J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 1 gearchiveerde versie
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers Senaat
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2014/04/19/2014000570/justel

Titel
19 APRIL 2014. - Wet tot vaststelling van bepaalde aspecten van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp en tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-07-2014 en tekstbijwerking tot 30-11-2015)

Bron : BINNENLANDSE ZAKEN
Publicatie : 23-07-2014 nummer :   2014000570 bladzijde : 55031   BEELD
Dossiernummer : 2014-04-19/69
Inwerkingtreding : 02-08-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Organisatie van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones
Art. 2-22
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid
Art. 23-24

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK 2. - Organisatie van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones

  Art. 2. Dit hoofdstuk voorziet in de omzetting van de Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, wat betreft de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp.

  Art. 3. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  1° "de wet van 15 mei 2007" : de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;
  2° "werknemers" : het operationeel beroepspersoneel van de hulpverleningszones, bedoeld in artikel 103, derde lid, van de wet van 15 mei 2007 en het operationeel beroepspersoneel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp;
  3° "werkgevers" : de in artikel 14 van de wet van 15 mei 2007 bedoelde hulpverleningszones en de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp;
  4° "arbeidstijd" : elke periode waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking staat van de werkgever en zijn werkzaamheden of functie uitoefent;
  5° "rusttijd" : elke periode die geen arbeidstijd is;
  6° "wachtdienst in de kazerne" : een ononderbroken periode van ten hoogste vierentwintig uren waarin de werknemer verplicht is op de arbeidsplaats aanwezig te zijn. Deze periode wordt volledig als arbeidstijd aangerekend;
  7° "oproepbaarheidsdienst" : een periode waarin de werknemer, zonder in de kazerne te moeten zijn, zich beschikbaar verklaart om gevolg te geven aan een oproep voor een interventie. Enkel de periode van de interventie wordt als arbeidstijd aangerekend;
  8° "commandant" : de zonecommandant zoals bedoeld in artikel 109 van de wet van 15 mei 2007, of de officier-dienstchef van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp;
  9° "brandweerinspecteurs" : de inspecteurs van de brandweerinspectie bedoeld in artikel 9, § 2, van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming en van de algemene inspectie van de diensten van de civiele veiligheid bedoeld in titel VII van de wet van 15 mei 2007.

  Art. 4. De artikelen 5, 7 en 8 zijn niet van toepassing op de werknemers die een leidinggevende functie uitoefenen en die een autonome beslissingsbevoegdheid hebben over hun volledige arbeidstijd.

  Art. 5. § 1. De wekelijkse arbeidstijd van de werknemer mag, over een referentieperiode van vier maanden, niet meer bedragen dan :
  1° achtendertig uren gemiddeld;
  2° achtenveertig uren gemiddeld indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
  a) op het moment van de inwerkingtreding van deze wet werkt meer dan de helft van de werknemers van de hulpverleningszone of van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp in een arbeidsregime van meer dan achtendertig uren gemiddeld per week;
  b) de procedures bepaald in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel gerespecteerd hebben, met inbegrip van de procedure van sociale bemiddeling bedoeld in hoofdstuk IIIquater van voormelde wet, over de arbeidsregimes waarvan het gemiddelde aantal uren per week zich tussen de achtendertig en de achtenveertig bevindt en over de bijkomende vergoeding ervan.
  De zones en de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp die een wekelijkse arbeidstijd van gemiddeld meer dan achtendertig uren hebben goedgekeurd, overeenkomstig het eerste lid, 2°, passen zich binnen een termijn van tien jaar aan. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, deze termijn één keer verlengen met maximaal tien jaar.
  Met de referentieperiode van vier maanden wordt bedoeld :
  - de periode van 1 januari tot 30 april;
  - de periode van 1 mei tot 31 augustus;
  - de periode van 1 september tot 31 december.
  § 2. De arbeidstijd mag de absolute grens van zestig uren niet overschrijden tijdens elke week, de in artikel 7 bedoelde bijkomende uren inbegrepen.
  Voor de toepassing van de in het eerste lid, vastgestelde grens wordt geen rekening gehouden met de overschrijdingen uitgevoerd voor het verrichten van :
  - arbeid om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval;
  - arbeid die door een onvoorziene noodzakelijkheid wordt vereist, mits de door de Koning aangewezen ambtenaar op de hoogte wordt gebracht.
  De in het tweede lid bedoelde oveschrijdingen worden binnen de veertien dagen gecompenseerd met gelijkwaardige inhaalrust.
  § 3. De duur van elke arbeidsprestatie mag vierentwintig uren niet overschrijden, behoudens in de in § 2, tweede lid, bedoelde gevallen.
  § 4. Elke arbeidsprestatie waarvan de duur tussen twaalf uren en vierentwintig uren bedraagt, moet worden gevolgd door een rustperiode van minimum twaalf opeenvolgende uren.

  Art. 6. § 1. In elke hulpverleningszone en in de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp worden de arbeidsregimes vastgelegd met inachtname van de bepalingen van artikel 5.
  De verschillende uurroosters die in uitvoering van de van toepassing zijnde arbeidsregimes worden voorzien op zonaal niveau, worden opgenomen in het arbeidsreglement.
  § 2. Met toepassing van de bepalingen van het arbeidsreglement bepaalt de commandant of zijn afgevaardigde, de verdeling van de wachtdiensten in de kazerne en de oproepbaarheidsdiensten. De verdeling wordt minstens drie maanden op voorhand meegedeeld aan de werknemer, behalve in geval van hoogdringendheid. In het arbeidsreglement worden de nadere regels van de oproepbaarheidsdienst opgenomen.
  De in het eerste lid bedoelde diensten kunnen niet opgelegd worden tijdens de jaarlijkse vakantie van de werknemer.
  Indien de werknemer niet beschikbaar kan zijn, is hij verplicht, onder opgave van redenen, zo snel mogelijk een aanpassing van het werkrooster te vragen aan de commandant of aan zijn afgevaardigde.

  Art. 7. § 1. De werknemer die, met toepassing van artikel 5, § 1, eerste lid, 1°, maximaal achtendertig uren werkt, kan maximum tien bijkomende uren per week presteren op basis van een individueel akkoord van de werknemer om interventies of wachtdiensten in de kazerne te verzekeren.
  De werknemer, die met toepassing van artikel 5, § 1, eerste lid, 2°, tussen de achtendertig en de achtenveertig uren per week werkt, kan een aantal bijkomende uren per week presteren op basis van een individueel akkoord van de werknemer om interventies of wachtdiensten in de kazerne te verzekeren. Dit aantal bedraagt maximaal het verschil tussen de gemiddelde arbeidstijd per week en achtenveertig uren.
  In afwijking van het tweede lid, mag het aantal bijkomende uren per week niet meer bedragen dan het verschil tussen de gemiddelde arbeidstijd per week en tweeënvijftig uren voor de werknemer die op de datum van inwerkingtreding van deze wet beroepslid en vrijwillig lid was in twee brandweerdiensten binnen het grondgebied van dezelfde hulpverleningszone, zonder het maximum van tien uren per week te overschrijden.
  § 2. Deze bijkomende arbeidstijd is het voorwerp van een aanvullende vergoeding die gelijkwaardig is aan het basisloon in functie van de gepresteerde uren.
  § 3. Het in § 1 bedoelde akkoord moet worden vastgelegd bij geschrift tussen de werknemer en de werkgever vóór het presteren van de bijkomende uren.
  Dit geschrift kan op elektronische wijze worden vastgelegd.
  Dit akkoord wordt vastgesteld in een specifiek document en vermeldt minstens :
  - het aantal bijkomende uren dat wekelijks zal worden gepresteerd of zal kunnen worden gepresteerd;
  - de duur van het akkoord;
  - de opzeggingsregels van het akkoord.
  De werkgever bewaart dit akkoord gedurende een periode van vijf jaar op de werkplekken. Dit geschrift moet zich op een gemakkelijk toegankelijke plaats bevinden zodat de brandweerinspecteurs en de in artikel 24 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector bedoelde ambtenaren er op elk ogenblik kennis van kunnen nemen.
  § 4. Iedere partij kan het in § 1 bedoelde akkoord beëindigen door middel van een schriftelijk betekende opzegging van drie maanden. Het akkoord kan mits wederzijdse overeenstemming eveneens beëindigd worden zonder of met een kortere opzeggingstermijn.
  § 5. De werknemer mag geen enkel nadeel ondervinden vanwege de werkgever door het feit dat hij niet bereid is om de in dit artikel bedoelde bijkomende arbeidstijd te presteren.

  Art. 8. Wanneer de arbeidstijd per dag meer dan zes opeenvolgende uren ononderbroken bedraagt, wordt een half uur pauze toegekend aan de werknemer, met uitzondering van de interventies die van die aard zijn dat een pauze onmogelijk is. Bij dergelijke interventies neemt de werknemer de pauze na afloop van de interventie.
  Tijdens deze pauze blijft de werknemer beschikbaar om gevolg te geven aan een oproep voor interventie.
  De nadere regels van de pauze worden opgenomen in het arbeidsreglement.

  Art. 9.Voor elke periode van zeven dagen heeft de werknemer recht op een rusttijd van minstens vijfendertig opeenvolgende uren.
  [1 Van het eerste lid kan worden afgeweken op voorwaarde dat gelijkwaardige periodes van inhaalrust toegekend worden in de loop van de veertien volgende dagen.
   Indien objectieve, technische of arbeidsorganisatorische omstandigheden dit rechtvaardigen, kan voor een minimumrusttijd van vierentwintig uren worden gekozen, mits het volgen van de procedures bepaald in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, met inbegrip van de procedure van sociale bemiddeling bedoeld in hoofdstuk IIIquater van voormelde wet.]1
  ----------
  (1)<W 2015-11-09/19, art. 41, 002; Inwerkingtreding : 10-12-2015>

  Art. 10. De werknemer kan worden tewerkgesteld op zaterdagen, zondagen, feestdagen en `s nachts indien hij in continudienst werkt.

  Art. 11. De werknemer die tewerkgesteld wordt tussen twintig uur en zes uur heeft recht op begeleidende maatregelen.

  Art. 12. § 1. De in artikel 11 bedoelde werknemer, die ten minste vijftig jaar is en die een beroepsactiviteit van ten minste twintig jaar in één of meer van die arbeidsregelingen kan bewijzen, heeft het recht om te vragen om te worden tewerkgesteld in een arbeidsregeling waarin niet gewerkt wordt tussen twintig uur en zes uur om ernstige medische redenen die door de arbeidsgeneesheer zijn erkend.
  Onder ernstige medische redenen die door de arbeidsgeneesheer zijn erkend, wordt verstaan de medische redenen die ertoe zouden kunnen leiden dat de gezondheid van de werknemer wordt geschaad indien hij een in artikel 11 bedoeld werk blijft verrichten.
  § 2. De in artikel 11 bedoelde werknemer, die ten minste vijfenvijftig jaar is en die een beroepsactiviteit van ten minste twintig jaar in één of meer van die arbeidsregelingen kan bewijzen, heeft het recht om te vragen in een niet in dat artikel bedoelde arbeidsregeling te worden tewerkgesteld.

  Art. 13. § 1. De werknemer die aan de in artikel 12, §§ 1 of 2, gestelde voorwaarden voldoet en die een niet in artikel 11 bedoeld werk vraagt, dient een schriftelijk verzoek in bij zijn werkgever.
  § 2. De werkgever beschikt over een termijn van zes maanden om de werknemer schriftelijk een niet in artikel 11 bedoeld werk aan te bieden.
  § 3. Indien er geen werk beschikbaar is, kan de in artikel 12, § 2, bedoelde werknemer naargelang het hem schikt, zijn betrekking behouden in de arbeidsregeling waarin hij is tewerkgesteld of ter beschikking worden gesteld van de overheid die hem in dienst heeft.
  De aan de werknemer geboden mogelijkheid om in zijn arbeidsregeling te blijven werken geldt niet voor de in artikel 12, § 1, bedoelde werknemer omwille van de ernstige medische redenen.

  Art. 14. Wanneer een in artikel 11 bedoelde werkneemster zwanger is, kan zij een werk in een niet in dat artikel bedoelde arbeidsregeling krijgen, voor zover zij een schriftelijk verzoek indient :
  1° vanaf ten minste drie maanden voor de vermoedelijke bevallingsdatum tot ten minste drie maanden na de geboorte;
  2° of wanneer dit op grond van een medisch attest voor de gezondheid van de moeder of van het kind noodzakelijk is :
  - gedurende andere perioden tijdens de zwangerschap;
  - gedurende een periode van maximum één jaar na de bevalling.
  Niettemin, wanneer een overplaatsing naar dag arbeid technisch of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd, wordt de werkneemster vrijgesteld van arbeid.

  Art. 15. De in artikel 11 bedoelde werknemer heeft het recht om op grond van dwingende redenen te vragen tijdelijk in een niet in dat artikel bedoelde arbeidsregeling te worden tewerkgesteld.
  De werkgever streeft er bij voorkeur naar dat verzoek in te willigen voor zover dit gelet op de beschikbare betrekkingen en de kwalificatie van de werknemer mogelijk is.

  Art. 16. § 1. Wanneer de arbeidsgeneesheer na afloop van een medisch onderzoek, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de in artikel 11 vermelde werknemer, vaststelt dat deze laatste gezondheidsproblemen heeft die verband houden met het feit dat hij een in dat artikel bedoeld werk verricht, voert hij, vooraleer de mutatie of verwijdering voor te stellen, de passende aanvullende onderzoeken uit. Hij wint inlichtingen in over de sociale toestand van de werknemer en gaat ter plaatse de maatregelen en de aanpassingen na die geschikt kunnen zijn om de werknemer, ondanks zijn eventuele zwakke punten, op zijn post te behouden. De werknemer kan zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze.
  De geneesheer deelt aan de werkgever en aan de werknemer de maatregelen mee die getroffen moeten worden om zo snel mogelijk de te grote risico's en eisen die hij heeft vastgesteld te verhelpen. Het orgaan dat, met toepassing van het vakbondsstatuut, de plaats inneemt van het Comité voor preventie en bescherming op het werk wordt erover ingelicht.
  § 2. Indien de arbeidsgeneesheer na deze onderzoeken een maatregel tot verwijdering voorstelt, wordt de werknemer hiervan op de hoogte gebracht.
  Indien mogelijk stelt de werkgever de werknemer tewerk in een andere dan een in artikel 11 bedoelde arbeidsregeling, rekening houdend met de aanbevelingen van de arbeidsgeneesheer.

  Art. 17. De werknemers die op basis van de in artikel 11 bedoelde arbeidsregelingen tewerkgesteld zijn, hebben dezelfde rechten als werknemers die niet op basis van zulke regelingen tewerkgesteld zijn, inzake :
  1° vakbondsvertegenwoordiging en deelneming aan het vakbondsleven;
  2° algemene en beroepsopleiding;
  3° hygiëne, veiligheid en geneeskundige verzorging;
  4° sociale infrastructuur.

  Art. 18. De werknemers hebben recht op betaald jaarlijks vakantieverlof waarvan de minimumduur gelijkwaardig is aan zesentwintig werkdagen voor volledige prestaties in een dagdienst.
  De minimumperiode van betaald jaarlijks vakantieverlof mag niet vervangen worden door een financiële vergoeding, behalve in geval van beëindiging van de arbeidsrelatie.

  Art. 19. De werkgever beschikt op de werkplek over een register dat de door de werknemers geleverde dagelijkse prestaties volgens chronologische volgorde bevat.
  Dit register kan op elektronische wijze worden bijgehouden.

  Art. 20. Het toezicht op de naleving van deze wet gebeurt door de brandweerinspecteurs en door de in artikel 24 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector bedoelde ambtenaren en op de wijze die bepaald is voor elk van deze diensten.

  Art. 21. Artikel 4 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De hoofdstukken III en IV van deze wet zijn niet van toepassing op de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp."

  Art. 22. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2015.

  HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid

  Art. 23. In artikel 68 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid, gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 2. De dotaties van de gemeenten van de zone worden jaarlijks vastgelegd door de raad op basis van een akkoord, bereikt tussen de verschillende betrokken gemeenteraden.
  Het akkoord wordt bereikt ten laatste op 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de dotatie bestemd is.
  Voor de eerste inschrijving van de gemeentelijke dotatie kan de raad van de prezone beslissen de datum van 1 november 2014 te verdagen en ten laatste op 1 november 2015 een akkoord bereiken.".
  2° het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende :
  " § 3. Bij gebrek aan dergelijk akkoord, wordt de dotatie van elke gemeente vastgesteld door de provinciegouverneur, rekening houdende met de volgende criteria voor elke gemeente :
  - de residentiële en actieve bevolking;
  - de oppervlakte;
  - het kadastraal inkomen;
  - het belastbaar inkomen;
  - de risico's aanwezig op het grondgebied van de gemeente;
  - de gemiddelde interventietijd op het grondgebied van de gemeente;
  - de financiële draagkracht van de gemeente.
  Aan het criterium "residentiële en actieve bevolking" wordt een weging van minstens 70 % toegekend.
  De gouverneur brengt elke gemeente op de hoogte van het bedrag van de gemeentelijke dotatie waarvoor hij moet instaan, dit ten laatste op 15 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor de dotatie bestemd is.
  Voor de drie jaren die volgen op de integratie van de brandweerdiensten in de hulpverleningszones, houdt de gouverneur bij het bepalen van de gemeentelijke dotatie rekening met het passief van de gemeenten inzake de bijdragen bedoeld in artikel 10, § 4, van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming.
  De gouverneur kan beslissen over specifieke betalingsmethoden voor de betaling van de gemeentelijke dotaties.
  De gemeenteraad kan tegen de beslissing van de gouverneur beroep instellen bij de minister binnen een termijn van twintig dagen, te rekenen vanaf de dag na de kennisgeving ervan aan de gemeentelijke overheid.
  De minister van Binnenlandse Zaken beslist over dit beroep binnen een termijn van veertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de ontvangst ervan.
  Ten laatste op de laatste dag van deze termijn deelt hij zijn beslissing mee aan de gouverneur, de zoneraad en de gemeenteraad.
  Bij ontstentenis van een beslissing bij het verstrijken van deze termijn, wordt het beroep als verworpen beschouwd.
  De beslissing aangaande het beroep geldt als inschrijving in de gemeentebegroting op 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de dotatie bestemd is.";
  3° het artikel wordt aangevuld met een § 4, luidende :
  " § 4. De gemeente stort het bedrag van de vastgestelde gemeentelijke dotatie, met toepassing van het huidige artikel, op een op naam van de zone geopende rekening bij een financiële instelling.
  Bij ontstentenis van storting binnen dertig dagen na de in § 3 bedoelde kennisgeving aan de raad, of bij het verstrijken van de beroepstermijn of de beroepsprocedure bedoeld in § 3, schrijft de gouverneur van ambtswege het verschuldigde bedrag in de begroting van de gemeente in. Dit bedrag wordt op bevel van de gouverneur overgeschreven van een door de gemeente die de som verschuldigd is geopende rekening bij een financiële instelling naar een door de schuldeisende zone geopende rekening bij een financiële instelling.".

  Art. 24. In artikel 220 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 21 december 2013, wordt § 1 vervangen door wat volgt :
  " § 1. De brandweerdiensten worden op 1 januari 2015 in de hulpverleningszones geïntegreerd.
  Voor de prezones die de mogelijkheid bedoeld in artikel 68, § 2, derde lid, benutten, vindt de integratie van de brandweerdiensten in de hulpverleningszone plaats op een door de raad van de prezone vastgestelde datum en ten laatste op 1 januari 2016.
  In het geval bedoeld in het tweede lid wordt het bedrag van de bijkomende federale dotaties toegekend naar rata van het aantal maanden dat de brandweerdiensten geïntegreerd werden in de hulpverleningszones.".

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 19 april 2014.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Mevr. J. MILQUET
De Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken,
H. BOGAERT
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 09-11-2015 GEPUBL. OP 30-11-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 9)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
        Zitting 2013-2014. Kamer van Volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 53-3353 - 2013/2014. Integraal verslag : 3 april 2014. (*) Senaat (www.senate.be) : Stukken : 5-2731 - 2013/2014. Handelingen van de Senaat : 20 maart 2014.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie