J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
15 DECEMBER 2006. - [Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de tuchtprocedure voor het statutaire gemeentepersoneel ter uitvoering van artikel 129, 136 en 143 van het Gemeentedecreet, voor het statutaire personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ter uitvoering van artikel 128, 135 en 142 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en voor het statutaire provinciepersoneel ter uitvoering van artikel 125, 132 en 139 van het Provinciedecreet]<BVR 2009-05-15/09, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-01-2007 en tekstbijwerking tot 29-05-2009)

Bron : VLAAMSE GEMEENSCHAP
Publicatie : 12-01-2007 nummer :   2007035008 bladzijde : 1402   BEELD
Dossiernummer : 2006-12-15/52
Inwerkingtreding : 01-01-2007

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Het tuchtonderzoek.
Art. 1-4
HOOFDSTUK II. - Oproeping voor de hoorzitting.
Art. 5-6
HOOFDSTUK III. - Organisatie van de hoorzitting.
Art. 7-10
HOOFDSTUK IV. - Beraadslaging en kennisgeving.
Art. 11-12
HOOFDSTUK V. - De preventieve schorsing.
Art. 13-14
HOOFDSTUK VI. - De Beroepscommissie voor tuchtzaken.
Art. 15-18
HOOFDSTUK VII. - Inwerkingtreding.
Art. 19-20

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Het tuchtonderzoek.

  Artikel 1.§ 1. [1 De tuchtoverheid die feiten vaststelt die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken, of er kennis van krijgt, geeft, naargelang het geval, conform artikel 124 van het Gemeentedecreet, artikel 123 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of artikel 120 van het Provinciedecreet, aan een tuchtonderzoeker de opdracht een tuchtonderzoek te verrichten en een tuchtverslag op te maken, en ze belast de aangestelde tuchtonderzoeker ermee een tuchtdossier samen te stellen.]1
  De tuchtoverheid brengt het betrokken personeelslid onmiddellijk op de hoogte van haar beslissing tot het opstarten van een tuchtonderzoek, met vermelding van de aard van de feiten en de datum van vaststelling of kennisneming van de feiten.
  [1 De tuchtoverheid is bevoegd om te oordelen of er, bij kennisneming van de feiten, een schijn van partijdigheid kan zijn in hoofde van de decretaal voorziene tuchtonderzoeker. Als de tuchtoverheid oordeelt dat er sprake is van een mogelijke partijdigheid, wijst zij een andere tuchtonderzoeker aan. Indien de tuchtonderzoeker zelf meent dat hij niet kan optreden wegens een mogelijke schijn van partijdigheid, dan deelt hij dit mee aan de tuchtoverheid, die vervolgens een nieuwe aanwijzing doet als zij oordeelt dat er sprake is van mogelijke partijdigheid.]1
  § 2. [1 Bij aanwijzing van een leidinggevend personeelslid door de gemeentesecretaris, de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of de provinciegriffier die optreedt als tuchtoverheid, moet dat personeelslid minstens dezelfde of een gelijkwaardige graad hebben als het personeelslid dat het voorwerp is van het onderzoek.]1
  De tuchtoverheid wordt regelmatig geïnformeerd over het verloop van het onderzoek.
  Zodra het tuchtonderzoek langer duurt dan drie maanden moet de tuchtoverheid bovendien in ieder geval regelmatig worden geïnformeerd over de redenen waarom het tuchtonderzoek nog niet kan worden afgesloten.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-15/09, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 2. Het onderzoek kan het verhoor van de betrokkene omvatten en van elke andere persoon. De afgifte van stukken en voorwerpen die nuttig zijn om de juistheid van de feiten te bepalen kan gevraagd worden.
  De weigering tot medewerking van de betrokkene bij het tuchtonderzoek wordt vermeld in het tuchtverslag.

  Art. 3. § 1. Het tuchtonderzoek resulteert in een tuchtverslag dat al de nuttige gegevens over de feiten en de omstandigheden bevat zodat de tuchtoverheid met kennis van zaken kan oordelen over de verdere tuchtvervolging.
  § 2. De tuchtonderzoeker kan toelichting geven over zijn bevindingen. Hij is niet aanwezig bij de beraadslaging en de beslissing door de tuchtoverheid.

  Art. 4. Het tuchtdossier bevat de stukken, en ook de verslagen van de eventuele verhoren, die geleid hebben tot de conclusies van het tuchtverslag, evenals de beslissing houdende opdracht tot het voeren van het tuchtonderzoek en een inventaris van al de bijgevoegde documenten.

  HOOFDSTUK II. - Oproeping voor de hoorzitting.

  Art. 5.§ 1. Na de afronding van het tuchtonderzoek wordt het tuchtverslag samen met het tuchtdossier voorgelegd aan de tuchtoverheid die binnen een termijn van twee maanden oordeelt over het gevolg dat zij geeft aan de voorgelegde zaak. Indien een beslissing uitblijft wordt de tuchtoverheid geacht af te zien van de verdere vervolging en kan geen tuchtstraf meer opgelegd worden voor de ten laste gelegde feiten.
  De beslissing om geen vervolging in te stellen wordt schriftelijk meegedeeld aan het betrokken personeelslid.
  § 2. Bij vervolging wordt het betrokken personeelslid opgeroepen voor de hoorzitting bij de tuchtoverheid door overhandiging tegen ontvangstbewijs van de oproepingsbrief of per aangetekende brief tenminste eenentwintig dagen voor de hoorzitting.
  De oproeping vermeldt :
  1° de ten laste gelegde feiten;
  2° de overweging van een tuchtstraf;
  3° plaats, dag en uur van de hoorzitting;
  4° het recht op bijstand en vertegenwoordiging door een verdediger naar keuze;
  5° het recht van de betrokkene om de openbaarheid van de hoorzitting te vragen;
  6° het recht om het horen van getuigen te vragen [1 ...]1;
  7° het recht om een schriftelijk verweer in te dienen tot op de dag voor de hoorzitting.
  [1 Het tuchtverslag en het tuchtdossier worden als bijlage gevoegd bij de oproepingsbrief met toepassing van, naargelang het geval, artikel 127 van het Gemeentedecreet, artikel 126 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of artikel 123 van het Provinciedecreet. De beslissing waarbij kennis wordt genomen van het tuchtverslag wordt bij het dossier gevoegd.]1
  § 3. Aan de betrokkene wordt gemeld dat indien er getuigen moeten worden gehoord, dit tien dagen voor de hoorzitting wordt meegedeeld aan de tuchtoverheid, met het oog op de oproeping, dat moet worden aangeduid welke getuigen moeten worden gehoord, en dat ook moet worden aangegeven waarover de getuigen een verklaring dienen te geven.
  Bovendien wordt aan de betrokkene ook gemeld dat hij verzocht wordt binnen dezelfde termijn van tien dagen voor de hoorzitting bij de tuchtoverheid de stukken te deponeren die hij wenst toe te voegen aan het dossier.
  Indien de tuchtoverheid getuigen oproept worden de namen en het onderwerp van de getuigenissen in de oproepingsbrief aan de betrokkene meegedeeld.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-15/09, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  

  Art. 6. Op gemotiveerde vraag van de betrokkene kan uitstel van de hoorzitting verleend worden.
  Het organiseren van een uitgestelde hoorzitting of van een hoorzitting in voortzetting is, behalve de melding aan de betrokkene, niet onderworpen aan de vormvereisten van de eerste oproeping.

  HOOFDSTUK III. - Organisatie van de hoorzitting.

  Art. 7. Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt.
  Het proces-verbaal wordt uiterlijk binnen de zeven dagen na de hoorzitting aan de betrokkene en zijn raadsman overhandigd tegen ontvangstbewijs of toegezonden per aangetekende zending, met het verzoek eventuele bemerkingen mee te delen, het te ondertekenen en terug te bezorgen binnen zeven dagen na ontvangst. Het uitblijven van de terugzending impliceert de aanvaarding van het proces-verbaal.
  De tuchtoverheid maakt desgevallend een proces-verbaal van niet-verschijnen op. Een afschrift van dit proces-verbaal wordt binnen de zeven dagen na de dag van de hoorzitting aan de betrokkene overhandigd tegen ontvangstbewijs of toegezonden per aangetekende zending.

  Art. 8. Het proces-verbaal van het verhoor van de getuigen wordt op dezelfde wijze als dit van de betrokkene ter ondertekening aan de getuige voorgelegd. Een ondertekend exemplaar wordt aan het vervolgde personeelslid bezorgd.

  Art. 9.De wraking van een lid van de tuchtoverheid moet door de betrokkene bij de aanvang van de hoorzitting worden gevraagd waarna de tuchtoverheid, zonder het gewraakte lid, hierover beraadslaagt en beslist vooraleer de hoorzitting verder te zetten.
  [1 Als de gemeentesecretaris, de provinciegriffier of de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, optreedt als tuchtoverheid, en hij oordeelt dat hij terecht wordt gewraakt, geeft hij het tuchtdossier onmiddellijk, al naargelang het geval, in handen van het college van burgemeester en schepenen, of de deputatie, of, in het geval van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, aan het vast bureau, als er een vast bureau bestaat, en als er geen vast bureau bestaat, aan de raad voor maatschappelijk welzijn.]1 In afwijking van het voorgaande wordt de zaak onmiddellijk in handen gegeven van de adjunct-gemeentesecretaris in de gemeenten die over een adjunct-gemeentesecretaris beschikken. Indien nadien ook de adjunct-gemeentesecretaris zou worden gewraakt, wordt de zaak verder gezet door het college van burgemeester en schepenen. De adjunct-gemeentesecretaris mag in dezelfde zaak niet optreden als tuchtonderzoeker en als tuchtoverheid.
  Alle betrokkenen worden door de adjunct-gemeentesecretaris of door het uitvoerend college dat de procedure overneemt uitgenodigd voor een nieuwe hoorzitting. Die moet plaatshebben binnen de dertig dagen na de dag van de wraking.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-15/09, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 10.[1 De gemeentesecretaris, de adjunct-gemeentesecretaris, de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of de provinciegriffier die optreedt als tuchtoverheid, kan zich bij het verhoor, en met het oog op de notulering, laten bijstaan door een door hem aangewezen lid van, naargelang het geval, het gemeentepersoneel, het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of het provinciepersoneel.]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-15/09, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  HOOFDSTUK IV. - Beraadslaging en kennisgeving.

  Art. 11.§ 1. De tuchtoverheid doet binnen twee maanden na het afsluiten van het proces-verbaal van de laatste hoorzitting, of van niet-verschijnen, uitspraak over de op te leggen tuchtmaatregel.
  Indien geen uitspraak wordt gedaan binnen die termijn, wordt de tuchtoverheid geacht af te zien van vervolging voor de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd.
  § 2. [1 De leden van, naargelang het geval, de gemeenteraad, de raad voor maatschappelijk welzijn, de provincieraad, het college van burgemeester en schepenen, het vast bureau of de deputatie, die niet permanent aanwezig waren tijdens het geheel van de hoorzittingen, mogen niet deelnemen aan de beraadslagingen en aan de stemming over de op te leggen maatregel.]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-15/09, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 12. Het tuchtbesluit wordt op straffe van nietigheid, aan de betrokkene betekend, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door overhandiging tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van veertien dagen na de beslissing.

  HOOFDSTUK V. - De preventieve schorsing.

  Art. 13. De tuchtoverheid geeft de opdracht tot onderzoek, opmaak van het verslag en samenstelling van het dossier voor de preventieve schorsing aan dezelfde instantie die belast kan worden met het opmaken van het tuchtverslag.
  Ingeval van een preventieve schorsing bij hoogdringendheid kan die instantie mondeling of schriftelijk verslag geven aan de tuchtoverheid.

  Art. 14.[1 Met toepassing van artikel 135, § 1, van het Gemeentedecreet, artikel 134, eerste lid, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of artikel 131, eerste lid, van het Provinciedecreet, wordt de betrokkene door de tuchtoverheid gehoord voor de preventieve schorsing wordt opgelegd.]1
  De bepalingen van de hoofdstukken 2, 3 en 4 zijn eveneens van toepassing met de vermelding dat het gaat over mogelijke tuchtfeiten en de toepassing van de ordemaatregel. De oproepingstermijn voor de hoorzitting wordt evenwel teruggebracht tot vijf dagen. De andere termijnen worden gehalveerd, behalve indien zeven dagen zijn voorzien.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-15/09, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  HOOFDSTUK VI. - De Beroepscommissie voor tuchtzaken.

  Art. 15.§ 1. [1 De betrokkene kan bij de Beroepscommissie voor tuchtzaken een beroepsschrift indienen als vermeld in artikel 139 van het Gemeentedecreet, in artikel 138 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en in artikel 135 van het Provinciedecreet.]1
  § 2. Het beroepsschrift bevat de argumenten van de betrokkene.
  Bij afwezigheid van enig argument verzoekt de voorzitter van de Beroepscommissie de betrokkene schriftelijk om aan die verplichting tegemoet te komen. Dit verzoek wordt aan betrokkene toegezonden per aangetekende zending. Indien binnen tien dagen na ontvangst van dit verzoek hieraan geen gevolg wordt gegeven is het beroepsschrift onontvankelijk.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-15/09, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 16. Na de ontvangst van het geargumenteerd beroepsschrift vraagt de voorzitter van de Beroepscommissie schriftelijk het tuchtdossier op bij de tuchtoverheid. Het tuchtdossier wordt binnen zeven dagen na ontvangst van dit verzoek aan de Beroepscommissie bezorgd.

  Art. 17. Ten minste eenentwintig dagen voor zijn verschijning wordt het betrokken personeelslid door de voorzitter van de Beroepscommissie opgeroepen om gehoord te worden op een hoorzitting.
  Het bestuur wordt eveneens uitgenodigd voor deze hoorzitting en ontvangt samen met de oproepingsbrief een voor eensluidend verklaard afschrift van het beroepschrift

  Art. 18. § 1. De oproepingsbrief voor de betrokkenen vermeldt :
  1° plaats, dag en uur van de hoorzitting;
  2° het recht op bijstand en vertegenwoordiging door een verdediger naar keuze;
  3° de plaats waar en de termijn waarbinnen het dossier kan ingezien worden;
  4° het recht van het betrokken personeelslid om de openbaarheid van de hoorzitting te vragen;
  5° het recht om het horen van getuigen te vragen;
  6° het recht om schriftelijk verweer in te dienen tot op de dag voor de hoorzitting;
  7° de termijn waarbinnen de Beroepscommissie een uitspraak moet doen.
  § 2. Aan de betrokkenen wordt gemeld dat indien er getuigen moeten worden gehoord, dit tien dagen voor de hoorzitting wordt meegedeeld aan de Voorzitter van de Beroepscommissie met het oog op de oproeping, en dat moet worden aangeduid welke getuigen moeten worden gehoord, en bovendien moet worden aangegeven waarover de getuigen een verklaring dienen te geven.

  HOOFDSTUK VII. - Inwerkingtreding.

  Art. 19. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2007.

  Art. 20. De Vlaamse minister, bevoegd voor Binnenlandse Aangelegenheden, is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Brussel, 15 december 2006.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  Y. LETERME
  De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering,
  M. KEULEN.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Vlaamse Regering,
   Gelet op het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, zoals gewijzigd bij decreet van 2 juni 2006, inzonderheid op de artikelen 129, 136 en 143;
   Gelet op het Provinciedecreet van 9 december 2005, zoals gewijzigd bij decreet van 2 juni 2006, inzonderheid op de artikelen 125, 132 en 139;
   Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 18 oktober 2006;
   Gelet op Protocol nr. 2006/2 van 27 november 2006 van de eerste afdeling van het comité voor de provinciale en plaatselijke besturen, onderafdeling Vlaams Gewest en Vlaamse Gemeenschap;
   Gelet op het advies van de Raad van State nr. 41.582/3, gegeven op 21 november 2006 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering;
   Na beraadslaging,
   Besluit :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 15-05-2009 GEPUBL. OP 29-05-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : OPSCHRIFT; 1; 5; 9; 10; 11; 14; 15)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie