J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 21 uitvoeringbesluiten 26 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2006/05/17/2006009456/justel

Titel
17 MEI 2006. - Wet betreffende de <externe> <rechtspositie> van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.
(NOTA 1 : art. 2, 6°, b, gewijzigd met inwerkingtredingdatum vastgesteld op 01-09-2014 bij W 2013-01-21/12, art. 3, zichzelf opgeheven bij W 2013-12-15/05, art. 34, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2014)
(NOTA : artikelen gewijzigd in de toekomst door W 2019-05-05/18, art. 2-24; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-10-2020)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-06-2006 en tekstbijwerking tot 24-05-2019) Zie wijziging(en)

Bron : JUSTITIE
Publicatie : 15-06-2006 nummer :   2006009456 bladzijde : 30455       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2006-05-17/35
Inwerkingtreding : 01-09-2017

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Algemene bepaling.
Art. 1
TITEL II. - Definities.
Art. 2
TITEL III. - Bepalingen inzake het slachtoffer.
Art. 3
TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten.
HOOFDSTUK I. - De uitgaansvergunning.
Art. 4-5
HOOFDSTUK II. - Het penitentiair verlof.
Art. 6-9
HOOFDSTUK IIbis. [1 - De plaatsing in een transitiehuis.]1
Art. 9/1, 9/2, 9/3
HOOFDSTUK III. - Bepalingen die gemeen zijn aan de hoofdstukken [1 I, II en IIbis]1.
Afdeling I. [1 - De procedure tot toekenning van de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof en de plaatsing in het transitiehuis.]1
Art. 10-11
Afdeling II. - Maatregelen in geval van niet-naleving van de voorwaarden en voorlopige aanhouding.
Art. 12-14
HOOFDSTUK IV. - De onderbreking van de strafuitvoering.
Art. 15-19, 19/1
HOOFDSTUK IVbis. - [1 Bepaling die gemeen is aan de hoofdstukken I, [2 II, IIbis, III en IV]2]1
Art. 20
HOOFDSTUK V. [1 - De invrijheidstelling met het oog op verwijdering en overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen in het kader van hun imminente verwijdering]1
Art. 20/1
HOOFDSTUK VI. [1 - Informatie aan het slachtoffer bij definitieve invrijheidsstelling]1
Art. 20/2
TITEL V. - De door de strafuitvoeringsrechter en de strafuitvoeringsrechtbank toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten.
HOOFDSTUK I. - De beperkte detentie en het elektronisch toezicht.
Afdeling I. - De beperkte detentie.
Art. 21
Afdeling II. - Het elektronisch toezicht.
Art. 22
Afdeling III. - De tijdsvoorwaarden.
Art. 23
HOOFDSTUK II. - De voorwaardelijke invrijheidstelling.
Afdeling I. - Definitie.
Art. 24
Afdeling II. - De tijdsvoorwaarden.
Art. 25, 25/1
HOOFDSTUK IIbis. [1 Bepaling die gemeen is aan de hoofdstukken I en II]1
Art. 25/2
HOOFDSTUK III. - De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.
Art. 25/3, 26, 26/1
HOOFDSTUK IV. - [1 De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen]1
Art. 26/1
TITEL VI. - Over de toekenning van de door Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten.
HOOFDSTUK I. - De vrijheidsstraffen van drie jaar of minder.
Afdeling I. - Definitie.
Art. 27
Afdeling II. - De voorwaarden.
Art. 28
Afdeling III. - De toekenningsprocedure.
Art. 29, 29/1, 30-37
Afdeling IV. - De beslissing van de strafuitvoeringsrechter.
Onderafdeling I. - Algemene bepaling.
Art. 38
Onderafdeling II. - De beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit.
Art. 39-44
Onderafdeling III. - De beslissing tot niet-toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit.
Art. 45
Onderafdeling IV. - De mededeling van de beslissing.
Art. 46
HOOFDSTUK II. - De vrijheidsstraffen van meer dan drie jaar.
Afdeling I. - De voorwaarden.
Art. 47-48
Afdeling II. - De toekenningsprocedure.
Art. 49, 49/1, 50-53
Afdeling III. - De beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank.
Onderafdeling I. - Algemene bepaling.
Art. 54
Onderafdeling II. - De beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit.
Art. 55-56
Onderafdeling III. - De beslissing tot niet-toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit.
Art. 57
Onderafdeling IV. - De mededeling van de beslissing.
Art. 58
HOOFDSTUK III. - Bepalingen die gemeen zijn aan de hoofdstukken I en II.
Afdeling I. - Bijzondere maatregelen.
Art. 59
Afdeling II. - De aanvang van de uitvoering van de strafuitvoeringsmodaliteit.
Art. 60
Afdeling III. - De wijziging van de beslissing.
Art. 61
TITEL VII. - De opvolging en de controle van de in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten.
Art. 62-63
TITEL VIII. - De herroeping, de schorsing en de herziening van de in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten.
HOOFDSTUK I. - De herroeping.
Art. 64-65
HOOFDSTUK II. - De schorsing.
Art. 66
HOOFDSTUK III. - De herziening.
Art. 67
HOOFDSTUK IV. - De procedure.
Art. 68
HOOFDSTUK V. - Diverse bepalingen.
Art. 69
TITEL IX. - De voorlopige aanhouding.
Art. 70
TITEL X. - De definitieve invrijheidstelling.
Art. 71
TITEL XI. - De bijzondere bevoegdheden van de strafuitvoeringsrechter.
HOOFDSTUK I. - De voorlopige invrijheidstelling om medische redenen.
Art. 72-75, 75/1, 75/2, 76-80
HOOFDSTUK II. - De samenloop van misdrijven.
Art. 81-86
HOOFDSTUK III. - De vervanging van de door de strafrechter uitgesproken vrijheidsstraf door een werkstraf.
Art. 87-95
HOOFDSTUK IV. [1 De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen]1
Art. 95/1
TITEL XIbis. - Bijzondere bevoegdheden van de strafuitvoeringsrechtbank <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
HOOFDSTUK I. - De terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
Afdeling 1. - Algemeen <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
Art. 95/2
Afdeling 2. - Uitvoeringsprocedure van de terbeschikkingstelling <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
Art. 95/3, 95/4, 95/5, 95/6, 95/7, 95/8, 95/9
Afdeling 3. - Het verloop van de vrijheidsbeneming <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
Onderafdeling 1. - Algemeen<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
Art. 95/10
Onderafdeling 2. - Uitgaansvergunning en penitentiair verlof<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
Art. 95/11, 95/12, 95/13, 95/14, 95/15, 95/16, 95/17
Onderafdeling 3. - Beperkte detentie en elektronisch toezicht <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
Art. 95/18, 95/19, 95/20
Afdeling 4. - Ambtshalve jaarlijkse controle door de strafuitvoeringsrechtbank <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
Art. 95/21, 95/22, 95/23, 95/24, 95/25
Afdeling 5. - Het verloop van de invrijheidstelling onder toezicht<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
Art. 95/26, 95/27, 95/28
Afdeling 6. - Ontheffing van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
Art. 95/29, 95/30
TITEL XII. - Het cassatieberoep.
Art. 96-98
TITEL XIIbis. - Overlegstructuren. <ingevoegd bij W 2006-12-27/33, art. 52, Inwerkingtreding : 01-02-2007>
Art. 98/1
TITEL XIII. - Wijzigings-, opheffings- en overgangsbepalingen.
HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen.
Afdeling 1. - Wijziging van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.
Art. 99
Afdeling 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering.
Art. 100-102
Afdeling 3. - Wijziging van het Strafwetboek.
Art. 103
Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen.
Art. 104
Afdeling 5. - Wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
Art. 105
HOOFDSTUK II. - Opheffingsbepalingen.
Art. 106
HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen.
Art. 107-108
TITEL XIV. - Inwerkingtreding.
Art. 109

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Algemene bepaling.

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

  TITEL II. - Definities.

  Art. 2.Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
  1° de minister : de Minister van Justitie;
  2° de veroordeelde : een natuurlijke persoon die veroordeeld is tot een vrijheidsstraf krachtens een gerechtelijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan;
  3° [2 de directeur : de ambtenaar bedoeld in artikel 2 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden.]2
  4° de strafuitvoeringsrechter : de voorzitter van de strafuitvoeringsrechtbank;
  5° het openbaar ministerie : het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank;
  6° het slachtoffer : de volgende categorieën van personen die bij de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit kunnen vragen om te worden geïnformeerd en/of te worden gehoord in de door deze wet bepaalde gevallen, volgens de door de Koning bepaalde regels :
  a) de natuurlijke persoon wiens burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
  b) [1 de natuurlijke persoon voor wie een vonnis of een arrest bepaalt dat er ten aanzien van hem strafbare feiten zijn gepleegd, of zijn wettelijke vertegenwoordiger;]1
  c) de natuurlijke persoon die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen;
  [1 d) de nabestaande van de persoon van wie het overlijden rechtstreeks is veroorzaakt door het strafbaar feit of de nabestaande van een overleden persoon die zich burgerlijke partij had gesteld; onder nabestaande wordt verstaan de echtgenoot van de overleden persoon, de persoon die met hem samenleefde en met hem een duurzame affectieve relatie had, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen, alsook anderen die van hem afhankelijk waren;]1
  [1 e) de naaste van een niet-overleden slachtoffer die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen; onder naaste wordt verstaan : de echtgenoot van het niet-overleden slachtoffer, de persoon die met hem samenleeft en met hem een duurzame affectieve relatie heeft, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen, alsook anderen die van hem afhankelijk zijn.]1
  [1 Ten aanzien van de personen die onder de categorieën c), d) en e) vallen, oordeelt de strafuitvoeringsrechter op hun verzoek, overeenkomstig de bepalingen van titel III, of ze een direct en legitiem belang hebben;]1;
  7° staat van herhaling : de herhaling zoals gedefinieerd door het Strafwetboek en door bijzondere strafwetten en die is vastgesteld in het vonnis of arrest van veroordeling door de uitdrukkelijke verwijzing naar de veroordeling die aan de herhaling ten grondslag ligt;
  8° Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht : de dienst binnen de federale overheidsdienst Justitie die bevoegd is voor de uitwerking en de opvolging van het elektronisch toezicht.
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2017-02-20/05, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 12-03-2017>

  TITEL III. - Bepalingen inzake het slachtoffer.

  Art. 3.§ 1. [3 De in artikel 2, 6°, c), d) en e), bedoelde personen]3 die in de door de wet bepaalde gevallen wensen te worden geïnformeerd of gehoord bij de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit, richten een schriftelijk verzoek aan de strafuitvoeringsrechter.
  [2 Dit schriftelijk verzoek wordt neergelegd bij de justitieassistent, het openbaar ministerie of een strafuitvoeringsrechtbank. Zij zenden het schriftelijk verzoek op hun beurt onverwijld over aan de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank. Indien nog geen bevoegde strafuitvoeringsrechtbank bekend is, zenden zij het schriftelijk verzoek over aan de strafuitvoeringsrechtbank van het rechtsgebied waar de veroordeelde op dat moment verblijft.]2
  De griffie zendt onverwijld een afschrift van het verzoek over aan het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie geeft een advies binnen zeven dagen na ontvangst van het afschrift.
  § 2. De in § 1 bedoelde personen kunnen zich te allen tijde laten vertegenwoordigen of bijstaan door hun raadsman. Zij kunnen zich eveneens laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
  § 3. Indien de strafuitvoeringsrechter dit nuttig acht om te kunnen oordelen over het direct en legitiem belang, kan hij de verzoeker vragen om op een zitting hieromtrent verdere informatie te verstrekken. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het in § 1 bedoelde verzoek.
  § 4. De strafuitvoeringsrechter oordeelt over het direct en legitiem belang binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien dagen nadat de zaak in beraad is genomen. De beslissing wordt bij een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de verzoeker [1 ...]1.
  De beslissing wordt eveneens onverwijld meegedeeld aan de minister (en aan het openbaar ministerie). <W 2006-12-27/33, art. 53, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  § 5. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
  ----------
  (1)<W 2007-04-21/01, art. 146, 003; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2015, maar opgeheven op 31-12-1984, vóór de inwerkingtreding>
  (2)<W 2012-12-14/53, art. 15, 014; Inwerkingtreding : 02-05-2013>
  (3)<W 2013-12-15/05, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten.

  HOOFDSTUK I. - De uitgaansvergunning.

  Art. 4. § 1. De uitgaansvergunning laat de veroordeelde toe om de gevangenis te verlaten voor een bepaalde duur die niet langer mag zijn dan zestien uren.
  § 2. De uitgaansvergunningen kunnen op elk moment van de detentieperiode aan de veroordeelde worden toegekend om :
  1° sociale, morele, juridische, familiale, opleidings- of professionele belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen;
  2° een medisch onderzoek of een medische behandeling buiten de gevangenis te ondergaan.
  § 3. Tijdens de twee jaren die de datum voorafgaan waarop de veroordeelde tot voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegelaten, kunnen aan die veroordeelde uitgaansvergunningen worden toegekend om zijn sociale reïntegratie voor te bereiden. Deze uitgaansvergunningen kunnen met een bepaalde periodiciteit worden toegekend.
  § 4. De uitvoering van de vrijheidsstraf loopt voort tijdens de duur van de toegekende uitgaansvergunning.

  Art. 5.De uitgaansvergunning wordt toegekend op voorwaarde dat :
  1° de veroordeelde zich in de tijdsvoorwaarden bevindt bedoeld in artikel 4, §§ 2 en 3;
  2° er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens de uitgaansvergunning ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou [1 lastig vallen]1;
  3° de veroordeelde instemt met de voorwaarden die aan de uitgaansvergunning kunnen worden verbonden krachtens artikel 11, § 3.
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 144, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  HOOFDSTUK II. - Het penitentiair verlof.

  Art. 6. § 1. Het penitentiair verlof laat de veroordeelde toe de gevangenis driemaal zesendertig uren per trimester te verlaten.
  § 2. Het penitentiair verlof heeft tot doel :
  1° de familiale, affectieve en sociale contacten van de veroordeelde in stand te houden en te bevorderen;
  2° de sociale reïntegratie van de veroordeelde voor te bereiden.
  § 3. De uitvoering van de vrijheidsstraf straf loopt voort tijdens de duur van het toegekend penitentiair verlof.

  Art. 7.Het penitentiair verlof wordt toegekend aan elke veroordeelde die voldoet aan de volgende voorwaarden :
  1° de veroordeelde bevindt zich in het jaar dat de datum voorafgaat waarop hij tot voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegelaten;
  2° er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens het penitentiair verlof ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou [1 lastig vallen]1;
  3° de veroordeelde stemt in met de voorwaarden die aan het penitentiair verlof kunnen worden verbonden krachtens artikel 11, § 3.
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 144, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 8. Drie maanden voor de veroordeelde zich in de door artikel 7, 1°, bepaalde tijdsvoorwaarde bevindt, licht de directeur de veroordeelde schriftelijk in over de mogelijkheden tot toekenning van penitentiaire verloven.
  De veroordeelde richt zijn schriftelijk verzoek tot penitentiair verlof aan de directeur.
  De directeur kan de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête te houden in het door de veroordeelde voor het penitentiair verlof voorgestelde opvangmilieu. De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête.
  Binnen twee maanden na de ontvangst van het verzoek, stelt de directeur een met redenen omkleed advies op en zendt hij het verzoek en zijn met redenen omkleed advies over aan de minister of zijn gemachtigde en bezorgt de veroordeelde een afschrift ervan.

  Art. 9. Indien het advies van de directeur niet wordt meegedeeld binnen de in artikel 8, vierde lid, bepaalde termijn, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op schriftelijk verzoek van de veroordeelde, de minister op straffe van een dwangsom veroordelen tot het uitbrengen van zijn advies, via de directeur, binnen de termijn voorzien door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en om aan de veroordeelde een afschrift van dit advies ter kennis te brengen.
  De voorzitter doet uitspraak na de veroordeelde en de minister of zijn gemachtigde te hebben gehoord, op advies van het openbaar ministerie, binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek.
  Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.

  HOOFDSTUK IIbis. [1 - De plaatsing in een transitiehuis.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-07-11/02, art. 68, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>
  

  Art. 9/1. [1 De plaatsing in een transitiehuis is een vorm van detentie waarbij de veroordeelde gedetineerde zijn vrijheidsstraf ondergaat op basis van een plaatsingsplan.
   De uitvoering van de vrijheidsstraf loopt voort tijdens de duur van de plaatsing in een transitiehuis.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-07-11/02, art. 69, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>
  

  Art. 9/2. [1 § 1. Een transitiehuis is een bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad erkende inrichting waar veroordeelden kunnen geplaatst worden om hun vrijheidsstraf te ondergaan.
   § 2. De verantwoordelijke van het transitiehuis heeft toegang tot de gegevens uit het dossier van de veroordeelde die van aard zijn om de opdrachten die verbonden zijn aan de plaatsing te kunnen uitvoeren.
   § 3. De Koning bepaalt bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad:
   1° de normen waaraan een inrichting dient te voldoen om als transitiehuis erkend te kunnen worden.
   2° de financiële tussenkomst van de Federale Staat voor de kosten die verbonden zijn aan de plaatsing.
   De normen bedoeld in het eerste lid, 1°, hebben betrekking op de architectonische, de organisatorische, de personele en de functionele eisen waaraan de inrichting moet voldoen evenals op het huishoudelijk reglement.
   § 4. Met oog op de uitvoering van de plaatsingen in een transitiehuis, wordt een overeenkomst gesloten tussen de minister en de verantwoordelijke van het transitiehuis op basis van een door de Koning bepaald model.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-07-11/02, art. 70, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>
  

  Art. 9/3. [1 § 1. De veroordeelden die voldoen aan de volgende voorwaarden, kunnen worden geplaatst in een transitiehuis:
   1° de veroordeelde bevindt zich op achttien maanden na, in de tijdsvoorwaarden voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
   2° de veroordeelde beschikt over de vaardigheid om in een open gemeenschapsregime te verblijven;
   3° er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen waaraan men niet kan tegemoet komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich tijdens de periode van plaatsing in een transitiehuis aan de strafuitvoering zou onttrekken, ernstige strafbare feiten zou plegen of de slachtoffers zou lastig vallen;
   4° de veroordeelde stemt schriftelijk in met het plaatsingsplan zoals bepaald bij paragraaf 2 en met de voorwaarden die aan de plaatsing in het transitiehuis verbonden worden overeenkomstig artikel 11, § 3;
   5° de veroordeelde stemt schriftelijk in met het huishoudelijk reglement zoals bepaald bij artikel 9/2, § 3.
   § 2. Het plaatsingsplan beschrijft het programma dat de veroordeelde dient te volgen en geeft minstens de verplichte activiteiten weer waaraan de veroordeelde moet deelnemen met het oog op zijn re-integratie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-07-11/02, art. 71, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>
  

  HOOFDSTUK III. - Bepalingen die gemeen zijn aan de hoofdstukken [1 I, II en IIbis]1.
  ----------
  (1)<W 2018-07-11/02, art. 72, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>

  Afdeling I. [1 - De procedure tot toekenning van de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof en de plaatsing in het transitiehuis.]1
  ----------
  (1)<W 2018-07-11/02, art. 73, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>

  Art. 10.§ 1. De uitgaansvergunning of het penitentiair verlof wordt toegekend door de minister of zijn gemachtigde, op verzoek van de veroordeelde en na een met redenen omkleed advies van de directeur. Het advies van de directeur bevat, in voorkomend geval, een voorstel van bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen.
  [2 § 1bis. De plaatsing in een transitiehuis wordt toegekend door de minister of zijn gemachtigde, op schriftelijk verzoek van de directeur, vergezeld van zijn met redenen omkleed advies.]2
  § 2. Binnen veertien (werkdagen) na de ontvangst van het dossier neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur. <W 2006-12-27/33, art. 54, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  Indien de minister of zijn gemachtigde oordeelt dat het dossier niet in staat is en er bijkomende informatie noodzakelijk is om een beslissing te kunnen nemen, kan deze termijn éénmalig met zeven (werkdagen) worden verlengd. De minister of zijn gemachtigde deelt dit onverwijld mee aan de directeur en de veroordeelde. <W 2006-12-27/33, art. 54, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  [2 De beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of een plaatsing in het transitiehuis wordt binnen vierentwintig uur meegedeeld aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis zal plaatsvinden.]2
  Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 in kennis gesteld van de toekenning van een eerste penitentiair verlof (en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd) [2 , of van de plaatsing in een transitiehuis]2. <W 2006-12-27/33, art. 54, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  § 3. Indien de uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, of het penitentiair verlof wordt geweigerd, kan de veroordeelde een nieuwe aanvraag indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze beslissing. (Deze termijn om een nieuwe aanvraag in te dienen kan worden verkort op gemotiveerd advies van de directeur.) <W 2006-12-27/33, art. 54, 3°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  De beslissing van de minister of zijn gemachtigde wordt met redenen omkleed.
  § 4. Bij gebrek aan een beslissing binnen de bepaalde termijn (, en voor zover het advies van de directeur inzake de toekenning gunstig was,) wordt de minister geacht de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof toe te kennen. Aan deze uitgaansvergunning of dit penitentiair verlof worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld die de directeur, in voorkomend geval, overeenkomstig § 1, heeft voorgesteld. <W 2006-12-27/33, art. 54, 4°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2018-07-11/02, art. 74, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>

  Art. 11.§ 1. De beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning bepaalt de duur ervan en, in voorkomend geval, de periodiciteit ervan.
  § 2. Behoudens andersluidende beslissing van de minister of zijn gemachtigde wordt de beslissing tot toekenning van penitentiair verlof geacht van rechtswege elk kwartaal te worden hernieuwd.
  De directeur beslist, na overleg met de veroordeelde, over de verdeling van het toegestane verlof voor elk trimester.
  § 3. [1 De minister of zijn gemachtigde verbindt aan de beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of een plaatsing in een transitiehuis, de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. Aan de beslissing tot toekenning van een plaatsing in een transitiehuis wordt tevens de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde het huishoudelijk reglement, zoals bepaald bij artikel 9/2, § 3, en het plaatsingsplan, zoals bepaald bij artikel 9/3, § 2, moet naleven. In voorkomend geval bepaalt de minister of zijn gemachtigde de bijzondere voorwaarden rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 5, 2°, 7, 2° en 9/3, § 1, 3°.
   In geval van een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis duidt de minister of zijn gemachtigde eveneens de gevangenis aan die tijdens de duur van de plaatsing het detentiedossier van de veroordeelde zal beheren.]1
  § 4. Bij wege van een met redenen omklede beslissing kan de minister of zijn gemachtigde ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde, dan wel op voorstel van de directeur of van het openbaar ministerie, de in § 3, bedoelde bijzondere voorwaarden aanpassen.
  ----------
  (1)<W 2018-07-11/02, art. 75, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>

  Afdeling II. - Maatregelen in geval van niet-naleving van de voorwaarden en voorlopige aanhouding.

  Art. 12.§ 1. Indien de voorwaarden van een beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, verleend met een zekere periodiciteit, niet worden nageleefd, [1 of indien er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van toekenning van de uitgaansvergunning,]1 kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om :
  1° de voorwaarden aan te passen;
  2° de beslissing te schorsen voor een periode van maximum drie maanden, te rekenen van de laatste toegekende uitgaansvergunning;
  3° de beslissing te herroepen; in dit geval kan de veroordeelde een nieuw verzoek indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze herroeping.
  [2 § 2bis. Indien de voorwaarden van een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis niet worden nageleefd, of indien er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van de beslissing tot plaatsing, kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om:
   1° de voorwaarden aan te passen;
   2° de beslissing te herroepen.
   De verantwoordelijke van het transitiehuis bezorgt aan de directeur die instaat voor het beheer en de opvolging van het detentiedossier van de veroordeelde, na deze gehoord te hebben, een verslag omtrent de niet-naleving van de voorwaarden of omtrent het ontstaan van een tegenaanwijzing.
   De directeur bezorgt het verslag van de verantwoordelijke en desgevallend de opmerkingen van de veroordeelde aan de minister of zijn gemachtigde.
   In geval van herroeping van de beslissing tot plaatsing in een transitiehuis, wordt de veroordeelde terug overgebracht naar de gevangenis zoals bepaald in artikel 11, § 3, tweede lid. Ingeval van hoogdringendheid, kan de directeur deze beslissing nemen die onverwijld ter bekrachtiging moet worden voorgelegd aan de minister of zijn gemachtigde.]2
  § 2. In geval van niet-naleving van de voorwaarden van een beslissing tot toekenning van een penitentiair verlof [1 , of in geval er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van toekenning van het penitentiair verlof,]1 kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om :
  1° de voorwaarden aan te passen;
  2° de beslissing te schorsen voor een periode van maximum drie maanden, te rekenen van het laatste toegekende verlof;
  3° de beslissing te herroepen; in dit geval kan de veroordeelde een nieuw verzoek indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze herroeping.
  [1 § 3. In het geval de veroordeelde niet meer aan de tijdsvoorwaarden voldoet voor een beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning verleend met een zekere periodiciteit of van een penitentiair verlof, herroept de minister of zijn gemachtigde de beslissing.]1
  [2 In geval de veroordeelde niet meer aan de tijdsvoorwaarden voldoet voor een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis, wordt de beslissing tot plaatsing in principe herroepen.
   De minister of zijn gemachtigde kan niettemin na het advies te hebben ingewonnen bij de directeur en mits specifieke motivatie beslissen om:
   1° de voorwaarden aan te passen;
   2° de beslissing te handhaven.
   In geval van herroeping van de beslissing tot plaatsing, wordt de veroordeelde terug overgebracht naar de gevangenis zoals bepaald in artikel 11, § 3, tweede lid.]2
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 145, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (2)<W 2018-07-11/02, art. 76, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>

  Art. 13.Binnen veertien dagen te rekenen van de dag na de kennisneming van de niet-naleving van de voorwaarden neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing. Deze met redenen omklede beslissing wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur.
  Ingeval het een beslissing betreft die genomen is overeenkomstig artikel 12, [2 §§ 2 en 2bis]2, wordt het slachtoffer binnen vierentwintig uur schriftelijk hiervan in kennis gesteld.
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 7, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2018-07-11/02, art. 77, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>

  Art. 14.Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de minister of zijn gemachtigde. (In de gevallen bedoeld in artikel 59, deelt de procureur des Konings zijn beslissing mee aan het openbaar ministerie en aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank.) <W 2006-12-27/33, art. 55, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing over de [2 uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis]2 binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur.
  Ingeval het een beslissing betreft inzake een penitentiair verlof [2 of een plaatsing in een transitiehuis]2, wordt het slachtoffer [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 hiervan in kennis gesteld.
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 8, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2018-07-11/02, art. 78, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>

  HOOFDSTUK IV. - De onderbreking van de strafuitvoering.

  Art. 15. § 1. De onderbreking van de strafuitvoering schorst de uitvoering van de straf voor een duur van maximum drie maanden, die kan worden hernieuwd.
  § 2. De onderbreking van de strafuitvoering wordt aan de veroordeelde toegekend om ernstige en uitzonderlijke redenen van familiale aard.
  § 3. De verjaring van de straf loopt niet tijdens de onderbreking van de strafuitvoering.

  Art. 16.De onderbreking van de strafuitvoering wordt niet toegestaan wanneer er in hoofde van de veroordeelde tegenaanwijzingen bestaan; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens de onderbreking van de strafuitvoering ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou [1 lastig vallen]1.
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 144, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 17.§ 1. De onderbreking van de strafuitvoering wordt toegekend door de minister of zijn gemachtigde, op schriftelijk verzoek van de veroordeelde en na een met redenen omkleed advies van de directeur.
  De minister of zijn gemachtigde en de directeur kunnen de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête te houden over de ernstige en buitengewone familiale redenen die de veroordeelde aanvoert om een onderbreking van zijn strafuitvoering te vragen. De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête.
  § 2. Binnen veertien dagen na ontvangst van het verzoek van de veroordeelde neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur.
  Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 in kennis gesteld van de toekenning van een onderbreking van de strafuitvoering.
  (De beslissing tot toekenning van een onderbreking van de strafuitvoering wordt binnen vierentwintig uur meegedeeld aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de onderbreking van de strafuitvoering zal plaatsvinden.) <W 2006-12-27/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  § 3. De beslissing van de toekenning van een onderbreking van de strafuitvoering bepaalt de duur ervan.
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 9, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 18. De onderbreking van de strafuitvoering kan worden verlengd op verzoek van de veroordeelde volgens de in artikel 17 bepaalde procedure.

  Art. 19.Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de minister of zijn gemachtigde.
  De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing over de voortzetting van de onderbreking van de strafuitvoering binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. [1 Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur. Ze wordt eveneens zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel meegedeeld aan het slachtoffer.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 10, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 19/1.[1 vroegere art. 20]1 Behalve in het in artikel 19 bedoelde geval, neemt de onderbreking van de strafuitvoering van rechtswege een einde ingeval de veroordeelde opnieuw wordt opgesloten.
  Teneinde opnieuw de onderbreking van de strafuitvoering te verkrijgen, moet de veroordeelde een nieuw schriftelijk verzoek indienen.
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 146, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  HOOFDSTUK IVbis. - [1 Bepaling die gemeen is aan de hoofdstukken I, [2 II, IIbis, III en IV]2]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-02-05/11, art. 147, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (2)<W 2018-07-11/02, art. 79, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>

  Art. 20. [1 De uitgaansvergunning als bedoeld in artikel 4, § 3, het penitentiair verlof en de onderbreking van de strafuitvoering worden niet toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-02-05/11, art. 148, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016> (NOTA : bij arrest nr. 148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 20 vernietigd)

  HOOFDSTUK V. [1 - De invrijheidstelling met het oog op verwijdering en overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen in het kader van hun imminente verwijdering]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-03-15/09, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 09-04-2012>

  Art. 20/1.[1 De veroordeelde die het voorwerp uitmaakt van een uitvoerbaar koninklijk besluit tot uitzetting, van een uitvoerbaar ministerieel besluit tot terugwijzing, of van een uitvoerbaar bevel tot verlaten van het grondgebied met bewijs van effectieve verwijdering, kan het voorwerp uitmaken van een effectieve verwijdering of van een overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in het kader van zijn imminente verwijdering vanaf [2 zes]2 maanden vóór het einde van het uitvoerbaar gedeelte van de vrijheidsstraf of van de vrijheidsstraffen waartoe hij is veroordeeld. De minister of zijn gemachtigde verleent de invrijheidstelling met dit oogmerk.]1
  [2 Indien de veroordeelde binnen de twee jaar na de invrijheidstelling door de minister terugkeert naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. De procureur des Konings deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de minister of zijn gemachtigde.
   De minister of zijn gemachtigde neemt binnen zeven dagen volgend op de voorlopige aanhouding van de veroordeelde een beslissing tot uitvoering van het resterende gedeelte van de straffen. Deze beslissing wordt binnen een werkdag schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, de procureur des Konings en de directeur.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-03-15/09, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 09-04-2012>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 149, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  HOOFDSTUK VI. [1 - Informatie aan het slachtoffer bij definitieve invrijheidsstelling]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-12-15/05, art. 11, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 20/2. [1 Indien de gedetineerde veroordeelde in vrijheid wordt gesteld wegens het bereiken van het strafeinde, brengt de minister of zijn gemachtigde het slachtoffer hiervan zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur op de hoogte via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-12-15/05, art. 12, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  TITEL V. - De door de strafuitvoeringsrechter en de strafuitvoeringsrechtbank toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten.

  HOOFDSTUK I. - De beperkte detentie en het elektronisch toezicht.

  Afdeling I. - De beperkte detentie.

  Art. 21.§ 1. De beperkte detentie is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf die de veroordeelde toelaat om op regelmatige wijze, de strafinrichting te verlaten voor een bepaalde duur van maximum [1 zestien]1 uur per dag.
  § 2. De beperkte detentie kan aan de veroordeelde worden toegekend om professionele, opleidings- of familiale belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen.
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 150, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Afdeling II. - Het elektronisch toezicht.

  Art. 22. Het elektronisch toezicht is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde het geheel of een gedeelte van zijn vrijheidsstraf buiten de gevangenis ondergaat volgens een bepaald uitvoeringsplan, waarvan de naleving onder meer door elektronische middelen wordt gecontroleerd.

  Afdeling III. - De tijdsvoorwaarden.

  Art. 23. § 1. De beperkte detentie en het elektronisch toezicht kunnen worden toegekend aan de veroordeelde die :
  1° zich, op zes maanden na, in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling, of
  2° veroordeeld is tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbare gedeelte niet meer dan drie jaar bedraagt.
  De veroordeelde dient bovendien te voldoen aan de voorwaarden die bepaald zijn bij artikel 28, § 1, of, in voorkomend geval, bij de artikelen 47, § 1, en 48.
  § 2. Vier maanden voordat de veroordeelde die gedetineerd is zich in de bij § 1, 1°, bepaalde tijdsvoorwaarde bevindt, licht de directeur hem schriftelijk in over de mogelijkheid tot het aanvragen van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht.
  De veroordeelde kan vanaf dat moment een schriftelijk verzoek tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht indienen, overeenkomstig de artikelen 29 en 49.

  HOOFDSTUK II. - De voorwaardelijke invrijheidstelling.

  Afdeling I. - Definitie.

  Art. 24. De voorwaardelijke invrijheidstelling is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde zijn straf ondergaat buiten de gevangenis, mits naleving van de voorwaarden die hem gedurende een bepaalde proeftijd worden opgelegd.

  Afdeling II. - De tijdsvoorwaarden.

  Art. 25.§ 1. De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend aan elke veroordeelde tot één of meerdere vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt, voorzover de veroordeelde één derde van deze straffen heeft ondergaan en indien hij voldoet aan de in artikel 28, § 1, bedoelde voorwaarden.
  § 2. De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend aan elke veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt voor zover de veroordeelde :
  a) hetzij één derde van deze straffen heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
  b) hetzij, indien in het vonnis of in het arrest van veroordeling is vastgesteld dat de veroordeelde zich in staat van herhaling bevond, twee derden van die straffen heeft ondergaan, zonder dat de duur van de reeds ondergane straffen meer dan veertien jaar bedraagt [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
  [1 c) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, vijftien jaar van deze straf heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
   d) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, en indien uit de motivering van het [5 vonnis of]5 arrest blijkt dat hij voordien veroordeeld was tot een effectieve correctionele gevangenisstraf van minstens drie jaar wegens de in de :
   - artikelen 102, 103, tweede lid, 106, 107, 108, 136bis tot 136septies, 137, 138, 140, 141, 146, 147, 278, tweede lid, 279, 279bis, 280, 3° tot 8°, 323, 324, 324ter, 327, eerste lid, 330bis, 331bis, 337, 347bis, §§ 2 tot 4, 348, 349, tweede lid, 352 [3 , 371/1]3, 372, 373, 375, 376, 377, 377bis, [2 377ter, 377quater,]2 379, 380, 381, 383bis, §§ 1 en 3, 385, tweede lid, 386, tweede lid, 393 tot 397, 399, tweede lid, 400 tot 405, 405bis, 3° tot 11°, 405ter, 405quater, 406, eerste lid, 407 tot 410ter, 417ter, 417quater, 423, 425, 427 tot 430, 433, 433ter tot 433duodecies, 435 tot 438bis, 442quater, §§ 2 en 3, 454 tot 456, 470, 471, zevende zinsdeel van de opsomming, 472 tot 475, 477sexies, § 2, 488bis, § 2, 1°, en § 3, 518, 531, 532 en 532bis van het Strafwetboek;
   - artikelen 77bis tot 77quinquies van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   - artikel 4 van de wet van 30 december 2009 betreffende de strijd tegen piraterij op zee;
   - artikel 30 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der luchtvaart;
   - artikel 34 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij;
   - artikel 7, tweede lid, van de wet van 12 maart 1858 betreffende de misdaden en de wanbedrijven die afbreuk doen aan de internationale betrekkingen,
   bedoelde feiten en dat er minder dan tien jaar zijn verlopen tussen het ogenblik waarop hij zijn straf heeft uitgezeten of het ogenblik waarop zijn straf is verjaard en de feiten die aanleiding hebben gegeven tot zijn veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, negentien jaar van deze straf heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
   e) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, en indien uit de motivering van het [5 vonnis of]5 arrest blijkt dat hij voordien veroordeeld was tot een criminele straf, drieëntwintig jaar van deze straf heeft ondergaan,]1
  en indien hij voldoet aan de in de artikelen 47, § 1, en 48, bedoelde voorwaarden [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/01, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>
  (2)<W 2014-04-10/24, art. 15, 016; Inwerkingtreding : 10-05-2014>
  (3)<W 2016-02-01/09, art. 21, 021; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (4)<W 2016-02-05/11, art. 151, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016> (NOTA : bij arrest nr. 148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 1451 vernietigd)
  (5)<W 2017-12-21/19, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 21-01-2018>

  Art. 25/1.[1 Zes maanden voordat de veroordeelde zich in de bij artikel 25, § 1 of § 2, bepaalde tijdsvoorwaarden bevindt, licht de directeur hem schriftelijk in over de mogelijkheid tot het aanvragen van een voorwaardelijke invrijheidstelling.
   De veroordeelde kan vanaf dat moment een schriftelijk verzoek tot toekenning van een voorwaardelijke invrijheidstelling indienen, overeenkomstig artikel 30 of artikel 50, naar gelang van het geval.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/01, art. 5, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>

  HOOFDSTUK IIbis. [1 Bepaling die gemeen is aan de hoofdstukken I en II]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-02-05/11, art. 152, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 25/2. [1 De beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de voorwaardelijke invrijheidstelling worden niet toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-02-05/11, art. 153, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016> (NOTA : bij arrest nr. 148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)

  HOOFDSTUK III. - De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.

  Art. 25/3. [1 § 1. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde, van wie op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat hij niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk, zijn straf ondergaat buiten de gevangenis in een ander land dan België, mits naleving van de voorwaarden die hem gedurende een bepaalde proeftijd worden opgelegd.
   § 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering wordt toegestaan aan de veroordeelde die op grond van een uitvoerbaar vonnis of een uitvoerbare titel overgebracht dient te worden naar een ander land.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-02-05/11, art. 154, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 26.§ 1. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering wordt toegekend aan de veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt, voorzover de veroordeelde één derde van deze straffen heeft ondergaan en indien hij voldoet aan de in artikel 28, § 2, bedoelde voorwaarden.
  § 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering wordt toegekend aan de veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt, voorzover de veroordeelde :
  a) hetzij één derde van deze straffen heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
  b) hetzij, indien in het vonnis of in het arrest van veroordeling is vastgesteld dat de veroordeelde zich in staat van herhaling bevond, twee derden van die straffen heeft ondergaan, zonder dat de duur van de reeds ondergane straffen meer dan veertien jaar bedraagt [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
  [1 c) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, vijftien jaar van deze straf heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
   d) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, en indien uit de motivering van het [5 vonnis of]5 arrest blijkt dat hij voordien veroordeeld was tot een effectieve correctionele gevangenisstraf van minstens drie jaar wegens de in de :
   - artikelen 102, 103, tweede lid, 106, 107, 108, 136bis tot 136septies, 137, 138, 140, 141, 146, 147, 278, tweede lid, 279, 279bis, 280, 3° tot 8°, 323, 324, 324ter, 327, eerste lid, 330bis, 331bis, 337, 347bis, §§ 2 tot 4, 348, 349, tweede lid, 352 [3 , 371/1]3, 372, 373, 375, 376, 377, 377bis, [2 377ter, 377quater,]2 379, 380, 381, 383bis, §§ 1 en 3, 385, tweede lid, 386, tweede lid, 393 tot 397, 399, tweede lid, 400 tot 405, 405bis, 3° tot 11°, 405ter, 405quater, 406, eerste lid, 407 tot 410ter, 417ter, 417quater, 423, 425, 427 tot 430, 433, 433tertot 433duodecies, 435 tot 438bis, 442quater, §§ 2 en 3, 454 tot 456, 470, 471, zevende zinsdeel van de opsomming, 472 tot 475, 477sexies, § 2, 488bis, § 2, 1°, en § 3, 518, 531, 532 en 532bis van het Strafwetboek;
   - artikelen 77bis tot 77quinquies van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   - artikel 4 van de wet van 30 december 2009 betreffende de strijd tegen piraterij op zee;
   - artikel 30 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der luchtvaart;
   - artikel 34 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij;
   - artikel 7, tweede lid, van de wet van 12 maart 1858 betreffende de misdaden en de wanbedrijven die afbreuk doen aan de internationale betrekkingen,
   bedoelde feiten en dat er minder dan tien jaar zijn verlopen tussen het ogenblik waarop hij zijn straf heeft uitgezeten of het ogenblik waarop zijn straf is verjaard en de feiten die aanleiding hebben gegeven tot zijn veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, negentien jaar van deze straf heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
   e) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, en indien uit de motivering van het [5 vonnis of]5 arrest blijkt dat hij voordien veroordeeld was tot een criminele straf, drieëntwintig jaar van deze straf heeft ondergaan,]1
  en indien hij voldoet aan de in artikel 47, § 2, bedoelde voorwaarden [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of artikel 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/01, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>
  (2)<W 2014-04-10/24, art. 16, 016; Inwerkingtreding : 10-05-2014>
  (3)<W 2016-02-01/09, art. 22, 021; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (4)<W 2016-02-05/11, art. 155, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016> (NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 155 vernietigd)
  (5)<W 2017-12-21/19, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 21-01-2018>

  Art. 26/1.[1 Zes maanden voordat de veroordeelde zich in de bij artikel 26, § 1 of § 2 bepaalde tijdsvoorwaarden bevindt, licht de directeur hem schriftelijk in over de mogelijkheid tot het aanvragen van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.
   De veroordeelde kan vanaf dat moment een schriftelijk verzoek tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering indienen, overeenkomstig artikel 30 of artikel 50, naar gelang van het geval.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/01, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>

  HOOFDSTUK IV. - [1 De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-12-14/53, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 02-05-2013>

  Art. 26/1. [1 De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen, is een wijze van uitvoering van de ontzetting van het in artikel 382bis, eerste lid, 4°, van het Strafwetboek bedoelde recht, waarbij de duur van de ontzetting kan verminderd worden, de nadere regels of de voorwaarden van de ontzetting kunnen worden aangepast of de ontzetting kan worden opgeschort of beëindigd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-12-14/53, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 02-05-2013>

  TITEL VI. - Over de toekenning van de door Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten.

  HOOFDSTUK I. - De vrijheidsstraffen van drie jaar of minder.

  Afdeling I. - Definitie.

  Art. 27. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder vrijheidsstraffen van drie jaar of minder, één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt.

  Afdeling II. - De voorwaarden.

  Art. 28.§ 1. Met uitzondering van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering [2 en met uitzondering van de vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen]2, kunnen de door Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten aan de veroordeelde worden toegekend voorzover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
  1° het feit dat de veroordeelde niet de mogelijkheid heeft om in zijn behoeften te voorzien;
  2° een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden;
  3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;
  4° de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn veroordeling hebben geleid;
  [1 5° ...;]1
  [3 6° de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is.]3
  Het 1° is niet van toepassing op de beperkte detentie.
  § 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering kan aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
  1° de mogelijkheden voor de veroordeelde om een onderdak te hebben;
  2° een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden;
  3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;
  4° de door de veroordeelde geleverde inspanning om de burgerlijke partij te vergoeden [3 , rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is.]3
  [2 § 3. De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen kan aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan die betrekking hebben op het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen.]2
  ----------
  (1)<W 2007-04-21/01, art. 147, 003; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2015, maar opgeheven op 31-12-1984, vóór de inwerkingtreding>
  (2)<W 2012-12-14/53, art. 5, 014; Inwerkingtreding : 02-05-2013>
  (3)<W 2013-12-15/05, art. 13, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Afdeling III. - De toekenningsprocedure.

  Art. 29. § 1. De beperkte detentie en het elektronisch toezicht worden toegekend door de strafuitvoeringsrechter op schriftelijk verzoek van de veroordeelde.
  § 2. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie van de gevangenis ingeval de veroordeelde gedetineerd is.
  De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur.
  § 3. Ingeval de veroordeelde gedetineerd is, brengt de directeur een advies uit binnen twee maanden na de ontvangst van het afschrift van het schriftelijk verzoek. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.

  Art. 29/1. [1 § 1. De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen wordt toegekend door de strafuitvoeringsrechter op schriftelijk verzoek van de veroordeelde of van het openbaar ministerie.
   § 2. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie van de gevangenis ingeval de veroordeelde gedetineerd is. De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur van de gevangenis.
   § 3. Ingeval de veroordeelde gedetineerd is, brengt de directeur een advies uit binnen twee maanden na de ontvangst van het afschrift van het schriftelijk verzoek. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-12-14/53, art. 6, 014; Inwerkingtreding : 02-05-2013>

  Art. 30.§ 1. De voorwaardelijke invrijheidstelling en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering worden toegekend door de strafuitvoeringsrechter [1 op schriftelijk verzoek van de veroordeelde]1.
  [1 § 1/1. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis.
   De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur.]1
  § 2. [1 De directeur brengt een advies uit uiterlijk vier maanden na de ontvangst van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde.]1 De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/01, art. 8, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>

  Art. 31.§ 1. Om zijn advies op te stellen, stelt de directeur een dossier samen en hoort hij de veroordeelde. Dit dossier omvat :
  - een afschrift van de opsluitingsfiche;
  - een afschrift van de vonnissen en arresten;
  - de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd veroordeeld;
  - een uittreksel uit het strafregister;
  - de datum waarop de veroordeelde kan worden toegelaten tot de desbetreffende strafuitvoeringsmodaliteit;
  - het verslag van de directeur dat wordt opgesteld overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels;
  - (in voorkomend geval, het met redenen omkleed advies van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten;) <W 2006-12-27/33, art. 58, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  [2 - in voorkomend geval het verslag van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de problematieken verbonden met het terrorisme en het gewelddadig extremisme;]2
  - de opmerkingen van het personeelscollege indien de veroordeelde overeenkomstig § 2 heeft verzocht door deze instantie te worden gehoord;
  - de memorie van de veroordeelde of van zijn raadsman.
  § 2. De veroordeelde kan, op zijn verzoek, tevens worden gehoord door het personeelscollege van de strafinrichting, waarvan de samenstelling en de werking door de Koning worden bepaald. De schriftelijke opmerkingen van het personeelscollege worden bij het dossier gevoegd.
  § 3. Het advies van de directeur omvat een gemotiveerd voorstel tot toekenning of afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen aan de veroordeelde.
  § 4. Het advies van de directeur wordt overgezonden (aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank) en een afschrift ervan wordt meegedeeld aan het openbaar ministerie en aan de veroordeelde. <W 2006-12-27/33, art. 58, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  § 5. [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/01, art. 9, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>
  (2)<W 2019-05-05/10, art. 147, 027; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Art. 32.[2 § 1.]2 Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten bedoeld [1 in de artikelen 371/1 tot 378 van het Strafwetboek]1, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek (...) indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, moet het verzoek bedoeld in artikel 29 of het advies bedoeld in artikel 30 worden ingediend samen met een met redenen omkleed advies van een (dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten). <W 2006-12-27/33, art. 59, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  Het advies omvat een beoordeling van de noodzaak om een behandeling op te leggen.
  [2 § 2. Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten bedoeld in titel 1ter van boek II van het Strafwetboek, of indien de veroordeelde tekenen vertoont van gewelddadig extremisme zoals gedefinieerd in het tweede lid, moet het advies bedoeld in artikel 30, § 2, vergezeld zijn van een verslag van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de problematieken verbonden met het terrorisme en het gewelddadig extremisme.
   Onder gewelddadig extremisme wordt verstaan het bevorderen, het aanmoedigen of het plegen van handelingen die tot terrorisme kunnen leiden en waarbij een ideologie wordt verdedigd ter verkondiging van een raciale, nationale, etnische of religieuze suprematie of die in strijd is met de fundamentele waarden en principes van de democratie.
   Het advies omvat een beoordeling van de noodzaak om een aangepast begeleidingstraject op te leggen.]2
  ----------
  (1)<W 2016-02-01/09, art. 23, 021; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (2)<W 2019-05-05/10, art. 148, 027; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Art. 33.§ 1. Binnen een maand na de ontvangst van het advies van de directeur of, indien de veroordeelde niet gedetineerd is, na de indiening van het verzoek, stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op [1 tot toekenning of afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit en, in voorkomend geval, over de bijzondere voorwaarden die het nodig acht op te leggen aan de veroordeelde]1, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechter en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en (, in voorkomend geval,) de directeur. <W 2006-12-27/33, art. 60, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  § 2. Indien een niet-gedetineerde veroordeelde om een beperkte detentie of een elektronisch toezicht verzoekt, kan het openbaar ministerie met het oog op het toekennen van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht respectievelijk de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie of het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren. De inhoud van dit beknopt voorlichtingsverslag en deze maatschappelijke enquête wordt door de Koning bepaald.
  [2 § 3. Indien een niet-gedetineerde veroordeelde verzoekt om een vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen, kan het openbaar ministerie eveneens de Dienst Justitiehuizen van de Federale Overheidsdienst Justitie opdracht geven een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren.]2
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/01, art. 10, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>
  (2)<W 2012-12-14/53, art. 7, 014; Inwerkingtreding : 02-05-2013>

  Art. 34.§ 1. De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechter na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. [1 Deze zitting vindt plaats uiterlijk twee maanden na de indiening van het verzoek, indien de veroordeelde niet gedetineerd is, en uiterlijk zes maanden na de indiening van het verzoek, indien de veroordeelde gedetineerd is.]1 Ingeval het advies van het openbaar ministerie niet wordt toegezonden binnen de bij artikel 33 bepaalde termijn, dient het openbaar ministerie zijn advies schriftelijk uit te brengen voor of tijdens de zitting.
  De veroordeelde, de directeur, indien de veroordeelde gedetineerd is, en het slachtoffer worden bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
  § 2. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, indien de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
  De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/01, art. 11, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>

  Art. 35.§ 1. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie, en, indien de veroordeelde gedetineerd is, de directeur.
  Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. [2 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]2
  Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
  De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
  § 2. Als de niet-gedetineerde veroordeelde om een beperkte detentie of een elektronisch toezicht verzoekt, kan de strafuitvoeringsrechter respectievelijk de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie of het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht de opdracht geven een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren.
  [1 § 3. Indien een niet-gedetineerde veroordeelde verzoekt om een vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen, kan het openbaar ministerie eveneens de Dienst Justitiehuizen van de Federale Overheidsdienst Justitie opdracht geven een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren.]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-14/53, art. 8, 014; Inwerkingtreding : 02-05-2013>
  (2)<W 2013-12-15/05, art. 14, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 36. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
  Wanneer de strafuitvoeringsrechter driemaal heeft geweigerd om een strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen, kan de veroordeelde verzoeken om in openbare terechtzitting te verschijnen.
  Dit verzoek kan, bij een met redenen omklede beslissing, enkel worden geweigerd indien deze openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid.

  Art. 37.De strafuitvoeringsrechter kan de behandeling van de zaak éénmaal uitstellen tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden later mag plaatsvinden.
  [1 De beslissing tot uitstel wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is]1
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 156, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Afdeling IV. - De beslissing van de strafuitvoeringsrechter.

  Onderafdeling I. - Algemene bepaling.

  Art. 38. De strafuitvoeringsrechter beslist binnen (veertien) dagen nadat de zaak in beraad is genomen. <W 2006-12-27/33, art. 61, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  Hij kent de strafuitvoeringsmodaliteit toe wanneer hij vaststelt dat alle wettelijk vastgelegde voorwaarden zijn vervuld, en indien de veroordeelde instemt met de door de strafuitvoeringsrechter bepaalde voorwaarden.

  Onderafdeling II. - De beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit.

  Art. 39. Het vonnis tot toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit bepaalt dat de veroordeelde onderworpen is aan de volgende algemene voorwaarden :
  1° geen strafbare feiten plegen;
  2° behalve voor de beperkte detentie een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, ook aan de justitieassistent die met de begeleiding is belast;
  3° gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, van de justitieassistent die met de begeleiding is belast.

  Art. 40. De strafuitvoeringsrechter kan de veroordeelde aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden onderwerpen indien deze absoluut noodzakelijk zijn om het risico op recidive te beperken of indien deze noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer.

  Art. 41.[3 ]3 § 1.Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor één van de feiten bedoeld [2 in de artikelen 371/1 tot 378 van het Strafwetboek]2, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek (...) indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, kan de strafuitvoeringsrechter aan de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit de voorwaarde verbinden van het volgen van een begeleiding of een behandeling bij een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten is gespecialiseerd. De rechter bepaalt de termijn gedurende welke de veroordeelde deze begeleiding of behandeling moet volgen. [1 ...]1 <W 2006-12-27/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  [3 § 2. Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor één van de feiten bedoeld in titel 1ter van boek II van het Strafwetboek, of indien de veroordeelde tekenen vertoont van gewelddadig extremisme zoals gedefinieerd in artikel 32, § 2, tweede lid, kan de strafuitvoeringsrechter aan de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit de voorwaarde verbinden van het volgen van een aangepast begeleidingstraject bij een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de problematieken verbonden met het terrorisme en het gewelddadig extremisme. De rechter bepaalt de termijn gedurende dewelke de veroordeelde dit traject moet volgen.]3
  ----------
  (1)<W 2007-04-21/01, art. 149, 003; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2015, maar opgeheven op 31-12-1984, vóór de inwerkingtreding>
  (2)<W 2016-02-01/09, art. 24, 021; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (3)<W 2019-05-05/10, art. 149, 027; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Art. 42. De strafuitvoeringsrechter bepaalt in het vonnis tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht het programma van de concrete invulling hiervan.
  De justitieassistent, of in voorkomend geval het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, staat in voor de uitwerking van de concrete invulling van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit overeenkomstig de door de Koning daartoe bepaalde regels.

  Art. 43.[1 § 1. Indien de veroordeelde penitentiair verlof vraagt bij zijn verzoek tot beperkte detentie of elektronisch toezicht, beslist de strafuitvoeringsrechter hierover op het ogenblik van de toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht.
   § 2. Indien de veroordeelde na de toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht om penitentiair verlof verzoekt, wordt het schriftelijk verzoek ingediend op de griffie van de gevangenis.
   De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen een werkdag over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur.
   De directeur brengt een advies uit omtrent het voorgestelde verlofadres uiterlijk binnen zes weken na de ontvangst van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde. De directeur kan de Dienst Justitiehuizen opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijk onderzoek te houden in het door de veroordeelde voor het penitentiair verlof voorgestelde opvangmilieu.
   Het advies van de directeur wordt overgezonden aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en een afschrift ervan wordt meegedeeld aan het openbaar ministerie en de veroordeelde.
   Het openbaar ministerie stelt binnen een werkdag volgend op de ontvangst van het advies een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechter en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.
   De strafuitvoeringsrechter neemt een beslissing binnen zeven dagen na de ontvangst van het advies van de directeur.
   De artikelen 39 en 40 zijn van toepassing.
   § 3. De strafuitvoeringsrechter bepaalt de duur van het penitentiair verlof, dat niet minder dan driemaal zesendertig uur per trimester mag zijn. Het penitentiair verlof is elk trimester van rechtswege hernieuwd.
   § 4. Artikel 46 is van toepassing.]1
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 157, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 44.§ 1. Ingeval de strafuitvoeringsrechter beslist een beperkte detentie of een elektronisch toezicht toe te kennen, bepaalt hij de termijn voor welke deze strafuitvoeringsmodaliteit wordt toegekend. Deze termijn mag maximum zes maanden bedragen en kan éénmaal worden verlengd voor een duur van maximum zes maanden. De duur van de termijn mag nooit meer bedragen dan de duur van de oorspronkelijk toegekende vrijheidsstraf en moet minimum één derde van de straf bedragen.
  § 2. Vijftien dagen voor het einde van de in § 1 bepaalde termijn, beslist de strafuitvoeringsrechter over de verlenging van deze strafuitvoeringsmodaliteit, hetzij, op verzoek van de veroordeelde, over de omzetting van de maatregel van beperkte detentie tot een maatregel van elektronisch toezicht.
  De veroordeelde en het slachtoffer worden bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
  Het dossier wordt gedurende ten minste twee dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
  De veroordeelde kan om een afschrift van het dossier verzoeken.
  § 3. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde, zijn raadsman en het openbaar ministerie.
  Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. [1 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie licht bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die het in zijn advies heeft gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]1
  De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
  Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
  § 4. De strafuitvoeringsrechter beslist binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
  Artikel 46 is van toepassing.
  § 5. Na het verstrijken van de overeenkomstig §§ 1 en 2 bepaalde termijn wordt de veroordeelde in vrijheid gesteld en ondergaat hij een proeftijd voor het gedeelte van de vrijheidsstraf dat hij nog moet ondergaan. Hij is onderworpen aan de algemene voorwaarde dat hij geen nieuwe strafbare feiten mag plegen en, in voorkomend geval, aan de in artikel 41 bedoelde voorwaarde.
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 15, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Onderafdeling III. - De beslissing tot niet-toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit.

  Art. 45.Indien de strafuitvoeringsrechter de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit niet toekent, bepaalt hij in zijn vonnis de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen [1 ...]1.
  Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/01, art. 12, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>

  Onderafdeling IV. - De mededeling van de beslissing.

  Art. 46.§ 1. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en, indien de veroordeelde gedetineerd is, van de directeur.
  Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van het vonnis en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
  § 2. Het vonnis tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
  - aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
  - aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt;
  - in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
  - aan het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, ingeval het een beslissing tot toekenning van een elektronisch toezicht betreft.
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 16, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 158, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  HOOFDSTUK II. - De vrijheidsstraffen van meer dan drie jaar.

  Afdeling I. - De voorwaarden.

  Art. 47.§ 1. Met uitzondering van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering [2 en met uitzondering van de vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen]2, kunnen de door Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten aan de veroordeelde worden toegekend voorzover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan [4 waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden]4. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
  1° de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde;
  2° het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten;
  3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;
  4° de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn veroordeling hebben geleid;
  [1 5° ...]1
  [3 6° de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is.]3
  § 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering kan aan de veroordeelde worden toegekend voorzover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan [4 waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden]4. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
  1° [4 ...]4;
  2° het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten;
  3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;
  4° de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partijen te vergoeden [3 , rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is.]3
  [2 § 3. De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen, kan aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan die betrekking hebben op het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen.]2
  ----------
  (1)<ingevoegd bij W 2007-04-21/01, art. 148, 003; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2015, nooït in werking getreden na opheffing van de wet van 21-04-2007 bij W 2014-12-19/24, art. 2, Inwerkingtreding : 31-12-2014>>
  (2)<W 2012-12-14/53, art. 9, 014; Inwerkingtreding : 02-05-2013>
  (3)<W 2013-12-15/05, art. 17, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (4)<W 2016-02-05/11, art. 159, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 48.Behalve voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering [1 en behalve voor de vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen]1 dient het dossier van de veroordeelde een sociaal reclasseringsplan te bevatten waaruit de perspectieven op reclassering van de veroordeelde blijken.
  ----------
  (1)<W 2012-12-14/53, art. 10, 014; Inwerkingtreding : 02-05-2013>

  Afdeling II. - De toekenningsprocedure.

  Art. 49. § 1. De beperkte detentie en het elektronisch toezicht worden door de strafuitvoeringsrechtbank toegekend op schriftelijk verzoek van de veroordeelde.
  § 2. Het verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis
  De griffie van de gevangenis zendt het verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift ervan aan de directeur.
  § 3. De directeur brengt binnen twee maanden na de ontvangst van het afschrift van het verzoek een advies uit. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.

  Art. 49/1. [1 § 1. De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen wordt toegekend door de strafuitvoeringsrechter op schriftelijk verzoek van de veroordeelde of van het openbaar ministerie.
   § 2. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie van de gevangenis ingeval de veroordeelde gedetineerd is. De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur.
   § 3. Ingeval de veroordeelde gedetineerd is, brengt de directeur een advies uit binnen twee maanden na de ontvangst van het afschrift van het schriftelijk verzoek. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-12-14/53, art. 11, 014; Inwerkingtreding : 02-05-2013>

  Art. 50.§ 1. De voorwaardelijke invrijheidstelling en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering worden toegekend door de strafuitvoeringsrechtbank [1 op schriftelijk verzoek van de veroordeelde]1.
  [1 § 1/1. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis.
   De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift ervan aan de directeur.]1
  § 2. [1 De directeur brengt een advies uit uiterlijk vier maanden na de ontvangst van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde.]1 De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/01, art. 13, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>

  Art. 51.Binnen een maand na de ontvangst van het advies van de directeur stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op [1 tot toekenning of afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit en, in voorkomend geval, over de bijzondere voorwaarden die het nodig acht op te leggen aan de veroordeelde]1, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechtbank en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/01, art. 14, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>

  Art. 52.§ 1. De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechtbank na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. [1 Deze zitting vindt plaats uiterlijk zes maanden na de indiening van het verzoek. Ingeval het advies van het openbaar ministerie niet wordt toegezonden binnen de bij artikel 51 bepaalde termijn, brengt het openbaar ministerie zijn advies schriftelijk uit voor of tijdens de zitting.]1
  [2 De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.]2
  § 2. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
  De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier bekomen.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/01, art. 15, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 160, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 53.De strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur.
  Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. [2 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]2
  Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
  De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
  De artikelen 36 en 37 zijn van toepassing.
  [1 De strafuitvoeringsrechtbank en het openbaar ministerie kunnen de Dienst Justitiehuizen van de Federale Overheidsdienst Justitie opdracht geven een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren.
   De opdrachtgevende overheid kan bij de Dienst Justitiehuizen de verslagen in verband met de gerechtelijke procedures opvragen.]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-14/53, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 02-05-2013>
  (2)<W 2013-12-15/05, art. 18, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Afdeling III. - De beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank.

  Onderafdeling I. - Algemene bepaling.

  Art. 54.[1 § 1.]1 De strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen (veertien) dagen nadat de zaak in beraad is genomen. <W 2006-12-27/33, art. 63, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  De strafuitvoeringsrechtbank kent de strafuitvoeringsmodaliteit toe wanneer zij vaststelt dat alle wettelijke vastgelegde voorwaarden zijn vervuld en indien de veroordeelde zich akkoord verklaart met de opgelegde voorwaarden.
  [1 § 2. Indien de zaak een veroordeling betreft tot een [2 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar of meer, tot een opsluiting of hechtenis van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting of hechtenis]2, met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek, beslist de strafuitvoeringsrechtbank binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen. Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank een beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit neemt, wordt de beslissing met eenparigheid van stemmen genomen.
   Indien de strafuitvoeringsrechtbank de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen.
   Deze termijn is minimaal zes maanden en maximaal achttien maanden te rekenen van het vonnis.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/01, art. 16, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>
  (2)<W 2017-12-21/19, art. 6, 025; Inwerkingtreding : 21-01-2018>

  Onderafdeling II. - De beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit.

  Art. 55.Het vonnis tot toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit bepaalt dat de veroordeelde onderworpen is aan de volgende algemene voorwaarden :
  1° geen strafbare feiten plegen;
  2° behalve voor de beperkte detentie [1 en voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied]1 een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, ook aan de justitieassistent die met de begeleiding is belast;
  3° gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, van de justitieassistent, die met de begeleiding is belast.
  [1 4° voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, de verplichting om het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de strafuitvoeringsrechtbank.]1
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 161, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 56.[1 § 1.]1 De strafuitvoeringsrechtbank kan de veroordeelde onderwerpen aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die de mogelijkheid bieden het sociaal reclasseringsplan uit te voeren of tegemoet te komen aan de in artikel 47, § 1, bedoelde tegenaanwijzingen, dan wel noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers.
  [1 § 2. De strafuitvoeringsrechtbank omkleedt het vonnis tevens met bijzondere redenen wanneer de beslissing tot toekenning of afwijzing van de desbetreffende strafuitvoeringsmodaliteit afwijkt van het advies van de directeur of van het advies van het openbaar ministerie of wanneer haar beslissing om al dan niet bijzondere voorwaarden op te leggen overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, afwijkt van het advies van de directeur of van het advies van het openbaar ministerie.
   § 3. Ingeval het een toekenning van een voorwaardelijke invrijheidsstelling betreft, bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank in haar vonnis eveneens of de veroordeelde tijdens de voorwaardelijke invrijheidsstelling al dan niet het grondgebied van het Rijk mag verlaten.
   Ingeval de veroordeelde het grondgebied van het Rijk mag verlaten, bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank in haar vonnis de maximumperiode voor dewelke de veroordeelde dit kan en de frequentie ervan en, in voorkomend geval, of en op welke wijze de veroordeelde het openbaar ministerie voorafgaandelijk moet inlichten voor hij het grondgebied van het Rijk verlaat.
   § 4. In geval van een veroordeling wegens feiten bedoeld in Boek II, titel Iter, van het Strafwetboek, of in geval er concrete elementen bestaan van gewelddadig extremisme, zoals gedefinieerd in artikel 32, § 2, tweede lid, moet de strafuitvoeringsrechtbank haar overeenkomstig paragraaf 3, gegeven toestemming om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met bijzondere redenen omkleden.]1
  De artikelen 41 tot 43 zijn van toepassing
  ----------
  (1)<W 2019-05-05/10, art. 150, 027; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  Onderafdeling III. - De beslissing tot niet-toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit.

  Art. 57.Indien de strafuitvoeringsrechtbank de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen [1 ...]1.
  Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis indien de veroordeelde een of meer correctionele hoofdgevangenisstraffen ondergaat die samen niet meer dan vijf jaar bedragen. [1 Onder voorbehoud van artikel 54, § 2, derde lid, is deze termijn]1 maximaal een jaar in geval van criminele straffen of als het geheel van de correctionele hoofdgevangenisstraffen meer dan vijf jaar bedraagt.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/01, art. 17, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>

  Onderafdeling IV. - De mededeling van de beslissing.

  Art. 58.§ 1. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur [3 bij ter post aangetekende brief]3 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en, indien de veroordeelde gedetineerd is, van de directeur.
  Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijk communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van het vonnis en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
  § 2. Het vonnis tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
  - aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
  - aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt;
  - in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
  - aan het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, ingeval het een beslissing tot toekenning van een elektronisch toezicht betreft.
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 19, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 158, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (3)<W 2016-02-05/11, art. 162, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  HOOFDSTUK III. - Bepalingen die gemeen zijn aan de hoofdstukken I en II.

  Afdeling I. - Bijzondere maatregelen.

  Art. 59.Bij wijze van uitzondering kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, waarbij een procedure tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit aanhangig is, een andere uitvoeringsmodaliteit toekennen dan die welke gevraagd is, wanneer dit absoluut noodzakelijk is om op korte termijn de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen. Er kan aldus worden toegekend :
  1° een uitgaansvergunning;
  2° een penitentiair verlof;
  3° een beperkte detentie;
  4° een elektronisch toezicht.
  Binnen twee maanden na de beslissing tot toekenning van de bijzondere uitvoeringsmodaliteit, doet de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank uitspraak over de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit. Deze termijn kan éénmaal worden verlengd.
  [1 Deze strafuitvoeringsmodaliteiten, met uitzondering van de in artikel 4, § 2, bedoelde uitgaansvergunning, worden niet toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.
   De artikelen 64, 67, 68 en 70 zijn van toepassing.
]1
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 163, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016> (NOTA : bij arrest nr. 148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 163 vernietigd)

  Afdeling II. - De aanvang van de uitvoering van de strafuitvoeringsmodaliteit.

  Art. 60.Het vonnis tot toekenning van een bij Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit zoals bepaald bij Titel V wordt uitvoerbaar vanaf de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan en ten vroegste vanaf het ogenblik dat de veroordeelde aan de (door deze wet) bepaalde tijdsvoorwaarden voldoet. <W 2006-12-27/33, art. 64, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt.
  Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de beslissingen tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering die uitvoerbaar worden op het ogenblik dat de overlevering plaatsvindt.
  [1 Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de beslissingen tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied van een veroordeelde die het voorwerp uitmaakt van een uitvoerbaar koninklijk besluit tot uitzetting, van een uitvoerbaar ministerieel besluit tot terugwijzing of van een uitvoerbaar bevel tot verlaten van het grondgebied met bewijs van effectieve verwijdering. In dat geval is het vonnis uitvoerbaar op het ogenblik van effectieve verwijdering of overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en dit ten laatste [2 twintig]2 dagen nadat de beslissing tot toekenning in kracht van gewijsde is gegaan.]1
  ----------
  (1)<W 2012-03-15/09, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 09-04-2012>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 164, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Afdeling III. - De wijziging van de beslissing.

  Art. 61.§ 1. Indien zich, nadat de beslissing tot toekenning van een in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit is genomen maar voor de uitvoering ervan, een situatie voordoet die onverenigbaar is met de voorwaarden die in deze beslissing zijn bepaald, kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een nieuwe beslissing nemen, met inbegrip van de intrekking van de strafuitvoeringsmodaliteit die werd toegekend.
  § 2. (De veroordeelde wordt [2 bij een ter post aangetekende brief]2 opgeroepen om binnen zeven dagen na de vaststelling van de onverenigbaarheid te verschijnen voor de strafuitvoeringsrechter of, in voorkomend geval, voor de strafuitvoeringsrechtbank. De oproeping [2 bij een ter post aangetekende brief]2 schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing tot toekenning van de desbetreffende strafuitvoeringsmodaliteit.) <W 2006-12-27/33, art. 65, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  [2 De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.]2
  § 3. Het dossier wordt gedurende ten minste twee dagen vóór de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
  De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier bekomen.
  § 4. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
  De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur.
  Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. [1 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]1
  Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
  De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
  Artikel 46 is van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 20, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 165, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  TITEL VII. - De opvolging en de controle van de in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten.

  Art. 62.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 20 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt is het openbaar ministerie belast met de controle op de veroordeelde. [1 De justitieassistent is belast met de opvolging van en het toezicht op alle door de strafuitvoeringsrechtbank of strafuitvoeringsrechter aan de veroordeelde opgelegde voorwaarden.]1
  § 2. Ingeval er bijzondere voorwaarden zijn opgelegd of een elektronisch toezicht wordt toegekend, roept de justitieassistent, of in voorkomend geval het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, onmiddellijk na het uitvoerbaar worden van de beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit, de veroordeelde op om hem alle nuttige informatie voor een goed verloop van de strafuitvoeringsmodaliteit te bezorgen.
  § 3. Binnen een maand na de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit brengt de justitieassistent, of in voorkomend geval het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, verslag uit over de veroordeelde aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, en verder telkens hij het nuttig acht of wanneer de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank hem erom verzoekt, en ten minste om de zes maanden. [1 Dit verslag bevat alle voor de strafuitvoeringsrechtbank of de strafuitvoeringsrechter relevante informatie met betrekking tot de veroordeelde waarover de justitieassistent beschikt. Het verslag bevat ten minste een opsomming van alle aan de veroordeelde opgelegde voorwaarden alsook de mate waarin die in acht worden genomen.]1 De justitieassistent of het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht stelt, in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij of het nuttig acht.
  De mededelingen tussen de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, de justitieassistenten en, in voorkomend geval, het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, gebeuren in de vorm van verslagen, die in afschrift aan het openbaar ministerie worden overgezonden
  (Derde lid opgeheven). <W 2006-12-27/33, art. 66, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  § 4. Indien aan de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit de voorwaarde wordt gekoppeld om een begeleiding of een behandeling te volgen, nodigt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, na inzage van de tijdens de procedure alsmede, in voorkomend geval, tijdens de uitvoering van de vrijheidsstraf verrichte expertises, de veroordeelde uit om een bevoegde persoon of dienst te kiezen. Deze keuze wordt aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank ter goedkeuring voorgelegd.
  Deze persoon of dienst die de opdracht aanneemt, brengt aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank alsook aan de justitieassistent, binnen een maand na de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit en telkens die persoon of dienst het nuttig acht, op verzoek van de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank en ten minste om de zes maanden, verslag uit over de opvolging van de begeleiding of de behandeling.
  Het in het vorige lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten : de daadwerkelijke aanwezigheden van de betrokkene op de voorgestelde raadplegingen, zijn ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de betrokkene, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.
  ----------
  (1)<W 2012-12-14/53, art. 12, 014; Inwerkingtreding : 02-05-2013>

  Art. 63.§ 1. De veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur kunnen de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank verzoeken één of meer opgelegde voorwaarden te schorsen, nader te omschrijven of aan te passen aan de omstandigheden, zonder dat evenwel de opgelegde voorwaarden kunnen worden verscherpt of bijkomende voorwaarden kunnen worden opgelegd.
  Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank, of op de griffie van de gevangenis indien de veroordeelde gedetineerd is.
  De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
  De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank zendt onverwijld een afschrift van het schriftelijk verzoek over aan de andere partijen.
  Indien het voorwaarden betreft die zijn opgelegd in het belang van het slachtoffer, wordt eveneens onverwijld een afschrift van het verzoek overgezonden aan het slachtoffer.
  § 2. Indien zij opmerkingen hebben, delen de veroordeelde, het openbaar ministerie, (en, in voorkomend geval, de directeur en) het slachtoffer deze schriftelijk mee binnen zeven dagen na ontvangst van het afschrift aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank. <W 2006-12-27/33, art. 67, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  § 3. Indien de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank het nuttig acht om te kunnen oordelen over de schorsing, nadere omschrijving of aanpassing van de opgelegde voorwaarden, overeenkomstig § 1, kan hij of zij op een zitting hieromtrent verdere informatie inwinnen. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het in § 1 bedoelde schriftelijk verzoek. De veroordeelde en zijn raadsman en het openbaar ministerie worden gehoord.
  Indien het voorwaarden betreft die in zijn belang zijn opgelegd, kan het slachtoffer worden gehoord. [1 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]1 Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
  De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
  De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
  § 4. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het schriftelijk verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank. Het vonnis over de schorsing, nadere omschrijving of aanpassing van de opgelegde voorwaarden, overeenkomstig § 1, wordt bij een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de veroordeelde en het slachtoffer, indien het voorwaarden betreft die in het belang van [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, aan het slachtoffer]1 zijn opgelegd, en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
  De wijzigingen worden eveneens meegedeeld aan de autoriteiten en instanties die overeenkomstig de artikelen 46, § 2, en 58, § 2, op de hoogte moeten worden gebracht.
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  TITEL VIII. - De herroeping, de schorsing en de herziening van de in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten.

  HOOFDSTUK I. - De herroeping.

  Art. 64.Het openbaar ministerie kan, met het oog op de herroeping van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteiten, de zaak bij de strafuitvoeringsrechter of, in voorkomend geval, bij de strafuitvoeringsrechtbank aanhangig maken in de volgende gevallen :
  1° [1 wanneer bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt vastgesteld dat de veroordeelde tijdens de proeftermijn een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, heeft gepleegd;]1
  2° wanneer de veroordeelde een ernstig gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van derden;
  3° wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd;
  4° wanneer de veroordeelde geen gevolg geeft aan de oproepingen van de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, van het openbaar ministerie of, in voorkomend geval, van de justitieassistent.
  5° wanneer de veroordeelde zijn adreswijziging niet doorgeeft aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de justitieassistent die met de begeleiding is belast.
  (6° wanneer de veroordeelde het programma van de concrete invulling van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht, zoals bepaald overeenkomstig artikel 42, tweede lid, niet naleeft.) <W 2008-06-08/32, art. 13, 006; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
  [2 7° wanneer de veroordeelde zich niet meer in de tijdsvoorwaarden voor de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit bevindt;
   8° wanneer de veroordeelde na de toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied nalaat of weigert om het grondgebied effectief te verlaten, niet meewerkt aan zijn verwijdering, niet meewerkt aan zijn identificatie met het oog op het bekomen van een reisdocument of terugkeert zonder de in artikel 55, 4°, vereiste toestemming van de strafuitvoeringsrechtbank.]2
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 69, 017; Inwerkingtreding : 24-05-2014>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 166, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 65. In geval van herroeping wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten.
  In geval van herroeping overeenkomstig artikel 64, 1°, wordt de herroeping geacht in te zijn gegaan op de dag waarop die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd.

  HOOFDSTUK II. - De schorsing.

  Art. 66.§ 1. In de in artikel 64 bedoelde gevallen kan het openbaar ministerie, met het oog op het schorsen van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit, de zaak aanhangig maken bij de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank.
  § 2. In geval van schorsing wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten.
  [1 § 2/1. In geval van schorsing kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank een uitgaansvergunning overeenkomstig de artikelen 4 en 5 of een penitentiair verlof overeenkomstig de artikelen 7 en 8 toekennen, tenzij op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.]1
  § 3. Binnen een termijn van ten hoogste één maand, te rekenen van het vonnis tot schorsing, herroept de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit of heft hij of zij de schorsing van de strafuitvoeringsmodaliteit op. In dat laatste geval kan de strafuitvoeringsmodaliteit worden herzien overeenkomstig artikel 63. Indien binnen deze termijn geen beslissing is genomen, wordt de veroordeelde opnieuw in vrijheid gesteld onder dezelfde voorwaarden als voorheen.
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 167, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  HOOFDSTUK III. - De herziening.

  Art. 67.§ 1. Ingeval de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, waarbij overeenkomstig de artikelen 64 of 66 de zaak aanhangig is gemaakt, van oordeel is dat de herroeping of de schorsing niet noodzakelijk is in het belang van de maatschappij, van het slachtoffer of van de sociale reïntegratie van de veroordeelde, kan hij of zij de strafuitvoeringsmodaliteit herzien. In dit geval kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank de opgelegde voorwaarden verscherpen of bijkomende voorwaarden opleggen [1 of een andere strafuitvoeringsmodaliteit toekennen]1. De strafuitvoeringsmodaliteit wordt evenwel herroepen, indien de veroordeelde niet instemt met de nieuwe voorwaarden [1 of met de nieuwe strafuitvoeringsmodaliteit]1.
  § 2. Indien de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen [1 of een andere strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen]1, bepaalt hij of zij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt.
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 168, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  HOOFDSTUK IV. - De procedure.

  Art. 68.§ 1. Het openbaar ministerie kan, met het oog op een herroeping, schorsing of herziening van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteiteit, de zaak aanhangig maken bij de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank. (De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk vijftien dagen na de aanhangigmaking van de zaak door het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank.) <W 2006-12-27/33, art. 68, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  De veroordeelde wordt ten minste tien dagen voor de datum van de behandeling van het dossier [4 per ter post aangetekende brief]4 opgeroepen.
  De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
  § 2. Het dossier wordt ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie van de gevangenis ingeval de veroordeelde gedetineerd is.
  De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
  § 3. De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie.
  Indien het de niet-naleving van de voorwaarden die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd betreft, wordt het slachtoffer hieromtrent gehoord. [2 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie licht bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die ze in haar advies heeft gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]2
  Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
  De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
  § 4. Binnen (zeven) dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank over de herroeping, de schorsing of de herziening. <W 2006-12-27/33, art. 68, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  § 5. Ingeval het een vonnis betreft tot herroeping van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht, bepaalt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank dat de periode die de veroordeelde in beperkte detentie was of onder elektronisch toezicht stond, wordt afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen.
  Ingeval het een vonnis betreft tot herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling [4 en een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied]4, bepaalt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank het gedeelte van de vrijheidsstraf dat de veroordeelde nog moet ondergaan rekening houdend met de periode van de proeftijd die goed is verlopen en met de inspanning die de veroordeelde heeft geleverd om de voorwaarden te respecteren die hem waren opgelegd.
  [4 Behoudens in geval van een herroeping overeenkomstig artikel 64, 1°, bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank in haar vonnis de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen.
   Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis indien de veroordeelde een of meer correctionele hoofdgevangenisstraffen ondergaat die samen niet meer dan vijf jaar bedragen. Deze termijn is maximum een jaar in geval van criminele straffen of als het geheel van de correctionele hoofdgevangenisstraffen meer dan vijf jaar bedraagt. Deze termijn is minimum zes maanden en maximum achttien maanden indien de zaak een veroordeling betreft tot een vrijheidsstraf van dertig jaar of meer of een levenslange vrijheidsstraf, met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek.]4
  § 6. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
  Het slachtoffer wordt [2 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]2 op de hoogte gebracht van de herroeping of de schorsing van de strafuitvoeringsmodaliteit of, in geval van herziening, van de in het belang van het slachtoffer gewijzigde voorwaarden.
  § 7. Het vonnis tot herroeping, schorsing of herziening wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
  - aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
  - aan [3 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]3 op het politieambt;
  - in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
  - aan het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, ingeval de beslissing betrekking heeft op een elektronisch toezicht.
  ----------
  (1)<W 2007-04-21/01, art. 152, 003; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2015, maar opgeheven op 31-12-1984, vóór de inwerkingtreding>
  (2)<W 2013-12-15/05, art. 22, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<W 2016-02-05/11, art. 158, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (4)<W 2016-02-05/11, art. 169, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  HOOFDSTUK V. - Diverse bepalingen.

  Art. 69. § 1. De verjaring van de straffen loopt niet wanneer de veroordeelde in vrijheid is krachtens een niet herroepen beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit zoals bedoeld in Titel V.
  § 2. De verjaring kan niet worden aangevoerd in het in artikel 64, 1°, bedoelde geval.

  TITEL IX. - De voorlopige aanhouding.

  Art. 70.In de gevallen waarin overeenkomstig artikel 64 herroeping mogelijk is, kan de procureur des Konings van de rechtbank in het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt [1 of het openbaar ministerie]1, zijn voorlopige aanhouding bevelen, onder verplichting de bevoegde strafuitvoeringsrechter of de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank daarvan onmiddellijk in kennis te stellen.
  De bevoegde strafuitvoeringsrechter of de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen (zeven werkdagen) na de opsluiting van de veroordeelde over de schorsing van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, aan het openbaar ministerie en aan de directeur. <W 2006-12-27/33, art. 69, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  De beslissing tot schorsing is geldig voor de duur van één maand, overeenkomstig artikel 66, § 3.
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 10-02-2013>

  TITEL X. - De definitieve invrijheidstelling.

  Art. 71.Indien tijdens de proeftijd geen enkele herroeping heeft plaatsgehad, wordt de veroordeelde definitief in vrijheid gesteld.
  De proeftijd is gelijk aan de duur van de vrijheidsstraf die de veroordeelde nog moest ondergaan op de dag waarop de beslissing betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling [3 of betreffende de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering]3 uitvoerbaar is geworden. Die proeftijd kan evenwel niet korter zijn dan twee jaar.
  (Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 44, § 5 is de proeftijd) ten minste vijf jaar en ten hoogste tien jaar in geval van veroordeling tot een tijdelijke criminele straf [1 , met uitzondering van de veroordelingen tot een criminele straf van dertig jaar,]1 of tot één of meer correctionele straffen die samen vijf jaar hoofdgevangenisstraf te boven gaan. <W 2006-12-27/33, art. 70, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  De proeftijd bedraagt tien jaar in geval van veroordeling [1 tot een [3 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of tot een levenslange opsluiting]3.
  [2 Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, op de hoogte gebracht van de definitieve invrijheidstelling.]2
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/01, art. 18, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>
  (2)<W 2013-12-15/05, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<W 2016-02-05/11, art. 170, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016> (NOTA : bij arrest nr. 148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 170, 2° vernietigd)

  TITEL XI. - De bijzondere bevoegdheden van de strafuitvoeringsrechter.

  HOOFDSTUK I. - De voorlopige invrijheidstelling om medische redenen.

  Art. 72. De strafuitvoeringsrechter kan aan de veroordeelde bij wie is vastgesteld dat hij zich in de terminale fase van een ongeneeslijke ziekte bevindt of bij wie is vastgesteld dat zijn detentie onverenigbaar is met zijn gezondheidstoestand, een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen toekennen.

  Art. 73. De strafuitvoeringsrechter kan een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen aan de veroordeelde toekennen, voorzover :
  1° er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het risico dat hij tijdens de (voorlopige invrijheidstelling om medische redenen) ernstige strafbare feiten zou plegen, op het feit dat hij geen woonst of opvang zou hebben of op het risico dat hij de slachtoffers zou lastig vallen; <W 2006-12-27/33, art. 71, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  2° de veroordeelde (, of zijn vertegenwoordiger,) instemt met de voorwaarden die aan de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen worden verbonden, rekening houdend met de bepalingen van het 1°. <W 2006-12-27/33, art. 71, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2008>

  Art. 74.§ 1. Een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen kan, op schriftelijk verzoek van de veroordeelde, (of zijn vertegenwoordiger,) door de strafuitvoeringsrechter worden toegekend na een met redenen omkleed advies van de directeur. Dit advies is vergezeld van dat van de behandelende geneesheer, van de leidende ambtenaar-geneesheer van de Penitentiaire Gezondheidsdienst en, in voorkomend geval, van de door de veroordeelde gekozen geneesheer. <W 2006-12-27/33, art. 72, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  § 2. [2 Het verzoek wordt ingediend bij de directeur. De directeur verzamelt onverwijld en uiterlijk binnen zeven dagen de adviezen van de in paragraaf 1 vermelde geneesheren. De griffie van de gevangenis zendt het verzoek, samen met de in paragraaf 1 bedoelde adviezen, onmiddellijk over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en aan het openbaar ministerie.]2
  Het openbaar ministerie stelt onverwijld een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechter en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.
  § 3. Binnen zeven dagen na de [2 ontvangst van het dossier zoals bepaald in paragraaf 2, eerste lid]2 neemt de strafuitvoeringsrechter een beslissing. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur [2 bij ter post aangetekende brief]2 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
  Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 in kennis gesteld van de toekenning van een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen.
  § 4. [2 Het vonnis tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
   - aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
   - aan de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
   - in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft.]2
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 24, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 171, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 75. De strafuitvoeringsrechter verbindt aan de beslissing tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. In voorkomend geval bepaalt hij ook bijzondere voorwaarden rekening houdend met de bepalingen van artikel 73.

  Art. 75/1. [1 § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 20 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt is het openbaar ministerie belast met de controle op de veroordeelde. In voorkomend geval is de justitieassistent belast met de opvolging van en het toezicht op alle door de strafuitvoeringsrechter aan de veroordeelde opgelegde voorwaarden.
   § 2. Ingeval er bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, roept de justitieassistent, onmiddellijk na het uitvoerbaar worden van het vonnis, de veroordeelde op om hem alle nuttige informatie voor een goed verloop van de invrijheidstelling om medische redenen te bezorgen.
   § 3. Binnen een maand na de toekenning van de invrijheidstelling brengt de justitieassistent verslag uit over de veroordeelde aan de strafuitvoeringsrechter en verder telkens hij het nuttig acht of wanneer de strafuitvoeringsrechter hem erom verzoekt, en ten minste om de zes maanden. Dit verslag bevat alle voor de strafuitvoeringsrechter relevante informatie met betrekking tot de veroordeelde waarover de justitieassistent beschikt. Het verslag bevat ten minste een opsomming van alle aan de veroordeelde opgelegde voorwaarden alsook de mate waarin die in acht worden genomen. De justitieassistent stelt, in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nuttig acht.
   De mededelingen tussen de strafuitvoeringsrechter en de justitieassistenten gebeuren in de vorm van verslagen, die in afschrift aan het openbaar ministerie worden overgezonden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-02-05/11, art. 172, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  

  Art. 75/2. [1 § 1. De strafuitvoeringsrechter kan, op verzoek van de veroordeelde of van het openbaar ministerie, een of meer opgelegde voorwaarden schorsen, nader omschrijven of aanpassen aan de omstandigheden, zonder evenwel deze te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen.
   Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
   De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank zendt onverwijld een afschrift van dit verzoek over aan de andere partij.
   § 2. Indien zij opmerkingen hebben, delen de veroordeelde of het openbaar ministerie deze schriftelijk mee binnen zeven dagen na ontvangst van het afschrift aan de strafuitvoeringsrechter.
   Indien de strafuitvoeringsrechter het nuttig acht, organiseert hij een zitting, die ten laatste een maand na de ontvangst van het in paragraaf 1 bedoelde schriftelijk verzoek moet plaatsvinden. De veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie worden gehoord.
   De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
   De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
   § 3. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het schriftelijk verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechter. Het vonnis wordt bij een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie.
   De wijzigingen worden eveneens meegedeeld aan de autoriteiten en instanties die overeenkomstig artikel 74, § 4, op de hoogte moeten worden gebracht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-02-05/11, art. 173, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  

  Art. 76.[2 § 1.]2 Onverminderd artikel (79) kan de strafuitvoeringsrechter beslissen de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen te herroepen : <W 2006-12-27/33, art. 73, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  1° [1 wanneer bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt vastgesteld dat de veroordeelde tijdens de in artikel 80 bedoelde termijn, een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, heeft gepleegd;]1
  2° wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd;
  3° wanneer de medische redenen waarom een voorlopige invrijheidstelling werd toegestaan, niet meer aanwezig zijn. De strafuitvoeringsrechter kan hiertoe [2 ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie]2 op elk ogenblik van de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen aan een wetsgeneesheer de opdracht geven een medische expertise uit te voeren.
  [2 § 2. In de in paragraaf 1 bedoelde gevallen kan de strafuitvoeringsrechter de bij voorlopige invrijheidstelling om medische redenen opgelegde voorwaarden herzien. In dat geval kan de strafuitvoeringsrechter de opgelegde voorwaarden verscherpen of bijkomende voorwaarden opleggen. De voorlopige invrijheidstelling om medische redenen wordt evenwel herroepen indien de veroordeelde niet instemt met de nieuwe voorwaarden.]2
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 70, 017; Inwerkingtreding : 24-05-2014>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 174, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 77. In geval van herroeping wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten.
  In geval van herroeping overeenkomstig artikel 76, 1°, wordt de herroeping geacht in te zijn gegaan op de dag waarop die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd.

  Art. 78.§ 1. Het openbaar ministerie kan, met het oog op een herroeping van de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen [3 of een herziening van de voorwaarden in de in artikel 76, § 1, 1° tot 3°]3, bedoelde gevallen, de zaak bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig maken.
  De veroordeelde wordt ten minste tien dagen voor de datum van de behandeling van het dossier [3 bij een ter post aangetekende brief]3 opgeroepen.
  De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
  § 2. Het dossier wordt ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, ingeval de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis.
  De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
  § 3. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie.
  De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
  § 4. Binnen vijftien dagen na de debatten beraadslaagt de strafuitvoeringsrechter over de herroeping.
  [3 Indien de strafuitvoeringsrechter beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen, bepaalt hij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt.]3
  § 5. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur [3 bij een ter post aangetekende brief]3 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
  Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 in kennis gesteld van de herroeping.
  § 6. Het vonnis tot herroeping wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
  - aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
  - aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt;
  - in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft.
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 25, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 158, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (3)<W 2016-02-05/11, art. 175, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 79.§ 1. Ingeval de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt, kan de procureur des Konings van de rechtbank in het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt [1 of het openbaar ministerie]1, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de strafuitvoeringsrechter.
  § 2. De strafuitvoeringsrechter neemt een beslissing over de voortzetting van de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen binnen de zeven werkdagen die volgen op de opsluiting van de veroordeelde.
  De veroordeelde wordt via het snelst mogelijke communicatiemiddel opgeroepen.
  De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
  § 3. Het dossier wordt ten minste twee dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, ingeval de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis.
  De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
  § 4. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie.
  De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
  [1 Artikel 78, §§ 5 en 6, zijn]1 van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 176, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 80.Indien er geen herroeping van de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen heeft plaatsgevonden, wordt de veroordeelde definitief in vrijheid gesteld na het verstrijken van het op het ogenblik van de voorlopige invrijheidstelling nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen [1 met een maximum van tien jaar]1. In geval van een veroordeling tot een levenslange vrijheidsstraf wordt het op het ogenblik van de voorlopige invrijheidstelling nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraf geacht tien jaar te zijn.
  (De verjaring van de straf loopt niet tijdens de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen.) <W 2006-12-27/33, art. 74, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 177, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  HOOFDSTUK II. - De samenloop van misdrijven.

  Art. 81. De strafuitvoeringsrechter kan, indien een in kracht van gewijsde gegaan veroordelend vonnis of arrest geen rekening heeft gehouden met een bestaande situatie van samenloop, de strafmaat herberekenen met toepassing van de artikelen 58 tot 64 van het Strafwetboek.

  Art. 82. De zaak wordt bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig gemaakt bij schriftelijk verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie.
  Het verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, ingeval de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis.
  De griffie van de gevangenis zendt het verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.

  Art. 83.§ 1. De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechter na het indienen van de vordering van het openbaar ministerie of het indienen van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde.
  De veroordeelde wordt [1 bij een ter post aangetekende brief]1 in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
  § 2. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
  De veroordeelde kan tevens, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier bekomen.
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 178, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 84. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie.
  De zitting is openbaar, behalve indien de veroordeelde gedetineerd is.

  Art. 85. De strafuitvoeringsrechter beslist binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen.

  Art. 86.De beslissing wordt binnen vierentwintig uur [1 bij een ter post aangetekende brief]1 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en, indien de veroordeelde gedetineerd is, van de directeur.
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 179, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  HOOFDSTUK III. - De vervanging van de door de strafrechter uitgesproken vrijheidsstraf door een werkstraf.

  Art. 87. § 1. De strafuitvoeringsrechter kan beslissen een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot een vrijheidsstraf waarvan het uitvoerbaar gedeelte één jaar of minder bedraagt te vervangen door een werkstraf ingeval er nieuwe elementen zijn die de sociale, familiale of professionele situatie van de veroordeelde in belangrijke mate hebben gewijzigd sedert het ogenblik waarop de vrijheidsstraf werd uitgesproken.
  § 2. De bepalingen van dit Hoofdstuk zijn niet van toepassing op veroordelingen op grond van de artikelen :
  - (347bis) van het Strafwetboek; <W 2006-12-27/33, art. 75, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  - 375 tot 377 van het Strafwetboek;
  - 379 tot 387 van het Strafwetboek, indien de feiten zijn gepleegd op of met behulp van minderjarigen;
  - 393 tot 397 van het Strafwetboek;
  - 475 van het Strafwetboek.

  Art. 88. § 1. Over de vervanging van de vrijheidsstraf door een werkstraf wordt door de strafuitvoeringsrechter beslist op verzoek van de veroordeelde.
  § 2. Het verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie van de gevangenis ingeval de veroordeelde gedetineerd is.
  De griffie van de gevangenis zendt het verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift ervan aan de directeur.
  § 3. Binnen een maand na de ontvangst van het verzoek door de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechter en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde.
  § 4. Het openbaar ministerie kan de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag of een maatschappelijke enquête uit te voeren. De inhoud van dit beknopt voorlichtingsverslag en deze maatschappelijke enquête wordt door de Koning bepaald.

  Art. 89.§ 1. De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechter na het verzenden van het advies van het openbaar ministerie en ten laatste twee maanden na de indiening van het verzoek.
  [1 De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en, ingeval de veroordeelde gedetineerd is, schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.]1
  § 2. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, indien de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
  De veroordeelde kan tevens, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 180, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 90.§ 1. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur ingeval de veroordeelde gedetineerd is.
  Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. [1 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]1
  Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
  De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
  § 2. De strafuitvoeringsrechter kan tevens de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren.
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 26, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 91. De zitting is openbaar, behalve indien de veroordeelde gedetineerd is.

  Art. 92. De strafuitvoeringsrechter kan de behandeling van de zaak éénmaal uitstellen tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden later mag plaatsvinden.

  Art. 93. De strafuitvoeringsrechter beslist binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen.

  Art. 94. § 1. De strafuitvoeringsrechter bepaalt de duur van de werkstraf, binnen de grenzen van de aard van het misdrijf waarvoor de veroordeelde werd veroordeeld.
  De duur bedraagt minstens vijfenveertig uren en ten hoogste driehonderd uren.
  Ingeval de veroordeelde gedetineerd is, houdt de strafuitvoeringsrechter rekening met het gedeelte van de vrijheidsstraf dat reeds is ondergaan.
  § 2. De strafuitvoeringsrechter bepaalt dat de door de strafrechter uitgesproken vrijheidsstraf ten uitvoer zal worden gelegd ingeval de werkstraf niet wordt uitgevoerd. Er wordt rekening gehouden met de werkstraf die reeds door de veroordeelde werd uitgevoerd.
  § 3. De strafuitvoeringsrechter kan aanwijzingen geven omtrent de concrete invulling van de werkstraf.
  § 4. De artikelen 37ter, § 2, tweede lid, 37quater en 37 quinquies van het Strafwetboek zijn van toepassing.

  Art. 95.De beslissing wordt binnen vierentwintig uur [2 bij een ter post aangetekende brief]2 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie.
  Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van de beslissing.
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 27, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 181, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  HOOFDSTUK IV. [1 De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-12-14/53, art. 13, 014; Inwerkingtreding : 02-05-2013>

  Art. 95/1.[1 § 1. Onverminderd de artikelen 28, § 3, en 47, § 3, kan de strafuitvoeringsrechter beslissen een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot ontzetting van het in artikel 382bis, eerste lid, 4°, van het Strafwetboek bedoelde recht te wijzigen door de duur van de ontzetting te verminderen, de nadere regels of de voorwaarden van de ontzetting aan te passen, de ontzetting op te schorten of te beëindigen.
   § 2. De in de artikelen 82 tot 86 bedoelde procedure is van toepassing, met dien verstande evenwel dat de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank onverwijld een afschrift van het schriftelijk verzoek of de vordering overzendt aan het slachtoffer, de zitting plaatsvindt met gesloten deuren en de strafuitvoeringsrechter het slachtoffer eveneens hoort. [2 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]2
   § 3. De strafuitvoeringsrechter kan de veroordeelde aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden onderwerpen indien deze absoluut noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer. [2 Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de beslissing en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.]2
   § 4. Het openbaar ministerie kan, met het oog op de herroeping van de vermindering of opschorting van de ontzetting, de zaak bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig maken, wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd. De in § 2 bedoelde procedure is van toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-12-14/53, art. 14, 014; Inwerkingtreding : 02-05-2013>
  (2)<W 2013-12-15/05, art. 28, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  TITEL XIbis. - Bijzondere bevoegdheden van de strafuitvoeringsrechtbank <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  HOOFDSTUK I. - De terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Afdeling 1. - Algemeen <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 95/2.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank die overeenkomstig de artikelen 34bis tot en met 34quater van het Strafwetboek ten aanzien van de veroordeelde is uitgesproken, neemt een aanvang bij het verstrijken van de [1 ...]1 hoofdstraf.
  § 2. De strafuitvoeringsrechtbank beslist voorafgaand aan het verstrijken van de [1 ...]1 hoofdstraf, overeenkomstig de procedure bepaald in afdeling 2, hetzij tot vrijheidsbeneming, hetzij tot invrijheidstelling onder toezicht van de terbeschikkinggestelde veroordeelde.
  Na het in het eerste lid bedoelde onderzoek door de strafuitvoeringsrechtbank, wordt de veroordeelde aan wie een voorwaardelijke invrijheidstelling was verleend op het einde van zijn [1 proeftermijn]1 in vrijheid onder toezicht gesteld, in voorkomend geval met voorwaarden zoals bedoeld in § 2 van artikel 95/7.
  § 3. De ter beschikking gestelde veroordeelde wordt van zijn vrijheid benomen indien in zijn hoofde een risico op het plegen van ernstige strafbare feiten, die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten, bestaat dat in geval van een invrijheidstelling onder toezicht niet kan worden ondervangen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 34, 017; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Afdeling 2. - Uitvoeringsprocedure van de terbeschikkingstelling <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 95/3.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De directeur, indien de veroordeelde gedetineerd is, brengt uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de [1 ...]1 hoofdstraf een advies uit.
  § 2. Het advies van de directeur omvat een gemotiveerd advies tot vrijheidsbeneming of invrijheidstelling onder toezicht. In voorkomend geval vermeldt hij de bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen aan de veroordeelde.
  Artikel 31, §§ 1, 2 en 4, is van toepassing.
  Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten bedoeld in [2 de [3 artikelen 371/1 tot]3 378 van het Strafwetboek, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming]2, moet het advies worden ingediend samen met een met redenen omkleed advies van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten. Dit advies omvat een beoordeling van de noodzaak om een behandeling op te leggen.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 35, 017; Inwerkingtreding : 24-05-2014>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 182, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (3)<W 2016-02-01/09, art. 25, 021; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 95/4.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Binnen een maand na de ontvangst van het advies van de directeur of, indien de veroordeelde niet gedetineerd is, uiterlijk vier maanden voorafgaand aan zijn definitieve invrijheidstelling bepaald in de artikelen 44, § 5, 71 en 80 of uiterlijk één maand nadat de veroordeelde wiens proeftermijn ingevolge de overeenkomstig artikel 47, § 2, verleende voorlopige invrijheidstelling verstreken is op het grondgebied is teruggekeerd, [1 of uiterlijk vier maanden voorafgaand aan het einde van de termijn van uitstel als bedoeld in artikel 8 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie]1 stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechtbank. Het openbaar ministerie deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 36, 017; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 95/5.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechtbank na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk twee maanden vóór het verstrijken van de [1 ...]1 hoofdstraf. Ingeval het advies van het openbaar ministerie niet wordt toegezonden binnen de bij 95/4 bepaalde termijn, dient het openbaar ministerie zijn advies schriftelijk uit te brengen voor of tijdens de zitting.
  § 2. [2 De dag, het uur en de plaats van de zitting wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en, indien de veroordeelde gedetineerd is, schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.]2
  Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank, of, indien de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
  De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 37, 017; Inwerkingtreding : 24-05-2014>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 183, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 95/6.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> De strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en, indien de veroordeelde gedetineerd is, de directeur.
  Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. [1 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]1
  Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
  De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
  Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid, is de zitting openbaar indien de veroordeelde hierom verzoekt.
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 29, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 95/7.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
  § 2. Indien de strafuitvoeringsrechtbank de invrijheidstelling onder toezicht toekent, bepaalt zij dat de ter beschikking gestelde veroordeelde wordt onderworpen aan de algemene voorwaarden zoals bepaald door artikel 55.
  De strafuitvoeringsrechtbank kan de ter beschikking gestelde veroordeelde onderwerpen aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die het risico van het plegen van ernstige strafbare feiten, die de fysieke of psychische integriteit van personen kunnen aantasten, ondervangen of die noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers.
  Indien de veroordeelde ter beschikking van de strafuitvoeringsrechtbank is gesteld voor één van de feiten bedoeld in de [2 artikelen 371/1, 372]2, 373, tweede en derde lid, 375, 376, tweede en derde lid, 377, eerste, tweede, vierde en zesde lid van het Strafwetboek, kan de strafuitvoeringsrechtbank aan de toekenning van de invrijheidstelling onder toezicht de voorwaarde verbinden van het volgen van een begeleiding of behandeling bij een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten is gespecialiseerd. De strafuitvoeringsrechtbank bepaalt de termijn gedurende dewelke de veroordeelde deze begeleiding of behandeling moet volgen.
  § 3. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en, indien de veroordeelde gedetineerd is, van de directeur.
  Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van de beslissing en, ingeval van een invrijheidstelling onder toezicht, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
  § 4. Het vonnis tot toekenning van de invrijheidstelling onder toezicht wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
  - aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
  - aan [3 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]3 op het politieambt;
  - in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfsplaats heeft;
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 30, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2016-02-01/09, art. 26, 021; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (3)<W 2016-02-05/11, art. 158, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 95/8.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Het vonnis wordt uitvoerbaar op de dag dat de veroordeelde zijn [1 ...]1 hoofdstraf heeft ondergaan of, in geval van vervroegde invrijheidstelling, op de dag dat de veroordeelde overeenkomstig de artikelen 44, § 5, 71 of 80 definitief in vrijheid wordt gesteld [1 of, indien de hoofdstraf met uitstel uitgesproken werd, op het einde van de termijn van uitstel zoals bedoeld in artikel 8 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie]1.
  [1 Het vonnis tot vrijheidsbeneming is uitvoerbaar bij voorraad.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 38, 017; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 95/9. <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Indien zich, nadat de beslissing tot toekenning van de invrijheidstelling onder toezicht is genomen, maar voor de uitvoering ervan, een situatie voordoet die onverenigbaar is met de voorwaarden die in deze beslissing zijn bepaald, kan de strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een nieuwe beslissing nemen, met inbegrip van de intrekking van de invrijheidstelling onder toezicht.
  Artikel 61, §§ 2 tot 4, is van toepassing.

  Afdeling 3. - Het verloop van de vrijheidsbeneming <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Onderafdeling 1. - Algemeen<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 95/10. <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Bij de aanvang van de vrijheidsbeneming licht de directeur de veroordeelde schriftelijk in over de mogelijkheden tot toekenning van de in deze afdeling bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten.

  Onderafdeling 2. - Uitgaansvergunning en penitentiair verlof<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 95/11.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De strafuitvoeringsrechtbank kan tijdens deze periode van vrijheidsbeneming een uitgaansvergunning, zoals bedoeld in artikel 4, §§ 1 en 2, of een penitentiair verlof, zoals bedoeld in artikel 6, toekennen op verzoek van de terbeschikkinggestelde.
  Ingeval zulks nodig is, kan de strafuitvoeringsrechtbank tevens uitgaansvergunningen toekennen om de sociale re-integratie van de ter beschikking gestelde veroordeelde voor te bereiden. De uitgaansvergunningen kunnen met een bepaalde periodiciteit worden toegekend.
  De uitgaansvergunning of het penitentiair verlof wordt toegekend op voorwaarde dat er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden die door de terbeschikkinggestelde worden aanvaard; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou [1 lastig vallen]1.
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 144, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 95/12.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis die het verzoek binnen vierentwintig uur aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank overzendt en een afschrift bezorgt aan de directeur.
  § 2. Ingeval het een verzoek om een penitentiair verlof betreft, stelt de directeur binnen twee maanden na de ontvangst van het verzoek zijn met redenen omkleed advies op.
  De directeur kan de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête te houden in het door de veroordeelde voor het penitentiair verlof voorgestelde opvangmilieu.
  Ingeval het een verzoek om uitgaansvergunning betreft, stelt de directeur onverwijld zijn met redenen omkleed advies op.
  [1 Artikel 31 is van toepassing.]1
  Het met redenen omkleed advies, bedoeld in het eerste en derde lid, wordt overgezonden aan de strafuitvoeringsrechtbank en omvat, in voorkomend geval, een voorstel van bijzondere voorwaarden die de directeur nodig acht op te leggen. Een afschrift van het advies wordt meegedeeld aan de veroordeelde en aan het openbaar ministerie.
  § 3. Indien het advies van de directeur niet wordt meegedeeld binnen de in § 2 bepaalde termijn, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op schriftelijk verzoek van de ter beschikking gestelde veroordeelde, de minister op straffe van een dwangsom veroordelen tot het uitbrengen van zijn advies, via de directeur, binnen de termijn voorzien door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en om aan de veroordeelde een afschrift van dit advies ter kennis te brengen.
  De voorzitter doet uitspraak na de ter beschikking gestelde veroordeelde en de minister of zijn gemachtigde te hebben gehoord, op advies van het openbaar ministerie, binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek.
  Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 184, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 95/13. <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. Binnen zeven dagen na de ontvangst van het advies van de directeur, stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechtbank en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.
  § 2. Indien de strafuitvoeringsrechtbank het nuttig acht om te kunnen oordelen over het verzoek om een uitgaansvergunning of penitentiaire verlof, of op verzoek van de ter beschikking gestelde veroordeelde, kan hij een zitting organiseren. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het advies van de directeur.
  Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
  De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
  § 3. De ter beschikking gestelde veroordeelde, zijn raadsman, de directeur en het openbaar ministerie worden gehoord.
  De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
  Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid, is de zitting openbaar indien de veroordeelde hierom verzoekt.

  Art. 95/14.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1 Binnen veertien dagen na de ontvangst van het advies van de directeur of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechtbank.
  § 2. De strafuitvoeringsrechtbank verbindt aan de beslissing tot toekenning de algemene voorwaarde dat de terbeschikkinggestelde geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. In voorkomend geval bepaalt zij de bijzondere voorwaarden, rekening houdend met de bepalingen van artikel 95/11, § 1, derde lid.
  § 3. De beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning bepaalt de duur ervan, die niet meer dan zestien uur mag bedragen.
  Behoudens andersluidende beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank wordt de beslissing tot toekenning van penitentiair verlof geacht van rechtswege elk kwartaal te worden hernieuwd.
  De directeur beslist, na overleg met de terbeschikkinggestelde, over de verdeling van het toegestane verlof voor elk trimester.
  § 4. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en van de directeur. Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van de toekenning van een eerste penitentiair verlof en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
  § 5. Het vonnis tot toekenning van een uitgaansvergunning of een penitentiair verlof wordt meegedeeld aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zal verblijven en aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt.
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 31, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 158, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 95/15. <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Indien het penitentiair verlof of de uitgaansvergunning wordt geweigerd, kan de terbeschikkinggestelde een nieuwe aanvraag indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze beslissing.
  Deze termijn om een nieuwe aanvraag in te dienen kan worden verkort op gemotiveerd advies van de directeur.

  Art. 95/16.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. Het openbaar ministerie kan, met het oog op de herroeping, schorsing of herziening van de beslissing tot toekenning van het penitentiair verlof of de uitgaansvergunning met periodiciteit, de zaak aanhangig maken bij de strafuitvoeringsrechtbank indien de voorwaarden van de beslissing tot toekenning niet worden nageleefd of indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt.
  § 2. In geval van schorsing is [3 artikel 66, §§ 2 en 3,]3 van toepassing.
  § 3. In geval van herziening kan de strafuitvoeringsrechtbank de opgelegde voorwaarden verscherpen of bijkomende voorwaarden opleggen. De beslissing tot toekenning van het penitentiair verlof of de uitgaansvergunning wordt evenwel herroepen, indien de veroordeelde niet instemt met de nieuwe voorwaarden.
  Indien de strafuitvoeringsrechtbank beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen, bepaalt hij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt.
  § 4. Artikel 68, § 1, leden 1 tot 3, § 2, eerste en tweede lid, § 3, eerste tot vierde lid, en § 4, is van toepassing.
  § 5. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur [3 bij een ter post aangetekende brief]3 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en van de directeur.
  Ingeval het een vonnis betreft tot herroeping of schorsing van een penitentiair verlof of in geval van herziening van de in zijn belang gewijzigde voorwaarden, wordt het slachtoffer [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig, uur via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van de beslissing.
  Het vonnis tot herroeping, schorsing of herziening wordt meegedeeld aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft en aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt.
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 32, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 158, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (3)<W 2016-02-05/11, art. 185, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 95/17. <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. In de in artikel 95/16 bedoelde gevallen waarin herroeping van het penitentiair verlof of van de uitgaansvergunning mogelijk is, kan de procureur des Konings van de rechtbank in het rechtsgebied waarvan de ter beschikking gestelde veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen, onder verplichting de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank daarvan onmiddellijk in kennis te stellen.
  § 2. De bevoegde strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen zeven werkdagen na de opsluiting van de ter beschikking gestelde veroordeelde over de schorsing van het penitentiair verlof of van de uitgaansvergunning. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de ter beschikking gestelde veroordeelde, aan het openbaar ministerie en aan de directeur.
  De beslissing tot schorsing is geldig voor de duur van één maand, overeenkomstig artikel 66, § 3.

  Onderafdeling 3. - Beperkte detentie en elektronisch toezicht <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 95/18.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De strafuitvoeringsrechtbank kan tijdens deze periode van vrijheidsbeneming een beperkte detentie, zoals bedoeld in artikel 21, of een elektronisch toezicht, zoals bedoeld in artikel 22, toekennen aan de ter beschikkinggestelde.
  De artikelen 47, § 1, en 48 zijn van toepassing.
  § 2. De toekenningsprocedure verloopt overeenkomstig de artikelen 37, 49, 51, 52 en 53, eerste tot vierde lid.
  Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid, is de zitting openbaar indien de ter beschikking gestelde veroordeelde hierom verzoekt.
  De strafuitvoeringsrechtbank beslist overeenkomstig artikel [1 54, § 1]1.
  Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank de beperkte detentie of het elektronisch toezicht niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de terbeschikkinggestelde een nieuw verzoek kan indienen. Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis.
  De artikelen 55, 56 en 58 zijn van toepassing op de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank.
  Het vonnis tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht wordt uitvoerbaar de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan. De strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/01, art. 19, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>

  Art. 95/19. <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Indien zich, nadat de beslissing tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht is genomen, maar voor de uitvoering ervan, een situatie voordoet die onverenigbaar is met de voorwaarden die in deze beslissing zijn bepaald, kan de strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een nieuwe beslissing nemen, met inbegrip van de intrekking van de beperkte detentie of van het elektronisch toezicht.
  Artikel 61, §§ 2 tot 4, is van toepassing.

  Art. 95/20.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> De artikelen 62 en 63 zijn van toepassing voor de opvolging en de controle van de beperkte detentie en het elektronisch toezicht.
  Titel VIII [1 en titel IX zijn ]1 van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/30, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 10-02-2013>

  Afdeling 4. - Ambtshalve jaarlijkse controle door de strafuitvoeringsrechtbank <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 95/21.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> De strafuitvoeringsrechtbank onderzoekt na één jaar vrijheidsbeneming, die uitsluitend gesteund is op de beslissing ingevolge de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank, ambtshalve de mogelijkheid van het toekennen van een invrijheidstelling onder toezicht. [1 De vrijheidsbeneming van de ter beschikking gestelde veroordeelde wordt gehandhaafd indien in zijn hoofde een risico op het plegen van ernstige strafbare feiten, die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten, bestaat dat in geval van een invrijheidstelling onder toezicht niet kan worden ondervangen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.]1
  Vier maanden voorafgaand aan de in het eerste lid bedoelde termijn brengt de directeur een advies uit. Artikel 95/3, § 2, is van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 186, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 95/22. <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Binnen een maand na de ontvangst van het advies van de directeur stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechtbank en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.

  Art. 95/23.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechtbank na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk twee maanden voor het einde van de termijn bepaald in artikel 95/21.
  Ingeval het advies van het openbaar ministerie niet wordt toegezonden binnen de bij 95/22 bepaalde termijn, dient het openbaar ministerie zijn advies schriftelijk uit te brengen voor of tijdens de zitting.
  [1 De dag, het uur en de plaats van de zitting wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.]1
  § 3. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
  De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
  De artikelen 95/6 en 95/7 zijn van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 187, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 95/24.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. [1 Onverminderd]1 van de toepassing van artikel 95/2, § 2, tweede lid, wordt het vonnis tot toekenning van een invrijheidstelling onder toezicht uitvoerbaar vanaf de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan en ten vroegste op het einde van de termijn bepaald in artikel 95/21.
  De strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt.
  § 2. Indien zich, nadat de beslissing tot toekenning van de invrijheidstelling onder toezicht is genomen, maar voor de uitvoering ervan, een situatie voordoet die onverenigbaar is met de voorwaarden die in deze beslissing zijn bepaald, kan de strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een nieuwe beslissing nemen, met inbegrip van de intrekking van de invrijheidstelling onder toezicht.
  Artikel 61, §§ 2 tot 4, is van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2016-02-05/11, art. 188, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 95/25. <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Indien de strafuitvoeringsrechtbank de invrijheidstelling onder toezicht niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de directeur een nieuw advies moet uitbrengen.
  Deze termijn mag niet langer zijn dan één jaar te rekenen van het vonnis.

  Afdeling 5. - Het verloop van de invrijheidstelling onder toezicht<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 95/26. <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> De opvolging en de controle van de ter beschikking gestelde veroordeelde tijdens de invrijheidstelling onder toezicht gebeurt overeenkomstig de artikelen 62 en 63.

  Art. 95/27.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. Het openbaar ministerie kan, met het oog op de [2 herroeping, schorsing of herziening]2 van de invrijheidstelling onder toezicht, de zaak bij de strafuitvoeringsrechtbank aanhangig maken in de volgende gevallen :
  1° [1 wanneer bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt vastgesteld dat de ter beschikking gestelde veroordeelde tijdens de in artikel 95/28 bedoelde termijn, een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, heeft gepleegd;]1
  2° in de gevallen bedoeld in artikel 64, 2°, 3°, 4° en 5°.
  § 2. In geval van herroeping wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten.
  In geval van herroeping overeenkomstig § 1, 1°, wordt de herroeping geacht in te zijn gegaan op de dag waarop die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd.
  § 3. [2 De artikelen 68, §§ 1 tot 4, en 70 zijn van toepassing.]2.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 71, 017; Inwerkingtreding : 24-05-2014>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 189, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 95/28. <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 95/29 wordt de ter beschikking van de strafuitvoeringsrechtbank gestelde definitief in vrijheid gesteld na het verstrijken van de bij de rechter vastgestelde termijn voor de terbeschikkingstelling overeenkomstig de artikelen 34bis tot en met 34quater van het Strafwetboek.

  Afdeling 6. - Ontheffing van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 95/29. <Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De onder toezicht in vrijheid gestelde veroordeelden kunnen de strafuitvoeringsrechtbank verzoeken om een einde te stellen aan de periode van de ter beschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank.
  Dit schriftelijk verzoek mag ingediend worden twee jaar nadat de invrijheidstelling onder toezicht is toegekend geweest en vervolgens om de twee jaar.
  Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
  § 2. Binnen een maand na de indiening van het verzoek wint het openbaar ministerie alle nuttige inlichtingen in, stelt een met redenen omkleed advies op en zendt dit alles over aan de strafuitvoeringsrechtbank. Een afschrift van het advies wordt aan de veroordeelde meegedeeld.

  Art. 95/30.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechtbank na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk twee maanden na de indiening van het schriftelijk verzoek.
  [3 De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.]3
  § 2. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
  De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
  § 3. De strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman en het openbaar ministerie.
  § 4. Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid, is de zitting openbaar indien de veroordeelde hierom verzoekt.
  § 5. De strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
  Zij kent de ontheffing van de terbeschikkingstelling toe indien redelijkerwijze niet te vrezen valt dat de veroordeelde nieuwe strafbare feiten zal plegen.
  § 6. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur [3 bij een ter post aangetekende brief]3 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie.
  Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van de beslissing.
  Het vonnis tot ontheffing van de terbeschikkingstelling wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
  - aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde was gevestigd;
  - aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt;
  - aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement dat met de begeleiding was belast.
  ----------
  (1)<W 2013-12-15/05, art. 33, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2016-02-05/11, art. 158, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  (3)<W 2016-02-05/11, art. 190, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  TITEL XII. - Het cassatieberoep.

  Art. 96.Tegen de beslissingen van de strafuitvoeringsrechter en van de strafuitvoeringsrechtbank met betrekking tot de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening of de herroeping]3 van de in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten [3 ...]3 , evenals de overeenkomstig Titel XI genomen beslissingen, staat cassatieberoep open voor het openbaar ministerie [2 , ambtshalve of op bevel van de Minister van Justitie,]2 en de veroordeelde.
  [1 Er staat cassatieberoep open voor het openbaar ministerie [2 , ambtshalve of op bevel van de Minister van Justitie,]2 en de ter beschikking gestelde veroordeelde tegen de overeenkomstig titel XIbis, hoofdstuk 1 genomen beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank met betrekking tot :
   a) de vrijheidsbeneming;
   b) de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening]3 of de herroeping van een periodieke uitgaansvergunning [3 ...]3;
   c) de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening]3 of de herroeping van een penitentiair verlof [3 ...]3;
   d) de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening]3 of de herroeping van een beperkte detentie [3 ...]3;
   e) de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening]3 of de herroeping van een elektronisch toezicht [3 ...]3;
   f) de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening]3 of de herroeping van een invrijheidstelling onder toezicht [3 ...]3 of
   g) de beslissing tot afwijzing of tot toekenning van de ontheffing van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank.]1
  ----------
  (1)<W 2007-04-26/89, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<W 2013-03-17/01, art. 20, 013; Inwerkingtreding : 19-03-2013>
  (3)<W 2016-02-05/11, art. 191, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 97.§ 1. Het openbaar ministerie stelt het cassatieberoep in binnen een termijn van vierentwintig uur, te rekenen van [1 de uitspraak van het vonnis]1.
  De veroordeelde stelt het cassatieberoep in binnen een termijn van [1 [4 vijf]4 dagen, te rekenen van de uitspraak van het vonnis]1. [1 De verklaring van cassatieberoep [3 wordt neergelegd ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en]3 moet door een advocaat worden ondertekend.]1 De cassatiemiddelen worden voorgesteld in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen ten laatste op de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep.
  § 2. Het dossier wordt door de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank toegezonden aan de griffie van het Hof van Cassatie binnen achtenveertig uur, te rekenen van het instellen van het cassatieberoep.
  § 3. Het cassatieberoep tegen een beslissing die een in Titel V of Titel XI bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit toekent [2 , een periodieke uitgaansvergunning, een penitentiair verlof, een beperkte detentie, een elektronisch toezicht, een invrijheidstelling onder toezicht of die de veroordeelde overeenkomstig titel XIbis ontheft van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank]2, heeft schorsende kracht.
  Het Hof van Cassatie doet uitspraak binnen dertig dagen, te rekenen van het instellen van het cassatieberoep, met dien verstande dat de veroordeelde inmiddels opgesloten blijft.
  ----------
  (1)<W 2009-02-06/36, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 08-03-2009>
  (2)<W 2007-04-26/89, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (3)<W 2014-12-19/24, art. 15, 018; Inwerkingtreding : 01-02-2015>
  (4)<W 2016-02-05/11, art. 192, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>

  Art. 98. Na een cassatiearrest met verwijzing, doet een andere strafuitvoeringsrechter of een anders samengestelde strafuitvoeringsrechtbank uitspraak binnen veertien dagen, te rekenen van de uitspraak van dit arrest, met dien verstande dat de veroordeelde inmiddels opgesloten blijft.

  TITEL XIIbis. - Overlegstructuren. <ingevoegd bij W 2006-12-27/33, art. 52, Inwerkingtreding : 01-02-2007>

  Art. 98/1. <W 2008-07-24/36, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 17-08-2008; daarentegen geeft het KB 2008-10-01/34 een Inwerkingtreding : 01-11-2008, zie KB 2008-10-01/34, art. 9, 1°> Bij de FOD Justitie wordt een overlegstructuur inzake de toepassing van deze wet opgericht. Deze overlegstructuur heeft tot taak om, zowel op federaal als op lokaal vlak, de instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet geregeld samen te brengen teneinde hun samenwerking te evalueren. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de samenstelling en de werking van deze overlegstructuur.

  TITEL XIII. - Wijzigings-, opheffings- en overgangsbepalingen.

  HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen.

  Afdeling 1. - Wijziging van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.

  Art. 99. In artikel 3bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, gewijzigd bij de wetten van 12 maart 1998 en 7 mei 1999, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
  " Slachtoffers ontvangen met name de nuttige informatie over de nadere regels voor de burgerlijke partijstelling en de verklaring van benadeelde persoon. ".

  Afdeling 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering.

  Art. 100. Artikel 182 van het Wetboek van strafvordering, gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1967, 11 juli 1994 en 28 maart 2000, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " De procureur des Konings deelt de plaats, de dag en het uur van verschijning met alle passende middelen aan de gekende slachtoffers mee. ".

  Art. 101. Artikel 195 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 april 1987 en gewijzigd bij de wetten van 24 december 1993, 22 juni en 20 juli 2005, wordt aangevuld met de volgende leden :
  " Als de rechter een effectieve vrijheidsstraf uitspreekt, licht hij de partijen in over de uitvoering van deze vrijheidsstraf en over de mogelijke strafuitvoeringsmodaliteiten.
  Hij licht eveneens de burgerlijke partij in over de mogelijkheden om in het kader van de strafuitvoering te worden gehoord over de voorwaarden die in het belang van de burgerlijke partij moeten worden opgelegd. ".

  Art. 102. Artikel 216quater, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 juli 1994 en gewijzigd bij de wet van 13 april 2005, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " De procureur des Konings deelt de plaats, de dag en het uur van verschijning met alle passende middelen aan de gekende slachtoffers mee. ".

  Afdeling 3. - Wijziging van het Strafwetboek.

  Art. 103. In artikel 37ter, § 1, tweede lid, derde gedachtestreepje, van het Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 17 april 2002, wordt het cijfer " 386ter " vervangen door het cijfer " 387 ".

  Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen.

  Art. 104. In artikel 16 van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, ingevoegd bij de wet van 26 mei 2005, worden in de eerste en de vierde zin de woorden " de commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling " vervangen door de woorden " de strafuitvoeringsrechter of, in voorkomend geval, de strafuitvoeringsrechtbank ".

  Afdeling 5. - Wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.

  Art. 105. <W 2006-12-27/33, art. 76, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007> In artikel 20 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, gewijzigd bij de wetten van 5 maart 1998 en 7 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt als volgt vervangen :
  " De politiediensten houden toezicht op de veroordeelden die een strafuitvoeringsmodaliteit van de vrijheidsstraf genieten, op de veroordeelden die genieten van enige andere maatregel die de strafuitvoering schorst, op de veroordeelden in penitentiair verlof, op de veroordeelden tot een probatieopschorting of een probatie-uitstel alsook op de verdachten die in vrijheid gesteld of gelaten zijn overeenkomstig de wet betreffende de voorlopige hechtenis. ";
  2° het tweede lid wordt als volgt vervangen :
  " Zij houden eveneens toezicht op de naleving van de hen daartoe meegedeelde voorwaarden die zijn opgelegd aan de veroordeelden die een strafuitvoeringsmodaliteit van de vrijheidsstraf genieten, aan de veroordeelden die genieten van enige andere maatregel die de strafuitvoering schorst, aan de veroordeelden in penitentiair verlof, aan de veroordeelden tot een probatieopschorting of een probatie-uitstel alsook aan de verdachten die in vrijheid gesteld of gelaten zijn overeenkomstig de wet betreffende de voorlopige hechtenis.

  HOOFDSTUK II. - Opheffingsbepalingen.

  Art. 106. De wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, gewijzigd bij de wetten van 7 mei 1999, 28 november 2000, 22 november 2004 en 12 januari 2005, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen.

  Art. 107. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 108, §§ 1 en 2, zijn de bepalingen van deze wet van toepassing op alle lopende zaken.
  (De afwijzingsbeslissingen genomen door de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling, in overeenstemming met artikel 4, § 6, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, evenals de uitstelbeslissingen genomen door de personeelscolleges in overeenstemming met artikel 3, § 2, van dezelfde wet, blijven hun uitwerking behouden na de inwerkingtreding van deze wet.) <W 2006-12-27/33, art. 77, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>

  Art. 108. § 1. Bij de inwerkingtreding van deze wet worden de zaken die bij de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling aanhangig zijn ambtshalve en zonder kosten ingeschreven op de algemene rol van de strafuitvoeringsrechtbanken.
  De opgeheven commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling blijven evenwel in werking voor de zaken waarvoor de debatten aan gang zijn, of die in beraad zijn, tenzij de commissie niet kan samengesteld blijven, in welk geval er wordt gehandeld voor het nieuwe gerecht, zoals hiervoor is gezegd.
  § 2. Alle slachtoffers die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet reeds betrokken zijn bij de procedure inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling onder de voorwaarden die bepaald worden in de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, blijven daarbij betrokken volgens het bepaalde in die wet.
  § 3. Indien de beslissing van een opgeheven commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling vernietigd wordt door de Hof van Cassatie en er aanleiding tot verwijzing bestaat, wordt de zaak naar het bevoegde nieuwe gerecht verwezen.
  § 4. De dossiers worden aan de griffier van de strafuitvoeringsrechtbank toegezonden door de secretaris van de opgeheven commissies.
  § 5. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder de archieven van de opgeheven commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling worden toevertrouwd aan de gerechten die hij aanwijst, en die daarvan uitgiften, afschriften en uittreksels kunnen afleveren.

  TITEL XIV. - Inwerkingtreding.

  Art. 109.Met uitzondering van dit artikel, dat in werking treedt de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, treedt elk artikel van deze wet in werking op de door de Koning te bepalen datum, [2 en uiterlijk op 1 oktober 2019]2. <W 2008-07-24/36, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 17-08-2008>
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, § 1, eerste lid, 1°, tweede lid en § 2, 24, 25, § 2, 26, § 2, 31, 32, 36, 37, 41, 42, 43, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 96, 97, 98, 99, 100, 101, 102, 103, 104, 105, 106, 107 en 108 vastgesteld op 01-02-2007 door KB 2007-01-22/30, art. 1)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 98/1 vastgesteld op 01-11-2008 door KB 2008-10-01/34, art. 9, 1°)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 20/1, ingevoegd door de W 2012-03-15/09, art. 4; Inwerkingtreding : 09-04-2012, vastgesteld op 09-04-2012 door KB 2013-11-07/36, art. 1)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 25/1 en artikel 26/1 van Titel V, Hoofdstuk III, ingevoegd door de W 2013-03-17/01, art. 5 en 7; Inwerkingtreding : 19-03-2013, vastgesteld op 19-03-2013 door KB 2013-11-07/36, art. 2)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 26/1 van Titel V, Hoofdstuk IV, ingevoegd door de W 2012-12-14/53, art. 4; Inwerkingtreding : 02-05-2013, vastgesteld op 02-05-2013 door KB 2013-11-07/36, art. 3)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art 72 tot en met 80 vastgesteld op 12-01-2015, door KB 2014-12-30/09, art. 1)

  ----------
  (1)<W 2015-11-23/02, art. 14, 020; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 317, 024; Inwerkingtreding : 03-08-2017>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 17 mei 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
---------------------------------------------------GEWIJZIGD DOOR---------------------------------------------------
originele versie
  • WET VAN 08-05-2019 GEPUBL. OP 01-08-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 25; 26)
  • originele versie
  • WET VAN 05-05-2019 GEPUBL. OP 14-06-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 3/1; 23; 29; 29/1; 30; 31; 33; 34; 36; 37; 38; 43; 46; 53; 68; 71; 95/1; 95/3; 95/4; 95/8; 95/18; 109; 28; 35; 44; 81-95; 107; 108)
  • originele versie
  • WET VAN 05-05-2019 GEPUBL. OP 14-06-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 3/1; 23; 29; 29/1; 30; 31; 33; 34; 36; 37; 38; 43; 46; 53; 68; 71; 95/1; 95/3; 95/4; 95/8; 95/18; 28; 35; 44; 81-95; 107; 108) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 05-05-2019 GEPUBL. OP 24-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 31; 32; 41; 56)
  • originele versie
  • WET VAN 11-07-2018 GEPUBL. OP 18-07-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 9/1; 9/2; 9/3; 10; 11; 12; 13; 14)
  • originele versie
  • WET VAN 21-12-2017 GEPUBL. OP 11-01-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 25; 26; 54)
  • originele versie
  • WET VAN 06-07-2017 GEPUBL. OP 24-07-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 109)
  • originele versie
  • WET VAN 20-02-2017 GEPUBL. OP 02-03-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • originele versie
  • WET VAN 01-02-2016 GEPUBL. OP 19-02-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 25; 26; 32; 41; 95/3; 95/7)
  • originele versie
  • WET VAN 05-02-2016 GEPUBL. OP 19-02-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : N5; N7; N16; N95/11; 12; 19/1; 20; 20/1; 21; 25; 25/2; 25/3; 26; 37; 43; 46; 47; 52; 55; 58; 59; 60; 61; 64; 66; 67; 68; 71; 74; 75/1; 75/2; 76; 78; 79; 80; 83; 86; 89; 95; 95/3; 95/5; 95/12; 95/16; 92/21; 95/23; 95/24; 95/27; 95/30; 96; 97; )
  • originele versie
  • WET VAN 23-11-2015 GEPUBL. OP 30-11-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 109)
  • originele versie
  • WET VAN 10-08-2015 GEPUBL. OP 17-08-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 109)
  • originele versie
  • WET VAN 19-12-2014 GEPUBL. OP 29-12-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 97)
  • originele versie
  • WET VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 14-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 95/2; 95/3; 95/4; 95/5; 95/8)
    (GEWIJZIGDE ART. : 64; 76; 95/27)
  • originele versie
  • WET VAN 10-04-2014 GEPUBL. OP 30-04-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 25; 26)
  • originele versie
  • WET VAN 15-12-2013 GEPUBL. OP 19-12-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 10; 13; 14; 17; 19; 20/2; 28; 35; 44; 46; 47; 53; 58; 61; 63; 68; 71; 74; 78; 90; 95; 95/1; 95/6; 95/7; 95/14; 95/16; 95/30)
  • originele versie
  • WET VAN 21-01-2013 GEPUBL. OP 14-06-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • originele versie
  • WET VAN 14-12-2012 GEPUBL. OP 22-04-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 53; 26/1; 28; 29/1; 33; 35; 47; 48; 49/1; 62; 95/1; 3)
  • originele versie
  • WET VAN 17-03-2013 GEPUBL. OP 19-03-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 25; 25/1; 26; 26/1; 30; 31; 33; 34; 45; 50; 51; 52; 54; 57; 71; 95/18; 96)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2012 GEPUBL. OP 31-01-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 70; 95/20)
  • originele versie
  • WET VAN 31-12-2012 GEPUBL. OP 31-12-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 109)
  • originele versie
  • WET VAN 03-08-2012 GEPUBL. OP 13-08-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 109)
  • originele versie
  • WET VAN 15-03-2012 GEPUBL. OP 30-03-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 20/1; 60)
  • originele versie
  • WET VAN 06-02-2009 GEPUBL. OP 26-02-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 97)
  • originele versie
  • WET VAN 24-07-2008 GEPUBL. OP 07-08-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 98BIS; 109)
  • originele versie
  • WET VAN 08-06-2008 GEPUBL. OP 16-06-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 64)
  • originele versie
  • WET VAN 21-12-2007 GEPUBL. OP 31-12-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 109)
  • originele versie
  • WET VAN 26-04-2007 GEPUBL. OP 13-07-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 95/2-95/30; 96; 97)
  • originele versie
  • WET VAN 21-04-2007 GEPUBL. OP 13-07-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 28; 47; 41; 66; 67; 68) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 98BIS; 3; 10; 14; 17; 30; 31; 32; 33)
    (GEWIJZIGDE ART. : 38; 41; 54; 60; 61; 62; 63; 68; 70)
    (GEWIJZIGDE ART. : 71; 73; 74; 76; 80; 87; 105)
  • -------------------------------------INWERKINGTREDING DOOR-------------------------------------
    originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-07-2019 GEPUBL. OP 07-08-2019
    (BETROKKEN ART. : 9/1; 9/2; 9/3)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 2004-2005. Senaat : Stukken. - 3 - 1128 - Nr. 1 : Wetsontwerp. - Nr. 2 : Amendementen. - Nr. 3 : Advies van de Hoge Raad voor de Justitie. - Nr. 4 : Amendementen. Zitting 2005-2006. Senaat : Stukken. - 3-1128 - Nr. 5 : Amendementen. - Nr. 6 : Amendementen. - Nr. 7 : Verslag namens de commissie. - Nr. 8 : Tekst geamendeerd door de commissie. Handelingen. - 15 december 2005 Kamer van volksvertegenwoordigers : 51-2170 - Nr. 1 : Ontwerp overgezonden door de Senaat. - Nr. 2 : Amendementen. - Nr. 3 : Amendementen. - Nr. 4 : Amendementen. - Nr. 5 : Amendementen. - Nr. 6 : Amendementen. - Nr. 7 : Amendementen. - Nr. 8 : Amendementen. - Nr. 9 : Amendement. - Nr. 10 : Verslag namens de commissie. - Nr. 11 : Tekst aangenomen door de commissie. - Nr. 12 : Amendement voorgesteld na indiening van het verslag. - Nr. 13 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en teruggezonden aan de Senaat. Integraal Verslag. - 29 en 30 maart 2006 Senaat : Stukken. - 3 - 1128 - Nr. 9 : Ontwerp geamendeerd door de Kamer van volksvertegenwoordigers. - Nr. 10 : Verslag namens de Commissie. - Nr. 11 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd. Handelingen. - 4 mei 2006.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 21 uitvoeringbesluiten 26 gearchiveerde versies
    Franstalige versie