdaan zijn van een lidstaat van de EU en leden van buitenlandse balies
Art. II.4.1-II.4.7
HOOFDSTUK II.5. - De lijst van de ereadvocaten
Art. II.5.1
DEEL III. - UITOEFENING VAN HET BEROEP VAN ADVOCAAT
HOOFDSTUK III.1. - Relaties ten aanzien van cliŽnten
Afdeling III.1.1. - Mandaat dat de advocaat niet rechtstreeks van zijn cliŽnt ontvangt
Art. III.1.1.1
Afdeling III.1.2. - Witwaspreventie
Art. III.1.2.1-III.1.2.7
Afdeling III.1.3. - De beperking van de aansprakelijkheid
Art. III.1.3.1
Afdeling III.1.4. - Contact tussen advocaat en cliŽnt-gedetineerden
Art. III.1.4.1-III.1.4.4
Afdeling III.1.5. - Mededeling van dossiers
Art. III.1.5.1-III.1.5.2
Afdeling III.1.6. - Maatschappelijke verslagen
Art. III.1.6.1
Afdeling III.1.7. - Publiciteit
Art. III.1.7.1-III.1.7.7
Afdeling III.1.8. - Juridische tweedelijnsbijstand
Art. III.1.8.1
HOOFDSTUK III.2. - Relaties ten aanzien van advocaten
Afdeling III.2.1. - Confraterniteit
Art. III.2.1.1-III.2.1.14
Afdeling III.2.2. - Honorarium voor introducties
Art. III.2.2.1
Afdeling III.2.3. - De vertrouwelijkheid van besprekingen
Art. III.2.3.1
Afdeling III.2.4. - Het overleggen van briefwisseling tussen advocaten
Art. III.2.4.1-III.2.4.5
Afdeling III.2.5. - Overleggen van briefwisseling tussen advocaten en gerechtelijke mandatarissen
Art. III.2.5.1-III.2.5.2
Afdeling III.2.6. - De opvolging
Art. III.2.6.1-III.2.6.2
Afdeling III.2.6bis. [1 De modaliteiten bij de opvolging van advocaten in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand en Salduz ]1
Art. III.2.6bis.1-III.2.6bis.3
Afdeling III.2.7. - Eensluidend verklaren van kopieŽn van bij een voorziening in cassatie te voegen stukken
Art. III.2.7.1-III.2.7.3
Afdeling III.2.8. - Derdengelden
Onderafdeling III.2.8.1. - Toepassingsgebied en definities
Art. III.2.8.1.1-III.2.8.1.2
Onderafdeling III.2.8.2. - Derdenrekening
Art. III.2.8.2.1-III.2.8.2.6
Onderafdeling III.2.8.3. - Rapportering
Art. III.2.8.3.1
Onderafdeling III.2.8.4. - Controle
Art. III.2.8.4.1-III.2.8.4.4
Afdeling III.2.9. - Procedures voor bijzondere rechtscolleges
Art. III.2.9.1
Afdeling III.2.10. - Statuut van de advocaat
Art. III.2.10.1
HOOFDSTUK III.3. - Relaties met de overheid van de Orde
Afdeling III.3.1. - De briefwisseling met de stafhouder
Art. III.3.1.1
Afdeling III.3.2. - De verplichting om bijdragen aan de Orde te betalen
Art. III.3.2.1-III.3.2.8
HOOFDSTUK III.4. - Relaties met hoven, rechtbanken, scheidsgerechten, algemene vergaderingen e.d.
Afdeling III.4.1. - Procedure tegen magistraten, notarissen en gerechtsdeurwaarders
Art. III.4.1.1
Afdeling III.4.2. - Bijwonen van bijeenkomsten van een raad van bestuur en een algemene vergadering
Art. III.4.2.1
HOOFDSTUK III.5. - Relaties ten aanzien van derden
Afdeling III.5.1. - Contacten van de advocaat met getuigen
Art. III.5.1.1-III.5.1.2
Afdeling III.5.2. - Media
Art. III.5.2.1-III.5.2.4
Afdeling III.5.3. - Registratie van gesprekken of contacten
Art. III.5.3.1
DEEL IV. - ADVOCAAT TREEDT OP IN EEN ANDERE HOEDANIGHEID
HOOFDSTUK IV.1. - Advocaat-gerechtelijke mandataris
Art. IV.1.1-IV.1.2
HOOFDSTUK IV.2. - Advocaat-syndicus
Art. IV.2.1-IV.2.7
DEEL V. - ORGANISATIE VAN HET KANTOOR
HOOFDSTUK V.1. - Samenwerkingsverbanden tussen advocaten en eenpersoonsvennootschappen van advocaten
Afdeling V.1.1. - Samenwerkingsverbanden tussen advocaten
Art. V.1.1.1-V.1.1.5
Afdeling V.1.2. - Eenpersoonsvennootschappen van advocaten
Art. V.1.2.6
HOOFDSTUK V.2. - Samenwerking tussen advocaten en niet-advocaten
Art. V.2.1-V.2.4
HOOFDSTUK V.3. - Het kantoor en de bijkantoren
Afdeling V.3.1. - Het houden van meerdere kantoren of vestigingen
Art. V.3.1.1-V.3.1.8
Afdeling V.3.2. - De keuze van woonplaats en het kantoor van de advocaat
Art. V.3.2.1-V.3.2.2
HOOFDSTUK V.4. - Medewerkers
Art. V.4.1-V.4.2
HOOFDSTUK V.5. - De identificatie van de ondertekenaars van de briefwisseling
Art. V.5.1-V.5.2
DEEL VI. - INTERNE ORGANISATIE VAN DE BALIE
HOOFDSTUK VI.1. - Vervanging van de stafhouder
Art. VI.1.1
HOOFDSTUK VI.2. - Optreden tegen lid van de balie
Art. VI.2.1
DEEL VII. - PROCEDURES ZOALS IN TUCHT
HOOFDSTUK VII.1. - De raad van de Orde zetelend zoals in tucht
Art. VII.1.1-VII.1.11
HOOFDSTUK VII.2. - Eedaflegging door getuigen
Art. VII.2.1-VII.2.2
DEEL VIII. - GESCHILLENREGELING
HOOFDSTUK VIII.1. - Bevoegdheid met betrekking tot geschillen tussen advocaten, leden van de balies aangesloten bij de Orde van Vlaamse Balies
Art. VIII.1.1-VIII.1.8
HOOFDSTUK VIII.2. - Lokale reglementen
Art. VIII.2.1
HOOFDSTUK VIII.3. [1 - Ombudsdienst Consumentengeschillen Advocatuur]1
Art. VIII.3.1-VIII.3.7
DEEL IX. - TOEPASSING VAN DE CODEX
HOOFDSTUK IX.1. - Toepassing van de Codex
Art. IX.1.1
DEEL X. - GEDRAGSCODE VOOR EUROPESE ADVOCATEN
HOOFDSTUK X.1. - Inleiding
Afdeling X.1.1. - De taak van de advocaat
Art. X.1.1.1
Afdeling X.1.2. - De aard van de gedragsregels
Art. X.1.2.1-X.1.2.2
Afdeling X.1.3. - De doelstellingen van de gedragscode
Art. X.1.3.1-X.1.3.2
Afdeling X.1.4. - Toepassingsgebied ratione personae
Art. X.1.4.1
Afdeling X.1.5. - Toepassingsgebied ratione materiae
Art. X.1.5.1
Afdeling X.1.6. - Definities
Art. X.1.6.1
HOOFDSTUK X.2. - Algemene beginselen
Afdeling X.2.1. - Onafhankelijkheid
Art. X.2.1.1-X.2.1.2
Afdeling X.2.2. - Vertrouwen en persoonlijke integriteit
Art. X.2.2.1
Afdeling X.2.3. - Het beroepsgeheim
Art. X.2.3.1-X.2.3.4
Afdeling X.2.4. - Het in acht nemen van de gedragsregels van andere balies
Art. X.2.4.1
Afdeling X.2.5. - Onverenigbaarheden
Art. X.2.5.1-X.2.5.3
Afdeling X.2.6. - Persoonlijke publiciteit
Art. X.2.6.1-X.2.6.2
Afdeling X.2.7. - Belang van de cliŽnt
Art. X.2.7.1
Afdeling X.2.8. - Beperking van de aansprakelijkheid van de advocaat ten aanzien van de cliŽnt
Art. X.2.8.1
HOOFDSTUK X.3. - Verhouding tot de cliŽnt
Afdeling X.3.1. - Begin en einde van de betrekkingen met de cliŽnt
Art. X.3.1.1-X.3.1.4
Afdeling X.3.2. - Tegenstrijdige belangen
Art. X.3.2.1-X.3.2.4
Afdeling X.3.3. - Pactum de quota litis
Art. X.3.3.1-X.3.3.3
Afdeling X.3.4. - Vaststelling van het honorarium
Art. X.3.4.1
Afdeling X.3.5. - Voorschotten op honorarium en verschotten
Art. X.3.5.1
Afdeling X.3.6. - Verdeling van het honorarium met iemand die geen advocaat is
Art. X.3.6.1-X.3.6.2
Afdeling X.3.7. - Kosten van de procedure en rechtsbijstand
Art. X.3.7.1-X.3.7.2
Afdeling X.3.8. - Gelden van derden
Art. X.3.8.1-X.3.8.6
Afdeling X.3.9. - Verzekering van de beroepsaansprakelijkheid
Art. X.3.9.1-X.3.9.2
HOOFDSTUK X.4. - Verhouding tot de rechters
Art. X.4.1-X.4.5
HOOFDSTUK X.5. - Betrekkingen tussen advocaten onderling
Afdeling X.5.1. - Confraterniteit
Art. X.5.1.1-X.5.1.2
Afdeling X.5.2. - Samenwerking tussen advocaten van verschillende lidstaten
Art. X.5.2.1-X.5.2.2
Afdeling X.5.3. - Briefwisseling tussen advocaten
Art. X.5.3.1-X.5.3.2
Afdeling X.5.4. - Honorarium voor introducties
Art. X.5.4.1-X.5.4.2
Afdeling X.5.5. - Contact met tegenpartij
Art. X.5.5.1
Afdeling X.5.6. - FinanciŽle aansprakelijkheid
Art. X.5.6.1
Afdeling X.5.7. - Permanente vorming
Art. X.5.7.1
Afdeling X.5.8. - Geschillen tussen advocaten van verschillende lidstaten
Art. X.5.8.1-X.5.8.3
DEEL XI. - INWERKINGTREDING
HOOFDSTUK XI.1. - Inwerkingtreding
Art. XI.1.1-XI.1.2

Tekst Inhoudstafel Begin
DEEL I. - ESSENTIELE PLICHTEN VAN DE ADVOCAAT

  HOOFDSTUK I.1. - EssentiŽle plichten

  Art. I.1.1. De advocaat oefent zijn beroep op deskundige wijze uit met eerbiediging van het beroepsgeheim, van de essentiŽle plichten van onafhankelijkheid en partijdigheid, en met het vermijden van belangenconflicten. Hij eerbiedigt de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid, die aan het beroep ten grondslag liggen.

  HOOFDSTUK I.2. - Onafhankelijkheid

  Afdeling I.2.1. - Onafhankelijkheid

  Art. I.2.1.1. De verplichtingen die op de advocaat rusten, vereisen de absolute onafhankelijkheid van de advocaat, vrij van alle druk, in het bijzonder van de druk van eigen belangen of van beÔnvloeding van buitenaf. De advocaat moet elke aantasting van zijn onafhankelijkheid vermijden en mag de beroepsethiek niet veronachtzamen om de cliŽnt, de rechter of derden welgevallig te zijn.
  De onafhankelijkheid is bij alle werkzaamheden noodzakelijk.

  Art. I.2.1.2. De advocaat behandelt geen zaken van of tegen naaste familieleden of treedt niet op voor personen die met hem samenwonen of nauw verbonden zijn met die samenwonenden.

  Afdeling I.2.2. - Partijdigheid

  Art. I.2.2.1. Met inachtneming van de wettelijke regels en de beroeps- en gedragsregels is de advocaat steeds verplicht de belangen van de cliŽnt zo goed mogelijk te behartigen en die boven zijn eigen belangen of die van derden te stellen.

  Afdeling I.2.3. - Tegenstrijdige belangen

  Art. I.2.3.1. ß 1 De advocaat kan niet optreden wanneer dat aanleiding geeft tot een belangenconflict tussen de advocaat en een cliŽnt of tot een wezenlijke dreiging daartoe.
  ß 2 De advocaat kan niet optreden voor meer dan ťťn cliŽnt, indien er een belangenconflict tussen die cliŽnten bestaat of een wezenlijke dreiging daartoe, tenzij en zolang aan de voorwaarden van art. I.2.3.2 wordt voldaan.

  Art. I.2.3.2. ß 1 Een advocaat mag evenwel optreden voor meerdere cliŽnten tussen wie er een belangenconflict bestaat of dreigt te ontstaan:
  - indien de betrokken cliŽnten na schriftelijk te zijn ingelicht hun akkoord schriftelijk bevestigen, en
  - zolang er geen gevaar bestaat voor schending van zijn beroepsgeheim, noch van zijn onafhankelijkheid, en
  - zolang tussen die cliŽnten geen vordering voor de rechtbank of voor een scheidsgerecht wordt vervolgd betreffende het voorwerp van de door hen gevraagde tussenkomst.
  ß 2 Wanneer meerdere cliŽnten tussen wie een belangenconflict bestaat of dreigt te ontstaan, maar die in eenzelfde aangelegenheid een gemeenschappelijk belang hebben, zich voor de verdediging van dat gemeenschappelijk belang tot de advocaat wenden, kan hij voor die cliŽnten slechts optreden voor een rechtbank of een scheidsgerecht of rechtscollege, indien:
  - de cliŽnten schriftelijk akkoord gaan, en
  - de advocaat oordeelt dat de belangentegenstelling of het risico daartoe hem niet belemmert de belangen van alle betrokken cliŽnten naar beste vermogen te behartigen zonder schending van het beroepsgeheim en onafhankelijkheid.

  Art. I.2.3.3. De advocaat mag geen zaak van een nieuwe cliŽnt op zich nemen, indien de geheimhouding van de vertrouwelijke informatie die hij van een andere cliŽnt heeft verkregen, dreigt te worden aangetast.

  Art. 1.2.3.4. De advocaat mag wel optreden wanneer het bekend is dat de cliŽnt systematisch een beroep doet op verschillende advocaten en in die zaak een andere advocaat zal aanstellen. Alleszins zal de advocaat zich dan ook onthouden van verder op te treden indien zijn tussenkomst gepaard zou gaan met een inbreuk op zijn beroepsgeheim of zijn onafhankelijkheid.

  Art. I.2.3.5. ß 1 De artikelen I.2.3.1 t.e.m. I.2.3.4 zijn van toepassing op de advocaat, zijn medewerkers en zijn stagiairs.
  ß 2 Als advocaten het beroep in associatie of groepering uitoefenen, zijn de artikelen I.2.3.1 tot en met I.2.3.4 van toepassing zowel op de groep in zijn geheel als op haar individuele leden en op de stagiairs en medewerkers van de advocaten.

  Afdeling I.2.4. - Optreden voor kantoorgenoten

  Art. I.2.4.1. De advocaat die in een geschil de belangen verdedigt van een andere advocaat, mag geen deel uitmaken van de groepering of associatie waartoe de betrokken advocaat behoort, noch zijn medewerker of stagiair zijn of hebben meegewerkt in de zaak waarover het geschil loopt.

  Afdeling I.2.5. - Onverenigbaarheden

  Art. I.2.5.1. De uitoefening van het beroep van advocaat is onverenigbaar met elke activiteit die de kernwaarden van de advocatuur en het publieke vertrouwen in de advocatuur in het gedrang kan brengen.
  De onverenigbaarheden of verboden in dit hoofdstuk betreffen niet alleen de advocaat maar ook de advocaten die in een groepering of associatie met hem werken, zijn medewerkers en/of stagiairs.

  Art. I.2.5.2. Advocaten die lid zijn van de uitvoerende macht (een federale, gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale of gemeentelijke overheid) mogen niet pleiten of optreden in zaken in het belang van of tegen de overheid waar zij verkozen of benoemd zijn. Dat mag niet tijdens hun mandaat of benoeming. Dat mag ook niet tijdens een periode van twee jaren na het einde van hun mandaat of benoeming, behoudens de voorafgaande toestemming van de stafhouder.
  Na het einde van hun mandaat of benoeming, mogen zij niet pleiten of optreden in dossiers waaraan zij hebben meegewerkt.

  Art. I.2.5.3. Advocaten die een of meerdere departementen van een wetgevende of uitvoerende macht leiden of optreden als medewerker van zo'n leidinggevende persoon, onder welke benaming ook, mogen niet pleiten of optreden in zaken die onder de bevoegdheid van het departement vallen waardoor zij benoemd of aangesteld zijn. Dat mag niet tijdens hun ambt. Dat mag ook niet tijdens een periode van twee jaren na het einde van hun ambt, behoudens de voorafgaande toestemming van de stafhouder.
  Na het einde van hun ambt mogen zij niet pleiten of optreden in dossiers waaraan zij hebben meegewerkt.

  Art. I.2.5.4. In de gevallen bedoeld in artikel I.2.5.2 en I.2.5.3:
  - meldt de advocaat voorafgaand en schriftelijk aan de stafhouder dat hij het mandaat of de benoeming heeft aanvaard en verstrekt hij de nodige inlichtingen over de wijze waarop zijn kantoor of zijn zaken in het kantoor waartoe hij behoort, beheerd zal/zullen worden;
  - mogen de stukken en de correspondentie van het kantoor waartoe de advocaat behoort, zoals voorheen zijn naam blijven vermelden, behalve voor advocaten die een mandaat van regeringslid aanvaarden.
  Behalve in zaken waar het de advocaat wel is toegelaten op te treden, ondertekent de betrokken advocaat de briefwisseling niet. De plaatsvervanger ondertekent dan de briefwisseling zonder vermelding van de naam van de betrokken advocaat.

  Art. I.2.5.5. a) Onverminderd de bevoegdheid van de stafhouder om hiervan af te wijken, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk niet toepasselijk op arbiters, bemiddelaars of gerechtelijk mandatarissen.
  b) De advocaat kan een bestuursopdracht of een opdracht van vereffenaar in rechtspersonen aanvaarden.
  c) De advocaat kan een opdracht uitoefenen die het dagelijks bestuur omvat, alleen in professionele vennootschappen (vennootschappen die de uitoefening van het beroep van advocaat als doel hebben) of in rechtspersonen m.b.t. zijn patrimonium of zijn aandelen in een familiaal patrimonium (patrimoniumvennootschappen).
  d) De advocaat stelt de stafhouder schriftelijk in kennis van zijn voornemen om het aanbod of voorstel van een mandaat als hierboven vermeld te aanvaarden en deelt hem gelijktijdig een exemplaar mee van de statuten en eventueel het huishoudelijk reglement. Hij voegt daarbij de identiteit van de personen of rechtspersonen die deel uitmaken van het orgaan van bestuur en het orgaan van toezicht alsook van de aandeelhoudersstructuur en in deelgerechtigdheid en verstrekt alle bijkomende informatie die hem door de stafhouder wordt gevraagd.
  e) De advocaat brengt de stafhouder op de hoogte van wijzigingen indien zij rechtstreeks of onrechtstreeks invloed hebben op de uitoefening van het mandaat in overeenstemming met de bepalingen van dit hoofdstuk en van deze Codex in het algemeen.
  f) De advocaat mag het mandaat slechts aanvaarden nadat de stafhouder hem meedeelt dat er is voldaan aan bovenstaande informatieplicht.

  Art. I.2.5.6. De advocaat mag een rechtspersoon, die niet zijn professionele vennootschap of patrimoniumvennootschap is, waarvoor hij een mandaat uitoefent, voor de rechtbanken of scheidsgerechten vertegenwoordigen. Dat mag hij niet wanneer hij persoonlijk in de zaak betrokken is of kan zijn en/of de eerbaarheid of de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur in gevaar dreigt te komen.

  Art. I.2.5.7. De advocaat-assessor van de afdeling wetgeving van de Raad van State en zijn kantoorgenoten die een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten, mogen pleiten voor de afdeling bestuursrechtspraak.

  HOOFDSTUK I.3. - Het beroepsgeheim

  Afdeling I.3.1. - Principes

  Art. I.3.1.1. De advocaat is gehouden tot het beroepsgeheim. Het beroepsgeheim strekt zich uit tot alle vertrouwelijke informatie die de advocaat in de uitvoering van zijn opdracht verneemt of vaststelt en geldt onbeperkt in de tijd.

  Art. I.3.1.2. De advocaat mag enkel vertrouwelijke informatie aan de rechtbanken, scheidsgerechten en derden verstrekken voor zover:
  - de vrijgave van die informatie relevant is, en
  - de vrijgave van die informatie in het belang van de cliŽnt is, en
  - de cliŽnt akkoord gaat met de vrijgave van die informatie, en
  - de vrijgave van die informatie niet wettelijk verboden is.

  Art. I.3.1.3. De advocaat is in alle omstandigheden gehouden tot kiesheid en handelt te allen tijde met de nodige discretie.

  Art. I.3.1.4. De advocaat zorgt ervoor dat zijn personeel en alle aangestelden en personen die met hem in beroepsverband samenwerken, het beroepsgeheim eerbiedigen. Als advocaten het beroep in samenwerkingsverband uitoefenen, zijn de artikelen I.3.1.1 tot en met I.3.1.3 van toepassing, zowel op het samenwerkingsverband in zijn geheel als op zijn individuele leden.

  Art. I.3.1.5. Het beroepsgeheim wordt niet geschonden wanneer de advocaat vertrouwelijke informatie aanwendt die noodzakelijk is voor zijn eigen verdediging.

  Afdeling I.3.2. - Het beslag onder derden in handen van een advocaat

  Art. I.3.2.1 De advocaat die in het kader van zijn beroepsuitoefening bedragen of zaken die hij aan anderen moet overmaken, in zijn bezit heeft, moet in principe het beroepsgeheim inroepen bij de verklaring van de derde-beslagene die hij moet doen wanneer bij hem derdenbeslag wordt gelegd of hem een dwangbevel wordt betekend.
  Bij de ontvangst van de akte van beslag onder derden of het dwangbevel wint de advocaat derde-beslagene het advies van zijn stafhouder in. De advocaat oordeelt of het bezit van de bedragen of zaken al dan niet gedekt is door het beroepsgeheim.

  Art. I.3.2.2. De advocaat derde-beslagene kan geen afstand doen van de bedragen of zaken die het voorwerp uitmaken van het beslag of het dwangbevel, tenzij na handlichting ervan.

  DEEL II. - TOEGANG TOT HET BEROEP, STAGE EN VORMING

  HOOFDSTUK II.1. - De stage

  Afdeling II.1.1. - Algemene organisatie van de stage

  Art. II.1.1.1. Bij zijn verzoek tot inschrijving op de lijst van de stagiairs bezorgt de kandidaat-stagiair aan het secretariaat van de Orde de volgende documenten:
  a) zijn diploma met vermelding van de datum van de eedaflegging overeenkomstig artikel 429 Ger.W.,
  b) een origineel exemplaar van de stageovereenkomst, die hij heeft afgesloten overeenkomstig de bepalingen van afdeling 3 van dit hoofdstuk en waarvan de raad van de Orde, hierin gunstig geadviseerd door de stagecommissie, vaststelt dat het de minimumwaarborgen van dit reglement respecteert,
  c) een door hem ondertekende verklaring met vermelding van de verzoeken tot inschrijving die hij vroeger heeft gericht aan een andere binnenlandse of buitenlandse balie en het gevolg dat daaraan werd gegeven,
  d) een door hem ondertekende verklaring met vermelding van de beroepen die hij op dat ogenblik uitoefent.
  De kandidaat-stagiair bevestigt bovendien schriftelijk aan de stafhouder dat er tegen hem nooit een gerechtelijke of strafrechtelijke veroordeling, een administratieve sanctie of een tuchtmaatregel werd genomen. Indien dat wel het geval is en de stafhouder vraagt meer informatie, verschaft hij die.
  Als er straf- of tuchtonderzoeken lopen tegen de kandidaat-stagiair bezorgt hij daarover een schriftelijke verklaring aan de stafhouder.

  Art. II.1.1.2.[1 De raad van de Orde bepaalt de datum van de inschrijving op de lijst van de stagiairs.
   De stage duurt 3 jaar, onder voorbehoud van wat is bepaald in artikel 435 Ger.W. en in artikel II.1.1.3.
   De stagiair moet tijdens de gehele duur van de stage een stagemeester hebben.]1
  ----------
  (1)<VARIA 2015-09-23/02, art. I, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. II.1.1.3. 3.1. De schorsing van de stageverplichtingen is de tijdelijke ontheffing van de verplichtingen van de stage.
  Gedurende een schorsing blijft de stagiair advocaat. Hij blijft onderworpen aan de deontologische verplichtingen die op advocaten rusten, waaronder ook de financiŽle verplichtingen tegenover de Orde. De raad van de Orde kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling van de baliebijdrage verlenen.
  De schorsing maakt geen einde aan de stageovereenkomst. Enkel de wederzijdse verplichtingen van stagemeester en stagiair worden voor de periode van de schorsing geschorst.
  3.2. De onderbreking is de tijdelijke weglating van de lijst van de stagiairs.
  Gedurende een onderbreking verliest de stagiair de hoedanigheid van advocaat. De onderbreking beŽindigt de stageovereenkomst.
  3.3. De stage kan worden geschorst of onderbroken voor een periode van ten hoogste 1 jaar. Die periode kan worden verlengd om gegronde redenen.
  De stagiair richt het verzoek tot schorsing of onderbreking van de stage, of verlenging van de schorsing of onderbreking aan de stafhouder. De raad van de Orde oordeelt over dat verzoek, na advies van de stagecommissie.
  De stagiair meldt aan de stafhouder dat hij zijn stage hervat, uiterlijk ťťn maand voor de lopende schorsing of onderbreking verstrijkt.
  Als de stagiair zijn stage hervat na een onderbreking legt hij een nieuwe stageovereenkomst neer op het secretariaat van de Orde. De stagecommissie geeft hierover advies.
  Indien de stagiair die hervatting niet meldt aan de stafhouder, roept de stafhouder hem op. Als de stagiair daaraan geen gunstig gevolg verleent, wordt hij opgeroepen voor de raad van de Orde, om over zijn eventuele weglating van de lijst van de stagiairs te beslissen. Die weglating houdt een verval van de verworvenheden van de stage in.
  Na de schorsing of de onderbreking wordt de stage voortgezet
  - met behoud van de verworvenheden van de voordien verrichte stage,
  - met behoud van de rang van inschrijving op de lijst van de stagiairs,
  - zonder dat de periode van schorsing of onderbreking als stage telt.

  Art. II.1.1.4. De stagiair kan bij een binnenlandse of een buitenlandse balie of bij andere juridische beroepen waarmee door de Orde van Vlaamse Balies of door de raad van de Orde akkoorden zijn gesloten, een gelijkgestelde stage volbrengen van maximaal ťťn jaar.
  Die gelijkgestelde stage is pas volbracht nadat de stagiair het bekwaamheidsattest, zoals bepaald in hoofdstuk II.2, afdeling II.2.4 (Beroepsopleiding), heeft behaald.
  De stagiair richt aan de stafhouder een gemotiveerd verzoek om de gelijkgestelde stage aan te vangen. De raad van de Orde oordeelt over dat verzoek, na advies van de stagecommissie.
  Aan het einde van de gelijkgestelde stage stelt de stagiair een verslag op waarin hij op gedetailleerde wijze zijn werkzaamheden uiteenzet. Zijn buitenlandse stagemeester, de bevoegde overheid van de buitenlandse balie of de andere juridische beroepsbeoefenaar die als stagemeester optreedt, bevestigt de inhoud van dat verslag.
  De stagiair maakt dat verslag over aan de stafhouder en meldt daarbij schriftelijk dat zijn gelijkgestelde stage is beŽindigd. Als hij dat niet doet, wordt hij door de stafhouder opgeroepen.
  De raad van de Orde stelt aan de hand van het verslag vast of die stage geheel of gedeeltelijk in aanmerking komt als gelijkgestelde stage. Indien dat niet het geval is, legt de raad van de Orde een verlenging van de stage op voor de niet aanvaarde duur.

  Art. II.1.1.5. Aan het einde van de stage vraagt de stagiair aan de stafhouder schriftelijk zijn inschrijving op het tableau.
  De raad van de Orde oordeelt over dat verzoek tot inschrijving, na advies van de stagecommissie en na ontvangst van:
  - het eindverslag van de stagemeester,
  - het verslag van de voorzitter van het bureau voor juridische bijstand.
  De stagiair kan het dossier met die verslagen inzien bij de stafhouder.

  Afdeling II.1.2. - Voorwaarden voor het stagemeesterschap

  Art. II.1.2.1. Elke advocaat die tenminste gedurende zeven jaar is ingeschreven op het tableau van de Orde, de EU-lijst of het tableau van de advocaten bij het Hof van Cassatie, kan stagemeester worden. De raad van de Orde kan in individuele gevallen van die vereiste afwijken.
  De raad van de Orde stelt, na advies van de stagecommissie, een lijst van stagemeesters op. De kandidaat-stagemeesters richten een aanvraag tot opname op die lijst aan de raad van de Orde. De raad van de Orde kan de opname slechts weigeren na de advocaat te hebben opgeroepen om te worden gehoord overeenkomstig hoofdstuk VII.1 (De raad van de Orde zetelend zoals in tucht).
  De stagemeester mag op hetzelfde ogenblik drie stagiairs opleiden. De raad van de Orde kan in individuele gevallen van die beperking afwijken indien de stagemeester op grond van objectieve en verifieerbare elementen aantoont dat een kwaliteitsvolle opleiding voor elke stagiair wordt gewaarborgd.

  Art. II.1.2.2. Wanneer de raad van de Orde vaststelt dat de stagemeester niet meer voldoet aan zijn deontologische verplichtingen of aan de verplichtingen van het stagemeesterschap kan hij de stagemeester van die lijst weglaten na hem te hebben opgeroepen om te worden gehoord overeenkomstig hoofdstuk VII.1 (De raad van de Orde zetelend zoals in tucht).

  Afdeling II.1.3. - De stageovereenkomst

  Art. II.1.3.1. De stagemeester en de kandidaat-stagiair sluiten een overeenkomst af in verband met de stage. In voorkomend geval zal de rechtspersoon of de maatschap waarvan de stagemeester deel uitmaakt in de overeenkomst tussenkomen.
  Die overeenkomst, evenals de wijzigingen of aanvullingen, wordt overgemaakt aan het secretariaat van de Orde zoals bepaald in artikel II.1.1.1.

  Art. II.1.3.2. Elke partij kan de stageovereenkomst voor het einde van de stage schriftelijk beŽindigen met inachtneming van een redelijke opzeggingstermijn.
  De stagecommissie wordt daar meteen van op de hoogte gebracht en volgt de overgang naar een nieuwe stagemeester op.
  Gedurende de opzeggingsperiode blijven alle bepalingen van de overeenkomst van kracht.
  De partijen kunnen bij de beŽindiging van de overeenkomst in onderling akkoord verzaken aan een opzeggingstermijn.

  Afdeling II.1.4. - Plichten van de stagemeester

  Art. II.1.4.1.[1 De stagemeester ziet erop toe dat de stagiair zijn activiteiten uitoefent met naleving van de deontologische regels en dat de stagiair kennis en praktische vaardigheden worden bijgebracht.
   De stagemeester zal, wanneer noodzakelijk, ter beschikking zijn van de stagiair voor bijstand en richtlijnen.
   Elke stagemeester legt onmiddellijk bij het einde van de stage die bij hem werd doorlopen een verslag neer bij de stagecommissie over die stage.]1
  ----------
  (1)<VARIA 2015-09-23/02, art. I, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. II.1.4.2. De stagemeester verleent aan zijn stagiair de nodige tijd om zijn stageverplichtingen te vervullen.

  Art. II.1.4.3.[1 De stagemeester en de stagiair bepalen in onderling overleg de vergoeding van de stagiair. Voor een voltijdse beschikbaarheid bedraagt de maandelijkse vergoeding ten minste [ 1.350,00]* voor het eerste stagejaar en ten minste [ 1.900,00]* vanaf het tweede stagejaar.
   Die minimumvergoedingen kunnen jaarlijks in december worden aangepast door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies, met uitwerking vanaf het daaropvolgend gerechtelijk jaar.
   Voor een verminderde beschikbaarheid van de stagiair voor een stagemeester kan verhoudingsgewijs van die minimumvergoedingen worden afgeweken. Dat wordt dan vastgelegd in de stageovereenkomst of in latere wijzigingen of aanvullingen. Bij de beoordeling van de verminderde beschikbaarheid mag geen rekening worden gehouden met de prestaties die door de stafhouder of in het kader van de juridische bijstand worden opgelegd.
   Stagemeester en stagiair kunnen overeenkomen dat die laatste een vergoeding betaalt voor het gebruik van de lokalen, de infrastructuur of andere kantoorkosten. Die vergoeding kan nooit tot gevolg hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de vergoeding vermeld in lid 1 en lid 2 van dit artikel.
   * Bedragen van toepassing vanaf 1 september 2015 krachtens beslissing algemene vergadering van 27 mei 2015.]1
  ----------
  (1)<VARIA 2015-09-23/02, art. I, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Afdeling II.1.5. - Plichten van de stagiair

  Art. II.1.5.1. De stagiair behartigt de zaken die hem door zijn stagemeester zijn toevertrouwd met de nodige ijver en zorg. Hij heeft de plicht een zaak te weigeren waarvan hij naar eer en geweten gelooft dat ze niet rechtvaardig is.
  Hij volgt de beroepsopleiding voor stagiairs georganiseerd door de overheid van de Orde.
  Hij voert de taken uit die hem door de stafhouder of in het kader van de juridische bijstand worden opgelegd.
  De stagiair legt aan het einde van zijn stage bij de stagecommissie een eindverslag neer over de wijze waarop de stage is vervuld.

  Afdeling II.1.6. - De stagecommissie

  Art. II.1.6.1. Elke Orde van Advocaten vertrouwt het toezicht op de stage toe aan een stagecommissie die ten minste is samengesteld uit:
  - een voorzitter aangewezen door de raad van de Orde,
  - een lid aangewezen door het bureau voor juridische bijstand,
  - een lid aangewezen door de stagiairs.

  Art. II.1.6.2. De stagecommissie:
  - verleent advies over de opname van een kandidaat-stagemeester op de lijst van de stagemeesters,
  - verleent advies over de stageovereenkomst die werd afgesloten tussen stagemeester en stagiair,
  - ziet toe op de naleving van de verplichtingen van stagemeester en stagiair,
  - neemt kennis van de voortijdige beŽindiging van de stageovereenkomst,
  - volgt in het geval van die voortijdige beŽindiging de overgang naar een nieuwe stagemeester op,
  - verleent advies over het verzoek van de stagiair tot schorsing of onderbreking van de stage of de verlenging daarvan,
  - verleent advies over de nieuwe stageovereenkomst die wordt afgesloten na de onderbreking van de stage,
  - verleent advies over het verrichten van een gelijkgestelde stage,
  - neemt kennis van de stageverslagen opgesteld door stagemeester en stagiair en ziet die na,
  - verleent advies over de opname van de stagiair op het tableau van de Orde,
  - bemiddelt in geschillen tussen stagemeester en stagiair,
  - verleent advies aan de stafhouder en de raad van de Orde in verband met elk probleem dat met betrekking tot de stage rijst.

  HOOFDSTUK II.2. - De beroepsopleiding

  Afdeling II.2.1. - Algemeen

  Art. II.2.1.1. Om ingeschreven te kunnen worden op het tableau van de Orde van Advocaten moet de stagiair de beroepsopleiding volgen en het bekwaamheidsattest behalen. De beroepsopleiding wordt georganiseerd door de Orde van Vlaamse Balies en uitgevoerd door de stagescholen.

  Afdeling II.2.2. - Stageschool

  Art. II.2.2.1. Iedere Orde richt hetzij afzonderlijk, hetzij samen met ťťn of meer andere Ordes, een stageschool op. Die stageschool bestaat uit een directeur, aangesteld door de raad/raden van de (deelnemende) Orde(s) en de docenten van alle vakken.

  Art. II.2.2.2. De stageschool is onder meer bevoegd om:
  1. de docenten voor de verplichte vakken voor te stellen aan de commissie beroepsopleiding;
  2. het onderwerp, de inhoud, de cursus en de docent(en) van een keuzevak voor te stellen aan de commissie beroepsopleiding;
  3. advies te verlenen aan de raad van de Orde die beslist over het verzoek van een stagiair om vakken tijdens het tweede stagejaar te volgen of verder te zetten;
  4. de resultaten van de examens te evalueren en zo nodig te delibereren, op de wijze en conform de criteria vastgelegd door de commissie beroepsopleiding en in aanwezigheid van de docenten.

  Afdeling II.2.3. - Commissie beroepsopleiding

  Art. II.2.3.1. De Orde van Vlaamse Balies richt een commissie beroepsopleiding op.
  Die commissie bestaat uit de bestuurder van het departement stage van de Orde van Vlaamse Balies en de directeur van elke stageschool of hun respectieve vertegenwoordigers. Bij samengestelde stagescholen (zoals bepaald in artikel II.2.2.1) mag elke balie die deel uitmaakt van de fusie vrij ťťn vertegenwoordiger afvaardigen.

  Art. II.2.3.2. De commissie is bevoegd om:
  1. de cursussen van de verplichte vakken samen te stellen;
  2. de docenten van de verplichte vakken, al dan niet voorgedragen door de stagescholen, aan te stellen en te evalueren;
  3. de keuzevakken, al dan niet voorgedragen door de stagescholen, te bepalen en de cursussen ervan samen te stellen;
  4. de docenten van de keuzevakken, al dan niet voorgedragen door de stagescholen, aan te stellen en te evalueren;
  5. jaarlijks de studiepunten van elk vak te bepalen;
  6. jaarlijks het minimum van het totaal aantal te behalen studiepunten te bepalen;
  7. een stagiair vrij te stellen om een verplicht vak te volgen en/of een examen af te leggen;
  8. de stagiair die in de tweede zittijd niet is geslaagd toelating te verlenen tot een derde zittijd;
  9. op gemotiveerd verzoek van een raad van de Orde ťťn of meer keuzevakken aan te duiden die door de stagiairs van die Orde moeten worden gevolgd en waarvoor de commissie beroepsopleiding het aantal studiepunten bepaalt. Die studiepunten worden aangerekend op het totaal aantal te behalen studiepunten zoals door de commissie beroepsopleiding jaarlijks bepaald;
  10. de vorm en de inhoud van de examens te bepalen;
  11. de evaluatie- en deliberatiewijze te bepalen;
  12. advies te verstrekken aan de algemene vergadering en de raad van bestuur van de Orde van Vlaamse Balies over de begroting van de stagescholen en de individuele bijdrage die de stagiair rechtstreeks aan de Orde van Vlaamse Balies betaalt.

  Afdeling II.2.4. - Beroepsopleiding

  Art. II.2.4.1. De beroepsopleiding bestaat uit verplichte vakken en keuzevakken.
  De verplichte vakken zijn:
  1. deontologie
  2. communicatievaardigheden
  3. burgerlijk procesrecht
  4. strafprocesrecht
  Daarnaast stelt de commissie beroepsopleiding een lijst van keuzevakken op waaruit de stagiair zelf kiest, onverminderd artikel II.2.3.2, punt 9 van dit hoofdstuk, waarbij elke raad van de Orde bepaalde keuzevakken verplicht kan opleggen.
  Elk vak vertegenwoordigt een aantal studiepunten. Daarmee wordt de studieomvang van het vak uitgedrukt. Een studiepunt stemt overeen met ten minste ťťn uur onderwijsactiviteit.
  De keuzevakken, verplicht (conform artikel II.2.3.2) of niet, vertegenwoordigen nooit meer dan 1/3 van het totaal aantal studiepunten dat de commissie beroepsopleiding jaarlijks bepaalt.

  Art. II.2.4.2. Onverminderd de bepalingen van artikel II.1.1.3 (hoofdstuk II.1 Stage), moet de stagiair het bekwaamheidsattest behalen tijdens het eerste jaar van zijn stage.

  Art. II.2.4.3. De commissie beroepsopleiding kan een stagiair op zijn gemotiveerd verzoek vrijstellen van een verplicht vak of een keuzevak dat verplicht wordt opgelegd en/of van een examen daarover.

  Art. II.2.4.4. De stagiair wordt geŽvalueerd over de vakken die hij in het kader van de beroepsopleiding moet volgen.
  Per gerechtelijk jaar zijn er twee zittijden.
  Per vak moet hij minstens de helft van de punten behalen om te slagen.
  De stagiair die na deliberatie niet geslaagd is, kan deelnemen aan een tweede zittijd voor elk vak waarvoor hij niet minstens de helft van de punten heeft behaald.
  De stagiair heeft het recht om per vak aan twee examens deel te nemen.
  Als hij ook in de tweede zittijd niet slaagt, kan hij aan de commissie beroepsopleiding vragen om tot een derde zittijd te worden toegelaten.

  Art. II.2.4.5. De stagiair die geslaagd is voor zijn examens ontvangt een bekwaamheidsattest van de Orde van Vlaamse Balies.
  De stagiair die niet geslaagd is voor zijn examens ontvangt de resultaten van zijn examens van de Orde van Vlaamse Balies per aangetekend schrijven. In beide gevallen worden de stafhouder en de directeur van de stageschool van de stagiair op de hoogte gebracht.

  Art. II.2.4.6. De stagiair die na de deliberatie niet geslaagd is, heeft tot drie maanden na de kennisgeving zoals bepaald in artikel II.2.4.5 het recht om zijn examens in te zien na eenvoudig verzoek gericht aan de commissie beroepsopleiding.

  Afdeling II.2.5. - Procedure beroep

  Art. II.2.5.1. De stagiair die niet geslaagd is, kan tegen die beslissing hoger beroep instellen bij de beroepscommissie. Die bestaat uit vijf leden, waaronder de voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies of een bestuurder die hem vertegenwoordigt. De algemene vergadering stelt vier effectieve leden en vier plaatsvervangers aan voor een termijn van twee jaar. De beroepscommissie bepaalt haar eigen procedurereglement.
  Hoger beroep wordt, op straffe van onontvankelijkheid, per aangetekend schrijven aan de Orde van Vlaamse Balies ingesteld. Dat moet binnen de maand na de kennisgeving van zijn resultaat, zoals bepaald in artikel 53bis Ger.W. De stagiair doet daarbij woonstkeuze in het gerechtelijk arrondissement van zijn stageschool.
  Het hoger beroep wordt behandeld binnen de maand nadat het is ingediend.
  De stagiair wordt uitgenodigd om te worden gehoord en kan zich laten bijstaan door zijn stagemeester en/of een advocaat van zijn keuze.
  De beroepscommissie beslist of de stagiair al dan niet is geslaagd.
  De beslissing van de beroepscommissie wordt aan de stagiair meegedeeld per aangetekend schrijven op het adres van zijn woonstkeuze. Zijn stafhouder en de directeur van de stageschool ontvangen een kopie van de beslissing.

  HOOFDSTUK II.3. - Permanente vorming

  Art. II.3.1.[1 Permanente vorming is een deontologische plicht voor elke advocaat.
   De verplichting tot permanente vorming is opgenomen in de definitie van beoefenaar van een vrij beroep, zoals opgenomen in het Wetboek van Economisch Recht.
   Permanente vorming houdt in "zich op regelmatige wijze bekwamen en bijscholen in juridische of beroepsondersteunende materies, door erkende cursussen te volgen en/of te doceren, lezingen in juridische materies te houden, of te publiceren in de zin van dit hoofdstuk.]1
  ----------
  (1)<VARIA 2015-09-23/02, art. II, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. II.3.2.[1 Elke advocaat stelt vrij zijn jaarlijks vormingsprogramma samen. Permanente vormingsactiviteiten leveren punten op.
   Per gerechtelijk jaar moet een advocaat 16 permanente vormingspunten verzamelen, waarbij per gerechtelijk jaar:
   - maximaal 8 niet-juridische punten in aanmerking kunnen worden genomen;
   - maximaal 8 punten in aanmerking kunnen worden genomen voor seminaries, studiedagen of uiteenzettingen die binnen samenwerkingsverbanden, kantoororganisaties of gezamenlijk door advocaten georganiseerd worden en niet toegankelijk zijn voor andere confraters;
   Die twee bijzondere categorieŽn van erkenningen kunnen gecumuleerd worden.
   De stafhouder kan een lid van zijn balie om gegronde redenen vrijstellen van de verplichting tot permanente vorming. Hij kan daartoe bijzondere modaliteiten opleggen.
   Een overtal aan in een gerechtelijk jaar behaald aantal punten kan ten belope van maximum 32 punten worden overgedragen, zonder dat de totale overdrachten meer dan 48 punten kunnen bedragen.
   Voor de advocaten-stagiairs geldt de verplichte beroepsopleiding als erkende permanente vorming voor de eerste drie jaren van de stage. Stagiairs mogen wel permanente vormingspunten indienen voor hun eerste, tweede en derde jaar stage, met het recht op puntenoverdracht naar een volgend jaar.
   Indien de stage of de onderbreking ervan afloopt tijdens het gerechtelijk jaar of een advocaat in de loop van het gerechtelijk jaar wordt heringeschreven, wordt het aantal permanente vormingspunten pro rata van het aantal maanden bepaald.]1
  ----------
  (1)<VARIA 2015-09-23/02, art. II, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. II.3.3. ß 1 Een voorafgaand erkende activiteit van permanente vorming volgen, levert 1 punt per uur op.
  ß 2 Een voorafgaand niet-erkende activiteit van permanente vorming volgen, kan worden erkend voor 1 punt per uur.
  ß 3 Een juridisch opleidingsonderdeel aan een universiteit of een niet-universitaire instelling van het hoger onderwijs doceren, kan worden erkend voor 2 punten per gedoceerd uur, met een maximum van 10 punten.
  Hetzelfde geldt voor het doceren van een vak in de beroepsopleiding van de advocaten-stagiairs.
  ß 4 Een juridische lezing op academisch niveau geven, kan worden erkend voor 2 punten per uur.
  ß 5 Een juridisch artikel schrijven, dat wordt gepubliceerd in de rechtsliteratuur of een daaraan gelijkwaardige publicatie, kan worden erkend voor 2 punten per 1.000 woorden met een maximum van 32 punten.
  Hetzelfde geldt voor het schrijven van een uitgegeven boek dat een juridisch onderwerp behandelt.
  ß 6 Een bijkomend diploma van een erkend curriculum aan een rechtsfaculteit behalen, kan worden erkend voor 32 punten.
  Hetzelfde geldt voor het behalen van een doctorale titel aan een rechtsfaculteit. De publicatie van de eraan verbonden doctorale scriptie kan andermaal aanleiding geven tot erkenning van maximaal 32 punten.
  ß 7 De "beroepsopleiding cassatieprocedure" volgen, wordt erkend voor 10 juridische punten per jaar. De Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie levert daarvoor jaarlijks een attest af.
  ß 8 Een activiteit van permanente vorming, erkend door een andere Orde of organisatie van advocaten, kan erkend worden door de Orde van Vlaamse Balies. De advocaat, die aan dergelijke activiteit heeft deelgenomen, of wenst deel te nemen, kan daarvoor een aanvraag indienen zoals bepaald in artikel II.3.5, ß 5.
  Na advies van de erkenningscommissie kan de Orde van Vlaamse Balies met andere balies of organisaties akkoorden sluiten tot wederkerige erkenning van permanente vormingsactiviteiten, met toekenning van punten van permanente vorming.

  Art. II.3.4.[1 ß 1 De Orde van Vlaamse Balies richt een erkenningscommissie op, gevestigd op de zetel van de Orde van Vlaamse Balies.
   ß 2 Die erkenningscommissie bestaat uit 7 leden:
   - de bestuurder van het departement permanente vorming van de Orde van Vlaamse Balies (of zijn vertegenwoordiger) die de commissie ambtshalve voorzit;
   - 3 advocaten en 3 academici, verkozen door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies;
   ß 3 Hun mandaat duurt 3 jaar en is hernieuwbaar.
   ß 4 De erkenningscommissie beslist bij gewone meerderheid van stemmen. Zij zetelt slechts geldig wanneer minstens vier leden aanwezig zijn. Bij staking van stemmen heeft de voorzitter stemrecht en is zijn stem doorslaggevend.]1
  ----------
  (1)<VARIA 2015-09-23/02, art. II, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. II.3.5.[1 ß 1 De erkenningscommissie van de Orde van Vlaamse Balies oordeelt welke activiteiten, bedoeld in artikel II.3.1, worden erkend en bepaalt de aard ervan en het aantal punten dat eraan wordt toegekend. Zij hanteert dezelfde criteria voor alle erkenningen, ongeacht of ze over het verzoek tot erkenning oordeelt voor de vorming plaats heeft, dan wel erna.
   ß 2 Bij haar beslissing tot erkenning en toekenning van punten aan een activiteit van permanente vorming houdt de erkenningscommissie rekening met de volgende criteria: (i) de activiteit heeft als hoofddoelgroep advocaten, academisch geschoolde juristen of personen die een beroep uitoefenen dat aantoonbaar direct relevant is voor de uitoefening van het beroep van advocaat, (ii) de toegankelijkheid voor de advocaten, alsook (iii) een voldoende en aantoonbare juridische - of andere direct relevante - toegevoegde waarde die bijdraagt tot de uitoefening van het beroep van advocaat. De organisatie van of de deelname aan activiteiten die in hoofdzaak een netwerkingactiviteit zijn, komt niet in aanmerking.
   De erkenningscommissie of haar afgevaardigde kan - in het kader van haar visitatierecht - de activiteit te allen tijde controleren.
   ß 3 De erkenningscommissie neemt een beslissing binnen de maand na de aanvraag. De erkenningscommissie motiveert elke afwijzing van een aanvraag tot erkenning.
   Binnen de maand na de datum van verzending per e-mail van voornoemde beslissing van afwijzing kan de afgewezen aanvrager hiertegen uitsluitend per e-mail bezwaar aantekenen. Zijn aanvraag tot herziening van de eerste beslissing wordt door de erkenningscommissie opnieuw behandeld.
   ß 4 De organisator van een permanente vormingsactiviteit, die daarvoor erkenning en toekenning van punten heeft aangevraagd mag enkel die aanvraag vermelden. Pas na de beslissing mag hij de erkenning en de toegekende punten vermelden.
   ß 5 Zowel de organisator van de permanente vormingsactiviteit als de individuele advocaat richt zijn aanvraag tot erkenning en toekenning van punten tot de erkenningscommissie van de Orde van Vlaamse Balies, uitsluitend via het elektronisch aanvraagformulier op de website van de Orde van Vlaamse Balies. De organisator dient zijn aanvraag in 1 maand voor de datum van de permanente vormingsactiviteit.
   ß 5bis De aanvraag van de organisator is slechts ontvankelijk nadat aan de Orde van Vlaamse Balies een vergoeding werd vereffend gelijk aan eenmaal het volledige inschrijvingsrecht of de deelnameprijs per potentiŽle deelnemer, met een minimum van 25 en met een maximum van 695.
   ß 6 De bedragen, bepaald in ß 5bis, kunnen worden aangepast bij elke stijging van 3 punten van de consumptie-index, ten aanzien van die vigerend op 10 december 2010 (datum van de inwerkingtreding van het OVB-reglement inzake permanente vorming).
   ß 7 De organisator van een permanente vormingsactiviteit die erkenning aanvraagt, dient een dossier in met de verbintenis tot afgifte van de aanwezigheidsattesten (na controle van de effectieve aanwezigheid van de deelnemers bij begin en einde van de activiteit). Hij vermeldt daarbij minstens:
   1. datum en plaats van de permanente vormingsactiviteit
   2. aard en onderwerp van de activiteit, eventueel met de titels van de diverse lezingen
   3. aantal uren waarvoor de erkenning wordt gevraagd
   4. identiteit van de spreker(s)
   5. doelgroep
   6. inschrijvingsrecht of deelnameprijs
   7. of er een syllabus voor de deelnemers is
   8. de wijze van publiciteit voor de permanente vormingsactiviteit.]1
  ----------
  (1)<VARIA 2015-09-23/02, art. II, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. II.3.6.[1 ß 1 De erkenningscommissie van de Orde van Vlaamse Balies oordeelt welke activiteiten, bedoeld in artikel II.3.1, worden erkend en bepaalt de aard ervan en het aantal punten dat eraan wordt toegekend. Zij hanteert dezelfde criteria voor alle erkenningen, ongeacht of ze over het verzoek tot erkenning oordeelt voor de vorming plaats heeft, dan wel erna.
   ß 2 Bij haar beslissing tot erkenning en toekenning van punten aan een activiteit van permanente vorming houdt de erkenningscommissie rekening met de volgende criteria: (i) de activiteit heeft als hoofddoelgroep advocaten, academisch geschoolde juristen of personen die een beroep uitoefenen dat aantoonbaar direct relevant is voor de uitoefening van het beroep van advocaat, (ii) de toegankelijkheid voor de advocaten, alsook (iii) een voldoende en aantoonbare juridische - of andere direct relevante - toegevoegde waarde die bijdraagt tot de uitoefening van het beroep van advocaat. De organisatie van of de deelname aan activiteiten die in hoofdzaak een netwerkingactiviteit zijn, komt niet in aanmerking.
   De erkenningscommissie of haar afgevaardigde kan - in het kader van haar visitatierecht - de activiteit te allen tijde controleren.
   ß 3 De erkenningscommissie neemt een beslissing binnen de maand na de aanvraag. De erkenningscommissie motiveert elke afwijzing van een aanvraag tot erkenning.
   Binnen de maand na de datum van verzending per e-mail van voornoemde beslissing van afwijzing kan de afgewezen aanvrager hiertegen uitsluitend per e-mail bezwaar aantekenen. Zijn aanvraag tot herziening van de eerste beslissing wordt door de erkenningscommissie opnieuw behandeld.
   ß 4 De organisator van een permanente vormingsactiviteit, die daarvoor erkenning en toekenning van punten heeft aangevraagd mag enkel die aanvraag vermelden. Pas na de beslissing mag hij de erkenning en de toegekende punten vermelden.
   ß 5 Zowel de organisator van de permanente vormingsactiviteit als de individuele advocaat richt zijn aanvraag tot erkenning en toekenning van punten tot de erkenningscommissie van de Orde van Vlaamse Balies, uitsluitend via het elektronisch aanvraagformulier op de website van de Orde van Vlaamse Balies. De organisator dient zijn aanvraag in 1 maand voor de datum van de permanente vormingsactiviteit.
   ß 5bis De aanvraag van de organisator is slechts ontvankelijk nadat aan de Orde van Vlaamse Balies een vergoeding werd vereffend gelijk aan eenmaal het volledige inschrijvingsrecht of de deelnameprijs per potentiŽle deelnemer, met een minimum van 25 en met een maximum van 695.
   ß 6 De bedragen, bepaald in ß 5bis, kunnen worden aangepast bij elke stijging van 3 punten van de consumptie-index, ten aanzien van die vigerend op 10 december 2010 (datum van de inwerkingtreding van het OVB-reglement inzake permanente vorming).
   ß 7 De organisator van een permanente vormingsactiviteit die erkenning aanvraagt, dient een dossier in met de verbintenis tot afgifte van de aanwezigheidsattesten (na controle van de effectieve aanwezigheid van de deelnemers bij begin en einde van de activiteit). Hij vermeldt daarbij minstens:
   1. datum en plaats van de permanente vormingsactiviteit
   2. aard en onderwerp van de activiteit, eventueel met de titels van de diverse lezingen
   3. aantal uren waarvoor de erkenning wordt gevraagd
   4. identiteit van de spreker(s)
   5. doelgroep
   6. inschrijvingsrecht of deelnameprijs
   7. of er een syllabus voor de deelnemers is
   8. de wijze van publiciteit voor de permanente vormingsactiviteit]1
  ----------
  (1)<VARIA 2015-09-23/02, art. II, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  HOOFDSTUK II.4. - Advocaten die onderdaan zijn van een lidstaat van de EU en leden van buitenlandse balies

  Art. II.4.1. Iedere balie houdt een EU-lijst bij met de advocaten die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie waar ze gerechtigd zijn het beroep uit te oefenen onder een titel die overeenstemt met die van advocaat en die het beroep in BelgiŽ permanent willen uitoefenen onder hun oorspronkelijke beroepstitel.
  De raad van de Orde bepaalt de vorm en de inhoud van de vraag tot inschrijving en de voorwaarden tot handhaving van de inschrijving.

  Art. II.4.2. Bij die aanvraag tot inschrijving wordt een attest gevoegd van de autoriteit van de lidstaat van herkomst met een bevestiging van zijn inschrijving.
  De raad van de Orde bepaalt de minimuminhoud van dat attest alsook de periodiciteit van de vernieuwing ervan. Het attest mag niet meer dan drie maanden voor de overlegging ervan zijn opgesteld en vermeldt de tuchtprocedures ingesteld in de lidstaat van herkomst.
  Indien de aanvrager lid is van meerdere balies, zal hij van elk van de bevoegde autoriteiten een attest voorleggen. De bevoegde autoriteit wordt op de hoogte gebracht van de inschrijving op de EU-lijst.

  Art. II.4.3. De raad van de Orde kan zich verzetten tegen de uitoefening van het beroep in BelgiŽ door advocaten die lid zijn van een groep waarvan personen deel uitmaken die buiten het beroep staan.
  Een groep bedoeld in het eerste lid bestaat uit buiten het beroep staande personen indien ten minste aan volgende voorwaarden is voldaan:
  1į het geheel of een deel van het kapitaal van de groep is in handen van personen die niet de hoedanigheid van advocaat bezitten in de zin van het Gerechtelijk Wetboek, of
  2į de benaming waaronder de groep werkzaam is, wordt gebruikt door de personen bedoeld in 1į, of
  3į de zeggenschap binnen de groep wordt feitelijk of rechtens uitgeoefend door de personen bedoeld in 1į.

  Art. II.4.4. Advocaten ingeschreven op de EU-lijst moeten hun beroepsaansprakelijkheid in BelgiŽ dekken door een verzekering onder de voorwaarden bepaald door de raad van de Orde. Als ze in hun lidstaat van herkomst reeds een verzekering of waarborg afsloten, zal daarmee rekening gehouden worden in de mate dat die gelijkwaardig is wat betreft de modaliteiten en uitgebreidheid van dekking. Indien die dekking slechts gedeeltelijk gelijkwaardig is, kan de raad van de Orde een aanvullende verzekering of garantie eisen voor de elementen die nog niet gedekt zijn door de garantie of dekking die werd verkregen volgens de regels van de lidstaat van herkomst.

  Art. II.4.5. Advocaten ingeschreven op de EU-lijst vermelden in alle documenten en stukken, ook die op elektronische dragers, die zij in het kader van hun beroepswerkzaamheden aanwenden, hun oorspronkelijke beroepstitel alsook de vermeldingen bij wet vereist, in de officiŽle taal of in ťťn van de officiŽle talen van hun lidstaat van herkomst en ten minste in de taal of in de talen van het gerechtelijk arrondissement waar de balie gevestigd is waarbij de advocaat ingeschreven is.

  Art. II.4.6. Iedere balie houdt een B-lijst bij, van de leden van buitenlandse (niet-EU-)balies die in BelgiŽ gevestigd zijn en die niet voldoen aan de voorwaarden voor de inschrijving op het tableau, de lijst bepaald in artikel II.4.1 of de lijst van de stagiairs. Die B-lijst wordt gepubliceerd en bijgehouden door de stafhouder. De raad van de Orde beslist over de inschrijving op de lijst en gaat na:
  - of de betrokkene regelmatig is ingeschreven bij de balie van herkomst,
  - of hij heeft voldaan aan zijn eventuele stageverplichting bij die balie,
  - of er wettelijke of deontologische onverenigbaarheden bestaan,
  - of hij zich ertoe verbonden heeft zich te onderwerpen aan de tucht, de reglementen en de beslissingen van raad van de Orde,
  - of zijn status strookt met de wetten en de verordeningen op het verblijf en de activiteiten van vreemdelingen in BelgiŽ,
  - of zijn beroepsaansprakelijkheid is gedekt door een verzekering of waarborg aangegaan volgens de regels van het land van herkomst en die minstens gelijkwaardig is wat de modaliteiten en de uitgebreidheid van de dekking betreft, aan die van de advocaten ingeschreven op het tableau.

  Art. II.4.7. Onverminderd het tuchtrecht kan de raad van de Orde de weglating van de lijst bevelen van de leden van buitenlandse balies die de voormelde verplichtingen niet naleven of niet langer voldoen aan de voorwaarden van hun opname.

  HOOFDSTUK II.5. - De lijst van de ereadvocaten

  Art. II.5.1. De advocaat die gemachtigd werd de titel van ereadvocaat te dragen, verbindt zich ertoe:
  - elke verwarring te voorkomen tussen de titel van ereadvocaat en die van tableauadvocaat, bijvoorbeeld door de titel van advocaat enkel te gebruiken in samenstelling van "ereadvocaat" en hem dan ook aan zijn woning niet te vermelden;
  - de titel "ereadvocaat" bij de uitoefening van enige winstgevende activiteit steeds met veel omzichtigheid en discretie te gebruiken,
  - de door de raad vastgestelde bijdrage regelmatig te betalen.
  Ter gelegenheid van de plechtigheden waaraan de balie deelneemt, mag de ereadvocaat de toga dragen.
  De raad van de Orde kan de machtiging steeds intrekken indien de regels van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid niet worden nageleefd of indien niet langer wordt voldaan aan de toekenningsvoorwaarden van de titel. In dat geval worden de voorschriften van hoofdstuk VII.1 (De raad van de Orde zetelend zoals in tucht) van toepassing. Tegen die beslissing is geen verzet mogelijk.
  De stafhouder kan naar omstandigheden de ereadvocaat vrijstellen van bijdrage.

  DEEL III. - UITOEFENING VAN HET BEROEP VAN ADVOCAAT

  HOOFDSTUK III.1. - Relaties ten aanzien van cliŽnten

  Afdeling III.1.1. - Mandaat dat de advocaat niet rechtstreeks van zijn cliŽnt ontvangt

  Art. III.1.1.1. De advocaat die zijn opdracht niet rechtstreeks van zijn cliŽnt ontvangt:
  - controleert zowel de identiteit van de opdrachtgever als van de cliŽnt;
  - controleert de goede trouw van de opdrachtgever en gaat na of diens activiteit geen ongeoorloofd karakter heeft;
  - gaat na of de vrije keuze van advocaat van de cliŽnt gewaarborgd is;
  - voert zijn opdracht slechts uit indien hij een mandaat van de cliŽnt krijgt, dan wel indien de opdrachtgever door de cliŽnt behoorlijk werd gemandateerd om een advocaat aan te wijzen;
  - gaat na of er geen strijdig belang bestaat tussen de opdrachtgever en de cliŽnt in de zaak waarvoor hij wordt aangesteld;
  - eerbiedigt het beroepsgeheim in zijn contacten met de opdrachtgever.

  Afdeling III.1.2. - Witwaspreventie

  Art. III.1.2.1. - Toepassingsgebied
  Deze afdeling is van toepassing op de advocaten die aan een balie van de Orde van Vlaamse Balies ingeschreven zijn en wanneer zij in hun beroepsactiviteit:
  a) een cliŽnt bijstaan om verrichtingen voor te bereiden of uit te voeren in verband met:
  1į de aan- of verkoop van onroerend goed of bedrijven;
  2į het beheer van diens geld, effecten of andere activa;
  3į de opening of het beheer van bank-, spaar- of effectenrekeningen;
  4į de organisatie van inbreng die nodig is voor de oprichting, de uitbating of het beheer van vennootschappen;
  5į de oprichting, uitbating of het beheer van vennootschappen, trusts, fiducieŽn of soortgelijke juridische constructies.
  b) optreden in naam en voor rekening van hun cliŽnt in enigerlei financiŽle verrichtingen of verrichtingen in onroerend goed.

  Art. III.1.2.2. - Plicht tot identificatie en waakzaamheid
  ß 1 De advocaat die in het kader van een activiteit zoals bedoeld in artikel III.1.2.1 voor een cliŽnt tussenkomt - ook al gaat het om een occasionele tussenkomst - moet permanent waakzaam zijn en zich interne procedures eigen maken om toe te zien op de naleving van de wettelijke bepalingen, in het bijzonder:
  - De plicht tot identificatie van de cliŽnt overeenkomstig artikel 7 ß 1 van de wet van 11 januari 1993. De advocaat moet zijn cliŽnt identificeren en diens identiteit verifiŽren via een bewijsstuk waarvan een afschrift wordt gemaakt op papier of op een elektronische informatiedrager:
  1į wanneer de cliŽnt een zakelijke relatie wil aangaan waardoor hij een gewone cliŽnt van de advocaat wordt;
  2į wanneer de cliŽnt, buiten een zakelijke relatie als bedoeld in 1į, een verrichting voor een bedrag van € 10.000 of meer wil uitvoeren, of geld wil overmaken in de zin van artikel 7 ß 1, 2į b van de wet van 11 januari 1993;
  3į wanneer de advocaat, in de andere gevallen dan bedoeld in de bepalingen onder 1į en 2į hierboven, een vermoeden van witwassen van geld of financiering van terrorisme heeft;
  4į wanneer de advocaat betwijfelt of de eerder verkregen identificatiegegevens over een reeds geÔdentificeerde cliŽnt waarheidsgetrouw zijn.
  - De plicht tot identificatie van de lasthebbers van de cliŽnt.
  - De plicht tot identificatie van de uiteindelijke begunstigde(n) van de cliŽnt.
  ß 2 Bij de identificatie wint de advocaat ook informatie in over het doel en de verwachte aard van de zakelijke relatie.
  ß 3 Overeenkomstig artikel 14 van de wet is de advocaat permanent waakzaam ten opzichte van de zakelijke relatie en onderzoekt hij aandachtig de uitgevoerde verrichtingen en, in voorkomend geval, de oorsprong van de fondsen. Hij controleert dat die verrichtingen stroken met de kennis die hij heeft van de cliŽnt, van zijn beroepsactiviteiten en van zijn risicoprofiel.
  ß 4 De advocaat actualiseert zijn informatie over de cliŽnt voortdurend en vult aan met nieuwe gegevens die hij van of over de cliŽnt krijgt. Hij gaat na of zijn betrokkenheid en rol in de dienstverlening voor de cliŽnt in overeenstemming zijn met de informatie over het doel en de verwachte aard van de zakelijke relatie. CliŽnteel dat zich opnieuw aanbiedt na enige jaren moet opnieuw worden geÔdentificeerd. De advocaat let erop dat de verzamelde identificatiegegevens overeenkomen met de wettelijke verplichtingen en met de aanbevelingen van de Orde van Vlaamse Balies en van zijn balie.
  ß 5 De advocaat moet bijzondere aandacht besteden aan atypische of ongewone gedragingen, vragen of transacties van de cliŽnt.
  ß 6 De advocaat houdt rekening met de verscherpte maatregelen van waakzaamheid die de wet van 11 januari 1993 oplegt naargelang het profiel van de cliŽnt. Hij past die verscherpte maatregelen toe op situaties die door hun aard een hoger risico op witwassen van geld of financiering van terrorisme kunnen inhouden.
  Zulke maatregelen zijn in ieder geval vereist ten aanzien van de cliŽnt die bij de identificatie niet fysiek aanwezig is en ten aanzien van de cliŽnt of uiteindelijke begunstigde die een politiek prominent persoon is in de zin van de wet van 11 januari 1993.
  ß 7 De advocaat past hierbij consistent interne methoden en procedures toe, waaronder een acceptatieprocedure voor cliŽnten, aangepast aan de omvang en de aard van de activiteiten van zijn kantoor en toereikend om redelijkerwijs de juiste identiteit en activiteit van zijn cliŽnten te kennen en op te volgen.
  Waar mogelijk en waar redelijk doet de advocaat een beroep op de beschikbare nationale en internationale informatiebronnen over de mogelijke cliŽnten en hun activiteiten, stelt hij de gepaste vragen van bij de aanvang van de zakelijke relatie en wordt de introductie door betrouwbare tussenpersonen of referenten begeleid.
  De advocaat gaat daarbij uit van het risicoprofiel van de cliŽnt dat afhangt van de zekere en vaststaande informatie die hij van en over de cliŽnt reeds ontving, zijn ervaringen in een al dan niet lange zakenrelatie, het risicogehalte van het land waarin de cliŽnt opereert en de aard van de zaken die meer of minder risico voor witwassen kan inhouden.
  Hij geeft bijzondere aandacht:
  - wanneer fondsen in de klantenrekening verschijnen vanuit een onverwachte bron, of niet in overeenstemming met wat tot dan over de cliŽnt of de transactie geweten was;
  - wanneer de activiteit van de cliŽnt of zijn toegang tot geldmiddelen wijzigt op een manier die moeilijk verklaarbaar lijkt vanuit wat de advocaat tot dan toe wist over de zaken van de cliŽnt; - wanneer de transactie eigenheden vertoont waarvoor geen redelijke zakelijke verantwoording lijkt te bestaan, bijvoorbeeld wanneer de baten, het zakelijk voordeel voor de cliŽnt of de commerciŽle logica van de transactie onduidelijk zijn, of wanneer de zakelijke structuur of constructie ondoorzichtig of onnodig complex lijken voor het beoogde zakelijk doel;
  - wanneer operaties in baar geld of negotieerbare titels worden voorgesteld of wanneer verrichtingen over rekeningen van de advocaat voor of afkomstig van personen of ondernemingen die (nog) geen cliŽnt zijn, of wier identiteit en/of belang in de transactie niet duidelijk en natrekbaar zijn.
  De advocaat stelt steeds de nodige vragen aan de cliŽnt, waar nodig ook schriftelijk, om onduidelijkheden uit te klaren.
  ß 8 In elk geval onderzoekt de advocaat bijzonder aandachtig alle verrichtingen of feiten waarvan hij denkt dat ze bijzonder vatbaar zijn voor witwassen van geld of financiering van terrorisme, wegens hun aard of hun ongebruikelijk karakter gelet op de activiteiten van de cliŽnt, dan wel wegens de begeleidende omstandigheden of de hoedanigheid van de betrokken personen.
  ß 9 Als het kantoor of samenwerkingsverband een verantwoordelijke voor de toepassing van de wet overeenkomstig artikel III.1.2.6 heeft aangesteld, stelt de advocaat een schriftelijk verslag op over zijn nader onderzoek ingevolge de in artikel III.1.2.2, ß 7 vermelde onduidelijke omstandigheden. Dat verslag - dat door de advocaat wordt bewaard - bevat minstens volgende gegevens:
  - de oorsprong en bestemming van de fondsen die het voorwerp uitmaken van de verrichting;
  - de identiteit van de opdrachtgever of van de economische rechthebbenden (naam, adres, beroep);
  - de karakteristieken van de verrichting.
  ß 10 Indien de cliŽnt weigert de informatie, die de advocaat verplicht moet opvragen, te verstrekken binnen een termijn zoals bepaald in artikel III.1.2.4, ß 2., gaat de advocaat geen zakelijke relatie met hem aan of beŽindigt hij zijn tussenkomst en mag hij geen verrichtingen voor de cliŽnt uitvoeren.
  De advocaat is daartoe niet verplicht wanneer hij de rechtspositie van zijn cliŽnt bepaalt, dan wel wanneer hij hem in of in verband met een rechtsgeding verdedigt of vertegenwoordigt, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding.
  Dezelfde uitzondering geldt in verband met de uiteindelijk begunstigden van gezamenlijke rekeningen, conform artikel 11 ß 1, 3į van de wet, van wie de advocaat op grond van zijn beroepsgeheim de identiteit niet mag verstrekken. Voorwaarde is dat de advocaat de bewarende instelling schriftelijk of elektronisch bevestigt dat de uiteindelijk begunstigden van de betrokken gezamenlijke rekening uitsluitend cliŽnten zijn met wie hij een relatie heeft om hun rechtspositie te bepalen, dan wel om hen in of in verband met een rechtsgeding te verdedigen of te vertegenwoordigen, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding.

  Art. III.1.2.3. - Maatregelen van interne organisatie
  ß 1 De advocaat stelt interne procedures in om de vereiste informatie over de identiteit van de betrokken cliŽnten te verzamelen en om de geschreven verslagen gedurende vijf jaar na de beŽindiging van de zakelijke relatie of na de uitvoering van de verrichting te bewaren, voor zover die bewaard moeten worden.
  ß 2 Bij de aanwerving en aanstelling van werknemers, controleert hij de betrouwbaarheid van de aangeworven personen die in contact kunnen komen met cliŽnteel en verrichtingen zoals bedoeld in artikel III.1.2.1, door een getuigschrift van goed gedrag en zeden te vragen, waar geŽigend.

  Art. III.1.2.4. - Informeren van het cliŽnteel
  ß 1 Vůůr het aanvatten van de samenwerking informeert de advocaat zijn potentiŽle cliŽnt over het bestaande wettelijk kader, de ingestelde interne procedure en de aard van de omtrent zijn persoon verzamelde inlichtingen en de bewaring daarvan. Hij meldt ook dat die procedure deels de medewerking van de cliŽnt vraagt en dat vennootschappen overeenkomstig artikel 8 ß 3 van de wet van 11 januari 1993 verplicht worden de gegevens van de uiteindelijke begunstigde en de eventuele actualisering ervan aan de advocaten mee te delen.
  ß 2 Bij het begin van de samenwerking informeert de advocaat zijn potentiŽle cliŽnt over het feit dat, indien de cliŽnt de verwachte gegevens niet meedeelt binnen de twee weken (behoudens uitzonderlijke omstandigheden), de advocaat de zakelijke relatie niet kan aangaan en, indien hij reeds voorlopig had opgetreden, zijn verdere tussenkomst moet beŽindigen.

  Art. III.1.2.5. - Beroepsgeheim - Verklaring van vermoeden
  ß 1 De advocaat houdt zich in alle omstandigheden aan de naleving van het beroepsgeheim.
  ß 2 Nochtans brengt de advocaat die, overeenkomstig artikel 26 ß 3 van de wet van 11 januari 1993 bij de uitoefening van de in artikel 3, 5į van die wet opgesomde activiteiten, feiten vaststelt waarvan hij weet of vermoedt dat ze verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme, de stafhouder van de Orde waartoe hij behoort daarvan onmiddellijk op de hoogte. Tezelfdertijd maakt hij alle inlichtingen en nuttige documenten aan de stafhouder over.
  Hij deelt die informatie niet mee als hij ze ontving van of over een cliŽnt waarvan hij de rechtspositie bepaalt of die hij verdedigt of vertegenwoordigt in of in verband met een rechtsgeding, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of hij die informatie vůůr, gedurende of na een dergelijk geding ontving. De rechtspositie van de cliŽnt bepalen, omvat juridische adviesverlening in de ruime betekenis.
  Bij twijfel raadpleegt de advocaat de stafhouder.
  ß 3 Zodra de stafhouder de verklaring van vermoeden aan de Cel voor FinanciŽle Informatieverwerking overmaakt, stopt de advocaat zijn tussenkomst. Daartoe licht de stafhouder de betrokken advocaat in.
  ß 4 Indien een gerechtelijke overheid of de Cel voor FinanciŽle Informatieverwerking aan de advocaat vraagt bijkomende informatie te verstrekken in het kader van de wet van 11 januari 1993, kan de advocaat daaraan slechts gevolg geven op voorwaarde van tussenkomst van zijn stafhouder.

  Art. III.1.2.6. - Aanstelling van een verantwoordelijke
  ß 1 In een associatie of groepering tussen meer dan tien advocaten, aangegaan door het sluiten van een overeenkomst naar Belgisch recht of buitenlands recht dan wel door het oprichten van of toetreden tot een rechtspersoon naar Belgisch of buitenlands recht, stellen de geassocieerde of gegroepeerde advocaten, overeenkomstig artikel 18 van de wet van 11 januari 1993, uit hun midden een advocaat aan die voor het kantoor verantwoordelijk is, in de mate bepaald door de wet en met betrekking tot de toepassing van die wet. "Associatie" of "groepering" moet worden begrepen zoals gedefinieerd in het reglement van de Orde van Vlaamse Balies van 8 november 2006 betreffende samenwerkingsverbanden tussen advocaten en betreffende eenpersoonsvennootschappen van advocaten.Elke raad van de Orde kan gemotiveerd afwijken van de voorwaarde in ß 1 door bepaalde associaties of groeperingen met minder dan of gelijk aan tien advocaten of bepaalde advocaten ook onder toepassing van het voorgaande lid te brengen.
  ß 2 Indien het kantoor vestigingen in meerdere balies in BelgiŽ of in BelgiŽ en het buitenland bezit, mag die verantwoordelijke zijn taken voor de naleving van de preventieve witwaswet uitoefenen voor het hele samenwerkingsverband door een daartoe aangestelde advocaat van een binnen- of het buitenlandse vestiging van het kantoor. Die verantwoordelijke moet een vennoot, partner of fee-earner zijn. Hij leeft de reglementen en aanbevelingen/verduidelijkingen van de Orde van Vlaamse Balies na.
  Het kantoor moet geen verantwoordelijke advocaat onder die afdeling aanduiden, wanneer voor dat kantoor al een verantwoordelijke werd aangesteld bij toepassing van een analoog reglement van de Ordre des barreaux francophones et germanophone. In die hypothese moet de verantwoordelijke zowel de reglementen en aanbevelingen/verduidelijkingen van de Orde van Vlaamse Balies als die van de Ordre des barreaux francophones et germanophone naleven.
  ß 3 De geassocieerde of gegroepeerde advocaten delen de naam van die verantwoordelijke advocaat mee aan de stafhouder(s) van de balie(s) waartoe de geassocieerde of gegroepeerde advocaten behoren.
  ß 4 De aangestelde verantwoordelijke leeft de verplichtingen van artikel 18 van de wet van 11 januari 1993 na, in het bijzonder:
  - hij maakt de toepasselijke wettelijke bepalingen en de interne procedures bekend aan de advocaten van het kantoor en gaat na of zij over betrouwbare informatie en voldoende vorming beschikken;
  - hij controleert de naleving door de advocaten van het kantoor van alle toepasselijke bepalingen, en de doeltreffendheid van de interne procedures;
  - hij controleert de naleving van de verplichtingen tot sensibiliseren en opleiden van de advocaten van het kantoor, binnen de perken van de interne procedures;
  - hij hoort, in alle vertrouwen, de betrokken advocaat of advocaten in geval van een duidelijke niet-naleving van de toepasselijke procedures of van het recht op toegang tot informatie;
  - hij staat de advocaten bij om de beroepsregels en de bepalingen van de wet van 11 januari 1993 toe te passen;
  - hij controleert de verklaringen van vermoeden voor hij ze aan de stafhouder overmaakt;
  - hij controleert de naleving van het recht op informatie van de cliŽnt;
  - hij let erop dat de op voet van artikel 14 ß 2 tweede lid van de wet van 11 januari 1993 vereiste schriftelijke verslagen worden opgesteld en aan hem worden meegedeeld;
  - hij verzekert de bewaring van de vereiste documenten op een gecentraliseerde manier.
  ß 5 Minstens ťťn keer per jaar stelt de verantwoordelijke advocaat een verslag van zijn werkzaamheden op, in het bijzonder over de conformiteitscontrole op basis van de door hem ingewonnen gegevens. Hij rapporteert over zijn opdracht aan de bevoegde stafhouder indien hem dat gevraagd wordt.

  Art. III.1.2.7. - Preventie- en controlemaatregelen
  ß 1 De raad van bestuur van de Orde van Vlaamse Balies en de lokale balies werken regelmatig samen om preventiemaatregelen in verband met de strijd tegen witwas uit te werken. Zo kunnen ze opleidingsprogramma's opstellen of vragenlijsten verzenden.
  Die vragenlijsten beogen de (potentieel) onderworpen advocaten te sensibiliseren en een effectieve toepassing van de wettelijke bepalingen en van onderhavige afdeling te verzekeren; zij worden door de stafhouders en/of de Orde van Vlaamse Balies op algemene wijze aan de leden van de balie gericht of aan de potentieel onderworpen advocaten, alsook aan de associaties en groeperingen die potentieel onderworpen advocaten omvatten. De antwoorden op de vragenlijsten die door de stafhouders verzonden zijn, worden ook overgemaakt aan de Orde van Vlaamse Balies. Vooraleer de preventiemaatregelen in werking treden, worden ze goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies.
  ß 2 De lokale balies kunnen eveneens op initiatief van de stafhouder controles uitvoeren in de advocatenkantoren. Ze doen dat in elk geval zodra er aanwijzingen zijn dat een advocaat, een associatie of een groepering de voornoemde wet van 11 januari 1993 of huidige afdeling overtreedt of dreigt te overtreden.
  De Cel voor FinanciŽle Informatieverwerking kan de stafhouder verzoeken een controle te laten uitvoeren.
  Indien de raad van de Orde het raadzaam acht, worden preventieve controles georganiseerd op basis van lottrekking of volgens een systematiek of criteria die de lokale raad bepaalt.
  Elke controle in een kantoor wordt uitgevoerd door minstens twee leden van de betrokken balie. De balies kunnen onderling of met de Orde van Vlaamse Balies afspreken gemengde controlecellen samen te stellen om de controles uit te voeren. Die bestaan dan uit leden van diverse balies en afgevaardigden van de Orde van Vlaamse Balies. De controlecel bezorgt de resultaten van de controle aan de stafhouder van de betrokken advocaat en aan de Orde van Vlaamse Balies. De lokale balies bezorgen jaarlijks een verslag van de controles aan de Orde van Vlaamse Balies.
  De raad van bestuur van de Orde van Vlaamse Balies brengt jaarlijks aan de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies verslag uit over die controleactiviteiten. Dat verslag wordt uitgebracht zonder aanduiding van de namen van de gecontroleerde advocaten of van de gecontroleerde associaties of groeperingen van advocaten.

  Afdeling III.1.3. - De beperking van de aansprakelijkheid

  Art. III.1.3.1. De advocaten en samenwerkingsverbanden mogen hun beroepsaansprakelijkheid tegenover cliŽnten beperken, maar die beperking mag niet lager zijn dan het bedrag van de basisdekking van hun beroepsaansprakelijkheidsverzekering van de Orde, thans € 1.250.000.
  De beroepsaansprakelijkheid kan worden beperkt door afspraken met cliŽnten of door de uitoefening van het beroep in het kader van een burgerlijke vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. De advocaat kan de vrijstelling nooit ten laste leggen van de cliŽnt.

  Afdeling III.1.4. - Contact tussen advocaat en cliŽnt-gedetineerden

  Art. III.1.4.1. Behalve bij een aanstelling door het bureau voor juridische bijstand of door de stafhouder mag de advocaat slechts een bezoek brengen aan een gedetineerde cliŽnt indien hij door die cliŽnt werd aangesteld tijdens zijn verhoor door de onderzoeksrechter of indien hij door die cliŽnt werd geraadpleegd per brief, e-mail of telefoon met naleving van de administratieve reglementering ter zake.

  Art. III.1.4.2. De advocaat mag eveneens een bezoek brengen aan een gedetineerde wanneer hij geraadpleegd werd door een familielid of een partner van die gedetineerde. De advocaat gaat dan de identiteit van de persoon die hem raadpleegt na, evenals de bestaande familieband of relatie met de gedetineerde.

  Art. III.1.4.3. In de door de artikel III.1.4.2 bepaalde gevallen en vanaf het eerste onderhoud in de gevangenis, zorgt de advocaat ervoor dat de gedetineerde zijn keuze van advocaat bevestigt. De advocaat treedt onmiddellijk terug indien de gedetineerde reeds een andere raadsman gekozen heeft, tenzij hij de wens heeft geuit door een bijkomende raadsman te worden bijgestaan.

  Art. III.1.4.4. De advocaat weigert onder meer op te treden voor een gedetineerde die hem aanspreekt in de gevangenis, evenals wanneer het verzoek uitgaat van een andere gedetineerde en van elke persoon die behoort tot het penitentiair (administratief personeel, aalmoezeniers en andere) of het gerechtelijk milieu (politie, tolken en andere), behoudens de toepassing van de wet van 13 augustus 2011.

  Afdeling III.1.5. - Mededeling van dossiers

  Art. III.1.5.1. Een advocaat mag aan zijn cliŽnt een kopie van het strafdossier waarin de cliŽnt persoonlijk betrokken is meedelen, mits hij de regels van omzichtigheid en kiesheid eerbiedigt, onverminderd de toepassing van de Jeugdbeschermingswet van 8 april 1965.

  Art. III.1.5.2. De advocaat van de ouders van de minderjarige mag hen op de hoogte brengen van de inhoud van het persoonlijkheidsdossier van die minderjarige en van de stukken over zijn leefomgeving, maar hij mag hen hiervan geen afschrift bezorgen.
  De advocaat van de minderjarige mag hem op de hoogte brengen van de inhoud van zijn persoonlijkheidsdossier en van de stukken over zijn leefomgeving, maar hij mag hem hiervan geen afschrift bezorgen. Hij mag de inhoud van dat dossier niet meedelen aan de ouders van die minderjarige.

  Afdeling III.1.6. - Maatschappelijke verslagen

  Art. III.1.6.1. Bij de bespreking van de maatschappelijke verslagen, die bij de behandeling van een zaak voor de jeugdrechtbank of voor de Commissie tot Bescherming van de Maatschappij bij het dossier worden gevoegd, zal de advocaat, in het bijzonder wat de vertrouwelijke en zeer delicate gegevens betreft, uiterste kiesheid aan de dag leggen.

  Afdeling III.1.7. - Publiciteit

  Art. III.1.7.1. De advocaat mag publiciteit voeren of laten voeren, voor zover die niet in strijd is met enige rechtsnorm, in het bijzonder met deze afdeling.

  Art. III.1.7.2. De advocaat mag geen misleidende publiciteit voeren.

  Art. III.1.7.3. ß 1 De advocaat mag in een lopende zaak niet bewust en onuitgenodigd de cliŽnten van een andere advocaat via publiciteit proberen af te werven.
  ß 2 De advocaat mag geen publiciteit voeren door een gepersonaliseerd dienstenaanbod voor een bepaalde zaak of een dossier, zonder dat hij daartoe is uitgenodigd.

  Art. III.1.7.4. De advocaat mag via publiciteit niet bekendmaken dat hij over een bijzondere deskundigheid in een of meerdere rechtsmateries beschikt, tenzij die deskundigheid op grond van de door hem verworven kennis en/of ervaring aannemelijk kan worden gemaakt.

  Art. III.1.7.5. ß 1 De advocaat mag in zijn publiciteit geen behaalde resultaten vermelden, noch het aantal zaken dat hij behandelt, noch zijn omzet of succespercentage. Dat mag hij wel als dat gevraagd of verwacht wordt in een vergelijkend onderzoek of gunningsprocedure.
  ß 2 De advocaat mag ook geen publiciteit voeren over zaken die hij behandelt of behandelde, over de identiteit van zijn cliŽnt, tenzij die daarmee uitdrukkelijk instemt, of over de aard en omvang van diens belangen.

  Art. III.1.7.6. ß 1 De advocaat die tarieven en voorwaarden vermeldt in zijn publiciteit doet dat ondubbelzinnig en duidelijk. Het moet in elk geval duidelijk zijn op welke diensten de tarieven betrekking hebben en hoe kosten in rekening worden gebracht, opdat de cliŽnt zich een volledig beeld kan vormen van kosten en erelonen.
  ß 2 Het is niet toegestaan in publiciteit enkel te verwijzen naar basis- of minimumprijzen.
  ß 3 De advocaat is gebonden door tarieven en voorwaarden die hij publiceert.

  Art. III.1.7.7. Behalve in personalia en in curriculum vitae mag de advocaat in publiciteit geen melding maken van de ambten in de rechterlijke macht die hij bekleedt of bekleedde en de politieke mandaten die hij uitoefent of uitoefende.

  Afdeling III.1.8. - Juridische tweedelijnsbijstand

  Art. III.1.8.1. De advocaat die geconsulteerd wordt door een cliŽnt en vermoedt of weet dat de cliŽnt in aanmerking komt voor juridische tweedelijnsbijstand, is verplicht de cliŽnt hierover te informeren.

  HOOFDSTUK III.2. - Relaties ten aanzien van advocaten

  Afdeling III.2.1. - Confraterniteit

  Art. III.2.1.1. Met inachtneming van de wet en de deontologische regels is de advocaat steeds verplicht de belangen van zijn cliŽnt zo goed mogelijk te behartigen en moet hij die zelfs boven zijn eigen belangen of die van andere advocaten stellen.
  De advocaat behartigt de belangen van zijn cliŽnt met respect voor de rechten van verdediging. Hij eerbiedigt het tegensprekelijk karakter van procedures en misleidt niet.
  Om een eerlijke en behoorlijke rechtspleging te bevorderen, heeft de advocaat een plicht van loyaliteit en confraterniteit. De regels van confraterniteit bevorderen de vertrouwensrelatie tussen advocaten in het belang van de cliŽnt en strekken er tevens toe onnodige processen en elk gedrag dat de reputatie van het beroep kan schaden, te voorkomen.

  Art. III.2.1.2. Indien een procedure op tegenspraak volgt op voorafgaande contacten tussen advocaten, moet de advocaat zijn confrater inlichten dat een procedure wordt ingesteld, tenzij die kennisgeving de rechtmatige belangen van de cliŽnt schendt.

  Art. III.2.1.3. De advocaat mag alle eenzijdige gerechtelijke en buitengerechtelijke bewarende maatregelen nemen en alle procedures op eenzijdig verzoekschrift instellen zonder voorafgaand bericht aan de advocaat van de tegenpartij.

  Art. III.2.1.4. In procedures op tegenspraak neemt de advocaat nooit eenzijdig contact op met de rechter, de arbiter of de deskundige. De brieven, documenten, stukken of conclusies die hij hen bezorgt, maakt hij gelijktijdig over aan de tegenstrever of aan de tegenpartij die geen advocaat heeft.

  Art. III.2.1.5. Tussen advocaten gebeurt de overlegging van de stukken in der minne en zonder formaliteiten. Enkel wanneer de aard van de stukken dat noodzakelijk maakt, kan de overlegging gebeuren door neerlegging van de stukken ter griffie. Ook in dat geval bezorgt de advocaat zijn tegenstrever de inventaris van zijn stukken en minstens kopie van de stukken die kunnen worden gekopieerd.

  Art. III.2.1.6. De advocaat heeft met betrekking tot een bepaalde zaak geen rechtstreeks contact met een partij, van wie hij weet dat ze in die zaak wordt bijgestaan door een advocaat. Dat kan wel als de advocaat van die partij daartoe uitdrukkelijk zijn toestemming heeft gegeven en op voorwaarde dat hij daarvan op de hoogte wordt gehouden. De advocaat mag overeenkomstig de wet rechtstreeks bij de overheid de inlichtingen inwinnen waarop de cliŽnt recht heeft, zelfs al is die overheid tevens partij in de zaak.

  Art. III.2.1.7. De advocaat organiseert zijn werkzaamheden zo dat elk nutteloos uitstel van een te behandelen zaak en elke onnodige verplaatsing of tijdverlies voor zijn confrater worden vermeden. De advocaat die voor zijn tegenstrever een tijdverlies of onnodige verplaatsing veroorzaakt, zonder ernstige of onvoorzienbare reden, gedraagt zich niet confraterneel.

  Art. III.2.1.8. De advocaat die op de inleiding een verzending van de zaak naar de rol of een uitstel vraagt, brengt zijn tegenstrever daarvan tijdig en op de meest efficiŽnte wijze op de hoogte.
  De advocaat die een uitstel wenst te vragen van een ter behandeling vastgestelde zaak brengt de rechtbank en, al naargelang het geval, het openbaar ministerie, zijn tegenstrever en de tegenpartij die in persoon verschijnt, daarvan tijdig en op de meest efficiŽnte wijze op de hoogte.

  Art. III.2.1.9. De advocaat die vaststelt dat een in de zaak betrokken confrater afwezig is op een vastgestelde zitting doet al het mogelijke om hem te bereiken en met hem af te spreken alvorens de zaak, indien nodig, in zijn afwezigheid te laten behandelen.
  Een advocaat mag de zaak enkel in afwezigheid van een in de zaak betrokken confrater behandelen, indien hij die confrater schriftelijk op de hoogte had gebracht van de pleitdatum en van zijn intentie om de zaak in elk geval te behandelen.

  Art. III.2.1.10. Vooraleer tot betekening en ten uitvoerlegging van een gerechtelijke beslissing te laten overgaan, nodigt de advocaat zijn tegenstrever uit tot vrijwillige uitvoering en/of berusting en verleent hij hem hiertoe een redelijke termijn.
  De onmiddellijke betekening en/of ten uitvoerlegging kan ook in geval van hoogdringendheid of noodzakelijkheid voortvloeiende uit de wet of uit de beslissing zelf.
  De advocaat brengt steeds de betrokken advocaten op de hoogte dat hij opdracht geeft om een gerechtelijke beslissing te laten betekenen. Hij doet dat ten laatste op het ogenblik dat hij die opdracht geeft.

  Art. III.2.1.11. De advocaat die een rechtsmiddel aanwendt, brengt de in de zaak betrokken advocaten daarvan zo snel mogelijk op de hoogte. Hij doet dat ten laatste op het ogenblik dat hij dat middel aanwendt.

  Art. III.2.1.12. De advocaat die een beroep doet op een confrater, staat in voor de betaling van de aan deze advocaat verschuldigde kosten en erelonen voor de opdrachten waarmee hij hem gelast, tenzij hij hem vooraf en schriftelijk op de hoogte brengt dat die kosten en erelonen rechtstreeks aan de cliŽnt moeten worden aangerekend. Indien hij de betaling van de toekomstige prestaties niet langer op zich wil nemen, meldt hij dat schriftelijk aan zijn confrater.

  Art. III.2.1.13. De advocaat mag in zijn hoedanigheid van advocaat geen rechtsvordering inleiden, geen strafklacht indienen en geen gerechtelijke bewarende maatregelen nemen tegen een confrater zonder voorafgaande melding aan zijn stafhouder. De advocaat voegt daarbij het ontwerp van de inleidende akte of de klacht.
  De advocaat die de belangen wil behartigen van een partij die zonder advocaat reeds een klacht heeft ingediend of een rechtsvordering heeft ingeleid tegen een advocaat, meldt dat aan zijn stafhouder vooraleer hij de procedure verder zet.
  De advocaat mag de bovenstaande procedures niet inleiden of voortzetten voor het verstrijken van ťťn maand na de melding, tenzij in geval van gemotiveerde hoogdringendheid.
  Die meldingsplicht geldt niet voor vorderingen tegen een advocaat in diens hoedanigheid van gerechtelijk mandataris, tenzij zijn aansprakelijkheid in het gedrang wordt gebracht.

  Art. III.2.1.14. De advocaat die namens een cliŽnt een vordering tegen een confrater heeft ingesteld en die confrater zelf brengen hun respectieve stafhouders op de hoogte van de uitspraak en van de gedwongen uitvoering.

  Afdeling III.2.2. - Honorarium voor introducties

  Art. III.2.2.1. ß 1 De advocaat mag geen honorarium, voorschot of enigerlei andere vergoeding vragen of aanvaarden voor het aanbevelen van een advocaat aan een cliŽnt of het doorsturen van een cliŽnt naar een advocaat. Dat mag hij noch van een andere advocaat, behalve in het kader van een samenwerkingsverband tussen advocaten, noch van enige derde.
  ß 2 De advocaat mag, behalve bij een samenwerkingsverband tussen advocaten, aan niemand een honorarium, voorschot of enigerlei andere vergoeding betalen als tegenprestatie voor de introductie van een cliŽnt.

  Afdeling III.2.3. - De vertrouwelijkheid van besprekingen

  Art. III.2.3.1. Onverminderd de toepassing van de artikelen i.v.m. de briefwisseling tussen advocaten is de inhoud van besprekingen tussen advocaten in afwezigheid van cliŽnten en derden vertrouwelijk. Wegens de loyaliteit mag het bestaan van de besprekingen en contacten niet ontkend worden.
  Indien advocaten het bestaan van de besprekingen absoluut vertrouwelijk willen houden, moeten zij dat van bij het begin van de besprekingen uitdrukkelijk en schriftelijk overeenkomen.
  In voorkomend geval zorgt de stafhouder voor de loyale toepassing van dit artikel.

  Afdeling III.2.4. - Het overleggen van briefwisseling tussen advocaten

  Art. III.2.4.1. De briefwisseling tussen advocaten is vertrouwelijk. Zelfs indien de advocaten het eens zijn, mag zij enkel overgelegd worden met de toestemming van de stafhouder. Dat geldt zowel voor het gebruik in rechte als er buiten.

  Art. III.2.4.2. Deze verliezen hun vertrouwelijk karakter, zodat ze zonder toelating van de stafhouder overgelegd mogen worden:
  ß 1 elke mededeling die een akte van rechtspleging uitmaakt of vervangt;
  ß 2 (oud reglement van 6 maart 1980): elke mededeling die uitdrukkelijk als niet vertrouwelijk bestempeld wordt en een eenzijdige verbintenis zonder voorbehoud inhoudt;
  ß 3 elke mededeling, zonder voorbehoud en niet vertrouwelijk gedaan, ten verzoeke van een partij, om er kennis van te geven aan een andere partij, op voorwaarde dat de geadresseerde ze uitdrukkelijk aanvaardt als niet vertrouwelijk;
  ß 3bis (oud reglement van 22 april 1986): elke schriftelijke mededeling met vermelding "niet vertrouwelijk" die uitsluitend de nauwkeurige omschrijving van precieze feiten bevat, alsmede het antwoord daarop, en die hetzij een deurwaardersexploot, hetzij een mededeling van partij tot partij vervangt;
  ß 4 elke mededeling, zelfs vertrouwelijk gedaan uit naam van een partij, wanneer ze bepaalde voorstellen behelst die onvoorwaardelijk uit naam van de andere partij worden aangenomen.
  De beschikkingen van dit artikel gelden enkel voor die mededelingen die niets anders behelzen dan wat onder ß 1, 2, 3, 3bis en 4 vermeld is.
  Het is aangewezen:
  a) in verband met die mededelingen schriftelijke goedkeuring te hebben van de cliŽnt;
  b) mededelingen met een officieel karakter kort en bondig te doen en, dat karakter in de brief zelf te vermelden
  c) elke mededeling met een vertrouwelijk karakter in een afzonderlijk schrijven te doen.

  Art. III.2.4.3. De stafhouder zorgt voor de loyale toepassing van artikel III.2.4.2.

  Art. III.2.4.4. In geval van betwisting tussen advocaten van verschillende balies, mag de briefwisseling enkel gebruikt worden met voorafgaande toelating van hun respectieve stafhouders, met dien verstande:
  a) (gewijzigd bij reglement van 8 mei 1980) dat in geval van onenigheid, de beslissing van de stafhouder van de balie van het arrondissement waar de briefwisseling overgelegd wordt de doorslag geeft, indien ťťn van de betrokken advocaten deel uitmaakt van zijn balie; in het andere geval en voor internationale en buitenlandse rechtsmachten geldt de meest beperkende opvatting;
  b) dat die regel van bevoegdheid ook geldt wanneer de briefwisseling voor het eerst in hoger beroep gebruikt wordt;
  c) dat elke betwisting in verband met het gebruik van brieven die ter terechtzitting ontstaat, beslecht wordt door de stafhouder van de balie van de rechtsmacht waar de zaak voorkomt;
  d) dat bij verandering van raadsman in de loop van een geding, de stafhouder van de balie waarvan de nieuwe advocaat deel uitmaakt, niet kan terugkomen op de beslissing die de stafhouder van de balie waartoe de vorige advocaat behoort nam.

  Art. III.2.4.5. Het recht de briefwisseling over te leggen wijzigt niets aan het bestaan en de draagwijdte van de ingeroepen overeenkomsten.

  Afdeling III.2.5. - Overleggen van briefwisseling tussen advocaten en gerechtelijke mandatarissen

  Art. III.2.5.1. De briefwisseling tussen advocaten en advocaten-gerechtelijke mandatarissen is officieel.

  Art. III.2.5.2. De afzender kan zijn brief vertrouwelijk maken met uitdrukkelijke vermelding hiervan in de brief. De bestemmeling moet die brief als vertrouwelijk aanzien en behandelen.

  Afdeling III.2.6. - De opvolging

  Art. III.2.6.1. De advocaat die een andere advocaat opvolgt in dezelfde zaak brengt hem daarvan onmiddellijk op de hoogte. De opvolgende advocaat verzekert dadelijk de vertegenwoordiging en de bijstand van de cliŽnt.
  De opgevolgde advocaat maakt het dossier zo spoedig mogelijk over aan de opvolgende advocaat samen met alle gegevens die voor de voortzetting ervan noodzakelijk zijn. Hij bezorgt zijn staat van kosten en ereloon zo spoedig mogelijk aan de cliŽnt en brengt de opvolgende advocaat daarvan op de hoogte. De opvolgende advocaat verzoekt de cliŽnt zorg te dragen voor de betaling van de staat van kosten en ereloon voor zover die niet wordt betwist.
  De opvolgende advocaat kan alle nodige handelingen in het belang van zijn cliŽnt stellen, ook in geval van betwisting van de staat van kosten en ereloon. Hij mag van die cliŽnt provisies, erelonen en vergoeding voor kosten ontvangen.
  Indien nodig, kan de stafhouder de opvolgende advocaat verbieden om verdere handelingen voor de cliŽnt te stellen of enige andere maatregel bevelen.

  Art. III.2.6.2. De opvolgende advocaat mag optreden in een geschil omtrent het ereloon en de kosten van de opgevolgde advocaat, ongeacht of hij lid is van dezelfde balie als de opgevolgde advocaat of niet. Hij heeft daartoe geen toelating van zijn stafhouder nodig. De opvolgende advocaat moet een minnelijke schikking nastreven. In bijzondere gevallen en vooral wanneer redenen van loyaliteit en kiesheid dat vereisen, kan de stafhouder van de opvolgende advocaat hem verbieden in dergelijk geschil op te treden.
  De opvolgende advocaat mag niet in rechte optreden in een geschil over de beroepsaansprakelijkheid van de opgevolgde advocaat. De stafhouder kan dat in bijzondere gevallen wel toelaten wanneer het belang van de cliŽnt dat vereist. De opvolgende advocaat kan de opgevolgde advocaat in gebreke stellen in verband met diens beroepsaansprakelijkheid.

   Afdeling III.2.6bis. [1 De modaliteiten bij de opvolging van advocaten in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand en Salduz ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij VARIA 2015-09-23/02, art. III, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>
  

  Art. III.2.6bis.1. [1 - Ontheffing
   Een advocaat die optreedt in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand mag opgevolgd worden door een advocaat die eveneens wil optreden in dat kader, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
   Indien er een vertrouwensbreuk of andere ernstige reden is in hoofde van de cliŽnt t.a.v. de advocaat die werd aangesteld door het Bureau voor Juridische Bijstand (BJB) of de stafhouder, dan meldt de cliŽnt, de kandidaat-opvolgende advocaat of de stafhouder dat schriftelijk of op elektronische wijze en gemotiveerd aan de aangestelde advocaat.
   Hij bezorgt dat schrijven tegelijk aan het BJB dat de aanstelling van de advocaat heeft gedaan, met een verzoek tot aanstelling in opvolging. In dat schrijven verzoekt hij de aangestelde advocaat ook om binnen de twee werkdagen (zaterdagen, zondagen en feestdagen uitgesloten), of per kerende in geval van hoogdringendheid, aan het BJB te melden of er bezwaar bestaat tegen de opvolging, met kopie aan de advocaat die om opvolging verzoekt.
   - Als er geen bezwaar wordt geformuleerd, kan de opvolging in principe worden toegestaan. De opgevolgde advocaat wordt ontheven en het BJB brengt de opvolgende advocaat en de rechtzoekende daarvan op de hoogte.
   - Als er wel bezwaar wordt geformuleerd, wordt de partij die de opvolging vraagt meegedeeld dat de opvolging voorlopig niet kan worden toegestaan. Na eventuele toelichting kan de BJB-voorzitter, nadat hij de op te volgen advocaat heeft gehoord, alsnog tot ontheffing overgaan, indien een vertrouwensbreuk of een andere ernstige reden tot opvolging wordt aangetoond.
   Als een opvolging wordt geweigerd, wordt de rechtzoekende daarvan schriftelijk of op elektronische wijze op de hoogte gebracht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij VARIA 2015-09-23/02, art. III, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>
  

  Art. III.2.6bis.2. [1 - Nieuwe aanstelling
   Pas nadat het BJB dat initieel ook de aanstelling heeft gedaan, de ontheffing van de oorspronkelijk aangestelde advocaat heeft goedgekeurd, kan hetzelfde of een ander BJB (naargelang de balie waartoe de opvolgende advocaat behoort) de opvolgende advocaat aanstellen als raadsman in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand. Zolang de eerst aangestelde advocaat geen ontheffing kreeg, blijft die aangesteld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij VARIA 2015-09-23/02, art. III, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>
  

  Art. III.2.6bis.3. [1 - Vergoeding
   Indien de opgevolgde advocaat wordt opgevolgd door een advocaat die optreedt in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand, worden de punten verdeeld tussen de opgevolgde advocaat en de opvolger, naargelang de effectief door hen verleende prestaties. Het totaal van de punten voor beide advocaten samen mag het maximum van de in de nomenclatuur vastgelegde punten niet overschrijden.
   Wanneer de opvolging gebeurt in een dossier waarin de advocaat aangesteld werd onder gedeeltelijke kosteloosheid, moet ook de provisie zo verdeeld worden dat het bedrag van de provisie de waarde van de aan de opgevolgde advocaat toegekende punten niet overschrijdt. Komen de opgevolgde en de opvolgende advocaat daarin niet overeen, dan beslist de voorzitter van het BJB van de opgevolgde advocaat.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij VARIA 2015-09-23/02, art. III, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>
  

  Afdeling III.2.7. - Eensluidend verklaren van kopieŽn van bij een voorziening in cassatie te voegen stukken

  Art. III.2.7.1. Wanneer een partij, toekomstige eiser in cassatie, tot staving van een voorziening in cassatie een middel wil inroepen gesteund op de schending van de bewijskracht van een stuk dat op regelmatige wijze werd neergelegd voor de rechter ten gronde, kan de advocaat van elke partij in zake voor de rechter ten gronde vragen dat hij een kopie van dat stuk eensluidend verklaart aan, al naargelang van het geval, het origineel of de kopie neergelegd voor die rechter.
  Indien de raadsman van de toekomstige eiser in cassatie noch in het bezit is van het origineel van het stuk, noch van een kopie daarvan, kan hij aan de advocaat van een partij in zake voor de rechter ten gronde die in het bezit is van het originele stuk of van een kopie daarvan, vragen dat hij er een kopie van maakt en die eensluidend verklaart aan het aan de rechter ten gronde voorgelegde stuk.

  Art. III.2.7.2. De in artikel III.2.7.1 bedoelde eensluidendverklaring bestaat in het aanbrengen, onderaan de kopie van het stuk, van de volgende vermelding, gevolgd door de handtekening:
  Kopie die eensluidend wordt verklaard aan het stuk nr. ... van het dossier dat de [eiser of verweerder] ten gronde voorlegde aan [rechtsmacht] in de zaak ingeschreven op de algemene rol onder het nummer...
  Mr. ..., advocaat die (naam van de partij) vertegenwoordigde voor die rechtsmacht.
  Mr. ..., advocaat die (naam van de partij) vertegenwoordigde voor die rechtsmacht.
  (Als de omstandigheden dat vereisen, bijvoorbeeld omdat er geen inventaris van de stukken is of omdat de partijen verschillende versies voorlegden van een akte, moet de bovenstaande formulering worden aangepast).

  Art. III.2.7.3. De betwistingen worden beslecht door de stafhouder van de advocaat die de stukken eensluidend moet verklaren.

  Afdeling III.2.8. - Derdengelden

  Onderafdeling III.2.8.1. - Toepassingsgebied en definities

  Art. III.2.8.1.1. Deze afdeling regelt de verhandeling door de advocaat van derdengelden, de rapporteringsplicht en de controle op de verhandeling van derdengelden.
  Deze afdeling is niet van toepassing op rekeningen die door een advocaat worden gebruikt in uitvoering van een gerechtelijk mandaat, onverminderd het recht van de stafhouder inzage in die rekeningen te vragen.

  Art. III.2.8.1.2. In deze afdeling wordt verstaan onder:
  - derdengelden: gelden toevertrouwd door cliŽnten of derden aan een advocaat om die een bepaalde bestemming te geven.
  - derdenrekening: een rekening bij een door de Orde van Vlaamse Balies erkende financiŽle instelling met een advocaat als houder waarop gelden die aan cliŽnten of derden toekomen, worden ontvangen of beheerd.
  - rubriekrekening: een derdenrekening geopend in een specifiek dossier of voor een bepaalde cliŽnt.
  - een door de Orde van Vlaamse Balies erkende financiŽle instelling: een financiŽle instelling waarmee de Orde van Vlaamse Balies een overeenkomst heeft gesloten voor de verhandeling van derdengelden, die beantwoordt aan de bepalingen van deze afdeling.

  Onderafdeling III.2.8.2. - Derdenrekening

  Art. III.2.8.2.1. Elke advocaat beschikt, hetzij zelf, hetzij via de associatie of groepering waartoe hij behoort, over minstens ťťn derdenrekening bij een door de Orde van Vlaamse Balies erkende financiŽle instelling. Het nummer van de derdenrekening wordt bij de contactgegevens van de advocaat op het publiek luik van de website van de Orde van Vlaamse Balies vermeld.

  Art. III.2.8.2.2. De advocaat kan uitsluitend een derdenrekening openen bij een door de Orde van Vlaamse Balies erkende financiŽle instelling. De omschrijvingen en verplichtingen verbonden aan die rekening zijn:
  - de derdenrekening is een zichtrekening;
  - de derdenrekening mag nooit een debetsaldo vertonen;
  - elke vorm van krediet op de derdenrekening is uitgesloten;
  - de uitgifte van bank- of kredietkaarten op de derdenrekening is niet toegelaten;
  - domiciliŽringen op de derdenrekening zijn niet toegestaan;
  - de uitgifte van cheques en cashafhalingen van de derdenrekening is verboden, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de stafhouder na melding van de identiteit van de begunstigde;
  - de advocaat kan bestendige opdrachten geven, maar uitsluitend ten gunste van cliŽnten of derden;
  - de derdenrekening kan op geen enkele wijze tot zekerheid dienen;
  - elke schuldvergelijking, fusie of bepaling van eenheid van rekening tussen de derdenrekening en andere bankrekeningen is uitgesloten;
  - met uitzondering van de rubriekrekening, levert de derdenrekening geen rente of enige andere opbrengst op, onverminderd de mogelijkheid voor de Orde van Vlaamse Balies en/of de Orde van Advocaten om met de financiŽle instelling een vergoeding voor de Orde te bedingen.

  Art. III.2.8.2.3. De advocaat verleent bij de opening van een derdenrekening een onherroepelijke volmacht aan de stafhouder van de Orde van Advocaten waarbij hij ingeschreven is, om van de financiŽle instelling volledige inzage en afschrift te verkrijgen van alle verrichtingen op die derdenrekening. Indien de advocaat niet ingaat op het verzoek van de stafhouder hem een kopie van de rekeninguittreksels te bezorgen, kan de stafhouder die opvragen op kosten van de advocaat.

  Art. III.2.8.2.4. De derdenrekening wordt uitsluitend gebruikt voor de verhandeling van derdengelden.
  De advocaat verhandelt derdengelden uitsluitend via een derdenrekening, en vermeldt die rekening uitdrukkelijk telkens als hij gelden opvraagt.
  Indien de advocaat een betaling ontvangt van derdengelden, anders dan door de rechtstreekse overschrijving op zijn derdenrekening, transfereert hij die gelden zo spoedig mogelijk naar zijn derdenrekening.
  De advocaat maakt gelden die hij ontvangt met het oog op doorbetaling aan een andere advocaat, uitsluitend over door ze over te schrijven op de derdenrekening die de andere advocaat hem meedeelt.

  Art. III.2.8.2.5. De advocaat maakt de derdengelden zo spoedig mogelijk over aan hun bestemmeling. Hij vermeldt daarbij gegevens die de identificatie van het dossier mogelijk maakt.
  Hij kan de gelden die bestemd zijn voor zijn cliŽnt, via overschrijving op zijn zichtrekening geheel of gedeeltelijk behouden als voorschot, ereloon of terugbetaling van kosten, na zijn cliŽnt daarvan schriftelijk op de hoogte te hebben gebracht. Die gelden mogen dan niet op de derdenrekening blijven.
  Als de advocaat om redenen onafhankelijk van zijn wil, derdengelden niet spoedig aan de bestemmeling kan of mag overmaken, schrijft hij die gelden over op een rubriekrekening, waarvan de netto-rente aan de bestemmeling toekomt.

  Art. III.2.8.2.6. De stafhouder oefent toezicht uit op het correct gebruik van de derdenrekening.
  Hij kan alle bewarende maatregelen nemen, inclusief een tijdelijk verbod opleggen om derdengelden te verhandelen.
  Als een derde wordt aangesteld over de persoon of het vermogen van de advocaat of als de advocaat zijn beroep niet kan uitoefenen, kan de stafhouder hem het beheer van zijn derdenrekeningen voor de duur ervan ontnemen.
  Indien de advocaat weggelaten wordt om een andere reden dan overgang naar een andere balie of indien hij geschrapt wordt, moet hij bewijs leveren dat zijn derdenrekeningen afgesloten zijn, of een advocaat aanwijzen die het beheer ervan overneemt. Als hij dat niet doet, kan de stafhouder een advocaat aanwijzen die dat beheer overneemt.

  Onderafdeling III.2.8.3. - Rapportering

  Art. III.2.8.3.1. De advocaat, of de associatie of groepering die de derdenrekeningen beheert, rapporteert jaarlijks minstens het volgende aan de stafhouder:
  - een overzicht van alle derdenrekeningen, rubriekrekeningen inbegrepen;
  - een overzicht van alle derdenrekeningen, rubriekrekeningen inbegrepen, die het voorbije jaar geopend en/of afgesloten zijn;
  - het saldo van elke derdenrekening op 31 december;
  - een opsplitsing van de voormelde saldi per dossier.

  Onderafdeling III.2.8.4. - Controle

  Art. III.2.8.4.1. De stafhouder voert de controle uit op de derdenrekeningen van de advocaat of de associatie of groepering.
  Indien de advocaat de bepalingen van de artikelen III.2.8.2.2 en/of III.2.8.3.1 van deze afdeling niet naleeft, voert de stafhouder sowieso controle uit.
  Onverminderd het recht van elke balie te bepalen of de controle al dan niet bij lottrekking gebeurt, voert de stafhouder jaarlijks controle uit bij minstens 2,5 % van de leden van zijn balie.

  Art. III.2.8.4.2. Binnen de Orde van Vlaamse Balies wordt een controlecel opgericht.
  Elke raad van de Orde draagt minstens ťťn en hoogstens vijf advocaten voor als lid van die cel. De algemene vergadering neemt kennis van de voordrachten en bevestigt de samenstelling van de controlecel. De leden van de controlecel worden voor drie jaar benoemd. Hun mandaat is onbeperkt verlengbaar.
  De algemene vergadering kiest uit de leden van de controlecel een voorzitter en twee bijzitters die per dossier de werkende leden van de controlecel aanwijzen. Hun mandaat is eenmaal verlengbaar.
  De controlecel stelt haar eigen reglement van werking op dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de algemene vergadering.

  Art. III.2.8.4.3. Enkel de stafhouder is bevoegd een beroep te doen op de controlecel. Hij kan aan de cel de controle toevertrouwen maar kan haar te allen tijde ontheffen van haar taak.
  De stafhouder of de controlecel kan zich laten bijstaan door een externe adviseur.
  De controlecel heeft louter een controlebevoegdheid, waarbij zij uitsluitend rapporteert aan de stafhouder.
  De kosten van de controlecel vallen in principe ten laste van de balie waarvan de stafhouder de controle heeft gevraagd.
  Indien de stafhouder of de controlecel onregelmatigheden vaststelt bij de gecontroleerde advocaat, kunnen de kosten op hem verhaald worden.

  Art. III.2.8.4.4. De stafhouder kan de bevoegdheid die hem wordt verleend op grond van deze afdeling, delegeren aan een lid of gewezen lid van de raad van de Orde.
  Bij toepassing van artikel 458, ß 2 en 3 Ger.W. heeft de voorzitter van de tuchtraad dezelfde bevoegdheden als die die deze afdeling aan de stafhouder toekent.

  Afdeling III.2.9. - Procedures voor bijzondere rechtscolleges

  Art. III.2.9.1. In alle administratieve, sociale en fiscale procedures en procedures voor administratieve en constitutionele rechtscolleges worden overtuigingsstukken en procedurestukken op eerste verzoek overgemaakt, hetzij materieel, hetzij elektronisch.
  Indien er een werkelijk en aantoonbaar probleem is om bepaalde stukken over te maken, wordt de advocaat hiervan onmiddellijk ingelicht en wordt hem meegedeeld hoe hij daarvan op korte termijn dan wel kennis kan nemen.

  Afdeling III.2.10. - Statuut van de advocaat

  Art. III.2.10.1. De advocaat oefent zijn beroep als zelfstandige uit, met uitsluiting van iedere band van ondergeschiktheid.

  HOOFDSTUK III.3. - Relaties met de overheid van de Orde

  Afdeling III.3.1. - De briefwisseling met de stafhouder

  Art. III.3.1.1. De briefwisseling en de gesprekken tussen de advocaat en de stafhouder en tussen de advocaat en de voorzitter van de tuchtraad zijn vertrouwelijk. Behoudens andersluidende beslissing van de stafhouder en/of de voorzitter van de tuchtraad mag er voor de rechtsmachten noch tegenover derden gewag of gebruik van worden gemaakt.

  Afdeling III.3.2. - De verplichting om bijdragen aan de Orde te betalen

  Art. III.3.2.1. Elke advocaat is een bijdrage aan de plaatselijke Orde verschuldigd. Die bijdrage wordt door elke raad van de Orde bepaald. De Orde bepaalt eveneens hoe die bijdrage betaald moet worden.

  Art. III.3.2.2. De advocaat-stagiair moet de baliebijdrage betalen aan de Orde van Advocaten waar hij ingeschreven is op de lijst van stagiairs.
  Wanneer de advocaat-stagiair in de loop van het kalenderjaar overstapt naar een andere balie, blijft de baliebijdrage die hij voor dat kalenderjaar verschuldigd is integraal verworven voor de Orde van Advocaten die hij verlaat, en betaalt hij datzelfde kalenderjaar geen bijdrage aan de Orde van Advocaten waar hij wordt ingeschreven.

  Art. III.3.2.3. De advocaat moet de baliebijdrage betalen aan de Orde van Advocaten waar hij ingeschreven is op het tableau.
  Wanneer de advocaat, ingeschreven op het tableau, in de loop van het kalenderjaar overstapt naar een andere balie, blijft de baliebijdrage die hij voor dat kalenderjaar verschuldigd is integraal verworven voor de Orde van Advocaten die hij verlaat, en betaalt hij datzelfde kalenderjaar geen bijdrage aan de Orde van Advocaten waar hij wordt ingeschreven.
  Wanneer een advocaat die ingeschreven is op het tableau van meerdere Ordes van Advocaten, in de loop van het kalenderjaar overstapt van een balie waar hij de helft van de jaarlijkse bijdrage betaalt (ingevolge artikel V.3.1.8, Afdeling V.3.1 Het houden van meerdere kantoren of vestigingen), naar een andere balie, dan geldt bovenstaande regeling evenzeer.

  Art. III.3.2.4. De advocaat of de advocaat-stagiair die van de ene balie naar de andere balie overstapt, voegt bij zijn verzoek tot inschrijving aan de balie waar hij toekomt, een bewijs dat hij alle baliebijdragen vereffend heeft die hij verschuldigd was aan de balie die hij verlaat.

  Art. III.3.2.5.
  <Opgeheven bij VARIA 2015-09-23/02, art. IV, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. III.3.2.6. De ereadvocaat die zijn titel verliest of ontslag neemt, heeft geen recht op gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de bijdrage.

  Art. III.3.2.7. De advocaat die geschorst is, heeft geen recht op vermindering van het bedrag van de baliebijdrage.

  Art. III.3.2.8. De stafhouder kan een advocaat naar omstandigheden geheel of gedeeltelijk van zijn baliebijdrage vrijstellen. Hij kan tevens toestaan het bedrag van de baliebijdrage in schijven te betalen.

  HOOFDSTUK III.4. - Relaties met hoven, rechtbanken, scheidsgerechten, algemene vergaderingen e.d.

  Afdeling III.4.1. - Procedure tegen magistraten, notarissen en gerechtsdeurwaarders

  Art. III.4.1.1. ß 1 Een advocaat die in zijn hoedanigheid van advocaat een rechtsvordering wil inleiden, een strafklacht wil indienen of gerechtelijke bewarende maatregelen wil nemen tegen een magistraat, een notaris of een gerechtsdeurwaarder meldt dat op voorhand aan zijn stafhouder, behoudens hoogdringendheid. De advocaat voegt daarbij het ontwerp van de inleidende akte of de klacht.
  De advocaat mag de bovenstaande procedures niet inleiden voor het verstrijken van ťťn maand na de melding aan de stafhouder.
  ß 2 Bij een gemotiveerde hoogdringendheid gebeurt die melding gelijktijdig met het inleiden van de bovenstaande procedure.
  ß 3 Zodra de advocaat de belangen wenst te behartigen van een partij die zonder advocaat reeds een klacht heeft ingediend of een rechtsvordering heeft ingeleid tegen een magistraat, notaris of gerechtsdeurwaarder, meldt hij dat onmiddellijk aan zijn stafhouder.

  Afdeling III.4.2. - Bijwonen van bijeenkomsten van een raad van bestuur en een algemene vergadering

  Art. III.4.2.1. De advocaat mag zijn cliŽnt bijstaan of vertegenwoordigen op de algemene vergaderingen van een vennootschap of vereniging. Hij mag een cliŽnt bijstaan op een vergadering van de raad van bestuur. Hij licht de voorzitter van de raad van bestuur, respectievelijk de voorzitter van de algemene vergadering indien mogelijk op voorhand in over zijn aanwezigheid en eventueel ook de bestuurders, de aandeelhouders, de obligatiehouders of de vennoten met wie de cliŽnt in betwisting zou zijn, zodat ook hun advocaat of de advocaat van de vennootschap of vereniging de bijeenkomst of de algemene vergadering kan bijwonen.

  HOOFDSTUK III.5. - Relaties ten aanzien van derden

  Afdeling III.5.1. - Contacten van de advocaat met getuigen

  Art. III.5.1.1. De advocaat onthoudt zich ervan getuigen en deskundigen aan te zetten om valse verklaringen af te leggen. In zijn contacten met getuigen toont de advocaat in alle omstandigheden voorzichtigheid, kiesheid en rechtschapenheid.

  Art. III.5.1.2. Gelet op de wapengelijkheid is het verbod in het vorige artikel niet van toepassing op de buitenlandse of transnationale gerechtelijke of scheidsrechtelijke rechtsplegingen waarbij dergelijke contacten toegelaten zijn krachtens de procedureregels van toepassing op die rechtspleging.

  Afdeling III.5.2. - Media

  Art. III.5.2.1. Algemeen
  1.1. Met inachtneming van het reglement op de publiciteit mag de advocaat in alle omstandigheden, ook in openbare vergaderingen en in de media, publiek gebruikmaken van zijn titel en van zijn recht op vrije meningsuiting.
  1.2. Hij eerbiedigt daarbij de principes van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan zijn beroep ten grondslag liggen.
  1.3. Hij is zich bewust van zijn bijzondere hoedanigheid van advocaat, waardoor hij een centrale positie inneemt in de rechtsbedeling.
  1.4. Daarbij ziet hij erop toe dat hij niet overkomt als een partij of getuige, of niet de indruk geeft dat hij spreekt voor derden door wie hij niet is gemandateerd, in het bijzonder niet voor de Orde van Advocaten of een van haar instanties.
  1.5. Hij ziet erop toe dat zijn optreden geen afbreuk doet aan de regels van de confraterniteit en de loyaliteit.
  1.6. De advocaat verschaft steeds correcte informatie en licht die op een serene wijze toe.
  1.7. De advocaat neemt het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging, het recht op bescherming van het privťleven, de waardigheid en de regels van het beroep in acht.
  1.8. Vooraleer hij zijn medewerking verleent aan de geschreven pers neemt hij eerst kennis van de te publiceren tekst. Hij probeert ook voor andere media gelijkaardige afspraken te regelen.
  1.9. Hij staat buiten het gerechtsgebouw geen interviews toe in toga.
  1.10. De advocaat is verantwoordelijk voor zijn mededelingen in de media.
  Hij houdt er rekening mee dat hij in die context niet beschikt over de immuniteit van het pleidooi.
  1.11. In zaken waarin de advocaat optreedt of opgetreden is als raadsman, let hij op de naleving van zijn beroepsgeheim en de confidentialiteit van mededelingen.
  1.12. De verplichtingen die aan de advocaat worden opgelegd, gelden ook voor zijn kantoorgenoten.

  Art. III.5.2.2. Optreden als commentator
  Met toepassing van de regels beschreven onder artikel 1 kan de advocaat over zaken waarin hijzelf niet betrokken was of is en over maatschappelijke evenementen en vraagstukken in het openbaar en aan de media inlichtingen, toelichtingen en uiteenzettingen verschaffen.

  Art. III.5.2.3. Optreden als raadsman
  3.1. De advocaat voert het proces niet in de media en onthoudt zich van alle commentaren, behalve indien, als gevolg van mededelingen van het openbaar ministerie, de persrechter of derden in de media, de wapengelijkheid een reactie noodzakelijk maakt.
  3.2. De advocaat verzekert zich op voorhand van de toestemming van zijn cliŽnt om publieke mededelingen te doen.
  3.3. Hij heeft steeds de belangen van de cliŽnt en van een rechtvaardige zaak voor ogen.
  3.4. Zijn tussenkomst getuigt van zorgvuldigheid, ook met betrekking tot de gerechtvaardigde belangen van derden.
  3.5. De advocaat raadpleegt, zo mogelijk, vooraf de stafhouder, wint zijn standpunt in en volgt zijn richtlijnen. Dat doet hij in elk geval wanneer hij een voorganger moet noemen of over diens activiteit in het dossier commentaar geeft.
  3.6. Indien advocaten van verschillende balies betrokken zijn, komt het beslissingsrecht toe aan de stafhouder van de plaats waar de zaak wordt behandeld, ongeacht het aantal betrokken advocaten en tot welke balie zij behoren.

  Art. III.5.2.4. Optreden na opvolging
  Nadat de advocaat is opgevolgd, onthoudt hij zich van elke commentaar in de media.

  Afdeling III.5.3. - Registratie van gesprekken of contacten

  Art. III.5.3.1. Een advocaat mag rechtstreeks noch onrechtstreeks gesprekken, vergaderingen of zittingen (laten) registreren op geluids- of beelddragers, zonder voorafgaande kennisgeving.

  DEEL IV. - ADVOCAAT TREEDT OP IN EEN ANDERE HOEDANIGHEID

  HOOFDSTUK IV.1. - Advocaat-gerechtelijke mandataris

  Art. IV.1.1. De advocaat mag geen gerechtelijk mandaat aanvaarden, wanneer hij bij de uitoefening van dat mandaat zal worden geconfronteerd met strijdige belangen of schending van het beroepsgeheim.

  Art. IV.1.2. De advocaat belast met een gerechtelijk mandaat blijft onderworpen aan de deontologie van de advocaat, tenzij de deontologische regel onverenigbaar is met dat mandaat.

  HOOFDSTUK IV.2. - Advocaat-syndicus

  Art. IV.2.1. Advocaten kunnen als syndicus optreden voor de vereniging van mede-eigenaars in het kader van artikel 577, 2-577, 14 BW, overeenkomstig de regels van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan hun beroep ten grondslag liggen.

  Art. IV.2.2. De advocaat die als syndicus wil optreden, meldt dat aan zijn stafhouder en legt een passende, bijzondere aansprakelijkheidsverzekering voor. De advocaat blijft voor zijn professionele handelingen als syndicus onderworpen aan het tuchtgezag van zijn stafhouder en Orde.

  Art. IV.2.3. De advocaat moet in zijn verhouding tot de algemene vergadering van mede-eigenaars, de raad van beheer en derden en bij de opdrachten die hij als syndicus uitvoert, steeds vasthouden aan de onafhankelijkheid die kenmerkend is voor zijn beroep. Hij moet die onafhankelijkheid verzoenen met de wettelijke bevoegdheden die aan de bestuurs- en controleorganen van de vereniging van mede-eigenaars verleend zijn. Hij ziet af van zijn mandaat als syndicus indien die onafhankelijkheid onvoldoende gewaarborgd is.

  Art. IV.2.4. De advocaat-syndicus mag voor de uitoefening van zijn taken een beperking van zijn aansprakelijkheid bedingen tot het bedrag van de bijzondere verzekering die hij voor zijn mandaten afsluit.

  Art. IV.2.5. De advocaat-syndicus kan in principe optreden voor de rechtbanken als vertegenwoordiger van de vereniging overeenkomstig artikel 577, 8, ß 4 BW. Hij doet dat dan niet als advocaat, maar als een gemandateerde van gemeen recht en moet eventueel zijn mandaat bewijzen, ook t.a.v. zijn confraters.
  Hij treedt niet op in toga en vermijdt elk gevaar voor verwarring tussen zijn bijzonder mandaat en het mandaat ad litem.
  Bij voorkeur laat hij zich vertegenwoordigen in rechte door een confrater.
  Hij treedt in elk geval niet op voor de gemeenschap en pleit niet wanneer hij persoonlijk in de zaak is betrokken of kan zijn. Dat is met name het geval:
  - wanneer zijn persoonlijke aansprakelijkheid als syndicus ter sprake komt;
  - wanneer hij aanwezig was bij de onderhandelingen, besprekingen, akkoorden in verband met de gemeenschap of die zelf heeft opgesteld, wanneer hij verslagen van vergaderingen of beslissingen heeft genotuleerd, of deelgenomen heeft aan het beraad over stemmingen of beslissingen en indien de rol die hij daar gespeeld heeft het voorwerp uitmaakt van een betwisting of in opspraak wordt gebracht tijdens het proces;
  - wanneer hij als getuige kan worden opgeroepen of de mede-eigenaars geadviseerd heeft in de betwiste materie.
  In voorkomend geval zal de advocaat terugtreden en de procedure verder laten behandelen door een confrater.

  Art. IV.2.6. De advocaat-syndicus kan niet optreden voor een partij die tegenpartij is of wordt van de gemeenschap van eigenaars waarvan hij syndicus is.
  Als zijn mandaat van syndicus beŽindigd is, kan hij ook niet optreden voor of tegen de gemeenschap of ťťn of meerdere van haar leden als hij geconfronteerd kan worden met strijdige belangen in verband met zijn vroegere mandaat, of met een mogelijke verdenking van inbreuk op zijn beroepsgeheim.
  Die verbodsbepalingen gelden ook voor de advocaten die met de advocaat-syndicus op enige wijze een vaste en veruiterlijkte vorm van samenwerkingsverband hebben, of die van de advocaat-syndicus enige bezoldiging ontvangen. Indien de cliŽnten ingelicht werden over de aard en de draagwijdte van de samenwerking of binding tussen de advocaten, en toch willen dat hun belangen door hen worden verdedigd, kan dat wel.

  Art. IV.2.7. De advocaat-syndicus doet elke verhandeling van gelden voor de gemeenschappen van eigenaars, die hij als syndicus vertegenwoordigt, via speciaal daarvoor geopende rekeningen. Die zijn afgescheiden van zijn persoonlijke rekeningen en van de rekeningen van zijn kantoor, inbegrepen de derdenrekeningen. Die bijzondere derdenrekeningen voor de mandaten als syndicus vallen onder de bevoegdheid en de controle van de Orde, overeenkomstig afdeling III.2.8 (Derdengelden)

  DEEL V. - ORGANISATIE VAN HET KANTOOR

  HOOFDSTUK V.1. - Samenwerkingsverbanden tussen advocaten en eenpersoonsvennootschappen van advocaten

  Afdeling V.1.1. - Samenwerkingsverbanden tussen advocaten

  Art. V.1.1.1. Definities
  1.1. Een samenwerkingsverband is een duurzame samenwerking tussen advocaten die de uitoefening van het beroep van advocaat of de ondersteuning van die uitoefening beoogt en die een gemeenschappelijke onderneming tussen haar leden vergt.
  1.2. Een associatie is een samenwerkingsverband waarin de leden de uitoefening van het beroep van advocaat volledig of gedeeltelijk hebben ingebracht en contractueel hebben vastgelegd hoe tussen hen de baten of verliezen van het samenwerkingsverband worden verdeeld.
  Bij een volledige inbreng in een associatie bepalen de leden van het samenwerkingsverband contractueel dat zij de uitoefening van het beroep van advocaat uitsluitend in het samenwerkingsverband uitoefenen.
  Bij een gedeeltelijke inbreng in een associatie bepalen de leden van het samenwerkingsverband contractueel welk gedeelte van de uitoefening van het beroep van advocaat zij in het samenwerkingsverband uitoefenen.
  1.3. Een groepering is een samenwerkingsverband waarvan de leden enkel contractueel hebben vastgelegd hoe zij gemeenschappelijke diensten ter ondersteuning van de beroepsuitoefening van haar leden organiseren en hoe ze de kosten daarvan delen.
  1.4. Een netwerk is een samenwerkingsverband waarvan de leden onafhankelijk van elkaar het beroep van advocaat uitoefenen, maar de andere leden van het netwerk bij hun cliŽnteel aanbevelen.
  1.5. Vlaamse advocaten zijn voor de toepassing van dit reglement advocaten zoals bedoeld in artikel 498 van het Gerechtelijk Wetboek.
  1.6. Het Vlaams rechtsgebied is voor de toepassing van dit reglement het deel van het Belgische grondgebied dat wordt gevormd door de gerechtelijke arrondissementen waarover de balies die deel uitmaken van de Orde van Vlaamse Balies zich uitstrekken.
  1.7. Documenten zijn voor de toepassing van dit reglement alle mogelijke stukken waarmee een samenwerkingsverband naar buiten treedt, ongeacht de drager van de stukken en de middelen waarmee de stukken worden verspreid.

  Art. V.1.1.2. Algemene regels
  2.1. Een samenwerkingsverband dat kenmerken van meer dan ťťn van de navolgende soorten samenwerkingsverbanden vertoont, is onderworpen aan de meest restrictieve bepalingen die volgens dit reglement toepasselijk zijn, ongeacht de kwalificatie van dat samenwerkingsverband door zijn leden of de wijze waarop het samenwerkingsverband of zijn leden naar buiten treedt.
  2.2. Elk samenwerkingsverband moet een burgerlijk doel hebben.
  2.3. Vlaamse advocaten kunnen een samenwerkingsverband aangaan door overeenkomsten naar Belgisch of buitenlands recht te sluiten, dan wel door een rechtspersoon naar Belgisch of buitenlands recht op te richten of er tot toe te treden.
  2.4. Vlaamse advocaten kunnen een samenwerkingsverband aangaan met andere Vlaamse advocaten, met advocaten bij het Hof van Cassatie, met ťťn of meer binnen- of buitenlandse advocaten of met hun respectieve samenwerkingsverbanden. Ze kunnen ook tot een dergelijk reeds bestaand samenwerkingsverband toetreden, zonder dat die bepaling afbreuk doet aan wat andere reglementen bepalen.
  2.5. Voor zover andere beroepsregels dit niet in de weg staan, kan een Vlaamse advocaat of zijn eenpersoonsvennootschap toetreden tot samenwerkingsverbanden die buiten het Vlaams rechtsgebied werden opgericht en waarvan de aandelen mede door niet-advocaten worden aangehouden. Dat samenwerkingsverband en haar leden moeten steeds artikel 2.6 naleven.
  2.6. Wanneer Vlaamse advocaten met andere advocaten aan een samenwerkingsverband deelnemen, letten de Vlaamse advocaten erop dat dat samenwerkingsverband en de andere leden ervan in het Vlaams rechtsgebied enkel met het beroep van advocaat verenigbare activiteiten uitoefenen en leven zij binnen het Vlaams rechtsgebied de beroepsregels na waaraan Vlaamse advocaten zijn onderworpen.
  2.7. Al de aandelen van een samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid moeten steeds op naam van de vennoten in het aandelenregister worden ingeschreven.
  2.8. Een samenwerkingsverband kan met een ander samenwerkingsverband verbonden zijn zoals bedoeld in artikel 11, 1į van het Wetboek van Vennootschappen. In dat geval strekken de belangenconflicten binnen een samenwerkingsverband of in hoofde van de leden van dat samenwerkingsverband zich uit tot de andere verbonden samenwerkingsverbanden of de leden ervan.
  2.9. Beslissingen en maatregelen die volgens dit reglement door onderscheiden raden van de Orde, respectievelijk stafhouders, of overeenkomstige buitenlandse overheden worden genomen, zijn slechts definitief indien zij door elk van die ordinale organen of overheden werden genomen.
  Als die ordinale organen of overheden zoals in het vorige lid bedoeld onderscheiden voorwaarden hebben opgelegd, worden alle voorwaarden cumulatief toegepast.
  Als die ordinale organen of overheden zoals in het eerste lid bedoeld onderling strijdige voorwaarden hebben opgelegd, wordt de meest restrictieve voorwaarde toegepast.
  Elke beslissing of maatregel die een raad van de Orde of een stafhouder neemt, wordt in voorkomend geval steeds van rechtswege geacht onder opschortende voorwaarde van goedkeuring of niet-bezwaar van de andere bevoegde overheden te zijn genomen.
  2.10. De oprichting, de wijziging, de ontbinding of beŽindiging van een samenwerkingsverband gebeurt schriftelijk, evenals de toetreding tot of uittreding van een samenwerkingsverband.
  2.11. De overeenkomst, het reglement van inwendige orde, de oprichtingsakte of de statuten van een samenwerkingsverband bepalen dat zij ondergeschikt zijn aan de regels van dit reglement en de deontologische regels van het beroep en daarmee overeenstemmend moeten worden geÔnterpreteerd.
  2.12. Binnen een associatie of groepering behartigen leden geen belangen die strijden met de belangen die door andere leden van dezelfde associatie of groepering worden behartigd.
  2.13. Indien wettelijke en deontologische regels of regels van onverenigbaarheid er binnen een associatie of groepering toe leiden dat in een welbepaalde aangelegenheid een lid van die associatie of groepering niet kan optreden, kan een ander lid van die associatie of groepering in diezelfde aangelegenheid evenmin optreden.
  2.14. Advocaten die de indruk wekken dat ze tot een associatie of groepering behoren zonder dat daar schriftelijke contractuele afspraken voor zijn, worden voor de toepassing van dit reglement naar gelang het geval als leden van een associatie of een groepering beschouwd.
  2.15. Indien een samenwerkingsverband in zijn naam of logo de naam van een lid van dat samenwerkingsverband voert, zullen het samenwerkingsverband en zijn leden er onverwijld voor zorgen dat de naam van dat lid uit de naam en het logo van dat samenwerkingsverband wordt geschrapt en dat de documenten van het samenwerkingsverband in die zin worden aangepast indien:
  a. de betrokken advocaat uittreedt om buiten dat samenwerkingsverband het beroep uit te oefenen;
  b. de betrokken advocaat bij definitieve tuchtbeslissing werd geschrapt;
  c. de betrokken advocaat van het samenwerkingsverband wordt uitgesloten;
  d. de betrokken advocaat het beroep niet meer uitoefent en het samenwerkingsverband geen akkoord met hem of met zijn rechtsopvolgers sloot over het verdere gebruik van zijn naam;
  e. de betrokken advocaat wordt weggelaten om een beroep uit te oefenen dat onverenigbaar is met dat van advocaat zoals bedoeld in artikel 437 van het Gerechtelijk Wetboek.
  2.16. De documenten van het samenwerkingsverband vermelden getrouw de aard en vorm en tonen aan dat ze uitgaan van advocaten.
  2.17. De voor- of achterzijde van het briefpapier van het samenwerkingsverband dat in het Vlaams rechtsgebied wordt gebruikt, en in voorkomend geval de website, vermeldt minstens de namen van de advocaten die lid zijn van het samenwerkingsverband en in het Vlaams rechtsgebied het beroep van advocaat uitoefenen.
  Indien het briefpapier ook de namen van andere leden dan de Vlaamse advocaten van het samenwerkingsverband vermeldt, gebeurt dat telkens met opgave van of verwijzing naar de balie of de beroepsorganisatie van die leden.
  Indien het samenwerkingsverband, naast de leden die op het briefpapier moeten worden vermeld, ook nog andere leden telt die niet op het briefpapier staan, vermeldt het briefpapier dat de namen van die niet-vermelde leden op eerste verzoek aan iedere cliŽnt of belanghebbende derde zullen worden medegedeeld.
  Alle leden van een associatie of groepering moeten voor hun activiteit binnen de associatie of groepering hetzelfde briefpapier gebruiken.
  2.18. Ongeacht of in een statutaire geschillenregeling is voorzien, respecteren de leden van het samenwerkingsverband bij de beslechting van hun onderlinge geschillen het beroepsgeheim.
  Met het oog op de bescherming van het beroepsgeheim kunnen enkel advocaten vereffenaars van een samenwerkingsverband zijn.
  Onverminderd de eventuele bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen wordt het samenwerkingsverband niet van rechtswege ontbonden door het overlijden of uittreden om welke reden ook van ťťn van zijn leden.
  De ontbinding of uittreding van samenwerkingsverbanden die op hun beurt een verder samenwerkingsverband hebben gesloten leidt niet tot ontbinding van dat laatste samenwerkingsverband.
  Bij ontbinding van het samenwerkingsverband of bij uittreding van een lid worden de dossiers verdeeld volgens de ter zake gemaakte afspraken, waarbij geen afbreuk mag worden gedaan aan de vrije keuze van de cliŽnt.
  2.19. Dit reglement doet geen afbreuk aan de deontologische verplichtingen van de advocaat.

  Art. V.1.1.3. Bijzondere regels met betrekking tot de associatie
  3.1. Overeenkomsten of schriftelijke afspraken over de oprichting van een nieuwe of de wijziging van een bestaande associatie kunnen slechts worden gesloten na goedkeuring door de stafhouder(s), ongeacht hun vorm of opschrift.
  3.2. De advocaat die toetreedt tot een bestaande associatie die eerder door zijn stafhouder(s) werd goedgekeurd en waarvan de statuten door zijn toetreding niet wijzigen, meldt zijn toetreding aan de stafhouder(s).
  3.3. De advocaat die toetreedt tot een bestaande associatie die niet eerder aan zijn stafhouder(s) werd meegedeeld, deelt zowel de toetredingsovereenkomst alsmede de reeds bestaande overeenkomsten vooraf aan de stafhouder(s) mee.
  3.4. Een advocaat kan het beroep van advocaat niet uitoefenen als lid van meer dan ťťn associatie.
  3.5. De statuten van een associatie naar Belgisch recht moeten volgende zaken bepalen:
  a. In de bestuursorganen van een associatie kunnen enkel advocaten zetelen die werkzaam zijn binnen die associatie of binnen verbonden advocatenvennootschappen in de zin van artikel 11 van het Wetboek van Vennootschappen.
  b. Het verlies van de hoedanigheid van advocaat brengt van rechtswege de verplichting met zich mee om als bestuurder terug te treden en om zijn aandelen of rechten over te dragen, hetzij aan de andere vennoten, hetzij aan de vennootschap, hetzij aan een ander advocaat, binnen de voorwaarden door de statuten bepaald.
  c. Het overlijden, het definitief verbod tot beroepsuitoefening, de schorsing, de wettelijke onbekwaamheid, het kennelijk onvermogen, de uitsluiting of de uittreding van een vennoot hebben niet de ontbinding van de vennootschap tot gevolg, behalve wanneer de wet of de statuten dat voorschrijven.
  d. De statuten bepalen de rechten en verplichtingen van de gewezen vennoot of van zijn rechtverkrijgenden bij verlies van de hoedanigheid van vennoot, om welke reden ook.
  e. Vlaamse advocaten die tot associaties toetreden die niet naar Belgisch recht werden opgericht, zorgen ervoor dat die associatie in het Vlaams rechtsgebied de regels die voor associaties naar Belgisch recht gelden, eerbiedigt.
  3.6. De advocaat die in een associatie werkzaam is kan niet in rechte optreden als advocaat van de leden van de associatie, noch als advocaat van de associatie.

  Art. V.1.1.4. Bijzondere regels met betrekking tot de groeperingen
  4.1. Overeenkomsten of schriftelijke afspraken over de oprichting van een nieuwe groepering die onder een gemeenschappelijke naam naar buiten treedt of de wijziging van een dergelijke bestaande groepering kunnen slechts worden gesloten na goedkeuring door de stafhouder(s), ongeacht hun vorm of opschrift.
  4.2. Overeenkomsten of schriftelijke afspraken over de oprichting van een nieuwe groepering die niet onder een gemeenschappelijke naam naar buiten treedt of de wijziging van een dergelijke bestaande groepering worden aan de stafhouder(s) gemeld, ongeacht hun vorm of opschrift. De stafhouder kan wijzigingen opleggen.
  4.3. De advocaat die toetreedt tot een bestaande groepering die eerder door zijn stafhouder(s) werd goedgekeurd en waarvan de statuten door zijn toetreding niet wijzigen, meldt zijn toetreding aan de stafhouder(s).
  4.4. De advocaat die toetreedt tot een bestaande groepering die niet eerder aan zijn stafhouder(s) werd meegedeeld, deelt zowel de toetredingsovereenkomst als de reeds bestaande overeenkomsten vooraf aan de stafhouder(s) mee.
  4.5. De groepering vermeldt op haar briefpapier de namen van al haar leden.
  4.6. De advocaat kan slechts van ťťn groepering lid zijn.
  4.7. De advocaat die in een groepering werkzaam is kan niet als advocaat van de leden van de groepering, noch als advocaat van de groepering in rechte optreden.

  Art. V.1.1.5. Bijzondere regels met betrekking tot netwerken
  5.1. Overeenkomsten of schriftelijke afspraken over de oprichting van-, de toetreding tot-, dan wel de wijziging van een netwerk worden onmiddellijk door de daarbij betrokken advocaten aan hun stafhouder(s) meegedeeld, ongeacht hun vorm of opschrift. De stafhouder kan wijzigingen opleggen.
  5.2. De advocaat die toetreedt tot een bestaand netwerk dat niet eerder aan zijn stafhouder(s) werd meegedeeld, deelt zowel de toetredingsovereenkomst als de reeds bestaande overeenkomst vooraf aan zijn stafhouder(s) mee.
  5.3. Leden van een netwerk kunnen slechts occasioneel elkaars infrastructuur gebruiken.
  5.4. Indien de leden van het netwerk hun deelname aan dat netwerk op hun briefpapier vermelden, doen ze dat zo dat bij het publiek niet de indruk wordt gewekt dat de advocaat binnen een associatie of groepering werkzaam is.

  Afdeling V.1.2. - Eenpersoonsvennootschappen van advocaten

  Art. V.1.2.6. De eenpersoonsvennootschap
  6.1. De advocaat kan vennoot van een of meerdere professionele eenpersoonsvennootschappen zijn.
  6.2. De betrokken advocaat moet de oprichtingsakte of de wijzigingsakte van een eenpersoonsvennootschap onmiddellijk aan zijn stafhouder(s) meedelen. De stafhouder kan wijzigingen opleggen.
  6.3. Een eenpersoonsvennootschap kan lid zijn van een samenwerkingsverband.
  6.4. De advocaat-vennoot van ťťn of meerdere eenpersoonsvennootschappen kan het beroep van advocaat in niet meer dan ťťn associatie of ťťn groepering uitoefenen.
  6.5. De statuten van een eenpersoonsvennootschap moeten de volgende clausules bevatten of voldoen aan de volgende voorwaarden:
  a. Het doel van de eenpersoonsvennootschap mag enkel bestaan uit het uitoefenen van het beroep van advocaat, hetzij alleen, hetzij met anderen, en alle aanverwante activiteiten die verenigbaar zijn met het statuut van advocaat, zoals optreden als scheidsrechter, gerechtelijk mandataris, bestuurder, vereffenaar en curator, gerechtelijke opdrachten uitvoeren, cursussen en voordrachten geven en artikels en boeken publiceren, met uitsluiting van iedere handelsactiviteit.
  b. De eenpersoonsvennootschap kan haar geldmiddelen beleggen in roerende of onroerende goederen zonder dat dat evenwel een handelsactiviteit mag uitmaken.
  c. De eenpersoonsvennootschap eerbiedigt bij de uitoefening van haar activiteit de regels eigen aan de uitoefening van het beroep van advocaat.
  d. De zaakvoerder van de eenpersoonsvennootschap moet de enige vennoot zijn.
  e. De statuten bepalen de rechten en de verplichtingen van de gewezen vennoot of van zijn rechtverkrijgende bij verlies, om welke reden ook, van de hoedanigheid van vennoot.
  f. Het briefpapier dat de eenpersoonsvennootschap voor de uitoefening van het beroep van advocaat gebruikt, vermeldt steeds de naam, de voornaam en de hoedanigheid van advocaat van de vennoot.

  HOOFDSTUK V.2. - Samenwerking tussen advocaten en niet-advocaten

  Art. V.2.1. De advocaat verzekert in zijn beroepsmatige samenwerking met niet-advocaten zijn onafhankelijkheid, zijn partijdigheid en de bescherming van zijn beroepsgeheim en vermijdt elk mogelijk belangenconflict.

  Art. V.2.2. Een advocaat mag niet gedogen dat gesuggereerd of beweerd wordt dat hij deel uitmaakt van een niet-toegelaten groep of samenwerkingsverband, en moet daarop adequaat reageren.

  Art. V.2.3. Dit reglement verhindert niet dat de advocaat met advocaten in andere E.U.-landen groepen of samenwerkingsverbanden vormt die aldaar de voor eigen onderdanen wettelijke en deontologische regels respecteren en die bij de uitoefening van hun activiteiten in BelgiŽ de hier geldende wetten en deontologische regels naleven.

  Art. V.2.4. Artikel 8 van het reglement "Uitoefening in samenwerking van het beroep van advocaat" van 8 maart 1990 van de algemene raad van de Nationale Orde van Advocaten wordt opgeheven voor alle advocaten van de balies die van de Orde van Vlaamse Balies deel uitmaken.

  HOOFDSTUK V.3. - Het kantoor en de bijkantoren

  Afdeling V.3.1. - Het houden van meerdere kantoren of vestigingen

  Art. V.3.1.1.[1 Een advocaat ingeschreven op het tableau, kan meerdere kantoren houden in ťťn of meerdere gerechtelijke arrondissementen, in binnen- of buitenland.
   Een advocaat die meerdere kantoren houdt, heeft zijn hoofdkantoor in het kantoor waar hij hoofdzakelijk zijn beroep uitoefent. Een stagiair kan, naast het kantoor dat hij gewoonlijk houdt bij zijn stagemeester, slechts ťťn kantoor houden en uitsluitend in hetzelfde arrondissement, onverminderd artikel 430, 2į Ger.W.]1
  ----------
  (1)<VARIA 2015-09-23/02, art. V, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. V.3.1.2. Samenwerkingsverbanden van advocaten kunnen meerdere vestigingen hebben in ťťn of meerdere gerechtelijke arrondissementen, in binnen- of buitenland.
  In elke vestiging van het samenwerkingsverband houdt minstens ťťn lid van het samenwerkingsverband kantoor.

  Art. V.3.1.3. Een advocaat die lid is van een associatie met gedeeltelijke inbreng of van een groepering die onder gemeenschappelijke naam naar buiten treedt, mag buiten die associatie of groepering uitsluitend een individueel kantoor houden om activiteiten uit te oefenen die niet in de associatie ingebracht zijn of die niet onder de gemeenschappelijke naam van de groepering worden uitgeoefend. Op het briefpapier dat hij daarvoor gebruikt, vermeldt hij van welke associatie of groepering hij tevens lid is.
  Indien een advocaat die lid is van een volledige associatie of groepering een eigen kantoor heeft, kan hij dat kantoor enkel vermelden op het briefpapier van het samenwerkingsverband. Hij kan geen eigen briefpapier hebben.
  De medewerker, die geen lid is van een samenwerkingsverband, maar die kantoor houdt op het adres van de advocaat of het samenwerkingsverband waar hij bij werkt, kan daarnaast een eigen kantoor houden en eigen briefpapier hebben. Hij vermeldt op dat briefpapier bij welke advocaat of bij welk advocatenkantoor hij tevens medewerker is.

  Art. V.3.1.4. Een advocaat moet zich inschrijven op het tableau van elke Orde van Advocaten waar hij kantoor houdt.
  Een advocaat is volwaardig lid van elke Orde van Advocaten waar hij is ingeschreven, is er stemgerechtigd en verkiesbaar.
  Zonder afbreuk te doen aan de tuchtrechtelijke bevoegdheden van alle betrokken stafhouders gelden deze regels om een probleem of conflict tussen advocaten te beslechten:
  - alleen bevoegd is de gemeenschappelijke stafhouder, zijnde die van de Orde waar alle advocaten betrokken bij een conflict of probleem zijn ingeschreven.
  - indien de betrokken advocaten geen gemeenschappelijke stafhouder hebben, is voor elke advocaat uitsluitend de stafhouder van het arrondissement waar de advocaat zijn hoofdkantoor houdt, bevoegd over die advocaat, onverminderd bestaande conflictregels tussen stafhouders.

  Art. V.3.1.5. De advocaat deelt aan de stafhouders van de betrokken balies mee waar hij zijn hoofdkantoor houdt. Doet hij dat niet, dan wordt hij verondersteld zijn hoofdkantoor te houden op het adres van de oudste inschrijving op het tableau van een Orde van Advocaten behorende tot de Orde van Vlaamse Balies.
  De advocaat die een bijkomend kantoor opent of een kantooradres wijzigt, meldt de gegevens daarvan aan de stafhouder van elke Orde waar hij is ingeschreven.

  Art. V.3.1.6. In zijn schriftelijke communicatie vermeldt de advocaat transparant en waarheidsgetrouw de gegevens over hoofdkantoor en bijkantoren. De vermeldingen in elektronische briefwisseling mogen beperkt zijn tot de gegevens van zijn hoofdkantoor, voor zover de andere voorgeschreven gegevens op een daarin vermelde website staan.
  Het briefpapier van een samenwerkingsverband vermeldt duidelijk welke advocaat bij welke balie(s) is ingeschreven.

  Art. V.3.1.7. De advocaat moet in elk kantoor beschikken over een infrastructuur die een behoorlijke uitoefening van het beroep mogelijk maakt.

  Art. V.3.1.8. De advocaat die aan meerdere Ordes van Advocaten bij de Orde van Vlaamse Balies is ingeschreven, betaalt bij de Orde van Advocaten van zijn hoofdkantoor de volledige jaarlijkse bijdrage. Bij de andere Ordes waar hij ingeschreven is, betaalt hij de helft van de jaarlijkse bijdrage die hij daar zou moeten betalen als hij er zijn hoofdkantoor had.
  Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt rekening gehouden met de situatie op 1 december voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de jaarlijkse bijdrage wordt geÔnd.
  Voor de bijdrage van de balies aan de Orde van Vlaamse Balies en voor de berekening van het aantal leden dat die balie in de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies mag laten verkiezen, wordt uitsluitend rekening gehouden met de advocaten die hun hoofdkantoor hebben in een bepaalde Orde van Advocaten.

  Afdeling V.3.2. - De keuze van woonplaats en het kantoor van de advocaat

  Art. V.3.2.1. ß 1 De advocaat kan overeenkomen met zijn cliŽnt dat die laatste woonplaats kiest in het kantoor van de advocaat wanneer de omstandigheden dat vereisen of wanneer de wet of de gebruiken dat toelaten of vereisen. Zowel de cliŽnt als de advocaat heeft het recht die keuze van woonst eenzijdig en onmiddellijk te beŽindigen. De advocaat deelt die beŽindiging onmiddellijk en schriftelijk mee aan de cliŽnt en aan betrokken derden.
  ß 2 De advocaat mag zijn kantooradres niet als referentieadres laten gebruiken door de cliŽnt.

  Art. V.3.2.2. Met betrekking tot de communicatie van en met de raad van de Orde, de Orde en de stafhouder wordt elk advocaat geacht keuze van woonst te doen op zijn meest recent aan de Orde meegedeelde kantooradres.

  HOOFDSTUK V.4. - Medewerkers

  Art. V.4.1. Een medewerker in de zin van deze Codex is een advocaat die vast of ten minste regelmatig samenwerkt met een andere advocaat die niet zijn stagemeester is en met wie hij geen samenwerkingsverband heeft, terwijl hij in diens naam en voor diens rekening zaken behandelt.

  Art. V.4.2. Wanneer hun kantoor op hetzelfde adres gevestigd is, zijn de advocaat en zijn medewerkers gehouden door de bepalingen van artikel I.2.5.1 van deze Codex.

  HOOFDSTUK V.5. - De identificatie van de ondertekenaars van de briefwisseling

  Art. V.5.1. Brieven en andere documenten vermelden duidelijk wie de verzender is en, indien die niet optreedt als advocaat, zijn bijzondere hoedanigheid.
  Ook de advocaat die bij verhindering namens een andere advocaat tekent, vermeldt bij zijn handtekening zijn naam en hoedanigheid.

  Art. V.5.2. De ondertekenaar van de briefwisseling en elektronische berichtgeving van een advocaat moet kunnen worden geÔdentificeerd door de vermelding van zijn naam.

  DEEL VI. - INTERNE ORGANISATIE VAN DE BALIE

  HOOFDSTUK VI.1. - Vervanging van de stafhouder

  Art. VI.1.1. Elke raad van de Orde kan de wijze regelen waarop de stafhouder bij wettelijke verhindering of tijdelijke onbeschikbaarheid wordt vervangen en aan wie zijn taken tijdelijk worden overgedragen.

  HOOFDSTUK VI.2. - Optreden tegen lid van de balie

  Art. VI.2.1. De advocaat mag optreden tegen een advocaat die verbonden is aan dezelfde balie.

  DEEL VII. - PROCEDURES ZOALS IN TUCHT

  HOOFDSTUK VII.1. - De raad van de Orde zetelend zoals in tucht

  Art. VII.1.1. In de volgende gevallen volgt de raad van de Orde de in dit hoofdstuk vastgelegde procedure:
  ß 1 Wanneer de stafhouder of de raad van de Orde vaststelt dat er redenen kunnen zijn om een persoon de inschrijving of herinschrijving op het tableau, op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of op de lijst van stagiairs, met toepassing van de artikelen 432 of 472, ß 1 Ger.W. te weigeren;
  ß 2 Wanneer de stafhouder of de raad van de Orde vaststelt dat er redenen kunnen zijn om een advocaat, die daarom niet zelf heeft verzocht, met toepassing van de artikelen 432, 435, laatste lid of 437 Ger.W. weg te laten van het tableau, van de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of van de lijst van stagiairs;
  ß 3 Wanneer de stafhouder of de raad van de Orde vaststelt dat er redenen kunnen zijn om een advocaat, die daarom heeft verzocht, niet op te nemen op de lijst met advocaten die prestaties wensen te verrichten in het kader van de juridische eerstelijnsbijstand bedoeld in artikel 508/5, ß 1 Ger.W.;
  ß 4 Wanneer de stafhouder of de raad van de Orde vaststelt dat er redenen kunnen zijn om een advocaat overeenkomstig artikel 508/5, ß 4 Ger.W. te schrappen van de lijst met advocaten die prestaties wensen te verrichten in het kader van de juridische eerstelijnsbijstand;
  ß 5 Wanneer de stafhouder of de raad van de Orde vaststelt dat er redenen kunnen zijn om een advocaat, die daarom heeft verzocht, niet op te nemen op de lijst met advocaten die prestaties wensen te verrichten in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand bedoeld in artikel 508/7, ß 1 Ger.W.;
  ß 6 Wanneer de stafhouder of de raad van de Orde vaststelt dat er redenen kunnen zijn om een advocaat overeenkomstig artikel 508/8 Ger.W. te schrappen van de lijst met advocaten die prestaties wensen te verrichten in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand.

  Art. VII.1.2. De stafhouder roept de betrokken persoon met een ter post aangetekende brief op voor de raad van de Orde op de zitting die hij bepaalt. Hij houdt daarbij rekening met een oproepingstermijn van minstens 15 dagen. De oproepingsbrief vermeldt het voorwerp van de oproeping en eventueel ook de redenen die aanleiding geven tot het instellen van de procedure.

  Art. VII.1.3. Op de zitting van de raad van de Orde wordt de betrokken persoon gehoord. Hij kan zich laten bijstaan en vertegenwoordigen door een advocaat. De raad van de Orde kan steeds de persoonlijke verschijning bevelen.

  Art. VII.1.4. Indien de betrokken persoon geldig is opgeroepen overeenkomstig artikel VII.1.2 en niet verschijnt noch zich laat vertegenwoordigen door een advocaat, kan de zaak in zijn afwezigheid worden behandeld.

  Art. VII.1.5. De raad van de Orde behandelt de zaak in openbare zitting, behoudens de uitzonderingen vermeld in artikel 459 Ger.W.

  Art. VII.1.6. De raad van de Orde beslist in een met redenen omklede beslissing.

  Art. VII.1.7. De secretaris van de raad van de Orde brengt de betrokken persoon binnen acht dagen na de uitspraak op de hoogte van de beslissing bij ter post aangetekende brief. Hij vermeldt daarin de rechtsmiddelen.

  Art. VII.1.8. De betrokken persoon kan verzet aantekenen tegen de bij verstek genomen beslissing. Hij doet dat bij ter post aangetekende brief aan de secretaris van de raad van de Orde en binnen een termijn van 15 dagen na de kennisgeving van de beslissing.
  Laattijdig verzet wordt niet ontvankelijk verklaard, tenzij de raad van de Orde de verzetdoende van het verval ontheft. De raad van de Orde oordeelt daar soeverein over en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
  De secretaris van de raad van de Orde roept de betrokken persoon op om voor de raad van de Orde te verschijnen op de wijze vermeld in artikel VII.1.2. Indien hij opnieuw niet verschijnt, doet de raad van de Orde uitspraak zoals op tegenspraak.

  Art. VII.1.9. Tegen de beslissingen bedoeld in artikel VII.1.1, ßß 1, 2, 3 en 5 kan hoger beroep worden ingesteld overeenkomstig artikel 432bis Ger.W.
  Tegen de beslissingen bedoeld in artikel VII.1.1, ßß 4 en 6 kan hoger beroep worden ingesteld overeenkomstig artikel 463 Ger.W.
  De secretaris van de tuchtraad van beroep brengt onmiddellijk na ontvangst van het hoger beroep de secretaris van de betrokken raad van de Orde daarvan op de hoogte. Die laatste maakt onverwijld het geÔnventariseerd dossier over aan de secretaris van de tuchtraad van beroep.

  Art. VII.1.10. Ontvankelijk verzet en hoger beroep hebben schorsende kracht en de weglating van het tableau, van de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of van de lijst van stagiairs, of de schrapping van de lijst met advocaten die prestaties wensen te verrichten in het kader van de juridische eerstelijnsbijstand of de juridische tweedelijnsbijstand heeft uitwerking vanaf de dag die volgt op het verstrijken van de termijnen van verzet of hoger beroep, tenzij de raad van de Orde anders beslist.

  Art. VII.1.11. Dit hoofdstuk is van toepassing op elk verzoek tot inschrijving, herinschrijving of opname bedoeld in artikel VII.1.1, ßß 1, 3 en 5 gedaan na 4 maart 2008 (datum van de inwerkingtreding van hoofdstuk VII.1 De raad van de Orde zetelend zoals in tucht, oud OVB-reglement van 21.11.2007).
  Dit hoofdstuk is van toepassing op elke procedure van weglating of schrapping bedoeld in artikel VII.1.1, ßß 2, 4 en 6 ingeleid na 4 maart 2008 (datum van de inwerkingtreding van hoofdstuk VII.1 De raad van de Orde zetelend zoals in tucht, oud OVB-reglement van 21.11.2007).

  HOOFDSTUK VII.2. - Eedaflegging door getuigen

  Art. VII.2.1. De raad van de Orde mag de getuige verzoeken, zonder hem evenwel hiertoe te kunnen verplichten, de wettelijke eed, d.i. de waarheid te zeggen, af te leggen.

  Art. VII.2.2. De secretaris van de Orde vermeldt de eedaflegging, die op verzoek van de raad werd gedaan, in de notulen. Indien de getuige weigert de eed af te leggen, neemt de secretaris akte van de weigering en eventueel van de motivering.
  Vervolgens tekent de secretaris de verklaringen op. Die worden in elk geval, na voorlezing, steeds ter ondertekening aan de getuige voorgelegd. Indien de getuige weigert te tekenen, neemt de secretaris akte van de weigering en eventueel van de motivering.

  DEEL VIII. - GESCHILLENREGELING

  HOOFDSTUK VIII.1. - Bevoegdheid met betrekking tot geschillen tussen advocaten, leden van de balies aangesloten bij de Orde van Vlaamse Balies

  Art. VIII.1.1. De deontologische bevoegdheid over de advocaten ingeschreven op het tableau, op de lijst van stagiairs of op de EU-lijst van een balie die deel uitmaakt van de Orde van Vlaamse Balies, behoort tot de stafhouder van die balie, onverminderd de bepalingen van artikelen 455, 456, 458 en 477bis e.v. Ger.W.

  Art. VIII.1.2. Bij een conflict tussen advocaten die ťťn gemeenschappelijke stafhouder van een balie aangesloten bij de Orde van Vlaamse Balies hebben, is die gemeenschappelijke stafhouder bevoegd.

  Art. VIII.1.3. ß 1 Indien er meerdere gemeenschappelijke stafhouders van balies aangesloten bij de Orde van Vlaamse Balies zijn, is de beslissing doorslaggevend van de stafhouder van de balie van de plaats van het rechtsgeding, de arbitrage, bemiddeling, onderhandeling of professionele activiteit waarop de betwisting betrekking heeft, indien die plaats binnen het bevoegdheidsgebied van een van die stafhouders ligt.
  ß 2 Indien er meerdere gemeenschappelijke stafhouders van balies aangesloten bij de Orde van Vlaamse Balies zijn, maar de plaats van het rechtsgeding, de arbitrage, bemiddeling, onderhandeling of professionele activiteit waarop de betwisting betrekking heeft, is gesitueerd buiten het bevoegdheidsgebied van de respective stafhouders van de advocaten, dan blijven de gemeenschappelijke stafhouders samen bevoegd.
  Wanneer de stafhouders het niet eens zouden geraken, duiden ze samen een derde stafhouder of gewezen stafhouder aan die een beslissing neemt. Bij onenigheid over welke derde (gewezen) stafhouder aangeduid wordt, adiŽren de stafhouders de voorzitter of een bestuurder van de Orde van Vlaamse Balies die binnen de vijf kalenderdagen een derde (gewezen) stafhouder aanduidt die een beslissing zal nemen.

  Art. VIII.1.4. Indien de betrokken advocaten geen gemeenschappelijke stafhouder hebben, dan is voor elke advocaat de stafhouder bevoegd van de balie waar hij is ingeschreven.

  Art. VIII.1.5. ß 1 Bij onenigheid tussen stafhouders van balies aangesloten bij de Orde van Vlaamse Balies, is de beslissing doorslaggevend van de stafhouder van de balie van de plaats van het rechtsgeding, de arbitrage, bemiddeling, onderhandeling of professionele activiteit waarop de betwisting betrekking heeft, indien die plaats binnen het bevoegdheidsgebied van een van die stafhouders ligt.
  ß 2 Indien het conflict betrekking heeft op een procedure, arbitrage, bemiddeling, onderhandeling of een professionele activiteit, gesitueerd buiten het bevoegdheidsgebied van de respectieve stafhouders van de betrokken advocaten, blijven de respectieve stafhouders samen bevoegd, behoudens voor zittingsincidenten.
  Wanneer de stafhouders het niet eens zouden geraken, duiden ze samen een derde stafhouder of gewezen stafhouder aan die een beslissing neemt. Bij onenigheid over welke derde (gewezen) stafhouder aangeduid wordt, adiŽren de stafhouders de voorzitter of een bestuurder van de Orde van Vlaamse Balies die binnen de vijf kalenderdagen een derde (gewezen) stafhouder aanduidt die een beslissing zal nemen.

  Art. VIII.1.6. Bij een zittingsincident is de stafhouder van de plaats bevoegd waar de zitting plaats heeft, ongeacht tot welke balie de betrokken advocaten behoren.
  Voor een zittingsincident in het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde is uitsluitend de stafhouder van de Nederlandse Orde van Advocaten te Brussel bevoegd voor de advocaten die tot een balie aangesloten bij de Orde van Vlaamse Balies behoren, ongeacht de taal waarin de procedure wordt gevoerd.

  Art. VIII.1.7. Bij betwistingen over het overleggen van briefwisseling tussen advocaten geldt enkel artikel III.2.4.4 van deze Codex.

  Art. VIII.1.8. Indien bij een betwisting die nog niet is beslecht, ťťn van de betrokken advocaten van balie verandert, is voor hem de stafhouder van zijn nieuwe balie bevoegd.
  Heeft de stafhouder van zijn oude balie reeds een beslissing genomen, dan is de stafhouder van zijn nieuwe balie hierdoor gebonden.

  HOOFDSTUK VIII.2. - Lokale reglementen

  Art. VIII.2.1. Lokale reglementen van de Ordes van Advocaten zijn slechts toepasselijk voor betwistingen waarbij uitsluitend advocaten van die balie betrokken zijn.
  Indien advocaten van meerdere balies in de betwisting betrokken zijn, gelden uitsluitend de reglementen van de Orde van Vlaamse Balies.

  HOOFDSTUK VIII.3. [1 - Ombudsdienst Consumentengeschillen Advocatuur]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij VARIA 2015-09-23/02, art. VI, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  

  Art. VIII.3.1. [1 Binnen de Orde van Vlaamse Balies wordt een "Ombudsdienst Consumentengeschillen Advocatuur" (afgekort OCA) opgericht. Die is als gekwalificeerde entiteit voor buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen zoals bedoeld in boek XVI WER bevoegd om kennis te nemen van geschillen tussen consumenten en hun advocaat.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij VARIA 2015-09-23/02, art. VI, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  

  Art. VIII.3.2. [1 De werking van de OCA wordt vastgelegd in een procedurereglement en een reglement van interne orde die ter goedkeuring worden voorgelegd aan de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies (OVB).]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij VARIA 2015-09-23/02, art. VI, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  

  Art. VIII.3.3. [1 Elke raad van de Orde draagt driejaarlijks een lijst voor met minstens drie namen van advocaten die in aanmerking komen om consumentengeschillen te behandelen. De lijst wordt voor het eerst overgemaakt tegen 1 juni 2015, nadien telkens om de drie jaar tegen 1 juni. De raad van de Orde beslist zelf over de eventuele vergoeding van de mandaten, zonder dat die vergoeding in functie mag staan van de uitkomst van de buitengerechtelijke geschillenregeling.
   De advocaten die opgenomen zijn op voornoemde lijst moeten bij de uitoefening van hun mandaat de procedures en termijnen naleven die van toepassing zijn op de consumentengeschillen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij VARIA 2015-09-23/02, art. VI, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  

  Art. VIII.3.4. [1 De advocaat is niet verplicht een beroep te doen op de OCA in het kader van een consumentengeschil met een cliŽnt. Deelnemen aan de procedure belet het instellen van een rechtsvordering niet.
   De advocaat kan zich steeds terugtrekken uit de procedure.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij VARIA 2015-09-23/02, art. VI, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  

  Art. VIII.3.5. [1 De advocaat die binnen zijn kantoor een dienst zoals bepaald in titel 2 van boek XVI WER organiseert neemt minstens de volgende bepalingen op in zijn algemene voorwaarden en op zijn website:
   1. De consument kan bij de advocaat rechtstreeks een klacht indienen of informatie vragen in verband met de reeds afgesloten overeenkomst van dienstverlening tussen advocaat en consument.
   2. De advocaat reageert zo snel mogelijk op gebeurlijke klachten en stelt alles in het werk om een bevredigende oplossing te vinden.
   3. De advocaat neemt alle nuttige informatie in verband met de bevoegde dienst op, waaronder zijn telefoon- en faxnummer en elektronisch adres, onverminderd de vermelding van de overige wettelijk vereiste informatie. Die dienst mag in zijn benaming geen verwijzing maken naar de termen "ombudsman", "bemiddeling", "verzoening", "arbitrage", "gekwalificeerde entiteit" of "buitengerechtelijke geschillenregeling".
   4. De advocaat vermeldt of hij bij gebreke aan vergelijk met de consument binnen een redelijke termijn een beroep doet op de OCA. In voorkomend geval bezorgt hij de consument de wettelijk opgelegde informatie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij VARIA 2015-09-23/02, art. VI, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  

  Art. VIII.3.6. [1 De advocaat die betrokken is in een consumentengeschil moet zijn stafhouder, en gebeurlijk ook zijn verzekeraar, daarvan onverwijld inlichten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij VARIA 2015-09-23/02, art. VI, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  

  Art. VIII.3.7. [1 Dit reglement (lezen : Hoofdstuk) treedt in werking op de dag dat de OCA erkend wordt als gekwalificeerde entiteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij VARIA 2015-09-23/02, art. VI, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  

  DEEL IX. - TOEPASSING VAN DE CODEX

  HOOFDSTUK IX.1. - Toepassing van de Codex

  Art. IX.1.1. In geval van twijfel of betwisting over de toepassing van een bepaling in deze Codex, raadpleegt de advocaat zijn stafhouder.

  DEEL X. - GEDRAGSCODE VOOR EUROPESE ADVOCATEN

  HOOFDSTUK X.1. - Inleiding

  Afdeling X.1.1. - De taak van de advocaat

  Art. X.1.1.1. In een maatschappij, die gegrondvest is op de eerbied voor het recht, heeft de advocaat een voorname rol. De taak van de advocaat is niet beperkt tot het getrouwelijk uitvoeren van een opdracht binnen het kader van de wet. De advocaat moet waken voor het respect voor de rechtsstaat en voor de belangen van degenen van wie hij de rechten en vrijheden verdedigt. Het is de plicht van de advocaat niet enkel om de zaak van de cliŽnt te verdedigen, maar ook om zijn raadsman te zijn. Het respect voor de taak van de advocaat is een essentiŽle voorwaarde tot de rechtsstaat en een democratische samenleving.
  Zijn taak legt hem bijgevolg velerlei plichten en verplichtingen op, die soms met elkaar in tegenspraak schijnen te zijn, en wel jegens:
  - de cliŽnt;
  - de rechterlijke en andere instanties, waarvoor de advocaat de cliŽnt bijstaat of vertegenwoordigt;
  - zijn beroepsgroep in het algemeen en iedere beroepsgenoot in het bijzonder;
  - het publiek, voor wie een vrij en onafhankelijk beroep, gebonden door het eerbiedigen van de regels, die de beroepsgroep zichzelf heeft opgelegd, een wezenlijk middel is voor het waarborgen van de rechten van de mens tegen de macht van de Staat en andere gezagsdragers in de samenleving.

  Afdeling X.1.2. - De aard van de gedragsregels

  Art. X.1.2.1. Door hun vrijwillige aanvaarding beogen de gedragsregels een goede uitoefening van de taak van de advocaat te waarborgen, een taak die erkend wordt onontbeerlijk te zijn voor het goed functioneren van iedere samenleving. Het verzuim van de advocaat om deze regels na te leven kan leiden tot disciplinaire maatregelen.

  Art. X.1.2.2. Iedere balie heeft haar eigen specifieke regels, die geworteld zijn in haar eigen tradities. Zij zijn aangepast zowel aan de organisatie en het werkterrein van de advocaat in de betrokken lidstaat als aan de gerechtelijke en administratieve procedures en de nationale wetgeving. Het is noch mogelijk noch wenselijk ze daarvan te vervreemden en evenmin te pogen regels, die zich daartoe niet lenen, te veralgemenen. De bijzondere regels van elke balie hebben niettemin betrekking op dezelfde waarden en geven veelal blijk van een gemeenschappelijke grondslag.

  Afdeling X.1.3. - De doelstellingen van de gedragscode

  Art. X.1.3.1. De voortschrijdende integratie van de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte, en de intensivering van de grensoverschrijdende activiteiten van de advocaat binnen de Europese Economische Ruimte hebben het in het algemeen belang noodzakelijk gemaakt uniforme regels vast te stellen, die voor iedere advocaat in de Europese Economische Ruimte gelden voor zijn grensoverschrijdende activiteiten, ongeacht tot welke balie hij behoort. De vaststelling van zulke regels heeft voornamelijk ten doel de moeilijkheden te verminderen die voortvloeien uit de toepassing van twee stelsels van gedragsregels, zoals met name bepaald in de artikelen 4 en 7.2 van de Richtlijn 77/249/EEG en de artikelen 6 en 7 van de Richtlijn 98/5/EG.

  Art. X.1.3.2. De beroepsorganisaties van advocaten, verenigd in de CCBE, spreken de wens uit, dat de navolgende vastgestelde regels:
  - van nu af aan erkend zullen worden als de uiting van de consensus tussen alle balies van de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte;
  - ten spoedigste volgens nationale procedures en/of procedures van de Europese Economische Ruimte toepasselijk zullen worden verklaard op de grensoverschrijdende activiteiten van de advocaat in de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte;
  - in acht zullen worden genomen bij iedere herziening van interne gedragsregels met het oog op een geleidelijke harmonisatie daarvan.
  Zij spreken voorts de wens uit dat hun interne gedragsregels zoveel mogelijk zullen worden geÔnterpreteerd en toegepast overeenkomstig de onderhavige gedragscode.
  Wanneer de regels van de onderhavige gedragscode toepasselijk zijn verklaard op de grensoverschrijdende activiteiten van de advocaat, blijft de advocaat onderworpen aan de gedragsregels van de balie waartoe hij behoort, voor zover deze in overeenstemming zijn met die van de onderhavige gedragscode.

  Afdeling X.1.4. - Toepassingsgebied ratione personae

  Art. X.1.4.1. Deze Code geldt voor advocaten in de zin van Richtlijn 77/249/EEG en Richtlijn 98/5/EG en voor advocaten van de waarnemende leden van de CCBE.

  Afdeling X.1.5. - Toepassingsgebied ratione materiae

  Art. X.1.5.1. Onverminderd het streven naar een geleidelijke harmonisatie van de gedragsregels, die slechts nationaal toepasselijk zijn, zullen de navolgende regels van toepassing zijn op de grensoverschrijdende activiteiten van de advocaat binnen de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte.
  Onder grensoverschrijdende activiteiten wordt verstaan:
  a. Alle professionele contacten met advocaten uit andere lidstaten;
  b. De professionele activiteiten van de advocaat in een andere lidstaat, ook al begeeft hij zich niet daarheen.

  Afdeling X.1.6. - Definities

  Art. X.1.6.1. In deze Code:
  - betekent "lidstaat" een lidstaat van de EU of elke andere Staat waar het beroep van advocaat overeenkomstig artikel X.1.4.1 wordt uitgeoefend;
  - betekent "lidstaat van herkomst" de lidstaat waar de advocaat het recht verworven heeft om zijn beroepstitel te dragen;
  - betekent "lidstaat van ontvangst" elke andere lidstaat waarin de advocaat grensoverschrijdende activiteiten verricht;
  - betekent "bevoegde autoriteit" de beroepsorganisatie(s) of autoriteit van de betrokken lidstaat, bevoegd om de beroeps- en/of gedragsregels te bepalen en het disciplinaire toezicht over de advocaten uit te oefenen;
  - betekent "Richtlijn 77/249/EEG" Richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten;
  - betekent "Richtlijn 98/5/EG" Richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven.

  HOOFDSTUK X.2. - Algemene beginselen

  Afdeling X.2.1. - Onafhankelijkheid

  Art. X.2.1.1. Het veelvoud van verplichtingen, dat op de advocaat rust, vereist de absolute onafhankelijkheid van de advocaat, vrij van alle druk, in het bijzonder van de druk van eigen belangen of van beÔnvloedingen van buitenaf. Deze onafhankelijkheid is even noodzakelijk voor het vertrouwen in de rechtsbedeling als de onpartijdigheid van de rechter. De advocaat moet derhalve elke aantasting van zijn onafhankelijkheid vermijden en er voor waken de beroepsethiek niet te veronachtzamen om de cliŽnt, de rechter of derden welgevallig te zijn.

  Art. X.2.1.2. Deze onafhankelijkheid is zowel bij adviserende als bij gerechtelijke werkzaamheden noodzakelijk. Het door de advocaat aan de cliŽnt gegeven advies heeft geen waarde als de advocaat het slechts geeft om zich bemind te maken, uit eigen belang of onder druk van buitenaf.

  Afdeling X.2.2. - Vertrouwen en persoonlijke integriteit

  Art. X.2.2.1. Een vertrouwensrelatie kan niet bestaan als er twijfel heerst over de eer, de rechtschapenheid of de integriteit van de advocaat. Voor de advocaat zijn deze traditionele deugden beroepsverplichtingen.

  Afdeling X.2.3. - Het beroepsgeheim

  Art. X.2.3.1. Het ligt in het wezen van de taak van de advocaat, dat hem van de zijde van zijn cliŽnt geheimen worden toevertrouwd en dat hem vertrouwelijke mededelingen worden gedaan. Zonder de waarborg van het beroepsgeheim kan er geen vertrouwen bestaan. Het beroepsgeheim wordt derhalve erkend als essentieel en fundamenteel recht en plicht van de advocaat.
  De verplichting van de advocaat met betrekking tot het beroepsgeheim dient zowel de belangen van de rechtsbedeling als de belangen van de cliŽnt. Zij dient derhalve een bijzondere bescherming van de Staat te genieten.

  Art. X.2.3.2. De advocaat moet de geheimhouding eerbiedigen van elke vertrouwelijke mededeling die hem wordt gedaan in het kader van zijn beroepsactiviteiten.

  Art. X.2.3.3. De verplichting tot het beroepsgeheim is naar tijdsduur onbeperkt.

  Art. X.2.3.4. De advocaat zorgt ervoor dat zijn personeel en alle personen die met hem in beroepsverband samenwerken zijn beroepsgeheim eerbiedigen.

  Afdeling X.2.4. - Het in acht nemen van de gedragsregels van andere balies

  Art. X.2.4.1. Bij het verrichten van grensoverschrijdende activiteiten kan een advocaat van een andere lidstaat ertoe gehouden zijn de beroeps- en gedragsregels van de lidstaat van ontvangst te respecteren. De advocaat is verplicht zich ervan te vergewissen welke gedragsregels op een bepaalde activiteit van toepassing zijn.
  Organisaties, die lid zijn van de CCBE, zijn verplicht hun gedragsregels bij het secretariaat van de CCBE te deponeren, zodat iedere advocaat hiervan bij genoemd secretariaat een kopie kan verkrijgen.

  Afdeling X.2.5. - Onverenigbaarheden

  Art. X.2.5.1. Teneinde de advocaat in staat te stellen zijn beroep uit te oefenen met de vereiste onafhankelijkheid en op een wijze die strookt met zijn plicht mee te werken aan de rechtsbedeling, kan de uitoefening van bepaalde beroepen of ambten hem worden verboden.

  Art. X.2.5.2. De advocaat, die een cliŽnt vertegenwoordigt of verdedigt voor een rechtscollege of tegenover de overheid van een lidstaat van ontvangst, zal daar de regels van onverenigbaarheid naleven, die gelden voor de advocaten van die lidstaat van ontvangst.

  Art. X.2.5.3. De in een lidstaat van ontvangst gevestigde advocaat die zich daar rechtstreeks met commerciŽle zaken of met enige andere activiteit, niet behorend tot het beroep van advocaat, wil bezighouden, is gehouden de regels van onverenigbaarheid na te leven, zoals die gelden voor de advocaten van die lidstaat.

  Afdeling X.2.6. - Persoonlijke publiciteit

  Art. X.2.6.1. De advocaat mag het publiek inlichten over zijn dienstverlening op voorwaarde dat de informatie accuraat is en niet misleidend, en met respect voor het beroepsgeheim en de overige kernwaarden van het beroep.

  Art. X.2.6.2. Persoonlijke publiciteit door de advocaat in welke media ook, zoals pers, radio, televisie, elektronische commerciŽle communicatie of anderszins is toegestaan, zolang wordt voldaan aan de vereisten van artikel X.2.6.1.

  Afdeling X.2.7. - Belang van de cliŽnt

  Art. X.2.7.1. Met inachtneming van de wettelijke regels en de beroeps- en gedragsregels is de advocaat steeds verplicht de belangen van de cliŽnt zo goed mogelijk te behartigen en dient hij deze zelfs te stellen boven zijn eigen belangen of die van andere advocaten.

  Afdeling X.2.8. - Beperking van de aansprakelijkheid van de advocaat ten aanzien van de cliŽnt

  Art. X.2.8.1. Voor zover het recht van de lidstaat van herkomst en het recht van de lidstaat van ontvangst dit toelaten, kan de advocaat zijn aansprakelijkheid jegens de cliŽnt beperken met inachtneming van de beroeps- en gedragsregels waaraan hij onderworpen is.

  HOOFDSTUK X.3. - Verhouding tot de cliŽnt

  Afdeling X.3.1. - Begin en einde van de betrekkingen met de cliŽnt

  Art. X.3.1.1. De advocaat treedt slechts op wanneer hij daartoe opdracht van zijn cliŽnt heeft gekregen. De advocaat mag evenwel optreden in een zaak wanneer hij opdracht ontvangt van een andere advocaat, die de cliŽnt vertegenwoordigt, of van een bevoegde instantie.
  De advocaat dient redelijkerwijs moeite te doen om de identiteit, de competentie en de bevoegdheden van de persoon of organisatie van wie hij de opdracht heeft ontvangen te achterhalen, indien specifieke omstandigheden aan het licht mochten brengen dat genoemde identiteit, competentie en bevoegdheden niet duidelijk vaststaan.

  Art. X.3.1.2. De advocaat zal met spoed, gewetensvol en met ijver, de cliŽnt adviseren en verdedigen. Hij aanvaardt persoonlijk de verantwoordelijkheid voor de taak die hem is toevertrouwd en hij houdt de cliŽnt op de hoogte van het verloop van de zaak waarmee hij belast is.

  Art. X.3.1.3. De advocaat neemt geen zaak op zich als hij weet of behoort te weten, dat hij niet de nodige bekwaamheid bezit om deze te behandelen, tenzij hij dat doet in samenwerking met een advocaat die die bekwaamheid wťl bezit.
  De advocaat kan geen zaak aanvaarden als hij niet in de gelegenheid is deze met spoed te behandelen, rekening houdend met zijn overige verplichtingen.

  Art. X.3.1.4. De advocaat mag van zijn recht om zich aan een zaak te onttrekken geen gebruik maken op een wijze of in omstandigheden dat de cliŽnt niet in de mogelijkheid zou zijn tijdig juridische bijstand te verkrijgen om te voorkomen dat de cliŽnt schade zou lijden.

  Afdeling X.3.2. - Tegenstrijdige belangen

  Art. X.3.2.1. De advocaat behoort in eenzelfde zaak niet de raadsman, de vertegenwoordiger of de verdediger te zijn van meer dan ťťn cliŽnt, indien er een belangentegenstelling tussen deze cliŽnten bestaat of er een wezenlijke dreiging bestaat dat een zodanige tegenstelling zal ontstaan.

  Art. X.3.2.2. De advocaat dient zich ervan te onthouden de zaken van twee of van alle betrokken cliŽnten te behandelen, indien zich tussen deze cliŽnten een tegenstrijdigheid van belangen voordoet, het beroepsgeheim dreigt geschonden te worden of zijn onafhankelijkheid in gevaar dreigt te komen.

  Art. X.3.2.3. De advocaat mag geen zaak van een nieuwe cliŽnt op zich nemen, indien de geheimhouding van de inlichtingen die hij van een vroegere cliŽnt heeft verkregen, dreigt te worden aangetast of indien de kennis, die hij van de zijde van de vroegere cliŽnt verkregen had, de nieuwe cliŽnt ongerechtvaardigd zou bevoordelen.

  Art. X.3.2.4. Als advocaten het beroep in groepsverband uitoefenen, zijn de artikelen X.3.2.1. tot X.3.2.3. van toepassing zowel op de groep in zijn geheel als op haar individuele leden.

  Afdeling X.3.3. - Pactum de quota litis

  Art. X.3.3.1. De advocaat mag zijn honorarium niet vaststellen op basis van een "pactum de quota litis".

  Art. X.3.3.2. Met "pactum de quota litis" is bedoeld een overeenkomst aangegaan tussen de advocaat en de cliŽnt vůůr de beŽindiging van de zaak, waarbij de cliŽnt zich verbindt aan de advocaat een bepaald deel van de opbrengst van de zaak te zullen uitkeren hetzij in geld hetzij in enig ander goed of waarde.

  Art. X.3.3.3. Als een dergelijk pactum wordt niet beschouwd de overeenkomst, waarbij het honorarium wordt bepaald in samenhang met het belang van het geschil met de behandeling waarvan de advocaat is belast, indien dat honorarium in overeenstemming is met een officieel tarief of is toegelaten door de bevoegde autoriteit waaronder de advocaat ressorteert.

  Afdeling X.3.4. - Vaststelling van het honorarium

  Art. X.3.4.1. De advocaat moet de cliŽnt de nodige inlichtingen geven met betrekking tot het gevraagde honorarium en het bedrag ervan dient billijk en gerechtvaardigd te zijn en in overeenstemming te zijn met de wet en de beroeps- en gedragsregels waaraan de advocaat onderworpen is.

  Afdeling X.3.5. - Voorschotten op honorarium en verschotten

  Art. X.3.5.1. Wanneer de advocaat een voorschot voor verschotten en honorarium verlangt, mag dat voorschot een redelijke raming van het honorarium en de kosten en verschotten, die de zaak waarschijnlijk zal gaan kosten, niet overschrijden. Bij gebrek aan betaling van een voorschot mag de advocaat ervan afzien de zaak te behandelen of er zich aan onttrekken, behoudens het bepaalde in artikel X.3.1.4.

  Afdeling X.3.6. - Verdeling van het honorarium met iemand die geen advocaat is

  Art. X.3.6.1. Het is de advocaat verboden zijn honorarium te delen met iemand die geen advocaat is, tenzij een associatie tussen de advocaat en deze andere persoon toegelaten is door de wet en de beroeps- en gedragsregels waaraan de advocaat is onderworpen.

  Art. X.3.6.2. De bepaling van artikel 3.6.1. is niet van toepassing op bedragen of vergoedingen die door een advocaat worden uitgekeerd aan de erfgenamen van een overleden advocaat of aan een advocaat, die zijn beroep neerlegt, ter zake van de introductie bij de cliŽnten als opvolger van die advocaat.

  Afdeling X.3.7. - Kosten van de procedure en rechtsbijstand

  Art. X.3.7.1. De advocaat dient te allen tijde te trachten om in het geschil van de cliŽnt een oplossing te vinden, die is aangepast aan het belang van de zaak, en hij zal de cliŽnt op het juiste moment nadrukkelijk adviseren over de wenselijkheid om tot een schikking te komen of een beroep te doen op alternatieve oplossingen om het geschil te beŽindigen.

  Art. X.3.7.2. Indien de cliŽnt in aanmerking komt voor kosteloze rechtsbijstand of rechtsbijstand tegen verminderd tarief, is de advocaat verplicht hem daarvan in kennis te stellen.

  Afdeling X.3.8. - Gelden van derden

  Art. X.3.8.1. Advocaten die gelden voor rekening van hun cliŽnten of van derden (hierna te noemen "gelden van derden") ontvangen zijn verplicht deze gelden te deponeren op een rekening bij een bank of soortgelijke instelling, onderworpen aan toezicht door de overheid (hierna te noemen "derdenrekening"). De derdenrekening moet gescheiden blijven van elke andere rekening van de advocaat. Alle gelden van derden, die een advocaat ontvangt, moeten op een dergelijke rekening worden gestort, tenzij de eigenaar van deze gelden akkoord gaat om de gelden een andere bestemming te geven.

  Art. X.3.8.2. De advocaat houdt volledige en nauwkeurige overzichten bij van alle verrichtingen die met de gelden van derden zijn verricht, waarbij hij onderscheid maakt tussen de gelden van derden en andere bedragen, die hij onder zich houdt. Deze overzichten moeten bewaard blijven gedurende een bepaalde termijn overeenkomstig de nationale regels.

  Art. X.3.8.3. Een derdenrekening kan niet debet staan, behalve in uitzonderlijke omstandigheden die uitdrukkelijk zijn toegelaten in de nationale regels of wegens bankkosten waarop de advocaat geen invloed heeft. Deze rekening kan niet als waarborg worden gegeven of dienen als zekerheidstelling ten welken titel ook. Geen enkele compensatie of samengaan van een derdenrekening met een andere bankrekening is toegestaan. Evenmin kunnen gelden van derden worden gebruikt om de bedragen te vergoeden die de advocaat verschuldigd is aan zijn bank.

  Art. X.3.8.4. De gelden van derden moeten onverwijld worden overgemaakt aan de rechthebbenden of anders onder door hen goedgekeurde voorwaarden.

  Art. X.3.8.5. Het is de advocaat verboden om gelden die zijn gestort op een derdenrekening over te maken op een eigen rekening als betaling van honorarium of kosten zonder de cliŽnt daarvan schriftelijk op de hoogte te brengen.

  Art. X.3.8.6. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten hebben het recht om elk document te controleren en te onderzoeken dat betrekking heeft op de gelden van derden, met eerbiediging voor het beroepsgeheim waaraan dit onderworpen kan zijn.

  Afdeling X.3.9. - Verzekering van de beroepsaansprakelijkheid

  Art. X.3.9.1. De advocaat moet binnen redelijke grenzen verzekerd zijn voor zijn beroepsaansprakelijkheid, daarbij rekening houdende met de aard en de omvang van de risico's, die hij uit hoofde van zijn praktijk loopt.

  Art. X.3.9.2. Indien dit onmogelijk is, moet de advocaat de cliŽnt over deze situatie en de gevolgen daarvan informeren.

  HOOFDSTUK X.4. - Verhouding tot de rechters

  Art. X.4.1. De advocaat, die voor een rechter verschijnt of die optreedt in een procedure, moet de gedragsregels naleven die aldaar gelden.

  Art. X.4.2. De advocaat dient onder alle omstandigheden het contradictoire karakter van de procedures in acht te nemen.

  Art. X.4.3. Zonder afbreuk te doen aan de eerbied en de loyaliteit, die hij aan de rechter verschuldigd is, zal de advocaat de belangen van de cliŽnt naar eer en geweten en zonder vrees verdedigen, ongeacht zijn eigen belangen en ongeacht eventuele gevolgen voor hemzelf of voor welke andere persoon dan ook.

  Art. X.4.4. De advocaat mag nimmer de rechter bewust onjuiste of misleidende inlichtingen verstrekken.

  Art. X.4.5. De regels, die gelden voor de verhouding van de advocaat tot de rechter, zijn evenzeer toepasselijk op zijn betrekkingen met arbiters en elke andere persoon die, zelfs occasioneel, een gerechtelijke of quasi-gerechtelijke functie uitoefent.

  HOOFDSTUK X.5. - Betrekkingen tussen advocaten onderling

  Afdeling X.5.1. - Confraterniteit

  Art. X.5.1.1. De confraterniteit vereist een vertrouwensrelatie tussen advocaten in het belang van de cliŽnt en om onnodige processen te voorkomen, alsmede om iedere andere vorm van gedrag die de reputatie van het beroep van advocaat zou kunnen schaden te vermijden. De confraterniteit mag echter nooit de belangen van de advocaten tegenover de belangen van de cliŽnt stellen.

  Art. X.5.1.2. De advocaat erkent iedere advocaat van een andere lidstaat als beroepsgenoot en gedraagt zich tegenover hem confraterneel en loyaal.

  Afdeling X.5.2. - Samenwerking tussen advocaten van verschillende lidstaten

  Art. X.5.2.1. Iedere advocaat, tot wie zich een advocaat uit een andere lidstaat wendt, is verplicht zich te onthouden van het aannemen van een zaak waarvoor hij de bekwaamheid mist om deze te behandelen. De advocaat dient in dergelijk geval die advocaat te helpen alle informatie te verkrijgen om het deze mogelijk te maken zich tot een andere advocaat te wenden die in staat is de verwachte diensten te verlenen.

  Art. X.5.2.2. Wanneer advocaten van twee verschillende lidstaten samenwerken, zijn beiden verplicht rekening te houden met de verschillen, die mogelijk bestaan tussen hun rechtsstelsels, en beroepsorganisaties, bevoegdheden en beroepsplichten in de betrokken lidstaten.

  Afdeling X.5.3. - Briefwisseling tussen advocaten

  Art. X.5.3.1. De advocaat, die aan een advocaat van een andere lidstaat mededelingen wenst te doen, die hij als "vertrouwelijk" of als "without prejudice" beschouwd wil zien, dient dit voornemen duidelijk kenbaar te maken vůůr het verzenden van de eerste van deze mededelingen.

  Art. X.5.3.2. Indien de toekomstige geadresseerde aan deze mededelingen geen "vertrouwelijk" of "without prejudice" karakter kan verlenen, dient hij de afzender daarover onverwijld te informeren.

  Afdeling X.5.4. - Honorarium voor introducties

  Art. X.5.4.1. De advocaat mag van een andere advocaat of van enige derde geen honorarium, voorschot of enigerlei andere vergoeding vragen, noch aanvaarden, voor het aanbevelen van een advocaat aan een cliŽnt of het doorsturen van een cliŽnt naar een advocaat.

  Art. X.5.4.2. De advocaat mag aan niemand een honorarium, voorschot of enigerlei andere vergoeding betalen als tegenprestatie voor de introductie van een cliŽnt.

  Afdeling X.5.5. - Contact met tegenpartij

  Art. X.5.5.1. De advocaat mag met betrekking tot een bepaalde zaak geen rechtstreeks contact opnemen met iemand, van wie hij weet dat deze wordt vertegenwoordigd of bijgestaan door een andere advocaat, tenzij die andere advocaat daarvoor toestemming heeft gegeven (en op voorwaarde deze laatste op de hoogte te houden).

  Afdeling X.5.6. - FinanciŽle aansprakelijkheid

  Art. X.5.6.1. In de beroepsmatige betrekkingen tussen advocaten van balies van verschillende lidstaten is de advocaat die een zaak aan een correspondent toevertrouwt of deze raadpleegt tenzij hij zich ertoe beperkt een andere advocaat aan te bevelen of deze bij een cliŽnt te introduceren persoonlijk verplicht tot betaling van het honorarium, de kosten en verschotten, die verschuldigd zijn aan de buitenlandse correspondent, zelfs indien de cliŽnt insolvent is. De betrokken advocaten mogen echter bij het begin van hun samenwerking een bijzondere afspraak hierover maken. Bovendien mag de opdrachtgevende advocaat te allen tijde zijn persoonlijke aansprakelijkheid beperken tot het bedrag aan honorarium, kosten en verschotten, verschuldigd vůůr zijn kennisgeving aan de buitenlandse advocaat dat hij verdere aansprakelijkheid voor de toekomst afwijst.

  Afdeling X.5.7. - Permanente vorming

  Art. X.5.7.1. De advocaten dienen hun kennis en professionele vaardigheden te onderhouden en te ontwikkelen rekening houdend met de Europese dimensie van hun beroep.

  Afdeling X.5.8. - Geschillen tussen advocaten van verschillende lidstaten

  Art. X.5.8.1. Indien een advocaat van mening is dat een advocaat van een andere lidstaat een gedragsregel heeft geschonden, dient hij deze beroepsgenoot daarop te wijzen.

  Art. X.5.8.2. Wanneer zich enig persoonlijk geschil van professionele aard voordoet tussen advocaten van verschillende lidstaten, moeten zij eerst trachten dat geschil in der minne op te lossen.

  Art. X.5.8.3. Alvorens een procedure tegen een advocaat van een andere lidstaat aan te spannen betreffende een geschil bedoeld in artikel X.5.8.1 en X.5.8.2, dient de advocaat de balies, waartoe de beide advocaten behoren, op de hoogte te stellen, teneinde de desbetreffende balies in staat te stellen een minnelijke schikking tot stand te brengen.

  DEEL XI. - INWERKINGTREDING

  HOOFDSTUK XI.1. - Inwerkingtreding

  Art. XI.1.1. Deze Codex treedt in werking vanaf 1 januari 2015.

  Art. XI.1.2. - Reglement van de Belgische Nationale Orde van Advocaten van 10 januari 1992, inzake beslag onder derden in handen van een advocaat, werd in deze Codex opgenomen in Deel I EssentiŽle plichten van de advocaat, Hoofdstuk I.3 Beroepsgeheim, Afdeling I.3.2 Het beslag onder derden in handen van een advocaat.
  - Reglement betreffende de stage, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 7 mei 2008, werd in deze Codex opgenomen in Deel II Toegang tot het beroep, stage en vorming, Hoofdstuk II.1 Stage.
  - Reglement betreffende de beroepsopleiding, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 25 maart 2009, werd in deze Codex opgenomen in Deel II Toegang tot het beroep, stage en vorming, Hoofdstuk II.2 De beroepsopleiding.
  - Reglement inzake permanente vorming, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 16 juni 2010, werd in deze Codex opgenomen in Deel II Toegang tot het beroep, stage en vorming, Hoofdstuk II.3 Permanente vorming.
  - Reglement betreffende het mandaat dat de advocaat niet rechtstreeks van zijn cliŽnt ontvangt, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 14 maart 2007, werd in deze Codex opgenomen in Deel III Uitoefening van het beroep van advocaat, Hoofdstuk III.1 Relaties ten aanzien van cliŽnten, Afdeling III.1.1 Mandaat dat de advocaat niet rechtstreeks van zijn cliŽnt ontvangt.
  - Reglement witwas, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 30 december 2011, werd in deze Codex opgenomen in Deel III Uitoefening van het beroep van advocaat, Hoofdstuk III.1 Relaties ten aanzien van cliŽnten, Afdeling III.1.2 Witwaspreventie.
  - Reglement inzake publiciteit, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 18 september 2002, werd in deze Codex opgenomen in Deel III Uitoefening van het beroep van advocaat, Hoofdstuk III.1 Relaties ten aanzien van cliŽnten, Afdeling III.1.7 Publiciteit.
  - Reglement betreffende de aan procedures verbonden regels van confraterniteit, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 31 januari 2007, werd in deze Codex opgenomen in Deel III Uitoefening van het beroep van advocaat, Hoofdstuk III.2 Relaties ten aanzien van advocaten, Afdeling III.2.1 Confraterniteit.
  - Reglementen van de Belgische Nationale Orde van Advocaten van 6 juni 1970, 6 maart 1980, 8 mei 1980 en 22 april 1986, inzake het overleggen van briefwisseling tussen advocaten, werden in deze Codex opgenomen in Deel III Uitoefening van het beroep van advocaat, Hoofdstuk III.2 Relaties ten aanzien van advocaten, Afdeling III.2.4 Het overleggen van briefwisseling tussen advocaten.
  - Reglement van de Belgische Nationale Orde van Advocaten van 10 maart 1977, inzake het overleggen van briefwisseling tussen advocaten en gerechtelijke mandatarissen-advocaten, werd in deze Codex opgenomen in Deel III Uitoefening van het beroep van advocaat, Hoofdstuk III.2 Relaties ten aanzien van advocaten, Afdeling III.2.5 Overleggen van briefwisseling tussen advocaten en gerechtelijke mandatarissen.
  - Regelement inzake opvolging, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 3 november 2004, werd in deze Codex opgenomen in Deel III Uitoefening van het beroep van advocaat, Hoofdstuk III.2 Relaties ten aanzien van advocaten, Afdeling III.2.6 Opvolging.
  - Reglement betreffende het eensluidend verklaren van kopieŽn van bij een voorziening in cassatie te voegen stukken; goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 30 januari 2008, werd in deze Codex opgenomen in Deel III Uitoefening van het beroep van advocaat, Hoofdstuk III.2 Relaties ten aanzien van advocaten, Afdeling III.2.7 Eensluidend verklaren van kopieŽn van bij een voorziening in cassatie te voegen stukken.
  - Reglement betreffende de verhandeling van gelden van cliŽnten of derden, de rapportering en de controle, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 21 november 2012, werd in deze Codex opgenomen in Deel III Uitoefening van het beroep van advocaat, Hoofdstuk III.2 Relaties ten aanzien van advocaten, Afdeling III.2.8 Derdengelden.
  - Reglement betreffende het statuut van de advocaat, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 8 juni 2005, werd in deze Codex opgenomen in Deel III Uitoefening van het beroep van advocaat, Hoofdstuk III.2 Relaties ten aanzien van advocaten, Afdeling III.2.10 Statuut van de advocaat.
  - Reglement inzake de financiŽle regeling bij de overstap naar een andere balie, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 4 juni 2003, werd in deze Codex opgenomen in Deel III Uitoefening van het beroep van advocaat, Hoofdstuk III.3 Relaties met de overheid van de Orde, Afdeling III.3.2 De verplichting om bijdragen aan de Orde te betalen.
  - Regelement inzake advocaat en media, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 4 juni 2003, werd in deze Codex opgenomen in Deel III Uitoefening van het beroep van advocaat, Hoofdstuk III.5 Relaties ten aanzien van derden, Afdeling III.5.2 Media.
  - Reglement betreffende de aanvaarding van de gerechtelijke mandaten, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 21 november 2007, werd in deze Codex opgenomen in Deel IV Advocaat treedt op in een andere hoedanigheid, Hoofdstuk IV.1 Advocaat-gerechtelijke mandataris.
  - Reglement inzake de advocaat-syndicus van een vereniging van mede-eigenaars, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 18 september 2002, werd in deze Codex opgenomen in Deel IV Advocaat treedt op in een andere hoedanigheid, Hoofdstuk IV.2 Advocaat - syndicus.
  - Reglement betreffende samenwerkingsverbanden tussen advocaten en betreffende eenpersoonsvennootschappen van advocaten; goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 8 november 2006, werd in deze Codex opgenomen in Deel V Organisatie van het kantoor, Hoofdstuk V.1 Samenwerkingsverbanden tussen advocaten en eenpersoonsvennootschappen van advocaten, Afdeling V.1.2 Eenpersoonsvennootschappen van advocaten.
  - Reglement inzake beroepsmatige samenwerking met niet-advocaten, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 22 januari 2003, werd in deze Codex opgenomen in Deel V Organisatie van het kantoor, Hoofdstuk V.2 Samenwerking tussen advocaten en niet-advocaten.
  - Reglement betreffende het houden van meerdere kantoren of vestigingen, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 12 mei 2010, werd in deze Codex opgenomen in Deel V Organisatie van het kantoor, Hoofdstuk V.3 Het kantoor en de bijkantoren, Afdeling V.3.1 Het houden van meerdere kantoren of vestigingen.
  - Reglement betreffende de voor de raad van de Orde geldende procedure volgens de tuchtrechtspleging, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 21 november 2007, werd in deze Codex opgenomen in Deel VII Procedures zoals in tucht, Hoofdstuk VII.1 De raad van de Orde zetelend zoals in tucht.
  - Reglement van de Belgische Nationale Orde van Advocaten van 25 mei 1972, inzake tuchtprocedure - eedaflegging door getuigen, werd in deze Codex opgenomen in Deel VII Procedures zoals in tucht, Hoofdstuk VII.2 Eedaflegging door getuigen.
  - Reglement tot toepassing van de gedragscode voor Europese advocaten, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies op 31 januari 2007, werd in deze Codex opgenomen in Deel X Gedragscode voor Europese advocaten.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Goedgekeurd door de algemene vergadering op 25 juni 2014.

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
---------------------------------------------------OPGEHEVEN DOOR---------------------------------------------------
originele versie
  • VARIA VAN 27-04-2016 GEPUBL. OP 31-05-2016
  • ---------------------------------------------------GEWIJZIGD DOOR---------------------------------------------------
    originele versie
  • VARIA VAN 23-09-2015 GEPUBL. OP 30-09-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : II.1.1.2; II.1.4.1; II.1.4.3; II.3.1-II.3.6; III.2.6bis-1; III.2.6bis-2,III.2.6bis-3; III.3.2.5; V.3.1.1; VIII.3.1-VIII.3.7)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Inhoudstafel 12 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie