J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
Einde Franstalige versie
 
belgiŰlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2005/12/16/2006014001/justel

Titel
16 DECEMBER 2005. - Koninklijk besluit inzake de veiligheid van luchtvaartuigen uit derde landen die gebruik maken van de Belgische luchthavens.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-01-2006 en tekstbijwerking tot 10-11-2008).

Bron : MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 23-01-2006 nummer :   2006014001 bladzijde : 3494   BEELD
Dossiernummer : 2005-12-16/47
Inwerkingtreding : 30-04-2006

Inhoudstafel Tekst Begin
Voorwerp en toepassingsgebied.
Art. 1-3
Definities.
Art. 4
Inwinning van informatie.
Art. 5
Platforminspectie.
Art. 6-10
Uitwisseling van informatie.
Art. 11-13
Bescherming en verspreiding van informatie.
Art. 14-15
Vliegverbod voor een luchtvaartuig.
Art. 16-17
Verhoging van de veiligheid en uitvoeringsmaatregelen.
Art. 18
Oplegging van een verbod of operationele voorwaarden.
Art. 19-21
BIJLAGEN.
Art. N1-N2

Tekst Inhoudstafel Begin
Voorwerp en toepassingsgebied.

  Artikel 1. Het voorwerp van dit besluit is de tenuitvoerlegging van de Richtlijn 2004/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 inzake de veiligheid van luchtvaartuigen uit derde landen die gebruik maken van luchthavens in de Gemeenschap.
  Dit besluit voert de door de richtlijn geharmoniseerde aanpak in van de doeltreffende handhaving van de internationale veiligheidsnormen binnen de Gemeenschap door middel van harmonisering van de regels en procedures voor platforminspecties van luchtvaartuigen uit derde landen die op in de lidstaten gelegen luchthavens landen.

  Art. 2. Dit besluit is van toepassing op de luchtvaartuigen uit derde landen, die gebruik maken van de Belgische luchthavens.
  Het doet geen afbreuk aan het recht van de Belgische burgerluchtvaartoverheden om inspecties te verrichten die niet onder dit besluit vallen en om overeenkomstig de toepasselijke reglementering een vliegverbod, een exploitatieverbod of voorwaarden op te leggen aan luchtvaartuigen, die landen op de Belgische luchthavens.

  Art. 3. De Staatsluchtvaartuigen en de luchtvaartuigen met een maximum opstijgmassa van minder dan 5 700 kg die niet gebruikt worden voor commercieel luchtvervoer vallen buiten het toepassingsgebied van dit besluit.

  Definities.

  Art. 4. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  Vliegverbod : een formeel verbod voor een luchtvaartuig om een luchthaven te verlaten, en de nodige maatregelen om het aan de grond te houden.
  Internationale veiligheidsnormen : de op het ogenblik van de inspectie geldende veiligheidsnormen van het Verdrag van Chicago en zijn bijlagen.
  Platforminspectie : onderzoek volgens de bepalingen van bijlage II van luchtvaartuigen uit derde landen.
  Luchtvaartuig uit derde landen : luchtvaartuig dat niet wordt gebruikt of geŰxploiteerd onder toezicht van een bevoegde overheid van een Lidstaat.
  Staatsluchtvaartuig : luchtvaartuig dat gebruikt wordt in de diensten van het leger, de douane of de politie.
  Directeur-generaal : directeur-generaal van het Directoraat-generaal Luchtvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
  Commissie : Europese Commissie.

  Inwinning van informatie.

  Art. 5. De directeur-generaal wint alle informatie in teneinde het in artikel 1 vermelde doel te bereiken. Deze informatie omvat :
  1░ belangrijke informatie over de veiligheid, die met name verkregen kan worden uit :
  a) rapporten van piloten;
  b) rapporten van onderhoudsorganisaties;
  c) rapporten over incidenten;
  d) gegevens van andere organisaties die onafhankelijk zijn van de bevoegde overheden van de lidstaten;
  e) klachten;
  2░ informatie over ingevolge een platforminspectie genomen maatregelen, zoals :
  a) een vliegverbod;
  b) de ontzegging van de toegang tot het Belgisch grondgebied aan een luchtvaartuig of aan een exploitant om er activiteiten uit te oefenen;
  c) de vereiste corrigerende maatregelen;
  d) de contacten met de bevoegde overheid van het land waar de exploitant gevestigd is;
  3░ nadere informatie over de exploitant zoals :
  a) de uitvoering van corrigerende maatregelen;
  b) de herhaling van gebreken.
  Deze informatie wordt opgenomen in een standaardrapport dat de in het modelformulier van bijlage I vermelde punten bevat.

  Platforminspectie.

  Art. 6. De directeur-generaal treft de nodige voorzieningen om platforminspecties te kunnen uitvoeren op luchtvaartuigen uit derde landen, die ervan verdacht worden niet aan de internationale veiligheidsnormen te voldoen, wanneer zij landen op een Belgische luchthaven, die opengesteld is voor het internationaal luchtverkeer.
  Bij de uitvoering van dergelijke procedures besteedt de directeur-generaal speciale aandacht aan het luchtvaartuig :
  1░ dat volgens de ontvangen informatie slecht onderhouden is of zichtbare schade of gebreken vertoont;
  2░ dat volgens de meldingen abnormaal vlieggedrag vertoont sinds het binnenvliegen in het luchtruim van een lidstaat, waardoor ernstige bezorgdheid over de veiligheid is ontstaan;
  3░ wanneer bij een vorige platforminspectie gebreken aan het licht zijn gekomen die aanleiding geven tot ernstige bezorgdheid dat het luchtvaartuig niet voldoet aan de internationale veiligheidsnormen, en waarbij de directeur-generaal vreest dat de gebreken niet zijn hersteld;
  4░ wanneer er bewijzen zijn dat de bevoegde overheden van het land van inschrijving geen behoorlijk toezicht op de veiligheid uitoefenen, of
  5░ wanneer krachtens artikel 5 ingewonnen informatie aanleiding geeft tot bezorgdheid over de exploitant, of wanneer bij een vorige platforminspectie van een door dezelfde exploitant gebruikt luchtvaartuig gebreken aan het licht zijn gekomen.

  Art. 7. De directeur-generaal kan regels opstellen om steekproefsgewijs platforminspecties uit te voeren, ook wanneer er geen directe verdenking bestaat, mits deze regels stroken met het communautaire en internationale recht.
  Deze procedure wordt op niet-discriminerende wijze toegepast.

  Art. 8. De directeur-generaal zorgt ervoor dat passende platforminspecties en andere controlemaatregelen, beslist door de Commissie, worden uitgevoerd.

  Art. 9. De platforminspectie wordt uitgevoerd volgens de in bijlage II beschreven procedure, met behulp van een inspectierapportformulier, dat tenminste de punten bevat uit het aan bijlage II gehechte model. Na de voltooiing van de platforminspectie worden de bevindingen van de platforminspectie aan de gezagvoerder of een vertegenwoordiger van de exploitant van het luchtvaartuig medegedeeld en, indien er belangrijke gebreken aan het licht zijn gekomen, wordt het rapport verstuurd naar de exploitant van het luchtvaartuig en naar de betrokken bevoegde overheden.

  Art. 10. De dienst die belast is met de uitvoering van een platforminspectie in toepassing van dit besluit doet al het mogelijke om te voorkomen dat het ge´nspecteerde luchtvaartuig onredelijke vertraging oploopt.

  Uitwisseling van informatie.

  Art. 11. Op verzoek van een bevoegde overheid van een andere Lidstaat stuurt de directeur-generaal haar informatie, die een lijst omvat van voor internationaal luchtverkeer opengestelde Belgische luchthavens, met de vermelding, per kalenderjaar, van het aantal verrichte platforminspecties, en van het aantal vliegbewegingen van luchtvaartuigen uit derde landen voor elke op de lijst vermelde luchthaven.

  Art. 12. De directeur-generaal stelt de standaardrapporten, voorzien in artikel 5, en de platforminspectierapporten, voorzien in artikel 9, onverwijld ter beschikking van de Commissie en, op hun verzoek, van de bevoegde overheden van de lidstaten en van het Europees agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA).

  Art. 13. Wanneer uit een standaardrapport blijkt dat er een potentieel gevaar voor de veiligheid bestaat, of indien uit een platforminspectierapport blijkt dat een luchtvaartuig niet aan de internationale veiligheidsnormen voldoet en een potentieel gevaar voor de veiligheid kan vormen, stuurt de directeur-generaal het rapport onverwijld toe aan elke bevoegde overheid van de lidstaten en aan de Commissie.

  Bescherming en verspreiding van informatie.

  Art. 14. De directeur-generaal neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de vertrouwelijkheid van de informatie die hij overeenkomstig de artikelen 11, 12 en 13 ontvangt, op passende wijze wordt beschermd. Hij gebruikt de informatie uitsluitend voor de doeleinden van dit besluit.

  Art. 15. Wanneer informatie over de gebreken van een luchtvaartuig vrijwillig is verstrekt, wordt de bron ervan in de in artikel 9 bedoelde platforminspectierapporten geanonimiseerd.

  Vliegverbod voor een luchtvaartuig.

  Art. 16. Wanneer niet-naleving van internationale veiligheidsnormen duidelijk de vliegveiligheid in gevaar brengt, zou de exploitant van het luchtvaartuig maatregelen moeten nemen om vˇˇr het vertrek van de vlucht de gebreken te herstellen. Indien de dienst die de platforminspectie uitvoert er niet van overtuigd is dat de gebreken vˇˇr de vlucht zullen worden hersteld, houdt de directeur-generaal of zijn gemachtigde het luchtvaartuig aan de grond totdat het gevaar is weggenomen en stelt hij de bevoegde overheden van de betrokken exploitant en van de Staat waar het luchtvaartuig ingeschreven is daarvan onmiddellijk in kennis.

  Art. 17. Tijdens de uitvoering van de platforminspectie, kan de directeur-generaal of zijn gemachtigde in overleg met de Staat die verantwoordelijk is voor de exploitatie van het betrokken luchtvaartuig of met de Staat waar het luchtvaartuig ingeschreven is, bepalen onder welke voorwaarden het luchtvaartuig mag doorvliegen naar een luchthaven waar de gebreken kunnen worden hersteld. Indien de gebreken de geldigheid van het bewijs van luchtwaardigheid in gevaar brengen, wordt het vliegverbod opgeheven indien de exploitant de toestemming krijgt van de Staat of Staten waar het luchtvaartuig overheen zal vliegen.

  Verhoging van de veiligheid en uitvoeringsmaatregelen.

  Art. 18. De directeur-generaal deelt de Commissie mee welke operationele maatregelen werden getroffen voor de uitvoering van de bepalingen van de artikelen 5 tot 13.

  Oplegging van een verbod of operationele voorwaarden.

  Art. 19. Indien de directeur-generaal besluit om de activiteit van een bepaalde exploitant of exploitanten uit een bepaald derde land te verbieden op de Belgische luchthavens of te onderwerpen aan voorwaarden, totdat de bevoegde overheid van dat derde land de nodige herstellingsmaatregelen heeft genomen, stelt hij de Commissie in kennis van de genomen maatregelen.

  Art. 20. Dit besluit treedt in werking op 30 april 2006.

  Art. 21. De Minister die de Luchtvaart in zijn bevoegdheid heeft is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 16 december 2005.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Mobiliteit,
  R. LANDUYT

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage I. SAFA - Standaardrapport.
  (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 23-01-2006, p. 3497).
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 16 december 2005 inzake de veiligheid van luchtvaartuigen uit derde landen die gebruik maken van de Belgische luchthavens.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Mobiliteit,
  R. LANDUYT

  Art. N2. <KB 2008-11-07/31, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 10-11-2008> Bijlage II. - HANDLEIDING VAN EG-PROCEDURES VOOR SAFA-PLATFORMINSPECTIES BELANGRIJKSTE ELEMENTEN
  1. ALGEMENE INSTRUCTIES
  1.1. SAFA-platforminspecties worden uitgevoerd door agenten van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven die beschikken over de nodige kennis met betrekking tot het inspectiegebied wanneer alle punten van de checklist worden geverifieerd, gaat het zowel om technische, luchtwaardigheids- als operationele kennis. Wanneer een platforminspectie wordt uitgevoerd door twee of meer agenten van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven, mogen de belangrijkste elementen van de inspectie, met name de visuele inspectie van de buitenzijde van het luchtvaartuig, de inspectie van de cockpit en de inspectie van de passagiersruimte en/of goederenruimte onder de agenten van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven worden verdeeld.
  1.2. Alvorens te beginnen met het gedeelte van de platforminspectie dat zich aan boord van het luchtvaartuig afspeelt, moeten de agenten van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven zich bekendmaken bij de gezagvoerder van het luchtvaartuig of, indien deze afwezig is, bij een lid van de bemanning of bij de hoogste vertegenwoordiger van de exploitant. Wanneer het niet mogelijk is een vertegenwoordiger van de exploitant in kennis te stellen of wanneer geen vertegenwoordiger aanwezig is in of in de omgeving van het luchtvaartuig, is het algemene beginsel geen SAFA-platforminspectie uit te voeren. In bijzondere omstandigheden kan worden beslist toch een SAFA-platforminspectie uit te voeren, maar deze inspectie blijft beperkt tot een visuele controle van de buitenzijde van het luchtvaartuig.
  1.3. De inspectie moet, rekening houdende met de beschikbare tijd en middelen, zo volledig mogelijk zijn. Wanneer de tijd of de middelen beperkt zijn, hoeven dus niet alle inspectiepunten te worden geverifieerd maar slechts een beperkt aantal. Naar gelang van de tijd en middelen die beschikbaar zijn voor een SAFA-platforminspectie worden de te inspecteren punten geselecteerd overeenkomstig de doelstellingen van het SAFA-programma van de EG.
  1.4. Een platforminspectie mag geen buitensporige vertraging van het ge´nspecteerde luchtvaartuig veroorzaken. Mogelijke oorzaken van vertraging zijn onder meer twijfels over de correctheid van de vluchtvoorbereiding, de luchtwaardigheid van het luchtvaartuig of andere punten die direct verband houden met de veiligheid van het luchtvaartuig en de inzittenden.
  2. kwalificaties van agenten van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven
  2.1. Met ingang van 1 januari 2009 worden, alle SAFA-platforminspecties op het Belgische grondgebied uitgevoerd door gekwalificeerde agenten van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven.
  2.2. De agenten van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven moeten aan de onderstaande kwalificatiecriteria voldoen.
  2.3. Kwalificatiecriteria
  2.3.1. Geschiktheidscriteria
  De kandidaten voor kwalificatie als agent van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven moeten de nodige luchtvaartopleiding hebben genoten en/of over de nodige praktische kennis beschikken op hun inspectiegebied(en), namelijk :
  a) exploitatie van luchtvaartuigen;
  b) personeelsvergunningen;
  c) luchtwaardigheid van luchtvaartuigen;
  d) gevaarlijke goederen.
  2.3.2. Opleidingseisen
  Voorafgaand aan de kwalificatie moeten kandidaten met succes een opleiding hebben voltooid die bestaat uit :
  - een theoretische opleiding die gegeven wordt door een SAFA-opleidingsorganisatie, zoals gedefinieerd in punt 2.4;
  - een praktische opleiding die gegeven wordt door een SAFA-opleidingsorganisatie, zoals gedefinieerd in punt 2.4, of door een inspecteur van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven die is aangeduid door de hoofdinspecteur of de adjunct-hoofdinspecteur van luchtvaartinspectie, zoals bepaald in punt 2.5, en die onafhankelijk van een SAFA-opleidingsorganisatie optreedt;
  - een opleiding op de werkplek, die tijdens een reeks inspecties wordt gegeven door een inspecteur van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven die is aangeduid door de hoofdinspecteur of de adjunct-hoofdinspecteur van luchtvaartinspectie, zoals bepaald in punt 2.5.
  2.3.3. Eisen voor het behoud van de geldigheid van de kwalificatie
  De geldigheid van de kwalificatie van agenten van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven wordt behouden door :
  a) het volgen van periodieke opleidingen, bestaande uit een theoretische opleiding die wordt gegeven door een SAFA-opleidingsorganisatie, zoals gedefinieerd in punt 2.4;
  b) het uitvoeren van een minimumaantal platforminspecties tijdens elke periode van twaalf maanden na de laatste SAFA-opleiding, behalve voor de agenten van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven die ook gekwalificeerde vluchtexploitatie- of luchtwaardigheids-inspecteurs zijn en regelmatig worden betrokken bij de uitvoering van inspecties van luchtvaartuigen van binnenlandse exploitanten.
  2.4. SAFA-opleidingsorganisaties
  2.4.1. Een SAFA-opleidingsorganisatie kan deel uitmaken van het Directoraat-generaal Luchtvaart of kan een organisatie van een derde partij zijn.
  Een organisatie van een derde partij is :
  - een onderdeel van een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat;
  - een onafhankelijke entiteit.
  2.4.2. De in de punten 2.3.2 en 2.3.3, onder a), vermelde opleidingen, die door het Directoraat-generaal Luchtvaart worden gegeven moeten, minstens in overeenstemming zijn met de relevante door het EASA opgestelde en gepubliceerde syllabi.
  2.4.3. De hoofdinspecteur van luchtvaartinspectie die een beroep doet op een organisatie van een derde partij om SAFA-opleidingen te geven, stelt een systeem voor de evaluatie van deze organisaties op. Dit systeem moet eenvoudig, transparant en proportioneel zijn en rekening houden met relevant begeleidend materiaal dat door het EASA is opgesteld en gepubliceerd. In een dergelijk systeem mag rekening worden gehouden met evaluaties die door andere lidstaten van de Europese Unie zijn uitgevoerd.
  2.4.4. De hoofdinspecteur van luchtvaartinspectie mag enkel een beroep doen op een opleidingsorganisatie van een derde partij als uit de evaluatie blijkt dat de opleiding zal worden verstrekt overeenkomstig de relevante door het EASA opgestelde en gepubliceerde syllabi.
  2.4.5. De opleidingsprogramma's en/of hun systemen voor de evaluatie van opleidingsorganisaties van derde partijen moeten worden gewijzigd in het licht van de aanbevelingen die eventueel voortvloeien uit normaliseringsaudits die door het EASA worden uitgevoerd overeenkomstig de werkmethoden van Verordening (EG) nr. 736/2006 van de Commissie.
  2.4.6. De hoofdinspecteur van luchtvaartinspectie kan het EASA verzoeken om een opleidingsorganisatie te evalueren en advies uit te brengen waarop hij zijn eigen evaluatie kan baseren.
  2.5. Inspecteurs van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven
  2.5.1. De hoofdinspecteur en adjunct-hoofdinspecteur van luchtvaartinspectie mogen inspecteurs van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven aanstellen mits deze voldoen aan de volgende kwalificatiecriteria :
  - de functies van gekwalificeerd agent van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven uitgeoefend hebben tijdens de drie jaar voorafgaand aan zijn aanstelling als inspecteur van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven;
  - minstens 36 SAFA-inspecties hebben uitgevoerd tijdens de drie jaar voorafgaand aan zijn aanstelling als inspecteur van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven.
  2.5.2. De door de inspecteurs van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven verstrekte praktische opleiding en/of opleiding op de werkplek moet gebaseerd zijn op de relevante door het EASA opgestelde en gepubliceerde syllabi.
  2.5.3. De hoofdinspecteur en adjunct-hoofdinspecteur van luchtvaartinspectie mogen de inspecteurs van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven ook belasten met het verstrekken van praktische opleiding en/of opleiding op de werkplek aan onderdanen van andere lidstaten van de Europese Unie.
  2.6. Overgangsmaatregelen
  2.6.1. De agenten van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven die op 20 oktober 2008 voldoen aan de geschiktheidscriteria van punt 2.3.1 en het in punt 2.3.3, onder b), vastgestelde criterium inzake recente ervaring, worden als gekwalificeerde agenten van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven beschouwd.
  2.6.2. Onverminderd de bepalingen van punt 2.3.3, onder a), moeten agenten van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven die overeenkomstig punt 2.6.1 als gekwalificeerd worden beschouwd, vˇˇr 1 juli 2010 en daarna zoals bepaald in punt 2.3.3, onder a), periodieke opleiding volgen die progressief wordt verstrekt door een SAFA-opleidingsorganisatie.
  3. NORMEN
  3.1. De ICAO-normen en de ICAO European Regional Supplementary Procedures zijn de maatstaf waaraan de luchtvaartuigen en exploitanten worden getoetst in het kader van het SAFA-programma van de EG. Bovendien wordt tijdens de inspectie de technische staat van een luchtvaartuig ook getoetst aan de normen van de fabrikant van het luchtvaartuig.
  4. INSPECTIEPROCES
  Punten van de checklist
  4.1. De te inspecteren punten worden geselecteerd uit de punten vermeld op de checklist bij het verslag van een SAFA-platforminspectie, bedoeld in aanhangsel 1.
  4.2. Na afloop van de inspectie worden de eventuele daaruit voortvloeiende bevindingen vermeld in het verslag van de SAFA-platforminspectie.
  Gedetailleerde SAFA-richtsnoeren
  4.3. De agenten van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven volgen de gedetailleerde SAFA richtsnoeren van het EASA op voor elk inspectiepunt op de checklist van het verslag van een SAFA-platforminspectie.
  Het opslaan van de verslagen in de centrale SAFA-gegevensbank.
  4.4. Een verslag van een inspectie wordt zo snel mogelijk in de centrale SAFA-gegevensbank opgeslagen, en in geen geval later dan vijftien werkdagen na de datum van de inspectie, zelfs wanneer geen bevindingen zijn vastgesteld.
  5. CATEGORISERING VAN BEVINDINGEN
  5.1. Voor elk inspectiepunt worden drie categorieŰn mogelijke afwijkingen van de in punt 3.1 vastgestelde relevante normen als bevindingen gedefinieerd. Dergelijke bevindingen worden als volgt gecategoriseerd :
  - bevinding van categorie 1 : bevinding die een geringe invloed heeft op de veiligheid;
  - bevinding van categorie 2 : bevinding die een aanzienlijke invloed heeft op de veiligheid;
  - bevinding van categorie 3 : bevinding die een grote invloed heeft op de veiligheid.
  6. TE NEMEN FOLLOW-UPMAATREGELEN
  6.1. Onverminderd punt 1.2 moet een bewijs van inspectie met minstens de in aanhangsel 2 vermelde punten worden ingevuld; een kopie daarvan moet na voltooiing van de SAFA-inspectie worden overhandigd aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig of, als deze niet aanwezig is, aan een lid van de bemanning of aan de hoogste aanwezige vertegenwoordiger van de exploitant die in of in de omgeving van het luchtvaartuig aanwezig is. Van de ontvanger wordt een ondertekende bevestiging van ontvangst van het bewijs van inspectie gevraagd; deze ontvangstbevestiging wordt bijgehouden door de inspecteur. Als de ontvanger weigert de ontvangstbevestiging te tekenen, wordt hier melding van gemaakt in het document.
  6.2. Op basis van de wijze waarop de bevindingen zijn gecategoriseerd, zijn bepaalde follow-upmaatregelen gedefinieerd.
  6.3. Maatregel van klasse 1 : Deze maatregel bestaat uit het verstrekken van informatie over de resultaten van de SAFA-platforminspectie aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig of, als deze niet aanwezig is, aan een ander bemanningslid of aan de hoogste aanwezige vertegenwoordiger van de exploitant. Deze maatregel bestaat uit een verbale kennisgeving en uit de afgifte van het bewijs van inspectie. Na iedere inspectie wordt een maatregel van klasse 1 ondernomen, ongeacht het feit of bevindingen zijn vastgesteld of niet.
  6.4. Maatregel van klasse 2 : deze maatregel bestaat uit :
  1) een schriftelijke mededeling aan de betrokken exploitant en een verzoek om aan te tonen dat corrigerende maatregelen zijn genomen;
  2) een schriftelijke mededeling aan het verantwoordelijke land (het land van de exploitant en/of het land van registratie) met de resultaten van de inspecties van luchtvaartuigen waarvan de exploitatie onder het veiligheidstoezicht van het betrokken land valt. De mededeling bevat, indien nodig, een verzoek om te bevestigen dat zij tevreden zijn met de onder 1) vermelde corrigerende maatregelen.
  De hoofdinspecteur van luchtvaartinspectie dient maandelijks bij het EASA een verslag in over de status van de follow-upmaatregelen die naar aanleiding van de platforminspecties werden ondernomen.
  Een maatregel van klasse 2 wordt ondernomen na inspecties waarbij bevindingen van categorie 2 of 3 zijn vastgesteld.
  6.5. Maatregelen van klasse 3 : Een maatregel van klasse 3 wordt ondernomen na een inspectie waarbij een bevinding van categorie 3 is vastgesteld. Gezien het belang van bevindingen van klasse 3 (hun mogelijke invloed op de veiligheid van het luchtvaartuig en de inzittenden) wordt deze klasse ingedeeld in de volgende subklassen :
  1) Klasse 3a - Beperking van de exploitatie van het luchtvaartuig : de agent van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven die de platforminspectie uitvoert, concludeert dat het luchtvaartuig, ingevolge tekortkomingen die tijdens de inspectie zijn vastgesteld, alleen mag vertrekken onder bepaalde beperkende voorwaarden;
  2) Klasse 3b - Corrigerende maatregelen vˇˇr de vlucht : tijdens de platforminspectie zijn tekortkomingen vastgesteld; vˇˇr de geplande vlucht mag plaatsvinden, moeten ÚÚn of meerdere corrigerende maatregelen worden genomen;
  3) Klasse 3c - Het luchtvaartuig wordt aan de grond gehouden door de agent van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven die de inspectie uitvoert : wanneer tekortkomingen van categorie 3 (belangrijk) zijn vastgesteld, kan de agent van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven die de platforminspectie heeft uitgevoerd, het luchtvaartuig aan de grond houden wanneer zij er niet van overtuigd is dat de exploitant van het luchtvaartuig corrigerende maatregelen zal nemen om de tekortkomingen te verhelpen vˇˇr het vertrek van de vlucht, waardoor een acuut veiligheidsgevaar ontstaat voor het luchtvaartuig en de inzittenden. In dergelijke gevallen houdt de agent van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven die de platforminspectie uitvoert het luchtvaartuig aan de grond tot de tekortkomingen zijn verholpen. De agent van luchtvaartinspectie met bevoegdverklaring specifieke luchtvaartmisdrijven die de platforminspectie uitvoert stelt de bevoegde autoriteiten van de betrokken exploitant en van het land van registratie van het luchtvaartuig onmiddellijk in kennis.
  Maatregelen die worden ondernomen in het kader van punten 2) en 3) kunnen onder meer betrekking hebben op een niet-commerciŰle terugvlucht naar de luchthaven van onderhoud;
  4) Klasse 3d - Onmiddellijk exploitatieverbod : naar aanleiding van een duidelijk gevaar voor de veiligheid kan de hoofdinspecteur van luchtvaartinspectie een exploitatieverbod opleggen, zoals bepaald in de toepasselijke nationale en communautaire wetgeving.
  (Aanhangsel 1 niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 10-11-2008, p. 58998-59000).
  (Aanhangsel 2 niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 10-11-2008, p. 59001).

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der luchtvaart, inzonderheid op artikel 5 gewijzigd bij de wet van 2 januari 2001;
   Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn;
   Gelet op het advies van de Raad van State nr. 38.875/4, gegeven op 19 oktober 2005;
   Op de voordracht van Onze Minister van Mobiliteit,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-11-2008 GEPUBL. OP 10-11-2008
    (GEWIJZIGD ART. : N2)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie