J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers Senaat
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2013/12/26/2013012289/justel

Titel
26 DECEMBER 2013. - Wet betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-12-2013 en tekstbijwerking tot 09-12-2015)

Bron : WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG
Publicatie : 31-12-2013 nummer :   2013012289 bladzijde : 104147   BEELD
Dossiernummer : 2013-12-26/08
Inwerkingtreding : 01-01-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten met het oog op de harmonisatie van de regels over het ontslag door de werkgever en het ontslag door de werknemer
Afdeling 1. - Nieuwe bepalingen
Art. 2-12
Afdeling 2. - Wijzigingsbepalingen
Art. 13-24
Afdeling 3. - Opheffingsbepalingen
Art. 25-60
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen met het oog op de afschaffing van de carenzdag
Afdeling 1. - Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten
Art. 61-64
Afdeling 2. - Wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen
Art. 65
Afdeling 3. - Wet van 17 maart 1987 betreffende de invoering van nieuwe arbeidsregelingen in de ondernemingen
Art. 66
HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepalingen van toepassing in geval van ontslag door de werkgever of ontslag door de werknemer en bijzondere bepalingen
Afdeling 1. - Berekening van de duur van de opzeggingstermijnen en vergoedingen
Art. 67-70
Afdeling 2. - Begeleidende maatregelen
Art. 71-73
HOOFDSTUK 5. - Diverse bepalingen
Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers
Art. 74
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen
Art. 75
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers
Art. 76-91
Afdeling 4. - Bevorderen van de inzetbaarheid
Art. 92
Afdeling 5. - Wijziging van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers
Art. 93
Afdeling 6. - Aanvullende vergoedingen bij eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever
Art. 94
Afdeling 7. - Invoering van een bijzondere compenserende bijdrage voor het Fonds voor sluiting van ondernemingen
Art. 95
Afdeling 8. - Wijziging van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk
Art. 96
Afdeling 9. . - Wijziging van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
Art. 97
Afdeling 10. - Wijziging van de wet van 12 april 2011 houdende aanpassing van de wet van 1 februari 2011 houdende verlenging van de crisismaatregelen en uitvoering van het interprofessioneel akkoord, en tot uitvoering van het compromis van de Regering met betrekking tot het ontwerp van interprofessioneel akkoord
Art. 98
Afdeling 11. - Wijziging van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact
Art. 99
Afdeling 12. - Fiscale bepalingen met betrekking tot de invoering van een eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden
Art. 100-103
Afdeling 13. - Wijziging van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
Art. 104
Afdeling 14. - Wijziging van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers
Art. 105
Afdeling 15. - Wijziging van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971
Art. 106
Afdeling 16. . - Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994
Art. 107-109
HOOFDSTUK 6. - Inwerkingtreding en slotbepalingen
Art. 110-113

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten met het oog op de harmonisatie van de regels over het ontslag door de werkgever en het ontslag door de werknemer

  Afdeling 1. - Nieuwe bepalingen

  Art. 2. In de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten wordt een artikel 37/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 37/1. De bij artikel 37 bepaalde opzeggingstermijn gaat in de maandag volgend op de week waarin de opzeggingstermijn ter kennis werd gegeven.".

  Art. 3. In dezelfde wet wordt een artikel 37/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 37/2. § 1. Wanneer de opzegging wordt gegeven door de werkgever, wordt de opzeggingstermijn vastgesteld op :
  - twee weken wat de werknemers betreft die minder dan drie maanden anciënniteit tellen;
  - vier weken wat de werknemers betreft die tussen drie maanden en minder dan zes maanden anciënniteit tellen;
  - zes weken wat de werknemers betreft die tussen zes maanden en minder dan negen maanden anciënniteit tellen;
  - zeven weken wat de werknemers betreft die tussen negen maanden en minder dan twaalf maanden anciënniteit tellen;
  - acht weken wat de werknemers betreft die tussen twaalf maanden en minder dan vijftien maanden anciënniteit tellen;
  - negen weken wat de werknemers betreft die tussen vijftien maanden en minder dan achttien maanden anciënniteit tellen;
  - tien weken wat de werknemers betreft die tussen achttien maanden en minder dan eenentwintig maanden anciënniteit tellen;
  - elf weken wat de werknemers betreft die tussen eenentwintig maanden en minder dan vierentwintig maanden anciënniteit tellen;
  - twaalf weken wat de werknemers betreft die tussen twee jaar en minder dan drie jaar anciënniteit tellen;
  - dertien weken wat de werknemers betreft die tussen drie jaar en minder dan vier jaar anciënniteit tellen;
  - vijftien weken wat de werknemers betreft die tussen vier jaar en minder dan vijf jaar anciënniteit tellen.
  Vanaf vijf jaar anciënniteit wordt de opzeggingstermijn verder opgebouwd met drie weken per begonnen jaar anciënniteit.
  Vanaf twintig jaar anciënniteit wordt de opzeggingstermijn verder opgebouwd met twee weken per begonnen jaar anciënniteit.
  Vanaf eenentwintig jaar anciënniteit wordt de opzeggingstermijn verder opgebouwd met één week per begonnen jaar anciënniteit.
  § 2. Wanneer de opzegging wordt gegeven door de werknemer, wordt de opzeggingstermijn vastgesteld op :
  - één week wat de werknemers betreft die minder dan drie maanden anciënniteit tellen;
  - twee weken wat de werknemers betreft die tussen drie maanden en minder dan zes maanden anciënniteit tellen;
  - drie weken wat de werknemers betreft die tussen zes maanden en minder dan twaalf maanden anciënniteit tellen;
  - vier weken wat de werknemers betreft die tussen twaalf maanden en minder dan achttien maanden anciënniteit tellen;
  - vijf weken wat de werknemers betreft die tussen achttien maanden en minder dan vierentwintig maanden anciënniteit tellen;
  - zes weken wat de werknemers betreft die tussen twee jaar en minder dan vier jaar anciënniteit tellen;
  - zeven weken wat de werknemers betreft die tussen vier jaar en minder dan vijf jaar anciënniteit tellen;
  - negen weken wat de werknemers betreft die tussen vijf jaar en minder dan zes jaar anciënniteit tellen;
  - tien weken wat de werknemers betreft die tussen zes jaar en minder dan zeven jaar anciënniteit tellen;
  - twaalf weken wat de werknemers betreft die tussen zeven jaar en minder dan acht jaar anciënniteit tellen;
  - dertien weken wat de werknemers betreft die acht jaar of meer anciënniteit tellen.
  § 3. De werknemer die door zijn werkgever werd ontslagen door middel van een opzeggingstermijn, kan aan de overeenkomst een einde maken mits een verkorte opzeggingstermijn wanneer hij een andere dienstbetrekking heeft gevonden.
  Deze opzegging wordt ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 37, § 1, tweede tot derde lid.
  De opzeggingstermijn wordt vastgelegd op :
  - één week wat de werknemer betreft die minder dan drie maanden anciënniteit telt;
  - twee weken wat de werknemer betreft die tussen drie maanden en minder dan zes maanden anciënniteit telt;
  - drie weken wat de werknemer betreft die tussen zes maanden en minder dan een jaar anciënniteit telt;
  - vier weken wat de werknemer betreft die een jaar of meer anciënniteit telt.
  De opzeggingstermijnen, bedoeld in vorig lid, nemen een aanvang overeenkomstig artikel 37/1.".

  Art. 4. In dezelfde wet wordt een artikel 37/3 ingevoegd, luidende :
  "Art. 37/3. Van de opzeggingstermijnen bepaald in artikel 37/2, kan niet worden afgeweken bij een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair comité of paritair subcomité.".

  Art. 5. In dezelfde wet wordt een artikel 37/4 ingevoegd, luidende :
  "Art. 37/4. De opzeggingstermijnen worden berekend met inachtneming van de verworven anciënniteit op het ogenblik dat de opzeggingstermijn ingaat.
  Onder anciënniteit wordt verstaan de periode gedurende dewelke de werknemer ononderbroken in dienst is gebleven van dezelfde onderneming.
  Wanneer de opzegging wordt gegeven door de werkgever, komt bovendien de vroegere periode van tewerkstelling, die een werknemer als uitzendkracht heeft verricht bij de werkgever in de hoedanigheid van gebruiker, in aanmerking voor de berekening van de anciënniteit met een maximum van één jaar, voor zover de aanwerving volgt op de periode van uitzendarbeid en de functie uitgeoefend bij de werkgever identiek is aan deze die als uitzendkracht werd uitgeoefend. Elke periode van inactiviteit van zeven dagen of minder geldt als een periode van tewerkstelling als uitzendkracht.".

  Art. 6. In dezelfde wet wordt een artikel 37/5 ingevoegd, luidende :
  "Art. 37/5. De opzeggingstermijn die de werknemer moet naleven, wordt verkort tot zeven dagen in het kader van wedertewerkstellingsprogramma's bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.".

  Art. 7. In dezelfde wet wordt een artikel 37/6 ingevoegd, luidende :
  "Art. 37/6. Indien het ontslag gegeven wordt om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de werknemer de wettelijke pensioenleeftijd bereikt, bedraagt de opzeggingstermijn maximaal zesentwintig weken wanneer het ontslag van de werkgever uitgaat.
  Wanneer de opzegging wordt gegeven aan de werknemer bedoeld in het eerste lid, geniet deze het voordeel van het bepaalde in artikel 41.".

  Art. 8. In dezelfde wet wordt een artikel 37/7 ingevoegd, luidende :
  "Art. 37/7. § 1. Gedurende de bij artikel 51 en 77/4 bedoelde periodes van volledige schorsing van de uitvoering van de overeenkomst of van gedeeltelijke arbeid heeft de werknemer het recht de overeenkomst zonder opzegging te beëindigen.
  Als de in het artikel 50 bedoelde schorsing één maand overschrijdt, heeft de werknemer hetzelfde recht.
  § 2. Zowel de werknemer als de werkgever kunnen de overeenkomst opzeggen tijdens de schorsing van de uitvoering van de overeenkomst bij toepassing van artikel 50, 51 of 77/4.
  Bij opzegging door de werknemer gegeven vóór of tijdens de schorsing, loopt de opzeggingstermijn tijdens die schorsing.
  Bij opzegging door de werkgever gegeven vóór of tijdens de schorsing, houdt de opzeggingstermijn op te lopen tijdens de schorsing.".

  Art. 9. In dezelfde wet wordt een artikel 37/8 ingevoegd, luidende :
  "Art. 37/8. In geval van arbeidsongeschiktheid die het gevolg is van een ziekte die of een ongeval dat zich voordoet na de kennisgeving door de werkgever van een ontslag door middel van een opzeggingstermijn, geeft de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werkgever tijdens deze periode van arbeidsongeschiktheid aanleiding tot de betaling van een vergoeding die overeenstemt met de nog te lopen opzeggingstermijn. Voor de berekening van deze vergoeding, wordt de periode gedekt door het gewaarborgd loon dat op basis van deze wet werd betaald in het begin van deze arbeidsongeschiktheid, afgetrokken van de nog te lopen opzeggingstermijn.".

  Art. 10. In dezelfde wet wordt een artikel 37/9 ingevoegd, luidende :
  "Art. 37/9. Als de overeenkomst is gesloten voor een bepaalde tijd van minder dan drie maanden of voor een duidelijk omschreven werk waarvan de uitvoering normaal een tewerkstelling van minder dan drie maanden vergt, mag de werkgever, bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval die meer dan zeven dagen duurt, de overeenkomst zonder vergoeding beëindigen, indien de periode van opzegging bedoeld in artikel 40, § 2, eerste lid is verstreken.".

  Art. 11. In dezelfde wet wordt een artikel 37/10 ingevoegd, luidende :
  "Art. 37/10. Indien de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of ongeval van de werknemer aangeworven voor een bepaalde tijd van ten minste drie maanden of voor een duidelijk omschreven werk waarvan de uitvoering normaal een tewerkstelling van ten minste drie maanden vergt, zes maanden overtreft en indien de bij de overeenkomst vastgestelde tijd niet is verstreken of indien het werk dat het voorwerp van de overeenkomst uitmaakt niet werd verwezenlijkt, dan kan de werkgever te allen tijde aan de overeenkomst een einde maken mits vergoeding. Deze is gelijk aan het loon dat nog moest worden uitbetaald tijdens de overeengekomen tijd of tijdens de termijn die nog nodig is voor de verwezenlijking van het werk waarvoor de werknemer werd aangeworven met een maximum van drie maanden loon en onder aftrek van hetgeen betaald werd sedert het begin van de arbeidsongeschiktheid.".

  Art. 12. In dezelfde wet wordt een artikel 37/11 ingevoegd, luidende :
  "Art. 37/11. In geval van opzegging door de werkgever met het oog op een stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, kunnen de opzeggingstermijnen worden verkort tot minimaal 26 weken als de onderneming erkend is als onderneming in moeilijkheden of in herstructurering overeenkomstig hoofdstuk VII van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels en voorwaarden van deze mogelijkheid.".

  Afdeling 2. - Wijzigingsbepalingen

  Art. 13. In artikel 22bis, § 6, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006, worden de woorden "tijdens de proefperiode" vervangen door de woorden "gedurende de eerste zes maanden vanaf de aanvang van de overeenkomst".

  Art. 14. In artikel 39, § 1, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "59, 82, 83, 84 en 115" vervangen door de woorden "37/2, 37/5, 37/6 en 37/11";
  2° na het tweede lid worden de volgende twee leden ingevoegd :
  "Wanneer het lopend loon of de voordelen verworven krachtens de overeenkomst geheel of gedeeltelijk veranderlijk zijn, wordt voor het veranderlijke gedeelte het gemiddelde genomen van de twaalf voorafgaande maanden of, in voorkomend, geval het gedeelte van die twaalf maanden tijdens hetwelk de werknemer in dienst was.
  Voor de werknemers die forfaitair worden betaald, wordt het weekloon dat nodig is om de opzeggingsvergoeding te berekenen, verkregen door het maandloon te vermenigvuldigen met drie en te delen door dertien.".

  Art. 15. Artikel 40 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 40. § 1. Is de overeenkomst voor een bepaalde tijd of voor een duidelijk omschreven werk aangegaan, dan is de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden vóór het verstrijken van de termijn gehouden de andere partij een vergoeding te betalen, die gelijk is aan het bedrag van het loon dat verschuldigd is tot het bereiken van die termijn, zonder echter het dubbel te mogen overtreffen van het loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn die in acht had moeten worden genomen indien de overeenkomst zonder tijdsbepaling was gesloten.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, kan elke partij de overeenkomst die voor een bepaalde tijd of voor een duidelijk omschreven werk is aangegaan vóór het verstrijken van de termijn zonder dringende reden beëindigen tijdens de eerste helft van de overeengekomen duurtijd en zonder dat de periode waarin opzegging mogelijk is zes maanden kan overschrijden, mits naleving van de opzeggingstermijnen bepaald in artikel 37/2.
  De bepalingen van artikel 37, § 1, gelden voor de in het eerste lid bedoelde opzeggingstermijnen.
  De opzeggingstermijnen bedoeld in het eerste lid nemen een aanvang overeenkomstig artikel 37/1.
  De partij die de overeenkomst bedoeld in het eerste lid, vóór het verstrijken van de termijn, tijdens de eerste helft van de overeengekomen duurtijd van de overeenkomst en zonder dat de periode van zes maanden is overschreden, beëindigt zonder dringende reden en zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in het eerste lid, is gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het loon dat overeenstemt met hetzij de duur van de opzeggingstermijn bepaald in het eerste lid, hetzij het resterende gedeelte van die termijn.
  § 3. Wanneer de partijen verscheidene opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd of voor een duidelijk omschreven werk hebben gesloten waarvan de opeenvolging gerechtvaardigd is overeenkomstig artikel 10 of 10bis, kan de mogelijkheid van opzegging bepaald bij paragraaf 2 slechts worden toegepast op de eerste overeenkomst die de partijen hebben gesloten.
  § 4. De opzeggingsvergoeding die verschuldigd is met toepassing van dit artikel, wordt berekend overeenkomstig artikel 39.
  § 5. Onverminderd het bepaalde in paragrafen 1 en 2, betaalt de werkgever die het bepaalde in artikel 40 van de arbeidswet van 16 maart 1971 niet in acht neemt, de in het derde lid van voormeld artikel 40 voorziene vergoeding.".

  Art. 16. Artikel 41 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 23 juni 1981 en 17 mei 2007, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 41. § 1. Tijdens de opzeggingstermijn mag de werknemer, binnen de grenzen bepaald in de paragrafen 2 tot 4, met behoud van loon van het werk wegblijven om een nieuwe dienstbetrekking te zoeken.
  § 2. Tijdens de laatste zesentwintig weken van de opzeggingstermijn mag de werknemer van dit recht om van het werk afwezig te zijn een- of tweemaal per week gebruik maken mits de duur van deze afwezigheid in totaal niet meer dan een arbeidsdag per week bedraagt. Tijdens de voorafgaande periode mag hij slechts één halve dag per week afwezig zijn.
  § 3. In afwijking van paragraaf 2, mag de werknemer die geniet van een outplacementbegeleiding bedoeld in hoofdstuk V van de wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, tijdens de volledige duur van de opzeggingstermijn een- of tweemaal per week van het werk afwezig zijn mits de duur van deze afwezigheid in totaal niet meer dan een arbeidsdag per week bedraagt.
  § 4. De bepalingen van de paragrafen 2 en 3 zijn van toepassing op de deeltijds tewerkgestelde werknemer, evenwel in verhouding tot de duur van zijn arbeidsprestaties.".

  Art. 17. In artikel 50, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 26 juni 1992, worden de woorden "9 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen" vervangen door de woorden "27 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen".

  Art. 18. In artikel 65, § 2, negende lid, van dezelfde wet worden de woorden "tijdens de proefperiode" vervangen door de woorden "gedurende de eerste zes maanden vanaf de aanvang van de overeenkomst".

  Art. 19. In artikel 86, § 2, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "tijdens de proefperiode" vervangen door de woorden "gedurende de eerste zes maanden vanaf de aanvang van de overeenkomst".

  Art. 20. In artikel 104, derde lid, van dezelfde wet worden de woorden "gedurende de proeftijd" vervangen door de woorden "gedurende de eerste zes maanden vanaf de aanvang van de overeenkomst" en worden de woorden "na de proeftijd" vervangen door de woorden "na deze periode".

  Art. 21. In artikel 124, 16°, van dezelfde wet worden de woorden "voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen van de onderneming" vervangen door de woorden "voor preventie en bescherming op het werk".

  Art. 22. Artikel 127 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 127. De eerste drie arbeidsdagen worden als proeftijd beschouwd. Tot bij het verstrijken van die tijdsduur mag ieder van de partijen de overeenkomst beëindigen, zonder opzegging noch vergoeding.".

  Art. 23. In artikel 130, derde lid, van dezelfde wet worden de woorden "37 en 59, eerste en vierde lid" vervangen door de woorden "37, 37/1 en 37/4, eerste en tweede lid".

  Art. 24. In artikel 131 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 april 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, worden de woorden "67, 69, 82, 84, 85, 86, 86/2 en 104" vervangen door de woorden "69, 86 en 104";
  2° in het tweede lid, worden de woorden "65, 67, 69, 82, 84, 85, 86, 86/2 en 104" vervangen door de woorden "65, 69, 86 en 104";
  3° in het vierde lid, worden de woorden "het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid" vervangen door de woorden "de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg".

  Afdeling 3. - Opheffingsbepalingen

  Art. 25. Artikel 29 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 17 juli 1985, wordt opgeheven.

  Art. 26. In artikel 38 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 29 november 1983, 17 juli 1985 en 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste lid, worden de woorden ", 29" opgeheven;
  2° paragraaf 3 wordt opgeheven.

  Art. 27. In artikel 39 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "in artikel 38, § 3, van deze wet of" opgeheven;
  2° paragraaf 2 wordt opgeheven.

  Art. 28. Artikel 48 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 29. In artikel 50 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, wordt het zevende lid opgeheven.

  Art. 30. In artikel 51 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, wordt paragraaf 4 opgeheven.

  Art. 31. In artikel 57 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 9 juli 2004, worden de woorden "29," opgeheven.

  Art. 32. In titel II, hoofdstuk III, van dezelfde wet wordt het opschrift van afdeling 1 opgeheven.

  Art. 33. Artikel 58 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 34. Artikel 59 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 april 2003, wordt opgeheven.

  Art. 35. Artikel 60 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 36. Artikel 61 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 20 juli 1991, wordt opgeheven.

  Art. 37. Artikel 62 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 17 juli 1985, wordt opgeheven.

  Art. 38. Artikel 63 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 januari 1985 en het koninklijk besluit van 21 mei 1991, houdt op van toepassing te zijn :
  1° voor wat betreft de werkgevers die onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités vallen en hun werknemers, vanaf de inwerkingtreding van een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad, algemeen verbindend verklaard door de Koning, betreffende de motivering van het ontslag door de werkgever;
  2° voor wat betreft de werkgevers die niet onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités vallen en hun werknemers, vanaf de inwerkingtreding van een regeling vergelijkbaar met deze bepaald bij de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in 1°.

  Art. 39. Artikel 64 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1985, wordt opgeheven.

  Art. 40. In titel II, hoofdstuk III, van dezelfde wet wordt afdeling 2, die de artikelen 65/1 tot 65/4 bevat, ingevoegd bij de wet van 12 april 2011, opgeheven.

  Art. 41. Artikel 67 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 december 1984, de wet van 22 januari 1985 en het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt opgeheven.

  Art. 42. In artikel 71 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 17 juli 1985 en het koninklijk besluit nr. 465 van 1 oktober 1986, worden de woorden "op proef," opgeheven.

  Art. 43. In artikel 77/4 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 12 april 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, wordt paragraaf 3 opgeheven.

  Art. 44. Artikel 77/6 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 12 april 2011, wordt opgeheven.

  Art. 45. In titel III, hoofdstuk III, van dezelfde wet wordt het opschrift van afdeling 1 opgeheven.

  Art. 46. Artikel 78 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 47. Artikel 79 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 48. Artikel 80 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 49. Artikel 81 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1985, wordt opgeheven.

  Art. 50. Artikel 82 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 december 1984, de wet van 30 maart 1994 en het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt opgeheven.

  Art. 51. Artikel 83 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 20 juli 1990, 20 juli 1991 en 30 juli 2013, wordt opgeheven.

  Art. 52. Artikel 84 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 december 1984, de wet van 17 juli 1985 en het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt opgeheven.

  Art. 53. Artikel 85 van dezelfde wet, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 december 1984 en van 20 juli 2000, wordt opgeheven.

  Art. 54. In titel III, hoofdstuk III, van dezelfde wet wordt afdeling 2, die de artikelen 86/1 tot 86/4 bevat, ingevoegd bij de wet van 12 april 2011, opgeheven.

  Art. 55. Artikel 109 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 56. Artikel 115 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 12 april 2011, wordt opgeheven.

  Art. 57. Artikel 116 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 17 juli 1985, wordt opgeheven.

  Art. 58. Artikel 117 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 59. In artikel 124 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1995, wordt de bepaling onder 9° opgeheven.

  Art. 60. In artikel 130 van dezelfde wet wordt het vierde lid opgeheven.

  HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen met het oog op de afschaffing van de carenzdag

  Afdeling 1. - Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten

  Art. 61. In artikel 31 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 juni 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de tweede zin van het derde lid van paragraaf 2 wordt opgeheven;
  2° tussen de paragrafen 3 en 4 wordt een paragraaf 3/1 ingevoegd, luidende :
  " § 3/1. De werknemer die :
  - in strijd met paragraaf 2, eerste lid, behoudens overmacht, nalaat zijn werkgever onmiddellijk op de hoogte te brengen van zijn arbeidsongeschiktheid of;
  - in strijd met paragraaf 2, derde lid, nalaat om het geneeskundig getuigschrift binnen de voorgeschreven termijn voor te leggen of;
  - in strijd met paragraaf 3, behoudens wettige reden, zich aan de controle onttrekt,
  kan het recht worden ontzegd op het in de artikelen 52, 70, 71 en 112 bedoelde loon voor de dagen van ongeschiktheid die de dag van deze verwittiging, voorlegging of controle voorafgaan.";
  3° in paragraaf 3 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
  "Een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten hetzij in een paritair comité of subcomité, hetzij buiten een paritair orgaan, of het arbeidsreglement kan een dagdeel bepalen van maximum 4 aaneengesloten uren die zich tussen 7 uur en 20 uur bevinden, gedurende hetwelk de werknemer zich in zijn woonplaats of een aan de werkgever meegedeelde verblijfplaats ter beschikking houdt voor een bezoek van een controlearts.".

  Art. 62. In artikel 52, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 23 juni 1981 en het koninklijk besluit nr. 465 van 1 oktober 1986, worden het tweede, het derde en het vierde lid opgeheven.

  Art. 63. In artikel 119.10 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 december 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt opgeheven;
  2° in paragraaf 2 worden de woorden " § 2." opgeheven.

  Art. 64. In artikel 119.12 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 december 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt opgeheven;
  2° in paragraaf 2 worden de woorden " § 2." opgeheven.

  Afdeling 2. - Wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen

  Art. 65. Artikel 95 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen wordt opgeheven.

  Afdeling 3. - Wet van 17 maart 1987 betreffende de invoering van nieuwe arbeidsregelingen in de ondernemingen

  Art. 66. In artikel 4 van de wet van 17 maart 1987 betreffende de invoering van nieuwe arbeidsregelingen in de ondernemingen wordt paragraaf 1 opgeheven.

  HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepalingen van toepassing in geval van ontslag door de werkgever of ontslag door de werknemer en bijzondere bepalingen

  Afdeling 1. - Berekening van de duur van de opzeggingstermijnen en vergoedingen

  Art. 67. De na te leven opzeggingstermijn in geval van ontslag door de werkgever of ontslag door de werknemer van werknemers wier arbeidsovereenkomst een aanvang heeft genomen vóór 1 januari 2014, wordt vastgesteld door de twee termijnen die berekend worden zoals respectievelijk bepaald in de artikelen 68 en 69, op te tellen.

  Art. 68. Het eerste deel wordt berekend in functie van de ononderbroken dienstanciënniteit verworven op 31 december 2013.
  Die termijn wordt vastgesteld op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die gelden op 31 december 2013 en die van toepassing zijn in geval van opzegging ter kennis gebracht op deze datum.
  Voor de bedienden van wie het jaarlijks loon 32.254 euro overschrijdt op 31 december 2013, wordt die termijn, in afwijking van het tweede lid, vastgesteld op een maand per begonnen jaar anciënniteit bij opzegging door de werkgever, met een minimum van drie maanden.
  Voor de bedienden van wie het jaarlijks loon 32.254 euro overschrijdt op 31 december 2013, wordt die termijn, bij opzegging door de bediende, in afwijking van het tweede lid, vastgesteld op anderhalve maand per begonnen periode van vijf jaar anciënniteit, met een maximum van vier en een halve maand indien zijn jaarlijks loon 64.508 euro niet overschrijdt op 31 december 2013 of zes maanden indien zijn jaarlijks loon op 31 december 2013 64.508 euro overschrijdt.

  Art. 69. Het tweede deel wordt berekend in functie van de ononderbroken dienstanciënniteit verworven vanaf 1 januari 2014.
  De termijn wordt vastgesteld volgens de wettelijke of reglementaire regels die gelden op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging.
  In geval van ontslag door de werknemer moet er geen rekening gehouden worden met dit tweede deel wanneer de plafonds bepaald in artikel 82, § 2, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en artikel 68, vierde lid, bereikt werden op 31 december 2013. Wanneer daarentegen de plafonds bepaald in artikel 82, § 2, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en artikel 68, vierde lid, niet werden bereikt op 31 december 2013, kan de som van de twee delen 13 weken niet overschrijden.

  Art. 70.§ 1. In afwijking van artikel 37/2, §§ 1 en 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en artikel 67, moeten, voor de opzeggingen ter kennis gebracht tussen 1 januari 2014 en 31 december 2017, de opzeggingstermijnen bepaald in paragraaf 2 worden nageleefd, indien de opzeggingstermijn, in geval van opzegging gegeven door de werkgever, op 31 december 2013 werd vastgesteld door de Koning op basis van de artikelen 61 of 65/3, § 2, van voornoemde wet van 3 juli 1978 en op die datum lager was dan de termijn bepaald in paragraaf 2, eerste lid.
  Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de opzeggingstermijn, vastgesteld door de Koning op basis van de artikelen 61 of 65/3, § 2, van voornoemde wet van 3 juli 1978 en lager dan paragraaf 2, eerste lid, slechts betrekking heeft op een anciënniteit beperkt tot één jaar.
  Dit artikel is evenwel niet van toepassing op de bij koninklijk besluit vastgestelde opzeggingstermijnen in het kader van een herstructurering, met het oog op een rustpensioen of in het kader van een stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag.
  § 2. De na te leven opzeggingstermijnen in geval van kennisgeving van een opzegging door de werkgever in de omstandigheden bedoeld in paragraaf 1, zijn de volgende :
  - twee weken wat de werknemers betreft die minder dan drie maanden anciënniteit tellen;
  - vier weken wat de werknemers betreft die tussen drie maanden en minder dan zes maanden anciënniteit tellen;
  - vijf weken wat de werknemers betreft die tussen zes maanden en minder dan vijf jaar anciënniteit tellen;
  - zes weken wat de werknemers betreft die tussen vijf jaar en minder dan tien jaar anciënniteit tellen;
  - acht weken wat de werknemers betreft die tussen tien jaar en minder dan vijftien jaar anciënniteit tellen;
  - twaalf weken wat de werknemers betreft die tussen vijftien jaar en minder dan twintig jaar anciënniteit tellen;
  - zestien weken wat de werknemers betreft die minstens twintig jaar anciënniteit tellen.
  De na te leven opzeggingstermijnen in geval van kennisgeving van een opzegging door de werknemer in de omstandigheden bedoeld in paragraaf 1, zijn de volgende :
  - een week wat de werknemers betreft die minder dan drie maanden anciënniteit tellen;
  - twee weken wat de werknemers betreft die tussen drie maanden en minder dan vijf jaar anciënniteit tellen;
  - drie weken wat de werknemers betreft die tussen vijf jaar en minder dan tien jaar anciënniteit tellen;
  - vier weken wat de werknemers betreft die tussen tien jaar en minder dan vijftien jaar anciënniteit tellen;
  - zes weken wat de werknemers betreft die tussen vijftien jaar en minder dan twintig jaar anciënniteit tellen;
  - acht weken wat de werknemers betreft die minstens twintig jaar anciënniteit tellen.
  § 3. Bij collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair comité of een paritair subcomité kunnen de bij paragraaf 2 bepaalde opzeggingstermijnen sneller evolueren in de richting van de opzeggingstermijnen bepaald in artikel 37/2, §§ 1 en 2 van voornoemde wet van 3 juli 1978.
  § 4. In afwijking van paragraaf 1, zijn de opzeggingstermijnen bepaald in paragraaf 2 van toepassing, op de werkgevers en de werknemers, indien cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  1° de opzeggingstermijn werd op 31 december 2013 vastgesteld door de Koning op basis van de artikelen 61 of 65/3, § 2, van voornoemde wet van 3 juli 1978 en was op die datum lager dan de termijn bepaald in de tweede paragraaf;
  2° de werknemer heeft geen vaste plaats van tewerkstelling;
  3° de werknemer voert gewoonlijk op tijdelijke en mobiele werkplaatsen één of meer van volgende activiteiten uit :
  a) graafwerken;
  b) grondwerken;
  c) funderings- en verstevigingswerken;
  d) waterbouwkundige werken;
  e) wegenwerken;
  f) landbouwwerken;
  g) plaatsing van nutsleidingen;
  h) bouwwerken;
  i) montage en demontage van, inzonderheid geprefabriceerde elementen, liggers en kolommen;
  j) inrichtings- of uitrustingswerken;
  k) verbouwingswerken;
  l) vernieuwbouw;
  m) herstellingswerken;
  n) ontmantelingswerken;
  o) sloopwerken;
  p) instandhoudingswerken;
  q) onderhouds-, schilder- en reinigingswerken;
  r) saneringswerken;
  s) afwerkingswerkzaamheden behorende bij één of meer werken bedoeld in de punten a) tot r).
  
  (NOTA : bij arrest nr 116/2015 van 17-09-2015 (B.St. 13-11-2015,p. 68497), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel 70,§4 vernietigd en bediende inzake de opzegginstermijnen en de carenzdag en handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot 31 december 2017)

  Afdeling 2. - Begeleidende maatregelen

  Art. 71. De proefbedingen opgenomen in een arbeidsovereenkomst waarvan de uitvoering een aanvang heeft genomen vóór 1 januari 2014, blijven hun gevolgen behouden tot het verstrijken van deze bedingen en de regels die gelden tot 31 december 2013 worden toegepast op deze proefbedingen tot het verstrijken van deze bedingen.

  Art. 72. De bedingen ingevoegd krachtens artikel 60 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, die betrekking hebben op een arbeidsovereenkomst waarvan de uitvoering is aangevangen voor 1 januari 2014, blijven hun gevolgen behouden tot het verstrijken ervan.

  Art. 73. De opzeggingstermijn wordt vastgesteld op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die gelden op 31 december 2013 en die van toepassing zijn in geval van opzegging ter kennis gebracht op deze datum wanneer de opzegging wordt gegeven door de werkgever vanaf 1 januari 2014 aan de werknemer die de volgende voorwaarden op cumulatieve wijze vervult :
  - hij maakt het voorwerp uit van een ontwerp van collectief ontslag dat, overeenkomstig artikel 66, § 2, eerste lid, van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, ten laatste werd betekend op 31 december 2013;
  - hij valt onder het toepassingsgebied van een collectieve arbeidsovereenkomst die de gevolgen van het collectief ontslag omkadert en die ten laatste op 31 december 2013 werd neergelegd op de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.

  HOOFDSTUK 5. - Diverse bepalingen

  Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers

  Art. 74. Artikel 5 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Ingeval een uitzendkracht, via opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid, in dezelfde functie, op dezelfde arbeidspost en bij dezelfde gebruiker tewerkgesteld wordt, zijn opeenvolgende proeftermijnen verboden.".

  Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen

  Art. 75. In titel 10 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen wordt hoofdstuk XI, dat de artikelen 127 tot 130 bevat, opgeheven.

  Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers

  Art. 76. In de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers wordt in hoofdstuk V, waarvan de artikelen 12 tot 17 een afdeling 2 zullen vormen luidende "Bijzondere regeling van outplacement voor de werknemers van minstens 45 jaar", een afdeling 1 ingevoegd, luidende "Algemene regeling van outplacement".

  Art. 77. In dezelfde afdeling 1, ingevoegd bij artikel 76, wordt een artikel 11/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 11/1. Deze afdeling is van toepassing op de werknemer wiens arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt beëindigd door middel van een opzeggingstermijn, verkregen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de artikelen 67 tot 69, van minstens 30 weken of een vergoeding die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van een opzeggingstermijn van minstens 30 weken, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn.
  Deze afdeling is evenwel niet van toepassing op werknemers die vallen onder het toepassingsgebied van hoofdstuk V van titel IV van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.".

  Art. 78. In dezelfde afdeling wordt een artikel 11/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 11/2. Voor de toepassing van deze afdeling moet onder "outplacementbegeleiding" worden verstaan, een geheel van begeleidende diensten en adviezen die, in opdracht van een werkgever, door een derde, hierna genoemd dienstverlener, individueel of in groep worden verleend, om een werknemer in staat te stellen zelf binnen een zo kort mogelijke termijn een betrekking bij een nieuwe werkgever te vinden of een beroepsbezigheid als zelfstandige te ontplooien.".

  Art. 79. In dezelfde afdeling wordt een artikel 11/3 ingevoegd, luidende :
  "Art. 11/3. De werknemer bedoeld in artikel 11/1, eerste lid, heeft recht op een outplacementbegeleiding.
  Dit recht wordt niet toegekend als de werknemer om dringende reden werd ontslagen.".

  Art. 80. In dezelfde afdeling wordt een artikel 11/4 ingevoegd, luidende :
  "Art. 11/4. § 1. De werkgever moet, nadat het ontslag werd gegeven, de werknemer een outplacementbegeleiding aanbieden waarvan de voorwaarden en nadere regels bepaald worden door of krachtens deze afdeling.
  § 2. Het aanbod van outplacementbegeleiding moet beantwoorden aan de navolgende kwaliteitscriteria :
  1° de werkgever doet een beroep op een dienstverlener, die optreedt :
  a) hetzij in het kader van een regeling, bepaald op het niveau van de bedrijfstak waartoe de onderneming behoort of, bij ontstentenis, in het kader van een regeling vastgesteld op het niveau van een andere bedrijfstak;
  b) hetzij in het raam van een regeling, bepaald bij een collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten op het niveau van de onderneming;
  c) hetzij in de hoedanigheid van een openbaar of privaat bureau, gespecialiseerd in het verstrekken van outplacement;
  d) hetzij in het kader van een regionaal, subregionaal of lokaal initiatief, dat opgezet wordt in het kader van een gewestelijke tewerkstellingsdienst;
  2° indien de werkgever een beroep doet op een openbare of private dienstverlener, moet deze laatste erkend zijn in de zin van de regelgeving over de publieke of private arbeidsbemiddelingsbureaus;
  3° uit het aanbod van de outplacementbegeleiding dat de werkgever gedaan heeft aan de werknemer, bedoeld bij artikel 11/1, moet blijken dat :
  a) de dienstverlener, die verantwoordelijk is voor die begeleiding, zich ertoe verbindt een ongevallenverzekering te sluiten, waarbij voor alle ongevallen, gebeurd tijdens de uitvoering van de outplacementopdracht en op de weg van en naar de plaats waar ze wordt uitgevoerd en die niet door de arbeidsongevallenverzekering van de werkgever gedekt worden, dezelfde bescherming wordt geboden als deze welke door de arbeidsongevallenwetgeving wordt gewaarborgd;
  b) de dienstverlener zich ertoe verbindt om bij niet-naleving van deze laatste verbintenis aan de werknemer die het slachtoffer wordt van een ongeval, ongeacht de vorderingen, die de werknemer op grond van zijn schade tegenover de dienstverlener kan instellen, een aanvullende forfaitaire vergoeding, gelijk aan drie maanden loon, te waarborgen;
  c) de dienstverlener zich ertoe verbindt om in het kader van de behandeling van de persoonlijke gegevens betreffende de werknemer de persoonlijke levenssfeer te eerbiedigen; de inlichtingen die in het raam van de outplacementopdracht over de werknemer worden bekomen, worden vertrouwelijk behandeld en worden niet aan derden doorgegeven;
  d) de dienstverlener zich ertoe verbindt de werknemer, op zijn verzoek, na beëindiging van de opdracht zijn dossier terug te geven;
  e) de dienstverlener zich ertoe verbindt zich niet te beroepen op de niet-uitvoering van de verbintenissen van de werkgever tegenover de dienstverlener om de outplacementbegeleiding te schorsen of stop te zetten;
  f) de dienstverlener zich ertoe verbindt zich niet in te laten met de contacten tussen de werknemer en de potentiële werkgevers;
  g) de dienstverlener zich ertoe verbindt noch de ontslagbeslissing, noch de onderhandeling daaromtrent te beïnvloeden;
  h) de dienstverlener zich ertoe verbindt de grootst mogelijke beroepsbekwaamheid en vakkennis aan te bieden door onder meer enkel personeel in te zetten dat voldoende gekwalificeerd en opgeleid is voor de opdracht;
  i) de werknemer zo snel mogelijk zal worden opgeroepen om de outplacementbegeleiding aan te vatten opdat die zo goed mogelijk zou verlopen en dit zowel op emotioneel vlak als wat betreft het opmaken van een competentiebalans;
  4° het outplacementaanbod moet een duidelijk en objectief beeld geven van de diensten van de dienstverlener en van zijn werkingsmodaliteiten; daartoe dient het aanbod de navolgende elementen te bevatten :
  a) de diensten die minimaal deel uitmaken van de opdracht : een persoonlijke en professionele balans, psychologische ondersteuning op verzoek van de werknemer, het opstellen van een actieplan alsook logistieke en administratieve steun;
  b) de nagestreefde doelstellingen met inbegrip van de specifiekere of gepersonaliseerde aspecten die zijn aangepast aan de leeftijd en het kwalificatieniveau van de werknemers;
  c) de begeleidingsmethodes die concreet worden beoogd;
  d) de datum van het begin van de outplacementbegeleiding;
  e) het soort van outplacement dat wordt beoogd : individueel en/of groepsoutplacement;
  f) het programma van de werknemer tijdens de outplacementbegeleiding via een document dat aan de werknemer overhandigd wordt ter verduidelijking van de te volgen stappen, de training en de opvolging;
  g) de vermoedelijke plaats(en) waar de outplacementbegeleiding wordt ingericht;
  5° de afstand tussen de woon- of werkplaats van de werknemer en de plaats waar de outplacementbegeleiding wordt ingericht, moet redelijk zijn; ter beoordeling hiervan dient uit het outplacementaanbod te blijken dat de dienstverlener blijk geeft van geografische beschikbaarheid en moet er rekening worden gehouden met de verplaatsingsmogelijkheden van de werknemer, met inbegrip van de kostprijs, alsook met de aard en het niveau van zijn kwalificatie.
  § 3. De in paragraaf 2 opgesomde criteria kunnen door de Koning worden aangevuld of vervangen.".

  Art. 81. In dezelfde afdeling wordt een artikel 11/5 ingevoegd, luidende :
  "11/5. § 1. Wanneer de arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt beëindigd met een vergoeding die berekend wordt op het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van een opzeggingstermijn van minstens 30 weken, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn, heeft de werknemer recht op een ontslagpakket bestaande uit :
  1° een outplacementbegeleiding van 60 uren ter waarde van één twaalfde van het jaarloon van het kalenderjaar die het ontslag voorafgaat, met een minimumwaarde van 1.800 euro en een maximumwaarde van 5.500 euro. Ingeval de arbeidsregeling van de werknemer deeltijds is, wordt deze minimum- en maximumvork herleid aan de hand van de tewerkstellingsbreuk. De outplacementbegeleiding wordt gewaardeerd op 4 weken loon;
  2° een opzeggingsvergoeding die overeenstemt hetzij met de duur van een opzeggingstermijn van minstens 30 weken, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn, waarop vier weken worden aangerekend voor de waarde van de outplacementbegeleiding.
  § 2. De bij § 1 bedoelde werknemer heeft recht op een outplacementbegeleiding gedurende een maximumperiode van twaalf maanden onder de navolgende voorwaarden en nadere regels :
  1° gedurende een termijn van maximum twee maanden, te rekenen vanaf de aanvangsdatum van het outplacementprogramma, krijgt de werknemer, in totaal, twintig uren begeleiding behalve wanneer hij de werkgever verwittigd heeft dat hij een betrekking bij een nieuwe werkgever heeft of een beroepsbezigheid als zelfstandige en dat hij die begeleiding niet wenst aan te vatten;
  2° de begeleiding wordt voortgezet gedurende een daaropvolgende termijn van maximum vier maanden ten belope van, in totaal, twintig uren behalve wanneer de werknemer de werkgever verwittigd heeft dat hij een betrekking bij een nieuwe werkgever heeft of een beroepsbezigheid als zelfstandige en dat hij de begeleiding niet wenst voort te zetten;
  3° de begeleiding wordt nogmaals voortgezet gedurende een daaropvolgende termijn van maximum zes maanden ten belope van, in totaal, twintig uren behalve wanneer de werknemer de werkgever verwittigd heeft dat hij een betrekking bij een nieuwe werkgever of een beroepsbezigheid als zelfstandige heeft en dat hij de begeleiding niet wenst voort te zetten;
  4° de bij het tweede en derde lid bedoelde verwittiging onderbreekt de outplacementbegeleiding.
  § 3. Wanneer de werknemer, die de werkgever verwittigd heeft dat hij een betrekking bij een nieuwe werkgever heeft, deze betrekking verliest binnen drie maanden na de indiensttreding, wordt op zijn verzoek de outplacementbegeleiding aangevat of hervat. In geval van hervatting, vangt deze aan in de fase waarin het outplacementprogramma werd onderbroken en voor de nog overblijvende uren. De begeleiding neemt in elk geval een einde bij het verstrijken van de periode van twaalf maanden nadat zij werd aangevat.".

  Art. 82. In dezelfde afdeling wordt een artikel 11/6 ingevoegd, luidende :
  "Art. 11/6. § 1. Wanneer een arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt beëindigd met inachtneming van een opzeggingstermijn, berekend overeenkomstig de bepalingen van voormelde wet van 3 juli 1978 en de artikelen 67 tot 69, van minstens 30 weken, heeft de werknemer recht op een ontslagpakket bestaande uit :
  1° een outplacementbegeleiding van 60 uren. De tijd die wordt besteed aan deze outplacementbegeleiding wordt aangerekend op de tijd gedurende dewelke de werknemer met behoud van loon van het werk mag wegblijven om een nieuwe dienstbetrekking te zoeken krachtens artikel 41 van voormelde wet van 3 juli 1978;
  2° een opzeggingstermijn, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 en de artikelen 67 tot 69, van minstens 30 weken.
  § 2. Wanneer de werknemer, die de werkgever verwittigd heeft dat hij een betrekking bij een nieuwe werkgever heeft, deze betrekking verliest binnen drie maanden na de indiensttreding, wordt op zijn verzoek de outplacementbegeleiding aangevat of hervat. In geval van hervatting, vangt het outplacementprogramma aan voor de nog overblijvende uren. De begeleiding neemt in elk geval een einde bij het verstrijken van de periode van twaalf maanden nadat zij werd aangevat.
  § 3. De werknemer die, tijdens de opzeggingstermijn, aan de arbeidsovereenkomst een einde maakt met een verkorte opzeggingstermijn wanneer hij een andere betrekking heeft gevonden, behoudt het recht op een outplacementbegeleiding tot drie maanden nadat de arbeidsovereenkomst bij zijn vorige werkgever een einde heeft genomen. Indien de begeleiding reeds was aangevat, vangt de hervatting aan voor de nog overblijvende uren. De begeleiding neemt in elk geval een einde bij het verstrijken van de periode van twaalf maanden nadat zij werd aangevat.".

  Art. 83. In dezelfde afdeling wordt een artikel 11/7 ingevoegd, luidende :
  "Art. 11/7. § 1. Wanneer de arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt beëindigd met een vergoeding die overeenstemt hetzij met de duur van een opzeggingstermijn van minstens 30 weken, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn, doet de werkgever binnen een termijn van vijftien dagen nadat de arbeidsovereenkomst een einde heeft genomen, schriftelijk een geldig outplacementaanbod aan de werknemer.
  § 2. Indien de werkgever binnen de voormelde termijn van vijftien dagen geen outplacementbegeleiding aan de werknemer aanbiedt, stelt deze laatste de werkgever binnen 39 weken na het verstrijken van die termijn schriftelijk in gebreke.
  § 3. De werkgever doet binnen een termijn van vier weken na het tijdstip van de ingebrekestelling aan de werknemer schriftelijk een geldig outplacementaanbod.
  § 4. De werknemer beschikt over een termijn van vier weken, te rekenen vanaf het tijdstip van het aanbod door de werkgever, om al dan niet zijn schriftelijke instemming met dit aanbod te geven.
  § 5. De werknemer mag ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven zijn instemming geven om de outplacementbegeleiding aan te vatten.
  Het geschrift, waarbij de werknemer zijn instemming geeft, mag enkel betrekking hebben op outplacement als zodanig.".

  Art. 84. In dezelfde afdeling wordt een artikel 11/8 ingevoegd, luidende :
  "Art. 11/8. § 1. Wanneer een arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt beëindigd door middel van een opzeggingstermijn, verkregen overeenkomstig de bepalingen van voormelde wet van 3 juli 1978 en de artikelen 67 tot 69, van minstens 30 weken, doet de werkgever uiterlijk vier weken na de aanvang van de opzeggingstermijn een outplacementaanbod.
  Indien de werkgever binnen de voormelde termijn van vier weken geen outplacementbegeleiding aan de werknemer aanbiedt, stelt deze laatste de werkgever binnen een termijn van vier weken na het verstrijken van die termijn schriftelijk in gebreke.
  De werkgever doet binnen een termijn van vier weken na het tijdstip van de ingebrekestelling aan de werknemer schriftelijk een geldig outplacementaanbod.
  De werknemer beschikt over een termijn van vier weken, te rekenen vanaf het tijdstip van het aanbod door de werkgever, om al dan niet zijn schriftelijke instemming met dit aanbod te geven.
  § 2. De werknemer mag ten vroegste na de betekening van de opzeggingstermijn van de arbeidsovereenkomst zijn instemming geven om de outplacementbegeleiding aan te vatten.
  Het geschrift, waarbij de werknemer zijn instemming geeft, mag enkel betrekking hebben op outplacement als zodanig.".

  Art. 85. In dezelfde afdeling wordt een artikel 11/9 ingevoegd, luidende :
  "Art. 11/9. § 1. De werknemer, die overeenkomstig artikel 11/5, § 3, en artikel 11/6, §§ 2 en 3, de outplacementbegeleiding wenst aan te vatten of te hervatten, dient zijn verzoek daartoe schriftelijk in binnen een termijn van vier weken na het verlies van de nieuwe dienstbetrekking.
  Wanneer de werknemer die de begeleiding wenst aan te vatten, nog geen aanbod heeft ontvangen, is de bij artikel 11/7 bedoelde procedure van toepassing met dien verstande dat de termijn van vijftien dagen binnen welke de werkgever een outplacementbegeleiding moet aanbieden, gerekend wordt vanaf het tijdstip van het verzoek door de werknemer.".

  Art. 86. In dezelfde afdeling wordt een artikel 11/10 ingevoegd, luidende :
  "Art. 11/10. Het verzoek om een outplacementbegeleiding aan te vatten of te hervatten, de ingebrekestelling, de instemming met de begeleiding of de eventuele weigering ervan, het verzoek tot verdaging van de aanvangsdatum alsook de verwittiging betreffende een nieuwe betrekking of een zelfstandige activiteit gebeuren door middel van een aangetekend schrijven of de overhandiging van een geschrift waarvan het duplicaat door de werkgever voor ontvangst wordt getekend.
  Het outplacementaanbod van de werkgever, de eventuele weigering van een verzoek tot begeleiding, de instemming met of de weigering tot verdaging van de aanvangsdatum gebeuren door middel van een ter post aangetekend schrijven.".

  Art. 87. In dezelfde afdeling wordt een artikel 11/11 ingevoegd, luidende :
  "Art. 11/11. De werknemer bedoeld bij artikel 11/5 herwint het recht op een opzeggingsvergoeding die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van een opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn, verkregen overeenkomstig de bepalingen van de voornoemde wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de artikelen 67 tot 69, als de werkgever :
  - hem geen enkele outplacementbegeleiding aanbiedt na de procedure bepaald bij artikel 11/7 te hebben gevolgd;
  - hem een aanbod voorstelt dat niet in overeenstemming is met de voorwaarden en nadere regels vastgesteld bij of krachtens deze afdeling;
  - hoewel hij een outplacementbegeleiding heeft aangeboden overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels vastgesteld in of krachtens deze afdeling, de voormelde begeleiding niet daadwerkelijk uitvoert.".

  Art. 88. In dezelfde afdeling wordt een artikel 11/12 ingevoegd, luidende :
  "Art. 11/12. Tot en met 31 december 2015, heeft de werknemer wiens arbeidsovereenkomst is verbroken mits betaling van een opzeggingsvergoeding, recht op een opzeggingsvergoeding die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van een opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn, verkregen overeenkomstig de bepalingen van de voornoemde wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de artikelen 67 tot 69, behalve als hij een outplacementaanbod, in overeenstemming met de voorwaarden en nadere regels bepaald bij of krachtens deze afdeling, aanvaardt dat daadwerkelijk wordt uitgevoerd door de werkgever. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 11/5 op hem van toepassing.".

  Art. 89. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 76, wordt artikel 12 vervangen als volgt :
  "Art. 12. Deze afdeling is van toepassing op de werknemers die niet genieten van de bepalingen van afdeling 1 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever die onderworpen is aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.".

  Art. 90. In artikel 12 van dezelfde wet worden de woorden "Dit hoofdstuk" vervangen door de woorden "Deze afdeling".

  Art. 91. In artikel 17 van dezelfde wet worden de woorden "deze wet" vervangen door de woorden "deze afdeling".

  Afdeling 4. - Bevorderen van de inzetbaarheid

  Art. 92. In de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten wordt een artikel 39ter ingevoegd, luidende :
  "Art. 39ter. Per bedrijfstak dient tegen uiterlijk 1 januari 2019 in het paritair comité of paritair subcomité een collectieve arbeidsovereenkomst, erin te voorzien dat een werknemer wiens arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt beëindigd door middel van een opzeggingstermijn, berekend overeenkomstig de bepalingen van deze wet, van minstens 30 weken, of een vergoeding die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van een opzeggingstermijn van minstens 30 weken, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn, recht heeft op een ontslagpakket bestaande uit een te presteren opzeggingstermijn of een opzeggingsvergoeding, overeenstemmende met de opzeggingstermijn die twee derden van het ontslagpakket beloopt en, voor het resterende derde, maatregelen die de inzetbaarheid van de werknemer op de arbeidsmarkt verhogen.
  De regeling kan in geen geval tot gevolg hebben dat de opzeggingstermijn, of vergoeding die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn, lager wordt dan 26 weken.
  De outplacementbegeleiding zoals bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk V van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, vormt, wanneer van toepassing, een onderdeel van de één derde inzetbaarheidsverhogende maatregelen.
  Tussen 1 januari 2019 en 30 juni 2019 zal de Nationale Arbeidsraad de regelingen per bedrijfstak inventariseren en evalueren.".

  Afdeling 5. - Wijziging van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers

  Art. 93. Artikel 38 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers wordt aangevuld met een paragraaf 3quaterdecies, luidende :
  " § 3quaterdecies. Wanneer na 1 januari 2019 een werknemer die is ontslagen en die voldoet aan de voorwaarden om recht te hebben op een ontslagpakket dat inzetbaarheidsverhogende maatregelen omvat zoals bedoeld in artikel 39ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, het hele ontslagpakket als opzeggingstermijn presteert of een opzeggingsvergoeding krijgt uitbetaald voor het geheel van die opzeggingstermijn of het nog te lopen deel na onmiddellijke beëindiging tijdens de duurtijd van de opzeggingstermijn, is op het loon betaald tijdens het deel van de opzeggingstermijn dat één derde van het ontslagpakket vertegenwoordigt en dat alleszins 26 weken overschrijdt of op het corresponderende deel van de vervangende opzeggingsvergoeding een bijzondere bijdrage verschuldigd van 1 % ten laste van de werknemer en 3 % ten laste van de werkgever.
  Deze bijzondere bijdrage wordt geïnd door de bevoegde inningsinstelling.
  Deze bijzondere bijdrage wordt gelijkgesteld met een socialezekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen.
  De opbrengst van de bijdrage wordt door de inningsinstelling gestort aan de RSZ-globaal beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.".

  Afdeling 6. - Aanvullende vergoedingen bij eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever

  Art. 94. De toepassing van de bepalingen van een bestaande, in een paritair orgaan gesloten, collectieve arbeidsovereenkomst die voorziet in de betaling van een aanvullende vergoeding aan de werknemer, na en omwille van een eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, is met ingang van 1 juli 2015 ongeoorloofd, voor zover deze aanvullende vergoeding lager is dan het verschil tussen de ontslagkost van de opzeggingstermijn of vergoeding berekend volgens de bepalingen van deze wet en de ontslagkost van de opzeggingstermijn of -vergoeding berekend volgens de bepalingen van de wet en de bestaande collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten in een paritair orgaan zoals die gelden op 31 december 2013.
  Indien de, op basis van de in het voorgaande lid bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst, bestaande aanvullende vergoeding hoger is dan het verschil bedoeld in het voorgaande lid, is de toepassing van de bepalingen op dit punt wel geoorloofd voor het gedeelte dat het verschil overschrijdt.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de vorm of de benaming van de aanvullende vergoeding, met het tijdstip of de periodiciteit van de betaling ervan, met de berekenings- of betalingswijze ervan, noch met de identiteit van de debiteur.
  Elk bedrag dat aan de gerechtigde wordt betaald als aanvulling bij hetgeen wettelijk is voorzien en tot doel heeft de bestaanszekerheid van de werknemer, na en omwille van de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, te waarborgen wordt als een onderdeel van de aanvullende vergoeding beschouwd.
  Deze afdeling is niet van toepassing op aanvullende vergoedingen die worden toegekend op basis van een in een paritair orgaan gesloten collectieve arbeidsovereenkomst in het kader van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag.

  Afdeling 7. - Invoering van een bijzondere compenserende bijdrage voor het Fonds voor sluiting van ondernemingen

  Art. 95. In artikel 38 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers wordt een paragraaf 3quindecies ingevoegd, luidende :
  " § 3quindecies. De werkgever is een bijzondere compenserende bijdrage verschuldigd op de verbrekingsvergoeding van de werknemer, zoals bedoeld in artikel 19, § 2, 2°, a) en d), van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals dit artikel van toepassing was op 30 september 2013. Enkel dit deel van de vergoeding wordt bedoeld dat is opgebouwd op basis van de geleverde prestaties vanaf 1 januari 2014.
  Deze bijdrage bedraagt 1 % op de voormelde verbrekingsvergoeding ten laste van de werkgever voor werknemers met een jaarloon tussen 44.509 euro en 54.508 euro.
  Ze bedraagt 2 % op de voormelde verbrekingsvergoeding ten laste van de werkgever voor werknemers met een jaarloon tussen 54.509 euro en 64.508 euro.
  Ze bedraagt 3 % op de voormelde verbrekingsvergoeding ten laste van de werkgever voor werknemers met een jaarloon hoger dan 64.508 euro.
  Het jaarloon wordt berekend op basis van de loon- en prestatiegegevens van het laatste kwartaal waarin prestaties werden aangegeven volgens de volgende formule :
  Voor voltijdse werknemers :
  (A/B)*260
  Voor deeltijdse werknemers :
  ((A/C)*D/5)*260
  Waarbij :
  A = bedrag van het loon
  B = aantal dagen
  C = aantal uren
  D = aantal uren van de maatpersoon/week.
  Voor werknemers voor wie het vakantiegeld wordt uitbetaald door een vakantiekas wordt A vermenigvuldigd met 1,08.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder loon, dagen en uren, rekening houdend met de codificatie die wordt gebruikt door de instelling bevoegd voor de inning van de socialezekerheidsbijdragen.
  Deze bijzondere bijdrage wordt geïnd door de bevoegde inningsinstelling. De opbrengst van deze bijdrage is bestemd voor het Fonds voor sluiting van ondernemingen.
  Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met een socialezekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de termijn inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling, belast met de inning en invordering van de bijdragen.".

  Afdeling 8. - Wijziging van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk

  Art. 96.
  <Ingetrokken bij W 2015-11-27/04, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 26-12-2013 (KB 2015-11-27/06, art. 7, 1°)>

  Afdeling 9. . - Wijziging van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders

  Art. 97.In artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 februari 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1, derde lid, wordt aangevuld met de bepalingen onder zf), luidende :
  "zf) met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, de uitbetaling verzekeren van een ontslagcompensatievergoeding aan werknemers waarvan de duur van de opzeggingstermijn of van de overeenstemmende opzeggingsvergoeding overeenkomstig de wetgeving minstens gedeeltelijk moet worden bepaald op basis van de anciënniteit verworven als arbeider in de periode gelegen vóór 1 januari 2014.";
  2° er wordt een § 1sexies ingevoegd, luidende :
  " § 1sexies. De vergoeding bedoeld in § 1, derde lid, zf), compenseert, volgens de regels bepaald door de Koning, het verschil tussen enerzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever moet toekennen en anderzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever zou toegekend hebben alsof de totale anciënniteit van de werknemer volledig verworven was na 31 december 2013.
  De vergoeding wordt slechts toegekend indien de werknemer gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° de begindatum van zijn ononderbroken arbeidsovereenkomst is gelegen vóór 1 januari 2014;
  2° de arbeidsovereenkomst bedoeld in 1° is een arbeidsovereenkomst voor werklieden in de zin van artikel 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of in de zin van artikel 7bis van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, of bedoeld door Titel V van de voormelde wet van 3 juli 1978;
  3° hij voldoet aan één van de volgende voorwaarden :
  a) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt ten minste dertig jaar op de dag waarop de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad;
  b) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2014 ten minste twintig jaar;
  c) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2015 ten minste vijftien jaar;
  d) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2016 ten minste tien jaar;
  e) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2017 minder dan tien jaar;
  4° hij wordt ontslagen na 31 december 2013.
  De werknemer op wie artikel 70 van voormelde wet van toepassing is, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding.
  De werknemer ten aanzien van wie, op basis van artikel 73 van voormelde wet, de opzeggingstermijn wordt vastgesteld op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die gelden op 31 december 2013 en die van toepassing zijn in geval van opzegging ter kennis gebracht op deze datum, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding.
  De vergoeding wordt voor de toepassing van de werkloosheidsverzekering gelijkgesteld met een opzeggingsvergoeding die wordt toegekend wanneer de werkgever de overeenkomst beëindigt zonder dringende redenen en zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
  De Koning bepaalt de wijze waarop deze vergoeding wordt berekend, aangevraagd en toegekend. De Koning bepaalt eveneens welke invloed de vergoeding heeft, inzonderheid wat betreft het openen of heropenen van het recht van de werkloze op uitkeringen en de cumul met zijn uitkeringen.
  Deze vergoeding is vrijgesteld van inhoudingen en bijdragen voor de sociale zekerheid en van fiscale inhoudingen.
  Indien de werknemer gerechtigd is op de inschakelingsvergoeding bedoeld in artikel 36 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact is hij slechts gerechtigd op de ontslagcompensatievergoeding onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
  De werknemer ten aanzien van wie, op basis van artikel 73 van voormelde wet, de opzeggingstermijn wordt vastgesteld op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die gelden op 31 december 2013 en die van toepassing zijn in geval van opzegging ter kennis gebracht op deze datum, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding.";
  3° in § 4, derde lid, worden de woorden "en van § 1, derde lid, littera j, en volgende" ingevoegd tussen de woorden "paragraaf" en "worden";
  4° in § 13, vijfde lid, worden de woorden "littera j, l, n en q," vervangen door de woorden "littera j, l, n, q en zf,".
  
  (NOTA : bij arrest nr 116/2015 van 17-09-2015 (B.St. 13-11-2015,p. 68497), heeft het Grondwettelijk Hof in dit artikel het lid " De werknemer op wie artikel 70 van voormelde wet van toepassing is, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding" vernietigd) en handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot 31 december 2017)

  Afdeling 10. - Wijziging van de wet van 12 april 2011 houdende aanpassing van de wet van 1 februari 2011 houdende verlenging van de crisismaatregelen en uitvoering van het interprofessioneel akkoord, en tot uitvoering van het compromis van de Regering met betrekking tot het ontwerp van interprofessioneel akkoord

  Art. 98. In de wet van 12 april 2011 houdende aanpassing van de wet van 1 februari 2011 houdende verlenging van de crisismaatregelen en uitvoering van het interprofessioneel akkoord, en tot uitvoering van het compromis van de Regering met betrekking tot het ontwerp van interprofessioneel akkoord worden de artikelen 38/1 en 38/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 38/1. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de werknemer die aan één van de volgende voorwaarden voldoet :
  1° de begindatum van zijn ononderbroken arbeidsovereenkomst is gelegen na 31 december 2013;
  2° de begindatum van zijn ononderbroken arbeidsovereenkomst is gelegen vóór 1 januari 2014, hij is ontslagen na 31 december 2013, en hij voldoet aan één van de volgende voorwaarden :
  a) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad van de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen ten minste dertig jaar;
  b) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2014 ten minste twintig jaar;
  c) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2015 ten minste vijftien jaar;
  d) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2016 ten minste tien jaar;
  e) zijn anciënniteit in de onderneming bedraagt op 1 januari 2017 minder dan tien jaar.
  Art. 38/2. In afwijking van artikel 38/1 blijft dit hoofdstuk van toepassing op de werknemer ten aanzien van wie, op basis van artikel 73 van voormelde wet de opzeggingstermijn wordt vastgesteld op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die gelden op 31 december 2013 en die van toepassing zijn in geval van opzegging ter kennis gebracht op deze datum.".
  In afwijking van artikel 38/1 blijft dit hoofdstuk van toepassing op de werknemer op wie artikel 70 van voormelde wet van toepassing is.".

  Afdeling 11. - Wijziging van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact

  Art. 99. In artikel 38, eerste lid, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, vervangen bij de wet van 20 juli 2006, worden de woorden "aan een arbeider" vervangen door de woorden "aan een werknemer".

  Afdeling 12. - Fiscale bepalingen met betrekking tot de invoering van een eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden

  Art. 100. In artikel 38 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1, eerste lid, 27°, ingevoegd bij de wet van 19 juni 2011, wordt opgeheven;
  2° § 5, ingevoegd bij de wet van 19 juni 2011, wordt opgeheven;
  3° § 1, eerste lid 27°, ingevoegd bij de wet van 19 juni 2011, en opgeheven bij deze wet, wordt hersteld als volgt :
  "27° de "ontslagcompensatievergoeding" zoals bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.".

  Art. 101. In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling III, B, van hetzelfde Wetboek wordt een 1° quater ingevoegd, luidende : "1° quater. Sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut".

  Art. 102. In 1° quater, ingevoegd bij artikel 101, wordt een artikel 67quater ingevoegd, luidende :
  "Art. 67quater. Winsten en baten worden van belasting vrijgesteld tot beloop van een bepaald bedrag aan bezoldigingen toegekend aan werknemers die bij de betrokken belastingplichtige minimaal 5 dienstjaren hebben na 1 januari 2014.
  Het vrij te stellen bedrag van de winsten of baten bedraagt 3 weken bezoldiging per begonnen dienstjaar vanaf het 6de dienstjaar na 1 januari 2014. Vanaf het 21ste dienstjaar na 1 januari 2014 bedraagt de belastingvrijstelling 1 week bezoldiging per bijkomend begonnen dienstjaar.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een maximumbedrag invoeren met betrekking tot de bezoldiging als beoogd in § 2 waarop de vrijstelling wordt berekend. Hij zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van dit lid genomen besluiten.
  Wanneer de betrokken werknemer de onderneming verlaat, moet het totale voor deze werknemer reeds vrijgestelde bedrag worden opgenomen in de winsten en baten van het belastbaar tijdperk waarin de tewerkstelling een einde neemt.
  Ten aanzien van de belastingplichtigen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46 en 211, blijven de bepalingen van dit artikel van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
  De Koning regelt de wijze van uitvoering van dit artikel.".

  Art. 103. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 538 ingevoegd, luidende :
  "Art. 538. Artikel 38, § 1, eerste lid, 27°, en § 5, zoals dit bestond voor de opheffing ervan door artikel 100, 1° en 2°, van de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen blijft ook na 1 januari 2014 van toepassing voor zover het ontslag ter kennis van de werknemer werd gebracht voor 1 januari 2014.
  Dezelfde bepaling blijft eveneens na 1 januari 2014 van toepassing wanneer het ontslag wordt gegeven door de werkgever vanaf 1 januari 2014 aan de werknemer die de volgende voorwaarden op cumulatieve wijze vervult :
  - hij maakt het voorwerp uit van een ontwerp van collectief ontslag dat, overeenkomstig artikel 66, § 2, eerste lid, van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, ten laatste werd betekend op 31 december 2013;
  - hij valt onder het toepassingsgebied van een collectieve arbeidsovereenkomst die de gevolgen van het collectief ontslag omkadert en die ten laatste op 31 december 2013 werd neergelegd op de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.".

  Afdeling 13. - Wijziging van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders

  Art. 104. In de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt een artikel 2/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 2/1. § 1. De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de regeling van de werkloosheid, tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en tot de kinderbijslagregeling voor werknemers, wat betreft de gelegenheidswerknemers tewerkgesteld bij een werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf of het Paritair Comité voor de landbouw.
  De socialezekerheidsbijdragen worden berekend op forfaitaire bedragen. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van deze forfaits bepalen.
  In de zin van dit artikel wordt als gelegenheidsarbeider beschouwd :
  1° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf ressorteren, met uitzondering van de handarbeiders die tewerkgesteld zijn aan werken in de witloofteelt of de champignonteelt : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 65 dagen per kalenderjaar, tenzij de tewerkstelling bestaat uit het aanplanten en onderhouden van parken en tuinen;
  2° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteren : de handarbeider tewerkgesteld aan werken op de eigen gronden van de werkgever of de gebruiker van diensten, gedurende maximaal 30 dagen per kalenderjaar;
  3° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid ressorteren : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 65 dagen per kalenderjaar bij een gebruiker die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, met uitsluiting van het aanplanten en onderhouden van parken en tuinen ressorteert en de handarbeider tewerkgesteld aan werken op de eigen gronden van de gebruiker die onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteert, gedurende maximaal 30 dagen per kalenderjaar;
  4° wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn aan werken in de witloofteelt : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 100 dagen per kalenderjaar, met uitzondering van de werknemers die ressorteren onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid, wat de laatste 35 dagen van de 100 dagen betreft;
  5° wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn in de champignonteelt : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 100 dagen per kalenderjaar, met uitzondering van de werknemers die ressorteren onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid, wat de laatste 35 dagen van de 100 dagen betreft.
  § 2. De beperking van de onderwerping bedoeld in § 1, eerste lid, wordt beperkt tot maximaal 65 dagen per handarbeider en per kalenderjaar.
  Voor de gelegenheidsarbeiders in de champignonteelt moet de tewerkstelling plaatsvinden bij één of meerdere werkgevers gedurende de periode van intense activiteit, beperkt per kalenderjaar tot 156 dagen per werkgever. Wanneer de voorwaarden vermeld in § 2bis vervuld zijn, wordt de tewerkstelling van de werknemer niet beperkt tot de periode van intense activiteit van 156 dagen per kalenderjaar.
  In afwijking van het eerste lid kan, wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn aan werken in de witloofteelt, de beperking van de onderwerping bedoeld in § 1, eerste lid, verlengd worden met 35 extra dagen per handarbeider die geen uitzendarbeider is en per kalenderjaar, voorzover gelijktijdig aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  a) de betrokken werkgever moet ten minste 3/4 van de omzet van het voorgaande kalenderjaar gerealiseerd hebben met de witloofteelt; dit moet op de volgende manier bewezen worden :
  - ten laatste op de veertiende dag die volgt op de door het Nationaal Instituut voor de Statistiek bepaalde datum voor het versturen van de vragenlijsten ingevuld in het kader van de landbouwtelling bedoeld bij het koninklijk besluit van 2 april 2001 betreffende de organisatie van een jaarlijkse landbouwtelling in de maand mei, uitgevoerd door het Nationaal Instituut voor de Statistiek, stuurt de werkgever een kopie van de ingevulde vragenlijst naar de voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf;
  - ten laatste op de veertiende dag die volgt op de ontvangst van het aanslagbiljet voor het lopende aanslagjaar (inkomsten van het vorige jaar), stuurt de werkgever een kopie van dit aanslagbiljet naar de voorzitter van het voornoemde paritair comité, met dien verstande dat wanneer het aanslagbiljet voor het aanslagjaar 2008 (inkomsten 2007) wordt opgestuurd na 2008, de mededelingsplicht van de kopie van dit aanslagbiljet blijft bestaan in hoofde van de werkgever;
  b) in afwachting dat dit dubbele bewijs geleverd wordt, stuurt de betrokken werkgever naar de identificatiedienst van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een verklaring op eer die bevestigt dat er aan de voorwaarde onder a) voldaan is, met in bijlage de volgende documenten :
  - een kopie van de vragenlijst ingevuld in het kader van de landbouwtelling van het vorige jaar;
  - een kopie van het laatste ontvangen aanslagbiljet.
  Een kopie van deze verklaring op eer en de bijlagen wordt naar de voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf gestuurd.
  c) de betrokken werkgever kan deze 35 extra dagen enkel gebruiken voor de witloofteelt, zelfs indien deze werkgever andere activiteiten heeft;
  d) de betrokken werkgever mag zich niet in één van de situaties bevinden bedoeld in artikel 38, § 3octies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. In dit laatste geval is de beperking van de onderwerping bedoeld in § 1, eerste lid, niet meer van toepassing.
  § 2bis. In afwijking van § 2, eerste lid, kan, wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn in de champignonteelt, de beperking van de onderwerping bedoeld in § 1, eerste lid, verlengd worden met 35 extra dagen per handarbeider die geen uitzendarbeider is en per kalenderjaar, voor zover gelijktijdig aan volgende voorwaarden is voldaan :
  1° de betrokken werkgever verbindt zich ertoe het werk in zijn onderneming met eigen personeel, ingeschreven en aangegeven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf uit te voeren;
  2° de betrokken werkgever kan deze 35 extra dagen enkel voor de champignonteelt gebruiken, zelfs indien hij andere activiteiten heeft, en mag de werknemer niet inzetten voor aanpassingen of herstellingen aan de infrastructuur van de onderneming;
  3° de betrokken werkgever toont ieder jaar een tewerkstellingsvolume aan, uitgedrukt in voltijdse equivalent, dat minstens gelijk is aan het gemiddelde van de vier multifunctionele-aangiften bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor het kalenderjaar 2011;
  4° het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf bekijkt jaarlijks of er voldaan is aan de voorwaarden onder 1°, 2° en 3°, evenals aan het naleven van de sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten. Om na te gaan of de tewerkstellingsnorm bedoeld in 3° is nageleefd, vergelijkt het per werkgever het tewerkstellingsvolume van het afgelopen jaar met het tewerkstellingsvolume van het jaar 2011;
  5° de betrokken werkgever moet een schriftelijke aanvraag richten aan de voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, waarbij hij de cijfergegevens bedoeld onder 3° hierboven toevoegt en een verbintenis aangaat zoals vermeld onder 1°. Voor de ondernemingen waar een overlegorgaan bestaat, zoals een ondernemingsraad, een comité voor preventie en bescherming op het werk of een vakbondsafvaardiging, moet het akkoord van de werknemersvertegenwoordiging toegevoegd worden.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 4°, bezorgt de voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf het jaarlijks evaluatieverslag van voornoemd comité uiterlijk tegen 30 april aan de minister van Sociale Zaken en de minister van Werk.
  Het jaarlijkse evaluatieverslag vermeld in het tweede lid wordt door de minister van Werk aan de Nationale Arbeidsraad bezorgd.
  De minister van Sociale Zaken beschikt over een termijn van vijftien kalenderdagen om zich uit te spreken over het respecteren van de voorwaarden onder het eerste lid, 1°, 2° en 3° en van de sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten en over het geheel of gedeeltelijk invorderen van de vrijgestelde bijdragen voor het betrokken kwartaal. Deze termijn begint te lopen vanaf het bezorgen van het verslag door de voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf. Indien de minister van Sociale Zaken binnen deze termijn geen beslissing neemt, dan wordt de beslissing geacht positief te zijn.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 5°, moeten de schriftelijke aanvraag en verbintenis jaarlijks hernieuwd worden voor het daaropvolgende kalenderjaar, zodra de multifunctionele-aangiften van het lopende kalenderjaar gekend zijn.
  De voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf bezorgt de lijst van de werkgevers die een dergelijke aanvraag en verbintenis hebben bezorgd, aan de leden van de werkgroep "champignonteelt" van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf. De lijst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf. De goedgekeurde lijst wordt aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bezorgd.
  Het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf stelt een modeldocument op voor deze schriftelijke aanvraag en verbintenis.
  De individuele bedrijfsregeling wordt jaarlijks geëvalueerd in de daartoe opgerichte werkgroep "champignonteelt" van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf.
  § 3. In geval van werkzaamheden uitgevoerd bij werkgevers of gebruikers die zowel onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf als onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteren, is de toepassing van dit artikel beperkt tot 65 dagen per arbeider en per kalenderjaar.
  In afwijking van het vorige lid, wordt de cumulatie van de verschillende gelegenheidsactiviteiten gebracht op 100 dagen per kalenderjaar wanneer de gelegenheidsactiviteiten vanaf de 66ste dag uitsluitend uitgeoefend worden in de witloofteelt.
  § 4. Wordt niet als gelegenheidsarbeider in de zin van dit artikel beschouwd, de werknemer die in de loop van de 180 voorafgaande dagen in de land- of tuinbouwsector heeft gewerkt met toepassing van de wet in een andere hoedanigheid dan die van gelegenheidsarbeider zoals hier omschreven.
  § 5. Deze regelingen worden vijfjaarlijks geëvalueerd in de betrokken paritaire comités. Deze evaluaties worden overgemaakt aan de Nationale Arbeidsraad.
  § 6. De Koning bepaalt de wijze van aangifte van tewerkstelling van de gelegenheidsarbeiders bij de inningsinstelling van de sociale zekerheidsbijdragen en de te vervullen administratieve formaliteiten.
  § 7. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inhoud van dit artikel wijzigen. De besluiten genomen krachtens dit artikel houden op uitwerking te hebben op het einde van de zesde maand volgend op hun inwerkingtreding, tenzij zij voor die dag bij wet zijn bekrachtigd.
  De besluiten die bij wet zijn bekrachtigd zoals bedoeld in het eerste lid, kunnen dan niet bij wet worden gewijzigd, aangevuld, vervangen of opgeheven.

  Afdeling 14. - Wijziging van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers

  Art. 105. In artikel 38, § 3, 8°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd bij de wetten van 22 mei 2001 en 24 december 2002 en bij het koninklijk besluit van 10 juni 2001, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de in het eerste lid bedoelde bijdragevoet verminderen op de door Hem bepaalde wijze.".

  Afdeling 15. - Wijziging van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971

  Art. 106. Artikel 18 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971, vervangen bij de wet van 22 mei 2001 en gewijzigd bij de wet van 24 december 2002, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
  " § 4. Het in § 1 bedoelde fonds wordt eveneens gespijsd door een tegemoetkoming van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening voor de financiering van de gelijkgestelde dagen.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag en de wijze van betaling van deze tegemoetkoming.".

  Afdeling 16. . - Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

  Art. 107. In artikel 32, eerste lid, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 februari 1997 en 10 juni 2001 en de programmawet (I) van 24 december 2002, worden de woorden "tijdens het tijdvak dat gedekt is door die vergoeding" vervangen door de woorden "of die een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders genieten, tijdens de tijdvakken die gedekt zijn door die vergoedingen".

  Art. 108. In artikel 86, § 1, 1°, a), van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juni 2001 en de programmawet (I) van 24 december 2002, worden de woorden "tijdens het tijdvak dat gedekt is door die vergoeding" vervangen door de woorden "of die een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders genieten, tijdens de tijdvakken die gedekt zijn door die vergoedingen".

  Art. 109. Artikel 103, § 1, 3°, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 november 2002, wordt aangevuld met de woorden ", of op een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.".

  HOOFDSTUK 6. - Inwerkingtreding en slotbepalingen

  Art. 110.Deze wet treedt in werking op 1 januari 2014, met uitzondering van artikel 96, dat in werking treedt op een datum bepaald door de Koning.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 96 vastgesteld op 01-01-2016 door KB 2014-04-24/47, art. 6, 1°)

  Art. 111. De opzeggingen betekend vóór de inwerkingtreding van deze wet blijven al hun gevolgen behouden.

  Art. 112. De artikelen 13, 18 tot 20, 22 en 74 zijn van toepassing op de arbeidsovereenkomsten waarvan de uitvoering, zoals overeengekomen door de werkgever en de werknemer, aanvangt vanaf 1 januari 2014.

  Art. 113. De mogelijkheid van opzegging van een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd of voor een duidelijk omschreven werk, bepaald bij artikel 40, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gewijzigd door artikel 15, is slechts van toepassing op dergelijke overeenkomsten gesloten vanaf 1 januari 2014.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Ciergnon, 26 december 2013.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Werk,
Mevr. M. DE CONINCK
De Minister van Financiën,
K. GEENS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

BEELD
2014201788
PUBLICATIE :
2014-04-04
bladzijde : 29283

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 27-11-2015 GEPUBL. OP 09-12-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 96)
  • BEELD
  • ARREST GRONDWETTELIJK HOF VAN 17-09-2015 GEPUBL. OP 13-11-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 70; 97)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Verwijzingen : Zitting 2013-2014. Kamer van volksvertegenwoordigers Stukken. - Wetsontwerp, 53-3144/001. - Amendementen, 53-3144/002. - Verslagen, 53-3144/003 en 53-3144/004. - Tekst aangenomen door de commissie, 53-3144/005. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat, 53-3144/006. Integraal verslag. - 12 december 2013. [Senaat
       Stukken.
       Nr. 1 : Ontwerp geëvoceerd door de Senaat.
       Nr. 2 : Amendementen.
       Nr. 3 : Verslag.
       Nr. 4 : Beslissing om niet te amenderen.
       Integraal verslag Senaat : 18 en 19 december 2013].
        .

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
    Erratum Franstalige versie