J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 5 uitvoeringbesluiten 4 gearchiveerde versies
Errata Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
19 APRIL 2014. - Koninklijk besluit tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-10-2014 en tekstbijwerking tot 24-11-2016)

Bron : BINNENLANDSE ZAKEN
Publicatie : 01-10-2014 nummer :   2014000409 bladzijde : 77476   BEELD
Dossiernummer : 2014-04-19/84
Inwerkingtreding : 01-01-2015

Inhoudstafel Tekst Begin
BOEK 1. - Algemene bepalingen
Art. 1-7
BOEK 2. - Rechten en plichten
TITEL 1. - Algemene rechten en plichten
Art. 8-18
TITEL 2. - Bijzondere plichten bij interventies
Art. 19-20
BOEK 3. - Onverenigbaarheden en cumulatie van beroepsactiviteiten
TITEL 1. - Onverenigbaarheden
Art. 21-25
TITEL 2. - Cumulatie van beroepsactiviteiten van het beroepspersoneelslid
Art. 26-33
BOEK 4. - De aanwerving, de aanwervingsstage en de benoeming
TITEL 1. - De aanwerving
HOOFDSTUK 1. - Het federaal geschiktheidsattest
Art. 34-35, 35/1
HOOFDSTUK 2. - Oproep tot kandidaten door de raad
Art. 36
HOOFDSTUK 3. - De aanwerving van het personeel van het basiskader
Art. 37
HOOFDSTUK 4. - De aanwerving van het personeel van het hoger kader
Art. 38
TITEL 2. - De aanwervingsstage
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Art. 39-43
HOOFDSTUK 2. - Evaluatie tijdens de aanwervingsstage
Art. 44-50
TITEL 3. - De benoeming
Art. 51
BOEK 5. - De loopbaan
TITEL 1. - De bevordering door verhoging in graad
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Art. 52-54
HOOFDSTUK 2. - De bevorderingsvoorwaarden
Art. 55-57
HOOFDSTUK 3. - De bevorderingsstage
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 58-60
Afdeling 2. - De evaluatie tijdens de bevorderingsstage
Art. 61-63
Afdeling 3. - De evaluatie op het einde van de bevorderingsstage
Art. 64-66
TITEL 2. - De mobiliteit
HOOFDSTUK 1. - Mobiliteit in dezelfde graad
Art. 67-83
HOOFDSTUK 2. - Bevordering door mobiliteit
Art. 84-88
TITEL 3. - De professionalisering
HOOFDSTUK 1. - Professionalisering in dezelfde zone
Art. 89-105
HOOFDSTUK 2. - Professionalisering in een andere zone
Art. 106-109
TITEL 4. - De wedertewerkstelling
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
Art. 110-116
HOOFDSTUK 2. - Wedertewerkstelling omwille van medische redenen
Art. 117-118
HOOFDSTUK 3. - Wedertewerkstelling op eigen verzoek
Art. 119-123
TITEL 5. - Eindeloopbaanregime
Art. 124-136
TITEL 6. - Uitoefening van een hoger ambt
Art. 137-147
BOEK 6. - De opleiding
Art. 148-151
BOEK 7. - De evaluatie
TITEL 1. - Algemene bepalingen
Art. 152-155
TITEL 2. - Het verloop van de evaluatie
Art. 156-164
TITEL 3. - De beroepsprocedure
Art. 165-168
TITEL 4. - Gevolgen van de vermelding " onvoldoende "
Art. 169-170
TITEL 5. - De beroepskamer
Art. 171-173, 173/1, 173/2, 173/3, 173/4, 173/5, 173/6, 173/7, 173/8, 173/9, 173/10
BOEK 8. - Organisatie van de diensttijd van de vrijwillige personeelsleden
TITEL 1. - Algemeen
Art. 174-175
TITEL 2. - Dienst- en rusttijden
Art. 176-180
BOEK 9. - De administratieve standen, de afwezigheden en de verloven
TITEL 1. - Bepalingen voor de leden van het beroepspersoneel
HOOFDSTUK 1. - Administratieve standen
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 181-183
Afdeling 2. - Dienstactiviteit
Art. 184-185
Afdeling 3. - Non-activiteit
Art. 186-187
Afdeling 4. - Disponibiliteit
Art. 188-189
HOOFDSTUK 2. - Afwezigheden
Art. 190
HOOFDSTUK 3. - Verloven en dienstvrijstellingen
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 191-193
Afdeling 2. - Specifieke bepalingen voor de commandant en de personeelsleden van het hoger kader belast met het leiden van een dienst
Art. 194
Afdeling 3. - Dagen jaarlijks vakantieverlof
Art. 195-200
Afdeling 4. - Omstandigheidsverlof
Art. 201
Afdeling 5. - Verlof wegens dwingende redenen van familiaal belang
Art. 202-204
Afdeling 6. - Dienstvrijstellingen en uitzonderlijk verlof
Onderafdeling 1. - Dienstvrijstellingen
Art. 205-206
Onderafdeling 2. - Uitzonderlijk verlof
Art. 207
Afdeling 7. - Verlof om een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, een beleidscel, de cel algemene beleidscoördinatie, een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht, verlof voor stage en verlof voor opdracht van algemeen belang
Onderafdeling 1. - Verlof om een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, een beleidscel, de cel algemene beleidscoördinatie, een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht
Art. 208
Onderafdeling 2. - Verlof voor stage
Art. 209
Onderafdeling 3. - Verlof voor opdracht van algemeen belang
Art. 210-211
Afdeling 8. - Verloven toegekend aan de reservisten van het leger
Art. 212
Afdeling 9. - Moederschapsbescherming
Art. 213-216
Afdeling 10. - Verlof voor Loopbaanonderbreking
Art. 217-218
Afdeling 11. - Adoptie- en opvangverlof
Art. 219-222
Afdeling 12. - Afwezigheden wegens ziekte
Onderafdeling 1. - Afwezigheidsdagen wegens ziekte
Art. 223-231
Onderafdeling 2. - Disponibiliteit wegens ziekte
Art. 232-233
Onderafdeling 3. - Controle van de afwezigheden ingevolge ziekte of ongeval
Art. 234-238
Onderafdeling 4. - Controle van de afwezigheden ten gevolge van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte
Art. 239
Onderafdeling 5. [1 - Verminderde prestaties wegens medische redenen]1
Art. 239/1, 239/2, 239/3, 239/4, 239/5
Afdeling 13. - Afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden
Art. 240-245
TITEL 2. - Bepalingen voor de leden van het vrijwillig personeel
Art. 246
Boek 10. - Tuchtregeling
TITEL 1. - Tuchtsancties
Art. 247-253
TITEL 2. - Bevoegde overheden om de tuchtsancties uit te spreken
Art. 254-256
TITEL 3. - Rechten van de verdediging
Art. 257-258
TITEL 4. - Procedure
Art. 259-265, 265/1, 266-267, 267/1, 268-279
BOEK 11. - Uitvoeren van een alcohol- of drugstest
TITEL 1. - Algemene bepalingen
Art. 280
TITEL 2. - Uitvoeren van een alcoholtest
Art. 281-285
TITEL 3. - Uitvoeren van een drugstest
Art. 286-287
TITEL 4. - Gemeenschappelijke bepalingen
Art. 288-290
BOEK 12. - Schorsing in het belang van de dienst
Art. 291-297
BOEK 13. - Verzekering van het vrijwilligerspersoneel
Art. 298-299
BOEK 14. - De beëindiging van een ambt
Art. 300-305, 305/1
BOEK 15. - Bepalingen tot vastelling van de algemene beginselen van toepassing op de operationele personeelsleden van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp
Art. 306-307
BOEK 16. - Overgangsbepalingen
Art. 308-333
BOEK 17. - Slotbepalingen
Art. 334-337
BIJLAGEN.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
BOEK 1. - Algemene bepalingen

  Artikel 1. § 1. Voor de toepassing van dit besluit verstaat men onder :
  1° de Minister : de Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken;
  2° de wet van 15 mei 2007 : de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;
  3° de zone : de hulpverleningszone, vermeld in artikel 14 van de wet van 15 mei 2007;
  4° de commandant : de zonecommandant, vermeld in artikel 109 van de wet van 15 mei 2007;
  5° de raad : de zoneraad, vermeld in artikel 24 van de wet van 15 mei 2007;
  6° het college : het college van de zone, vermeld in artikel 55 van de wet van 15 mei 2007;
  7° de voorzitter : de persoon die het college en de raad voorzit, vermeld in de artikelen 37 en 57, derde lid, van de wet van 15 mei 2007;
  8° de post : de brandweer- en reddingspost, vermeld in artikel 2, § 1, 8° van de wet van 15 mei 2007;
  9° de representatieve syndicale organisaties : de representatieve syndicale organisaties, vermeld in het koninklijk besluit van 28 september 1984 houdende uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van zijn personeel;
  10° het vrijwillig personeelslid : vrijwillig brandweerman als vermeld in artikel 103 van de wet van 15 mei 2007;
  11° het beroepspersoneelslid : beroepsbrandweerman als vermeld in artikel 103 van de wet van 15 mei 2007;
  12° het personeelslid : het brandweerlid, ongeacht of het een vrijwillig personeelslid of een beroepspersoneelslid is;
  13° het opleidingscentrum voor de civiele veiligheid : opleidingscentrum voor de civiele veiligheid als vermeld in artikel 175/1 van de wet van mei 2007;
  14° de feestdagen : de feestdagen als vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen;
  15° de werkdag : weekdag van maandag tot en met zaterdag, met uitzondering van de feestdagen;
  16° het koninklijk besluit van 19 april 2014 : het koninklijk besluit van 19 april 2014 houdende de bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de hulpverleningszones;
  17° diploma van niveau A : diploma of getuigschrift dat toegang geeft tot de functies van niveau A binnen de federale overheidsdiensten bedoeld in bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.
  § 2. Voor de toepassing van dit besluit moet "de raad" verstaan worden als "het college", wanneer de raad deze bevoegdheid, krachtens artikel 63 van de wet van 15 mei 2007, gedelegeerd heeft aan het college.

  Art. 2. § 1. Met uitzondering van artikel 332 is dit statuut van toepassing op de leden van het beroepspersoneel van de zone.
  § 2. Met uitzondering van artikel 332 en behoudens tegenstrijdige bepalingen, is dit statuut van toepassing op de vrijwillige personeelsleden van de zone.
  Ze bevinden zich in een sui generis statutaire situatie.
  § 3. Dit besluit is eveneens van toepassing op de stagiairs, behoudens andersluidende bepalingen.

  Art. 3. Wanneer een betrekking vacant wordt verklaard, beslist de raad of deze betrekking ingevuld wordt door aanwerving, door bevordering, door mobiliteit of door professionalisering.

  Art. 4. De raad bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de in dit statuut vastgelegde regels.

  Art. 5. De verschillende functies binnen de zone worden ingevuld door het basiskader, het middenkader en het hoger kader :
  1° Het basiskader omvat de graden van brandweerman en korporaal;
  2° Het middenkader omvat de graden van onderofficier : sergeant en adjudant;
  3° Het hoger kader omvat de graden van officier : luitenant, kapitein, majoor en kolonel.

  Art. 6. Bij gelijkheid in graad wordt het gezag uitgeoefend door het personeelslid met de grootste anciënniteit in dezelfde graad.

  Art. 7. Bovenop de operationele opdrachten die hem voorbehouden zijn en conform de functiebeschrijvingen, kan het personeelslid ertoe gehouden worden om administratieve of logistieke opdrachten overeenkomstig zijn competenties in het kader van artikel 11 van de wet van 15 mei 2007 uit te voeren.

  BOEK 2. - Rechten en plichten

  TITEL 1. - Algemene rechten en plichten

  Art. 8. Het personeelslid oefent zijn functie uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen, vermeld in artikel 5. Het doet dit met loyaliteit, plichtsgevoel en integriteit.
  Elk personeelslid in de reglementaire klederdracht is, zelfs buiten de diensturen, onderworpen aan de hiërarchie.

  Art. 9. § 1. Het personeelslid respecteert de van kracht zijnde wetten en reglementen, alsmede de richtlijnen die hem gegeven worden in het kader van de wetten en reglementen, waaronder de gedragsregels inzake deontologie, door Ons bepaald, op basis van een beraadslaging door de Ministerraad.
  § 2. Het personeelslid wordt met waardigheid en beleefdheid behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen, zijn collega's als zijn ondergeschikten.
  Het personeelslid behandelt zijn collega's, zijn hiërarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en beleefdheid.

  Art. 10. Het personeelslid behandelt de gebruikers van zijn diensten welwillend en zonder discriminatie.

  Art. 11. Het personeelslid vermijdt, ook buiten het uitoefenen van zijn functies, ieder gedrag dat het vertrouwen van het publiek in zijn diensten zou kunnen ondermijnen.

  Art. 12. Het personeelslid kan, rechtstreeks of via een tussenpersoon, zelfs buiten de uitoefening van zijn functie maar naar aanleiding van zijn werk, geen persoonlijke schenkingen, giften of voordelen vragen of ontvangen.
  Het eerste lid slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen personeelsleden in de normale uitoefening van hun ambt.

  Art. 13. § 1. Het personeelslid heeft principieel spreekrecht over feiten waarvan hij kennis heeft omwille van het uitoefenen van zijn functie.
  Bij de uitoefening van het spreekrecht zorgt het personeelslid ervoor zo volledig en zo correct mogelijke informatie te verspreiden.
  Het is hem echter verboden feiten te onthullen die betrekking hebben op de nationale veiligheid, op de bescherming van de openbare orde, op de financiële belangen van de overheid, op het voorkomen en bestraffen van strafbare feiten, op het beroepsgeheim, op het medisch geheim, op de rechten en vrijheden van de burger, en in het bijzonder het recht op privacy. Onverminderd de bepalingen van het vakbondsstatuut geldt dit eveneens voor de feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen definitieve beslissing werd genomen, evenals voor feiten die, wanneer zij bekend gemaakt worden, de belangen van de dienst waarin het personeeslid is tewerkgesteld, kunnen schaden.
  De bepalingen van deze paragraaf zijn eveneens van toepassing op het personeelslid dat zijn functie heeft beëindigd.
  § 2. Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van strafvordering stelt het personeelslid zijn hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hogere hiërarchische meerdere op de hoogte van elke onwettigheid of onregelmatigheid waarvan hij kennis heeft.

  Art. 14. § 1. Het personeelslid heeft recht op opleiding over alle aspecten die nuttig zijn zowel voor de functie-uitoefening als voor de uitbouw van de loopbaan.
  Opleiding is een plicht wanneer zij noodzakelijk blijkt voor een betere uitoefening van de functie of het functioneren van een dienst.
  Met dat doel is het personeelslid verplicht om zich tijdens zijn loopbaan te blijven bijscholen. Het volgen van een opleiding mag echter niet tegenstrijdig zijn met de belangen van de dienst.
  § 2. Het personeelslid heeft recht op de informatie over alle aspecten die nuttig zijn voor de uitoefening van de functie, in het bijzonder voor wat betreft zijn veiligheid, onverminderd de verplichting van het personeelslid om zich te informeren over de materies waarmee het op professioneel vlak belast is. De functionele meerdere verzekert de overdracht van informatie aan zijn ondergeschikten en omgekeerd.

  Art. 15. Het personeelslid biedt zich, bij het begin van de dienst of bij oproeping wanneer hij van wacht is, niet aan wanneer hij onder invloed van alcohol of drugs of in een soortgelijke toestand verkeert door het gebruik van andere stoffen. Tijdens de dienst gebruikt het eveneens geen alcohol, geen drugs en geen geneesmiddelen die aanleiding geven tot een soortgelijke toestand als bij het gebruik van alcohol of drugs.

  Art. 16. Het personeelslid werkt loyaal mee aan tuchtonderzoeken en aan de vaststelling van eventuele tuchtvergrijpen waarvan het zelf niet het voorwerp is of niet het voorwerp zou kunnen zijn. Het geeft een duidelijk antwoord op de vragen die hem worden gesteld en overhandigt op vraag van de autoriteiten de stukken of goederen die nuttig zijn voor het vaststellen van de waarheid.

  Art. 17. Het personeelslid heeft het recht om zijn persoonlijk dossier te raadplegen en om een kopie te krijgen van de stukken van dit dossier. De kopie is gratis.
  Het persoonlijk dossier bevat onder andere een inventaris van de stukken, de documenten met betrekking tot de evaluatie, de mobiliteit, de opleiding, de stage en de tuchtsancties.
  Geen enkel stuk kan worden toegevoegd aan het persoonlijk dossier zonder dat het personeelslid daarvan voorafgaandelijk op de hoogte is gesteld.

  Art. 18. § 1. Het personeelslid draagt zorg voor de kledings- en uitrustingsvoorwerpen, die hem ter beschikking gesteld worden door de zone.
  § 2. De kledings- en uitrustingsstukken en de uitgaanstenue mogen slechts bij de uitoefening van de dienst of ter gelegenheid van vergaderingen voor beroepsbelangen of officiële plechtigheden gedragen worden.
  § 3. Alleen het dragen van eretekens verleend door de Belgische regering is toegelaten. Door buitenlandse regeringen uitgereikte eretekens mogen slechts worden gedragen, wanneer daartoe toelating is verleend door Ons.

  TITEL 2. - Bijzondere plichten bij interventies

  Art. 19. Onverminderd de bepalingen van de wet van 19 april 2014 tot vaststelling van bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp en tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid en boek 8, wordt het personeelslid opgeroepen om deel te nemen aan de interventies wanneer hij in de kazerne aanwezig is of in oproepbaarheidsdienst is, overeenkomstig voormelde wet.

  Art. 20. Het beroepspersoneelslid kan tijdens interventies verplicht worden om de duur van zijn prestaties te verlengen. Uitzonderlijk, in het geval van een grootschalige interventie, veroorzaakt door een onvoorziene gebeurtenis waarvoor de basismiddelen niet meer voldoende zijn, kan het personeelslid dat niet in dienst is, teruggeroepen worden.

  BOEK 3. - Onverenigbaarheden en cumulatie van beroepsactiviteiten

  TITEL 1. - Onverenigbaarheden

  Art. 21. Is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid, elke activiteit die dat personeelslid zelf of via een andere persoon uitoefent en die :
  1° een belangenconflict veroorzaakt, dit wil zeggen een situatie waarin het personeelslid een persoonlijk belang heeft dat de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn functie kan beïnvloeden of het wettelijke vermoeden van een dergelijke invloed kan creëren;
  2° niet in overeenstemming is met de waardigheid van zijn functie of het vertrouwen van het publiek in de dienst kan schaden;
  3° hem verhindert om de plichten van zijn functie uit te voeren.

  Art. 22. Er is onverenigbaarheid tussen :
  1° de functie van beroepspersoneelslid en de functie van vrijwillig personeelslid van dezelfde zone;
  2° de functie van personeelslid en de functie van lid van een politiedienst die deel uitmaakt van de openbare macht, vermeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
  3° de functie van commandant en de functie van vrijwillig personeelslid van een andere zone.

  Art. 23. Zodra de raad het bestaan van één van de in deze titel vermelde onverenigbaarheden vaststelt, stelt hij de betrokkene in gebreke om die situatie te beëindigen binnen een termijn van zes maanden.
  Elk personeelslid dat bij het verstrijken van deze termijn niet heeft voldaan aan de bevelen van de raad, wordt ambtshalve ontslagen, overeenkomstig artikel 302, eerste lid, 2°.

  Art. 24. Middels het akkoord van de betrokken zoneraden zijn de functies van vrijwillig personeelslid in meerdere zones verenigbaar.

  Art. 25. De uitoefening van een functie van instructeur binnen een opleidingscentrum voor civiele veiligheid is niet onverenigbaar met de functie van personeelslid.

  TITEL 2. - Cumulatie van beroepsactiviteiten van het beroepspersoneelslid

  Art. 26. § 1. Onverminderd artikel 136, § 1, is de cumulatie van beroepsactiviteiten verboden voor het beroepspersoneelslid.
  Onder beroepsactiviteit moet worden verstaan elke bezigheid die een belastbaar beroepsinkomen verschaft en die niet inherent is aan de uitoefening van het ambt.
  Inherent aan het ambt is elke opdracht die ingevolge een wettelijke of reglementaire bepaling verbonden is aan het ambt of elke opdracht waarvoor het personeelslid wordt aangewezen door de overheid waaronder het ressorteert.
  Een politiek mandaat wordt niet beschouwd als een beroepsactiviteit.
  § 2. Individuele afwijkingen kunnen toegekend worden :
  - voor zover de activiteit de goede werking van de dienst niet verstoort;
  - voor de cumulatie met de functie van vrijwillig personeelslid van een andere zone.

  Art. 27. Na gemotiveerd advies van de hiërarchisch meerdere, wordt de afwijkingsaanvraag schriftelijk ingediend bij de commandant of zijn afgevaardigde.
  De afwijkingsaanvraag bevat :
  1° de zo duidelijk mogelijke aanwijzing van de beoogde activiteit;
  2° de duur van de beoogde activiteit;
  3° de gemotiveerde bevestiging dat de activiteit, zelfs in de toekomst, geen aanleiding kan geven tot onverenigbaarheid vermeld in artikel 21.

  Art. 28. De toestemming wordt verleend of geweigerd door de raad.

  Art. 29. Het beroepspersoneelslid wordt binnen de tachtig werkdagen vanaf zijn aanvraag op de hoogte gebracht van de beslissing. Na het verstrijken van deze termijn, wordt de beslissing verondersteld gunstig te zijn.

  Art. 30. De toestemming wordt toegekend voor een maximale periode van vier jaar. De toestemming kan vernieuwd worden via een nieuwe aanvraag. De machtiging tot cumulatie mag geen terugwerkende kracht hebben.

  Art. 31. Wanneer de raad vaststelt dat het personeelslid beroepsactiviteiten uitoefent waarvan de cumulatie geweigerd of niet aangevraagd was, stelt hij de betrokkene in gebreke om die situatie te beëindigen binnen een termijn van zes maanden.
  Elk personeelslid dat bij het verstrijken van deze termijn niet heeft voldaan aan de bevelen van de raad, wordt ambtshalve ontslagen overeenkomstig artikel 302, eerste lid, 2°.

  Art. 32. Elke toestemming tot cumulatie wordt ambtshalve opgeschort wanneer het personeelslid afwezig is wegens ziekte, wegens een arbeidsongeval, wegens een ongeval op weg van of naar het werk of wegens een beroepsziekte, of wanneer het in disponibiliteit wegens ziekte is.

  Art. 33. De opschorting van de toestemming bedoeld in artikel 32 heeft geen effect op de duur ervan.

  BOEK 4. - De aanwerving, de aanwervingsstage en de benoeming

  TITEL 1. - De aanwerving

  HOOFDSTUK 1. - Het federaal geschiktheidsattest

  Art. 34. De aanwerving van het personeel gebeurt in de graad van brandweerman, voor wat betreft het basiskader, en in de graad van kapitein, voor wat betreft het hoger kader.

  Art. 35.§ 1. De FOD Binnenlandse zaken organiseert, via de opleidingscentra voor de civiele veiligheid, per taalregeling minstens één keer per jaar en rekening houdend met de noden van de zones, specifieke geschiktheidsproeven, voor het basis- en hoger kader als vermeld in artikel 5, 1° en 3° voorafgaand aan de aanwerving door de zone, op vraag van de Minister en conform de modaliteiten door hem opgelegd.
  [1 De geschiktheidsproeven bedoeld in paragraaf 3 worden afgelegd in hetzelfde opleidingscentrum.]1
  [2 § 1/1. De zone kan specifieke geschiktheidsproeven bedoeld in § 1 voor het basis- en hoger kader als vermeld in artikel 5, 1° en 3°, organiseren, conform de modaliteiten opgelegd door de Minister.
   De zone stelt de Minister in kennis van de organisatie van de proeven in het eerste lid ten minste één maand voor de start van de proeven.
   De zone levert een federaal geschiktheidsattest af aan de geslaagde kandidaat.]2
  § 2. De organisatie van de geschiktheidsproeven wordt bekendgemaakt, minstens in het Belgisch Staatsblad, via de website van de Algemene Directie Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken, van de VDAB voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest, van het FOREM voor het grondgebied van het Waalse Gewest en van ACTIRIS voor het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, ten laatste twintig dagen voor de uiterste inschrijvingsdatum.
  De bekendmaking vermeldt de te vervullen voorwaarden en de datum waarop ze moeten vervuld worden, de opgelegde proeven, de inhoud ervan en de uiterste datum voor de kandidaatstelling.
  Om te kunnen deelnemen aan de geschiktheidsproeven vermeld in paragraaf 3 voldoen de kandidaten aan :
  1° voor het basiskader : de voorwaarden, vermeld in artikel 37, § 1, 1° tot 6° ;
  2° voor het hoger kader : de voorwaarden, vermeld in artikel 38, § 1, 1° tot 6°.
  § 3. De kandidaten moeten in onderstaande volgorde slagen voor de volgende geschiktheidsproeven :
  1° een competentietest, waarbij wordt nagegaan of een kandidaat beschikt over de competenties :
  - van het niveau van het zesde jaar middelbaar beroepsonderwijs voor het basiskader;
  - gelijkwaardig aan deze vereist voor een diploma van niveau A [voor het hoger kader]. <Erratum, B.St. 22-01-2015, p. 5311>
  2° een operationele handvaardigheidstest;
  3° de lichamelijke geschiktheidsproeven, opgesomd in bijlage 1.
  § 4. De geschiktheidsproeven zijn eliminerend; de kandidaat wordt geschikt of ongeschikt verklaard.
  § 5. Om te kunnen deelnemen aan de proeven, vermeld in paragraaf 3, 3°, beschikken de kandidaten over een medisch attest. Dit attest, opgemaakt ten vroegste drie maanden voor de start van de lichamelijke proeven, verklaart dat de kandidaat in staat is de proeven af te leggen.
  § 6. De kandidaten die alle geschiktheidsproeven succesvol afleggen ontvangen een federaal geschiktheidsattest dat respectievelijk toegang geeft tot de aanwervingsproeven voor het personeel van het basiskader of het hoger kader. Het federaal geschiktheidsattest wordt verzonden in de maand die volgt op het afsluiten van het proces-verbaal van het geheel van de geschiktheidsproeven. Het federaal geschiktheidsattest is geldig voor onbepaalde duur, met uitzondering van de lichamelijke geschiktheidsproeven die gelden voor twee jaar vanaf de datum van het afsluiten van het proces-verbaal van het geheel van de geschiktheidsproeven.
  § 7. Zes maanden voor het verstrijken van de termijn van twee jaar, als vermeld in paragraaf 6, kan de kandidaat die de geldigheid van zijn federaal geschiktheidsattest wenst te verlengen voor het gedeelte van de lichamelijke geschiktheidsproeven, zich inschrijven voor de proeven. De kandidaat beschikt over het medisch attest, als vermeld in paragraaf 5, en het federaal geschiktheidsattest.
  § 8. [3 De kandidaat die een federaal geschiktheidsattest voor het basiskader behaald heeft en die kandidaat is voor een betrekking van kapitein zoals bedoeld in artikel 38, wordt vrijgesteld van de operationele handvaardigheidstest en de lichamelijke geschiktheidsproeven bedoeld in artikel 35, § 3, 2° en 3°, onverminderd de beperkte geldigheid van de lichamelijke geschiktheidsproeven, zoals bedoel in artikel 35, § 6.]3
  ----------
  (1)<KB 2015-11-18/16, art. 71, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<KB 2015-11-18/16, art. 72, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (3)<KB 2016-05-09/03, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 35/1. [1 De kandidaten die niet geslaagd zijn voor de geschiktheidsproeven bedoeld in artikel 35, kunnen zich pas opnieuw inschrijven voor de geschiktheidsproeven voor hetzelfde kader na een wachttermijn van zes maanden vanaf de kennisgeving van het niet slagen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-05-09/03, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>
  

  HOOFDSTUK 2. - Oproep tot kandidaten door de raad

  Art. 36.Bij een vacante betrekking in de graad van brandweerman of kapitein, richt de raad een oproep tot kandidaten, of richt een oproep tot de geslaagde kandidaten van de wervingsreserve zoals vermeld in artikel 37, § 2, vierde lid, of artikel 38, § 2, vierde lid, in de volgorde van rangschikking. De oproep vermeldt of het om een betrekking van vrijwillig personeelslid en/of een betrekking van beroepspersoneelslid gaat.
  De oproep [1 tot de kandidaten]1 wordt minstens bekendgemaakt via de website van de betrokken zone, van de Algemene Directie Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken, van de VDAB voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest, van het FOREM voor het grondgebied van het Waalse Gewest en van ACTIRIS voor het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, ten laatste twintig dagen voor de uiterste inschrijvingsdatum.
  De bekendmaking van de oproep tot kandidaten is verplicht op straffe van nietigheid van de procedure.
  De oproep [1 tot de kandidaten]1 vermeldt de te vervullen voorwaarden, [en de datum waarop ze vervuld moeten worden, de opgelegde proeven en de inhoud ervan] opgelegde proeven en de datum waarop ze moeten vervuld worden, de inhoud ervan, de uiterste datum voor de kandidaatstelling evenals de praktische modaliteiten voor de indiening ervan, de reserve, en de eventuele woonplaats- of beschikbaarheidsverplichting voor de vrijwillige personeelsleden en bevat een beknopt functieprofiel van de vacante betrekking. <Erratum, B.St. 22-01-2015, p. 5311>
  [De raad kan, overeenkomstig de modaliteiten bepaald in zijn reglement, door middel van een beslissing gemotiveerd in functie van de operationele organisatie van de zone, een woonplaats- of beschikbaarheidsverplichting opleggen waaraan het vrijwillig personeelslid moet voldoen bij de benoeming]. <Erratum, B.St. 22-01-2015, p. 5311>
  Indien de raad in een woonplaats- of beschikbaarheidsverplichting voor de vrijwillige personeelsleden in zijn reglement voorziet, moet hij tevens bepalen onder welke voorwaarden afgeweken kan worden van deze verplichting.
  Onder beschikbaarheidsverplichting wordt begrepen de verplichting voor het vrijwillig personeelslid om tijdens de oproepbaarheidsdienst, vermeld in artikel 174, 4°, bereikbaar te zijn en zich ter beschikking van een post te houden, zodat men zich er in geval van een oproep naar kan begeven binnen een termijn te bepalen door de raad.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  HOOFDSTUK 3. - De aanwerving van het personeel van het basiskader

  Art. 37.§ 1. Kandidaten voor een betrekking van brandweerman voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° Belg zijn of burger van een ander land behorende tot de Europese Economisch Ruimte of van Zwitserland;
  2° ten minste 18 jaar oud zijn;
  3° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking. De kandidaat bezorgt een uittreksel uit het strafregister dat afgeleverd dient te zijn binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen;
  4° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
  5° in orde zijn met de dienstplichtwetten;
  6° houder zijn van rijbewijs B;
  7° houder zijn van een federaal geschiktheidstattest voor het basiskader of het hoger kader als vermeld in artikel 35.
  [1 § 1/1. Het personeelslid van een hulpverleningszone wordt geacht te hebben voldaan aan de in paragraaf 1, 7° bedoelde voorwaarde.]1
  § 2. De aanwerving is onderworpen aan het slagen in een vergelijkend examen en een eliminerend medisch onderzoek, als vermeld in artikel 26 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers, georganiseerd door de raad.
  Het vergelijkend examen bestaat uit een mondeling interview, bedoeld om de motivatie, de inzetbaarheid en de overeenstemming van de kandidaat met de functiebeschrijving en de zone te testen. Als operationele redenen dat rechtvaardigen, kan het vergelijkend examen eveneens een bijkomende proef omvatten.
  De raad bepaalt, in een reglement, de inhoud van de bijkomende proef en de samenstelling van de jury. De praktische organisatie van het vergelijkend examen kan door de raad toevertrouwd worden aan een opleidingscentrum voor civiele veiligheid.
  De geslaagde kandidaten worden opgenomen in een wervingsreserve die twee jaar geldig is. De geldigheidsduur kan ten hoogste twee keer voor twee jaar verlengd worden.
  Het resultaat van het vergelijkend examen wordt de betrokkene ter kennis gebracht via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  HOOFDSTUK 4. - De aanwerving van het personeel van het hoger kader

  Art. 38.§ 1. Kandidaten voor een betrekking van kapitein voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° Belg zijn;
  2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking. De kandidaat bezorgt een uittreksel uit het strafregister dat afgeleverd dient te zijn binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen;
  3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
  4° in orde zijn met de dienstplichtwetten;
  5° houder zijn van rijbewijs B;
  6° houder zijn van een diploma van niveau A;
  7° houder zijn van een federaal geschiktheidstattest voor het hoger kader als vermeld in artikel 35.
  [1 § 1/1. De officier van een hulpverleningszone wordt geacht te hebben voldaan aan de in paragraaf 1, 7° bedoelde voorwaarde.
   Het personeelslid van een hulpverleningszone dat geen officier is wordt vrijgesteld van de operationele handvaardigheidstest en de lichamelijke geschiktheidsproeven bedoeld in artikel 35, § 3, 2° en 3°.]1
  § 2. De aanwerving is onderworpen aan het slagen in een vergelijkend examen en een eliminerend medisch onderzoek, als vermeld in artikel 26 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers, georganiseerd door de raad.
  Het vergelijkend examen bestaat uit een mondeling interview, bedoeld om de motivatie, de inzetbaarheid en de overeenstemming van de kandidaat met de functiebeschrijving en de zone te testen. Als operationele redenen dat rechtvaardigen, kan het vergelijkend examen eveneens een bijkomende proef omvatten.
  De raad bepaalt, in een reglement, de inhoud van de bijkomende proef en de samenstelling van de jury. De praktische organisatie van het vergelijkend examen kan door de raad toevertrouwd worden aan een opleidingscentrum voor civiele veiligheid.
  De geslaagde kandidaten worden in een wervingsreserve geplaatst die twee jaar geldig is. De geldigheidsduur kan ten hoogste twee keer voor twee jaar verlengd worden.
  Het resultaat van het vergelijkend examen wordt de betrokkene ter kennis gebracht via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  TITEL 2. - De aanwervingsstage

  HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

  Art. 39.De kandidaten uit de reserve worden door de raad toegelaten tot de aanwervingsstage in orde van rangschikking resulterend uit de zonale bijkomende proeven.
  [1 Elke benoeming wordt voorafgegaan door een stageperiode.]1
  De aanwervingsstage begint de dag van de indiensttreding. Hij start met het volgen van de opleiding nodig voor het door Ons, op basis van een beraadslaging in de Ministerraad, bepaalde brevet dat vereist is voor de functie waarvoor de stagiair aangeworven wordt. De raad bepaalt de theoretische en praktische vorming die door de stagiair gevolgd wordt in de dienst.
  De aanwervingsstage verloopt onder leiding van de functionele meerdere, hierna "stagebegeleider" genoemd, aangewezen door de commandant.
  De stagebegeleider houdt door middel van een logboek bij welke opleidingen de stagiair volgt, en treedt op als referentiepersoon met ervaring. Hij waakt erover dat de stagiair enkel aan de operaties deelneemt in de mate dat zijn theoretische en praktische vorming, dat toelaat.
  De aanwervingsstage eindigt één jaar na het behalen van het brevet, door Ons bepaald, op basis van een beraadslaging door de Ministerraad. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 40, § 2, kan de totale stageperiode niet langer zijn dan drie jaar voor de beroepsstagiair en [1 zes]1 jaar voor de vrijwillige stagiair beginnend vanaf de dag van de indiensttreding.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 40. § 1. Om de duur van de periode van de aanwervingsstage te berekenen, worden alle perioden waarin de beroepsstagiair in dienstactiviteit is, in aanmerking genomen.
  § 2. Perioden van afwezigheid gedurende de aanwervingsstage hebben een verlenging van deze stage tot gevolg, vanaf het ogenblik dat ze, in één of verschillende malen, tien werkdagen overschrijden, zelfs als de beroepsstagiair in dienstactiviteit is.
  Komen voor de berekening van de tien werkdagen niet in aanmerking, afwezigheden als gevolg van :
  1° de dagen jaarlijks vakantieverlof;
  2° de omstandigheidsverloven;
  3° de uitzonderlijke verloven;
  4° de artikelen 81, §§ 1 en 2, en 82 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.

  Art. 41. Tijdens de aanwervingsstage van brandweerman moet de beroepsstagiair zijn rijbewijs C behalen, indien hij meer dan eenentwintig jaar is, of C1, indien hij minder dan eenentwintig jaar is.
  De raad kan beslissen dat de beroepsstagiair zijn brevet ambulancier moet behalen en vermeldt dit desgevallend in de oproep tot kandidaten.
  De raad kan beslissen dat de vrijwillige stagiair zijn rijbewijs C of C1 en/of zijn brevet ambulancier moet behalen en vermeldt dit desgevallend in de oproep tot kandidaten.
  De raad neemt de kosten voor het behalen van het rijbewijs C of C1 en voor het behalen van het brevet ambulancier voor zijn rekening.

  Art. 42. De raad kan, op voorstel van de commandant of van zijn afgevaardigde, aan de stagiair de toestemming geven om een aanwervingsstage voor een periode van maximum drie maanden in een andere zone te volbrengen, mits het akkoord van de commandant van de zone waarin de stagiair geplaatst is of zijn afgevaardigde.
  Tijdens deze periode ziet de commandant van de zone waar de stagiair aan toegewezen is, of zijn afgevaardigde, erop toe dat de stagiair slechts deelneemt aan operaties voor zover zijn theoretische en praktische opleiding dit toelaat.
  Aan het einde van deze periode stelt de commandant van de zone waaraan de stagiair toegewezen is of diens afgevaardigde, een evaluatierapport op over de stagiair.

  Art. 43. § 1. Binnen iedere zone wordt er een stagecommissie gevormd voor de evaluatie van de stagiairs.
  De stagecommissie bestaat uit :
  1° de commandant of zijn afgevaardigde, die ze voorzit;
  2° drie door de commandant aangeduide personeelsleden bekleed met een graad die minstens gelijkwaardig is aan die van de stagiair.
  Een afgevaardigde per representatieve syndicale organisatie in de zone mag als waarnemer zetelen.
  Geen enkel lid van de stagecommissie mag de echtgenoot, de ouder of een bloedverwant tot en met de derde graad zijn van een kandidaat.
  De stagebegeleider, vermeld in artikel 39, mag niet zetelen in de commissie.
  De commissie kan slechts een beslissing nemen indien de meerderheid van zijn leden aanwezig is en beslist bij geheime stemming en bij gewone meerderheid van de stemmen. In geval van staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
  § 2. De commandant neemt niet deel aan de beraadslagingen van de raad wanneer deze ertoe gebracht wordt om uitspraak te doen over de verlenging of het ontslag van de stagiair.

  HOOFDSTUK 2. - Evaluatie tijdens de aanwervingsstage

  Art. 44. De evaluatie heeft tot doel de prestaties van de stagiair doorlopend te beoordelen in functie van zijn functiebeschrijving.

  Art. 45. De stagebegeleider maakt, na de nodige informatie te hebben ingewonnen en na overleg met de stagiair [...], stageverslagen op. (ERRATUM, zie B.St. 19-04-2017, p. 51901)
  De stageverslagen worden om de drie maanden en op het einde van de aanwervingsstage opgemaakt. Ze worden door de stagebegeleider ondertekend en na afloop van elke periode ter kennis gebracht van de stagiair, die ze ondertekent en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. De verslagen worden toegevoegd aan het persoonlijk dossier van de stagiair.

  Art. 46. In de tussentijdse stageverslagen wordt de stagiair geëvalueerd door middel van een `gunstige', `te verbeteren' of `ongunstige' beoordeling. Deze evaluatie wordt gemotiveerd aan de hand van concrete vaststellingen. In dit kader formuleert de stagebegeleider aandachtspunten en reikt mogelijke oplossingen aan.

  Art. 47. Op het einde van de aanwervingsstage stelt de stagebegeleider, na de stagiair te hebben gehoord, een samenvattend eindverslag op van de manier waarop de stagiair functioneert. Hij stelt voor :
  1° hetzij de stagiair te benoemen;
  2° hetzij, als de verslagen vermeld in artikel 46, over het geheel niet gunstig zijn voor de stagiair, de stagiair te ontslaan of zijn stage ten hoogste twee keer voor een duur van zes maanden te verlengen.
  Voor elke zware fout begaan gedurende of ter gelegenheid van de stage kan de stagiair die er zich schuldig aan maakt zonder opzegging worden ontslagen. De betrokkene moet vooraf gehoord of aangemaand worden. Het ontslag wordt uitgesproken door de raad op verslag van de stagebegeleider en na advies van de stagecommissie.

  Art. 48. Het verslag wordt de betrokkene ter kennis gebracht via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.

  Art. 49.Als de stagebeleider voorstelt om de stagiair [1 tijdens de stage of op het einde van de stage]1 te ontslaan of om de periode van de aanwervingsstage te verlengen, kan [1 de stagiair]1 het geval voorleggen aan de stagecommissie. De stagiair legt dit voor per aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum binnen één maand na de verzending van het voorstel.
  De stagecommissie hoort de stagiair, alvorens zijn advies te geven. De stagiair heeft toegang tot het dossier en verschijnt in eigen persoon, hij kan zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze. Deze persoon maakt geen deel uit van de commissie.
  Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de stagiair of zijn verdediger, zonder geldig excuus, niet verschijnt, neemt de commissie een beslissing of formuleert ze een voorstel.
  De commissie spreekt zich uit op grond van het in artikel 47 vermelde verslag, zelfs indien de stagiair een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van de tweede zitting uitmaakt.
  Het gemotiveerd advies wordt de raad en de betrokkene ter kennis gebracht via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum, binnen de twee maand na het verhoor. Bij gebrek aan advies afgeleverd binnen deze termijn, wordt het advies geacht positief te zijn.
  De raad beslist op basis van het verslag van de stagebegeleider en het advies van de stagecommissie, binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van het advies. Bij gebrek aan genomen beslissing binnen deze termijn, wordt de stagiair benoemd.
  De beslissing wordt bijzonder gemotiveerd indien de raad afwijkt van het advies van de commissie.
  De beslissing wordt aan de betrokkene meegedeeld via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 50.De [beroepsstagiair] die ontslagen werd wegens negatieve evaluatie geniet een beëindigingsvergoeding gelijk aan drie keer de gemiddelde maandelijkse bezoldiging van de twaalf laatste maanden. De diverse premies en toelagen worden niet in rekening gebracht voor berekening van de beëindigingsvergoeding. <Erratum, B.St. 22-01-2015, p. 5311>

  TITEL 3. - De benoeming

  Art. 51. De stagiair wordt door de raad benoemd. De benoeming van een stagiair wordt door de voorzitter of zijn afgevaardigde rechtstreeks aan de betrokkene betekend. Ze wordt ter kennis gebracht van de leden van de zone door de voorzitter of zijn afgevaardigde.
  De beroepsstagiair wordt vast benoemd.
  De vrijwillig stagiair wordt benoemd voor een duur van zes jaar.
  Na het advies van de commandant te hebben ontvangen, wordt de benoeming stilzwijgend vernieuwd voor een nieuwe periode van zes jaar, behalve bij gemotiveerde beslissing door de raad.
  Als de commandant voorstelt de benoeming niet te verlengen, ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de duur van zes jaar, wordt het voorstel tegelijk en binnen de tien dagen overgemaakt aan de raad en aan de betrokkene. De betrokkene kan, per aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum binnen één maand na de verzending van het voorstel, verzoeken verhoord te worden door de raad. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon naar keuze.
  De commandant neemt niet deel aan de beraadslaging van de raad.

  BOEK 5. - De loopbaan

  TITEL 1. - De bevordering door verhoging in graad

  HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

  Art. 52. De bepalingen van deze titel hebben slechts betrekking op de bevordering in de zone waar het personeelslid reeds is tewerkgesteld.
  De verschillende types bevordering zijn :
  1° voor wat betreft de administratieve loopbaan :
  - de bevordering door verhoging in graad;
  - de bevordering door mobiliteit zoals geregeld in titel 2 van dit boek.
  2° wat de geldelijke loopbaan betreft, de bevordering in weddeschaal zoals geregeld door de artikelen 10 tot 19 van het koninklijk besluit van 19 april 2014.

  Art. 53. Iedere via bevordering door verhoging in graad toegankelijke en niet bezette betrekking kan vacant worden verklaard door de raad.

  Art. 54. § 1. De vacante betrekkingen worden ter kennis gebracht van de personeelsleden via de website van de zone, via de dienstnota aangeplakt in de posten van de zone, per e-mail en, voor de personen voorlopig verwijderd van de dienst, ook bij aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum. Deze bekendmaking van de vacante betrekking vermeldt de functiebeschrijving, de te vervullen voorwaarden, de opgelegde proeven, de materie van deze proeven, alsook de praktische modaliteiten en de einddatum voor de indiening van de kandidaturen. Deze einddatum kan niet minder zijn dan dertig kalenderdagen vanaf de dag van de bekendmaking van de vacante betrekking op de website van de zone.
  § 2. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de personeelsleden die ingediend zijn binnen de in paragraaf 1 bepaalde termijn.
  § 3. Elke kandidatuur voor een bevorderingsbetrekking wordt gemotiveerd.

  HOOFDSTUK 2. - De bevorderingsvoorwaarden

  Art. 55.Voor de toepassing van dit boek, staan de door bevordering toegankelijke beroepsbetrekkingen open voor de beroepspersoneelsleden en staan de door bevordering toegankelijke vrijwilligersbetrekkingen open voor de vrijwillige personeelsleden[1 ...]1. [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 56.[1 De bevorderingsvoorwaarden zijn :
   1° voor de graad van korporaal :
   a) benoemd zijn in de graad van brandweerman;
   b) [2 de vermelding "voldoende", "goed" of "zeer goed"]2 gekregen hebben bij de laatste evaluatie;
   c) titularis zijn van het brevet BO2;
   d) geslaagd zijn voor de bevorderingsproef, vermeld in artikel 57.
   2° voor de graad van sergeant :
   a) benoemd zijn in de graad van brandweerman of korporaal;
   b) [2 de vermelding "voldoende", "goed" of "zeer goed"]2 gekregen hebben bij de laatste evaluatie;
   c) titularis zijn van het brevet MO1 :
   - voor een bevordering naar vrijwillig sergeant : geslaagd zijn in alle modules van deel 1 en minstens één van de modules van deel 2 van het brevet MO1,
   - voor een bevordering naar beroepssergeant : geslaagd zijn in alle modules van deel 1 en 2 van het brevet MO1.
   d) geslaagd zijn voor de bevorderingsproef, vermeld in artikel 57.
   3° voor de graad van adjudant :
   a) benoemd zijn in de graad van sergeant;
   b) [2 de vermelding "voldoende", "goed" of "zeer goed"]2 gekregen hebben bij de laatste evaluatie;
   c) titularis zijn van het brevet MO2;
   d) geslaagd zijn voor de bevorderingsproef, vermeld in artikel 57.
   4° voor de graad van luitenant :
   a) benoemd zijn in de graad van sergeant of adjudant;
   b) Belg zijn;
   c) [2 de vermelding "voldoende", "goed" of "zeer goed"]2 gekregen hebben bij de laatste evaluatie;
   d) titularis zijn van het brevet OFF1;
   e) geslaagd zijn voor de bevorderingsproef, vermeld in artikel 57.
   5° voor de graad van kapitein :
   a) benoemd zijn in de graad van luitenant;
   b) [2 de vermelding "voldoende", "goed" of "zeer goed"]2 gekregen hebben bij de laatste evaluatie;
   c) titularis zijn van het brevet OFF2 :
   - voor een bevordering naar vrijwillig kapitein : geslaagd zijn in alle modules van deel 1 en minstens één van de modules van deel 2 van het brevet OFF2 via bevordering,
   - voor een bevordering naar beroepskapitein : geslaagd zijn in alle modules van deel 1 en 2 van het brevet OFF2 via bevordering.
   d) geslaagd zijn voor de bevorderingsproef, vermeld in artikel 57;
   e) houder zijn van een diploma van niveau A, of geslaagd zijn in een proef georganiseerd na een opleiding bedoeld in artikel 46 van het koninklijk besluit van 18 november 2015 betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten en tot wijziging van diverse koninklijk besluiten, na advies van het Kenniscentrum voor de civiele veiligheid.
   6° voor de graad van majoor :
   a) benoemd zijn in de graad van luitenant of kapitein;
   b) [2 de vermelding "voldoende", "goed" of "zeer goed"]2 gekregen hebben bij de laatste evaluatie;
   c) titularis zijn van het brevet OFF3;
   d) geslaagd zijn voor de bevorderingsproef, vermeld in artikel 57;
   e) houder zijn van een diploma van niveau A of geslaagd zijn in een proef georganiseerd na een opleiding bedoeld in artikel 46 van het koninklijk besluit van 18 november 2015 betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten en tot wijziging van diverse koninklijk besluiten, na advies van het Kenniscentrum voor de civiele veiligheid.
   7° voor de graad van kolonel :
   a) benoemd zijn in de graad van kapitein of majoor;
   b) [2 de vermelding "voldoende", "goed" of "zeer goed"]2 gekregen hebben bij de laatste evaluatie;
   c) titularis zijn van één van de diploma's bepaald door de Minister;
   d) geslaagd zijn voor de bevorderingsproef, vermeld in artikel 57;
   e) houder zijn van een diploma van niveau A of geslaagd zijn in een proef georganiseerd na een opleiding bedoeld in artikel 46 van het koninklijk besluit van 18 november 2015 betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten en tot wijziging van diverse koninklijk besluiten, na advies van het Kenniscentrum voor de civiele veiligheid.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-18/16, art. 73, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<KB 2016-10-08/06, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 04-12-2016>

  Art. 57.§ 1. De bevorderingsproef wordt georganiseerd door een opleidingscentrum voor civiele veiligheid. Zij omvat geschiktheidstesten waaronder één praktische proef. [1 De Minister kan de inhoud en de modaliteiten van deze bevorderingsproeven bepalen.]1
  Enkel de personeelsleden van de zones die ten laatste op de dag van de proef voldoen aan de in artikel 56 vermelde bevorderingsvoorwaarden, mogen aan deze proef deelnemen.
  De raad duidt de personen aan die de examenjury uitmaken, overeenkomstig het vierde lid.
  De jury is voor minstens de helft samengesteld uit officieren die tot de zone of zones van de kandidaten behoren. Deze officieren hebben minstens dezelfde graad als die van de vacant verklaarde betrekking. [2 Als er niet voldoende houders zijn van een graad die ten minste gelijk is aan de graad van het betrokken personeelslid, zetelen personeelsleden van andere hulpverleningszones, houders van de betreffende graden, in de jury, na aanduiding door de raad waartoe het betrokken personeelslid behoort.]2 Geen enkel lid van de examenjury mag de echtgenoot, de ouder of een bloedverwant tot en met de derde graad zijn van een kandidaat.
  Een afgevaardigde per representatieve syndicale organisatie in de zone mag als waarnemer zetelen.
  De jury stelt per zone een rangschikking van de kandidaten op. De raad is gebonden door deze rangschikking voor de bevordering of de toelating tot de bevorderingsstage.
  De raad kan een bevorderingsreserve aanleggen waarvan de geldigheidsduur de twee jaar niet overschrijdt. De raad kan de geldigheid van de bevorderingsreserve maximum twee keer verlengen met twee jaar.
  De kandidaten worden op de hoogte gebracht van hun resultaat bij aangetekend schrijven of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.
  § 2. De beslissing tot toelating tot de bevorderingsstage voor de graden van sergeant en luitenant en de beslissing tot bevordering voor de andere graden wordt door de voorzitter of zijn afgevaardigde bij aangetekend schrijven of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.
  ----------
  (1)<KB 2015-11-18/16, art. 74, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<KB 2016-05-09/03, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  HOOFDSTUK 3. - De bevorderingsstage

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 58. Het personeelslid bevorderd in de graad van sergeant of luitenant, voltooit een bevorderingsstage met een duur van zes maanden.
  De bevorderingsstage verloopt onder leiding van de functionele meerdere, hierna "stagebegeleider" genoemd, aangewezen door de commandant.
  De stagebegeleider noteert in een logboek de door de stagiair gevolgde opleidingen.

  Art. 59. § 1. Om de duur van de periode van de bevorderingsstage te berekenen, worden alle perioden waarin de beroepsstagiair in dienstactiviteit is, in aanmerking genomen.
  § 2. Perioden van afwezigheid gedurende de bevorderingsstage hebben een verlenging van deze stage tot gevolg, vanaf het ogenblik dat ze, in één of verschillende malen, tien werkdagen overschrijden, zelfs als de beroepsstagiair in dienstactiviteit is.
  Komen voor de berekening van de tien werkdagen niet in aanmerking, afwezigheden als gevolg van :
  1° de dagen jaarlijks vakantieverlof;
  2° de omstandigheidsverloven;
  3° de uitzonderlijke verloven;
  4° de afwezigheden, voortvloeiend uit de artikelen 81, §§ 1 en 2, en 82 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.

  Art. 60. Binnen iedere zone wordt er een stagecommissie gevormd voor de beoordeling van de stagiairs in een bevorderingsgraad.
  De stagecommissie wordt samengesteld volgens artikel 43, § 1, tweede tot zesde lid en § 2.
  De stagebegeleider, vermeld in artikel 58, mag niet zetelen in de commissie.

  Afdeling 2. - De evaluatie tijdens de bevorderingsstage

  Art. 61. De evaluatie heeft tot doel de prestaties van de stagiair doorlopend te beoordelen in functie van zijn functiebeschrijving.

  Art. 62. De stagebegeleider maakt, na de nodige informatie te hebben ingewonnen en na overleg met de stagiair, stageverslagen op.
  De stageverslagen worden na drie maanden en op het einde van de bevorderingsstage opgemaakt. Ze worden door de stagebegeleider ondertekend en na afloop van elke periode ter kennis gebracht van de stagiair, die ze ondertekent en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. De verslagen worden toegevoegd aan het persoonlijk dossier van de stagiair.

  Art. 63. In het tussentijdse stageverslag wordt de stagiair geëvalueerd door middel van een `voldoende', `te verbeteren' of `onvoldoende' beoordeling. Deze beoordeling wordt gemotiveerd aan de hand van concrete vaststellingen. In dit kader formuleert de stagebegeleider aandachtspunten en reikt mogelijke oplossingen aan.

  Afdeling 3. - De evaluatie op het einde van de bevorderingsstage

  Art. 64. Op het einde van de bevorderingsstage stelt de stagebegeleider, na de stagiair te hebben gehoord, een samenvattend eindverslag op van de manier waarop de stagiair functioneert. Hij stelt voor :
  1° hetzij de bevordering van de stagiair te bevestigen;
  2° hetzij de bevordering van de stagiair niet te bevestigen;
  3° hetzij de periode van de bevorderingsstage voor een duur van ten hoogste tweemaal zes maanden te verlengen.

  Art. 65.Het verslag wordt aan de betrokkene ter kennis gebracht via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.
  Als de stagebeleider voorstelt om de bevordering van de stagiair niet te bevestigen of om de periode van de bevorderingsstage te verlengen, kan [1 de stagiair]1 het geval voorleggen aan de stagecommissie, vermeld in artikel 60. De stagiair legt dit voor per aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum binnen één maand na de verzending van het voorstel.
  De stagecommissie hoort de stagiair, alvorens zijn advies te geven. De stagiair heeft toegang tot het dossier en verschijnt in eigen persoon, hij kan zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze. Deze persoon maakt geen deel uit van de commissie.
  Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de stagiair of zijn verdediger, zonder geldig excuus, niet verschijnt, neemt de commissie een beslissing of formuleert ze een voorstel.
  De commissie spreekt zich uit op grond van het in artikel 64 vermelde verslag, zelfs indien de stagiair een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van de tweede zitting uitmaakt.
  Het gemotiveerd advies wordt aan de raad en aan de betrokkene ter kennis gebracht via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum, binnen de twee maanden na het verhoor. Bij gebrek aan een advies uitgebracht binnen deze termijn, wordt het advies van de commissie geacht positief te zijn.
  De raad beslist op basis van het verslag van de stagebegeleider en het advies van de stagecommissie, binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van het advies. Bij gebrek aan genomen beslissing binnen deze termijn, wordt de stagiair bevorderd.
  De beslissing wordt speciaal gemotiveerd indien de raad afwijkt van het advies van de commissie.
  De beslissing wordt aan de betrokkene meegedeeld via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 66. Als de raad de bevordering van het personeelslid niet bevestigt, neemt het personeelslid opnieuw zijn functie op in de graad die het bekleedde voor de bevordering.

  TITEL 2. - De mobiliteit

  HOOFDSTUK 1. - Mobiliteit in dezelfde graad

  Art. 67. Mobiliteit in dezelfde graad is de overplaatsing van het personeelslid naar een vacant verklaarde betrekking van dezelfde graad in een andere zone.
  Mobiliteit gebeurt enkel op vrijwillige basis.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk, staan de door mobiliteit toegankelijke beroepsbetrekkingen open voor de beroepspersoneelsleden en staan de door mobiliteit toegankelijke vrijwilligersbetrekkingen open voor de vrijwillige personeelsleden.

  Art. 68. Het personeelslid dat via mobiliteit naar een andere betrekking in dezelfde graad wordt overgeplaatst behoudt zijn graad en de bijbehorende weddeschaal voor het beroepspersoneel en de prestatievergoedingschaal voor het vrijwillige personeel.

  Art. 69.Voor elke betrekking die wordt opengesteld voor mobiliteit in dezelfde graad, wordt een oproep tot kandidaatstelling opgesteld.
  De oproep vermeldt de functiebeschrijving, de te vervullen voorwaarden, de opgelegde proeven, alsmede de praktische modaliteiten en de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen.
  [1 Deze oproep wordt ten minste twintig werkdagen voor de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen bekendgemaakt op de website van de zone en op de website van de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken. De oproep tot kandidaatstelling wordt binnen dezelfde termijn ter informatie overgemaakt aan alle andere zones die personeel van dezelfde taalrol tewerkstellen.]1
  Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de personeelsleden die ingediend zijn ten laatste op de uiterste datum voor indiening van de kandidaturen.
  Elke kandidatuur wordt gemotiveerd.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 70.Het personeelslid komt in aanmerking voor een mobiliteitsbetrekking in dezelfde graad wanneer het aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° voor het beroepspersoneelslid zich bevinden in een positie van dienstactiviteit en voor het vrijwillig personeelslid benoemd zijn als dusdanig en niet geschorst zijn bij wijze van tuchtmaatregel. De stagiairs, hetzij beroeps, hetzij vrijwilligers, komen niet in aanmerking voor een mobiliteitsbetrekking;
  2° voldoen aan de voorwaarden vermeld in de functiebeschrijving;
  3° [1 over een graadanciënniteit van ten minste twee jaar beschikken, aanwervingsstage niet inbegrepen;]1
  4° beschikken over [2 een vermelding "voldoende", "goed" of "zeer goed"]2 bij zijn laatste evaluatie.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 12, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>
  (2)<KB 2016-10-08/06, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 04-12-2016>

  Art. 71.De raad organiseert de mobiliteitsproef. Deze proef test de motivatie, de inzetbaarheid [1 de beschikbaarheid]1 en de overeenstemming van de kandidaat met de functiebeschrijving. De raad legt in een reglement de inhoud van de proef en de samenstelling van de examenjury vast.
  De raad beslist, na advies van de commandant, welke van de geslaagde kandidaten de meest geschikte is voor het bezetten van de vacante functie.
  De raad motiveert zijn beslissing in functie van :
  1° de kandidaturen;
  2° de functiebeschrijving;
  3° de evaluatie van de mobiliteitsproef.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 72. De beslissing van de raad wordt via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum betekend aan de geselecteerde kandidaat.
  Deze laatste beschikt over veertien kalenderdagen om aan de raad zijn beslissing over het aanvaarden van de betrekking kenbaar te maken via een aangetekende brief via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.
  De niet-geselecteerde kandidaten worden via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum op de hoogte gebracht. Zij kunnen vragen om het dossier te mogen raadplegen binnen de veertien kalenderdagen vanaf de ontvangst van de beslissing.

  Art. 73. De geselecteerde kandidaat begint binnen de drie maanden vanaf de ontvangst van de beslissing zijn mobiliteitsstage. Het begin van de mobiliteitsstage kan uitgesteld worden met drie maanden in geval van een akkoord tussen de oorspronkelijke zone en de zone van bestemming.
  De mobiliteitsstage duurt drie maanden voor alle graden met uitzondering van de mobiliteitsstage voor de graden sergeant en luitenant, die zes maanden duurt.

  Art. 74. § 1. Om de duur van de periode van de mobiliteitsstage te berekenen, worden alle perioden waarin de beroepsstagiair in dienstactiviteit is, in aanmerking genomen.
  § 2. Perioden van afwezigheid gedurende de mobiliteitsstage hebben een verlenging van deze stage tot gevolg, vanaf het ogenblik dat ze, in één of verschillende malen, tien werkdagen overschrijden, zelfs als de beroepsstagiair in dienstactiviteit is.
  Komen voor de berekening van de tien werkdagen niet in aanmerking, afwezigheden als gevolg van :
  1° de dagen jaarlijks vakantieverlof;
  2° de omstandigheidsverloven;
  3° de uitzonderlijke verloven;
  4° de afwezigheden, voortvloeiend uit de artikelen 81, §§ 1 en 2, en 82 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.

  Art. 75. De mobiliteitsstage verloopt onder leiding van de functionele meerdere, hierna "stagebegeleider" genoemd, aangewezen door de commandant.

  Art. 76. De evaluatie heeft tot doel de prestaties van de stagiair te beoordelen in functie van zijn functiebeschrijving.

  Art. 77. Binnen iedere zone wordt er een stagecommissie gevormd voor de evaluatie van de stagiairs.
  De stagecommissie wordt samengesteld volgens artikel 43, § 1, tweede tot zesde lid en § 2.
  De stagebegeleider, vermeld in artikel 75, mag niet zetelen in de commissie.

  Art. 78. Op het einde van de mobiliteitsstage maakt de stagebegeleider, na de nodige informatie te hebben ingewonnen en na overleg met de stagiair [...], het stageverslag op. (ERRATUM, zie B.St. 19-04-2017, p. 51901)

  Art. 79. Het stageverslag stelt voor :
  1° hetzij het personeelslid te benoemen;
  2° hetzij het personeelslid niet te benoemen.
  Het wordt door de stagebegeleider ondertekend en ter kennis gebracht aan de stagiair, die het ondertekent en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. Het verslag wordt toegevoegd aan het persoonlijk dossier van de stagiair.

  Art. 80. Voor de mobiliteitsstage bij de graden van sergeant en luitenant wordt na 3 maanden een tussentijdse verslag opgesteld. In het tussentijdse stageverslag wordt de stagiair geëvalueerd door middel van een `voldoende, `te verbeteren' of `onvoldoende' beoordeling. Deze evaluatie wordt gemotiveerd aan de hand van concrete vaststellingen. In dit kader formuleert de stagebegeleider aandachtspunten en reikt mogelijke oplossingen aan.

  Art. 81. Het verslag wordt aan de betrokkene ter kennis gebracht via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.

  Art. 82.Als de stagebegeleider voorstelt om het personeelslid niet te benoemen, kan [1 de stagiair]1 het geval voorleggen aan de stagecommissie, vermeld in artikel 77. De stagiair legt dit voor per aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum binnen één maand na de verzending van het voorstel.
  De stagecommissie hoort het personeelslid, alvorens zijn advies te geven. Het personeelslid heeft toegang tot het dossier en verschijnt in eigen persoon, het kan zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze. Deze persoon maakt geen deel uit van de commissie.
  Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de stagiair of zijn verdediger, zonder geldig excuus, niet verschijnt, neemt de commissie een beslissing of formuleert ze een voorstel.
  De commissie spreekt zich uit op grond van het in artikel 78 vermelde verslag, zelfs indien de stagiair een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van de tweede zitting uitmaakt.
  Het gemotiveerd advies wordt aan de raad en aan de betrokkene ter kennis gebracht via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum, binnen de twee maanden na het verhoor. Bij gebrek aan een advies uitgebracht binnen deze termijn, wordt het advies van de commissie geacht positief te zijn.
  De raad beslist op basis van het verslag van de stagebegeleider en het advies van de stagecommissie, binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van het advies. Bij gebrek aan genomen beslissing binnen deze termijn, wordt de stagiair benoemd.
  De beslissing wordt speciaal gemotiveerd indien de raad afwijkt van het advies van de commissie.
  De beslissing wordt aan de betrokkene meegedeeld via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 83. Als de raad de benoeming van het personeelslid niet bevestigt, keert het personeelslid terug naar de oorspronkelijke zone in de graad die het bekleedde voor de mobiliteit.

  HOOFDSTUK 2. - Bevordering door mobiliteit

  Art. 84. Bevordering door mobiliteit is de overplaatsing van een personeelslid naar een vacant verklaarde betrekking van een hogere graad in een andere zone.
  Bevordering door mobiliteit gebeurt enkel op vrijwillige basis.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk, staan de voor bevordering door mobiliteit toegankelijke beroepsbetrekkingen open voor de beroepspersoneelsleden en staan de voor bevordering door mobiliteit toegankelijke vrijwilligersbetrekkingen open voor de vrijwillige personeelsleden.

  Art. 85. Slechts bij gebrek aan kandidaten die aan de bevorderingsvoorwaarden voldoen binnen de zone, kan de raad beslissen om de functie open te stellen voor kandidaten van een andere zone.

  Art. 86.Voor elke betrekking die wordt opengesteld voor bevordering door mobiliteit, wordt een oproep tot kandidaatstelling opgesteld.
  De oproep vermeldt de functiebeschrijving, de te vervullen voorwaarden, de opgelegde proeven, alsmede de praktische modaliteiten en de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen.
  [1 Deze oproep wordt ten minste twintig werkdagen voor de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen bekendgemaakt op de website van de zone en op de website van de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken. De oproep tot kandidaatstelling wordt binnen dezelfde termijn ter informatie overgemaakt aan alle andere zones die personeel van dezelfde taalrol tewerkstellen.]1
  Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de personeelsleden die ingediend zijn ten laatste op de uiterste datum voor indiening van de kandidaturen.
  Elke kandidatuur wordt gemotiveerd.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 15, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 87.Het personeelslid komt in aanmerking voor een mobiliteitsbetrekking in hogere graad wanneer het aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° voor het beroepspersoneelslid zich bevinden in een positie van dienstactiviteit en voor het vrijwillig personeelslid benoemd zijn als dusdanig en niet geschorst zijn bij wijze van tuchtmaatregel. De stagiairs, hetzij beroeps, hetzij vrijwilligers, komen niet in aanmerking voor een mobiliteitsbetrekking;
  2° voldoen aan de bevorderingsvoorwaarden voor de betreffende graad, vermeld in artikel 56;
  3° beschikken over [1 een vermelding "voldoende", "goed" of "zeer goed"]1 bij zijn laatste evaluatie.
  ----------
  (1)<KB 2016-10-08/06, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 04-12-2016>

  Art. 88. § 1. Voor de via bevordering door mobiliteit vacant verklaarde betrekkingen van sergeant en luitenant zijn de artikelen 57 tot 66 van toepassing.
  De bevorderingsstage, vermeld in artikel 58, begint binnen de drie maanden vanaf de datum van de beslissing. Het begin van de bevorderingsstage kan worden uitgesteld met drie maanden in geval van akkoord tussen de oorspronkelijke zone en de zone van bestemming.
  In de gevallen, vermeld in de artikel 66, keert het personeelslid terug naar zijn oorspronkelijke zone.
  § 2. Voor de via bevordering door mobiliteit vacant verklaarde betrekkingen van korporaal, adjudant, kapitein, majoor en kolonel zijn artikel 57 en de artikelen 73 tot 83 van toepassing.

  TITEL 3. - De professionalisering

  HOOFDSTUK 1. - Professionalisering in dezelfde zone

  Art. 89. Professionalisering in dezelfde graad is de overgang van het vrijwillig personeelslid naar een vacant verklaarde betrekking van het beroepspersoneel in dezelfde graad en binnen dezelfde zone.

  Art. 90.
  <Opgeheven bij KB 2016-05-09/03, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 91. Voor elke betrekking die wordt opengesteld voor professionalisering in dezelfde graad, wordt een oproep tot kandidaatstelling opgesteld.
  De oproep vermeldt de functiebeschrijving, de te vervullen voorwaarden, de opgelegde proeven, alsmede de praktische modaliteiten en de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen.
  De oproep tot kandidaatstelling wordt ten minste twintig [werkdagen] voor de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen bekendgemaakt in elke post, op de website van de zone en op de website van de Algemene Directie Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken. (ERRATUM, zie B.St. 18-03-2016, p. 18672)
  Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de personeelsleden die ingediend zijn ten laatste op de uiterste datum voor indiening van de kandidaturen.
  Elke kandidatuur wordt gemotiveerd.

  Art. 92.Het vrijwillig personeelslid komt in aanmerking voor professionalisering in dezelfde graad wanneer het aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° benoemd zijn als vrijwillig personeelslid en niet geschorst zijn bij wijze van tuchtmaatregel;
  2° voldoen aan de voorwaarden vermeld in de functiebeschrijving;
  3° [2 over een graadanciënniteit van ten minste twee jaar beschikken, aanwervingsstage niet inbegrepen;]2
  4° beschikken over [3 een vermelding "voldoende", "goed" of "zeer goed"]3 bij zijn laatste evaluatie;
  [1 5° voor de professionalisering in de graad van sergeant, adjudant of luitenant beschikken over het modulecertificaat "Competentiemanagement en evaluatie" en de getuigschriften PREV-1 en FOROP-1;
   6° voor de professionalisering in de graad van kapitein, majoor of kolonel, beschikken over het modulecertificaat "Competentiemanagement en evaluatie" en de getuigschriften PREV-1, PREV-2, FOROP-1 en FOROP-2.]1
  [2 In afwijking van het eerste lid, 2°, wanneer de functiebeschrijving als beroepspersoneelslid voorwaarden bevat inzake rijbewijs of brevet van ambulancier die niet vermeld worden in de functiebeschrijving van de vrijwillige kandidaat, moet aan deze voorwaarden voldaan worden ten laatste op het einde van de professionaliseringsstage. In dit geval kan de professionaliseringsstage bedoeld in artikel 95 drie keer verlengd worden met een periode van drie maanden om de stagiair toe te laten te voldoen aan deze nieuwe voorwaarden.]2
  ----------
  (1)<KB 2015-11-18/16, art. 75, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<KB 2016-05-09/03, art. 17, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>
  (3)<KB 2016-10-08/06, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 04-12-2016>

  Art. 93.De raad organiseert de professionaliseringsproef. Deze proef test de motivatie, de inzetbaarheid [1 , de beschikbaarheid]1 en de overeenstemming van de kandidaat met de functiebeschrijving. De raad legt in een reglement de inhoud van de proef en de samenstelling van de examenjury vast.
  De raad beslist, na advies van de commandant, welke van de geslaagde kandidaten de meest geschikte is voor het bezetten van de vacante functie.
  De raad motiveert zijn beslissing in functie van :
  1° de kandidaturen;
  2° de functiebeschrijving;
  3° de evaluatie van de professionaliseringsproef.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 94. De beslissing van de raad wordt via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum betekend aan de geselecteerde kandidaat.
  Deze laatste beschikt over veertien kalenderdagen om aan de raad zijn beslissing over het aanvaarden van de betrekking kenbaar te maken via een aangetekende brief via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.
  De niet-geselecteerde kandidaten worden via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum op de hoogte gebracht. Zij kunnen vragen om het dossier te mogen raadplegen binnen de veertien kalenderdagen vanaf de ontvangst van de beslissing.

  Art. 95. De geselecteerde kandidaat begint binnen de drie maanden vanaf de ontvangst van de beslissing zijn professionaliseringsstage. Het begin van de professionaliseringsstage kan uitgesteld worden met drie maanden in geval van een akkoord tussen de zone en de kandidaat.
  De professionaliseringsstage duurt drie maanden met uitzondering van de professionaliseringsstage voor de graden sergeant en luitenant, die zes maanden duurt.

  Art. 96. § 1. Om de duur van de periode van de professionaliseringsstage te berekenen, worden alle perioden waarin de beroepsstagiair in dienstactiviteit is, in aanmerking genomen.
  § 2. Perioden van afwezigheid gedurende de professionaliseringsstage hebben een verlenging van deze stage tot gevolg, vanaf het ogenblik dat ze, in één of verschillende malen, tien werkdagen overschrijden, zelfs als de beroepsstagiair in dienstactiviteit is.
  Komen voor de berekening van de tien werkdagen niet in aanmerking, afwezigheden als gevolg van :
  1° de dagen jaarlijks vakantieverlof;
  2° de omstandigheidsverloven;
  3° de uitzonderlijke verloven;
  4° de afwezigheden, voortvloeiend uit de artikelen 81, §§ 1 en 2, en 82 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.

  Art. 97. De professionaliseringsstage verloopt onder leiding van de functionele meerdere, hierna "stagebegeleider" genoemd, aangewezen door de commandant.

  Art. 98. De evaluatie heeft tot doel de prestaties van de stagiair te beoordelen in functie van zijn functiebeschrijving.

  Art. 99.Binnen iedere zone wordt er een stagecommissie gevormd voor de evaluatie van de stagiairs.
  De stagecommissie wordt samengesteld volgens artikel 43, § 1, tweede tot zesde lid en § 2 [1 met dien verstande dat, als er niet voldoende houders zijn van een graad die ten minste gelijk is aan de graad van het betrokken personeelslid, personeelsleden van andere hulpverleningszones, houders van de betreffende graden, in de jury zetelen, na aanduiding door de raad waartoe het betrokken personeelslid behoort.]1.
  De stagebegeleider, vermeld in artikel 97, mag niet zetelen in de commissie.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 100. Op het einde van de professionaliseringsstage maakt de stagebegeleider, na de nodige informatie te hebben ingewonnen en na overleg met de stagiair [...], het stageverslag op. (ERRATUM, zie B.St. 19-04-2017, p. 51901)

  Art. 101. Het stageverslag stelt voor :
  1° hetzij het personeelslid te benoemen;
  2° hetzij het personeelslid niet te benoemen.
  Het wordt ondertekend door de stagebegeleider en wordt meegedeeld aan de stagiair, die het ondertekent en die er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. Het verslag wordt toegevoegd aan het persoonlijk dossier van de stagiair.

  Art. 102. Voor de professionaliseringsstage bij de graden van sergeant en luitenant wordt na 3 maanden een tussentijds verslag opgesteld. In het tussentijdse stageverslag wordt de stagiair geëvalueerd door middel van een `voldoende', `te verbeteren' of `onvoldoende' beoordeling. Deze evaluatie wordt gemotiveerd aan de hand van concrete vaststellingen. In dit kader formuleert de stagebegeleider aandachtspunten en reikt mogelijke oplossingen aan.

  Art. 103. Het verslag wordt aan de betrokkene ter kennis gebracht via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.

  Art. 104.Als de stagebegeleider voorstelt om het personeelslid niet te benoemen, kan [1 de stagiair]1 het geval voorleggen aan de stagecommissie, vermeld in artikel 99. De stagiair legt dit voor per aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum binnen één maand na de verzending van het voorstel.
  De stagecommissie hoort het personeelslid, alvorens zijn advies te geven. Het personeelslid heeft toegang tot het dossier en verschijnt in eigen persoon, het kan zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze. Deze persoon maakt geen deel uit van de commissie.
  Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de stagiair of zijn verdediger, zonder geldig excuus, niet verschijnt, neemt de commissie een beslissing of formuleert ze een voorstel.
  De commissie spreekt zich uit op grond van het in artikel 100 vermelde verslag, zelfs indien de stagiair een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van de tweede zitting uitmaakt.
  Het gemotiveerd advies wordt aan de raad en aan de betrokkene ter kennis gebracht via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum, binnen de twee maanden na het verhoor. Bij gebrek aan een advies uitgebracht binnen deze termijn, wordt het advies van de commissie geacht positief te zijn.
  De raad beslist op basis van het verslag van de stagebegeleider en het advies van de stagecommissie, binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van het advies. Bij gebrek aan genomen beslissing binnen deze termijn, wordt de stagiair benoemd.
  De beslissing wordt speciaal gemotiveerd indien de raad afwijkt van het advies van de commissie.
  De beslissing wordt aan de betrokkene meegedeeld via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 20, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 105. Als de raad de benoeming van het personeelslid niet bevestigt, neemt het personeelslid zijn functie als vrijwillig personeelslid opnieuw op in de graad die het bekleedde voor de benoeming.

  HOOFDSTUK 2. - Professionalisering in een andere zone

  Art. 106. Professionalisering in een andere zone is de overgang van het vrijwillig personeelslid naar een vacant verklaarde betrekking van het beroepspersoneel in dezelfde graad in een andere zone.

  Art. 107.
  <Opgeheven bij KB 2016-05-09/03, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 108.Voor elke betrekking die wordt opengesteld voor professionalisering in een andere zone, wordt een oproep tot kandidaatstelling opgesteld.
  De oproep vermeldt de functiebeschrijving, de te vervullen voorwaarden, de opgelegde proeven, alsmede de praktische modaliteiten en de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen.
  [1 Deze oproep wordt ten minste twintig werkdagen voor de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen bekendgemaakt op de website van de zone en op de website van de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken. De oproep tot kandidaatstelling wordt binnen dezelfde termijn ter informatie overgemaakt aan de andere zones die personeel van dezelfde taalrol tewerkstellen.]1
  Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de personeelsleden die ingediend zijn ten laatste op de uiterste datum voor indiening van de kandidaturen.
  Elke kandidatuur wordt gemotiveerd.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 22, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 109. Voor de via professionalisering in een andere zone vacant verklaarde betrekkingen zijn de artikelen 92 tot 105 van toepassing.
  Het begin van de professionaliseringsstage, vermeld in artikel 95, kan worden uitgesteld met drie maanden in geval van akkoord tussen de oorspronkelijke zone en de zone van bestemming.
  In het geval, vermeld in artikel 105, keert het personeelslid terug naar zijn oorspronkelijke zone als vrijwillig personeelslid.

  TITEL 4. - De wedertewerkstelling

  HOOFDSTUK 1. - Algemeen

  Art. 110. Deze titel is van toepassing op de beroepspersoneelsleden.

  Art. 111. Het personeelslid kan worden wedertewerkgesteld in de volgende twee gevallen :
  1° wanneer het personeelslid medisch ongeschikt verklaard wordt voor de uitoefening van zijn ambt, maar wel geschikt verklaard wordt om een ander ambt uit te oefenen dat verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand;
  2° op eigen verzoek van het personeelslid, dat :
  a) de leeftijd van zesenvijftig jaar bereikt heeft;
  b) beschikt over vijftien jaar anciënniteit als beroepspersoneelslid met een operationele graad en;
  c) deel uitmaakt van het basis- of middenkader of van het hoger kader mits het voornamelijk belast is met een operationeel takenpakket.
  De raad kan andere vormen van wedertewerkstelling binnen de zone bepalen.

  Art. 112. De raad beslist over de wedertewerkstelling, op advies van de commandant.
  Het personeelslid wordt wedertewerkgesteld in een aangepaste functie, tenzij wanneer dat noch technisch noch objectief mogelijk is of wanneer dat om gegronde redenen redelijkerwijze niet kan worden geëist.

  Art. 113. De wedertewerkstelling in een betrekking gebeurt met inachtneming van de functiebeschrijving van die betrekking. De raad kan opleggen dat het personeelslid slaagt in een competentieproef en dat een bijscholing, al dan niet voorafgaand aan de wedertewerkstelling, gevolgd wordt.

  Art. 114. Het personeelslid dat wedertewerkgesteld wordt naar een administratieve dienst, blijft onderworpen aan het administratief statuut bepaald in onderhavig besluit.

  Art. 115.Het wedertewerkgestelde personeelslid behoudt zijn rechten inzake weddeschaal totdat hij een voordeligere weddeschaal geniet in de functie waarin hij wedertewerkgesteld is.
  Het personeelslid behoudt zijn aanspraken op bevordering in de weddeschaal en verliest zijn aanspraken op bevordering, vermeld in [artikel 52, tweede lid, 1°]. <ERRATUM, zie B.St. 24-11-2015, p. 70161>
  Het recht van het wedertewerkgestelde personeelslid op premies en toelagen wordt bepaald in het koninklijk besluit van 19 april 2014.

  Art. 116. De zone kan het wedertewerkgestelde personeelslid vervangen.

  HOOFDSTUK 2. - Wedertewerkstelling omwille van medische redenen

  Art. 117.Voor zover mogelijk dient de raad het personeelslid tijdelijk wedertewerk te stellen, indien het personeelslid tijdelijk medisch ongeschikt wordt verklaard voor de uitoefening van zijn functie, maar wel geschikt verklaard wordt om gedurende die periode een ander ambt binnen de zone uit te oefenen dat verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand.
  [1 In de mate van het mogelijke, wordt het personeelslid definitief wedertewerkgesteld door de raad indien hij of zij uit medisch oogpunt definitief ongeschikt verklaard wordt voor de uitoefening van zijn of haar ambt, maar wel geschikt verklaard wordt om een ander ambt in de zone uit te oefenen.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 23, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 118. Het personeelslid dat medisch ongeschikt werd verklaard, kan voor de duur van de ongeschiktheid de functie van vrijwillig brandweerman niet uitoefenen.

  HOOFDSTUK 3. - Wedertewerkstelling op eigen verzoek

  Art. 119. Wedertewerkstelling op eigen verzoek, vermeld in artikel 111, 2°, gebeurt in één van volgende stelsels :
  1° lichtere operationele taken als operationeel personeelslid;
  2° administratieve, technische of logistieke taken als administratief personeelslid.

  Art. 120.Het personeelslid behoudt zijn aanspraken op bevordering in de weddeschaal en verliest zijn aanspraken op bevordering, vermeld in [artikel 52, tweede lid, 1°]. <ERRATUM, zie B.St. 24-11-2015, p. 70161>

  Art. 121. Het personeelslid dient een schriftelijk verzoek in bij de raad en geeft aan in welk stelsel, vermeld in artikel 119, het wenst wedertewerkgesteld te worden.
  De raad beschikt over een termijn van drie maanden vanaf de ontvangst van het verzoek, om het personeelslid desgevallend de functiebeschrijving van de betrekking in wedertewerkstelling en de nodige inlichtingen inzake zijn nieuwe geldelijke statuut schriftelijk te bezorgen.
  Het personeelslid kan, naargelang het hem schikt :
  1° de voorgestelde betrekking aanvaarden;
  2° beslissen zijn betrekking te behouden.

  Art. 122. Het personeelslid dat wedertewerkgesteld wordt op eigen verzoek is verplicht zijn oppensioenstelling aan te vragen wanneer het de leeftijd bereikt waarop het de voorwaarden voor vervroegd pensioen vervult.

  Art. 123. De wedertewerkstelling op vrijwillig verzoek kan slechts eenmaal toegekend worden en is definitief, onverminderd de mogelijkheid voor de raad tot het voorzien in een proefperiode en onverminderd de mogelijkheid voor het personeelslid tot het indienen van een aanvraag voor toepassing van het eindeloopbaanregime, vermeld in artikel 125 .

  TITEL 5. - Eindeloopbaanregime

  Art. 124. Deze titel is van toepassing op de beroepspersoneelsleden.

  Art. 125. § 1. Het beroepspersoneelslid dat voldoet aan de volgende voorwaarden, kan bij de raad een aanvraag voor toepassing van het eindeloopbaanregime indienen :
  1° de leeftijd hebben van ten minste :
  a) achtenvijftig jaar voor een eindeloopbaanregime dat ingaat in 2016 of later;
  b) zevenenvijftig en een half jaar voor een eindeloopbaanregime dat ingaat in 2015;
  2° ten minste vijfentwintig jaar aanneembare dienstjaren tellen voor de opening van het recht op pensioen in de openbare sector, met uitsluiting van de bonificaties voor studies en van andere periodes die voor de vaststelling van de wedde in aanmerking worden genomen, waarvan ten minste vijftien jaar als beroepspersoneelslid met een operationele graad;
  3° op het einde van eindeloopbaanregime, dat een maximale duurtijd van vier jaar heeft, voldoen aan de voorwaarden om aanspraak te maken op vervroegd pensioen, vermeld in artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering van de pensioenregelingen.
  § 2. De raad neemt een beslissing binnen de termijn van drie maanden vanaf de ontvangst van de aanvraag.

  Art. 126. De raad bepaalt, na advies van de eindeloopbaancommissie, een lichtere, aangepaste betrekking waarin het betrokken personeelslid tewerkgesteld wordt. Het betrokken personeelslid moet de betrekking aanvaarden of zijn huidige betrekking behouden.
  Onder lichtere, aangepaste betrekking moet begrepen worden een betrekking van operationele, administratieve, technische of logistieke aard die aangepast is aan het profiel en de mogelijkheden van het betrokken personeelslid.
  De Minister stelt een lijst op met lichtere, aangepaste betrekkingen.

  Art. 127. De eindeloopbaancommissie bestaat uit ten hoogste zes leden en is op paritaire wijze samengesteld met vertegenwoordigers van de werkgever en vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties in de zone.
  De vertegenwoordigers van de werkgever betreffen ten minste de commandant of zijn afgevaardigde.
  De eindeloopbaancommissie hoort de aanvrager.
  De eindeloopbaancommissie houdt in haar advies rekening met de functiebeschrijving van de lichtere, aangepaste betrekking en met het profiel en de mogelijkheden van het personeelslid.
  De commissie kan slechts een beslissing nemen indien de meerderheid van zijn leden aanwezig is en beslist bij geheime stemming en bij gewone meerderheid van de stemmen.

  Art. 128. Het personeelslid dat tewerkgesteld is in een lichtere, aangepaste betrekking behoudt zijn rechten op zijn weddeschaal.
  Het recht van het personeelslid tewerkgesteld in een lichtere, aangepaste betrekking, op premies en toelagen wordt bepaald in het koninklijk besluit van 19 april 2014.

  Art. 129. Het personeelslid dat tewerkgesteld is in een lichtere, aangepaste betrekking, is verplicht zijn oppensioenstelling aan te vragen wanneer het de leeftijd bereikt waarop het de voorwaarden voor vervroegd pensioen vervult.

  Art. 130. De zone kan het personeelslid dat tewerkgesteld is in een lichtere, aangepaste betrekking vervangen.

  Art. 131. Ingeval de eindeloopbaancommissie in haar advies geen aangepaste, lichtere betrekking voorstelt, en ingeval de raad vaststelt dat het niet mogelijk is een aangepaste, lichtere betrekking te bepalen, kent de raad een verlof voorafgaand aan het pensioen toe aan het personeelslid.

  Art. 132. Het verlof voorafgaand aan het pensioen vangt aan op de eerste dag van een kalendermaand.

  Art. 133. Het personeelslid is met verlof voorafgaand aan het pensioen tot en met de eerste dag van de maand waarin het voldoet aan de voorwaarden voor het nemen van het vervroegd pensioen overeenkomstig artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering van de pensioenregelingen.
  De periode van voorafgaand verlof wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld.
  Het personeelslid dat in voorafgaand verlof wordt gesteld, is verplicht zijn oppensioenstelling aan te vragen wanneer het de leeftijd bereikt waarop het de voorwaarden voor vervroegd pensioen vervult.

  Art. 134. Het personeelslid met verlof voorafgaand aan de pensionering ontvangt een wachtgeld gelijk aan 75 % van zijn laatste activiteitswedde.
  Onder laatste activiteitswedde wordt verstaan het over de laatste vijf jaar berekende gemiddelde van de toegekende jaarwedde voor volledige prestaties en van de ontvangen premie voor operationaliteit en onregelmatige prestaties, vermeld in artikel 25 van het koninklijk besluit van 19 april 2014.
  Het vakantiegeld en de eindejaarstoelage worden volgens de proporties, vermeld in het eerste lid, toegekend.

  Art. 135. De zone kan het personeelslid dat in verlof voorafgaand aan het pensioen is vervangen.

  Art. 136. § 1. De personeelsleden die het in het artikel 131 vermelde verlof nemen, mogen, mits voorafgaande toelating, andere beroepsactiviteiten uitoefenen, met dien verstande dat, indien de inkomsten uit de beroepsactiviteiten de grenzen inzake cumulatie, bepaald bij de artikelen 76, 80 en 84 tot en met 89 van de programmawet van 28 juni 2013, overschrijden, het wachtgeld wordt verminderd of geschorst op dezelfde wijze als het rustpensioen.
  De voorafgaande toelating verloopt volgens de procedure bepaald in de artikelen 27 tot en met 33.
  § 2. Het personeelslid dat het verlof, vermeld in artikel 131, geniet, mag de functie van vrijwillig brandweerman niet uitoefenen.

  TITEL 6. - Uitoefening van een hoger ambt

  Art. 137. Voor de toepassing van deze titel wordt onder hoger ambt verstaan : elk ambt, binnen de zone, dat overeenstemt met een betrekking van een graad die hoger is aan die waarmee het personeelslid is bekleed.

  Art. 138. Het feit alleen dat een betrekking vacant is of tijdelijk niet door haar titularis waargenomen wordt, is geen voldoende reden om die betrekking voorlopig te verlenen. De hoogdringendheid en de nood om erin te voorzien, moet worden vastgesteld.

  Art. 139. Alleen een personeelslid dat voldoet aan de vereiste voorwaarden om tot de met het hoger ambt overeenstemmende graad te worden benoemd, kan voor het uitoefenen van dat ambt worden aangesteld.
  Bij gebrek aan een personeelslid dat de vereiste voorwaarden vervult om tot de met het hoger ambt overeenstemmende graad benoemd te worden, kan een ander personeelslid bij een met redenen omklede aanstellingsakte voor het uitoefenen van dat ambt aangesteld worden.

  Art. 140. Een aanstelling voor het uitoefenen van een hoger ambt in een vacante betrekking kan slechts geschieden op voorwaarde dat de procedure tot toekenning van die betrekking wordt ingezet.

  Art. 141. De uitoefening van een hoger ambt wordt toevertrouwd aan het personeelslid dat rekening houdend met de functiebeschrijving het meest geschikt bevonden wordt om in de onmiddellijke behoeften van de dienst te voorzien.

  Art. 142. De aanstelling geschiedt door de raad op grond van een met redenen omkleed voorstel door de commandant.

  Art. 143. § 1. Een vacante of een tijdelijk niet waargenomen betrekking mag voor maximaal zes maanden vervuld worden door een aanstelling voor het uitoefenen van een hoger ambt.
  § 2. Indien de betrekking niet vacant is, kan de in paragraaf 1 bepaalde termijn verlengd worden, naargelang de behoeften van de dienst, met periodes van maximum zes maanden.
  § 3. Indien de betrekking vacant is, kan de in paragraaf 1 bepaalde termijn verlengd worden nadat de raad vastgesteld heeft dat de procedure tot toekenning loopt.
  § 4. De akte tot aanstelling of verlenging vermeldt :
  1° dat de betrekking waarop de aanstelling of de verlenging slaat een vacante betrekking dan wel een tijdelijk niet waargenomen betrekking is;
  2° de naam van de laatste titularis van de betrekking indien zij vacant is of de naam van de titularis van de betrekking indien zij tijdelijk niet wordt waargenomen;
  3° desgevallend de datum vanaf dewelke de procedure tot definitieve toekenning van de betrekking loopt;
  4° de noodzaak om over te gaan tot het verlenen van een hoger ambt;
  5° de motivering van de keuze van de aangeduide persoon.

  Art. 144. Het personeelslid dat met een hoger ambt is belast, oefent alle aan dat ambt verbonden prerogatieven uit.

  Art. 145. Het uitoefenen van een hoger ambt verleent geen aanspraak op benoeming in de graad van dat ambt.
  Indien het personeelslid evenwel wordt bevorderd tot de graad die overeenstemt met de betrekking die het zonder onderbreking heeft waargenomen en indien het voor deze betrekking wordt aangewezen, begint zijn anciënniteit voor de bevordering te lopen op de datum vanaf dewelke het die betrekking ononderbroken waarneemt. Deze datum mag niet teruggaan tot vóór de datum waarop het personeelslid alle vereisten heeft vervuld om bevorderd te worden tot de graad van de betrekking waarvoor het is aangewezen, noch tot vóór de datum waarop die betrekking vacant werd.

  Art. 146.De artikelen 138, 140, 141, 143 [1 , 144 en 147]1 zijn van toepassing op de functie van commandant.
  De aanstelling geschiedt door de raad op voorstel van het college en verleent geen aanspraak op een aanduiding als mandataris.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 24, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 147. De aanstelling voor het uitoefenen van hogere functies eindigt ambtshalve en, volgens het geval, op de datum waarop de houder van de betrekking zijn functie hervat of op de datum waarop de benoeming of de aanstelling van de titularis van de vacant verklaarde betrekking of mandaatfunctie uitwerking krijgt.

  BOEK 6. - De opleiding

  Art. 148. De inhoud van de opleidingen van het personeelslid wordt door Ons bepaald na overleg in de Ministerraad.

  Art. 149. De opleidingsuren vormen in elk opzicht een dienstactiviteit, gerekend in arbeidsuren of in diensturen.

  Art. 150.[1 § 1. Het personeelslid volgt jaarlijks minimaal vierentwintig uur voortgezette opleiding om zijn vroeger verworven competenties te behouden en reactief aan te passen en om proactief nieuwe technieken en competenties aan te leren zodat de huidig uitgeoefende functie op efficiënte wijze kan blijven uitgeoefend worden.
   In afwijking van het eerste lid volgt het personeelslid minimaal :
   1° in 2015 en 2016 samen : zes uren voortgezette opleiding;
   2° in 2017 : twaalf uren voortgezette opleiding;
   3° in 2018 : achttien uren voortgezette opleiding;
   De voortgezette opleiding wordt georganiseerd door een opleidingscentrum voor de civiele veiligheid. Deze uren kunnen, in de mate van het mogelijke, gegeven worden in de zone.
   § 2. Het personeelslid volgt jaarlijks minimaal vierentwintig uur permanente opleiding. De organisatie en het aantal uren van deze opleiding worden bepaald door de zoneraad.
   Dit aantal wordt vastgelegd onafhankelijk van het aantal uren voortgezette opleiding. De permanente opleiding wordt georganiseerd in functie van de personeelsbezetting, de spreiding van de middelen en het resultaat van de zonale risicoanalyse.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-18/16, art. 76, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2015> <Erratum, zie B.St. 02-02-2016, p. 7595>
  

  Art. 151.De aanvraag om een opleiding te volgen wordt schriftelijk ingediend door het personeelslid.
  De gemotiveerde beslissing om de aanvraag te aanvaarden of te weigeren wordt door de commandant of zijn afgevaardigde aan het personeelslid overgemaakt binnen de dertig dagen volgend op de indiening van de aanvraag.
  De verplaatsing tussen de kazerne en de plaats waar de opleiding gegeven wordt, wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit.
  [1 De beslissing tot weigering die betrekking heeft op uren voortgezette opleiding bedoeld in artikel 150, eerste lid, wordt in het bijzonder gemotiveerd en wordt vergezeld van een voorstel voor een andere voortgezette opleiding.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 25, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  BOEK 7. - De evaluatie

  TITEL 1. - Algemene bepalingen

  Art. 152. De evaluatie heeft tot doel de communicatie tussen de geëvalueerde en de evaluator te stimuleren, de ontwikkeling van de competenties van het personeelslid te bevorderen en de doelstellingen van de dienst te bereiken.

  Art. 153. Het personeelslid wordt geëvalueerd door een functionele meerdere, die aangewezen wordt door de commandant.

  Art. 154. De evaluatie gebeurt op basis van een individueel evaluatiedossier.
  Dit dossier bevat met name :
  1° de functiebeschrijving, vastgesteld door de Minister op voorstel van het federaal kenniscentrum voor de civiele veiligheid, vermeld in artikel 175 van de wet van 15 mei 2007;
  2° het verslag van het functiegesprek, vermeld in artikel 158;
  3° de documenten betreffende de vaststellingen en de gunstige of ongunstige beoordelingen, vermeld in artikel 159;
  4° het verslag van het evaluatiegesprek, vermeld in artikel 163.
  Het personeelslid kan zijn dossier raadplegen en krijgt, op zijn vraag, een kopie.

  Art. 155. Dit boek is niet van toepassing op de commandant en de stagiairs.

  TITEL 2. - Het verloop van de evaluatie

  Art. 156. De evaluatieperiode van het personeelslid is de periode tussen het functiegesprek en het evaluatiegesprek.

  Art. 157. In het begin van elke evaluatieperiode vindt een functiegesprek plaats tussen het personeelslid en de functionele meerdere. Het functiegesprek heeft betrekking op de te bereiken doelstellingen en de elementen waarop het personeelslid zal worden geëvalueerd op basis van de functiebeschrijving.

  Art. 158. Binnen de veertien kalenderdagen na het functiegesprek stelt de functionele meerdere hiervan een verslag op. Dit verslag kan door het personeelslid, die eventueel opmerkingen kan maken, getekend worden voor ontvangst.

  Art. 159. In de loop van elke evaluatieperiode kan de functionele meerdere gunstige of ongunstige vaststellingen en beoordelingen op basis van de doelstellingen en evaluatiecriteria vastgelegd in artikel 157 tijdens het functiegesprek aan het evaluatiedossier toevoegen.
  Deze vaststellingen worden ter kennis gebracht van het personeelslid, dat er zijn eventuele bemerkingen kan aan toevoegen.
  Het personeelslid kan documenten met een beoordeling betreffende de uitvoering van zijn werk aan zijn evaluatiedossier toe voegen.

  Art. 160. Op vraag van de geëvalueerde of de evaluator, vindt er in de loop van de evaluatieperiode een functioneringsgesprek plaats tussen de geëvalueerde en de evaluator.
  Tijdens het functioneringsgesprek kunnen aan bod komen :
  1° oplossingen voor problemen betreffende het functioneren van de geëvalueerde;
  2° oplossingen voor problemen die het bereiken van de afgesproken doelstellingen bemoeilijken; deze kunnen zowel betrekking hebben op de organisatie en het functioneren van de dienst en de begeleiding door de chef als op externe factoren;
  3° de ontwikkeling van het personeelslid binnen zijn huidige functie;
  4° de loopbaanperspectieven en loopbaanverwachtingen van het personeelslid en de ontwikkeling van competenties die hiervoor wenselijk zijn.
  Ter gelegenheid van dit gesprek kunnen aanpassingen aangebracht worden aan de te bereiken doelstellingen.

  Art. 161.Op het einde van elke evaluatieperiode heeft de functionele meerdere een evaluatiegesprek met het personeelslid.
  Het evaluatiegesprek handelt over de verwezenlijking van de doelstellingen en vindt plaats op basis [1 van evaluatiecriteria bepaald in een evaluatieverslag waarvan het model is opgenomen in bijlage 4]1.
  Het personeelslid evaluator wordt ook beoordeeld op zijn wijze van evalueren.
  ----------
  (1)<KB 2016-10-08/06, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 04-12-2016>

  Art. 162.[1 § 1. Het evaluatiegesprek vindt voor de eerste keer plaats minimaal achttien maanden en maximaal vierentwintig maanden na de benoeming van het personeelslid. Vervolgens vindt dit gesprek plaats hetzij na minimaal achttien maanden en maximaal vierentwintig maanden vanaf de laatste evaluatie in geval van een vermelding "voldoende", "goed" of "zeer goed", hetzij na minimaal negen maanden en maximaal twaalf maanden vanaf de laatste evaluatie in geval van een vermelding "te verbeteren" of "onvoldoende".
   § 2. Indien het personeelslid meer dan de helft van de minimale evaluatieperiode, zoals bepaald in paragraaf 1, afwezig is, stelt de functionele meerdere vast dat er geen evaluatie kan gedaan worden. Het personeelslid behoudt het resultaat van zijn vorige evaluatie voor deze periode. Binnen de maand volgend op de terugkeer op het werk van het personeelslid wordt een nieuw functiegesprek georganiseerd.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-10-08/06, art. 6, 005; Inwerkingtreding : 04-12-2016>

  Art. 163.Binnen de veertien kalenderdagen na het evaluatiegesprek stelt de functionele meerdere een evaluatieverslag op en kent [1 de vermelding "zeer goed", "goed", "voldoende"]1, "te verbeteren" of " onvoldoende " toe, voorzien van een motivering. Dit verslag kan door het geëvalueerde personeelslid, die eventueel opmerkingen kan maken, worden getekend voor ontvangst.
  ----------
  (1)<KB 2016-10-08/06, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 04-12-2016>

  Art. 164. Op het einde van het evaluatiegesprek vindt een nieuw functiegesprek plaats over de volgende evaluatieperiode in overeenstemming met artikel 157.

  TITEL 3. - De beroepsprocedure

  Art. 165. Het personeelslid kan binnen een termijn van tien werkdagen, vanaf de betekening van het evaluatieverslag, beroep indienen per aangetekend schrijven of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum bij de evaluatiecommissie. Dit beroep heeft opschortende werking.

  Art. 166. De evaluatiecommissie is paritair samengesteld met :
  1° een afgevaardigde per representatieve syndicale organisatie van de zone;
  2° de commandant en de door de raad aangeduide personeelsleden, houders van een graad die ten minste gelijk is aan de graad van het betrokken personeelslid.
  Geen enkel lid van de commissie mag de echtgenoot, de ouder of een bloedverwant tot en met de derde graad zijn van het personeelslid.
  Als er niet voldoende houders zijn van een graad die ten minste gelijk is aan de graad van het betrokken personeelslid, zetelen personeelsleden van andere hulpverleningszones, houders van de betreffende graden, in de commissie, na aanduiding door de raad waartoe het betrokken personeelslid behoort.
  De functionele meerdere, vermeld in artikel 153, mag niet zetelen in de commissie.
  De commandant is voorzitter.
  Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

  Art. 167. De commissie geeft een gemotiveerd advies binnen de twee maanden volgend op het indienen van het beroep.
  Binnen de twee maanden na ontvangst van het advies bevestigt de raad, op basis van dit advies, de evaluatie van de functionele meerdere of kent zij een van de andere vermeldingen vermeld in artikel 163 toe.
  De beslissing van de raad die afwijkt van het advies van de commissie moet met bijzondere redenen worden omkleed.
  Wanneer de commissie geen advies gegeven heeft binnen de termijn vermeld in het eerste lid, beslist de raad binnen de twee maanden volgend op het verstrijken van deze termijn.
  De commandant neemt niet deel aan de beraadslagingen van de raad wanneer deze ertoe gebracht wordt om dergelijke uitspraak te doen.

  Art. 168. Het personeelslid heeft toegang tot het dossier en wordt op eigen verzoek of wanneer de evaluatiecommissie dit nodig acht, gehoord. Het personeelslid kan zich laten bijstaan door een persoon naar keuze. Deze persoon maakt geen deel uit van de commissie.
  Indien, hoewel hij het zelf gevraagd heeft, het personeelslid of zijn verdediger, zonder geldig excuus, niet verschijnt, geeft de commissie haar advies.
  Zelfs indien het personeelslid een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van de tweede zitting uitmaakt, geeft de commissie advies.

  TITEL 4. - Gevolgen van de vermelding " onvoldoende "

  Art. 169. Indien het personeelslid twee " onvoldoende " vermeldingen krijgt in een periode van drie jaar, spreekt de raad zijn ambtshalve ontslag uit.

  Art. 170. Binnen de tien werkdagen volgend op de datum van kennisname van de beslissing van de raad, kan het personeelslid dat van ambtswege werd ontslagen een beroep indienen bij een federale onafhankelijke en paritair samengestelde beroepskamer bij de FOD Binnenlandse Zaken.

  TITEL 5. - De beroepskamer

  Art. 171.De beroepskamer spreekt zich uit over de beroepen tegen de evaluaties als vermeld in artikel 169 en de [maatregelen] uitgesproken overeenkomstig de artikelen 255 en 296. [1 Het beroep is schorsend.]1 <Erratum, B.St. 22-01-2015, p. 5311>
  ----------
  (1)<KB 2016-10-03/04, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 23-10-2016>

  Art. 172.[1 De beroepskamer heeft een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling. De taal van het verzoekschrift bepaalt voor welke afdeling het personeelslid verschijnt.
   De Duitstalige personeelsleden verschijnen voor de afdeling van de kamer waarvan de voorzitter de Duitse taal beheerst. Indien geen van beide voorzitters de Duitse taal beheerst, zal de beroepskamer beroep doen op een tolk. In dat geval zal het personeelslid verschijnen voor de afdeling van zijn keuze.
   Elke afdeling bestaat uit de volgende leden : ]1
  1° een voorzitter, zittende magistraat van een hof van beroep of van een rechtbank van eerste aanleg;
  2° een bijzitter, lid van de organen van de zone, aangewezen door de voorzitter van de raad;
  3° een bijzitter, aangewezen door de representatieve syndicale organisaties.
  ----------
  (1)<KB 2016-10-03/04, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 23-10-2016>

  Art. 173.[1 Twee plaatsvervangende voorzitters nemen respectievelijk het voorzitterschap waar van de Franstalige en de Nederlandstalige afdeling wanneer de voorzitter verhinderd is. Ook voor de bijzitters worden plaatsvervangers aangeduid. De plaatsvervangers worden op dezelfde manier aangewezen als de gewone leden.
   De voorzitter wordt benoemd door de Minister.
   De voorzitter van een afdeling van de beroepskamer is onafhankelijk. Hij licht de minister in over elk feit dat zijn onafhankelijkheid in het gedrang kan brengen.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-10-03/04, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 23-10-2016>

  Art. 173/1. [1 De beroepskamer kan enkel geldig beraadslagen wanneer de voorzitter en de twee bijzitters die worden voorzien in artikel 172, 2° en 3° aanwezig zijn op de zitting.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-10-03/04, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 23-10-2016>

  Art. 173/2. [1 De zitting van de beroepskamer moet plaatsvinden binnen de 6 weken nadat de zaak bij haar aanhangig werd gemaakt.
  De beroepskamer controleert eerst de ontvankelijkheid van het beroep en oordeelt daarna over de gegrondheid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-10-03/04, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 23-10-2016>

  Art. 173/3. [1 Het personeelslid verschijnt persoonlijk voor de beroepskamer. Hij mag zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. De persoon die het personeelslid bijstaat, mag op geen enkele manier deel uitmaken van de beroepskamer.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-10-03/04, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 23-10-2016>

  Art. 173/4. [1 Het personeelslid heeft het recht om één of beide bijzitters te wraken. Dit recht kan slechts eenmaal tijdens een zelfde zaak worden uitgeoefend.
  Het personeelslid kan niet tegelijk een effectieve en een plaatsvervangende bijzitter wraken die dezelfde organisatie vertegenwoordigen.
  Indien het personeelslid een of beide bijzitters wil wraken, stuurt hij een schriftelijke motivering hiervoor aan de beroepskamer binnen een termijn van 10 dagen. Wanneer de hiervoor bepaalde termijn van 10 dagen is verstreken, wordt het personeelslid geacht af te zien van zijn recht om een bijzitter te wraken.
  De voorzitter kan ook een bijzitter wraken indien hij meent dat de onpartijdigheid van de bijzitter in het gedrang komt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-10-03/04, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 23-10-2016>

  Art. 173/5. [1 De beroepskamer kan een aanvullend onderzoek bevelen en getuigen of deskundigen horen. Dit verhoor moet gebeuren in aanwezigheid van alle partijen die werden opgeroepen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-10-03/04, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 23-10-2016>

  Art. 173/6. [1 De beroepskamer beslist definitief binnen de 6 weken na de laatste zitting. De beslissing van de beroepskamer vervangt de beslissing waartegen beroep werd aangetekend.
  De beslissing van de beroepskamer wordt via aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum verstuurd aan het personeelslid, de voorzitter van de zoneraad en de Minister.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-10-03/04, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 23-10-2016>

  Art. 173/7. [1 Wanneer het personeelslid of de persoon die hem bijstaat niet verschijnt op de zitting, terwijl zij behoorlijk werden opgeroepen en geen geldige reden hebben opgegeven voor hun afwezigheid, wordt de zaak beschouwd als niet meer aanhangig en wordt het verzoek onontvankelijk verklaard.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-10-03/04, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 23-10-2016>

  Art. 173/8. [1 Het ambt van voorzitter of bijzitter in de beroepskamer eindigt:
  1° wanneer een voorzitter of bijzitter zijn ontslag aanbiedt aan de Minister;
  2° wanneer de organisatie die de bijzitter vertegenwoordigt een andere persoon voor deze taak aanduidt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-10-03/04, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 23-10-2016>

  Art. 173/9. [1 De beroepskamer stelt haar huishoudelijk reglement op dat wordt goedgekeurd door de Minister.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-10-03/04, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 23-10-2016>

  Art. 173/10. [1 De voorzitter en de bijzitters ontvangen een vergoeding voor reis- en verblijfskosten volgens de reglementering voor de federale rijksambtenaren. Zij worden, voor de toepassing van dit artikel, gelijkgesteld met de federale rijksambtenaren van niveau A.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-10-03/04, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 23-10-2016>

  BOEK 8. - Organisatie van de diensttijd van de vrijwillige personeelsleden

  TITEL 1. - Algemeen

  Art. 174. Voor de toepassing van dit boek wordt verstaan onder :
  1° diensttijd : de uren die een vrijwillig personeelslid presteert, verdeeld in vijf categorieën :
  - interventies;
  - brandvoorkoming;
  - oefeningen en opleidingen;
  - onderhouds- en administratieve taken;
  - wachtdiensten in de kazerne.
  2° rust : de tijd die geen diensttijd is;
  3° wachtdienst in de kazerne : een periode waarin het vrijwillige personeelslid verplicht is op de arbeidsplaats aanwezig te zijn. Deze periode wordt volledig als diensttijd aangerekend;
  4° oproepbaarheidsdienst : een periode waarin het vrijwillige personeelslid, zonder in de kazerne te moeten zijn, zich beschikbaar verklaart om gevolg te geven aan een oproep voor een interventie. Enkel de periode van de interventie wordt als diensttijd aangerekend.

  Art. 175. De artikelen 176, 178 en 180 zijn niet van toepassing op de vrijwillige personeelsleden met de graad van majoor en kolonel.

  TITEL 2. - Dienst- en rusttijden

  Art. 176. § 1. De commandant of zijn afgevaardigde organiseert de dienst zodanig dat de diensttijd maximaal vierentwintig uren per week bedraagt berekend over een referentieperiode van twaalf maanden.
  § 2. De duur van elke werkperiode mag nooit vierentwintig uren overschrijden, behoudens voor het verrichten van :
  - dringende interventies om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval;
  - dringende interventies die door een onvoorziene noodzakelijkheid worden vereist.
  Deze overschrijdingen worden binnen de veertien dagen gecompenseerd met een even lange periode waarin het vrijwillige personeelslid geen oproepbaarheidsdienst kan uitoefenen.
  In het geval van dergelijke overschrijdingen worden alle maatregelen genomen om zo snel mogelijk het vrijwillige personeelslid te vervangen.
  § 3. Elke dienstprestatie waarvan de duur tussen twaalf uren en vierentwintig uren bedraagt moet worden gevolgd door een rustperiode van minimum twaalf opeenvolgende uren.

  Art. 177. § 1. De minimale beschikbaarheden voor de diensttijd van het vrijwillige personeelslid en de modaliteiten waaronder hij wordt opgeroepen en terugkeert naar de post worden vastgelegd in een huishoudelijk reglement.
  § 2. De commandant of zijn afgevaardigde vult in overleg met het vrijwillige personeelslid zijn beschikbaarheden voor de diensttijd in, overeenkomstig het in paragraaf 1 vermelde reglement.

  Art. 178. Wanneer de arbeidstijd per dag meer dan zes uur bedraagt, wordt een half uur pauze toegekend, met uitzondering van de interventies waar uit hun aard blijkt dat een pauze onmogelijk is. Bij dergelijke interventies neemt het vrijwillige personeelslid de pauze na afloop van de interventie.
  Tijdens deze pauze blijft het vrijwillige personeelslid beschikbaar om gevolg te geven aan een oproep voor interventie.
  De precieze modaliteiten van de pauze worden opgenomen in het huishoudelijk reglement.
  De duur van de pauze wordt mee in rekening genomen voor de berekening van de vergoeding van de prestaties.

  Art. 179. De diensttijd kan worden vervuld gedurende alle dagen van de week en alle uren van de dag.

  Art. 180.Per periode van zeven dagen, wordt minstens een ononderbroken periode van zesendertig uren rust toegekend.
  Van het eerste lid kan worden afgeweken op voorwaarde dat gelijkwaardige periodes van inhaalrust toegekend worden in de loop van de veertien volgende dagen.
  [1 Bovendien, indien objectieve, technische of arbeidsorganisatorische omstandigheden dit rechtvaardigen, kan voor een minimumrusttijd van vierentwintig uren worden gekozen.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 26, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  BOEK 9. - De administratieve standen, de afwezigheden en de verloven

  TITEL 1. - Bepalingen voor de leden van het beroepspersoneel

  HOOFDSTUK 1. - Administratieve standen

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 181. Het beroepspersoneelslid bevindt zich in één van de volgende standen :
  1° dienstactiviteit;
  2° non-activiteit;
  3° disponibiliteit.
  Voor de bepaling van zijn administratieve stand, wordt het beroepspersoneelslid steeds geacht in dienstactiviteit te zijn, tenzij een uitdrukkelijke bepaling hem van rechtswege of bij beslissing van de bevoegde overheid in een andere administratieve stand plaatst.

  Art. 182. Zijn niet van toepassing op de stagiairs, de bepalingen met betrekking tot :
  1° het verlof voor stage, vermeld in artikel 209;
  2° het verlof voor opdracht van algemeen belang, vermeld in artikel 210;
  3° de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden, vermeld in artikel 240;
  4° het verlof voor loopbaanonderbreking, vermeld in artikel 217, § 1, uitgezonderd de loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen, voor het bijstaan van of het verstrekken van verzorging aan een ziek familielid en voor ouderschapsverlof.

  Art. 183. Voor de toepassing van deze titel worden gelijkgesteld :
  1° met het huwelijk, het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door twee personen van verschillend of gelijk geslacht die samenleven als koppel;
  2° met de echtgenoot van het beroepspersoneelslid, de persoon, van verschillend of gelijk geslacht, met wie het beroepspersoneelslid samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats;
  3° met de echtgenote van het beroepspersoneelslid, de persoon, van verschillend of gelijk geslacht, met wie het beroepspersoneelslid samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats;
  4° met de vader, de persoon van het vrouwelijk of mannelijk geslacht getrouwd met de moeder of die met haar samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats.

  Afdeling 2. - Dienstactiviteit

  Art. 184. Tenzij anders bepaald, heeft het beroepspersoneelslid in dienstactiviteit recht op wedde en op verhoging in zijn weddeschaal. Het kan zijn aanspraken op bevordering door verhoging in graad en in weddenschaal bevordering in weddenschaal en op toekenning van een mandaat doen gelden.

  Art. 185. De deelname van het beroepspersoneelslid aan een georganiseerde werkonderbreking wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het beroepspersoneelslid verliest echter zijn recht op wedde gedurende deze periode.

  Afdeling 3. - Non-activiteit

  Art. 186. Het beroepspersoneelslid kan van rechtswege of bij beslissing van de raad in non-activiteit geplaatst worden. Tenzij anders bepaald, heeft het beroepspersoneelslid in non-activiteit geen recht op zijn wedde, en kan het zijn aanspraken op bevordering door verhoging in graad, bevordering in weddenschaal en op toekenning van een mandaat niet doen gelden.

  Art. 187. Niemand kan in non-activiteit worden geplaatst of gehouden, indien hij zich bevindt in de voorwaarden vereist om een rustpensioen te bekomen.

  Afdeling 4. - Disponibiliteit

  Art. 188. Volgens de voorwaarden bepaald in artikel 232 kan het beroepspersoneelslid, zonder voorafgaande kennisgeving in de stand geplaatst worden van disponibiliteit wegens ziekte die niet de definitieve dienstongeschiktheid tot gevolg heeft, maar die afwezigheden tot gevolg heeft die de duur van het verlof wegens ziekte overschrijden.

  Art. 189. Niemand kan in disponibiliteit geplaatst of gehouden worden als hij voldoet aan de vereiste voorwaarden voor het bekomen van een rustpensioen.

  HOOFDSTUK 2. - Afwezigheden

  Art. 190. Het beroepspersoneelslid mag niet afwezig zijn zonder verlof of dienstvrijstelling te hebben gekregen, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 3.
  Het beroepspersoneelslid dat zonder toestemming of zonder geldige reden en ook niet ten gevolge van de toepassing van een tuchtsanctie of een andere administratieve maatregel afwezig is, bevindt zich in de toestand van non-activiteit, tenzij in geval van overmacht.
  Het beroepspersoneelslid dat zonder toestemming of zonder geldige reden meer dan zesenzeventig uren afwezig is, wordt in gebreke gesteld per aangetekend schrijven of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum om de redenen van zijn afwezigheid te laten kennen. Bij gebrek aan antwoord binnen de vijf dagen, te rekenen vanaf de kennisname, of in geval van onbevredigend antwoord wordt de betrokkene ambtshalve ontslagen.

  HOOFDSTUK 3. - Verloven en dienstvrijstellingen

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 191. De verloven en dienstvrijstellingen van het beroepspersoneelslid worden toegekend door de commandant of zijn afgevaardigde.
  De raad kent de verloven en dienstvrijstellingen aan de commandant toe.

  Art. 192. Voor de toepassing van de bepalingen van de afdelingen 3, 5, 6 en 12 van dit hoofdstuk, moet onder dag begrepen worden, de duur gelijk aan een vijfde van de arbeidsregeling per week.

  Art. 193. Tenzij anders bepaald, worden de verloven en dienstvrijstellingen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met dienstactiviteit.

  Afdeling 2. - Specifieke bepalingen voor de commandant en de personeelsleden van het hoger kader belast met het leiden van een dienst

  Art. 194. § 1. De commandant en de beroepspersoneelsleden titularis van de graad van majoor en kolonel, hebben geen recht op :
  1° verlof voor stage of een proefperiode in een andere betrekking in een openbare dienst of het gesubsidieerd onderwijs;
  2° verlof voor loopbaanonderbreking, met uitzondering van loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen, voor het bijstaan van of het verstrekken van verzorging aan een ziek familielid en voor ouderschapsverlof;
  3° afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden;
  4° eindeloopbaanregime vermeld in titel 5 van boek 5.
  § 2. De commandant heeft geen recht op :
  1° verlof om een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, een beleidscel, de cel algemene beleidscoördinatie, een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht;
  2° een verlof voor opdracht van algemeen belang.
  § 3. De raad kan, voor zover de noodwendigheden van de dienst zich hiertegen niet verzetten, het beroepspersoneelslid, vermeld in paragraaf 1, dat hierom vraagt, machtigen om te genieten van de verloven en afwezigheden, vermeld in paragraaf 1. Het advies van de commandant wordt voorafgaand gevraagd indien het niet gaat om een aanvraag die hem betreft.

  Afdeling 3. - Dagen jaarlijks vakantieverlof

  Art. 195.§ 1. Het beroepspersoneelslid heeft recht op jaarlijks vakantieverlof uitgedrukt in dagen.
  § 2. [1 Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 198 geniet het beroepspersoneelslid in continudienst, per kalenderjaar, tien bijkomende jaarlijkse verlofdagen ter compensatie van de feestdagen.]1
  [1 § 2/1. Het beroepspersoneelslid in dagdienst is met verlof tijdens de tien wettelijke feestdagen.
   Ter vervanging van de in het eerste lid bedoelde feestdag die samenvalt met een zaterdag of een zondag, bepaalt de raad een zonale feestdag voor alle beroepspersoneelsleden in dagdienst samen.]1
  § 3. De verloven bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
  Indien een beroepspersoneelslid echter op een feestdag om een andere reden met verlof is, of in disponibiliteit of in non-activiteit is geplaatst, blijft zijn administratieve stand bepaald overeenkomstig de verordeningsbepalingen die op hem van toepassing zijn.
  § 4. Het aantal dagen jaarlijks vakantieverlof wordt bepaald naargelang de leeftijd van het beroepspersoneelslid op 1 januari van elk jaar :
  Tot de leeftijd van vijftig jaar, heeft het beroepspersoneelslid recht op zesentwintig jaarlijkse verlofdagen.
  Vanaf de leeftijd van vijftig jaar, heeft het beroepspersoneelslid per jaar recht op één bijkomende verlofdag.
  § 5. Het personeelslid ontvangt drie aanvullende jaarlijkse verlofdagen die overeenstemmen met dagen van lokale feestdagen georganiseerd binnen de zone.
  § 6. De raad kan beslissen maximum twee aanvullende jaarlijkse verlofdagen toe te kennen per jaar.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 27, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 196. De verlofdagen worden genomen per prestatie of per schijf te bepalen door de raad, naar keuze van het beroepspersoneelslid en met inachtneming van de behoeften van de dienst en van het recht om jaarlijks een verlof van ten minste twee opeenvolgende weken te nemen.

  Art. 197. De raad stelt de modaliteiten vast van een eventuele overdracht van verlofdagen naar het volgende jaar. Deze overdracht is maximaal één jaar geldig.
  Wanneer het beroepspersoneelslid zijn verlofdagen niet of niet volledig heeft kunnen opnemen door afwezigheid wegens ziekte, ten gevolge van een arbeidsongeval, een ongeval op weg naar het werk of een beroepsziekte, is de overdracht beperkt tot maximaal twee jaar. Bij de terugkeer van het beroepspersoneelslid worden de verlofdagen opgenomen naar keuze van het beroepspersoneelslid, maar met inachtneming van de behoeften van de dienst.

  Art. 198.Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijks vakantieverlof.
  Het vakantieverlof wordt in evenredige mate verminderd wanneer het beroepspersoneelslid in de loop van het jaar in dienst treedt, zijn ambt definitief neerlegt of tijdens het jaar een van de hierna genoemde verloven of afwezigheden heeft verkregen :
  1° het uitzonderlijk verlof voor kandidaturen voor de verkiezingen, vermeld in artikel 207, 4° ;
  2° het verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een politiek kabinet, vermeld in artikel 208;
  3° het verlof voor stage, vermeld in artikel 209;
  4° het verlof voor opdracht van algemeen belang;
  5° het verlof voor loopbaanonderbreking;
  6° de afwezigheden waarbij het beroepspersoneelslid in de administratieve stand van non-activiteit of disponibiliteit is geplaatst;
  [1 7° de verminderde prestaties wegens medische redenen.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 199. Indien het beroepspersoneelslid door de behoeften van de dienst zijn jaarlijks vakantieverlof geheel of gedeeltelijk niet heeft genomen vooraleer hij zijn ambt definitief neerlegt, dan heeft hij recht op een compensatietoelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste activiteitswedde die overeenstemt met het aantal niet genomen verlofdagen.
  Indien het beroepspersoneelslid met onmiddellijke ingang de hoedanigheid van ambtenaar verliest en hij door zijn vertrek met onmiddellijke ingang zijn jaarlijks vakantieverlof geheel of gedeeltelijk niet heeft kunnen nemen, dan heeft hij eveneens recht op een compensatietoelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste activiteitswedde die overeenstemt met het aantal niet genomen verlofdagen.
  Voor de toepassing van dit artikel is de wedde die in aanmerking genomen dient te worden deze voor volledige prestaties, in voorkomend geval aangevuld met de haard- en standplaatstoelage en de toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt evenals de weddesupplementen die voor de berekening van het rustpensioen in aanmerking worden genomen.

  Art. 200. Het jaarlijks verlof wordt opgeschort zodra het beroepspersoneelslid een verlof wegens ziekte bekomt of in disponibiliteit wegens ziekte geplaatst wordt en voor zover medische controle hiervan mogelijk is. De verlofdagen die niet opgenomen werden omwille van de schorsing worden toegevoegd aan het jaarlijks saldo verlofdagen.

  Afdeling 4. - Omstandigheidsverlof

  Art. 201. § 1. Het beroepspersoneelslid krijgt omstandigheidsverlof naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen :
  1° het huwelijk van het beroepspersoneelslid : vier dagen;
  2° het huwelijk van een kind van het beroepspersoneelslid of van de echtgeno(o)t(e) : twee dagen;
  3° het huwelijk van een broer, een zus, een schoonbroer, een schoonzus, de vader, de moeder, de schoonvader, de schoonmoeder (als vader en moeder van de echtgeno(o)t(e) en als weduwnaar/weduwe van een van zijn ouders), van een kleinkind van het beroepspersoneelslid of van de echtgeno(o)t(e) : één dag;
  4° de bevalling van de echtgenote van het beroepspersoneelslid : tien dagen;
  5° het overlijden van de echtgeno(o)t(e) van het beroepspersoneelslid, overlijden van een bloed- of aanverwant in de eerste graad van het beroepspersoneelslid of van de echtgeno(o)t(e), alsook overlijden van de echtgeno(o)t(e) van het kind van het beroepspersoneelslid of het overlijden van de echtgeno(o)t(e) van het kind van de echtgeno(o)t(e) van het beroepspersoneelslid : vier dagen;
  6° het overlijden van een bloed- of aanverwant, ongeacht de graad, van het beroepspersoneelslid of van de echtgeno(o)t(e), die onder hetzelfde dak woont als het beroepspersoneelslid : twee dagen;
  7° het overlijden van een bloed- of aanverwant, in de tweede of derde graad van het beroepspersoneelslid of van de echtgeno(o)t(e), niet onder hetzelfde dak wonend als het beroepspersoneelslid : één dag;
  8° de priesterwijding of intreden in het klooster of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere erkende religie van een kind van het beroepspersoneelslid of van de echtgeno(o)t(e) : één dag;
  9° de plechtige communie of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een erkende religie van een kind van het beroepspersoneelslid of de echtgeno(o)t(e) : één dag;
  10° de deelname aan het feest van de vrijzinnige jeugd van een kind van het beroepspersoneelslid of van de echtgeno(o)t(e) : één dag.
  § 2. De in paragraaf 1 vermelde verloven worden toegekend in opeenvolgende kalenderdagen vanaf de dag van de omstandigheid die het verlof rechtvaardigt.
  In afwijking van het eerste lid, wordt het verlof, vermeld in paragraaf 1, 5°, 6° en 7°, toegekend in niet opeenvolgende kalenderdagen en wordt het opgenomen binnen de vijftien dagen vanaf de omstandigheid die het verlof rechtvaardigt.

  Afdeling 5. - Verlof wegens dwingende redenen van familiaal belang

  Art. 202. Het beroepspersoneelslid heeft recht op verlof wegens dwingende redenen van familiaal belang voor een maximale periode van vijfenveertig dagen per jaar. Het verlof wordt opgenomen per prestatie of, middels het akkoord van het beroepspersoneelslid, per schijf te bepalen door de raad.
  De dwingende redenen van familiaal belang moeten erkend worden door de hiërarchische meerdere waarvan het beroepspersoneelslid afhangt. De volgende dwingende redenen van familiaal belang worden van ambtswege erkend :
  1° de ziekenhuisopname van een persoon die onder hetzelfde dak woont als het beroepspersoneelslid of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad die niet met het beroepspersoneelslid onder hetzelfde dak woont;
  2° de opvang tijdens de schoolvakantie van de kinderen van het beroepspersoneelslid of van de echtgeno(o)t(e) die de leeftijd van vijftien jaar niet hebben bereikt;
  3° de opvang tijdens de schoolvakantie van de kinderen van het beroepspersoneelslid of van de echtgeno(o)t(e) die de leeftijd van achttien jaar niet hebben bereikt, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66% of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag;
  4° de opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van de kinderen van het beroepspersoneelslid of van de echtgeno(o)t(e) die onder het statuut van verlengde minderjarigheid werden geplaatst.
  Om het verlof in toepassing van dit artikel te genieten, levert het beroepspersoneelslid een bewijs dat een dwingende reden van familiaal belang zich voordoet.

  Art. 203. Het verlof om dwingende redenen van familiaal belang wordt niet vergoed.

  Art. 204. Het verlof om dwingende redenen van familiaal belang wordt in evenredige mate verminderd, voor het lopende kalenderjaar en dit, in de volgende gevallen :
  1° het beroepspersoneelslid treedt in dienst in de loop van het kalenderjaar;
  2° het beroepspersoneelslid legt zijn ambt definitief neer;
  3° het beroepspersoneelslid heeft een uitzonderlijk verlof gekregen, vermeld in artikel 207, 4° ;
  4° het beroepspersoneelslid heeft een verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een politiek kabinet gekregen, vermeld in artikel 208;
  5° het beroepspersoneelslid heeft een verlof voor stage gekregen, vermeld in artikel 209;
  6° het beroepspersoneelslid heeft een verlof voor opdracht van algemeen belang, vermeld in artikel 210, gekregen;
  7° het beroepspersoneelslid is in de administratieve stand van non-activiteit of disponibiliteit geplaatst;
  8° het beroepspersoneelslid heeft een verlof voor loopbaanonderbreking, vermeld in artikel 217, § 1, gekregen.

  Afdeling 6. - Dienstvrijstellingen en uitzonderlijk verlof

  Onderafdeling 1. - Dienstvrijstellingen

  Art. 205. Dienstvrijstelling is de toestemming gegeven aan het beroepspersoneelslid om gedurende de diensturen afwezig te zijn voor een bepaalde duur en met het behoud van zijn rechten.

  Art. 206. § 1. Het beroepspersoneelslid krijgt dienstvrijstelling voor de volgende omstandigheden en activiteiten :
  1° de oproeping als getuige voor een rechtscollege of persoonlijke verschijning op aanmaning van een rechtscollege : voor de nodige duur ervan;
  2° de uitoefening van het ambt van voorzitter, van bijzitter of van secretaris van een stembureau of een stemopnemingsbureau : de nodige tijd.
  § 2. De raad kan in bijkomende dienstvrijstellingen voorzien.
  § 3. Het beroepspersoneelslid legt de documenten voor ter staving van de omstandigheid of activiteit waarvoor dienstvrijstelling verkregen wordt.

  Onderafdeling 2. - Uitzonderlijk verlof

  Art. 207. Het beroepspersoneelslid kan uitzonderlijk verlof krijgen voor de volgende omstandigheden of activiteiten, waarvan het het bewijs levert :
  1° deelname aan een jury bij het Hof van Assisen; voor de duur van de zitting;
  2° wegens overmacht, ten gevolge van een ziekte of ongeval overkomen aan één van de volgende personen met wie het beroepspersoneelslid samenleeft op dezelfde woonplaats : de echtgeno(o)t(e) van het beroepspersoneelslid, een bloed- of aanverwant van het beroepspersoneelslid of van de echtgeno(o)t(e), een persoon opgenomen met het oog op adoptie of op het uitoefenen van pleegvoogdij of volgend op een gerechtelijke beslissing van plaatsing in een pleeggezin : voor een maximale duur van vier dagen per kalenderjaar. Een medisch attest toont de noodzaak van de aanwezigheid van het beroepspersoneelslid aan.
  Het beroepspersoneelslid bekomt eveneens een uitzonderlijk verlof wegens overmacht die het gevolg is van de ziekte of van een ongeval overkomen aan zijn kind dat bij hem verblijft, maar gedomicilieerd is bij de andere ouder;
  3° bij zware materiële schade aan diens goederen, zoals schade veroorzaakt aan de woning door een brand of een natuurramp : voor een maximale duur van vier dagen per kalenderjaar;
  4° kandidatuur voor de verkiezingen van de federale wetgevende kamers, van de gewest- en gemeenschapsraden, van de provincieraden, de gemeenteraden of van de Europese vergaderingen : voor de duur van de verkiezingscampagne waaraan het beroepspersoneelslid als kandidaat deelneemt.
  Dit uitzonderlijk verlof wordt niet vergoed;
  5° om zieken, personen met een handicap en maatschappelijke kwetsbare mensen te vergezellen en bij te staan tijdens vakantiereizen en -verblijven in België en het buitenland. Deze vakantiereizen en -verblijven moeten georganiseerd worden door een vereniging, een openbare instelling of een privé-instelling, waarvan de opdracht erin bestaat de zorg voor zieken, personen met een handicap of maatschappelijke kwetsbare mensen op zich te nemen en die hiervoor subsidies van de overheid krijgt : voor een maximale duur van vijf dagen per kalenderjaar;
  6° voor het afstaan van beenmerg : voor een maximale duur van vier dagen per kalenderjaar die ingaat vanaf de dag waarop de beenmergafstand in de verzorgingsinstelling plaatsvindt;
  7° voor het afstaan van organen of weefsels : voor een periode die overeenkomt met de duur van de hospitalisatie en van de eventueel vereiste herstelperiode alsook met de duur van de voorafgaande geneeskundige onderzoeken.

  Afdeling 7. - Verlof om een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, een beleidscel, de cel algemene beleidscoördinatie, een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht, verlof voor stage en verlof voor opdracht van algemeen belang

  Onderafdeling 1. - Verlof om een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, een beleidscel, de cel algemene beleidscoördinatie, een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht

  Art. 208. Het beroepspersoneelslid kan verlof krijgen wanneer het aangewezen wordt om een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, een beleidscel, de cel algemene beleidscoördinatie, een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht.
  De toekenning van het verlof is onderworpen aan de voorwaarde dat deze organen een reglement hebben aangenomen waarin zij de modaliteiten van terugbetaling van de bezoldiging van het beroepspersoneelslid bepalen.

  Onderafdeling 2. - Verlof voor stage

  Art. 209. Het beroepspersoneelslid krijgt verlof om een stage of proefperiode te doen in een betrekking bij een overheidsdienst. Het verlof wordt toegestaan voor de duur van de stage of de proefperiode.
  Het verlof wordt niet vergoed.
  Het beroepspersoneelslid dat wenst een verlof te krijgen bij toepassing van dit artikel, meldt aan de commandant of zijn afgevaardigde de datum waarop het verlof zal ingaan en de duur ervan. Deze mededeling gebeurt schriftelijk ten minste één maand voor het begin van het verlof, tenzij de commandant of zijn afgevaardigde, op aanvraag van de betrokkene, een kortere termijn aanvaardt.

  Onderafdeling 3. - Verlof voor opdracht van algemeen belang

  Art. 210. § 1. De raad kan, na het advies van de commandant te hebben gevraagd, aan het beroepspersoneelslid een verlof voor opdracht van algemeen belang toekennen. Het gaat met name om nationale en internationale opdrachten in het kader van de ontwikkelingssamenwerking, wetenschappelijk onderzoek of humanitaire hulp.
  § 2. Het verlof wordt niet vergoed, tenzij de zone er anders over beslist op voorwaarde dat de uitoefening van de opdracht niet het voorwerp uitmaakt van een loon.
  § 3. De raad beslist, na voorafgaand advies van de commandant en volgens de behoeften van de dienst, of de betrekking van het beroepspersoneelslid in verlof voor opdracht als vacant moet worden beschouwd.
  Het beroepspersoneelslid van wie het verlof voor opdracht ten einde loopt, keert terug naar zijn betrekking in de zone waar het werkte voor de aanvang van zijn verlof voor opdracht of wordt er, in voorkomend geval, wedertewerkgesteld in een gelijkaardige functie. De wedertewekstelling kan slechts plaatsvinden indien de betrekking werkelijk voorzien werd als gevolg van de aanwending van paragraaf 3, eerste lid.

  Art. 211. Met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden, kan de raad ieder ogenblik een einde maken aan het verlof van het beroepspersoneelslid.
  Het beroepspersoneelslid kan op ieder ogenblik een einde maken aan het verlof, met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten minste twee maanden tenzij de raad een kortere termijn aanvaardt.
  Het beroepspersoneelslid wiens opdracht onderbroken wordt, stelt zich ter beschikking van zijn zone. Indien het zonder geldige reden weigert of verwaarloost dit te doen, wordt het per aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum in gebreke gesteld om de redenen van zijn afwezigheid te laten kennen. Ingeval van afwezigheid van antwoord of onvoldoende antwoord binnen een termijn van vijf dagen wordt het ambtshalve ontslagen.

  Afdeling 8. - Verloven toegekend aan de reservisten van het leger

  Art. 212. De beroepspersoneelsleden die in vredestijd militaire prestaties leveren, genieten het verlof vermeld in het koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve stand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen die, in vredestijd, militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden.

  Afdeling 9. - Moederschapsbescherming

  Art. 213. Het beroepspersoneelslid geniet de verloven toegekend met het oog op de moederschapsbescherming krachtens de arbeidswet van 16 maart 1971. Het beroepspersoneelslid behoudt het recht op wedde tijdens het moederschapsverlof, op voorwaarde dat de betrokkene elke beroepsactiviteit stopzet in zijn hoedanigheid van beroepspersoneelslid.

  Art. 214. In geval van verlenging van de postnatale rustperiode in overeenstemming met artikel 39, zesde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971, wordt de bezoldiging van het beroepspersoneelslid doorbetaald tijdens de duur van de verlenging.

  Art. 215. § 1. In geval van overlijden van de moeder, heeft het beroepspersoneelslid dat de vader van het kind is, recht op vaderschapsverlof waarvan de duur het gedeelte van het moederschapsverlof, dat door de moeder niet was opgenomen op het ogenblik van haar overlijden, niet mag overschrijden. Het beroepspersoneelslid dat de vader is van het kind en dat vaderschapsverlof wenst te krijgen, deelt dit schriftelijk mee aan de commandant of zijn afgevaardigde binnen de zeven dagen na het overlijden van de moeder. Dit geschrift vermeldt de datum van het begin van het vaderschapsverlof en de waarschijnlijke duur ervan. Een uittreksel van de overlijdensakte van de moeder wordt zo snel mogelijk getoond.
  § 2. Bij een ziekenhuisopname van de moeder, heeft het beroepspersoneelslid dat de vader van het kind is, recht op vaderschapsverlof, dat ten vroegste op de achtste dag te rekenen vanaf de geboorte van het kind begint, op voorwaarde dat de ziekenhuisopname van de moeder meer dan zeven dagen duurt en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
  Het vaderschapsverlof vervalt op het ogenblik waarop de ziekenhuisopname van de moeder eindigt en uiterlijk aan het einde van de periode overeenstemmend met het gedeelte van het moederschapsverlof dat nog niet was opgenomen door de moeder op het ogenblik van haar ziekenhuisopname.
  Het beroepspersoneelslid dat de vader is van het kind en dat vaderschapsverlof wenst te krijgen, deelt dit schriftelijk mee aan de commandant of zijn afgevaardigde. Dit geschrift vermeldt de datum van het begin van het vaderschapsverlof en de waarschijnlijke duur ervan. De verlofaanvraag wordt gesteund op een attest waarin de duur van de ziekenhuisopname van de moeder boven de zeven dagen die volgen op de datum van de bevalling en de datum waarop de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft, bevestigd wordt.

  Art. 216. § 1. Het vrouwelijke beroepspersoneelslid heeft recht op een dienstvrijstelling om haar kind met moedermelk te voeden en/of melk af te kolven tot zeven maanden na de geboorte van het kind.
  In uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de gezondheidstoestand van het kind en voor zover dit blijkt uit een medisch getuigschrift, kan de totale duur tijdens welke het vrouwelijke beroepspersoneelslid recht heeft op borstvoedingspauzes, met maximum twee maanden worden verlengd.
  § 2. De borstvoedingspauze duurt een half uur. Het vrouwelijke beroepspersoneelslid heeft recht per gepresteerde prestatie van vier uur, op een pauze die genomen moet worden tijdens deze prestatie Als het vrouwelijk beroepspersoneelslid recht heeft op meerdere pauzes tijdens een prestatie, kan zij deze opnemen in één keer of meerdere keren tijdens die prestatie.
  De duur van borstvoedingspauze(s) is bij de duur van de prestaties inbegrepen.
  Het vrouwelijke beroepspersoneelslid dient met de hiërarchische meerdere overeen te komen op welk(e) moment(en) van de dag zij de borstvoedingspauze(s) kan nemen. Bij ontstentenis van een akkoord vallen de borstvoedingspauzes onmiddellijk vóór of na de in het arbeidsreglement bepaalde rusttijden.
  § 3. Het vrouwelijke beroepspersoneelslid dat wenst de borstvoedingspauzes te genieten brengt schriftelijk haar hiërarchische meerdere hiervan op de hoogte een maand op voorhand, tenzij deze een kortere termijn aanvaardt.
  Het recht op borstvoedingspauzes wordt toegekend mits het bewijs van borstvoeding wordt geleverd. Het bewijs wordt vanaf het begin van de uitoefening van het recht, naar keuze van het vrouwelijke beroepspersoneelslid geleverd door een attest van een consultatiebureau voor zuigelingen (Kind en Gezin, O.N.E. of Dienst für Kind und Familie) of door een medisch getuigschrift.
  Nadien bezorgt het vrouwelijke beroepspersoneelslid aan haar functionele meerdere elke maand een attest of een medisch getuigschrift.

  Afdeling 10. - Verlof voor Loopbaanonderbreking

  Art. 217. § 1. Het beroepspersoneelslid krijgt verlof om zijn loopbaan te onderbreken onder het stelsel van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen.
  § 2. Het verlof, vermeld in paragraaf 1, wordt voltijds genomen, met uitzondering van loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen, voor het bijstaan van of het verstrekken van verzorging aan een ziek familielid en voor ouderschapsverlof.

  Art. 218. Onder voorbehoud van artikel 194 is loopbaanonderbreking een recht van elk beroepspersoneelslid.

  Afdeling 11. - Adoptie- en opvangverlof

  Art. 219.Het beroepspersoneelslid [krijgt verlof] voor adoptie wanneer een kind beneden de leeftijd van tien jaar in zijn gezin opgenomen wordt met het oog op adoptie. <Erratum, B.St. 22-01-2015, p. 5311>
  Het verlof is beperkt tot zes weken. Het verlof kan gesplitst worden in weken en wordt genomen uiterlijk vier maanden na de opname van het kind in het gezin van het betrokken beroepspersoneelslid. Op vraag van het beroepspersoneelslid kan ten hoogste drie weken van dit verlof opgenomen worden vóór de opname van het kind in het gezin.

  Art. 220.Het beroepspersoneelslid [krijgt verlof voor opvang] wanneer een kind beneden de leeftijd van tien jaar in zijn gezin opgenomen wordt met het oog op pleegvoogdij of ingevolge een rechterlijke beslissing tot plaatsing in een opvanggezin. <Erratum, B.St. 22-01-2015, p. 5311>
  Het verlof is beperkt tot vier weken wanneer het kind ouder is dan drie jaar en tot zes weken wanneer het kind de leeftijd van drie jaar nog niet bereikt heeft. Het verlof vangt aan op de dag dat het kind in het gezin van het beroepspersoneelslid opgenomen wordt en kan niet gesplitst worden.

  Art. 221. § 1. Het beroepspersoneelslid dat wenst een adoptieverlof te krijgen, meldt aan de commandant of zijn afgevaardigde de datum waarop het verlof zal ingaan en de duur ervan. Deze mededeling gebeurt schriftelijk ten minste één maand voor het begin van het verlof, tenzij de commandant of zijn afgevaardigde, op aanvraag van de betrokkene, een kortere termijn aanvaardt.
  Het beroepspersoneelslid moet de volgende documenten voorleggen voor wat betreft het adoptieverlof :
  1° een attest, uitgereikt door de bevoegde centrale overheid van de Gemeenschap, waarin de toewijzing van het kind aan het beroepspersoneelslid wordt bevestigd, om het verlof van ten hoogste drie weken vóór de opname van het kind in het gezin te krijgen;
  2° een attest dat de inschrijving van het kind in het bevolkings- of vreemdelingenregister bevestigt om het resterend verlof te kunnen nemen.
  § 2. Het beroepspersoneelslid legt de nodige documenten tot staving voor inzake het opvangverlof binnen de vijftien dagen vanaf de ontvangst van de rechterlijke beslissing.

  Art. 222. De maximumduur van de verloven, vermeld in de artikelen 219 en 220, wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66% of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag.

  Afdeling 12. - Afwezigheden wegens ziekte

  Onderafdeling 1. - Afwezigheidsdagen wegens ziekte

  Art. 223. Het beroepspersoneelslid, dat wegens ziekte verhinderd is zijn ambt uit te oefenen, kan, tijdens zijn hele loopbaan, eenentwintig afwezigheidsdagen wegens ziekte per twaalf maanden dienstanciënniteit krijgen. Als hij nog geen zesendertig maanden in dienst is, wordt zijn wedde niettemin gewaarborgd gedurende drieënzestig dagen.
  Worden eveneens in aanmerking genomen, de werkelijke prestaties die het beroepspersoneelslid in welke hoedanigheid ook en zonder vrijwillige onderbreking verricht heeft als titularis van ambten met volledige prestaties in een andere overheidsdienst of een door de Staat of een Gemeenschap opgerichte, erkende of gesubsidieerde onderwijsinrichting, psycho-medisch sociaal centrum, dienst voor beroepskeuze of medisch pedagogisch instituut.
  Wanneer het beroepspersoneelslid of de stagiair deeltijdse prestaties verricht heeft, worden die in aanmerking genomen naar verhouding tot de werkelijk geleverde prestaties.

  Art. 224. Het beroepspersoneelslid dat in de loop van een prestatie ziek wordt, krijgt van zijn functionele meerdere dienstvrijstelling om zich naar een arts te begeven.

  Art. 225. § 1. Het aantal afwezigheidsdagen wegens ziekte, vermeld in artikel 223, wordt verminderd evenredig met het aantal dagen tijdens de beschouwde periode van twaalf maanden waarin het beroepspersoneelslid :
  1° een uitzonderlijk verlof voor kandidaturen voor de verkiezingen, een verlof voor stage, een verlof voor opdracht van algemeen belang, een verlof voor loopbaanonderbreking, een afwezigheid tijdens dewelke het beroepspersoneelslid in de administratieve stand van non-activiteit werd gesteld, heeft bekomen;
  2° afwezig was wegens ziekte, het verlof, vermeld in de artikelen 229 en 230, uitgezonderd;
  3° op non-activiteit geplaatst is in toepassing van artikel 186.
  § 2. Indien het aldus berekende aantal afwezigheidsdagen wegens ziekte geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid.

  Art. 226. Na elk jaar dienstanciënniteit wordt het aantal uren afwezigheid wegens ziekte verhoogd met het saldo van de uren afwezigheid wegens ziekte die de betrokkene niet opgebruikt heeft.

  Art. 227. De afwezigheid wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking, vermeld in artikel 217.

  Art. 228. De verlofdagen om dwingende redenen van familiaal belang die samenvallen met een afwezigheid wegens ziekte worden niet als dagen afwezigheid wegens ziekte beschouwd.

  Art. 229. § 1. Onder voorbehoud van artikel 231, en in afwijking van artikel 223, wordt de afwezigheid wegens ziekte zonder tijdsbeperking toegestaan, naar aanleiding van :
  1° een arbeidsongeval;
  2° een ongeval op de weg van en naar het werk;
  3° een beroepsziekte.
  Bovendien en behalve voor de toepassing van artikel 231, komen de dagen afwezigheid wegens ziekte toegestaan naar aanleiding van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte, zelfs na de datum van consolidering, niet in aanmerking voor het bepalen van het aantal dagen afwezigheid wegens ziekte welke het beroepspersoneelslid nog kan krijgen bij toepassing van artikel 223.
  § 2. Het beroepspersoneelslid dat door een beroepsziekte bedreigd wordt en dat daardoor tijdelijk ophoudt zijn ambt uit te oefenen, volgens de modaliteiten bepaald door de raad, wordt ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode. Dit verlof wordt vergoed.

  Art. 230. § 1. De dagen afwezigheid wegens ziekte ingevolge een ongeval veroorzaakt door de fout van een derde en dat geen ongeval is als vermeld in artikel 229, worden niet in aanmerking genomen om het aantal dagen afwezigheid wegens ziekte te bepalen dat het beroepspersoneelslid nog krachtens artikel 223 kan krijgen ten belope van het percentage aansprakelijkheid dat aan de derde is toegewezen en dat als grondslag dient voor de wettelijke indeplaatsstelling van de zone.
  § 2. De dagen afwezigheid wegens ziekte toegekend ingevolge een arbeidsongeval dat of een beroepsziekte die het beroepspersoneelslid overkomen is bij een vorige werkgever, worden niet in aanmerking genomen om het aantal dagen afwezigheid wegens ziekte te bepalen dat het beroepspersoneelslid nog krachtens artikel 223 kan krijgen, voor zover het beroepspersoneelslid vergoedingen blijft genieten tijdens de volledige periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, vermeld in artikel 22 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, in artikel 34 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970 of in iedere equivalente norm.

  Art. 231. Het beroepspersoneelslid kan niet definitief ongeschikt worden verklaard wegens ziekte of invaliditeit alvorens hij het totaal van de dagen afwezigheid wegens ziekte heeft uitgeput waarop artikel 223 van dit besluit hem recht geeft.

  Onderafdeling 2. - Disponibiliteit wegens ziekte

  Art. 232.§ 1. Onverminderd artikel 229, wordt het beroepspersoneelslid dat afwezig is wegens ziekte en dat de maximale duur van het verlof dat hem daartoe kan worden toegekend krachtens artikel 223 al heeft opgebruikt, van rechtswege in disponibiliteit gesteld.
  Het behoudt zijn recht op bevordering door verhoging in graad en [op bevordering] in weddenschaal. <Erratum, B.St. 22-01-2015, p. 5311>
  § 2. Het beroepspersoneelslid in disponibiliteit wegens ziekte heeft recht op een wachtgeld gelijk aan 60 % van zijn laatste activiteitswedde. De diverse premies en toelagen worden niet in rekening gebracht voor berekening van het wachtgeld.
  Het bedrag van dit wachtgeld mag in geen geval lager zijn dan :
  1° de vergoedingen die de betrokkene in dezelfde situatie zou krijgen als het sociale zekerheidsstelsel op hem van toepassing zou zijn geweest van in het begin van zijn afwezigheid;
  2° het pensioen dat hij zou krijgen als hij, op de datum dat hij in disponibiliteit is gesteld, op vervroegd pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid was gesteld.
  § 3. In afwijking van paragraaf 2, heeft het beroepspersoneelslid recht op een maandelijks wachtgeld dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste activiteitswedde indien de kwaal waaraan het lijdt als een ernstige en langdurige ziekte wordt erkend door de medische controledienst waarbij de zone aangesloten is. Dit recht heeft slechts uitwerking nadat het beroepspersoneelslid in disponibiliteit wegens ziekte werd gesteld. Dit recht brengt een herziening van de toestand van het beroepspersoneelslid met zich mee, met geldelijke uitwerking vanaf de dag waarop zijn disponibiliteit wegens ziekte een aanvang heeft genomen.
  § 4. De disponibiliteit wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking, vermeld in artikel 217.
  § 5. De raad beslist, in functie van de behoeften van de dienst, of de betrekking waarvan het in disponibiliteit gestelde beroepspersoneelslid titularis was, als vacant kan worden beschouwd. De raad kan deze beslissing pas nemen op het ogenblik waarop de disponibiliteit wegens ziekte van het beroepspersoneelslid één jaar bereikt heeft.

  Art. 233. Het beroepspersoneelslid, van wie de periode van disponibiliteit ten einde loopt, keert terug naar zijn betrekking in de zone waar het werkte voor de in disponibiliteit stelling of het, in voorkomend geval, wordt wedertewerkgesteld in een gelijkaardige functie. De wedertewerkstelling kan slechts plaatsvinden indien de betrekking werkelijk voorzien werd als gevolg van de aanwending van artikel 232, § 5, en gebeurt, indien nodig, in overtal.

  Onderafdeling 3. - Controle van de afwezigheden ingevolge ziekte of ongeval

  Art. 234. Het behoort toe aan de raad om zich aan te sluiten bij een onafhankelijke en onpartijdige medische controledienst die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde, om de controle uit te voeren op de afwezigheden ten gevolge van ziekte of ongeval.
  Het beroepspersoneelslid dat afwezig is ten gevolge van ziekte of ongeval staat onder toezicht van de medische controledienst :
  1° ambtshalve, op beslissing van de medische controledienst;
  2° op schriftelijk verzoek van de commandant of zijn afgevaardigde, gericht aan de medische controledienst.

  Art. 235. Het beroepspersoneelslid, dat wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, is verplicht de zone hiervan onmiddellijk op de hoogte te brengen volgens de modaliteiten bepaald door de raad.
  Voor een afwezigheid wegens ziekte of ongeval met een duur van meer dan twaalf uren, dient het beroepspersoneelslid een geneeskundig getuigschrift in volgens het model in bijlage 2 bij de medische controledienst waarbij de zone aangesloten is, ten laatste de eerste werkdag na het opstellen ervan. Het geneeskundig getuigschrift maakt melding van de ziekte, de waarschijnlijke duur ervan, de verblijfplaats van het beroepspersoneelslid en of het beroepspersoneelslid zich met het oog op de controle al dan niet naar een andere plaats mag begeven. Ingeval van onmogelijkheid om zich te verplaatsen, kan een kopie van het geneeskundig getuigschrift naar de medische controledienst gestuurd worden via telefax of elektronische post, op voorwaarde dat het origineel opgestuurd wordt zodra de onmogelijkheid om zich te verplaatsen ophoudt.
  Indien het beroepspersoneelslid, in de loop van hetzelfde kalenderjaar, tweemaal afwezig is geweest gedurende maximaal twaalf uren, zonder een geneeskundig getuigschrift in te dienen, worden alle latere afwezigheden wegens ziekte of ongeval in de loop van hetzelfde kalenderjaar gerechtvaardigd met een geneeskundig getuigschrift.
  Indien het beroepspersoneelslid nalaat, buiten het geval van overmacht, een geneeskundig getuigschrift in te dienen bij de medische controledienst, dan bevindt het zich van rechtswege in non-activiteit.

  Art. 236. § 1. Het beroepspersoneelslid kan het medisch onderzoek niet weigeren.
  De controle van het beroepspersoneelslid kan gebeuren vanaf de eerste dag van de afwezigheid en tijdens de volledige periode van de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval.
  Het medisch onderzoek vindt plaats in de woon- of verblijfplaats van het beroepspersoneelslid. Wanneer de arts die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd, oordeelt dat de gezondheidstoestand van het beroepspersoneelslid hem toelaat zich naar een andere plaats te begeven, dan kan het beroepspersoneelslid ook worden opgeroepen door de medische controledienst om zich voor een onderzoek aan te melden bij de controlearts voor een medisch onderzoek. Wanneer de controlearts het beroepspersoneelslid niet aantreft op de aangegeven woon- of verblijfplaats, dan laat hij een bericht achter. Behoudens wanneer de arts die het geneeskundig getuigschrift aan het beroepspersoneelslid heeft afgeleverd, oordeelt dat zijn gezondheidstoestand hem niet toelaat zich naar een andere plaats te begeven, moet het beroepspersoneelslid zich op het vermelde uur aanmelden bij de controlearts.
  Wanneer het beroepspersoneelslid zich niet naar een andere plaats mag begeven, maar op het ogenblik van de controle afwezig was, wegens redenen van overmacht, brengt het de controlearts hiervan onmiddellijk op de hoogte, zodat een nieuwe controle kan plaatshebben.
  Het beroepspersoneelslid dat het medisch onderzoek weigert of die het de controlearts onmogelijk maakt om het medisch onderzoek uit te voeren wordt van rechtswege in non-activiteit geplaatst.
  § 2. De controlearts gaat na of de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval gerechtvaardigd is en kan constateren dat :
  1° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch gerechtvaardigd is;
  2° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch gerechtvaardigd is voor een kortere periode dan vermeld werd in het geneeskundig getuigschrift;
  3° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch niet gerechtvaardigd is.
  De controlearts oefent zijn opdracht uit overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde.
  De controlearts overhandigt onmiddellijk, eventueel na raadpleging van diegene die het in artikel 235, tweede lid, vermelde geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd, zijn bevindingen schriftelijk aan het beroepspersoneelslid. Indien deze laatste op dat ogenblik kenbaar maakt dat hij niet akkoord gaat met de bevindingen van de controlearts, wordt dit door deze laatste vermeld op voornoemd geschrift.
  Onder voorbehoud van artikel 237, gaat de werkhervatting in respectievelijk op de door de controlearts vastgestelde datum of op de eerste dag volgend op zijn beslissing
  Wanneer het beroepspersoneelslid afwezig is ten gevolge van ziekte of ongeval en nog geen arts heeft geraadpleegd, en de controlearts oordeelt na medisch onderzoek dat de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval niet gerechtvaardigd is, dan bevindt het beroepspersoneelslid zich van rechtswege in non-activiteit voor de duur van de afwezigheid.
  Het beroepspersoneelslid kan echter kiezen om een dag jaarlijks vakantieverlof te gebruiken met het akkoord van de commandant of zijn afgevaardigde voor een afwezigheid van een dag waarvoor het beroepspersoneelslid nog geen arts heeft geraadpleegd, en de controlearts oordeelt dat de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval niet gerechtvaardigd is.

  Art. 237. Binnen twee werkdagen na de overhandiging van de bevindingen door de controlearts, kan de meest belanghebbende partij, met het oog op het beslechten van het medisch geschil en in onderling akkoord, een arts-scheidsrechter aanwijzen. Indien geen akkoord kan worden bereikt binnen de twee werkdagen kan de meest belanghebbende partij, met het oog op het beslechten van het medisch geschil een arts-scheidsrechter aanwijzen die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde en voorkomt op de lijst die in uitvoering van voornoemde wet werd vastgesteld.
  De medische controledienst waarbij de zone aangesloten is kan de controlearts en het beroepspersoneelslid kan diegene die hem het medisch getuigschrift overhandigd heeft, uitdrukkelijke machtiging geven om de arts-scheidsrechter aan te wijzen.
  De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist in het medisch geschil binnen drie werkdagen na zijn aanwijzing. Alle andere vaststellingen blijven onder het beroepsgeheim.
  Indien de arts-scheidsrechter een negatieve beslissing neemt, wordt de periode tussen de datum van werkhervatting bepaald door de controlearts en de datum van de beslissing van de arts-scheidsrechter, omgezet in non-activiteit.
  De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van het beroepspersoneelslid, vallen ten laste van de verliezende partij.
  De arts-scheidsrechter brengt diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de controlearts op de hoogte van zijn beslissing. De medische controledienst en het beroepspersoneelslid worden schriftelijk bij aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum verwittigd.

  Art. 238. Wanneer een beroepspersoneelslid tijdens een afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval in het buitenland wil verblijven, dient het hiervoor voorafgaand de toestemming te krijgen van de medische controledienst waarbij de zone aangesloten is.

  Onderafdeling 4. - Controle van de afwezigheden ten gevolge van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte

  Art. 239. De medische controledienst waarbij de zone aangesloten is wordt belast met de controle van de afwezigheden ten gevolge van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte.
  De controle gebeurt volgens de modaliteiten bepaald in artikelen 236, §§ 1 en 2, eerste tot derde lid.
  Het artikel 238 is van toepassing.

  Onderafdeling 5. [1 - Verminderde prestaties wegens medische redenen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-05-09/03, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>
  

  Art. 239/1. [1 Het personeelslid kan vragen om zijn functie uit te oefenen in het kader van verminderde prestaties wegens medische redenen om zich opnieuw aan te passen aan het normale arbeidsritme, na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van ten minste dertig kalenderdagen.
   De beoordeling van de medische toestand van het personeelslid en de toekenning van de verminderde prestaties wegens medische redenen wordt verzekerd door een controlearts van de medische controledienst bedoeld in artikel 234.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-05-09/03, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>
  

  Art. 239/2. [1 § 1. Het personeelslid hervat zijn functie ten belope van ten minste 50% van zijn normale prestaties voor een periode van maximum zes maanden.
   § 2. De controlearts bepaalt het percentage van de normale prestaties dat het personeelslid kan presteren, evenals de te respecteren grenzen inzake de verdeling, over de maand, van deze verminderde prestaties.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-05-09/03, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>
  

  Art. 239/3. [1 De periode die niet gepresteerd werd omwille van verminderde prestaties wegens medische redenen wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
   De machtiging om verminderde prestaties wegens medische redenen te verrichten, wordt tijdelijk opgeschort tijdens een afwezigheid wegens ziekte, arbeidsongeval, een ongeval op de weg en naar het werk en een beroepsziekte.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-05-09/03, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>
  

  Art. 239/4. [1 § 1. Het personeelslid dat verminderde prestaties wegens medische redenen wenst te genieten moet ten minste vijf werkdagen voor het begin van de verminderde prestaties het akkoord hebben gekregen van de controlearts van de medische controledienst.
   Het personeelslid moet een geneeskundig getuigschrift en een reintegratieplan opgesteld door zijn behandelende arts voorleggen. In het reintegratieplan, vermeldt de behandelende arts de vermoedelijke datum van volledige werkhervatting.
   § 2. De controlearts spreekt zich uit over de medische geschiktheid van het personeelslid om zijn functie te hervatten ten belope van ten minste 50% van de normale prestaties. De controlearts overhandigt, zo snel mogelijk, zijn schriftelijke vaststellingen aan het personeelslid.
   § 3. Na het overmaken van de beslissing van de controlearts in het kader van een aanvraag tot verminderde prestaties wegens medische redenen, kan het personeelslid een arts-scheidsrechter aanwijzen, in onderling akkoord met de medische controledienst, binnen de twee werkdagen die volgen op het overmaken van de vaststellingen, om het medisch geschil te regelen. Indien geen enkel akkoord kan worden bereikt binnen de twee werkdagen kan het personeelslid, met het oog op het beslechten van het medisch geschil, een arts-scheidsrechter aanwijzen die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde en voorkomt op de lijst die in uitvoering van voornoemde wet werd vastgesteld.
   De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist in het medisch geschil binnen drie werkdagen na zijn aanwijzing. Alle andere vaststellingen blijven onder het beroepsgeheim.
   De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van het personeelslid, vallen ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.
   De arts-scheidsrechter brengt, zo snel mogelijk, het personeelslid, de zone, de arts die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de controlearts van de medische controledienst op de hoogte van zijn beslissing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-05-09/03, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>
  

  Art. 239/5. [1 Bovendien, indien de medische controledienst van mening is dat een personeelslid dat afwezig is wegens ziekte in staat is om de uitoefening van zijn functie te hervatten ten belope van meer dan 50% van de normale prestaties, dan bepaalt hij het percentage van de normale prestaties dat het personeelslid kan presteren, evenals de te respecteren grenzen inzake de verdeling, over de maand, van deze verminderde prestaties. De medische controledienst licht de zone hierover in, die het personeelslid uitnodigt het werk te hervatten. De beroepsprocedure voorzien in artikel 239/4, § 3 is van toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-05-09/03, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>
  

  Afdeling 13. - Afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden

  Art. 240. Het beroepspersoneelslid kan een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden genieten voor zover de werking van de dienst dit toelaat. De afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden wordt enkel voltijds en voor een minimale duur van drie maanden toegestaan.

  Art. 241. Het beroepspersoneelslid dat een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden wil genieten, deelt de startdatum en de duur van het verlof mee aan de commandant. Deze mededeling gebeurt schriftelijk en minstens drie maanden voor de aanvang van de afwezigheid. Deze termijn kan ingekort worden mits wederzijds akkoord.
  Elke verlenging moet minstens één maand voor het einde van de afwezigheid schriftelijk aangevraagd worden.
  De beslissing van de weigering van het verlof wordt omstandig gemotiveerd en wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de betrokkene binnen één maand vanaf de aanvraag. Deze beslissing kan het voorwerp uitmaken van een beroep, ingediend per aangetekend schrijven of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum, bij de raad binnen de tien dagen na de kennisneming ervan door het beroepspersoneelslid. De raad doet uitspraak binnen de twee maanden volgend op de indiening van het beroep. Bij gebrek aan beslissing genomen binnen deze termijn, wordt de aanvraag geacht aanvaard te zijn.

  Art. 242. Het beroepspersoneelslid kan zijn ambt hernemen voor het verstrijken van de periode van afwezigheid meegedeeld krachtens artikel 241, mits een opzegperiode van één maand. De commandant kan een kortere opzegtermijn aanvaarden.

  Art. 243. De afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden is beperkt tot twee jaar voor de gehele loopbaan.

  Art. 244. Tijdens de afwezigheid als vermeld in artikel 240, bevindt het beroepspersoneelslid zich in de administratieve stand van non-activiteit. Het beroepspersoneelslid mag een bezoldigde activiteit uitoefenen, op voorwaarde dat deze verenigbaar is met zijn functies. Het moet de commandant op de hoogte brengen van de aard van die activiteit.

  Art. 245. Er wordt geen rekening gehouden met ziekten of ongevallen opgelopen tijdens deze afwezigheid.

  TITEL 2. - Bepalingen voor de leden van het vrijwillig personeel

  Art. 246.De raad kan, omwille van specifieke redenen, met name omwille van persoonlijke of professionele redenen, de benoeming van een vrijwillig personeelslid gedurende een ononderbroken periode van zes maanden opschorten op vraag van de betrokkene. De opschortingsperiode mag niet meer bedragen dan twee jaar voor de totale duur van zijn benoeming. Het vrijwillig personeelslid dat zijn functies niet opnieuw opneemt na de opschortingsperiode, wordt als ontslaggevend beschouwd.
  De betrokkene dient zijn aanvraag schriftelijk in bij de raad. Deze laatste doet uitspraak binnen de twee maand te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. Bij gebrek aan beslissing genomen binnen deze termijn, wordt de aanvraag geacht aanvaard te zijn.
  [1 De periode gedurende dewelke de benoeming van het vrijwillig personeelslid wordt opgeschort, wordt in aanmerking genomen voor de berekening van de dienstanciënniteit. Het vrijwillig personeelslid behoudt zijn rechten op bevordering door verhoging in graad gedurende deze periode.]1
  Gedurende deze periode heeft het vrijwillig personeelslid geen recht op om het even welke toelage of premie.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Boek 10. - Tuchtregeling

  TITEL 1. - Tuchtsancties

  Art. 247. De tuchtsancties kunnen worden opgelegd omwille van de volgende redenen :
  1° tekortkomingen aan de beroepsplichten;
  2° handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen;
  3° overtredingen van de verbodsbepalingen, vermeld in het statuut.
  Deze redenen zijn niet limitatief.

  Art. 248.[1 De tuchtsancties die kunnen worden uitgesproken ten aanzien van het beroepspersoneelslid zijn :
   1° de berisping;
   2° de blaam;
   3° de inhouding van wedde;
   4° de tuchtschorsing met of zonder inhouding van wedde;
   5° de terugzetting of de lagere inschaling;
   6° het ontslag van ambtswege;
   7° de afzetting.
   De tuchtsancties die kunnen worden uitgesproken ten aanzien van het vrijwillig personeelslid zijn :
   1° de berisping;
   2° de blaam;
   3° de tuchtschorsing;
   4° de terugzetting;
   5° het ontslag van ambtswege.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 249. De inhouding van wedde mag niet langer dan drie maanden duren en mag de inhouding, vermeld in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, niet overschrijden. De inhouding mag ook niet als effect hebben dat de wedde wordt teruggebracht tot een bedrag dat lager is dan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop het personeelslid recht zou hebben indien hij zou vallen onder het sociale zekerheidsregime van de loontrekkenden.

  Art. 250. De tuchtschorsing mag niet langer dan drie maanden duren.
  De tuchtschorsing plaatst het personeelslid van rechtswege in de administratieve stand van non-activiteit.
  Tijdens de tuchtschorsing kan het personeelslid zijn rechten op bevordering of verhoging in weddeschaal niet doen gelden.
  In geval van tuchtschorsing met inhouding van wedde mag de totale duur van deze tuchtsanctie niet langer zijn dan drie maanden.

  Art. 251. De lagere inschaling is de toekenning van een lagere weddeschaal binnen dezelfde graad.
  De terugzetting is de toekenning van een lagere graad.

  Art. 252. De aard, de reden en de datum van elke uitgesproken tuchtsanctie worden vermeld in het persoonlijke dossier van de betrokkene.

  Art. 253. Doorhaling van de tuchtsancties in het persoonlijk dossier van de betrokkene gebeurt automatisch na een termijn van :
  1° twee jaar voor de berisping en de blaam;
  2° vier jaar voor de inhouding van wedde, de tuchtschorsing, de terugzetting en de lagere inschaling.
  De termijn begint te lopen vanaf de betekening van de tuchtsanctie.

  TITEL 2. - Bevoegde overheden om de tuchtsancties uit te spreken

  Art. 254. De berisping en de blaam worden uitgesproken door het college.

  Art. 255. De inhouding van wedde, de tuchtschorsing, de terugzetting of de lagere inschaling, het ontslag van ambtswege en de afzetting worden uitgesproken door de raad.

  Art. 256. Ingeval van tuchtprocedure ingesteld tegen de commandant worden de bevoegdheden door dit boek toegekend aan de commandant of diens afgevaardigde, uitgevoerd door een lid van het college aangeduid door de voorzitter.

  TITEL 3. - Rechten van de verdediging

  Art. 257.§ 1. Er mag geen tuchtsanctie worden opgelegd :
  1° zonder dat het betrokken personeelslid voorafgaand op de hoogte werd gesteld van de inbreuk die hem ten laste wordt gelegd;
  2° zonder dat het personeelslid werd gehoord en zijn verweermiddelen heeft kunnen doen gelden.
  § 2. Elke tuchtsanctie moet ter kennis worden gebracht van het betrokken personeelslid met vermelding van de reden van de sanctie.
  § 3. Het betrokken personeelslid en de persoon vermeld in artikel 258, kunnen op hun verzoek het tuchtdossier in elke fase van de procedure raadplegen en daarvan kopie ontvangen.
  Voorafgaand aan het verhoor, legt [1 de commandant of diens afgevaardigde]1 een tuchtdossier aan. Het tuchtdossier bevat alle stukken met betrekking tot de ten laste gelegde feiten evenals de getuigenissen.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 258.Het betrokken personeelslid mag zich [1 telkens hij gehoord wordt]1, laten bijstaan door een persoon naar keuze.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 33, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  TITEL 4. - Procedure

  Art. 259. § 1. Iedere hiërarchische meerdere die van oordeel is dat een tuchtrechtelijke inbreuk is gepleegd, zendt aan de commandant een informatieverslag met een relaas van de feiten. Een informatieverslag kan eveneens worden opgesteld door een lid van de algemene inspectie, vermeld in artikel 168 van de wet van 15 mei 2007. Op straffe van nietigheid van de procedure, moet het informatieverslag naar de commandant gestuurd worden binnen de dertig kalenderdagen na het plegen van de feiten of na de kennisneming ervan door de persoon die het verslag opstelt.
  § 2. De auteur van het informatieverslag wordt op de hoogte gebracht van het gevolg dat aan de zaak gegeven wordt.

  Art. 260. § 1. De commandant of diens afgevaardigde, die op de hoogte is van de feiten waarvan hij meent dat zij aanleiding moeten geven tot tuchtrechtelijke vervolgingen, stelt een tuchtvordering in tegen het betrokken personeelslid door hem per aangetekend schrijven of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum een kopie van het inleidend verslag te betekenen. Op straffe van nietigheid van de procedure, dient de betekening van het inleidend verslag te gebeuren binnen de zestig kalenderdagen volgend op de kennisneming van de feiten door de commandant of diens afgevaardigde en ten minste tien kalenderdagen voor het verhoor van het personeelslid.
  § 2. Het inleidend verslag vermeldt :
  - de identiteit van het betrokken personeelslid,
  - het recht om het verhoor van getuigen, evenals de openbaarheid van dit verhoor te vragen,
  - in voorkomend geval de identiteit van de getuigen,
  - de ten laste gelegde tuchtinbreuken,
  - het feit dat een tuchtsanctie wordt overwogen en dat een tuchtdossier wordt aangelegd,
  - de plaats en de termijn binnen dewelke het tuchtdossier kan worden geraadpleegd,
  - de termijn waarbinnen een verweerschrift kan worden ingediend,
  - de plaats, de dag en het uur van het verhoor,
  - het recht van de betrokkene om zich te laten bijstaan door een verdediger naar keuze,
  - het recht van de betrokkene om te vragen dat hij alleen wordt verhoord tijdens het verhoor.
  Het inleidend verslag mag het dienovereenkomstig aangevulde informatieverslag zijn.
  § 3. Het betrokken personeelslid kan een verweerschrift indienen bij de commandant of diens afgevaardigde.
  § 4. Het betrokken personeelslid beschikt over de nodige tijd om zijn verdediging voor te bereiden en een verweerschrift in te dienen.
  Deze tijd mag niet minder bedragen dan tien kalenderdagen.
  § 5. Op gemotiveerd verzoek van de betrokkene, kan het verhoor worden uitgesteld binnen een redelijke termijn. De nieuwe datum wordt meegedeeld aan de betrokkene.

  Art. 261. § 1. De commandant of diens afgevaardigde laat door een meerdere van het betrokken personeelslid ieder onderzoek instellen dat kan leiden tot het ontdekken van de waarheid, onder meer het ambtshalve of op aanvraag van het betrokken personeelslid afnemen van iedere nuttige getuigenis.
  Bij afwezigheid van een meerdere, anders dan de commandant, van het betrokken personeelslid, wordt het onderzoek uitgevoerd door een lid van het administratief kader dat aangeduid is door de commandant.
  § 2. Het betrokken personeelslid neemt kennis van deze schriftelijke of mondelinge getuigenissen.

  Art. 262. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 258, vindt het verhoor van het betrokken personeelslid voor de commandant of diens afgevaardigde plaats in aanwezigheid van een personeelslid dat bekleed is met een hogere graad dan de zijne en die het informatieverslag niet heeft opgesteld.
  Wanneer het betrokken personeelslid geen andere hiërarchische meerdere heeft dan de commandant, is het de commandant en een lid van het college, aangeduid door de voorzitter, die het verhoor uitvoeren.
  Wanneer de commandant het voorwerp uitmaakt van tuchtrechtelijke vervolging, is het het lid van het college, aangeduid door de voorzitter, overeenkomstig artikel 256, dat het verhoor uitvoert, vergezeld van een een ander lid van het college, eveneens aangeduid door de voorzitter.
  Indien het personeelslid erom verzoekt, wordt het alleen gehoord.

  Art. 263. Er wordt een proces-verbaal van het verhoor opgesteld, dat getrouw de verklaringen van de verhoorde persoon weergeeft.
  Als het proces-verbaal wordt opgemaakt bij afloop van de hoorzitting, wordt hiervan onmiddellijk lezing gegeven en wordt de betrokkene verzocht om dit te ondertekenen.
  Als het proces-verbaal wordt opgesteld na het verhoor, wordt dit binnen de acht werkdagen na het verhoor meegedeeld aan de betrokkene met het verzoek om dit te ondertekenen.
  In elk geval kan de betrokkene voorbehouden formuleren op het ogenblik van de ondertekening. Indien hij weigert om te tekenen, wordt hiervan melding gemaakt in het tuchtdossier.

  Art. 264.Als de betrokkene er schriftelijk van afgezien heeft gehoord te worden of niet [1 ...]1 verschenen is zonder geldige reden, stelt [1 de commandant of diens afgevaardigde of]1 de tuchtoverheid, naargelang het geval, binnen de tien werkdagen vanaf het schriftelijke afzien in het eerste geval, en vanaf de hoorzitting in het tweede geval, een proces-verbaal van weigering of van niet-verschijning op.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 34, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 265.[1 Wanneer de commandant of diens afgevaardigde van mening is dat de feiten bestraft dienen te worden met een berisping of blaam, dan bezorgt hij dit tuchtdossier aan het college binnen de tien werkdagen vanaf het proces-verbaal van de hoorzitting, van afzien of van niet-verschijning.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 35, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 265/1. [1 Wanneer de commandant of diens afgevaardigde van mening is dat de feiten bestraft dienen te worden met een andere sanctie dan een berisping of een blaam, dan bezorgt hij het tuchtdossier aan de raad binnen de tien werkdagen vanaf het proces-verbaal van de hoorzitting, van afzien of van niet-verschijning.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-05-09/03, art. 36, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>
  

  Art. 266.[1 Het college of de raad, naargelang het geval,]1 doet uitspraak na de commandant of diens afgevaardigde en het betrokken personeelslid te hebben gehoord. De commandant neemt niet deel aan de beraadslaging [1 van het college of van de raad, naargelang het geval]1.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 37, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 267.[1 Wanneer het college van mening is dat de feiten bestraft dienen te worden met een andere sanctie dan de berisping of de blaam, dan verwijst het de zaak, binnen de tien werkdagen vanaf het proces verbaal van de hoorzitting, van afzien of van niet verschijning.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 38, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 267/1. [1 Wanneer de raad van mening is dat de feiten bestraft dienen te worden met een berisping of een blaam, dan verwijst hij de zaak binnen de tien werkdagen vanaf het proces verbaal van de hoorzitting, van afzien of van niet verschijning.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-05-09/03, art. 39, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>
  

  Art. 268. Op straffe van nietigheid van de procedure doet de tuchtoverheid uitspraak over de op te leggen tuchtsanctie binnen de twee maanden vanaf de afsluiting van het proces-verbaal van het laatste verhoor, van weigering of van niet-verschijning.

  Art. 269.[1 Het lid van het college of van de raad, naargelang het geval, dat niet aanwezig was gedurende alle hoorzittingen voor het college of de raad, naargelang het geval, mag niet deelnemen aan de beraadslaging, noch deelnemen aan de stemming over de uit te spreken tuchtstraf.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 40, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 270. De gemotiveerde beslissing wordt terstond overgemaakt aan de betrokkene, hetzij per ter post aangetekend schrijven, hetzij via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum binnen de tien werkdagen.

  Art. 271. Binnen de tien werkdagen volgend op de datum van kennisname van de beraadslaging van de raad waarin beslist wordt over een tuchtsanctie, overeenkomstig artikel 255, kan het personeelslid een beroep indienen bij een federale onafhankelijke beroepskamer, paritair samengesteld binnen de FOD Binnenlandse Zaken, overeenkomstig de artikelen 171 tot 173.

  Art. 272. Binnen de tien werkdagen volgend op de datum van kennisname van de beraadslaging van het college waarin beslist wordt over een tuchtsanctie, overeenkomstig artikel 254, kan het personeelslid een beroep indienen bij de raad.

  Art. 273. De raad doet uitspraak na de commandant of diens afgevaardigde en het betrokken personeelslid te hebben gehoord. De commandant neemt niet deel aan de beraadslaging van de raad.

  Art. 274. Op straffe van nietigheid van de procedure doet de raad uitspraak over de op te leggen tuchtsanctie binnen de twee maanden vanaf het verhoor.

  Art. 275. § 1. Het personeeelslid kan niet het voorwerp uitmaken van een tuchtprocedure voor feiten die reeds gesanctioneerd werden, onder voorbehoud van nieuwe elementen die de heropening van het dossier rechtvaardigen en die zich voordoen tijdens de verjaringstermijn van de tuchtvordering.
  § 2. De tuchtvordering mag alleen betrekking hebben op feiten die zich hebben voorgedaan of zijn vastgesteld binnen een termijn van zes maanden voorafgaand aan de datum waarop de vordering wordt ingesteld.

  Art. 276. In geval van strafvordering en indien het openbaar ministerie de einduitspraak van het gerecht ter kennis heeft gebracht aan de voorzitter of zijn afgevaardigde, moet de tuchtvordering ingesteld worden binnen de zes maanden na de datum van de kennisgeving.

  Art. 277. Indien meer dan één feit wordt aangerekend aan het personeelslid, kan dit slechts aanleiding geven tot één procedure en tot de uitspraak van één tuchtsanctie.

  Art. 278.
  <Opgeheven bij KB 2016-05-09/03, art. 41, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 279. De sanctie mag geen gevolgen hebben vooraleer ze uitgesproken werd.

  BOEK 11. - Uitvoeren van een alcohol- of drugstest

  TITEL 1. - Algemene bepalingen

  Art. 280. § 1. De bevoegdheden van de hiërarchische meerdere, vermeld in dit boek, kunnen enkel uitgeoefend worden door een hiërarchische meerdere met een graad van officier.
  § 2. Ingeval de commandant het voorwerp is van het afnemen van een test, worden de bevoegdheden in dit boek toegekend aan de hiërarchische meerdere, uitgevoerd door de voorzitter.

  TITEL 2. - Uitvoeren van een alcoholtest

  Art. 281. § 1. De ademtest, vermeld in artikel 106/1 van de wet van 15 mei 2007, bestaat erin te blazen in een toestel dat het niveau van de alcoholopname in de uitgeademde alveolaire lucht aangeeft.
  § 2. Alleen de ademtoestellen die overeenkomstig artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, gehomologeerd zijn, mogen voor de ademtest gebruikt worden. Op het gebruikte toestel moet het homologatiemerk van dit model op duurzame en onuitwisbare wijze aangebracht zijn.
  Het gebruik, het onderhoud en het justeren van deze toestellen gebeurt in overeenstemming met de gebruiksmodaliteiten, vastgesteld in uitvoering van artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.

  Art. 282. De hiërarchische meerdere die de ademtest uitvoert, vermeldt in een voorlichtingsrapport de kennelijke tekenen van onder invloed van alcohol zijn die de test rechtvaardigen en de mogelijke psychomotorische testen, geschiktheidstesten en reactietesten.

  Art. 283. Vooraleer het ademtesttoestel te gebruiken, toont de in artikel 282 vermelde overheid een verpakt mondstuk, opent de verpakking en brengt het mondstuk op het toestel aan zonder dit mondstuk aan te raken.
  Het personeelslid wordt vervolgens verzocht te blazen in het toestel.

  Art. 284. Het personeelslid dat verzocht wordt de ademtest te ondergaan mag een wachttijd vragen van vijftien minuten.

  Art. 285. § 1. Op verzoek van het betrokken personeelslid kan de ademtest gevolgd worden door een ademanalyse die erin bestaat te blazen in een toestel dat de alcoholconcentratie in de uitgeademde alveolaire lucht meet.
  De ademanalyse wordt uitgevoerd op kosten van de belanghebbende indien het meetresultaat ten minste gelijk is aan de norm bepaald in artikel 60, § 1, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.
  § 2. Alleen de ademanalysetoestellen die overeenkomstig artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, gehomologeerd zijn, mogen voor de ademanalyse worden gebruikt. Op het gebruikte toestel moet het homologatiemerk van dit model op duurzame en onuitwisbare wijze aangebracht zijn.
  Het gebruik, het onderhoud en het justeren van deze toestellen gebeurt in overeenstemming met de gebruiksmodaliteiten, vastgesteld in uitvoering van artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.

  TITEL 3. - Uitvoeren van een drugstest

  Art. 286. De drugstest, vermeld in artikel 106/1 van de wet van 15 mei 2007, is de speekseltest, vermeld in artikel 61bis van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.

  Art. 287. De hiërarchische meerdere die de drugstest uitvoert, vermeldt in een voorlichtingsrapport de kennelijke tekenen van beïnvloeding door drugs die de test rechtvaardigen.

  TITEL 4. - Gemeenschappelijke bepalingen

  Art. 288.Neemt niet deel aan de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 11 van de wet van 15 mei 2007, tot het einde van de dienst, het personeelslid waarvan de ademtest of de ademanalyse voor de opsporing van alcohol een resultaat meet dat ten minste gelijk is aan de norm bepaald in [artikel 60, §1 , eerste lid], van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, of waarvan de drugstest een resultaat meet dat hoger is dan de resultaten, vermeld in artikel 61bis, § 2, 2°, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer. <Erratum, 11-05-2015, p. 25411>
  De hiërarchische meerdere kan beslissen dat het personeelslid dat weigert om zich aan de alcoholtest of aan de drugstest te onderwerpen, niet deelneemt aan de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 11 van de wet van 15 mei 2007, tot aan het einde van de dienst.

  Art. 289. Het personeelslid kan tuchtrechtelijk vervolgd worden voor overdreven alcohol- of druggebruik, wanneer de ademtest of de ademanalyse voor de opsporing van alcohol een resultaat meet dat ten minste gelijk is aan de norm bepaald in artikel 60, § 1, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, of waarvan de drugstest een resultaat meet dat hoger is dan de resultaten, vermeld in artikel 61bis, § 2, 2°, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.

  Art. 290. Het verzamelen van de gegevens die nodig zijn om een adem- of speekseltest uit te voeren, moet zich beperken tot de gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de overtredingen in artikel 15. Deze gegevens kunnen enkel voor tuchtdoeleinden met betrekking tot de bestraffing van deze overtredingen gebruikt worden.

  BOEK 12. - Schorsing in het belang van de dienst

  Art. 291. Het personeelslid kan door de raad als ordemaatregel in zijn ambt worden geschorst in de volgende gevallen :
  1° wanneer het personeelslid het voorwerp uitmaakt van strafrechtelijke vervolgingen;
  2° wanneer het personeelslid het voorwerp uitmaakt van tuchtvervolgingen wegens een zware fout waarbij de betrokkene op heterdaad is betrapt of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn.
  De schorsing wordt door de commandant aan de raad voorgesteld.
  Het personeelslid wordt gehoord door de raad. Het mag worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een persoon naar keuze in elke fase van de procedure. De oproeping vermeldt de feiten die aan de oorsprong van de procedure liggen.

  Art. 292. In afwijking van artikel 184, kan de raad het geschorste personeelslid de mogelijkheid ontnemen om zijn rechten op bevordering en op bevordering in weddeschaal te doen gelden en, voor het beroepspersoneelslid, zijn wedde verminderen.
  De vermindering van de wedde mag niet hoger liggen dan deze, vermeld in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Deze vermindering mag de wedde ook niet terugbrengen tot een bedrag dat lager is dan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop het personeelslid recht zou hebben als het genoot van het socialezekerheidsstelsel van de werknemers.

  Art. 293. Behalve in geval van strafrechtelijke vervolgingen, duurt de schorsing in het belang van de dienst niet langer dan zes maanden.

  Art. 294. Indien geen enkele tuchtsanctie wordt opgelegd binnen de voormelde termijn, worden alle gevolgen van de preventieve schorsing opgeheven.

  Art. 295. In geval van uiterste hoogdringendheid, kan het college onmiddellijk de preventieve schorsing uitspreken.
  De beslissing zal door de raad bevestigd moeten worden volgens de procedure, vermeld in de artikelen 291 tot 293.

  Art. 296. De beslissing waarin de preventieve schorsing wordt uitgesproken, wordt overgemaakt aan de betrokkene, hetzij per ter post aangetekend schrijven, hetzij via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum binnen de vijf werkdagen.

  Art. 297. Binnen de tien werkdagen volgend op de datum van kennisname van de beraadslaging van de raad waarin de preventieve schorsing wordt uitgesproken, overeenkomstig artikel 296, kan het personeelslid een beroep indienen bij een federale onafhankelijke beroepskamer, paritair samengesteld binnen de FOD Binnenlandse Zaken, overeenkomstig de artikelen 171 tot 173.

  BOEK 13. - Verzekering van het vrijwilligerspersoneel

  Art. 298. Het vrijwillig personeelslid geniet ten laste van de zone het recht op herstel van de schade die volgt uit de ongevallen die kunnen voorvallen tijdens en ter oorzake van zijn functies en uit de ongevallen die zich kunnen voordoen op de weg naar de post of bij terugkeer naar zijn woning of de plaats waar hij werkt. De zone sluit hiertoe een gemeenrechtelijke verzekeringspolis af bij een erkende verzekeringsmaatschappij voor arbeidsongevallen.
  De ongevallen, vermeld in het eerste lid, moeten begrepen worden als de ongevallen bepaald in artikel 2 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector.
  Onder herstel van de schade, vermeld in het eerste lid, moet begrepen worden het herstel van de schade, vermeld in de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector en in het koninklijk besluit van 13 juli 1970 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van sommige personeelsleden van overheidsdiensten of overheidsinstellingen van de lokale sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk.
  Die polis waarborgt het vrijwillig personeelslid een schadeloosstelling van ten minste gelijke waarde als verschuldigd zou zijn indien op hem toepasselijk waren de bepalingen van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector en van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van sommige personeelsleden van overheidsdiensten of overheidsinstellingen van de lokale sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk.
  De administratieve procedure verloopt conform de artikelen 6 tot en met 16 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, met dien verstande dat de zone beroep doet op een geneeskundige dienst naar keuze.
  Het vrijwillig personeelslid heeft evenwel het recht de schadeloosstelling te laten verzekeren op basis van zijn reëel beroepsinkomen, beperkt tot maximum 123.946,76 euro. Hij dient daartoe jaarlijks een met bewijsstukken gestaafde aangifte te doen bij de raad tegen ontvangstbewijs.
  De werkgever(s) en de verzekeringsinstelling waarbij de getroffene is aangesloten of waar hij is ingeschreven overeenkomstig de wetgeving inzake de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, zijn gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer voor wat betreft de vergoedingen die zij op wettelijke of statutaire basis dienen uit te keren.
  Die polis dekt de burgerlijke aansprakelijkheid van de zone en wordt gesloten voor een bedrag van ten minste 1.487.361 euro per getroffene.
  De stagiair-vrijwilliger wordt bij zijn indiensttreding in kennis gesteld van de bepalingen van de door de raad afgesloten arbeidsongevallenverzekering.
  Elke wijziging in de bepalingen van deze polis wordt onmiddellijk aan alle personeelsleden meegedeeld.

  Art. 299. Het vrijwillig personeelslid geniet ten laste van de zone het recht op een bijkomende verzekering, afgesloten bij een erkende verzekeringsmaatschappij, die de betaling dekt van een schadevergoeding van minimum 12.394,68 euro aan de rechthebbenden in geval van overlijden tijdens de dienst of als gevolg van tijdens de dienst opgelopen verwondingen of ziekten. Dit bedrag wordt aan de schommelingen van de index der consumptieprijzen gekoppeld overeenkomstig de regelen voorgeschreven bij de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Het bedrag wordt aan de spilindex 117,27 gekoppeld.
  De stagiair-vrijwilliger wordt bij zijn indiensttreding in kennis gesteld van de bepalingen van de door de raad afgesloten overlijdensverzekering.
  Elke wijziging in de bepalingen van de overlijdensverzekering wordt onmiddellijk aan de vrijwillige personeelsleden meegedeeld.

  BOEK 14. - De beëindiging van een ambt

  Art. 300. Het ambt van de beroepspersoneelsleden eindigt :
  1° door ontslag wegens negatieve evaluatie tijdens de aanwervingsstage;
  2° door ontslag van ambtswege krachtens artikel 302;
  3° door afzetting;
  4° door vrijwillig ontslag;
  5° door eervol ontslag, vermeld in artikel 304;
  6° wanneer de betrokkene definitief ongeschikt is om zijn functies te vervullen als vermeld in artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel en niet kan wedertewerkgesteld worden als vermeld in artikel 117;
  7° in geval van overlijden.

  Art. 301. Het ambt van de vrijwillige personeelsleden eindigt :
  1° door ontslag wegens negatieve evaluatie tijdens de aanwervingsstage;
  2° door ontslag van ambtswege krachtens artikel 302 of wanneer het vrijwillig personeelslid zijn functies niet opnieuw opneemt na de periode van schorsing, vermeld in artikel 246;
  3° door afzetting;
  4° door vrijwillig ontslag;
  5° door eervol ontslag, vermeld in artikel 304;
  6° in geval van niet vernieuwing van de benoeming;
  7° in geval van overlijden.

  Art. 302.Het ontslag van ambtswege wordt uitgesproken door de raad wanneer het personeelslid :
  1° niet langer aan een aanwervingsvoorwaarde voldoet die vastgelegd is in de artikelen 37 en 38 [of een benoemingsvoorwaarde als vermeld in artikel 36, vierde en vijfde lid] of een benoemingsvoorwaarde als vermeld in artikel 41 voor zover deze benoemingsvoorwaarde nog steeds noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie; <Erratum, B.St. 22-01-2015, p. 5311>
  2° de bepalingen betreffende de onverenigbaarheden of cumulatie overtreedt;
  3° twee " onvoldoende " vermeldingen krijgt in een periode van drie jaar;
  4° afwezig is zonder toelating of zonder geldige reden gedurende meer dan zesenzeventig prestatie-uren;
  5° afwezig is zonder toelating of zonder geldige reden gedurende meer dan vijf dagen na de onderbreking van een verlof voor opdracht van algemeen belang;
  6° [1 niet het volledige jaarlijkse aantal uren voortgezette opleiding bedoeld in artikel 150, § 1, eerste lid, volgt;]1
  [1 7° na twee deelnames niet geslaagd is voor het examen betreffende module 5 van brevet BO1 of module 7 van deel 1 van brevet OFF2 via aanwerving behalve in geval van overmacht, beoordeeld door de directeur van het opleidingcentrum.]1
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 6°, hoort de commandant of zijn afgevaardigde het personeelslid. Enkel overmacht kan de niet-naleving van de bepalingen bedoeld in artikel 150, eerste lid, rechtvaardigen.
  De raad spreekt eveneens het ambtshalve ontslag uit :
  1° van het personeelslid wiens benoeming niet regelmatig is, op voorwaarde dat, met uitzondering van bedrog of list, deze onregelmatigheid door de aanstellende overheid vastgesteld werd binnen de termijn bepaald voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State, of tijdens de procedure, wanneer dergelijk beroep ingesteld is;
  2° van het personeelslid dat zich in een geval bevindt waarin de toepassing van de burgerlijke en strafwetten de beëindiging van het ambt tot gevolg hebben.
  Het ontslag van ambtswege kan eveneens uitgesproken worden door de raad als tuchtsanctie.
  [Het beroepspersoneelslid] dat ambtshalve ontslagen werd geniet een beëindigingsvergoeding gelijk aan drie keer de gemiddelde maandelijkse bezoldiging van de twaalf laatste maanden. De diverse premies en toelagen worden niet in rekening gebracht voor berekening van de beëindigingsvergoeding. <Erratum, B.St. 22-01-2015, p. 5311>
  ----------
  (1)<KB 2015-11-18/16, art. 77, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 303.§ 1. Het vrijwillig ontslag kan op elk moment gegeven worden, door het personeelslid, mits een vooropzeg van dertig dagen die ingaat vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het ontslag betekend werd aan de raad met een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum. De duur van de vooropzeg kan verminderd worden in onderling overleg.
  § 2. Het beroepspersoneelslid dat vrijwillig ontslag neemt, kan vragen om [1 benoemd]1 te worden als vrijwillig personeelslid in dezelfde graad. De raad doet uitspraak over dit verzoek, op advies van de commandant.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 42, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 304.Het eervol ontslag wordt ambtshalve verleend door de raad :
  1° aan het beroepspersoneelslid (in het begin) van de maand waarin het op pensioen gaat; <Erratum, B.St. 22-01-2015, p. 5311>
  2° aan het beroepspersoneelslid op het einde van de maand waarin het de leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt;
  3° aan het vrijwillige personeelslid op het einde van de maand waarin het de leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt.
  In afwijking van het eerste lid, 2° en 3°, kan de raad, op aanvraag van het personeelslid en na advies van de commandant, het personeelslid toelaten in dienst te blijven na het bereiken van de leeftijdsgrens.
  De raad kent de verlenging toe voor de maximale duur van één jaar, telkens verlengbaar met ten hoogste één jaar.
  Het personeelslid moet slagen in een cardiorespiratoire test, uitgevoerd door een specialist aangeduid door de arbeidsgeneesheer.

  Art. 305.Het eervol ontslag uit zijn ambt kan worden verleend aan het personeelslid, op zijn vraag :
  1° dat ten minste twintig jaar dienst telt;
  2° dat van ambtswege ontslagen is ingevolge een ongeval tijdens de dienst of door het feit van de dienst.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 43, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>

  Art. 305/1. [1 Aan het personeelslid dat eervol uit zijn ambt ontslagen wordt, kan de eretitel van zijn graad worden verleend.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-05-09/03, art. 44, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>
  

  BOEK 15. - Bepalingen tot vastelling van de algemene beginselen van toepassing op de operationele personeelsleden van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp

  Art. 306.§ 1. Overeenkomstig artikel 17, § 1, 7°, van de wet van 15 mei 2007, vormen de volgende bepalingen van dit statuut de algemene beginselen van toepassing op de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp :
  - Boek 1 : de artikelen 1 en 7;
  - Boek 2 : de artikelen 14 en 18 tot 20;
  - Boek 3 : de artikelen 21 tot 26, 32 en 33;
  - Boek 5, titel 2 : de artikelen 67 tot 71, 75, 76, 77, eerste en derde lid, 78 tot 86;
  - Boek 5, titel 3 : de artikelen 89, 90, 91, eerste lid, 92 tot 98, 99, eerste en derde lid, 100 tot 107, 108, eerste lid, en 109;
  - Boek 5, titel 4 : de artikelen 110 tot 114;
  - Boek 6 : het volledige boek;
  - Boek 15 : het volledige boek;
  - Boek 17 : het volledige boek.
  § 2. De inhoud van de artikelen 5, 87, 88 en 308 van dit statuut, evenals deze van de boeken 4 en 5, titel 1, maken het voorwerp uit van een samenwerkingsakkoord tussen de federale staat en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  § 3. De artikelen 15 en 280 tot 290 van dit statuut zijn toepasselijk op [Brusselse Hoofdstedelijke dienst voor brandbestrijding en dringende medische hulpverlening]. <Erratum, B. St. 22-01-2015, p.5311>

  Art. 307. Voor de toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 306, worden de aan de commandant, aan de raad, aan het college of aan de voorzitter toegekende bevoegdheden uitgeoefend door de bevoegde organen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

  BOEK 16. - Overgangsbepalingen

  Art. 308. § 1. Bij de overdracht naar de zone :
  1° behoudt de brandweerman de graad van brandweerman;
  2° behoudt de korporaal de graad van korporaal;
  3° behoudt de sergeant de graad van sergeant;
  4° behoudt de adjudant de graad van adjudant;
  5° onverminderd de specifieke integratieregels vermeld in de tabel in bijlage 3, krijgen de onderluitenant en de luitenant de graad van luitenant;
  6° onverminderd de specifieke integratieregels vermeld in de tabel in bijlage 3, krijgt de kapitein de graad van kapitein toegekend;
  7° onverminderd de specifieke integratieregels vermeld in de tabel in bijlage 3, krijgt de majoor de graad van majoor toegekend;
  8° onverminderd de specifieke integratieregels vermeld in de tabel in bijlage 3, krijgt de kapitein-commandant die geen dienstchef is ook de graad van majoor toegekend;
  9° de luitenant-kolonel krijgt de graad van kolonel toegekend.
  § 2. Het personeelslid op wie meerdere specifieke integratieregels vermeld in de tabel in bijlage 3 van toepassing kunnen zijn, krijgt de regel die de hoogste graad toekent, toegekend.
  § 3. De personeelsleden die houder zijn van de graad van eerste sergeant, sergeant-majoor en opperadjudant in een openbare brandweerdienst op het ogenblik van de overdracht naar het operationele kader van de zone, behouden hun graad ten persoonlijke titel binnen de zone.

  Art. 309. Wanneer in dit besluit melding wordt gemaakt van dienstanciënniteit of graadanciënniteit, wordt eveneens bedoeld de anciënniteit verworven als operationeel lid van een openbare brandweerdienst.

  Art. 310. De raad kan toestaan dat een personeelslid de functie van brandweerman blijft uitoefenen terwijl hij lid is van een politiedienst die deel uitmaakt van de openbare macht, vermeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. Deze afwijking op artikel 22, 2°, van dit besluit, wordt toegestaan aan het personeelslid in functie voor 1 april 1999 indien dit nodig is om de continuïteit van de dienst te verzekeren.

  Art. 311. Het beroepslid dat een andere beroepsactiviteit uitoefent in de zin van artikel 26, moet zijn cumulatieaanvraag binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van zijn overdracht naar de zone, indienen.

  Art. 312.Vanaf de overdracht naar de zone, worden de geslaagde kandidaten die opgenomen zijn in een wervingsreserve voor brandweerman gevormd door de aan de zone toebehorende gemeenten, geacht houder te zijn van een federaal geschiktheidsattest voor het basiskader, vermeld in artikel 35.
  Vanaf de overdracht naar de zone, worden de geslaagde kandidaten die opgenomen zijn in een wervingsreserve voor onderluitenant gevormd door de aan de zone toebehorende gemeenten, geacht houder te zijn van een federaal geschiktheidsattest voor het hoger kader, vermeld in artikel 35.
  [1 In afwijking van artikel 38 kan de geslaagde kandidaat bedoeld in het tweede lid, die geen houder is van een diploma van niveau A, door de zone aangeworven worden in de graad van luitenant.
   Tijdens de stage bedoeld in titel 2 van boek 4 volgt deze stagiair de opleidingen tot het behalen van de brevetten B01, B02, M01, M02 en OFF1.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 45, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015; 01-01-2016>

  Art. 313.Vanaf de overdracht naar de zone, kan de raad beslissen de binnen zijn zone op het niveau van de gemeenten lopende aanwervingsprocedures verder te zetten. In dat geval wordt de in het organieke reglement bepaalde procedure van de aanwervende gemeente verder toegepast.
  [1 In afwijking van artikel 38 kan de kandidaat-onderluitenant, die geen houder is van een diploma van niveau A, door de zone aangeworven worden in de graad van luitenant.
   Tijdens de stage bedoeld in titel 2 van boek 4 volgt deze stagiair de opleidingen tot het behalen van de brevetten B01, B02, M01, M02 en OFF1.]1
  Wanneer de raad, in afwijking van het eerste lid, beslist de lopende aanwervingsprocedures niet verder te zetten, worden deze procedures stopgezet en is boek 4 van dit besluit van toepassing.
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 46, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015; 01-01-2016>

  Art. 314.[1 Vanaf de overdracht naar de zone worden de binnen de zone op het niveau van de gemeenten lopende periodes van aanwervingsstage verdergezet overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren vóór de overdracht, met dien verstande dat de rol van evaluator uitgevoerd wordt door de stagebegeleider aangeduid door de commandant.
   In afwijking van artikel 38 kan de luitenant die geen houder is van een diploma van niveau A op het einde van zijn stage benoemd worden tot luitenant.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-05-09/03, art. 47, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015; 01-01-2016>

  Art. 315. Bij de overdracht naar de zone, kan de raad beslissen om de door een gemeente van zijn zone opgestarte bevorderingsprocedure verder te zetten. In dat geval zijn de procedureregels vastgelegd in het organieke reglement van de gemeente betreffende de bevorderingsprocedure van toepassing. De raad bepaalt desgevallend de samenstelling van een nieuwe examencommissie overeenkomstig de regels, vermeld in artikel 57, § 1, derde tot vijfde lid.
  In afwijking van het eerste lid kan de raad beslissen om de door een gemeente van zijn zone opgestarte bevorderingsprocedure niet verder te zetten en te beëindigen.

  Art. 316.De bepalingen van hoofdstuk 3, titel 1, van boek 5 van dit besluit zijn van toepassing op de bevorderingsprocedures die vóór de overdracht naar de zone ingezet werden met het oog op het verkrijgen van de graad van sergeant en van de graad van (onderluitenant). <Erratum, B.St. 22-01-2015, p. 5311>

  Art. 317.De [1 evaluatievoorwaarde "voldoende", "goed" of "zeer goed"]1, vermeld in de artikelen 56, 70, 87 en 92, is slechts van toepassing na het einde van de eerste evaluatieperiode gevoerd krachtens dit besluit.
  ----------
  (1)<KB 2016-10-08/06, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 04-12-2016>

  Art. 318.[1 De eerste evaluatieperiode, die start met het eerste functiegesprek, begint ten laatste [2 drie jaar]2 na de datum van de overdracht naar de zone.
   De zoneraad bepaalt de startdatum van de eerste evaluatieperiode.
   Tot op het moment van het functiegesprek bedoeld in het eerste lid, blijven de evaluatieregels die van toepassing zijn voor het personeel van de brandweerdienst van toepassing op de personeelsleden van de zone waarvan de laatste evaluatie voor de datum van de overdracht naar de zone niet voldoende was.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-18/16, art. 78, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<KB 2016-10-08/06, art. 9, 005; Inwerkingtreding : 04-12-2016>

  Art. 319. De overuren die het operationeel lid van een openbare brandweerdienst nog niet had gerecupereerd bij de overdracht naar de zone, kunnen overgedragen worden ten belope van zeventig uren.

  Art. 320. Het aantal vakantieverlofdagen waarop het beroepslid recht heeft in toepassing van de bepalingen van artikel 195 wordt in evenredige mate verminderd in het geval van een overdracht naar de zone in de loop van het jaar. Dit aantal vakantieverlofdagen wordt, daarenboven, verhoogd of verlaagd met het saldo van het jaarlijks verlof waarover hij beschikte voor de periode van het lopende jaar dat hij prestaties geleverd heeft als lid van het operationeel personeel van een openbare brandweerdienst.

  Art. 321. De dagen jaarlijks vakantieverlof van het jaar voorafgaand aan de datum van de overdracht naar de zone die nog niet opgenomen werden op die datum, mogen overgedragen worden tot 31 december van het jaar waarin de datum van de overdracht valt.

  Art. 322. § 1. Het beroepspersoneelslid kan ten persoonlijke titel zijn huidig verlofstelsel conform het gemeentelijk statuut dat op hem van toepassing is op 31 december 2014, behouden.
  Het verlofstelsel omvat het aantal dagen jaarlijks verlof, het aantal feestdagen, de eventuele aanvullende dagen en de leeftijdsgebonden verhoging van de dagen jaarlijks verlof.
  Onder het aantal dagen jaarlijkse vakantieverlof, vermeld in het eerste lid, worden niet begrepen de compensatiedagen toegekend aan het beroepspersoneelslid om zich in regel te stellen met het arbeidsuurrooster.
  § 2. Het uitzonderlijk verlof, vermeld in artikel 207, 2°, kan niet worden toegekend aan het beroepspersoneelslid waarop de maatregel, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt toegepast indien dit uitzonderlijk verlof begrepen is in de dagen jaarlijks vakantieverlof, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.

  Art. 323. Een eventuele verlenging van de in boek 9 van dit besluit vermelde verloven en afwezigheden gebeurt overeenkomstig de voorwaarden en de modaliteiten van dit besluit.

  Art. 324. De personeelsleden die, op de datum van de overdracht naar de zone een verlof genieten dat niet opgenomen is in boek 9 van dit besluit, blijven voor de duur ervan en met betrekking tot hun administratieve toestand onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren vóór de datum van deze overdracht.

  Art. 325. Bij de overdracht naar de zone moet onder het aantal ziektedagen, vermeld in artikel 223, eerste lid, worden verstaan, het gecumuleerde aantal ziektedagen verkregen bij een openbare brandweerdienst; dit aantal mag niet meer bedragen dan eenentwintig dagen per jaar verminderd met het aantal reeds genomen ziektedagen.

  Art. 326. De personeelsleden die op de datum van de overdracht naar de zone een verlof voorafgaand aan de pensionering genieten, blijven voor de duur hiervan en wat hun administratieve stand betreft, onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren vóór van deze overdracht.

  Art. 327. De personeelsleden die op de datum van de overdracht naar de zone beschikken over een door hun gemeente goedgekeurde aanvraag voor verlof voorafgaand aan het pensioen, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 3 juni 1999 betreffende de invoering van de mogelijkheid van een verlof voorafgaand aan de pensionering voor de operationele beroepspersoneelsleden van een openbaar brandweerkorps, kunnen het recht op dit verlof uitoefenen na hun overdracht overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 3 juni 1999.
  Het wachtgeld wordt berekend op basis van het geldelijk statuut dat op het personeelslid van toepassing was vóór de overdracht naar de zone.

  Art. 328. Gedurende een periode van zes maanden vanaf de overdracht naar de zone, kan de bekendmaking van de vacante betrekking, vermeld in artikel 36 en 54, op de website van de zone vervangen worden door enkel de aanplakking van de vacante betrekking in de posten van de zone.

  Art. 329. De tuchtprocedures die hangende zijn bij de overdracht naar de zone worden verdergezet in overeenstemming met de bepalingen die van toepassing waren voor deze overdracht.

  Art. 330. Bij de overdracht naar de zone, is de zone belast met het toepassen van de tuchtmaatregel die werd uitgesproken door de gemeentelijke overheid.

  Art. 331. Voor de vrijwillige officieren overgedragen naar de zone, begint de duur van de benoeming van zes jaar, vermeld in artikel 51, derde lid, op de datum van deze overdracht.
  Voor de vrijwillige onderofficieren, korporaals en brandweermannen overgedragen naar de zone, heeft de eerste duurtijd van de benoeming betrekking op de resterende duur van hun benoeming als lid van een openbare brandweerdienst.

  Art. 332. De officier-geneesheer evenals de monitor lichamelijke opvoeding, in dienst op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit, kan de eretitel van zijn graad blijven dragen.

  Art. 333. Zolang het samenwerkingsakkoord betreffende de materies vermeld in artikel 306, § 2, niet in werking getreden is, blijft de inhoud van de artikelen 5, 87, 88 en 308, evenals deze van de boeken 4 en 5, titel 1, geregeld door de besluiten van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  Voor zover het samenwerkingsakkoord, vermeld in artikel 306, § 2, niet in werking getreden is, zijn de titels 2 en 3 van boek 5 niet van toepassing op de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp.

  BOEK 17. - Slotbepalingen

  Art. 334. De evaluatie van de uitvoering van dit besluit en zijn financiële impact wordt binnen de twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit uitgevoerd door de begeleidingscommissie voor de hervorming van de civiele veiligheid, vermeld in artikel 16 van de wet van 15 mei 2007.

  Art. 335. § 1. Worden opgeheven :
  1° het koninklijk besluit van 8 november 1967 houdende, voor de vredestijd, organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke brandweerdiensten en coördinatie van de hulpverlening ingeval van brand;
  2° het koninklijk besluit van 6 mei 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementeringen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten;
  3° het koninklijk besluit van 19 april 1999 tot vaststelling van de geschiktheids- en bekwaamheidscriteria alsmede van de benoembaarheids- en bevorderingsvoorwaarden voor de officieren van de openbare brandweerdiensten;
  4° het koninklijk besluit van 3 juni 1999 betreffende de invoering van de mogelijkheid van een verlof voorafgaand aan de pensionering voor de operationele beroepspersoneelsleden van een openbaar brandweerkorps.
  § 2. Het koninklijk besluit vermeld in de eerste paragraaf, 4° blijft van kracht ten opzichte van de personeelsleden die zich bevinden in een situatie vermeld in de artikelen 326 en 327, zo lang deze situatie aanhoudt.
  § 3. Zolang het samenwerkingsakkoord bedoeld in artikel 306, § 2, niet in werking is getreden, blijft het koninklijk besluit bedoeld in de eerste paragraaf, 3°, van toepassing op de operationele personeelsleden van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp.
  § 4. De koninklijke besluiten vermeld in de paragraaf 1, 1° tot 4°, blijven van kracht ten opzichte van de personeelsleden van de brandweerdiensten gelegen op het grondgebied van een prezone vermeld in artikel 336, tweede lid.

  Art. 336. Treden in werking op 1 januari 2015 :
  1° de artikelen 17, 106, 106/1 en 208 van de wet van 15 mei 2007;
  2° dit besluit.
  In afwijking van het eerste lid treedt dit besluit, voor de prezones vermeld in artikel 220, § 1, tweede lid, van de wet van 15 mei 2007, in werking op de datum bepaald door de raad waarop de brandweerdienst in de zone geïntegreerd wordt, en ten laatste op 1 januari 2016.

  Art. 337. De minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N.Bijlagen 1 tot en met 4.
  (Bijlagen niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 01-10-2014, p. 77567-77576)
  
  Bijlage 1 gewijzigd door:
  <KB 2015-11-18/16, art. 79, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  
  Bijlage 3 gewijzigd door:
  <KB 2016-05-09/03, art. 48, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2016>
  
  Bijlage 4 toegevoegd door:
  <KB 2016-10-08/06, art. 10, 005; Inwerkingtreding : 04-12-2016>

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 19 april 2014.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Mevr. J. MILQUET

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 15 mei 2007 betreffende de Civiele veiligheid, de artikelen 17, § 1, 7°, 106, 106/1, 208 en 224, tweede lid;
   Gelet op de betrokkenheid van de gewesten;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 5 en 6 december 2013 en op 19 februari 2014;
   Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 12 december 2013 en op 19 februari 2014;
   Gelet op het protocol van onderhandelingen 2014/03 en 2014/05 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, gesloten op 20 januari 2014 en op 3 april 2014;
   Gelet op advies 55.165/2 van de Raad van State, gegeven op 6 februari 2014, en advies 55.523/2, gegeven op 26 maart 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Overwegende dat, wat betreft de bepalingen met een facultatief karakter bepaald in dit besluit, de kost verbonden aan de eventuele uitvoering ervan door de zone geen meerkost uitmaakt van de hervorming van de civiele veiligheid en deze kost valt dus niet onder de toepassing van artikel 67, tweede lid van de wet van 15 mei 2007;
   Op de voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Errata Tekst Begin

BEELD
2015000243
PUBLICATIE :
2015-05-11
bladzijde : 25411

Erratum


BEELD
2015000681
PUBLICATIE :
2015-11-24
bladzijde : 70161

Erratum


Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-10-2016 GEPUBL. OP 24-11-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 56; 70; 87; 92; 161; 162; 163; 317; 318; N4)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-10-2016 GEPUBL. OP 13-10-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 171; 173; 173/1-173/10)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-05-2016 GEPUBL. OP 23-05-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 35; 35/1; 36; 37; 38; 39; 49; 55; 57; 65; 69; 70; 71; 82; 86; 90; 92; 93; 99; 104; 107; 108; 117; 146; 151; 180; 195; 198; 239/1-239/5; 246; 248; 257; 258; 264; 265; 265/1; 266; 267; 267/1; 269; 278; 303; 305; 305/1; 312; 313; 314; N)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-11-2015 GEPUBL. OP 07-12-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 35; 56; 57; 92; 150; 302; 318; N)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       Het ontwerp van besluit waarvan ik de eer heb het ter ondertekening aan Uwe Majesteit voor te leggen beoogt de uitvoering de artikelen 17, § 1, 7°, 106, 106/1, 208 en 224, tweede lid, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid.
       Het ontwerp strekt ertoe het administratief statuut van de beroeps- en vrijwillige brandweerlieden van de hulpverleningszones te bepalen en vormt een fundamenteel element van de hervorming van de brandweerdiensten gelanceerd in 2007.
       Eén van de doelstellingen van de hervorming van de openbare hulpdiensten, waarvan de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid de grondslag vormt, bestaat in een grotere uniformering van het statuut dat van toepassing is op de beroeps- en vrijwillige brandweerlieden.
       De opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad werden grotendeels gevolgd en geïntegreerd in het ontwerp. Indien dit niet het geval was, bevindt zich een gedetailleerde verklaring in de commentaren van de artikelen.
       Wat de formaliteit van het betrekken van de gewesten betreft, werden op 26 november 2013 en 13 januari 2014 brieven uitgewisseld met het Vlaams Gewest, op 26 november 2013 en 24 januari 2014 met het Waals Gewest en op 26 november 2013 en 24 januari 2014 met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Bovendien hebben vertegenwoordigers van deze gewesten deelgenomen aan de vergaderingen van 17, 18 en 19 december 2013 en 15 januari 2014.
       Wat meer in het bijzonder het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, hebben specifieke vergaderingen om het gewest te betrekken plaatsgevonden op 6 januari 2014 en 11 februari 2014. Er waren diverse informele contacten tussen de twee bevoegde ministers.
       De specifieke bepalingen met betrekking tot het mandaat van zonecommandant zijn in het koninklijk besluit van 26 maart 2014 tot vaststelling van het functieprofiel van de commandant van een hulpverleningszone en van de nadere bepalingen voor zijn selectie en zijn evaluatie gebleven, omwille van de leesbaarheid van deze tekst en om de bepalingen met betrekking tot de aanduiding en de evaluatie van de zonecommandant in één enkele tekst te verzamelen.
       Artikel 2, § 2
       De rechtspositie van het vrijwillig personeelslid wordt eenzijdig geregeld door dit besluit.
       Het vrijwillig personeelslid bevindt zich in een statutaire situatie. Hij wordt niet benoemd in vast dienstverband. De wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers zijn niet op hem van toepassing.
       De rechtspositie van een vrijwillig brandweerman is sui generis. Omwille van de specifieke rol die zij vervullen in de organisatie van de zones, m.n. het feit dat zij enkel prestaties leveren wanneer ze opgeroepen worden door de zone voor interventies, worden sommige rechten wel en andere niet toegekend.
       De vrijwillige brandweerlieden hebben de mogelijkheid om de uren waarop ze al dan niet beschikbaar zijn in real time mee te delen. Deze soepelheid in de mogelijkheid om zich beschikbaar te maken is een element dat het mogelijk maakt om de naleving van het vrijwillige karakter van de burgerbetrokkenheid van deze brandweerlieden te garanderen.
       Omdat het niet gaat over een voltijdse, noch een vaste benoeming, en de vrijwillig brandweerman zelf over zijn beschikbaarheid beschikt - hij heeft immers nog een hoofdactiviteit- binnen de grenzen bepaald door het statuut, worden bepaalde rechten niet voorzien, zoals verloven, wedertewerkstelling en een specifieke eindeloopbaanregeling. Tegelijk geniet de vrijwillig brandweerman wel een fiscale vrijstelling (art. 36, 12° WIB) en een vrijstelling inzake sociale zekerheidsbijdragen (artikel 17quater KB 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders), om zijn engagement ten dienste van de maatschappij te belonen, waarop de beroepsbrandweerlieden dan weer geen recht hebben.
       Daarom werd besloten om uitdrukkelijk in de tekst te behouden dat de vrijwillige brandweerlieden zich in een sui generis statutaire situatie bevinden. Het is immers belangrijk te benadrukken dat hun statutaire relatie andere gevolgen heeft dan de gevolgen van een gewone statutaire relatie, zoals die van de beroepsbrandweerman.
       Artikel 3
       De prioriteitenvolgorde van de procedures om een vacante betrekking in te vullen, worden niet bepaald in dit statuut. Het komt aan de zoneraad toe om te beoordelen wanneer een betrekking moet ingevuld worden door aanwerving, door bevordering, door mobiliteit of door professionalisering. De raad kan immers het beste beoordelen welke procedure in aanmerking komt voor de invulling van een specifiek profiel.
       Hierover anders beslissen zou leiden tot praktische situaties die niet wenselijk zijn. Indien de rekrutering door dit besluit als prioriteit wordt bepaald, is het zeer waarschijnlijk dat er slechts weinig bevorderingen zullen zijn en geen mobiliteit. Indien de bevordering door dit besluit als prioriteit wordt bepaald, is het zeer waarschijnlijk dat in het hoger kader weinig rekruteringen zullen plaatsvinden.
       Het is niet onredelijk te oordelen dat de hulpverleningszone, als werkgever, haar eigen beleid inzake menselijke middelen mag definiëren.
       Bovendien wordt in de huidige federale reglementeringen die van toepassing zijn op de brandweerdiensten eveneens de vrije keuze gelaten aan de gemeente, zonder dat dit problemen heeft veroorzaakt.
       Artikel 14
       Het voorstel van formulering van de Raad van State werd niet volledig gevolgd omdat de opleidingsuren geen periodes van afwezigheid zijn, maar wel van dienstactiviteit.
       Artikel 20
       De reden waarom de verplichte verlenging gedurende een opdracht niet ook toegepast wordt op vrijwilligers is dat de vrijwillige brandweer niet in een vaste uurregeling presteert (b.v. van 7 u. 00 tot 19 u. 00). Hij komt wanneer hij opgeroepen wordt om een interventie uit te voeren en er is geen eventuele overschrijding van zijn uurregeling in zijn geval.
       Bij vrijwilligers zijn echter ook overschrijdingen mogelijk van de dagelijkse of wekelijkse diensttijd. Bijvoorbeeld als op het einde van een wacht in de kazerne nog een oproep binnenkomt waardoor men meer dan 24 uren zal moeten presteren.
       Het begrip " grootschalige interventie, met name een interventie te wijten aan een onvoorzienbare gebeurtenis " beoogt, bijvoorbeeld, de rampen die zich hebben voorgedaan in Ghislenghien of in Wetteren. Deze grote rampen zijn onvoorzienbaar en spoedeisend gebleken en hebben bijgevolg oproepingen vereist om de veiligheid van de bevolking te kunnen verzekeren. Ik verwijs ook naar de uitleg die gegeven werd voor artikel 176.
       Artikel 39, zesde lid
       Ingeval de stagiair op de dag van de indiensttreding al houder is van het brevet bedoeld in het derde lid van artikel 39, duurt de stage één jaar.
       Artikel 40, § 2
       De vraag van de Raad van State om "de periodes van afwezigheid, gerechtvaardigd door de deelname aan verplichte opleidingsactiviteiten" toe te voegen als 5°, wordt niet gevolgd. Opleidingsactiviteiten zijn immers per definitie dienstactiviteit en geen afwezigheid. Ze komen per definitie dus niet in aanmerking voor de berekening van de tien werkdagen, vermeld in het eerste lid.
       Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor de artikelen 59, 74 en 96.
       Artikel 53
       Zoals al eerder uitgelegd (cfr. artikel 3), dient de zoneraad te bepalen wanneer een betrekking wordt ingevuld via bevordering of via aanwerving.
       Artikel 55
       Om de graad van vrijwillig sergeant, luitenant of kapitein te krijgen, wordt de graadanciënniteit van het vrijwillig personeelslid berekend op basis van een jaar anciënniteit voor honderdtachtig prestatie-uren (buiten de wachtdiensten in de kazerne). Voor de toegang tot de andere graden is er geen vereiste van minimaal gepresteerde uren.
       De functies van sergeant, luitenant en kapitein zijn operationele functies inzake beheer/leiding van de interventies waarvoor operationele ervaring bijzonder belangrijk is. Deze bepaling strekt met andere woorden ertoe zich ervan te vergewissen dat het vrijwillig personeelslid voldoende terreinervaring kan aantonen.
       Artikel 56
       Wanneer een graadanciënniteit als sergeant wordt bedoeld, wordt er uiteraard ook rekening gehouden met de graadanciënniteit als eerste sergeant en/of sergeant-majoor.
       Wanneer een graadanciënniteit als adjudant wordt bedoeld, wordt er uiteraard ook rekening gehouden met de graadanciënniteit als opperadjudant.
       Artikel 58, eerste lid
       Een bevorderingsstage is alleen voorzien voor de bevordering naar de graden van sergeant of luitenant, aangezien deze bevorderingen de overgang naar een hoger kader tot gevolg hebben. Deze functies vereisen beide de bekwaamheid om een ploeg te leiden en de bekwaamheid om een interventie te leiden zodat het passend is om dit in de loop van een stage te kunnen laten zien.
       Artikel 88
       Aangezien een stage van 6 maanden gevraagd wordt voor de sergeanten en luitenanten bij de bevordering binnen dezelfde zone, is het billijk om een mobiliteitsstage van 6 maanden te bepalen voor deze twee graden. Voor de andere graden, is er geen bevorderingsstage.
       Artikel 90
       Zoals hierboven uitgelegd (art. 3), wordt de suggestie van de Raad van State om te bepalen van welke procedure de raad als eerste gebruik dient te maken, niet gevolgd.
       In artikel 55 werd verduidelijkt dat artikel 55 van toepassing is, onverminderd de bepalingen van artikel 90. Deze uitleg geldt mutatis mutandis ook voor artikel 107.
       Artikel 90, eerste lid legt het principe vast en het tweede lid laat toe om ervan af te wijken in bijzondere gevallen.
       Artikel 110
       Er wordt niet voorzien in wedertewerkstelling voor de vrijwillige brandweerlieden, omwille van de sui generis aard van hun rechtspositie. Het gaat immers om een nevenactiviteit en niet om de hoofdactiviteit. De sui generis rechtspositie dient de specifieke rol van de vrijwillige brandweerlieden in de organisatie van de brandweerdiensten, in die zin dat zij prestaties leveren indien zij opgeroepen worden (binnen de periode waarin ze zich beschikbaar stellen). De flexibiliteit van dit organisatiesysteem zou verloren gaan wanneer men vrijwillige brandweerlieden die de interventies niet meer kunnen verzekeren, moet wedertewerkstellen.
       Bovendien zou dit ten nadele komen van de kansen van de beroepsbrandweerlieden - voor wie de functie wel hun hoofdactiviteit en dus hun beroepsinkomen uitmaakt -, op wedertewerkstelling in een alternatieve functie, gezien deze functies beperkt zijn. Er werd geopteerd om een dergelijke regeling niet te voorzien voor de vrijwilligers. Dit bestaat evenmin in de huidige reglementering.
       Artikel 111
       Het stelsel van wedertewerkstelling op vrijwillig verzoek is een voordelig stelsel (met een voordelige vergoeding) die gemotiveerd wordt door de belastende aard van het werk. De belastende aard is vooral veroorzaakt door het uitvoeren van het werk gedurende opeenvolgende jaren, als hoofdactiviteit. Het aantal lichtere operationele functies of alternatieve functies is beperkt. Daarom houden de anciënniteitsvoorwaarden enkel rekening met de loopbaanjaren gepresteerd als beroeps met een operationele graad.
       Artikel 111, eerste lid, 2°, b)
       De jaren anciënniteit als lid van het vrijwillig personeel in een operationele graad worden niet in aanmerking genomen aangezien niets een vrijwilliger belemmert om beroepslid te worden in toepassing van de bepalingen met betrekking tot de professionalisering.
       Het stelsel van wedertewerkstelling op vrijwillig verzoek is een voordelig stelsel (met een voordelige vergoeding) die gebaseerd wordt op de belastende aard van het werk. De belastende aard wordt vooral veroorzaakt door het uitvoeren van dit werk gedurende opeenvolgende jaren, als hoofdactiviteit. Het aantal lichtere functies in een zone is beperkt. De anciënniteitsvoorwaarden werden vastgelegd in functie van deze hypothese. Het gaat erom de belastende aard van het werk van de beroepsbrandweerman in aanmerking te nemen.
       Artikel 125
       De leeftijdsgrenzen voor de eindeloopbaanregeling werden bepaald rekening houdend met de leeftijd voor vervroegd pensioen, zoals deze gewijzigd werd door de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen.
       Het stelsel van verlof voorafgaand aan het pensioen geregeld door het koninklijk besluit van 3 juni 1999 liet een verlof voorafgaand aan het pensioen toe van maximum 4 jaar. De leeftijd voor vervroegd pensioen was toen 60 jaar.
       Door het optrekken van de leeftijd voor vervroegd pensioen naar 62 jaar (mits overgangsbepalingen en uitzondering voor lange loopbanen) verschuiven ook de leeftijdsgrenzen voor de eindeloopbaanregeling, die een maximale duur van 4 jaar behoudt om niet strijdig te zijn met de principes van de pensioenhervorming doorgevoerd bij wet van 28 december 2011.
       In het kader van de eindeloopbaan van de brandweerlieden is het echter verantwoord, gezien de belastende aard van het beroep, om al eindeloopbaanmaatregelen te voorzien vanaf de leeftijd van 56 jaar. Daarom werd deze leeftijdsgrens vastgesteld voor de wedertewerkstelling op eigen verzoek zoals bepaald in titel 4 van boek 5. Doordat de personen in dit stelsel aan het werk blijven, worden de principes van de pensioenhervorming gerespecteerd.
       Artikel 125, § 1, 2°
       Men moet ten minste vijftien jaar anciënniteit als lid van het beroepspersoneel in een operationele graad hebben. De eindeloopbaanregeling is een voordelig stelsel (met een voordelige vergoeding) die gebaseerd wordt op de belastende aard van het werk. De belastende aard van het werk wordt vooral veroorzaakt door het uitvoeren van dit werk gedurende opeenvolgende jaren, als hoofdactiviteit. Het aantal lichtere functies in een zone is beperkt. De anciënniteitsvoorwaarden werden vastgelegd in functie van deze hypothese. Het gaat erom de belastende aard van het werk van de beroepsbrandweerman in aanmerking te nemen.
       Artikel 150
       De terminologie gebruikt in het administratief statuut in verband met de voortgezette opleiding is in overeenstemming gebracht met de terminologie in het geldelijk statuut.
       De voortgezette opleiding omvat minimum 24u opleiding per jaar.
       De commandant neemt de nodige maatregelen om deze voortgezette opleiding te voltooien tijdens de diensturen om te zorgen dat de competenties van het personeel in overeenstemming blijven met de functionele noden van de dienst.
       Artikel 155
       Het boek betreffende de evaluatie is niet van toepassing op de zonecommandant en op alle soorten stagiairs (aanwervingsstage, bevorderingsstage, mobiliteitsstage of professionaliseringsstage). Er gelden immers aparte evaluatiesystemen voor deze personeelscategorieën.
       Artikel 174
       De vrijwilligers van de brandweer zijn, ingevolge de interpretatieve bepaling van artikel 186 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen, uitgesloten van het toepassingsgebied van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector.
       In boek 8 worden de beginselen van de Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, gerespecteerd voor wat betreft de vrijwillige personeelsleden van de hulpverleningszones, in overeenstemming met de adviezen van de Europese Commissie.
       Artikel 176, §§ 2 en 3
       Er wordt bepaald dat een arbeidsprestatie 24 uren niet mag overschrijden.
       De absolute grenzen per week en per dag mogen enkel worden overschreden in twee gevallen van overmacht. Deze gevallen van overmacht zijn namelijk de werken om het hoofd te bieden aan een ongeval of de werken die door een onvoorziene noodzakelijkheid worden vereist.
       De draagwijdte van deze afwijkende regel is beperkt, want de criteria voor overmacht moeten evenwel aanwezig zijn: een onvoorzienbare en dringende gebeurtenis die derhalve niet kadert in de gebruikelijke activiteit van de hulpdienst en die niet voortvloeit uit een fout (bijvoorbeeld een slechte arbeidsorganisatie). Alle niet-dringende interventies kunnen dus geen aanleiding geven tot toepassing van dit artikel. Een schouwbrand is bijvoorbeeld wel dringend en onvoorzienbaar, maar is eigenlijk een gebruikelijke activiteit van een hulpdienst. Grote rampen of catastrofen zijn eveneens onvoorzienbaar en dringend, maar kunnen wel de oorzaak zijn dat meer moet gewerkt worden dan 24 uren om de bescherming van de bevolking te kunnen blijven verzekeren.
       Als binnen bovenstaande voorbeeld van een week een ramp voorkomt zoals die van Wetteren, dan kan wel meer dan 24u gewerkt worden. Alle uren die dan boven de 24u gepresteerd worden, moeten dan wel gecompenseerd worden binnen de 14 dagen na de prestatie ervan.
       Artikel 177, § 1
       In het reglement worden de algemene regels vastgelegd die een vrijwilliger moet respecteren inzake zijn beschikbaarheden. Het reglement kan bepalingen bevatten over:
       - welke procedures gebruikt worden voor het aan- en afmelden (b.v. via sms, internet, telefoon,...);
       - welke verschillende statussen mogelijk zijn (b.v. beschikbaar binnen 2, 5, 10 of 30 minuten, beschikbaar voor niet-dringende interventies, onbeschikbaar,...);
       - welke de minimale beschikbare uren zijn per maand of per jaar;
       - welke gevolgen er zijn als iemand zich als beschikbaar had aangemeld, maar toch niet opgedaagd is;
       - hoe het statusmeldingssysteem precies functioneert (b.v. in combinatie met een systeem van ploeg van wacht of niet);
       - hoe ver op voorhand men voorzienbare periodes van onbeschikbaarheid moet melden;
       - hoe men periodes van onvoorzienbare onbeschikbaarheid (b.v. ziekte, ziek kind) moet melden;
       - welke gerechtvaardigde redenen zijn om zich korte tijd niet beschikbaar te stellen (b.v. geboorte van een kind, overlijden van een naaste, huwelijk,...);
       - hoe langere periodes van onbeschikbaarheid kunnen worden opgevangen (b.v. afspraken in verband met omwisselen van wachtdiensten tijdens vakantieperiodes);
       - ...
       Artikel 177, § 2
       Al de algemene regels die in het reglement worden bepaald, worden in de praktijk omgezet tijdens overlegmomenten met de hiërarchie. Er wordt in overleg gezocht naar een passende invulling van eventuele wachtdiensten in de kazerne, het opvangen van periodes van afwezigheid, ... rekening houdend met zowel de behoeften van de dienst als de mogelijkheden van de vrijwilliger. Hoe vaak dergelijke momenten gepland worden kan ook opgenomen worden in het reglement.
       Artikel 179
       De vrijwillige personeelsleden kunnen op alle momenten van de week en van de dag opgeroepen worden. Dit betekent dat ze ook 's nachts hun diensttijd kunnen vervullen.
       Gelet op de specifieke situatie van de vrijwillige personeelsleden, is het niet aangewezen om specifieke beschermende maatregelen te nemen voor nachtwerk, zoals die wel bestaan voor de beroepsleden (b.v. afhankelijk van leeftijd en medische situatie kan gevraagd worden om geen nachtarbeid meer te moeten presteren).
       Een vrijwillig personeelslid dat enkele nachten geen interventies wil uitvoeren, kan zich gewoon niet beschikbaar melden voor die periodes. Iemand die dit systematisch niet meer wil doen, kan in overleg met de hiërarchische meerdere naar de meest geschikte oplossing zoeken, bijvoorbeeld wel nog wachten in de kazerne uitvoeren in het weekend overdag, maar niet meer gedurende de nachturen.
       Artikel 180
       De vrijwillige personeelsleden van de hulpverleningszones hebben recht op minstens een wekelijkse rustperiode van 35 u, naar analogie met artikel 7, § 4, van de wet van 14 december 2000. Dit komt overeen met de zondagsrust die voorzien is voor de werknemers die in dagdienst werken. Voor de vrijwillige personeelsleden valt dit niet noodzakelijk samen met een zondag.
       Artikel 182
       Deze bepaling beoogt alle stagiairs en niet alleen de stagiairs in een wervingsgraad of in geval van professionalisering. Het doel van deze bepaling is om te vermijden dat de stagiair tijdens zijn stage te lang afwezig is omwille van een verlof van lange duur. De stageperiode is immers met name noodzakelijk om het de stagebegeleider mogelijk te maken om zich ervan te vergewissen dat de stagiair alle vereiste vaardigheden en capaciteiten bezit voor de uitoefening van zijn nieuwe functie.
       Artikel 207, 5°
       Om het verlof bedoeld in artikel 207, 5°, te krijgen, kan de bevoegde overheid vragen aan het beroepspersoneelslid om het bewijs van zijn deelname aan de activiteiten in kwestie te leveren. De eerste zin van het eerste lid van artikel 207 voorziet immers dat het beroepspersoneelslid een uitzonderlijk verlof kan krijgen voor de omstandigheden of activiteiten bedoeld door deze bepaling, " waarvan hij het bewijs levert ".
       Artikel 210, § 2
       Er wordt een zekere ruimte voor autonomie gelaten aan de hulpverleningszones inzake de eventuele vergoeding van het beroepspersoneelslid in geval van verlof voor opdracht van algemeen belang. Het doel van deze bepaling is om de leden van de brandweer die momenteel betaald worden door hun gemeenten om dit type opdracht uit te voeren, de mogelijkheid te bieden om verder betaald te blijven worden.
       Artikelen 210 en 233
       Deze vormen van wedertewerkstelling worden niet opgenomen in titel 4 van boek 5 omwille van het feit dat titel 4 specifieke vormen van wedertewerkstelling omvat en in het belang van de leesbaarheid van de tekst.
       Artikel 223
       De Raad van State wijst er in zijn advies op dat het ontwerp van statuut geen gevallen voorziet waarin deeltijdse prestaties zijn toegelaten. Artikel 217, § 2, bepaalt evenwel dat: " Het verlof (voor loopbaanonderbreking) wordt voltijds genomen, met uitzondering van de loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging, voor de hulp aan of de verzorging van een ziek familielid en voor het ouderschapsverlof. "
       Artikel 229
       Volgens de Raad van State zou men, naar analogie van artikel 48bis van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, een bepaling moeten toevoegen waarin bepaald wordt dat het personeelslid jaarlijks het overzicht krijgt van het saldo van het verlof waarop artikel 223 van het ontwerp hem recht geeft en de modaliteiten volgens dewelke het personeelslid dit saldo kan betwisten.
       Deze maatregel zou als gevolg hebben dat de zones op administratief vlak overbelast zouden worden, zonder dat hieruit een echte meerwaarde zou voortvloeien en lijkt ons dus niet noodzakelijk.
       Artikel 235
       Op de vraag van de Raad van State, waarom er geen beroep wordt gedaan op het bestuur voor medische expertise, dat geregeld wordt door het organieke koninklijk besluit van 1 december 2013, wordt geantwoord dat de zonale autonomie ons geschikter lijkt om vrij het medisch bestuur te bepalen bij hetwelk zij zich wenst aan te sluiten.
       Artikel 246
       Zoals al eerder werd uitgelegd (cfr. artikel 2), beschikken de leden van het vrijwillig personeel over een specifiek statuut binnen hetwelk zij zelf hun beschikbare uren bepalen. Het lijkt derhalve normaal dat zij niet dezelfde verlofregeling genieten als de beroepspersoneelsleden.
       Gezien het feit dat de vrijwillig brandweerman, binnen de grenzen bepaald in dit statuut, zelf zijn beschikbaarheden bepaalt en geen vast arbeidsrooster heeft, is er geen nood aan al de bestaande vormen van verlof en afwezigheid, zoals deze wel bepaald zijn voor de beroepspersoneelsleden, die immers als hoofdberoep tewerkgesteld zijn in een vast arbeidsrooster.
       De bepaling heeft als doel om de vrijwillige brandweerlieden een mogelijkheid tot onderbreking te bieden, zonder dat zij ambtshalve ontslagen worden of ontslag moeten nemen en opnieuw aangeworven moeten worden (in de aanwervingsgraad) zodra zij zich opnieuw willen aanbieden als vrijwillig brandweerman. Dergelijke bepaling ontbrak in de actuele reglementering en gaf soms aanleiding tot juridische onduidelijkheden.
       Artikel 259
       Deze bepaling moet begrepen worden in die zin dat de het de hiërarchische meerdere is die aan de commandant een informatieverslag zendt met een relaas van de feiten. Maar een informatieverslag, bovenop het verslag van de hiërarchische meerdere, kan eveneens worden opgesteld door een lid van de algemene inspectie. Het betreft een mogelijkheid die gelaten wordt aan de algemene inspectie.
       Boek 13: Verzekering van het vrijwillig personeel
       Om de continuïteit te verzekeren van het systeem van de dekking van de schade die voortvloeit uit ongevallen die de vrijwillige brandweerman kan tegenkomen, werd beslist om het systeem dat momenteel van toepassing is ten laste van de zone te behouden. Dit systeem laat toe om rekening te houden met de inkomsten uit zijn hoofdactiviteit.
       Artikel 306
       Artikel 306 regelt de kwestie van de toepassing van de tekst op de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (DBDMH) door zich tot taak te stellen om te antwoorden op een algemene opmerking van de Raad van State in haar advies 55.165/2 van 6 februari 2014.
       De Raad van State merkt immers op dat de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, krachtens de artikelen 5 en 56 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, de bevoegdheid bezit om de DBDMH te organiseren en om het statuut van het personeel ervan te bepalen.
       De Raad van State herinnert eveneens aan de bevoegdheid inzake organisatie van de brandweerdiensten en inzake het beleid betreffende deze brandweerdiensten dat aan de federale overheid toegekend werd door artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, vierde gedachtestreep, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.
       Gelet op deze twee bevoegdheidsniveaus, herinnert de Raad van State eraan dat hij, om een einde te stellen aan de juridische onzekerheid die de materie kenmerkt, twee oplossingen heeft voorgesteld: enerzijds kan de federale overheid " rekening houden met de bijzonderheden van de brandweerdienst die georganiseerd wordt door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest door algemene bepalingen vast te leggen die het dit gewest mogelijk maken om deze aan te passen aan de specificiteiten van zijn personeel ", anderzijds kunnen de federale overheid en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest eensgezind optreden door samenwerkingsakkoorden op dit gebied af te sluiten.
       Bijgevolg weerspiegelt artikel 306 deze twee oplossingen voorgesteld door de Raad van State. De eerste paragraaf somt een reeks bepalingen op die van toepassing zijn op de DBDMH en die voor deze dienst algemene principes vormen; in dit geval dient het Brussels Hoofdstedelijk Gewest deze aan te vullen, toe te passen of aan te passen door middel van de bevoegdheid die het bezit inzake het statuut dat van toepassing is op het personeel van de instellingen voor openbaar nut die het heeft gecreëerd (zie de artikelen 5 en 56 van de voormelde bijzondere wet van 12 januari 1989).
       De tweede paragraaf van artikel 306 past de tweede oplossing voorgesteld door de Raad van State toe en bepaalt nauwkeurig de aangelegenheden die het voorwerp moeten uitmaken van een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Paragraaf 3 van artikel 306 beperkt zich tot het toepasselijk maken van de maatregelen getroffen door de federale overheid voornamelijk uit hoofde van haar bevoegdheid inzake welzijn op het werk en inzake de risico's inherent aan het werk. Bijgevolg worden de verschillende boeken, titels en aangelegenheden die niet door één van de drie paragrafen van artikel 306 bedoeld worden, geregeld door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op grond van de autonomie die zij bezit krachtens de artikelen 5 en 56 van de voormelde wet van 12 januari 1989.
       Artikel 306 preciseert dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dient te bepalen welke van de organen ervan of van de organen van de DBDMH de rollen moeten vervullen die de ontwerptekst aan instellingen zoals de commandant, de raad of het college toebedeeld heeft.
       Het zijn voornamelijk de taalverplichtingen opgelegd door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken die aan de basis liggen van de verdeling van de materies in de eerste of in de tweede paragraaf van artikel 306. De DBDMH is immers de enige tweetalige brandweerdienst van het land en is daardoor onderworpen aan de verplichtingen inzake taalkundige verdeling vastgelegd door de taalkaders. Zoals men weet, moeten bovendien de percentages uit de taalkaders gerespecteerd worden binnen elke graad van de hiërarchie, met dien verstande dat een ander besluit dan datgene dat de taalkaders vastlegt, de graden van de personeelsleden die eenzelfde hiërarchische graad vormen, bepaalt. Bijgevolg werd beslist, omwille van deze bijzonderheid, dat de belangrijkste bepalingen van dit statuut, die de verschillende graden van dit statuut in gevaar brengen, het voorwerp zouden zijn van een samenwerkingsakkoord: artikel 5 (vaststelling van de verschillende graden van het basiskader, het middenkader en het hoger kader), de artikelen 87 en 88 (mobiliteitsvoorwaarden), artikel 308 (overgangsrecht van de graden) en de eerste titel van boek 5 (bevorderingssysteem door verhoging in graad). Het is immers te verkiezen dat voornoemde bepalingen het voorwerp zijn van een samenwerkingsakkoord, zodat hun toepassing in overeenstemming met de taalwetgeving verzekerd kan worden.
       Bovendien werd ook beslist dat boek 4 het voorwerp zal uitmaken van een samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: de zeer gedetailleerde bepalingen zouden niet gelijkgesteld kunnen worden met algemene principes - hun `directe toepassing' zou de autonomie die het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ter zake heeft, tot nul herleiden. Omgekeerd zorgen de meeste formuleringen van de bepalingen opgesomd in de eerste paragraaf van artikel 306 ervoor dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ten opzichte van deze bepalingen speelruimte heeft bij de toepassing en aanpassing aan de DBDMH ervan.
       Artikel 308
       Deze bepaling regelt de integratie in de nieuwe graden.
       De integratie in de nieuwe graden, wat de officieren betreft, is niet gemakkelijk, niet alleen omwille van de vermindering van het aantal graden (er werd immers beslist om van 6 graden naar 4 graden te gaan), maar ook omwille van de volgende factoren:
       - De rekruteringsvoorwaarden voor eenzelfde graad variëren in functie van de categorie van de dienst (C, Z en Y, X). Zo vereist het koninklijk besluit van 19 april 1999 tot vaststelling van de geschiktheids- en bekwaamheidscriteria alsmede van de benoembaarheids- en bevorderingsvoorwaarden voor de officieren van de openbare brandweerdiensten, opgeheven door het ontwerpbesluit, voor de rekrutering van officieren en voor de uitoefening van de functies van officier-dienstchef van de diensten van categorie X en Y, dat ze houder zijn van een diploma van niveau A (artikelen 7, § 1, en 45);
       - Momenteel hebben de functies van dienstchef niet hetzelfde gewicht naargelang de beschouwde categorie van dienst. In de diensten van categorie C heeft de dienstchef zo de graad van luitenant, in de diensten van categorie Z heeft hij de graad van kapitein, in de diensten van categorie Y heeft hij de graad van kapitein-commandant en in de diensten van categorie X heeft hij de graad van kolonel. Bovendien moet hij houder zijn van het brevet van dienstchef om deze functies uit te oefenen;
       - Momenteel wordt de hoogste graad bepaald door de categorie van de beschouwde dienst. Zo gaat het voor categorie Y om de graad van kapitein-commandant, terwijl het voor categorie X om die van kolonel gaat. Hieruit blijkt dat de functies en de verantwoordelijkheden van een kapitein-commandant van een dienst van categorie Y dus niet noodzakelijk gelijk zijn aan die van een kapitein-commandant van categorie X.
       Artikel 308 verwijst naar een bijlage waarin een tabel staat die specifieke integratieregels van de graden voor de officieren vermeldt. Deze tabel houdt rekening met:
       - het bezit van het diploma van niveau A;
       - het bezit van de brevetten uitgereikt door de opleidingscentra voor de civiele veiligheid;
       - de valorisatie van de opgedane ervaring (anciënniteit).
       Het feit al dan niet de functie van dienstchef te hebben uitgeoefend, is eveneens een criterium voor de integratie in de graad.
       Het is immers belangrijk te herhalen dat elke graad verbonden is aan een functie en aan de verwerving van specifieke competenties voor deze functie (management, beheer van de interventies en crisissen, brandpreventie,...).
       Meer specifiek wordt de situatie van de luitenant-dienstchef die houder is van een diploma van niveau A of van het brevet crisisbeheer niet beoogd, omdat de luitenant-dienstchefs enkel kunnen bestaan in de diensten van categorie C binnen dewelke er geen aanwervingsvoorwaarde van niveau A is.
       De graad van kapitein-commandant zal niet langer bestaan in de zones. De huidige kapitein-commandanten krijgen de graad van majoor zonder dat er een onderscheid gemaakt wordt tussen de universitairen en de niet-universitairen. Het is niet opportuun om hen de graad van kapitein toe te kennen omdat het om een regressie gaat. Het is ook niet opportuun om hen de hoogste nieuwe graad toe te kennen, namelijk die van kolonel.
       Deze bepaling is niet van toepassing op de officier-geneesheer die naar de zone zal overgaan als administratief en technisch personeel en op wie bijgevolg een ander administratief statuut van toepassing is. Zoals bepaald in artikel 332, zal hij niettemin zijn oude graad als eretitel kunnen blijven dragen.
       Artikel 309
       De bedoeling van deze bepaling is vermijden dat de dienst- of graadanciënniteit verworven als operationeel lid van een brandweerdienst niet in aanmerking zou komen in het kader van de toepassing van het nieuwe statuut. Deze bepaling heeft dus als doel om in de loopbaan van de brandweerman een breuk te vermijden die gelieerd zou zijn aan de oprichting van de zones en de invoering van het nieuwe statuut.
       Het in aanmerking nemen van de vooraf verworven anciënniteit gebeurt volgens het type anciënniteit - dienst of graadanciënneiteit- en volgens het feit of ze verworven werd in de hoedanigheid van beroeps of vrijwilliger.
       Bijvoorbeeld, een brandweerlid dat vier jaar graadanciënniteit als beroepskorporaal zou hebben, vertrekt niet terug van nul als gevolg van de inwerkingtreding van de zones en het nieuwe statuut. Hij zou immers zijn vier jaar graadanciënniteit als beroepskorporaal verworven in zijn oude brandweerdienst kunnen doen gelden om te voldoen aan de voorwaarde van vijf jaar graadanciënniteit als korporaal vereist voor de bevordering tot de graad van beroepssergeant in het nieuwe statuut.
       Artikel 315
       In het geval waarin een bevorderingsprocedure lopend is op het ogenblik van de overdracht naar de zone, voorziet de tekst dat de raad de samenstelling van een nieuwe jury bepaalt. Als de gemeentelijke jury de kandidaten reeds heeft gehoord, zal het uiteraard niet meer noodzakelijk zijn om de samenstelling ervan opnieuw te bepalen.
       Artikel 326
       Het koninklijk besluit van 3 juni 1999 betreffende de invoering van de mogelijkheid van een verlof voorafgaand aan de pensionering voor de operationele beroepspersoneelsleden van een openbaar brandweerkorps wordt opgeheven. Deze regeling valt immers niet onder toepassing van de keuze bedoeld in artikel 207 van de wet van 15 mei 2007, zoals uitgevoerd in artikel 42 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de hulpverleningszones.
       Er zijn wel specifieke overgangsbepalingen bepaald in artikel 325 en 326 voor het verlof voorafgaand aan het pensioen. Het koninklijk besluit van 3 juni 1999 blijft verder bestaan ten aanzien van de personen die zich in deze situatie bevinden.
       Artikel 331
       Er is een verschil tussen de vrijwillige officieren enerzijds en de vrijwillige onderofficieren, korporaals en brandweermannen anderzijds. Op dit ogenblik is de dienstnemingsovereenkomst van de officieren van onbepaalde duur (KB 19/04/99 tot vaststelling van de geschiktheids- en bekwaamheidscriteria, alsmede van de benoembaarheids- en bevorderingsvoorwaarden voor de officieren van de openbare brandweerdiensten), terwijl dat van de niet-officieren 5 jaar loopt (KB 06/05/71 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten).
       Er werd besloten om te opteren voor een uniforme benoemingsregeling voor een periode van 6 jaar. Er is dus geen papieren overeenkomst meer tussen de vrijwilliger en de overheid, maar de eenzijdige beslissing van de overheid volstaat.
       Het verschil in wedde van de overgangsbepaling kan bijgevolg verklaard worden door het objectieve verschil in de huidige reglementering, waarbij de vrijwillige officieren momenteel voor onbepaalde duur worden aangeworven terwijl de vrijwillige onderofficieren, korporaals en brandweermannen slechts voor bepaalde duur worden aangeworven.
       Artikel 332
       Het administratief statuut van de administratieve leden van de hulpverleningszones zal bepaald worden door elke hulpverleningszone afzonderlijk.
       Artikel 336
       De bepaling van inwerkingtreding werd opgehelderd ingevolge de opmerking van de Raad van State.
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       van Uwe Majesteit
       de zeer eerbiedige en getrouwe dienaar
       De Minister van Binnenlandse Zaken,
       Mevr. J. MILQUET
       
       Raad van State
       afdeling Wetgeving
       Advies 55.165/2 van 6 februari 2014 over een ontwerp van koninklijk besluit `tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszone'
       Op 27 januari 2014 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszone'.
       Het ontwerp is door de tweede kamer onderzocht op 6 februari 2014. De kamer was samengesteld uit Pierre Vandernoot, staatsraad, voorzitter, Martine Baguet en Luc Detroux, staatsraden, en Anne-Catherine Van Geersdaele, griffier.
       Het verslag is uitgebracht door Claudine Mertes, auditeur.
       De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Martine Baguet.
       Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 6 februari 2014.
       Voorafgaande vormvereisten
       1. Krachtens artikel 6, § 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 `tot hervorming der instellingen', moeten de regeringen betrokken worden bij het uitwerken van het onderhavige ontwerp.
       Uit de stukken die aan de Raad van State bezorgd zijn, blijkt dat de Waalse gewestregering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tijdens hun beraadslagingen van 23 januari 2014, opmerkingen en voorbehoud hebben gemaakt ten aanzien van het voorliggende ontwerp.(1)
       Er wordt gewezen dat het niet voldoende is om het advies van de gewestregeringen aan te vragen opdat het vormvereiste dat die regeringen erbij moeten worden betrokken, als vervuld kan worden beschouwd. Indien die regeringen bezwaren of opmerkingen uiten, wordt het vormvereiste dat de gewestregeringen erbij moeten worden betrokken eerst als vervuld beschouwd indien op die opmerkingen is ingegaan of indien er nadien op regeringsniveau, bijvoorbeeld in het kader van het overlegcomité of van een interministeriële conferentie, daadwerkelijk over van gedachten is gewisseld.
       De steller van het ontwerp moet ervoor zorgen dat dit vormvereiste naar behoren wordt vervuld.
       2. De onderhandelingen met de vakorganisaties hebben plaatsgevonden op 17, 18 en 19 december 2013, en op 15 januari 2014. De vakorganisaties hebben een protocol van niet-akkoord ondertekend op 20 januari 2014.
       3. Uit de stukken gevoegd bij de adviesaanvraag blijkt evenwel dat de Ministerraad op 13 december 2013 beraadslaagd heeft, dat wil zeggen voordat de voornoemde vormvereisten vervuld zijn. De hiernavolgende opmerkingen worden dus gemaakt onder het voorbehoud dat, indien de teksten die aan de Raad van State zijn voorgelegd nog gewijzigd worden als gevolg van de voornoemde vormvereisten, waaruit de Ministerraad nog geen conclusies heeft getrokken, de bepalingen die andere dan louter formele wijzigingen hebben ondergaan aan de Raad van State worden voorgelegd om te worden onderzocht.
       Algemene opmerkingen
       1. Artikel 17, § 1, van de wet van 15 mei 2007 `betreffende de civiele veiligheid' bepaalt :
       "Deze wet is van toepassing op het orgaan, dat werd ingericht door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met toepassing van artikel 5 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, met uitzondering van de volgende bepalingen :
       [...]
       7° artikel 106,(2) behalve voor wat betreft de algemene principes van het administratief statuut dat van toepassing is op het operationeel personeel bedoeld in dit artikel".
       Zodoende heeft de federale Staat dus blijkbaar besloten rekening te houden met de bijzondere kenmerken van de Dienst voor Brandweer georganiseerd door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, door algemene bepalingen vast te stellen die dat gewest de kans bieden deze aan te passen aan de specificiteit van zijn personeel. Daarbij maakt de federale Staat gebruik van één van de twee mogelijkheden voorgesteld door de afdeling Wetgeving in haar advies 32.246/4, op 22 oktober 2001 verstrekt over een ontwerp van besluit dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 14 december 2001 `tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 april 1999 tot vaststelling van de geschiktheids- en bekwaamheidscriteria alsmede van de benoembaarheids- en bevorderingsvoorwaarden voor de officieren van de openbare brandweerdiensten', en in haar advies 41.963/2, op 17 januari 2007 verstrekt over een voorontwerp van wet `betreffende de civiele veiligheid'.(3)
       Bovendien heeft de afdeling Wetgeving in haar advies 53.963/1/V-2, op 18 september 2013 verstrekt over een voorontwerp dat de wet van 21 december 2013 `houdende diverse bepalingen Binnenlandse Zaken' is geworden, het volgende gepreciseerd :
       "De afdeling Wetgeving heeft er reeds meermaals opgewezen, onder meer in haar voormeld advies nr. 41.963/2, dat voor het bepalen van de overheden die bevoegd zijn om de rechtsregeling vast te stellen die van toepassing is op het personeel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, rekening gehouden moet worden met enerzijds de bevoegdheid die artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, vierde streepje, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de federale overheid verleent inzake de organisatie van en het beleid inzake de brandweer, en anderzijds de bevoegdheid die de artikelen 5 en 56 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 `met betrekking tot de Brusselse instellingen' aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verlenen inzake de organisatie van de brandweer en de dringende medische hulp en de vaststelling van het statuut van het personeel ervan. Hiertoe is het absoluut noodzakelijk dat de federale overheid en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in gemeen overleg handelen. De federale overheid kan hoe dan ook niet zomaar zelf eenzijdig het statuut van de personeelsleden van die dienst vaststellen".
       Met toepassing van de artikelen 17, § 1, 7°, en 106 van de voornoemde wet van 15 mei 2007, verklaart artikel 294 van het onderhavige ontwerp een hele reeks bepalingen van het ontworpen statuut als algemene bepalingen van toepassing op de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp (DBDMH).
       Uit het onderzoek van de toepasselijke bepalingen blijkt evenwel dat het de bedoeling is dat bijna het hele administratief statuut van toepassing is op de BDDMH. Artikel 294 blijkt dus verder te gaan dan wat bepaald is in artikel 17, § 1, 7°, aangezien het meer doet dan enkel het bepalen van de algemene principes van het administratief statuut dat van toepassing is op het operationeel personeel doordat het ertoe zou kunnen leiden dat de federale overheid zelf, onrechtstreeks, zonder meer en op eenzijdige wijze het statuut van de personeelsleden van de DBDMH vaststelt.
       2. Verscheidene bepalingen (inzonderheid de artikelen 57, 128 en 151) houden de delegatie in van een verordenende bevoegdheid aan de zoneraad.
       Wat dat betreft wordt de aandacht van de steller van het ontwerp er in het algemeen op gevestigd dat het verlenen van verordenende bevoegdheid aan de raad niet in overeenstemming lijkt met de algemene publiekrechtelijke beginselen, omdat erdoor geraakt wordt aan het beginsel van de eenheid van de verordenende macht. Bovendien ontbreken de waarborgen waarmee de klassieke regelgeving gepaard gaat, zoals die inzake de bekendmaking en de preventieve controle van de Raad van State, afdeling Wetgeving. Dergelijke delegatie kan dan ook enkel worden gebillijkt op grond van praktische redenen en in de mate dat ze een zeer beperkte of een hoofdzakelijk technische draagwijdte heeft, en ervan uitgegaan mag worden dat de instellingen die de betrokken reglementering dienen toe te passen of er toezicht op dienen uit te oefenen, ook het best geplaatst zijn om deze met kennis van zaken uit te werken.
       Bij zulke delegaties moet dus telkens de vraag worden gesteld of de betreffende delegatie aan al die voorwaarden voldoet. Wat dat betreft wordt verwezen naar de bijzondere opmerkingen over de betrokken bepalingen.
       Werken met talrijke delegaties lijkt bovendien in strijd met de harmonisering die beoogd wordt met het aannemen van een enig administratief statuut voor de leden van het operationeel personeel van de hulpverleningszones, dat uitgewerkt wordt door de Koning.
       3. Verscheidene bepalingen kunnen ook problemen doen rijzen ten aanzien van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel voor zover ze verschillen invoeren tussen bijvoorbeeld vrijwilligers en beroeps, alsook tussen sommige categorieën van graden of sommige categorieën van leden van het vrijwillig personeel (artikelen 20, 35, 55, 58, 72, 75, 86, 89, 90, 97, 112, 113, 127, 281, boek 18 en artikel 318).
       Wat betreft de verschillen tussen vrijwillige brandweerlieden en beroepsbrandweerlieden heeft het Grondwettelijk Hof in arrest 103/2013 van 9 juli 2013 immers reeds het volgende gesteld :
       "[a]angezien de vrijwillige brandweerlieden en de beroepsbrandweerlieden vergelijkbare opdrachten vervullen in eenzelfde korps, vormen zij vergelijkbare categorieën." (4)
       Ook al heeft het Hof, wat betreft de vraag die daaraan was voorgelegd, geoordeeld dat
       "([h]et vrijwillige, occasionele en aanvullende karakter van de activiteit van de vrijwillige brandweerman verantwoordt dat de in het geding zijnde bepaling hem uitsluit van het toepassingsgebied van een wetgeving die, zoals de wet van 14 december 2000, waarborgen biedt aan de ambtenaren op het vlak van de minimale periodes van dagelijkse rust, wekelijkse rust, jaarlijks verlof, arbeidspauze, maximale wekelijkse arbeidsduur en bepaalde aspecten van de nachtarbeid en de ploegendienst",(5)
       de verschillen in behandeling ingevoerd bij het onderhavige ontwerp moeten objectief en redelijk verantwoord kunnen worden.
       4. In artikel 106 van de voornoemde wet van 15 mei 2007 wordt het volgende gesteld :
       "De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het administratief en geldelijk statuut van het operationeel personeel van de zones, hierbij inbegrepen de opleiding".
       Artikel 103 van dezelfde wet luidt als volgt :
       "Het operationeel personeel van de zone is samengesteld uit vrijwillige en/of beroepsbrandweermannen.
       De vrijwillige brandweermannen zijn diegenen voor wie de functie van brandweerman niet hun hoofdactiviteit uitmaakt.
       De beroepsbrandweermannen zijn de brandweermannen die als hoofdberoep door de zone tewerkgesteld zijn."
       Artikel 2 van het ontworpen statuut bepaalt :
       " § 1. Dit statuut is van toepassing op de leden van het beroepspersoneel van de zone.
       § 2. De rechtspositie van het vrijwillig personeelslid wordt eenzijdig geregeld door dit besluit en door de wetten betreffende het sociale en fiscale regime van toepassing op het vrijwillig personeel van dewelke niet afgeweken wordt.
       Het vrijwillig personeelslid bevindt zich in een sui generis statutaire situatie. Hij wordt niet benoemd in vast dienstverband. De wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers zijn niet van toepassing op hem."
       Zoals het artikel is gesteld, is het niet mogelijk uit te maken op grond waarvan afgeweken zou kunnen worden van de wetten betreffende het sociale en fiscale regime dat van toepassing is op het vrijwillig personeel.
       Daarnaast rijst de vraag welk nut het heeft te bepalen dat de rechtspositie van de leden van het vrijwillig personeel eenzijdig geregeld wordt bij het voorliggende besluit, aangezien dat net een kenmerk is van een statuut.
       Zo ook lijkt het niet nodig om, wanneer het ontworpen statuut van toepassing wordt verklaard op de leden van het vrijwillig personeel, in het tweede lid te preciseren dat de wet van 3 juli 1978 `betreffende de arbeidsovereenkomsten' en de wet van 3 juli 2005 `betreffende de rechten van vrijwilligers' (gelet op artikel 3, 1°, d), van die wet)(6) niet van toepassing zijn.
       Die precisering hoort duidelijk in het verslag aan de Koning thuis.
       Bovendien moeten in hetzelfde lid de woorden "een sui generis statutaire situatie" vervallen, aangezien het net de bedoeling is van het ontworpen besluit om de statutaire situatie van de brandweerlieden te regelen door, in voorkomend geval en onder voorbehoud van algemene opmerking 3, een onderscheid te maken naargelang ze lid zijn van het vrijwillig personeel (tijdelijke benoeming) of van het beroepspersoneel (benoeming in vast dienstverband).
       Aangezien artikel 106 van de voornoemde wet van 15 mei 2007 aan de Koning de verplichting oplegt zowel voor het professioneel als voor het vrijwillig operationeel personeel een administratief statuut uit te vaardigen, rijst de vraag of het niet eenvoudiger en logischer zou zijn meteen het volgende te bepalen :
       "Behoudens andersluidende bepalingen is dit statuut van toepassing op de leden van het vrijwillig personeel van de zone".
       5. Uit het ontwerp blijkt dat het begrip benoeming verband houdt met de beroepsstagiair, terwijl het begrip aanwerving verband houdt met de vrijwillig stagiair. Aangezien het statuut van de vrijwillige brandweerlieden evenwel geregeld wordt door specifieke bepalingen van het ontworpen statuut, lijkt de term "benoeming" zowel te kunnen gelden voor de beroepssleden als voor de vrijwillig personeelsleden.
       6. De structuur van het ontwerp zou in sommige opzichten gerationaliseerd kunnen worden. Zo bijvoorbeeld gaat boek 5 over de loopbaan, hoofdzakelijk over de bevordering door verhoging in graad (hiërarchische bevordering), boek 6 over de mobiliteit, boek 7 over de professionalisering, boek 8 over de wedertewerkstelling, boek 9 over het eindeloopbaanregime en boek 10 over de uitoefening van een hoger ambt.
       In feite wordt bij de boeken 6 tot 10 de loopbaan van de personeelsleden geregeld. Bijgevolg zou het rationeler zijn die bepalingen samen te brengen in een enkel boek dat aan de loopbaan gewijd is, bijvoorbeeld op de volgende wijze :
       "Boek 5 - Loopbaan
       Titel 1 - Bevordering door verhoging in graad
       Titel 2 - Mobiliteit
       Titel 3 - Professionalisering
       Titel 4 - Wedertewerkstelling
       Titel 5 - Eindeloopbaanregeling
       Titel 6 - Hogere ambten".
       Ook de onderverdelingen van die titels zouden dan dienovereenkomstig moeten worden aangepast.
       7. Gelet op de omvang van de hervorming, zou het beter zijn de strekking van het ontwerp toe te lichten in een verslag aan de Koning.
       8. Verwezen wordt naar de algemene opmerkingen gemaakt in advies 55.164/2, dat heden verstrekt is over het ontwerp van koninklijk besluit `tot vaststelling van het functieprofiel van de commandant van een hulpverleningszone en van de nadere bepalingen voor zijn selectie en zijn evaluatie'.
       9. De onderstaande bijzondere opmerkingen worden onder voorbehoud van de hierboven geformuleerde algemene opmerkingen gegeven.
       Bijzondere opmerkingen
       Aanhef
       In het eerste lid moeten ook worden vermeld :
       - artikel 17, § 1, 7°, aangezien het gaat om één van de twee rechtsgronden van artikel 294 van het ontwerp;
       - artikel 106/1 van de voornoemde wet van 15 mei 2007 wegens boek 16 ("Uitvoeren van een alcohol- of drugstest");
       - artikel 208 wegens artikel 296 van het ontworpen statuut.
       Wat betreft de eventuele vermelding van artikel 116 in de aanhef, wordt verwezen naar de algemene opmerkingen die heden zijn gemaakt in het voornoemde advies 55.164/2.
       Dispositief
       Artikel 1
       1. In paragraaf 1, 14°, moet het begrip "feestdagen" gepreciseerd worden, aangezien dat begrip zowel de wettelijke feestdagen als de reglementaire feestdagen kan omvatten. Aangezien in artikel 193 enkel verwezen wordt naar de feestdagen opgesomd in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 `tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen', laat het zich aanzien dat dit begrip enkel de wettelijke feestdagen dekt. Dat moet bijgevolg uitdrukkelijk worden vermeld in de definitie, waarbij tevens verwezen moet worden naar het voornoemde koninklijk besluit van 18 april 1974.
       Artikel 3
       Teneinde de beslissingsbevoegdheid van de raad duidelijk en nauwkeurig af te bakenen, moet worden bepaald volgens welke orde van voorrang de procedures om te voorzien in een vacante betrekking gevolgd moeten worden.
       Artikel 6
       Het tweede lid, dat geen betrekking heeft op de "rechten en plichten" hoort veeleer thuis in boek 1 ("Algemene bepalingen").
       Artikel 7
       De vraag rijst waarnaar de steller van het ontwerp in paragraaf 1 verwijst wanneer hij het heeft over "de gedragsregels inzake deontologie".
       Het ontwerp moet in voorkomend geval op dat punt worden aangevuld.
       Artikel 8
       Het doel dat met dit artikel wordt nagestreefd, wordt ook op afdoende wijze bereikt wanneer geschreven wordt "zonder te discrimineren" in plaats van "zonder enige vorm van discriminatie".
       Artikel 10
       Naar het voorbeeld van wat bepaald is in artikel 8, § 3, van het statuut van het rijkspersoneel,(7) zou het nuttig zijn in een nieuw lid het volgende te bepalen :
       "Het eerste lid slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen personeelsleden in de normale uitoefening van hun ambt."
       Artikel 11
       1. Het derde lid van paragraaf 1 zou het tweede lid moeten worden.
       2. Het tweede lid van dezelfde paragraaf, dat het derde lid wordt, zou, naar het voorbeeld van wat bepaald is in artikel 10, tweede lid, van het statuut van het rijkspersoneel, als volgt moeten worden aangevuld :
       ", evenals voor feiten die, wanneer zij bekend worden gemaakt, de belangen kunnen schaden van de dienst waarin het personeelslid tewerkgesteld is".
       3. Het zou beter zijn paragraaf 2, naar het voorbeeld van artikel 7, § 3, van het statuut van het rijkspersoneel als volgt te redigeren :
       "Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van strafvordering stelt het personeelslid zijn hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hogere hiërarchische meerdere op de hoogte van elk onwettigheid of onregelmatigheid waarvan hij kennis heeft." (8)
       Artikelen 12 en 16
       1. Het zou beter zijn deze artikelen, die gaan over het recht op opleiding enerzijds en over het recht op informatie anderzijds, te groeperen.
       2. Artikel 12, derde lid, tweede zin hoort veeleer thuis in het deel van het ontwerp dat betrekking heeft op de opleiding of op de dienstactiviteit.
       Het zou bovendien beter zijn die zin, overeenkomstig hetgeen in het APKB staat, als volgt te stellen :
       " Periodes van afwezigheid gerechtvaardigd door deelname aan verplichte opleidingsactiviteiten worden in ieder opzicht gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit".
       Artikel 14
       Dat artikel gaat niet over "rechten en plichten". Het hoort dus veeleer thuis in boek 1, dat de algemene bepalingen omvat.
       Artikel 17
       Indien het de bedoeling is van de steller van het ontwerp dat de kopie gratis is, moet dat gepreciseerd worden.
       Ook moet vermeld worden uit welke documenten het persoonlijk dossier moet bestaan (bijvoorbeeld : een inventaris van stukken, documenten betreffende de evaluatie, de mobiliteit, de stage, de tuchtstraffen, enz.)
       Artikel 20
       1. Op de vraag waarom de verplichting tot verlenging van de prestaties tijdens de opdracht niet geldt voor de vrijwilligers, hebben de gemachtigden van de minister het volgende geantwoord :
       "[...] le pompier volontaire ne preste pas de régime horaire fixe (de 7 h 00 à 19 h 00 par exemple). Il vient lorsqu'il est appelé pour effectuer une intervention et il n'y a pas de dépassement éventuel d'un régime horaire dans son cas".
       Die uitleg moet opgenomen worden in het verslag aan de Koning, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met het gevolg dat gegeven wordt aan de opmerkingen gemaakt in de artikelen 172 e.v.
       2. Wat betreft het begrip "een grootschalige interventie, veroorzaakt door een onvoorziene gebeurtenis" zou het nuttig zijn in het verslag aan de Koning enkele voorbeelden te geven van de bedoelde situaties, naar het voorbeeld van de situaties waarvan sprake in het voorontwerp van wet "tot vaststelling van bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones" waarover een opmerking is gemaakt in advies 54.614/2, dat op 8 januari 2014 over dat voorontwerp is verstrekt. (9)
       Artikel 22
       Aangezien de zonecommandant een lid moet zijn van het operationeel personeel, valt hij onder de werkingssfeer van het onderhavige ontwerp. Artikel 22 moet dus worden aangevuld met de onverenigbaarheid waarin is voorzien in artikel 7, § 4, van het ontwerp van koninklijk besluit `tot vaststelling van het functieprofiel van de commandant van een hulpverleningszone en van de nadere bepalingen voor zijn selectie en zijn evaluatie', waarover heden advies 55.164/2 is uitgebracht.
       Artikel 23
       In het tweede lid zou verwezen kunnen worden naar artikel 290 van het ontwerp.
       Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor artikel 32, tweede lid.
       Artikel 26
       Paragraaf 1, eerste lid, tweede zin, die betrekking heeft op een geval waarin afwijkingen kunnen worden toegestaan, zou als volgt ingevoegd moeten worden in paragraaf 2, waarin ook sprake is van een geval waarin afwijkingen kunnen worden toegestaan :
       "Individuele afwijkingen kunnen worden toegestaan :
       - voor zover de activiteit de goede werking van de dienst niet verstoort;
       - voor de cumulatie met de functie van vrijwillig personeelslid van een andere zone".
       Artikel 27
       Deze bepaling zou in de vorm van een nieuw vierde lid ingevoegd kunnen worden in artikel 26, § 1.
       Artikel 28
       1. Het zou beter zijn te spreken van een verzoek om afwijking dan van een cumulatieaanvraag.
       2. Het zou dienstig zijn de belangrijkste elementen vast te leggen die dat verzoek verplicht moet bevatten, namelijk :
       1° de zo nauwkeurig mogelijke aanwijzing van de beoogde activiteit;
       2° de duur van de beoogde activiteit;
       3° de gemotiveerde bevestiging dat de activiteit, zelfs in de toekomst, geen aanleiding kan geven tot een onverenigbaarheid zoals omschreven in artikel 21.
       3. In de nederlandstalige versie schrijve men "commandant of zijn gemachtigde" in plaats van "commandant of zijn afgevaardigde". Deze opmerking geldt voor het vervolg van het ontwerp en geldt mutatis mutandis ook voor de artikelen 51, 57, § 2 en 129.
       Artikel 34
       Om ten volle te waarborgen dat de bij cumulatie uitgeoefende activiteit een bijkomstige activiteit is, zou artikel 34 als volgt kunnen worden geredigeerd :
       "Een machtiging tot cumulatie kan enkel verleend worden als de activiteit wordt uitgeoefend buiten uren waarop het personeelslid zijn dienst vervult. Zij dient in elk geval volledig bijkomstig te blijven ten overstaan van het uitgeoefend ambt.
       Een activiteit kan slechts worden uitgeoefend met inachtname van de wetten en reglementen die de uitoefening van die activiteit regelen. In voorkomend geval, wordt het bewijs daarvan geleverd aan de raad die de machtiging voor de cumulatie heeft verleend." (10)
       Boek 4, titel I - De aanwerving
       Algemene opmerkingen
       1. Er zou meteen gepreciseerd moeten worden dat het personeel aangeworven wordt ofwel in de graad van brandweerman, wat het basiskader betreft, ofwel in de graad van kapitein, wat het hoger kader betreft.
       2. Op de vraag waarom personen met een diploma hoger onderwijs van het korte type niet aangeworven kunnen worden in het middenkader, en waarom, wat het hoger kader betreft, aangeworven wordt in de graad van kapitein en niet in de graad van luitenant hebben de gemachtigden van de minister het volgende geantwoord :
       "D'une part, car les syndicats s'y sont fortement opposés lors de la négociation. D'autre part, la fonction de sergent est une fonction qui demande une expérience importante. Le sergent joue un rôle crucial dans le commandement du personnel lors des missions opérationnelles présentant un danger certain. Il ne peut acquérir une expérience utile suffisante pour assurer la sécurité de son personnel qu'en participant à des interventions pendant un nombre d'années minimum.
       Dans le même esprit, le lieutenant étant l'officier qui intervient en 1re ligne, celui-ci doit également bénéficier d'une grande expérience de terrain. Le lieutenant assure majoritairement des fonctions opérationnelles.
       L'officier qui est recruté au grade de capitaine par recrutement est destiné à assurer très rapidement des fonctions de management administratif en plus de fonctions opérationnelles, plus limitées".
       Gezien die uitleg rijst de vraag of het beschikken over managementvaardigheden niet opgenomen moet worden als één van de voorwaarden om als kapitein te worden aangeworven.
       Artikel 35
       1. De bekendmaking bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, moet ook vermelden op welke datum de voorwaarden vervuld moeten zijn.
       2. Op de vraag waarom de operationele handvaardigheidstest genoemd in paragraaf 3, 2°, enkel bedoeld is voor de kandidaat-brandweerlieden en niet voor de kandidaat-kapiteins, hebben de gemachtigden van de minister het volgende geantwoord :
       "Les officiers seront principalement des managers, une habileté manuelle particulière n'est pas exigée. Les compétences du capitaine sont essentiellement axées sur le savoir et le savoir-être. Par contre, pour le sapeur-pompier, c'est le savoir-faire qui est prépondérant".
       Het staat niet vast dat die verantwoording als afdoend zal worden beschouwd, aangezien de kapiteins ook op het terrein werkzaam zullen moeten zijn.
       3. Luidens paragraaf 6, in fine, blijven de lichamelijke geschiktheidsproeven twee jaar geldig. In het ontwerp moeten evenwel de nadere regels worden bepaald volgens welke de houders van het federaal geschiktheidsattest de lichamelijke geschiktheidsproeven opnieuw kunnen afleggen na het verstrijken van die termijn van twee jaar.
       Artikel 36
       1. In het eerste lid zou gepreciseerd moeten worden dat de vacante betrekking waarvan in die bepaling sprake is een vacante betrekking in de graad van brandweerman en/of van kapitein is.
       In de oproep tot de kandidaten moet ook gepreciseerd worden of het gaat om een betrekking van lid van het vrijwillig dan wel het beroepspersoneel.
       2. Wat het derde lid betreft, zou in de oproep vermeld moeten worden op welke datum de voorwaarden vervuld moeten zijn. De oproep moet ook een beknopt profiel van de vacante functie bevatten. (11)
       3. Het zou beter zijn het zevende lid, dat betrekking heeft op de verplichting om de oproep tot de kandidaten bekend te maken, te laten volgen op het tweede lid, dat de wijze van bekendmaking betreft.
       4. De regel genoemd in het achtste lid behoort als volgt te worden ingevoegd in het derde lid :
       "De oproep vermeldt [...] de uiterste datum voor de kandidaatstelling en de praktische modaliteiten voor het indienen van de kandidaturen [...]".
       Artikel 37
       Het zou beter zijn paragraaf 2 als volgt te stellen :
       "Om aangeworven te kunnen worden moet de kandidaat geslaagd zijn voor een vergelijkend examen en dient hij een eliminerend geneeskundig onderzoek te ondergaan, zoals bepaald in artikel 26 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 `betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers', die beide door de raad georganiseerd worden.
       Het vergelijkend examen bestaat uit een interview bedoeld om de motivering, de inzetbaarheid en de overeenstemming van de kandidaat met de functiebeschrijving en de zone te testen. Indien redenen van operationele aard zulks rechtvaardigen, kan het vergelijkend examen ook een extra proef omvatten.
       De raad legt in een reglement de inhoud van de proeven en de samenstelling van de examencommissie vast. De praktische organisatie van het vergelijkend examen kan door de raad toevertrouwd worden aan het opleidingscentrum voor de civiele veiligheid.
       De geslaagde kandidaten worden opgenomen in een wervingsreserve die twee jaar geldig is. De geldigheidsduur kan ten hoogste twee keer voor twee jaar verlengd worden."
       De bepaling luidens welke "de kandidaten uit de reserve [...] door de raad toegelaten (worden) tot de aanwervingsstage in orde van rangschikking resulterend uit de zonale bijkomende proeven" zou opgenomen moeten worden in titel 2 betreffende de aanwervingsstage. Bovendien zou gepreciseerd moeten worden of de zonale bijkomende proeven deel uitmaken van de proeven van het vergelijkend examen (in welk geval het beter zou zijn die term te gebruiken), dan wel of het om nog andere proeven gaat.
       Ten slotte zou bepaald moeten worden hoe de resultaten aan de kandidaten meegedeeld worden.
       Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor artikel 38 van het ontwerp.
       Artikel 39
       1. Zoals dit artikel is gesteld, onderstelt het dat er geen benoeming of aanstelling als stagiair plaatsvindt. De toelating tot de stage moet echter geformaliseerd worden door middel van een benoeming of een aanwerving als stagiair.
       2. In het vierde en het vijfde lid wordt melding gemaakt van een brevet. Zodra dat brevet behaald is, kan worden berekend wanneer van de stage eindigt. In geen enkele bepaling van het statuut wordt evenwel geregeld hoe dat brevet behaald wordt. Ofwel moeten zulke bepalingen dus worden opgenomen, ofwel moet, zo die bepalingen reeds bestaan, daarnaar verwezen worden. (12)
       3. Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor artikel 56.
       Bovendien moet, ter wille van de samenhang, het vierde lid het tweede lid worden, het tweede lid het derde lid, en het derde lid het vierde lid.
       Artikel 40
       De vraag rijst of in paragraaf 2, tweede lid, niet ook rekening moet worden gehouden met :
       - de afwezigheden die volgen uit de artikelen 81, §§ 1 en 2, en 82 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 `tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel' (bijvoorbeeld naar analogie van artikel 28ter, § 2, 3°, van het statuut van het rijkspersoneel);
       - de periodes van afwezigheid gerechtvaardigd door deelname aan verplichte opleidingsactiviteiten (aansluitend bij artikel 7, § 2, van het APKB, luidens hetwelk die periodes in ieder opzicht gelijkgesteld moeten worden met periodes van dienstactiviteit).
       Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor de artikelen 59, § 2, tweede lid, 76, § 2, tweede lid, en 98, § 2, tweede lid.
       Artikel 41
       Het zou beter zijn het woord "behaalt" te vervangen door de woorden "moet behalen".
       Artikel 42
       In het derde lid schrijve men "de commandant van de zone waaraan de stagiair toegewezen is of diens gemachtigde".
       Artikel 43
       1. Volgens deze bepaling wordt de stagecommissie voorgezeten door de zonecommandant of zijn gemachtigde. Artikel 25 van de voornoemde wet van 15 mei 2007 luidt echter als volgt :
       "De zonecommandant (bedoeld in artikel 109) neemt deel aan de vergaderingen van de raad met raadgevende stem".
       Aangezien de beslissing over de verlenging van de stage of het ontslag door de raad moet worden genomen (zie de artikelen 47 tot 49 van het ontwerp), moet erop worden toegezien dat de zonecommandant in de praktijk ofwel geen zitting heeft in de stagecommissie, ofwel de vergaderingen van de raad niet bijwoont wanneer deze moet beslissen over de verlenging van de stage of het ontslag van de stagiair, opdat het onpartijdigheidbeginsel niet wordt geschonden.
       Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor artikel 129 van het ontwerp.
       2. Voorts moet worden bepaald op welke wijze de commissie beraadslaagt (quorum, geheime stemming, wat te doen in het geval van staking van stemmen?).
       Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor artikel 129 van het ontwerp.
       Boek 4, titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 1 Het verloop van de evaluatie
       De onderverdeling moet vervallen, aangezien hoofdstuk 2 maar één afdeling bevat.
       Artikel 45
       1. De tweede zin van het tweede lid zou kunnen worden gesteld als volgt :
       "Ze worden door de stagebegeleider ondertekend en na afloop van elke periode ter kennis gebracht van de stagiair, die ze ondertekent en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt."
       Met die formulering zou gegarandeerd kunnen worden dat de stageverslagen onmiddellijk aan de stagiair worden overgezonden en niet allemaal samen op het einde van de stage.
       Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor de artikelen 63, tweede lid, 80, tweede lid, en 100, tweede lid.
       2. Tevens moet worden bepaald dat de verslagen in het persoonlijk dossier van de stagiair worden opgenomen.
       Artikel 47
       1. De bepaling moet aldus worden herzien dat bepaald wordt in welke gevallen de stagebegeleider het ontslag of de verlenging van de stage kan voorstellen.
       Hiertoe kan de tweede zin worden geredigeerd als volgt :
       "Hij stelt voor :
       - hetzij de stagiair te benoemen of aan te stellen;
       - hetzij, indien de verslagen bedoeld in artikel 46 over het geheel niet gunstig zijn voor de stagiair, de stagiair te ontslaan of zijn stage ten hoogste twee keer voor een duur van zes maanden te verlengen".
       2. Daarnaast zou het geval moeten worden geregeld waarin de stagiair gedurende of ter gelegenheid van de stage een zware fout heeft begaan. Naar analogie van artikel 28sexies, § 2, van het statuut van het rijkspersoneel zou in een lid het volgende kunnen worden bepaald :
       "Voor elke zware fout begaan gedurende of ter gelegenheid van de stage kan de stagiair die er zich schuldig aan maakt zonder opzegging worden ontslagen. Hij moet vooraf gehoord of aangemaand worden. Het ontslag wordt uitgesproken door de raad, op verslag van de stagebegeleider en op advies van de stagecommissie."
       Artikel 49
       1. In het eerste lid zou moeten worden bepaald op welke wijze het geval kan worden voorgelegd aan de stagecommissie : hoe en binnen welke termijn moet het aan haar worden voorgelegd?
       2. In het tweede lid moet het geval geregeld worden waarin de stagiair om een geldige reden niet voor de commissie verschijnt, alsook het geval waarin hij niet verschijnt en hiervoor geen rechtvaardigigingsgrond aanvoert. Hiervoor kan inspiratie gevonden worden in artikel 32, § 3, derde en vierde lid, van het statuut van de rijksambtenaren, welke bepaling als volgt luidt :
       "Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de stagiair of zijn verdediger, zonder geldig excuus, niet verschijnt, neemt de commissie een beslissing of formuleert ze een voorstel.
       De commissie spreekt zich uit op grond van het in § 1 bedoeld verslag, zelfs indien de stagiair een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van de tweede zitting uitmaakt."
       3. In een specifiek lid zou moeten worden bepaald binnen welke termijn de commissie haar advies moet verlenen en welke gevolgen verbonden zijn aan de niet-naleving van die termijn, dat advies gemotiveerd moet zijn en op welke wijze en binnen welke termijn dat advies aan de raad moet worden overgezonden.
       4. In het vierde lid moet worden bepaald binnen welke termijn de raad uitspraak moet doen nadat hij het advies van de commissie heeft ontvangen, en welke gevolgen verbonden zijn aan de overschrijding van die termijn. Tevens moet worden bepaald dat de raad zijn beslissing van een bijzondere motivering moet voorzien indien hij afwijkt van het advies van de commissie.
       5. Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor de artikelen 66, 84, tweede lid, en 106.
       Artikel 50
       Het zou beter zijn de woorden "De stagiair" te gebruiken in plaats van de woorden "Het personeelslid".
       Boek 5 - De loopbaan
       Algemene opmerking
       Alhoewel in boek 5 een onderscheid wordt gemaakt tussen "hiërarchische bevordering" en "sociale promotie", blijkt de sociale promotie in werkelijkheid slechts een mogelijkheid te zijn om van een van de voorwaarden van de hiërarchische bevordering af te wijken.
       Dit boek behoort dan ook niet in twee aparte titels te worden opgedeeld. De regeling van de "sociale promotie" moet in die van de "hiërarchische bevordering" worden geïntegreerd, in zoverre ze een afwijking ten aanzien van die regeling vormt.
       Titel 1 - De hiërarchische bevordering
       Algemene opmerking
       1. Gelet op boek 6, titel 2 ("Bevordering door mobiliteit"), die betrekking heeft op de bevordering buiten de zone van tewerkstelling, moet worden gepreciseerd dat de bepalingen van titel 1 alleen betrekking hebben op de bevordering in de zone waarin het personeelslid reeds is tewerkgesteld.
       2. Het begrip "hiërarchische bevordering" moet worden vervangen door het meer gangbare begrip "bevordering door verhoging in graad".
       Artikel 52
       Dit artikel moet worden gewijzigd opdat de verschillende soorten bevordering meteen aldus worden vermeld :
       "1° wat de administratieve loopbaan betreft :
       - de bevordering door verhoging in graad;
       - de bevordering door mobiliteit zoals geregeld bij titel 2 van boek 6.
       2° wat de geldelijke loopbaan betreft, de bevordering door verhoging in weddeschaal, zoals geregeld bij de artikelen 10 tot 20 van het koninklijk besluit van XXXX houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de hulpverleningszones".
       Artikel 53
       Er moet worden gepreciseerd dat de bevordering waarvan in deze bepaling sprake is de bevordering door verhoging in graad is.
       Artikel 54
       In paragraaf 3 is het eenvoudiger te bepalen dat "elke kandidatuur voor een bevorderingsbetrekking wordt gemotiveerd".
       Artikel 55
       Dit artikel voert een bijzondere methode in voor het berekenen van de graadanciënniteit van de leden van het vrijwillige personeel met de graad van sergeant, luitenant of kapitein.
       De eerste vraag die in verband met deze bepaling rijst, is hoe de anciënniteit voor de andere graden wordt berekend.
       Een fundamentelere opmerking is dat de steller van het ontwerp het verschil in behandeling tussen enerzijds vrijwilligers met de graad van sergeant, luitenant of kapitein en anderzijds vrijwilligers met een andere graad moet kunnen rechtvaardigen.
       Artikel 56
       In verband met de voorwaarden voor bevordering tot de graad van kapitein kunnen de volgende opmerkingen worden gemaakt :
       - de voorwaarde, vermeld in de bepaling onder 5°, a), dat men Belg moet zijn om te worden bevorderd, lijkt overbodig daar enkel luitenants, die Belg moeten zijn, tot kapitein kunnen worden bevorderd; dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor de bepalingen onder 6°, a), en 7°, a);
       - de voorwaarde, vermeld in de bepaling onder 5°, f), zou moeten worden aangevuld als volgt : "of geslaagd zijn voor een proef georganiseerd voor een opleiding waarvan het programma vastgesteld is door de Minister, op voorstel van het Kenniscentrum voor de civiele veiligheid", teneinde artikel 68 in aanmerking te nemen; dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor de voorwaarde waarin de bepalingen onder 6°, f), en 7°, f) voorzien;
       - de graad van kapitein is ook een wervingsgraad (zie artikel 38). De steller van het ontwerp moet dus vaststellen op welke wijze prioritair in een betrekking moet worden voorzien in geval van vacature : eerst door aanwerving en, indien er geen kandidaat of geslaagde is, vervolgens door bevordering, ofwel, omgekeerd, eerst door bevordering en, indien er geen kandidaat of geslaagde is, vervolgens door aanwerving.
       Artikel 57
       1. Luidens paragraaf 1, eerste lid, bepaalt de Minister de nadere regels van de bevorderingsproeven, terwijl, naar luid van het derde lid, de raad de bijkomende regels van die proeven kan vastleggen. De mogelijkheid dat de proeven aldus op gefragmenteerde wijze worden geregeld, kan onduidelijkheid teweegbrengen aangezien op generlei wijze kan worden bepaald wat een bijkomende regel is. Dienaangaande wordt verwezen naar algemene opmerking nr. 2.
       2. In paragraaf 1, tweede lid, moet het woord "andere" worden weggelaten.
       3. Gelet op de redactie van het vierde lid, legt de raad in paragraaf 1, derde lid, niet de samenstelling van de examencommissie vast, maar kiest hij de personen die overeenkomstig het vierde lid de examencommissie vormen.
       Artikel 58
       1. Op de vraag waarom in het eerste lid een bevorderingsstage alleen voor de bevordering tot de graden van sergeant of luitenant wordt ingevoerd, hebben de gemachtigden van de minister het volgende geantwoord :
       "Les promotions au grade de sergent et de lieutenant ont pour effet le passage vers un cadre supérieur. Ces fonctions nécessitent toutes deux une expérience de terrain et de gestion d'équipe très importante qu'il convient de pouvoir démontrer au cours d'un stage".
       Die toelichting kan het gemaakte onderscheid verantwoorden. Ze zou in het verslag aan de Koning kunnen worden opgenomen.
       2. Ter wille van de samenhang zou het tweede lid met artikel 60 moeten worden samengevoegd tot één enkele, als volgt luidende bepaling :
       "De bevorderingsstage verloopt onder de leiding van de functioneel meerdere, hierna `stagebegeleider' genoemd.
       De stagebegeleider noteert in een logboek de door de stagiair gevolgde opleidingen."
       Artikel 60
       Deze bepaling moet vervallen, gelet op de opmerking betreffende artikel 58, tweede lid, van het ontwerp.
       Artikel 62
       1. Op grond van de soortgelijke structuur van de titel betreffende de aanwervingsstage zou artikel 62 beter worden ondergebracht in het gedeelte van de titel waarin de algemene bepalingen van de bevorderingsstage aan de orde zijn.
       2. In het derde lid moet de verwijzing naar artikel 60 worden aangepast in het licht van de opmerking betreffende artikel 58 van het ontwerp.
       Artikel 71
       In het vijfde lid zou het eenvoudiger zijn te schrijven dat "elke kandidatuur wordt gemotiveerd".
       Artikel 72
       De bepaling onder 1° wekt de indruk dat de mobiliteit geldt voor de beroepsstagiairs en niet voor de vrijwillige stagiairs. Op een vraag hierover hebben de gemachtigden van de minister het volgende aangegeven :
       "Il faudrait effectivement préciser dans le texte que les stagiaires, qu'ils soient professionnels ou volontaires, n'entrent pas en ligne de compte pour un emploi ouvert à la mobilité".
       Het ontwerp moet in die zin worden aangepast.
       Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor artikel 89, 1°, van het ontwerp.
       Artikel 86
       In het tweede lid wordt de indruk gewekt dat de mandaatfuncties door bevordering zouden kunnen worden vervuld door kandidaten van de zone waarin de betrekking vacant is. Op de vraag hoe het aldus gemaakte verschillen in behandeling tussen kandidaten van de zone en kandidaten van "buiten de zone" te rechtvaardigen valt, hebben de gemachtigden van de minister het volgende geantwoord :
       "La seule fonction de mandat est celle du Commandant de zone, pour laquelle un projet d'AR distinct vous a été transmis. Il est vrai que la désignation à la fonction de commandant de zone est soumis à une procédure spécifique et que la mention prévue à l'article 86, alinéa 2 (et article 69, alinéa 2) est peut-être superflue".
       In het licht van die toelichting verdient het inderdaad aanbeveling de woorden "en is niet van toepassing op mandaatfuncties" in de artikelen 86, tweede lid, en 69, tweede lid, te schrappen.
       Artikel 90
       Op de vraag naar de redenen voor de verschillende behandeling van enerzijds sergeanten en luitenants en anderzijds personeelsleden met een andere graad, hebben de gemachtigden van de minister het volgende geantwoord :
       "Comme on demande un stage de 6 mois pour les sergents et lieutenants dans la promotion hiérarchique au sein d'une même zone, il est apparu équitable de stage (sic) de mobilité de 6 mois pour ces deux grades. Pour les autres grades, il n'y a pas de stage de promotion hiérarchique".
       Met die toelichting kan het gemaakte onderscheid verantwoord worden. Ze zou, met een aangepaste formulering, in het verslag aan de Koning opgenomen kunnen worden.
       Boek 7 - De professionalisering
       Algemene opmerking
       Boek 7 is in twee titels onderverdeeld, te weten enerzijds "Professionalisering in dezelfde graad en binnen dezelfde zone" en anderzijds "Professionalisering door mobiliteit in een andere zone".
       Om verwarring te voorkomen tussen begrippen die in het openbare dienst een verschillende draagwijdte hebben, is het beter in titel 1 gewag te maken van "professionalisering in dezelfde zone" en in titel 2 van "professionalisering in een andere zone". Daar professionalisering binnen dezelfde graad plaatsvindt, lijkt het niet nuttig zulks in het opschrift van titel 1 te preciseren.
       Artikel 91
       Daar professionalisering binnen dezelfde graad plaatsvindt, volstaat het dat begrip te definiëren als "de overgang van het vrijwillig personeelslid naar een vacant verklaarde betrekking van het beroepspersoneel in dezelfde graad binnen dezelfde zone".
       Artikel 92
       1. Indien er binnen de zone geen beroepskandidaten zijn die aan de bevorderingsvoorwaarden voldoen, kan de raad luidens het eerste lid beslissen een beroep te doen op professionalisering of mobiliteit (artikelen 69 e.v.). De vraag rijst of niet moet worden bepaald welke procedure de raad prioritair moet volgen.
       2. Het tweede lid maakt het mogelijk dat van artikel 55 wordt afgeweken in zoverre daarin wordt bepaald dat de beroepsbetrekkingen die door bevordering toegankelijk zijn, openstaan voor leden van het beroepspersoneel. Er zou derhalve moeten worden vermeld dat artikel 55 onverminderd artikel 92, tweede lid, toepasselijk is.
       3. Het lijkt van weinig samenhang te getuigen om enerzijds in artikel 55 van het ontwerp te bepalen dat "de door bevordering toegankelijke beroepsbetrekkingen open[staan] voor de beroepspersoneelsleden en [dat] de door bevordering toegankelijke vrijwilligersbetrekkingen open[staan] voor de vrijwillige personeelsleden", een regel die impliciet door artikel 92, eerste lid, van het ontwerp wordt bevestigd, en anderzijds in het tweede lid van dat artikel 92 de mogelijkheid open te laten dat van die laatstgenoemde bepaling wordt afgeweken.
       Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis ook voor artikel 109 van het ontwerp.
       Artikel 93
       In het vijfde lid zou het eenvoudiger zijn te vermelden dat "elke kandidatuur wordt gemotiveerd".
       Dezelfde opmerking geldt voor artikel 110.
       Titel 2 - Professionalisering door mobiliteit in een andere zone
       Wat het opschrift betreft, wordt verwezen naar de algemene opmerking betreffende boek 7.
       De formulering van de artikelen 108, 110 en 111 van het ontwerp moet dienovereenkomstig worden aangepast.
       Artikel 112
       Op de vraag waarom dit boek alleen op de beroepspersoneelsleden toepasselijk is, hebben de gemachtigden van de minister het volgende geantwoord :
       "Vu la nature de l'engagement des volontaires (pas leur activité à titre principal et pas de nomination à titre définitif) et le fait que le nombre de fonctions plus légères/alternatives dans une zone est limité, il a été opté pour ne pas prévoir un tel régime pour les volontaires. Cela n'existe pas non plus dans la réglementation actuelle",
       alsook :
       "Car les volontaires sont des volontaires et qu'il ne s'agit pas de leur activité principale (cf. article 103 alinéa 2 de la loi du 15 mai 2007)".
       De Raad van State vraagt zich af hoe die verantwoording aansluit bij de algemene strekking van het ontwerp, die erin bestaat de vrijwilligers in een, zij het tijdelijk, statutair stelsel onder te brengen.
       Artikel 113
       1. Er moet worden gepreciseerd dat de wedertewerkstelling waarvan in het eerste lid, 1°, sprake is, de ambtshalve wedertewerkstelling is.
       2. De redactie van het eerste lid, 3°, moet aldus worden herzien dat heel de bepaling uit volledige zinnen bestaat.
       3. Op de vraag waarom in het eerste lid, 3°, b), de jaren anciënniteit als vrijwillig personeelslid met een operationele graad niet in aanmerking worden genomen, aangezien niets eraan in de weg staat dat een vrijwilliger beroepspersoneelslid wordt met toepassing van de bepalingen inzake professionalisering, hebben de gemachtigden van de minister aangegeven dat het stelsel van wedertewerkstelling op eigen verzoek een gunstige regeling is (met een voordelige vergoeding), gebaseerd op de zwaarte van de arbeid :
       "La pénibilité du travail est surtout causée par le fait d'exécuter ce travail pendant des années successives et en activité à titre principal. Le nombre de fonctions plus légères dans une zone est limité. Les conditions d'ancienneté ont été fixées en fonction de ce raisonnement".
       "Il s'agit de prendre en considération la pénibilité du travail du pompier professionnel".
       Die toelichting kan het gemaakte onderscheid verantwoorden. Ze zou evenwel in het verslag aan de Koning moeten worden opgenomen.
       4. In het tweede lid wordt een bevoegdheid opgedragen aan de zone. Er moet echter worden aangegeven welke instantie van de zone daartoe dient te handelen.
       Artikel 116
       Onder voorbehoud van artikel 122, betreffende de wedertewerkstelling op eigen verzoek, doet artikel 116 een probleem rijzen voor de andere soorten wedertewerkstelling, inzonderheid wat betreft het behoud van de rechten op bevordering door verhoging in graad en de berekening van de dienstanciënniteit. Het artikel wekt de indruk dat de wedertewerkstelling een nieuwe benoeming zou meebrengen.
       Artikel 118
       Artikel 118 van het ontwerp luidt als volgt :
       "De zone kan het wedertewerkgestelde personeelslid vervangen".
       Die mogelijkheid kan logischerwijs alleen gelden in de gevallen van wedertewerkstelling bedoeld in artikel 113, eerste lid, 2° en 3°, aangezien de betrekking in het geval van artikel 113, eerste lid, 1°, niet meer bestaat.
       Dat zou in het dispositief moeten worden gepreciseerd.
       Artikel 119
       Het zou beter zijn te schrijven : "Voor zover mogelijk dient de raad het personeelslid tijdelijk weder tewerk te stellen (...)", teneinde rekening te houden met de rechtspraak van de Raad van State waarin wordt gesteld dat op de overheid de verplichting rust, die voortvloeit uit artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 `voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel', na te gaan of de ambtenaar kan worden benuttigd of wedertewerkgesteld op de wijze die door de Administratieve gezondheidsdienst wordt voorgestaan. Die overheid moet aantonen dat ze daadwerkelijk heeft geprobeerd aan deze aanbevelingen te voldoen alsook dat ze onmogelijk een gunstig gevolg aan die aanbevelingen heeft kunnen geven. (13)
       Artikel 122
       Zoals de gemachtigden van de minister hebben beaamd, moet worden verwezen naar artikel 121, 1°, van het ontwerp in plaats van naar artikel 129, 1°, van het ontwerp.
       Artikel 127
       1. Er kan worden verondersteld dat het verlof dat wordt vermeld in de bepaling onder b) van paragraaf 1, 1°, verwijst naar het verlof waarvan sprake is in de artikelen 133 tot 138 van het ontwerp. In dat geval is het aangewezen zulks te vermelden.
       2. Fundamenteler is dat de steller van het ontwerp de gehele verlofregeling zoals die door het ontworpen besluit wordt herzien, moet kunnen rechtvaardigen, inzonderheid gelet op artikel 12 van de wet van 10 mei 2007 `ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie', waarvan paragraaf 1 aangeeft onder welke voorwaarden in afwijking van artikel 8 ervan (14) in een onderscheid op grond van leeftijd kan worden voorzien, namelijk "wanneer het objectief en redelijk wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of elk ander vergelijkbaar legitiem doel, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn". (15)
       3. Op de vraag waarom in paragraaf 1, 2°, wordt bepaald dat ten minste vijftien jaar als beroepspersoneelslid met een operationele graad vereist is, hebben de gemachtigden van de minister geantwoord dat het eindeloopbaanregime een gunstige regeling is (met een voordelige vergoeding), gebaseerd op de zwaarte van de arbeid.
       "La pénibilité du travail est surtout causée par le fait d'exécuter ce travail pendant des années successives et en activité à titre principal. Le nombre de fonctions plus légères dans une zone est limité. Les conditions d'ancienneté ont été fixées en fonction de ce raisonnement".
       "Il s'agit de prendre en considération la pénibilité du travail du pompier professionnel".
       Die toelichting kan het toegepaste onderscheid billijken. Ze zou evenwel in het verslag aan de Koning moeten worden opgenomen.
       Artikel 128
       Indien de lijst waarvan in het derde lid sprake is, niet limitatief is, rijst de vraag naar het nut van die lijst, aangezien zulks veronderstelt dat de raad andere lichtere, aangepaste betrekkingen zou kunnen bepalen. Er rijst door dat artikel dus een probleem met betrekking tot de reikwijdte van de bevoegdheid die aan de raad wordt overgedragen, aangezien de mogelijkheid om andere lichtere, aangepaste betrekkingen te bepalen, niet bijkomstig lijkt te zijn.
       Op dit punt wordt verwezen naar algemene opmerking nr. 2.
       Artikel 131
       Het is in principe geen goede zaak dat een dispositief van statutaire aard de toepassing van een van de eenzijdig door de overheid uitgevaardigde regels afhankelijk maakt van een voorafgaande verbintenis, daar een dergelijke handelwijze veeleer in een contractueel stelsel hoort.
       De bepaling moet aldus worden herzien dat van de verbintenis in kwestie een bindende regel wordt gemaakt.
       Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor artikel 135 van het ontwerp .
       Artikel 138
       In paragraaf 1 wordt afgeweken van het principieel verbod inzake cumulatie, dat vervat is in artikel 26, § 1, van het ontwerp.
       In dat artikel moet dus worden vermeld dat het onverminderd artikel 138, § 1, toepasselijk is.
       Zo ook zou in artikel 138, § 1, moeten worden aangegeven dat de procedure, vastgesteld in de artikelen 28 tot 33, voor de voorafgaande toelating geldt.
       Boek 10 - Uitoefening van een hoger ambt
       Algemene opmerking
       Bij ontstentenis van andersluidende bepalingen, kunnen hogere ambten in een zone blijkbaar worden uitgeoefend door personeelsleden van een andere zone.
       De steller van het ontwerp moet nagaan of zulks wel degelijk zijn bedoeling is.
       Artikel 142
       Teneinde iedere onduidelijkheid te voorkomen, is het beter :
       - gewag te maken van een "aanstelling voor het uitoefenen van een hoger ambt in een vacante betrekking" in plaats van een "aanstelling voor het uitoefenen van een hoger ambt om te voorzien in een vacant[e] betrekking";
       - niet te spreken over een procedure tot definitieve toekenning van de betrekking, aangezien die betrekking, indien het een vrijwillige betrekking betreft, door een vrijwillig personeelslid moet worden vervuld voor een tijdelijke, hernieuwbare termijn van zes jaar.
       Artikel 145
       In paragraaf 4 zou in de akte tot aanstelling of verlenging ook moeten worden verantwoord waarom het noodzakelijk is een beroep te doen op hogere functies, en zou de keuze moeten worden verantwoord die wordt gemaakt om aan die noodzaak tegemoet te komen.
       Artikel 148
       1. De Raad van State vraagt zich af of niet eveneens moet worden bepaald dat de uitoefening van het hoger ambt van zonecommandant geen enkel recht geeft op een aanstelling als mandaathouder.
       2. Er zou een artikel moeten worden ingevoegd betreffende de beëindiging van de hogere functies, waarin wordt bepaald dat de hogere functies al naargelang van het geval beëindigd worden wanneer de titularis van de betrekking zijn ambt opnieuw opneemt of op de datum waarop de benoeming van de titularis van de vacant verklaarde betrekking of het vacant verklaarde mandaat ingaat.
       Artikel 149
       Krachtens de machtiging die in artikel 106 van de voornoemde wet van 15 mei 2007 aan de Koning wordt verleend, kan Hij het administratief statuut alleen op basis van overleg in de Ministerraad bepalen. Daar die machtiging ook betrekking heeft op de opleidingen, kan niet aanvaard worden dat artikel 149 van het ontwerp, zoals het is geredigeerd, de Koning van dat vormvereiste ontslaat.
       Artikel 150
       De steller van het ontwerp wordt erop gewezen dat in de artikelen 13 tot 20, 3°, van de ontworpen bezoldigingsregeling, in het ontwerp van koninklijk besluit `houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de hulpverleningszones', waarover de Raad van State heden advies 55.166/2 heeft uitgebracht, de termen "uur bijscholing" worden gebezigd en dat de artikelen 13 tot 20, 4°, van datzelfde ontwerp gewag maken van "erkende opleidingen", terwijl het voorliggende artikel verwijst naar uren voortgezette opleiding.
       Indien die verschillende termen naar hetzelfde begrip verwijzen, zou beter voor een eenvormige benaming worden geopteerd. Indien daarmee evenwel verschillende hypothesen worden bedoeld, moet zulks duidelijk worden aangegeven.
       Artikel 151
       De machtiging die aan de raad wordt verleend is te ruim. De gedelegeerde aangelegenheden gaan verder dan bijkomstige maatregelen die van technische en veranderende aard zijn.
       Op dit punt wordt verwezen naar algemene opmerking nr. 2.
       Artikel 152
       1. Daar het statuut voorziet in de verplichting voor de personeelsleden om 48 uur voortgezette opleiding per jaar te volgen, begrijpt de Raad van State niet waarom het personeelslid dat de zone binnen drie jaar na de opleiding verlaat, die opleidingen zou moeten terugbetalen. Een dergelijke bepaling zou een impact kunnen hebben op de vrijheid van de personeelsleden om elders te gaan werken indien ze dat wensen en is dus moeilijk verenigbaar met het voorschrift van artikel 23 van de Grondwet, dat de vrije keuze van beroepsarbeid waarborgt.
       2. In zoverre de titel betreffende de opleiding bovendien op het vrijwillig personeel toepasselijk is, is deze bepaling niet verenigbaar met de tijdelijke benoeming. In dat verband rijst immers de vraag of het vrijwillig personeelslid de gevolgde opleidingen moet terugbetalen indien het na een periode van zes jaar en wanneer de overheid hem een hernieuwing voorstelt, besluit de zone te verlaten.
       Artikel 155
       In verband met het eerste lid, 1°, rijst de vraag wie de functiebeschrijving vaststelt.
       Gelet op het streven naar eenvormigheid, zouden de wezenlijke bestanddelen van die omschrijving op federaal niveau moeten worden vastgesteld teneinde afwijkingen tussen de zones te voorkomen.
       Artikel 156
       Zoals dit artikel is geredigeerd, lijkt het betrekking te hebben op alle stagiairs (aanwervingsstage, bevorderingsstage, mobiliteitsstage, professionaliseringsstage).
       Artikel 159
       Teneinde te waarborgen dat de evaluatie op tegenspraak verloopt, moet worden bepaald dat het personeelslid eventueel opmerkingen kan formuleren.
       Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor artikel 164 van het ontwerp.
       Artikel 160
       In het derde lid moet worden bepaald dat het personeelslid verscheidene documenten moet kunnen indienen indien hij dat wenst, in plaats van één enkel document.
       Artikel 167
       Uit artikel 168 van het ontwerp volgt dat de commissie haar advies binnen een termijn van minder dan drie maanden na de ontvangst van het beroep moet geven.
       Er moet evenwel worden vermeld welke gevolgen verbonden zijn aan het niet of te laat uitbrengen van het advies.
       Bovendien zou het nuttig zijn te bepalen dat het advies gemotiveerd moet zijn.
       Artikel 168
       1. Er dient te worden bepaald dat de beslissing van de raad die afwijkt van het advies van de commissie met bijzondere redenen moet worden omkleed.
       2. De aandacht van de steller van het ontwerp wordt nogmaals gevestigd op artikel 25 van de voornoemde wet van 15 mei 2007, dat bepaalt dat "[d]e zonecommandant (bedoeld in artikel 109) (...) [deelneemt] aan de vergaderingen van de raad met raadgevende stem". Aangezien de definitieve beslissing door de raad wordt genomen op advies van de commissie die wordt voorgezeten door de commandant, dient erop te worden toegezien - teneinde het onpartijdigheidsbeginsel niet in het gedrang te brengen - dat de zonecommandant in de praktijk niet deelneemt aan de vergaderingen van de raad wanneer die een dergelijke beslissing dient te nemen.
       Artikel 169
       Er dient voorzien te worden in de regeling van het geval waarin de stagiair om een geldige reden niet verschijnt voor de commissie, evenals het geval waarin hij niet verschijnt zonder daarvoor een excuus op te geven. Daartoe kan inspiratie worden gevonden in artikel 32, § 3, derde en vierde lid, van het statuut van het rijkspersoneel, dat stelt :
       "Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de stagiair of zijn verdediger, zonder geldig excuus, niet verschijnt, neemt de commissie een beslissing of formuleert ze een voorstel.
       De commissie spreekt zich uit op grond van het in § 1 bedoeld verslag, zelfs indien de stagiair een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van de tweede zitting uitmaakt".
       Boek 12, titel 4 - Gevolgen van de vermelding "onvoldoende"
       1. Er zou bepaald moeten worden, naar het voorbeeld van wat in artikel 11, § 2, van het APKB staat, dat indien de evaluatie leidt tot een eindvermelding waaraan het statuut rechtsgevolgen verbindt, er beroep kan worden ingesteld bij een commissie met ten minste adviesbevoegdheid.
       2. Aangezien onder titel 4 wordt bepaald welke gevolgen verbonden zijn aan het krijgen van meerdere evaluaties met de vermelding "onvoldoende", lijkt het noodzakelijk dat in het statuut zelf de basisregels worden vastgesteld met betrekking tot de samenstelling en de werkwijze van de federale interdepartementale beroepskamer. In het statuut zouden eveneens de voornaamste aspecten van de beroepsprocedure moeten worden vastgesteld, te weten de termijn waarbinnen de kamer uitspraak dient te doen alsmede de strekking van de beslissing die zal worden genomen (definitieve beslissing of advies voorafgaand aan een beslissing van een andere overheid). Bovendien zou dat in het kader van de evaluatie ingestelde beroep schorsende werking moeten hebben.
       Uit het voorgaande blijkt dat de delegatie aan de minister in artikel 171, tweede lid, te ver gaat.
       Boek 13 - Organisatie van de diensttijd van de vrijwillige personeelsleden
       Artikelen 172 tot 178
       1. De artikelen 172 tot 178 van het ontwerp regelen de organisatie van de diensttijd van de vrijwillige personeelsleden.
       Ze lijken de tegenhanger te vormen van verscheidene bepalingen van het voorontwerp van wet `tot vaststelling van bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones', waarover de Raad van State op 8 januari 2014 advies 54.614/2 heeft gegeven.
       Daardoor past het voorliggende ontwerp in dezelfde logica als dat voorontwerp van wet, namelijk de omzetting van Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 `betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd'.
       In het artikel eerste van titel 1 van boek 13 zou dus dienen te worden gepreciseerd dat dat boek strekt tot de omzetting van Richtlijn 2003/88/EG.
       2. De ontworpen bepalingen betreffen evenwel enkel de regeling van de werk- en de rusttijd. Ze hebben niet zoals het voornoemde voorontwerp van wet betrekking op de voorwaarden waaronder nachtwerk mag worden verricht. Op dat punt zou het voorliggende ontwerp dus onvolledig zijn, aangezien de vrijwillige personeelsleden hun werk ook 's nachts kunnen uitvoeren, wat wordt bevestigd in artikel 177 van het ontwerp, luidens hetwelk : "[d]e diensttijd [alle uren van de dag] kan worden vervuld".
       Het ontwerp dient op dat punt te worden aangevuld.
       3. In het verslag aan de Koning zou moeten worden aangegeven hoe aan de vereisten van Richtlijn 2003/88/EG wordt tegemoetgekomen door te voorzien in afwijkingen van de maximumduur van de werkperiode die één dag bedraagt (artikel 174, § 2, eerste lid, van het ontwerp) en in bijzondere regelingen met betrekking tot de rust of - eventueel - inhaalrust (artikelen 174, § 2, tweede lid, en § 3, en 178 van het ontwerp). In het verslag aan de Koning dienen daartoe concrete voorbeelden te worden gegeven ter illustratie.
       Bovendien zou, aangezien de vrijwillige personeelsleden van de hulpverleningszones hun activiteit uiteraard uitoefenen in de gevallen opgesomd in artikel 174, § 2, van het ontwerp (16), in het verslag aan de Koning dienen te worden verduidelijkt, eveneens aan de hand van voorbeelden, welke gevallen bedoeld worden, aangezien deze bepalend zijn voor de overschrijding van de reeds lange werkperiode van 24 uur.
       Die verduidelijkingen zijn des te belangrijker daar uit artikel 22, 1°, van het ontwerp volgt dat, hoewel er onverenigbaarheid is tussen de functie van beroepspersoneelslid en de functie van vrijwillig personeelslid van dezelfde zone, die combinatie wel mogelijk is wanneer het personeelslid zijn respectieve functies uitoefent in twee verschillende zones.
       Er mag wat dat betreft niet over het hoofd worden gezien dat de uitzonderingen en afwijkingen die de voornoemde Richtlijn 2003/88/EG toelaat, restrictief moeten worden uitgelegd, omdat dat instrument anders wordt ontdaan van zijn bestaansgrond, te weten de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers. (17)
       4. De artikelen 172 tot 178 dienen in het licht van de voorgaande opmerkingen te worden herzien.
       Artikel 180
       De bedoelde stagiairs kunnen enkel de stagiairs in een wervingsgraad zijn of de stagiairs die een professionaliseringsstage volgen, aangezien de andere stagiairs (via bevordering of mobiliteit) al definitief beroepspersoneelslid zijn.
       Boek 14, titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 3 - Non-activiteit
       1. Uit de gezamenlijke artikelen 184 en 185 van het ontwerp blijkt dat het personeelslid dat bij wijze van tuchtmaatregel wordt geschorst, zich in non-activiteit bevindt en dus geen recht meer heeft op zijn wedde. De volledige schrapping van de wedde lijkt strijdig te zijn met artikel 247 van het ontwerp.
       2. Het zou nuttig zijn te verduidelijken dat "niemand in disponibiliteit kan worden geplaatst of gehouden als hij voldoet aan de vereiste voorwaarden voor het bekomen van een rustpensioen".
       3. Bovendien rijst de vraag of in deze afdeling de gevallen van non-activiteit niet zouden moeten worden opgesomd.
       Artikel 188
       In het eerste lid, in fine, zou kunnen worden verwezen naar de bepalingen van hoofdstuk 3.
       Artikel 197
       1. Artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 `betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen' - waarop het voorliggende hoofdstuk sterk gebaseerd is - bepaalt dat de in aanmerking genomen wedde ook de weddesupplementen omvat die voor de berekening van het rustpensioen in aanmerking worden genomen. Het is de Raad van State a priori niet duidelijk waarom dat in casu niet het geval is.
       2. Er zou, naar analogie van artikel 14, § 4, van het voornoemd koninklijk besluit van 19 november 1998, voorzien dienen te worden in een specifieke bepaling gesteld als volgt :
       "De verloven bedoeld in deze afdeling worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Indien het beroepspersoneelslid echter op een feestdag om een andere reden met verlof is, of in disponibiliteit of in non-activiteit is geplaatst, blijft zijn administratieve stand bepaald overeenkomstig de verordeningsbepalingen die op hem van toepassing zijn".
       Artikel 198
       In dit artikel zou moeten worden vermeld dat de verlofdagen die niet opgenomen zijn wegens schorsing bij het jaarlijkse saldo van verlofdagen worden gevoegd.
       Artikel 199
       In paragraaf 1, 3°, dient in de Franse tekst ook het geval van "veuve d'un de ses parents" te worden genoemd.
       Artikel 200
       Zoals het tweede lid, 2° tot 4°, thans is gesteld, kan het kind waarvan sprake in die bepalingen om het even welk kind zijn. De vraag rijst of, naar analogie van het voornoemde koninklijk besluit van 19 november 1998, waarop deze afdeling gebaseerd is, het toepassingsgebied van dit artikel niet zou moeten worden beperkt tot de kinderen van het personeelslid of van de echtgeno(o)te van het personeelslid.
       Artikel 202
       In de bepaling onder 3° dient enkel te worden verwezen naar artikel 205, 2°.
       Het geval bedoeld in artikel 205, 1°, van het ontwerp houdt immers geen enkel verband met het verlof wegens dwingende redenen van familiaal belang.
       Artikel 205
       In de bepaling onder 2° dient in de Franse tekst het woord "agent" te worden vervangen door de woorden "membre du personnel professionnel".
       Artikel 207
       Er zou dienen te worden bepaald op welke wijze (vorm, termijn, over te leggen documenten) het personeelslid aan de commandant of diens gemachtigde zijn wens mededeelt om verlof voor stage op te nemen.
       Artikel 208
       Wat betreft paragraaf 3, tweede lid, kan wedertewerkstelling enkel plaatsvinden als de betrekking effectief ingevuld is door toepassing van artikel 208, § 3, eerste lid, van het ontwerp.
       Dat geval van wedertewerkstelling zou bovendien eveneens dienen te worden vermeld in boek 8, dat betrekking heeft op de wedertewerkstelling.
       Artikel 211
       De Raad van State veronderstelt dat de bedoelde "beroepsactiviteit" de activiteit is die uitgeoefend wordt in de hoedanigheid van personeelslid en geen nevenactiviteit, waarvoor de overheid niet bevoegd is.
       Artikel 213
       In de paragrafen 1 en 2 zou moeten worden bepaald op welke wijze (vorm, termijn, over te leggen documenten) het personeelslid - de vader van het kind - aan de commandant of diens gemachtigde de zijn wens mededeelt om vaderschapsverlof op te nemen.
       Artikel 219
       1. In paragraaf 1 zou moeten worden bepaald op welke wijze (vorm, termijn, voor te leggen documenten) het personeelslid aan de commandant of diens gemachtigde zijn wens mededeelt om het adoptieverlof op te nemen.
       2. In paragraaf 2 zou moeten worden gepreciseerd binnen welke termijn de documenten tot staving dienen te worden voorgelegd.
       Artikel 221
       In het derde lid wordt gewag gemaakt van deeltijdse prestaties. Het ontworpen statuut bepaalt echter niet in welke gevallen die prestaties toegestaan zijn.
       Artikel 223
       Het is de Raad van State niet duidelijk hoe paragraaf 1, 1°, van dit artikel, voor zover het bepaalt dat het aantal afwezigheidsdagen wegens ziekte wordt verminderd in geval van verlof bedoeld in artikel 200 van het ontwerp (te weten verlof wegens dwingende redenen van familiaal belang) te rijmen valt met artikel 226 van het ontwerp.
       Artikel 228
       1. In paragraaf 2 zou dienen te worden bepaald welke overheid de nadere regels vastlegt voor de tijdelijke stopzetting van de uitoefening van het ambt.
       2. Naar analogie van artikel 48bis van het voornoemd koninklijk besluit van 19 november 1998, zou een bepaling dienen te worden toegevoegd luidens welke het personeelslid jaarlijks het overzicht krijgt van het saldo van de verloven waarop artikel 221 van het ontwerp hem recht geeft, en waarin de nadere regels worden vastgesteld volgens welke het personeelslid dat saldo kan betwisten.
       Artikel 230
       1. In paragraaf 1 zou moeten worden aangegeven dat deze bepaling van toepassing is onverminderd het bepaalde van artikel 227 van het ontwerp, en dat ze betrekking heeft op de verloven toegekend krachtens artikel 221 van het ontwerp.
       2. Met het oog op het garanderen aan het personeelslid van het voordeligste wachtgeld, rijst in verband met paragraaf 2 de vraag of naar analogie van artikel 57, tweede lid, van het voornoemd koninklijk besluit 19 november 1998, niet het volgende zou moeten worden bepaald :
       "Het bedrag van dat wachtgeld mag in geen geval lager zijn dan :
       1° de vergoedingen die de betrokkene in dezelfde situatie zou krijgen als het socialezekerheidsstelsel op hem van toepassing was geweest van in het begin van zijn afwezigheid;
       2° het pensioen dat hij zou krijgen als hij, op de datum dat hij in disponibiliteit is gesteld, op vervroegd pensioen was gesteld wegens lichamelijke ongeschiktheid".
       3. In paragraaf 3 dient te worden aangegeven dat deze bepaling afwijkt van paragraaf 2.
       Artikel 231
       De wedertewerkstelling kan slechts plaats vinden als de betrekking effectief ingevuld is door toepassing van artikel 230, § 5, van het ontwerp.
       Dat geval van wedertewerkstelling zou bovendien eveneens dienen te worden vermeld in boek 8, dat betrekking heeft op de wedertewerkstelling.
       Artikel 232
       De vraag rijst waarom er geen beroep wordt gedaan op het Bestuur voor medische expertise, opgericht bij het organiek koninklijk besluit van 1 december 2013.
       Artikel 234
       1. In paragraaf 2, vijfde lid, dienen in de Franse tekst de woorden "une prestation" weggelaten te worden.
       2. De vraag rijst of, naar analogie van artikel 62, in fine, van het voornoemd koninklijk besluit van 19 november 1998, aan het personeelslid niet de mogelijkheid zou moeten worden gelaten om, met instemming van de commandant of diens gemachtigde, ervoor te kiezen een dag jaarlijks vakantieverlof te gebruiken voor een afwezigheid van één dag waarvoor hij zich niet heeft laten onderzoeken door een arts wanneer de controlearts geoordeeld heeft dat de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval niet gerechtvaardigd is.
       3. De gevallen van controle op afwezigheden ten gevolge van een ongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte, zoals bedoeld in artikel 227 van het ontwerp, zouden in een afzonderlijke onderafdeling moeten worden geregeld.
       Artikel 238
       In het tweede lid zouden de voornaamste aspecten van de procedure moeten worden vastgelegd, te weten de wijze waarop en de termijn waarbinnen de weigeringsbeslissing ter kennis wordt gebracht van de betrokkene, alsook de nadere regels met betrekking tot het instellen van een beroep. Ook zou de termijn waarbinnen de raad zich dient uit te spreken moeten worden bepaald alsook de gevolgen van zijn beslissing.
       Artikel 241
       Er dient te worden gepreciseerd dat dit artikel van toepassing is tijdens de afwezigheid bedoeld in artikel 237 van het ontwerp.
       Titel 2 - Bepalingen voor de leden van het vrijwillig personeel
       Artikel 243
       1. Titel 2 van boek 14 bevat een enkel artikel, artikel 243, tot regeling van de kwesties aangaande de afwezigheden of verloven om, voor het vrijwillige personeelslid, te voorzien in een bijzonder stelsel van opschorting van de verbintenis "omwille van persoonlijke of professionele redenen" gedurende een ononderbroken periode van zes maanden en een totale duur van maximaal twee jaar voor de gehele duurtijd van zijn verbintenis.
       De Raad van State ziet niet in waarom bepaalde afdelingen van hoofdstuk 3 van titel 1 van hetzelfde boek, dat betrekking heeft op het beroepspersoneel, mutatis mutandis, niet van toepassing zijn op de leden van het vrijwillig personeel. Dat geldt bijvoorbeeld voor de bepalingen met betrekking tot de dagen jaarlijks vakantieverlof (afdeling 3), het omstandigheidsverlof (afdeling 4) of het verlof wegens dwingende redenen van familiaal belang (afdeling 5), het uitzonderlijk verlof (onderafdeling 2 van afdeling 6), het adoptie- of opvangverlof (afdeling 11), alsook de dagen afwezigheid wegens ziekte.
       In ieder geval volstaat artikel 243 van het ontwerp niet om tegemoet te komen aan al die gevallen, evenmin als artikel 175 dat, hoewel het bepaalt dat de diensttijd van het vrijwillige personeelslid wordt vastgesteld na overleg tussen het personeelslid en de commandant of diens gemachtigde, ook stipuleert dat die procedure in overeenstemming moet zijn met een reglement dat de minimale beschikbaarheden van het vrijwillige personeelslid vastlegt. Het spreekt vanzelf dat een reglement niet alle hierboven opgesomde mogelijke afwezigheden kan omvatten.
       Die vraag is overigens nog pertinenter wat betreft het moederschapsverlof en het daarbij aansluitende vaderschapsverlof. Weliswaar zijn de bepalingen van de `arbeidswet' van 16 maart 1971 transversaal van toepassing zonder dat een statutaire bepaling dat in herinnering hoeft te brengen. Toch neemt dit niet weg dat als de steller van het ontwerp het statuut van het vrijwillige personeelslid wil vastleggen in het voorliggende ontwerp door hem bovendien de hoedanigheid van tijdelijk statutair ambtenaar te verlenen, die verloven - voor de volledigheid van de tekst en met het oog op het garanderen van de rechtszekerheid ten aanzien van de adressaten van de regel - er op uitdrukkelijke wijze in zouden moeten worden geregeld door, in voorkomend geval, te verwijzen naar de relevante bepalingen die van toepassing zijn op de leden van het beroepspersoneel.
       2. Voor de gevallen die hij onder artikel 243 wil laten vallen, moet de steller van het ontwerp bepalen op welke wijze de aanvraag moet worden gedaan, binnen welke termijn de raad zich moet uitspreken en welke de gevolgen verbonden zijn aan het uitblijven van een beslissing binnen die termijn.
       Boek 15 - Tuchtregeling
       Algemene opmerkingen
       Teneinde verschillen te voorkomen tussen het dispositief van de ontworpen tekst en het dispositief dat is terug te vinden in de meeste statuten van het federaal openbaar ambt, zou in dit boek verduidelijkt dienen te worden dat :
       - het personeelslid niet het voorwerp kan zijn van een tuchtvordering voor reeds bestrafte feiten behoudens nieuwe elementen die de heropening van het dossier rechtvaardigen en zich voordoen binnen de verjaringstermijn van de tuchtvordering;
       - indien meer dan één feit ten laste van het personeelslid wordt gelegd, dit niettemin slechts aanleiding kan geven tot één procedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf;
       - het recht op een administratief beroep georganiseerd wordt bij een commissie met ten minste een adviesbevoegdheid, idealiter voorgezeten door een magistraat en samengesteld uit bijzitters aangewezen voor de ene helft door de overheid en voor de andere helft door de representatieve vakorganisaties;
       - de overheid die bevoegd is om de tuchtstraf uit te spreken geen zwaardere straf kan opleggen dan die welke in laatste instantie werd voorgesteld en waarbij slechts rekening wordt gehouden met de feiten die de tuchtprocedure hebben gerechtvaardigd;
       - de straf geen gevolg kan hebben dat voorafgaat aan het uitspreken ervan.
       Bovendien zouden de termijnen van de tuchtprocedure op een duidelijkere wijze moeten worden bepaald (inzonderheid wat betreft de artikelen 261, 262 en 264 van het ontwerp).
       Artikel 246
       Op de vraag waarom de waarborg waarin is voorzien in artikel 281, tweede lid, niet van toepassing is op artikel 246, hebben de gemachtigden van de minister het volgende geantwoord :
       "Cette garantie pourrait effectivement être appliquée à la retenue de traitement disciplinaire prévue à l'article 246.
       A ajouter à l'article 246 : `Elle ne peut non plus avoir pour effet de ramener le traitement à un montant inférieur au montant des allocations de chômage auxquelles le membre du personnel aurait droit s'il bénéficiait du régime de la sécurité sociale des travailleurs salariés'".
       Artikel 248
       Het tweede lid dient herschreven te worden, aangezien in het ontworpen statuut geen opdeling wordt gemaakt in rangen en niveaus, maar in kaders.
       Artikel 251
       De bepaling is problematisch in het licht van het onpartijdigheidsbeginsel, aangezien de overheid die de tuchtstraf uitspreekt dezelfde is als die welke ze voorstelt.
       Bijgevolg dient de bepaling te worden herzien.
       Artikel 256
       1. In paragraaf 1, tweede zin, in fine, dient in de Franse tekst te worden geschreven "la loi du 15 mai 2007" in plaats van "la loi".
       2. In dezelfde paragraaf dient te worden bepaald dat "het informatieverslag naar de commandant moet worden gestuurd binnen dertig dagen na het plegen van de feiten of na de kennisneming ervan door de persoon die het verslag opstelt".
       Artikel 258
       Met betrekking tot paragraaf 1, tweede lid, volgt uit artikel 256, § 1, van het ontwerp dat bij afwezigheid van een andere hiërarchische meerdere dan de commandant, enkel een lid van de algemene inspectie een informatieverslag zou kunnen opstellen ter attentie van de commandant. Dat zou ook moeten gelden wanneer de commandant in het geding is, aangezien alleen een lid van de algemene inspectie een verslag zou kunnen opstellen ter attentie van de voorzitter.
       Er zou in de tekst van artikel 256 van het ontwerp uitdrukkelijk moeten worden voorzien in die gevallen.
       Artikel 259
       1. Op de vraag hoe dit artikel wordt toegepast wanneer het betrokken personeelslid geen andere hiërarchisch meerdere heeft dan de commandant, hebben de gemachtigden van de minister het volgende geantwoord :
       "[...] c'est le commandant seul qui procèdera à l'audition. Cette disposition peut être adaptée afin de prévoir que l'audition de cette personne sera le commandant seul".
       Die aanpassing zal er evenwel toe leiden dat de betrokken hiërarchisch meerdere de waarborg wordt ontzegd die aan de andere personeelsleden wordt geboden, wat bij ontstentenis van een objectieve en redelijke rechtvaardiging een probleem kan opleveren in het licht van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel.
       2. Op de vraag hoe dit artikel wordt toegepast wanneer tegen de commandant een tuchtvervolging is ingesteld, hebben de gemachtigden van de minister het volgende geantwoord :
       "Si c'est le commandant qui fait l'objet de poursuites disciplinaires, l'article 253 prévoit que : `En cas de procédure disciplinaire dirigée contre le commandant, les compétences attribuées par le présent livre au commandant ou à son délégué sont exercées par le président', `c'est le président seul qui effectue l'audition' et `Le projet d'arrêté royal fixant le profil de fonction du commandant d'une zone de secours et les modalités de sa sélection et de son évaluation prévoit qu'en cas de sanction disciplinaire, il est mis fin au mandat de commandant de zone'".
       Indien de commandant alleen door de voorzitter wordt gehoord, zal dat er evenwel toe leiden dat aan de commandant de waarborg wordt ontzegd die aan de andere personeelsleden wordt geboden, wat bij ontstentenis van een objectieve en redelijke rechtvaardiging een probleem kan opleveren in het licht van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel.
       Artikel 268
       Gelet op het feit dat de wettelijke bepalingen vermeld in artikel 268 van rechtswege toepasselijk zijn, lijkt deze bepaling nutteloos en mag ze worden weggelaten.
       Artikel 275
       In artikel 106/1 van de voornoemde wet van 15 mei 2007 wordt niet de term "speekseltest" gebruikt maar wel de term "drugtest". Het artikel moet dus worden gewijzigd als volgt :
       "De drugtest zoals bedoeld in artikel 106/1 van de wet van 15 mei 2007 is de speekseltest bedoeld in artikel 61bis [...]".
       Artikel 278
       Er zou moeten worden gepreciseerd hoe het overdreven gebruik wordt vastgesteld.
       Boek 17 - Schorsing in het belang van de dienst
       Algemene opmerking
       Er zou moeten worden voorzien in de te volgen procedure in het kader van de schorsing in het belang van de dienst, alsook in een recht op beroep georganiseerd bij een commissie die op zijn minst adviesbevoegdheid heeft.
       Artikel 280
       In het derde lid dient te worden aangegeven dat het personeelslid vooraf wordt gehoord en dat het mag worden bijgestaan of vertegenwoordigd in alle stadia van de procedure.
       Artikel 281
       Op de vraag waarom de waarborg die geboden wordt in de tweede zin van het tweede lid niet eveneens wordt toegepast op de tuchtrechtelijke inhouding van wedde zoals bepaald in artikel 246, hebben de gemachtigden van de minister het volgende geantwoord :
       "Cette garantie pourrait effectivement être appliquée à la retenue de traitement disciplinaire prévue à l'article 246.
       A ajouter à l'article 246 : `Elle ne peut non plus avoir pour effet de ramener le traitement à un montant inférieur au montant des allocations de chômage auxquelles le membre du personnel aurait droit s'il bénéficiait du régime de la sécurité sociale des travailleurs salariés'".
       Artikel 288
       In de bepaling onder 2° zou moeten worden verwezen naar artikel 150 en artikel 290 van het ontwerp.
       Artikelen 288 en 289
       De vraag rijst of het in navolging van het bepaalde in andere statutaire regels niet raadzaam zou zijn om eveneens te voorzien in een ambtsneerlegging (van ambtswege verlies van de hoedanigheid van operationeel personeelslid) :
       - van het personeelslid van wie de benoeming niet-regelmatig is, op voorwaarde dat, met uitzondering van arglist of bedrog, die onregelmatigheid door de overheid die hem heeft benoemd is vastgesteld binnen de termijn bepaald voor het instellen van beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State of, als een zodanig beroep is ingesteld, tijdens de procedure;
       - van het personeelslid dat zich in een geval bevindt waar de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft.
       Artikel 290
       1. De bepalingen waarnaar in het eerste lid, 1°, dient te worden verwezen, zijn artikel 37, § 1, 1°, 3°, 4°, 5° en 6° en artikel 38, § 1, 1°, 2°, 3°, 4° en 5°.
       2. De vraag rijst ook of het feit dat niet meer wordt voldaan aan de woonplaats- of beschikbaarheidsverplichting, zoals bepaald in artikel 36 van het ontwerp, niet dient te worden vermeld in artikel 290, eerste lid, 1°, van het ontwerp.
       Artikel 292
       Het zou raadzaam zijn de nadere regels te bepalen (procedure, termijn, in te leveren documenten) om de aanvraag in te dienen alsook die (procedure, termijn) voor de besluitvorming door de raad.
       Artikelen 292 en 293
       Er zou moeten worden gepreciseerd welke overheid het eerbaar ontslag verleent.
       Artikel 294
       1. Onder voorbehoud van algemene opmerking nr. 1 dient te worden opgemerkt dat artikel 294 van het ontwerp inzonderheid verwijst naar het eerste, vierde en vijfde lid van artikel 40. Dat artikel is evenwel opgedeeld in paragrafen en bevat geen vierde of vijfde lid. Op de vraag welke de juiste verwijzing is, hebben de gemachtigden van de minster geantwoord :
       "Il s'agit en réalité de l'article 39, alinéas 1er, 4 et 5, et de l'entièreté de l'article 40".
       2. De aandacht van de steller van het ontwerp wordt gevestigd op het feit dat de verwijzing naar artikel 304 van het ontwerp tot gevolg heeft dat de artikelen 59 tot 67 bij wijze van overgangsmaatregel toepasbaar worden gemaakt.
       3. Wat betreft de loopbaan wordt eveneens bepaald dat inzonderheid de artikelen 52 tot 58 van toepassing zijn.
       Artikel 296
       In het ontworpen statuut worden talrijke graden opgeheven (eerste sergeant, sergeant-majoor, adjudant-chef, onderluitenant, kapitein-commandant, luitenant-kolonel).
       Artikel 296 voorziet bijgevolg in een graadomzetting. Bij het lezen van dit artikel rijst de vraag of het bepaalde in artikel 208 van de voornoemde wet van 15 mei 2007 wel wordt nageleefd. Dat artikel luidt :
       "De operationele leden van de bandweerdiensten behouden hun graad of krijgen een gelijkwaardige graad bij overdracht naar de zone".
       Het ontworpen artikel stelt geen probleem voor de houders van de graad van brandweerman, korporaal, sergeant en adjudant. Hetzelfde geldt voor de houders van de graad van onderluitenant en luitenant die niet in het bezit zijn van een diploma van niveau A.
       Zulks geldt evenwel niet voor :
       - de houders van de graad van eerste sergeant en van sergeant-majoor, die de graad zullen krijgen van sergeant, die thans overeenkomt met een lagere graad;
       - de houders van de graad van adjudant-chef, die de graad zullen krijgen van adjudant, die thans overeenkomt met een lagere graad;
       - de houders van de graad van onderluitenant en luitenant die beschikken over een diploma van niveau A zullen de hogere graad van kapitein krijgen; er wordt dus een verschil in wedde ingesteld met de houders van de graad van onderluitenant en luitenant die niet beschikken over een diploma van niveau A en die de graad van luitenant zullen krijgen; dat onderscheid is gebaseerd op het hebben van een diploma; het is evenwel niet zeker dat die rechtvaardiging als redelijk kan worden beschouwd, aangezien ze berust op een diplomavereiste dat niet werd gesteld bij de bevordering van die personen tot de graad van onderluitenant of luitenant;
       Dezelfde opmerking moet worden gemaakt wat betreft de houders van de graad van kapitein.
       Artikel 298
       Er moet worden gepreciseerd dat de afwijking waarvan sprake is in de tweede zin, een afwijking is van artikel 22, 2°, van het ontwerp.
       Artikel 303
       De vraag rijst wat er gebeurt indien de examencommissie de kandidaten al heeft gehoord.
       Artikel 318
       Op de vraag waarom een onderscheid gemaakt wordt tussen enerzijds de vrijwillige officieren en anderzijds de vrijwillige onderofficieren, korporaals en brandweermannen, hebben de gemachtigden van de minister het volgende geantwoord :
       "Actuellement, le contrat des officiers est à durée indéterminée (AR 19/04/99 établissant les critères d'aptitude et de capacité, ainsi que les conditions de nomination et de promotion des officiers des services publics d'incendie) tandis que celui des non-officiers est de 5 ans (AR 06/05/71 fixant les types de règlements communaux relatifs à l'organisation des services communaux d'incendie)".
       Die verklaring rechtvaardigt het gemaakte onderscheid. Ze zou moeten worden opgenomen in het verslag aan de Koning.
       Artikel 320
       Er zou eveneens moeten worden bepaald dat het koninklijk besluit van 3 juni 1999 `betreffende de invoering van de mogelijkheid van een verlof voorafgaand aan de pensionering voor de operationele beroepspersoneelsleden van een openbaar brandweerkorps' van kracht blijft ten aanzien van de personeelsleden die gebruik maken van de mogelijkheid zoals bedoeld in artikel 207 van de voornoemde wet van 15 mei 2007, zolang die situatie voorduurt. (18)
       Artikel 321
       Deze bepaling is niet duidelijk. Wat zal er gebeuren indien het koninklijk besluit, waarbij wordt vastgesteld dat de voorwaarden bedoeld in artikel 220 van de wet van 15 mei 2007 vervuld zijn, niet in werking kan treden op 1 januari 2015?
       Onder dat voorbehoud is het aan de hand van het tweede deel van artikel 321 van het ontwerp niet gemakkelijk om de datum van inwerkingtreding te bepalen waarvan in dat deel de vaststelling wordt beoogd. Zoals dat tweede deel is gesteld, is het immers aan de betrokkenen om uit te zoeken op welke datum de Koning toepassing heeft gegeven aan artikel 220 van de voornoemde wet van 15 mei 2007.
       Het zou raadzaam zijn de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken te machtigen in het Belgisch Staatsblad een bericht bekend te maken waarin, met toepassing van artikel 321, wordt vermeld op welke datum artikel 106 van de voornoemde wet van 15 mei 2007, alsmede het voorliggende besluit in werking treden.
       Bijlage
       De verwijzing naar artikel 17, § 2, derde lid, lijkt niet juist te zijn aangezien dat artikel, noch enig ander artikel, gewag maakt van een sportdeskundige.
       
       De griffier,
       Anne-Catherine Van Geersdaele
       De voorzitter,
       Pierre Vandernoot
       
       ----------
       
       (1) De Vlaamse regering heeft haar advies uitgebracht op haar vergadering van 10 januari 2014, waarbij ze enkel louter formele opmerkingen heeft gemaakt bij het onderhavige ontwerp.
       (2) Dit artikel stelt het volgende : "De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het administratief en geldelijk statuut van het operationeel personeel van de zones, hierbij inbegrepen de opleiding."
       (3) "[...] De Federale Staat blijft weliswaar bevoegd voor de aangelegenheid van de civiele bescherming, doch kan evenwel niet betwisten dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op grond van de artikelen 5 en 56 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, bevoegd is om de Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp te organiseren en het personeel van die instelling van openbaar nut toe te rusten met een administratief statuut en een bezoldigingsregeling, met inachtneming van de algemene beginselen vastgelegd in het koninklijk besluit van 22 december 2000. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van zijn kant, kan niet optreden alsof het bevoegd was geworden voor de civiele bescherming op zijn grondgebied en zonder rekening te houden met de federale regelgeving.
       Te dien einde moet de Federale Staat ofwel rekening houden met de bijzondere kenmerken van de Dienst voor Brandweer georganiseerd door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, door algemene bepalingen vast te stellen die het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de kans bieden deze aan te passen aan de specificiteit van zijn personeel, ofwel moet een samenwerkingsakkoord worden gesloten om het statuut van dat personeel te regelen, waarbij de Federale Staat bevoegd is voor de civiele bescherming, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor het leiden van zijn instelling van openbaar nut, de Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, alsmede het personeel hiervan."
       (4) B.5.2.
       (5) B.10.
       (6) Die bepaling luidt : "Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
       1° vrijwilligerswerk : elke activiteit :
       a) die onbezoldigd en onverplicht wordt verricht;
       b) die verricht wordt ten behoeve van één of meer personen, andere dan degene die de activiteit verricht, van een groep of organisatie of van de samenleving als geheel;
       c) die ingericht wordt door een organisatie anders dan het familie- of privé-verband van degene die de activiteit verricht;
       d) en die niet door dezelfde persoon en voor dezelfde organisatie wordt verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst, een dienstencontract of een statutaire aanstelling; [...]".
       (7) Koninklijk besluit van 2 oktober 1937 `houdende het statuut van het rijkspersoneel' (hierna : het statuut van het rijkspersoneel).
       (8) Artikel 29 van het Wetboek van strafvordering : "Iedere gestelde overheid, ieder openbaar officier of ambtenaar [...] die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf, is verplicht daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden, en aan die magistraat alle desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen."
       (9) Opmerking 4 over artikel 5 van dat voorontwerp.
       (10) Zie in die zin artikel 12, § 1, derde en vierde lid, van het statuut van het rijkspersoneel.
       (11) Zie artikel 37, § 2, van het ontwerp.
       (12) Wat dat betreft, dient te worden opgemerkt dat het koninklijk besluit van 21 februari 2011 `betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten' de opleiding regelt van de leden van de openbare hulpdiensten.
       (13) Zie met name RvS 29 mei 2012, 219.554.
       (14) De artikelen 7 en 8, §§ 1 en 2, van die wet van 10 mei 2007 luiden als volgt :
       "Art. 7. Elk direct onderscheid op grond van een van de beschermde criteria vormt een directe discriminatie, tenzij dit directe onderscheid objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn
       Art. 8. § 1. In afwijking van artikel 7, en onverminderd de overige bepalingen van deze titel, kan een direct onderscheid op grond van leeftijd, seksuele geaardheid, geloof of levensbeschouwing of een handicap in de in artikel 5, § 1, 4°, 5° en 7°, bedoelde aangelegenheden uitsluitend gerechtvaardigd worden op grond van wezenlijke en bepalende beroepsvereisten.
       § 2. Van een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste kan slechts sprake zijn wanneer :
       - een bepaald kenmerk, dat verband houdt met leeftijd, seksuele geaardheid, geloof of levensbeschouwing of een handicap, vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgevoerd, wezenlijk en bepalend is, en;
       - het vereiste berust op een legitieme doelstelling en evenredig is ten aanzien van deze nagestreefde doelstelling."
       (15) Zie in die zin advies 52.094/2, op 22 oktober 2012 gegeven over een ontwerp dat ontstaan heeft gegeven aan het koninklijk besluit van 9 januari 2013 `tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 september 2003 tot invoering van een verlof voorafgaand aan het pensioen ten gunste van sommige ambtenaren in dienst in de buitendiensten van het Directoraat-generaal EPI - Penitentiaire Inrichtingen'.
       (16) Namelijk het uitvoeren van dringende interventies om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval of aan een onvoorziene noodzakelijkheid.
       (17) Overwegingen 1 en 3 en artikel 6 van de voornoemde Richtlijn 2003/88/EG.
       (18) Zie in die zin artikel 41, § 2, van het ontwerp van koninklijk besluit waarover de Raad van State heden het voornoemde advies 55.166/2 heeft gegeven.
       
       Raad van State
       afdeling Wetgeving
       Advies 55.523/2 van 26 maart 2014 over een ontwerp van koninklijk besluit `tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszone'
       Op 26 februari 2014 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszone'.
       Het ontwerp is door de tweede kamer onderzocht op 26 maart 2014. De kamer was samengesteld uit Pierre Vandernoot, kamervoorzitter, Martine Baguet en Luc Detroux, staatsraden, Yves De Cordt en Christian Behrendt, assessoren, en Anne-Catherine Van Geersdaele, griffier.
       Het verslag is uitgebracht door Claudine Mertes, auditeur.
       De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre Vandernoot.
       Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 26 maart 2014.
       Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
       Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
       Algemene opmerkingen
       1. In advies 55.165/2, op 6 februari 2014 gegeven over een vorige versie van het ontwerp van koninklijk besluit `tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszone' heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State opgemerkt dat uit de stukken die bij de adviesaanvraag waren gevoegd, bleek dat de Ministerraad beraadslaagd had op 13 december 2013, dat wil zeggen voordat het vormvereiste inzake het erbij betrekken van de gewesten vervuld was en voordat de onderhandelingen met de vakbonden afgerond waren. Ze heeft dan ook aangegeven dat zij haar opmerkingen maakte onder het voorbehoud dat, indien de teksten die aan de Raad van State waren voorgelegd nog gewijzigd zouden worden als gevolg van de voornoemde vormvereisten waaruit de Ministerraad nog geen conclusies had getrokken, de bepalingen die wezenlijke wijzigingen zouden ondergaan opnieuw aan de Raad van State moesten worden voorgelegd om te worden onderzocht.
       In de voorliggende adviesaanvraag wordt het volgende gesteld :
       "A la suite notamment de l'accomplissement de la formalité de l'association des régions, les textes ont subi une série de modifications (surlignées en jaune et en rose dans le texte). Un nouvel avis est dès lors sollicité de la section de législation sur ces adaptations".
       De hiernavolgende opmerkingen hebben dus alleen betrekking op de aanpassingen die de steller van het ontwerp heeft gemarkeerd.
       Bij het onderzoek van die wijzigingen is bovendien rekening gehouden met de vaste adviespraktijk van de afdeling Wetgeving, luidens welke de afdeling Wetgeving van de Raad van State, wanneer ze een advies heeft gegeven, haar bevoegdheid inzake de onderzochte bepalingen heeft opgebruikt zodat het haar niet toekomt om zich opnieuw over die bepalingen uit te spreken, ongeacht of ze ongewijzigd blijven dan wel of ze zijn herzien teneinde rekening te houden met de opmerkingen die in het eerste advies zijn gemaakt. In dat laatste geval spreekt de Raad van State zich niet uit over de vraag of aan die opmerkingen al dan niet een passend gevolg is gegeven.
       Het advies beperkt zich dus tot de bepalingen van het ontwerp die nieuw zijn ten opzichte van de versie van het ontwerp waarover de Raad van State het voornoemde advies 55.165/2 heeft gegeven of die zijn gewijzigd als gevolg van de procedure van het erbij betrekken van de gewesten en van de onderhandelingen met de vakbonden.
       De louter formele wijzigingen, de wijzigingen die uit het voornoemde advies 55.165/2 voortvloeien en de bepalingen die identiek zijn aan de tekst waarover datzelfde advies is gegeven, ook al zijn ze gemarkeerd, worden in dit advies dus niet meer onderzocht.
       De afdeling Wetgeving heeft haar onderzoek dus beperkt tot de gemarkeerde aanpassingen in de artikelen 2, §§ 1 en 2, 35, § 2, derde lid, 2°, 43, 51, vierde lid, 150, 174, 176, 198, 201, 204, 207, 2°, eerste lid (wat betreft de toevoeging van de woorden "van het beroepspersoneelslid") en tweede lid, en 3° tot 7°, 210, § 2, 235, tweede en derde lid, 248, 300, 2°, 301, 2°, 303, § 2, 306, 308, 331, 332 en 335, tweede lid, van het ontwerp, alsook in bijlage 1 ervan.
       2. De steller van het ontwerp wordt er tevens op gewezen dat over de bepalingen waarvan de strekking wezenlijk is gewijzigd ten opzichte van de versie die aan de vakorganisaties is voorgelegd, opnieuw moet worden onderhandeld teneinde te voorkomen dat op die grond eventueel een beroep wordt ingesteld. (1)
       Bijzondere opmerkingen
       Dispositief
       Artikel 2
       Op de vraag waarom in de paragrafen 1 en 2 een uitzondering wordt gemaakt, eerst voor artikel 332 en dan voor artikel 331, heeft de gemachtigde van de minister het volgende geantwoord :
       "La première référence est erronée. Il convient, en réalité, de référer là aussi à l'article 331 du projet de statut. La raison d'être de ces exceptions consiste à exclure les officiers-médecins et les moniteurs d'éducation physique de l'application du statut. Actuellement, les officiers-médecins ainsi que les moniteurs d'éducation physique font partie du cadre opérationnel. Il est toutefois prévu que dans le futur, ces personnes seront transférées vers le cadre administratif et se verront, dès lors, appliquer un statut distinct".
       Onder voorbehoud van de opmerking die over artikel 331 wordt geformuleerd, moet in paragraaf 1 dus worden verwezen naar artikel 331 in plaats van naar artikel 332.
       Artikel 51
       Door de vergelijking van de Nederlandse en de Franse tekst van het vierde lid rijst de vraag of het advies van de commandant na de periode van zes jaar hoe dan ook vereist is, dat wil zeggen zowel in het geval van de stilzwijgende vernieuwing als in het geval waarin de benoeming niet wordt vernieuwd.
       Hoe dan ook moet de procedure die gevolgd moet worden om tot de niet-vernieuwing te kunnen besluiten, nauwkeuriger worden vastgesteld. Wanneer moet het advies van de commandant worden gegeven? Wordt dat advies uit eigen beweging gegeven of op verzoek van de raad? Wordt het aan de vrijwilliger overgezonden? Zo ja, binnen welke termijn? Binnen welke termijn wordt het aan de raad overgezonden? Wanneer kan de raad de vrijwilliger horen? Hoe en wanneer moet de vrijwilliger zijn verzoek formuleren om gehoord te worden?
       Dit lid, in ieder geval de Franse tekst ervan, kan aldus geïnterpreteerd worden dat de raad na het advies van de commandant beslist om de benoeming niet te vernieuwen. Artikel 25 van de wet van 15 mei 2007 `betreffende de civiele veiligheid' luidt echter als volgt :
       "De zonecommandant (bedoeld in artikel 109) neemt deel aan de vergaderingen van de raad met raadgevende stem."
       Aangezien de beslissing inzake de niet-vernieuwing door de raad moet worden genomen (zie de artikelen 47 tot 49 van het ontwerp), moet erop worden toegezien dat de zonecommandant in de praktijk niet aan de vergaderingen van de raad deelneemt wanneer de raad een beslissing moet nemen om al dan niet te vernieuwen, opdat het beginsel van onpartijdigheid niet wordt geschaad.
       Artikel 150
       De machtiging in het derde lid kan worden aanvaard aangezien ze wordt uitgeoefend in het kader dat op basis van artikel 148 van het ontwerp wordt vastgesteld en aangezien de draagwijdte ervan beperkt is.
       Artikel 198
       1. Over de bepaling onder 1° behoeft geen opmerking te worden gemaakt, aangezien ze in het ontworpen statuut alleen een bepaling invoegt die lijkt op artikel 12, § 1, tweede lid, 1°, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 `betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen', waarop hoofdstuk 3 ("Verloven en dienstvrijstellingen") van boek 9, titel 1, van het ontworpen besluit in grote mate is gebaseerd.
       2. Uit het onderzoek van de ontworpen artikelen 198 en 204 blijkt dat het vakantieverlof en het verlof om dwingende redenen in soortgelijke gevallen worden verminderd, te weten wanneer het personeelslid :
       - in de loop van het jaar in dienst treedt;
       - zijn ambt neerlegt;
       - in de loop van het jaar een verlof heeft gekregen vermeld in artikel 207, 4°, artikel 209, artikel 210 of artikel 217, § 1;
       - in non-activiteit of in disponibiliteit is geplaatst.
       Het geval van het verlof verkregen op basis van artikel 208 wordt echter alleen in artikel 204 vermeld. Teneinde de regeling voor de berekening van het vakantieverlof samenhangend te maken, moet de steller van het ontwerp dan ook nagaan of, met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel, niet moet worden bepaald dat het vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd wanneer het beroepspersoneelslid een verlof heeft verkregen voor het uitoefenen van een ambt bij een ministerieel kabinet, zoals vermeld in artikel 208.
       Artikel 207
       1. De bepaling onder 2°, tweede lid, voegt in het ontworpen statuut een soortgelijke bepaling in als artikel 20, § 1, tweede lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 19 november 1998. Het verdient nochtans de voorkeur om de zin, naar het voorbeeld van wat in dat artikel is geschreven, aan te vullen als volgt : "maar gedomicilieerd is bij de andere ouder van het kind".
       2. De bepaling onder 5° voegt in het ontworpen statuut een soortgelijke bepaling in als artikel 21, eerste lid, 1°, van het voornoemde koninklijk besluit van 19 november 1998. Het zou nochtans nuttig zijn om, naar het voorbeeld van wat in dat artikel vermeld wordt, de ontworpen bepaling aan te vullen met de bepaling dat het beroepspersoneelslid door de bevoegde overheid verzocht kan worden het bewijs te leveren van zijn deelname aan de bedoelde activiteiten, teneinde dat verlof te kunnen genieten.
       Artikel 210
       De Raad van State vraagt zich af wat de logische samenhang is tussen enerzijds de handelwijze die er in het algemeen in bestaat de verschillende aspecten van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones te harmoniseren, die uit heel het ontwerp blijkt, en anderzijds de handelwijze die uit artikel 210, § 2, naar voren komt en die inzake één van de aspecten van dat statuut aan die zones een vrij ruime autonomie verleent.
       Artikel 300
       In de bepaling onder 2° wordt nader aangegeven in welke gevallen het ontslag van ambtswege uitgesproken wordt, onder verwijzing naar artikel 302 en artikel 150. Betreffende het ontslag van ambtswege dat op die basis wordt gegeven, zou in de bepalingen inzake de opleiding of inzake de beëindiging van het ambt evenwel moeten worden gepreciseerd hoe dat ontslag wordt gegeven. Wordt het verleend wanneer het personeelslid geen enkel opleidingsuur volgt of wanneer het niet het jaarlijks quotum opleidingsuren bereikt? Welke procedure geldt hiervoor (termijn, hoorgesprek met het personeelslid, enz.)? Welke redenen kunnen in voorkomend geval als excuus worden aangehaald (bijvoorbeeld overmacht)?
       Dezelfde opmerking geldt voor het ontworpen artikel 301, 2°.
       Artikel 306
       Onder voorbehoud van wat reeds is opgemerkt in het voornoemde advies 55.165/2 over de vorige versie van de overgangsbepaling die met artikel 306 overeenstemt, geeft de voorliggende tekst aanleiding tot de volgende opmerkingen.
       Algemene opmerkingen
       1. Zoals reeds is opgemerkt in het voornoemde advies 55.165/2, heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State het volgende gesteld in advies 41.963/2, op 17 januari 2007 gegeven over een voorontwerp van wet `betreffende de civiele veiligheid' :
       "(...) De Federale Staat blijft weliswaar bevoegd voor de aangelegenheid van de civiele bescherming, doch kan evenwel niet betwisten dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op grond van de artikelen 5 en 56 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, bevoegd is om de Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp te organiseren en het personeel van die instelling van openbaar nut toe te rusten met een administratief statuut en een bezoldigingsregeling, met inachtneming van de algemene beginselen vastgelegd in het koninklijk besluit van 22 december 2000.
       Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van zijn kant, kan niet optreden alsof het bevoegd was geworden voor de civiele bescherming op zijn grondgebied en zonder rekening te houden met de federale regelgeving.
       Te dien einde moet de Federale Staat ofwel rekening houden met de bijzondere kenmerken van de Dienst voor Brandweer georganiseerd door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, door algemene bepalingen vast te stellen die het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de kans bieden deze aan te passen aan de specificiteit van zijn personeel, ofwel moet een samenwerkingsakkoord worden gesloten om het statuut van dat personeel te regelen, waarbij de Federale Staat bevoegd is voor de civiele bescherming, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor het leiden van zijn instelling van openbaar nut, de Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, alsmede het personeel hiervan."
       Aldus heeft de afdeling Wetgeving aangegeven dat uit de volgende alternatieven moest worden gekozen : het bepalen van de algemene principes of het sluiten van een samenwerkingsakkoord.
       Het ontworpen artikel 306 maakt van die alternatieven echter cumulatieve opties door enerzijds de algemene principes te bepalen en anderzijds te voorzien in het sluiten van een samenwerkingsakkoord.
       Hierover bevat het verslag aan de Koning de volgende toelichting :
       "Gelet op deze twee bevoegdheidsniveaus, herinnert de Raad van State eraan dat hij, om een einde te stellen aan de juridische onzekerheid die de materie kenmerkt, twee oplossingen heeft voorgesteld : enerzijds kan de federale overheid `rekening houden met de bijzonderheden van de brandweerdienst die georganiseerd wordt door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest door algemene bepalingen vast te leggen die het dit gewest mogelijk maken om deze aan te passen aan de specificiteiten van zijn personeel', anderzijds kunnen de federale overheid en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest eensgezind optreden door samenwerkingsakkoorden op dit gebied af te sluiten".
       Alhoewel de wetgever via artikel 17, § 1, 7°, van de voornoemde wet van 15 mei 2007 heeft geopteerd voor het bepalen van de toepasselijke algemene principes, lijkt het aanvaardbaar dat ook voor het samenwerkingsakkoord wordt gekozen, aangezien de bedoeling daarvan is de moeilijkheden op te lossen die zich voordoen bij de uitoefening van de bevoegdheden van de federale overheid en van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ter zake en artikel 332 van het ontwerp voorts voorkomt dat er een rechtsvacuüm ontstaat in de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 5, 87, 88 en 308 alsook in de aangelegenheden van de boeken 4 en 5, titel 1, van het ontwerp.
       De steller van het ontwerp moet echter worden gewezen op de gevaren van deze wijze van regelgeving, betreffende de samenhang en de leesbaarheid van de ingevoerde regeling. De regels die voor de DBDMH gelden, zullen bijgevolg immers op drie niveaus gestructureerd zijn :
       - ten eerste de regels die de Brusselse Hoofdstedelijke Regering volledig autonoom kan vaststellen;
       - ten tweede de regels die alleen kunnen worden vastgesteld met naleving van de algemene principes die artikel 306, § 1, van het ontworpen besluit bepaalt;
       - ten derde de regels die worden vastgesteld door een samenwerkingsakkoord en die naderhand dus alleen kunnen worden gewijzigd wanneer een nieuw samenwerkingsakkoord wordt gesloten.
       2. Sommige aangelegenheden moeten geregeld worden in een samenwerkingsakkoord terwijl andere aangelegenheden als algemene principes worden beschouwd.
       Zo moet een samenwerkingsakkoord worden gesloten over bepaalde aspecten van de loopbaan, zoals over de aanwerving (boek 4) en de bevordering door verhoging in graad (boek 5, titel 1), terwijl andere aspecten van de loopbaan zoals verscheidene bepalingen inzake mobiliteit (boek 5, titel 2, partim), de professionalisering of de wedertewerkstelling als algemene principes worden beschouwd. Bovendien moeten twee aangelegenheden die onder de bepalingen inzake mobiliteit vallen, te weten de artikelen 87 en 88, geregeld worden bij een samenwerkingsakkoord, terwijl andere bepalingen van de titel betreffende de mobiliteit als algemene principes worden beschouwd.
       In dat verband wordt in het ontwerp van verslag aan de Koning alleen het volgende gesteld :
       "Bijgevolg weerspiegelt artikel 306 deze twee oplossingen voorgesteld door de Raad van State. De eerste paragraaf somt een reeks bepalingen op die van toepassing zijn op de DBDMH en die voor deze dienst algemene principes vormen; in dit geval dient het Brussels Hoofdstedelijk Gewest deze aan te vullen, toe te passen of aan te passen door middel van de bevoegdheid die het bezit inzake het statuut dat van toepassing is op het personeel van de instellingen voor openbaar nut die het heeft gecreëerd (zie de artikelen 5 en 56 van de voormelde bijzondere wet van 12 januari 1989).
       De tweede paragraaf van artikel 306 past de tweede oplossing voorgesteld door de Raad van State toe en bepaalt nauwkeurig de aangelegenheden die het voorwerp moeten uitmaken van een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (...)".
       Op een vraag hieromtrent heeft de gemachtigde van de minister het volgende gesteld : "cette disposition telle qu'elle est rédigée actuellement résulte d'une demande formulée en ce sens par la Région de Bruxelles-Capitale et ce, dans le cadre de la formalité de l'association des régions à l'élaboration du projet d'arrêté royal", en heeft ze de verklarende gegevens bijgevoegd, die het Brussels Hoofdstedelijk Gewest had verschaft.
       Die gegevens bestaan allereerst uit de herhaling van de argumenten die in het verslag aan de Koning voorkomen. Vervolgens worden evenwel de volgende overwegingen toegevoegd :
       "Ce sont principalement les obligations linguistiques imposées par les lois coordonnées sur l'emploi des langues en matière administrative qui ont présidé à la répartition des matières dans le premier ou dans le deuxième paragraphe de l'article 306. Le SIAMU est en effet le seul service d'incendie bilingue du pays et se trouve de ce fait soumis aux obligations de répartition linguistique fixées par les cadres linguistiques. Par ailleurs, comme on le sait, les pourcentages issus des cadres linguistiques doivent être respectés au sein de chaque degré de la hiérarchie, étant entendu qu'un arrêté distinct de celui qui fixe les cadres linguistiques détermine les grades des membres du personnel qui constituent un même degré de hiérarchie. Par conséquent, du fait de cette particularité, il a été décidé que les principales dispositions du présent statut mettant en jeu les différents grades du présent statut feraient l'objet d'un accord de coopération : l'article 5 (établissement des différents grades des cadres de base, moyen et supérieur), les articles 87 et 88 (conditions de mobilité), l'article 308 (droit transitoire des grades) ainsi que le titre premier du livre 5 (système de promotion par avancement de grade). Il est en effet préférable que les dispositions précitées fassent l'objet d'un accord de coopération, de manière à pouvoir assurer leur mise en oeuvre en bonne intelligence avec la législation linguistique. Pour ne prendre qu'un exemple, l'article 308, 7°, octroie, sous certaines conditions, le grade de major à un agent titulaire du grade de capitaine. Or, à Bruxelles, le grade de capitaine est de rang A2 et celui de major de rang A4, ce rang A4 imposant une parité linguistique à ce degré (article 43, § 3, des lois coordonnées précitées). Par conséquent, une application de l'article 308 précité sans aménagement conduirait, à Bruxelles, à une arrivée soudaine et trop importante d'agents titulaires d'un grade imposant la parité linguistique.
       Par ailleurs, il a également été décidé que le livre 4 ferait l'objet d'un accord de coopération entre l'Etat fédéral et la Région de Bruxelles-Capitale : ses dispositions, très détaillées, ne sauraient être assimilées à des principes généraux - leur `application directe' réduirait à néant l'autonomie que la Région bruxelloise détient en la matière. A l'inverse, la plupart des formulations des dispositions énumérées au paragraphe premier de l'article 306 font en sorte que la Région de Bruxelles-Capitale dispose, à leur égard, d'une marge de manoeuvre dans leur application et leur adaptation au SIAMU".
       Die uitleg betreffende de verdeling van de aangelegenheden die als algemene principes worden beschouwd en die welke geregeld moeten worden bij een samenwerkingsakkoord zou beter in het verslag aan de Koning worden opgenomen.(2)
       Bijzondere opmerkingen
       1. In paragraaf 1, derde streepje, wordt inzonderheid verwezen naar het ontworpen artikel 33. Daarin wordt bepaald dat "de opschorting van de toestemming bedoeld in artikel 32 geen effect (heeft) op de duur ervan". Het is de Raad van State derhalve niet duidelijk waarom in artikel 306, § 1, niet eveneens verwezen wordt naar artikel 32.
       2. In paragraaf 1, vijfde streepje, wordt inzonderheid verwezen naar artikel 99. Ter wille van de samenhang met de verwijzing naar artikel 77, eerste en derde lid, behoort evenwel uitsluitend verwezen te worden naar artikel 99, eerste en derde lid.
       3. In paragraaf 1, negende streepje, wordt verwezen naar artikel 333. Deze verwijzing moet worden geschrapt. Dat artikel maakt immers deel uit van boek 17, waarnaar paragraaf 1, tiende streepje, verwezen wordt.
       4. In paragraaf 3 wordt verwezen naar de artikelen 280 tot 290. Aangezien in artikel 290 verwezen wordt naar artikel 15, verdient het aanbeveling om in artikel 306 eveneens naar die bepaling te verwijzen.
       Boek 16 - Overgangsbepalingen
       Men kan zich afvragen of er in boek 16 geen bepalingen moeten worden ingevoegd die vergelijkbaar zijn met de artikelen 48 en 52, §§ 2 en 3, van het ontwerp waarover vandaag advies 55.524/2 gegeven is met betrekking tot een ontwerp van koninklijk besluit `houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de hulpverleningszones', teneinde het personeelslid de mogelijkheid te bieden om bepaalde verworvenheden te behouden (bijvoorbeeld inzake verloven) die toegekend zijn onder de gelding van de regelgeving waarvan de opheffing beoogd wordt.
       Artikel 308
       In artikel 308 wordt inzonderheid de voorwaarde van tien jaar graadanciënniteit opgelegd voor de integratie van bepaalde onderluitenants en luitenants in de graad van kapitein, maar wordt geen enkele anciënniteitsvoorwaarde bepaald voor de integratie van bepaalde luitenant-dienstchefs in diezelfde graad. Voorts wordt voor de integratie van bepaalde kapiteins in de graad van majoor een graadanciënniteit van vijf jaar vereist, terwijl geen enkele anciënniteit vereist is voor bepaalde kapiteins-dienstchefs en voor de kapiteins-commandanten die geen dienstchef zijn. Voor bepaalde majoors-dienstchefs, kapiteins-commandanten die dienstchef zijn en luitenant-kolonels is evenmin een anciënniteit vereist voor de integratie in de graad van kolonel.
       Op een vraag naar de redenen waarom in bepaalde gevallen tien jaar graadanciënniteit, vijf jaar graadanciënniteit of geen graadanciënniteit vereist is, heeft de gemachtigde van de minister het volgende gesteld :
       " Il a été estimé que la fonction de chef de service ne nécessite aucune ancienneté de grade, étant entendu que les personnes qui l'exercent assument déjà d'importantes responsabilités et peuvent dès lors attester d'une certaine valeur ajoutée par rapport aux autres titulaires du même grade. En outre, l'on a jugé que, au plus la personne est haut gradée, au plus cette dernière dispose d'une ancienneté totale dans les grades ".
       Indien de steller van het ontwerp uitgaat van het principe dat " hoe hoger de graad van de persoon, hoe groter de totale graadanciënniteit van die persoon " zijn de redenen waarom de onderluitenants en de luitenants (die geen dienstchef zijn) aan dezelfde voorwaarde van tien jaar graadanciënniteit moeten voldoen om geïntegreerd te kunnen worden in de graad van kapitein, in de huidige redactie van de ontworpen tekst niet echt duidelijk.
       De steller van het ontwerp zou deze voorwaarde dan ook moeten herzien, aangezien ze, zoals ze thans is gesteld, moeilijk te rechtvaardigen valt in het licht van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, te meer daar uit de uitleg die door de gemachtigde van de minister gegeven is over het huidige gradensysteem blijkt dat op dit ogenblik de graad van onderluitenant in hoofdzaak een tijdelijke graad is, dat binnen de kaders van de brandweerdiensten overigens geen onderscheid wordt gemaakt tussen het aantal onderluitenants en luitenants en voor de overgang van onderluitenant naar luitenant alleen het brevet van brandvoorkoming vereist is.
       De rechtvaardiging voor het systeem van integratie van de officieren in de nieuwe graden blijkt evenwel eveneens uit andere documenten die door de gemachtigde van de minister zijn overgezonden aan de Raad van State.
       Zo wordt met de ontworpen hervorming het aantal officiersgraden teruggebracht van zes tot vier en wordt er gestreefd naar een uniformisering door op nauwkeurige wijze de functie te bepalen die overeenstemt met elk van de vier overblijvende officiersgraden.
       De integratie in de nieuwe graden is geen makkelijke zaak, niet alleen door het kleiner aantal graden, maar ook door verschillende factoren die benadrukt worden in de voornoemde documenten, met name hetgeen hieronder wordt vermeld :
       - De voorwaarden van aanwerving voor eenzelfde graad verschillen naar gelang van de categorie van de dienst (C, Z en Y, X). Zo wordt in het koninklijk besluit van 19 april 1999 `tot vaststelling van de geschiktheids- en bekwaamheidscriteria alsmede van de benoembaarheids- en bevorderingsvoorwaarden voor de officieren van de openbare brandweerdiensten', welk besluit bij het ontworpen besluit wordt opgeheven, voor de aanwerving van officieren en voor de uitoefening van de functie van officier-dienstchef van de diensten van categorie X en Y, bepaald dat men houder moet zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau 1 (artikelen 7, § 1, en 45).
       - Thans zijn de functies van dienstchef niet even belangrijk naar gelang van de categorie van de dienst in kwestie. Zo heeft de dienstchef in diensten van categorie C de graad van luitenant, in diensten van categorie Z de graad van kapitein, in diensten van categorie Y, de graad van kapitein-commandant en in diensten van categorie X, de graad van kolonel. Om die functies te kunnen uitoefenen, dient men voorts houder te zijn van het brevet van dienstchef.
       - Thans wordt de hoogste graad bepaald door de categorie van de dienst in kwestie. Voor de categorie Y gaat het bijvoorbeeld om de graad van kapitein-commandant, terwijl het voor de categorie X om de graad van kolonel gaat. Daaruit vloeit voort dat de functies en verantwoordelijkheden van een kapitein-commandant van een dienst van categorie Y niet noodzakelijkerwijze vergelijkbaar zijn met die van een kapitein-commandant van categorie X.
       Gelet op hetgeen voorafgaat, kan met betrekking tot het ontworpen artikel 308 niet gezegd worden dat het volledige voldoening schenkt wat betreft de integratie van de bestaande graden in de nieuwe graden. Dat artikel houdt immers geen rekening met de verscheidenheid aan situaties die in de praktijk bestaan en dreigt dus te voorzien in een identieke behandeling voor officieren die zich thans in onderscheiden situaties bevinden, doorgaans ten gevolge van het verloop van hun loopbaan naar gelang van de categorie van de dienst waarin zij hun functies uitoefenen.
       Zo zou bijvoorbeeld het bezit van een diploma van niveau A in bepaalde gevallen ten nutte kunnen worden gemaakt, inzonderheid wanneer dit reeds een voorwaarde was voor aanwerving, bevordering of uitoefening van de functie van dienstchef onder de gelding van het voornoemd koninklijk besluit van 19 april 1999.
       Zo ook lijkt de uitoefening van een functie van dienstchef ten nutte gemaakt te kunnen worden wanneer daarvoor het bezit van het brevet van dienstchef vereist was.
       Het document dat aan de Raad van State is overgezonden door de gemachtigde van de minister en dat een voorstel bevatte tot integratie in de graden van officieren, lijkt in die lijn te liggen, aangezien daarin wordt voorgesteld rekening te houden met het volgende :
       - het bezit van het diploma van niveau A, vanaf het ogenblik dat dit een voorwaarde was voor aanwerving;
       - het behalen op latere datum van de modules brandvoorkoming en crisissituatiebeheer;
       - het ten nutte maken van de verworven ervaring (voor de luitenants zonder diploma van niveau A maar in het bezit van het brevet crisissituatiebeheer en voor de luitenant-dienstchefs).
       Die nieuwe bepalingen inzake integratie zouden evenwel nog aanleiding kunnen geven tot bepaalde problemen in het licht van het gelijkheidsbeginsel, indien daarvoor geen enkele rechtvaardiging wordt gegeven, met name in de volgende gevallen :
       a) Zoals hiervoor reeds is vermeld, zijn de onderluitenants (officieren-brandvoorkoming-crisissituatiebeheer) en luitenants (crisissituatiebeheer-die geen dienstchef zijn) aan dezelfde voorwaarde onderworpen, namelijk tien jaar graadanciënniteit bezitten, om geïntegreerd te kunnen worden in de graad van kapitein.
       b) De luitenant-dienstchef die minder dan vijf jaar anciënniteit heeft als dienstchef blijft luitenant. Wat als hij evenwel reeds meer dan tien jaar anciënniteit verworven heeft in de graad van luitenant ? Dezelfde opmerking geldt voor de kapitein-dienstchef die geen diploma van niveau A heeft en minder dan vijf jaar anciënniteit als dienstchef heeft.
       c) De situatie van de luitenant-dienstchef, met een diploma van niveau A of een brevet van crisissistuatiebeheer wordt niet besproken.
       d) Waarom wordt het diploma niet ten nutte gemaakt wat betreft de kapitein-commandant die geen dienstchef is ?
       e) De situatie van de majoors met een diploma van niveau A wordt niet besproken.
       Meer in het algemeen gaat de Raad van State er overigens van uit dat, gelet op de overgezonden documenten, dat nieuw voorstel eveneens gegrond is op het verschil in verantwoordelijkheden en functies tussen personen met eenzelfde graad, naar gelang ze behoren tot een dienst van de categorie C, X, Y of Z. Indien dat het geval is, zou het misschien nuttig zijn om daarvan melding te maken in de tekst van het ontwerp of in het verslag aan de Koning teneinde bepaalde mogelijke weddeverschillen te rechtvaardigen.
       Het zou hoe dan ook nuttig zijn om in het verslag aan de Koning de complexiteit van de integratie van de huidige graden in de nieuwe graden toe te lichten en aan te geven welke redenen de in aanmerking genomen oplossingen rechtvaardigen.
       Artikel 331
       Artikel 331 is de enige bepaling die handelt over de officieren-geneesheren en de monitors lichamelijke opvoeding. In het ontworpen statuut wordt niets bepaald in verband met hun situatie. Aangezien geen enkel artikel de overgang regelt van hun huidige graad naar het systeem dat met het ontworpen statuut ingevoerd wordt, is de gemachtigde van de minister gevraagd naar de draagwijdte van het voorliggende artikel, waarin wordt bepaald dat zij de eretitel van hun graad kunnen blijven dragen.
       Zij heeft in dat verband het volgende gesteld :
       " Actuellement, comme expliqué précédemment, les officiers-médecins ainsi que les moniteurs d'éducation physique font partie du cadre opérationnel. Il est toutefois prévu que dans le futur, ces personnes seront transférées vers le cadre administratif. Elles ne seront dès lors plus détenteurs de grades. Toutefois, de manière transitoire et pour éviter d'éventuelles susceptibilités, il est prévu que ces personnes pourront continuer à porter leur grade à titre honorifique ".
       Gelet op deze toelichting, vraagt de Raad van State zich evenwel af of deze bepaling niet veeleer thuishoort bij de overgangsbepalingen van het besluit dat de situatie zal regelen van de leden van het administratief kader waarnaar de officieren-geneesheren en de monitors lichamelijke opvoeding zullen worden overgeheveld, in de plaats van in dit besluit.
       Artikel 332
       Het ontworpen artikel 335, tweede lid, 1° en 3°, luidt als volgt :
       "Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, treden echter in werking op hetzelfde moment als het samenwerkingsakkoord, vermeld in artikel 306, § 2 :
       1° artikel 17 § 1,7°, van de wet van 15 mei 2007;
       [...];
       3° dit besluit."
       Dat betekent dus dat alle bepalingen waarvan sprake is in het ontworpen artikel 306 eerst van toepassing zullen zijn op de DBDMH zodra het samenwerkingsakkoord bedoeld in artikel 306, § 2, in werking getreden zal zijn.
       -Zolang dat samenwerkingsakkoord niet in werking getreden zal zijn, zullen alle aangelegenheden bedoeld in artikel 306 en niet alleen bepaalde ervan, dan ook blijkbaar geregeld blijven door de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.
       Artikel 335
       Artikel 17, § 1, 7°, van de voornoemde wet van 15 mei 2007 luidt als volgt :
       "Deze wet is van toepassing op het orgaan, dat werd ingericht door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met toepassing van artikel 5 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, met uitzondering van de volgende bepalingen :
       [...]
       7° artikel 106, behalve voor wat betreft de algemene principes van het administratief statuut dat van toepassing is op het operationeel personeel bedoeld in dit artikel".
       Artikel 106 van die wet bepaalt het volgende :
       "De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het administratief en geldelijk statuut van het operationeel personeel van de zones, hierbij inbegrepen de opleiding."
       Uit het voorgaande vloeit derhalve voort dat bepalingen onder 1° en 2° van het ontworpen artikel 335, tweede lid, op dezelfde aspecten betrekking hebben en dat de steller van het ontwerp in de bepaling onder 2° misschien de inwerkingtreding van artikel 106/1 bedoelde en niet die van artikel 106 van de voornoemde wet van 15 mei 2007.
       Daarover om uitleg gevraagd heeft de gemachtigde van de minister het volgende gesteld :
       " Effectivement, il serait préférable de viser l'article 106/1 de la loi précitée du 15 mai 2007 en lieu et place de l'article 106 de cette même loi ".
       
       De griffier,
       Anne-Catherine Van Geersdaele
       De voorzitter,
       Pierre Vandernoot
       
       ----------
       
       (1) Zie bijvoorbeeld RvS 22 september 2006, nr. 162.616; 15 juli 2010, nr. 206.654.
       (2) Er moet worden opgemerkt dat het laatste lid van het verslag aan de Koning betreffende het ontworpen artikel 306, zoals het in de voorliggende adviesaanvraag is ingediend, naar artikel 306 verwijst terwijl het veeleer op artikel 307 betrekking lijkt te hebben.
       

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 5 uitvoeringbesluiten 4 gearchiveerde versies
    Errata Franstalige versie