J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 65 uitvoeringbesluiten 15 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/decreet/2005/12/09/2005036605/justel

Titel
9 DECEMBER 2005. - Provinciedecreet.
(NOTA : art. 39 en 57 gewijzigd in de toekomst door DVR 2016-05-13/17, art. 21 en 22, ; Inwerkingtreding : 01-01-2019)
(NOTA 1 : art. 99 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR 2016-06-03/04, art. 37, 014; Inwerkingtreding : onbepaald)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-12-2005 en tekstbijwerking tot 13-12-2016) Zie wijziging(en)

Bron : VLAAMSE GEMEENSCHAP
Publicatie : 29-12-2005 nummer :   2005036605 bladzijde : 56891   BEELD
Dossiernummer : 2005-12-09/35
Inwerkingtreding : 05-09-2006 (ART. 13)    ***    05-09-2006 (Art.261,9°)    ***    29-12-2005 (ART. 62)    ***    01-07-2009 (Art.148)    ***    01-12-2006 A262    ***    05-09-2006 (Art.261,2°-Art.261,4°)    ***    14-07-2006 (ART. 261,45$)    ***    05-09-2006 (Art.261,48°)    ***    01-01-2006 (ART. 184 - ART. 187)    ***    05-09-2006 (Art.38)    ***    05-09-2006 (Art.44-Art.45)    ***    29-12-2005 (ART. 264)    ***    01-07-2009 (Art.150-151)    ***    01-01-2006 (ART. 259)    ***    01-01-2006 (ART. 98 - ART. 113)    ***    01-07-2009 (Art.261,67°)    ***    14-07-2006 (ART. 44,§1)    ***    01-01-2006 (ART. 1 - ART. 5)    ***    01-01-2006 (ART. 241 - ART. 253)    ***    05-09-2006 (ART. 11)    ***    onbepaald (ART. (268))    ***    onbepaald A262    ***    05-09-2006 (ART. 7 - ART. 9)

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen.
Art. 1-4
TITEL II. - Het provinciebestuur.
HOOFDSTUK I. - De provincieraad.
Afdeling I. - De organisatie van de provincieraad.
Art. 5-18
Afdeling II. - De werking van de provincieraad.
Art. 19-41
Afdeling III. - De bevoegdheden van de provincieraad.
Art. 42-43
HOOFDSTUK II. - De deputatie.
Afdeling I. - De inrichting van de deputatie.
Art. 44-47, 47bis, 48-50
Afdeling II. - De werking van de deputatie.
Art. 51-56
Afdeling III. - De bevoegdheden van de deputatie.
Art. 57-58
HOOFDSTUK III. - De provinciegouverneur.
Afdeling I. - De benoeming van de provinciegouverneur.
Art. 59-62
Afdeling II. - De bevoegdheden van de provinciegouverneur.
Art. 63-65
HOOFDSTUK IV. - De arrondissementscommissarissen.
Art. 66
HOOFDSTUK V. - Rechtspositie, tucht en aansprakelijkheid.
Afdeling I. - Rechtspositie.
Art. 67-68, 68bis
Afdeling II. - Tucht.
Art. 69
Afdeling III. - Aansprakelijkheid.
Art. 70-72
Afdeling IV [1 Mandatendatabank]1
Art. 72bis
HOOFDSTUK VI. - De provinciale diensten.
Afdeling I. - Algemene bepaling.
Art. 73
Afdeling II. - De provinciegriffier, de financieel beheerder en het managementteam.
Onderafdeling I. - Gemeenschappelijke belangen.
Art. 74-82
Onderafdeling II. - De provinciegriffier.
Art. 83-88
Onderafdeling III. - De financieel beheerder.
Art. 89-91
Onderafdeling IV. - Het managementteam.
Art. 92-94
Afdeling III. - Interne controle.
Art. 95-97
TITEL III. - Personeel.
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
Art. 98
HOOFDSTUK II. - De personeelsformatie.
Art. 99
HOOFDSTUK III. - De rechtspositie van het personeel.
Afdeling I. - Algemene bepaling.
Art. 100, 100bis
Afdeling II. - De rechtspositieregeling.
Art. 101
Afdeling III. - [1 Eedaflegging van het personeel]1
Art. 102
Afdeling IV. - Deontologische rechten en plichten.
Art. 103-108
Afdeling V. - De evaluatie van het personeel.
Art. 109-111
HOOFDSTUK IV. - Verdere uitvoeringsmaatregelen.
Art. 112, 112bis
HOOFDSTUK V. - Bijzondere bepalingen betreffende het bestuurlijk toezicht.
Art. 113
HOOFDSTUK VI. - Tucht.
Afdeling I. - Toepassingsgebied.
Art. 114
Afdeling II. - De tuchtvergrijpen.
Art. 115
Afdeling III. - De tuchtstraffen.
Art. 116-118
Afdeling IV. - De tuchtoverheid.
Art. 119
Afdeling V. - De tuchtprocedure.
Art. 120-125
Afdeling VI. - De verjaring van de tuchtvordering.
Art. 126
Afdeling VII. - De preventieve schorsing.
Art. 127-132
Afdeling VIII. - Beroep.
Art. 133-139
Afdeling IX. - De doorhaling van de tuchtstraf.
Art. 140
TITEL IV. - Planning en financieel beheer.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
Art. 141
HOOFDSTUK II. - Strategische meerjarenplanning.
Art. 142-143
HOOFDSTUK III. - Het budget.
Art. 144-153
HOOFDSTUK IV. - Uitvoering van het budget, budgethouderschap en beheer van de middelen.
Afdeling I. - Budgethouderschap.
Art. 154-158
Afdeling II. - Uitvoering van de betalingen, inning van de ontvangsten en beheer van de kasmiddelen.
Art. 159
HOOFDSTUK V. - Boekhouding, financiële rapportering en kascontrole.
Art. 160-166
HOOFDSTUK VI. - Inventaris, jaarrekening en kwijting.
Art. 167-171
HOOFDSTUK VII. - Bijzondere bepalingen betreffende het bestuurlijk toezicht.
Art. 172-174, 174bis
HOOFDSTUK VIII. - Nadere uitwerking door de Vlaamse Regering.
Art. 175
TITEL V. - Bepalingen over de werking van de provincie.
HOOFDSTUK I. - Akten van de provincie.
Afdeling I. - Opmaken en ondertekenen van akten.
Art. 176-179
Afdeling II. - Bekendmaking en inwerkingtreding.
Art. 180-181
Afdeling III. - Wijze van kennisgeving.
Art. 182
Afdeling IV. - Briefwisseling aan de provincie.
Art. 183
HOOFDSTUK II. - Wijze van berekening van termijnen.
Art. 184
HOOFDSTUK III. - Afwijking van het domeinrecht.
Art. 185
HOOFDSTUK IIIbis. [1 - Aanstellen van landmeters-experten]1
Art. 185bis, 185ter, 185quater
HOOFDSTUK IV. - Optreden in rechte.
Art. 186-187
HOOFDSTUK V. - Deelname van de provincies aan rechtspersonen.
Art. 188
HOOFDSTUK VI. - Contracten tussen provincies.
Art. 189
TITEL VI. - Participatie van de burger.
HOOFDSTUK I. - Klachtenbehandeling.
Art. 190-191
HOOFDSTUK II. - Inspraak.
Art. 192-193
HOOFDSTUK IIbis. [ - Voorstellen van burgers] <Ingevoegd bij DVR 2006-06-02/46, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Art. 193bis, 193ter, 193quater, 193quinquies
HOOFDSTUK III. - [1 Verzoekschriften aan de organen van de provincie]1
Art. 194-197
HOOFDSTUK IV. - De provinciale volksraadpleging.
Art. 198-205, 205bis, 206-211, 211bis, 212-214
TITEL VII. - De provinciale verzelfstandigde agentschappen.
HOOFDSTUK I. - De provinciale intern verzelfstandigde agentschappen.
Art. 215-218
HOOFDSTUK II. - De provinciale extern verzelfstandigde agentschappen.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Art. 219-224
Afdeling II. - Het autonoom provinciebedrijf.
Art. 225-236, 236bis, 236ter, 236quater, 237
Afdeling III. - Het provinciale extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm.
Art. 238-240, 240bis
TITEL VIII. - Bestuurlijk toezicht en externe audit.
HOOFDSTUK I. - Bestuurlijk toezicht.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Art. 241-244
Afdeling II. - Algemeen bestuurlijk toezicht.
Art. 245-252
Afdeling III. - Dwangtoezicht.
Art. 253
HOOFDSTUK II. - Externe audit.
Art. 254-258
TITEL IX. - Diverse bepalingen.
HOOFDSTUK I. - Schrijfwijze van de naam van de provincie.
Art. 259
HOOFDSTUK II. - Wijziging van grenzen.
Art. 260
TITEL X. - Slotbepalingen.
HOOFDSTUK I. - Opheffingsbepalingen.
Art. 261-262
HOOFDSTUK II. - Overgangsbepalingen.
Afdeling I. - Overgangsbepalingen inzake de provinciale diensten en het personeel.
Art. 263-264
Afdeling II. - Overgangsbepalingen voor de provinciale financiën.
Art. 265
Afdeling III. - Overgangsbepalingen voor de provinciale externe verzelfstandiging.
Art. 266
Afdeling IV. - Overgangsbepalingen voor het bestuurlijk toezicht.
Art. 267
HOOFDSTUK III. - Inwerkingtreding.
Art. 268
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen.

  Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.

  Art. 2.De provincies zijn het intermediair beleidsniveau tussen het Vlaamse en het gemeentelijke niveau. De provincies beogen om op het provinciale niveau bij te dragen tot het welzijn van de burgers en tot de duurzame ontwikkeling van het provinciale gebied.
  Overeenkomstig artikel 41 van de gecoördineerde Grondwet zijn ze bevoegd voor de regeling van de provinciale belangen. Tot die provinciale belangen behoren met name :
  1° de bovenlokale taakbehartiging. Een taakbehartiging is bovenlokaal als ze aangelegenheden van lokaal gemeentelijk belang overstijgt, voorzover ze streekgericht blijft en gericht is op realisaties binnen de grenzen van het grondgebied van de provincie;
  2° ondersteunende taken op verzoek van andere overheden;
  3° het nemen van initiatieven met het oog op gebiedsgerichte samenwerking tussen besturen in een regio, met inbegrip van samenwerkingsverbanden met of zonder rechtspersoonlijkheid, binnen de grenzen vastgelegd door de Vlaamse Regering, zonder afbreuk te doen aan het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking.
  Overeenkomstig artikel 6, § 1, VIII, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 46 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, oefenen de provincies ook de bevoegdheden uit die hen door of krachtens de wet of het decreet zijn toevertrouwd.
  Enkel als dat bij decreet uitdrukkelijk is bepaald, kunnen de provincies de medewerking van de gemeenten regelen.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
   Art. 2. [1 § 1. De provincies zijn het intermediair beleidsniveau tussen het Vlaamse en het gemeentelijke niveau. De provincies beogen om op het provinciale niveau bij te dragen tot de duurzame ontwikkeling van het provinciale gebied.
   § 2. Overeenkomstig artikel 41 van de gecoördineerde Grondwet zijn de provincies bevoegd voor de regeling van de provinciale belangen. Tot die provinciale belangen behoren met name :
   1° de bovenlokale taakbehartiging. Een taakbehartiging is bovenlokaal als ze aangelegenheden van lokaal gemeentelijk belang overstijgt, voor zover ze streekgericht blijft en gericht is op realisaties binnen de grenzen van het grondgebied van de provincie;
   2° ondersteunende taken op verzoek van andere overheden;
   3° het nemen van initiatieven met het oog op gebiedsgerichte samenwerking tussen besturen in een regio, met inbegrip van samenwerkingsverbanden met of zonder rechtspersoonlijkheid, binnen de grenzen, vastgelegd door de Vlaamse Regering, zonder afbreuk te doen aan het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking.
   Alleen als dat bij decreet uitdrukkelijk is bepaald, kunnen de provincies de medewerking van de gemeenten regelen.
   § 3. Inzake de aangelegenheden vermeld in de artikelen 4 en 5 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen oefenen de provincies slechts de bevoegdheden en taken uit indien en voor zover hen die door of krachtens de wet of het decreet zijn toevertrouwd.
   Voor zover dit bij decreet is bepaald, oefenen de provincies deze bevoegdheden uit overeenkomstig de bepalingen opgenomen in een bestuursakkoord afgesloten tussen de Vlaamse Regering en de provincies. De Vlaamse Regering sluit hiertoe een bestuursakkoord met elk van de vijf provincies. Deze bestuursakkoorden bevatten zowel een algemeen luik, identiek in de vijf bestuursakkoorden, als een specifiek luik, afgestemd op de betrokken provincie.
   De bestuursakkoorden worden gesloten voor een periode van zes jaar. Ze starten op 1 januari van het tweede jaar dat volgt op de provincieraadsverkiezingen en lopen af op 31 december van het jaar na de volgende provincieraadsverkiezingen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten met betrekking tot de inhoud en de procedure voor de opmaak, het afsluiten en de evaluatie van de bestuursakkoorden.]1

  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 3. De provincies verzekeren een burgernabije, democratische, transparante en doelmatige uitoefening van de provinciale bevoegdheden.
  Ze betrekken de inwoners zo veel mogelijk bij het beleid en zorgen voor openheid van bestuur.

  Art. 4. Dit decreet is van toepassing op alle provincies van het Vlaamse Gewest.

  TITEL II. - Het provinciebestuur.

  HOOFDSTUK I. - De provincieraad.

  Afdeling I. - De organisatie van de provincieraad.

  Art. 5.§ 1. [3 De Provincieraad vertegenwoordigt de hele bevolking van de provincie. Hij bestaat, met inbegrip van de leden van de deputatie van de provincieraad die als provincieraadslid werden verkozen, uit :
   1° 63 leden in provincies met minder dan 1 000 000 inwoners;
   2° 72 leden in provincies met 1 000 000 of meer inwoners.]3
  § 2. [2 Uiterlijk op 1 juni van het jaar waarin de provincieraadsverkiezingen zullen plaatsvinden, stelt de Vlaamse Regering een lijst op van het aantal te verkiezen provincieraadsleden per provincie op basis van de bevolkingsaantallen van de provincies. Het inwonertal dat in aanmerking moet worden genomen, is het aantal personen dat ingeschreven is in het rijksregister van de natuurlijke personen die op 1 januari van het jaar van de provincieraadsverkiezingen hun hoofdverblijfplaats in de gemeenten van de desbetreffende provincies hadden.]2
  [1 Het bevolkingsaantal op 1 januari, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, wordt, met behoud van de toepassing van het eerste lid, vanaf 1 januari volgend op de bekendmaking ervan, in aanmerking genomen als bevolkingscijfer in dit decreet.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2011-07-08/24, art. 269, 009; Inwerkingtreding : 04-09-2011>
  (3)<DVR 2011-07-08/25, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 03-12-2012>

  Art. 6.§ 1. De provincieraad wordt om de zes jaar volledig vernieuwd. De leden worden rechtstreeks verkozen. Zij zijn herverkiesbaar. De verkiezingen geschieden per district. Een district bevat één of meer kieskantons [...]. <DVR 2006-06-02/46, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 10-07-2006>
  Ieder district telt zoveel keer een raadslid als de provinciale deler in zijn bevolkingscijfer begrepen is. Die deler wordt verkregen door het bevolkingscijfer van de provincie te delen door het totaal van de toe te kennen zetels. De overblijvende zetels worden toegewezen aan de districten met het grootste nog niet vertegenwoordigde bevolkingsoverschot.
  [2 ...]2 [De verdeling van de raadsleden over de kiesdistricten wordt bij elke volledige vernieuwing van de provincieraden door de Vlaamse Regering voor elk kiesdistrict in overeenstemming gebracht met de bevolking op basis van de bevolkingscijfers, vastgesteld overeenkomstig artikel 5.] <DVR 2006-06-02/46, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 10-07-2006>
  Die lijst wordt uiterlijk vijf maanden voor de volledige vernieuwing van de provincieraden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  § 2. Na een volledige vernieuwing van de provincieraad blijven de uittredende provincieraadsleden in functie tot de geloofsbrieven van de nieuw verkozen provincieraadsleden onderzocht zijn en [1 tot de installatie van de meerderheid van de provincieraadsleden]1 heeft plaatsgehad.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2011-07-08/24, art. 270, 009; Inwerkingtreding : 04-09-2011>

  Art. 7.§ 1. [1 De verkozen provincieraadsleden worden, voor de goede orde, door de provinciegriffier ten minste acht dagen voor de installatievergadering van de provincieraad op de hoogte gebracht van de datum, het uur en de plaats van de installatievergadering.]1
  [1 De installatievergadering van de provincieraad vindt van rechtswege plaats in het provinciehuis, om 10 uur, op de eerste werkdag van de maand december.
   Elke dag van de week, behalve zaterdag, zondag en wettelijke en decretale feestdagen, is een werkdag.]1
   Ingeval bezwaar werd ingediend tegen de verkiezing en als die vervolgens toch geldig werd verklaard, worden de nieuw verkozen raadsleden door de uittredende voorzitter van de provincieraad bijeengeroepen op de installatievergadering binnen tien dagen na de dag waarop de uitslag van de verkiezing definitief is. [1 ...]1
  [Als bezwaar werd ingediend tegen de verkiezing en als die verkiezing vervolgens ongeldig werd verklaard en er een nieuwe verkiezing gehouden moet worden, worden de nieuw verkozen raadsleden door de uittredende voorzitter van de provincieraad bijeengeroepen op de installatievergadering binnen tien dagen na de dag waarop de uitslag van de nieuwe verkiezing definitief is. [1 ...]1
  [1 Als de nieuw verkozen raadsleden niet zijn bijeengeroepen overeenkomstig de voormelde bepalingen, gebeurt de bijeenroeping door een uittredend lid van de deputatie volgens hun rangorde.]1
   Als de installatie van de provincieraad ten gevolge van een wijziging van de zetelverdeling niet van rechtswege kan plaatsvinden overeenkomstig het eerste lid, worden de nieuw verkozen raadsleden bijeengeroepen overeenkomstig [1 het vierde en het zesde lid]1 nadat de zetelverdeling definitief is.] <DVR 2006-06-02/46, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 05-09-2006>
   § 2. De uittredende voorzitter van de provincieraad zit de installatievergadering voor. Hij blijft voorzitter van de provincieraad tot een nieuwe voorzitter verkozen is. Indien de uittredende voorzitter van de provincieraad de installatievergadering niet kan voorzitten, wordt ze voorgezeten door een uittredend lid van de provincieraad dat opnieuw verkozen werd, en dat de hoogste anciënniteit als provincieraadslid bezit of, bij gelijke anciënniteit, door de oudste van hen.
   § 3. De provincieraad onderzoekt de geloofsbrieven van de verkozen provincieraadsleden. De verkozen provincieraadsleden van wie de geloofsbrieven werden goedgekeurd, leggen, vóór ze het mandaat aanvaarden, in openbare vergadering de volgende eed af in handen van de voorzitter van de installatievergadering : " Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen. ". De uittredende voorzitter van de installatievergadering legt, indien hij herkozen is als provincieraadslid, de eed af in handen van het provincieraadslid dat de meeste anciënniteit bezit of bij gelijke anciënniteit, door de oudste van hen.
  [2 Tweede lid opgeheven.]2
   § 4. De verkozen provincieraadsleden worden geacht afstand te hebben gedaan van hun mandaat indien zij :
   1° aanwezig zijn op de installatievergadering en weigeren de eed vermeld in § 3, af te leggen;
   2° afwezig zijn op de installatievergadering en, na een uitdrukkelijke oproep, zonder geldige reden afwezig zijn op de eerste daaropvolgende vergadering.
  [1 § 5. Als de voorzitter van de provincieraad, degene die de voorzitter vervangt of degene die de eed afneemt van de voorzitter, nalaat de eed af te nemen van de verkozen provincieraadsleden op de installatievergadering of, bij vervanging van een lid, na de installatievergadering uiterlijk op de eerstvolgende vergadering van de provincieraad, wordt de eed afgenomen door een gedeputeerde volgens hun rangorde.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 8.§ 1. Op de installatievergadering verkiest de provincieraad een voorzitter onder de provincieraadsleden van Belgische nationaliteit. De voorzitter wordt verkozen op basis van een akte van voordracht van de kandidaat-voorzitter, ondertekend door meer dan de helft van de verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen deelnamen. Om ontvankelijk te zijn moet de akte van voordracht tevens ondertekend zijn door een meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat werden verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-voorzitter voorkomt slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen. Niemand kan meer dan één akte van voordracht ondertekenen. (Overtreding van dit verbod heeft in alle akten van voordracht de ongeldigheid tot gevolg van alle handtekeningen die in strijd met dit voorschrift werden geplaatst.) (Een verkozene die meer dan één akte van voordracht ondertekent, kan voor de duur van de zittingsperiode van de provincieraad niet worden benoemd of verkozen als gedeputeerde, voorzitter van de provincieraad of voorzitter van een commissie en kan de provincie niet vertegenwoordigen of namens de provincie een mandaat bekleden in provinciaal extern verzelfstandigde agentschappen of andere verenigingen, stichtingen of vennootschappen. Indien de betrokken verkozene reeds een dergelijk mandaat bekleedt, vervalt dit van rechtswege voor de duur van de zittingsperiode van de raad.) <DVR 2006-06-02/46, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 05-09-2006> <DVR 2006-12-22/35, art. 15, 1°, 003; Inwerkingtreding : 08-10-2006>
  [1 De akte van voordracht kan tevens de einddatum van het mandaat van de kandidaat-voorzitter vermelden. In dat geval kan op de akte van voordracht de naam vermeld worden van de persoon die hem zal of de personen die hem zullen opvolgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de voorzitter bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de akte van voordracht als opvolger is vermeld. Indien het mandaat eindigt voor de in de akte vermelde einddatum of indien de persoon die in de akte van voordracht werd vermeld als zijnde de persoon die de voorzitter zou opvolgen, zijn mandaat niet opneemt, neemt de eerstvolgende opvolger vervroegd het mandaat op. Als de persoon die als laatste opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen, wordt tot vervanging overgegaan overeenkomstig § 4.]1
  De akte wordt uiterlijk acht dagen voor de installatievergadering van de provincieraad aan de provinciegriffier overhandigd.
  § 2. Nadat de provincieraadsleden de eed hebben afgelegd, overhandigt de provinciegriffier de akte van voordracht van de kandidaat-voorzitter aan de voorzitter van de installatievergadering.
  De voorzitter van de installatievergadering gaat na of de akte van voordracht ontvankelijk is overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in § 1. Alleen de handtekeningen van de provincieraadsleden die de eed hebben afgelegd, worden hiervoor in aanmerking genomen, met inbegrip van de handtekeningen van de opvolgers die de akte van voordracht hebben ondertekend en die nadien als provincieraadslid de eed hebben afgelegd. In voorkomend geval wordt de voorgedragen kandidaat-voorzitter verkozen verklaard.
  § 3. Als geen ontvankelijke akte van voordracht van kandidaat-voorzitter aan de voorzitter van de installatievergadering wordt overhandigd, gaat de provincieraad binnen veertien dagen over tot verkiezing van een voorzitter.
  De provincieraadsleden kunnen hiertoe uiterlijk drie dagen voor de eerstvolgende vergadering van de provincieraad een gedagtekende akte van voordracht bezorgen aan de provinciegriffier.
  Om ontvankelijk te zijn moet de akte van voordracht ten minste ondertekend zijn door een meerderheid van de personen, verkozen op de lijsten met hetzelfde letterwoord. Als de lijst waarop de kandidaat-voorzitter voorkomt slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen. Onverminderd § 1 kan elk provincieraadslid slechts één akte van voordracht ondertekenen. (Overtreding van dit verbod heeft in alle akten van voordracht de ongeldigheid tot gevolg van alle handtekeningen die in strijd met dit voorschrift werden geplaatst. De sanctie vermeld in § 1 ten aanzien van de verkozene die meer dan één akte van voordracht ondertekent, is eveneens van toepassing. [1 De akte van voordracht kan tevens de einddatum van het mandaat van de kandidaat-voorzitter vermelden. In dat geval kan op de akte van voordracht de naam vermeld worden van de persoon die hem zal of de personen die hem zullen opvolgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de voorzitter bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de akte van voordracht als opvolger is vermeld. Indien het mandaat eindigt voor de in de akte vermelde einddatum of indien de persoon die in de akte van voordracht werd vermeld als zijnde de persoon die de voorzitter zou opvolgen, zijn mandaat niet opneemt, neemt de eerstvolgende opvolger vervroegd het mandaat op. Als de persoon die als laatste opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen, wordt tot vervanging overgegaan overeenkomstig § 4.]1 ) <DVR 2006-12-22/35, art. 15, 3°, 003; Inwerkingtreding : 08-10-2006>
  De verkiezing gebeurt bij geheime stemming.
  De kandidaat die de volstrekte meerderheid van de stemmen heeft behaald, is verkozen tot voorzitter van de provincieraad.
  Als geen enkele kandidaat de volstrekte meerderheid van de stemmen heeft behaald en als meerdere kandidaten werden voorgedragen voor het vacante mandaat, vindt een tweede stemronde plaats, waarin wordt gestemd op de twee kandidaten die in de eerste stemronde de meeste stemmen hebben behaald. Bij staking van stemmen in de eerste stemronde komt de kandidaat die bij de provincieraadsverkiezingen procentueel de meeste naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving heeft behaald, in aanmerking voor de tweede stemronde. De kandidaat die in de tweede stemronde de meerderheid van de stemmen heeft behaald, is verkozen tot voorzitter. Bij staking van stemmen [1 in de tweede stemronde]1 is de kandidaat die bij de provincieraadsverkiezingen procentueel de meeste naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving heeft behaald, verkozen tot voorzitter. Als de naamstemmen bepalend zijn en de kandidaten een gelijk aantal naamstemmen hebben behaald, is de voorgedragen kandidaat verkozen van wie de lijst bij de provincieraadsverkiezingen procentueel de meeste stemmen in de kiesomschrijving heeft behaald.
  § 4. Als de voorzitter het mandaat niet aanvaardt, van zijn mandaat van provincieraadslid vervallen wordt verklaard, als verhinderd wordt beschouwd [2 ...]2 ontslag genomen heeft of overleden is, wordt tot een nieuwe verkiezing van voorzitter overgegaan op de eerstvolgende vergadering van de provincieraad, overeenkomstig § 1 tot en met § 3. Tot aan de nieuwe verkiezing wordt het voorzitterschap waargenomen overeenkomstig het tweede lid.
  [1 Als de voorzitter om een andere reden dan de redenen, vermeld in het eerste lid, tijdelijk afwezig is, of als hij bij een welbepaalde aangelegenheid betrokken partij is overeenkomstig artikel 27, neemt de ondervoorzitter het voorzitterschap waar.]1
  [2 De voorzitter die als verhinderd wordt beschouwd of die tijdelijk afwezig is, wordt vervangen zolang hij verhinderd of tijdelijk afwezig is. De provincieraad neemt akte van de verhindering en van de beëindiging van de periode van verhindering. Als het niet gaat om een door het decreet opgelegde verhindering, dan richt de voorzitter zijn verzoek tot vervanging wegens verhindering aan de provincieraad.]2
  § 5. Na de verkiezing van de voorzitter stelt de raad zijn bureau samen op basis van het huishoudelijk reglement. Het huishoudelijk reglement bepaalt vrij de samenstelling van het bureau, met dien verstande dat er minstens één ondervoorzitter moet gekozen worden en dat de fracties met minstens drie fractieleden alleszins moeten vertegenwoordigd zijn.
  § 6. [2 ...]2.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 9. Een verkozen provincieraadslid dat voor zijn installatie afstand wil doen van zijn mandaat, brengt de [1 voorzitter van de provincieraad]1 daarvan schriftelijk op de hoogte. De afstand wordt definitief zodra de provincieraad er kennis van heeft genomen.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 10.§ 1. [2 Het provincieraadslid dat tijdens zijn mandaat niet meer voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden, wordt door de provincieraad, nadat het raadslid is gehoord, vervallen verklaard tenzij het provincieraadslid onmiddellijk ontslag neemt overeenkomstig artikel 15.]2
  De voorzitter van de provincieraad brengt [1 de Raad voor Verkiezingsbetwistingen]1 evenals de betrokkene, [1 met een brief die afgegeven wordt]1 tegen ontvangstbewijs onmiddellijk op de hoogte van feiten die het verval van mandaat met zich kunnen meebrengen. Als de provincieraad niet optreedt binnen twee maanden nadat hij kennis heeft van de feiten die verval met zich kunnen meebrengen, treedt het rechtscollege, vermeld in artikel 13, in zijn plaats op, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een provincieraadslid of van het openbaar ministerie. De provincieraad wordt geacht kennis te hebben van de feiten die verval met zich kunnen meebrengen, hetzij vanaf de ontvangst van een bezwaar van een ander provincieraadslid of van het openbaar ministerie, hetzij vanaf de verzending van de kennisgeving door de voorzitter aan het rechtscollege, vermeld in artikel 13.
  § 2. De vervallenverklaring heeft pas gevolg vanaf de kennisgeving [1 aan het provincieraadslid]1 van de uitspraak van het verval door de provincieraad of [1 de Raad voor Verkiezingsbetwistingen]1 . Ze tast de geldigheid van de eerdere beslissingen van de provincieraad niet aan.
  § 3. [2 Als de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving, na de vervallenverklaring zijn mandaat blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro.]2
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 7, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 5, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 11.De volgende personen kunnen geen deel uitmaken van een provincieraad :
  1° de federale, Vlaamse of Europese parlementsleden en leden van de Vlaamse Regering, de federale regering of van de Europese Commissie;
  2° de provinciegouverneurs, de gouverneur en de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, de arrondissementscommissarissen en de adjunct-arrondissementscommissarissen voorzover hun ambtsgebied gelegen is in de provincie in kwestie;
  3° de magistraten, de plaatsvervangende magistraten en de griffiers bij de hoven en de rechtbanken, de administratieve rechtscolleges en het [1 Grondwettelijk Hof]1 ;
  4° de personeelsleden van de provincie in kwestie of van de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen van de provincie;
  5° de personen die in een intermediair beleidsniveau van een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of een mandaat uitoefenen dat gelijkwaardig is aan dat van provincieraadslid, voorzitter van de provincieraad, gedeputeerde of provinciegouverneur;
  6° [2 bloedverwanten tot en met de tweede graad, aanverwanten in de eerste graad]2 of echtgenoten in de provincieraad van eenzelfde provincie.
  Worden bloed- of aanverwanten [2 in een graad zoals vermeld in het eerste lid, 6°]2 of twee echtgenoten gekozen bij eenzelfde verkiezing, dan wordt de voorkeur bepaald door de grootte van de quotiënten op grond waarvan de door die kandidaten verkregen zetels aan hun lijst zijn toegekend. [1 Als twee bloed- of aanverwanten in een verboden graad of twee echtgenoten worden gekozen, de ene tot raadslid, de andere tot opvolger, dan geldt het verbod om zitting te nemen alleen voor de opvolger, tenzij de plaats waarvoor hij in aanmerking komt, is opengevallen voor de verkiezing van zijn bloed- of aanverwant of echtgenoot.]1 Tussen opvolgers die voor opengevallen plaatsen in aanmerking komen, wordt de voorrang allereerst bepaald door de tijdsorde van de vacatures. Voor de toepassing van deze bepaling worden personen die een verklaring van wettelijke samenwoning in de zin van artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek hebben afgelegd, met echtgenoten gelijkgesteld.
  Aanverwantschap die later tot stand komt tussen raadsleden, brengt geen verval van hun mandaat mee. Dat geldt niet bij een huwelijk tussen raadsleden en in het geval dat er een verklaring van wettelijke samenwoning in de zin van artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek werd afgelegd. De onverenigbaarheid wordt geacht op te houden door het overlijden van de persoon door wie ze tot stand is gekomen, door echtscheiding of door het beëindigen van de wettelijke samenwoning.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 6, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 12.[1 § 1.]1 Het verkozen provincieraadslid dat zich op het ogenblik van [1 zijn installatie als provincieraadslid]1 in een situatie bevindt die [1 ...]1 onverenigbaar is met het lidmaatschap van de provincieraad, kan de eed niet afleggen, tenzij hij aantoont dat hij ontslag genomen heeft uit de met het mandaat van provincieraadslid onverenigbare functie. Hij wordt bijgevolg geacht afstand te doen van het hem toegekende mandaat.
  § 2. [2 Een provincieraadslid dat tijdens zijn mandaat in een situatie terechtkomt die onverenigbaar is met zijn mandaat en dat binnen vijftien dagen na het tot hem gerichte verzoek van de voorzitter van de provincieraad geen einde maakt aan die situatie, wordt door de provincieraad vervallen verklaard van zijn mandaat, overeenkomstig artikel 10, § 1, tweede lid, § 2 en § 3, nadat het betrokken provincieraadslid is gehoord.]2
  § 3. [2 Als de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving na de vervallenverklaring, zijn mandaat blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro.]2
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 7, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 13.<DVR 2006-12-22/35, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 08-10-2006> Onverminderd de bepalingen van [2 het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011]2 doet [1 de Raad voor Verkiezingsbetwistingen]1 uitspraak over geschillen die rijzen in verband met de afstand, het verval, het ontslag of de verhindering van het mandaat van provincieraadslid, voorzitter van de provincieraad of gedeputeerde, [1 geschillen die rijzen]1 in verband met het goedkeuren van de geloofsbrieven, de eedaflegging, de kennis van de bestuurstaal bepaald in artikel 44, § 4, de verkiezing, benoeming [1 , vervanging]1 en opvolging van de gedeputeerden en de voorzitter van de provincieraad [3 ...]3. [1 De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet eveneens uitspraak over geschillen die rijzen met betrekking tot de voorwaarden waaraan een vertrouwenspersoon als vermeld in artikelen 18 en 68bis moet voldoen, alsmede of het provincieraadslid voldoet aan de voorwaarden om een beroep te kunnen doen op een vertrouwenspersoon.]1
  [1 Tegen de uitspraken van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, is binnen een termijn van acht dagen na de kennisgeving een beroep mogelijk bij de Raad van State. Dat beroep is niet schorsend. De hoofdgriffier van de Raad van State deelt het beroep binnen acht dagen na de ontvangst ervan mee aan de betrokkene en aan de provincie in kwestie. De Raad van State doet uitspraak binnen zestig dagen. Het arrest van de Raad van State wordt door de zorg van de hoofdgriffier onmiddellijk ter kennis gebracht van de betrokkene, de Vlaamse Regering en de provincie.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 10, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>
  (2)<DVR 2011-07-08/24, art. 271, 009; Inwerkingtreding : 04-09-2011>
  (3)<DVR 2012-06-29/11, art. 8, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 14.De provincieraad neemt akte van de verhindering van de volgende personen :
  1° het provincieraadslid dat om medische redenen, om studieredenen of wegens verblijf in het buitenland gedurende een minimale termijn van twaalf weken niet aanwezig kan zijn op de vergaderingen van de provincieraad en vervangen wil worden. Hij richt daartoe een schriftelijk verzoek aan de voorzitter van de provincieraad. Bij het verzoek tot [2 vervanging voor]2 verhindering wegens medische redenen wordt een geneeskundig getuigschrift van maximaal vijftien dagen oud gevoegd, dat tevens de minimale termijn van afwezigheid om medische redenen aangeeft. Als het provincieraadslid dat om medische redenen afwezig blijft, niet in staat is om dat verzoek tot de voorzitter te richten, wordt hij van rechtswege als verhinderd beschouwd vanaf de derde opeenvolgende vergadering waarop hij afwezig is en zolang hij afwezig blijft. Bij het verzoek tot [2 vervanging voor]2 verhindering om studieredenen of verblijf in het buitenland wordt een attest gevoegd van de onderwijsinstelling of opdrachtgever;
  2° [2 het provincieraadslid dat ouderschapsverlof wil nemen voor de geboorte of adoptie van een kind. Dat provincieraadslid wordt op zijn schriftelijke verzoek, gericht aan de voorzitter van de provincieraad, vervangen, op zijn vroegst vanaf de zesde week voor de vermoedelijke datum van de geboorte of van de adoptie, tot het einde van de negende week na de adoptie of geboorte. Op schriftelijk verzoek wordt de onderbreking van de uitoefening van het mandaat na de negende week verlengd met een duur die gelijk is aan die gedurende welke het raadslid zijn mandaat heeft uitgeoefend tijdens de periode van zes weken die aan de dag van de geboorte of de adoptie voorafgaan. In geval van de geboorte of de adoptie van een meerling, kan op verzoek van het provincieraadslid het verlof verlengd worden met een periode van maximaal twee weken.]2
  [1 3° het provincieraadslid dat geschorst is op grond van de overeenkomstige toepassing van [3 artikel 205 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011]3.]1
  [2 3° het provincieraadslid dat omwille van palliatief verlof, of voor verlof voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek familielid tot en met de tweede graad of van een zwaar ziek gezinslid, gedurende minimaal twaalf weken niet aanwezig wenst te zijn op de vergaderingen van de provincieraad en vervangen wil worden. Hij richt daartoe aan de voorzitter van de provincieraad een schriftelijk verzoek, vergezeld van een verklaring op erewoord waarin het raadslid zich bereid verklaart om bijstand of verzorging te verlenen. De naam van de patiënt hoeft niet te worden vermeld.]2
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/17, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 01-06-2009>
  (2)<DVR 2009-04-30/80, art. 11, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>
  (3)<DVR 2011-07-08/24, art. 274, 009; Inwerkingtreding : 01-03-2012>

  Art. 15. [1 Het provincieraadslid dat ontslag wil nemen, deelt dat schriftelijk mee aan de voorzitter van de provincieraad. Het ontslag is definitief na de ontvangst van de kennisgeving door de voorzitter van de provincieraad. Het lid van de provincieraad blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn opvolger is geïnstalleerd, behoudens als het ontslag het gevolg is van een onverenigbaarheid.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>

  Art. 16.Het provincieraadslid dat afstand doet van zijn mandaat, dat van zijn mandaat vervallen wordt verklaard, dat als verhinderd wordt beschouwd, dat ontslag genomen heeft, of dat overleden is, wordt vervangen door zijn opvolger, die wordt aangewezen overeenkomstig [1 het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011]1.
  De geloofsbrieven worden onderzocht overeenkomstig artikel 7, § 3. De eedaflegging gebeurt in openbare vergadering in de handen van de voorzitter van de provincieraad.
  Het provincieraadslid dat als verhinderd wordt beschouwd, wordt vervangen zolang de toestand van verhindering duurt. De provincieraad neemt akte van de beëindiging van de periode van verhindering.
  [2 Vierde lid opgeheven.]2
  ----------
  (1)<DVR 2011-07-08/24, art. 271, 009; Inwerkingtreding : 04-09-2011>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 9, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 17. § 1. De provincieraadsleden ontvangen ten laste van de provincie presentiegeld voor hun aanwezigheid op vergaderingen van de provincieraad. De Vlaamse Regering stelt een lijst op van vergaderingen die voortvloeien uit de mandaatsverplichtingen van de provincieraadsleden waarvoor de provincieraad bij huishoudelijk reglement de hoegrootheid van het presentiegeld en van de verplaatsingsvergoeding bepaalt.
  § 2. De provincieraad bepaalt het bedrag van de presentiegelden binnen de grenzen die vastgelegd zijn door de Vlaamse Regering.
  [1 De provincie vermindert op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt, de presentiegelden van het provincieraadslid dat andere wettelijke of reglementaire bezoldigingen, pensioenen, vergoedingen of toelagen ontvangt, of de provincie vult die vergoeding aan, op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt, met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies dat de betrokkene lijdt, op voorwaarde dat de mandataris daar zelf om verzoekt. De provinciegriffier stelt vast of aan de vereiste voorwaarden is voldaan.]1
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de grenzen waarbinnen de provincieraad kan bepalen welke specifieke kosten die verband houden met de uitoefening van het mandaat van provincieraadslid, voorzitter, bureaulid van de provincieraad en fractie- of commissievoorzitter, voor terugbetaling in aanmerking komen.
  § 4. De provincieraadsleden die hun woonplaats hebben op ten minste vijf kilometer van de plaats van de vergadering, ontvangen een vergoeding wegens reiskosten gelijk aan de prijs van de reis van hun woonplaats naar de zetel van de provincieraad op de lijnen van de openbare vervoerdiensten. Als zij van hun eigen voertuig gebruikmaken, wordt die vergoeding berekend volgens het tarief, vastgesteld op het stuk van de reiskosten toegekend aan het personeel van de provincie.
  De vergoeding voor reiskosten wordt bepaald volgens de dagen aanwezigheid, zoals die is vastgesteld in registers die voor dat doel worden bijgehouden.
  Het bedrag van de vergoeding voor reiskosten wordt door de provincieraad vastgesteld.
  [1 § 5. De provincieraad kent de eretitels toe aan de provincieraadsleden.
   § 6. De provincie sluit een verzekering af om de burgerlijke aansprakelijkheid, met inbegrip van de rechtsbijstand, te dekken die persoonlijk ten laste komt van de provincieraadsleden bij de normale uitoefening van hun mandaat.
   De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van deze bepaling.
   De provincie sluit tevens een verzekering af voor ongevallen van de provincieraadsleden, overkomen in het kader van de normale uitoefening van hun ambt.
   § 7. Behalve in geval van herhaling is de provincie burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe een provincieraadslid wordt veroordeeld wegens een misdrijf, begaan bij de normale uitoefening van zijn ambt, met uitzondering van de persoonlijke inbreuk begaan op de verkeersreglementering.
   De regresvordering van de provincie ten aanzien van de veroordeelde provincieraadsleden is beperkt tot de gevallen van bedrog, zware schuld of lichte schuld die bij hen gewoonlijk voorkomen.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 13, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 18. [1 § 1.]1 Het provincieraadslid dat wegens een handicap niet zelfstandig zijn mandaat kan vervullen, kan zich voor de uitoefening van dat mandaat laten bijstaan door een vertrouwenspersoon, gekozen uit [1 personen die de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die legaal binnen de Europese Unie verblijven, op voorwaarde dat hij]1 zich niet bevindt in een situatie [1 als vermeld in artikel 11, met uitzondering van het verbod in verband met bloed- en aanverwantschap ten aanzien van het lid met een handicap, en een situatie als vermeld in artikel 14]1 .
  [1 § 2.] Voor de toepassing van [1 de eerste paragraaf]1 bepaalt de Vlaamse Regering de criteria tot vaststelling van de hoedanigheid van een provincieraadslid met een handicap.
  [1 § 3.]1 Bij het verlenen van de bijstand krijgt de vertrouwenspersoon dezelfde middelen ter beschikking en heeft hij dezelfde verplichtingen als het provincieraadslid, maar hij is niet gehouden tot de eedaflegging. Hij heeft eveneens recht op presentiegeld en een vergoeding voor reiskosten onder dezelfde voorwaarden als het provincieraadslid.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 14, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>

  Afdeling II. - De werking van de provincieraad.

  Art. 19. De provincieraad vergadert zo dikwijls als de zaken die tot de bevoegdheid ervan behoren het vereisen en ten minste tienmaal per jaar in de hoofdplaats van de provincie, tenzij de provincieraad wegens een buitengewone gebeurtenis door zijn voorzitter in een andere gemeente van de provincie wordt bijeengeroepen.

  Art. 20.De voorzitter van de provincieraad beslist tot bijeenroeping van de provincieraad en stelt de agenda van de vergadering op. De agenda bevat in ieder geval de punten die door de deputatie aan de voorzitter worden meegedeeld.
  [1 De voorzitter is verplicht de provincieraad bijeen te roepen op verzoek van een derde van de zittinghebbende leden of van de deputatie.]1
  [1 De voorzitter is ook verplicht de provincieraad bijeen te roepen op verzoek van een vijfde van de zittinghebbende leden als zes weken na de datum van de vorige provincieraad nog geen bijeenroeping heeft plaatsgevonden. De periode van zes weken wordt geschorst van 11 juli tot en met 15 augustus.
   In geval van een verplichte bijeenroeping als vermeld in het tweede en het derde lid, roept de voorzitter de provincieraad bijeen op de aangewezen dag en het aangewezen uur en met de voorgestelde agenda. Daarvoor bezorgen de provincieraadsleden en de deputatie voor elk punt op die agenda hun voorstel van beslissing met toelichting aan de provinciegriffier, die de voorstellen bezorgt aan de voorzitter van de provincieraad.]1
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 21.Behalve in spoedeisende gevallen en behalve in geval van toepassing van artikel 7, § 1, wordt de oproeping ten minste acht dagen vóór de dag van de vergadering aan het raadslid bezorgd.
  De oproeping vermeldt in elk geval de plaats, de dag, het tijdstip en de agenda van de vergadering en bevat een [1 toegelicht voorstel van beslissing]1 . De agendapunten moeten voldoende duidelijk omschreven zijn. Voor elk agendapunt wordt het dossier dat erop betrekking heeft, ter beschikking van de provincieraadsleden gesteld vanaf de verzending van de agenda.
  Het huishoudelijk reglement bepaalt de wijze waarop de oproeping van de provincieraadsleden wordt verzonden en de wijze waarop het dossier dat op de agenda betrekking heeft, ter beschikking wordt gesteld. [2 Dit huishoudelijk reglement bepaalt in elk geval dat indien een provincieraadslid hierom verzoekt, een dossier elektronisch ter beschikking wordt gesteld.]2
  De provinciegriffier of de door hem aangewezen [1 personeelsleden]1 verstrekken aan de provincieraadsleden die erom verzoeken, technische inlichtingen over stukken die in het dossier voorkomen. Het huishoudelijk reglement bepaalt de wijze waarop die inlichtingen worden verstrekt.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 16, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 11, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 22. Provincieraadsleden en de deputatie kunnen uiterlijk vijf dagen vóór de vergadering punten aan de agenda toevoegen. Hiertoe bezorgen ze hun ^-1 toegelicht voorstel van beslissing]1 aan de provinciegriffier, die de voorstellen bezorgt aan de voorzitter van de provincieraad.
  Van deze mogelijkheid kan geen gebruik gemaakt worden door een individueel lid van de deputatie.
  De provinciegriffier deelt de aanvullende agendapunten zoals vastgesteld door de voorzitter van de provincieraad, samen met de bijbehorende [1 toegelichte voorstellen]1 , onverwijld mee aan de provincieraadsleden.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 17, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>

  Art. 23. § 1. [1 Behalve in spoedeisende gevallen worden plaats, dag, tijdstip en agenda van de vergaderingen van de provincieraad uiterlijk acht dagen voor de vergadering openbaar gemaakt op het provinciehuis, zodat het publiek ervan kan kennisnemen op elk moment. Het huishoudelijk reglement bepaalt de nadere regels over de wijze van openbaarmaking.
   Als agendapunten aan de agenda worden toegevoegd overeenkomstig artikel 22, wordt de aangepaste agenda uiterlijk 24 uur nadat hij is vastgesteld, openbaar gemaakt overeenkomstig het eerste lid. In spoedeisende gevallen wordt de agenda uiterlijk 24 uur nadat hij is vastgesteld, en uiterlijk vóór de aanvang van de vergadering openbaar gemaakt overeenkomstig het eerste lid.]1
  § 2. De provincie is verplicht aan ieder natuurlijke persoon en iedere rechtspersoon of groepering ervan die erom verzoekt, de agenda van de provincieraad en de stukken die erop betrekking hebben, openbaar te maken door er inzage in te verlenen, er uitleg over te verschaffen of er een afschrift van te overhandigen overeenkomstig het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 18, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>

  Art. 24. De voorzitter zit de vergaderingen van de provincieraad voor, en opent en sluit de vergaderingen.

  Art. 25. De voorzitter is belast met de handhaving van de orde in de vergadering. Hij kan, na een voorafgaande waarschuwing, elke toehoorder die openlijk tekens van goedkeuring of van afkeuring geeft of die op enigerlei wijze wanorde veroorzaakt, uit de zaal doen verwijderen.
  De voorzitter kan bovendien een proces-verbaal opmaken tegen die persoon en hem verwijzen naar de politierechtbank, die hem kan veroordelen tot een geldboete van één tot vijftien euro of tot een gevangenisstraf van één dag tot drie dagen, behoudens andere vervolgingen, als het feit daartoe grond oplevert.
  Het huishoudelijk reglement bepaalt de maatregelen die de voorzitter kan nemen tot handhaving van de orde tijdens de vergadering indien een raadslid de orde verstoort.

  Art. 26. De provincieraad kan enkel een besluit nemen als de meerderheid van de zittinghebbende provincieraadsleden aanwezig is.
  [1 De provincieraad kan echter, als hij eenmaal bijeengeroepen is zonder dat het vereiste aantal leden aanwezig is, na een tweede oproeping, ongeacht het aantal aanwezige leden, op geldige wijze beraadslagen of beslissen over de onderwerpen die voor de tweede maal op de agenda voorkomen.
   In die oproeping wordt vermeld dat het om een tweede oproeping gaat. In de tweede oproeping worden de bepalingen van dit artikel overgenomen.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 19, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>

  Art. 27. § 1. Het is voor een provincieraadslid verboden deel te nemen aan de bespreking en de stemming :
  1° over aangelegenheden waarin hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als vertegenwoordiger, of waarbij de echtgenoot, of bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Dat verbod strekt niet verder dan de bloed- en aanverwanten [1 tot en met de tweede graad als het gaat om de voordracht van kandidaten, benoemingen, ontslagen, afzettingen en schorsingen]1 . Voor de toepassing van deze bepaling worden personen die een verklaring van wettelijke samenwoning in de zin van artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek hebben afgelegd, met echtgenoten gelijkgesteld;
  2° over de vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening van een instantie waaraan hij rekenschap verschuldigd is of waarvan hij tot het uitvoerend orgaan behoort.
  Deze bepaling is niet van toepassing op het provincieraadslid dat zich in bovenvermelde omstandigheden bevindt louter op grond van het feit dat hij als vertegenwoordiger van de provincie is aangewezen in andere rechtspersonen.
  § 2. Het is voor een provincieraadslid verboden :
  1° rechtstreeks of onrechtstreeks als advocaat of notaris tegen betaling te werken in geschillen ten behoeve van de provincie. Dat verbod geldt ook ten aanzien van de personen die in het kader van een associatie, groepering, samenwerking of op hetzelfde kantooradres met het provincieraadslid werken;
  2° rechtstreeks of onrechtstreeks als advocaat of notaris te werken in geschillen ten behoeve van de tegenpartij van de provincie of ten behoeve van een personeelslid van de provincie aangaande beslissingen in verband met de tewerkstelling binnen de provincie. Dit verbod geldt ook ten aanzien van de personen die in het kader van een associatie, groepering, samenwerking of op hetzelfde kantooradres met het provincieraadslid werken;
  3° [1 rechtstreeks of onrechtstreeks een overeenkomst te sluiten, behoudens in geval van een schenking aan de provincie of een provinciaal extern verzelfstandigd agentschap, of deel te nemen aan een opdracht voor aanneming van werken, leveringen of diensten, verkoop of aankoop ten behoeve van de provincie of de provinciaal extern verzelfstandigde agentschappen, behoudens in de gevallen waarbij het provincieraadslid een beroep doet op een door de provincie of een provinciaal extern verzelfstandigd agentschap aangeboden dienstverlening en ten gevolge daarvan een overeenkomst aangaat;]1
  4° op te treden als afgevaardigde of deskundige van een vakorganisatie in [1 het bijzonder onderhandelingscomité of het hoog overlegcomité]1 van de provincie.
  § 3. Dit artikel is eveneens van toepassing op de vertrouwenspersoon, vermeld in [1 artikelen 18 en 68bis]1 .
  [1 § 4. Als een provincieraadslid in de situatie verkeert vermeld in § 1, moet dat punt op de vergadering behandeld worden, en kan de vergadering niet gesloten worden voor het punt in kwestie is behandeld of voor beslist is om het punt uit te stellen.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 20, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 28.§ 1. De vergaderingen van de provincieraad zijn openbaar, behalve als :
  1° het om aangelegenheden gaat die de persoonlijke levenssfeer raken. Zodra een dergelijk punt aan de orde is, beveelt de voorzitter de behandeling in besloten vergadering;
  2° de provincieraad met twee derde van de aanwezige leden en op gemotiveerde wijze beslist tot behandeling in besloten vergadering, in het belang van de openbare orde of op grond van ernstige bezwaren tegen de openbaarheid.
  De vergaderingen over [2 ...]2 het meerjarenplan en de aanpassingen ervan, het budget, een budgetwijziging of de jaarrekening zijn in elk geval openbaar.
  § 2. De besloten vergadering kan enkel plaatsvinden na de openbare vergadering, uitgezonderd in tuchtzaken. Als tijdens de openbare vergadering blijkt dat de behandeling van een punt in besloten vergadering moet worden voortgezet, kan de openbare vergadering, enkel met dit doel, worden onderbroken. [1 Als tijdens de besloten vergadering blijkt dat de behandeling van een punt in openbare vergadering moet worden behandeld, wordt dat punt opgenomen op de agenda van de eerstvolgende provincieraad. In geval van dringende noodzakelijkheid van het punt kan de besloten vergadering, enkel met dat doel, worden onderbroken.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 21, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>
  (2)<DVR 2016-06-03/04, art. 28, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  Art. 29.Een punt dat niet op de agenda voorkomt, mag niet in bespreking worden gebracht, behalve in spoedeisende gevallen [1 ...]1.
  Tot spoedbehandeling kan enkel worden besloten door ten minste twee derde van de aanwezige leden. De namen van die leden en de motivering van de spoedeisendheid worden in de notulen vermeld.
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 12, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 30. [1 § 1.]1 De provincieraadsleden hebben het recht van inzage in alle dossiers, stukken en akten die het bestuur van de provincie betreffen alsook in deze die betrekking hebben op aan de deputatie toegewezen taken. De provincieraadsleden kunnen een afschrift verkrijgen van die dossiers, stukken en akten. De vergoeding die eventueel wordt gevraagd voor het afschrift, mag in geen geval meer bedragen dan de kostprijs.
  [1 § 2.]1 De provincieraadsleden mogen alle [1 instellingen]1 en diensten bezoeken die de provincie opricht en beheert.
  [1 § 3.]1 De provincieraad bepaalt bij huishoudelijk reglement de voorwaarden voor het inzagerecht en het recht van afschrift, en de voorwaarden voor het bezoekrecht aan de [1 instellingen en diensten die de provincie opricht en beheert]1 .
  [1 § 4.]1 [1 De provincieraadsleden, alsmede alle andere personen die krachtens de wet of het decreet de besloten vergaderingen van de provincieraad bijwonen, zijn tot geheimhouding verplicht.
   Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van de provincieraadsleden, alsmede van alle andere personen, vermeld in het eerste lid, wegens schending van het beroepsgeheim, overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.]1
  [1 § 5. Het inzagerecht en het bezoekrecht van de provincieraadsleden, als vermeld in § 1, § 2 en § 3, geldt eveneens voor de autonome provinciebedrijven van de provincie.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 22, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>

  Art. 31. De gedeputeerde die buiten de provincieraad is benoemd, is aanwezig op de vergaderingen van de provincieraad. Hij beschikt in de provincieraad enkel over een raadgevende stem.

  Art. 32. De provincieraadsleden hebben het recht aan de deputatie mondelinge en schriftelijke vragen te stellen over het bestuur van de provincie alsook over zaken die betrekking hebben op de aan de deputatie toegewezen taken. Het vraagrecht kan niet uitgeoefend worden als de deputatie optreedt als rechtscollege.
  [1 Een toegelicht voorstel van beslissing, als vermeld in artikelen 20, 21 en 22, is niet vereist voor het stellen van een vraag als vermeld in het eerste lid.]1
  De provinciegouverneur kan bevraagd worden in het kader van de taken die hij behartigt voor de provincie.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 23, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>

  Art. 33. De notulen van de vergadering van de provincieraad worden onder de verantwoordelijkheid van de provinciegriffier opgesteld overeenkomstig artikelen 176 en 177.
  Behalve in spoedeisende gevallen, worden de notulen van de vorige vergadering ten minste acht dagen voor de dag van de vergadering ter beschikking gesteld van de provincieraadsleden. Het huishoudelijk reglement bepaalt de wijze waarop de notulen ter beschikking worden gesteld.
  Elk provincieraadslid heeft het recht tijdens de vergadering opmerkingen te maken over de redactie van de notulen van de vorige vergadering. Als die opmerkingen door de provincieraad worden aangenomen, worden de notulen in die zin aangepast.
  [1 Als er geen opmerkingen worden gemaakt over de notulen van de vorige vergadering, worden de notulen als goedgekeurd beschouwd en worden ze ondertekend door de voorzitter van de provincieraad en de provinciegriffier. In het geval de provincieraad bij spoedeisendheid werd samengeroepen, kan de provincieraad beslissen om opmerkingen toe te laten op de eerstvolgende vergadering.]1
  [1 Telkens als de provincieraad het wenselijk acht, worden de notulen staande de vergadering opgemaakt en door de meerderheid van de provincieraadsleden en de provinciegriffier ondertekend.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 24, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>

  Art. 34. De besluiten worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen. Onder volstrekte meerderheid van stemmen wordt verstaan, meer dan de helft van de uitgebrachte stemmen, onthoudingen niet meegerekend. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.

  Art. 35. § 1. De stemmingen in de provincieraad zijn [1 niet geheim]1 .
  § 2. Over de volgende aangelegenheden wordt geheim gestemd :
  1° de vervallenverklaring van het mandaat van provincieraadslid en van gedeputeerde;
  2° de aanwijzing van de leden van de provinciale bestuursorganen en van de vertegenwoordigers van de provincie in overlegorganen en in de organen van andere rechtspersonen en feitelijke verenigingen;
  3° individuele personeelszaken.
  § 3. Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen in § 2 stemmen de leden van de provincieraad mondeling. Het huishoudelijk reglement kan een regeling invoeren die gelijkwaardig is met een mondelinge stemming. Als dusdanig worden de mechanisch uitgebrachte naamstemming en de stemming bij zitten en opstaan of bij handopsteking beschouwd. Ongeacht de bepalingen van het huishoudelijk reglement wordt er mondeling gestemd telkens als een derde van de aanwezige leden hierom verzoekt. Stemmingen over aangelegenheden als vermeld in § 2 kunnen ook geschieden door middel van een elektronisch systeem, dat de geheime stemming waarborgt.
  § 4. De voorzitter stemt het laatst, behalve bij geheime stemming.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 25, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>

  Art. 36. [1 Voor elke benoeming tot ambten, elke contractuele aanstelling, elke verkiezing en elke voordracht van kandidaten wordt tot een afzonderlijke stemming overgegaan. Als bij de benoeming, de contractuele aanstelling, de verkiezing of de voordracht van kandidaten de vereiste meerderheid niet wordt verkregen bij de eerste stemming, wordt opnieuw gestemd over de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald.
   Als bij de eerste stemming sommige kandidaten een gelijk aantal stemmen behaald hebben, dan wordt de jongste kandidaat tot de herstemming toegelaten. Personen worden benoemd, aangesteld, verkozen of voorgedragen bij volstrekte meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen heeft de jongste kandidaat de voorkeur.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 26, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 37. De provincie is verplicht aan ieder natuurlijke persoon en iedere rechtspersoon of groepering ervan die erom verzoekt, de besluiten van de provincieraad en andere bestuursdocumenten openbaar te maken door er inzage in te verlenen, er uitleg over te verschaffen of er een afschrift van te overhandigen overeenkomstig het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.

  Art. 38.[§ 1. Het provincieraadslid of de provincieraadsleden die op lijsten met dezelfde naam verkozen zijn, vormen één fractie.
   § 2. In afwijking van § 1 kunnen de kandidaat-provincieraadsleden die op lijsten met dezelfde naam zijn verkozen twee fracties vormen, mits aan volgende voorwaarden is voldaan :
   1° de naam van de lijst bestaat uit meerdere woorden of afkortingen die minstens de twee fractienamen omvatten;
   2° de kandidaat-provincieraadsleden beslissen bij de indiening van de voordrachtsakte of verbeteringsakte dat de op de lijst verkozen provincieraadsleden twee fracties vormen of kunnen vormen; in dat laatste geval wordt overgegaan tot de vorming van twee fracties als een meerderheid van de verkozen provincieraadsleden die potentieel een afzonderlijke fractie kunnen uitmaken, daartoe op de installatievergadering van de provincieraad beslist;
   3° de in 2° bedoelde beslissing wordt genomen in een afzonderlijke akte inzake fractievorming, ondertekend door alle kandidaat-provincieraadsleden op de lijst;
   4° de akte inzake fractievorming bevat alle kandidaat-provincieraadsleden van de lijst, in dezelfde volgorde als de voordrachtsakte of de verbeteringsakte die bij de voorzitter van het districtshoofdbureau wordt ingediend;
   5° onverminderd het derde lid vermeldt de akte inzake fractievorming voor alle kandidaat-provincieraadsleden tot welke fractie zij zullen behoren in geval van verkiezing;
   6° er worden op de akte inzake fractievorming slechts twee verschillende fracties vermeld;
   7° de akte inzake fractievorming is als bijlage gevoegd bij de voordrachtsakte of de verbeteringsakte [1 die, overeenkomstig artikel 84, 3°, en 100, 8°, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 tegen ontvangstbewijs aan de voorzitter van het provinciedistricts-hoofdbureau wordt overhandigd]1;
   8° aan de provinciegriffier wordt tegen ontvangstbewijs een afschrift van de akte inzake fractievorming overhandigd uiterlijk de eerste werkdag na de dag dat de voordrachtsakte of de verbeteringsakte bij de voorzitter van het districtshoofdbureau werd ingediend.
   De indiening van de akte inzake fractievorming en de door de kandidaat-provincieraadsleden gemaakte keuze is niet herroepbaar.
   Als een kandidaat-provincieraadslid op de akte inzake fractievorming zich niet tot een fractie bekent, wordt het betrokken kandidaat-provincieraadslid geacht bij verkiezing te opteren voor de grootste fractie. Als beide fracties in de provincieraad even groot zijn, wordt hij geacht bij verkiezing te opteren voor de fractie waartoe de aanvoerder van de lijst behoort, behalve ingeval de lijstaanvoerder op de akte van fractievorming zich niet tot een fractie heeft bekend. In dat geval wordt het kandidaat-provincieraadslid geacht te opteren voor de fractie waartoe het kandidaat-provincieraadslid behoort dat de hoogste plaats op de lijst inneemt en dat zich tot een fractie heeft bekend.
   Indien aan de voormelde regeling niet is voldaan kunnen er geen aparte fracties worden gevormd. Ingeval de kandidaat-provincieraadsleden, die op lijsten met dezelfde naam verkozen zijn, overeenkomstig het eerste lid beslissen om twee fracties te vormen, spreekt de provincieraad zich op de installatievergadering bij besluit uit of aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid is voldaan.
   De Vlaamse Regering stelt het model van akte van fractievorming vast.
   § 3. Het provincieraadslid of de provincieraadsleden die verkozen zijn op lijsten die zich uiterlijk op de installatievergadering onderling hebben verenigd, vormen één fractie. Tot onderlinge vereniging van de lijsten kan slechts beslist worden als de meerderheid van de verkozenen op elk van die lijsten daarmee instemt.
   § 4. De onderlinge vereniging tot één fractie of de vorming van twee fracties overeenkomstig § 2, geldt tot de eerstvolgende volledige vernieuwing van de provincieraad.
   § 5. Het huishoudelijk reglement legt de nadere regels vast voor de samenstelling en de werking van de fracties, alsook, binnen de grenzen die de Vlaamse Regering bepaalt, voor de financiering ervan.] <DVR 2006-06-02/46, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 05-09-2006>
  ----------
  (1)<DVR 2011-07-08/24, art. 275, 009; Inwerkingtreding : 04-09-2011>

  Art. 39.§ 1. De provincieraad kan commissies oprichten die zijn samengesteld uit provincieraadsleden. De commissies hebben als taak, het voorbereiden van de besprekingen in de provincieraadszittingen, het verlenen van advies en het formuleren van voorstellen over de wijze waarop vorm wordt gegeven aan de inspraak van de bevolking telkens als dat voor de beleidsvoering wenselijk wordt geacht. De commissies kunnen steeds deskundigen en belanghebbenden horen.
  [2 In elke provincie wordt minstens een commissie opgericht die waakt over de afstemming van het provinciaal beleid op het beleid van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en verzelfstandigde agentschappen van de provincie. De provincie richt hiertoe ofwel een aparte commissie op, ofwel integreert zij deze taak in de verschillende bestaande commissies. ]2
  § 2. Artikelen 28 en 35 zijn van overeenkomstige toepassing op de vergaderingen en de stemmingen in de commissies.
  § 3. [1 De mandaten in iedere commissie worden evenredig verdeeld over de fracties waaruit de provincieraad is samengesteld. De provincieraad bepaalt per provincieraadscommissie het aantal leden, alsook de wijze waarop de evenredigheid wordt berekend. Deze berekeningswijze geldt voor alle commissies die de provincieraad opricht. De evenredigheid vereist in ieder geval dat de som van het aantal mandaten dat toekomt aan de fracties waarvan leden deel uitmaken van de deputatie steeds hoger is dan de som van het aantal mandaten dat toekomt aan de andere fracties. Elke fractie wijst de mandaten toe, die haar overeenkomstig deze berekeningswijze toekomen, door middel van een voordracht, gericht aan de voorzitter van de provincieraad. Als de voorzitter van de provincieraad voordrachten ontvangt voor meer kandidaten dan er mandaten te begeven zijn voor een fractie, dan worden de mandaten toegewezen volgens de volgorde van voorkomen op de akte van voordracht.]1
  [1 Tot de eerstvolgende vernieuwing van de provincieraad wordt een fractie geacht eenzelfde aantal leden in de commissies te behouden. Indien één of meerdere leden verklaren niet meer te behoren tot de fractie als vermeld in artikel 38 kan dit lid niet meer zetelen, noch als lid van deze fractie, noch als lid van een andere fractie. Niettemin behouden deze fracties het oorspronkelijke aantal leden in deze commissie.]1
  Om ontvankelijk te zijn moet de akte van voordracht voor elk van de kandidaat-commissieleden ten minste ondertekend zijn door een meerderheid van de leden van de fractie waarvan het kandidaat-commissielid deel van uitmaakt. Indien de fractie van het kandidaat-commissielid slechts uit twee verkozenen bestaat, volstaat de handtekening van een van hen. Niemand kan meer dan een akte ondertekenen per beschikbaar mandaat voor de fractie.
  Als ten gevolge van de toepassing van de evenredige vertegenwoordiging overeenkomstig het eerste lid een fractie niet vertegenwoordigd is in een commissie, kan de fractie een raadslid aanwijzen dat als lid met raadgevende stem in de commissie zetelt.
  § 4. De gedeputeerden kunnen geen voorzitter zijn van een provincieraadscommissie.
  § 5. Het huishoudelijk reglement bepaalt de nadere regels voor de samenstelling en de werkwijze van de commissie, alsook voor de toekenning van presentiegelden.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 27, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 40. De provincieraad stelt bij de aanvang van de zittingsperiode een huishoudelijk reglement vast waarin aanvullende maatregelen worden opgenomen in verband met de werking van de raad en waarin minstens bepalingen worden opgenomen over :
  1° de vergaderingen waarvoor presentiegeld en een verplaatsingsvergoeding wordt verleend, het bedrag van het presentiegeld en verplaatsingsvergoeding en de nadere regels in verband met de eventuele terugbetaling van specifieke kosten die verband houden met de uitoefening van het mandaat van provincieraadslid;
  2° de wijze van verzending van de oproeping en het ter beschikking stellen van het dossier aan de provincieraadsleden, alsook de wijze waarop de provinciegriffier of de door hem aangewezen [1 personeelsleden]1 aan de raadsleden die erom verzoeken, technische inlichtingen verstrekken over die stukken;
  3° de wijze waarop de plaats, de dag, het tijdstip en de agenda van de vergaderingen van de provincieraad openbaar worden gemaakt;
  4° de voorwaarden voor het inzagerecht en het recht van afschrift voor provincieraadsleden en de voorwaarden voor het bezoekrecht aan de [1 instellingen en diensten die de provincie opricht en beheert]1 ;
  5° de voorwaarden waaronder de provincieraadsleden hun recht uitoefenen om aan de deputatie mondelinge en schriftelijke vragen te stellen;
  6° de voorwaarden waaronder de provincieraadsleden hun recht uitoefenen om aan de provinciegouverneur mondelinge vragen te stellen;
  7° de wijze van notulering en de wijze waarop de notulen van de vorige vergadering ter beschikking worden gesteld van de provincieraadsleden;
  8° de nadere regels voor de samenstelling en de werking van de commissies en de fracties;
  9° de samenstelling van het bureau.
  [1 10° de wijze van bezorgen van het meerjarenplan, de wijzigingen aan het meerjarenplan, het budget, de budgetwijzigingen en de jaarrekening aan de raadsleden;
   11° de wijze van het ter kennis brengen van de beslissingen, vermeld in artikel 51, vijfde lid;
   12° de nadere voorwaarden waaronder het recht om verzoekschriften in te dienen wordt uitgeoefend, en de wijze waarop de verzoekschriften worden behandeld;]1
  De provincieraad kan het huishoudelijk reglement te allen tijde wijzigen.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 28, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 41. De provincieraad neemt een deontologische code aan.

  Afdeling III. - De bevoegdheden van de provincieraad.

  Art. 42. § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van andere wettelijke of decretale bepalingen beschikt de provincieraad over de volheid van bevoegdheid ten aanzien van de aangelegenheden, vermeld in artikel 2.
  § 2. De provincieraad bepaalt het beleid van de provincie en kan daartoe algemene regels vaststellen.
  § 3. De provincieraad stelt de provinciale reglementen vast. Onverminderd de federale wetgeving in verband met de bevoegdheid van de provincieraad tot het vaststellen van politieverordeningen, kunnen de reglementen onder meer betrekking hebben op het provinciaal beleid, de provinciale belastingen en retributies, en op het inwendige bestuur van de provincie.
  Een afschrift van elk reglement waarin een strafbepaling of een administratieve sanctie wordt opgenomen, wordt dadelijk verzonden aan de griffies van de rechtbanken van eerste aanleg en aan die van de politierechtbanken waarvan het rechtsgebied betrekking heeft op het geheel of een gedeelte van het grondgebied van de provincie.

  Art. 43.§ 1. [1 Behoudens]1 bij uitdrukkelijke toewijzing van een bevoegdheid als vermeld in artikel 2, derde lid, aan de provincieraad, kan de provincieraad bij reglement bepaalde bevoegdheden toevertrouwen aan de deputatie.
  § 2. [1 De volgende bevoegdheden kunnen niet aan de deputatie worden toevertrouwd :
   1° de aan de provincieraad toegewezen bevoegdheden, vermeld in titel II, hoofdstuk I, afdelingen I en II;
   2° het vaststellen van provinciale reglementen [3 andere dan over personeelsaangelegenheden,]3 en het bepalen van straffen op de overtreding van die reglementen;
   3° het vaststellen van het meerjarenplan en de aanpassingen ervan, het budget en de budgetwijzigingen, de jaarrekeningen en de geconsolideerde jaarrekening;
   4° [3 ...]3;
   5° het oprichten van extern verzelfstandigde agentschappen en het beslissen tot oprichting van, deelname aan of vertegenwoordiging in instellingen, verenigingen en ondernemingen;
   6° het goedkeuren van beheersovereenkomsten en samenwerkingsovereenkomsten, als vermeld in artikelen 228 en 240;
   7° het aanstellen en ontslaan van de provinciegriffier, de financieel beheerder en de ombudsman, alsook de sanctie- en tuchtbevoegdheid ten aanzien van die personeelsleden;
   8° het goedkeuren van het algemene kader van het interne controlesysteem, als vermeld in artikel 96;
   9° het vaststellen van wat onder het begrip 'dagelijks bestuur' moet worden verstaan;
   10° beslissingen die de wet, het decreet of het uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk aan de provincieraad voorbehoudt;
   11° het vaststellen van de wijze van gunning en het vaststellen van de voorwaarden van overheidsopdrachten, behalve als het gaat om één van de volgende opdrachten :
   a) een opdracht die past binnen het begrip dagelijks bestuur als vermeld in punt 9°, waarvoor de deputatie bevoegd is;
   b) een opdracht die nominatief in het vastgestelde budget is opgenomen;
   12° het stellen van daden van beschikking met betrekking tot onroerende goederen, behoudens voor zover de verrichting nominatief in het vastgestelde budget is opgenomen [2 of behoudens de bepaling van artikel 57, § 3, 8°, c)]2;
   13° het definitief aanvaarden van schenkingen en het aanvaarden van legaten;
   14° het inrichten van adviesraden en overlegstructuren;
   15° het vaststellen van de provinciebelastingen en het vaststellen van de machtiging tot het heffen van de retributies en de voorwaarden ervan;
   16° het vaststellen van een systeem van klachtenbehandeling;
   17° het samenstellen van het bureau;
   18° [2 beslissingen overeenkomstig artikel 186;]2
   19° [3 ...]3;
   20° [3 het aangaan van andere dadingen, dan dadingen met personeelsleden naar aanleiding van een beëindiging van het dienstverband, die de gevolgen van de beëindiging van het dienstverband als voorwerp hebben;]3
   21° de bevoegdheden van de provincieraad, als vermeld in artikelen 153 en artikel 155, § 3;
   22° de wijze van het ter kennis brengen van de beslissingen, vermeld in artikel 51;
   23° het aanstellen en ontslaan van de leden van de raad van bestuur van een autonoom provinciebedrijf, de goedkeuring van de jaarrekening en het budget van een autonoom provinciebedrijf, de beslissing tot ontbinding en vereffening van een autonoom provinciebedrijf, en het aanstellen van de provinciale vertegenwoordigers in de algemene vergadering van een extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm;
   24° [3 ...]3;
   25° de bevoegdheid, als vermeld in artikel 218, § 2, eerste lid;
   26° het nemen van besluiten waarbij de financiële lasten van de opgenomen leningen worden herschikt door die lasten te spreiden over een langere periode.]1
  [2 27° de bevoegdheden van de provincieraad als vermeld in artikel 47bis.]2
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 29, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 14, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>
  (3)<DVR 2016-06-03/04, art. 29, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  HOOFDSTUK II. - De deputatie.

  Afdeling I. - De inrichting van de deputatie.

  Art. 44.§ 1. De deputatie van de provincieraad bestaat uit zes leden. Het voorzitterschap wordt geregeld conform artikel 52.
  Leden van een provincieraad, die hetzij echtgenoten, hetzij bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad zijn, kunnen niet tegelijk deel uitmaken van de deputatie van die raad.
  Aanverwantschap tot stand gekomen tijdens de duur van het lidmaatschap, maakt hieraan geen einde. Dit geldt niet voor het geval van huwelijk tussen leden van de deputatie.
  Voor de toepassing van deze bepaling worden personen die een verklaring van wettelijke samenwoning in de zin van artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek hebben afgelegd, met echtgenoten gelijkgesteld.
  § 2. De deputatie bestaat uit personen van verschillend geslacht.
  Indien de deputatie niet rechtsgeldig blijkt te zijn samengesteld overeenkomstig het eerste lid van artikel 11bis van de Grondwet, wordt de laatste gedeputeerde in rang, verkozen overeenkomstig artikel 45, § 3, of artikel 50, § 1, van rechtswege vervangen door het op dezelfde lijst verkozen provincieraadslid van het andere geslacht met procentueel de meeste naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving. [Als verschillende raadsleden van het andere geslacht procentueel een gelijk aantal naamstemmen hebben behaald, geniet het raadslid dat de meeste naamstemmen heeft behaald voorrang onder die raadsleden. Als er geen verkozen provincieraadsleden van het andere geslacht op die lijst voorkomen, wordt de gedeputeerde van rechtswege vervangen door het niet-verkozen provincieraadslid van het andere geslacht met procentueel de meeste naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving op diezelfde lijst. Als verschillende niet-verkozen provincieraadsleden van het andere geslacht procentueel een gelijk aantal naamstemmen hebben behaald, geniet het niet-verkozen provincieraadslid dat de meeste naamstemmen heeft behaald voorrang onder de niet-verkozen provincieraadsleden.]
  [In afwijking van het tweede lid wordt, indien de deputatie niet rechtsgeldig blijkt te zijn samengesteld overeenkomstig het eerste lid van artikel 11bis van de Grondwet, en ingeval de overeenkomstig [1 artikel 45]1 , of 50, § 1, laatst verkozen gedeputeerde in rang, bij de verkiezing van de provincieraadsleden verkozen werd op een lijst die maar één kandidaat bevat, de voorlaatste gedeputeerde in rang vervangen overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid. Als ook de voorlaatste gedeputeerde in rang verkozen werd op een lijst die maar één kandidaat bevat, wordt de derde laatste gedeputeerde in rang, of in voorkomend geval de eerstvolgende laatste gedeputeerde in rang, vervangen overeenkomstig dezelfde bepalingen.] <DVR 2006-06-02/46, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 05-09-2006 voor toevoeging van L3>
  § 3. Een gedeputeerde die overeenkomstig § 2 buiten de provincieraad is benoemd, is in alle gevallen stemgerechtigd in de deputatie.
  § 4. Ieder die het mandaat van gedeputeerde of voorzitter van de raad uitoefent of waarneemt, moet beschikken over de kennis van de bestuurstaal die vereist is voor de uitoefening van het mandaat.
  Door hun verkiezing of benoeming bestaat het vermoeden dat de in het vorige lid bedoelde mandatarissen de vereiste taalkennis bezitten. Dat vermoeden kan worden weerlegd op verzoek van een provincieraadslid op basis van ernstige aanwijzingen, de bekentenis van de mandataris of de wijze waarop de betrokkene het mandaat uitoefent.
  Het in het vorige lid bedoelde verzoek wordt ingediend bij [1 de Raad voor Verkiezingsbetwistingen]1 . Als het rechtscollege beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, is de verkiezing of de benoeming vernietigd vanaf de dag van de kennisgeving van de beslissing van het rechtscollege, onverminderd de mogelijkheid van beroep bij de Raad van State [1 , overeenkomstig artikel 13] . Dit beroep schort de uitspraak van het rechtscollege niet op. Tot de algehele vernieuwing van de raad kan de betrokkene niet opnieuw benoemd of verkozen worden tot gedeputeerde of voorzitter van de raad, noch een dergelijk mandaat waarnemen.
  De miskenning van de bepalingen van dit artikel door diegene van wie het vermoeden van taalkennis is weerlegd, is een grove nalatigheid in de zin van artikel 69.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
   Art. 44. § 1. De deputatie van de provincieraad bestaat uit [2 vijf]2 leden. Het voorzitterschap wordt geregeld conform artikel 52.
  Leden van een provincieraad, die hetzij echtgenoten, [3 hetzij bloedverwanten tot en met de tweede graad, hetzij aanverwanten in de eerste graad]3 zijn, kunnen niet tegelijk deel uitmaken van de deputatie van die raad.
  Aanverwantschap tot stand gekomen tijdens de duur van het lidmaatschap, maakt hieraan geen einde. Dit geldt niet voor het geval van huwelijk tussen leden van de deputatie.
  Voor de toepassing van deze bepaling worden personen die een verklaring van wettelijke samenwoning in de zin van artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek hebben afgelegd, met echtgenoten gelijkgesteld.
  § 2. De deputatie bestaat uit personen van verschillend geslacht.
  Indien de deputatie niet rechtsgeldig blijkt te zijn samengesteld overeenkomstig het eerste lid van artikel 11bis van de Grondwet, wordt de laatste gedeputeerde in rang, verkozen overeenkomstig artikel 45, § 3, of artikel 50, § 1, van rechtswege vervangen door het op dezelfde lijst verkozen provincieraadslid van het andere geslacht met procentueel de meeste naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving. [Als verschillende raadsleden van het andere geslacht procentueel een gelijk aantal naamstemmen hebben behaald, geniet het raadslid dat de meeste naamstemmen heeft behaald voorrang onder die raadsleden. Als er geen verkozen provincieraadsleden van het andere geslacht op die lijst voorkomen, wordt de gedeputeerde van rechtswege vervangen door het niet-verkozen provincieraadslid van het andere geslacht met procentueel de meeste naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving op diezelfde lijst. Als verschillende niet-verkozen provincieraadsleden van het andere geslacht procentueel een gelijk aantal naamstemmen hebben behaald, geniet het niet-verkozen provincieraadslid dat de meeste naamstemmen heeft behaald voorrang onder de niet-verkozen provincieraadsleden.]
  [In afwijking van het tweede lid wordt, indien de deputatie niet rechtsgeldig blijkt te zijn samengesteld overeenkomstig het eerste lid van artikel 11bis van de Grondwet, en ingeval de overeenkomstig [1 artikel 45]1 , of 50, § 1, laatst verkozen gedeputeerde in rang, bij de verkiezing van de provincieraadsleden verkozen werd op een lijst die maar één kandidaat bevat, de voorlaatste gedeputeerde in rang vervangen overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid. Als ook de voorlaatste gedeputeerde in rang verkozen werd op een lijst die maar één kandidaat bevat, wordt de derde laatste gedeputeerde in rang, of in voorkomend geval de eerstvolgende laatste gedeputeerde in rang, vervangen overeenkomstig dezelfde bepalingen.] <DVR 2006-06-02/46, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 05-09-2006 voor toevoeging van L3>
  § 3. Een gedeputeerde die overeenkomstig § 2 buiten de provincieraad is benoemd, is in alle gevallen stemgerechtigd in de deputatie.
  § 4. Ieder die het mandaat van gedeputeerde of voorzitter van de raad uitoefent of waarneemt, moet beschikken over de kennis van de bestuurstaal die vereist is voor de uitoefening van het mandaat.
  Door hun verkiezing of benoeming bestaat het vermoeden dat de in het vorige lid bedoelde mandatarissen de vereiste taalkennis bezitten. Dat vermoeden kan worden weerlegd op verzoek van een provincieraadslid op basis van ernstige aanwijzingen, de bekentenis van de mandataris of de wijze waarop de betrokkene het mandaat uitoefent.
  Het in het vorige lid bedoelde verzoek wordt ingediend bij [1 de Raad voor Verkiezingsbetwistingen]1 . Als het rechtscollege beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, is de verkiezing of de benoeming vernietigd vanaf de dag van de kennisgeving van de beslissing van het rechtscollege, onverminderd de mogelijkheid van beroep bij de Raad van State [1 , overeenkomstig artikel 13] . Dit beroep schort de uitspraak van het rechtscollege niet op. Tot de algehele vernieuwing van de raad kan de betrokkene niet opnieuw benoemd of verkozen worden tot gedeputeerde of voorzitter van de raad, noch een dergelijk mandaat waarnemen.
  De miskenning van de bepalingen van dit artikel door diegene van wie het vermoeden van taalkennis is weerlegd, is een grove nalatigheid in de zin van artikel 69.

  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 30, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 15,1°, 011; Inwerkingtreding : 03-12-2018>
  (3)<DVR 2012-06-29/11, art. 15,2°, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 45. § 1. Behalve de gedeputeerden die benoemd zijn overeenkomstig artikel 44, § 2, tweede lid, worden de gedeputeerden door de provincieraad onder de provincieraadsleden verkozen op basis van een gezamenlijke akte van voordracht van de kandidaat-gedeputeerden, ondertekend door meer dan de helft van de verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen deelnamen. Om ontvankelijk te zijn moet die gezamenlijke akte van voordracht voor elk van de kandidaat-gedeputeerden tevens ondertekend zijn door een meerderheid van de personen die op dezelfde lijst werden verkozen als de voorgedragen kandidaten. Als de lijst waarop een kandidaat-gedeputeerde voorkomt slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen. Niemand kan meer dan één gezamenlijke akte van voordracht ondertekenen. (Overtreding van dit verbod heeft in alle akten van voordracht de ongeldigheid tot gevolg van alle handtekeningen geplaatst in strijd met dit voorschrift.) (Een verkozene die meer dan één akte van voordracht ondertekent, kan voor de duur van de zittingsperiode van de provincieraad niet worden benoemd of verkozen als gedeputeerde, voorzitter van de provincieraad of voorzitter van een commissie en kan de provincie niet vertegenwoordigen of namens de provincie een mandaat bekleden in provinciaal extern verzelfstandigde agentschappen of andere verenigingen, stichtingen of vennootschappen. Indien de betrokken verkozene reeds een dergelijk mandaat bekleedt, vervalt dit van rechtswege voor de duur van de zittingsperiode van de raad.) <DVR 2006-06-02/46, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 05-09-2006> <DVR 2006-12-22/35, art. 17, 1°, 003; Inwerkingtreding : 08-10-2006>
  De gezamenlijke akte van voordracht is enkel ontvankelijk indien de voordracht betrekking heeft op personen van verschillend geslacht.
  [1 De gezamenlijke akte van voordracht kan tevens de einddatum van het mandaat van een kandidaat-gedeputeerde vermelden. In dat geval kan op de akte van voordracht de naam vermeld worden van de persoon die hem zal of de personen die hem zullen opvolgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de deputeerde bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de akte van voordracht als opvolger is vermeld. Indien het mandaat eindigt voor de in de akte vermelde einddatum of indien de persoon die in de akte van voordracht werd vermeld als zijnde de persoon die de gedeputeerde zou opvolgen, zijn mandaat niet opneemt, neemt de eerstvolgende opvolger vervroegd het mandaat op. Als de persoon die als laatste opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen, wordt tot vervanging overgegaan overeenkomstig artikel 50.]1
  Die akte wordt uiterlijk acht dagen voor de installatievergadering van de provincieraad aan de provinciegriffier overhandigd. De provinciegriffier bezorgt een afschrift van de akte aan de uittredende voorzitter van de provincieraad of aan degene die hem overeenkomstig artikel 7, § 1, vervangt.
  § 2. Nadat de provincieraadsleden de eed hebben afgelegd, overhandigt de provinciegriffier de gezamenlijke akte van voordracht van de kandidaat-gedeputeerden aan de voorzitter van de provincieraad.
  De voorzitter van de provincieraad gaat na of de gezamenlijke akte van voordracht ontvankelijk is overeenkomstig de voorwaarden, bepaald in § 1. Enkel de handtekeningen van de provincieraadsleden die de eed hebben afgelegd, worden hiertoe in aanmerking genomen, met inbegrip van de handtekeningen van de opvolgers die de akte van voordracht hebben ondertekend en die nadien als provincieraadslid de eed hebben afgelegd. In voorkomend geval worden de voorgedragen kandidaat-gedeputeerden verkozen verklaard.
  § 3. Als geen ontvankelijke gezamenlijke akte van voordracht van kandidaat-gedeputeerden aan de voorzitter van de installatievergadering wordt overhandigd, wordt binnen veertien dagen overgegaan tot afzonderlijke verkiezing van de gedeputeerden onder de provincieraadsleden. De provincieraadsleden kunnen hiertoe kandidaat-gedeputeerden voordragen.
  [1 De akte van voordracht kan tevens de einddatum van het mandaat van de kandidaat-gedeputeerde vermelden. In dat geval kan op de akte van voordracht de naam vermeld worden van de persoon die hem zal of de personen die hem zullen opvolgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de gedeputeerde bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de akte van voordracht als opvolger is vermeld. Indien het mandaat eindigt voor de in de akte vermelde einddatum of indien de persoon die in de akte van voordracht werd vermeld als zijnde de persoon die de gedeputeerde zou opvolgen, zijn mandaat niet opneemt, neemt de eerstvolgende opvolger vervroegd het mandaat op. Als de persoon die als laatste opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen, wordt tot vervanging overgegaan overeenkomstig artikel 50.]1
  Per mandaat wordt uiterlijk drie dagen voor de eerstvolgende vergadering van de provincieraad een gedagtekende akte van voordracht aan de provinciegriffier bezorgd.
  Om ontvankelijk te zijn, moet de akte van voordracht ten minste ondertekend zijn door een meerderheid van de personen die op dezelfde lijst werden verkozen als de voorgedragen kandidaat. Als de lijst waarop de kandidaat-gedeputeerde voorkomt slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen. Onverminderd § 1 kan elk provincieraadslid slechts één akte van voordracht ondertekenen per mandaat. (Overtreding van dit verbod heeft in alle akten van voordracht de ongeldigheid tot gevolg van alle handtekeningen die in strijd met dit voorschrift werden geplaatst. De sanctie vermeld in § 1 ten aanzien van de verkozene die meer dan één akte van voordracht ondertekent, is eveneens van toepassing.) Als de schriftelijk voorgedragen kandidaturen niet volstaan om de deputatie volledig samen te stellen, kunnen kandidaten mondeling op de zitting worden voorgedragen. <DVR 2006-12-22/35, art. 17, 3°, 003; Inwerkingtreding : 08-10-2006>
  De verkiezing gebeurt bij geheime stemming, door evenveel afzonderlijke stemmingen als er gedeputeerden te kiezen zijn.
  De kandidaat die de volstrekte meerderheid van de stemmen heeft behaald, is verkozen tot gedeputeerde. Als geen enkele kandidaat de volstrekte meerderheid van de stemmen heeft behaald en als meerdere kandidaten werden voorgedragen voor het vacante mandaat, vindt een tweede stemronde plaats. Daarin wordt gestemd op de twee kandidaten die in de eerste stemronde de meeste stemmen hebben behaald. Bij staking van stemmen in de eerste stemronde komt de kandidaat die bij de provincieraadsverkiezingen procentueel de meeste naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving heeft behaald, in aanmerking voor de tweede stemronde. De kandidaat die in de tweede stemronde de meerderheid van de stemmen heeft behaald, is verkozen tot gedeputeerde. [1 Bij staking van stemmen in de tweede stemronde is de kandidaat]1 die bij de provincieraadsverkiezingen procentueel de meeste naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving heeft behaald, verkozen tot gedeputeerde.
  Als de naamstemmen bepalend zijn en de kandidaten een gelijk percentage aan naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving hebben behaald, is de voorgedragen kandidaat verkozen van wie de lijst bij de provincieraadsverkiezingen procentueel de meeste stemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving heeft behaald.
  § 4. De rang van de gedeputeerden wordt bepaald door de rangorde op de gezamenlijke akte van voordracht. In geval van afzonderlijke verkiezing van de gedeputeerden wordt de rang van de gedeputeerden bepaald door de volgorde van de stemmingen. De gedeputeerden die op grond van § 1, derde lid, § 3, tweede lid, of op grond van artikel 44, § 2, tweede lid, een gedeputeerde opvolgen, nemen de rang in in volgorde van hun verkiezing of benoeming.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 31, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 46.§ 1. Voor ze hun mandaat aanvaarden, leggen de gedeputeerden in openbare vergadering van de provincieraad de volgende eed af in handen van de provincieraadsvoorzitter : " Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen. "
  [1 Tweede lid opgeheven.]1
  § 2. De gedeputeerde die de eed na twee achtereenvolgende uitnodigingen niet aflegt, wordt geacht zijn mandaat van gedeputeerde niet te aanvaarden
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 16, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 47.De gedeputeerden worden, behoudens de toepassing van artikel 45, § 1, derde lid en § 3, tweede lid, artikelen [2 47bis]2 49 en 50, verkozen voor een periode van zes jaar. De uittredende gedeputeerden blijven na een volledige vernieuwing van de provincieraad in functie tot de installatie van de nieuwe deputatie heeft plaatsgevonden.
  De personen, vermeld in artikel 11, kunnen evenmin deel uitmaken van een deputatie, respectievelijk van de deputatie in een welbepaalde provincie. [1 Artikelen 10, 12, § 2 en § 3, artikelen 13 en 30]1 , zijn van overeenkomstige toepassing op de leden van de deputatie.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 32, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 17, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 47bis. [1 De provincieraad kan bij volstrekte meerderheid van stemmen de structurele onbestuurbaarheid van de provincie vaststellen en brengt de Vlaamse Regering daarvan op de hoogte.
   Op grond van die kennisgeving onderneemt de Vlaamse Regering een bemiddelingspoging.
   Als de Vlaamse Regering vaststelt dat de bemiddeling mislukt is en er zich geen oplossing aandient, brengt ze de provincieraad daarvan op de hoogte. In dat geval kan de provincieraad de procedure starten voor de aanstelling van een nieuwe deputatie. Er wordt vervolgens overgegaan tot de verkiezing en installatie van de nieuwe gedeputeerden op basis van een gezamenlijke akte van voordracht, overeenkomstig artikelen 45, § 1, § 2 en § 4 en 46. De uittredende gedeputeerden blijven in functie tot de installatie van de nieuwe gedeputeerden heeft plaatsgevonden. In het geval er geen gezamenlijke akte van voordracht wordt ingediend, overeenkomstig artikel 45, § 1 en § 2, blijven de uittredende gedeputeerden in functie.
   De vaststelling van de structurele onbestuurbaarheid en de aanstelling van een nieuwe deputatie in toepassing daarvan, kan niet gebeuren in spoedeisende gevallen zoals vermeld in artikel 29 en evenmin in de periode van twaalf maanden voor de dag van de verkiezingen voor de volledige vernieuwing van de provincieraden.
   De aanstelling van een nieuwe deputatie na vaststelling van de structurele onbestuurbaarheid kan slechts eenmaal per bestuursperiode gebeuren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2012-06-29/11, art. 18, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 48. De provincieraad neemt akte van de verhindering van de volgende personen :
  1° de gedeputeerde die om medische redenen, om studieredenen of wegens verblijf in het buitenland vervangen wil worden gedurende een minimale termijn van twaalf weken. Hij richt daartoe een schriftelijk verzoek aan de voorzitter van de provincieraad. Bij het verzoek wordt een geneeskundig getuigschrift van maximaal vijftien dagen oud gevoegd, dat tevens de minimale termijn van afwezigheid om medische redenen aangeeft. Als de gedeputeerde die om medische redenen afwezig blijft, niet in staat is om dat verzoek tot de voorzitter te richten, wordt hij van rechtswege als verhinderd beschouwd vanaf de derde opeenvolgende vergadering waarop hij afwezig is en zolang hij afwezig blijft. Bij het verzoek tot [1 vervanging voor]1 verhindering om studieredenen of verblijf in het buitenland wordt een attest gevoegd van de onderwijsinstelling of opdrachtgever;
  2° [1 de gedeputeerde die ouderschapsverlof wil nemen voor de geboorte of adoptie van een kind. Die gedeputeerde wordt op zijn schriftelijke verzoek, gericht aan de voorzitter van de provincieraad, vervangen, op zijn vroegst vanaf de zesde week voor de vermoedelijke datum van de geboorte of van de adoptie tot het einde van de negende week na de adoptie of geboorte. Op schriftelijk verzoek wordt de onderbreking van de uitoefening van het mandaat na de negende week verlengd met een duur die gelijk is aan die gedurende welke de gedeputeerde zijn mandaat heeft uitgeoefend tijdens de periode van zes weken die aan de dag van de geboorte of de adoptie voorafgaan. In geval van de geboorte of de adoptie van een meerling kan op verzoek van de gedeputeerde het verlof verlengd worden met een periode van maximaal twee weken.]1
  [3 de gedeputeerde die omwille van palliatief verlof, of voor verlof voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek familielid tot en met de tweede graad of van een zwaar ziek gezinslid vervangen wil worden gedurende minimaal twaalf weken. Hij richt daartoe aan de voorzitter van de provincieraad een schriftelijk verzoek, vergezeld van een verklaring op erewoord waarin de gedeputeerde zich bereid verklaart om bijstand of verzorging te verlenen. De naam van de patiënt hoeft niet te worden vermeld.]3
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 33, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>

  Art. 49. [1 De gedeputeerde die ontslag wil nemen, deelt dat schriftelijk mee aan de voorzitter van de provincieraad. Het ontslag is definitief na de ontvangst van die kennisgeving door de voorzitter van de provincieraad.
   De gedeputeerde blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn opvolger is geïnstalleerd, behoudens als het ontslag het gevolg is van een onverenigbaarheid.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 34, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>

  Art. 50. § 1. Als een gedeputeerde zijn mandaat van gedeputeerde niet aanvaardt, van zijn mandaat vervallen wordt verklaard, als verhinderd wordt beschouwd, afgezet of geschorst is, ontslag heeft genomen of overleden is, wordt tot een nieuwe verkiezing van een gedeputeerde overgegaan binnen twee maanden na het openvallen van het mandaat van gedeputeerde. De gedeputeerde wordt verkozen op basis van een akte van voordracht van de kandidaat-gedeputeerde, ondertekend door meer dan de helft van de verkozen provincieraadsleden. Om ontvankelijk te zijn moet die akte van voordracht voor de kandidaat-gedeputeerden tevens ondertekend zijn door een meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat werden verkozen. Als de lijst waarop een kandidaat-gedeputeerde voorkomt slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen. (Onverminderd artikel 45 kan elk provincieraadslid slechts één akte van voordracht ondertekenen per mandaat van gedeputeerde. Overtreding van dit verbod heeft in alle akten van voordracht de ongeldigheid tot gevolg van alle handtekeningen die in strijd met dit voorschrift werden geplaatst. De sanctie vermeld in artikel 45 ten aanzien van de verkozene die meer dan één akte van voordracht ondertekent, is eveneens van toepassing. [1 De akte van voordracht kan tevens de einddatum van het mandaat van de kandidaat-gedeputeerde vermelden. In dat geval kan op de akte van voordracht de naam van de persoon vermeld worden die hem zal of de personen die hem zullen opvolgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de gedeputeerde bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de akte van voordracht als opvolger is vermeld. Indien het mandaat eindigt voor de in de akte vermelde einddatum of indien de persoon die in de akte van voordracht werd vermeld als zijnde de persoon die de gedeputeerde zou opvolgen, zijn mandaat niet opneemt, neemt de eerstvolgende opvolger vervroegd het mandaat op. Als de persoon die als laatste opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen, wordt tot vervanging overgegaan overeenkomstig dit artikel.]1 ) De voorzitter van de provincieraad gaat na of de akte van voordracht ontvankelijk is. In voorkomend geval wordt de voorgedragen kandidaat-gedeputeerde verkozen verklaard op de eerstvolgende vergadering van de provincieraad. <DVR 2006-12-22/35, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 08-10-2006>
  [1 Als binnen twee maanden na het openvallen van een mandaat van gedeputeerde en voor de overhandiging van de voordrachtsakte, genomen met toepassing van het eerste lid, een bijkomend mandaat van gedeputeerde openvalt, kan voor de vervanging van al die mandaten overgegaan worden tot een verkiezing overeenkomstig artikel 45, § 1 en § 2. De oorspronkelijke termijn van twee maanden voor het eerst opengevallen mandaat blijft in dat geval van toepassing. Als evenwel toepassing wordt gemaakt van het eerste lid, blijft voor het tweede opengevallen mandaat de termijn, vermeld in het eerste lid, van toepassing.
   In de gevallen, vermeld in het eerste en het tweede lid, kan op de akte van voordracht worden bepaald, in afwijking van artikel 45, § 4, dat een of meer nieuw verkozen gedeputeerden de rang innemen van degenen die ze vervangen.]1
  Als twee maanden na het openvallen van het mandaat van gedeputeerde nog geen nieuwe gedeputeerde is benoemd overeenkomstig [1 het eerste, het tweede of het derde lid]1 , wordt op de eerstvolgende vergadering van de provincieraad overgegaan tot verkiezing van de gedeputeerde overeenkomstig artikel 45, § 3.
  Tot aan de nieuwe verkiezing wordt het mandaat waargenomen overeenkomstig § 2.
  § 2. [1 Als de gedeputeerde om een andere reden dan de redenen, vermeld in § 1, afwezig is, kan hij worden]1 vervangen door het provincieraadslid met de meeste anciënniteit van dezelfde lijst. Bij gelijke anciënniteit, geniet het provincieraadslid dat bij de laatste volledige vernieuwing van de provincieraad het hoogste percentage van naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving heeft behaald, de voorkeur. Als het provincieraadslid met de meeste anciënniteit de gedeputeerde in die gevallen niet kan vervangen, wordt het mandaat van gedeputeerde waargenomen door een ander provincieraadslid in volgorde van hun anciënniteit. Bij gelijke anciënniteit wordt het mandaat van gedeputeerde waargenomen door het provincieraadslid dat bij de verkiezingen procentueel de meeste naamstemmen in verhouding tot het totaal aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving heeft behaald.
  § 3. [1 De gedeputeerde die als verhinderd wordt beschouwd, die geschorst is of tijdelijk afwezig is, wordt vervangen zolang hij verhinderd, geschorst of tijdelijk afwezig is. De provincieraad neemt akte van de verhindering of schorsing, en van de beëindiging van de periode van verhindering of schorsing.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 35, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Afdeling II. - De werking van de deputatie.

  Art. 51.De deputatie vergadert regelmatig, op de dagen en uren die ze bepaalt, en zo dikwijls als de behandeling van de zaken dat vereist. De voorzitter kan in spoedeisende gevallen buitengewone vergaderingen bijeenroepen, op de dag en het uur die hij bepaalt.
  De deputatie kan enkel [1 beraadslagen of beslissen]1 als de meerderheid van de leden aanwezig is.
  Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing op de leden van de deputatie.
  De vergaderingen van de deputatie zijn niet openbaar, behalve overeenkomstig artikel 104bis van de Provinciewet, als de deputatie een rechtsprekende functie uitoefent.
  Alleen de beslissingen worden opgenomen in de notulen en in het register van de beraadslagingen, en alleen die beslissingen kunnen rechtsgevolgen hebben. De notulen worden goedgekeurd op de eerstvolgende gewone vergadering van de deputatie. [1 De notulen worden uiterlijk op dezelfde dag als de vergadering van de deputatie volgend op de vergadering van de deputatie waarop de notulen werden goedgekeurd, verstuurd aan de provincieraadsleden op de wijze die bepaald is in het huishoudelijk reglement.[2 Dit huishoudelijk reglement bepaalt in elk geval dat, indien een provincieraadslid hierom verzoekt, de notulen elektronisch ter beschikking worden gesteld.]2]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 36, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 19, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 52. De deputatie wordt voorgezeten door de provinciegouverneur, die de vergaderingen opent en sluit. Als de provinciegouverneur de deputatie niet kan voorzitten, wijst de deputatie een van haar leden aan om het voorzitterschap waar te nemen. De procedure wordt geregeld in het huishoudelijk reglement van de deputatie.
  De provinciegouverneur is niet stemgerechtigd, behalve op grond van artikel 104, eerste lid, van de Provinciewet, wanneer de deputatie een rechtsprekende taak uitoefent.

  Art. 53. De deputatie beslist collegiaal.

  Art. 54. De besluiten worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen. Onder volstrekte meerderheid van stemmen wordt verstaan, meer dan de helft van de uitgebrachte stemmen, onthoudingen niet meegerekend. Elke beslissing van de deputatie vermeldt de naam van de aanwezige leden en, in voorkomend geval, van de verslaggever.
  Bij staking van stemmen wordt het voorstel verworpen.
  Als de deputatie een rechtsprekende taak uitoefent, kunnen, overeenkomstig artikel 104, vijfde lid, van de provinciewet, alleen de leden die de volledige procedure hebben gevolgd, deelnemen aan de stemming. Bij staking van stemmen is, overeenkomstig dezelfde bepaling, de stem van de voorzitter doorslaggevend.
  Artikel 35, § 2 tot en met 3, en artikel 36 zijn van overeenkomstige toepassing op de stemmingen in de deputatie.

  Art. 55. De deputatie organiseert haar werkzaamheden en legt dat vast in een huishoudelijk reglement. Het huishoudelijk reglement wordt vastgelegd bij de aanvang van de zittingsperiode en wordt aan de provincieraad ter kennis gebracht. De deputatie kan het huishoudelijk reglement te allen tijde wijzigen.
  Met het oog op de voorbereiding van haar beraadslagingen en besluiten verdeelt de deputatie onder haar verkozen leden de aangelegenheden die tot haar bevoegdheid behoren. Ze stelt de raad in kennis van de verdeling.
  De deputatie kan de verslaggever aanwijzen die het dossier inleidt en de voorstellen formuleert.

  Art. 56. [1 De deputatie heeft dezelfde deontologische code als die welke is aangenomen voor de provincieraad. De deputatie kan echter zelf een deontologische code aannemen die minstens de deontologische code, zoals aangenomen door de provincieraad, omvat.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 37, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Afdeling III. - De bevoegdheden van de deputatie.

  Art. 57.§ 1. De deputatie bereidt de beraadslagingen en de besluiten van de provincieraad voor.
  Zij voert haar eigen [2 beslissingen]2 en die van de raad uit. Ze kan een van de gedeputeerden daarmee belasten. Ze kan eveneens één of meer gedeputeerden belasten met een opdracht en het onderzoek van een zaak [1 , onder meer wat betreft het horen van betrokkenen bij een administratieve beroepsprocedure]1 .
  Ze beslist over alle zaken die tot het dagelijks bestuur van de provincie behoren.
  § 2. De deputatie oefent de bevoegdheden uit die eraan zijn toevertrouwd overeenkomstig artikel 43, § 1, of overeenkomstig andere wettelijke en decretale bepalingen.
  § 3. [2 De deputatie is bevoegd voor :
   1° de daden van beheer over de provinciale inrichtingen en eigendommen, binnen de door de provincieraad desgevallend vastgestelde algemene regels;
   2° het aanstellen en het ontslaan van het personeel, alsook de sanctie- en tuchtbevoegdheid ten aanzien van het personeel, onverminderd de bevoegdheid van de provincieraad overeenkomstig artikel 43, § 2, 7°, [4 ...]4 en de gevallen waarin die bevoegdheid door of krachtens de wet of het decreet aan de provincieraad is opgedragen;
   3° het financieel beheer, onverminderd de bevoegdheden van de provincieraad;
   4° het voeren van de gunningsprocedure, de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten;
   5° de vaststelling van de wijze van gunning en de voorwaarden van overheidsopdrachten als het gaat om een opdracht die past binnen het begrip dagelijks bestuur vermeld in artikel 43, § 2, 9°;
   6° de vaststelling van de wijze van gunning en de voorwaarden van overheidsopdrachten als de opdracht nominatief in het vastgestelde budget is opgenomen en de provincieraad de wijze van gunning en de voorwaarden niet zelf heeft vastgesteld;
   7° beslissingen die de wet, het decreet of het uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk aan de deputatie voorbehoudt;
   8° het stellen van daden van beschikking :
   a) met betrekking tot roerende goederen, met uitzondering van het aangaan van de dadingen;
   b) met betrekking tot onroerende goederen, voor zover de verrichting nominatief in het vastgestelde budget is opgenomen, met uitzondering van het aangaan van de dadingen;
  [3 c) met betrekking tot verhuring, concessie, pacht, jacht- en visrechten van meer dan negen jaar, behoudens het vaststellen van de contractvoorwaarden waarvoor de provincieraad bevoegd blijft;]3
   9° [3 het vertegenwoordigen van de provincie in gerechtelijke en buitengerechtelijke gevallen en beslissingen over het in rechte optreden namens de provincie, met behoud van artikel 186;]3
   10° het afsluiten van een afsprakennota als vermeld in artikel 84;
   11° het nemen van besluiten :
   a) voor het aangaan van leningen voor een periode langer dan één jaar;
   b) waarbij de financiële lasten van de opgenomen leningen worden herschikt door die lasten te spreiden over een kortere of gelijke periode;
   12° de vaste belegging van kapitalen voor een periode langer dan één jaar.]2
  § 4. De deputatie is verantwoordelijk voor de zorg voor het provinciearchief waaronder de titels.
  [3 § 4bis. De deputatie houdt een volledig en geactualiseerd overzicht bij van :
   1° alle extern verzelfstandigde agentschappen van de provincie, hun statuten en hun overeenkomsten met de provincie;
   2° alle verenigingen, stichtingen en vennootschappen waarin de provincie deelneemt;
   3° alle intergemeentelijke samenwerkingsverbanden waarvan de provincie deel uitmaakt, hun statuten en hun overeenkomsten met de provincie.
   Minstens eenmaal per jaar wordt de provincieraad in kennis gesteld van dit geactualiseerd overzicht met een toelichting over alle wijzigingen aan deze overzichtslijst die zich sinds de vorige toelichting hebben voorgedaan.]3
  § 5. Dit artikel doet geen afbreuk aan de bevoegdheden die overeenkomstig hoofdstuk III, afdeling II, aan de provinciegouverneur zijn toegekend.
  ----------
  (1)<DVR 2009-03-27/61, art. 105, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2009>
  (2)<DVR 2009-04-30/80, art. 38, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (3)<DVR 2012-06-29/11, art. 20, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>
  (4)<DVR 2016-06-03/04, art. 30, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  Art. 58.[1 Met behoud van de toepassing van artikel 155 en titel VII en behoudens bij uitdrukkelijke toewijzing van een bevoegdheid als vermeld in artikel 2, derde lid, aan de deputatie, kan de deputatie bij reglement de uitoefening van bepaalde bevoegdheden aan de provinciegriffier toevertrouwen.
  [3 De bevoegdheden van de deputatie, vermeld in het vierde lid en in artikel 57, § 1, eerste lid, en de op basis van artikel 57, § 2, gedelegeerde bevoegdheden door de provincieraad met betrekking tot het vaststellen van de rechtspositieregeling, het vaststellen van wat onder het begrip dagelijks personeelsbeheer moet worden verstaan, het aangaan van dadingen met personeelsleden naar aanleiding van een beëindiging van het dienstverband, die de gevolgen van de beëindiging van het dienstverband als voorwerp hebben, en de bevoegdheden, vermeld in artikel 57, § 3, 7°, 8°, b) en c), 9°, 10° en 11°, a), kunnen evenwel niet aan de provinciegriffier worden toevertrouwd.]3. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheden van de deputatie inzake financieel beheer, als vermeld in artikelen 151, 153, 155, § 2, eerste en tweede lid, en § 3, artikel 156, § 4, artikelen 157, 159, § 2, en artikel 164.
  [3 Met behoud van de toepassing van artikel 155 oefent de provinciegriffier de overeenkomstig het eerste lid toevertrouwde bevoegdheden persoonlijk uit. Met uitzondering van de bevoegdheden vermeld in artikel 73 en 78, vierde lid, kan de provinciegriffier de uitoefening van de hem gedelegeerde bevoegdheid toevertrouwen aan andere personeelsleden van de provincie.]3
   In afwijking van artikel 43 kan de deputatie in gevallen van dwingende en onvoorziene omstandigheden op eigen initiatief de bevoegdheden betreffende de vaststelling van de wijze van gunning en de voorwaarden van overheidsopdrachten, het voeren van de gunningsprocedure, de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten uitoefenen. Die bevoegdheid is niet voor delegatie vatbaar.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 39, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 21, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>
  (3)<DVR 2016-06-03/04, art. 31, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  HOOFDSTUK III. - De provinciegouverneur.

  Afdeling I. - De benoeming van de provinciegouverneur.

  Art. 59. De provinciegouverneur is commissaris van de Vlaamse Regering in de provincie, onverminderd zijn functie als commissaris van de federale Regering. Hij wordt, overeenkomstig artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, derde lid, BWHI, benoemd en afgezet door de Vlaamse Regering, op eensluidend advies van de ministerraad.
  De Vlaamse Regering stelt het statuut van de provinciegouverneur vast.
  De provinciegouverneur verblijft in de hoofdplaats van de provincie of op iedere andere plaats van de provincie die de Vlaamse Regering aanwijst na advies van de provincieraad.

  Art. 60. De volgende personen kunnen geen provinciegouverneur zijn :
  1° de magistraten, de plaatsvervangende magistraten en de griffier bij de hoven en de rechtbanken, de administratieve rechtscolleges en het Arbitragehof;
  2° de leden van het operationeel kader van de politiediensten;
  3° de personen die een ambt uitoefenen dat rechtstreeks onder het gezag staat van de provinciegouverneur, van de provincieraad of van de deputatie;
  4° de personen die in een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of functie uitoefenen, gelijkwaardig aan een ambt of functie, als vermeld in deze bepaling en de personen die in een lokale basisoverheid van een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of een mandaat uitoefenen dat gelijkwaardig is aan dat van provincieraadslid, lid van de deputatie of provinciegouverneur.

  Art. 61. Alvorens zijn ambt te aanvaarden legt de provinciegouverneur de volgende eed af voor de Vlaamse Regering : " Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. "
  De provinciegouverneur kan vrijwillig zijn ontslag indienen. Hij brengt de Vlaamse Regering hiervan aangetekend op de hoogte. Het ontslag wordt definitief zodra de Vlaamse Regering het aanvaard heeft.

  Art. 62. De provinciegouverneur kan geen enkel financieel voordeel verwerven uit zijn deelname aan raden van bestuur of andere vergaderingen van private vennootschappen of openbare instellingen.

  Afdeling II. - De bevoegdheden van de provinciegouverneur.

  Art. 63. De provinciegouverneur heeft het recht de beraadslagingen van de provincieraad bij te wonen. Hij krijgt het woord als hij het vraagt.
  De provinciegouverneur kan de provincieraad verzoeken om bepaalde aangelegenheden te behandelen. De provincieraad is gehouden over deze aangelegenheden te beslissen.

  Art. 64. De provinciegouverneur is bevoegd voor de uitvoering van de wetten, de decreten en de uitvoeringsbesluiten van de federale overheid het gewest of de gemeenschap, tenzij die bevoegdheid uitdrukkelijk aan een ander orgaan van de provincie is opgedragen.
  De provinciegouverneur informeert de provincieraad, als die daarom verzoekt, over de wijze waarop hij zijn bevoegdheid uitoefent.

  Art. 65. De provinciegouverneur is belast met de handhaving van de openbare orde in de provincie, overeenkomstig artikelen 128 en 129 van de Provinciewet.

  HOOFDSTUK IV. - De arrondissementscommissarissen.

  Art. 66.§ 1. De arrondissementscommissaris is een commissaris van de Vlaamse Regering, onverminderd zijn functie als commissaris van de federale Regering. Hij wordt, overeenkomstig artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, derde lid, BWHI, benoemd en afgezet door de Vlaamse Regering, op eensluidend advies van de ministerraad.
  De Vlaamse Regering bepaalt het aantal arrondissementscommissarissen en regelt hun rechtspositie.
  De arrondissementscommissarissen oefenen hun opdracht uit onder gezag van de provinciegouverneur.
  Alvorens hun ambt te aanvaarden, leggen de arrondissementscommissarissen de volgende eed af in handen van de provinciegouverneur : " Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. "
  Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 52 wijst de provinciegouverneur in geval van afwezigheid een arrondissementscommissaris [1 of een ambtenaar van niveau A van de Vlaamse overheid]1 aan om hem te vervangen.
  § 2. Onverminderd de toepassing van artikel 139bis van de Provinciewet op de bevoegdheden en de opdrachten van de provinciegouverneur die betrekking hebben op de politie, kan de provinciegouverneur de uitoefening van andere bevoegdheden of opdrachten die hem zijn toegekend, eveneens opdragen aan een of meer arrondissementscommissarissen.
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 22, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  HOOFDSTUK V. - Rechtspositie, tucht en aansprakelijkheid.

  Afdeling I. - Rechtspositie.

  Art. 67.[1 De provincieraad kent de eretitels toe aan de gedeputeerden onder de voorwaarden die hij bepaalt. De Vlaamse Regering bepaalt de ambtskledij en de onderscheidingstekens van de gedeputeerden.]1
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 23, 011; Inwerkingtreding : 18-10-2012>

  Art. 68.§ 1. De gedeputeerden genieten ten laste van de provincies een [1 vergoeding]1, waarvan het bedrag gelijk is aan de parlementaire vergoeding van de leden van het Vlaams Parlement.
  In geval van verhindering of schorsing overeenkomstig artikelen 48 en 69 wordt het aan het ambt verbonden salaris toegekend aan diegene die het verhinderde of geschorste lid van de deputatie vervangt. De verhinderde of geschorste gedeputeerde ontvangt geen salaris voor de periode van verhindering of schorsing.
  [1 Als een provincieraadslid een gedeputeerde vervangt gedurende minstens dertig opeenvolgende dagen, wordt hem, onverminderd het tweede lid, die vergoeding betaald. Als een provincieraadslid de vergoeding van de gedeputeerde ontvangt, vervalt die van de gedeputeerde.]1
  § 2. De gedeputeerden ontvangen een forfaitaire onkostenvergoeding die alle kosten, verbonden aan de uitoefening van het ambt, dekt. Het bedrag van de onkostenvergoeding is gelijk aan de forfaitaire vergoeding die voor de in het raam van het mandaat van Vlaamse volksvertegenwoordiger gemaakte kosten wordt toegekend.
  Gedeputeerden die buiten de provinciehoofdplaats verblijven, ontvangen evenwel een reiskostenvergoeding overeenkomstig de door de provincieraad vastgestelde regels.
  [1 Diegene die een gedeputeerde vervangt, met toepassing van § 1, tweede of derde lid, ontvangt de forfaitaire onkostenvergoeding vermeld in het eerste lid. In voorkomend geval heeft hij recht op de reiskostenvergoeding vermeld in het tweede lid. De gedeputeerde heeft dan, voor de duur van de vervanging, geen recht op een forfaitaire onkostenvergoeding, noch op een reiskostenvergoeding.]1
  § 3. De gedeputeerden mogen, buiten de in dit artikel vastgestelde vergoedingen, geen bijkomende vergoedingen genieten ten laste van de provincie en de extern verzelfstandigde agentschappen van de provincie [1 en hun filialen]1 , om welke reden of onder welke benaming ook.
  § 4. Het bedrag van de vergoedingen, salarissen of presentiegelden die gedeputeerden ontvangen als bezoldiging voor naast hun mandaat als gedeputeerde uitgeoefende activiteiten, mag de helft van het bedrag van [1 de in § 1 vastgestelde vergoeding]1 niet overschrijden. Voor de berekening van dat bedrag komen de vergoedingen, de salarissen of de presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard, in aanmerking.
  Als de grens vastgesteld in het eerste lid, wordt overschreden, wordt de som van de in het voorgaande lid vermelde vergoedingen, salarissen of presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard, verminderd tot het passende beloop. [1 Onder vergoedingen, salarissen en presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard dienen te worden begrepen :
   1° presentiegelden ontvangen als lid van de gemeenteraad, als lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en als lid van de bestuursorganen van gemeentelijk extern verzelfstandigde agentschappen en hun filialen;
   2° presentiegelden ontvangen als lid van bestuursorganen van een intergemeentelijk samenwerkingsverband als vermeld in het decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking;
   3° presentiegelden ontvangen als lid van bestuursorganen van sociale huisvestingsmaatschappijen als vermeld in het decreet houdende de Vlaamse Wooncode;
   4° presentiegelden ontvangen als lid van bestuursorganen van de rechtspersonen als vermeld in artikel 195 van het Gemeentedecreet;
   5° presentiegelden ontvangen als lid van bestuursorganen van rechtspersonen als vermeld in artikel 188;
   6° presentiegelden ontvangen als lid van bestuursorganen van rechtspersonen als bedoeld in titel VIII, hoofdstukken I, II en III, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]1
  [1 ...]1
  § 5. Er wordt een uittredingsvergoeding toegekend aan de gedeputeerden die hun mandaat beëindigen, onder dezelfde voorwaarden als de uittredingsvergoeding van de leden van het Vlaams Parlement.
  § 6. De gewezen gedeputeerden of hun rechtverkrijgende ontvangen een pensioen waarvan de provincieraad de voorwaarden en de wijze van toekenning vaststelt, zoals bepaald in artikel 105, § 5, van de Provinciewet.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 68. § 1. De gedeputeerden genieten ten laste van de provincies een [1 vergoeding]1, waarvan het bedrag gelijk is aan de parlementaire vergoeding van de leden van het Vlaams Parlement.
  In geval van verhindering of schorsing overeenkomstig artikelen 48 en 69 wordt het aan het ambt verbonden salaris toegekend aan diegene die het verhinderde of geschorste lid van de deputatie vervangt. De verhinderde of geschorste gedeputeerde ontvangt geen salaris voor de periode van verhindering of schorsing.
  [1 Als een provincieraadslid een gedeputeerde vervangt gedurende minstens dertig opeenvolgende dagen, wordt hem, onverminderd het tweede lid, die vergoeding betaald. Als een provincieraadslid de vergoeding van de gedeputeerde ontvangt, vervalt die van de gedeputeerde.]1
  § 2. De gedeputeerden ontvangen een forfaitaire onkostenvergoeding die alle kosten, verbonden aan de uitoefening van het ambt, dekt. Het bedrag van de onkostenvergoeding is gelijk aan de forfaitaire vergoeding die voor de in het raam van het mandaat van Vlaamse volksvertegenwoordiger gemaakte kosten wordt toegekend.
  Gedeputeerden die buiten de provinciehoofdplaats verblijven, ontvangen evenwel een reiskostenvergoeding overeenkomstig de door de provincieraad vastgestelde regels.
  [1 Diegene die een gedeputeerde vervangt, met toepassing van § 1, tweede of derde lid, ontvangt de forfaitaire onkostenvergoeding vermeld in het eerste lid. In voorkomend geval heeft hij recht op de reiskostenvergoeding vermeld in het tweede lid. De gedeputeerde heeft dan, voor de duur van de vervanging, geen recht op een forfaitaire onkostenvergoeding, noch op een reiskostenvergoeding.]1
  § 3. De gedeputeerden mogen, buiten de in dit artikel vastgestelde vergoedingen, geen bijkomende vergoedingen genieten ten laste van de provincie en de extern verzelfstandigde agentschappen van de provincie [1 en hun filialen]1 , om welke reden of onder welke benaming ook.
  § 4. Het bedrag van de vergoedingen, salarissen of presentiegelden die gedeputeerden ontvangen als bezoldiging voor naast hun mandaat als gedeputeerde uitgeoefende activiteiten, mag de helft van het bedrag van [1 de in § 1 vastgestelde vergoeding]1 niet overschrijden. Voor de berekening van dat bedrag komen de vergoedingen, de salarissen of de presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard, in aanmerking.
  Als de grens vastgesteld in het eerste lid, wordt overschreden, wordt de som van de in het voorgaande lid vermelde vergoedingen, salarissen of presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard, verminderd tot het passende beloop. [1 Onder vergoedingen, salarissen en presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard dienen te worden begrepen :
   1° presentiegelden ontvangen als lid van de gemeenteraad, als lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en als lid van de bestuursorganen van gemeentelijk extern verzelfstandigde agentschappen en hun filialen;
   2° presentiegelden ontvangen als lid van bestuursorganen van een intergemeentelijk samenwerkingsverband als vermeld in het decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking;
   3° presentiegelden ontvangen als lid van bestuursorganen van sociale huisvestingsmaatschappijen als vermeld in het decreet houdende de Vlaamse Wooncode;
   4° presentiegelden ontvangen als lid van bestuursorganen van de rechtspersonen als vermeld in artikel 195 van het Gemeentedecreet;
   5° presentiegelden ontvangen als lid van bestuursorganen van rechtspersonen als vermeld in artikel 188;
   6° presentiegelden ontvangen als lid van bestuursorganen van rechtspersonen als bedoeld in titel VIII, hoofdstukken I, II en III, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]1
  [1 ...]1
  § 5. [2 Er wordt een uittredingsvergoeding toegekend aan de gedeputeerden die hun mandaat beëindigen. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van betaling, de toekenningsvoorwaarden en de duur van de uittredingsvergoeding binnen de hierna bepaalde grenzen :
   - een maand uittredingsvergoeding per gepresteerd jaar, met een maximum van twaalf maanden;
   - de vergoeding wordt niet uitgekeerd aan uittredende mandatarissen die worden verkozen of benoemd tot burgemeester of schepen, voorzitter of ondervoorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, provinciegouverneur, ambassadeur, lid van het parlement, lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, minister of staatssecretaris, lid van het Grondwettelijk Hof en evenmin aan uittredende mandatarissen die een bezoldigd ambt hebben aanvaard in een internationale of parastatale instelling;
   - de uittredingsvergoeding vervalt indien de betrokkene een beroepsinkomen verwerft.
   Hierbij kan de betrokkene aanvragen het verschil bij te passen indien dit inkomen lager zou liggen dan de uittredingsvergoeding.]2
  § 6. De gewezen gedeputeerden of hun rechtverkrijgende ontvangen een pensioen waarvan de provincieraad de voorwaarden en de wijze van toekenning vaststelt, zoals bepaald in artikel 105, § 5, van de Provinciewet.

  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 40, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 24, 011; Inwerkingtreding : 03-12-2018>

  Art. 68bis. [1 § 1. De gedeputeerde die wegens een handicap niet zelfstandig zijn mandaat kan vervullen, kan zich voor de uitoefening van dat mandaat laten bijstaan door een vertrouwenspersoon, gekozen uit de personen die de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die legaal binnen de Europese Unie verblijven, en zich niet bevinden in een van de volgende gevallen :
   1° een situatie als vermeld in artikel 47, meer bepaald wat betreft de verwijzing naar artikel 11, met uitzondering van het verbod in verband met bloed- en aanverwantschap ten aanzien van de gedeputeerde met een handicap;
   2° een situatie als vermeld in artikel 48.
   § 2. Voor de toepassing van § 1 bepaalt de Vlaamse Regering de criteria tot vaststelling van de hoedanigheid van een gedeputeerde met een handicap.
   § 3. Bij het verlenen van de bijstand krijgt de vertrouwenspersoon dezelfde middelen ter beschikking en heeft hij dezelfde verplichtingen als een provincieraadslid, maar hij is niet gehouden tot de eedaflegging. Hij heeft voor elke vergadering eveneens recht op presentiegeld onder dezelfde voorwaarden als een provincieraadslid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2009-04-30/80, art. 41, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Afdeling II. - Tucht.

  Art. 69.De Vlaamse Regering kan een gedeputeerde [2 ...]2 schorsen of afzetten wegens kennelijk wangedrag of grove nalatigheid. De betrokken persoon wordt vooraf gehoord. De Vlaamse Regering stelt hiervoor de nadere procedureregels vast.
  [1 De afgezette gedeputeerde [2 ...]2 kan pas na verloop van twee jaar opnieuw worden aangesteld in een functie van gedeputeerde of voorzitter van de provincieraad.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 42, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 25, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Afdeling III. - Aansprakelijkheid.

  Art. 70. [1 § 1. Naargelang van de aard van de uitgeoefende bevoegdheid is de federale staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest of de provincie burgerrechtelijk aansprakelijk voor de schade die de gedeputeerde aan derden berokkent bij de normale uitoefening van zijn mandaat. Ingeval de gedeputeerde bij de normale uitoefening van zijn mandaat schade berokkent aan de provincie of aan derden, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is hij enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.
   § 2. De gedeputeerde tegen wie een vordering tot schadevergoeding is ingesteld voor de burgerlijke rechter of de strafrechter naar aanleiding van schade die hij bij de normale uitoefening van zijn mandaat aan derden heeft berokkend, brengt, naargelang van de aard van de uitgeoefende bevoegdheid, de federale staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest of de provincie daarvan op de hoogte. Hij kan naargelang van de aard van de uitgeoefende bevoegdheid de federale staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest of de provincie in het geding betrekken. De federale staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest of de provincie kunnen vrijwillig tussenkomen.
   § 3. De vermelde rechtspersonen kunnen beslissen dat de schade slechts gedeeltelijk moet worden vergoed.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 43, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 71. [1 Behalve in geval van herhaling is, naargelang van de aard van de uitgeoefende bevoegdheid, de federale staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest of de provincie burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe de gedeputeerde wordt veroordeeld wegens een misdrijf, begaan bij de normale uitoefening van zijn mandaat, met uitzondering van de misdrijven, begaan door een persoonlijke inbreuk op de verkeersreglementering.
   De regresvordering van de rechtspersonen, vermeld in het eerste lid, ten aanzien van de gedeputeerde is beperkt tot de gevallen van bedrog, zware schuld of lichte schuld als die bij hem gewoonlijk voorkomen.
   De rechtspersonen, vermeld in het eerste lid, kunnen beslissen dat de geldboete slechts gedeeltelijk moet worden vergoed.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 44, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 72. De provincie sluit een verzekering af om de burgerlijke aansprakelijkheid, met inbegrip van de rechtsbijstand, te dekken die persoonlijk ten laste komt van de gedeputeerden bij de normale uitoefening van hun mandaat.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering [1 van het eerste lid]1 .
  [1 De provincie sluit tevens een verzekering af voor ongevallen van de gedeputeerde overkomen in het kader van de normale uitoefening van zijn mandaat.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 45, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Afdeling IV [1 Mandatendatabank]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2012-06-29/11, art. 26, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 72bis. [1 De Vlaamse Regering legt een databank aan die gegevens bevat over de mandatarissen van de provincie. Die databank bevat de voornaam, de achternaam, het geslacht, de geboortedatum, het rijksregisternummer, de naam van de lijst waarop de mandataris als provincieraadslid is verkozen, de naam van de fractie waartoe hij behoort, of, in voorkomend geval, de melding dat hij als onafhankelijke zetelt, alsook, in voorkomend geval, de bevoegdheden die hij toegewezen krijgt, en de begin- en einddatum van zijn mandaat.
   De gegevens van de mandatarissen zullen publiek toegankelijk zijn tot aan de algehele vernieuwing van de provincieraad, met uitzondering van de geboortedatum en het rijksregisternummer van de betrokken mandataris.
   De Vlaamse Regering regelt de nadere uitvoering van dit artikel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2012-06-29/11, art. 26, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  HOOFDSTUK VI. - De provinciale diensten.

  Afdeling I. - Algemene bepaling.

  Art. 73. De provincieraad stelt het organogram van de provinciale diensten vast.
  [1 Het organogram geeft de organisatiestructuur van de provinciale diensten weer, geeft de gezagsverhoudingen aan en duidt de functies aan waaraan het lidmaatschap van het managementteam is verbonden.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 46, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Afdeling II. - De provinciegriffier, de financieel beheerder en het managementteam.

  Onderafdeling I. - Gemeenschappelijke belangen.

  Art. 74. Er is in elke provincie een provinciegriffier en een financieel beheerder.
  De ambten, vermeld in het eerste lid, worden uitgeoefend door personeelsleden van de provincie.

  Art. 75. Voor ze het ambt opnemen, leggen de personeelsleden, vermeld in artikel 74, tijdens een openbare vergadering van de provincieraad de volgende eed af in handen van de voorzitter : " Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. "
  Een personeelslid als vermeld in het eerste lid, dat zonder wettige reden de eed niet aflegt nadat het met een aangetekende brief uitgenodigd is om de eed af te leggen op de eerstvolgende vergadering van de provincieraad, wordt geacht zijn aanstelling niet te aanvaarden. De weigering tot eedaflegging staat gelijk met het verzaken aan de aanstelling.

  Art. 76. Het ambt van provinciegriffier en financieel beheerder is onverenigbaar met andere ambten binnen dezelfde provincie.
  Het ambt van provinciegriffier en financieel beheerder is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid, belast met het bestuurlijk toezicht of met taken van externe audit bij de provincies. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast.

  Art. 77. Het is voor de provinciegriffier en de financieel beheerder verboden zelf of door een tussenpersoon daden van koophandel te stellen in de zin van artikel 2 van het Wetboek van koophandel [1 met uitzondering van daden van koophandel in het kader van de voogdij, de curatele over onbekwamen, en de opdrachten die in naam van de provincie in private ondernemingen of verenigingen worden uitgevoerd]1 .
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 47, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 78.[1 De provincieraad regelt de vervanging van de provinciegriffier en de financieel beheerder bij hun afwezigheid of verhindering.
   Er wordt in elk geval in een waarneming van het ambt van provinciegriffier of financieel beheerder voorzien als de afwezigheid of verhindering van de provinciegriffier of de financieel beheerder langer dan honderdtwintig dagen duurt of bij vacature van het ambt.
   De waarnemend provinciegriffier en de waarnemend financieel beheerder oefenen alle bevoegdheden uit die aan dat ambt verbonden zijn.
   De provincieraad kan de effectieve aanstelling van een waarnemend griffier of financieel beheerder toevertrouwen aan de deputatie en aan de functiehouder van het ambt]1Art. 79.
  <Opgeheven bij DVR 2016-06-03/04, art. 33, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  Art. 80. De provincieraad stelt de provinciegriffier en de financieel beheerder aan binnen zes maanden nadat het ambt vacant is geworden. [1 Die termijn kan eenmaal worden verlengd met maximaal zes maanden, voor zover de wervings- en/of bevorderingsprocedure is opgestart of als die procedure geen geslaagde kandidaat heeft opgeleverd.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 50, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 81. De provincieraad kan een nieuwe provinciegriffier aanstellen voor de uittredende provinciegriffier zijn ambt beëindigt. De nieuwe provinciegriffier kan op zijn vroegst zes maanden voor de beëindiging van het ambt van de uittredende provinciegriffier in dienst treden.
  De nieuwe provinciegriffier staat de uittredende provinciegriffier bij in de vervulling van zijn taken en de uitoefening van zijn bevoegdheden. Bij de beëindiging van het ambt van de uittredende provinciegriffier neemt de nieuwe provinciegriffier het ambt van provinciegriffier op.
  Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de financieel beheerder.

  Art. 82. Artikel 27, § 2, is van overeenkomstige toepassing op de provinciegriffier en de financieel beheerder.
  [1 De provinciegriffier kan geen vakbondsafgevaardigde zijn in het provinciebestuur en de instellingen die van dat provinciebestuur afhangen.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 51, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Onderafdeling II. - De provinciegriffier.

  Art. 83. De provinciegriffier staat in voor de algemene leiding van de provinciale diensten.
  Behoudens wat de personeelsleden van de provincie betreft die tewerkgesteld zijn bij een provinciaal intern verzelfstandigd agentschap, staat de provinciegriffier aan het hoofd van het provinciepersoneel en is hij bevoegd voor het dagelijkse personeelsbeheer. [1 De provincieraad bepaalt wat onder het begrip dagelijks personeelsbeheer moet worden verstaan.]1
  Hij rapporteert aan de deputatie.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 52, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 84.§ 1. De provinciegriffier staat in voor de werking van de provinciale diensten inzake de voorbereiding, de uitvoering en de ambtelijke voorbereiding van de evaluatie van het beleid. De provinciegriffier volgt de onderrichtingen die hem worden gegeven door de provincieraad, de voorzitter van de provincieraad, de deputatie of de provinciegouverneur in zijn hoedanigheid van voorzitter van de deputatie, naar gelang van hun respectievelijke bevoegdheden, tenzij anders bepaald in de afsprakennota, vermeld in § 2.
  Hij staat in voor de interne controle op de werking van de provinciale diensten, overeenkomstig artikelen [1 95, 96 en 97]1 .
  § 2. Ten minste na iedere volledige vernieuwing van de provincieraad sluit de provinciegriffier mede namens het managementteam een afsprakennota met de deputatie over de wijze waarop de provinciegriffier en de overige leden van het managementteam met de deputatie samenwerken om de beleidsdoelstellingen te realiseren, en over de omgangsvormen tussen bestuur en administratie.
  In die afsprakennota wordt bepaald op welke wijze de provinciegriffier de bevoegdheden uitoefent die de deputatie overeenkomstig artikel 58 [1 , of overeenkomstig artikel 155,]1 aan hem heeft gedelegeerd.
  § 3. De provinciegriffier bereidt de zaken voor die aan de provincieraad, aan de provincieraadscommissies, en aan de deputatie worden voorgelegd.
  § 4. De provinciegriffier zorgt in overleg met het managementteam voor het opstellen van het voorontwerp van :
  1° het organogram;
  2° [2 ...]2;
  3° de rechtspositieregeling van het personeel;
  4° de strategische nota van het meerjarenplan en de herziening ervan;
  5° de beleidsnota van het budget;
  6° de verklarende nota van een budgetwijziging;
  [1 7° de verklarende nota van een interne kredietaanpassing.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 53, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2016-06-03/04, art. 34, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  Art. 85. De provinciegriffier woont de vergaderingen bij van de provincieraad en van de deputatie. Hij kan de vergaderingen van de provincieraadscommissies bijwonen.
  De provinciegriffier adviseert de provincieraad, en de deputatie op beleidsmatig, bestuurskundig en juridisch vlak. Hij herinnert in voorkomend geval aan de geldende rechtsregels, vermeldt de feitelijke gegevens waarvan hij kennis heeft en zorgt ervoor dat de door de regelgeving voorgeschreven vermeldingen in de beslissingen worden opgenomen.
  Artikel 27, § 1, is van overeenkomstige toepassing op de provinciegriffier.

  Art. 86. De provinciegriffier organiseert de behandeling van de briefwisseling.
  Onverminderd artikel 57, § 4, organiseert hij het beheer van het archief waaronder de titels.

  Art. 87. De provinciegriffier oefent de bevoegdheden uit die overeenkomstig artikel 58 of overeenkomstig andere wettelijke of decretale bepalingen aan hem zijn toevertrouwd.

  Art. 88.De provinciegriffier kan de uitoefening van het dagelijkse personeelsbeheer toevertrouwen aan [1 andere personeelsleden.]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-06-03/04, art. 35, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  Onderafdeling III. - De financieel beheerder.

  Art. 89. De financieel beheerder staat onder de functionele leiding van de provinciegriffier in voor :
  1° het opstellen, in overleg met het managementteam, van :
  a) het voorontwerp van de financiële nota van het meerjarenplan en van de jaarlijkse herziening ervan;
  b) het voorontwerp van de financiële nota van het jaarlijkse budget en van de budgetwijzigingen;
  c) het voorontwerp van de interne kredietaanpassingen;
  2° het voeren en het afsluiten van de boekhouding en het opmaken van de boekhoudkundige inventaris, [1 de jaarrekeningen]1 en de geconsolideerde jaarrekening;
  3° het verzorgen van financiële analyse en financiële beleidsadvisering in de ruimste zin;
  4° [1 het thesauriebeheer, met uitzondering van het kasbeheer]1.
  [1 De financieel beheerder rapporteert aan de provinciegriffier over de taken, vermeld in het eerste lid.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 55, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 90.De financieel beheerder staat in volle onafhankelijkheid in voor :
  1° de voorafgaande [1 krediet- en wetmatigheidscontrole]1 van de beslissingen van de provincie met budgettaire en financiële impact, overeenkomstig de voorwaarden, vastgesteld in titel IV;
  2° het debiteurenbeheer, inzonderheid de invordering van de fiscale en niet-fiscale ontvangsten.
  [1 Met het oog op de invordering van onbetwiste en opeisbare niet-fiscale schuldvorderingen kan de financieel beheerder een dwangbevel uitvaardigen, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de deputatie. Een dergelijk dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot. Dat exploot stuit de verjaring. Een bevel kan door de deputatie alleen worden geviseerd en uitvoerbaar verklaard als de schuld opeisbaar, vaststaand en zeker is. De schuldenaar moet bovendien vooraf aangemaand zijn met een aangetekende brief. [2 De provincie kan administratieve kosten aanrekenen voor deze aangetekende brief. Deze kosten vallen ten laste van de schuldenaar en kunnen eveneens ingevorderd worden via het dwangbevel.]2 Schulden van een publieke rechtspersoon kunnen nooit via een dwangbevel worden ingevorderd. Verzet kan tegen dat exploot worden ingediend binnen één maand na de betekening ervan bij verzoekschrift of door een dagvaarding ten gronde.]1
  Met betrekking tot de vervulling van de opdrachten, bedoeld in dit artikel, rapporteert de financieel beheerder in volle onafhankelijkheid aan de deputatie en aan de provincieraad.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 56, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 28, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 91. De financieel beheerder oefent de taken [1 ...]1 uit die door of krachtens de wet of het decreet aan de provincieontvanger werden toevertrouwd. Hij staat in voor de uitvoering van de betalingen [1 van de girale uitgaven]1 , na uitdrukkelijke betalingsopdracht van de provinciegriffier overeenkomstig artikel 159.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Onderafdeling IV. - Het managementteam.

  Art. 92.Er is in elke provincie een managementteam.
  Het managementteam bestaat uit de provinciegriffier, de financieel beheerder en, desgevallend, de personeelsleden die andere functies vervullen waaraan het organogram het lidmaatschap van het managementteam verbindt.
  [1 De gedeputeerde met de hoogste rang, of een andere gedeputeerde aangeduid door de gedeputeerde met de hoogste rang, maakt met raadgevende stem deel uit van het managementteam.]1
  [2 ...]2.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 58, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2016-06-03/04, art. 36, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  Art. 93. Het managementteam vergadert geregeld onder het voorzitterschap van de provinciegriffier.

  Art. 94. Het managementteam ondersteunt de coördinatie van de provinciale diensten bij de beleidsvoorbereiding, de beleidsuitvoering en de beleidsevaluatie. Het managementteam bewaakt de eenheid in de werking, de kwaliteit van de organisatie en de werking van de provinciale diensten, alsook de interne communicatie.

  Afdeling III. - Interne controle.

  Art. 95. [1 De provincies zijn belast met de interne controle van hun activiteiten.
   Interne controle is het geheel van maatregelen en procedures die ontworpen zijn om een redelijke zekerheid te verschaffen over :
   1° het bereiken van de doelstellingen;
   2° het naleven van wetgeving en procedures;
   3° de beschikbaarheid van betrouwbare financiële en beheersinformatie;
   4° het efficiënt en economisch gebruik van middelen;
   5° de bescherming van activa;
   6° het voorkomen van fraude.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 59, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 96. § 1. De provinciegriffier stelt het interne controlesysteem vast, na overleg met het managementteam. [1 Het algemene kader van het interne controlesysteem is onderworpen aan de goedkeuring van de provincieraad.]1
  Het interne controlesysteem bepaalt op welke wijze de interne controle wordt georganiseerd, met inbegrip van de te nemen controlemaatregelen en -procedures en de aanwijzing van de personeelsleden die ervoor verantwoordelijk zijn, en de rapporteringsverplichtingen van de personeelsleden die bij het systeem van interne controle betrokken zijn.
  § 2. Het interne controlesysteem beantwoordt minstens aan het principe van functiescheiding waar mogelijk en is verenigbaar met de continuïteit van de werking van de provinciale diensten.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 60, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 97. Onverminderd de opdrachten inzake interne controle die krachtens dit decreet of door de provincieraad aan andere organen of personeelsleden worden opgedragen, staat de provinciegriffier in voor de organisatie en de werking van het interne controlesysteem. Hij rapporteert daarover jaarlijks aan de deputatie en aan de provincieraad.
  De provinciegriffier brengt het personeel op de hoogte van het interne controlesysteem, alsook van de wijzigingen ervan.

  TITEL III. - Personeel.

  HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.

  Art. 98. Deze titel is van toepassing op de leden van het provinciepersoneel, onder voorbehoud van de toepassing van de bijzondere regelingen die in titel II, hoofdstuk VI, of door of krachtens andere wettelijke of decretale bepalingen zijn vastgesteld.
  [1 Voor het personeel van de provincie, ingezet in een of meer provinciale onderwijsinstellingen en/of centra voor leerlingenbegeleiding, dat een ambt uitoefent in een van de personeelscategorieën zoals vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, en dat geheel of gedeeltelijk buiten het toepassingsgebied valt van dat decreet, bepaalt de provincieraad de eventuele afwijkingen van de rechtspositieregeling, bedoeld in artikel 101, § 2, rekening houdend met hun opdracht in de onderwijsinstellingen en/of centra voor leerlingenbegeleiding. Die afwijkingen moeten in overeenstemming zijn met de decreten en besluiten betreffende het onderwijs.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 61, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  HOOFDSTUK II. - De personeelsformatie.

  Art. 99. De provincieraad stelt de personeelsformatie vast. De personeelsformatie bevat de opsomming van het aantal en de soorten betrekkingen, met uitzondering van de betrekkingen in contractueel dienstverband ter uitvoering van de werkgelegenheidsmaatregelen van de hogere overheden.
  De personeelsformatie maakt in voorkomend geval een duidelijk onderscheid tussen het personeel dat in de provinciale diensten tewerkgesteld is enerzijds, en het (kabinets- en fractiepersoneel), vermeld in artikel 100, § 3, anderzijds. <Erratum, zie B.St. 05-12-2008, p. 64850>
  [1 Voor de gevallen, vermeld in artikel 100, § 2, 1°, kan de aanstellende overheid aanwerven buiten de personeelsformatie.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 62, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  HOOFDSTUK III. - De rechtspositie van het personeel.

  Afdeling I. - Algemene bepaling.

  Art. 100.§ 1. [1 Het personeel van de provincies kan in statutair of in contractueel dienstverband worden aangesteld.]1
  § 2. [1 ...]1.
  § 3. Binnen de grenzen die de Vlaamse Regering bepaalt, kan de provincie personeel in contractueel verband in dienst nemen om te voorzien in de personeelsbehoeften van het kabinet van de provinciegouverneur of van de gedeputeerden, of van de fracties in de provincieraad. Die personeelsleden worden, naar gelang van het geval, kabinetsof fractiepersoneel genoemd.
  De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de aanwerving of terbeschikkingstelling van het kabinets- en fractiepersoneel.
  ----------
  (1)<DVR 2016-06-03/04, art. 38, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  Art. 100bis. [1 Met behoud van de toepassing van artikel 224 en 240 en voor zover dat nader bepaald wordt in de rechtspositieregeling, kunnen personeelsleden in statutair dienstverband ter beschikking gesteld worden aan:
   1° een andere overheid;
   2° een vereniging zonder winstoogmerk in de zin van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, waarin de provincie niet deelneemt en waarvan de activiteit verband houdt met een provinciaal belang.
   De terbeschikkingstelling is tijdelijk en gebeurt op basis van een overeenkomst tussen de provincie en de overheid of de vereniging zonder winstoogmerk, waaraan het personeel ter beschikking gesteld wordt.
   De aanstellende overheid beslist, in overeenstemming met de rechtspositieregeling, over de individuele terbeschikkingstelling van het personeelslid en sluit de overeenkomst van terbeschikkingstelling af.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2016-06-03/04, art. 39, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>
  

  Afdeling II. - De rechtspositieregeling.

  Art. 101.[1 De provincieraad stelt de rechtspositieregeling van het personeel vast.]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-06-03/04, art. 40, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  Afdeling III. - [1 Eedaflegging van het personeel]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-06-03/04, art. 41, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  Art. 102.[2 ...]2.
  [2 ...]2.
  Onverminderd artikel 75 leggen de personeelsleden van de provincie de volgende eed af in handen van de [1 een gedeputeerde aangeduid door de deputatie of de provinciegriffier]1 : " Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. " De weigering tot eedaflegging staat gelijk met verzaking van de aanstelling. [1 Van de eedaflegging of de weigering ervan wordt er een proces-verbaal opgemaakt.]1
  [1 De provinciegriffier kan zijn bevoegdheid verder delegeren aan een van de leden van het managementteam, vermeld in het artikel 92, tweede lid.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 63, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2016-06-03/04, art. 42, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  Afdeling IV. - Deontologische rechten en plichten.

  Art. 103. § 1. De personeelsleden oefenen hun ambt op een loyale en correcte wijze uit.
  De personeelsleden zetten zich op een actieve en constructieve wijze in voor de realisatie van de opdracht en de doelstellingen van de provincie.
  § 2. De personeelsleden respecteren de persoonlijke waardigheid van iedereen.

  Art. 104. § 1. De personeelsleden hebben spreekrecht ten aanzien van derden met betrekking tot de feiten waarvan zij kennis hebben uit hoofde van hun ambt.
  Onder voorbehoud van de toepassing van de regelgeving inzake openbaarheid van bestuur is het voor hen verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op :
  1° de veiligheid van het land;
  2° de bescherming van de openbare orde;
  3° de financiële belangen van de overheid;
  4° het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten;
  5° het medische geheim;
  6° het vertrouwelijke karakter van commerciële, intellectuele en industriële gegevens;
  7° het vertrouwelijke karakter van de beraadslagingen.
  Het is voor hen verboden feiten bekend te maken als dat een inbreuk vormt op de rechten en de vrijheden van de burger, in het bijzonder op het privé-leven, tenzij de betrokkene toestemming heeft verleend om de gegevens die op haar of hem betrekking hebben, openbaar te maken.
  Deze paragraaf geldt eveneens voor personeelsleden die hun ambt hebben beëindigd.
  § 2. De personeelsleden die in de uitoefening van hun ambt nalatigheden, misbruiken of misdrijven vaststellen, brengen een hiërarchische meerdere hiervan onmiddellijk op de hoogte.

  Art. 105. De personeelsleden behandelen de gebruikers van hun dienst welwillend en zonder enige discriminatie.
  De personeelsleden mogen, zelfs buiten hun ambt, noch rechtstreeks noch via een tussenpersoon, giften, beloningen of enig ander voordeel dat verband houdt met het ambt, vragen, eisen of aannemen.

  Art. 106. De hoedanigheid van personeelslid is onverenigbaar met elke activiteit die het personeelslid zelf of via een tussenpersoon verricht en waardoor :
  1° de ambtsplichten niet kunnen worden vervuld;
  2° de waardigheid van het ambt in het gedrang komt;
  3° de eigen onafhankelijkheid wordt aangetast;
  4° een belangenconflict ontstaat.
  [1 De personeelsleden mogen geen vergoedingen, wedden, toelagen, presentiegelden of andere tegenprestaties ontvangen van de rechtspersonen waarin zij de provincie vertegenwoordigen.
   De bepalingen, vermeld in artikel 27, § 1 en § 2, met uitzondering van 4°, en artikel 30, § 4, zijn eveneens van toepassing op de provinciale personeelsleden.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 64, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 107. De personeelsleden hebben recht op informatie en vorming zowel met betrekking tot aspecten die nuttig zijn voor de uitoefening van de functie als om te kunnen voldoen aan de bevorderingsvereisten.
  De personeelsleden zorgen ervoor dat ze op de hoogte zijn van de ontwikkelingen en de nieuwe inzichten in de materies waarmee zij beroepshalve belast zijn.
  De vorming is een plicht als ze noodzakelijk blijkt voor een betere uitoefening van de functie of het functioneren van een dienst, of als ze een onderdeel uitmaakt van een herstructurering of reorganisatie van een afdeling of een implementatie van nieuwe werkmethodes en infrastructuur.

  Art. 108. De provincieraad stelt een deontologische code voor het provinciepersoneel vast. Die concretiseert de bepalingen van deze afdeling en kan aanvullende deontologische rechten en verplichtingen opnemen.

  Afdeling V. - De evaluatie van het personeel.

  Art. 109.
  <Opgeheven bij DVR 2016-06-03/04, art. 43, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  Art. 110.
  <Opgeheven bij DVR 2016-06-03/04, art. 44, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  Art. 111.[1 [2 De personeelsleden hebben recht op opvolging en feedback, al dan niet door middel van een evaluatie, over hun wijze van functioneren. De personeelsleden worden opgevolgd en, in voorkomend geval, geëvalueerd op ambtelijk niveau.]2
   De ombudsman wordt echter [2 in voorkomend geval]2 geëvalueerd door een bijzondere provincieraadscommissie, samengesteld overeenkomstig artikel 39, § 3. Die commissie wordt voorgezeten door de voorzitter van de provincieraad.
   De provinciegriffier en de financieel beheerder worden echter geëvalueerd door een evaluatiecomité, bestaande uit de deputatie en de voorzitter van de provincieraad. Die evaluatie vindt plaats op basis van een voorbereidend rapport, opgesteld door externe deskundigen in het personeelsbeleid. Het voorbereidend rapport wordt opgemaakt op basis van een evaluatiegesprek tussen de externe deskundigen en de functiehouder en op basis van een onderzoek over de wijze van functioneren van de functiehouder, waarbij de leden van het managementteam en de voorzitters van de deputatie en van de provincieraad betrokken worden. Het evaluatiecomité stemt over het evaluatieresultaat gunstig of ongunstig. Bij staking van stemmen is het evaluatieresultaat gunstig.]1
  [2 Het ontslag wegens beroepsongeschiktheid ingevolge het ontoereikend functioneren van het personeelslid, is niet mogelijk zonder voorafgaande evaluatie.]2
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 29, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>
  (2)<DVR 2016-06-03/04, art. 45, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  HOOFDSTUK IV. - Verdere uitvoeringsmaatregelen.

  Art. 112.[1 De Vlaamse Regering stelt minimale voorwaarden vast voor minstens de volgende aspecten van de rechtspositieregeling van het provinciepersoneel:
   1° de bezoldigingsregeling en de salarisschalen;
   2° de toekenning van toelagen en vergoedingen;
   3° de dienstbeëindiging, het verlies van de hoedanigheid van statutair personeelslid en de definitieve ambtsneerlegging van het statutaire personeelslid;
   4° het verlof en de afwezigheden.
   De Vlaamse Regering neemt de nodige maatregelen voor de externe mobiliteit van het provinciepersoneel.]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-06-03/04, art. 46, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  Art. 112bis. [1 Een provincie kan met een of meer overheden een samenwerkingsovereenkomst sluiten voor de gezamenlijke werving en selectie van hun personeel en, in voorkomend geval, voor het aanleggen van gemeenschappelijke wervingsreserves]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2016-06-03/04, art. 47, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  HOOFDSTUK V. - Bijzondere bepalingen betreffende het bestuurlijk toezicht.

  Art. 113.
  <Opgeheven bij DVR 2012-06-29/11, art. 30, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  HOOFDSTUK VI. - Tucht.

  Afdeling I. - Toepassingsgebied.

  Art. 114. Dit hoofdstuk is van toepassing op de leden van het provinciepersoneel in statutair dienstverband.

  Afdeling II. - De tuchtvergrijpen.

  Art. 115. Elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt, alsook [1 een overtreding van]1 de rechtspositieregeling, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot [1 ...]1 een tuchtstraf.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 68, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Afdeling III. - De tuchtstraffen.

  Art. 116. De volgende tuchtstraffen kunnen worden opgelegd :
  1° de blaam;
  2° de inhouding van salaris;
  3° de schorsing;
  4° het ontslag van ambtswege;
  5° de afzetting.

  Art. 117. § 1. De tuchtstraf waarbij salaris wordt ingehouden mag een termijn van zes maanden niet overschrijden. Er mag niet meer dan twintig procent van het jaarlijkse brutosalaris worden ingehouden.
  § 2. De provincie garandeert aan de betrokkenen een nettosalaris dat gelijk is aan het bedrag van het leefloon zoals dat bij wet wordt vastgesteld.
  In geval van deeltijdse prestaties wordt dat bedrag berekend evenredig met de omvang van de prestaties.

  Art. 118. § 1. De schorsing wordt uitgesproken voor maximaal zes maanden. De schorsing heeft, zolang ze duurt, verlies van salaris tot gevolg.
  § 2. De provincie garandeert aan de betrokkenen een nettosalaris dat gelijk is aan het bedrag van het leefloon zoals dat bij wet wordt vastgesteld.
  In geval van deeltijdse prestaties wordt dat bedrag berekend evenredig met de omvang van de prestaties.

  Afdeling IV. - De tuchtoverheid.

  Art. 119. De aanstellende overheid treedt op als tuchtoverheid.
  Als de deputatie overeenkomstig artikel 102 de uitoefening van zijn bevoegdheid tot aanstellen van personeelsleden aan de provinciegriffier toevertrouwd heeft, treedt de provinciegriffier op als tuchtoverheid voor de personeelsleden die door de deputatie zijn aangesteld, ten aanzien van de feiten die de provinciegriffier vaststelt of waarvan hij kennis heeft gekregen na delegatie.
  De provincieraad kan onder zijn leden een tuchtcommissie oprichten, die de tuchtbevoegdheid van de provincieraad uitoefent.
  De tuchtcommissie wordt samengesteld volgens de regels die gelden voor de samenstelling van de provincieraadscommissies.

  Afdeling V. - De tuchtprocedure.

  Art. 120. [1 § 1.]1 [1 De tuchtoverheid start het tuchtonderzoek op.]1
  [1 § 2.]1 Als de provincieraad als tuchtoverheid optreedt, belast hij de provinciegriffier met het tuchtonderzoek, het opstellen van het tuchtverslag en de samenstelling van het tuchtdossier. Indien er een tuchtvordering is tegen de provinciegriffier, wordt de voorzitter van de provincieraad hiermee belast.
  [1 § 3.]1 Als de deputatie als tuchtoverheid optreedt, belast het de provinciegriffier met het tuchtonderzoek, het opstellen van het tuchtverslag en de samenstelling van het tuchtdossier.
  [1 § 4.]1 Als de provinciegriffier als tuchtoverheid optreedt, belast hij een leidinggevend personeelslid met het tuchtonderzoek, het opstellen van het tuchtverslag en de samenstelling van het tuchtdossier.
  [1 § 5. Als het tuchtonderzoek is afgerond, wordt het tuchtverslag opgesteld dat minstens de ten laste gelegde feiten bevat. De tuchtoverheid stelt een tuchtdossier samen, dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 69, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 121. Een tuchtstraf kan pas worden opgelegd nadat het personeelslid en desgevallend zijn raadsman de gelegenheid hebben gekregen om door de tuchtoverheid te worden gehoord in zijn middelen van verdediging, over alle feiten die hem ten laste worden gelegd.

  Art. 122. De betrokkene mag zich te allen tijde laten bijstaan en vertegenwoordigen door een raadsman van zijn keuze.

  Art. 123. Voor de hoorzitting wordt het personeelslid op de hoogte gebracht van het tuchtverslag en wordt hem en desgevallend zijn raadsman een kopie van het tuchtdossier bezorgd.
  De tuchtoverheid kan ambtshalve, op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman, getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van de betrokkene of van zijn raadsman.
  De hoorzitting, alsook de zittingen waarop de getuigen worden gehoord, zijn niet openbaar tenzij het betrokken personeelslid er zelf om verzoekt.
  De tuchtoverheid mag zich te allen tijde laten bijstaan door een raadsman, behalve bij de beraadslaging en de stemming. [1 De getuige kan echter de beslotenheid van zijn getuigenverhoor op de hoorzitting vragen als het personeelslid de openbaarheid heeft gevraagd.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 70, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 124. De betrokkene wordt van de beslissing van de tuchtoverheid op de hoogte gebracht met een aangetekende brief of [1 met een brief die afgegeven wordt tegen ontvangstbewijs]1 . In de kennisgeving van de beslissing wordt melding gemaakt van de beroepsmogelijkheid, opgenomen in afdeling VIII, en van de termijn waarbinnen dat beroep kan worden aangetekend.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 71, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 125. De Vlaamse Regering stelt de termijnen en de nadere procedureregels van de tuchtprocedure vast, met inbegrip van de wijze van de oproeping, het getuigenverhoor, de raadpleging van het tuchtdossier, de beraadslaging en de uitspraak.

  Afdeling VI. - De verjaring van de tuchtvordering.

  Art. 126. § 1. De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten. De tuchtvervolging wordt geacht te zijn ingesteld zodra de tuchtoverheid beslist om een tuchtonderzoek als vermeld in artikel 120 op te starten.
  § 2. Als in verband met dezelfde feiten de strafvordering werd ingesteld, wordt de termijn van § 1 gestuit tot op de dag dat de gerechtelijke overheid de tuchtoverheid ervan op de hoogte brengt dat er een beslissing werd uitgesproken die in kracht van gewijsde is gegaan en die de strafvordering beëindigt.
  § 3. Het strafrechtelijke onderzoek doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de tuchtoverheid om een tuchtstraf uit te spreken. Indien een opgelegde tuchtstraf onverenigbaar blijkt te zijn met een latere in kracht van gewijsde getreden strafrechtelijke uitspraak, kan het betrokken personeelslid binnen zestig dagen na de kennisneming ervan bij de tuchtoverheid een verzoek tot intrekking van de opgelegde tuchtsanctie instellen.
  § 4. Als de tuchtstraf wordt vernietigd, kan de tuchtoverheid vanaf de datum van de kennisgeving van de vernietiging, de tuchtrechtelijke vervolging hernemen gedurende het gedeelte van de in § 1 vermelde termijn dat overbleef bij het instellen van de vervolging en minstens gedurende een termijn van drie maanden.
  Als de tuchtstraf wordt ingetrokken, kan de tuchtoverheid vanaf de datum van de intrekking, de tuchtrechtelijke vervolging hernemen gedurende het gedeelte van de in de § 1 bedoelde termijn dat overbleef bij het instellen van de vervolging.

  Afdeling VII. - De preventieve schorsing.

  Art. 127. Als tegen een personeelslid een strafrechtelijk of tuchtrechtelijk onderzoek loopt en zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst, kan de tuchtoverheid het personeelslid preventief schorsen bij wijze van ordemaatregel, al dan niet met inhouding van salaris.

  Art. 128. De preventieve schorsing wordt uitgesproken voor een termijn van maximaal vier maanden. Als er een strafrechtelijk onderzoek loopt, kan de overheid die termijn voor perioden van maximaal vier maanden verlengen zolang de strafrechtelijke procedure duurt, op voorwaarde dat het personeelslid daarover vooraf wordt gehoord.
  Als binnen de genoemde termijnen geen tuchtstraf wordt opgelegd, vervallen de gevolgen van de preventieve schorsing.

  Art. 129. § 1. Als tegen een personeelslid een strafrechtelijk of tuchtrechtelijk onderzoek loopt, kan de tuchtoverheid die de preventieve schorsing uitspreekt, beslissen tot een inhouding van salaris, op voorwaarde dat het personeelslid daarover vooraf wordt gehoord.
  § 2. Er mag niet meer dan de helft van het salaris worden ingehouden.
  De provincie waarborgt aan het personeelslid een nettosalaris dat gelijk is aan het bedrag van het leefloon zoals dat bij wet wordt vastgesteld.
  In geval van deeltijdse prestaties wordt dat bedrag berekend evenredig met de omvang van de prestaties.

  Art. 130. Als de tuchtoverheid, in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van salaris, geen tuchtstraf oplegt of de tuchtstraf blaam oplegt, wordt de preventieve schorsing ingetrokken en betaalt de provincie het ingehouden salaris uit.
  Als de tuchtoverheid, in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van salaris, de tuchtstraf inhouding van salaris, schorsing [1 , ontslag van ambtswege of afzetting]1 oplegt, heeft de tuchtstraf uitwerking met ingang van de dag waarop de preventieve schorsing is ingegaan. In dit geval wordt het bedrag van het tijdens de schorsing ingehouden salaris, in mindering gebracht op het bedrag van het salarisverlies, verbonden aan de tuchtstraf. Als het bedrag van het ingehouden salaris groter is dan het bedrag van het salarisverlies, verbonden aan de tuchtstraf, betaalt de provincie het verschil uit.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 72, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 131. Voor de tuchtoverheid beslist tot een preventieve schorsing, al dan niet met inhouding van salaris, hoort ze de betrokkene.
  In hoogdringende gevallen kan de tuchtoverheid de preventieve schorsing al dan niet met inhouding van salaris onmiddellijk uitspreken, met de verplichting het personeelslid binnen acht dagen na de uitspraak te horen over de preventieve schorsing, en in voorkomend geval over de inhouding van salaris. De preventieve schorsing vervalt als ze niet wordt bevestigd binnen vijftien dagen nadat de betrokkene is gehoord.

  Art. 132. De Vlaamse Regering stelt de termijnen en de nadere procedureregels vast.

  Afdeling VIII. - Beroep.

  Art. 133. De Beroepscommissie voor tuchtzaken, opgericht bij artikel 137 van het Gemeentedecreet, treedt ook op als beroepsinstantie voor tuchtsancties van provinciale besturen.

  Art. 134. De Beroepscommissie voor tuchtzaken is een bestuurlijk orgaan. De Vlaamse Regering regelt de samenstelling, de werking en de vergoeding van de leden ervan.

  Art. 135. Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing over het opleggen van een tuchtstraf of een preventieve schorsing kan het personeelslid tegen die beslissing beroep aantekenen bij de Beroepscommissie voor tuchtzaken. Behalve in geval van preventieve schorsing, schorst het beroep de beslissing.

  Art. 136. De Beroepscommissie voor tuchtzaken mag pas uitspraak doen nadat aan het personeelslid en aan de tuchtoverheid en hun respectieve raadsman de gelegenheid werd geboden om te worden gehoord. Die hoorzittingen zijn niet openbaar tenzij het betrokken personeelslid erom verzoekt.

  Art. 137.
  <Opgeheven bij DVR 2012-06-29/11, art. 31, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 138.[1 Binnen zestig dagen na de dag van ontvangst van het tuchtdossier spreekt de Beroepscommissie voor tuchtzaken zich uit over het beroep. De Beroepscommissie voor tuchtzaken deelt de datum waarop ze het tuchtdossier heeft ontvangen, mee aan de tuchtoverheid en de indiener van het beroep.
   De Beroepscommissie voor tuchtzaken kan de oorspronkelijke termijn van zestig dagen tweemaal verlengen met een termijn van zestig dagen. Ze brengt, voor het verstrijken van de termijn van zestig dagen, de tuchtoverheid en het personeelslid op de hoogte van de verlengde termijn.
   Onverminderd de termijn bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de Beroepscommissie voor tuchtzaken de tuchtoverheid in de gelegenheid stellen om binnen een bepaalde termijn een onwettigheid in de bestreden beslissing te herstellen. In voorkomend geval deelt de Beroepscommissie voor tuchtzaken partijen mee op welke wijze het beroep verder wordt behandeld na kennisname van de beslissing van de tuchtoverheid tot herstel van de onwettigheid en uiterlijk na het verstrijken van deze termijn om de onwettigheid te herstellen.
   Indien de Beroepscommissie voor tuchtzaken het beroep gegrond verklaart, vernietigt zij de bestreden beslissing]1
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 32, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 139. De Vlaamse Regering stelt de nadere procedureregels vast.

  Afdeling IX. - De doorhaling van de tuchtstraf.

  Art. 140. De tuchtstraffen blaam, inhouding van salaris en schorsing worden in het persoonlijk dossier van de personeelsleden doorgehaald na verloop van een termijn van één jaar voor de blaam, drie jaar voor de inhouding van salaris en vier jaar voor de schorsing. Die termijnen lopen vanaf de datum waarop de tuchtstraf werd uitgesproken door de tuchtoverheid of, indien beroep werd aangetekend overeenkomstig artikel 135, vanaf de datum van de uitspraak van de Beroepscommissie voor tuchtzaken. De doorhaling heeft enkel uitwerking voor de toekomst.

  TITEL IV. - Planning en financieel beheer.

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.

  Art. 141.Het [1 financiële]1 boekjaar van de provincie begint op 1 januari en eindigt op 31 december van hetzelfde jaar.
  Met het begrip begroting uit de Provinciewet wordt bedoeld : het meerjarenplan en het budget.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 74, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2014

  HOOFDSTUK II. - Strategische meerjarenplanning.

  Art. 142.Vóór het einde van het jaar dat volgt op de provincieraadsverkiezingen en voor hij beraadslaagt over het budget voor het volgende boekjaar, stelt de provincieraad een meerjarenplan vast. Behoudens in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, kan het meerjarenplan pas worden vastgesteld nadat het advies van de externe auditcommissie bedoeld in artikel 254 over het voorontwerp van meerjarenplan wordt voorgelegd. Dat meerjarenplan bestaat uit een strategische nota en een financiële nota. Het heeft betrekking op de hele periode waarvoor de provincieraad werd verkozen, te rekenen vanaf de datum van vaststelling ervan.
  In de strategische nota worden de beleidsdoelstellingen en de beleidsopties voor het extern en intern te voeren provinciebeleid op elkaar afgestemd en geïntegreerd weergegeven.
  In de financiële nota wordt verduidelijkt hoe het financiële evenwicht wordt gehandhaafd en worden de financiële consequenties van de beleidsopties van de strategische nota weergegeven.
  Het ontwerp van meerjarenplan wordt op zijn minst veertien dagen vóór de vergadering waarop het wordt besproken aan ieder lid van de provincieraad bezorgd.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 142. [1 § 1.]1 Vóór het einde van het jaar dat volgt op de provincieraadsverkiezingen en voor hij beraadslaagt over het budget voor het volgende [1 financiële boekjaar]1 , stelt de provincieraad een meerjarenplan vast. [2 ...]2. Dat meerjarenplan bestaat uit een strategische nota en een financiële nota. [1 ...]1
  [1 Het meerjarenplan start in het tweede jaar dat volgt op de provincieraadsverkiezingen en loopt af op het einde van het jaar na de daaropvolgende provincieraadsverkiezingen.
   De provincieraad stemt over het meerjarenplan in zijn geheel. Elk provincieraadslid kan echter de afzonderlijke stemming eisen over een of meer onderdelen van het meerjarenplan die hij aanwijst. In dat geval mag over het geheel pas gestemd worden na de stemming over een of meer onderdelen die aldus zijn aangewezen. De stemming over het geheel heeft dan betrekking op de onderdelen waarover geen enkel provincieraadslid afzonderlijk wil stemmen, en op de onderdelen die al bij een afzonderlijke stemming zijn aangenomen.]1
  [1 § 2.]1 In de strategische nota worden de beleidsdoelstellingen en de beleidsopties voor het extern en intern te voeren provinciebeleid op elkaar afgestemd en geïntegreerd weergegeven.
  [1 § 3.] In de financiële nota wordt verduidelijkt hoe het financiële evenwicht wordt gehandhaafd en worden de financiële consequenties van de beleidsopties van de strategische nota weergegeven.
  [1 § 4.] Het ontwerp van meerjarenplan wordt op zijn minst veertien dagen vóór de vergadering waarop het wordt besproken aan ieder lid van de provincieraad bezorgd.

  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 75, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2014, zie DVR 2009-04-30/80, art. 137, § 2 (zie BVR 2010-06-25/21, art. 205)>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 33, 011; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 143.De provincieraad past jaarlijks indien nodig het meerjarenplan aan in de loop van het vierde kwartaal en voor hij beraadslaagt over het budget voor het volgende boekjaar.
  De aanpassing van het meerjarenplan in het laatste jaar van de zesjaarlijkse periode waarvoor de provincieraad werd verkozen, is facultatief.
  De provincieraad houdt bij de aanpassing rekening met de termijn waarop het meerjarenplan betrekking heeft. Vanaf het voorlaatste jaar van de zesjaarlijkse periode waarvoor de provincieraad werd verkozen, beschrijft de financiële nota de financiële consequenties voor ten minste drie boekjaren na het lopende boekjaar.
  Het ontwerp van de jaarlijkse aanpassing van het meerjarenplan wordt op zijn minst veertien dagen vóór de vergadering waarop het wordt besproken aan ieder lid van de provincieraad bezorgd.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 143. De provincieraad past jaarlijks indien nodig het meerjarenplan aan [1 ...]1 voor hij beraadslaagt over het budget voor het volgende [1 financiële boekjaar]1 .
  [1 De aanpassing van het meerjarenplan is facultatief bij de vaststelling van het budget met betrekking tot het laatste financiële boekjaar van de zesjaarlijkse periode, vermeld in artikel 142, § 1, tweede lid.
   De provincieraad houdt bij de aanpassing van het meerjarenplan rekening met de termijn waarop het meerjarenplan betrekking heeft. [2 ...]2. Artikel 142, § 1, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.]1
  [2 Met behoud van de toepassing van het derde lid beschrijft de financiële nota de financiële consequenties voor ten minste drie en ten hoogste zes financiële boekjaren.]2
  Het ontwerp van de jaarlijkse aanpassing van het meerjarenplan wordt op zijn minst veertien dagen vóór de vergadering waarop het wordt besproken aan ieder lid van de provincieraad bezorgd.

  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 76, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2014, zie DVR 2009-04-30/80, art. 137, § 2 (zie BVR 2010-06-25/21, art. 205)>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 34, 011; Inwerkingtreding : onbepaald>

  HOOFDSTUK III. - Het budget.

  Art. 144.Voor het begin van ieder boekjaar stelt de provincieraad op basis van het meerjarenplan het budget van de provincie vast. Behoudens in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, kan het budget pas worden vastgesteld nadat het advies van de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel, over het ontwerp van budget aan de provincieraad wordt voorgelegd.
  In afwijking van de eerste paragraaf kan de provincieraad het budget voor het eerste volledige boekjaar van de zesjaarlijkse periode waarvoor de provincieraad is verkozen, vaststellen in de loop van het eerste kwartaal van dat boekjaar.
  Het budget voor het eerste volledige boekjaar van de zesjaarlijkse periode hoeft niet te passen in het meerjarenplan.
  De provincieraad stemt over het budget in zijn geheel. Elk provincieraadslid kan echter de afzonderlijke stemming eisen over een of meer onderdelen van het budget die hij aanwijst. In dat geval mag over het geheel pas gestemd worden na de stemming over een of meer onderdelen die aldus zijn aangewezen. De stemming over het geheel heeft dan betrekking op de onderdelen waarover geen enkel provincieraadslid afzonderlijk wil stemmen, en op de onderdelen die al bij een afzonderlijke stemming zijn aangenomen.
  Het ontwerp van budget wordt op zijn minst veertien dagen vóór de vergadering waarop het wordt besproken aan ieder lid van de provincieraad bezorgd.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 144. Voor het begin van ieder [1 financieel boekjaar]1 stelt de provincieraad op basis van het meerjarenplan het budget van de provincie vast. [2 ...]2.
  In afwijking van de eerste paragraaf kan de provincieraad het budget voor [1 het eerste volledige financiële boekjaar]1 van de zesjaarlijkse periode waarvoor de provincieraad is verkozen, vaststellen in de loop van het eerste kwartaal van dat boekjaar.
  Het budget voor [1 het eerste volledige financiële boekjaar]1 van de zesjaarlijkse periode hoeft niet te passen in het meerjarenplan.
  De provincieraad stemt over het budget in zijn geheel. Elk provincieraadslid kan echter de afzonderlijke stemming eisen over een of meer onderdelen van het budget die hij aanwijst. In dat geval mag over het geheel pas gestemd worden na de stemming over een of meer onderdelen die aldus zijn aangewezen. De stemming over het geheel heeft dan betrekking op de onderdelen waarover geen enkel provincieraadslid afzonderlijk wil stemmen, en op de onderdelen die al bij een afzonderlijke stemming zijn aangenomen.
  Het ontwerp van budget wordt op zijn minst veertien dagen vóór de vergadering waarop het wordt besproken aan ieder lid van de provincieraad bezorgd.

  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 77, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2014, zie DVR 2009-04-30/80, art. 137, § 2 (zie BVR 2010-06-25/21, art. 205)>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 35, 011; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 145. Het budget van de provincie omvat een beleidsnota en een financiële nota.

  Art. 146.De beleidsnota verwoordt het beleid dat de provincie gedurende het boekjaar zal voeren en concretiseert de beleidsdoelstellingen. De beleidsnota omvat een toelichting over de financiële toestand van de provincie en verwoordt de aansluiting met de financiële nota.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 146. De beleidsnota verwoordt het beleid dat de provincie gedurende het [1 financiële boekjaar]1 zal voeren en concretiseert de beleidsdoelstellingen. De beleidsnota omvat een toelichting over de financiële toestand van de provincie en verwoordt de aansluiting met de financiële nota.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 78, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2014, zie DVR 2009-04-30/80, art. 137, § 2 (zie BVR 2010-06-25/21, art. 205)>

  Art. 147.§ 1. De financiële nota bevat minstens het exploitatiebudget, het investeringsbudget en het liquiditeitenbudget.
  § 2. Het exploitatiebudget omvat alle verwachte kosten en opbrengsten.
  § 3. Het liquiditeitenbudget is een financieel plan van de geldstromen van de provincie.
  § 4. Het investeringsbudget is een financieel plan van de uitgaven en ontvangsten, en van de kosten en opbrengsten die verbonden zijn aan de aanschaf, het gebruik en de vervreemding van duurzame middelen.
  Een investeringsbudget bestaat uit een of meer investeringsenveloppes. Als een investeringsenveloppe eenmaal in het budget werd goedgekeurd, blijft ze drie jaar geldig als de investering nog niet in uitvoering is. Als de investering eenmaal in uitvoering is, blijft het budget geldig tot 31 december van het boekjaar na het jaar waarin de investering definitief opgeleverd wordt. Verlenging van die termijnen is mogelijk voorzover de provincieraad die goedkeurt.
  § 5. De volgende kosten en uitgaven worden in ieder geval in het budget opgenomen :
  1° de vaststaande en opeisbare schulden van de provincie, alsmede de schulden die ze moet vereffenen ten gevolge van tegen haar uitgesproken veroordelingen;
  2° de provinciale bijdragen aan de besturen van de erkende erediensten georganiseerd op provinciaal niveau, bedoeld in het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten, en aan de bisschopshuizen en bisschoppelijke seminaries, overeenkomstig de geldende bepalingen;
  3° de vergoeding voor huisvesting van de bedienaren van de erediensten als geen woning wordt verschaft, overeenkomstig de geldende bepalingen;
  4° de uitgaven en de kosten met betrekking tot de instellingen voor niet-confessionele morele dienstverlening zoals vermeld in artikel 27 van de wet van 21 juni 2002.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 147. § 1. De financiële nota bevat minstens het exploitatiebudget, het investeringsbudget en het liquiditeitenbudget.
  § 2. [1 Het exploitatiebudget is een financieel plan van de exploitatie van de provincie.]1
  § 3. Het liquiditeitenbudget is een financieel plan van de geldstromen van de provincie.
  § 4. Het investeringsbudget is een financieel plan van de uitgaven en ontvangsten, en van de kosten en opbrengsten die verbonden zijn aan de aanschaf, het gebruik en de vervreemding van duurzame middelen.
  [2 Een investeringsbudget bestaat uit een of meer investeringsenveloppen. Als een investeringsenveloppe eenmaal in het budget is goedgekeurd, blijft ze geldig tot wanneer de provincieraad deze investeringsenveloppe bij budget of bij budgetwijziging annuleert of tot de provincieraad de rekening van deze investeringsenveloppe vaststelt.]2
  § 5. [1 ...]1

  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 79, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2014, zie DVR 2009-04-30/80, art. 137, § 2 (zie BVR 2010-06-25/21, art. 205)>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 36, 011; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 148. Tot het budget van de provincie is vastgesteld, kan de provincie enkel beschikken over voorlopige kredieten onder de voorwaarden en binnen de grenzen die de Vlaamse Regering bepaalt.

  Art. 149. Als verscheidene provincies betrokken zijn bij een uitgave die door of krachtens wettelijke of decretale bepalingen aan de provincie is opgelegd, dragen ze allemaal daarin bij naar evenredigheid van het belang dat ze erbij kunnen hebben. In geval van weigering of van onenigheid over de verhouding van dat belang en van de te dragen lasten, beslist de Vlaamse Regering.

  Art. 150. [1 § 1.]1 Budgetwijzigingen zijn die kredietaanpassingen aan het budget die niet door middel van een interne kredietaanpassing kunnen worden doorgevoerd.
  [1 § 2.]1 De provincieraad stelt de budgetwijzigingen vast op basis van de voorgelegde cijfers en de verklarende nota ervan.
  [1 Het ontwerp van budgetwijziging wordt uiterlijk samen met de agenda voor de vergadering waarop het wordt besproken, aan ieder lid van de provincieraad bezorgd.
   Op de budgetwijzigingen is artikel 144, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 80, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 151. [1 De deputatie beslist over de interne kredietaanpassingen, zoals die gedefinieerd zijn door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden daarvoor.]1 De deputatie brengt de provincieraad, de financieel beheerder en de betrokken budgethouders daarvan onverwijld op de hoogte.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 81, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 152.[2 Een verbintenis mag alleen worden aangegaan op grond van een goedgekeurd krediet dat voorkomt op het budget, of op grond van een voorlopig krediet.]2
  De personeelsleden [1 , de leden van de provincieraad]1 of de leden van de deputatie die in strijd hiermee verbintenissen hebben aangegaan, zijn hiervoor persoonlijk verantwoordelijk, behoudens in de gevallen die door of krachtens dit decreet worden bepaald en onverminderd de eventuele medeverantwoordelijkheid van andere organen of personeelsleden van de provincie.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 82, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 37, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 153.De provincieraad kan zonder voorafgaande budgetwijziging [1 over de uitgaven beslissen]1 die door dwingende en onvoorziene omstandigheden [1 vereist zijn]1, op voorwaarde dat hij daartoe een met redenen omkleed besluit neemt.
  In dezelfde omstandigheden en als het geringste uitstel onbetwistbare schade zou veroorzaken, kan de deputatie op eigen verantwoordelijkheid [1 over de uitgaven beslissen]1 . De deputatie brengt de provincieraad [2 ...]2 daarvan onverwijld op de hoogte.
  [1 De bevoegdheid om over de uitgaven te beslissen, houdt de bevoegdheid in tot het vaststellen van de voorwaarden van overheidsopdrachten, het vaststellen van de wijze van gunning van overheidsopdrachten, het voeren van de gunningsprocedure, de gunning en de uitvoering van de overheidsopdrachten.]1
  In de gevallen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden de nodige kredieten onverwijld ingeschreven door een budgetwijziging. De betaling mag evenwel worden uitgevoerd, zonder de budgetwijziging af te wachten.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 83, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 38, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  HOOFDSTUK IV. - Uitvoering van het budget, budgethouderschap en beheer van de middelen.

  Afdeling I. - Budgethouderschap.

  Art. 154. Het budgethouderschap is de toegekende bevoegdheid tot beheer van een budget dat taakstellend is in die zin dat het een norm inhoudt waarvan de budgethouder de realisatie nastreeft.

  Art. 155. § 1. Het budgethouderschap komt toe aan de deputatie, behoudens de uitzonderingen, [1 vermeld in dit decreet,]1 en onverminderd de toepassing van § 2 en § 3.
  § 2. De deputatie kan het budgethouderschap voor aangelegenheden van dagelijks bestuur toekennen aan de provinciegriffier, die verantwoordelijk is voor de uitvoering ervan.
  De provincieraad bepaalt, op voorstel van de deputatie, wat onder dagelijks bestuur wordt begrepen.
  De provinciegriffier kan deze bevoegdheid met betrekking tot bepaalde budgetten [1 ...]1 delegeren aan andere personeelsleden. [1 Bij de delegatie wordt rekening gehouden met het organogram van de provinciale diensten.]1 De betrokken personeelsleden kunnen de aan hen gedelegeerde bevoegdheid niet weigeren als hun functieomschrijving erin voorziet. Zij zijn persoonlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het aan hen gedelegeerde budgethouderschap.
  § 3. Onder de voorwaarden die door de provincieraad vastgesteld worden en na advies van de provinciegriffier kan de deputatie het budgethouderschap met betrekking tot bepaalde budgetten betreffende activiteitencentra of projecten delegeren aan bepaalde personeelsleden van de provincie, ook voor aangelegenheden die het dagelijks bestuur te boven gaan. De deputatie houdt daarbij rekening met het organogram van de provinciale diensten. De betrokken personeelsleden kunnen de aan hen gedelegeerde bevoegdheid niet weigeren als hun functieomschrijving erin voorziet. Zij zijn persoonlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het aan hen gedelegeerde budgethouderschap.
  De provinciegriffier brengt het advies, vermeld in het eerste lid, uit binnen dertig dagen na daarom te zijn verzocht ter kennis van de deputatie. Bij gebrek aan kennisgeving van het advies binnen de voormelde termijn kan aan die adviesvereiste worden voorbijgegaan.
  Dergelijke delegatie vervalt in ieder geval zes maanden na de algehele vernieuwing van de provincieraad.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 84, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 156.§ 1. [2 ...]2.
  [1 § 1/1. Bij het vaststellen van de voorwaarden en de wijze van gunnen, kan de provincieraad of de deputatie bepalen dat indien een opdracht van aanneming van werken, leveringen of diensten waarvoor de raming paste binnen het voorziene budget, bij raadpleging van de mededinging het voorziene budget blijkt te overschrijden, de opdracht kan toegewezen worden mits de deputatie beslist de noodzakelijke verhoging van het betrokken krediet ter goedkeuring voor te leggen aan de provincieraad bij de eerstvolgende budgetwijziging.]1
  § 2. De voorgenomen financiële verbintenissen [1 die resulteren in een uitgaande nettokasstroom,]1 zijn onderworpen aan een voorafgaand visum, voordat enige verbintenis kan worden aangegaan.
  De financieel beheerder onderzoekt de wettigheid en regelmatigheid van deze voorgenomen verbintenissen in het kader van zijn opdracht, vermeld in [1 artikel 90, eerste lid, 1°]1 . Hij verleent zijn visum, indien uit dit onderzoek de wettigheid en regelmatigheid van de voorgenomen verbintenis blijkt.
  [1 De provincieraad bepaalt, na advies van de financieel beheerder, de nadere voorwaarden waaronder de financieel beheerder de controle, vermeld in het tweede lid, uitoefent. De provincieraad kan binnen de perken die vastgelegd zijn door de Vlaamse Regering, en na advies van de financieel beheerder, bepaalde categorieën van verrichtingen uitsluiten van de visumverplichting. De provincieraad kan, op eensluidend voorstel van de financieel beheerder, de bevoegdheid, vermeld in het tweede lid, delegeren aan een of meer personeelsleden, die werken onder de verantwoordelijkheid van de financieel beheerder.
   Verrichtingen die door de provincieraad overeenkomstig het derde lid zijn uitgesloten van de visumverplichting kunnen, voordat enige verbintenis werd aangegaan door de betrokken budgethouder en, als de betrokken budgethouder de provincieraad of de deputatie is, en het stemgedrag niet wordt genotuleerd, door één van zijn leden worden voorgelegd aan de financieel beheerder. In dat geval wordt gehandeld overeenkomstig het tweede lid.]1
  § 3. [1 De budgethouder is verantwoordelijk voor de facturatie van de te ontvangen bedragen die betrekking hebben op het aan hem toevertrouwde budget.]1
  § 4. De provincieraad en de deputatie kunnen als bevoegde budgethouder beslissen, onder de door hen bepaalde voorwaarden, de goedkeuring van de te betalen bedragen toe te vertrouwen aan de provinciegriffier. De provinciegriffier kan die bevoegdheid niet delegeren.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 85, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 39, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 157.Als de financieel beheerder, bij gemotiveerde beslissing, aan een [2 ...]2 voorgenomen verbintenis [1 ...]1 weigert visum te verlenen, kan de deputatie op eigen verantwoordelijkheid viseren. In dit geval bezorgt de deputatie de gemotiveerde beslissing van de financieel beheerder aan de Vlaamse Regering, tegelijkertijd met het afschrift van zijn beslissing. [2 ...]2.
  De beslissing van de deputatie is pas uitvoerbaar als de toezichttermijn, vermeld in artikel 248, is verstreken.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 86, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 40, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 158.§ 1. [2 Om de betaling mogelijk te maken van geringe exploitatie-uitgaven van het dagelijkse bestuur die zonder uitstel of onmiddellijk voor de goede werking van de dienst moeten worden gedaan, kan de provinciegriffier na advies van de financieel beheerder beslissen aan bepaalde personeelsleden een provisie ter beschikking te stellen.]2
  § 2. [2 De provinciegriffier kan, na advies van de financieel beheerder, onder zijn verantwoordelijkheid bepaalde personeelsleden van de provincie die onder zijn gezag staan, belasten met de inning van geringe dagontvangsten.]2
  § 3. [2...]2
  § 4. De provincieraad bepaalt de voorwaarden voor de terbeschikkingstelling van provisies en de voorwaarden waaronder personeelsleden van de provincie kunnen worden belast met de inning van geringe dagontvangsten.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 87, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 41, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Afdeling II. - Uitvoering van de betalingen, inning van de ontvangsten en beheer van de kasmiddelen.

  Art. 159.§ 1. De financieel beheerder staat in voor de uitvoering van alle girale betalingen. Hij of zijn gemachtigde plaatst hiervoor als tweede zijn handtekening op de betalingsopdracht aan de financiële instelling. [1 Betalingen ter uitvoering van uitgaven kunnen nooit door de financieel beheerder verricht worden zonder een uitdrukkelijke betalingsopdracht van de provinciegriffier.]1 Deze opdracht van de provinciegriffier blijkt uit een eerste handtekening op de betalingsopdracht aan de financiële instelling door de provinciegriffier of zijn gemachtigde. De provinciegriffier bevestigt hiermee dat de uitgave wettig en regelmatig is.
  Betalingen in verband met het thesauriebeheer gebeuren autonoom door de financieel beheerder. [1 Daaronder vallen niet de betalingen naar de [2 provisies]2, vermeld in artikel 158.]1
  [1 Met behoud van de bevoegdheid van de financieel beheerder voor het verlenen van kwijting, zijn de personeelsleden, vermeld in het vierde lid, verantwoordelijk voor de kasverrichtingen. Daartoe beschikt dat personeelslid of beschikken die personeelsleden over de bevoegdheid om geld af te halen van de door de financieel beheerder aangewezen rekening of rekeningen.]1
  [1 De deputatie wijst, met uitsluiting van de financieel beheerder, een of meer personeelsleden van de provincie aan die verantwoordelijk zijn voor de kasverrichtingen. Bij gebrek aan aanwijzing door de deputatie is de provinciegriffier verantwoordelijk voor de kasverrichtingen. De betrokken personeelsleden kunnen de aan hen toevertrouwde bevoegdheden niet weigeren als hun functieomschrijving erin voorziet.]1
  [2 Vijfde lid opgeheven.]2
  § 2. Indien de provinciegriffier of een door hem met betalingsverrichtingen belast personeelslid weigert een betalingsopdracht aan een financiële instelling te ondertekenen [1 of als een betaling via de kas wordt geweigerd]1 , kan de deputatie op eigen verantwoordelijkheid bevelen de betaling uit te voeren. Een dergelijk bevel kan niet worden geweigerd.
  In dat geval bezorgt de deputatie een afschrift van haar beslissing aan de Vlaamse Regering [2 ...]2. De beslissing van de deputatie is slechts uitvoerbaar zodra de in artikel 248 vermelde toezichttermijn is verstreken.
  [1 § 3. In afwijking van § 1 kunnen de opeisbare schulden door de personen, bepaald door de Vlaamse Regering, en in de gevallen en onder voorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, in mindering worden gebracht van de rekeningen van de provincie.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 88, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 42, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  HOOFDSTUK V. - Boekhouding, financiële rapportering en kascontrole.

  Art. 160. Elke provincie voert een voor de aard en de omvang van haar activiteiten passende boekhouding, volgens de methode van het dubbel boekhouden.

  Art. 161.De financieel beheerder rapporteert in volle onafhankelijkheid minstens eenmaal per [1 jaar]1 aan de provincieraad en de deputatie. Dat rapport omvat minstens een overzicht van de thesaurietoestand, de liquiditeitsprognose, de beheerscontrole, alsook de evolutie van de budgetten. De financieel beheerder stelt tegelijkertijd een afschrift ter beschikking aan de provinciegriffier [2 ...]2.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 89, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 43, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 162.De financieel beheerder rapporteert in volle onafhankelijkheid minstens eenmaal per [1 jaar]1 aan de provincieraad over de uitvoering van zijn taak van voorafgaande controle van de wettigheid en regelmatigheid van de voorgenomen verbintenissen.
  [2 Hij stelt tegelijkertijd een afschrift van dat rapport ter beschikking aan de deputatie en de provinciegriffier. ]2
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 90, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 44, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 163.Bij toepassing van artikel 155, § 2, rapporteert de provinciegriffier minstens eenmaal per [1 jaar]1 aan de deputatie over de uitvoering van het budgethouderschap. De provinciegriffier rapporteert tegelijk over de uitvoering van het budgethouderschap door de door hem met het budgethouderschap belaste personeelsleden.
  De door de provinciegriffier met budgethouderschap belaste personeelsleden rapporteren minstens eenmaal per [1 jaar]1 aan de provinciegriffier over de uitvoering van hun budgethouderschap.
  Bij toepassing van artikel 155, § 3, rapporteert het met budgethouderschap belaste personeel minstens eenmaal per [1 jaar]1 aan de deputatie over de uitvoering van het budgethouderschap.
  [2 Vierde lid opgeheven]2
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 91, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 45, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 164.De deputatie rapporteert minstens eenmaal per [1 jaar]1 aan de provincieraad over de uitvoering van het budgethouderschap. Een afschrift van dit rapport wordt ter beschikking gesteld van de provinciegriffier en behalve in de gevallen voorzien [2 ...]2.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 92, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 46, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 165.
  <Opgeheven bij DVR 2012-06-29/11, art. 47, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 166.
  <Opgeheven bij DVR 2012-06-29/11, art. 48, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  HOOFDSTUK VI. - Inventaris, jaarrekening en kwijting.

  Art. 167. Onder leiding van de financieel beheerder en in overleg met het managementteam worden uiterlijk op 31 december van ieder jaar de nodige opnemingen, verificaties, opzoekingen en waarderingen gedaan om de inventaris op te maken van al de bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van de provincie van welke aard ook.

  Art. 168.§ 1. Nadat de rekeningen in overeenstemming zijn gebracht met de gegevens van de inventaris, worden ze samengevat opgenomen in het ontwerp van de jaarrekening.
  De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de consolidatie van de jaarrekening van de provincie met de jaarrekeningen van de autonome provinciebedrijven en de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen met privaatrechtelijke vorm.
  § 2. De externe auditcommissie controleert, behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, of het ontwerp van de jaarrekening juist en volledig is, of ze een waar en getrouw beeld geeft van de financiële toestand van de provincie en of de erin opgenomen opbrengsten, kosten, ontvangsten en uitgaven wettelijk en regelmatig zijn. De externe auditcommissie rapporteert over haar bevindingen in een verslag. Zij deelt dit verslag mee aan de provincie binnen dertig dagen nadat de jaarrekening haar voor controle werd bezorgd.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 168. § 1. Nadat de rekeningen in overeenstemming zijn gebracht met de gegevens van de inventaris, worden ze samengevat opgenomen in het ontwerp van de jaarrekening.
  De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de consolidatie van de jaarrekening van de provincie met de jaarrekeningen van de autonome provinciebedrijven en de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen met privaatrechtelijke vorm.
  § 2. De externe auditcommissie controleert, behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, of het ontwerp van de jaarrekening juist en volledig is, of ze een waar en getrouw beeld geeft van de financiële toestand van de provincie en of de erin opgenomen opbrengsten, kosten, ontvangsten en uitgaven wettelijk en regelmatig zijn. De externe auditcommissie rapporteert over haar bevindingen in een verslag. [1 Ze deelt dat verslag mee aan de provincieraad binnen dertig dagen nadat het ontwerp van de jaarrekening haar voor controle werd bezorgd.]1
  
  Art. 168. [2 Nadat de rekeningen in overeenstemming zijn gebracht met de gegevens van de inventaris, worden ze samengevat opgenomen in het ontwerp van de jaarrekening.
   De jaarrekening omvat een beleidsnota, een financiële nota en een samenvatting van de algemene rekeningen.
   De beleidsnota geeft het beleid weer dat de provincie gedurende het financiële boekjaar heeft gevoerd. De beleidsnota omvat een toelichting over de financiële toestand van de provincie en verwoordt de aansluiting met de financiële nota.
   De financiële nota bevat minstens de exploitatierekening, de investeringsrekening en de liquiditeitenrekening.
   De samenvatting van de algemene rekeningen omvat de balans en de staat van opbrengsten en kosten.]2

  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 95, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2014, zie DVR 2009-04-30/80, art. 137, § 2 (zie BVR 2010-06-25/21, art. 205)>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 49, 011; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 169.[1 § 1. De provincieraad spreekt zich in de loop van het eerste semester van het financiële boekjaar dat volgt op het financiële boekjaar waarop de rekening betrekking heeft, uit over de vaststelling van de jaarrekening.
   Als de provincieraad bezwaren heeft tegen bepaalde verrichtingen, formuleert hij een advies over de aansprakelijkheid van de actoren die betrokken zijn bij die verrichtingen. Dat advies wordt als bijlage bij de jaarrekening gevoegd en bezorgd aan de actoren die aansprakelijk worden gesteld.
   Een afschrift van de overeenkomstig dit artikel vastgestelde jaarrekening wordt binnen twintig dagen bezorgd aan de Vlaamse Regering.
   § 2. De Vlaamse Regering keurt de jaarrekening goed als ze juist en volledig is en een waar en getrouw beeld geeft van de financiële toestand van de provincie.
   Als de Vlaamse Regering geen besluit verzonden heeft binnen een termijn van honderd- vijftig dagen die ingaat op de derde dag die volgt op de verzending van de jaarrekening, wordt ze geacht de jaarrekening goed te keuren.]1
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 50, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 170. § 1. Artikel 144, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de stemming door de provincieraad over de jaarrekening.
  § 2. Het ontwerp van de jaarrekening wordt op zijn minst veertien dagen vóór de vergadering waarop het wordt besproken aan ieder lid van de provincieraad bezorgd.

  Art. 171.§ 1. [2 ...]2.
  § 2. [2 ...]2.
  § 3. [2 ...]2.
  § 4. [2 ...]2.
  § 5. [2 ...]2.
  § 6. [2 Als de Vlaamse Regering bij de goedkeuring bepaalde verrichtingen als onregelmatig heeft bestempeld, beslist ze over de aansprakelijkheid van de actoren die betrokken zijn bij de betwiste verrichtingen.
   Als de Vlaamse Regering over de goedkeuring van de jaarrekening binnen een termijn van honderdvijftig dagen die ingaat op de derde dag die volgt op de verzending van de jaarrekening, geen beslissing heeft verzonden, wordt ze geacht over de aansprakelijkheid van de verrichtingen waartegen de provincieraad bezwaren heeft geformuleerd, te hebben beslist overeenkomstig het advies van de provincieraad.]2
  § 7. [2 De betrokkenen worden onmiddellijk met een aangetekende brief op de hoogte gebracht van de beslissing van de Vlaamse Regering. In voorkomend geval wordt daarbij een aanmaning gevoegd om het vastgestelde bedrag in de provinciekas te storten.
   Een afschrift van de beslissing van de Vlaamse Regering wordt onmiddellijk bezorgd aan de provincie.]2
  § 8. [2 Degenen die aansprakelijk worden gesteld en de provincieraad kunnen tegen de beslissingen van de Vlaamse Regering, vermeld in paragraaf 6, beroep instellen bij de Vlaamse Regering binnen een termijn van zestig dagen die ingaat op de derde dag die volgt op de verzending van het betwiste besluit of, als de Vlaamse Regering geen besluit heeft verzonden, die ingaat op de derde dag die volgt op de dag van het verstrijken van de termijn vermeld in paragraaf 6, tweede lid. Dat beroep heeft schorsende werking. De Vlaamse Regering doet uitspraak over de aansprakelijkheid van de betrokkenen en bepaalt het bedrag dat hen ten laste wordt gelegd.
   Als de verwerping van bepaalde verrichtingen aanleiding heeft gegeven tot de definitieve afwijzing van bepaalde uitgaven, kan degene die beroep heeft ingesteld de personen die hij aansprakelijk of medeaansprakelijk acht, ter verantwoording roepen in het beroep bij de Vlaamse Regering. In dat geval doet de Vlaamse Regering mee uitspraak over de aansprakelijkheid van de ter verantwoording geroepen personen.
   De beslissing van de Vlaamse Regering is uitvoerbaar, zelfs als daartegen beroep is ingesteld bij de Raad van State. Die beslissing kan echter pas ten uitvoer worden gelegd na het verstrijken van de termijn voor het instellen van dat beroep.]2
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 171. § 1. De provinciegriffier, de aangestelde budgethouders, [1 de rekenplichtigen, vermeld in artikel 159, die zijn aangesteld]1 om betalingen te verrichten of ontvangsten te innen, en de financieel beheerder zijn rekenplichtig in de zin van artikel 7 van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof.
  § 2. De deputatie legt jaarlijks gecentraliseerd rekening af aan het orgaan dat belast is met het verlenen van kwijting van het beheer. Die rekening omvat alle rekeningen van de rekenplichtigen.
  § 3. In afwijking van de §§ 1 en 2 zijn de §§ 4 tot en met 8 van toepassing wanneer het Rekenhof zich niet uitspreekt over de effenverklaring van de rekeningen van de provincie.
  § 4. [1 Na de ontvangst]1 van het afschrift van de jaarrekening, overeenkomstig artikel 169, § 3, vierde lid, rapporteert de externe auditcommissie binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering over de door de provincieraad vastgestelde rekening [1 ingeval]1 de externe auditcommissie of de provincieraad [1 van mening is]1 dat [1 een bepaalde persoon of bepaalde personen]1 aansprakelijk zijn. Indien de provincieraad geen rekening gehouden heeft met de bevindingen van de externe auditcommissie over de aansprakelijkheden voor onregelmatigheden of tekorten, wordt dat door de externe auditcommissie expliciet vermeld.
  De externe auditcommissie bezorgt een afschrift van dit rapport aan [1 de provincieraad]1 .
  § 5. [1 Als de provincieraad geen verrichtingen verworpen heeft en de externe auditcommissie er in haar rapport, vermeld in § 4, geen melding van maakt dat de provincieraad met de bevindingen van de externe auditcommissie geen rekening heeft gehouden, of als de externe auditcommissie niet binnen de termijn, vermeld in § 4, een verslag aan de Vlaamse Regering heeft bezorgd, is de vaststelling van de jaarrekening door de provincieraad definitief.]1
  De definitieve vaststelling van de jaarrekening door de provincieraad houdt van rechtswege kwijting in van het beheer van de provinciegriffier, de financieel beheerder en [1 van de rekenplichtigen, vermeld in artikel 159,]1 en de budgethouders, voorzover de ware toestand niet werd verborgen door enige weglating of onjuiste opgave in de jaarrekening.
  § 6. [1 Als de provincieraad bepaalde verrichtingen verworpen heeft of als de externe auditcommissie er in haar rapport, vermeld in § 4, melding van maakt]1 dat de provincieraad geen rekening heeft gehouden met bevindingen van de externe auditcommissie over de aansprakelijkheden voor onregelmatigheden of tekorten, beslist de Vlaamse Regering over de aansprakelijkheid van de bij de betwiste verrichtingen betrokken actoren en beslist zij over de kwijting. Zij brengt in voorkomend geval, de nodige wijzigingen aan in de jaarrekening en stelt de rekening definitief vast.
  [1 Als de Vlaamse Regering zich niet uitgesproken heeft binnen honderd dagen na de ontvangst]1 van de jaarrekening, wordt zij geacht de vaststelling van de jaarrekening door de provincieraad te bevestigen en, in voorkomend geval, wordt zij geacht aangaande de aansprakelijkheid van de bij verworpen verrichtingen betrokken actoren te hebben beslist overeenkomstig het advies van de provincieraad.
  § 7. De betrokkenen worden onverwijld met een aangetekende brief in kennis gesteld van de beslissing van de Vlaamse Regering. In voorkomend geval wordt daarbij een verzoek gevoegd om het vastgestelde bedrag in de provinciekas te storten. Behoudens in geval van toepassing van § 6, tweede lid, wordt onverwijld een afschrift van de beslissing van de Vlaamse Regering bezorgd aan de provincie.
  § 8. [1 Degenen aan wie kwijting is geweigerd, degenen die aansprakelijk worden gesteld en de provincie kunnen binnen zestig dagen na die kennisgeving beroep instellen bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen tegen de beslissingen van de Vlaamse Regering, vermeld in § 6.]1 . Dat beroep heeft schorsende werking. Het rechtscollege doet uitspraak over de aansprakelijkheid van de betrokkene en bepaalt het bedrag dat [1 hem te]1 laste wordt gelegd of verleent definitief kwijting.
  [1 Als de verwerping van bepaalde verrichtingen aanleiding heeft gegeven tot de definitieve afwijzing van bepaalde uitgaven]1 , kan degene die beroep heeft ingesteld de personen die hij aansprakelijk of medeaansprakelijk acht ter verantwoording roepen in het geding voor het rechtscollege om de beslissing van het rechtscollege voor hen bindend en tegenstelbaar te horen verklaren. In dat geval doet het rechtscollege mee uitspraak over de aansprakelijkheid van de ter verantwoording geroepen personen.
  De beslissing van het rechtscollege is uitvoerbaar, zelfs indien daartegen een beroep is ingesteld bij de Raad van State. Deze beslissing kan echter pas ten uitvoer worden gelegd na het verstrijken van de termijn voor het instellen van dat beroep.

  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 97, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2014, zie DVR 2009-04-30/80, art. 137, § 2 (zie BVR 2010-06-25/21, art. 205)>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 51, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  HOOFDSTUK VII. - Bijzondere bepalingen betreffende het bestuurlijk toezicht.

  Art. 172.§ 1. Onverminderd de bevoegdheid van de toezichthoudende overheid tot schorsing en vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang, overeenkomstig de artikelen 245 tot 252, schorst de Vlaamse Regering de uitvoering van het meerjarenplan en de beslissing tot wijziging ervan :
  1° als niet afdoende of slechts op basis van fictieve gegevens aangetoond wordt dat het financieel evenwicht gevrijwaard blijft in de boekjaren waarop het meerjarenplan betrekking heeft;
  2° als bekende en verwachte opbrengsten of ontvangsten, of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het meerjarenplan betrekking heeft ten gunste of ten laste van de provincie komen, geheel of gedeeltelijk niet in het meerjarenplan worden opgenomen;
  3° als bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de provincieraad op het meerjarenplan heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan de provincie toekomen of als het meerjarenplan in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht;
  4° als het meerjarenplan geen of slechts gedeeltelijk rekening houdt met eerder goedgekeurde investeringsenveloppes.
  Voorzover de redenen die aanleiding geven tot de schorsing het evenwicht van het meerjarenplan niet in gevaar brengen, kan de schorsing beperkt worden tot een of meer onderdelen van het meerjarenplan.
  § 2. De provincieraad spreekt zich uit over het schorsingsbesluit en stelt het meerjarenplan of de wijziging ervan opnieuw vast. Hij stuurt zijn gemotiveerde beslissing naar de Vlaamse Regering.
  § 3. De Vlaamse Regering neemt een gemotiveerde beslissing over het meerjarenplan of de wijziging ervan die de provincieraad opnieuw heeft vastgesteld. Onverminderd haar bevoegdheid tot vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang stelt de Vlaamse Regering het meerjarenplan of de wijziging ervan opnieuw vast in de hierna volgende gevallen :
  1° als niet afdoende of slechts op basis van fictieve gegevens aangetoond wordt dat het financieel evenwicht gevrijwaard blijft in de boekjaren waarop het meerjarenplan betrekking heeft;
  2° als bekende en verwachte opbrengsten of ontvangsten, of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het meerjarenplan betrekking heeft ten gunste of ten laste van de provincie komen, geheel of gedeeltelijk niet in het meerjarenplan worden opgenomen;
  3° als bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de provincieraad op het meerjarenplan heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan de provincie toekomen of als het meerjarenplan in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht;
  4° als het meerjarenplan geen of slechts gedeeltelijk rekening houdt met eerder goedgekeurde investeringsenveloppen.
  In het eerste geval neemt de Vlaamse Regering alle vereiste maatregelen om het evenwicht te herstellen. In het tweede geval schrijft de Vlaamse Regering de opbrengsten of verplichte kosten ambtshalve in. In het derde geval schrapt de Vlaamse Regering de vermelde ontvangsten of schrijft ze die op het juiste bedrag in. In het laatste geval verhoogt de Vlaamse Regering de kredieten, zodat de reeds eerder goedgekeurde investeringsenveloppes passen in het vastgestelde meerjarenplan.
  De Vlaamse Regering neemt haar beslissing binnen vijftig dagen, die ingaan op de dag na het inkomen van het besluit van de provincieraad en verstuurt haar beslissing naar de provincieraad uiterlijk de laatste dag van die termijn.
  Als binnen de in het derde lid bepaalde termijn geen beslissing naar de provincieraad is verstuurd, is het door de Vlaamse Regering ontvangen meerjarenplan of de wijzigingen ervan definitief.
  § 4. De schorsing van het meerjarenplan of van de wijziging ervan impliceert van rechtswege de schorsing van het budget dat werd vastgesteld op basis van het geschorste meerjarenplan of het meerjarenplan zoals gewijzigd bij de geschorste wijziging. Deze schorsing neemt een einde op de datum van de gemotiveerde beslissing van de Vlaamse Regering, vermeld in § 3.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 172. § 1. [1 Met behoud van de bevoegdheid van de toezichthoudende overheid tot schorsing en vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang overeenkomstig artikelen 245 tot en met 252, schorst de Vlaamse Regering binnen de termijnen, vermeld in artikel 248, de uitvoering van het meerjarenplan en de beslissing tot wijziging ervan :
  ]1
  1° als niet afdoende of slechts op basis van fictieve gegevens aangetoond wordt dat [1 het financiële evenwicht]1 gevrijwaard blijft in de [1 financiële boekjaren]1 waarop het meerjarenplan betrekking heeft;
  2° [1 als bekende of verwachte opbrengsten of ontvangsten]1 , of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het meerjarenplan betrekking heeft ten gunste of ten laste van de provincie komen, geheel of gedeeltelijk niet in het meerjarenplan worden opgenomen;
  3° als bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de provincieraad op het meerjarenplan heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan de provincie toekomen of als het meerjarenplan in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht;
  4° [1 als het meerjarenplan niet of slechts gedeeltelijk rekening houdt met eerder vastgestelde investeringsenveloppen.]1
  Voorzover de redenen die aanleiding geven tot de schorsing het evenwicht van het meerjarenplan niet in gevaar brengen, kan de schorsing beperkt worden tot een of meer onderdelen van het meerjarenplan.
  § 2. De provincieraad spreekt zich uit over het schorsingsbesluit en stelt het meerjarenplan of de wijziging ervan opnieuw vast. Hij stuurt zijn gemotiveerde beslissing naar de Vlaamse Regering.
  § 3. De Vlaamse Regering neemt een gemotiveerde beslissing over het meerjarenplan of de wijziging ervan die de provincieraad opnieuw heeft vastgesteld. Onverminderd haar bevoegdheid tot vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang stelt de Vlaamse Regering het meerjarenplan of de wijziging ervan opnieuw vast in de hierna volgende gevallen :
  1° als niet afdoende of slechts op basis van fictieve gegevens aangetoond wordt dat [1 het financiële evenwicht]1 gevrijwaard blijft in de [1 financiële boekjaren]1 waarop het meerjarenplan betrekking heeft;
  2° [1 als bekende of verwachte opbrengsten of ontvangsten]1 , of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het meerjarenplan betrekking heeft ten gunste of ten laste van de provincie komen, geheel of gedeeltelijk niet in het meerjarenplan worden opgenomen;
  3° als bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de provincieraad op het meerjarenplan heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan de provincie toekomen of als het meerjarenplan in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht;
  4° [1 als het meerjarenplan niet of slechts gedeeltelijk rekening houdt met eerder vastgestelde investeringsenveloppen.]1
  [1 In het geval, vermeld in het eerste lid, 1°, neemt de Vlaamse Regering alle vereiste maatregelen om het evenwicht te herstellen. In het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, schrijft de Vlaamse Regering de bekende of verwachte opbrengsten of ontvangsten, of verplichte kosten of uitgaven ambtshalve in. In het geval, vermeld in het eerste lid, 3°, schrapt de Vlaamse Regering de vermelde opbrengsten of ontvangsten, of de kosten of uitgaven die strijdig zijn met het recht, of schrijft ze die op het juiste bedrag in. In het geval, vermeld in het eerste lid, 4°, verhoogt of verlaagt de Vlaamse Regering de kredieten, zodat de reeds eerder vastgestelde investeringsenveloppen passen in het vastgestelde meerjarenplan.]1
  De Vlaamse Regering neemt haar beslissing binnen [1 een termijn van]1 vijftig dagen, die [1 ingaat]1 op [2 de derde dag die volgt op het verzenden]2 van het besluit van de provincieraad en verstuurt haar beslissing naar de provincieraad uiterlijk de laatste dag van die termijn.
  Als binnen de in het derde lid bepaalde termijn geen beslissing naar de provincieraad is verstuurd, is het door de Vlaamse Regering ontvangen meerjarenplan of de wijzigingen ervan definitief.
  § 4. [1 De schorsing van het meerjarenplan of van de wijzigingen ervan impliceert van rechtswege de schorsing van het budget dat of van de budgetwijziging die werd vastgesteld op basis van het geschorste meerjarenplan of de geschorste wijziging ervan.]1 Deze schorsing neemt een einde op de datum van de gemotiveerde beslissing van de Vlaamse Regering, vermeld in § 3.

  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 98, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2014, zie DVR 2009-04-30/80, art. 137, § 2 (zie BVR 2010-06-25/21, art. 205)>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 53, 011; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 173.§ 1. Onverminderd de bevoegdheid van de toezichthoudende overheid tot schorsing en vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang overeenkomstig artikelen 245 tot 252, schorst de Vlaamse Regering het budget of de budgetwijzigingen :
  1° als die niet passen in het meerjarenplan, voorzover het budget of de budgetwijzigingen geen betrekking hebben op het eerste volledige boekjaar van de zesjaarlijkse periode waarvoor de provincieraad werd verkozen;
  2° als die een negatief resultaat op kasbasis vertonen voorzover de financiële nota van het budget of de budgetwijzigingen betrekking hebben op het eerste volledige boekjaar waarvoor de provincieraad werd verkozen;
  3° als bekende of verwachte opbrengsten of ontvangsten, of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het budget betrekking heeft ten gunste of ten laste van de provincie komen, geheel of gedeeltelijk niet in het budget worden opgenomen;
  4° als bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de provincieraad op het budget heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan de provincie toekomen of als het budget in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht.
  Voorzover de redenen die aanleiding geven tot de schorsing niet tot gevolg hebben dat het budget niet meer past in het meerjarenplan, kan de schorsing beperkt worden tot een of meer onderdelen van het budget.
  § 2. De provincieraad spreekt zich uit over het schorsingsbesluit en stelt het budget of de budgetwijziging opnieuw vast. Hij stuurt zijn gemotiveerde beslissing naar de Vlaamse Regering.
  § 3. De Vlaamse Regering neemt een gemotiveerde beslissing over het budget of de budgetwijziging die de provincieraad opnieuw heeft vastgesteld. Onverminderd haar bevoegdheid tot vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang, stelt de Vlaamse Regering het budget of de budgetwijzigingen opnieuw vast in de hierna volgende gevallen :
  1° als ze niet passen in het meerjarenplan, voorzover het budget of de budgetwijzigingen geen betrekking hebben op het eerste volledige boekjaar van de zesjaarlijkse periode waarvoor de provincieraad werd verkozen;
  2° als ze een negatief resultaat op kasbasis vertonen, voorzover het budget of de budgetwijzigingen betrekking hebben op het eerste volledige boekjaar waarvoor de provincieraad werd verkozen;
  3° als bekende of verwachte opbrengsten of ontvangsten, of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het budget betrekking heeft ten gunste of ten laste van de provincie komen, geheel of gedeeltelijk niet in het budget worden opgenomen;
  4° als bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de provincieraad op het budget heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan de provincie toekomen of als het budget in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht.
  In het eerste geval neemt de Vlaamse Regering alle vereiste maatregelen om het budget te doen passen in het meerjarenplan. In het tweede geval neemt de Vlaamse Regering de nodige maatregelen om het evenwicht op kasbasis te herstellen. In het derde geval schrijft de Vlaamse Regering de opbrengsten of verplichte kosten ambtshalve in. In het laatste geval schrapt de Vlaamse Regering de vermelde ontvangsten of schrijft ze die op het juiste bedrag in.
  De Vlaamse Regering neemt haar beslissing binnen vijftig dagen, die ingaan op de dag na het inkomen van het besluit van de provincieraad en verstuurt haar beslissing naar de provincieraad uiterlijk de laatste dag van die termijn.
  Als binnen de in het derde lid bepaalde termijn geen beslissing naar de provincieraad is verstuurd, is het budget of de budgetwijziging definitief die door de provincieraad opnieuw is vastgesteld.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 173. § 1. Onverminderd de bevoegdheid van de toezichthoudende overheid tot schorsing en vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang overeenkomstig artikelen 245 tot 252, schorst de Vlaamse Regering [1 binnen de termijnen, vermeld in artikel 248,]1 het budget of de budgetwijzigingen :
  1° als die niet passen in het meerjarenplan, voorzover het budget of de budgetwijzigingen geen betrekking hebben op het eerste volledige [1 financiële boekjaar]1 van de zesjaarlijkse periode waarvoor de provincieraad werd verkozen;
  2° als die een negatief resultaat op kasbasis vertonen voorzover de financiële nota van het budget of de budgetwijzigingen betrekking hebben op het eerste volledige [1 financiële boekjaar]1 waarvoor de provincieraad werd verkozen;
  3° als bekende of verwachte opbrengsten of ontvangsten, of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het budget betrekking heeft ten gunste of ten laste van de provincie komen, geheel of gedeeltelijk niet in het budget [1 of de budgetwijziging]1 worden opgenomen;
  4° als bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de provincieraad op [1 het budget of de budgetwijziging]1 heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan de provincie toekomen of als het budget in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht.
  Voorzover de redenen die aanleiding geven tot de schorsing niet tot gevolg hebben dat het budget niet meer past in het meerjarenplan, kan de schorsing beperkt worden tot een of meer onderdelen van [1 het budget of de budgetwijziging]1 .
  § 2. De provincieraad spreekt zich uit over het schorsingsbesluit en stelt het budget of de budgetwijziging opnieuw vast. Hij stuurt zijn gemotiveerde beslissing naar de Vlaamse Regering.
  § 3. De Vlaamse Regering neemt een gemotiveerde beslissing over het budget of de budgetwijziging die de provincieraad opnieuw heeft vastgesteld. Onverminderd haar bevoegdheid tot vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang, stelt de Vlaamse Regering het budget of de budgetwijzigingen opnieuw vast in de hierna volgende gevallen :
  1° als ze niet passen in het meerjarenplan, voorzover het budget of de budgetwijzigingen geen betrekking hebben op het eerste volledige boekjaar van de zesjaarlijkse periode waarvoor de provincieraad werd verkozen;
  2° als ze een negatief resultaat op kasbasis vertonen, [1 voor zover de financiële nota van het budget]1 of de budgetwijzigingen betrekking hebben op het eerste volledige boekjaar waarvoor de provincieraad werd verkozen;
  3° als bekende of verwachte opbrengsten of ontvangsten, of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het budget betrekking heeft ten gunste of ten laste van de provincie komen, geheel of gedeeltelijk niet in het budget [1 of de budgetwijziging]1 worden opgenomen;
  4° als bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de provincieraad op [1 het budget of de budgetwijziging]1 heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan de provincie toekomen of als het budget in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht.
  [1 In het geval, vermeld in het eerste lid, 1°, neemt de Vlaamse Regering alle vereiste maatregelen om het budget, of de budgetwijziging, te doen passen binnen het meerjarenplan. In het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, neemt de Vlaamse Regering de nodige maatregelen om het evenwicht op kasbasis te herstellen. In het geval, vermeld in het eerste lid, 3°, schrijft de Vlaamse Regering de bekende of verwachte opbrengsten of ontvangsten, of de verplichte kosten of uitgaven ambtshalve in. In het geval, vermeld in het eerste lid, 4°, schrapt de Vlaamse Regering de vermelde ontvangsten of opbrengsten, of de kosten of uitgaven die strijdig zijn met het recht, of schrijft ze die op het juiste bedrag in.]1
  De Vlaamse Regering neemt haar beslissing binnen [1 een termijn van]1 vijftig dagen, die [1 ingaat]1 op [1 de derde dag die volgt op het verzenden]1 van het besluit van de provincieraad en verstuurt haar beslissing naar de provincieraad uiterlijk de laatste dag van die termijn.
  Als binnen de in het derde lid bepaalde termijn geen beslissing naar de provincieraad is verstuurd, is het budget of de budgetwijziging definitief die door de provincieraad opnieuw is vastgesteld.

  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 99, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2014, zie DVR 2009-04-30/80, art. 137, § 2 (zie BVR 2010-06-25/21, art. 205)>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 53, 011; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 174.
  <Opgeheven bij DVR 2012-06-29/11, art. 54, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 174bis. [1 § 1. Onmiddellijk na de verzending van het meerjarenplan, de aanpassing van het meerjarenplan, het budget of de jaarrekening aan de toezichthoudende overheid bezorgt de provincie de gegevens over het vastgestelde beleidsrapport in een digitaal bestand aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens de besturen bezorgen en de wijze waarop die gegevens elektronisch worden aangeleverd. Bij gebrek aan een vastgestelde jaarrekening op 30 juni van het jaar dat volgt op het financiële boekjaar in kwestie bezorgt de provincie de gegevens over het ontwerp van de jaarrekening in een digitaal bestand aan de Vlaamse Regering.
   Dat vastgestelde beleidsrapport van de provincieraad is pas uitvoerbaar als de Vlaamse Regering in het bezit is van de digitale rapporten. De Vlaamse Regering verstuurt onmiddellijk een ontvangstmelding van de rapporten naar het bestuur.
   § 2. De provincie rapporteert aan de Vlaamse Regering over de verrichte transacties van elk kwartaal voor het einde van de maand die volgt op het kwartaal. De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens worden aangeleverd en de wijze waarop die gegevens elektronisch worden aangeleverd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2012-06-29/11, art. 55, 011; Inwerkingtreding : onbepaald>

  HOOFDSTUK VIII. - Nadere uitwerking door de Vlaamse Regering.

  Art. 175. De Vlaamse Regering bepaalt nadere voorschriften voor de uitvoering van deze titel, evenals aangaande de daarbij behorende documenten, met inbegrip van de te hanteren modellen.
  De Vlaamse Regering bepaalt de minimale vereisten waaraan de informaticasystemen die door de provincie worden gehanteerd moeten voldoen.

  TITEL V. - Bepalingen over de werking van de provincie.

  HOOFDSTUK I. - Akten van de provincie.

  Afdeling I. - Opmaken en ondertekenen van akten.

  Art. 176.De provinciegriffier woont de vergaderingen van de provincieraad en van de deputatie bij en is verantwoordelijk voor het opstellen van de notulen ervan, alsook voor de bewaring van de originelen.
  De originelen van de notulen van de provincieraad worden, na goedkeuring, ondertekend door de voorzitter van de provincieraad en de provinciegriffier. De originelen van de notulen van de deputatie worden, na goedkeuring, door de [1 de provinciegouverneur of het op grond van artikel 52 aangewezen lid van de deputatie]1 en door de provinciegriffier ondertekend.
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 56, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 177. § 1. De notulen van de vergaderingen van de provincieraad vermelden, in chronologische volgorde, alle besproken onderwerpen, alsook het gevolg dat werd gegeven aan de punten waarover de provincieraad geen beslissing heeft genomen. Ze maken melding van alle beslissingen en het resultaat van de stemmingen. Behalve bij geheime stemming, vermelden de notulen hoe elk lid gestemd heeft. [1 Van deze laatste verplichting kan worden afgeweken voor beslissingen genomen met unanimiteit.]1
  § 2. De notulen van de vergaderingen van de deputatie vermelden de beslissingen van de deputatie.
  Als de deputatie overeenkomstig artikel 157 op eigen verantwoordelijkheid een voorgenomen verbintenis viseert of overeenkomstig artikel 159 op eigen verantwoordelijkheid [1 een]1 bevel geeft tot betaling van een uitgave, wordt, op verzoek van een lid van de deputatie, een verklaring inzake zijn stemgedrag in de notulen opgenomen.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 101, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 178.§ 1. De reglementen, verordeningen en beslissingen van de provincieraad worden ondertekend door zijn voorzitter en mede ondertekend door de provinciegriffier.
  § 2. De reglementen en beslissingen van de deputatie worden ondertekend door [2 de provinciegouverneur of het op grond van artikel 52 aangewezen lid van de deputatie]2 en mede ondertekend door de provinciegriffier.
  § 3. [1 De beslissingen, de akten, de verslagen en de brieven van de financieel beheerder worden door hem ondertekend als ze specifiek betrekking hebben op de aan hem toevertrouwde taken. De financieel beheerder kan deze ondertekeningsbevoegdheid delegeren aan een of meerdere personeelsleden.
   De beslissingen, de akten en de briefwisseling van personeelsleden aan wie bevoegdheden werden gedelegeerd of toevertrouwd, worden door die personeelsleden ondertekend.
   Het dwangbevel, uitgevaardigd voor de invordering van schuldvorderingen, wordt, met behoud van de ondertekeningsbevoegdheid inzake de uitvoerbaarverklaring ervan, ondertekend door de financieel beheerder.]1
  § 4. [1 Met behoud van § 3]1 , bepaalt de deputatie in haar huishoudelijk reglement welke personen gemachtigd zijn om de briefwisseling en de akten van de provincie en de contracten waarbij de provincie partij is, te ondertekenen, evenals de omvang van hun bevoegdheden en de wijze waarop zij die uitoefenen. Als de deputatie die werkwijze niet vaststelt, worden deze briefwisseling, akten en contracten ondertekend door de provinciegouverneur. De briefwisseling, de akten van de provincie en de contracten waarbij de provincie partij is, worden mede ondertekend door de provinciegriffier.
  § 5. De deputatie bepaalt in haar huishoudelijk reglement door wie en op welke wijze de andere stukken van de provincie, die niet vermeld worden in [1 de voorgaande paragrafen]1 , worden ondertekend, en, als dat nodig wordt geacht, mede ondertekend. Als de deputatie die werkwijze niet vaststelt, worden deze stukken ondertekend door de provinciegouverneur en mede ondertekend door de provinciegriffier.
  [1 § 5/1. De voorzitter van de provincieraad kan zijn bevoegdheid tot ondertekening schriftelijk opdragen aan een of meer leden van de provincieraad, tenzij de bevoegdheid betrekking heeft op de ondertekening van de notulen, vermeld in artikel 176. De voorzitter van de provincieraad kan tevens zijn bevoegdheden die voortvloeien uit artikel 43, § 2, 12°, delegeren aan een of meer leden van de provincieraad. Die opdracht kan te allen tijde worden herroepen. Het lid aan wie de opdracht is gegeven, moet boven zijn handtekening, naam en functie tevens melding maken van die opdracht.]1
  § 6. [1 De provinciegriffier kan zijn bevoegdheid tot ondertekening of medeondertekening opdragen aan een of meer personeelsleden van de provincie, tenzij de bevoegdheid betrekking heeft op de ondertekening van de notulen, vermeld in artikel 176. De opdrachten tot ondertekening of medeondertekening worden schriftelijk gegeven en zijn te allen tijde herroepbaar; de provincieraad wordt daarvan op de hoogte gebracht tijdens zijn eerstvolgende vergadering.]1 De personeelsleden aan wie de opdracht tot [1 ondertekening of]1 medeondertekening is gegeven, moeten boven hun handtekening, naam en functie tevens melding maken van die opdracht.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 102, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 57, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 179. De provinciegriffier maakt in de rand van de notulen van de provincieraad of van de deputatie kantmelding van de intrekking van een besluit van de provincieraad of de deputatie, van de vernietiging of de niet-goedkeuring van een besluit door een toezichthoudende overheid en van het feit dat een besluit geacht wordt nooit te hebben bestaan met toepassing van artikel 249, vierde lid.
  De provinciegriffier brengt de provincieraad en de deputatie van elke kantmelding op de hoogte op de eerstvolgende vergadering van respectievelijk de provincieraad of de deputatie.

  Afdeling II. - Bekendmaking en inwerkingtreding.

  Art. 180.De reglementen en verordeningen van de provincieraad en de deputatie worden bekendgemaakt door middel van publicatie in het bestuursmemoriaal.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
   Art. 180. [1 De reglementen en verordeningen van de provincieraad en de deputatie worden bekendgemaakt door middel van publicatie op de provinciale website met vermelding van zowel de datum waarop ze worden aangenomen als de datum waarop ze op de provinciale website bekendgemaakt worden.]1
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 58, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 181. De reglementen en verordeningen, vermeld in artikel 180, treden in werking de vijfde dag na de bekendmaking ervan, tenzij het anders bepaald is.

  Afdeling III. - Wijze van kennisgeving.

  Art. 182. Stukken van de provincie worden met een gewone brief aan de betrokkene bezorgd, tenzij de wet, dit decreet of een ander decreet een andere vorm van mededeling of kennisgeving oplegt. Het huishoudelijk reglement van de provincieraad kan bepalen dat stukken bovendien op een andere wijze meegedeeld of ter kennis gebracht worden.

  Afdeling IV. - Briefwisseling aan de provincie.

  Art. 183. [1 Alle briefwisseling aan de provincie wordt geacht te zijn gericht aan de deputatie. Behalve bij andersluidende beslissing van de provincieraad wordt de briefwisseling verstuurd naar het provinciehuis. Er wordt een register aangelegd van alle ingaande en uitgaande briefwisseling, van welke aard ook.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 103, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  HOOFDSTUK II. - Wijze van berekening van termijnen.

  Art. 184. Voor de toepassing van dit decreet wordt de termijn berekend vanaf de dag na de dag van de akte of de gebeurtenis die de termijn doet ingaan, en omvat de termijn alle dagen, ook de zaterdag, de zondag en de [1 wettelijke of decretale feestdagen]1 . De vervaldag is in de termijn begrepen. Als die dag echter een zaterdag, een zondag of een [1 wettelijke of decretale feestdag]1 is, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
  Bij gebrek aan een akte of gebeurtenis die de termijn doet ingaan, wordt de termijn berekend door terug te tellen vanaf de gebeurtenis die de termijn doet eindigen. In dat geval wordt de dag van de gebeurtenis die de termijn doet eindigen [1 niet]1 in de termijn begrepen. De dag van verzending is niet in de termijn begrepen.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 104, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  HOOFDSTUK III. - Afwijking van het domeinrecht.

  Art. 185. De provincie en de autonome provinciebedrijven kunnen, op voorwaarde van bijzondere en omstandige motivering, zakelijke rechten vestigen op openbare domeingoederen voorzover die rechten niet kennelijk onverenigbaar zijn met de bestemming van die goederen.

  HOOFDSTUK IIIbis. [1 - Aanstellen van landmeters-experten]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2010-12-10/09, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 31-12-2010>

  Art. 185bis. [1 De provincie en de provinciale verzelfstandigde agentschappen, bedoeld in titel VII, kunnen landmeters-experten aanstellen voor het opstellen van schattingsverslagen in het kader van de onroerende verrichtingen die worden gesteld door de provincie en de provinciale verzelfstandigde agentschappen, bedoeld in titel VII.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2010-12-10/09, art. 7, 008; Inwerkingtreding : 31-12-2010>

  Art. 185ter. [1 De Vlaamse Regering bepaalt de procedure en de voorwaarden volgens welke de landmeter-expert de erkenning kan verkrijgen om schattingsverslagen op te stellen voor de provincie en de provinciale verzelfstandigde agentschappen, bedoeld in titel VII.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2010-12-10/09, art. 8, 008; Inwerkingtreding : 31-12-2010>

  Art. 185quater. [1 Voor de toepassing van artikelen 185bis en 185ter wordt verstaan onder :
   1° landmeter-expert : de landmeter-expert ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van het beroep als bedoeld in de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert en op wie het koninklijk besluit van 15 december 2005 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de landmeter-expert van toepassing is;
   2° schattingsverslag : verslag waarbij de waarde van het onroerend goed wordt bepaald aan de hand van vooraf vastgelegde objectieve regels zoals vergelijkingspunten uit de omgeving.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2010-12-10/09, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 31-12-2010>

  HOOFDSTUK IV. - Optreden in rechte.

  Art. 186.[1 § 1. De deputatie vertegenwoordigt de provincie in gerechtelijke en buitengerechtelijke gevallen en beslist om op te treden in rechte namens de gemeente.
   De provincieraad kan beslissen om deze bevoegdheden in de plaats van de deputatie uit te oefenen. Wanneer een lid van de deputatie zich bevindt in een situatie als beschreven in artikel 27, § 1, 1°, oefent de provincieraad deze bevoegdheden uit.
   § 2. De deputatie of, in voorkomend geval, de provincieraad kan hetzij een lid van de deputatie, hetzij een lid van het personeel, hetzij een advocaat aanwijzen om namens de provincie te verschijnen in rechte.]1
  ----------
  (1)<DVR 2008-06-20/35, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 02-08-2008>

  Art. 187.[1 Als de deputatie of de provincieraad nalaten in rechte op te treden, [...], kunnen een of meer inwoners in rechte optreden namens de provincie, mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken.
   Dit recht staat ook open voor de rechtspersonen waarvan de maatschappelijke zetel in de provincie is gevestigd.
   De provincie kan over het geding geen dading aangaan of er afstand van doen zonder instemming van degene die het geding in haar naam heeft gevoerd.
   Op straffe van onontvankelijkheid kunnen personen, vermeld in het eerste en het tweede lid, slechts namens de provincie in rechte optreden indien zij het gedinginleidende stuk aan de deputatie hebben betekend, en, daaraan voorafgaand, de deputatie wegens het niet-optreden in gebreke hebben gesteld en na een termijn van tien dagen na de betekening van deze ingebrekestelling geen optreden in rechte vanwege het provinciebestuur heeft plaatsgevonden. In geval van hoogdringendheid is geen voorafgaande ingebrekestelling vereist.]1
  
  (NOTA : bij arrest nr. 9/2014 du 04-04-2014 (B.St. 04-0-2014,p. 29289-29294), heeft het Grondwettelijk Hof de woorden « en als gevolg van dit stilzitten het leefmilieu schade toegebracht wordt of een ernstige dreiging op schade aan het leefmilieu ontstaat», in artikel 187 vernietigt)
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 59, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  HOOFDSTUK V. - Deelname van de provincies aan rechtspersonen.

  Art. 188.§ 1. Zonder afbreuk te doen aan het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, kunnen de provincies verenigingen, stichtingen en vennootschappen met sociaal oogmerk oprichten, erin deelnemen of zich erin laten vertegenwoordigen voorzover die verenigingen, stichtingen en vennootschappen met sociaal oogmerk niet belast worden met de verwezenlijking van welbepaalde taken van provinciaal belang.
  Onder dezelfde voorwaarden kunnen de provincies een andere vennootschap in de zin van het Wetboek Vennootschappen oprichten, erin deelnemen of zich erin laten vertegenwoordigen indien die vennootschap de realisatie van lokale PPS-projecten in de zin van het decreet betreffende publiek-private samenwerking als uitsluitende doelstelling heeft.
  [1 Derde lid opgeheven.]1.
  [1 Vierde lid opgeheven.]1.
  § 2. [2 Deze oprichting, deelname of vertegenwoordiging mag niet gepaard gaan met de overdracht of terbeschikkingstelling van provinciaal personeel of met de overdracht van provinciale infrastructuur.
   In afwijking van het eerste lid en voor zover dat nader bepaald is in de rechtspositieregeling van het provinciepersoneel kunnen personeelsleden in statutair dienstverband ter beschikking gesteld worden aan de vereniging, vermeld in § 1, eerste lid. De terbeschikkingstelling is tijdelijk en gebeurt op basis van een overeenkomst tussen de provincie en de vereniging zonder winstoogmerk waaraan het personeel ter beschikking gesteld wordt.
   De aanstellende overheid beslist, in overeenstemming met de rechtspositieregeling, over de individuele terbeschikkingstelling van het personeelslid en sluit de overeenkomst van terbeschikkingstelling af.]2
  § 3. Het is de provincies verboden om, rechtstreeks of onrechtstreeks, rechtspersonen die niet belast zijn met welbepaalde taken van provinciaal belang op te richten, erin deel te nemen of zich erin te laten vertegenwoordigen, tenzij die rechtspersonen voldoen aan de voorschriften van dit hoofdstuk of er voor die oprichting, deelname of vertegenwoordiging een andere decretale of wettelijke rechtsgrond bestaat.
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 20, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>
  (2)<DVR 2016-06-03/04, art. 48, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  HOOFDSTUK VI. - Contracten tussen provincies.

  Art. 189. De provincies kunnen onderling overeenkomsten sluiten.

  TITEL VI. - Participatie van de burger.

  HOOFDSTUK I. - Klachtenbehandeling.

  Art. 190. De provincieraad organiseert bij reglement een systeem van klachtenbehandeling.

  Art. 191. § 1. Het systeem van klachtenbehandeling moet worden georganiseerd op het ambtelijke niveau van de provincie en maximaal onafhankelijk van de ^-1 provinciale diensten]1 waarop de klachten betrekking hebben.
  § 2. [1 Elke provincie kan op een van de volgende wijzen een ombudsdienst oprichten :
  ]1
  1° in eigen beheer;
  2° via een overeenkomst met de Vlaamse Ombudsdienst, opgericht bij decreet van 7 juli 1998 [1 ...]1 .
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 105, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>

  HOOFDSTUK II. - Inspraak.

  Art. 192. De provincieraad neemt initiatieven om de betrokkenheid en de inspraak van de burgers of van de doelgroepen te verzekeren bij de beleidsvoorbereiding, bij de uitwerking van de provinciale dienstverlening en bij de evaluatie ervan.

  Art. 193. § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van de op dit gebied geldende wettelijke en decretale bepalingen, kan alleen de provincieraad overgaan tot de organisatie van raden en overlegstructuren die tot opdracht hebben op regelmatige en systematische wijze het provinciebestuur te adviseren.
  § 2. Ten hoogste twee derde van de leden van de hier bedoelde raden en overlegstructuren is van hetzelfde geslacht. Zo niet kan niet op rechtsgeldige wijze advies worden uitgebracht.
  § 3. De provincieraad stelt de nadere voorwaarden vast voor de representativiteit en regelt de samenstelling, de werkwijze en de procedures van de hier bedoelde raden en overlegstructuren. Daarbij wordt uitdrukkelijk bepaald op welke wijze het gevolg dat aan de adviezen wordt gegeven, zal worden meegedeeld. De provincieraad waakt erover dat de nodige middelen ter beschikking worden gesteld voor de vervulling van de adviesopdracht.
  De verslagen en einddocumenten van de hier bedoelde raden en overlegstructuren worden meegedeeld aan de provincieraad.
  § 4. Provincieraadsleden en leden van de deputatie kunnen geen stemgerechtigd lid zijn van de hier bedoelde raden en overlegstructuren.

  HOOFDSTUK IIbis. [ - Voorstellen van burgers] <Ingevoegd bij DVR 2006-06-02/46, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 193bis. [ De inwoners hebben het recht te verzoeken om de door hen in een gemotiveerde nota nader omschreven voorstellen en vragen over de provinciale beleidsvoering en dienstverlening op de agenda van de provincieraad in te schrijven en om deze agendapunten te komen toelichten in de provincieraad. Ze voegen bij die nota eventueel alle nuttige stukken die de provincieraad kunnen voorlichten.
   Dat verzoek moet worden gesteund door ten minste 1 % van het aantal inwoners van de provincie, ouder dan 16 jaar.] <Ingevoegd bij DVR 2006-06-02/46, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  

  Art. 193ter. [ Het verzoek wordt ingediend met een formulier, dat [1 de provincie]1 ter beschikking stelt, en wordt met een aangetekende brief gestuurd aan [1 de provincie]1 . Het verzoek moet de naam, voornamen, geboortedatum en woonplaats vermelden van iedereen die het verzoekschrift ondertekend heeft.
   De deputatie gaat na of aan die voorwaarden voldaan is.] <Ingevoegd bij DVR 2006-06-02/46, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 106, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 193quater. [Het verzoek moet minstens twintig dagen voor de dag van de vergadering van de provincieraad bij de deputatie ingediend zijn om in de eerstvolgende provincieraad te kunnen worden behandeld, zo niet wordt het verzoek behandeld in de daaropvolgende vergadering van de raad.] <Ingevoegd bij DVR 2006-06-02/46, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  

  Art. 193quinquies. [ De provincieraad doet vooraf uitspraak over zijn bevoegdheid ten aanzien van de in het verzoekschrift opgenomen voorstellen en vragen. Binnen zijn bevoegdheid bepaalt de provincieraad ook welk gevolg daaraan wordt gegeven en hoe dat wordt bekendgemaakt.] <Ingevoegd bij DVR 2006-06-02/46, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  

  HOOFDSTUK III. - [1 Verzoekschriften aan de organen van de provincie]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 107, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 194. Ieder heeft het recht verzoekschriften, door een of meer personen ondertekend, schriftelijk bij de [1 organen van de provincie]1 in te dienen.
  Verzoekschriften die een onderwerp betreffen dat niet tot de bevoegdheid van de provincie behoort, zijn onontvankelijk.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 108, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 195. De provincieraad kan de bij hem ingediende verzoekschriften naar de deputatie of naar een provincieraadscommissie verwijzen met het verzoek om over de inhoud ervan uitleg te verstrekken.
  De verzoeker of, indien het verzoekschrift door meer personen ondertekend is, de eerste ondertekenaar van het verzoekschrift, kan worden gehoord door [1 een orgaan van de provincie]1 . In dat geval heeft de verzoeker of de eerste ondertekenaar van een verzoekschrift het recht zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 109, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 196.De [1 provincie]1 verstrekt binnen drie maanden na de indiening van het verzoekschrift een gemotiveerd antwoord aan de verzoeker of, indien het verzoekschrift door meer personen ondertekend is, aan de eerste ondertekenaar van het verzoekschrift.
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 60, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 197. Het huishoudelijk reglement van de provincieraad bepaalt de nadere voorwaarden waaronder dit recht wordt uitgeoefend en de wijze waarop de verzoekschriften worden behandeld.

  HOOFDSTUK IV. - De provinciale volksraadpleging.

  Art. 198. De provincieraad kan, op eigen initiatief of op verzoek van de inwoners van de provincie, beslissen om de inwoners te raadplegen over de aangelegenheden, vermeld in artikel 2, eerste lid.
  Het initiatief dat uitgaat van de inwoners van de provincie moet worden gesteund door ten minste 10 % van de inwoners.

  Art. 199. Elk verzoek tot het houden van een raadpleging op initiatief van de inwoners van de provincie wordt met een aangetekende brief gericht aan de deputatie.
  Bij het verzoek worden een gemotiveerde nota gevoegd en de stukken die de provincieraad kunnen voorlichten.

  Art. 200.Het verzoek is alleen ontvankelijk als het wordt ingediend door middel van een formulier, afgegeven door de provincie, en als het, buiten de naam van de provincie en de tekst van artikel 196 van het Strafwetboek, de volgende vermeldingen bevat :
  1° de vraag of vragen waarop de voorgenomen raadpleging betrekking heeft;
  2° de familienaam, voornamen, geboortedatum en woonplaats van iedereen die het verzoekschrift heeft ondertekend;
  3° de familienaam, voornamen, geboortedatum en woonplaats van de personen die het initiatief nemen tot de raadpleging.
  [1 De Vlaamse Regering legt het model van het formulier, vermeld in het eerste lid, vast.]1
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 61, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 201. Na ontvangst van het verzoek onderzoekt de deputatie of het verzoek gesteund is door een voldoende aantal geldige handtekeningen.
  Naar aanleiding van dat onderzoek schrapt de deputatie :
  1° de dubbele handtekeningen;
  2° de handtekeningen van de personen die niet voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 202;
  3° de handtekeningen van de personen voor wie de verschafte gegevens ontoereikend zijn om toetsing van hun identiteit mogelijk te maken.
  De controle wordt beëindigd als het aantal geldige handtekeningen is bereikt. In dit geval organiseert de provincieraad een volksraadpleging.

  Art. 202.§ 1. Een persoon kan verzoeken om een volksraadpleging of eraan deelnemen als hij :
  1° in het bevolkingsregister van een gemeente in de provincie ingeschreven of vermeld is;
  2° de volle leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;
  3° niet het voorwerp uitmaakt van een veroordeling of beslissing die voor een provincieraadskiezer de uitsluiting of schorsing van het kiesrecht meebrengt.
  § 2. De voorwaarden in § 1 moeten vervuld zijn op de datum waarop het verzoekschrift werd ingediend voor wie verzoekt om een volksraadpleging.
  Voor wie deelneemt aan de volksraadpleging moeten de voorwaarden, vermeld in § 1, 2° en 3°, vervuld zijn op de dag van de raadpleging, en de voorwaarde, vermeld in § 1, 1°, op de datum waarop de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging wordt afgesloten.
  De deelnemers die na de datum waarop de lijst van de deelnemers aan de volksraadpleging wordt afgesloten, het voorwerp zijn van een veroordeling of van een beslissing die voor een provincieraadskiezer ofwel de uitsluiting van het kiesrecht, ofwel de schorsing van dat recht op de dag van de raadpleging meebrengt, worden van de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging geschrapt.
  § 3. [1 Artikel 15, § 5, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011]1 is van toepassing op alle categorieën van personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in § 1.
  Voor niet-Belgische onderdanen en voor Belgische onderdanen die jonger zijn dan achttien jaar wordt de kennisgeving door de parketten van de hoven en rechtbanken gedaan als de veroordeling of de internering, waartegen met geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden opgekomen, zou hebben geleid tot uitsluiting van het kiesrecht of opschorting van dit recht als ze ten laste van een provincieraadskiezer werd uitgesproken. In geval van kennisgeving nadat de lijst van deelnemers is opgemaakt, worden de betrokkenen van deze lijst geschrapt.
  ----------
  (1)<DVR 2011-07-08/24, art. 272, 009; Inwerkingtreding : 04-09-2011>

  Art. 203. Op de dertigste dag voor de raadpleging maakt de deputatie een lijst op van deelnemers aan de volksraadpleging.
  Op die lijst worden de volgende personen vermeld :
  1° de personen die op de vermelde datum in het bevolkingsregister van een gemeente van de provincie ingeschreven of vermeld zijn en die de andere deelnemingsvoorwaarden vervullen, vermeld in artikel 202, § 1;
  2° de deelnemers die tussen deze datum en de datum van de raadpleging de leeftijd van zestien jaar bereiken;
  3° de personen voor wie de schorsing van het kiesrecht een einde neemt of zou nemen uiterlijk op de dag die is vastgesteld voor de raadpleging.
  Voor elke persoon die voldoet aan de deelnemingsvoorwaarden vermeldt de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging per provincie de familienaam, de voornamen, de geboortedatum, het geslacht en de hoofdverblijfplaats. De lijst wordt volgens een doorlopende nummering en eventueel per wijk van de gemeente opgemaakt, ofwel in alfabetische volgorde van de deelnemers, ofwel geografisch volgens de straten.

  Art. 204. De deelname aan de volksraadpleging is niet verplicht. Elke deelnemer heeft recht op één stem. De stemming is geheim.
  De volksraadpleging kan enkel op een zondag plaatsvinden. De deelnemers worden tot de stemming toegelaten van 8 tot 13 uur. De personen die zich voor 13 uur in het stemlokaal bevinden, worden nog tot de stemming toegelaten.

  Art. 205. Tot stemopneming wordt pas overgegaan als ten minste 10 % van de inwoners aan de raadpleging heeft deelgenomen.

  Art. 205bis. [1 § 1. De volgende potentiële deelnemers aan de provinciale volksraadpleging kunnen een andere potentiële deelnemer aan de provinciale volksraadpleging machtigen om in hun naam te stemmen :
   1° potentiële deelnemers aan de provinciale volksraadpleging die wegens ziekte of gebrekkigheid niet in staat zijn om zich naar het stembureau te begeven of er naartoe gevoerd te worden. Die onbekwaamheid blijkt uit een medisch attest. Artsen die kandidaat zijn, mogen een dergelijk attest niet afgeven;
   2° potentiële deelnemers aan de provinciale volksraadpleging die om beroeps- of dienstredenen :
   a) in het buitenland zijn opgehouden, alsook de leden van het gezin of het gevolg van die potentiële deelnemers aan de provinciale volksraadpleging die met hen aldaar verblijven;
   b) zich op de dag van de provinciale volksraadpleging in het Rijk bevinden, maar in de onmogelijkheid verkeren zich in het stembureau te melden;
   Die onmogelijkheid, vermeld in a) en b), blijkt uit een attest van de militaire of burgerlijke overheid of van de werkgever onder wie betrokkenen ressorteren;
   3° potentiële deelnemers aan de provinciale volksraadpleging die het beroep van schipper, marktkramer of kermisreiziger uitoefenen en de leden van hun gezin die met hen samenwonen. De uitoefening van het beroep blijkt uit een attest van de burgemeester van de gemeente waar de betrokkenen in het bevolkingsregister zijn ingeschreven;
   4° potentiële deelnemers aan de provinciale volksraadpleging die op de dag van de provinciale volksraadpleging ten gevolge van een rechterlijke maatregel in een toestand van vrijheidsbeneming verkeren. Die toestand wordt bevestigd door de directie van de inrichting waar de betrokkenen zich bevinden;
   5° potentiële deelnemers aan de provinciale volksraadpleging die om redenen in verband met hun geloofsovertuiging in de onmogelijkheid verkeren zich op het stembureau te melden. Die onmogelijkheid blijkt uit een attest dat is afgegeven door de religieuze overheid;
   6° studenten die zich om studieredenen, in de onmogelijkheid bevinden om zich in het stembureau te melden, op voorwaarde dat ze een attest overleggen van de directie van de instelling waar ze studeren;
   7° potentiële deelnemers aan de provinciale volksraadpleging die om andere redenen op de dag van de provinciale volksraadpleging niet in hun woonplaats zijn wegens een tijdelijk verblijf in het buitenland, en bijgevolg in de onmogelijkheid verkeren om zich in het stembureau aan te melden, voor zover de onmogelijkheid door de burgemeester van hun woonplaats vastgesteld is, na overlegging van de nodige bewijsstukken. De Vlaamse Regering bepaalt het model van het attest dat door de burgemeester moet worden afgegeven. De aanvraag moet bij de burgemeester van de woonplaats uiterlijk de derde dag voor die van de volksraadpleging worden ingediend.
   § 2. Als gemachtigde kan worden aangewezen, eenieder die de hoedanigheid van potentiële deelnemer aan de provinciale volksraadpleging bezit. De gemachtigde kan zijn hoedanigheid bewijzen door middel van zijn oproepingsbrief.
   Iedere gemachtigde mag maar één volmacht hebben.
   § 3. De volmacht wordt gesteld op een formulier waarvan het model door de Vlaamse Regering wordt bepaald. Het wordt kosteloos afgegeven op de gemeentesecretarie.
   De volmacht vermeldt de volksraadpleging waarvoor ze geldig is, de naam, de voornamen, de geboortedatum en het adres van de volmachtgever en van de gemachtigde.
   Het volmachtformulier wordt door de volmachtgever en de gemachtigde ondertekend.
   § 4. Om tot de provinciale volksraadpleging toegelaten te worden, overhandigt de gemachtigde aan de voorzitter van het stembureau waar de volmachtgever had moeten stemmen, de volmacht en een van de attesten, vermeld in § 1. Hij toont hem eveneens zijn identiteitskaart, de oproepingsbrief van de volmachtgever en zijn eigen oproepingsbrief, waarop de voorzitter de vermelding " heeft bij volmacht gestemd " noteert. ".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2009-04-30/80, art. 110, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 206.De bepalingen van [1 hoofdstuk 1 van deel 5, titel 1, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011]1, met uitzondering van [1 artikel 234]1, zijn van overeenkomstige toepassing op de provinciale volksraadpleging, met dien verstande dat de woorden " kiezer " en " kiezers " steeds worden vervangen door respectievelijk de woorden " deelnemer " en " deelnemers ", de woorden " verkiezing ", " verkiezingen " en " kiesverrichtingen " door het woord " volksraadpleging " en het woord " kiescollege " door " college ".
  ----------
  (1)<DVR 2011-07-08/24, art. 273, 009; Inwerkingtreding : 04-09-2011>

  Art. 207. § 1. Persoonlijke [1 aangelegenheden betreffende de rekeningen, de provinciebelastingen, de retributies, het meerjarenplan en de aanpassingen eraan, het budget en de budgetwijzigingen]1 kunnen niet het voorwerp zijn van een raadpleging.
  § 2. Een raadpleging kan niet worden georganiseerd in een periode van twaalf maanden voor de gewone vergadering van de kiezers voor de vernieuwing van de provincieraden. Bovendien kan er geen raadpleging worden georganiseerd in een periode van veertig dagen voor de rechtstreekse verkiezing van de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Gemeenschaps- en Gewestparlementen, en het Europees Parlement.
  De inwoners van de provincie kunnen slechts eenmaal om de zes maanden worden geraadpleegd, met een maximum van zes raadplegingen per zittingsperiode. Gedurende het tijdvak tussen twee vernieuwingen van de provincieraad kan slechts één volksraadpleging over hetzelfde onderwerp worden gehouden.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 111, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 208. Een verzoek tot het houden van een volksraadpleging wordt ingeschreven op de agenda van de eerstvolgende vergadering van de deputatie en van de provincieraad.
  Tot de inschrijving wordt overgegaan nadat de controle, vermeld in artikel 201, werd afgesloten.
  De voorzitter van de provincieraad is verplicht om tot inschrijving op de agenda van de provincieraad over te gaan, tenzij de provincieraad kennelijk onbevoegd is om over het verzoek te beslissen. Als hieromtrent twijfel bestaat, beslist de provincieraad.

  Art. 209. Elke beslissing over het al dan niet houden van een volksraadpleging wordt uitdrukkelijk gemotiveerd.
  Het voorgaande lid is tevens van toepassing op elke beslissing die rechtstreeks betrekking heeft op een aangelegenheid die het onderwerp is geweest van een raadpleging.

  Art. 210. Ten minste één maand voor de dag van de raadpleging stelt de provincie aan de inwoners een brochure ter beschikking waarin het onderwerp van de raadpleging op een objectieve manier wordt uiteengezet. Deze brochure bevat bovendien de gemotiveerde nota, vermeld in artikel 199, tweede lid, alsmede de vraag of vragen waarover de inwoners zullen worden geraadpleegd.

  Art. 211. De vraag moet zo geformuleerd zijn dat met ja of nee kan worden geantwoord.

  Art. 211bis. [1 De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak over de geschillen betreffende de stemopneming vermeld in artikel 205. Het bezwaar moet worden ingesteld binnen de 8 dagen nadat het proces-verbaal waarin is vastgesteld dat het vereiste aantal deelnemers vermeld in artikel 205 niet is bereikt of waarin de uitslag van de provinciale volksraadpleging is vermeld is bekendgemaakt aan het provinciehuis.
   Tegen de uitspraken van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, is binnen een termijn van acht dagen na de kennisgeving een beroep mogelijk bij de Raad van State. Dat beroep is niet schorsend. De hoofdgriffier van de Raad van State deelt het beroep binnen acht dagen na de ontvangst ervan mee aan de betrokkene en aan de provincie in kwestie. De Raad van State doet uitspraak binnen zestig dagen. Het arrest van de Raad van State wordt door de zorg van de hoofdgriffier onmiddellijk ter kennis gebracht van de betrokkene, de Vlaamse Regering en de provincie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2009-04-30/80, art. 112, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 212.De Vlaamse Regering bepaalt de nadere procedureregels voor het houden van een provinciale volksraadpleging, naar analogie van de procedure, vermeld in [1 het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011]1 voor de verkiezing van de provincieraadsleden.
  ----------
  (1)<DVR 2011-07-08/24, art. 271, 009; Inwerkingtreding : 04-09-2011>

  Art. 213. De gemeenten staan in voor de organisatie van de volksraadpleging. De daaraan verbonden kosten worden gedragen door de provincie.

  Art. 214. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de uitslag van de raadpleging aan de bevolking wordt bekendgemaakt.

  TITEL VII. - De provinciale verzelfstandigde agentschappen.

  HOOFDSTUK I. - De provinciale intern verzelfstandigde agentschappen.

  Art. 215. § 1. De intern verzelfstandigde agentschappen zijn diensten zonder eigen rechtspersoonlijkheid die door de provincie belast zijn met welbepaalde beleidsuitvoerende taken van provinciaal belang en die beschikken over operationele autonomie als vermeld in artikel 216.
  Ze worden beheerd buiten de algemene diensten van de provincies, vermeld in titel II, hoofdstuk VI.
  § 2. De provincieraad is bevoegd om intern verzelfstandigde agentschappen zonder rechtspersoonlijkheid op te richten.
  § 3. Het hoofd van een intern verzelfstandigd agentschap is het personeelslid dat, onverminderd de eventuele mogelijkheid tot delegatie en subdelegatie van die bevoegdheid, belast is met de algemene leiding, de werking en de [1 buitengerechtelijke vertegenwoordiging]1 van het agentschap.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 113, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 216. Het oprichtingsbesluit van een intern verzelfstandigd agentschap omvat minstens de volgende punten :
  1° een opsomming van de beleidsuitvoerende taken van provinciaal belang die aan het intern verzelfstandigd agentschap worden toevertrouwd;
  2° een beschrijving van de operationele autonomie die aan het hoofd van het agentschap wordt gedelegeerd.
  Deze autonomie kan betrekking hebben op :
  a) het vaststellen en wijzigen van de organisatiestructuur van het agentschap;
  b) de organisatie van de operationele processen met het oog op de realisatie van de afgesproken doelstellingen;
  c) de uitvoering van het personeelsbeleid;
  d) het aanwenden van de ter beschikking gestelde middelen voor de werking van het agentschap, de uitvoering van de doelstellingen en taken van het agentschap en het sluiten van contracten ter verwezenlijking van de opdrachten van het agentschap;
  e) de interne controle binnen het intern verzelfstandigd agentschap;
  f) specifieke delegaties naar gelang van de eigen aard van het intern verzelfstandigd agentschap.

  Art. 217.§ 1. Tussen de deputatie en het hoofd van een intern verzelfstandigd agentschap wordt na onderhandeling een beheersovereenkomst gesloten. [1 De provincie neemt de nodige initiatieven voor de openbaarheid van de beheersovereenkomst, inclusief alle wijzigingen eraan.]1.
  § 2. De beheersovereenkomst regelt minstens de volgende aangelegenheden :
  1° de concretisering van de wijze waarop het agentschap zijn taken moet vervullen en van de doelstellingen ervan;
  2° de toekenning van middelen voor de eigen werking en de uitvoering van de taken van het agentschap;
  3° de voorwaarden waaronder eigen inkomsten of andere financieringen mogen worden verworven en aangewend;
  4° de informatieverstrekking aan de deputatie.
  § 3. Met behoud van de mogelijkheid tot verlenging, wijziging, schorsing en ontbinding van de beheersovereenkomst, wordt die gesloten voor een periode die eindigt uiterlijk zes maanden na de volledige vernieuwing van de provincieraad.
  De beheersovereenkomst en de uitvoering ervan worden jaarlijks geëvalueerd door de provincieraad.
  Als bij het verstrijken van de beheersovereenkomst geen nieuwe beheersovereenkomst in werking is getreden, wordt de bestaande overeenkomst van rechtswege verlengd.
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 62, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 218. § 1. De bepalingen van titel IV zijn van overeenkomstige toepassing op de provinciale intern verzelfstandigde agentschappen, onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen die opgenomen zijn in de hiernavolgende paragrafen.
  § 2. [1 In afwijking van § 1 kan de provincieraad beslissen dat er geheel of gedeeltelijk een beroep kan gedaan worden op saldobudgettering. De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden bepalen.]1
  Het budget en de jaarrekening van het intern verzelfstandigd agentschap worden geconsolideerd [1 met het budget en de jaarrekening van de provincie]1 , overeenkomstig de nadere regels die door de Vlaamse Regering worden vastgesteld.
  [1 § 2/1. De provincieraad kan in afwijking van artikel 159 beslissen dat de tweede handtekening op de betalingsopdracht geplaatst wordt door een door haar aangeduid personeelslid. In dat geval is dat personeelslid verantwoordelijk.]1
  § 3. Het hoofd van het agentschap is budgethouder voor het budget van het provinciale intern verzelfstandigd agentschap.
  Hij kan het budgethouderschap delegeren aan andere personeelsleden binnen de grenzen die bepaald zijn in de beheersovereenkomst. [1 De betrokken personeelsleden kunnen de aan hen gedelegeerde bevoegdheid niet weigeren als hun functieomschrijving erin voorziet.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 114, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  HOOFDSTUK II. - De provinciale extern verzelfstandigde agentschappen.

  Afdeling I. - Algemene bepalingen.

  Art. 219. § 1. De provinciale extern verzelfstandigde agentschappen zijn diensten met een eigen rechtspersoonlijkheid die door de provincie worden opgericht of waarin de provincie deelneemt en die belast zijn met welbepaalde beleidsuitvoerende taken van provinciaal belang. Vanuit hun taakstelling inzake beleidsuitvoering kunnen de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen tevens betrokken worden bij de beleidsvoorbereiding. De Vlaamse Regering kan de taken van provinciaal belang nader bepalen waarvoor provinciale extern verzelfstandigde agentschappen kunnen worden opgericht [1 of waarin kan worden deelgenomen]1 .
  Onder voorbehoud van de toepassing van andere wettelijke en decretale bepalingen mogen de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen hun taken van provinciaal belang noch geheel, noch gedeeltelijk overdragen aan andere rechtspersonen.
  § 2. Het is de provincies verboden om, rechtstreeks of onrechtstreeks, rechtspersonen die belast zijn met welbepaalde taken van provinciaal belang op te richten, erin deel te nemen of zich erin te laten vertegenwoordigen of om aan die rechtspersonen personeel, financiële middelen, infrastructuur of andere activa ter beschikking te stellen, tenzij die rechtspersonen voldoen aan de voorschriften van deze titel of er voor de oprichting, deelname of vertegenwoordiging een andere decretale of wettelijke rechtsgrond bestaat.
  § 3. Met het oog op de toepassing van § 2, wordt vermoed dat een rechtspersoon door een provincie met welbepaalde taken van provinciaal belang is belast als hij aan een van de volgende voorwaarden voldoet :
  1° een of meer van zijn organen bestaan voor meer dan de helft uit provincieraadsleden of leden van de deputatie van de provincie in kwestie of de leden van de organen worden voor meer dan de helft aangewezen of voorgedragen door die personen;
  2° de provincie of haar vertegenwoordigers beschikken over de meerderheid van de stemrechten in een of meer van zijn organen;
  3° zijn financiële middelen vallen voor meer dan de helft ten laste van het provinciebudget.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 115, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 220. Onder voorbehoud van de toepassing van andere wettelijke of decretale bepalingen, bestaan er twee vormen van provinciale extern verzelfstandigde agentschappen :
  1° het autonoom provinciebedrijf;
  2° het provinciale extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm.

  Art. 221.De beslissing tot oprichting van of deelname in een provinciaal extern verzelfstandigd agentschap kan niet worden genomen in de loop van een periode van twaalf maanden voor de datum van de volledige vernieuwing van de provincieraden. [2 Deze bepaling slaat niet op de omvorming van bestaande structuren conform artikel 266 van dit decreet, tenzij hierdoor bijkomende taken van provinciaal belang extern zouden worden verzelfstandigd.]2
  Elk provinciaal extern verzelfstandigd agentschap legt in de loop van het eerste jaar na de volledige vernieuwing van de provincieraden een evaluatieverslag voor aan de provincieraad over de uitvoering van de beheers- of samenwerkingsovereenkomst sinds de inwerkingtreding ervan. Dat verslag omvat ook een evaluatie van de verzelfstandiging, waarover de provincieraad zich binnen drie maanden uitspreekt.
  [1 Derde lid opgeheven.]1.
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 20, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 63, 011; Inwerkingtreding : 18-10-2012>

  Art. 222. De provinciale extern verzelfstandigde agentschappen zijn onderworpen aan de verplichtingen inzake formele motivering en openbaarheid van bestuur die gelden voor de provincie.

  Art. 223. De volgende personen kunnen niet worden voorgedragen of aangewezen als vertegenwoordiger of bestuurder in een provinciaal extern verzelfstandigd agentschap :
  1° de provinciegouverneurs, de gouverneur en de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, de provinciegriffiers, de arrondissementscommissarissen en de adjunct-arrondissementscommissarissen voorzover het provinciale extern verzelfstandigd agentschap gevestigd is in hun ambtsgebied;
  2° de magistraten, de plaatsvervangende magistraten en de griffiers bij de hoven en de rechtbanken, de administratieve rechtscolleges en het [1 Grondwettelijk Hof]1 ;
  3° [1 de personen die op commerciële wijze of met een winstoogmerk activiteiten uitoefenen in dezelfde beleidsdomeinen als het agentschap en waarin het agentschap niet deelneemt, alsook de werknemers en de leden van een bestuurs- of controleorgaan van die personen;]1
  4° de personen die in een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of een functie uitoefenen, gelijkwaardig aan een ambt of een functie als vermeld in dit artikel, en de personen die in een lokale basisoverheid van een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of een mandaat uitoefenen dat gelijkwaardig is aan dat van provincieraadslid, gedeputeerde of provinciegouverneur.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 116, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 224. Bij provincieraadsbesluit kan de provincie aan haar provinciale extern verzelfstandigde agentschappen middelen, infrastructuur of, mits de terzake geldende rechtspositieregeling nageleefd wordt, personeel ter beschikking stellen of overdragen.

  Afdeling II. - Het autonoom provinciebedrijf.

  Art. 225. Een autonoom provinciebedrijf wordt opgericht bij provincieraadsbeslissing op grond van een door de deputatie opgemaakt verslag. In dat verslag worden de voor- en de nadelen van externe verzelfstandiging tegen elkaar afgewogen en wordt aangetoond dat beheer binnen de rechtspersoonlijkheid van de provincie niet dezelfde voordelen kan bieden. De oprichtingsbeslissing stelt de statuten van het autonoom provinciebedrijf vast. Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen inzake het goedkeuringstoezicht verkrijgt het autonoom provinciebedrijf rechtspersoonlijkheid op de datum van voormelde oprichtingsbeslissing.
  De oprichtingsbeslissing wordt samen met het in het eerste lid vermelde verslag en met de statuten van het autonoom provinciebedrijf binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering verzonden. Binnen honderd dagen na verzending keurt de Vlaamse Regering de oprichtingsbeslissing al dan niet goed. Als die termijn verstrijkt zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing genomen heeft en verzonden heeft aan de provincie, dan wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend.
  De goedgekeurde oprichtingsbeslissing en de statuten worden samen met het in het eerste lid vermelde verslag ter inzage neergelegd op de griffie van de oprichtende provincie en het secretariaat van het autonoom provinciebedrijf.

  Art. 226.De statuten van het autonoom provinciebedrijf vermelden ten minste :
   1° de naam en eventueel de afkorting;
   2° het maatschappelijke doel, inzonderheid een omschrijving van de beleidsuitvoerende taken van provinciaal belang waarmee het autonoom provinciebedrijf belast wordt;
   3° de maatschappelijke zetel, gevestigd in de oprichtende provincie;
   4° de samenstelling, de vergaderwijze, de werkingsvoorwaarden en de bevoegdheden van de organen;
   5° de wijze van opmaak van het budget, de rekeningen en het jaarlijkse ondernemingsplan, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 236;
   6° de wijze van ontbinding en vereffening van het autonoom provinciebedrijf.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
   Art. 226.De statuten van het autonoom provinciebedrijf vermelden ten minste :
  1° de naam en eventueel de afkorting;
  2° het maatschappelijke doel, inzonderheid een omschrijving van de beleidsuitvoerende taken van provinciaal belang waarmee het autonoom provinciebedrijf belast wordt;
  3° de maatschappelijke zetel, gevestigd in de oprichtende provincie;
  4° de samenstelling, de vergaderwijze, de werkingsvoorwaarden en de bevoegdheden van de organen;
  5° [1 ...]1;
  6° de wijze van ontbinding en vereffening van het autonoom provinciebedrijf.

  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 64, 011; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 227. De wijzigingen in de statuten worden aangebracht bij beslissing van de provincieraad, op voorstel of na advies van de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf in kwestie.
  De beslissing van de provincieraad tot wijziging van de statuten wordt, samen met bijbehorende documenten waaronder het voorstel of het advies van de raad van bestuur, binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering verzonden. Binnen honderd dagen na verzending keurt de Vlaamse Regering de wijzigingsbeslissing al dan niet goed. Als die termijn verstrijkt zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing genomen heeft en verzonden heeft aan de provincie, dan wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend.
  De statutenwijzigingen worden op dezelfde wijze als de oprichtingsbeslissing en de statuten neergelegd. Een volledig gecoördineerde tekst van de statuten wordt ter inzage neergelegd op de griffie van de oprichtende provincie en op het secretariaat van het autonoom provinciebedrijf.

  Art. 228.§ 1. Tussen de provincie en het autonoom provinciebedrijf wordt na onderhandeling een beheersovereenkomst gesloten. Bij het onderhandelen over de beheersovereenkomst wordt de provincie vertegenwoordigd door de deputatie en het autonoom provinciebedrijf door de raad van bestuur.
  [1 De provincie en het autonoom provinciebedrijf nemen de nodige initiatieven voor de openbaarheid van de beheersovereenkomst, inclusief alle wijzigingen eraan.]1
  § 2. De beheersovereenkomst regelt minstens de volgende aangelegenheden :
  1° de concretisering van de wijze waarop het agentschap zijn taken moet vervullen en van de doelstellingen ervan;
  2° de toekenning van middelen voor de eigen werking en de uitvoering van de doelstellingen van het autonoom provinciebedrijf;
  3° binnen de perken en overeenkomstig de toekenningsvoorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, het presentiegeld en de andere vergoedingen die in het kader van de bestuurlijke werking van het autonoom provinciebedrijf worden toegekend;
  4° de voorwaarden waaronder eigen inkomsten of andere financieringen mogen worden verworven en aangewend;
  5° de wijze waarop de tarieven voor de geleverde prestaties door de raad van bestuur vastgesteld en berekend worden;
  6° de gedragsregels inzake dienstverlening door het autonoom provinciebedrijf;
  7° de voorwaarden waaronder het autonoom provinciebedrijf andere personen kan oprichten, erin kan deelnemen of zich erin kan laten vertegenwoordigen;
  8° de informatieverstrekking door het autonoom provinciebedrijf aan de provincie. Er wordt minstens voorzien in een jaarlijks ondernemingsplan en een operationeel plan op middellange en lange termijn;
  9° de rapportering door het autonoom provinciebedrijf aan de provincie op basis van beleids- en beheersrelevante indicatoren en kengetallen. Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen in artikel 221, tweede lid, wordt minstens voorzien in een jaarlijks rapport betreffende de uitvoering van de beheersovereenkomst gedurende het afgelopen kalenderjaar;
  10° de wijze waarop het autonoom provinciebedrijf zal voorzien in een systeem van interne controle, de wijze waarop de auditinstantie bij het autonoom provinciebedrijf de audittaken uitoefent die aan de auditinstantie zijn opgedragen overeenkomstig artikel 254, en de wijze van rapportering van die auditinstantie aan de provincieraad;
  11° de maatregelen bij niet-naleving door een partij van haar verbintenissen uit hoofde van de beheersovereenkomst en de bepalingen inzake beslechting van geschillen die rijzen bij de uitvoering van de beheersovereenkomst;
  12° de omstandigheden waarin en de wijze waarop de beheersovereenkomst kan worden verlengd, gewijzigd, geschorst en ontbonden.
  § 3. Met behoud van de mogelijkheid tot verlenging, wijziging, schorsing en ontbinding van de beheersovereenkomst wordt die gesloten voor een periode die eindigt uiterlijk zes maanden na de volledige vernieuwing van de provincieraad.
  De beheersovereenkomst en de uitvoering ervan worden jaarlijks geëvalueerd door de provincieraad.
  Als bij het verstrijken van de beheersovereenkomst geen nieuwe beheersovereenkomst in werking is getreden, wordt de bestaande overeenkomst van rechtswege verlengd.
  Als geen nieuwe beheersovereenkomst in werking is getreden binnen één jaar na de in het derde lid vermelde verlenging, of als een beheersovereenkomst werd ontbonden of geschorst, kan de provincieraad na overleg met het autonoom provinciebedrijf voorlopige regels vaststellen inzake de in de beheersovereenkomst vermelde aangelegenheden. Die voorlopige regels zullen als beheersovereenkomst gelden tot op het ogenblik dat een nieuwe beheersovereenkomst in werking treedt.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
   Art. 228. § 1. Tussen de provincie en het autonoom provinciebedrijf wordt na onderhandeling een beheersovereenkomst gesloten. Bij het onderhandelen over de beheersovereenkomst wordt de provincie vertegenwoordigd door de deputatie en het autonoom provinciebedrijf door de raad van bestuur.
  [1 De provincie en het autonoom provinciebedrijf nemen de nodige initiatieven voor de openbaarheid van de beheersovereenkomst, inclusief alle wijzigingen eraan.]1
  § 2. De beheersovereenkomst regelt minstens de volgende aangelegenheden :
  1° de concretisering van de wijze waarop het agentschap zijn taken moet vervullen en van de doelstellingen ervan;
  2° de toekenning van middelen voor de eigen werking en de uitvoering van de doelstellingen van het autonoom provinciebedrijf;
  3° binnen de perken en overeenkomstig de toekenningsvoorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, het presentiegeld en de andere vergoedingen die in het kader van de bestuurlijke werking van het autonoom provinciebedrijf worden toegekend;
  4° de voorwaarden waaronder eigen inkomsten of andere financieringen mogen worden verworven en aangewend;
  5° de wijze waarop de tarieven voor de geleverde prestaties door de raad van bestuur vastgesteld en berekend worden;
  6° de gedragsregels inzake dienstverlening door het autonoom provinciebedrijf;
  7° de voorwaarden waaronder het autonoom provinciebedrijf andere personen kan oprichten, erin kan deelnemen of zich erin kan laten vertegenwoordigen;
  8° de informatieverstrekking door het autonoom provinciebedrijf aan de provincie. [2 ...]2;
  9° [2 ...]2;
  10° de wijze waarop het autonoom provinciebedrijf zal voorzien in een systeem van interne controle [2 ...]2;
  11° de maatregelen bij niet-naleving door een partij van haar verbintenissen uit hoofde van de beheersovereenkomst en de bepalingen inzake beslechting van geschillen die rijzen bij de uitvoering van de beheersovereenkomst;
  12° de omstandigheden waarin en de wijze waarop de beheersovereenkomst kan worden verlengd, gewijzigd, geschorst en ontbonden.
  § 3. Met behoud van de mogelijkheid tot verlenging, wijziging, schorsing en ontbinding van de beheersovereenkomst wordt die gesloten voor een periode die eindigt uiterlijk zes maanden na de volledige vernieuwing van de provincieraad.
  De beheersovereenkomst en de uitvoering ervan worden jaarlijks geëvalueerd door de provincieraad.
  Als bij het verstrijken van de beheersovereenkomst geen nieuwe beheersovereenkomst in werking is getreden, wordt de bestaande overeenkomst van rechtswege verlengd.
  Als geen nieuwe beheersovereenkomst in werking is getreden binnen één jaar na de in het derde lid vermelde verlenging, of als een beheersovereenkomst werd ontbonden of geschorst, kan de provincieraad na overleg met het autonoom provinciebedrijf voorlopige regels vaststellen inzake de in de beheersovereenkomst vermelde aangelegenheden. Die voorlopige regels zullen als beheersovereenkomst gelden tot op het ogenblik dat een nieuwe beheersovereenkomst in werking treedt.

  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 65, 1°, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 65, 011; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 229.§ 1. Het autonoom provinciebedrijf beschikt over een raad van bestuur.
  De raad van bestuur is bevoegd voor alles wat niet uitdrukkelijk bij decreet, in de statuten of in de beheersovereenkomst aan de provincieraad is voorbehouden.
  De raad van bestuur vertegenwoordigt het autonoom provinciebedrijf in rechte als eiser of als verweerder.
  De raad van bestuur is binnen de grenzen, vastgesteld in de statuten, bevoegd voor alle personeelsaangelegenheden.
  § 2. Het aantal leden van de raad van bestuur bedraagt ten hoogste een vijfde van het aantal provincieraadsleden. Ten hoogste twee derde van de leden van de raad van bestuur is van hetzelfde geslacht.
  De leden van de raad van bestuur worden benoemd door de provincieraad.
  [2 Elke fractie kan minstens één lid van de raad van bestuur voordragen en dit voordrachtrecht waarborgt elke fractie een vertegenwoordiging in de raad van bestuur. Als de gewaarborgde vertegenwoordiging evenwel afbreuk zou doen aan de mogelijkheid voor de fracties die vertegenwoordigd zijn in de deputatie om minstens de helft van de leden van de raad van bestuur voor te dragen, wordt er gewerkt met gewogen stemrecht binnen de groep van door de fracties voorgedragen bestuurders.]2
   Het mandaat van lid van de raad van bestuur is hernieuwbaar. De leden van de raad van bestuur kunnen te allen tijde door de provincieraad worden ontslagen. Na de volledige vernieuwing van de provincieraad wordt tot volledige vernieuwing van de raad van bestuur overgegaan. In dat geval blijven de leden van de raad van bestuur in functie tot de nieuwe provincieraad tot hun vervanging is overgegaan.
  De raad van bestuur kiest uit zijn leden een voorzitter die deel moet uitmaken van de deputatie van de oprichtende provincie.
  [2 § 2bis. De provincieraad kan er ook voor kiezen alle leden van de provincieraad te benoemen als lid van de raad van bestuur. In dit geval is het eerste lid van paragraaf 2 niet van toepassing en mogen er geen presentiegelden worden toegekend voor de vergaderingen van de raad van bestuur. ]2
  § 3. De bestuurders zijn niet persoonlijk gebonden door de verbintenissen van het autonoom provinciebedrijf.
  De bestuurders zijn aansprakelijk zonder hoofdelijkheid voor de tekortkomingen in de normale uitoefening van hun bestuur. Ten aanzien van de overtredingen waaraan zij geen deel hebben gehad, worden de bestuurders van die aansprakelijkheid ontheven als hun geen schuld kan worden verweten en als zij die overtredingen hebben aangeklaagd bij de provincieraad binnen een maand nadat zij er kennis van hebben gekregen.
  Jaarlijks beslist de provincieraad over de aan de bestuurders te verlenen kwijting, na goedkeuring van de rekeningen. Die kwijting is alleen rechtsgeldig als de ware toestand van het autonoom provinciebedrijf niet wordt verborgen door enige weglating of onjuiste opgave in de rekeningen of in de rapportering betreffende de uitvoering van de beheersovereenkomst.
  § 4. Een bestuurder mag niet :
  1° [1 aanwezig zijn bij de bespreking en de stemming over aangelegenheden waarin hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als vertegenwoordiger, of waarbij de echtgenoot, of bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Dat verbod strekt niet verder dan de bloed- en aanverwanten tot en met de tweede graad als het gaat om de voordracht van kandidaten, benoemingen, ontslagen, afzettingen en schorsingen. Voor de toepassing van deze bepaling worden personen die een verklaring van wettelijke samenwoning als vermeld in artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek, hebben afgelegd, met echtgenoten gelijkgesteld;]1
  2° [1 rechtstreeks of onrechtstreeks een overeenkomst te sluiten, behoudens in geval van een schenking aan het autonoom provinciebedrijf of de provincie, of deel te nemen aan een opdracht voor aanneming van werken, leveringen of diensten, verkoop of aankoop ten behoeve van het autonoom provinciebedrijf of de provincie, behoudens in de gevallen waarbij de bestuurder een beroep doet op een door het autonoom provinciebedrijf of de provincie aangeboden dienstverlening en ten gevolge daarvan een overeenkomst aangaat;]1
  3° rechtstreeks of onrechtstreeks als advocaat of notaris tegen betaling werkzaam zijn in geschillen ten behoeve van het autonoom provinciebedrijf. Dit verbod geldt met name ook ten aanzien van de personen die in het kader van een associatie, groepering, samenwerking of op hetzelfde kantooradres met de bestuurder werken;
  4° rechtstreeks of onrechtstreeks als advocaat of notaris werkzaam zijn in geschillen ten behoeve van de tegenpartij van het autonoom provinciebedrijf of ten behoeve van een personeelslid van het autonoom provinciebedrijf aangaande beslissingen in verband met de tewerkstelling binnen het autonoom provinciebedrijf. Dit verbod geldt met name ook ten aanzien van de personen die in het kader van een associatie, groepering, samenwerking of op hetzelfde kantooradres met de bestuurder werken.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 117, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 66, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 230. De statuten kunnen de raad van bestuur toelaten om het dagelijkse bestuur, de vertegenwoordiging met betrekking tot dat bestuur en de voorbereiding en uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur toe te vertrouwen aan een directiecomité of aan een gedelegeerd bestuurder al dan niet met de mogelijkheid van subdelegatie aan personeelsleden van het autonoom provinciebedrijf.
  De leden van het directiecomité of de gedelegeerd bestuurder worden door de raad van bestuur benoemd.

  Art. 231.De vergaderingen van de raad van bestuur en het directiecomité zijn niet openbaar. De notulen van die vergaderingen en alle documenten waarnaar verwezen wordt in de notulen, alsook de beslissingen van de gedelegeerd bestuurder, worden ter inzage neergelegd op de griffie van de provincie. [1 Op verzoek van een provincieraadslid worden deze notulen elektronisch ter beschikking gesteld.]1
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 67, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 232. Er zijn geen andere bestuursorganen met beslissingsbevoegdheid dan de in de voorgaande artikelen bepaalde organen.

  Art. 233.
  <Opgeheven bij DVR 2012-06-29/11, art. 68, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 234.Het personeel van het autonoom provinciebedrijf kan in statutair of contractueel verband worden aangesteld.
  De overeenstemmende rechtspositieregeling van het provinciepersoneel is van toepassing op het personeel van het autonoom provinciebedrijf. Het autonoom provinciebedrijf stelt de afwijkingen op deze rechtspositieregeling vast, voorzover het specifieke karakter van het autonoom provinciebedrijf dat verantwoordt. Het provinciebedrijf bepaalt de rechtspositieregeling van de betrekkingen die niet bestaan binnen de provincie.
  [1 Behalve in geval van gemotiveerde afwijking, kan aan geen enkel personeelslid van het autonoom provinciebedrijf een jaarsalaris worden toegekend dat gelijk is aan of hoger is dan het jaarsalaris van de provinciegriffier van de overeenkomstige provincie.]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-06-03/04, art. 49, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  Art. 235. § 1. Het autonoom provinciebedrijf kan leningen aangaan en giften of toelagen ontvangen binnen de grenzen, gesteld in de statuten en de beheersovereenkomst.
  § 2. Het autonoom provinciebedrijf kan door de Vlaamse Regering gemachtigd worden om in eigen naam en voor eigen rekening over te gaan tot onteigeningen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van zijn doelstellingen.
  § 3. Het autonoom provinciebedrijf beslist vrij, binnen de grenzen van zijn doel, over de verwerving, de aanwending en de vervreemding van zijn goederen, over de vestiging of opheffing van zakelijke rechten op die goederen, alsook over de uitvoering van dergelijke beslissingen en over hun financiering.
  § 4. Het autonoom provinciebedrijf stelt de tarieven en de tariefstructuren voor de door het bedrijf geleverde prestaties vast binnen de grenzen van de in de beheersovereenkomst bepaalde grondregelen inzake tarifering. De maximumtarieven of de formules voor hun berekening die niet in de beheersovereenkomst zijn geregeld, worden ter goedkeuring voorgelegd aan de provincieraad.
  § 5. Het autonoom provinciebedrijf kan andere rechtspersonen oprichten, erin deelnemen of zich erin laten vertegenwoordigen, voorzover dat past in zijn opdrachten. De oprichting, deelname of vertegenwoordiging mag geen speculatieve oogmerken nastreven en gebeurt in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel, de regelgeving inzake mededinging en staatssteun en de voorwaarden, bepaald in de beheersovereenkomst. De beslissing tot oprichting, deelname of vertegenwoordiging toont aan dat aan de voormelde voorwaarden is voldaan.
  De deelname is onderworpen aan de voorwaarde dat aan het autonoom provinciebedrijf minstens een mandaat van bestuurder wordt toegekend.
  De beslissing tot oprichting, deelname of vertegenwoordiging wordt binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering verzonden. Tot de oprichting, deelname of vertegenwoordiging kan pas worden overgegaan nadat de beslissing hiertoe werd goedgekeurd. Binnen honderd dagen na verzending keurt de Vlaamse Regering de beslissing al dan niet goed. Als die termijn verstrijkt zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing heeft genomen en die beslissing heeft verzonden aan het autonoom provinciebedrijf, dan wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend.

  Art. 236.Het autonoom provinciebedrijf maakt een budget op overeenkomstig de regels die krachtens artikelen 145, 146, 147, § 1, § 2, eerste lid, § 3 en § 4, en 175, worden gesteld voor het budget van de provincie. De boekhouding wordt gevoerd en de jaarrekening wordt opgesteld overeenkomstig de regelen die krachtens artikelen 160, 168 en 175 worden gesteld voor de boekhouding en de jaarrekening van de provincie. Het autonoom provinciebedrijf doet uiterlijk op 31 december van ieder jaar de nodige opnemingen, verificaties, opzoekingen en waarderingen om de inventaris op te maken van al de bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van het autonoom provinciebedrijf, van welke aard ook.
  [1 De tweede en de derde zin van het eerste lid zijn niet van toepassing op de autonome provinciebedrijven die onderworpen zijn aan de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen. In dat geval zal de boekhouding gevoerd worden en zullen de inventaris en de jaarrekening worden opgesteld volgens de regels die krachtens artikelen 92 tot en met 96 van het Wetboek van Vennootschappen en het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen worden gesteld voor de boekhouding en de jaarrekening van de vennootschappen. In dat geval kan de Vlaamse Regering aanvullende regels opleggen inzake het voeren van de boekhouding en het opstellen van de jaarrekening.
   Zonder afbreuk te doen aan het vorige lid kan de Vlaamse Regering voor de autonome provinciebedrijven die wettelijk verplicht zijn tot het voeren van een boekhouding en het opstellen van een jaarrekening volgens regels die anderszins afwijken van de regels die krachtens artikelen 160, 168 en 175 worden gesteld voor de boekhouding en de jaarrekening van de provincie beslissen dat de tweede en de derde zin van het eerste lid niet van toepassing zijn. In dat geval kan de Vlaamse Regering aanvullende regels opleggen inzake het voeren van de boekhouding en de jaarrekening.]1
  De boekhouding wordt gevoerd onder de verantwoordelijkheid en het toezicht van de raad van bestuur.
  De raad van bestuur stelt de jaarrekening vast en legt jaarlijks en uiterlijk op [1 31 mei]1 de jaarrekening van het voorbije jaar ter goedkeuring voor aan de provincieraad.
  De raad van bestuur stelt het budget vast en legt jaarlijks en uiterlijk op 31 oktober het budget van het volgende boekjaar ter goedkeuring voor aan de provincieraad.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
   Art. 236. [2 Het autonoom provinciebedrijf maakt een meerjarenplan en een budget op overeenkomstig de regels die krachtens artikelen 141, 142, 143, 145, 146, 147 en 175, gelden voor het meerjarenplan en het budget van de provincie.]2. Het autonoom provinciebedrijf doet uiterlijk op 31 december van ieder jaar de nodige opnemingen, verificaties, opzoekingen en waarderingen om de inventaris op te maken van al de bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van het autonoom provinciebedrijf, van welke aard ook.
  [2 Tweede lid opgeheven.]2
  [2 Derde lid opgeheven.]2
  De boekhouding wordt gevoerd onder de verantwoordelijkheid en het toezicht van de raad van bestuur.
  [2 Vijfde lid opgeheven.]2
  De raad van bestuur stelt het budget vast en legt jaarlijks en uiterlijk op 31 oktober het budget van het volgende boekjaar ter goedkeuring voor aan de provincieraad.
  [2 De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorschriften voor de toepassing van de bepalingen van het eerste lid op de autonome provinciebedrijven.]2

  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 119, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 70, 011; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 236bis. [1 § 1. De controle op de financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid van de verrichtingen weer te geven in de jaarrekening van het autonoom provinciebedrijf wordt uitgeoefend door één of meer commissarissen. Dit zijn erkende bedrijfsrevisoren die benoemd worden door de provincieraad en die onderworpen zijn aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die hun ambt en hun bevoegdheid regelen.
   § 2. De raad van bestuur spreekt zich in de loop van het eerste semester van het financiële boekjaar dat volgt op het financiële boekjaar waarop de rekening betrekking heeft, uit over de vaststelling van de jaarrekening.
   Als de raad van bestuur bezwaren heeft tegen bepaalde verrichtingen, formuleert hij een advies over de aansprakelijkheid van de actoren die betrokken zijn bij die verrichtingen. Dat advies wordt als bijlage bij de jaarrekening gevoegd. Een afschrift van dat advies wordt bezorgd aan de betrokken actoren.
   Een afschrift van de overeenkomstig dit artikel vastgestelde jaarrekening wordt binnen twintig dagen bezorgd aan de provincieraad.
   § 3. De provincieraad keurt de jaarrekening goed aan de hand van het verslag van de commissaris of commissarissen, vermeld in paragraaf 1, als ze juist en volledig is en een waar en getrouw beeld geeft van de financiële toestand van het autonoom provinciebedrijf.
   Als de provincieraad geen besluit verzonden heeft aan het autonoom provinciebedrijf binnen een termijn van vijftig dagen die ingaat op de derde dag die volgt op de verzending van de jaarrekening aan de provincieraad, wordt hij geacht de jaarrekening goed te keuren.
   § 4. De raad van bestuur kan bij de Vlaamse Regering gemotiveerd beroep instellen tegen het besluit van de provincieraad tot niet-goedkeuring van de jaarrekening.
   Het beroep moet worden ingediend binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de derde dag die volgt op de verzending van het betwiste besluit. De Vlaamse Regering spreekt zich over het ingestelde beroep uit binnen een termijn van vijftig dagen die ingaat op de derde dag die volgt op de verzending van het beroep. Als de Vlaamse Regering binnen die termijn geen beslissing heeft verzonden, wordt ze geacht in te stemmen met het besluit van de provincieraad.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2012-06-29/11, art. 71, 011; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 236ter. [1 § 1. Als de provincieraad bij de goedkeuring bepaalde verrichtingen als onregelmatig heeft bestempeld, beslist hij over de aansprakelijkheid van de actoren die betrokken zijn bij de betwiste verrichtingen.
   Als de provincieraad zich niet uitgesproken heeft over de goedkeuring van de jaarrekening binnen een termijn van vijftig dagen die ingaat op de derde dag die volgt op de verzending van de jaarrekening aan de provincieraad, wordt hij geacht over de aansprakelijkheid van de verrichtingen waartegen de raad van bestuur bezwaren heeft geformuleerd, te hebben beslist overeenkomstig het advies van de raad van bestuur.
   § 2. De betrokkenen worden onmiddellijk met een aangetekende brief op de hoogte gebracht van de beslissing van de provincieraad. In voorkomend geval wordt daarbij een aanmaning gevoegd om het vastgestelde bedrag in de kas van het autonoom provinciebedrijf te storten. Een afschrift van de beslissing van de provincieraad wordt onmiddellijk bezorgd aan het autonoom provinciebedrijf en aan de Vlaamse Regering.
   § 3. Degenen die aansprakelijk worden gesteld en het autonoom provinciebedrijf kunnen beroep instellen bij de Vlaamse Regering tegen de beslissingen van de provincieraad, vermeld in paragraaf 1, binnen een termijn van zestig dagen die ingaat op de derde dag die volgt op de verzending van het betwiste besluit of, als de provincieraad geen besluit heeft verzonden, die ingaat op de derde dag die volgt op de dag van het verstrijken van de termijn vermeld in paragraaf 1, tweede lid. Dat beroep heeft schorsende werking. De Vlaamse Regering doet uitspraak over de aansprakelijkheid van de betrokkenen en bepaalt het bedrag dat hen ten laste wordt gelegd.
   Als de verwerping van bepaalde verrichtingen aanleiding heeft gegeven tot de definitieve afwijzing van bepaalde uitgaven, kan degene die beroep heeft ingesteld de personen die hij aansprakelijk of medeaansprakelijk acht, ter verantwoording roepen in het beroep bij de Vlaamse Regering. In dat geval doet de Vlaamse Regering mee uitspraak over de aansprakelijkheid van de ter verantwoording geroepen personen.
   De beslissing van de Vlaamse Regering is uitvoerbaar, zelfs als daartegen beroep is ingesteld bij de Raad van State. Die beslissing kan echter pas ten uitvoer worden gelegd na het verstrijken van de termijn voor het instellen van dat beroep.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2012-06-29/11, art. 72, 011; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 236quater. [1 Onmiddellijk na het bezorgen van het meerjarenplan, de aanpassing van het meerjarenplan, het budget of de jaarrekening aan de provincie bezorgt het autonoom provinciebedrijf de gegevens over het vastgestelde beleidsrapport in een digitaal bestand aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens de besturen bezorgen en de wijze waarop deze gegevens elektronisch worden aangeleverd. Bij gebrek aan een vastgestelde jaarrekening op 30 juni van het jaar dat volgt op het financiële boekjaar in kwestie bezorgt het autonoom provinciebedrijf de gegevens over het ontwerp van de jaarrekening in een digitaal bestand aan de Vlaamse Regering.
   Dat door de provincieraad goedgekeurde beleidsrapport van het autonoom provinciebedrijf is pas uitvoerbaar als de Vlaamse Regering in het bezit is van de digitale rapporten. De Vlaamse Regering stuurt onmiddellijk een ontvangstmelding van de rapporten naar het autonoom provinciebedrijf.
   Artikel 174bis, § 2, is van overeenkomstige toepassing op de autonome provinciebedrijven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2012-06-29/11, art. 73, 011; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 237. § 1. De provincieraad kan steeds beslissen om tot ontbinding en vereffening van een autonoom provinciebedrijf over te gaan.
  In de beslissing tot ontbinding wijst de provincieraad de vereffenaars aan. Alle andere organen vervallen op het ogenblik van de ontbinding.
  § 2. Het personeel in statutair dienstverband van het ontbonden autonoom provinciebedrijf wordt overgenomen door de provincie.
  De provincie waarborgt de rechten die het autonoom provinciebedrijf op het ogenblik van ontbinding voor het overgenomen personeel had vastgesteld.
  § 3. De rechten en verplichtingen van het ontbonden autonoom provinciebedrijf worden overgenomen door de provincie.
  § 4. In afwijking van § 2 en § 3 kan de provincieraad in het ontbindingsbesluit de personeelsleden, die daarmee moeten instemmen, en de rechten en verplichtingen aanwijzen die overgenomen worden door de overnemer of de overnemers van de activiteiten van het provinciebedrijf.

  Afdeling III. - Het provinciale extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm.

  Art. 238. § 1. De provincie is gemachtigd om onder de voorwaarden, bepaald in deze afdeling, een vennootschap in de zin van het Wetboek van Vennootschappen, of een vereniging of stichting in de zin van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, op te richten en te belasten met het verwezenlijken van welbepaalde beleidsuitvoerende taken van provinciaal belang. Vanuit hun taakstelling inzake beleidsuitvoering kunnen de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen in privaatrechtelijke vorm tevens betrokken worden bij de beleidsvoorbereiding.
  De oprichting gebeurt in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel, de regelgeving inzake mededinging en staatssteun.
  Naast de provincie mogen aan de oprichting van die provinciale vennootschap, vereniging of stichting andere personen deelnemen met uitzondering van gemeenten, gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, andere provincies en hun provinciale extern verzelfstandigde agentschappen, de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest.
  Onder dezelfde voorwaarden is de provincie gemachtigd om deel te nemen in een vennootschap in de zin van het Wetboek van Vennootschappen, of in een vereniging in de zin van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.
  § 2. De provincieraad beslist over de oprichting of deelname, vermeld in § 1, op grond van een door de deputatie opgemaakt verslag. In dat verslag worden de voor- en de nadelen van externe verzelfstandiging in de gekozen vorm afgewogen en wordt aangetoond dat het beheer binnen de rechtspersoonlijkheid van de provincie of in de vorm van een autonoom provinciebedrijf niet de vereiste voordelen kan bieden.
  Tot de oprichting of deelname kan pas worden overgegaan nadat de provincieraadsbeslissing hiertoe werd goedgekeurd overeenkomstig § 3.
  § 3. De beslissing tot oprichting of deelname wordt samen met het verslag, vermeld in § 2, en het ontwerp van statuten binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering verzonden. Binnen honderd dagen na verzending keurt de Vlaamse Regering de beslissing al dan niet goed. Als die termijn verstrijkt zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing heeft genomen en die beslissing verzonden heeft aan de provincie, dan wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend.
  § 4. De goedgekeurde oprichtings- of deelnemingsbeslissing en de statuten van de provinciale vennootschap, vereniging of stichting worden samen met het in § 2 vermelde verslag ter inzage neergelegd op de griffie van de provincie in kwestie.

  Art. 239.§ 1. Ongeacht de grootte van de eventuele inbreng van de verschillende partijen, beschikt de provincie steeds over een meerderheid van de stemmen in de algemene vergadering van de provinciale vennootschap of vereniging en draagt de provincie steeds een meerderheid voor van de leden van de raad van bestuur van de provinciale vennootschap, vereniging of stichting. [1 Die voordracht waarborgt elke fractie een vertegenwoordiging.]1 Ten hoogste twee derde van de door de provincie voorgedragen leden van de raad van bestuur is van hetzelfde geslacht.
  § 2. De vertegenwoordigers van de provincie in de algemene vergadering van de provinciale vennootschap en vereniging worden door de provincieraad uit zijn leden gekozen. De vertegenwoordigers van de provincie in de algemene vergadering handelen overeenkomstig de instructies van de provincieraad.
  § 3. De provincieraad en de vertegenwoordigers van de provincie in de algemene vergadering, kunnen te allen tijde beslissen om respectievelijk de aanwijzingen en voordrachten te herroepen. De statuten van de provinciale vennootschap, vereniging of stichting bepalen dat de betrokken vertegenwoordigers door die herroeping van rechtswege ontslagnemend zijn. Er wordt tot hun vervanging overgegaan.
  Alle aanwijzingen en voordrachten worden herroepen door de volledige vernieuwing van de provincieraad. De vertegenwoordigers blijven in functie totdat hun vervangers zijn aangewezen of benoemd.
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 74, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 240.Tussen de provincie en de provinciale vennootschap, vereniging of stichting wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten betreffende de uitvoering van de toevertrouwde taken van provinciaal belang. De samenwerkingsovereenkomst regelt de volgende aangelegenheden :
  1° in voorkomend geval de aanwending van de aan het agentschap ter beschikking gestelde of overgedragen personeelsleden, middelen en infrastructuur;
  2° binnen de perken en overeenkomstig de toekenningsvoorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, het presentiegeld en de andere vergoedingen die in het kader van de bestuurlijke werking van het agentschap worden toegekend;
  3° de wijze waarop de provinciale vennootschap, vereniging of stichting zal voorzien in een systeem van interne controle;
  4° [2 de toekenning aan een of meer commissarissen van de controle op de financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid van de verrichtingen weer te geven in de jaarrekening van de provinciale vennootschap, vereniging of stichting. Die commissarissen zijn erkende bedrijfsrevisoren.]2
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 75, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>
  (2)<DVR 2013-07-05/10, art. 8, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 240bis.[1 Behalve in geval van gemotiveerde afwijking, kan aan geen enkel personeelslid van een provinciale vennootschap, vereniging of stichting, als vermeld in deze afdeling, een jaarsalaris worden toegekend dat gelijk is aan of hoger is dan het jaarsalaris van de provinciegriffier van de overeenkomstige provincie.]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-06-03/04, art. 50, 014; Inwerkingtreding : 08-07-2016>

  TITEL VIII. - Bestuurlijk toezicht en externe audit.

  HOOFDSTUK I. - Bestuurlijk toezicht.

  Afdeling I. - Algemene bepalingen.

  Art. 241. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :
  1° provincieoverheid : de organen en personeelsleden van de provincie en de autonome provinciebedrijven die een beslissing nemen;
  2° toezichthoudende overheid : de overheid die met de uitoefening van het bestuurlijk toezicht wordt belast, namelijk de Vlaamse Regering.

  Art. 242. [1 Behoudens andersluidende bepalingen, beperkt de toezichthoudende overheid zich bij de uitoefening van het toezicht, vermeld in dit decreet, tot een toetsing aan het recht en aan het algemeen belang, namelijk aan elk belang dat ruimer is dan het provinciaal belang.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 121, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 243. De toezichthoudende overheid kan bij de provincieoverheid alle documenten en inlichtingen opvragen of die ter plaatse raadplegen. Ze bepaalt de informatiedrager en de vorm waarin deze gegevens worden verstrekt.

  Art. 244.[2 Alle kennisgevingen of verzendingen tussen de provincieoverheid en de toezichthoudende overheid gebeuren op de wijze als bepaald door de Vlaamse Regering.]2
  Buiten de gevallen waarin een provincieoverheid krachtens dit decreet besluiten ter kennis van de toezichthoudende overheid moet brengen, heeft het verzenden van een beslissing aan de toezichthoudende overheid niet tot gevolg dat de termijn om het toezicht uit te oefenen een aanvang neemt.
  Voor de berekening van de toezichtstermijn wordt de vervaldag in de termijn gerekend. [1 Als die dag echter een zaterdag, een zondag, een wettelijke of decretale feestdag is, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.]1
  [1 Op straffe van nietigheid wordt het besluit dat in het kader van het toezicht wordt genomen, uiterlijk de laatste dag van de voorgeschreven termijn verzonden.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 122, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 77, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Afdeling II. - Algemeen bestuurlijk toezicht.

  Art. 245.Van de besluiten van de provincieraad en van de besluiten van de raad van bestuur van de autonome provinciebedrijven wordt binnen twintig dagen na het nemen van het besluit een lijst met een beknopte omschrijving van de daarin geregelde aangelegenheden verzonden aan de Vlaamse Regering.
  Vanaf de dag van de verzending aan de Vlaamse Regering wordt de in het eerste lid vermelde lijst gedurende minstens [1 twintig]1 dagen ter inzage gelegd van het publiek. [2 Dezelfde lijst wordt gepubliceerd op de provinciale website]2.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 123, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 78, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 246.§ 1. Binnen twintig dagen na het besluit wordt naar de Vlaamse Regering een afschrift verzonden van :
  1° de besluiten van de provincieraad betreffende de rechtspositieregeling van het provinciepersoneel [2 ...]2;
  2° de besluiten van de provincieraad betreffende het budget, de budgetwijzigingen [1 en het meerjarenplan en de aanpassing aan het meerjarenplan]1 van de provincie;
  3° [1 de besluiten van de provincieraad betreffende de belastingen en de besluiten betreffende de retributies;]1
  4° de besluiten van de provincieraad en van de deputatie betreffende de kosten die door dwingende en onvoorziene omstandigheden worden vereist;
  5° [2 ...]2;
  6° de besluiten van de provincieraad betreffende de herschikking van de financiële lasten van opgenomen leningen;
  7° [2 ...]2;
  8° [1 de besluiten van de deputatie tot het aangaan van leningen;]1
  9° [2 ...]2;
  10° [2 ...]2;
  [1 11°de besluiten, vermeld in artikelen 157 en 159, § 2.]1
  § 2. Binnen twintig dagen na het besluit wordt naar de Vlaamse Regering een afschrift verzonden van :
  1° de besluiten van de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf waarbij wordt afgeweken van de rechtspositieregeling van het provinciepersoneel;
  2° de besluiten van de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf betreffende retributies.
  [2 3° de rekeningen van de extern verzelfstandigde agentschappen;]2
  [2 4° de meerjarenplannen en budgetten van het autonoom provinciebedrijf.]2
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 124, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 79, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 247. Onder voorbehoud van de toepassing van artikelen 245 en 246 kan de toezichthoudende overheid besluiten van een provincieoverheid ambtshalve opvragen.
  Bij ontvangst van een klacht vraagt de toezichthoudende overheid het besluit en het bijbehorende dossier op.

  Art. 248.§ 1. De Vlaamse Regering beschikt over dertig dagen om de uitvoering van de besluiten van een provincieoverheid te schorsen en om de provincieoverheid daarvan kennis te geven. Als het een besluit betreft waarvan overeenkomstig artikel 246 een afschrift aan de Vlaamse Regering moet worden gezonden, wordt de termijn op vijftig dagen gebracht.
  Behoudens de vernietiging van de besluiten waarvan de uitvoering is geschorst door de Vlaamse Regering [1 overeenkomstig het eerste lid of overeenkomstig artikelen [2 ...]2 172 en 173]1 , kan de Vlaamse Regering de besluiten van de provincieoverheid rechtstreeks vernietigen binnen de in het eerste lid bepaalde termijn.
  § 2. De termijn, vermeld in § 1, gaat in op de derde dag die volgt op de verzending van de besluiten, vermeld in artikel 246, of van de lijst van de aangelegenheden, vermeld in artikel 245, of van de besluiten van een provincieoverheid die [1 door de toezichthoudende overheid met toepassing van artikel 247]1 ambtshalve of na ontvangst van een klacht werden opgevraagd.
  § 3. [1 [2 De termijn, vermeld in paragraaf 1, wordt gestuit door de opvraging, op de wijze bepaald door de Vlaamse Regering, door de toezichthoudende overheid van een bepaald besluit, het dossier, bepaalde documenten of inlichtingen betreffende een bepaald besluit bij de provincieoverheid.]2
   De termijn, vermeld in § 1, gaat opnieuw in op de derde dag die volgt op de dag van de verzending van alle gevraagde gegevens.]1
  § 4. [1 De termijn, vermeld in § 1, wordt gestuit door de aangetekende verzending van een klacht aan de toezichthoudende overheid op voorwaarde dat die klacht verstuurd wordt binnen de termijn, vermeld in § 1.
   Bij het binnenkomen van een klacht [2 als vermeld in het eerste lid,]2 vangt een nieuwe termijn aan als vermeld in § 1.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 125, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 80, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 249. In geval van schorsing [1 door de Vlaamse Regering,]1 beschikt de provincieoverheid over [1 zestig]1 dagen [1 , die ingaan op de derde dag die volgt op]1 de verzending van het schorsingsbesluit aan de provincieoverheid, om een van de volgende beslissingen te nemen en ter kennis te brengen van de Vlaamse Regering.
  De provincieoverheid kan het geschorste besluit intrekken en geeft daarvan kennis aan de Vlaamse Regering.
  Als de provincieoverheid het besluit waarvan de uitvoering is geschorst, gemotiveerd rechtvaardigt of aanpast, beschikt de Vlaamse Regering over [1 dertig]1 dagen om tot vernietiging over te gaan. Deze termijn gaat in op de derde dag die volgt op de dag van de verzending van de rechtvaardigingsbeslissing. Bij gebrek aan vernietiging binnen deze termijn is de schorsing opgeheven.
  Als binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, geen besluit aan de Vlaamse Regering wordt verzonden, wordt het besluit waarvan de uitvoering is geschorst geacht nooit te hebben bestaan.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 126, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 250. Als een klacht wordt ingediend tegen een besluit van de provincieoverheid, brengt de toezichthoudende overheid de indiener van de klacht regelmatig op de hoogte van de behandeling van de klacht.
  De toezichthoudende overheid brengt de indiener van de klacht via een gewone brief op de hoogte van :
  1° de ontvangst van de klacht, binnen tien dagen nadat ze toegekomen is;
  2° het verzoek van de toezichthoudende overheid aan de provincieoverheid om het besluit en het bijbehorende dossier te bezorgen, binnen tien dagen na dat verzoek;
  3° de motieven van de toezichthoudende overheid om het besluit van de provincieoverheid waartegen de klacht was ingediend niet te schorsen of te vernietigen, binnen tien dagen na het nemen van dit besluit of na het verstrijken van de termijn;
  4° het gemotiveerde besluit van de toezichthoudende overheid waarbij het bestreden besluit van de provincieoverheid wordt geschorst of vernietigd, binnen tien dagen na het nemen van dit besluit;
  5° de stand van het dossier als de behandeling van de klacht verschillende weken of maanden in beslag neemt. In dat geval informeert de toezichthoudende overheid de indiener van een klacht minstens om de drie maanden over de stand van zaken. Zodra de toezichthoudende overheid het onderzoek heeft afgerond, stuurt ze haar definitieve antwoord aan de indiener van de klacht en geeft ze er ook kennis van aan de provincieoverheid in kwestie.
  [1 In geval van stuiting van de termijn om beroep in te stellen bij de Raad van State als vermeld in artikel 251, brengt de toezichthoudende overheid de indiener van de klacht met een aangetekende brief op de hoogte van de motieven van de toezichthoudende overheid om het besluit van de provincieoverheid waartegen de klacht was ingediend, niet te schorsen of te vernietigen, binnen tien dagen na het nemen van dat besluit of na het verstrijken van de termijn.]1
  De bepalingen van dit artikel zijn zowel van toepassing op de besluiten van de provincieoverheid, waarvan met toepassing van artikel 246 een afschrift naar de Vlaamse Regering gestuurd moet worden, als op de besluiten waarvan geen afschrift naar de Vlaamse Regering gestuurd moet worden.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 127, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>

  Art. 251. De termijn om een beroep in te stellen bij de Raad van State tegen een beslissing van de provincieoverheid wordt gestuit ten voordele van degene die een klacht indient bij de toezichthoudende overheid, op voorwaarde dat deze klacht aangetekend wordt verzonden voor het verstrijken van de beroepstermijn en voor het verstrijken van de termijn voor het uitoefenen van het toezicht.
  [1 De stuiting duurt tot de indiener van de klacht de aangetekende verzending heeft ontvangen over het gevolg dat aan zijn klacht wordt gegeven, voor zover die aangetekende verzending melding maakt van de beroepsmogelijkheden bij de Raad van State. Deze aangetekende verzending wordt geacht ontvangen te zijn bij de eerste aanbieding. Indien de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State niet wordt vermeld, neemt de verjaringstermijn een aanvang vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de akte of van de beslissing met individuele strekking.]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 128, 007; Inwerkingtreding : 29-06-2009>

  Art. 252.[1 De goedkeuring van de rekeningen overeenkomstig artikel 169, § 2, en artikel 236bis, brengt met zich mee dat de beslissingen van de provincieoverheid die genomen zijn in de loop van het jaar waarop de rekeningen betrekking hebben en die niet werden opgevraagd, geschorst of vernietigd, niet langer vatbaar zijn voor schorsing of vernietiging.
  Ten aanzien van de toezichthoudende overheid wordt een besluit dat niet langer vatbaar is voor schorsing of vernietiging, geacht wettig te zijn. ]1
  ----------
  (1)<DVR 2012-06-29/11, art. 81, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Afdeling III. - Dwangtoezicht.

  Art. 253. § 1. De toezichthoudende overheid kan, na een schriftelijke ingebrekestelling, een of meer commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven om de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen van de provincieoverheid of om de maatregelen ten uitvoer te brengen die in rechte zijn voorgeschreven.
  De toezichthoudende overheid kan pas optreden na het verstrijken van de in de ingebrekestelling bepaalde termijn.
  § 2. Het optreden van een of meer commissarissen gebeurt op de persoonlijke kosten van de personen die verzuimd hebben aan de ingebrekestelling gevolg te geven.
  De kosten worden ingevorderd door de financieel beheerder op zicht van een daartoe genomen besluit van de overheid die de dwangprocedure heeft ingesteld dat geldt als een door de financieel beheerder ambtshalve uit te voeren bevelschrift.

  HOOFDSTUK II. - Externe audit.

  Art. 254.[1 In elke provincie en in elk autonoom provinciebedrijf zal periodiek een externe audit plaatsvinden. Deze audit wordt uitgevoerd door de entiteit Audit Vlaanderen, vermeld in artikel 34, § 1, van het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003.
   Audit Vlaanderen evalueert de interne controlesystemen, gaat na of ze adequaat zijn en formuleert aanbevelingen tot verbetering daarvan. Deze entiteit voert daartoe financiële audits, overeenstemmingsaudits en operationele audits uit en is gemachtigd alle bedrijfsprocessen en activiteiten te onderzoeken.
   Audit Vlaanderen is tevens bevoegd voor het uitvoeren van forensische audits bij de voormelde besturen.]1
  ----------
  (1)<DVR 2013-07-05/10, art. 9, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 255.
  <Opgeheven bij DVR 2012-06-29/11, art. 82, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 256.[3 Om zijn bevoegdheid te kunnen uitoefenen, heeft Audit Vlaanderen toegang tot alle informatie en documenten, ongeacht de drager ervan, en tot alle gebouwen, ruimtes en installaties waar taken worden uitgevoerd van de besturen, vermeld in artikel 254. Audit Vlaanderen kan aan ieder personeelslid de inlichtingen vragen die voor de uitvoering van zijn opdrachten nodig worden geacht. Ieder personeelslid is ertoe gehouden zo snel mogelijk en zonder voorafgaande machtiging op een volledige wijze te antwoorden en alle relevante informatie en documenten te verstrekken.]3
  Elk personeelslid heeft het recht om [3 Audit Vlaanderen]3 [2 ...]2 rechtstreeks op de hoogte te brengen van onregelmatigheden die hij in de uitoefening van zijn functie vaststelt.
  [1 Buiten de gevallen van kwade trouw, persoonlijk voordeel of valse aangifte die een dienst of een persoon schade toebrengen, kan een rapportering aan [3 Audit Vlaanderen]3 [2 ...]2 nooit aanleiding geven tot een tuchtsanctie of een ontslag.]1 Dergelijke verklaringen vallen niet onder het inzagerecht, tenzij het betrokken personeelslid zijn instemming geeft.
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 131, 007; Inwerkingtreding : 01-12-2012>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 83, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>
  (3)<DVR 2013-07-05/10, art. 10, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 257. De besturen dragen bij in de kosten van de externe audit georganiseerd door de Vlaamse overheid onder de voorwaarden die bepaald worden door de Vlaamse Regering.

  Art. 258.
  <Opgeheven bij DVR 2013-07-05/10, art. 11, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  TITEL IX. - Diverse bepalingen.

  HOOFDSTUK I. - Schrijfwijze van de naam van de provincie.

  Art. 259. De Vlaamse Regering bepaalt de schrijfwijze van de namen van de provincie.

  HOOFDSTUK II. - Wijziging van grenzen.

  Art. 260.De provincieraad geeft binnen de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest zijn advies over de veranderingen die worden voorgesteld betreffende de grenzen van de provincie, van de arrondissementen, kiesdistricten, kantons en gemeenten en betreffende de aanwijzing van de hoofdplaatsen.
  [1 Het eerste lid is niet van toepassing op de samenvoeging van gemeenten die tot dezelfde provincie behoren.]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-06-24/12, art. 63, 015; Inwerkingtreding : 29-08-2016>

  TITEL X. - Slotbepalingen.

  HOOFDSTUK I. - Opheffingsbepalingen.

  Art. 261. De volgende bepalingen van de Provinciewet worden opgeheven :
  1° artikel 1;
  2° artikel 1bis, behalve voor de vaststelling van de bevolkingscijfers en de bekendmaking ervan;
  3° artikel 2;
  4° artikel 3;
  5° artikel 4, behalve het vijfde lid;
  6° artikel 42;
  7° artikel 44;
  8° artikel 47;
  9° artikel 49;
  10° artikel 50;
  11° artikel 50bis ;
  12° artikel 51;
  13° artikel 52;
  14° artikel 53;
  15° artikel 54;
  16° artikel 55;
  17° artikel 56;
  18° artikel 56bis ;
  19° artikel 57;
  20° artikel 57bis ;
  21° artikel 58;
  22° artikel 59;
  23° artikel 60;
  24° artikel 61;
  25° artikel 62;
  26° artikel 63;
  27° artikel 63bis ;
  28° artikel 63ter ;
  29° artikel 65;
  30° artikel 65bis ;
  31° artikel 66, met uitzondering van de bepalingen over de bevoegdheid van het Rekenhof;
  32° artikel 67;
  33° artikel 68;
  34° artikel 69, met uitzondering van de federale verplichte uitgaven en met uitzondering van het 14° over de pensioenen van gewezen bedienden van de provincie;
  35° artikel 70, 1°, 4°, 5°, 6°;
  36° artikel 71, behalve als het betrekking heeft op pensioenen;
  37° artikel 72;
  38° artikel 73;
  39° artikel 74;
  40° artikel 75;
  41° artikel 76;
  42° artikel 78;
  43° artikel 79;
  44° artikel 83, behalve wat de federale aspecten betreft;
  45° artikel 84;
  46° artikel 85, behalve als het betrekking heeft op politieverordeningen;
  47° artikel 91;
  48° artikel 96;
  49° artikel 97;
  50° artikel 97bis ;
  51° artikel 98;
  52° artikel 99;
  53° artikel 100;
  54° artikel 101;
  55° artikel 102;
  56° artikel 104, behalve voorzover het betrekking heeft op de rechtsprekende taak van de deputatie;
  57° artikel 105, § 1 tot § 4, en § 6;
  58° artikel 106;
  59° artikel 106bis ;
  60° artikel 106ter ;
  61° artikel 107;
  62° artikel 108;
  63° artikel 109;
  64° artikel 110;
  65° artikel 111;
  66° artikel 112;
  67° artikel 113;
  68° artikel 113bis tot en met artikel 113undecies, behalve als ze betrekking hebben op de pensioenen en met uitzondering van de bepalingen over de bevoegdheden van het Rekenhof;
  69° artikel 114, met uitzondering van de bepalingen over de bevoegdheden van het Rekenhof;
  70° artikelen 114bis tot en met 114terdecies, met uitzondering van de bepalingen over de bevoegdheden van het Rekenhof;
  71° artikel 116;
  72° artikel 116bis ;
  73° artikel 117;
  74° artikel 118;
  75° artikel 119;
  76° artikel 120, met uitzondering van het vijfde en het zesde lid voorzover die leden betrekking hebben op het rijkspersoneel dat bij de provincie werkt;
  77° artikel 121;
  78° artikel 122;
  79° artikel 123;
  80° artikel 124, eerste lid;
  81° artikel 126, eerste en vierde lid;
  82° artikel 127;
  83° artikel 130;
  84° artikel 131;
  85° artikel 136, behalve voorzover het betrekking heeft op de politie;
  86° artikel 139bis, behalve voorzover het betrekking heeft op de politie;
  87° artikel 140;
  88° artikel 140, punt 1° tot en met punt 12°; (NOTA : Justel heeft geen kennis van een artikel 140 met punten 1° tot 12°)
  89° artikel 144;
  90° artikel 146.

  Art. 262. De volgende regelingen worden opgeheven :
  1° artikel 72, laatste zin, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel;
  2° het koninklijk besluit van 9 maart 1988 tot vaststelling van de voorwaarden voor benoeming, schorsing of afzetting van de provinciegriffier;
  3° het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van het administratief toezicht op de provincies;
  4° het koninklijk besluit van 25 juni 1990 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de weddenschalen van het provincie- en gemeentepersoneel;
  5° het koninklijk besluit van 9 maart 1999 tot bepaling van de activiteiten van industriële of commerciële aard waarvoor de provincieraad een autonoom provinciebedrijf met rechtspersoonlijkheid kan oprichten;
  6° het koninklijk besluit van 2 juni 1999 houdende de algemene regeling van de provinciale boekhouding, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 oktober 2001;
  7° het koninklijk besluit van 15 juni 1999 tot vaststelling van het minimum- en het maximumbedrag van de door de provincieontvanger te stellen zekerheid.

  HOOFDSTUK II. - Overgangsbepalingen.

  Afdeling I. - Overgangsbepalingen inzake de provinciale diensten en het personeel.

  Art. 263. De provincieraad treedt op als tuchtoverheid voor de provinciegriffier en voor de provincieontvanger die vóór de inwerkingtreding van hoofdstuk VI van titel III van dit decreet werd aangesteld.
  De deputatie treedt op als tuchtoverheid voor de overige personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van dit decreet werden aangesteld.
  Indien de deputatie overeenkomstig artikel 102, tweede lid, de uitoefening van zijn bevoegdheid tot het aanstellen van personeel toevertrouwd heeft aan de provinciegriffier, treedt de provinciegriffier als tuchtoverheid op ten aanzien van de feiten die hij vaststelt of waarvan hij kennis heeft gekregen na de delegatie.
  De tuchtvorderingen die op het moment van inwerkingtreding van hoofdstuk VI van titel III van dit decreet hangende zijn, worden verder afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die vóór de inwerkingtreding van toepassing waren. De tuchtstraf terugzetting in graad kan evenwel niet meer worden opgelegd.

  Art. 264. § 1. De Vlaamse Regering stelt de overgangsregelen vast betreffende het administratief en geldelijk statuut van de provincieontvangers die op het moment van de volledige inwerkingtreding van hoofdstuk VI van titel II van dit decreet in dienst van de provincies zijn, met inachtneming van de volgende principes :
  1° de waarborg van aanstelling in het ambt van financieel beheerder in de provincie in kwestie tot het einde van de loopbaan;
  2° het behoud van de verworven rechten inzake het geldelijk statuut.
  § 2. Het mandaatstelsel, bedoeld in artikel 101, § 4, treedt slechts in werking bij de eerste nieuwe benoeming of aanstelling in de betrekking, nadat het mandaatstelsel voor deze betrekking in de rechtspositieregeling werd voorzien. De in § 1 vermelde gewaarborgde aanstelling van de provincieontvanger in het ambt van financieel beheerder, wordt niet geacht een nieuwe benoeming of aanstelling te zijn.
  § 3. In afwijking van § 2 kan de provincieraad beslissen dat voor de vacatures uitgeschreven na de publicatie van onderhavig decreet het mandaatstelsel kan worden toegepast.

  Afdeling II. - Overgangsbepalingen voor de provinciale financiën.

  Art. 265.
  <Opgeheven bij DVR 2012-06-29/11, art. 86, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Afdeling III. - Overgangsbepalingen voor de provinciale externe verzelfstandiging.

  Art. 266.§ 1. De werking en de statuten van de op het ogenblik van de inwerkingtreding van hoofdstuk II van titel VII van dit decreet in het Vlaamse Gewest bestaande provinciebedrijven, autonome provinciebedrijven en personen die door de provincie belast zijn met welbepaalde taken van provinciaal belang en die niet voldoen aan de voorschriften van titel VII, hoofdstuk II, en die geen andere decretale of wettelijke rechtsgrond hebben, worden bij provincieraadsbeslissing in overeenstemming gebracht met de bepalingen van dit decreet [1 uiterlijk op [2 1 januari 2014]2]1 .
  [1 Voor hen treedt dit decreet in werking op de dag die volgt op de ontvangst van de goedkeuringsbeslissingen, vermeld in § 2, en uiterlijk op [2 1 januari 2014]2. Artikelen 222, 223 en 224 zijn echter onmiddellijk op hen van toepassing.
   De provinciebedrijven, vermeld in het eerste lid, kunnen de boekhouding voeren die voor hen van toepassing was op 31 december 2006 tot en met [2 de datum waarop titel IV van dit decreet voor dat provinciebedrijf in werking treedt]2. Die termijn kan door de Vlaamse Regering worden verlengd.]1
  § 2. De beslissingen, vermeld in § 1, worden binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering verzonden. Binnen honderd dagen na verzending keurt de Vlaamse Regering de beslissingen al dan niet goed. Verstrijkt die termijn zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing heeft genomen en verzonden heeft aan de provincie, dan wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend.
  [3 § 3. De Plantijn-Hogeschool van de provincie Antwerpen en de Provinciale Hogeschool Limburg zijn niet onderworpen aan de regelingen van dit artikel.]3
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 132, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 87, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>
  (3)<DVR 2012-07-13/44, art. 44, 012; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Afdeling IV. - Overgangsbepalingen voor het bestuurlijk toezicht.

  Art. 267. De besluiten van de provincieoverheden, genomen voor de inwerkingtreding van titel VIII van dit decreet, blijven onderworpen aan de regels die op dat ogenblik van kracht waren.

  HOOFDSTUK III. - Inwerkingtreding.

  Art. 268.§ 1. [Onverminderd § 2, § 3 en § 4] bepaalt de Vlaamse Regering voor elk artikel, of onderdelen ervan, van dit decreet de dag waarop het in werking treedt. <DVR 2006-06-02/46, art. 9, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  [1 Als de provincieraden in kwestie daarmee instemmen, kan de Vlaamse Regering voor welbepaalde provincies [2 en hun autonome provinciebedrijven]2 een datum van inwerkingtreding vaststellen voor het geheel of een gedeelte van de bepalingen van dit decreet.]1
  Voor de artikelen, vermeld in [artikel 261] , bepaalt de Vlaamse Regering per artikel de datum waarop de opheffing in werking treedt. <DVR 2006-06-02/46, art. 9, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  Voor de wetten, decreten en besluiten, vermeld in [artikel 262] , bepaalt de Vlaamse Regering per wet, decreet of besluit de datum waarop de opheffing in werking treedt. <DVR 2006-06-02/46, art. 9, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  § 2. De volgende bepalingen treden in werking op 1 januari 2006 :
  1° artikelen 1 tot en met 5;
  2° artikelen 98 tot en met 113;
  3° artikelen 184 tot en met 187;
  4° artikelen 241 tot en met 253;
  5° artikel 259.
  § 3. Artikelen 62 en 264 treden in werking op datum van publicatie van onderhavig decreet in het Belgisch Staatsblad.
  [§ 4. Artikel 6 met zijn bijlage, treedt in werking op de dag van de afkondiging ervan door de Vlaamse Regering.] <DVR 2006-06-02/46, art. 10, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  ----------
  (1)<DVR 2009-04-30/80, art. 133, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<DVR 2012-06-29/11, art. 88, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2012>
  
   (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 44, §1, L1 vastgesteld op 14-07-2006, met uitzondering van de bepaling die betrekking heeft op de regeling van het voorzitterschap, door BVR 2006-07-14/30, art. 1, 1°)
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 261, 48° vastgesteld op 14-07-2006, voorzover die opheffing betrekking heeft op artikel 96, § 1, van de Provinciewet, door BVR 2006-07-14/30, art. 1, 2°)
  
  (NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 05-09-2006 door BVR 2006-09-01/35, art. 1, voor de hiernavolgende artikelen :
  1° artikel 7;
  2° artikel 8;
  3° artikel 9;
  4° artikel 11;
  5° artikel 13;
  6° artikel 38;
  7° artikel 44, met uitzondering van de bepalingen van § 1, eerste lid, die in werking zijn getreden overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2006 betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van het provinciedecreet van 9 december 2005;
  8° artikel 45;
  9° artikel 261, 2°;
  10° artikel 261, 3°;
  11° artikel 261, 4°;
  12° artikel 261, 9°;
  13° artikel 261, 48°, met uitzondering van artikel 96, § 1 en § 3 van de provinciewet)
  
  (NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 01-12-2006 door BVR 2006-11-24/30, art. 1, voor de hiernavolgende artikelen :
  artikel 10;
  artikel 12;
  artikelen 14 tot en met 37;
  artikelen 39 tot en met 43;
  artikelen 46 tot en met 61;
  artikelen 63 tot en met 88;
  artikel 89, met uitzondering van punt 2°, wat betreft de geconsolideerde jaarrekening;
  artikelen 90 tot en met 97;
  artikel 152;
  artikelen 154 tot en met 159;
  artikelen 161 tot en met 164;
  artikel 165, § 1 tot en met § 4 en § 9;
  artikel 166, § 1, eerste zin;
  artikel 166, § 9;
  artikel 167;
  artikel 171, § 2;
  artikelen 175 tot en met 183;
  artikelen 188 tot en met 217;
  artikelen 219 tot en met 227;
  artikel 228, uitgezonderd de bepalingen over de externe auditcommissie;
  artikelen 229 tot en met 232;
  artikelen 234 en 235;
  artikelen 237 tot en met 239;
  artikel 240, met uitzondering van punt 4°, wat betreft de externe auditcommissie;
  artikel 260;
  artikel 261, wat de volgende punten betreft :
  punt 1°;
  punten 5° tot en met 8°;
  punten 10° tot en met 30°;
  punt 31°, wat betreft de woorden " Binnen drie maanden " in artikel 66, § 2bis ;
  punten 36° tot en met 47°;
  punt 48°, wat betreft artikel 96, § 3;
  punten 49° tot 65°;
  punt 66°, uitgezonderd wat betreft artikel 112, derde lid, punt b), en vierde lid;
  punt 68°, wat betreft artikel 113bis tot en met 113septies;
  punt 68°, wat betreft artikel 113octies, met uitzondering van punt f) ;
  punt 68°, wat betreft artikel 113novies tot en met artikel 113undecies;
  punt 70°, met uitzondering van artikel 114septies en 114duodecies ;
  punten 71° tot en met 90°;
  artikel 262, punten 1°, 2°, 5° en 7°;
  artikel 263;
  artikel 266;
  artikel 267.)
  
  (NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 01-01-2007 door BVR 2006-11-24/30, art. 1, voor de hiernavolgende beschikkingen :
  artikel 1, punten 9°, 10°, 11°, 12°, 14°, 21°, 25°, 30°, 33° en 35°, l) en n), artikel 2 en artikel 4, punten 12°, 13°, 15° en 32°.)
  
  (NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 01-01-2008 door BVR 2006-11-24/30, art. 1, voor de hiernavolgende bechikkingen :
  artikel 1, punt 35°, i) en artikel 4, punt 33°.)
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 262, 4°, vastgesteld op 01-01-2008 door BVR 2007-12-07/42, art. 239)
  
  (NOTA : inwerkingtreding van art. 48; 150; 151; 261, 67°, wat betreft het tweede lid van art. 113 van de Provinciewet vastgesteld op 01-07-2009, door BVR 2009-06-05/05, art. 1)
  
  (NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 01-01-2014 door BVR 2010-06-25/21, art. 205, voor de hiernavolgende artikelen :
  1° artikel 141 tot en met 143;
   2° artikel 144, eerste tot en met derde lid;
   3° artikel 146 en 147;
   4° artikel 160;
   5° artikel 168, § 1, eerste lid;
   6° artikel 169, § 1, met uitzondering van het eerste lid, tweede zin;
   7° artikel 172 en 173;
   8° artikel 236, eerste lid, eerste en tweede zin;
   9° artikel 261, 31° tot en met 34°;
   10° artikel 261, 67°;
   11° artikel 261, 70°, wat betreft artikel 114duodecies van de Provinciewet;
   12° artikel 262, 6°, behalve wat betreft artikel 82 tot en met 84 van de algemene regeling van de provinciale boekhouding.)
  
  (NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 01-12-2012 door BVR 2012-09-07/16, art. 1, voor de hiernavolgende artikelen :
  1° artikel 89, eerste lid, 2°, wat betreft de geconsolideerde jaarrekening;
  2° artikel 169;
  3° artikel 171, § 1 en § 3 tot en met § 8;
  4° artikel 174;
  5° artikel 228, wat betreft de bepalingen over de externe auditcommissie;
  6° artikel 233;
  7° artikel 256;
  8° artikel 262, 3°, wat betreft artikel 6 tot en met 15 van het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van het administratief toezicht op de provincies;
  9° artikel 262, 6°, wat betreft artikel 82 tot en met 84 van het koninklijk besluit van 2 juni 1999 houdende de algemene regeling van de provinciale boekhouding;
  10° artikel 265.
  Artikel 262, 3°, van het voormelde decreet treedt in werking op 1 januari 2014, wat betreft artikel 18bis, 18sexies en 18septies en wat betreft artikel 20, 21 en 24 wat het toezicht op de provinciebedrijven betreft, van het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van het administratief toezicht op de provincies.)


  BIJLAGE.

  Art. N. <Ingevoegd bij DVR 2006-06-02/46, art. 2; Inwerkingtreding : 10-07-2006> (NOTA : bij arrest nr 149/2007 van 05-12-2007 (B.St. 24-12-2007, p. 65151-65155), heeft het Grondwettelijk Hof deze tabel vernietigd) Tabel vermeld in artikel 6, § 1, derde lid van het provinciedecreet van 9 december 2005.
  

  
Samenstelling van de kiesdistricten
    
PROVINCIE ANTWERPEN
Administratief arrondissement Antwerpen
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
AntwerpenAntwerpenAntwerpenAntwerpen
   Zwijndrecht
BoomBoomBoomBoom
   Hemiksem
   Niel
   Rumst
   Schelle
  KontichKontich
   Aartselaar
   Boechout
   Borsbeek
   Edegem
   Hove
   Lint
   Mortsel
KapellenKapellenKapellenKapellen
   Brasschaat
   Schoten
   Stabroek
  BrechtBrecht
   Essen
   Kalmthout
   Malle
   Wuustwezel
  ZandhovenZandhoven
   Ranst
   Schilde
   Wijnegem
   Wommelgem
   Zoersel
    
    
Administratief arrondissement Mechelen
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
MechelenMechelenMechelenMechelen
   Willebroek
  PuursPuurs
   Bornem
   Sint-Amands
LierLierLierLier
   Berlaar
  DuffelDuffel
   Bonheiden
   Sint-Katelijne-Waver
  Heist-op-den-BergHeist-op-den-Berg
   Nijlen
   Putte
    
    
Administratief arrondissement Turnhout
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
TurnhoutTurnhoutTurnhoutTurnhout
   Beerse
   Oud-Turnhout
   Vosselaar
  HoogstratenHoogstraten
   Baarle-Hertog
   Merksplas
   Rijkevorsel
HerentalsHerentalsHerentalsHerentals
   Grobbendonk
   Herenthout
   Kasterlee
   Lille
   Olen
   Vorselaar
  WesterloWesterlo
   Herselt
   Hulshout
   Laakdal
MolMolMolMol
   Balen
   Geel
   Meerhout
  ArendonkArendonk
   Dessel
   Ravels
   Retie
    
    
PROVINCIE LIMBURG
Administratief arrondissement Hasselt   
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
HasseltHasseltHasseltHasselt
   Diepenbeek
   Zonhoven
BeringenBeringenBeringenBeringen
   Ham
   Heusden-Zolder
   Leopoldsburg
   Tessenderlo
GenkGenkGenkAs
   Genk
   Opglabbeek
   Zutendaal
Herk-de-StadHerk-de-StadHerk-de-StadHerk-de-Stad
   Halen
   Lummen
Sint-TruidenSint-TruidenSint-TruidenSint-Truiden
   Gingelom
   Nieuwerkerken
    
    
Administratief arrondissement Maaseik
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
MaaseikMaaseikMaaseikMaaseik
   Kinrooi
   Dilsen-Stokkem
BreeBreeBreeBree
   Bocholt
   Meeuwen-Gruitrode
NeerpeltNeerpeltNeerpeltNeerpelt
   Hamont-Achel
   Lommel
   Overpelt
PeerPeerPeerPeer
   Hechtel-Eksel
   Houthalen-Helchteren
    
    
Administratief arrondissement Tongeren
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
TongerenTongerenTongerenTongeren
   Herstappe
  RiemstRiemst
  VoerenVoeren
BilzenBilzenBilzenBilzen
   Hoeselt
BorgloonBorgloonBorgloonBorgloon
   Alken
   Heers
   Kortessem
   Wellen
MaasmechelenMaasmechelenMaasmechelenMaasmechelen
   Lanaken
    
    
PROVINCIE OOST-VLAANDEREN
Administratief arrondissement Aalst
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
AalstAalstAalstAalst
   Lede
   Erpe-Mere
GeraardsbergenGeraardsbergen GeraardsbergenGeraardsbergen
  NinoveNinove
   Denderleeuw
ZottegemZottegemZottegemZottegem
  HerzeleHerzele
   Haaltert
   Sint-Lievens-Houtem
    
    
Administratief arrondissement Dendermonde
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
DendermondeDendermondeDendermondeDendermonde
   Buggenhout
   Lebbeke
  WetterenWetteren
   Laarne
   Wichelen
ZeleZeleZeleZele
   Berlare
  HammeHamme
   Waasmunster
    
    
Administratief arrondissement Eeklo
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
EekloEekloEekloEeklo
   Maldegem
   Sint-Laureins
  AssenedeAssenede
   Zelzate
  KaprijkeKaprijke
    
    
Administratief arrondissement Gent
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
DeinzeDeinzeDeinzeDeinze
   Zulte
  NazarethNazareth
   De Pinte
   Sint-Martens-Latem
  NeveleNevele
   Aalter
EvergemEvergemEvergemEvergem
  WaarschootWaarschoot
  ZomergemZomergem
   Knesselare
   Lovendegem
GentGentGentGent
LochristiLochristiLochristiLochristi
   Moerbeke
   Wachtebeke
  DestelbergenDestelbergen
  MerelbekeMerelbeke
   Gavere
   Melle
   Oosterzele
    
    
Administratief arrondissement Oudenaarde
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
OudenaardeOudenaardeOudenaardeOudenaarde
   Maarkedal
   Wortegem-Petegem
  KruishoutemKruishoutem
   Zingem
RonseRonseRonseRonse
   Kluisbergen
  BrakelBrakel
   Lierde
  HorebekeHorebeke
   Zwalm
    
    
Administratief arrondissement Sint-Niklaas
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
Sint-NiklaasSint-NiklaasSint-NiklaasSint-Niklaas
  LokerenLokeren
TemseTemseTemseTemse
   Kruibeke
  BeverenBeveren
  Sint-Gillis-WaasSint-Gillis-Waas
   Stekene
    
    
PROVINCIE VLAAMS-BRABANT
Administratief arrondissement Halle-Vilvoorde
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
HalleHalleHalleHalle
   Beersel
   Drogenbos
   Linkebeek
   Pepingen
   Sint-Genesius-Rode
   Sint-Pieters-Leeuw
  AsseAsse
   Affligem
   Dilbeek
   Liedekerke
   Merchtem
   Opwijk
   Ternat
  LennikLennik
   Bever
   Galmaarden
   Gooik
   Herne
   Roosdaal
VilvoordeVilvoordeVilvoordeVilvoorde
   Kampenhout
   Machelen
   Zemst
  MeiseMeise
   Grimbergen
   Kapelle-op-den-Bos
   Londerzeel
   Wemmel
  ZaventemZaventem
   Hoeilaart
   Kraainem
   Overijse
   Steenokkerzeel
   Wezembeek-Oppem
    
    
Administratief arrondissement Leuven
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
LeuvenLeuvenLeuvenLeuven
   Bertem
   Bierbeek
   Herent
   Huldenberg
   Kortenberg
   Oud-Heverlee
   Tervuren
DiestDiestDiestDiest
   Bekkevoort
   Kortenaken
   Scherpenheuvel-Zichem
  AarschotAarschot
   Begijnendijk
   Tielt-Winge
  HaachtHaacht
   Boortmeerbeek
   Holsbeek
   Keerbergen
   Rotselaar
   Tremelo
TienenTienenTienenTienen
   Boutersem
   Hoegaarden
  GlabbeekGlabbeek
   Lubbeek
  LandenLanden
  ZoutleeuwZoutleeuw
   Geetbets
   Linter
    
    
PROVINCIE WEST-VLAANDEREN
Administratief arrondissement Brugge
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
BruggeBruggeBruggeBrugge
   Beernem
   Blankenberge
   Damme
   Jabbeke
   Knokke-Heist
   Oostkamp
   Zedelgem
   Zuienkerke
  TorhoutTorhout
    
    
Administratief arrondissement Diksmuide
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
DiksmuideDiksmuideDiksmuideDiksmuide
   Houthulst
   Koekelare
   Kortemark
   Lo-Reninge
    
    
Administratief arrondissement Ieper
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
IeperIeperIeperIeper
   Langemark-Poelkapelle
  VleterenVleteren
  WervikWervik
  ZonnebekeZonnebeke
PoperingePoperingePoperingePoperinge
  MesenMesen
   Heuvelland
    
    
Administratief arrondissement Kortrijk
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
KortrijkKortrijkKortrijkKortrijk
   Anzegem
   Kuurne
   Lendelede
   Zwevegem
  AvelgemAvelgem
   Spiere-Helkijn
HarelbekeHarelbekeHarelbekeHarelbeke
   Deerlijk
   Waregem
MenenMenenMenenMenen
   Wevelgem
    
    
Administratief arrondissement Oostende
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
OostendeOostendeOostendeOostende
   Bredene
   De Haan
   Middelkerke
  GistelGistel
   Ichtegem
   Oudenburg
    
    
Administratief arrondissement Roeselare
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
RoeselareRoeselareRoeselareRoeselare
   Ledegem
   Moorslede
IzegemIzegemIzegemIngelmunster
   Izegem
  HoogledeHooglede
   Staden
  LichterveldeLichtervelde
    
Administratief arrondissement Tielt
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
TieltTieltTieltTielt
   Ardooie
   Pittem
  MeulebekeMeulebeke
   Dentergem
  OostrozebekeOostrozebeke
   Wielsbeke
  RuiseledeRuiselede
   Wingene
    
    
Administratief arrondissement Veurne
    
DistrictenHoofdplaatsKieskantonsGemeenten
----
VeurneVeurneVeurneVeurne
   Alveringem
   De Panne
   Koksijde
  NieuwpoortNieuwpoort


Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 9 december 2005.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
Y. LETERME
De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering,
M. KEULEN.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

BEELD
2008204339
PUBLICATIE :
2008-12-05
bladzijde : 64850

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 30-06-2017 GEPUBL. OP 14-08-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 44) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 30-06-2017 GEPUBL. OP 12-07-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 5) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 24-02-2017 GEPUBL. OP 25-04-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 235) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 18-11-2016 GEPUBL. OP 13-12-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 264bis; 265bis)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 24-06-2016 GEPUBL. OP 19-08-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 260)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 03-06-2016 GEPUBL. OP 28-06-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 28; 43; 57; 58; 78; 79; 84; 88; 92; 100; 100bis; 101; 102; 109; 110; 111; 112; 112bis; 188; 234; 240bis)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 03-06-2016 GEPUBL. OP 28-06-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 99) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 13-05-2016 GEPUBL. OP 17-06-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 39; 57)
  • BEELD
  • ARREST GRONDWETTELIJK HOF VAN 23-01-2014 GEPUBL. OP 04-04-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 187)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 05-07-2013 GEPUBL. OP 02-08-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 240; 254; 256; 258)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 13-07-2012 GEPUBL. OP 14-09-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 266)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 29-06-2012 GEPUBL. OP 03-08-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8; 10; 11; 12; 13; 16; 20; 29; 39; 43; 44; 46; 47; 47bis; 57; 188; 221; 186; 58; 66; 67; 69; 72bis; 78; 90; 111; 113; 137; 138; 142; 143; 144; 147; 152; 153; 156; 157; 158; 159; 161; 162; 163; 164; 165; 166; 168; 169; 171; 172; 173; 174; 174bis; 176; 178; 180; 187; 196; 200; 217; 221; 226; 228; 229; 233; 234; 236; 236bis-236quater; 239; 240; 240bis; 244; 245; 246; 248; 252; 255; 256; 265; 266; 268)
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 21; 44; 51; 68; 231)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 08-07-2011 GEPUBL. OP 25-08-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 6; 13; 16; 212; 202; 206; 14; 38)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 10-12-2010 GEPUBL. OP 21-12-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 185bis; 185ter; 185quater)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 30-04-2009 GEPUBL. OP 19-06-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 6; 7; 8; 9; 10; 11; 12; 13; 14; 15; 17; 18; 20; 21; 22; 23; 26; 27; 28; 30; 32; 33; 35; 36; 39; 40; 43; 44; 45; 47; 48; 49; 50; 51; 56; 57; 58; 68; 68bis; 69; 70; 71; 72; 73; 77; 78; 79; 80; 82; 83; 84; 88; 89; 90; 91; 92; 95; 96; 98; 99; 102; 106; 111; 112; 113; 115; 120; 123; 124; 130; 138; NL141; 142; 143; 144; 146; 147; 150; 151; 152; 153; 155; 156; 157; 158; 159; 161; 162; 163; 164; 165; 166; 168; 169; 171; 172; 173; 174; 177; 178; 183; 184; 191; 193ter; 194; 195; 205bis; 207; 211bis; 215; 218; 219; 223; 229; 233; 236; 239; 242; 244; 245; 246; 248; 249; 250)
    (GEWIJZIGDE ART. : 251; 252; 254; 256; 266; 268)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 30-04-2009 GEPUBL. OP 22-05-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 27-03-2009 GEPUBL. OP 15-05-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 57)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 20-06-2008 GEPUBL. OP 23-07-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 43; 57; 186; 187)
  • BEELD
  • ARREST GRONDWETTELIJK HOF VAN 05-12-2007 GEPUBL. OP 24-12-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 6)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 22-12-2006 GEPUBL. OP 29-12-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 8; 13; 45; 50)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 02-06-2006 GEPUBL. OP 30-06-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8; 38; 44; 45; 193BIS-193QUINQ; 268) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 02-06-2006 GEPUBL. OP 30-06-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 6)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 2005-2006. Stukken. - Ontwerp van decreet, 473 - Nr. 1. - Amendementen, 473 - Nr. 2. - Verslag over hoorzitting, 473 - Nr. 3. - Amendementen, 473 - Nrs. 4 en 5. - Verslag, 473 - Nr. 6. - Reflectienota, 473 - Nr. 7. - Amendementen, 473 - Nrs. 8 tot 12. - In eerste lezing door de plenaire vergadering aangenomen artikelen, 473 - Nr. 13. - Aanvullend verslag, 473 - Nr. 14. - Tekst aangenomen door de plenaire vergadering, 473 - Nr. 15. Handelingen. - Bespreking. Vergaderingen van 16 november 2005. - Bespreking en aanneming : Vergaderingen van 30 november 2005.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 65 uitvoeringbesluiten 15 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie