J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Inhoudstafel 23 uitvoeringbesluiten 27 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
30 MAART 2001. - Koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) (Deel 12, Deel 13 en bijlagen)
(NOTA : om technische en praktische redenen, werden de Romeinse cijfers van de artikelen van deze tekst, veranderd in Arabische cijfers respectievelijk met volgende artikelen : Artikel I.I.1 wordt Artikel 1.1.1; Art. III.II.3 wordt Art. 3.2.3. De verwijzingen ingesloten in de artikelen werden niet veranderd en een verwijzing naar artikel III.VII.4 moet gelezen worden als een verwijzing naar artikel 3.7.4).
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-03-2001 en tekstbijwerking tot 13-12-2016)

Bron : BINNENLANDSE ZAKEN.JUSTITIE
Publicatie : 31-03-2001 nummer :   2001A00327 bladzijde : 10863   BEELD
Dossiernummer : 2001-03-30/58
Inwerkingtreding : 01-04-2001

Inhoudstafel Tekst Begin
DEEL XII. - OVERGANGSBEPALINGEN.
TITEL I. - DEFINITIES.
Art. 12.1.1
TITEL II. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL II VAN DIT BESLUIT.
HOOFDSTUK I. - DE ANCIENNITEIT EN DE RANGSCHIKKING.
Art. 12.2.1-12.2.6
HOOFDSTUK II. - DE NAAMLIJST.
Art. 12.2.7-12.2.8
HOOFDSTUK III. - HET PERSOONLIJK DOSSIER.
Art. 12.2.9-12.2.11
HOOFDSTUK IV. - DE GRADEN- EN LOONSCHAALTOEWIJZING IN HET OPERATIONEEL KADER.
AFDELING 1. - HET KADER VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE.
Art. 12.2.12-12.2.14
AFDELING 2. - HET BASISKADER.
Art. 12.2.15-12.2.17
AFDELING 3. - HET MIDDENKADER.
Art. 12.2.18-12.2.24
AFDELING 4. - HET OFFICIERSKADER : OFFICIEREN BEDOELD IN TABEL D1 VAN BIJLAGE 11.
Art. 12.2.25-12.2.30
AFDELING 5. - HET OFFICIERSKADER : DE HOGERE OFFICIEREN BEDOELD IN TABEL D2 VAN BIJLAGE 11.
Art. 12.2.31-12.2.34
HOOFDSTUK V. - DE GRADEN- EN LOONSCHAALTOEWIJZING IN HET ADMINISTRATIEF EN LOGISTIEK KADER.
AFDELING 1. - HET NIVEAU D.
Art. 12.2.35-12.2.40
AFDELING 2. - HET NIVEAU C.
Art. 12.2.41-12.2.46
AFDELING 3. - HET NIVEAU B.
Art. 12.2.47-12.2.53
AFDELING 4. - HET NIVEAU A.
Art. 12.2.54-12.2.60
TITEL III. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL III VAN DIT BESLUIT.
Art. 12.3.1-12.3.4
TITEL IV. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL IV VAN DIT BESLUIT.
Art. 12.4.1-12.4.7
TITEL V. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL V VAN DIT BESLUIT.
Art. 12.5.1-12.5.6
TITEL VI. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL VI VAN DIT BESLUIT.
Art. 12.6.1-12.6.6, 12.6.6bis, 12.6.7-12.6.8, 12.6.8bis, 12.6.9, 12.6.9bis, 12.6.10-12.6.11
TITEL VII. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL VII VAN DIT BESLUIT.
HOOFDSTUK I. - DE EVALUATIE.
Art. 12.7.1-12.7.7
HOOFDSTUK II. - OVERGANGSBEPALINGEN INZAKE DE LOOPBAAN VAN HET OPERATIONEEL KADER.
AFDELING 1. - DE BAREMISCHE LOOPBAAN.
Art. 12.7.8-12.7.11, 12.7.11bis, 12.7.12-12.7.14
AFDELING 2. - DE BEVORDERING DOOR OVERGANG NAAR EEN HOGER KADER.
Art. 12.7.15, 12.7.15bis, 12.7.15ter, 12.7.15quater, 12.7.15quinquies, 12.7.15sexies, 12.7.16, 12.7.16bis, 12.7.16ter, 12.7.16quater, 12.7.16quinquies, 12.7.16sexies, 12.7.16septies, 12.7.16octies, 12.7.17-12.7.19, 12.7.19bis
AFDELING 3. - DE VRIJWARINGEN INZAKE DE VLAKKE LOOPBAAN.
Art. 12.7.20
AFDELING 4. - DE AANSTELLING IN DE GRAAD.
Art. 12.7.21-12.7.23, 12.7.23bis, 12.7.24-12.7.27
AFDELING 5. - De mandaten. <Ingevoegd bij W 2005-07-03/53, art. 33; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
Art. 12.7.27bis
HOOFDSTUK III. - DE TALEN.
Art. 12.7.28-12.7.31
HOOFDSTUK IV. - OVERGANGSBEPALINGEN INZAKE DE LOOPBAAN VAN HET ADMINISTRATIEF EN LOGISTIEK KADER.
AFDELING 1. - DE BAREMISCHE LOOPBAAN.
Art. 12.7.32-12.7.35
AFDELING 2. - DE VRIJWARINGEN INZAKE DE VLAKKE LOOPBAAN.
Art. 12.7.36
TITEL VIII. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL VIII VAN DIT BESLUIT.
Art. 12.8.1-12.8.10, 12.8.10bis, 12.8.11-12.8.16
TITEL IX. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL IX VAN DIT BESLUIT.
Art. 12.9.1-12.9.4
TITEL X. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL X VAN DIT BESLUIT.
Art. 12.10.1-12.10.4
TITEL XI. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL XI VAN DIT BESLUIT.
HOOFDSTUK I. - OVERGANGSBEPALINGEN TOEPASSELIJK OP DE PERSONEELSLEDEN VAN HET OPERATIONEEL KADER.
AFDELING 1. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 12.11.1-12.11.12
AFDELING 2. - OVERGANGSBEPALINGEN.
Onderafdeling 1. - Algemene bepaling.
Art. 12.11.13
Onderafdeling 2. - Gemeenschappelijke overgangsbepalingen toepasselijk op het geheel of een deel van de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, ofwel het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps ofwel van de categorie bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht, ofwel dat van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten ofwel dat van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie met inbegrip van de hulpagenten van politie.
Art. 12.11.14-12.11.18, 12.11.18bis, 12.11.18ter, 12.11.19-12.11.31
Onderafdeling 3. - Overgangsbepalingen eigen aan de actuele personeelsleden van het operationeel kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps of van de categorie van bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht.
Art. 12.11.32-12.11.46
Onderafdeling 4. - Overgangsbepalingen voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten.
Art. 12.11.47-12.11.56
Onderafdeling 5. - Overgangsbepalingen voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie.
Art. 12.11.57-12.11.78
AFDELING 3. - OORSPRONKELIJKE RECHTSPOSITIEREGELING.
Art. 12.11.79
HOOFDSTUK II. - OVERGANGSBEPALINGEN TOEPASSELIJK OP DE PERSONEELSLEDEN VAN HET ADMINISTRATIEF EN LOGISTIEK KADER.
AFDELING 1. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 12.11.80-12.11.81
AFDELING 2. - OVERGANGSBEPALINGEN.
Art. 12.11.82-12.11.94
AFDELING 3. - OORSPRONKELIJKE RECHTSPOSITIEREGELING.
Art. 12.11.95
TITEL XII. - HET NIET-POLITIONEEL GEMEENTELIJK PERSONEEL IN DIENST BIJ DE GEMEENTELIJKE POLITIEKORPSEN.
Art. 12.12.1-12.12.3
DEEL XII.bis. [1 - De non-activiteit voorafgaand aan de pensionering.]1
Art. 12.13.1-12.13.6
DEEL XIII. - WIJZIGINGS-, OPHEFFINGS-, EN SLOTBEPALINGEN.
TITEL I. - WIJZIGINGS- EN OPHEFFINGSBEPALINGEN.
HOOFDSTUK I. - WIJZIGINGSBEPALINGEN.
Art. 13.1.1-13.1.3
HOOFDSTUK II. - OPHEFFINGSBEPALINGEN.
Art. 13.1.4-13.1.10
TITEL II. - SLOTBEPALINGEN.
Art. 13.2.1-13.2.2
Deel XIV. - Overgangsbepalingen voor het administratief en logistiek kader vanaf 1 januari 2007 <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 35, Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 14.1.1-14.1.15
BIJLAGEN.
Art. 1N1-2N1, N1bis, N2-N3, N3bis, N4-N6, N6bis, N7-N8, N8bis, N9, N9bis, N10, N10bis, N11-N12, N12bis, N13-N18, N18bis, N19

Tekst Inhoudstafel Begin
DEEL XII. - OVERGANGSBEPALINGEN.

  TITEL I. - DEFINITIES.

  Artikel 12.1.1. Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder :
  1° " de actuele personeelsleden " : de leden van het operationeel en van het administratief en logistiek korps van de rijkswacht, de leden van de categorie bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht, het burgerlijk hulppersoneel van de rijkswacht, de leden van de gemeentelijke politiekorpsen met inbegrip van de hulpagenten van politie, de leden van het administratief en logistiek kader van de gemeentelijke politiekorpsen, de gerechtelijke officieren en agenten van de gerechtelijke politie bij de parketten, het hulppersoneel van de gerechtelijke politie bij de parketten, het contractueel personeel van de algemene politiesteundienst, de personeelsleden van het ministerie van Justitie en de personeelsleden van het ministerie van Binnenlandse Zaken die overgaan naar het administratief en logistiek kader van de federale politie alsmede de in artikel 243 van de wet bedoelde personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit onder de toepassing van de rechtspositieregeling van het personeel van de politiediensten vallen;
  2° " de leden van het niet-politioneel gemeentelijk personeel " : de in artikel 235, derde lid, van de wet bedoelde personeelsleden die overgaan naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie op het ogenblik van inwerkingtreding bedoeld in artikel 248, tweede lid, van de wet;
  3° " de personeelsleden die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling " : de in 1° en 2° bedoelde personeelsleden die met toepassing van de artikelen 236, tweede lid, 242, tweede lid en 243, derde lid, van de wet en van artikel 12, tweede lid, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, beslist hebben onderworpen te blijven aan de in die artikelen bedoelde wetten en reglementen.

  TITEL II. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL II VAN DIT BESLUIT.

  HOOFDSTUK I. - DE ANCIENNITEIT EN DE RANGSCHIKKING.

  Art. 12.2.1. In afwijking van deel II, wordt de dienst-, kader- of niveau-, graad- en loonschaalanciënniteit van de actuele personeelsleden bekleed met één van de graden bedoeld in artikel II.II.1, voor wat de personeelsleden van het operationeel kader betreft en in artikel II.III.1, voor wat de personeelsleden van het administratief en logistiek kader betreft, op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, berekend overeenkomstig de bepalingen van dit deel.
  De overeenkomstig dit deel bepaalde graadverandering en loonschaaltoewijzing wordt voor ieder actueel personeelslid vastgelegd bij een geïndividualiseerd besluit genomen door de benoemende overheid.
  De commissaris-generaal of de door hem aangewezen directeur-generaal van de federale politie, de korpschef van de lokale politie of van de korpsen van de gemeentepolitie vermelden de anciënniteiten bedoeld in het eerste lid in een fiche waarvan de minister het model bepaalt. Zij delen deze mede aan het betrokken actuele personeelslid.
  Dit artikel is eveneens van toepassing op de personeelsleden van het niet-politioneel gemeentelijk personeel op de datum van hun overgang naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie.

  Art. 12.2.2. De graden vermeld in de derde kolom van bijlage 11 worden afgeschaft.

  Art. 12.2.3. De in dit deel bepaalde overgangsloonschalen M5.1, M5.2, M6, M7, M7bis, O4bis, O4bisir en O8bis vormen de tabellen 6 en 7 van bijlage 1.

  Art. 12.2.4. Voor de vaststelling van de dienstanciënniteit van de actuele personeelsleden worden alle diensten in aanmerking genomen die het personeelslid heeft doorgebracht in de hoedanigheid van personeelslid van een politiedienst, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet op het politieambt, of van een bijzondere politiedienst, zoals opgeheven bij de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht, alsook van hulpagent van politie, als lid van de algemene politiesteundienst of als lid van het ministerie van Justitie of het ministerie van Binnenlandse Zaken voor de personeelsleden die overgaan naar het administratief en logistiek kader van de federale politie.
  Voor de vaststelling van de dienstanciënniteit van het niet-politioneel gemeentelijk personeel worden, proportioneel, de diensten in aanmerking genomen die het personeelslid heeft doorgebracht in de hoedanigheid van niet-politioneel gemeentepersoneel bij een korps van de gemeentepolitie.

  Art. 12.2.5. In afwijking van de artikelen II.I.7, 4°, en II.I.8, § 2, wordt, voor de toepassing van de bepalingen die uitgaan van de anciënniteit, bij gelijke dienstanciënniteit tussen de actuele personeelsleden van de rijkswacht onderling, van een korps van de gemeentepolitie onderling en van de gerechtelijke politie bij de parketten onderling, de voorrang bepaald overeenkomstig de regels die op hen van toepassing waren daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  Dit artikel is eveneens van overeenkomstige toepassing op de personeelsleden van het niet-politioneel gemeentelijk personeel derwijze dat, in afwijking van artikel II.I.7, 4°, voor de toepassing van de bepalingen die uitgaan van de anciënniteit, bij gelijke dienstanciënniteit tussen het niet-politioneel gemeentelijk personeel van een gemeente onderling, de voorrang wordt bepaald overeenkomstig de regels die op hen van toepassing waren daags vóór de datum van hun overgang naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie.

  Art. 12.2.6. Met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op die waarin het actuele personeelslid de in artikel 12, tweede lid, laatste zin, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en in de artikelen 242, derde lid, laatste zin, en 243, vierde lid, laatste zin, van de wet, bedoelde beslissing heeft genomen, verkrijgt dat personeelslid de loonschaal en de loonschaalanciënniteit vastgesteld bij dit deel op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit, met uitsluiting van de toepassing van de artikelen XII.VII.8 en XII.VII.10. De loonschaalanciënniteit wordt evenwel vermeerderd met de duur van zijn werkelijke diensten te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot de dag waarop het betrokken personeelslid de voormelde loonschaal en loonschaalanciënniteit verkrijgt. Komt het betrokken actuele personeelslid daardoor in aanmerking voor de toekenning van een hogere loonschaal in het raam van de baremische loopbaan, dan moet het voldoen aan de bij dit besluit opgelegde voorwaarden voor de overgang bedoeld in deel VII, titel II, hoofdstuk IV of titel IV, hoofdstuk IV.

  HOOFDSTUK II. - DE NAAMLIJST.

  Art. 12.2.7. De minister publiceert de naamlijst bedoeld in artikel II.I.9 voor het jaar 2001 ten laatste op 1 juni 2001.
  De personeelsleden zijn op de naamlijst voor het jaar 2001 ingedeeld per graad met vermelding van :
  1° de naam en voornaam;
  2° de geboortedatum;
  3° de graad-, kader- of niveau-, dienst- en loonschaalanciënniteit op 1 april 2001;
  4° het politiekorps waarvan het personeelslid op 1 april 2001 deel uitmaakt;
  5° de gewone plaats van het werk op 1 april 2001.

  Art. 12.2.8. Ten laatste op 15 mei 2001 zenden de commissaris-generaal en de korpschefs, elk wat hun personeelsleden betreft, de in artikel XII.II.7 bepaalde gegevens, alsook de loonschaal op 1 april 2001, aan de minister of aan de door hem aangewezen dienst.

  HOOFDSTUK III. - HET PERSOONLIJK DOSSIER.

  Art. 12.2.9. De minister bepaalt de datum van de inwerkingtreding van artikel II.I.12 die niet later kan plaatsvinden dan 1 januari 2002.

  Art. 12.2.10. Tot aan de datum van de inwerkingtreding van artikel II.I.12 bevat het persoonlijk dossier het persoonlijk dossier zoals dat bestond daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit bij de gerechtelijke politie bij de parketten, de rijkswacht of de korpsen van de gemeentepolitie.

  Art. 12.2.11. De minister kan de nadere regels bepalen die toelaten het in artikel XII.II.10 bepaalde persoonlijke dossier om te zetten in het in artikel II.I.12 bepaalde persoonlijk dossier. Inzonderheid kan hij bepalen welke stukken uit het eerstgenoemde dossier worden opgenomen in het laatstgenoemde dossier en bepalen wie het dossier bijhoudt.

  HOOFDSTUK IV. - DE GRADEN- EN LOONSCHAALTOEWIJZING IN HET OPERATIONEEL KADER.

  AFDELING 1. - HET KADER VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE.

  Art. 12.2.12. De actuele personeelsleden bedoeld in tabel A, derde kolom, van bijlage 11, worden opgenomen in het kader van de hulpagenten van politie, en worden, naar gelang van het geval, benoemd of aangesteld in de overeenstemmende graad bedoeld in de eerste kolom van diezelfde tabel A en verkrijgen één van de volgende overeenstemmende loonschalen bedoeld in de tweede kolom van diezelfde tabel A :
  1° HAU1 : indien zij zijn bekleed met de graad van aspirant-hulpagent van politie of indien hun gecorrigeerde geldelijke anciënniteit bedoeld in artikel XII.XI.17, § 1, minder dan zes jaar bedraagt;
  2° HAU2 : indien hun in 1° bedoelde gecorrigeerde geldelijke anciënniteit ten minste zes jaar doch minder dan twaalf jaar bedraagt;
  3° HAU3 : indien hun in 1° bedoelde gecorrigeerde geldelijke anciënniteit ten minste twaalf jaar bedraagt.

  Art. 12.2.13. Onverminderd het tweede lid, verkrijgen de actuele personeelsleden van het kader van de hulpagenten van politie een kader- en graadanciënniteit die gelijk is aan de som van de anciënniteiten die ze hebben verworven in de graad of graden bedoeld in tabel A, derde kolom, punt 3.2, van bijlage 11.
  De actuele personeelsleden die overeenkomstig tabel A, derde kolom, punt 3.1, van bijlage 11, aangesteld zijn in de graad van aspirant-hulpagent van politie verkrijgen een graadanciënniteit die gelijk is aan de som van de anciënniteiten die ze hebben verworven in de graad of graden bedoeld in tabel A, derde kolom, punt 3.1, van bijlage 11.

  Art. 12.2.14. De loonschaalanciënniteit van de actuele personeelsleden van het kader van de hulpagenten van politie ingeschaald overeenkomstig artikel XII.II.12 wordt vastgesteld als volgt :
  1° in de loonschaal HAU1 : de gecorrigeerde geldelijke anciënniteit bedoeld in artikel XII.XI.17, § 1;
  2° in de loonschaal HAU2 : de in 1° bedoelde gecorrigeerde geldelijke anciënniteit verminderd met zes jaar;
  3° in de loonschaal HAU3 : de in 1° bedoelde gecorrigeerde geldelijke anciënniteit verminderd met twaalf jaar.

  AFDELING 2. - HET BASISKADER.

  Art. 12.2.15. De actuele personeelsleden bedoeld in tabel B, derde kolom, van bijlage 11 worden opgenomen in het basiskader, en worden, naar gelang van het geval, benoemd of aangesteld in de overeenstemmende graad bedoeld in de eerste kolom van diezelfde tabel B en verkrijgen één van de volgende overeenstemmende loonschalen bedoeld in de tweede kolom van diezelfde tabel B :
  1° B1 : indien hun gecorrigeerde geldelijke anciënniteit bedoeld in artikel XII.XI.17, § 1, minder dan zes jaar bedraagt;
  2° B2 : indien hun in 1° bedoelde gecorrigeerde geldelijke anciënniteit ten minste zes jaar doch minder dan twaalf jaar bedraagt;
  3° B3 : indien hun in 1° bedoelde gecorrigeerde geldelijke anciënniteit ten minste twaalf jaar doch minder dan achttien jaar bedraagt;
  4° B4 : indien hun in 1° bedoelde gecorrigeerde geldelijke anciënniteit ten minste achttien jaar doch minder dan vierentwintig jaar bedraagt;
  5° B5 : indien hun in 1° bedoelde gecorrigeerde geldelijke anciënniteit ten minste vierentwintig jaar bedraagt.
  <NOTA : Bij arrest nr 102/2003 van 22-07-2003, (B.S. 25-09-2003, p.47193), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd op 22-07-2003, in zoverre het tot gevolg heeft dat de voormalige onderluchthavenmeesters en eerste onderluchthavenmeesters die hebben gekozen voor het behoud van hun oorspronkelijk statuut, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, en van officier van bestuurlijke politie niet behouden>

  Art. 12.2.16. Onverminderd het tweede lid, verkrijgen de actuele personeelsleden van het basiskader een kader- en graadanciënniteit die gelijk is aan de som van de anciënniteiten die ze hebben verworven in de graad of graden bedoeld in tabel B, derde kolom, vanaf punt 3.4, van bijlage 11.
  De actuele personeelsleden die overeenkomstig tabel B, derde kolom, punt 3.1 tot en met 3.3, van bijlage 11, aangesteld zijn in de graad van aspirant-inspecteur van politie verkrijgen een graadanciënniteit die gelijk is aan de som van de anciënniteiten die ze hebben verworven in de graad of graden bedoeld in tabel B, derde kolom, punt 3.1 tot en met 3.3, van bijlage 11.

  Art. 12.2.17. De loonschaalanciënniteit van de actuele personeelsleden van het basiskader ingeschaald overeenkomstig artikel XII.II.15 wordt vastgesteld als volgt :
  1° in de loonschaal B1 : de gecorrigeerde geldelijke anciënniteit bedoeld in artikel XII.XI.17, § 1;
  2° in de loonschaal B2 : de in 1° bedoelde gecorrigeerde geldelijke anciënniteit verminderd met zes jaar;
  3° in de loonschaal B3 : de in 1° bedoelde gecorrigeerde geldelijke anciënniteit verminderd met twaalf jaar;
  4° in de loonschaal B4 : de in 1° bedoelde gecorrigeerde geldelijke anciënniteit verminderd met achttien jaar;
  5° in de loonschaal B5 : de in 1° bedoelde gecorrigeerde geldelijke anciënniteit verminderd met vierentwintig jaar.

  AFDELING 3. - HET MIDDENKADER.

  Art. 12.2.18. De actuele personeelsleden bedoeld in tabel C, derde kolom, van bijlage 11, worden opgenomen in het middenkader en worden, naar gelang van het geval, benoemd of aangesteld in de overeenstemmende graad bedoeld in de eerste kolom van diezelfde tabel C.
  Het eerste lid is eveneens van toepassing op de actuele personeelsleden die bekleed zijn met één van de graden van politieassistent bij de gemeentepolitie, die in het kader van een veiligheidscontract door een gemeente contractueel zijn aangeworven en die voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 1 en 2, 4°, van het koninklijk besluit van 22 december 1997 houdende de algemene bepalingen aangaande de aanwerving en de benoeming van de politieassistenten.
  <NOTA : Bij arrest nr 102/2003 van 22-07-2003, (B.S. 25-09-2003, p.47193), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd op 22-07-2003, in zoverre het de inspecteurs en de afdelingsinspecteurs van de voormalige gerechtelijke politie integreert in de graad van hoofdinspecteur van de nieuwe politie>

  Art. 12.2.19. In afwijking van artikel II.II.10, verkrijgen de in artikel XII.VII.9 bedoelde actuele personeelsleden die geen houder zijn van het brevet bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, uitgereikt aan sommige leden van de gemeentepolitie, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, vanaf hun overgang naar de loonschaal M2.1.

  Art. 12.2.20. Onverminderd artikel XII.II.21, verkrijgen de in artikel XII.II.18 bedoelde actuele personeelsleden één van de volgende overeenstemmende loonschalen bedoeld in de tweede kolom van diezelfde tabel C :
  1° M2.1 of M2.2 : indien hun kaderanciënniteit bedoeld in artikel XII.II.22 minder dan zes jaar bedraagt;
  2° M3.1 of M3.2 : indien hun in 1° bedoelde kaderanciënniteit ten minste zes jaar doch minder dan twaalf jaar bedraagt;
  3° M4.1 of M4.2 : indien hun in 1° bedoelde kaderanciënniteit ten minste twaalf jaar bedraagt.
  De actuele personeelsleden die voortspruiten uit de gerechtelijke politie bij de parketten of die bekleed zijn met één van de graden van politieassistent bij de gemeentepolitie, verkrijgen alzo de loonschalen M2.2, M3.2 of M4.2.
  (De actuele personeelsleden bedoeld in de punten 3.9bis, 3.9ter en 3.9quater van tabel C, derde kolom van bijlage 11 hebben de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie.) <W 2005-07-03/53, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>

  Art. 12.2.21. De actuele personeelsleden die overeenkomstig tabel C, derde kolom, punt 3.1 tot en met 3.6, van bijlage 11, aangesteld zijn in de graad van aspirant-hoofdinspecteur van politie verkrijgen de overeenstemmende loonschaal bedoeld in de tweede kolom van diezelfde tabel C.
  De actuele personeelsleden bedoeld in tabel C, derde kolom, punt 3.7 en 3.8, van bijlage 11, verkrijgen de loonschaal M1.1.
  De overige actuele personeelsleden van tabel C, derde kolom, vermeld onder punt 3.22 en volgende, van bijlage 11, verkrijgen de overeenstemmende overgangsloonschaal bedoeld in de tweede kolom van diezelfde tabel C.

  Art. 12.2.22. Onverminderd het tweede lid, verkrijgen de actuele personeelsleden van het middenkader een kader- en graadanciënniteit die gelijk is aan de som van de anciënniteiten die ze hebben verworven in de graad of graden bedoeld in tabel C, derde kolom, vanaf punt 3.7, van bijlage 11.
  De actuele personeelsleden die overeenkomstig tabel C, derde kolom, punt 3.1 tot en met 3.6 van bijlage 11, aangesteld zijn in de graad van aspirant-hoofdinspecteur van politie verkrijgen een graadanciënniteit die gelijk is aan de som van de anciënniteiten die ze hebben verworven in de graad of graden bedoeld in tabel C, derde kolom, punt 3.1 tot en met 3.6, van bijlage 11.

  Art. 12.2.23. De loonschaalanciënniteit van de actuele personeelsleden van het middenkader ingeschaald overeenkomstig de artikelen XII.II.20 en XII.II.21 wordt vastgelegd als volgt :
  1° in de loonschaal M1.1 en M1.2 : de kaderanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.22;
  2° in de loonschaal M2.1 en M2.2 : de kaderanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.22;
  3° in de loonschaal M3.1 en M3.2 : de kaderanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.22 verminderd met zes jaar;
  4° in de loonschaal M4.1 en M4.2 : de kaderanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.22 verminderd met twaalf jaar;
  5° in de overgangsloonschalen M5.1 en M5.2 : de kaderanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.22.

  Art. 12.2.24. De loonschaalanciënniteit van de actuele personeelsleden van het middenkader op de datum van hun inschaling in de overgangsloonschalen M6, M7 of M7bis, overeenkomstig tabel C van bijlage 11, is gelijk aan nul.

  AFDELING 4. - HET OFFICIERSKADER : OFFICIEREN BEDOELD IN TABEL D1 VAN BIJLAGE 11.

  Art. 12.2.25. De actuele personeelsleden bedoeld in tabel D1, derde kolom, van bijlage 11, worden opgenomen in het officierskader en worden, naar gelang van het geval, benoemd of aangesteld in de overeenstemmende graad bedoeld in de eerste kolom van diezelfde tabel D1.
  <NOTA : Bij arrest nr 102/2003 van 22-07-2003, (B.S. 25-09-2003, p.47193), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd op 22-07-2003, in zoverre het de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C integreert in de graad van commissaris van politie>

  Art. 12.2.26. De in artikel XII.II.25 bedoelde personeelsleden verkrijgen de volgende overeenstemmende loonschaal bedoeld in de tweede kolom van diezelfde tabel D1 :
  1° O2, indien voor deze personeelsleden het referentiebedrag, bedoeld in artikel XII.II.27, kleiner is dan of gelijk is aan 1 430 000 BEF (35 448,78 EUR);
  2° O3, indien voor deze personeelsleden het in 1° bedoelde referentiebedrag groter is dan 1 430 000 BEF (35 448,78 EUR) en kleiner is dan of gelijk is aan 1 600 000 BEF (39 662,97 EUR);
  3° O4, indien voor deze personeelsleden het in 1° bedoelde referentiebedrag groter is dan 1 600 000 BEF (39 662,97 EUR) en kleiner is dan of gelijk is aan 1 773 000 BEF (43 951,53 EUR);
  4° O4bis, indien voor deze personeelsleden het in 1° bedoelde referentiebedrag groter is dan 1 773 000 BEF (43 951,53 EUR).
  De officieren gesproten uit de polytechnische afdeling van de koninklijke militaire school en deze aangeworven als houder van een diploma van burgerlijk ingenieur, verkrijgen evenwel de respectieve loonschaal O2ir, O3ir, O4ir of O4bisir naar gelang de officieren bij de rijkswacht, gesproten uit de afdeling alle wapens van de koninklijke militaire school en bekleed met dezelfde graad, de respectieve loonschaal O2, O3, O4 of O4bis verkrijgen.
  In afwijking van het eerste lid, verkrijgen de actuele personeelsleden die overeenkomstig tabel D1, derde kolom, punt 3.1 tot en met 3.8, van bijlage 11, aangesteld zijn in de graad van aspirant-commissaris van politie, de loonschaal O1.
  In afwijking van het eerste lid, verkrijgen de actuele personeelsleden bedoeld in tabel D1, derde kolom, punt 3.9 en 3.24, van bijlage 11, de loonschaal O2.

  Art. 12.2.27. Het referentiebedrag bedoeld in artikel XII.II.26, eerste lid, wordt berekend door het maximumbedrag van de in tabel D1, vierde kolom, van bijlage 11 overeenstemmende loonschaal van betrokkenen te vermeerderen met de toelagen, zoals bepaald bij artikel XII.II.28 en die worden vermenigvuldigd met, naar gelang van het geval :
  1° de factor 1,132, indien deze toelagen niet onderworpen waren aan een bijdrage voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (ZIV) of het fonds voor overlevingspensioenen (FOP);
  2° met de factor 1,082, indien deze toelagen onderworpen waren aan een bijdrage voor ZIV doch niet aan een bijdrage voor FOP;
  3° met de factor 1, indien deze toelagen onderworpen waren aan een bijdrage voor ZIV en FOP.
  Het volgens het eerste lid berekende bedrag dient evenwel verminderd te worden met het bedrag van de tweetaligheidstoelage indien deze laatste in het in het eerste lid bedoelde maximumbedrag is begrepen.
  Geniet een actueel personeelslid reeds een loonschaalvrijwaring, dan komt voor de toepassing van het eerste lid, de loonschaal in aanmerking op grond waarvan het op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit wordt bezoldigd, behalve wanneer het maximum van de in regel toepasselijke loonschaal hoger is dan het maximum van de vrijwaringsloonschaal.

  Art. 12.2.28. De in artikel XII.II.27 bedoelde toelagen die worden toegevoegd aan de gehanteerde loonschalen bedoeld in bijlage A van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, zijn :
  1° de toelage bedoeld in artikel 24 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht;
  2° de toelage bedoeld in artikel 30 van het in 1° genoemde koninklijk besluit.
  Voor de personeelsleden van de korpsen van de gemeentepolitie betreffen de in artikel XII.II.27 bedoelde toelagen, voor zij die het genieten en ervoor opteren, het weddesupplement voor wachtprestaties op het politiecommissariaat of thuis.
  (Onverminderd het eerste lid, kunnen de personeelsleden die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit onder het toepassingsgebied van artikel XII.II.26 vallen en die het in het tweede lid bedoelde weddesupplement voor wachtprestaties vóór die inwerkingtreding niet genoten, ervoor opteren om hun referentiebedrag te verhogen met 32 443 BEF (804,25 euro). Op dit bedrag wordt geen vermenigvuldigingsfactor toegepast. Deze optie gebeurt volgens de regels bepaald in artikel XII.XI.17, § 2, derde lid, 5°.) <W 2005-07-03/53, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  <NOTA : Bij arrest nr 102/2003 van 22-07-2003, (B.S. 25-09-2003, p.47193), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd op 22-07-2003, in zoverre het geen rekening houdt met de toelage toegekend aan de leden van de voormalige gerechtelijke politie met toepassing van het koninklijk besluit van 1 februari 1980>

  Art. 12.2.29. Onverminderd het tweede, derde en vierde lid, verkrijgen de actuele personeelsleden van het officierskader bedoeld in tabel D1 van bijlage 11 een kader- en graadanciënniteit die gelijk is aan de som van de anciënniteiten die ze hebben verworven in de graad of graden bedoeld in tabel D1, derde kolom, vanaf punt 3.9, van bijlage 11.
  Voor het vastleggen van de kader- en graadanciënniteit van de actuele personeelsleden van het officierskader die voortspruiten uit de officieren van de rijkswacht, worden in aanmerking genomen de som van de anciënniteiten vanaf de datum van benoeming in een officiersgraad bedoeld in artikel 17 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, inclusief de in artikel 43, § 1, van dezelfde wet bedoelde anciënniteitsbijslag.
  De actuele personeelsleden die overeenkomstig tabel D1, derde kolom, punt 3.1 tot en met 3.8, van bijlage 11, aangesteld zijn in de graad van aspirant-commissaris van politie verkrijgen een graadanciënniteit die gelijk is aan de som van de anciënniteiten die ze hebben verworven in de graad of graden bedoeld in tabel D1, derde kolom, punt 3.1 tot en met 3.8, van bijlage 11.
  Voor het bepalen van de kader- en graadanciënniteit van de actuele benoemde personeelsleden van het officierskader bedoeld in tabel D1, derde kolom, punt 3.9, wordt de verworven anciënniteit in aanmerking genomen te rekenen vanaf de datum van hun aanwijzing voor een ambt dat het recht opent op de toekenning van de commandotoelage bedoeld in artikel 29, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht of op de toekenning van de toelage brigadecommandant.

  Art. 12.2.30. De loonschaalanciënniteit van de actuele personeelsleden van het officierskader bedoeld in tabel D1 van bijlage 11 is, op datum van hun inschaling in de loonschalen O1, O2, O2ir, O3, O3ir, O4, O4ir, O4bis of O4bisir, gelijk aan nul.

  AFDELING 5. - HET OFFICIERSKADER : DE HOGERE OFFICIEREN BEDOELD IN TABEL D2 VAN BIJLAGE 11.

  Art. 12.2.31. De actuele personeelsleden bedoeld in tabel D2, derde kolom, van bijlage 11, worden opgenomen in het officierskader, en worden benoemd in de overeenstemmende graad bedoeld in de eerste kolom van diezelfde tabel D2 en verkrijgen de overeenstemmende loonschaal bedoeld in de tweede kolom van diezelfde tabel D2.
  Uitsluitend de officieren gesproten uit de polytechnische afdeling van de koninklijke militaire school of zij die aangeworven zijn als houder van een diploma burgerlijk ingenieur verkrijgen de loonschalen O5ir en O6ir indien deze overeenstemmen met hun graad en graadanciënniteit bedoeld in tabel D2, derde kolom, van bijlage 11.

  Art. 12.2.32. De actuele benoemde personeelsleden van het officierskader bedoeld in tabel D2 van bijlage 11, verkrijgen een graadanciënniteit die gelijk is aan de som van de anciënniteiten die ze hebben verworven in de graad of graden bedoeld in tabel D2, derde kolom, van bijlage 11, in voorkomend geval gekoppeld aan de in diezelfde kolom gespecificeerde hoedanigheden.

  Art. 12.2.33. Onverminderd het tweede lid verkrijgen de actuele benoemde personeelsleden van het officierskader bedoeld in tabel D2 van bijlage 11, een kaderanciënniteit die gelijk is aan de som van de anciënniteiten die ze hebben verworven in de graad of graden bedoeld in de tabellen D1, derde kolom, vanaf punt 3.9. en D2, derde kolom, van bijlage 11, in voorkomend geval gekoppeld aan de in diezelfde kolom gespecificeerde hoedanigheden.
  De kaderanciënniteit van de actuele benoemde personeelsleden van het officierskader die voortspruiten uit de hoofd- en opperofficieren van de rijkswacht wordt berekend overeenkomstig artikel XII.II.29, tweede lid.

  Art. 12.2.34. Onverminderd het tweede lid, is de loonschaalanciënniteit van de actuele personeelsleden bedoeld in tabel D2, derde kolom, van bijlage 11, gelijk aan de som van de anciënniteiten die zij hebben verworven in de graad, in voorkomend geval gekoppeld aan de in diezelfde kolom gespecificeerde hoedanigheden, die de loonschaal bepaalt waarin zij worden ingeschaald overeenkomstig artikel XII.II.31.
  De loonschaalanciënniteit van de hogere officieren bedoeld in tabel D2, punten 3.3, 3.11 en 3.17, van bijlage 11, is gelijk aan nul.

  HOOFDSTUK V. - DE GRADEN- EN LOONSCHAALTOEWIJZING IN HET ADMINISTRATIEF EN LOGISTIEK KADER.

  AFDELING 1. - HET NIVEAU D.

  Art. 12.2.35. De actuele statutaire personeelsleden die een loonschaal genieten bedoeld in tabel " niveau D ", tweede kolom, van bijlage 12, worden opgenomen in het niveau D en worden, op voorstel van de korpschef of de commissaris-generaal, ambtshalve benoemd in de gemene graad of in de bijzondere graad van het niveau D, die het nauwst aansluit bij hun actuele ambt.
  De in het eerste lid bedoelde personeelsleden verkrijgen de in de eerste kolom van diezelfde tabel bedoelde overeenstemmende loonschalengroep.

  Art. 12.2.36. De in artikel XII.II.35, tweede lid, bedoelde personeelsleden verkrijgen één van de volgende loonschalen van de in datzelfde lid bedoelde loonschalengroep :
  1° DD1, D1A, D1B of D1C : indien voor deze personeelsleden het referentiebedrag bedoeld in het tweede lid kleiner is dan of gelijk aan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal DD1, D1A, D1B of D1C;
  2° DD2, D2A, D2B of D2C : indien voor deze personeelsleden het in 1° bedoelde referentiebedrag groter is dan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal DD1, D1A, D1B of D1C en kleiner is dan of gelijk aan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal DD2, D2A, D2B of D2C;
  3° DD3, D3A, D3B of D3C : indien voor deze personeelsleden het in 1° bedoelde referentiebedrag groter is dan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal DD2, D2A, D2B of D2C en kleiner is dan of gelijk aan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal DD3, D3A, D3B of D3C;
  4° DD4, D4A, D4B of D4C : indien voor deze personeelsleden het in 1° bedoelde referentiebedrag groter is dan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal DD3, D3A, D3B of D3C.
  Het referentiebedrag bedoeld in het eerste lid is gelijk aan het maximumbedrag van de in tabel " niveau D ", tweede kolom, van bijlage 12,overeenstemmende loonschaal van betrokkenen.

  Art. 12.2.37. De loonschaalanciënniteit van de actuele statutaire personeelsleden ingeschaald overeenkomstig artikel XII.II.36 wordt vastgesteld als volgt :
  1° in de loonschaal DD1, D1A, D1B of D1C : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.40;
  2° in de loonschaal DD2, D2A, D2B of D2C : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.40 verminderd met zes jaar;
  3° in de loonschaal DD3, D3A, D3B of D3C : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.40 verminderd met twaalf jaar;
  4° in de loonschaal DD4, D4A, D4B of D4C : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.40 verminderd met achttien jaar.
  De overeenkomstig het eerste lid vastgestelde loonschaalanciënniteit bedraagt evenwel nooit minder dan nul.

  Art. 12.2.38. De actuele contractuele personeelsleden die een loonschaal genieten bedoeld in tabel " niveau D ", tweede kolom, van bijlage 12, worden opgenomen in het niveau D en worden, naar gelang het geval, door de gemeenteraad of de door de minister aangewezen dienst, op voorstel van de korpschef of de directeur-generaal van de algemene directie personeel, bekleed met de gemene graad of met de bijzondere graad van het niveau D, die het nauwst aansluit bij hun actuele ambt.
  Zij worden benoemd in de graad bedoeld in het eerste lid en verkrijgen de overeenstemmende loonschalengroep bedoeld in de eerste kolom van diezelfde tabel " niveau D " en een loonschaal van deze loonschalengroep overeenkomstig artikel XII.II.36 :
  1° indien zij geacht worden geselecteerd te zijn zoals bedoeld in artikel XII.IV.2;
  2° of indien zij deelnemen aan een selectieprocedure voor één of meerdere betrekkingen van hun niveau en geschikt worden bevonden overeenkomstig deel IV, titel I, hoofdstuk II, en om deze redenen worden benoemd overeenkomstig artikel V.III.6.
  Indien evenwel een in het tweede lid bedoeld personeelslid ingevolge een in datzelfde lid bedoelde selectie wordt aangewezen voor een betrekking die verbonden is aan een andere graad dan deze waarmee hij is bekleed door toepassing van het eerste lid, wordt hij benoemd in die andere graad. Indien deze andere graad gebonden is aan een andere loonschalengroep, waarvan het maximumbedrag van de hoogste loonschaal hoger is dan dat van de in het tweede lid bedoelde loonschalengroep, verkrijgt hij die andere loonschalengroep.

  Art. 12.2.39. De loonschaalanciënniteit van de actuele personeelsleden van het niveau D bedoeld in artikel XII.II.38, tweede en derde lid, is op datum van hun inschaling in een loonschaal van niveau D, gelijk aan nul.
  In afwijking van het eerste lid is de loonschaalanciënniteit van de actuele personeelsleden van het niveau D bedoeld in artikel XII.II.38, tweede lid, 1°, op datum van hun inschaling in een loonschaal van het niveau D, gelijk aan de niveauanciënniteit die zij hebben opgebouwd vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.

  Art. 12.2.40. De personeelsleden van het niveau D verkrijgen een graad- en niveauanciënniteit die gelijk is aan de som van de loonschaal-anciënniteiten die zij hebben verworven in de loonschalen bedoeld in tabel " niveau D ", tweede kolom, van bijlage 12.

  AFDELING 2. - HET NIVEAU C.

  Art. 12.2.41. De actuele statutaire personeelsleden die een loonschaal genieten bedoeld in tabel " niveau C ", tweede kolom, van bijlage 12, worden opgenomen in het niveau C en worden, op voorstel van de korpschef of de commissaris-generaal, ambtshalve benoemd in de gemene graad van niveau C of in een bijzondere graad van het niveau C, indien deze nauwer aansluit bij hun actuele ambt.
  De in het eerste lid bedoelde personeelsleden verkrijgen de in de eerste kolom van diezelfde tabel bedoelde overeenstemmende loonschalengroep.

  Art. 12.2.42. De in artikel XII.II.41, tweede lid, bedoelde personeelsleden verkrijgen één van de volgende loonschalen van de in datzelfde lid bedoelde loonschalengroep :
  1° CC1, C1A, C1B, C1C of C1D : indien voor deze personeelsleden het referentiebedrag bedoeld in het tweede lid kleiner is dan of gelijk aan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal CC1, C1A, C1B, C1C of C1D;
  2° CC2, C2A, C2B, C2C of C2D : indien voor deze personeelsleden het in 1° bedoelde referentiebedrag groter is dan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal CC1, C1A, C1B, C1C of C1D en kleiner is dan of gelijk aan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal CC2, C2A, C2B, C2C of C2D;
  3° CC3, C3A, C3B, C3C of C3D : indien voor deze personeelsleden het in 1° bedoelde referentiebedrag groter is dan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal CC2, C2A, C2B, C2C of C2D en kleiner is dan of gelijk aan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal CC3, C3A, C3B, C3C of C3D;
  4° CC4, C4A, C4B, C4C of C4D : indien voor deze personeelsleden het in 1° bedoelde referentiebedrag groter is dan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal CC3, C3A, C3B, C3C of C3D.
  Het referentiebedrag bedoeld in het eerste lid is gelijk aan het maximumbedrag van de in tabel " niveau C ", tweede kolom, van bijlage 12, overeenstemmende loonschaal van betrokkenen.

  Art. 12.2.43. De loonschaalanciënniteit van de actuele statutaire personeelsleden ingeschaald overeenkomstig artikel XII.II.42 wordt vastgesteld als volgt :
  1° in de loonschaal CC1, C1A, C1B, C1C en C1D : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.46;
  2° in de loonschaal CC2, C2A, C2B, C2C en C2D : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.46 verminderd met zes jaar;
  3° in de loonschaal CC3, C3A, C3B, C3C en C3D : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.46 verminderd met twaalf jaar;
  4° in de loonschaal CC4, C4A, C4B, C4C en C4D : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.46 verminderd met achttien jaar.
  De overeenkomstig het eerste lid vastgestelde loonschaalanciënniteit bedraagt evenwel nooit minder dan nul.

  Art. 12.2.44. De actuele contractuele personeelsleden die een loonschaal genieten bedoeld in tabel " niveau C ", tweede kolom, van bijlage 12, worden opgenomen in het niveau C en worden, naar gelang het geval, door de gemeenteraad of de door de minister aangewezen dienst, op voorstel van de korpschef of de directeur-generaal van de algemene directie personeel, bekleed met de gemene graad van niveau C of met een bijzondere graad van het niveau C, indien deze nauwer aansluit bij hun actuele ambt.
  Zij worden benoemd in de graad bedoeld in het eerste lid en verkrijgen de overeenstemmende loonschalengroep bedoeld in de eerste kolom van diezelfde tabel " niveau C " en een loonschaal van deze loonschalengroep overeenkomstig artikel XII.II.42 :
  1° indien zij geacht worden geselecteerd te zijn zoals bedoeld in artikel XII.IV.2;
  2° of indien zij deelnemen aan een selectieprocedure voor één of meerdere betrekkingen van hun niveau en geschikt worden bevonden overeenkomstig deel IV, titel I, hoofdstuk II, en om deze redenen worden benoemd overeenkomstig artikel V.III.6.
  Indien evenwel een in het tweede lid bedoeld personeelslid ingevolge een in datzelfde lid bedoelde selectie wordt aangewezen voor een betrekking die verbonden is aan een andere graad dan deze waarmee hij is bekleed door toepassing van het eerste lid, wordt hij benoemd in die andere graad. Indien deze andere graad gebonden is aan een andere loonschalengroep, waarvan het maximumbedrag van de hoogste loonschaal hoger is dan dat van de in het tweede lid bedoelde loonschalengroep, verkrijgt hij die andere loonschalengroep.

  Art. 12.2.45. De loonschaalanciënniteit van de actuele personeelsleden van het niveau C bedoeld in artikel XII.II.44, tweede en derde lid, is op datum van hun inschaling in een loonschaal van niveau C, gelijk aan nul.
  In afwijking van het eerste lid is de loonschaalanciënniteit van de actuele personeelsleden van het niveau C bedoeld in artikel XII.II.44, tweede lid, 1°, op datum van hun inschaling in een loonschaal van het niveau C, gelijk aan de niveauanciënniteit die zij hebben opgebouwd vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.

  Art. 12.2.46. De actuele personeelsleden van het niveau C verkrijgen een graad- en niveauanciënniteit die gelijk is aan de som van de loonschaalanciënniteiten die zij hebben verworven in de loonschalen bedoeld in tabel " niveau C ", tweede kolom, van bijlage 12.

  AFDELING 3. - HET NIVEAU B.

  Art. 12.2.47. De actuele statutaire personeelsleden die een loonschaal genieten bedoeld in tabel " niveau B ", tweede kolom, van bijlage 12, worden opgenomen in het niveau B en worden, op voorstel van de korpschef of de commissaris-generaal, ambtshalve benoemd in de gemene graad van niveau B of in een bijzondere graad van het niveau B, indien deze nauwer aansluit bij hun actuele ambt.
  De in het eerste lid bedoelde personeelsleden verkrijgen de in de eerste kolom van diezelfde tabel bedoelde overeenstemmende loonschalengroep.
  De actuele personeelsleden die daags voor hun inschaling de loonschaal bedoeld in tabel " niveau C ", punt 2.7 of punt 2.9, genieten en geslaagd zijn voor het examen bedoeld in artikel 38 van de wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst, worden eveneens opgenomen in het niveau B en worden benoemd overeenkomstig het eerste lid.

  Art. 12.2.48. De in artikel XII.II.47, tweede lid, bedoelde personeelsleden verkrijgen één van de volgende loonschalen van de in datzelfde lid bedoelde loonschalengroep :
  1° respectievelijk BB1, B1A, B1B, B1C of B1D : indien voor deze personeelsleden het referentiebedrag bedoeld in artikel XII.II.49 kleiner is dan of gelijk aan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal BB1, B1A, B1B, B1C of B1D;
  2° respectievelijk BB2, B2A, B2B, B2C of B2D : indien voor deze personeelsleden het in 1° bedoelde referentiebedrag groter is dan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal BB1, B1A, B1B, B1C of B1D en kleiner is dan of gelijk aan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal BB2, B2A, B2B, B2C of B2D;
  3° respectievelijk BB3, B3A, B3B, B3C of B3D : indien voor deze personeelsleden het in 1° bedoelde referentiebedrag groter is dan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal BB2, B2A, B2B, B2C of B2D en kleiner is dan of gelijk aan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal BB3, B3A, B3B, B3C of B3D;
  4° respectievelijk BB4, B4A, B4B, B4C of B4D : indien voor deze personeelsleden het in 1° bedoelde referentiebedrag groter is dan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal BB3, B3A, B3B, B3C of B3D.
  De in artikel XII.II.47, derde lid, bedoelde actuele personeelsleden verkrijgen de loonschaal B1C.

  Art. 12.2.49. Het referentiebedrag bedoeld in artikel XII.II.48, eerste lid, is gelijk aan het maximumbedrag van de in tabel " niveau B ", tweede kolom, van bijlage 12, overeenstemmende loonschaal van betrokkenen.

  Art. 12.2.50. De loonschaalanciënniteit van de actuele statutaire personeelsleden ingeschaald overeenkomstig artikel XII.II.48, eerste lid, wordt vastgesteld als volgt :
  1° in de loonschaal BB1, B1A, B1B, B1C of B1D : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.53;
  2° in de loonschaal BB2, B2A, B2B, B2C of B2D : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.53 verminderd met zes jaar;
  3° in de loonschaal BB3, B3A, B3B, B3C of B3D : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.53 verminderd met twaalf jaar;
  4° in de loonschaal BB4, B4A, B4B, B4C of B4D : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.53 verminderd met achttien jaar.
  De overeenkomstig het eerste lid vastgestelde loonschaalanciënniteit bedraagt evenwel nooit minder dan nul.
  De loonschaalanciënniteit van de in artikel XII.II.48, tweede lid, bedoelde personeelsleden is op datum van hun inschaling gelijk aan nul.

  Art. 12.2.51. De actuele contractuele personeelsleden die een loonschaal genieten bedoeld in tabel " niveau B ", tweede kolom, van bijlage 12, worden opgenomen in het niveau B en worden, naar gelang het geval, door de gemeenteraad of de door de minister aangewezen dienst, op voorstel van de korpschef of de directeur-generaal van de algemene directie personeel, bekleed met de gemene graad van niveau B of met een bijzondere graad van het niveau B, indien deze nauwer aansluit bij hun actuele ambt.
  Zij worden benoemd in de graad bedoeld in het eerste lid en verkrijgen de overeenstemmende loonschalengroep bedoeld in de eerste kolom van diezelfde tabel " niveau B " en een loonschaal van deze loonschalengroep overeenkomstig artikel XII.II.48, eerste lid :
  1° indien zij geacht worden geselecteerd te zijn zoals bedoeld in artikel XII.IV.2;
  2° of indien zij deelnemen aan een selectieprocedure voor één of meerdere betrekkingen van hun niveau en geschikt worden bevonden overeenkomstig deel IV, titel I, hoofdstuk II, en om deze redenen worden benoemd overeenkomstig artikel V.III.6.
  Indien evenwel een in het tweede lid bedoeld personeelslid ingevolge een in datzelfde lid bedoelde selectie wordt aangewezen voor een betrekking die verbonden is aan een andere graad dan deze waarmee hij is bekleed door toepassing van het eerste lid, wordt hij benoemd in die andere graad. Indien deze andere graad gebonden is aan een andere loonschalengroep, waarvan het maximumbedrag van de hoogste loonschaal hoger is dan dat van de in het tweede lid bedoelde loonschalengroep, verkrijgt hij die andere loonschalengroep.

  Art. 12.2.52. De loonschaalanciënniteit van de actuele personeelsleden van het niveau B bedoeld in artikel XII.II.51, tweede en derde lid, is op datum van hun inschaling in een loonschaal van niveau B, gelijk aan nul.
  In afwijking van het eerste lid is de loonschaalanciënniteit van de actuele personeelsleden van het niveau B bedoeld in artikel XII.II.51, tweede lid, 1°, op datum van hun inschaling in een loonschaal van het niveau B, gelijk aan de niveauanciënniteit die zij hebben opgebouwd vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.
  Onverminderd het tweede lid, genieten de in artikel XII.II.51, tweede lid, 1°, bedoelde personeelsleden die een ambt bekleden van vertaler, misdrijfanalist, ICT-consulent, maatschappelijk assistent, boekhouder of technisch consulent, op de datum van hun inschaling in een loonschaal van niveau B, een loonschaalanciënniteitsbonificatie gelijk aan een vierde van hun niveauanciënniteit berekend tot op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, waarbij het gedeelte dat geen volle maand bedraagt, wordt verwaarloosd en waarvan het niet nuttige gedeelte kan worden overgedragen naar de behaalde volgende loonschaal van hetzelfde niveau.

  Art. 12.2.53. De actuele personeelsleden van het niveau B verkrijgen een graad- en niveauanciënniteit die gelijk is aan de som van de loonschaalanciënniteiten die zij hebben verworven in de loonschalen bedoeld in tabel " niveau B ", tweede kolom, van bijlage 12.

  AFDELING 4. - HET NIVEAU A.

  Art. 12.2.54. De actuele statutaire personeelsleden die een loonschaal genieten bedoeld in tabel " niveau A ", tweede kolom, van bijlage 12, worden opgenomen in het niveau A en worden, op voorstel van de korpschef of de commissaris-generaal, ambtshalve benoemd in de gemene graad van niveau A of in een bijzondere graad van het niveau A, indien deze nauwer aansluit bij hun actuele ambt of indien het bezit van een specifiek diploma dat aansluit bij een bijzondere graad, vereist is voor de uitoefening van dat ambt.
  De in het eerste lid bedoelde personeelsleden verkrijgen de in de eerste kolom van diezelfde tabel bedoelde overeenstemmende loonschalengroep.

  Art. 12.2.55. De in artikel XII.II.54, tweede lid, bedoelde personeelsleden verkrijgen één van de volgende loonschalen van de in datzelfde lid bedoelde loonschalengroep :
  1° respectievelijk AA1 of A1A : indien voor deze personeelsleden het referentiebedrag bedoeld in artikel XII.II.56 kleiner is dan of gelijk aan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal AA1 of A1A;
  2° respectievelijk AA2 of A2A : indien voor deze personeelsleden het in 1° bedoelde referentiebedrag groter is dan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal AA1 of A1A en kleiner is dan of gelijk aan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal AA2 of A2A;
  3° respectievelijk AA3 of A3A : indien voor deze personeelsleden het in 1° bedoelde referentiebedrag groter is dan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal AA2 of A2A en kleiner is dan of gelijk aan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal AA3 of A3A;
  4° respectievelijk AA4 of A4A : indien voor deze personeelsleden het in 1° bedoelde referentiebedrag groter is dan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal AA3 of A3A en kleiner is dan of gelijk aan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal AA4 of A4A;
  5° respectievelijk AA5 of A5A : indien voor deze personeelsleden het in 1° bedoelde referentiebedrag groter is dan het respectieve maximumbedrag van de loonschaal AA4 of A4A.

  Art. 12.2.56. Het referentiebedrag bedoeld in artikel XII.II.55 is gelijk aan het maximumbedrag van de in tabel " niveau A ", tweede kolom, van bijlage 12 overeenstemmende loonschaal van betrokkenen.

  Art. 12.2.57. De loonschaalanciënniteit van de actuele statutaire personeelsleden ingeschaald overeenkomstig artikel XII.II.55 wordt vastgesteld als volgt :
  1° in de loonschaal AA1 of A1A : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.60;
  2° in de loonschaal AA2 of A2A : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.60 verminderd met zes jaar;
  3° in de loonschaal AA3 of A3A : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.60 verminderd met twaalf jaar;
  4° in de loonschaal AA4 of A4A : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.60 verminderd met achttien jaar;
  5° in de loonschaal AA5 of A5A : de niveauanciënniteit berekend overeenkomstig artikel XII.II.60 verminderd met vierentwintig jaar.
  De overeenkomstig het eerste lid vastgestelde loonschaalanciënniteit bedraagt evenwel nooit minder dan nul.

  Art. 12.2.58. De actuele contractuele personeelsleden die een loonschaal genieten bedoeld in tabel " niveau A ", tweede kolom, van bijlage 12, worden opgenomen in het niveau A en worden, naar gelang het geval, door de gemeenteraad of de door de minister aangewezen dienst, op voorstel van de korpschef of de directeur-generaal van de algemene directie personeel, bekleed met de gemene graad van niveau A of met een bijzondere graad van het niveau A, indien deze nauwer aansluit bij hun actuele ambt of indien het bezit van een specifiek diploma dat aansluit bij een bijzondere graad, vereist is voor de uitoefening van dat ambt.
  Zij worden benoemd in de graad bedoeld in het eerste lid en verkrijgen de overeenstemmende loonschalengroep bedoeld in de eerste kolom van diezelfde tabel " niveau A " en een loonschaal van deze loonschalengroep overeenkomstig artikel XII.II.55 :
  1° indien zij geacht worden geselecteerd te zijn zoals bedoeld in artikel XII.IV.2;
  2° of indien zij deelnemen aan een selectieprocedure voor één of meerdere betrekkingen van hun niveau en geschikt worden bevonden overeenkomstig deel IV, titel I, hoofdstuk II, en om deze redenen worden benoemd overeenkomstig artikel V.III.6.
  Indien evenwel een in het tweede lid, bedoeld personeelslid ingevolge een in datzelfde lid bedoelde selectie wordt aangewezen voor een betrekking die verbonden is aan een andere graad dan deze waarmee hij is bekleed door toepassing van het eerste lid, wordt hij benoemd in die andere graad. Indien deze andere graad gebonden is aan een andere loonschalengroep, waarvan het maximumbedrag van de hoogste loonschaal hoger is dan dat van de in het tweede lid bedoelde loonschalengroep, verkrijgt hij die andere loonschalengroep.

  Art. 12.2.59. De loonschaalanciënniteit van de actuele personeelsleden van het niveau A bedoeld in artikel XII.II.58, tweede en derde lid, is op datum van hun inschaling in een loonschaal van niveau A, gelijk aan nul.
  In afwijking van het eerste lid is de loonschaalanciënniteit van de actuele personeelsleden van het niveau A bedoeld in artikel XII.II.58, tweede lid, 1°, op datum van hun inschaling in een loonschaal van het niveau A, gelijk aan de niveauanciënniteit die zij hebben opgebouwd vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.
  Onverminderd het tweede lid genieten de in artikel XII.II.58, tweede lid, 1°, bedoelde personeelsleden die een ambt bekleden van vertaler, misdrijfanalist of ICT-adviseur, op de datum van hun inschaling in een loonschaal van niveau A, een loonschaalanciënniteitsbonificatie gelijk aan een vierde van hun niveauanciënniteit berekend tot op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, waarbij het gedeelte dat geen volle maand bedraagt, wordt verwaarloosd en waarvan het niet nuttige gedeelte kan worden overgedragen naar de behaalde volgende loonschaal van hetzelfde niveau.

  Art. 12.2.60. De actuele personeelsleden van het niveau A verkrijgen een graad- en niveauanciënniteit die gelijk is aan de som van de loonschaalanciënniteiten die zij hebben verworven in de loonschalen bedoeld in tabel " niveau A ", tweede kolom, van bijlage 12.

  TITEL III. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL III VAN DIT BESLUIT.

  Art. 12.3.1. Binnen de drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit, moet het actuele personeelslid van het operationeel kader, alsook het lid van een gemeentelijk politiekorps, met inbegrip van de hulpagenten van politie, dat een ander beroep, ambt, betrekking, opdracht, dienst, mandaat of welkdanige bezigheid uitoefent in de zin van artikel 134 van de wet, overeenkomstig de procedure bepaald in de artikelen III.VI.2 tot en met III.VI.5 een aanvraag indienen tot het bekomen van een individuele afwijking in de zin van artikel 135, eerste lid, van de wet.

  Art. 12.3.2. Binnen de drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit meldt het actuele personeelslid van het administratief en logistiek kader, alsook het lid van het administratief en logistiek kader van een gemeentelijk politiekorps, schriftelijk elke bezigheid in de zin van artikel 136, § 1, tweede lid, van de wet, die het op de datum van inwerkingtreding van dit besluit uitoefent aan, naar gelang van het geval, de commissaris-generaal, de burgemeester of het politiecollege.
  Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de leden van het niet-politioneel gemeentelijk personeel, op het ogenblik van hun overgang naar de lokale politie.

  Art. 12.3.3. De in artikel III.VII.5, tweede lid, bepaalde vereiste van voorafgaande opleiding, geldt niet voor de eerste aanwijzing als vertrouwenspersoon.
  Wordt met toepassing van het eerste lid, een personeelslid als vertrouwenspersoon aangewezen dat op de datum van zijn aanwijzing niet de in artikel III.VII.5 bedoelde aangepaste opleiding heeft genoten, dan is diens aanwijzing, in afwijking van artikel III.VII.4, eerste lid, beperkt tot een termijn van twee jaar. Heeft het aldus aangewezen personeelslid binnen deze periode van twee jaar niet de in artikel III.VII.5, tweede lid, bepaalde opleiding genoten, dan is diens aanwijzing niet hernieuwbaar.

  Art. 12.3.4. In afwijking van artikel III.VII.3, eerste lid, kunnen in een ééngemeentezone waar een vertrouwensdienst bestaat die bevoegd is voor het geheel van het gemeentepersoneel, en waarvan de opdracht het bepaalde in de artikelen III.VII.5, III.VII.6 en III.VII.7 omvat, de bevoegdheden en opdrachten van de vertrouwensdienst worden uitgeoefend door deze gemeentelijke vertrouwensdienst en dit voor een overgangsperiode van twee jaar te rekenen vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.

  TITEL IV. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL IV VAN DIT BESLUIT.

  Art. 12.4.1. De op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit bestaande wervingsreserven voor het operationeel en voor het administratief en logistiek kader gelden tot 1 april 2002.
  De aanvullingen van de in het eerste lid bedoelde wervingsreserven ingevolge de selectieprocedures bedoeld in artikel 27 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, gelden voor één jaar vanaf het ogenblik van de opneming in de respectieve wervingsreserve.
  De oproepingen tot toelating van de kandidaten opgenomen in de in het eerste en tweede lid bedoelde wervingsreserven, geschieden volgens de datum van inschrijving voor de selectieproeven, waarbij een toelaatbare kandidaat afkomstig uit de wervingsreserve van de gemeentepolitie steeds wordt gevolgd door een toelaatbare kandidaat afkomstig uit de wervingsreserve van de rijkswacht.

  Art. 12.4.2. De (...) contractuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader die in die hoedanigheid binnen de (acht) jaar na de inwerkingtreding van dit besluit deelnemen aan de selectieproeven voor openstaande betrekkingen van hun niveau in het administratief en logistiek kader en die hoger of gelijk gerangschikt worden dan de N-de geslaagde externe kandidaat, waarbij N de som is van het aantal openstaande betrekkingen waarvoor die selectieproeven worden georganiseerd, worden geacht geselecteerd te zijn zoals bedoeld in de artikelen XII.II.38, tweede lid, XII.II.44, tweede lid, XII.II.51, tweede lid, en XII.II.58, tweede lid. Indien zij niet worden geselecteerd voor een andere betrekking dan de hunne, worden zij geacht geselecteerd te zijn voor hun betrekking. <W 2005-07-03/53, art. 12, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>

  Art. 12.4.3. Binnen de in artikel XII.IV.2 bedoelde termijn worden verscheidene selectieproeven per niveau en taalrol georganiseerd en wordt het aantal openstaande betrekkingen waarvoor selectieproeven worden georganiseerd, verhoogd met honderdvijftig betrekkingen in overtal voor de totaliteit van de administratieve en logistieke kaders van de federale politie en de lokale politiekorpsen.
  De minister bepaalt, na advies van een gemengde commissie :
  1° de verdeling van de honderdvijftig betrekkingen in overtal per niveau en taalrol;
  2° hun verdeling over de federale politie en de lokale politiekorpsen;
  3° de bijzondere regels met betrekking tot het functioneel aspect en de modaliteiten van de in artikel XII.IV.2 bedoelde selectieproeven.

  Art. 12.4.4. De minister bepaalt de samenstelling van de in artikel XII.IV.3, tweede lid, bedoelde gemengde commissie, de nadere regels voor de aanwijzing van haar leden en voor haar werking, met inbegrip van de termijnen waarbinnen de adviezen door de gemengde commissie worden verstrekt. Aan een advies dat niet binnen de gestelde termijnen wordt verstrekt, kan de minister voorbijgaan.

  Art. 12.4.5. De in artikel IV.I.48, eerste lid, bedoelde uitsluiting is niet van toepassing op de in artikel XII.IV.2 bedoelde personeelsleden die binnen de in datzelfde artikel bedoelde termijn deelnemen aan de selectieproeven.

  Art. 12.4.6. <Ingevoegd bij W 2005-07-03/53, art. 13; Inwerkingtreding : 01-04-2001> § 1. Zijn volledig vrijgesteld van de basisopleiding van het middenkader, met inbegrip van de daaraan gekoppelde examens en opleidingsstages, de personeelsleden van het basiskader :
  1° die houder zijn van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie of van het brevet van hoofdonderofficier bedoeld in artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht;
  2° die houder zijn van het brevet van inspecteur van politie bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende de opleiding en de bevordering tot de graden van inspecteur en hoofdinspecteur van politie alsmede van het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, uitgereikt aan sommige leden van de gemeentepolitie.
  § 2. Zijn volledig vrijgesteld van de basisopleiding van het officierskader, met inbegrip van de daaraan gekoppelde examens en opleidingsstages :
  1° de personeelsleden van het middenkader die houder zijn van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie of van het brevet van hoofdonderofficier bedoeld in artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht;
  2° de gewezen afdelingsinspecteurs die de loonschaal M5.2 genieten;
  3° de personeelsleden die de loonschaal M6 genieten;
  4° de personeelsleden die de loonschaal M7 of M7bis genieten.
  § 3. De personeelsleden bedoeld in § 2 zijn vrijgesteld van de kaderproef bedoeld in artikel 41 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten.
  § 4. De in § 2, 3°, bedoelde vrijstelling geldt vanaf 1 april 2004 en die bedoeld in § 3 vanaf 1 april 2006.

  Art. 12.4.7.<W 2005-07-03/53, art. 14, 007; Inwerkingtreding : 29-07-2005> De personeelsleden van het basiskader die, op de datum van de oprichting van een korps van de lokale politie, zijn aangewezen voor een betrekking in een opsporings- en recherchedienst van de lokale politie verkrijgen, voor de duur van die aanwijzing, op hun vraag en mits het volgen van de daartoe bestemde opleiding, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.
  [1 In afwijking van het eerste lid blijft de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings behouden in geval van de ononderbroken aanwijzing in een betrekking van een recherchedienst van de lokale politie of van de algemene directie gerechtelijke politie, op voorwaarde dat de in artikel VI.II.15, § 1, eerste lid, bedoelde overheid daartoe beslist en dit als dusdanig in de in artikel VI.II.18, eerste lid, bedoelde oproep tot kandidaatstelling wordt vermeld.]1
  ----------
  (1)<W 2013-12-21/22, art. 31, 022; Inwerkingtreding : 10-01-2014>

  TITEL V. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL V VAN DIT BESLUIT.

  Art. 12.5.1. De bepalingen van deel V, titel II, hoofdstuk III en titel III, hoofdstuk III, gelden niet voor de personeelsleden die een stage hebben aangevat vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.

  Art. 12.5.2. De personeelsleden bedoeld in artikel XII.V.1 zetten de stage voort overeenkomstig de bepalingen die op hen van toepassing waren daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Hun geschiktheid wordt geëvalueerd overeenkomstig voormelde bepalingen.

  Art. 12.5.3. Onverminderd artikel XII.V.4 en in afwijking van de artikelen XII.V.1 en XII.V.2 bedraagt de duur van de stage van de personeelsleden bedoeld in artikel XII.V.1 evenwel ten hoogste zes maanden met uitzondering van de stagiair-hulpagent van politie voor wie de duur van de stage ten hoogste twee maanden bedraagt, de stagiair van het niveau D van het administratief en logistiek kader, voor wie de stage ten hoogste drie maanden bedraagt en de stagiair van het niveau A van dat kader voor wie de stage ten hoogste één jaar bedraagt.
  Onverminderd de artikelen XII.V.2 en XII.V.4 wordt de stage van de personeelsleden, waarvan de duur op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit reeds meer dan deze termijnen bedraagt, van rechtswege ingekort tot de duur van de op deze datum doorlopen stage.
  Om de duur van de verrichte stage voor dit artikel te berekenen worden de regels bepaald in artikel V.II.9 en V.III.14 in acht genomen.

  Art. 12.5.4. Voor de voormalige leden van de gerechtelijke politie bij de parketten dient onder de in artikel XII.V.3 bedoelde stage te worden begrepen, de stage bedoeld in artikel 12, tweede lid, 3°, van het koninklijk besluit van 23 december 1998 betreffende de werving en de stage van gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten.

  Art. 12.5.5. Op basis van de evaluatie bedoeld in artikel XII.V.2 neemt de korpschef of de commissaris-generaal één van de beslissingen bedoeld in artikel V.II.14 en V.III.19.
  In afwijking van artikel XII.V.1 zijn voor het overige de bepalingen van deel V, titel II, hoofdstuk III, afdeling 5, en deel V, titel III, hoofdstuk III, afdeling 5, van overeenkomstige toepassing.

  Art. 12.5.6. De bepalingen van deel V, titel II, hoofdstuk III, zijn van toepassing op de personeelsleden die een basisopleiding hebben aangevat vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit en na deze datum de stage aanvatten.

  TITEL VI. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL VI VAN DIT BESLUIT.

  Art. 12.6.1. In afwijking van artikel VI.II.10, tweede lid, 1°, kan de aspirant die deel uitmaakt van een gemeentelijk of lokaal politiekorps en die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit de basisopleiding aangevat doch niet heeft voltooid, niet rechtsgeldig zijn kandidaatstelling indienen en deelnemen aan de selectie.

  Art. 12.6.2. In afwijking van artikel VI.II.10, tweede lid, 1°, kan de aspirant die deel uitmaakt van de federale politie en die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit de basisopleiding heeft aangevat doch niet heeft voltooid en die ten minste het in artikel VI.II.10, tweede lid, 1°, bedoelde gedeelte van de basisopleiding heeft beëindigd, enkel rechtsgeldig zijn kandidaatstelling indienen en deelnemen aan de selectie voor een betrekking in de federale politie.

  Art. 12.6.3. De aanwezigheidstermijn bedoeld in artikel VI.II.10, eerste lid, 1°, geldt niet voor de actuele personeelsleden die sedert de datum van inwerkingtreding van dit besluit niet zijn aangewezen bij mobiliteit.

  Art. 12.6.4. De actuele personeelsleden genieten een voorrang op de andere personeelsleden voor de mobiliteit gedurende vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.

  Art. 12.6.5. Voor wat betreft de mobiliteit van en naar een korps van de lokale politie, zoals bedoeld in deel VI, titel II, hoofdstuk II, wordt de bepaling " lokale politie " gelezen als " gemeentepolitie " zolang de lokale politie niet is opgericht in de desbetreffende politiezone.

  Art. 12.6.6. De leden van de in deel VI, titel II, hoofdstuk II, genoemde selectiecommissies kunnen, tot op de datum dat alle lokale politiekorpsen zijn in plaats gesteld, ook personeelsleden van een korps van de gemeentepolitie zijn die voor het overige beantwoorden aan de voorwaarden gesteld in voornoemd hoofdstuk.
  Het personeelslid bedoeld in artikel VI.II.61, eerste lid, 3°, is tot aan de oprichting van de betrokken lokale politie, een personeelslid dat aan de in dat artikel gestelde voorwaarden voldoet en lid is van een territoriale brigade van de federale politie die, overeenkomstig artikel 9 van de wet, tot de betrokken politiezone behoort.

  Art. 12.6.6bis. <Ingevoegd bij W 2005-07-03/53, art. 15; Inwerkingtreding : 29-07-2005> De personeelsleden bedoeld in artikel XII.IV.6, § 1, kunnen, zonder aanwezigheidsvoorwaarde in de huidige betrekking, via mobiliteit, meedingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdinspecteurs van politie waardoor zij vervolgens, indien zij voor een dergelijke betrekking worden aangewezen via mobiliteit, in die graad worden benoemd.
  De Koning kan de nadere regels van de in het eerste lid bedoelde mobiliteit bepalen.

  Art. 12.6.7. Tot aan de oprichting van de in artikel 91 van de wet bedoelde vaste commissie voor de lokale politie, vervult de vaste commissie van de gemeentepolitie de opdrachten van eerstgenoemde.

  Art. 12.6.8. (opgeheven) <W 2005-07-03/53, art. 47, 007; Inwerkingtreding : 29-07-2005>

  Art. 12.6.8bis. <Ingevoegd bij W 2005-07-03/53, art. 17; Inwerkingtreding : 29-07-2005> De personeelsleden bedoeld in artikel XII.IV.6, § 2, en de personeelsleden van het middenkader die reeds vóór 1 april 2001 de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van officier van bestuurlijke politie hadden, alsmede de personeelsleden van het basiskader die houder zijn van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie, en hetzij ten minste twaalf jaar kaderanciënniteit hebben, hetzij houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 bij de federale Rijksbesturen, kunnen, zonder aanwezigheidsvoorwaarde in de huidige betrekking, via mobiliteit, meedingen naar betrekkingen die openstaan voor de commissarissen van politie waardoor zij vervolgens, indien zij voor een dergelijke betrekking worden aangewezen via mobiliteit, in die graad worden benoemd.
  De in het eerste lid bedoelde personeelsleden verkrijgen op de datum van hun benoeming in de graad van commissaris van politie de loonschaal O2.
  De Koning kan de nadere regels van de in het eerste lid bedoelde mobiliteit bepalen.

  Art. 12.6.9. (opgeheven) <W 2005-07-03/53, art. 47, 007; Inwerkingtreding : 29-07-2005>

  Art. 12.6.9bis.<Ingevoegd bij W 2005-07-03/53, art. 18; Inwerkingtreding : 01-04-2001> De actuele personeelsleden bedoeld in tabel D1, derde kolom, punt 3.26. van bijlage 11, kunnen meedingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdcommissarissen van politie.
  [2 Het eerste lid geldt eveneens voor de personeelsleden die daags vóór de inwerkingtreding van dit besluit bekleed waren met de graad van commissaris van de gemeentepolitie en die, hetzij korpschef waren van een korps van de gemeentepolitie in een gemeente van klasse 17, hetzij benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn van het desbetreffende korps of van wie de benoemingsprocedure aangevangen was daags vóór de dag vóór de inwerkingtreding van dit besluit maar nog niet voltooid was daags vóór de inwerkingtreding van dit besluit en van wie de benoeming in het betrokken ambt later is tussengekomen.]2
  ----------
  (1)<W 2010-03-03/07, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 18-04-2010>
  (2)<W 2011-12-02/44, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 27-02-2012>

  Art. 12.6.10. De in de gedeconcentreerde gerechtelijke diensten tot de graad van commissaris van politie aangestelde actuele personeelsleden kunnen meedingen naar betrekkingen in de algemene directie gerechtelijke politie en in de gedeconcentreerde gerechtelijke diensten die openstaan voor commissarissen van politie.
  De in de gedeconcentreerde gerechtelijke diensten tot de graad van hoofdinspecteur van politie aangestelde actuele personeelsleden, kunnen meedingen naar betrekkingen in de algemene directie gerechtelijke politie en in de gedeconcentreerde gerechtelijke diensten die openstaan voor hoofdinspecteurs van politie.

  Art. 12.6.11. Voor de actuele personeelsleden van het officierskader wordt de pensioenleeftijd bedoeld in artikel VI.I.11, eerste lid, geacht ten vroegste 60 jaar en voor de overige actuele personeelsleden ten vroegste 58 jaar, te zijn.

  TITEL VII. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL VII VAN DIT BESLUIT.

  HOOFDSTUK I. - DE EVALUATIE.

  Art. 12.7.1. Het actuele personeelslid behoudt ter informatieve titel tot aan de datum van de toekenning van de eerste evaluatie bedoeld in titel I van deel VII, de evaluatie die het bezat op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit. Deze evaluatie wordt opgenomen in het evaluatiedossier.

  Art. 12.7.2. Tot op de datum van inwerkingtreding van titel I van deel VII wordt, telkenmale als overeenkomstig de bepalingen van dit besluit als vereiste wordt bepaald geen onvoldoende evaluatie te genieten, of als het personeelslid een overplaatsing bij mobiliteit ambieert die niet bij anciënniteit wordt bepaald, een advies opgesteld door de korpschef of door de commissaris-generaal of door de door deze aangewezen directeur-generaal of de door deze aangewezen officier, al naar gelang het personeelslid lid is van de lokale politie dan wel van de federale politie. Te dien einde wint deze overheid alle nodige inlichtingen in, inzonderheid bij de onmiddellijk hiërarchische meerdere in de zin van artikel 120 van de wet.
  Het in het eerste lid bedoelde advies betreft de wijze van vervulling van de opdracht. De minister kan nadere regels bepalen inzake de inhoud van dit advies en de procedure regelen.

  Art. 12.7.3. Indien door de korpschef, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal of de door deze aangewezen officier ingevolge artikel XII.VII.2 een negatief advies wordt opgesteld, kan het personeelslid hiertegen een beroep instellen bij de in artikel VII.I.41 bedoelde raad van beroep overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen VII.I.44 tot en met VII.I.46.

  Art. 12.7.4. Geniet het personeelslid op de dag dat titel I van deel VII in werking treedt één van de verloven bedoeld in de artikelen VIII.XII.1 tot en met VIII.XIII.14, en is het tijdens deze verlofperiode kandidaat voor een bevordering of voor een overplaatsing bij mobiliteit waarbij bijzondere bekwaamheden vereist worden en een gedetailleerde evaluatie van het personeelslid vereist is, dan wordt een advies opgesteld door de korpschef of door de commissaris-generaal of door de door deze aangewezen directeur-generaal al naar gelang het personeelslid lid is van de lokale politie dan wel van de federale politie. Te dien einde wint deze overheid alle nodige inlichtingen in, inzonderheid bij de onmiddellijk hiërarchische meerdere in de zin van artikel 120 van de wet.
  Het in het eerste lid bedoelde advies betreft de wijze van vervulling van de opdracht. De minister kan nadere regels bepalen inzake de inhoud van dit advies en de procedure regelen.

  Art. 12.7.5. Het personeelslid dat na de inwerkingtreding van titel I van deel VII in aanmerking komt voor een loonschaalverhoging in het raam van de baremische loopbaan en aan wie op het ogenblik dat het aan de anciënniteitsvoorwaarde en, in voorkomend geval, de opleidingsvoorwaarde voldoet, nog geen evaluatie is toegekend in de zin van dit besluit, maakt, in afwijking van het in artikel VII.I.21 bepaalde tijdstip, met het oog op die loonschaalverhoging het voorwerp uit van een vervroegde evaluatie toegekend overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.

  Art. 12.7.6.De toekenning van de eindvermelding " onvoldoende " bij de eerste overeenkomstig de bepalingen van dit besluit opgestelde evaluatie zal niet in rekening worden gebracht voor het bepalen van de definitieve ongeschiktheid wegens beroepsredenen bedoeld in [1 artikel 83 van de wet van 26 april 2002]1.
  ----------
  (1)<W 2016-04-21/06, art. 54, 027; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 12.7.7. De korpschef of de commissaris-generaal bepaalt de datum waarop de eerste evaluatieperiode bedoeld in artikel VII.I.21 ingaat. In voorkomend geval kan hij het ingaan van deze periode uitstellen, met dien verstande dat zij ingaat ten laatste [achttien maanden] na de inwerkingtreding van titel I van deel VII. <W 2007-03-01/37, art. 164, 012; Inwerkingtreding : 01-04-2005>

  HOOFDSTUK II. - OVERGANGSBEPALINGEN INZAKE DE LOOPBAAN VAN HET OPERATIONEEL KADER.

  AFDELING 1. - DE BAREMISCHE LOOPBAAN.

  Art. 12.7.8. In afwijking van artikel VII.II.22, eerste lid, 1°, gaan de actuele personeelsleden bedoeld in artikel XII.II.15, 1°, over naar de loonschaal B2 op de datum van inwerkingtreding van dit besluit of, zo het aspiranten betreft, vanaf het slagen in de opleiding en de eventueel navolgende stage.
  Voor de in het eerste lid bedoelde actuele personeelsleden en in afwijking van artikel VII.II.22, eerste lid, 2°, bedraagt het vereiste aantal jaren loonschaalanciënniteit voor de baremische loopbaan ingesteld voor de overgang van de loonschaal B2 naar de loonschaal B3, twaalf jaar verminderd met hun loonschaalanciënniteit zoals vastgelegd in artikel XII.II.17, 1°.

  Art. 12.7.9. In afwijking van artikel VII.II.23, eerste lid, 1°, verkrijgen de actuele personeelsleden bedoeld in tabel C, derde kolom, punt 3.7 en 3.8 van bijlage 11, die geslaagd zijn in de door Ons bepaalde opleiding, de loonschaal M2.1.
  De in het eerste lid bedoelde loonschaalverhoging wordt evenwel niet toegekend indien de geldende tweejaarlijkse functioneringsevaluatie " onvoldoende " is.
  Met uitzondering van de in het tweede lid bedoelde periodes waarvoor het actueel personeelslid een functioneringsevaluatie " onvoldoende " werd toegekend, wordt bij de in het eerste lid bedoelde overgang van loonschaal, de loonschaalanciënniteit M1.1 die de betrokkene heeft opgebouwd sedert zijn inschaling, omgezet in een loonschaalanciënniteit M2.1.
  De in bijlage 11, tabel C, punten 3.7 en 3.8 bedoelde actuele personeelsleden die houder zijn van het brevet bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, uitgereikt aan sommige leden van de gemeentepolitie, verkrijgen op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit onmiddellijk de loonschaal M2.1 met een loonschaalanciënniteit gelijk aan nul.

  Art. 12.7.10. In afwijking van artikel VII.II.23, eerste lid, 3° en 4°, gaan de actuele personeelsleden bedoeld in de artikelen XII.II.20, eerste lid, 1°, en XII.II.21, eerste lid, over naar de loonschaal M3.1 of M3.2 op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit of, zo het aspiranten betreft, vanaf het slagen in de opleiding en de eventueel navolgende stage.
  Voor de in het eerste lid bedoelde actuele personeelsleden en in afwijking van artikel VII.II.23, eerste lid, 5° en 6°, bedraagt het vereiste aantal jaren loonschaalanciënniteit voor de baremische loopbaan ingesteld voor de overgang van de loonschaal M3.1 of M3.2 naar de loonschaal M4.1 of M4.2, twaalf jaar verminderd met hun loonschaalanciënniteit zoals vastgelegd in artikel XII.II.23, 1° of 2°.

  Art. 12.7.11. Er wordt voor de actuele personeelsleden die overeenkomstig artikel XII.II.20, eerste lid, 3°, worden ingeschaald in de loonschaal M4.1 of M4.2 en die houder zijn van hetzij het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie, hetzij het brevet van hoofdonderofficier bedoeld in artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht, een baremische loopbaan ingesteld voor de overgang tussen, respectievelijk, de loonschaal M4.1 en de loonschaal M5.1 en de loonschaal M4.2 en de loonschaal M5.2 na zes jaar loonschaalanciënniteit in, naar gelang van het geval, de loonschaal M4.1 of M4.2.
  De hogere loonschaal in de baremische loopbaan wordt niet toegekend indien de geldende tweejaarlijkse functioneringsevaluatie " onvoldoende " is.
  <NOTA : Bij arrest nr 102/2003 van 22-07-2003, (B.S. 25-09-2003, p.47193), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd op 22-07-2003, in zoverre het het brevet 2D niet overneemt>

  Art. 12.7.11bis. <Ingevoegd bij W 2005-07-03/53, art. 19; Inwerkingtreding : 01-04-2001> Er wordt voor de actuele personeelsleden die overeenkomstig artikel XII.II.21, derde lid, zijn ingeschaald in de loonschaal M5.2 en die houder zijn van het brevet voor de bevordering naar de loonschaal 2D, bedoeld in artikel 110 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten, of van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie, of van het brevet van hoofdonderofficier bedoeld in artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht, een baremische loopbaan ingesteld voor de overgang tussen de loonschaal M5.2 en de loonschaal M7bis na achttien jaar kaderanciënniteit in het middenkader.
  Deze hogere loonschaal in de baremische loopbaan wordt niet toegekend indien de geldende tweejaarlijkse functioneringsevaluatie " onvoldoende " is.

  Art. 12.7.12. Er wordt een baremische loopbaan ingesteld voor de overgang tussen de loonschaal M6 en de loonschaal M7 na zes jaar loonschaalanciënniteit in de loonschaal M6.
  De hogere loonschaal in de baremische loopbaan wordt niet toegekend indien de geldende tweejaarlijkse functioneringsevaluatie " onvoldoende " is.

  Art. 12.7.13. Er wordt een baremische loopbaan ingesteld voor overgang van de loonschaal O4 of O4ir naar de loonschaal O4bis of O4bisir na 6 jaar loonschaalanciënniteit in de loonschaal O4 of O4ir.
  De hogere loonschaal in de baremische loopbaan wordt niet toegekend indien de geldende tweejaarlijkse functioneringsevaluatie " onvoldoende " is.
  De baremische loopbaan bedoeld in het eerste lid geldt voor alle actuele personeelsleden die ten minste in de loonschaal O1 worden ingeschaald.

  Art. 12.7.14. De actuele personeelsleden van het operationeel kader die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit houder zijn van een in België erkend diploma of studiegetuigschrift dat ten minste gelijkwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 bij de Rijksbesturen, genieten, vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit en onverminderd de artikelen XII.VII.17, derde lid, en XII.VII.18, derde lid, een loonschaalanciënniteitsbonificatie van twee jaar, waarvan het niet nuttige gedeelte binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit, kan worden overgedragen naar de behaalde volgende loonschaal in hetzelfde kader.

  AFDELING 2. - DE BEVORDERING DOOR OVERGANG NAAR EEN HOGER KADER.

  Art. 12.7.15. <W 2005-07-03/53, art. 21, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2006> Gedurende vijf jaar, te rekenen vanaf 1 april 2006 en per vergelijkend examen, wordt een quota van 5 % van de vacatures voor de bevordering door overgang naar het middenkader voorbehouden aan de leden van het basiskader, laureaten van dit vergelijkend toelatingsexamen :
  1° die houder zijn van het brevet van inspecteur van politie bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende de opleiding en de bevordering tot de graden van inspecteur en hoofdinspecteur van politie;
  2° die houder zijn van het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, uitgereikt aan sommige leden van de gemeentepolitie;
  3° bedoeld in artikel 1, 6°, a), van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 betreffende de benoeming en de bevordering van personeelsleden van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie die naar de rijkswacht overgeplaatst zijn en houdende diverse andere statuutbepalingen omtrent die personeelsleden, opgeheven bij het koninklijk besluit van 24 augustus 2001, en die laureaat zijn van de examens, georganiseerd in de spoorwegpolitie, tot het verkrijgen van de graad van ondertoezichtscommissaris;
  4° bedoeld in artikel 1, 6°, b), van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 betreffende de benoeming en de bevordering van personeelsleden van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie die naar de rijkswacht overgeplaatst zijn en houdende diverse andere statuutbepalingen omtrent die personeelsleden, opgeheven bij het koninklijk besluit van 24 augustus 2001, en die laureaat zijn van de examens, georganiseerd in de zeevaartpolitie, tot het verkrijgen van de graad van luitenant der zeevaartpolitie (20E);
  5° die op grond van artikel XII.VII.26 zijn aangesteld in de graad van hoofdinspecteur van politie.

  Art. 12.7.15bis. <Ingevoegd bij W 2005-07-03/53, art. 22; Inwerkingtreding : 29-07-2005> In het raam van de bevordering door overgang naar het middenkader zijn de in artikel XII.VII.21 bedoelde personeelsleden van de federale politie vrijgesteld van de persoonlijkheidsproef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, en van het selectiegesprek bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 4°.

  Art. 12.7.15ter. <Ingevoegd bij W 2005-07-03/53, art. 23; Inwerkingtreding : 01-04-2006> In het raam van de bevordering door overgang naar het middenkader zijn de personeelsleden die bij toepassing van artikel XII.VII.26, tweede lid, zijn aangesteld in de graad van hoofdinspecteur van politie, gedurende vijf jaar te rekenen vanaf 1 april 2006, vrijgesteld van de persoonlijkheidsproef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2° en van het selectiegesprek bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 4°.
  De personeelsleden, laureaten van het vergelijkende examen bedoeld in het eerste lid en geslaagd in de eventuele basisopleiding, worden, zonder mobiliteitsvereiste, benoemd in de graad van hoofdinspecteur van politie.

  Art. 12.7.15quater.[1 § 1. De actuele personeelsleden van het basiskader die op 1 januari 2001 houder zijn van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht, die vanaf die datum ononderbroken zijn aangewezen voor een betrekking van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie en die geen laatste evaluatie met eindvermelding " onvoldoende " hebben, kunnen worden bevorderd door overgang naar het middenkader mits zij een bijzondere opleiding voor de overgang naar het middenkader volgen.
   § 2. Het programma van de in paragraaf 1 bedoelde opleiding wordt bepaald door de Koning. Zij bedraagt niet minder dan 140 uren en wordt gespreid over maximaal twee jaren.
   De toelating tot de opleiding wordt vastgesteld door de in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden in te delen in vijf gelijke groepen in dalende volgorde van ouderdom van hun in paragraaf 1 bedoeld brevet en, bij gelijke ouderdom van dat brevet, van kaderanciënniteit; elk jaar worden de kandidaten van de volgende groep tot de opleiding toegelaten, voor zover zij geen laatste evaluatie met eindvermelding " onvoldoende " hebben.
   § 3. De in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde personeelsleden van de eerste groep die aan alle voorwaarden ter zake beantwoorden, worden bevorderd op 1 januari 2008; de anderen worden bevorderd op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin zij de opleiding hebben voltooid.
   De krachtens paragraaf 1 bevorderde personeelsleden, worden gedurende vijf jaar vanaf de bevordering uitgesloten van de mobiliteit voor andere betrekkingen dan die in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie.
   Deze bevorderingen worden niet aangerekend op het aantal personeelsleden dat wordt toegelaten tot de basisopleiding voor het middenkader.]1
  ----------
  (1)<vernietigd bij arrest nr. 94/2008 van het Grondwettelijk Hof en een nieuw artikel 12.7.15quater ingevoegd bij W 2010-01-25/13, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-04-2006>

  Art. 12.7.15quinquies.[1 De actuele personeelsleden van het basiskader die sinds de inwerkingtreding van dit besluit ononderbroken zijn aangesteld in de graad van hoofdinspecteur van politie krachtens artikel XII.VII.21 en die niet zijn bedoeld in artikel XII.VII.15quater worden op hun aanvraag benoemd in de graad van hoofdinspecteur van politie op 1 januari 2013 of 1 januari 2014, voor zover zij geen laatste evaluatie met eindvermelding " onvoldoende " hebben.
   De in het eerste lid bedoelde datum van benoeming wordt vastgesteld door de bedoelde personeelsleden in te delen in twee gelijke groepen volgens dalende kaderanciënniteit. De eerste groep wordt bevorderd op 1 januari 2013 en de tweede op 1 januari 2014.
   In afwijking van het tweede lid worden de betrokken personeelsleden die houder zijn van het brevet van operationeel misdrijfanalist evenwel benoemd op 1 januari 2013.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2010-01-25/13, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 01-04-2006>

  Art. 12.7.15sexies. [1 De actuele personeelsleden die krachtens artikel XII.VII.26 zijn aangesteld in de graad van hoofdinspecteur van politie worden op hun aanvraag op 1 januari 2009 benoemd in die graad indien zij hun ambt, bedoeld in artikel XII.VII.26, eerste lid, tot dan toe ononderbroken hebben uitgeoefend en voor zover zij geen laatste evaluatie met eindvermelding " onvoldoende " hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2010-01-25/13, art. 4, 018; Inwerkingtreding : 01-04-2006>

  Art. 12.7.16. (Gedurende vijf jaar te rekenen vanaf 1 april 2001 en per vergelijkend examen, wordt een quota van 25 % van de vacatures voor bevordering door overgang naar het officierskader voorbehouden aan de in artikel XII.IV.6, § 2, bedoelde personeelsleden, laureaten van dit vergelijkend toelatingsexamen.) <W 2005-07-03/53, art. 24, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  De niet toegekende voorbehouden vacatures bedoeld in het eerste lid, komen de overige kandidaten ten goede.

  Art. 12.7.16bis. <Ingevoegd bij W 2005-07-03/53, art. 25; Inwerkingtreding : 29-07-2005> In het raam van de bevordering door overgang naar het officierskader zijn de in de artikelen XII.VII.23 en XII.VII.23bis bedoelde personeelsleden die zijn aangesteld in de graad van commissaris van politie, vrijgesteld van de kaderproef bedoeld in artikel 41 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, evenals van de persoonlijkheidsproef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, en van het selectiegesprek bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 4°.

  Art. 12.7.16ter. <Ingevoegd bij W 2005-07-03/53, art. 26; Inwerkingtreding : 01-04-2006> Gedurende vijf jaar te rekenen vanaf 1 april 2006 wordt, per vergelijkend examen, een quota van 5 % van de vacatures voor de bevordering door overgang naar het officierskader voorbehouden aan de personeelsleden bedoeld in de artikelen XII.VII.24 en XII.VII.26 die zijn aangesteld in de graad van commissaris van politie.
  De personeelsleden bedoeld in het eerste lid zijn vrijgesteld van de kaderproef bedoeld in artikel 41 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, evenals van de persoonlijkheidsproef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2° en van het selectiegesprek bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 4°.
  De personeelsleden, laureaten van het vergelijkende examen bedoeld in het eerste lid en geslaagd in de eventuele basisopleiding, worden, zonder mobiliteitsvereiste, benoemd in de graad van commissaris van politie met loonschaal O2.

  Art. 12.7.16quater. <Ingevoegd bij W 2005-07-03/53, art. 27; Inwerkingtreding : 29-07-2005> De personeelsleden die bij toepassing van artikel XII.VII.25 of XII.VII.26 zijn aangesteld in de graad van hoofdcommissaris van politie worden, zonder mobiliteitsvereiste, benoemd in de graad van hoofdcommissaris van politie, indien zij beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in artikel 32, 1°, 3° tot 5°, van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten.

  Art. 12.7.16quinquies. [1 § 1. De actuele personeelsleden van het middenkader die bij de inwerkingtreding van dit besluit krachtens artikel XII.VII.23 zijn aangesteld in de graad van commissaris van politie, die vanaf die datum ononderbroken zijn aangewezen voor een betrekking in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie en die niet zijn bedoeld in artikel XII.VII.19bis, worden, voor zover zij ten tijde van die aanstelling benoemd waren in de graad van hoofdinspecteur, op hun aanvraag benoemd in de graad van commissaris van politie op 1 januari 2013 of 1 januari 2014, voor zover zij geen laatste evaluatie met eindvermelding " onvoldoende " hebben.
   De in het eerste lid bedoelde datum van benoeming wordt vastgesteld door de bedoelde personeelsleden in te delen in twee gelijke groepen volgens dalende kaderanciënniteit. De eerste groep wordt bevorderd op 1 januari 2013 en de tweede op 1 januari 2014.
   In afwijking van het tweede lid worden de betrokken personeelsleden die houder zijn van het brevet van operationeel misdrijfanalist evenwel benoemd op 1 januari 2013.
   § 2. De actuele personeelsleden die krachtens artikel XII.VII.23bis zijn aangesteld in de graad van commissaris van politie en die voor het overige voldoen aan de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, worden op hun aanvraag benoemd in die graad na zeven jaar aangesteld te zijn geweest en ten vroegste op 1 januari 2015.]1
  ----------
  (1)<Vernietigd bij arrest nr. 94/2008 van het Grondwettelijk Hof, en een nieuw artikel XII.VII.16quinquies ingevoegd bij W 2010-01-25/13, art. 5, 018; Inwerkingtreding : 01-04-2006>

  Art. 12.7.16sexies. <Ingevoegd bij W 2007-05-15/43, art. 34; Inwerkingtreding : 15-06-2007> De personeelsleden die bij toepassing van artikel XII.VII.26 zijn aangesteld in de graad van hoofdcommissaris van politie worden benoemd in deze graad, na afloop van het derde jaar dat deze functie wordt uitgeoefend en voor zover zij een gunstige evaluatie krijgen.

  Art. 12.7.16septies. [1 De actuele personeelsleden die krachtens artikel XII.VII.24 of XII.VII.26 zijn aangesteld in de graad van commissaris van politie worden, voor zover zij ten tijde van die aanstelling benoemd waren in de graad van hoofdinspecteur, op hun aanvraag bevorderd tot commissaris van politie, respectievelijk na afloop van het zevende jaar dat zij hun ambt, bedoeld in artikel XII.VII.24, ononderbroken uitoefenen of op 1 januari 2009, indien zij hun ambt, bedoeld in artikel XII.VII.26, tot dan toe ononderbroken hebben uitgeoefend en voor zover zij geen laatste evaluatie met eindvermelding " onvoldoende " hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2010-01-25/13, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 01-04-2006>

  Art. 12.7.16octies. [1 De actuele personeelsleden, door het Vast Comité P vóór 29 juli 2005 tot leden van de Dienst Enquêtes P benoemd, die krachtens artikel 20, zesde lid, van de organieke wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse zijn aangesteld in de graad van commissaris van politie, worden, voor zover zij ten tijde van die aanstelling benoemd waren in de graad van hoofdinspecteur, op hun aanvraag bevorderd tot commissaris van politie op 1 januari 2009, indien zij het ambt, bedoeld in het voormelde artikel 20, tot dan toe ononderbroken hebben uitgeoefend en voor zover zij geen laatste evaluatie met eindvermelding " onvoldoende " hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2010-01-25/13, art. 7, 018; Inwerkingtreding : 01-04-2006>

  Art. 12.7.17.(In afwijking van [1 artikel 37 van de wet van 26 april 2002]1 en met uitzondering van het personeelslid bedoeld in artikel XII.VII.18, kan de hoofdinspecteur van politie die op de datum van de inwerkingtreding van dit artikel de loonschaal M5.2, M6, M7 of M7bis geniet, worden bevorderd tot de graad van commissaris van politie indien hij geen evaluatie " onvoldoende " geniet.
  De in het eerste lid bedoelde bevorderingen gaan in, in de loop van het vijfde jaar na de datum van inwerkingtreding van dit artikel. Daartoe worden alle in het eerste lid bedoelde personeelsleden, per korps van oorsprong en per categorie van de respectieve graden hoofdinspecteur eerste klasse, adjudant/adjudant-chef bij de rijkswacht, en gerechtelijk afdelingsinspecteur/laboratoriumafdelingsinspecteur/afdelingsinspecteur-electrotechnicus/afdelingsinspecteur voor gerechtelijke identificatie, gespreid over zeven jaren naar rata van, per jaar, één zevende van hun totaal aantal binnen hun categorie en dit in dalende volgorde van hun anciënniteit in die graad op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, aangevuld met de graadanciënniteit die zij sinds die inwerkingtreding tot 1 april 2005 hebben opgebouwd. Om die volgorde vast te stellen geldt een voorrang van de adjudanten-chef op de adjudanten bij de voormalige rijkswacht en, wat de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten betreft, van de afdelingsinspecteurs met de loonschaal 2D op de andere afdelingsinspecteurs. In geval van aanwijzing na 1 april 2005 voor een betrekking in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, blijft de voormelde spreiding op het betrokken personeelslid van toepassing.) <W 2005-07-03/53, art. 28, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  De in het eerste lid bedoelde personeelsleden verkrijgen op de datum van hun benoeming tot de graad van commissaris van politie de loonschaal O2 met een loonschaalanciënniteit gelijk aan nul, in voorkomend geval verhoogd met de loonschaalanciënniteitsbonificatie bedoeld in artikel XII.VII.14.
  <NOTA : Bij arrest nr 102/2003 van 22-07-2003, (B.S. 25-09-2003, p.47193), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd op 22-07-2003, in zoverre het niet van toepassing is op de gerechtelijke afdelingsinspecteurs 2C>
  ----------
  (1)<W 2016-04-21/06, art. 55, 027; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 12.7.18.(§ 1. In afwijking van [2 artikel 37 van de wet van 26 april 2002]2, kan de hoofdinspecteur van politie, lid van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, die op de datum van de inwerkingtreding van dit artikel de loonschaal M5.2, M6, M7 of M7bis geniet, worden bevorderd tot de graad van commissaris van politie, indien hij geen evaluatie " onvoldoende " geniet en voorzover de in § 2 bedoelde proportionaliteit wordt nageleefd.
  De in het eerste lid bedoelde bevorderingen gaan in, in de loop van het vijfde jaar na de datum van inwerkingtreding van dit artikel. Daartoe worden alle in het eerste lid bedoelde personeelsleden, per korps van oorsprong en per categorie van de respectieve graden hoofdinspecteur eerste klasse, adjudant/adjudant-chef bij de rijkswacht, en gerechtelijk afdelingsinspecteur/laboratoriumafdelingsinspecteur/afdelingsinspecteur-electrotechnicus/afdelingsinspecteur voor gerechtelijke identificatie, gespreid over zeven jaren naar rata van, per jaar, één zevende van hun totaal aantal binnen hun categorie en dit in dalende volgorde van hun ancienniteit in die graad op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, aangevuld met de graadanciënniteit die zij sinds die inwerkingtreding tot 1 april 2005 hebben opgebouwd. Om die volgorde vast te stellen geldt een voorrang van de adjudanten-chef op de adjudanten bij de voormalige rijkswacht en, wat de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten betreft, van de afdelingsinspecteurs met de loonschaal 2D op de andere afdelingsinspecteurs. In geval van aanwijzing na 1 april 2005 voor een betrekking buiten de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, blijft de voormelde spreiding op het betrokken personeelslid van toepassing.) <W 2005-07-03/53, art. 29, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  De in het eerste lid bedoelde personeelsleden verkrijgen op de datum van hun benoeming tot de graad van commissaris van politie de loonschaal O2 met een loonschaalanciënniteit gelijk aan nul, in voorkomend geval verhoogd met de loonschaalanciënniteitsbonificatie bedoeld in artikel XII.VII.14.
  (§ 2. De in § 1, eerste lid, bedoelde proportionaliteit bestaat uit de verhouding tussen het aantal in een officiersgraad benoemde en aangestelde personeelsleden die op 1 april 2001 deel uitmaken van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie en afkomstig zijn uit de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten, respectievelijk voormalige rijkswacht.
  Ten belope van ten hoogste het aantal aldus vastgesteld met betrekking tot de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten en met inachtneming van de evolutieve proportionele verhouding, kunnen personeelsleden van de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten tot commissaris van politie worden benoemd.
  Ten belope van ten hoogste het aantal aldus vastgesteld met betrekking tot de voormalige rijkswacht en met inachtneming van de evolutieve proportionele verhouding, kunnen personeelsleden van de voormalige rijkswacht tot commissaris van politie worden benoemd en kunnen, vervolgens, volgens de nadere regels bepaald door de Koning, nog actuele personeelsleden die tot het middenkader van de voormalige rijkswacht behoorden, in aanmerking komen voor de aanvulling.
  [1 § 2/1. In afwijking van de paragrafen 1 en 2 worden de hoofdinspecteurs van politie die zijn ingeschaald in de loonschaal M5.2 en die houder zijn van het brevet voor de bevordering naar de loonschaal 2D, bedoeld in artikel 110 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten, die op 1 januari 2009 nog niet tot commissaris zijn benoemd, op die datum in die graad bevorderd, voor zover zij geen laatste evaluatie met eindvermelding " onvoldoende " hebben.
   In afwijking van paragraaf 2, wordt vanaf 1 januari 2009 de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde proportionaliteit vastgesteld door het aantal van de op die datum in een officiersgraad benoemde en aangestelde personeelsleden van de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten in aanmerking te nemen; het in paragraaf 2, derde lid, bedoelde aantal personeelsleden van de voormalige rijkswacht wordt dan proportioneel verhoogd zodat de initiële verhouding ongewijzigd blijft.]1
  § 3. De personeelsleden die omwille van de in § 2 bedoelde proportionaliteitsvoorwaarde niet binnen de in § 1, tweede lid, bedoelde zeven jaren kunnen worden bevorderd, worden vanaf 2012 en uiterlijk tot 2015 in de graad van commissaris van politie benoemd volgens de nadere regels bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.) <W 2005-07-03/53, art. 29, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  ----------
  (1)<W 2010-01-25/13, art. 8, 018; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
  (2)<W 2016-04-21/06, art. 56, 027; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 12.7.19. De in de artikelen XII.VII.17 en XII.VII.18 bedoelde bevorderingen tot commissaris van politie worden niet aangerekend op de aanwervingen van officieren.
  (De personeelsleden die voor deze bevordering in aanmerking komen, zullen vooraf door de overheid naar hun intentie worden bevraagd. Hun schriftelijk antwoord tegen ontvangstbewijs, na een bedenktijd van drie maanden, is onherroepelijk. Het personeelslid dat geen antwoord verschaft binnen de gestelde termijn, wordt geacht definitief af te zien van deze bevorderingsmogelijkheid.) <W 2005-07-03/53, art. 30, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>

  Art. 12.7.19bis.[1 § 1. De actuele personeelsleden van het middenkader die op 1 januari 2001 houder zijn van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht, die vanaf die datum ononderbroken zijn aangewezen voor een betrekking van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, die er gedurende minstens vijf jaar zijn aangesteld tot de graad van commissaris en die geen laatste evaluatie met eindvermelding " onvoldoende " hebben, voor zover zij ten tijde van die aanstelling benoemd waren in de graad van hoofdinspecteur, kunnen worden bevorderd door overgang naar het officierenkader mits zij een bijzondere opleiding voor de overgang naar het officierenkader volgen.
   § 2. Het programma van de in paragraaf 1 bedoelde opleiding wordt bepaald door de Koning. Zij bedraagt niet minder dan 210 uren en wordt gespreid over maximaal twee jaar.
   De toelating tot de eerste vijf opleidingssessies wordt vastgesteld door de in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden die niet onder het toepassingsgebied van artikel XII.VII.18 vallen en die reeds vóór de aanvang van de eerste opleidingssessie beantwoorden aan de overige voorwaarden, in te delen in vijf gelijke groepen in dalende volgorde van kaderanciënniteit, met voorrang evenwel voor de houders van het brevet van hoofdonderofficier bij de rijkswacht en, vervolgens, voor hen die een door de minister bepaald gezagsambt bekleden.
   De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden die onder het toepassingsgebied van artikel XII.VII.18 vallen en die reeds vóór de aanvang van de eerste opleidingssessie aan de overige voorwaarden voldoen, worden toegelaten tot de opleidingssessie van hun keuze.
   De andere in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden worden toegelaten tot de opleidingssessie die volgt op de dag waarop zij aan de overige voorwaarden beantwoorden en ten vroegste in 2011.
   Personeelsleden wiens laatste evaluatie de eindvermelding " onvoldoende " draagt, worden niet toegelaten tot de opleiding.
   § 3. De in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde personeelsleden van de eerste groep die aan alle voorwaarden ter zake beantwoorden, worden bevorderd op 1 januari 2008; de anderen worden bevorderd op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin zij de opleiding hebben voltooid.
   Bij de benoeming in de graad van commissaris wordt hun de loonschaal O2 toegekend met loonschaalanciënniteit nul.
   De krachtens paragraaf 1 bevorderde personeelsleden, worden gedurende vijf jaar vanaf de bevordering uitgesloten van de mobiliteit voor andere betrekkingen dan die in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie.
   Deze bevorderingen worden niet aangerekend op de aanwervingen van officieren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2010-01-25/13, art. 9, 018; Inwerkingtreding : 01-04-2006; vernietigd bij arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 140/2011 van 27-07-2011, wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie », in zoverre het, door een artikel XII.VII.19bis in te voegen in het voormelde koninklijk besluit, het voordeel van het behoud van de geldelijke anciënniteit (horizontale inschaling) weigert aan de voormalige aangestelde leden van de gerechtelijke politie of van de gemeentepolitie die tot commissaris worden benoemd ; zie B.St. 22-08-2011, p. 48104-48109>

  AFDELING 3. - DE VRIJWARINGEN INZAKE DE VLAKKE LOOPBAAN.

  Art. 12.7.20. De in artikel 4, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, bedoelde bevorderingen naar anciënniteit zijn de bevorderingen :
  1° van wachtmeester bij de rijkswacht tot eerste wachtmeester bij de rijkswacht;
  2° van opperwachtmeester bij de rijkswacht tot eerste opperwachtmeester bij de rijkswacht;
  3° van adjudant bij de rijkswacht tot adjudant-chef bij de rijkswacht voor diegenen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 23 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de bevordering tot de graden van hoofdonderofficier;
  4° van luitenant bij de rijkswacht tot kapitein bij de rijkswacht;
  5° van kapitein bij de rijkswacht tot kapitein-commandant bij de rijkswacht;
  6° van eerste onderluchthavenmeester tot eerstaanwezend onderluchthavenmeester;
  7° van eerste onderluchthavenmeester eerste klasse tot eerstaanwezend onderluchthavenmeester eerste klasse;
  8° door verhoging van loonschaal in de graad van agent-technicus der zeevaartpolitie, bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 tot vaststelling van de geldelijke bepalingen toepasselijk op de bijzondere graden van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur;
  9° door verhoging in loonschaal van de loonschaal 2A tot 2B van de in artikel 109 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten bedoelde gerechtelijke inspecteurs, laboratoriuminspecteurs, inspecteurs-electrotechnicien en inspecteurs voor gerechtelijke identificatie;
  10° door verhoging in loonschaal van de loonschaal 1A tot de loonschaal 1B van de in artikel 111 van het in 9° bedoelde besluit bedoelde gerechtelijke commissarissen, laboratoriumcommissarissen en commissarissen van de dienst telecommunicatie;
  11° de in de bijlage 13 bepaalde bevorderingen naar anciënniteit zoals die bestonden in de korpsen van de gemeentepolitie.

  AFDELING 4. - DE AANSTELLING IN DE GRAAD.

  Art. 12.7.21.De minister stelt de actuele personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit worden bekleed met de graad van inspecteur van politie, aan in de graad van hoofdinspecteur van politie voor de duur van hun aanwijzing, op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, voor de algemene directie gerechtelijke politie of voor de gedeconcentreerde gerechtelijke eenheden.
  Zij zijn voor de duur van hun aanwijzing bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en oefenen de ambten verbonden aan het middenkader uit.
  Voor het overige wordt het statuut van de in het eerste lid bedoelde actuele personeelsleden bepaald overeenkomstig hun inschaling in het basiskader.
  [1 In afwijking van het tweede lid blijft de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings behouden in geval van de ononderbroken aanwijzing in een betrekking van een recherchedienst van de lokale politie of van de algemene directie gerechtelijke politie, op voorwaarde dat de in artikel VI.II.15, § 1, eerste lid, bedoelde overheid daartoe beslist en dit als dusdanig in de in artikel VI.II.18, eerste lid, bedoelde oproep tot kandidaatstelling wordt vermeld.]1
  
  <NOTA : Bij arrest nr 102/2003 van 22-07-2003, (B.S. 25-09-2003, p.47193), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd op 22-07-2003, in zoverre het elk lid van de voormalige gemeentepolitie van zijn toepassingsgebied uitsluit>
  ----------
  (1)<W 2013-12-21/22, art. 32, 022; Inwerkingtreding : 10-01-2014>

  Art. 12.7.22. Mits het slagen voor de door Ons bepaalde opleiding, is artikel XII.VII.21, in voorkomend geval, ook van toepassing op de actuele personeelsleden van de opsporingsdiensten van de gemeentepolitie die, bij toepassing van de regels inzake de mobiliteit en binnen een termijn van 5 jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, overstappen naar de algemene directie gerechtelijke politie of een gedeconcentreerde gerechtelijke dienst van de federale politie.
  <NOTA : Bij arrest nr 102/2003 van 22-07-2003, (B.S. 25-09-2003, p.47193), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd op 22-07-2003>

  Art. 12.7.23. De minister stelt de in artikel 25 van het koninklijk besluit van ... tot uitvoering van de artikelen 13, 27, tweede en vijfde lid, en 53 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en houdende diverse andere overgangsbepalingen, bedoelde personeelsleden aan in de graad van commissaris van politie voor de duur van hun aanwijzing op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit voor de algemene directie gerechtelijke politie of voor de gedeconcentreerde gerechtelijke eenheden.
  Voor het overige wordt het statuut van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden bepaald overeenkomstig hun inschaling in het middenkader.

  Art. 12.7.23bis. <Ingevoegd bij W 2005-07-03/53, art. 31; Inwerkingtreding : 01-04-2001> De personeelsleden die het aantal opvullen bedoeld in artikel XII.VII.18, § 2, derde lid, worden, zolang zij lid blijven van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, aangesteld in de graad van commissaris van politie.
  Voor het overige wordt het statuut van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden bepaald overeenkomstig hun inschaling in het middenkader.

  Art. 12.7.24. De benoemende overheid stelt de personeelsleden die overeenkomstig artikel XII.VI.8 zijn aangewezen voor een betrekking van officier, aan in de graad van commissaris van politie voor de duur van hun aanwijzing.
  Voor het overige wordt het statuut van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden bepaald overeenkomstig hun inschaling in het middenkader.

  Art. 12.7.25. (De benoemende overheid stelt de personeelsleden die overeenkomstig de artikelen XII.VI.9, XII.VI.9bis en XII.VII.27bis, zijn aangewezen voor een betrekking van hoger officier, aan in de graad van hoofdcommissaris van politie voor de duur van hun aanwijzing.) <W 2005-07-03/53, art. 32, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  Voor het overige wordt het statuut van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden bepaald overeenkomstig hun inschaling als niet hoger officier.

  Art. 12.7.26. Onverminderd artikel 248, vierde lid, van de wet en artikel 28 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, wordt, bij de eerste toewijzing van de ambten die een gezagsuitoefening inhouden, andere dan de mandaten, in functie van hun respectieve inbreng in de opgerichte diensten, een proportionele verdeling van die ambten gewaarborgd tussen de gewezen leden van de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie.
  In voorkomend geval stelt de benoemende overheid de betrokken personeelsleden daartoe aan in de hogere graad.
  De selectie van de in het tweede lid bedoelde personeelsleden geschiedt op grond van de laatste evaluatie van de kandidaten vastgelegd vóór 21 april 2000.
  Voor het overige wordt het statuut van de in het tweede lid bedoelde personeelsleden bepaald overeenkomstig hun inschaling.

  Art. 12.7.27. De aangestelde personeelsleden die voor een in artikel XII.VI.10 bedoelde betrekking worden aangewezen, behouden hun in artikel XII.VII.21 of XII.VII.23 bedoelde aanstelling of de eventuele aanstelling ingevolge de toepassing van artikel 28 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten.

  AFDELING 5. - De mandaten. <Ingevoegd bij W 2005-07-03/53, art. 33; Inwerkingtreding : 01-04-2001>

  Art. 12.7.27bis.<Ingevoegd bij W 2005-07-03/53, art. 33; Inwerkingtreding : 01-04-2001> [3 De actuele personeelsleden bedoeld in tabel D1, derde kolom, punt 3.26 van bijlage 11, kunnen meedingen voor de mandaatbetrekkingen zoals bedoeld in artikel 66 van de wet van 26 april 2002.]3
  De actuele personeelsleden bedoeld in tabel D1, derde kolom, punt 3.26. van bijlage 11 kunnen meedingen voor de mandaatbetrekkingen zoals bedoeld in artikel [66 van de wet van 26 april 2002]. <W 2006-06-20/34, art. 51, 010; Inwerkingtreding : 26-07-2006>
  [2 Het eerste lid geldt eveneens voor de personeelsleden die daags vóór de inwerkingtreding van dit besluit bekleed waren met de graad van commissaris van de gemeentepolitie en die, hetzij korpschef waren van een korps van de gemeentepolitie in een gemeente van klasse 17, hetzij benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn van het desbetreffende korps of van wie de benoemingsprocedure aangevangen was daags vóór de dag vóór de inwerkingtreding van dit besluit maar nog niet voltooid was daags vóór de inwerkingtreding van dit besluit en van wie de benoeming in het betrokken ambt later is tussengekomen.]2
  ----------
  (1)<W 2010-03-03/07, art. 3, 019; Inwerkingtreding : 18-04-2010>
  (2)<W 2011-12-02/44, art. 3, 020; Inwerkingtreding : 27-02-2012>
  (3)<W 2013-12-21/22, art. 33, 022; Inwerkingtreding : 27-02-2012>

  HOOFDSTUK III. - DE TALEN.

  Art. 12.7.28. Ten aanzien van de leden van het operationeel korps van de rijkswacht, de overgeplaatste militairen en de militairen van het administratief en logistiek korps van de rijkswacht op wie het statuut bedoeld in de artikelen 236, eerste lid, en 242, eerste lid, van de wet van toepassing is en die overgaan naar de federale of de lokale politie, worden de gelijkwaardigheden tussen de niveaus van taalkennis bedoeld in de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger en die bedoeld in het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken bepaald in bijlage 14.

  Art. 12.7.29. De personeelsleden van het operationeel korps en van het administratief en logistiek korps van de rijkswacht die een taalexamencyclus zoals bedoeld in de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, al dan niet voorafgegaan door een daarmee samenhangende opleiding, aangevangen hebben vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijven onderworpen aan diezelfde wet voor wat betreft die taalexamencyclus.

  Art. 12.7.30. De actuele personeelsleden van een politiedienst met standplaats in het buitenland op de datum van inwerkingtreding van dit besluit worden beschouwd de kennis van de tweede taal die eigen is aan hun functie bedoeld in artikel 47, § 5, van het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, te bezitten.

  Art. 12.7.31. De actuele personeelsleden van een politiedienst die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit een ambt bekleden in een dienst waar een zekere kennis van een andere taal vereist is door het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, behouden hun betrekking, zelfs als zij deze kennis niet kunnen aantonen.
  Zij beschikken over vijf jaar om te voldoen aan de vereisten van taalkennis.
  De diensten in dewelke de in het eerste lid bedoelde personeelsleden een ambt bekleden worden derwijze georganiseerd dat overeenkomstig het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, voor de omgang met het publiek het Nederlands, Frans of Duits kan worden gebruikt.

  HOOFDSTUK IV. - OVERGANGSBEPALINGEN INZAKE DE LOOPBAAN VAN HET ADMINISTRATIEF EN LOGISTIEK KADER.

  AFDELING 1. - DE BAREMISCHE LOOPBAAN.

  Art. 12.7.32. Indien een actueel statutair personeelslid overeenkomstig artikel XII.II.36, XII.II.42, XII.II.48, eerste lid, of XII.II.55 wordt ingeschaald in een loonschaal van respectievelijk niveau D, niveau C, niveau B, of niveau A, en zijn overeenkomstig artikel XII.II.37, eerste lid, XII.II.43, eerste lid, XII.II.50, eerste lid, of XII.II.57, eerste lid, bepaalde loonschaalanciënniteit op datum van zijn inschaling zes of meer jaar bedraagt, verkrijgt dit personeelslid, tenzij het reeds is ingeschaald in de hoogste loonschaal van zijn loonschalengroep, de volgende loonschaal van die loonschalengroep.
  De loonschaalanciënniteit van het personeelslid dat aldus een hogere loonschaal verkrijgt, is op datum van de inschaling in deze loonschaal gelijk aan nul.

  Art. 12.7.33. In afwijking van artikel VII.IV.24, bedraagt de vereiste loonschaalanciënniteit voor de baremische loopbaan ingesteld voor de overgang naar de eerstvolgende loonschaal voor de in artikel XII.II.48, tweede lid, bedoelde personeelsleden tien jaar, verminderd met de som van de loonschaalanciënniteiten die zij hebben verworven in de loonschalen bedoeld in tabel " niveau C ", punt 2.7 en punt 2.9, van bijlage 12, op datum van hun inschaling.

  Art. 12.7.34. In afwijking van artikel VII.IV.22, 2°, en artikel VII.IV.23, 2°, bedraagt de vereiste loonschaalanciënniteit voor de baremische loopbaan ingesteld voor de overgang naar de loonschaal D2C, respectievelijk C2D voor de personeelsleden die krachtens artikel XII.II.36, respectievelijk artikel XII.II.48, de loonschaal D1C, respectievelijk C1D verkrijgen, zes jaar.

  Art. 12.7.35. Onverminderd artikel VII.IV.25 en VII.IV.29 kunnen de actuele personeelsleden van het niveau A bedoeld in artikel XII.II.58, tweede en derde lid, ingeschaald in de loonschaal AA1, AA2 of AA3, respectievelijk A1A, A2A of A3A, overgaan naar de loonschaal AA4, respectievelijk A4A, vanaf de datum waarop zij een niveauanciënniteit van achttien jaar genieten.

  AFDELING 2. - DE VRIJWARINGEN INZAKE DE VLAKKE LOOPBAAN.

  Art. 12.7.36. De in artikel 4, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, bedoelde bevorderingen naar anciënniteit zijn, voor wat het administratief en logistiek kader betreft, de bevorderingen :
  1° van soldaat tot eerste soldaat;
  2° van eerste soldaat tot korporaal;
  3° van korporaal tot korporaal-chef;
  4° van korporaal-chef tot eerste korporaal-chef;
  5° van sergeant tot eerste sergeant;
  6° van eerste sergeant tot eerste sergeant-chef;
  7° van eerste sergeant die geslaagd is voor het examen bedoeld in artikel 38 van de wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst, tot eerste sergeant-majoor;
  8° van eerste sergeant-majoor tot adjudant;
  9° van onderluitenant tot luitenant;
  10° van luitenant tot kapitein;
  11° van kapitein tot kapitein-commandant;
  12° de overige door Ons bepaalde militaire vlakke loopbanen;
  13° van adjunct-adviseur 10A tot adjunct-adviseur 10B;
  14° van industrieel-ingenieur 10A tot industrieel-ingenieur 10B;
  15° van ingenieur, dierenarts, geneesheer en apotheker 10D tot ingenieur, dierenarts, geneesheer en apotheker 10E;
  16° van informaticus 10C naar informaticus 10F;
  17° van informaticus 10F naar informaticus 10G;
  18° van directiesecretaris 26B naar directiesecretaris 26D;
  19° van vertaler 26A tot vertaler 26J;
  20° van boekhouder 26E tot boekhouder 26H;
  21° van maatschappelijk assistent en paramedicus 26F naar maatschappelijk assistent en paramedicus 26I;
  22° van programmeur 26G naar programmeur 26L;
  23° van bestuursassistent 20A tot bestuursassistent 20B;
  24° van technicus 20A tot technicus 20B;
  25° van klerk 30A tot klerk 30C;
  26° van vakman 30D tot vakman 30E;
  27° van beambte 42A tot beambte 42B;
  28° van arbeider 40A tot arbeider 40B;
  29° de in bijlage 15 bepaalde bevorderingen zoals die bestonden voor de leden van de griffies en parketten bij de hoven en rechtbanken, ter beschikking gesteld van de brigades en het commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie bij de parketten;
  30° de in bijlage 16 bepaalde bevorderingen zoals die bestonden voor het personeel van de administratieve en logistieke kaders van de gemeentelijke politiekorpsen of het niet-politioneel gemeentelijk personeel, in dienst bij de gemeentelijke politiekorpsen, voor wat de gemeenten betreft die op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling de regeling uitgewerkt door de toezichthoudende overheid toepassen voor zover die bevorderingen op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling zijn opgenomen in een uitvoerbaar verklaard gemeentereglement dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 145 of 189 van de nieuwe gemeentewet;
  31° de bevorderingen naar anciënniteit voor het personeel van de administratieve en logistieke kaders van de gemeentelijke politiekorpsen of het niet-politioneel gemeentelijk personeel, in dienst bij de gemeentelijke politiekorpsen, zoals die op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling zijn opgenomen in een uitvoerbaar verklaard gemeentereglement dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 145 of 189 van de nieuwe gemeentewet voor wat betreft de gemeenten die de regeling uitgewerkt door de toezichthoudende overheid niet toepassen.

  TITEL VIII. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL VIII VAN DIT BESLUIT.

  Art. 12.8.1. De actuele personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, geen, dan wel verminderde prestaties uitoefenen, gewettigd door sociale of familiale redenen of wegens persoonlijke aangelegenheid, alsmede zij die hun loopbaan volledig dan wel gedeeltelijk hebben onderbroken, blijven, wat hun administratieve stand betreft, onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren tot de aan de gang zijnde periode van afwezigheid is afgelopen.
  Het eerste lid is ook van toepassing op de leden van het niet-politioneel gemeentelijk personeel, op het ogenblik van hun overgang naar de lokale politie.

  Art. 12.8.2. De actuele personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit een verlof genieten zoals bepaald in de artikelen 17, 21, 69 tot 94, 95 tot 98 en 99 tot 112 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen of die zich in disponibiliteit bevinden overeenkomstig de artikelen 63 en 64 van hetzelfde koninklijk besluit of die zich in een equivalente administratieve stand bevinden, evenals de actuele personeelsleden die een verlof genieten voorafgaand aan hun pensionering, blijven voor de duur hiervan en wat hun administratieve stand betreft, onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
  Het eerste lid is ook van toepassing op de leden van het niet-politioneel gemeentelijk personeel, op het ogenblik van hun overgang naar de lokale politie.

  Art. 12.8.3. De actuele personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit een verlof genieten overeenkomstig het koninklijk besluit van 21 augustus 1970 betreffende de toekenning van verlof en van een vergoeding van sociale promotie aan sommige categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel of die een equivalent verlof genieten, blijven, voor de duur van dit verlof, onderworpen aan de bepalingen desbetreffende die op hen van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
  Het eerste lid is ook van toepassing op de leden van het niet-politioneel gemeentelijk personeel, op het ogenblik van hun overgang naar de lokale politie.

  Art. 12.8.4. De actuele personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, halftijdse prestaties uitoefenen wegens ziekte, blijven, voor de duur ervan, onderworpen aan de desbetreffende bepalingen die op hen van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
  Het eerste lid is ook van toepassing op de leden van het niet-politioneel gemeentelijk personeel, op het ogenblik van hun overgang naar de lokale politie.

  Art. 12.8.5. Een eventuele verlenging van de verloven en afwezigheden bedoeld in de artikelen XII.VIII.1 tot en met XII.VIII.4 geschiedt overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels van dit besluit.

  Art. 12.8.6. Voor de actuele personeelsleden die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit een non-activiteit wegens persoonlijke aangelegenheid hebben genoten of hun loopbaan volledig, dan wel gedeeltelijk hebben onderbroken, worden deze periodes van afwezigheid respectievelijk aangerekend op de termijnen bedoeld in artikel VIII.XIV.1 en in de artikelen VIII.XV.1 tot en met VIII.XV.5.
  Het eerste lid is ook van toepassing op de leden van het niet-politioneel gemeentelijk personeel, op het ogenblik van hun overgang naar de lokale politie.

  Art. 12.8.7. Het jaarlijks vakantieverlof van het jaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit dat op die datum nog niet is genomen, kan worden overgedragen tot 31 december van het jaar waarin de datum van inwerkingtreding valt.

  Art. 12.8.8. Het jaarlijks vakantieverlof dat werd genomen tussen 1 januari 2001 en 1 april 2001 en dat werd aangerekend op het jaarlijks vakantieverlof van het jaar 2001 dat werd verkregen overeenkomstig de rechtspositieregeling die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing was op de personeelsleden, wordt voor het jaar 2001 aangerekend op het in artikel VIII.III.1 bedoelde aantal dagen jaarlijks vakantieverlof.

  Art. 12.8.9. De verloven voorafgaand aan de pensionering bedoeld in artikel 238 van de wet, en artikel 42 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, en het koninklijk besluit van 22 juni 1998 tot invoering van een tijdelijke regeling van verlof voorafgaand aan de pensionering voor bepaalde gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten, worden aangerekend op het jaarlijks vakantieverlof overeenkomstig artikel VIII.III.4, tweede en derde lid.

  Art. 12.8.10. Het ziektecontingent bedoeld in artikel VIII.X.1 wordt berekend door voor elk personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht alsmede voor de militairen van het administratief en logistiek korps van de rijkswacht met uitsluiting van diegenen bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, het aantal maanden dienstanciënniteit te vermenigvuldigen met twee, met uitzondering van de periode van twee jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, waarvoor het aantal dagen bedoeld in artikel VIII.X.1 in aanmerking wordt genomen.
  Het in het eerste lid bedoelde ziektecontingent wordt verminderd in evenredigheid met de door het betrokken personeelslid tijdens zijn loopbaan genoten equivalente verloven en afwezigheden bedoeld in de artikelen VIII.IV.2, VIII.IV.3, VIII.XIII.1, VIII.XIV.1, VIII.XV.1, VIII.XV.3, VIII.XV.5 en VIII.XVI.1.
  Indien het aldus berekende ziektecontingent geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid.
  Het resultaat van de in het eerste, tweede en derde lid, bedoelde bewerking wordt vervolgens verminderd met het aantal dagen ziekteverlof dat het personeelslid heeft genoten tijdens de in het eerste lid bedoelde periode van twee jaren, met uitzondering van het ziekteverlof dat is toegestaan op grond van artikel VIII.X.6, § 1.
  (Onder de in het eerste lid bedoelde dienstanciënniteit moeten eveneens de in artikel VIII.X.5 bedoelde prestaties worden begrepen.) <W 2002-04-26/30, art. 130, 002; Inwerkingtreding : 01-04-2001>

  Art. 12.8.10bis. <Ingevoegd bij W 2002-04-26/30, art. 131; Inwerkingtreding : 01-04-2001> Voor de personeelsleden van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie, voor de statutaire personeelsleden van het administratief en logistiek kader van een korps van de gemeentepolitie en voor de statutaire leden van het niet-politioneel gemeentelijk personeel, moet onder het ziektecontingent bedoeld in artikel VIII.X.1 worden begrepen, het gecumuleerd ziektecontingent opgebouwd bij openbare besturen.

  Art. 12.8.11. Bedraagt het in artikel XII.VIII.10, vierde lid, bedoelde verschil meer dan negentig, dan behoudt het betrokken personeelslid het ziektecontingent dat het alzo in de loop van zijn loopbaan heeft opgebouwd.
  In het tegenovergestelde geval verkrijgt het betrokken personeelslid, voor de eerstvolgende drie jaren, van rechtswege een aanvulling van zijn ziektecontingent tot negentig dagen.

  Art. 12.8.12. In afwijking van de artikelen XII.VIII.10 en XII.VIII.11, kan het personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht desgewenst de toepassing verkrijgen van de artikelen VIII.X.1 en VIII.X.2.
  Het personeelslid dient daartoe, binnen de maand volgend op de inwerkingtreding van dit besluit, een aanvraag in bij de bevoegde overheid.

  Art. 12.8.13. Het personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht dat op de datum van inwerkingtreding van dit besluit de afwijking bedoeld in artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit van 25 april 1979 betreffende het ambt en de ambtsontheffing van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, heeft verkregen, behoudt het genot daarvan voor de resterende duur van die periode.

  Art. 12.8.14. Het personeelslid van een gemeentelijk politiekorps met inbegrip van de hulpagenten dat op de datum van inwerkingtreding van dit besluit een deeltijdse betrekking bekleedt, behoudt persoonlijk het genot hiervan en blijft onderworpen, wat zijn administratieve stand betreft, aan de bepalingen die de rechtspositie van deze deeltijdse betrekking bepalen.

  Art. 12.8.15. Voor de personeelsleden met doorlopende dienst zal gedurende een overgangsperiode van vijf jaar, voor de berekening van het jaarlijks vakantieverlof het aantal dagen vakantieverlof zoals berekend volgens de regeling die bestond op de dag vóór de inwerkingtreding van dit besluit, verhoogd met het aantal feestdagen die samenvallen met een rustdag, in aanmerking worden genomen, tenzij het aldus bekomen aantal dagen lager ligt dan het aantal dagen jaarlijks vakantieverlof berekend volgens deel VIII, titel III.

  Art. 12.8.16. De personeelsleden die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling kunnen een verlof op het einde van hun loopbaan genieten indien dit bestond en onder de voorwaarden bepaald in hun rechtspositieregeling op de dag vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

  TITEL IX. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL IX VAN DIT BESLUIT.

  Art. 12.9.1. De officieren van de rijkswacht die op 31 december 2000 aangewezen zijn om in de bevoegde medische instanties zitting te houden, behouden die aanwijzing voor de lopende procedures.

  Art. 12.9.2. Titel III van deel IX, met uitzondering van de artikelen IX.III.1, IX.III.3 en IX.III.11, is niet toepasselijk op de kandidaat voor de heropneming die op de datum van zijn ontslag deel uitmaakte van het operationeel korps van de rijkswacht, het administratief en logistiek korps van de rijkswacht, een korps van de gemeentepolitie met inbegrip van de hulpagenten van politie, of van het administratief en logistiek kader van de gemeentelijke politiekorpsen en waarvan het ontslag werd aangenomen vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  Indien de wetten en reglementen die op de in het eerste lid bedoelde kandidaat van toepassing waren op de dag waarop zijn ontslag werd aangenomen, in de modaliteit van heropneming voorzagen, wordt de in het eerste lid bedoelde kandidaat op zijn verzoek opnieuw opgenomen in de federale politie indien hij op de datum van zijn ontslag deel uitmaakte van de rijkswacht of van de gerechtelijke politie bij de parketten, of in het korps van de lokale politie waarin de personeelsleden van het korps van gemeentepolitie waarvan hij deel uitmaakte op de datum van zijn ontslag, met toepassing van artikel 235 van de wet zijn overgegaan, of in het korps van de gemeentepolitie waarvan hij deel uitmaakte op de datum van zijn ontslag indien de lokale politie met toepassing van artikel 248 van de wet nog niet is opgericht. Hij wordt terug opgenomen met de anciënniteiten die hij op het ogenblik van zijn ontslag bezat en in het kader of niveau, in de nieuwe graad en in de overeenstemmende loonschaal vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit besluit die de kaders, niveaus, graden- en loonschaaltoewijzing van de actuele personeelsleden regelen en die overeenstemmen met het kader, het niveau, de graad of hoedanigheid waarmee hij bij het verlenen van zijn ontslag was bekleed

  Art. 12.9.3. De heropneming overeenkomstig artikel XII.IX.2 is enkel mogelijk indien tussen de datum van het ontslag van de in het eerste lid van dat artikel bedoelde kandidaat en zijn verzoek tot heropneming, de termijn bepaald in de in het tweede lid bepaalde wetten en reglementen niet is verstreken. Zij geschiedt onder de voorwaarden van heropneming bepaald in de wetten en reglementen die op de betrokkene van toepassing waren op de datum van zijn ontslag.
  Onverminderd de heropnemingsvoorwaarden die overeenkomstig het eerste lid moeten worden vervuld, kan geen kandidaat bedoeld in artikel XII.IX.2 worden opgenomen indien hij niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel IX.III.4, 3°, 4° en 6°.
  Indien de in het eerste lid bepaalde voorwaarden voorzien in een medisch onderzoek voorafgaand aan de heropneming, dan gebeurt dit onderzoek overeenkomstig de procedure bepaald in de artikelen IX.III.6 tot en met IX.III.9.

  Art. 12.9.4.<ingevoegd bij W 2002-08-02/45, art. 155; Inwerkingtreding : 29-08-2002> Titel III van deel IX is van toepassing op de kandidaat voor heropneming wanneer de wetten en reglementen die op hem van toepassing waren op de datum van zijn ontslag en voor zover dit werd aangenomen vóór 1 april 2001, niet in het stelsel van heropneming voorzagen.
  In afwijking van artikel IX.III.2, wordt de kandidaat bedoeld in het eerste lid, heropgenomen in het korps van de lokale politie waarnaar de personeelsleden van de lokale politie, waartoe hij behoorde op de datum van zijn aangenomen ontslag, zijn overgegaan, bij toepassing van artikel 235 van de wet, of in het korps van de gemeentepolitie waartoe hij behoorde op de datum van zijn aangenomen ontslag, indien de lokale politie nog niet in plaats is gesteld bij toepassing van artikel 248 van de wet. Hij wordt heropgenomen met de anciënniteiten die hij bezat op het ogenblik van zijn ontslag en in het kader, in de nieuwe graad en in de overeenstemmende loonschaal vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit besluit die de kader-, graad- en loonschaaltoewijzing aan de actuele personeelsleden regelen en die overeenstemmen met het kader, de graad of de hoedanigheid waarmee hij bij het verlenen van zijn ontslag was bekleed.
  De artikelen IX.III.4, 2°, en IX.III.5 zijn niet van toepassing op de kandidaat bedoeld in het eerste lid.
  Voor de toepassing van artikel IX.III.4, 5°, mag de kandidaat voor heropneming niet het voorwerp zijn van één van de gronden van medische ongeschiktheid bedoeld in [1 artikel 12, eerste lid, 6°, van de wet van 26 april 2002]1.
  Indien de kandidaat voor heropneming een medisch controleonderzoek, georganiseerd in het raam van de arbeidsgeneeskunde, heeft ondergaan tijdens het jaar voorafgaand aan de datum van zijn aangenomen ontslag, wordt dit onderzoek gelijkgesteld aan dat bedoeld in artikel IX.III.4, 2°. In dat geval, en in afwijking van het vierde lid, is artikel IX.III.4, 5°, van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2016-04-21/06, art. 57, 027; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  TITEL X. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL X VAN DIT BESLUIT.

  Art. 12.10.1. De bij de inwerkingtreding van dit besluit hangende medische controleprocedures worden afgehandeld overeenkomstig de vóór de inwerkingtreding van dit besluit toepasselijke regels.

  Art. 12.10.2. De bij de inwerkingtreding van dit besluit hangende ontslagprocedures op aanvraag en de procedures van verlof voorafgaand aan de pensionering worden afgehandeld overeenkomstig de vóór de inwerkingtreding van dit besluit toepasselijke regels.

  Art. 12.10.3. Onverminderd artikel X.I.1, eerste lid, 2°, genieten de overgeplaatste militairen en de militairen van het administratief en logistiek korps van de rijkswacht op wie het statuut bedoeld in de artikelen 236, eerste lid, en 242, eerste lid, van de wet van toepassing is en die overgaan naar de federale of de lokale politie, de in artikel X.I.1, eerste lid, bedoelde kosteloze gezondheidszorgen, gedurende een periode van zes maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit, voor de aandoeningen die zij hebben opgelopen tijdens de duur van hun tewerkstelling bij de rijkswacht.
  De in het eerste lid bedoelde personeelsleden moeten daartoe, op straffe van verval van dat recht, binnen een maand na de inwerkingtreding van dit besluit, een schriftelijke aanvraag richten aan de medische dienst, samen met een attest van de behandelende arts dat verklaart dat de aandoening werd opgelopen tijdens de duur van hun tewerkstelling bij de rijkswacht.

  Art. 12.10.4. Onverminderd hoofdstuk XI van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, blijven de ongevallen en de beroepszieken overkomen vóór de inwerkingtreding van dit besluit onderworpen aan de voorheen toepasselijke wetgeving de op 31 maart 2001 lopende verzekeringsovereenkomsten, de administratieve reglementen of welke andere maatregelen ook ten gunste van de getroffenen of van hun rechthebbenden en die vóór de datum van deze inwerkingtreding zijn beginnen lopen.

  TITEL XI. - OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT DEEL XI VAN DIT BESLUIT.

  HOOFDSTUK I. - OVERGANGSBEPALINGEN TOEPASSELIJK OP DE PERSONEELSLEDEN VAN HET OPERATIONEEL KADER.

  AFDELING 1. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 12.11.1. Dit hoofdstuk is enkel van toepassing op de actuele personeelsleden van het operationeel kader.
  Het is evenwel slechts toepasselijk op die leden die kiezen voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositie indien de bepalingen dit uitdrukkelijk vermelden of indien zij zijn bedoeld in artikel XII.XI.79.

  Art. 12.11.2. In afwijking van artikel XIII.I.4, eerste lid, kunnen de actuele personeelsleden van het operationeel kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, beantwoordden aan de voorwaarden gesteld in artikel 1, 1° en 7°, van het koninklijk besluit van 26 februari 1958 houdende toekenning van een vaste vergoeding aan sommige personeelsleden van de rijkswacht en die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, onverminderd aanspraak blijven maken op de vergoeding bedoeld in artikel 1, van hetzelfde besluit, tot en met 31 december 2003, voor zover zij, gedurende deze periode op ononderbroken wijze aangewezen blijven voor of gedetacheerd blijven bij de eenheid of de dienst die op 1 januari 2001 de ambten heeft overgenomen, uitgevoerd door een eenheid of dienst bedoeld in hetzelfde artikel, 1° en 7°, en waarbij zij waren gedetacheerd of waarvoor zij waren aangewezen tot daags vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit. Het feit van gedetacheerd te zijn vanuit deze eenheid of dienst om een bijkomende of voortgezette opleiding te volgen, geeft evenwel geen aanleiding tot onderbreking van de aanwezigheid in deze eenheid of dienst.

  Art. 12.11.3. In afwijking van artikel XIII.I.5, 5°, blijft artikel 10 van het koninklijk besluit van 1 oktober 1973 tot vaststelling van de bezoldiging van de personen belast met een leeropdracht aan sommige scholen voor vorming en voortgezette opleiding van officieren en tot toekenning van een toelage aan de titularissen van sommige betrekkingen bij die scholen, evenwel van kracht, gedurende één jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit voor het actueel personeelslid van het operationeel kader dat :
  1° daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, de toelage, bedoeld in datzelfde artikel, genot;
  2° opteert voor het behoud van zijn oorspronkelijke rechtspositieregeling;
  3° geen weddebijslag geniet voor de uitoefening van een mandaat, bedoeld in artikel XI.II.17.
  Hetzelfde artikel blijft eveneens van kracht voor het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.32, § 1, 9°, en § 2.

  Art. 12.11.4. In afwijking van artikel XIII.I.9, eerste lid, 2°, blijft het koninklijk besluit van 13 januari 1976 tot regeling van de toekenning van een forfaitaire maandtoelage aan sommige leden van de bijzondere eenheden belast met de wegpolitie, evenwel van kracht voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit voldeden aan één van de gevallen bedoeld in artikel 1, § 2, 1° en 2°, van hetzelfde besluit, tot zolang zij hieraan blijven voldoen.
  Voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader bedoeld in artikel 1, § 2, 3°, van hetzelfde besluit die aan de door dit artikel opgelegde voorwaarde voldeden daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, geldt dezelfde afwijking, op voorwaarde dat zij opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling.

  Art. 12.11.5. In afwijking van artikel XIII.I.6, 4°, blijft artikel 29 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 februari 1996 en 2 maart 1998 alsook de bijlage D van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996, evenwel van kracht gedurende één jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader die :
  1° tot en met de dag van de inwerkingtreding van dit besluit,
  a) hetzij titularis waren van een organieke betrekking die recht geeft op de toelage bedoeld in datzelfde artikel;
  b) hetzij de titularis van één van de in § 1, eerste en tweede lid, van datzelfde artikel, bedoelde betrekkingen vervingen en dientengevolge dezelfde toelage genoten;
  2° opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling;
  3° geen weddebijslag genieten voor de uitoefening van een mandaat, bedoeld in artikel XI.II.17.
  Hetzelfde artikel en dezelfde bijlage blijven eveneens van kracht voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader bedoeld in de artikelen XII.XI.17, § 2, derde lid, XII.XI.20 en XII.XI.32, § 1, 5°, en § 2.

  Art. 12.11.6. In afwijking van artikel XIII.I.9, eerste lid, 11°, blijft het enig artikel van het koninklijk besluit van 29 juli 1987 houdende toekenning van een bijzondere toelage aan de leden van de bijzondere brigade belast met de beteugeling van de zware criminaliteit, evenwel van kracht voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit de toelage, bedoeld in hetzelfde artikel, genoten en die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, tot en met 31 december 2003, voor zover zij gedurende deze periode op ononderbroken wijze aangewezen blijven voor of gedetacheerd blijven bij de eenheid of dienst die op 1 januari 2001 dezelfde ambten heeft overgenomen als deze vervuld door de eenheid of dienst bedoeld door hetzelfde enig artikel en waarbij zij waren gedetacheerd tot daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Het feit van gedetacheerd te zijn vanuit deze eenheid of dienst om een aanvullende of voortgezette opleiding te volgen, geeft geen aanleiding tot onderbreking van de aanwezigheid in deze eenheid of dienst.

  Art. 12.11.7. Behalve voor de leden van de bijzondere brigade belast met de beteugeling van de zware criminaliteit, die niet opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, en in afwijking van de artikelen XIII.I.7, eerste lid, en XIII.I.9, eerste lid, 3° en 4°, blijven het koninklijk besluit van 24 mei 1994 houdende toekenning van een toelage aan sommige leden van de rijkswacht die bij het commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie bij de parketten zijn gedetacheerd, het koninklijk besluit van 12 juli 1991 betreffende de toekenning van een toelage en de terugbetaling van de reiskosten aan de leden van de gerechtelijke politie bij de parketten wegens detachering naar het commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie en artikel 14bis van het koninklijk besluit van 11 juli 1994 over de algemene politiesteundienst, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juli 2000, evenwel van kracht voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit deze toelage en, in voorkomend geval, de terugbetaling bedoeld in voormelde besluiten en artikel genoten, en dit tot en met 31 december 2003, voor zover zij gedurende deze periode op ononderbroken wijze aangewezen blijven voor of gedetacheerd blijven bij de eenheid of dienst die op 1 januari 2001 de ambten heeft overgenomen, vervuld door de eenheid of dienst die hen het recht op de toelage en, in voorkomend geval, op de terugbetaling opende, en waarvoor zij waren aangewezen of waarbij zij waren gedetacheerd tot daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Het feit van gedetacheerd te zijn van deze eenheid of deze dienst om een aanvullende of voortgezette opleiding te volgen, geeft evenwel geen aanleiding tot onderbreking van de aanwezigheid in deze eenheid of dienst.
  Voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader die niet opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, kan het bedrag van de toelage niet worden gecumuleerd met de toelage bedoeld in deel XI, titel III, hoofdstuk V, van dit besluit.
  Indien het maandelijks bedrag van deze toelage hoger ligt dan dit van de toelage bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil onder de vorm van een bijkomende toelage toegekend. Deze wordt uitbetaald volgens dezelfde regels als deze die van toepassing zijn op de toelage bedoeld in deel XI, titel III, hoofdstuk V, van dit besluit.
  Gedurende de periode waarin zij de toelage en, in voorkomend geval, de terugbetaling bedoeld in het eerste lid, blijven genieten, kunnen de actuele personeelsleden van het operationeel kader, of zij al dan niet opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, noch de bepalingen van deel XI, titel IV, hoofdstuk VII van dit besluit, om reden van een detachering of een ter beschikkingstelling, noch van de tussenkomst in de vervoerskosten bedoeld in artikel XI.V.1, genieten.
  In afwijking van het eerste lid, behouden de leden van de bijzondere brigade belast met de beteugeling van de zware criminaliteit, die niet opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, het recht op de terugbetaling bedoeld in hetzelfde lid, voor zover ze, tot en met 31 december 2003, op ononderbroken wijze aangewezen blijven voor of gedetacheerd blijven bij de eenheid of dienst die op 1 januari 2001 de ambten heeft overgenomen die door de bijzondere brigade vervuld waren, en waarvoor zij waren aangewezen of gedetacheerd tot daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Het vierde lid is ook van toepassing gedurende de periode voor dewelke het personeelslid de toelage bedoeld in artikel XI.III.12, 5°, geniet.

  Art. 12.11.8. In afwijking van de artikelen XIII.I.4, XIII.I.7, eerste lid, en XIII.I.9, eerste lid, 3° en 4°, wordt artikel XII.XI.2 mutatis mutandis toegepast op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit waren gedetacheerd bij of aangewezen voor de eenheid of dienst die op 1 januari 2001 de ambten heeft overgenomen, vervuld door een eenheid of dienst van de algemene politiesteundienst.

  Art. 12.11.9. In afwijking van artikel XIII.I.8, blijft artikel 123 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten, evenwel voor één jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit, van kracht voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader die :
  1° daags voór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, de weddetoeslag bedoeld in hetzelfde artikel genoten;
  2° opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling;
  3° geen weddebijslag genieten voor de uitoefening van een mandaat, bedoeld in artikel XI.II.17.
  Hetzelfde artikel blijft eveneens van kracht voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.47.

  Art. 12.11.10. In afwijking van artikel XIII.I.9, eerste lid, 9°, blijft het koninklijk besluit van 8 juli 1999 houdende vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van een vergoeding toegekend aan de personeelsleden die deelnemen aan humanitaire of politieoperaties onder het gezag van één of meerdere internationale instellingen, evenwel van toepassing op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit de vergoeding bedoeld in artikel 1 van hetzelfde besluit genoten, tot zolang geen einde wordt gesteld aan de operatie waaraan zij deelnemen.

  Art. 12.11.11. In afwijking van artikel XIII.I.6, 5°, blijven de artikelen 30bis tot 30quater van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, ingevoegd door het koninklijk besluit van 16 december 1994, alsook de bijlage B van hetzelfde besluit, evenwel van kracht voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, en die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, de toelage bedoeld in dezelfde artikelen genoten, tot zolang zij niet voor een ander(e) korps, eenheid, dienst of betrekking zijn aangewezen dan dit (deze) dat (die) het (de) zijne was vóór de inwerkingtreding van dit besluit, die niet zou zijn bedoeld in artikel XI.III.31 of bij toepassing van artikel XI.III.32, § 2,of die, indien hij (zij) het toch is, slechts voorziet in de toekenning van een tweetaligheidstoelage voor de kennis van een andere landstaal dan deze krachtens dewelke het personeelslid tot dan toe de toelage verkreeg.

  Art. 12.11.12. In afwijking van artikel XIII.I.10, § 1, 16°, kunnen de personeelsleden die niet kiezen voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling en die konden aanspraak maken op de premies bedoeld in artikel 11 van het koninklijk besluit van 29 januari 1974 tot vaststelling van het stelsel der toelagen en premies verschuldigd aan de militairen die deelnemen aan de luchtdienst van de krijgsmachtdelen, aanspraak maken op het gedeelte van de loopbaanpremie bij de luchtvaart verworven op het moment dat zij afzien van deze keuze zonder dat dit moment echter vroeger kan vallen dan de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.

  AFDELING 2. - OVERGANGSBEPALINGEN.

  Onderafdeling 1. - Algemene bepaling.

  Art. 12.11.13. Behoudens andersluidende bepaling, moet voor de toepassing van deze afdeling als personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten, worden beschouwd : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, was onderworpen aan het statuut dat van toepassing was op de gerechtelijke agenten of op de gerechtelijke officieren van de gerechtelijke politie, met inbegrip van dat in een laboratorium voor technische en wetenschappelijke politie, bij de dienst telecommunicatie of bij de dienst gerechtelijke identificatie.

  Onderafdeling 2. - Gemeenschappelijke overgangsbepalingen toepasselijk op het geheel of een deel van de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, ofwel het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps ofwel van de categorie bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht, ofwel dat van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten ofwel dat van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie met inbegrip van de hulpagenten van politie.

  Art. 12.11.14. De wedde van de actuele personeelsleden van het operationeel kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit ofwel het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps ofwel dat van de categorie bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht ofwel dat van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten ofwel dat van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie met inbegrip van de hulpagenten van politie, wordt vastgelegd in de loonschaal die zij verwerven overeenkomstig de artikelen XII.II.12, XII.II.15, XII.II.20, XII.II.26 en XII.II.31.

  Art. 12.11.15. In afwijking van artikel XII.XI.14, voor zover zij daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit reeds waren benoemd in een graad in hun oorspronkelijk statuut, genieten de actuele personeelsleden van het operationeel kader waarvan de wedde, vastgelegd met toepassing van de artikelen XII.XI.14 en XII.XI.17, § 2, tweede en derde lid, in een loonschaal O1, O2, O2ir, O3, O3ir, O4, O4ir, O4bis of O4bisir, lager zou zijn dan deze die ze zouden verkrijgen indien zij hadden behoord tot het middenkader, in de loonschaal M7, indien zij het statuut hadden van personeelsleden van het operationeel korps of van de categorie bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht of van personeelsleden van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie, of M7bis, indien zij het statuut hadden van personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten, deze wedde zolang deze voor hen voordeliger is.
  Voor de toepassing van het eerste lid, wordt de geldelijke anciënniteit in de schalen M7 of M7bis, berekend overeenkomstig artikel XII.XI.17, § 2, eerste lid.
  De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn eveneens van toepassing op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die met toepassing van de artikelen (XII.VI.8bis en) XII.VII.16 tot en met XII.VII.18 de loonschaal O2 zouden genieten. <W 2005-07-03/53, art. 34, 007; Inwerkingtreding : 29-07-2005>

  Art. 12.11.16. De bepalingen van artikel XI.II.11, § 2, zijn niet van toepassing op de actuele personeelsleden van het operationeel kader waaraan een nieuwe loonschaal wordt toegekend door toepassing van artikel XII.XI.14 of XII.XI.15.

  Art. 12.11.17. § 1. Voor de toepassing van de artikelen XII.II.12, XII.II.14, XII.II.15 en XII.II.17, moet de geldelijke anciënniteit worden begrepen als deze die kan verworven worden met toepassing van de artikelen XI.II.3 tot en met XI.II.9, eerste en tweede lid.
  Voor de toepassing van het eerste lid, worden de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie bij de parketten evenals de diensten die belast zijn geweest met de luchtvaartpolitie, de spoorwegpolitie en de zeevaartpolitie gelijkgesteld met de politiediensten.
  § 2. De geldelijke anciënniteit van het actueel personeelslid van het operationeel kader, die als verworven is beschouwd in de loonschaal die hem wordt toegekend wanneer de bepalingen van dit besluit volledig op hem van toepassing worden en voor zover deze voor hem voordeliger is dan deze die hij had verworven door de toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, is gelijk aan deze die hij kan verwerven met toepassing van de artikelen XI.II.3 tot en met XI.II.9, eerste en tweede lid.
  In afwijking van het eerste lid, wordt voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader van wie de wedde wordt bepaald in één van de loonschalen O1, O2, O2ir, O3, O3ir, O4, O4ir, O4bis of O4bisir, de geldelijke anciënniteit, die als verworven wordt beschouwd op dit ogenblik in deze loonschaal, verworven door :
  1° de wedde te bepalen, op basis van de geldelijke anciënniteit zoals herrekend overeenkomstig het eerste lid, waarop het actueel personeelslid van het operationeel kader aanspraak zou kunnen maken in zijn oud statuut rekening houdend met de graad waarmee het bekleed was;
  2° vervolgens, door, binnen de loonschaal die hem wordt toegekend, de anciënniteit te bepalen die overeenstemt met het bedrag van de wedde dat gelijk of onmiddellijk hoger is dan dat bedoeld in 1°, zonder dat echter het maximum van de toegekende loonschaal kan worden overschreden.
  Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, moet onder wedde worden verstaan, de wedde zoals deze wordt toegekend met toepassing van het oud statuut,
  1° vermeerderd, voor de personeelsleden van het operationeel korps van de rijkswacht, voor zover hun wedde werd vastgesteld op basis van één van de schalen opgenomen in bijlage A van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 maart 1998, met :
  a) naar gelang zij waren bekleed met een graad van officier of onderofficier, de toelage voor bijzondere functies, bedoeld in artikel 24 van hetzelfde besluit of de huisvestingstoelage bedoeld in artikel 30 van hetzelfde besluit.
  De bedragen worden vermenigvuldigd met een coëfficiënt gelijk aan 1,132;
  b) indien het personeelslid deze kon genieten, de weddebonificatie bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht;
  c) een toelage waarvan het bedrag op 72 044 frank (1 785,93 EUR) is vastgesteld, indien het personeelslid tot daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit titularis is gebleven van een betrekking die tot en met 31 december 2000 was bedoeld in artikel 29, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996, en het in deze hoedanigheid werkelijk de in hetzelfde artikel bedoelde toelage genoot.
  Indien het niet werkelijk de in hetzelfde artikel bedoelde toelage genoot, is deze bepaling toch toepasselijk op het personeelslid, op voorwaarde dat het voor andere redenen dan bij toepassing van ordemaatregelen ten bewarende titel afwezig is of op voorwaarde dat deze maatregelen definitief werden ingetrokken of op voorwaarde dat het personeelslid intussen voor een ambt met mandaat aangewezen werd.
  Indien het personeelslid afwezig was voor andere redenen dan bij toepassing van ordemaatregelen ten bewarende titel, wordt de toelage van 72 044 frank (1 785,93 EUR) toegekend van zodra het zijn ambt in de zin van artikel XI.I.3, 5°, heropneemt. Indien het afwezig was bij toepassing van ordemaatregelen ten bewarende titel, wordt de toelage toegekend met terugwerkende kracht op de datum waarop de in het tweede lid, 1°, bedoelde wedde is vastgesteld;
  2° vermeerderd, voor de personeelsleden van het operationeel korps van de rijkswacht, wiens wedde werd vastgesteld op basis van een andere loonschaal dan deze bedoeld in 1°, met een toelage waarvan het bedrag op 72 044 frank (1 785,93 EUR) vastgesteld is, indien het personeelslid tot daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit titularis is gebleven van een betrekking die tot 31 december 2000 was bedoeld in artikel 29, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996, en het in deze hoedanigheid werkelijk de in hetzelfde artikel bedoelde toelage genoot.
  Indien het niet werkelijk de toelage genoot bedoeld in hetzelfde artikel, is deze bepaling niettemin van toepassing op het personeelslid voor zover het van zijn betrekking afwezig is geweest voor andere redenen dan bij toepassing van ordemaatregelen te bewarende titel of op voorwaarde dat deze maatregelen definitief werden ingetrokken of op voorwaarde dat het personeelslid intussen voor een ambt met mandaat aangewezen werd.
  Indien het personeelslid afwezig was voor andere redenen dan bij toepassing van ordemaatregelen ten bewarende titel, wordt de toelage van 72 044 frank (1 785,93 EUR) toegekend van zodra het zijn ambt in de zin van artikel XI.I.3, 5°, heropneemt. Indien het afwezig was bij toepassing van ordemaatregelen ten bewarende titel, wordt de toelage toegekend met terugwerkende kracht op de datum waarop de in het tweede lid, 1°, bedoelde wedde is vastgesteld;
  3° vermeerderd, voor de personeelsleden van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie, indien die personeelsleden, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, deze genoten, met :
  a) de toelage bedoeld in het koninklijk besluit van 19 april 1962 betreffende de toekenning van een toelage wegens uitoefening van hogere functies aan het provinciaal of gemeentelijk personeel, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 april 1972, of de toelage bedoeld in het koninklijk besluit van 21 april 1993 betreffende de toekenning van een toelage wegens vervanging van een korpschef bij de gemeentepolitie;
  b) indien zij voor de in aanmerkingneming kiezen, het weddesupplement toegekend voor de wachtprestaties op het politiecommissariaat of thuis. In dat geval kunnen de personeelsleden evenwel, ten definitieve en onherroepelijke titel, geen aanspraak meer maken op de toelagen bedoeld in de artikelen XI.III.6 en XI.III.10.
  De bedragen van deze toelagen of weddesupplementen worden vermenigvuldigd met de coëfficiënt bedoeld in artikel XII.II.27 die op hun van toepassing zijn;
  4° verminderd, voor de personeelsleden van het operationeel korps van de gemeentepolitie, met het bedrag van de tweetaligheidstoelage die er eventueel zou inbegrepen zijn.
  (5° vermeerderd met 32 443 BEF (804,25 euro), voor de personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit onder het toepassingsgebied van artikel XII.II.26 vallen, die het in artikel XII.II.28, tweede lid, bedoelde weddesupplement niet genoten en die voor die inaanmerkingneming opteren. Op straffe van onontvankelijkheid wordt die optie uitgevoerd via schriftelijk verzoek tegen ontvangstbewijs aan het sociaal secretariaat GPI binnen de drie maanden die volgen op de bekendmaking van dit punt 5° in het Belgisch Staatsblad.
  In geval van de inaanmerkingneming van het voornoemde bedrag kunnen de personeelsleden evenwel, te definitieven en onherroepelijken titel, tot hun eventuele overgang naar de loonschaal O5 of O5ir, geen aanspraak maken op de toelagen bedoeld in de artikelen XI.III.6 en XI.III.10.) <W 2005-07-03/53, art. 35, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  § 3. Onverminderd § 2, eerste lid, verkrijgt het actueel personeelslid van het operationeel kader dat lid was van het operationeel korps van de rijkswacht, bekleed met de graad van hoger officier en dat houder is van :
  1° ofwel een stafbrevet,
  2° ofwel van de titel van hogere stafbrevethouder,
  3° ofwel een brevet dat als gelijkwaardig aan 1° en 2° wordt erkend,
  4° ofwel een brevet van militair administrateur, bovendien een geldelijke anciënniteitsbonificatie gelijk aan twee jaar.
  § 4. Onverminderd § 2, en, in voorkomend geval, samen met de uitvoering van het tweede lid van dezelfde §, geniet het actueel personeelslid van het operationeel kader voor wie het bezit van een diploma of studiegetuigschrift dat in aanmerking werd genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 bij de Rijksbesturen, één van de voorwaarden vormde voor de toelating, een geldelijke anciënniteitsbonificatie gelijk aan :
  1° 27 maanden, indien de normale duur van de licenties twee jaar bedroeg;
  2° 39 maanden indien de normale duur van de licenties minstens drie jaar bedroeg.

  Art. 12.11.18. § 1. Voor het actueel personeelslid van het operationeel kader, bedoeld in artikel XII.XI.17, § 2, tweede lid, dat later overgaat naar een loonschaal O5 of O5ir, wordt de geldelijke anciënniteit herberekend vertrekkende van de bepalingen van artikel XII.XI.17, § 2, eerste lid.
  Wanneer het titularis was van één van de bonificaties bedoeld in artikel XII.XI.17, § 3 en § 4, worden deze overeenstemmende anciënniteitsbonificaties ook toegekend aan het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in het eerste lid.
  § 2. Indien het later overgaat naar de loonschaal O2 bij toepassing van de artikelen (XII.VI.8bis en) XII.VII.16 tot en met XII.VII.18, ziet het personeelslid (...) zijn geldelijke anciënniteit herberekend op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit en bij toepassing van artikel XII.XI.17, § 2, tweede lid. <W 2005-07-03/53, art. 36, 007; Inwerkingtreding : 29-07-2005>
  De anciënniteit zoals bepaald met toepassing van het eerste lid, wordt nadien aangevuld met de werkelijke diensten die in het middenkader werden verricht vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

  Art. 12.11.18bis. § 1. Het personeelslid dat krachtens artikel XII.VII.15quater wordt bevorderd door overgang naar het middenkader verwerft de loonschaal M1.1 of M2.1, naargelang het maximum van de loonschaal die het als lid van het basiskader vóór de bevordering genoot, vermeerderd met het jaarlijks bedrag van de toelage bedoeld in artikel XII.XI.21, § 1, derde lid, 1°, minder of meer bedraagt dan het maximum van de loonschaal M1.1.
  § 2. In afwijking van de artikelen XI.II.3 tot XI.II.9 wordt de geldelijke anciënniteit van het in § 1 bedoelde personeelslid op de datum van die bevordering herberekend door, binnen de loonschaal M1.1, respectievelijk M2.1 de anciënniteit te bepalen die overeenstemt met het bedrag van de wedde dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan de volledige wedde, zoals bedoeld in artikel XI.I.3, 2°, die het daags vóór die bevordering genoot, vermeerderd met het jaarlijks bedrag van de toelage bedoeld in artikel XII.XI.21, § 1, derde lid, 1°.
  De krachtens het eerste lid herberekende anciënniteit wordt na de bevordering aangevuld met de vanaf dan gepresteerde werkelijke diensten zoals bedoeld in artikel XI.II.4.
  § 3. Het in § 1 bedoelde personeelslid verliest vanaf die bevordering definitief het recht op de in artikel XII.XI.21, § 1, bedoelde toelage.

  Art. 12.11.18ter. [1 § 1. Het personeelslid dat krachtens artikel XII.VII.15quinquies of artikel XII.VII.15sexies wordt bevorderd door overgang naar het middenkader verwerft de loonschaal M1.1.
   § 2. In afwijking van de artikelen XI.II.3 tot XI.II.9 wordt de geldelijke anciënniteit van het in paragraaf 1 bedoelde personeelslid op de datum van die bevordering herberekend door, binnen de loonschaal M1.1, de anciënniteit te bepalen die overeenstemt met het bedrag van de wedde dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan de volledige wedde, zoals bedoeld in artikel XI.I.3, 2°, die het daags vóór die bevordering genoot.
   De krachtens het eerste lid herberekende anciënniteit wordt na de bevordering aangevuld met de vanaf dan gepresteerde werkelijke diensten zoals bedoeld in artikel XI.II.4.
   § 3. In afwijking van artikel XI.III.28ter blijft het in paragraaf 1 bedoelde personeelslid dat bij zijn bevordering begunstigde is van de in dat artikel bedoelde toelage, die toelage genieten als hoofdinspecteur, voor zover het de verbintenis uiterlijk op 10 december 2008 heeft ondertekend en voor het overige aan de toekenningsvoorwaarden blijft beantwoorden. Het recht op de toelage vervalt evenwel definitief na het verstrijken van de lopende aanwezigheidstermijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2010-01-25/13, art. 10, 018; Inwerkingtreding : 01-04-2006>

  Art. 12.11.19. Het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in de artikelen XII.XI.14 en XII.XI.15 behoudt, met inbegrip van de tussentijdse verhogingen en de baremische vrijwaringsclausules die op hem van toepassing waren in zijn oud statuut, het recht op de baremische schaal waarvan het genoot vooraleer de bepalingen van dit besluit volledig op hem van toepassing werden tot zolang deze loonschaal voor hem voordeliger is dan deze waarop het, met inbegrip van de tussentijdse verhogingen, aanspraak kan maken met toepassing van de artikelen XII.XI.14 of XII.XI.15.
  Het verkrijgt bovendien een bijkomende toelage die overeenstemt met het verschil tussen de loonschaal, met inbegrip van de tussentijdse verhogingen en de weddebijslag, zoals bereikt met toepassing van het eerste lid en de meest voordelige vaste bezoldiging waarop het zou kunnen aanspraak maken afhankelijk van het feit of het het voordeel verkrijgt van deze wedde verbonden met zijn oud statuut dan wel van deze verbonden met het statuut bedoeld in dit besluit.
  Onder vaste bezoldiging verbonden aan het statuut bedoeld in dit besluit moet worden verstaan de geïndexeerde som van de loonschaal, met inbegrip van de tussentijdse verhogingen, waarop het personeelslid kan aanspraak maken krachtens de artikelen XII.XI.14 of XII.XI.15, en, in voorkomend geval, de haard- of standplaatstoelage, alsook, indien het actueel personeelslid van het operationeel kader deze geniet, de toelagen bedoeld in de artikelen XII.XI.20, XII.XI.21 en XII.XI.51. Indien het daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut van het personeelslid van het operationeel korps van een gemeentepolitiekorps en voor zover het deze geniet, wordt ook hieraan de tweetaligheidstoelage bedoeld in de artikelen XI.III.31 en XI.III.32 toegevoegd.
  Artikel XII.XI.25, § 1, eerste en tweede lid, § 2 en § 4, is, mutatis mutandis, van toepassing op de toelage bedoeld in het tweede lid.

  Art. 12.11.20. § 1. Aan het personeelslid dat het statuut van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht had, die titularis was van een betrekking bedoeld in artikel 29, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996, en op wie de bepalingen van artikel XII.XI.17, § 2, derde lid, 1°, c), of 2°, werkelijk toegepast worden, wordt, zolang hij de schaal M7 geniet, met toepassing van artikel XII.XI.15, een overgangstoelage toegekend waarvan het jaarlijkse bedrag is vastgesteld op :
  1° 86 400 frank (2 141,80 EUR) indien het diensthoofd was van een bewakings- en opsporingsbrigade;
  2° 65 000 frank (1 611,31 EUR) in de andere gevallen.
  § 2. Indien het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in § 1 geen toepassing meer kan maken van artikel XII.XI.15, wordt het bedrag van de overgangstoelage bedoeld in § 1 bepaald als zijnde het verschil tussen :
  1° de som van de wedde die het actueel personeelslid van het operationeel kader zou bekomen hebben in de loonschaal M7 indien artikel XII.XI.15 op hem van toepassing zou blijven, en het bedrag dat hem wordt toegekend overeenkomstig § 1;
  2° en de wedde die hij bekomt in de loonschalen O2, O3, O4 of O4bis.
  Het aldus bepaalde bedrag wordt hem toegekend zolang de wedde bedoeld in 2° kleiner is dan de som bedoeld in 1°.
  § 3. Artikel XII.XI.25 is, mutatis mutandis, van toepassing op de toelage bedoeld in de §§ 1 en 2.

  Art. 12.11.21. § 1. Met uitzondering van hem bedoeld in artikel 29 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, wordt een bijkomende toelage toegekend aan het actueel personeelslid van het operationeel kader (...) dat niet is benoemd in een graad van officier en dat, op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, is aangewezen bij, gedetacheerd naar of ter beschikking is gesteld van een dienst die behoort tot de algemene directie gerechtelijke politie, een gedeconcentreerde gerechtelijke dienst van de federale politie of dat, op de datum van de oprichting van een korps van de lokale politie is aangewezen bij, gedetacheerd naar of ter beschikking is gesteld van een opsporings- of onderzoeksdienst van de lokale politie, of dat, op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, is aangewezen bij of gedetacheerd is naar een betrekking van misdrijfanalist, of ter beschikking is gesteld van een dienst in deze hoedanigheid. <W 2005-07-03/53, art. 37, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  Het jaarlijks bedrag van deze toelage is vastgesteld op :
  1° 86 400 frank (2 141,80 EUR), indien het actueel personeelslid van het operationeel kader is aangewezen bij een dienst die behoort tot de algemene directie gerechtelijke politie of bij een gedeconcentreerde gerechtelijke dienst van de federale politie en dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, hetzij, de forfaitaire vergoeding bepaald bij het koninklijk besluit van 26 februari 1958 houdende toekenning van een vaste vergoeding aan sommige personeelsleden van de rijkswacht, hetzij, deze bedoeld in hoofdstuk III van het ministerieel besluit van 22 juni 1995 houdende toekenning aan de gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten van zekere vaste vergoedingen, kon genieten;
  2° 54 000 frank (1 338,63 EUR), in de andere gevallen.
  (Voor de personeelsleden die zijn ingeschaald in de loonschaal M1.2, respectievelijk M2.2, respectievelijk M3.2, respectievelijk M4.2 of M5.2 of respectievelijk M7bis, wordt deze toelage evenwel beperkt tot het bedrag dat wordt berekend op de volgende manier : de wedde van een personeelslid met dezelfde geldelijke anciënniteit en de analoge baremische loopbaan dat respectievelijk is ingeschaald in de loonschaal M1.1, M2.1, M3.1, M4.1 of M7, vermeerderd met de toelage bedoeld in het tweede lid, 1°, verminderd met zijn eigen wedde en, in voorkomend geval, de toelage bedoeld in artikel XII.XI.51, § 1.) <W 2005-07-03/53, art. 37, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  Artikel XII.XI.25, §§ 1, 2 en 4, is, mutatis mutandis, van toepassing op de toelage bedoeld in het eerste lid.
  In afwijking evenwel van datzelfde artikel, § 1, derde en vierde lid, en § 2, in geval van detachering van een actueel personeelslid van het operationeel kader naar of ter beschikkingstelling van een korps, een eenheid of een dienst bedoeld in het eerste lid, wordt het recht op de toelage geopend ten belope van 1/360ste per dag detachering of terbeschikkingstelling. In dat geval worden de verschuldigde bedragen betaald samen met de wedde van de tweede maand die volgt op deze waarin de toekenningsvoorwaarden zijn vervuld.
  § 2. De actuele personeelsleden van het operationeel kader (...) bedoeld in § 1, die in eerste instantie, slechts het bedrag bedoeld in § 1, tweede lid, 2°, genieten, genieten het bedrag bepaald in § 1, tweede lid, 1°, op de eerste dag van de maand die volgt op die waarop zij worden aangewezen bij, gedetacheerd naar of ter beschikking gesteld van een dienst die behoort tot de algemene directie gerechtelijke politie of een gedeconcentreerde gerechtelijke dienst van de federale politie en voldoen aan de opleidingsvoorwaarden bepaald (door Ons). <W 2005-07-03/53, art. 37, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  De actuele personeelsleden van het operationeel kader die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, houder zijn van het brevet van aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleent tot de bewakings- en opsporingsbrigades, of van het brevet van hogere aanvullende gerechtelijke opleiding, of van het brevet van operationele misdrijfanalist of strategisch analist, worden geacht de opleidingsvoorwaarden bedoeld in het eerste lid te vervullen.
  § 3. Het recht op de toelage wordt definitief beëindigd vanaf het ogenblik dat het actuele personeelslid van het operationeel kader de betrekking verlaat of dat een einde wordt gesteld aan de detachering zonder onmiddellijk te worden herplaatst, gedetacheerd of ter beschikking gesteld van een dienst die recht geeft op de toelage. Voor de toepassing van deze §, betekent het feit van gedetacheerd te zijn om een aanvullende of voortgezette opleiding te volgen, evenwel niet a priori dat een einde wordt gesteld aan de detachering of de terbeschikkingstelling.
  (Indien evenwel het recht op de bijkomende toelage van een personeelslid is beëindigd door zijn aanwijzing voor een betrekking bij het Under Cover Team van de Directie van de Speciale Eenheden van de federale politie, de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie, de Gemengde Antiterroristische Groepering, de Dienst Enquêtes voor de politiediensten bij het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten of de Dienst Enquêtes voor de inlichtingendiensten bij het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten, wordt dit recht heropend indien het na afloop van de voornoemde aanwijzing daarop volgend opnieuw wordt aangewezen voor een dienst bedoeld in § 1.) <W 2005-07-03/53, art. 37, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  <NOTA : Bij arrest nr 102/2003 van 22-07-2003, (B.S. 25-09-2003, p.47193), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd op 22-07-2003, in zoverre het de leden van de voormalige gerechtelijke politie niet de bij dat artikel ingestelde bijkomende toelage laat genieten>

  Art. 12.11.22. § 1. Voor de berekening van het bedrag van de toelage voor de dienstprestaties verricht op een zaterdag, zondag, feestdag of tijdens de nacht of voor bijkomende prestaties, kunnen de actuele personeelsleden van het operationeel kader die het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht of van de categorie bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht of van de gerechtelijke politie bij de parketten en die ofwel, de bepalingen van hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, evenals deze van het koninklijk besluit van 5 juni 1975 tot regeling van de toekenning van een toelage voor bijkomende prestaties aan sommige leden van de rijkswacht, ofwel de bepalingen van hoofdstuk III van het ministerieel besluit van 1 februari 1980 houdende toekenning aan sommige personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten van een toelage voor overwerk en een toelage voor onregelmatige dienst, genoten,vragen om deze bepalingen te blijven genieten. Een vermenging tussen deze bepalingen en gelijkaardige bepalingen in dit besluit is evenwel niet toegelaten.
  De actuele personeelsleden van het operationeel kader kunnen op ieder ogenblik afzien van de mogelijkheid bepaald in het eerste lid.
  Zij moeten zich nochtans uitspreken telkens wanneer zij een nieuwe betrekking bekomen en voor de eerste maal binnen de vijftien dagen die volgen op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit. Bij gebreke van uitdrukkelijke stellingname binnen de vijftien dagen die volgen op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit of de nieuwe aanwijzing, wordt de regeling bedoeld in deel XI, titel III, hoofdstuk III, afdelingen 2 en 3, toegepast op het personeelslid.
  De beslissing bedoeld in het tweede en het derde lid heeft uitwerking :
  1° op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, de eerste keer waarop de keuze moet worden uitgesproken;
  2° op de eerste van de maand waarop de referentieperiode bedoeld in artikel VI.I.3, aanvangt die volgt op deze tijdens dewelke de beslissing is bekendgemaakt aan de overheid. Als de datum van de betekening samenvalt met de eerste van de maand van deze periode, heeft de beslissing onmiddellijk uitwerking.
  § 2. Voor de toepassing van dit artikel, wordt de wedde, bedoeld in artikel 26 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, in artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 juni 1975 tot regeling van de toekenning van een toelage voor bijkomende prestaties aan sommige leden van de rijkswacht, evenals in de artikelen 4, 7 en 10 van het ministerieel besluit van 1 februari 1980 houdende toekenning aan sommige personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten van een toelage voor overwerk en een toelage voor onregelmatige dienst, echter definitief gekoppeld aan de indexatiecoëfficiënt die van toepassing is op de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  Het woord wedde bedoeld in het eerste lid moet worden verstaan als de wedde overeenkomstig de geldelijke anciënniteit zoals bepaald in het oorspronkelijk statuut, en zoals berekend op grond van de loonschaal die het personeelslid in zijn oorspronkelijk statuut voor de berekening van deze toelagen genoot.

  Art. 12.11.23.§ 1. Onverminderd de bepalingen bedoeld in de artikelen XIII.I.4, XIII.I.7, XIII.I.10, § 1, 2° en 5°, XII.XI.7 en XII.XI.8, wordt een compenserende toelage toegekend aan het actueel personeelslid van het operationeel kader dat :
  1° daags vóór de datum van inwerkingtreding [1 van dit besluit één van de in 2° bedoelde vergoedingen genoot en dat :]1 :
  a) ofwel het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht;
  b) ofwel het statuut had van personeelslid van de gerechtelijk politie bij de parketten bekleed met de hoedanigheid van officier of agent van gerechtelijke politie;
  c) ofwel het statuut had van personeelslid van een operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie;
  [1 en dat :]1
  2° met uitzondering van de diensten van de federale politie belast met de politie van de militairen, op dezelfde datum deel uitmaakte van of was gedetacheerd bij één van de eenheden of diensten die de ambten hebben overgenomen, vervuld door één van de eenheden of diensten die recht gaven op :
  a) ofwel de forfaitaire vergoeding bedoeld in het koninklijk besluit van 26 februari 1958 houdende toekenning van een vaste vergoeding aan sommige personeelsleden van de rijkswacht;
  b) ofwel deze bedoeld in hoofdstuk III van het ministerieel besluit van 22 juni 1995 houdende toekenning aan de gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten van zekere vaste vergoedingen;
  c) ofwel deze bedoeld in het koninklijk besluit van 22 december 1997 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende een vergoeding voor onkosten gemaakt bij de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke politie door leden van de gemeentepolitie maar op voorwaarde dat het werkelijk dagelijks toegekende bedrag hoger is dan 270 frank (6,70 EUR).
  § 2. Het jaarlijks bedrag van deze toelage is vastgesteld op :
  1° voor een actueel personeelslid van het operationeel kader dat tot het basiskader behoort : 78 680 frank (1 950,43 EUR);
  2° voor een actueel personeelslid van het operationeel kader dat tot het middenkader behoort : 79 140 frank (1 961,83 EUR);
  3° voor een actueel personeelslid van het operationeel kader dat tot het officierskader behoort : 86 900 frank (2 154,20 EUR).
  § 3. (Indien het personeelslid de in artikel XI.III.12, eerste lid, 5°, bedoelde toelage geniet of recht heeft op een detacherings- of delegatiepremie of een andere functionele toelage wegens zijn aanwijzing voor of detachering naar de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, de gemengde antiterroristische groepering, de Dienst Enquêtes voor de politiediensten bij het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten of de Dienst Enquêtes voor de inlichtingendiensten bij het Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten, wordt enkel hetzij de voornoemde detacherings- of delegatiepremie of een andere functionele toelage, hetzij de in § 1 bedoelde compenserende toelage, welke van de twee ook het hoogste ligt, uitbetaald terwijl het recht op de andere intussen wordt geschorst.) <W 2005-07-03/53, art. 38, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  ----------
  (1)<W 2013-12-21/22, art. 34, 022; Inwerkingtreding : 01-04-2011>

  Art. 12.11.24. Onverminderd artikel XII.XI.23, § 3, geniet hetzelfde actueel personeelslid van het operationeel kader de toelage bedoeld in artikel XII.XI.23 :
  1° zolang het na de inwerkingtreding van dit besluit een betrekking blijft bekleden :
  a) ofwel bij de gedeconcentreerde gerechtelijke diensten van de federale politie, met inbegrip van de hoedanigheid van verbindingsambtenaar bedoeld in artikel 105 van de wet;
  b) ofwel bij de diensten van de federale politie belast met bijzondere opdrachten in militair milieu en die de minister aanwijst;
  c) ofwel bij de centrale of gedecentraliseerde diensten van de federale politie belast met de gespecialiseerde bewaking, bescherming en interventie en die de minister aanwijst;
  d) ofwel, onder voorbehoud van de toepassing van 2°, in de centrale diensten van één van de algemene directies van de federale politie bedoeld in het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 met betrekking tot de commissaris-generaal en de algemene directies van de federale politie;
  e) ofwel bij de diensten van de lokale politie belast met onderzoeksopdrachten in het raam van taken van gerechtelijke politie, met inbegrip van de verbindingsambtenaren bedoeld in artikel 96 van de wet, zonder dat vervolgens een eventuele opvolging van aanwijzingen wordt onderbroken door een aanwijzing voor een betrekking in een andere dienst dan deze opgesomd in 1°, a), b), c), e), (de rechercheschool van de federale politie of f),) of in een andere algemene directie dan de algemene directie gerechtelijke politie; <W 2005-07-03/53, art. 39, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  (f) bij de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie, de Gemengde Antiterroristische Groepering, de Dienst Enquêtes voor de politiediensten bij het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten of de Dienst Enquêtes voor de inlichtingendiensten bij het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten.) <W 2005-07-03/53, art. 39, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  2° tot en met 31 december 2003 :
  a) indien het het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht of van een operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie, en;
  b) was aangewezen voor of gedetacheerd naar een dienst of een eenheid die de ambten heeft overgenomen van een dienst of een eenheid van het commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 17 februari 1998 betreffende het commissariaat-generaal, de raad van bestuur en de raad van overleg van de gerechtelijke politie bij de parketten, of was aangewezen voor of gedetacheerd naar een dienst of een eenheid die de ambten heeft overgenomen van een dienst of een eenheid van of ressorterend onder de algemene politiesteundienst zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 11 juli 1994 over de algemene politiesteundienst, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 11 juni 1998 en 9 juli 2000, en;
  c) dat gedurende deze periode op onafgebroken wijze in de eenheid of de dienst blijft, die op 1 januari 2001 de taken heeft overgenomen van één van de diensten of eenheden bedoeld in b).
  Het feit van gedetacheerd te zijn van de eenheid of dienst die op 1 januari 2001 de taken van de diensten of de eenheden bedoeld in b) heeft overgenomen, met het oog op het volgen van een aanvullende of voortgezette opleiding, leidt evenwel niet a priori tot een onderbreking van de aanwezigheid in deze eenheden of diensten;
  3° voor de duur van een andere detachering dan die bedoeld in 2°, die lopende is op de datum van inwerkingtreding van dit besluit en die recht gaf op één van de forfaitaire vergoedingen bedoeld in artikel XII.XI.23, § 1, 2° :
  a) indien het het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht of van een operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie, en;
  b) in de dienst gedetacheerd blijft waarnaar het is gedetacheerd op de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Het feit om gedetacheerd te zijn om een aanvullende of voortgezette opleiding te volgen betekent evenwel niet a priori dat een einde wordt gesteld aan de detachering in de dienst waarin het zich tot op heden gedetacheerd bevond.

  Art. 12.11.25.§ 1. De toelage is verschuldigd in alle administratieve standen die recht geven op de volledige wedde of op een wedde zoals verschuldigd in het raam van [1 de stelsels van de vrijwillige vierdagenweek en van de halftijdse vervroegde uittreding bedoeld in de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector evenals in het raam van de stelsels van de vierdagenweek met of zonder premie en van het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector en in het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector]1.
  Onverminderd het eerste lid, wordt de toelage verminderd volgens dezelfde regels en in dezelfde mate als de wedde wanneer de maandwedde niet volledig verschuldigd is.
  Zij is verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop men er aanspraak kan op maken. Zij houdt op verschuldigd te zijn vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze waarop men ophoudt er aanspraak op te maken.
  Indien deze data samenvallen met de eerste dag van een maand, ontstaat of vervalt het recht onmiddellijk.
  § 2. De toelage wordt ten belope van één twaalfde van het jaarlijks bedrag samen met de wedde betaald.
  § 3. De bepalingen van artikel XI.II.17, § 3, zijn, mutatis mutandis, van toepassing op de toelage bedoeld in artikel XII.XI.23.
  Indien de afwezigheid echter het gevolg is van de deelneming aan één van de opleidingen die toegang verlenen tot één van de kaders bedoeld in de artikelen 116 en 117 van de wet, is de toelage niettemin niet meer verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op diegene tijdens dewelke de opleiding aanvangt.
  § 4. Het regime van de mobiliteit dat van toepassing is op de wedden van het personeel van de ministeries, is eveneens van toepassing op de toelage bedoeld in § 1. Zij is verbonden met de spilindex 138,01.
  ----------
  (1)<W 2013-12-21/22, art. 35, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 12.11.26. In afwijking van de artikelen XIII.I.9 eerste lid, 5°, en 12° en XIII.I.10, § 1, 5°, kunnen de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, een dienstverplaatsing zouden uitvoeren buiten het Rijk onder een regime dat gelijk is aan dat bedoeld in dit besluit onder de bewoordingen " vaste dienst ", indien het oude regime hen voordeliger lijkt, ervoor kiezen om te blijven vallen onder de toepassing van die oude bepalingen tot op het ogenblik van hun definitieve terugkeer in België of bij de Belgische Strijdkrachten in Duitsland.
  Zij moeten hun keuze meedelen binnen de termijn bepaald bij artikel 242, derde lid, van de wet.
  Eénmaal de beslissing is genomen, wordt deze onherroepelijk.

  Art. 12.11.27. Onverminderd de artikelen XII.XI.7 en XII.XI.8, moet, voor de toepassing van artikel 14bis van het koninklijk besluit van 11 juli 1994 over de algemene politiesteundienst, onder meer, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut hadden van personeelslid van ofwel het operationeel korps van de rijkswacht, ofwel van de gerechtelijke politie bij de parketten, ofwel van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie, en die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, worden verstaan onder :
  1° personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit lid was van de gerechtelijke politie bij de parketten;
  2° personeelslid van de rijkswacht : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.43, § 2, 25°;
  3° personeelslid van een korps van de gemeentepolitie : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, behoorde tot de gemeentepolitie;
  4° algemene politiesteundienst : de eenheden of de diensten die op 1 januari 2001, de ambten van een dienst of een eenheid van de algemene politiesteundienst hebben overgenomen.

  Art. 12.11.28. Tot op de dag van de effectieve toepassing van artikel XI.IV.18, worden de kilometerafstanden waarvan sprake in deel XI, titel IV, hoofdstuk VII, berekend van centrum tot centrum van de gemeenten van de betreffende plaatsen volgens artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1969 tot regeling van de wettelijke afstanden.
  Voor de trajecten afgelegd vertrekkend van of eindigend in één van de plaatsen bedoeld in het eerste lid, maar die langs niet gerepertorieerde plaatsen lopen, wordt gebruik gemaakt van wegenkaarten die zijn erkend door de minister.

  Art. 12.11.29. § 1. Elk bijkomend prestatieuur dat op de datum van inwerkingtreding van dit besluit niet tijdig zou gerecupereerd zijn, wordt vereffend en betaald aan het actueel personeelslid van het operationeel kader in de loop van de tweede maand die volgt op die datum.
  § 2. In afwijking van § 1 en voor zover op de datum bedoeld in dezelfde § het totaal aantal te recupereren uren aan bijkomende prestaties meer dan honderd bedraagt, zal, voor het actueel personeelslid van het operationeel kader dat het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van een korps van gemeentepolitie, de betaling van de uurtoelagen voor bijkomende prestaties gedurende vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit, als volgt gebeuren :
  1° het aantal uren aan bijkomende prestaties dat moest worden betaald met toepassing van § 1 wordt opgedeeld in dertig delen, waarbij het eventuele resterende deel van deze opdeling wordt aangerekend op het laatste van deze delen;
  2° op het einde van elk van de eerste dertig perioden van twee maanden die volgen op de inwerkingtreding van dit besluit, zal het aantal overuren dat op dat ogenblik niet tijdig zou gerecupereerd zijn, derhalve betaald worden;
  3° voor de toepassing van dit artikel en in afwijking van artikel XI.III.8, § 1, tweede lid, wordt, voor het aantal te betalen overuren zoals bedoeld in 2°, dat kleiner is dan of gelijk is aan het resultaat van het breukdeel zoals bepaald in 1°, verstaan onder wedde : de laatste bruto jaarwedde die als berekeningsbasis diende voor de bezoldiging verschuldigd aan het betrokken personeelslid vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Voor het aantal te betalen overuren dat het desbetreffende breukdeel overschrijdt, is artikel XI.III.8, § 1, van toepassing.
  Voor het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen XI.III.8, § 3, en XI.III.9, in geval van mobiliteit, ambtshalve aanwijzing of herplaatsing, mutatis mutandis, van toepassing. De breukdelen die op dat ogenblik onbetaald zouden gebleven zijn, blijven ten laste van de gemeente of de zone die het personeelslid verlaat en worden betaald volgens het tijdsschema bedoeld in het eerste lid, 3°.
  § 3. De politieraad of de gemeenteraad kan tot een andere dan in § 2, 1°, bedoelde opdeling beslissen, zonder dat het breukdeel evenwel kleiner kan zijn.

  Art. 12.11.30. In afwijking van artikel XI.IV.111 en voor een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit, kan het actueel personeelslid van het operationeel kader aanspraak maken op een verhuisvergoeding, zelfs bij een door hemzelf aangevraagde inplaatsstelling.
  Het kan in dezelfde omstandigheden en onder dezelfde voorwaarden zoals bedoeld in het eerste lid, aanspraak maken op de toepassing van de bepalingen van deel XI, titel IV, hoofdstuk VII, afdeling 5, onderafdeling 12.

  Art. 12.11.31. Onverminderd het tweede lid en in afwijking van artikel XI.III.12, eerste lid, 2° en tweede lid, worden de actuele personeelsleden van het operationeel kader, die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit deel uitmaakten van het rijdend personeel van de politie van de autosnelwegen en de autowegen door de Koning bepaald, of geregeld hun diensten uitvoerden met een dienstmotorfiets bij het operationeel korps van een gemeentepolitiekorps of bij het operationeel kader van een korps van de lokale politie, geacht te voldoen aan de voorwaarden van datzelfde artikel.
  Evenwel worden voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader die geen deel uitmaakten van het rijdend personeel van de politie van de autosnelwegen en de autowegen door de Koning bepaald, en in afwachting dat hen een bijkomende opleiding wordt verstrekt, de bedragen bedoeld in bijlage 6, punt 2, vervangen door :
  1° voor het basiskader : 36 000 frank (892,42 EUR);
  2° voor het middenkader : 42 750 frank (1 059,42 EUR);
  3° voor het officierskader : 43 380 frank (1 075,37 EUR).
  De bedragen bedoeld in bijlage 6 worden toegekend op de eerste dag van de maand die volgt op deze van het slagen in de opleiding.
  Als deze datum samenvalt met de eerste van de maand, wordt het hogere bedrag onmiddellijk toegekend.

  Onderafdeling 3. - Overgangsbepalingen eigen aan de actuele personeelsleden van het operationeel kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps of van de categorie van bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht.

  Art. 12.11.32. § 1. Indien, in afwijking van artikel XII.XI.19 en onverminderd de artikelen XII.XI.38 of XII.XI.39, de geïndexeerde som van zijn nieuwe wedde, toegekend met toepassing van de artikelen XII.XI.14, XII.XI.15, XII.XI.17 en XII.XI.18 en, in voorkomend geval, de haard- of standplaatstoelage, de toelage bepaald in artikel XII.XI.20 en de toelage bepaald in artikel XII.XI.21, lager is dan de geïndexeerde som, zoals die zou zijn bepaald met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut :
  1° van de wedde,
  2° indien het, met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit deze genoot, en zolang de reglementering die aan de grondslag van die aanstelling lag, behouden blijft, de toelage bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht,
  3° de toelage voor bijzondere functies bedoeld in artikel 24 van hetzelfde besluit gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 januari 1991, 2 december 1994 en 2 maart 1998, indien het deze genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut,
  4° de huisvestingstoelage bedoeld in artikel 30 van hetzelfde besluit gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 januari 1991, 16 december 1994 en 2 maart 1998, indien het in zijn oorspronkelijk statuut een graad beneden de officiersrang bekleedde,
  5° de toelage bedoeld in artikel 29, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996 indien :
  a) hetzij het tot daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit titularis was gebleven van een betrekking die tot 31 december 2000 was bedoeld in hetzelfde artikel en in die hoedanigheid werkelijk genoot van de toelage of indien het er niet werkelijk van genoot, op voorwaarde dat hij van zijn betrekking afwezig is geweest voor andere redenen dan bij toepassing van ordemaatregelen ten bewarende titel behoudens wanneer deze vervolgens definitief werden ingetrokken, of op voorwaarde dat het personeelslid intussen voor een ambt met mandaat aangewezen werd.
  Indien het personeelslid afwezig was voor andere redenen dan bij toepassing van ordemaatregelen ten bewarende titel, wordt de toelage in aanmerking genomen van zodra het zijn ambt in de zin van artikel XI.I.3, 5°, heropneemt. Indien het dit was bij toepassing van ordemaatregelen ten bewarende titel wordt de toelage in aanmerking genomen met terugwerkende kracht op de datum waarop de in het tweede lid, 1°, bedoelde wedde is vastgesteld in de loonschaal O2;
  b) hetzij het tot daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit een titularis van één van de betrekkingen bedoeld in § 1, eerste en tweede lid, van hetzelfde artikel verving en in deze hoedanigheid van dezelfde toelage genoot,
  6° in voorkomend geval, de haard- of standplaatstoelage,
  7° indien het deze genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut in vervanging van de elementen bedoeld in 3° tot en met 6°, de aanvullende toelage bedoeld in artikel 23, tweede lid, van het koninklijk besluit van 26 januari 1999 tot vaststelling van de inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht en houdende de regeling van de integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 januari 2000 betreffende de benoeming en de bevordering van de personeelsleden van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie die naar de rijkswacht overgeplaatst zijn en houdende diverse andere statuutbepalingen omtrent die personeelsleden,
  8° indien het deze genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, de weddeverhoging bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996,
  9° indien het deze daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, de toelage bedoeld in artikel 10 van het koninklijk besluit van 1 oktober 1973 tot vaststelling van de bezoldiging van de personen belast met een leeropdracht aan sommige scholen voor vorming en voortgezette opleiding van officieren en tot toekenning van een toelage aan de titularissen van sommige betrekkingen bij die scholen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 maart 1995,
  wordt de bijkomende toelage bedoeld in artikel XII.XI.19, tweede lid, berekend overeenkomstig de bijlage 17 voor het actueel personeelslid van het operationeel kader dat het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  § 2. Worden evenwel slechts in aanmerking genomen gedurende één jaar vanaf de inwerkingtreding van dit besluit en voor zover het personeelslid geen weddebijslag geniet voor de uitoefening van een mandaat, zoals bedoeld in artikel XI.II.17 :
  1° de bedragen van de toelage bedoeld in § 1, 5°, en die werden toegekend aan de titularissen van één van de betrekkingen bedoeld in artikel 29, § 1, eerste, derde of vierde lid, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996;
  2° de bedragen van de toelage bedoeld in § 1, 5°, die waren toegekend aan de vervangers van de titularissen van één van de betrekkingen bedoeld in artikel 29, § 1, eerste of tweede lid, van hetzelfde besluit;
  3° het bedrag van de toelage bedoeld in § 1, 9°.

  Art. 12.11.33. Voor het actueel personeelslid van het operationeel kader dat het statuut had van personeelslid van de categorie bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, moet onder vaste bezoldiging gekoppeld aan het oorspronkelijk statuut zoals bedoeld in artikel XII.XI.19, tweede lid, worden verstaan :
  1° indien het deel had uitgemaakt van de zeevaartpolitie : de wedde, inclusief de bijslagen, in voorkomend geval, vermeerderd met de haard- of standplaatstoelage;
  2° indien het deel had uitgemaakt van de luchtvaartpolitie : de wedde, in voorkomend geval, vermeerderd met de haard- of standplaatstoelage;
  3° indien het deel had uitgemaakt van de spoorwegpolitie : de wedde, inclusief de bijslagen, vermeerderd met de haard- of standplaatstoelage alsmede de produktiviteitspremie gebonden aan de evaluatie, de harmoniseringscoëfficiënt en de produktiviteitscoëfficiënt.
  De produktiviteitscoëfficiënt wordt maandelijks berekend voor de werkelijk door iedere agent gepresteerde arbeidsuren, volgens de volgende formule :
  P = Th x T x Ca x Cp x Ch,
  waarbij :
  P = maandelijkse brutopremie;
  Th = uurbedrag van de premie;
  T = aantal prestatieuren die recht geven op de premie;
  Ca = 1,30 = individueel evaluatiecijfer;
  Cp = 1,80 = produktiviteitscoëfficiënt;
  Ch = 1,05 = harmoniseringscoëfficiënt.
  Het bepalen van de daadwerkelijk gepresteerde arbeidsuren (T) en van het uurbedrag (Th) geschiedt overeenkomstig het reglementair besluit N° 9 van 19 januari 1990 houdende het algemeen stelsel van de productiviteitspremies, zoals van toepassing bij de NMBS op 1 juni 1999.

  Art. 12.11.34. Voor de toepassing van de artikelen XII.XI.32 en XII.XI.33, moet de term wedde worden begrepen als de wedde die overeenstemt met de geldelijke anciënniteit zoals die was vastgesteld in het oorspronkelijk statuut.

  Art. 12.11.35. Onder voorbehoud van artikel XII.XI.79, behouden de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van de categorie bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht en die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, het voordeel van de geldelijke reglementering die van toepassing was op het personeel van de luchtvaartpolitie en de zeevaartpolitie respectievelijk op 1 maart 1999 en 1 april 1999.

  Art. 12.11.36.§ 1. Het actueel personeelslid van het operationeel kader dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht en dat in dienst of gedetacheerd was bij het detachement belast met de uitoefening van de politie van de militairen of bij de dienst gerechtelijke politie bij het militaire gerecht, bij de Belgische Strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland, behoudt zijn recht op een verwijderingsvergoeding.
  § 2. De verwijderingsvergoeding is verschuldigd volgens het bedrag dat, op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, is bepaald in de tabel 1.a. van het koninklijk besluit van 1 maart 1977 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen en de met de militairen gelijkgestelde personen die bij de Belgische Strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland in dienst zijn of daarbij op dienstreis zijn.
  Zij wordt toegekend volgens de bedragen die zijn bepaald voor de gehuwden, voor de samenwonenden die een certificaat van gezinssamenstelling kunnen voorleggen, alsmede voor de ongehuwden, weduwnaars, uit de echt of van tafel en bed gescheidenen, voor zover de belanghebbenden familielast hebben.
  Zij wordt maandelijks en na vervallen termijn betaald.
  Zij wordt toegekend tot de dag vóór deze waarop het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in § 1, ophoudt in dienst of gedetacheerd te zijn bij het detachement belast met de uitoefening van de politie van de militairen of bij de dienst gerechtelijke politie bij het militaire gerecht, bij de Belgische Strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland.
  § 3. Wanneer het actueel personeelslid van het operationeel kader dat de vergoeding geniet een dienstverplaatsing moet uitvoeren, van welke aard ook, buiten de zone toebedeeld aan de Belgische strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland, of wanneer hij in België is gehospitaliseerd of een verlof om gezondheidsredenen doorbrengt buiten de zone toebedeeld aan de Belgische strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland, houdt de verwijderingsvergoeding op verschuldigd te zijn. Bij een dienstverplaatsing andere dan deze in " vaste dienst ", in de zin van artikel XI.IV.13, 8°, of bij één van de twee andere gevallen, wordt deze evenwel behouden ten belope van 60 % van het bedrag indien de familie van het personeelslid is gevestigd in de Bondsrepubliek Duitsland.
  § 4. Wanneer de beide echtgenoten of samenwonenden de verwijderingsvergoeding genieten, ontvangt de echtgenoot of de samenwonende die aanspraak kan maken op de vergoeding bepaald voor de hoogste categorie deze vergoeding tegen het bedrag vastgesteld voor de gehuwden; de andere echtgenoot of samenwonende ontvangt deze tegen het bedrag bepaald voor ongehuwden. Als beide echtgenoten of samenwonenden aanspraak kunnen maken op de vergoeding voor eenzelfde categorie, wordt de vergoeding tegen het bedrag bepaald voor de gehuwden toegekend aan de oudste in leeftijd der echtgenoten of samenwonenden.
  Indien de administratie niet op de hoogte is van deze toestand, moet het actueel personeelslid van het operationeel kader de toestand van samenwoonst meedelen.
  § 5. Voor de toepassing van de reglementering bepaald in § 2, moet :
  1° onder " van dienst zijn bij het detachement belast met de uitoefening van de politie van de militairen of bij de dienst gerechtelijke politie bij het militaire gerecht, bij de Belgische Strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland " worden verstaan : de periode doorgebracht bij het detachement die recht geeft op een volledige wedde of op een wedde zoals verschuldigd in het raam van [1 de stelsels van de vrijwillige vierdagenweek en van de halftijdse vervroegde uittreding bedoeld in de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector evenals in het raam van de stelsels van de vierdagenweek met of zonder premie en van het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector en in het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector]1, met uitsluiting van :
  a) een verlof einde loopbaan;
  b) een afwezigheid om gezondheidsredenen vanaf de 181e dag;
  c) een disponibiliteit wegens ziekte;
  d) een voorlopige hechtenis, gevolgd door een interneringsmaatregel, alsmede de internering zelf;
  e) zaterdag, zondag, feestdag of rustdag die onmiddellijk volgt op de periode van afwezigheid om gezondheidsredenen of de disponibiliteit wegens ziekte;
  2° het actueel personeelslid van het operationeel kader dat behoort tot het kader van de officieren gelijkgesteld worden met de lagere officieren; het ander personeelslid met de onderofficieren.
  ----------
  (1)<W 2013-12-21/22, art. 36, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 12.11.37. § 1. Aan het actueel personeelslid van het operationeel kader dat op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit in dienst was van of gedetacheerd was bij het detachement belast met de uitoefening van de politie van de militairen of bij de dienst gerechtelijke politie bij het militaire gerecht, bij de Belgische Strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland en waarvan " het gezin " zoals bedoeld in artikel XI.IV.13, 14°, is gevestigd in de Bondsrepubliek Duitsland wordt eveneens een vergoeding voor schoolkosten toegekend ten bate van het kind dat te zijnen laste is, aan wie secundair of buitengewoon onderwijs wordt verstrekt en van wie hij internaatskosten draagt.
  § 2. In afwijking van § 1 en bijbeslissing van de minister kan het actueel personeelslid van het operationeel kader, weduwnaar, uit de echt of van tafel en bed gescheiden, zonder dat voldaan is aan de voorwaarde dat het gezin in de Bondsrepubliek Duitsland is gevestigd, een vergoeding krijgen en kan hij ze ook krijgen voor het kind aan wie kleuter- of lager onderwijs wordt verstrekt.
  § 3. De minister kan het recht op de vergoeding voor schoolkosten handhaven voor het actueel personeelslid van het operationeel kader dat in de loop van het schooljaar het detachement verlaat, zolang het kind, in wiens voordeel de vergoeding krachtens de §§ 1 of 2 waren toegekend, zijn studies als intern aan dezelfde onderwijsinrichting verderzet.
  Dit recht mag evenwel na afloop van het lopende schooljaar niet worden behouden.
  § 4. De minister bepaalt, op gunstig advies van de inspecteur van Financiën, voor elk schooljaar, de jaarlijkse forfaitaire bedragen van de vergoeding voor de schoolkosten. Die bedragen mogen evenwel niet hoger zijn dan de internaatskosten aangerekend door de aan de Belgische athenea in de Bondsrepubliek Duitsland toegevoegde internaten.
  § 5. Onverminderd de §§ 2 en 3, is de vergoeding verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand tijdens dewelke alle toekenningsvoorwaarden vervuld zijn. Zij is niet meer verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarin alle voorwaarden niet meer vervuld zijn.
  § 6. De vergoeding wordt maandelijks uitbetaald, van september tot juni, en na vervallen termijn.
  Het maandelijks bedrag is gelijk aan één tiende van het jaarbedrag, vastgesteld overeenkomstig § 4.

  Art. 12.11.38. § 1. In afwijking van artikel XIII.I.10, § 1, 1° en 2°, blijft artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 31 juli 1952 tot bepaling van de ambten van het Ministerie van Landsverdediging waaraan vrije inwoning is verbonden, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 april 1974, van kracht voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling en die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit een kosteloze vrije inwoning genoten met toepassing van datzelfde artikel. Het voordeel van deze kosteloosheid wordt hen toegekend tot op het ogenblik dat zij dit logement verlaten.
  Onverminderd artikel XII.XI.39, § 2, mogen de actuele personeelsleden van het operationeel kader die niet opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling en die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit een kosteloze vrije inwoning genoten met toepassing van datzelfde artikel, dit logement verder betrekken tegen de uitoefening van een inhouding op hun maandelijkse bezoldiging.
  Onder maandelijkse bezoldiging moet worden verstaan de wedde alsmede de bezoldigingselementen die samen met de wedde worden uitbetaald.
  (Indien een in het eerste of tweede lid bedoeld personeelslid verplicht wordt zijn logement te verlaten wegens een beslissing van de Regie der Gebouwen of een andere overheid om het logement te verkopen of voor andere doeleinden te gebruiken, wordt hem aan dezelfde voorwaarden een ander logement aangeboden, dat voldoende groot is volgens de gezinssamenstelling en dat in hetzelfde gerechtelijk arrondissement of in dat waar het betrokken personeelslid werkzaam is, gelegen is.) <W 2006-07-20/38, art. 63, 1°, 011; Inwerkingtreding : 28-07-2006>
  (Het voordeel van de vrije inwoning van het personeelslid dat wordt ingeschaald in of wordt bevorderd tot een graad van officier, vervalt, tenzij en voor zolang het krachtens artikel XII.XI.15 de loonschaal M7 geniet; in dit laatste geval vervalt het voordeel ten vroegste op 1 april 2007.) Indien het gratis kon genieten van een logement en het werd bevorderden tot graad van officier bij toepassing van artikel XII.VII.16, geniet het evenwel slechts dat recht tot op de datum van de benoeming in deze graad. <W 2006-07-20/38, art. 6, 2°, 011; Inwerkingtreding : 01-047-20016>
  § 2. Het maandelijks bedrag van de inhouding bedoeld in § 1, tweede lid, is gelijk aan :
  1° 5 900 frank (146,26 EUR) voor de personeelsleden die de loonschaal B1, B2 of B3 genieten;
  2° 6 092 frank (151,02 EUR) voor de personeelsleden die de loonschaal B4 of B5 genieten;
  3° 6 542 frank (162,18 EUR) voor de personeelsleden die de loonschaal M1.1, M2.1 of M3.1 genieten;
  4° 6 858 frank (170,00 EUR) voor de personeelsleden die de loonschaal M4.1 of M5.1 genieten;
  5° 7 800 frank (193,36 EUR) voor de personeelsleden die de loonschaal M7 genieten.
  § 3. Het mobiliteitsstelsel dat van toepassing is op de wedden van het personeel van de ministeries is eveneens van toepassing op de bedragen bedoeld in § 2. Zij worden gekoppeld aan de spilindex 138,01.
  § 4. De inhouding bedoeld in § 1 wordt uitgevoerd vóór iedere inhouding andere dan deze uitgevoerd bij toepassing van de fiscale wetgeving en reglementering, of van deze die op de sociale zekerheidswetgeving of de pensioenen betrekking hebben, die hiermee in concurrentie kunnen treden. Deze is echter zonder invloed op de berekening van de inhoudingen die uitgevoerd zijn bij toepassing van de fiscale wetgeving en reglementering, of van deze die op de sociale zekerheidswetgeving of de pensioenen betrekking hebben.
  § 5. Het feit dat het actueel personeelslid van het operationeel kader niet een volledige wedde zou genieten of dat zijn wedde hem niet volledig zou zijn verschuldigd, is zonder invloed op de toepassing van de §§ 2 en 3.
  Het actueel personeelslid van het operationeel kader dat, hoewel het zich bevindt in een administratieve stand waarin het niet is betaald gedurende een volledige maand, kosteloos een logement blijft genieten, betaalt aan het organisme ten voordele waarvan de inhouding wordt uitgevoerd, het equivalent van de laatste inhouding volgens de nadere regelen die het organisme hem aangeeft.

  Art. 12.11.39. § 1. Een bedrag voor voordelen in natura wordt toegekend aan de actuele personeelsleden van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.38, § 1, eerste lid.
  Onverminderd § 2, wordt dit bedrag vastgesteld op 10 % van het bruto bedrag van de gemiddelde wedde, en dit eveneens wanneer de wedde van het actuele personeelslid van het operationeel kader hem slechts gedeeltelijk is verschuldigd. Wanneer de wedde hem niet is verschuldigd gedurende één of meerdere volledige maanden is artikel XII.XI.38, §§ 2, 3 en 5, van toepassing.
  § 2. Ongeacht of het geopteerd heeft voor het behoud van zijn oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt, indien het actueel personeelslid van het operationeel kader gratis beschikt over één enkele plaats, het voordeel vastgesteld, per dag dat het voordeel werd toegekend, volgens de bepalingen van artikel 18 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993, tot uitvoering van het Wetboek der inkomstenbelastingen van 1992.
  § 3. De gemiddelde wedde bedoeld in § 1, tweede lid, wordt bepaald door het rekenkundig gemiddelde van de minimum en maximumwedde van de loonschaal die het actueel personeelslid van het operationeel kader geniet.
  § 4. Het regime van de mobiliteit dat van toepassing is op de personeelsleden van de ministeries is van toepassing op het bedrag bedoeld in § 1, tweede lid. Het is gekoppeld aan de spilindex 138,01.
  § 5. Het voordeel in natura wordt elke maand verrekend. In de gevallen bedoeld in § 1, tweede lid, wordt het aangerekend ten belope van één twaalfde van de berekende bedragen.
  Wanneer het voordeel in natura zoals bedoeld in § 1, tweede lid, slechts moet worden aangerekend voor een gedeelte van de maand, wordt het verminderd volgens dezelfde regels als diegene die worden toegepast op de wedde.

  Art. 12.11.40. § 1. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 26 februari 1958 houdende toekenning van een vaste vergoeding aan sommige personeelsleden van de rijkswacht, onder andere, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht en die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder :
  1° het commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie : de diensten van één van de algemene directies van de federale politie bepaald in het koninklijk besluit van 3 september 2000 met betrekking tot de commissaris-generaal en de algemene directies van de federale politie, die op 1 januari 2001 de taken hebben overgenomen van de eenheden en diensten van het Commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 17 februari 1998 betreffende het commissariaat-generaal, de raad van bestuur en de raad van overleg van de gerechtelijke politie bij de parketten;
  2° de bewakings- en opsporingsbrigades : de gedeconcentreerde gerechtelijke diensten van de federale politie, met inbegrip van de verbindingsambtenaren bedoeld in artikel 105 van de wet;
  3° dienst gerechtelijke politie bij het militaire gerecht wanneer deze dienst wordt opgericht krachtens artikel 8 van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht, gewijzigd bij de wet van 9 december 1994 : de diensten van de federale politie belast met bijzondere opdrachten in het militaire midden die de minister aanwijst;
  4° dienst militaire veiligheid : de diensten van de federale politie belast met bijzondere opdrachten in het militaire midden die de minister aanwijst;
  5° detachementen belast met het uitvoeren van de politie van de militairen, met inbegrip van, wanneer deze opdracht wordt uitgevoerd buiten de grenzen van het Rijk, het commando-echelon dat wordt opgericht met toepassing van artikel 65 van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht, gewijzigd bij de wet van 9 december 1994 : de diensten van de federale politie belast met de politie van de militairen wanneer detachementen van de federale politie worden geleverd met toepassing van artikel 112, eerste lid, van de wet;
  6° speciaal interventie-eskadron : de centrale diensten van de federale politie belast met de gespecialiseerde bewaking, bescherming of interventie, die de minister aanwijst;
  7° peloton voor bescherming, observatie, steun en arrestatie : de gedeconcentreerde diensten van de federale politie belast met de gespecialiseerde bewaking, bescherming of interventie, die de minister aanwijst;
  8° korpscommandant : de korpschef of commandant van de dienst waartoe het actueel personeelslid van het operationeel kader behoort.
  § 2. De algemene politiesteundienst zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 11 juli 1994 over de algemene politiesteundienst, wordt gelijkgesteld met het commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie, bepaald in § 1, 1°.

  Art. 12.11.41. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 1 oktober 1973 tot vaststelling van de bezoldiging van de personen belast met een leeropdracht aan sommige scholen voor vorming en voortgezette opleiding van officieren en tot toekenning van een toelage aan de titularissen van sommige betrekkingen bij die scholen, onder meer, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht en die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, moet worden verstaan onder :
  1° school voor officieren : kaderschool van de politiediensten - afdeling opleiding van de politieofficieren;
  2° minister van Landsverdediging : de minister;
  3° commandant van de rijkswacht : het personeelslid dat het ambt uitoefent van commissaris-generaal van de federale politie;
  4° bezoldigde officier : het actueel personeelslid van het operationeel kader zoals bedoeld in artikel XII.XI.43, § 2, 9°;
  5° professor : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat deel uitmaakt van het officierskader, zoals bedoeld in 4°, dat een opdracht uitoefent van professor of een door de minister daarmee gelijkgestelde opdracht;
  6° met lesopdracht belast : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat deel uitmaakt van het officierskader, zoals bedoeld in 4°, dat met een lesopdracht of met een door de minister daarmee gelijkgestelde opdracht is belast;
  7° repetitor : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat deel uitmaakt van het officierskader, zoals bedoeld in 4°, dat een opdracht van opleider of een door de minister daarmee gelijkgestelde opdracht uitoefent.

  Art. 12.11.42. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 29 januari 1974 tot vaststelling van het stelsel der toelagen en premies verschuldigd aan de militairen die deelnemen aan de luchtdienst van de krijgsmachtdelen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 oktober 1975, 1 maart 1977, 15 maart 1988, 19 november 1990, 11 augustus 1994 en 25 maart 1996, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht en die kiezen voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, moet verstaan worden onder :
  1° militair : het actueel personeelslid van het operationeel kader, dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht;
  2° militair die deelneemt aan de luchtdienst : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in 1° dat deelneemt aan de luchtdienst;
  3° toestel in gebruik bij de Krijgsmachtdelen of bij de rijkswacht : toestel in gebruik bij de federale politie;
  4° lid van het varend personeel (van het actief kader) : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in 1°, dat behoort tot het varend personeel van het luchtsteundetachement;
  5° lid van het gebreveteerd varend personeel (van de Krijgsmacht) : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in 4°, houder van een brevet van het varend personeel van het luchtsteundetachement;
  6° minister van Landsverdediging : de minister;
  7° militaire dienst : dienst;
  8° officieren en onderofficieren piloot : de actuele personeelsleden van het operationeel kader met de hoedanigheid van piloot;
  9° leerling varend personeel : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in 4°, dat in opleiding is;
  10° gebrevetteerd varend personeel met hoger brevet van de andere Krijgsmachtdelen : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in 5°, titularis van een hoger pilootbrevet.

  Art. 12.11.43. § 1. Voor de toepassing van dit artikel moet onder " anciënniteit " worden verstaan, de anciënniteit gevormd door de duur van de door het actueel personeelslid van het operationeel kader uitgevoerde diensten met inbegrip van de duur van de opleiding.
  § 2. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, onder andere, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader, die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht en die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, moet worden verstaan onder :
  1° officier, met uitzondering van de hoofd- en opperofficier : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat deel uitmaakt van het officierskader, bekleed met de graad van commissaris van politie en dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht, bekleed met de graad van onderluitenant-leerling, onderluitenant, luitenant, kapitein of kapitein-commandant;
  2° hoofdofficier : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat deel uitmaakt van het officierskader, bekleed met de graad van hoofdcommissaris van politie en dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht, bekleed met de graad van majoor, luitenant-kolonel of kolonel;
  3° opperofficier : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat deel uitmaakt van het officierskader, bekleed met de graad van hoofdcommissaris van politie en dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht, bekleed met de graad van generaal-majoor of luitenant-generaal;
  4° kandidaat-officier, aangesteld in de graad van wachtmeester of adjudant : het actueel personeelslid van het operationeel kader, aspirant-commissaris van politie met :
  a) minstens zes maanden anciënniteit, indien hij werd gerekruteerd via de Koninklijke Militaire School;
  b) minstens zes weken anciënniteit, indien hij werd gerekruteerd onder de voorwaarde om houder te zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat in aanmerking wordt genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 bij de Rijksbesturen, en dat, ofwel, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, was aangesteld in de graad van wachtmeester of adjudant, ofwel, na de inwerkingtreding van dit besluit en met toepassing van artikel XII.XI.44, een loonschaal verkrijgt die overeenkomt met deze hoedanigheid;
  5° kandidaat-officier, aangesteld in een graad van officier, met uitzondering van de hoofd- en opperofficier : het actueel personeelslid van het operationeel kader, aspirant-commissaris van politie met :
  a) minstens vier maanden anciënniteit, indien hij werd gerekruteerd onder de voorwaarde van houder te zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat in aanmerking wordt genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 bij de rijksbesturen of via sociale promotie;
  b) minstens twee jaar anciënniteit, indien hij werd gerekruteerd via de Koninklijke Militaire School, en dat, ofwel, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, was aangesteld in de graad van onderluitenant of luitenant, ofwel, na de inwerkingtreding van dit besluit en met toepassing van artikel XII.XI.44, een loonschaal verkrijgt die overeenkomt met de hoedanigheid van kandidaat-officier, aangesteld in de graad van onderluitenant of luitenant;
  6° kandidaat-officier sociale promotie : het actueel personeelslid van het operationeel kader, aspirant-commissaris van politie dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, als kandidaat-officier was gerekruteerd via de sociale promotie;
  7° kandidaat-officier sociale promotie, aangesteld in de graad van onderluitenant : het actueel personeelslid van het operationeel kader, bepaald in 6°, dat, ofwel daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht aangesteld in de graad van onderluitenant ofwel, na de inwerkingtreding van dit besluit en met toepassing van artikel XII.XI.44, een loonschaal verkrijgt gekoppeld aan een graad van onderluitenant-leerling, zoals bedoeld in bijlage A van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht;
  8° personeelslid van de rijkswacht van een rang lager dan deze van officier : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat tot het basis- of middenkader behoort, alsmede het actueel personeelslid van het operationeel kader dat behoort tot het officierskader, dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, was bekleed met een graad van onderofficier van de rijkswacht;
  9° officier : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat behoort tot het officierskader, bekleed met minstens de graad van commissaris van politie, met uitzondering van de personeelsleden met deze graad bekleed, die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, bekleed waren met een graad van onderofficier bij de rijkswacht;
  10° luitenant-leerling : het actueel personeelslid van het operationeel kader aspirant-commissaris van politie gerekruteerd via de Koninklijk Militaire School - polytechnische afdeling, dat, ofwel, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, was aangesteld in de graad van luitenant, ofwel, na de inwerkingtreding van dit besluit met toepassing van artikel XII.XI.44, de loonschaal van onderluitenant-leerling, bepaald in bijlage A van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, verkrijgt;
  11° onderluitenant-leerling : het actueel personeelslid van het operationeel kader aspirant-commissaris van politie met :
  a) minstens vier maanden anciënniteit, indien het werd gerekruteerd onder de voorwaarde van houder te zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat in aanmerking werd genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 bij de rijksbesturen of via de sociale promotie,
  b) minstens twee jaar anciënniteit, indien het, zonder te voldoen aan de definitie bepaald in 10°, werd gerekruteerd via de Koninklijke Militaire School,
  en dat, ofwel, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, was aangesteld in de graad van onderluitenant, ofwel na de inwerkingtreding van dit besluit en met toepassing van artikel XII.XI.44, een loonschaal verkrijgt gekoppeld aan de graad van onderluitenant-leerling, bepaald in bijlage A van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht;
  12° kandidaat-officier : het actueel personeelslid van het operationeel kader aspirant-commissaris van politie;
  13° eerste wachtmeester : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat deel uitmaakt van het basiskader, dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit was bekleed met de graad van eerste wachtmeester en dat, indien het geen gebruik maakte van de bepalingen van de artikelen 236, tweede tot en met vierde lid, en 242, tweede en derde lid, van de wet, op deze of een latere datum, zou genieten van de loonschaal B3, B4, of B5;
  14° opperwachtmeester : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat deel uitmaakt van het middenkader, dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, was bekleed met de graad van opperwachtmeester, en dat, indien het geen gebruik maakte van de bepalingen van de artikelen 236, tweede tot en met vierde lid, en 242, tweede en derde lid, van de wet, op deze of een latere datum, zou genieten van de loonschaal M3.1.
  Het actueel personeelslid van het operationeel kader, bedoeld in het eerste lid, valt evenwel niet meer onder de toepassing van dit artikel, vanaf het ogenblik dat meer dan tien jaar zijn verstreken sinds de datum van zijn benoeming in de graad van opperwachtmeester;
  15° het rijdend personeelslid van de bijzondere eenheden van de wegpolitie : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat behoort tot het rijdend personeel van de eenheden van de politie van de autosnelwegen en de autowegen zoals door Ons bepaald;
  16° dienstprestaties : de werkelijke prestaties die werden uitgevoerd krachtens de wet en de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en hun uitvoeringsbesluiten en deze die de minister aanwijst als zijnde prestaties;
  17° onderofficier : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in 8°;
  18° opleider : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat deel uitmaakt van het basiskader of het middenkader, dat is aangewezen, gedetacheerd of ter beschikking gesteld met het doel een voltijdse opdracht uit te voeren als docent of praktijkmonitor in een politieschool, in een centrum voor politieopleiding of bij de federale interventiereserve, of dat zich in een betrekking of een ambt bevindt door de minister gelijkgesteld met deze opdracht;
  19° koninklijke rijkswachtschool : één van de politiescholen;
  20° een opleidingscentrum : één van de politiescholen;
  21° algemene reserve : de federale interventiereserve;
  22° commandant van een bewakings- en opsporingsbrigade : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat één van de gedeconcentreerde gerechtelijke diensten van de federale politie of één van de eenheden of diensten gelijkgesteld door de minister, beveelt;
  23° personeelslid van de rijkswacht benoemd of aangesteld in de graad van onderluitenant : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in 11° alsmede het actueel personeelslid van het operationeel kader dat deel uitmaakt van het officierskader, dat, ofwel, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, was bekleed met de graad van of was aangesteld in de graad van onderluitenant, ofwel, na deze datum en met toepassing van artikel XII.XI.44, een schaal van onderluitenant verkrijgt zoals bedoeld in bijlage A van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht;
  24° adjudant-kandidaat officier : het actueel personeelslid van het operationeel kader, aspirant-commissaris van politie met :
  a) minstens één jaar anciënniteit indien het werd gerekruteerd via de Koninklijke Militaire School;
  b) minstens drie maanden anciënniteit indien het werd gerekruteerd onder de voorwaarden om houder te zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat in aanmerking wordt genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 bij de rijksbesturen, en dat ofwel daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit was aangesteld in de graad van adjudant, ofwel na deze datum en met toepassing van artikel XII.XI.44 een loonschaal verkrijgt die overeenkomt met deze hoedanigheid;
  25° personeelslid van de rijkswacht : ieder actueel personeelslid van het operationeel kader van de politiediensten, dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht;
  26° leerling-officier : het actueel personeelslid van het operationeel kader, aspirant-commissaris van politie, dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht;
  27° leerling-officier voortgesproten uit de polytechnische afdeling : het actueel personeelslid van het operationeel kader aspirant-commissaris van politie, dat lid was van het operationeel korps van de rijkswacht daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, dat werd gerekruteerd via de Koninklijke Militaire School - afdeling polytechniek en dat op de datum van inwerkingtreding van dit besluit of op een latere datum er is/zou zijn uit gesproten;
  28° mentor : het actueel personeelslid van het operationeel kader van de politiediensten, zoals bedoeld in artikel 116 van de wet, waarvan de hoedanigheid als mentor is erkend op de datum van inwerkingtreding van dit besluit of op een latere datum en dat is belast met de opvolging van één of meerdere stagiairs in één van de kaders bedoeld in artikel 116 van de wet, of van één of meerdere kandidaten voor een gespecialiseerd ambt;
  29° hoofdonderofficier : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat deel uitmaakt van het midden- of officierskader, dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, was bekleed met de graad van adjudant of adjudant-chef en dat, indien het geen gebruik maakte van de bepalingen van de artikelen 236, tweede tot en met vierde lid, en 242, tweede en derde lid, van de wet, op deze of een latere datum, zou genieten van de loonschaal M7, of een loonschaal van het officierskader;
  30° keuronderofficier : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat deel uitmaakt van het middenkader, dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, was bekleed met de graad van opperwachtmeester of eerste opperwachtmeester, en dat, indien het geen gebruik maakte van de bepalingen van de artikelen 236, tweede tot en met vierde lid, en 242, tweede en derde lid, van de wet, op deze of een latere datum, zou genieten van de loonschaal M3.1, M4.1 of M5.1;
  31° kandidaat onderofficier of kandidaat-keuronderofficier : het actueel personeelslid van het operationeel kader aspirant-inspecteur of aspirant-hoofdinspecteur dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht;
  32° commandant van de rijkswacht : het personeelslid dat het ambt uitoefent van commissaris-generaal van de federale politie.

  Art. 12.11.44. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht en die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt de loonschaal toegekend opgenomen in bijlage A van hetzelfde besluit en die overeenstemt met de graad waarmee het actueel personeelslid van het operationeel kader was bekleed daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  De loonschaal die overeenkomt met de graad hoger dan de graad bedoeld in het eerste lid, wordt hem slechts toegekend onder de voorwaarde dat met toepassing van het statuut waarvoor het heeft gekozen, deze had kunnen worden bereikt in het raam van de bevorderingen naar anciënniteit.
  De minister bepaalt, in voorkomend geval, de vereiste graadanciënniteitsvoorwaarden.

  Art. 12.11.45. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 24 mei 1994 houdende toekenning van een toelage aan sommige leden van de rijkswacht die bij het commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie bij de parketten zijn gedetacheerd, onder andere, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder :
  1° officier : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.43, § 2, 9°;
  2° onderofficier : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.43, § 2, 8°.

  Art. 12.11.46. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 8 juli 1999 houdende toekenning van een functievergoeding aan de personeelsleden van de rijkswacht in dienst bij het speciaal interventie-eskadron of opgeroepen in steun aan deze eenheid of om er een opleiding te volgen, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder speciaal interventie-eskadron : de centrale eenheden van de federale politie belast met de gespecialiseerde bewaking, bescherming of interventie die de minister aanwijst.

  Onderafdeling 4. - Overgangsbepalingen voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten.

  Art. 12.11.47. § 1. Voor het actueel personeelslid van het operationeel kader dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut had van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten, wordt verstaan onder vaste bezoldiging verbonden aan het oorspronkelijk statuut, zoals bedoeld in artikel XII.XI.19, tweede lid, de geïndexeerde som van de volgende elementen, zoals ze zouden worden vastgesteld met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut :
  1° de wedde;
  2° in voorkomend geval, de haard- of standplaatstoelage;
  3° in voorkomend geval en zolang dat het actueel personeelslid van het operationeel kader er aanspraak op zou kunnen gemaakt hebben met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, de toelage bedoeld in het koninklijk besluit van 6 februari 1980 tot toekenning van een toelage aan gerechtelijke agenten bij de parketten die geslaagd zijn voor een bevorderingsexamen tot een graad waaraan de hoedanigheid van gerechtelijk officier is verbonden;
  4° in voorkomend geval, indien het actueel personeelslid van het operationeel kader het, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, de weddetoeslag bedoeld in artikel 123 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten, gewijzigd bij koninklijk besluit van 13 juli 1998.
  § 2. De weddetoeslag bedoeld in § 1, 4°, wordt slechts in aanmerking genomen gedurende één jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit en voor zover het actueel personeelslid van het operationeel kader geen weddebijslag voor de uitoefening van een mandaat, zoals bedoeld in artikel XI.II.17, geniet.

  Art. 12.11.48. Voor de toepassing van artikel XII.XI.47, moet de term wedde worden verstaan als de wedde die overeenstemt met de geldelijke anciënniteit zoals die was vastgesteld in het oorspronkelijk statuut.

  Art. 12.11.49. Inzake loonschalen wordt, voor de toepassing van Titel II en bijlage 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de gerechtelijke politie bij de parketten, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, de loonschaal toegekend opgenomen in bijlage 1 van datzelfde besluit en die overeenstemt met de graad waarmee het actueel personeelslid van het operationeel kader was bekleed daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  Er wordt hem slechts een hogere schaal toegekend op voorwaarde dat die, met toepassing van het statuut waarvan deze het behoud verkoos, kon bereikt worden in het raam van de bevorderingen naar anciënniteit.
  De minister bepaalt, in voorkomend geval, de vereiste graadanciënniteitsvoorwaarden.

  Art. 12.11.50. Voor de toepassing van titel II van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de actuele personeelsleden van het operationeel kader van de gerechtelijk politie bij de parketten, onder andere, op de personeelsleden die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder :
  1° comité tot regeling van de gerechtelijke politie : elk comité op dezelfde wijze samengesteld en volgens dezelfde regels functionerend als het comité tot regeling van de gerechtelijke politie;
  2° brigade van gerechtelijke politie : de gedeconcentreerde gerechtelijke diensten van de federale politie, inclusief hun verbindingsambtenaren zoals bedoeld in artikel 105 van de wet.

  Art. 12.11.51. § 1. De actuele personeelsleden van het operationeel kader die de loonschaal 2D genoten, zoals bedoeld in de bijlage 1 van hetzelfde besluit van 19 december 1997 en die de loonschaal M7bis, desgevallend bij toepassing van artikel XII.XI.15, genieten, krijgen een bijkomende toelage waarvan het jaarlijkse bedrag is vastgesteld op 54 000 frank (1 338,63 EUR).
  Wanneer het personeelslid een hogere loonschaal bekomt dan de loonschaal M7bis wordt de overgangswijze bepaald in artikel XII.XI.20, § 2, mutatis mutandis, op de in het eerste lid bedoelde bijkomende toelage toegepast.
  § 2. De actuele personeelsleden van het operationeel kader die de loonschaal 1A genoten, zoals bedoeld in de bijlage 1 van hetzelfde besluit van 19 december 1997, en die de loonschaal O3 genieten, behouden op elk ogenblik een bezoldiging die gelijk is aan deze die zij hadden genoten indien zij in de loonschaal M7bis waren ingeschaald en de bepalingen van § 1 hadden genoten. Het eventueel verschil wordt hen toegekend onder de vorm van een bijkomende toelage.
  § 3. Artikel XII.XI.25, §§ 1, 2 en 4 is, mutatis mutandis, van toepassing op de toelage bedoeld in §§ 1 en 2.

  Art. 12.11.52. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 6 februari 1980 tot toekenning van een toelage aan de gerechtelijke agenten bij de parketten die geslaagd zijn voor een bevorderingsexamen tot een graad waaraan de hoedanigheid van gerechtelijk officier is verbonden, onder andere, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten en die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder :
  1° personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten : de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten met uitzondering van deze bedoeld in 2° en 3°;
  2° leden van het technisch personeel van de laboratoria voor wetenschappelijke politie : de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, bekleed waren met de hoedanigheid van personeelslid van de laboratoria voor technische en wetenschappelijke politie of van de diensten die zijn opdrachten hebben overgenomen bij de inplaatsstelling van de federale politie;
  3° de personeelsleden van de dienst gerechtelijke identificatie met de hoedanigheid van gerechtelijk agent : de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, personeelsleden waren van de dienst gerechtelijke identificatie of van de dienst die zijn opdrachten heeft overgenomen bij de inplaatsstelling van de federale politie, en bekleed waren met de hoedanigheid van gerechtelijk agent. Het hebben van de hoedanigheid van gerechtelijk agent wordt beoordeeld overeenkomstig 6°;
  4° de personeelsleden van de dienst telecommunicatie opgericht binnen de gerechtelijke politie bij de parketten, voor zover ze de hoedanigheid van gerechtelijk agent hebben : de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, personeelsleden waren van de dienst telecommunicatie van de gerechtelijke politie bij de parketten of van de dienst die zijn opdrachten heeft overgenomen bij de inplaatsstelling van de federale politie, en bekleed waren met de hoedanigheid van gerechtelijk agent. Het hebben van de hoedanigheid van gerechtelijk agent wordt beoordeeld overeenkomstig 6°;
  5° de personeelsleden die geslaagd zijn voor een examen van gerechtelijk officier, officier van jeugdpolitie of laboratoriumchef die, na afloop van een periode van twee jaar vanaf het proces-verbaal van dat examen, niet benoemd werden in een graad waarmee de hoedanigheid van gerechtelijk officier is verbonden : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat, op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, geslaagd was voor zo'n examen en hierdoor reeds de maandelijkse toelage, bedoeld in artikel 2, van het koninklijk besluit van 6 februari 1980 tot toekenning van een toelage aan gerechtelijke agenten bij de parketten die geslaagd zijn voor een bevorderingsexamen tot een raad waaraan de hoedanigheid van gerechtelijk officier is verbonden, genoot;
  6° de hoedanigheid van gerechtelijk agent hebben : deze hoedanigheid hebben op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit voor wat betreft het actueel personeelslid van het operationeel kader dat het statuut had van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten.

  Art. 12.11.53. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 12 juli 1991 betreffende de toekenning van een toelage en de terugbetaling van de reiskosten aan de leden van de gerechtelijke politie bij de parketten wegens detachering naar het commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie, onder andere, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten en die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder :
  1° commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie : de eenheden en diensten bedoeld in artikel XII.XI.40, § 1, 1°;
  2° gerechtelijk officier : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut had van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten en dat de hoedanigheid van gerechtelijk officier op die datum had of op een latere datum verkrijgt;
  3° gerechtelijk agent : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut had van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten en voldeed aan de voorwaarde bedoeld in artikel XII.XI.52, 6°;
  4° brigade van aanwijzing : de dienst waaraan het actueel personeelslid van het operationeel kader verbonden is op de datum van inwerkingtreding van dit besluit en van waaruit het, in voorkomend geval, verder gedetacheerd wordt naar een dienst bedoeld in artikel XII.XI.40, § 1, 1°;
  5° brigade andere dan deze van Brussel : de dienst, zoals gedefinieerd in 4°, elders dan op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ingeplant.

  Art. 12.11.54. Voor de toepassing van het ministerieel besluit van 1 februari 1980 houdende toekenning aan sommige personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten van een toelage voor overwerk en een toelage voor onregelmatige dienst, onder andere op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten en die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder :
  1° personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.52, 1°;
  2° lid van het technisch personeel van de laboratoria voor wetenschappelijke politie : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.52, 2°;
  3° personeelslid van de dienst gerechtelijke identificatie met de hoedanigheid van gerechtelijk agent : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.52, 3°;
  4° personeelslid van de dienst telecommunicatie opgericht binnen de gerechtelijke politie bij de parketten voor zover het de hoedanigheid van gerechtelijk officier of agent heeft : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, bekleed was met de hoedanigheid van personeelslid van de dienst telecommunicatie van de gerechtelijke politie bij de parketten of van de dienst die zijn opdrachten heeft overgenomen bij de inplaatsstelling van de federale politie, en bekleed was met de hoedanigheid van gerechtelijk officier of agent;
  5° de hoedanigheid van gerechtelijke agent hebben : beantwoorden aan de voorwaarde bedoeld in artikel XII.XI.52, 6°;
  6° de hoedanigheid van gerechtelijk officier hebben : beantwoorden aan de voorwaarde bedoeld in artikel XII.XI.53, 2°;
  7° lokaal van de gerechtelijke politie : elk lokaal van de politiediensten zoals bepaald in artikel 2, 2°, van de wet;
  8° officier die de eenheid van gerechtelijke politie leidt : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat een federale politiedienst of een lokaal politiekorps leidt.

  Art. 12.11.55. Voor de toepassing van het ministerieel besluit van 29 juli 1987 houdende de toekenning van een bijzondere toelage aan de leden van de bijzondere brigade belast met de beteugeling van de zware criminaliteit, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten en die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder :
  1° gerechtelijk officier bij de parketten : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.53, 2°;
  2° gerechtelijk agent bij de parketten : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.53, 3°;
  3° commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie : de eenheden en diensten bedoeld in artikel XII.XI.40, § 1, 1°;
  4° speciale brigade belast met de beteugeling van de zware criminaliteit : de centrale diensten van de federale politie belast met de gespecialiseerde bewaking, bescherming of interventie of belast met de gerechtelijke politie, die de minister aanwijst.

  Art. 12.11.56. Voor de toepassing van het ministerieel besluit van 22 juni 1995 houdende de toekenning aan de gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten van zekere vaste vergoedingen, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder :
  1° personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.52, 1°;
  2° lid van het technisch personeel van de laboratoria voor technische en wetenschappelijke politie : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.52, 2°;
  3° personeelslid van de dienst telecommunicatie van de gerechtelijke politie bij de parketten dat de hoedanigheid van gerechtelijk officier of agent heeft : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.54, 4°;
  4° de hoedanigheid van gerechtelijk agent hebben : het beantwoorden aan de voorwaarde bedoeld in artikel XII.XI.52, 6°;
  5° de hoedanigheid van gerechtelijk officier hebben : het beantwoorden aan de voorwaarde bedoeld in artikel XII.XI.53, 2°.

  Onderafdeling 5. - Overgangsbepalingen voor de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie.

  Art. 12.11.57. Voor het actueel personeelslid van het operationeel kader dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie, wordt verstaan onder vaste bezoldiging verbonden met het oorspronkelijk statuut zoals bedoeld in artikel XII.XI.19, tweede lid, de geïndexeerde som van de volgende elementen, zoals vastgesteld met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut :
  1° de wedde;
  2° in voorkomend geval, de haard- of standplaatstoelage;
  3° indien het deze genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, de toelage bedoeld door het koninklijk besluit van 20 juni 1994 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de toekenning van een diplomatoelage aan sommige personeelsleden van de openbare brandweerdiensten en van de gemeentepolitie;
  4° indien het deze genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, de weddebijslag bedoeld in bijlage I, punt I, van het koninklijk besluit van 20 juni 1994 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de bezoldiging van het personeel van de openbare brandweerdiensten en het personeel van de gemeentepolitie;
  5° indien het deze genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, een tweetaligheidstoelage of een weddebijslag voor de kennis en de toepassing van beide landstalen;
  6° indien het deze genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, elk onderdeel van de bezoldiging dat een gemeente toekende aan de personeelsleden van de gemeentepolitie, op voorwaarde dat :
  a) dat onderdeel de aard van een weddebijslag heeft;
  b) de toekenningsregels van dit onderdeel reeds werden vastgesteld vóór 7 december 1998;
  c) de minister zijn akkoord geeft voor het in aanmerking nemen van dit onderdeel voor de toepassing van dit artikel;
  7° indien het, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, de toelage bedoeld in het koninklijk besluit van 19 april 1962 betreffende de toekenning van een toelage wegens uitoefening van hogere functies aan het provinciaal en gemeentelijk personeel, of de toelage bedoeld in het koninklijk besluit van 21 april 1993 betreffende de toekenning van een toelage wegens vervanging van een korpschef bij de gemeentepolitie, genoot.
  De elementen bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, worden slechts in rekening gebracht zolang het actueel personeelslid van het operationeel kader aangewezen blijft in de gemeente waarin het was aangewezen op de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Er kan voor de elementen bedoeld in 5° en 6° enkel van deze regel worden afgeweken wanneer de zone waarin hij vervolgens zou worden aangewezen diezelfde bezoldigingselementen toekende vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  De toelagen bedoeld in het eerste lid, 7°, worden evenwel slechts in aanmerking genomen gedurende één jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit en voor zover het actueel personeelslid van het operationeel kader geen weddebijslag geniet voor de uitoefening van een mandaat, zoals bedoeld in artikel XI.II.17.

  Art. 12.11.58. Voor de toepassing van artikel XII.XI.57, moet de term wedde worden verstaan als de wedde die overeenstemt met de geldelijke anciënniteit zoals die was vastgesteld in het oorspronkelijk statuut.

  Art. 12.11.59. In afwijking van artikel XI.II.13, § 1, en ongeacht of men gebruik maakt van de keuzemogelijkheid voor het behoud van zijn oorspronkelijk statuut, behoudt het actueel personeelslid van het operationeel kader dat het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het recht op voorafgaande betaling van zijn wedde indien dit op hem van toepassing was vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  Hetzelfde geldt voor toelagen en eender welk ander, samen met de wedde betaald, onderdeel van de bezoldiging. De betaling van kinderbijslag wordt echter niet bedoeld door dit artikel.

  Art. 12.11.60. Inzake loonschalen wordt, aan het actueel personeelslid van het operationeel kader dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteert voor het behoud van zijn oorspronkelijke rechtspositieregeling, de loonschaal toegekend die, krachtens het statuut dat op hem van toepassing was en rekening houdende met de graad waarmee het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed was daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, de gemeente waarbij het tewerkgesteld was hem toekende.
  Er kan hem slechts een hogere schaal worden toegekend op voorwaarde dat die, met toepassing van het statuut dat het verkoos, kon bereikt worden in het raam van de bevorderingen naar anciënniteit.
  De minister bepaalt, in voorkomend geval, de vereiste graadanciënniteitsvoorwaarden.

  Art. 12.11.61. § 1. Naast de bepalingen van de artikelen XII.XI.62 tot en met XII.XI.78, behoudt het actueel personeelslid van het operationeel kader dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteert voor het behoud van zijn oorspronkelijke rechtspositieregeling, het recht op de andere onderdelen van de bezoldiging die hem toegekend werden door zijn gemeente vóór de inwerkingtreding van dit besluit, zolang het aangewezen blijft in de politiezone van het gebied waarin het korps van de gemeentepolitie waartoe hij behoorde, was ingeplant.
  Dit recht betreft echter niet de elementen van betaling van dezelfde aard of tot dekking van kosten van dezelfde aard, die hem zouden zijn toegekend bij toepassing van dit besluit. In dit lid worden in het bijzonder de maaltijdcheques bedoeld.
  § 2. In afwijking van § 1, tweede lid, en met uitzondering van de vergoeding voor onderhoud van het uniform, indien het actueel personeelslid van het operationeel kader het element van betaling toegekend krachtens dit besluit minder voordelig acht dan dit toegekend door zijn gemeente, kan het vragen het voordeel van dit laatste te behouden zonder dat het evenwel tot een cumul of een vermenging kan leiden. Het duidt zijn keuze aan op hetzelfde ogenblik als dit waarop het kiest voor het behoud van zijn oorspronkelijke rechtspositie.
  Onverminderd het eerste lid, wordt, in het geval waarin het zijn recht op maaltijdcheques behoudt en het een tijdelijke opdracht vervult of is aangewezen om een vaste dienst uit te voeren zoals bedoeld in artikel XI.IV.13, 4°, vijfde lid, het recht op maaltijdcheques geschorst voor de dagen waarop het de forfaitaire dagelijkse vergoeding bedoeld in artikel XI.IV.38 geniet.

  Art. 12.11.62. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 19 april 1962 betreffende de toekenning van een toelage wegens uitoefening van hogere functies aan het provinciaal of gemeentelijk personeel, onder andere, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder :
  1° functie van politiecommissaris of adjunct-politiecommissaris : de ambten van hoofdcommissaris van politie en/of commissaris van politie;
  2° lager politiepersoneel : het actueel personeelslid van het operationeel kader behorende tot het basis- of middenkader.

  Art. 12.11.63. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 12 februari 1963 betreffende de toekenning van een vergoeding wegens buitengewone prestaties aan het provinciaal- en gemeentepersoneel, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder, wat betreft het personeel van een politiekorps van de lokale politie of van de gemeentepolitie :
  1° agenten bedoeld in artikel 71, § 1, van de wet van 14 februari 1961 : de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, niet bekleed waren met een graad van officier, zoals bedoeld in artikel 1.C. van het koninklijk besluit van 13 oktober 1986 tot vaststelling van de graden van het personeel van de gemeentepolitie;
  2° politie : de politiekorpsen van de lokale politie zoals bedoeld in artikel 2, 2°, van de wet, of van de gemeentepolitie;
  3° politiepersoneel : personeel van een korps van de lokale politie dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, behoorde tot de gemeentepolitie of de lokale politie, met het statuut van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie.

  Art. 12.11.64. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 18 januari 1974 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de toekenning van een diplomabijslag aan sommige personeelsleden van de provincies, gemeenten, agglomeraties en federaties van gemeenten, onder andere, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder politiecommissaris of adjunct-politiecommissaris : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van commissaris van politie en/of hoofdcommissaris van politie en dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, bekleed was met een graad van commissaris van politie of adjunct-commissaris van politie.

  Art. 12.11.65. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 15 januari 1975 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de toekenning van een toelage voor nachtwerk aan sommige personeelsleden van de provincies, de gemeenten, de agglomeraties van gemeenten en de federaties van gemeenten, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder politiecommissaris of adjunct- politiecommissaris : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van commissaris van politie en/of hoofdcommissaris van politie en dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, bekleed was met een graad van commissaris van politie of adjunct-commissaris van politie.

  Art. 12.11.66. De bijzondere regels genomen, in voorkomend geval, krachtens het koninklijk besluit van 27 november 1975 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden der provincies en gemeenten die uitzonderlijk verlof wegens overmacht of verlof voor verminderde prestaties om sociale of familiale redenen genieten, blijven van toepassing op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie zonder bekleed te zijn met de graad van officier, zoals bedoeld in artikel 1.C. van het koninklijk besluit van 13 oktober 1986 tot vaststelling van de graden van het personeel van de gemeentepolitie en die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling.

  Art. 12.11.67. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 3 december 1975 tot vaststelling van de grens van de algemene bepalingen betreffende de geldelijke valorisatie van de vroegere diensten die in de overheidssector door sommige leden van het provincie- en gemeentepersoneel werden verricht, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder politiecommissaris of adjunct-politiecommissaris : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van commissaris van politie en/of hoofdcommissaris van politie en dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, bekleed was met een graad van commissaris van politie of adjunct-commissaris van politie.

  Art. 12.11.68. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 10 december 1975 betreffende de vaststelling van de weddetoeslag van de gemeentesecretarissen, de gemeenteontvangers en de verschillende politiecommissarissen en adjunct-politiecommissarissen, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder politiecommissaris of adjunct-politiecommissaris : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van commissaris van politie en/of hoofdcommissaris van politie en dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, bekleed was met een graad van commissaris van politie of adjunct-commissaris van politie.

  Art. 12.11.69. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 12 april 1977 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de inaanmerkingneming van de diensten door sommige personeelsleden van de provincies, gemeenten en agglomeraties van gemeenten verricht in de privé-sector, in hoedanigheid van door de openbare besturen tewerkgestelde werkloze of als stagiair krachtens de wetgeving op de stage van jongeren, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder politiecommissaris of adjunct-politiecommissaris : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van commissaris en/of hoofdcommissaris van politie en dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, bekleed was met een graad van commissaris van politie of adjunct-commissaris van politie.

  Art. 12.11.70. De bijzondere regels, in voorkomend geval, genomen krachtens het koninklijk besluit van 12 februari 1993 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de bezoldiging door de provincies en gemeenten, van sommige personeelsleden die met bevallingsverlof zijn, blijven van toepassing op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling.

  Art. 12.11.71. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 21 april 1993 betreffende de toekenning van een toelage wegens de vervanging van een korpschef bij de gemeentepolitie, onder andere, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder :
  1° lid van een korps van de gemeentepolitie : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.63, 3°;
  2° korpschef : het actueel personeelslid van het operationeel kader korpschef van een korps van de lokale politie of van de gemeentepolitie;
  3° burgemeester : de burgemeester in de ééngemeentezones, het politiecollege in de meergemeentezones.
  De politiezones zijn deze bedoeld in de koninklijke besluiten van 28 april 2000 houdende de indeling van het grondgebied in politiezones.

  Art. 12.11.72. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 20 juni 1994 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de bezoldiging van het personeel van de openbare brandweerdiensten en het personeel van de gemeentepolitie, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder :
  1° personeel van de gemeentepolitie : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.63, 3°;
  2° korpschef : het actueel personeelslid van het operationeel kader dat,
  a) hetzij, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, korpschef was van een korps van de gemeentepolitie of van de lokale politie;
  b) hetzij, op of na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, korpschef wordt van een korps van de lokale politie of van de gemeentepolitie.

  Art. 12.11.73. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 20 juni 1994 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de geldelijke valorisatie van vroegere diensten die in de overheidssector door personeelsleden van de openbare brandweerdiensten en van de gemeentepolitie werden verricht, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder personeel van de gemeentepolitie : het personeel bedoeld in artikel XII.XI.63, 3°.

  Art. 12.11.74. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 20 juni 1994 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de toekenning van nacht-, zaterdag- en zondagtoelagen voor het personeel van de openbare brandweerdiensten en de gemeentepolitie, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder :
  1° personeel van de gemeentepolitie : het personeelslid bedoeld in artikel XII.XI.63, 3°;
  2° korpschef : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.72, 2°;
  3° commissaris van gemeentepolitie : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van commissaris en/of hoofdcommissaris van politie en dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, bekleed was met een graad van commissaris van politie of hoofdcommissaris van politie.

  Art. 12.11.75. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 20 juni 1994 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de toekenning van een diplomatoelage aan sommige personeelsleden van de openbare brandweerdiensten en van de gemeentepolitie, onder andere, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder personeel van de gemeentepolitie : het personeel bedoeld in artikel XII.XI.63, 3°.

  Art. 12.11.76. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 3 maart 1995 tot vaststelling van de voorwaarden inzake anciënniteit, bijscholing en gunstig advies van de korpschef om sommige loonschalen aan de titularissen van sommige graden van de gemeentepolitie te kunnen toekennen, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder :
  1° korpschef : het actueel personeelslid van het operationeel kader, korpschef van een korps van de gemeentepolitie of van de lokale politie;
  2° hulpagent van politie : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van hulpagent van politie;
  3° politieagent : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van inspecteur van politie en dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, bekleed was met de graad van politieagent, politieagent-brigadier of politieagent hoofdbrigadier;
  4° veldwachter : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van inspecteur en dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, bekleed was met de graad van veldwachter. De aangestelde veldwachters, enige veldwachters of hoofdveldwachters worden evenwel niet bedoeld;
  5° adjunct-politiecommissarissen van gemeenten waarvan de klasse gelijk is aan of hoger dan klasse 17 : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van commissaris en/of hoofdcommissaris van politie en dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, was bekleed met de eerstgenoemde graad in een gemeente waarvan de klasse gelijk is aan of hoger is dan klasse 17.

  Art. 12.11.77. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 22 december 1997 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende een vergoeding voor onkosten gemaakt bij de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke politie door de leden van de gemeentepolitie, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt verstaan onder personeelslid van de gemeentepolitie : het personeelslid bedoeld in artikel XII.XI.63, 3°.

  Art. 12.11.78. Voor de toepassing van het ministerieel besluit van 3 maart 1995 tot vaststelling van de diploma's, brevetten en getuigschriften die in aanmerking komen voor het toekennen van een diplomatoelage aan sommige personeelsleden van de gemeentepolitie, op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie en opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, wordt in het enig artikel, punt 7 van dit besluit, verstaan onder :
  1° hulpagent van politie : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.76, 2°;
  2° politieagent : het actueel personeelslid van het operationeel kader bedoeld in artikel XII.XI.76, 3°;
  3° inspecteur van politie, hoofdinspecteur van politie en hoofdinspecteur van eerste klasse : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van hoofdinspecteur van politie en dat daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, was bekleed met de graad van inspecteur van politie, hoofdinspecteur van politie of hoofdinspecteur van eerste klasse;
  4° adjunct-commissaris van politie, adjunct-commissaris inspecteur van politie en adjunct-commissaris hoofdinspecteur van politie : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van commissaris en/of hoofdcommissaris van politie en dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, was bekleed met de graad van adjunct-commissaris van politie, adjunct-commissaris inspecteur van politie en adjunct-commissaris hoofdinspecteur van politie;
  5° commissaris van politie en hoofdcommissaris van politie : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van commissaris en/of hoofdcommissaris van politie en dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, was bekleed met de graad van commissaris van politie of hoofdcommissaris van politie;
  6° veldwachter : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van inspecteur van politie en dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, bekleed was met de graad van veldwachter;
  7° aangesteld veldwachter : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van hoofdinspecteur van politie en dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, bekleed was met de graad van aangesteld veldwachter;
  8° enige veldwachter en hoofdveldwachter : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van hoofdinspecteur van politie en/of commissaris van politie en dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, was bekleed met de graad van enig veldwachter of hoofdveldwachter;
  9° politieassistent, politieassistent eerste klasse, eerst aanwezend politieassistent en hoofdpolitieassistent : het actueel personeelslid van het operationeel kader bekleed met de graad van hoofdinspecteur van politie en dat, daags voór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, bekleed was met de graad van politieassistent, politieassistent eerste klasse, eerste aanwezend politieassistent of hoofdpolitieassistent.

  AFDELING 3. - OORSPRONKELIJKE RECHTSPOSITIEREGELING.

  Art. 12.11.79. Op de actuele personeelsleden van het operationeel kader die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, zijn, onverminderd andere wettelijke en reglementaire bepalingen die reeds expliciet hun statuut bepalen, eveneens van toepassing :
  1° artikel XI.II.13;
  2° deel XI, titel III, hoofdstuk I en, in voorkomend geval, hoofdstuk II;
  3° deel XI, titel III, hoofdstuk IV, afdeling 1, artikel XI.III.12, eerste lid, 2°, 3° en 4° en tweede lid, alsook de afdelingen 3 en 5;
  4° deel XI, titel III, hoofdstukken VII, VIII en X;
  5° deel XI, titel IV, hoofdstukken I, IV tot en met VIII, en, in voorkomend geval, IX;
  6° deel XI, titel V, hoofdstukken I en II;
  7° de artikelen XIII.I.1 tot en met XIII.I.9, XIII.I.10, § 1, 2° tot en met 24°, 29° en 30°, §§ 2 en 3, XII.XI.7, XII.XI.8, XII.XI.10, XII.XI.26, XII.XI.28 tot en met XII.XI.30, XII.XI.36, XII.XI.37, XII.XI.39, en XII.XI.31, eerste lid, voor de personeelsleden die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit deel uitmaakten van het rijdend personeel van de politie van de autosnelwegen en de autowegen door de Koning bepaald.

  HOOFDSTUK II. - OVERGANGSBEPALINGEN TOEPASSELIJK OP DE PERSONEELSLEDEN VAN HET ADMINISTRATIEF EN LOGISTIEK KADER.

  AFDELING 1. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 12.11.80. Dit hoofdstuk is enkel van toepassing op de actuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader.
  Het is evenwel slechts toepasselijk op deze leden die kiezen voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositie indien deze bepalingen dit uitdrukkelijk vermelden of indien deze zijn bedoeld door artikel XII.XI.95.

  Art. 12.11.81. In afwijking van artikel XIII.I.10, 27° en 28°, blijven het koninklijk besluit van 16 december 1996 houdende toekenning van een premie voor de kennis van een tweede landstaal aan de leden van de griffies en van de parketsecretariaten, alsook aan het personeel van griffies en parketten en het koninklijk besluit van 23 december 1998 tot toekenning van een toelage voor tweetaligheid aan sommige militairen in actieve dienst, evenwel van kracht voor de actuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader die het statuut hadden van leden van de griffies en van de parketsecretariaten of van personeelsleden van de griffies en parketten of van militairen die naar het administratief en logistiek korps van de rijkswacht overgeplaatst werden, die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, en die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, de toelage genoten bedoeld in dezelfde teksten, zolang zij niet voor een ander(e) korps, eenheid, dienst of betrekking zijn aangewezen dan dit (deze) dat (die) het (de) zijne is op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, die niet zou zijn bedoeld in het koninklijk besluit van 30 april 1991 tot toekenning van een premie voor tweetaligheid aan het personeel van de rijksbesturen.

  AFDELING 2. - OVERGANGSBEPALINGEN.

  Art. 12.11.82. Wordt vastgesteld in de loonschaal die hem wordt toegekend bij toepassing van de artikelen XII.II.36, XII.II.42, XII.II.48 en XII.II.55, de wedde van de actuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit ofwel het statuut hadden van personeelsleden van het administratief en logistiek korps van de rijkswacht, ofwel dat van personeelsleden van een ministerie, ofwel dat van personeelsleden van de griffies en de parketten van de Hoven en rechtbanken, ofwel dat van leden van de griffies en van de parketsecretariaten, ofwel dat van personeelsleden van een gemeente.

  Art. 12.11.83. De bepalingen van artikel XI.II.11, § 2, zijn niet van toepassing op de actuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader waaraan een nieuwe loonschaal wordt toegekend door toepassing van artikel XII.XI.82.

  Art. 12.11.84. § 1. Voor het actueel personeelslid van het administratief en logistiek kader op wie artikel XII.XI.82 van toepassing is, is de geldelijke anciënniteit die als verworven is beschouwd in de loonschaal die hem wordt toegekend wanneer de bepalingen van dit besluit volledig op hem van toepassing worden, deze verworven door :
  1° de wedde te bepalen, op basis van de geldelijke anciënniteit zoals herrekend overeenkomstig het tweede lid, waarop het actueel personeelslid aanspraak zou kunnen maken in zijn oud statuut rekening houdend met de graad waarmee het bekleed was.
  De geldelijke anciënniteit van het actueel personeelslid, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan deze die het kan verwerven met toepassing van de artikelen XI.II.3 tot en met XI.II.9, eerste en tweede lid, voor zover deze voor hem voordeliger is dan deze die het had verworven door de toepassing van zijn oorspronkelijk statuut.
  Voor de toepassing van het tweede lid, worden gelijkgesteld met werkelijke of gelijkgestelde diensten die het actueel personeelslid heeft vervuld bij de politiediensten, de werkelijke of gelijkgestelde diensten die in aanmerking komen, die het vervuld heeft bij het ministerie, de dienst, de instelling of de gemeente, waarbij het daags voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit tewerkgesteld was, als titularis van een ambt met volledige prestaties;
  2° vervolgens, door, binnen de loonschaal die hem wordt toegekend, de anciënniteit te bepalen die overeenstemt met het bedrag van de wedde dat gelijk of onmiddellijk hoger is dan dat bedoeld in 1°, zonder dat echter het maximum van de toegekende schaal kan worden overschreden.
  § 2. Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, moet onder wedde worden verstaan, de wedde zoals deze wordt toegekend met toepassing van het oud statuut, verminderd, voor de actuele personeelsleden die tot het personeel van een gemeente behoorden, met het bedrag van de tweetaligheidstoelage die er eventueel zou inbegrepen geweest zijn.

  Art. 12.11.85. Het actueel personeelslid van het administratief en logistiek kader bedoeld in artikel XII.XI.82 behoudt, met inbegrip van de tussentijdse verhogingen en de baremische vrijwaringsclausules die op hem van toepassing waren in zijn oud statuut, het recht op de loonschaal schaal die het genoot vooraleer de bepalingen van dit besluit volledig op hem van toepassing werden tot zolang deze schaal voor hem voordeliger is dan deze waarop het, met inbegrip van de tussentijdse verhogingen, aanspraak kan maken met toepassing van artikel XII.XI.82.
  Het verkrijgt bovendien een bijkomende toelage die overeenstemt met het verschil tussen de loonschaal, met inbegrip van de tussentijdse verhogingen en de weddebijslag, zoals bereikt met toepassing van het eerste lid en de meest voordelige vaste bezoldiging waarop het zou kunnen aanspraak maken afhankelijk van het feit of het het voordeel verkrijgt van deze wedde verbonden met zijn oud statuut dan wel van deze verbonden met het statuut bedoeld in dit besluit.
  Onder vaste bezoldiging verbonden aan het statuut bedoeld in dit besluit moet worden verstaan de geïndexeerde som van de loonschaal, met inbegrip van de tussentijdse verhogingen, waarop het kan aanspraak maken krachtens artikel XII.XI.82, en, in voorkomend geval, de haard- of standplaatstoelage. Indien het daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit personeelslid van een gemeente was en voor zover het deze geniet, wordt ook hieraan de tweetaligheidstoelage bedoeld in het artikel XI.III.4, 5°, toegevoegd.
  Artikel XII.XI.25, § 1, eerste en tweede lid,§2 en §4,is,mutatis mutandis, van toepassing op de toelage bedoeld in het tweede lid.

  Art. 12.11.86. Aan het actueel personeelslid van het administratief en logistiek kader dat, daags voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut van militair had die naar het administratief en logistiek korps van de rijkswacht overgeplaatst werd of van militair die aangewezen was om bij dit korps te dienen, wordt een weddebijslag toegekend waarvan het jaarlijks bedrag op 30 000 frank (743,68 EUR) is vastgesteld.
  Artikel XII.XI.25, § 1, eerste en tweede lid, § 2 en § 4,is,mutatis mutandis, van toepassing op de weddebijslag bedoeld in het eerste lid.

  Art. 12.11.87. Aan de actuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader bedoeld in artikel XII.II.51, tweede lid, 1°, of in artikel XII.II.58, tweede lid, 1°, die bij het veiligheidsdetachement nationale luchthaven of bij het stressteam van de algemene directie van het personeel een betrekking van psycholoog of assistent in de psychologie bekleden, wordt een weddebijslag toegekend, die gelijk is aan :
  1° een derde van de laatste tussentijdse weddeverhoging van de loonschaal B4D indien, in de veronderstelling dat de bepalingen van de artikelen XII.II.52, derde lid, of XII.II.59, derde lid, op hen toegepast waren, ze een loonschaalanciënniteitsbonificatie hadden genoten die lager dan of gelijk aan één jaar is;
  2° twee derde van de laatste tussentijdse weddeverhoging van de loonschaal B4D indien, in de veronderstelling dat de bepalingen van de artikelen XII.II.52, derde lid, of XII.II.59, derde lid, op hen toegepast waren, ze een loonschaalanciënniteitsbonificatie hadden genoten die lager dan of gelijk aan twee jaar is;
  3° de laatste tussentijdse weddeverhoging van de loonschaal B4D indien, in de veronderstelling dat de bepalingen van de artikelen XII.II.52, derde lid, of XII.II.59, derde lid, op hen toegepast waren, ze een loonschaalanciënniteitsbonificatie hadden genoten die hoger dan twee jaar is.

  Art. 12.11.88. Voor het actueel personeelslid van het administratief en logistiek kader wordt verstaan onder vaste bezoldiging verbonden aan het oorspronkelijk statuut, zoals bedoeld in artikel XII.XI.85, tweede lid, de geïndexeerde som van de volgende elementen, zoals ze zouden zijn vastgesteld met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut :
  1° de wedde, desgevallend zoals toegekend krachtens een opdracht bedoeld in artikel 330 bis van het gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 februari 1997;
  2° in voorkomend geval, de haard -of standplaatstoelage;
  3° indien het deze genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, één van de weddebijslagen bedoeld in de artikelen 365ter, 366, 367, 367bis, 367ter, 373, 373bis, 373ter, 374, 375 of 376, van het gerechtelijk Wetboek of elke andere weddebijslag die hem werd toegekend krachtens een reglementaire of contractuele bepaling;
  4° indien het deze genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, de toelage bedoeld in het koninklijk besluit van 18 januari 1974 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de toekenning van een diplomabijslag aan sommige personeelsleden van de provincies, gemeenten, agglomeraties en federaties van gemeenten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 maart 1974, 6 september 1979, 29 januari 1990, 6 maart 1991 en 31 maart 1993;
  5° indien het deze genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, de toelage bedoeld in het koninklijk besluit van 19 april 1962 betreffende de toekenning van een toelage wegens uitoefening van hogere functies aan het provinciaal en gemeentelijk personeel, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 april 1972, of van de toelage bedoeld in het koninklijk besluit van 8 augustus 1983 betreffende de uitoefening van een hoger ambt in de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 februari 1985, 20 februari 1989, 6 november 1991, 4 maart 1993, 22 juli 1993, 17 maart 1995, 10 april 1995, 4 augustus 1996 en 20 april 1999;
  6° indien het deze genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, de toelage bedoeld in het koninklijk besluit van 23 november 1982 houdende bezoldigingsregeling van de militairen, inzonderheid artikel 24, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 september 1992;
  7° indien het deze genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, de toelage bedoeld in het koninklijk besluit van 6 december 2000 betreffende de toekenning van een maandelijkse forfaitaire toelage aan de gerechtelijke technische assistenten van de parketten en aan de personeelsleden van de griffies en de parketsecretariaten die belast zijn met het besturen van wagens bestemd voor het vervoer van personen;
  8° indien het lid van het personeel van een gemeente was en indien het deze genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, de tweetaligheidstoelage of de weddebijslag voor de kennis en het gebruik van de twee landstalen die hem toegekend was;
  9° indien het deze genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, elk onderdeel van de bezoldiging dat een gemeente toekende aan zijn personeelsleden, op voorwaarde dat :
  a) dat onderdeel de aard van een weddebijslag heeft;
  b) de toekenningsregels van dit onderdeel reeds werden vastgesteld vóór 7 december 1998;
  c) de minister zijn akkoord geeft voor het in aanmerking nemen van dit onderdeel voor de toepassing van dit artikel.
  Indien het lid was van het personeel van een gemeente, worden de elementen bedoeld in het eerste lid, 5°, 8° en 9°, slechts in rekening gebracht zolang het actueel personeelslid aangewezen blijft in de gemeente waarbij het aangewezen was vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Er kan enkel van deze regel afgeweken worden wanneer de zone waarin het vervolgens zou worden aangewezen diezelfde bezoldigingselementen toekende vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  De toelage bedoeld in het eerste lid, 5°, wordt slechts in aanmerking genomen gedurende één jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit en voor zover het actueel personeelslid geen weddebijslag geniet voor de uitoefening van een mandaat, zoals bedoeld in artikel XI.II.17.

  Art. 12.11.89. Voor de toepassing van artikel XII.XI.88, moet de term wedde worden verstaan als de wedde die overeenstemt met de geldelijke anciënniteit zoals die was vastgesteld in het oorspronkelijk statuut.

  Art. 12.11.90. In afwijking van artikel XI.IV.111 en voor een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit, kan het actueel personeelslid van het administratief en logistiek kader aanspraak maken op een verhuisvergoeding, zelfs bij een door hemzelf aangevraagde inplaatsstelling.
  Het kan in dezelfde omstandigheden en onder dezelfde voorwaarden zoals bedoeld in het eerste lid, aanspraak maken op de toepassing van de bepalingen van deel XI, titel IV, hoofdstuk VII, afdeling 5, onderafdeling 12.

  Art. 12.11.91. Inzake loonschalen wordt, voor de toepassing van zijn oorspronkelijk statuut op het actueel personeelslid van het administratief en logistiek kader die opteert voor het behoud van zijn oorspronkelijke rechtspositieregeling, de loonschaal toegekend waarvan het personeelslid genoot daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  Er wordt hem slechts een hogere schaal toegekend op voorwaarde dat die, met toepassing van het statuut waarvan het het behoud verkoos, kon bereikt worden in het raam van de bevorderingen naar anciënniteit.

  Art. 12.11.92. Het actueel personeelslid van het administratief en logistiek kader dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut had van personeelslid van een gemeente, en dat opteert voor het behoud van zijn oorspronkelijke rechtspositieregeling, behoudt, indien het deze genoot met toepassing van zijn oorspronkelijk statuut, en zolang het aangewezen blijft in de politiezone van het gebied waarin de gemeente waarvan het personeelslid was, gelegen was, het recht op de maaltijdcheques, als het van mening is dat dit voordeliger is door de toepassing van de bepalingen van het deel XI in verband met de maaltijdkosten.
  Een cumul of vermenging is echter niet toegelaten.
  Het actueel personeelslid duidt zijn keuze aan wanneer het opteert voor het behoud van zijn oorspronkelijke rechtspositieregeling.
  Indien het kiest voor het behoud van de maaltijdcheques en indien het een tijdelijke opdracht vervult of wordt aangewezen om een vaste dienst uit te voeren, zoals bedoeld in artikel XI.IV.13, 4°, vijfde lid, wordt het recht op de maaltijdcheques geschorst voor de dagen waarop het de in artikel XI.IV.38 bedoelde forfaitaire dagvergoedingen geniet.

  Art. 12.11.93. In afwijking van artikel XI.II.13, § 1, en ongeacht of het gebruik maakt van de keuzemogelijkheid voor het behoud van zijn oorspronkelijke rechtspositieregeling, behoudt het actueel personeelslid van het administratief en logistiek kader dat het statuut had van personeelslid van een gemeente daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het recht op de voorafgaande betaling van zijn wedde indien dit op hem van toepassing was vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  Hetzelfde geldt voor toelagen en eender welk ander, samen met de wedde betaald, onderdeel van de bezoldiging. De betaling van kinderbijslag wordt echter niet bedoeld door dit artikel.

  Art. 12.11.94. Voor de toepassing van de reglementaire bepalingen van hun oorspronkelijk statuut, onder andere, op de actuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, moet onder de hierna opgesomde woorden of uitdrukkingen, die in deze reglementeringen voorkomen, worden verstaan :
  1° de gemeenteoverheden : in de ééngemeentezones : de gemeenteraad, het college van burgemeester en schepenen of de burgemeester; in de meergemeentenzones : de politieraad of het politiecollege;
  2° de personeelsleden bedoeld in artikel 71, § 1, eerste lid, van de wet van 14 februari 1961, gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 27 juli 1961 : de actuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit bedoeld waren door deze bepaling voor de toepassing van enige reglementering die ernaar verwijst;
  3° college van burgemeester en schepenen : in de meergemeentenzones : het politiecollege;
  4° gemeentepersoneel : het personeel bedoeld in artikel XII.I.1, 2°;
  5° gemeenten : gemeenten of meergemeentenzones;
  6° personeel bekleed met een ambt van het eerste niveau of bekleed met een ambt waarop een loonschaal staat waarvan het minimum ten minste gelijk is aan dat van de loonschaal in het organieke stelsel aan de bestuurssecretarissen toegewezen door het koninklijk besluit tot vaststelling van de loonschalen der aan verscheidene ministeries gemene graden : de actuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader die titularissen zijn van een loonschaal die voorzien is voor het niveau A;
  7° politiepersoneel : de actuele personeelsleden van het operationeel kader van de federale politie en van de korpsen van de lokale politie;
  8° leden van het personeel van de rijksbesturen, met een graad van niveau 1 : de actuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader die titularis zijn van een loonschaal van het niveau A;
  9° militair : het actueel personeelslid van het administratief en logistiek kader dat, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, de hoedanigheid had van militair die aangewezen was om bij het administratief en logistiek korps van de rijkswacht te dienen of van militair die naar dat korps werd overgeplaatst;
  10° Minister van Landsverdediging : de minister;
  11° gemeenteraad : in de meergemeentenzones : de politieraad;
  12° personeelsleden van de gemeenten : het personeel bedoel in 4°;
  13° administratief en personeelmeesters van Hoven en rechtbanken met inbegrip van de personeelsleden die speciaal aan de gerechtelijke officieren verbonden zijn : de actuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, met deze hoedanigheid bekleed waren;
  14° personeelsleden die ambten uitoefenen die verbonden zijn aan een graad hoger dan eerstaanwezend opsteller : de actuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader die titularis zijn van een loonschaal van een niveau hoger dan B;
  15° officier : de militair bedoeld in 9° die bekleed was of blijft met een graad van officier bij de Krijgsmacht;
  16° onderofficier : de militair bedoeld in 9° die bekleed was of blijft met een graad van onderofficier bij de Krijgsmacht;
  17° vrijwilliger : de militair bedoeld in 9° die bekleed was of blijft met een graad van vrijwilliger bij de Krijgsmacht;
  18° lid van een Krijgsmacht of lid van het militair personeel : het personeelslid bedoeld in 9°;
  19° dienst doen in een eenheid van gemengd taalstelsel of in een ééntalige eenheid van het andere taalstelsel zoals bedoeld in de artikelen 22 en 24 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger : dienst doen in een korps, een eenheid, een dienst of een ambt bedoeld in artikel XI.III.31;
  20° Duitstalige eenheid : korps, eenheid, of dienst die ingeplant is op het grondgebied van het Duitse taalgebied;
  21° militairen van de landmacht, de luchtmacht, de zeemacht en van de medische dienst : de personeelsleden bedoeld in 9°;
  22° burgerinstellingen : elke instelling die niet toebehoort tot of valt onder de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;
  23° adjudant en kapitein-commandant : de militair bedoeld in 9° die bekleed was of blijft met één van deze graden bij de Krijgsmacht;
  24° de gerechtelijke technische assistenten van de parketten en de personeelsleden van de griffies en de parketsecretariaten die belast zijn met het besturen van wagens bestemd voor het vervoer van personen : de actuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, met deze hoedanigheden bekleed waren;
  25° commandant van de eenheid : het personeelslid van het operationeel kader of van het administratief en logistiek kader die het bevel voert in een eenheid of een dienst binnen de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus;
  26° leden van de griffies en de parketten van Hoven en rechtbanken en personeelsleden van de griffies en van de parketsecretariaten/parketten : de actuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, met deze hoedanigheid bekleed waren.

  AFDELING 3. - OORSPRONKELIJKE RECHTSPOSITIEREGELING.

  Art. 12.11.95. Met uitzondering van de actuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten voor dewelke, met uitzondering van het daarin bedoelde hoofdstuk VII, afdeling 6, enkel 6° van toepassing is, zijn eveneens van toepassing op de actuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, onverminderd de andere wettelijke en reglementaire bepalingen die reeds expliciet hun statuut bepalen :
  1° artikel XI.II.13;
  2° deel XI, titel III, hoofdstuk I, en in voorkomend geval, hoofdstuk II;
  3° indien, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, zij het statuut hadden van militair overgeplaatst naar het administratief en logistiek korps van de rijkswacht, de artikelen XI.III.5, XI.III.6 en XII.XI.86;
  4° deel XI, titel III, hoofdstukken VII, VIII en X;
  5° artikel XI.IV.1;
  6° artikel XI.IV.2, alsook de hoofdstukken VII en, in voorkomend geval, IX;
  7° deel XI, titel V, hoofdstukken I, en onverminderd artikel XI.I.1, 8°, hoofdstuk II;
  8° de artikelen XII.XI.10, XII.XI.28, XII.XI.29, XII.XI.90, XIII.I.2, XIII.I.5, XIII.I.9, 9°, XIII.I.10, § 1, 3° tot en met 30°, en §§ 2 en 3.

  TITEL XII. - HET NIET-POLITIONEEL GEMEENTELIJK PERSONEEL IN DIENST BIJ DE GEMEENTELIJKE POLITIEKORPSEN.

  Art. 12.12.1. De beslissingen van de leden van het niet-politioneel gemeentelijk personeel, bedoeld in artikel 236, vierde lid, van de wet, hebben uitwerking op de eerste van de maand na het verstrijken van de in datzelfde artikel bedoelde termijn van drie maanden, met een regularisering voor die verlopen termijn.

  Art. 12.12.2. De inschaling van de in artikel XII.XII.1 bedoelde personeelsleden geschiedt op grond van de gegevens van de datum van hun overgang na de totstandkoming van de lokale politie overeenkomstig artikel 248 van de wet, en, mutatis mutandis, volgens de inschalingsregels die gelden voor de overige personeelsleden van het administratief en logistiek kader.

  Art. 12.12.3. De overgangsbepalingen van dit deel zijn, in voorkomend geval, van overeenkomstige toepassing op de personeelsleden bedoeld in artikel XII.XII.1.

  DEEL XII.bis. [1 - De non-activiteit voorafgaand aan de pensionering.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 12.13.1. [1 Het personeelslid van het operationeel kader dat een preferentiële vervroegde pensioenleeftijd van 54, 56 of 58 jaar genoot vóór 10 juli 2014 heeft recht op een non-activiteit voorafgaand aan de pensionering voor zover het ook aan de volgende voorwaarden voldoet :
   1° de leeftijd van 58 jaar hebben bereikt;
   2° bij de aanvang van de non-activiteit, ten minste twintig aanneembare dienstjaren in de openbare sector tellen voor de opening van het recht op pensioen, met uitsluiting van de bonificaties voor studies en van andere periodes die voor de vaststelling van de wedde in aanmerking worden genomen;
   3° op het einde van de non-activiteit, die een maximale duur van vier jaar heeft, voldoen aan de voorwaarden om aanspraak te maken op vervroegd pensioen, vermeld in artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering van de pensioenregelingen.
   In afwijking van het eerste lid, 1°, moeten de officieren die vóór 10 juli 2014 een preferentiële vervroegde pensioenleeftijd van 58 jaar hadden, op het ogenblik van het aanvatten van de non-activiteit voorafgaand aan de pensionering de leeftijd hebben van ten minste 60 jaar.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 12.13.2. [1 De aanvraag daartoe wordt door het personeelslid ingediend bij, naar gelang van het geval, de korpschef of de directeur-generaal van het middelenbeheer en de informatie of de dienst die zij daartoe aanwijzen en dit ten vroegste zes maanden vóór het ogenblik waarop de voorwaarden bedoeld in artikel XII.XIII.1 vervuld zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 12.13.3. [1 De non-activiteit vangt aan op de eerste dag van de kalendermaand volgend op de maand waarin de voorwaarden bedoeld in artikel XII.XIII.1 vervuld zijn. De beslissing daartoe wordt getroffen door de overheid bedoeld in artikel VI.II.96.
   De overheid beschikt in elk geval over een beslissingstermijn van maximaal vier maanden te rekenen vanaf de indiening van de aanvraag.
   Voor de aanvragen van personeelsleden die aan de voorwaarden voldoen in de periode van zes maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deel XIIbis, beschikt de overheid over een beslissingstermijn van maximaal drie maanden te rekenen vanaf de indiening van de aanvraag. De non-activiteit vangt dan aan ten vroegste op de eerste dag van de kalendermaand volgend op de maand waarin de beslissing wordt getroffen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 12.13.4. [1 Het personeelslid is in non-activiteit tot de eerste dag van de maand waarin het voldoet aan de voorwaarden voor het nemen van het vervroegd pensioen overeenkomstig artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering van de pensioenregelingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 12.13.5. [1 Het personeelslid in non-activiteit voorafgaand aan de pensionering ontvangt een wachtgeld gelijk aan :
   1° 74 % van de laatste activiteitswedde wanneer het bij het ingaan van de non-activiteit 37,5 jaren dienstanciënniteit in de openbare sector telt;
   2° 70 % van de laatste activiteitswedde wanneer het bij het ingaan van de non-activiteit 37 jaren dienstanciënniteit in de openbare sector telt;
   3° 66 % van de laatste activiteitswedde wanneer het bij het ingaan van de non-activiteit 36 jaren dienstanciënniteit in de openbare sector telt;
   4° 62 % van de laatste activiteitswedde wanneer het bij het ingaan van de non-activiteit 35 jaren dienstanciënniteit in de openbare sector telt of minder.
   Onder "laatste activiteitswedde" dient te worden verstaan de laatst toegekende jaarwedde voor volledige prestaties met uitzondering van toelagen en vergoedingen. Het vakantiegeld en de eindejaarstoelage worden volgens dezelfde proporties toegekend.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 12.13.6. [1 De overheid bedoeld in artikel VI.II.15 kan het personeelslid dat in non-activiteit voorafgaand aan de pensionering is, vervangen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  DEEL XIII. - WIJZIGINGS-, OPHEFFINGS-, EN SLOTBEPALINGEN.

  TITEL I. - WIJZIGINGS- EN OPHEFFINGSBEPALINGEN.

  HOOFDSTUK I. - WIJZIGINGSBEPALINGEN.

  Art. 13.1.1. In artikel 13bis, § 1, van het koninklijk besluit van 1 oktober 1973 tot vaststelling van de bezoldiging van de personen belast met een leeropdracht aan sommige scholen voor vorming en voortgezette opleiding van officieren en tot toekenning van een toelage aan de titularissen van sommige betrekkingen bij die scholen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 augustus 1980, worden de woorden " De toelagen vermeld in de artikelen 4, 10, 11 en 13 van dit besluit zijn verschuldigd " vervangen door " De toelagen vermeld in de artikelen 4 en 13 van dit besluit zijn verschuldigd ".

  Art. 13.1.2. In artikel 14, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit van 1 oktober 1973, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 maart 1995, vervallen de woorden " de weddes of toelagen bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7 blijven aan de index 114,20 gekoppeld ".

  Art. 13.1.3. In artikel 40, § 3, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, vervallen de woorden " met uitzondering van de vergoeding bedoeld in artikel 35 ".

  HOOFDSTUK II. - OPHEFFINGSBEPALINGEN.

  Art. 13.1.4. In het koninklijk besluit van 26 februari 1958 houdende toekenning van een vaste vergoeding aan sommige personeelsleden van de rijkswacht worden opgeheven :
  1° artikel 1, 1°, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 mei 1970;
  2° artikel 1, 5°, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996;
  3° artikel 1, 7°, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 februari 1988.
  Deze bepalingen blijven evenwel van kracht voor de toepassing van artikel XII.XI.23.

  Art. 13.1.5. In het koninklijk besluit van 1 oktober 1973 tot vaststelling van de bezoldiging van de personen belast met een leeropdracht aan sommige scholen voor vorming en voortgezette opleiding van officieren en tot toekenning van een toelage aan de titularissen van sommige betrekkingen bij die scholen, worden opgeheven :
  1° artikel 1, § 1, 1°, 2° en 3°;
  2° artikel 1, § 1, 6°, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 november 1978;
  3° artikel 1, § 2;
  4° de artikelen 5, 6, 7, 8 en 9;
  5° artikel 10, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 maart 1995;
  6° de artikelen 11 en 12.

  Art. 13.1.6. In het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, worden opgeheven :
  1° artikel 6, 3° tot en met 5°;
  2° artikel 7, § 1, derde lid;
  3° de artikelen 8 en 23;
  4° artikel 29, vervangen bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 maart 1998;
  5° titel II, hoofdstuk Vbis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 1994;
  6° artikel 31, § 2, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 december 1994 en 2 maart 1998;
  7° artikel 32;
  8° artikel 33, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996;
  9° titel III, hoofdstuk IV, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 januari 1991, 25 februari 1996 en 2 maart 1998;
  10° artikel 39, vervangen bij het koninklijk besluit van 16 december 1994;
  11° artikel 40ter, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996;
  12° bijlage B, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 1994, en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 augustus 1999;
  13° bijlage D, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996.

  Art. 13.1.7. Artikel 14bis van het koninklijk besluit van 11 juli 1994 over de algemene politiesteundienst, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juli 2000, wordt opgeheven.
  Deze bepaling blijft evenwel van kracht voor de toepassing van artikel XII.XI.23.

  Art. 13.1.8. Artikel 123 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 1998, wordt opgeheven.

  Art. 13.1.9. Worden opgeheven :
  1° het koninklijk besluit van 20 augustus 1956 houdende regeling van de bijdrage van de Staat in de kosten wegens standplaatsverandering voor de gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten;
  2° het koninklijk besluit van 13 januari 1976, tot regeling van de toekenning van een forfaitaire maandtoelage aan sommige leden van de bijzondere eenheden belast met de wegpolitie, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996;
  3° koninklijk besluit van 12 juli 1991 betreffende de toekenning van een toelage en de terugbetaling van de reiskosten aan de leden van de gerechtelijke politie bij de parketten wegens detachering naar het commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie;
  4° het koninklijk besluit van 24 mei 1994 houdende toekenning van een toelage aan sommige leden van de rijkswacht die bij het commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie bij de parketten zijn gedetacheerd;
  5° het koninklijk besluit van 1 juni 1994 houdende vaststelling van het vergoedingsstelsel van de leden van de gerechtelijke politie gezonden naar het buitenland als verbindingsofficier;
  6° het koninklijk besluit van 23 september 1994 houdende toekenning van een forfaitaire toelage aan de leden van het personeel van de rijkswacht die de onmiddellijke bescherming van de Vorst en van sommige leden van de koninklijke familie verzekeren;
  7° het koninklijk besluit van 23 juni 1995 houdende toekenning van een enig bedrag aan de leden van de gerechtelijke politie bij de parketten;
  8° het koninklijk besluit van 8 juli 1999 houdende vaststelling van een forfaitaire toelage toegekend aan sommige personeelsleden van de rijkswacht die ingezet zijn in het veiligheidsdetachement van de nationale luchthaven;
  9° het koninklijk besluit van 8 juli 1999 houdende vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van een vergoeding toegekend aan de personeelsleden van de rijkswacht die deelnemen aan humanitaire of politieoperaties onder het gezag van één of meerdere internationale instellingen;
  10° het ministerieel besluit van 24 december 1985 houdende de wijze van berekening van de diensturen van het rijkswachtpersoneel;
  11° het ministerieel besluit van 29 juli 1987 houdende toekenning van een bijzondere toelage aan de leden van de bijzondere brigade belast met de beteugeling van de zware criminaliteit;
  12° de ministeriële omzendbrief van 18 oktober 1993 betreffende het vergoedingsstelsel toepasselijk op de personeelsleden van de rijkswacht aangewezen als verbindingsofficier van de Belgische politiediensten in het buitenland.
  In afwijking van het eerste lid :
  1° blijven de besluiten bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 6°, 8°, 9° en 10°, evenwel van kracht voor de gevallen die zijn ontstaan vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit en die tot het toepassingsgebied van deze reglementering zouden behoord hebben. Deze bepaling geldt evenwel slechts voor het behandelen van de gegevens die noodzakelijk zijn om te beslissen en die betrekking hebben op een eerdere datum dan deze van de inwerkingtreding van dit besluit;
  2° blijft de reglementering bedoeld in het eerste lid, 5° en 12°, evenwel van kracht voor de toepassing van artikel XII.XI.26.

  Art. 13.1.10. § 1. Houden op van toepassing te zijn op de personeelsleden :
  1° met uitzondering van de personeelsleden die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht en die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, en die niet over een gratis logement beschikken, het koninklijk besluit van 30 november 1950 betreffende de huisvesting van sommige categorieën van het door de Staat bezoldigde personeel;
  2° met uitzondering van de personeelsleden die, daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht en die opteren voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling, en die niet over een gratis logement beschikken, het koninklijk besluit van 31 juli 1952 tot bepaling van de ambten van het Ministerie van Landsverdediging waaraan vrije inwoning is verbonden, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 15 februari 1954, 7 januari 1956, 18 september 1958 en 8 april 1974;
  3° met uitzondering van de personeelsleden bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, het koninklijk besluit van 17 april 1956 tot toekenning van een vergoeding voor reiskosten aan sommige familieleden van militairen die ernstig ziek, door een ongeval getroffen of overleden zijn, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 april 1981;
  4° met uitzondering van de militairen bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, het koninklijk besluit van 23 maart 1961 betreffende de toelage aan de militairen die de opleiding tot parachutist hebben ontvangen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 februari 1970, 5 oktober 1972, 1 maart 1977, 11 juni 1981, 15 maart 1988, 21 maart 1991 en 11 augustus 1994;
  5° het koninklijk besluit van 15 januari 1962 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen die dienstreizen volbrengen in het buitenland, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 mei 1965, 8 april 1974, 14 februari 1978 en 11 juli 1978;
  6° het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der ministeries, gewijzigd bij de wet van 22 juli 1993, de koninklijke besluiten van 14 december 1970, 4 december 1990, 4 maart 1993, 17 maart 1995 en 10 april 1995;
  7° het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 28 januari 1970, 13 oktober 1971, 28 maart 1974, 17 januari 1975, 24 november 1975, 29 april 1977 en 12 december 1984 en bij de koninklijke besluiten van 2 juni 1976, 12 december 1984, 17 maart 1995, 24 april 1997 en 26 mei 1999;
  8° het koninklijk besluit van 13 april 1965 tot regeling van de bijdrage van de Staat in de kosten wegens standplaatsverandering van de leden van het personeel van de ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 december 1970 en 17 maart 1995;
  9° het koninklijk besluit van 21 juni 1965 inzake vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan het provincie- en gemeentepersoneel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 februari 1974 en 29 augustus 1991;
  10° het koninklijk besluit van 21 december 1965 betreffende de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van een lid van het provincie- of gemeentepersoneel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 8 mei 1973, 22 juli 1975 en 27 november 1985;
  11° het koninklijk besluit van 29 december 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten gemaakt voor dienstreizen van het provincie- en gemeentepersoneel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 augustus 1976 en 18 april 1985;
  12° het koninklijk besluit van 30 januari 1967 houdende de toekenning van een haardtoelage of een standplaatstoelage aan het personeel der ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 26 november 1969, 29 juni 1973, 4 januari 1974, 10 september 1981, 14 december 1981, 3 december 1987, 16 augustus 1988, 13 december 1989, 21 maart 1990, 7 augustus 1991, 20 oktober 1992 en 5 maart 1993;
  13° met uitzondering van de militairen bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, het koninklijk besluit van 16 december 1969 tot regeling van de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van sommige militairen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 december 1973, 8 april 1974, 15 maart 1988 en 21 maart 1991;
  14° met uitzondering van de militairen bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, evenals voor, wat betreft de duiktoelage, leden van de centrale diensten belast met de bewaking of de gespecialiseerde interventie, die tot daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, het statuut hadden van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht, het koninklijk besluit van 21 januari 1971 betreffende de toekenning van toelagen aan leden van de krijgsmacht, evenals aan sommige leden van het burgerlijk personeel van het Departement van Landsverdediging, voor sommige werken of prestaties van bijzonder gevaarlijke of ongezonde aard, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 juni 1975, 1 maart 1977, 6 november 1981 en 11 december 1987;
  15° met uitzondering van de personeelsleden bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, het koninklijk besluit van 20 oktober 1972 houdende toekenning van een toelage voor dienstprestaties volbracht op zaterdag, op zondag of op een feestdag, voor zekere militairen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 1 maart 1977, 16 mei 1980, 15 maart 1988, 21 maart 1991, 11 augustus 1994 en 22 november 1999;
  16° met uitzondering van de militairen bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 29 januari 1974 tot vaststelling van het stelsel der toelagen en premies verschuldigd aan de militairen die deelnemen aan de luchtdienst van de krijgsmachtdelen;
  17° het koninklijk besluit van 1 oktober 1975 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de tegemoetkoming van de provincies, gemeenten, de agglomeraties van gemeenten en de federaties van gemeenten in sommige vervoerkosten van hun personeelsleden;
  18° het koninklijk besluit van 21 oktober 1975 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militair die in België verplicht wordt werkelijke kosten te dragen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 6 december 1977, 1 juni 1978, 15 maart 1988, 21 maart 1991, 7 mei 1991 en 11 augustus 1994;
  19° met uitzondering van de militairen bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, het koninklijk besluit van 27 mei 1975 betreffende de tegemoetkoming van de Staat in sommige begrafeniskosten van militairen die in werkelijke dienst overleden zijn, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 maart 1979, 15 maart 1988 en 21 maart 1991;
  20° het koninklijk besluit van 17 november 1976 tot vaststelling van de grenzen van de algemene bepalingen betreffende de toekenning van een toelage voor gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk aan sommige personeelsleden van de provincies en de gemeenten;
  21° het koninklijk besluit van 1 maart 1977 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen en de met militairen gelijkgestelde personen die bij de Belgische strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland in dienst zijn of daarbij op dienstreis zijn, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 september 1984, 30 september 1987, 17 juli 1989 en 7 mei 1991;
  22° met uitzondering van de militairen bedoeld in artikel 4, § 2 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, het koninklijk besluit van 10 oktober 1980 houdende toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige personeelsleden van de krijgsmacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 maart 1988, 21 maart 1991 en 22 november 1999;
  23° het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, inzonderheid op de artikelen 47, 48, 49, 50, 51, 53, 55, 56 en 57, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 maart 1983;
  24° met uitzondering van de militairen bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, het koninklijk besluit van 15 maart 1984 houdende toekenning van een vakantiegeld aan sommige personeelsleden van de Krijgsmacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 maart 1988, 21 maart 1991 en 22 november 1999;
  25° met uitzondering van de personeelsleden bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, het koninklijk besluit van 7 december 1992 houdende toekenning van een verhuisvergoeding aan de militairen bij overbrenging van de gewone plaats van het werk, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 26 november 1998 en 22 november 1999;
  26° met uitzondering van de personeelsleden bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, het koninklijk besluit van 12 juli 1993 houdende toekenning van toelagen voor leeropdrachten en voor bekleden van bepaalde betrekkingen in bepaalde scholen voor opleidingen en voortgezette opleiding van officieren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 1998 en 8 oktober 1998;
  27° het koninklijk besluit van 16 december 1996 houdende toekenning van een premie voor de kennis van een tweede landstaal aan de leden van de griffies en van de parketsecretariaten, alsook aan het personeel van griffies en parketten;
  28° met uitzondering van de personeelsleden bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, het koninklijk besluit van 23 december 1998 tot toekenning van een toelage voor tweetaligheid aan sommige militairen in actieve dienst;
  29° het ministerieel besluit van 17 maart 1966 tot vaststelling van een kilometervergoeding voor de personeelsleden die voor hun dienstverplaatsingen een eigen vervoermiddel ander dan een autovoertuig gebruiken;
  30° het ministerieel besluit van 3 oktober 1973 tot regeling van de vergoeding voor verplaatsingen van sommige personeelsleden van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart op de Schelde binnen de Antwerpse agglomeratie.
  § 2. In afwijking van § 1, en onverminderd artikel XII.XI.26, blijven de besluiten bedoeld in dezelfde §, 2°, 3°, 4°, 6° tot en met 20°, 25°, 26°, 29° en 30°, alsook in de hoofdstukken I tot III van dezelfde §, 5° en in de hoofdstukken II, afdeling 5 en 6 en III van dezelfde §, 21°, evenwel van kracht voor de gevallen die zijn ontstaan vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit en die tot het toepassingsgebied van deze besluiten zouden behoord hebben. Deze bepaling geldt evenwel slechts voor het behandelen van de gegevens die noodzakelijk zijn om te beslissen en die betrekking hebben op een eerdere datum dan deze van de inwerkingtreding van dit besluit.
  § 3. In afwijking van § 1, 21°, blijft de tabel 1.a. van het koninklijk besluit van 1 maart 1977 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen en de met de militairen gelijkgestelde personen die bij de Belgische Strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland in dienst zijn of daarbij op dienstreis zijn, op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, evenwel van toepassing voor de personeelsleden bedoeld in artikel XII.XI.36, § 1.

  TITEL II. - SLOTBEPALINGEN.

  Art. 13.2.1. Dit besluit treedt in werking op 1 april 2001, met uitzondering van :
  1° titel I van Deel VII, dat in werking treedt op de door de minister bepaalde datum en ten laatste op (1 april 2005); <KB 2003-05-15/87, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 09-07-2003>
  2° artikel XI.III.28 dat in werking treedt op 1 januari 2002.

  Art. 13.2.2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Justitie, Onze Minister van Ambtenarenzaken en Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

  Deel XIV. - Overgangsbepalingen voor het administratief en logistiek kader vanaf 1 januari 2007 <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 35, Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 14.1.1. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 35, Inwerkingtreding : 01-01-2007> De graden van ploegbaas, werkleider, gespecialiseerd assistent, kok en gespecialiseerd consulent bestaan enkel nog in uitdoving. De personeelsleden die in één van die graden zijn benoemd, behouden hem evenwel te persoonlijken titel, tot zij, in voorkomend geval, bij mobiliteit voor een andere betrekking worden aangewezen.

  Art. 14.1.2. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 35, Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. De personeelsleden die op 31 december 2006 een in bijlage 12bis, eerste kolom, genoemde loonschaal genoten, verwerven de in bijlage 12bis, tweede kolom, bedoelde loonschaal alsmede de loonschalengroep waarvan die loonschaal deel uitmaakt, die overeenstemt met de voornoemde loonschaal.
  De personeelsleden van niveau A verwerven bovendien de klasse genoemd in de derde kolom, die met de voornoemde loonschaal overeenstemt.
  § 2. De dienst-, niveau-, graad-, loonschaal- en geldelijke anciënniteit van de personeelsleden wordt daarbij niet gewijzigd.
  De personeelsleden van het niveau A verwerven bovendien een klasseanciënniteit. Deze is voor personeelsleden die in klasse A1 worden ingedeeld, gelijk aan hun niveauanciënniteit. Voor personeelsleden van hogere klassen wordt die anciënniteit berekend door de som te maken van de loonschaalanciënniteiten die zij hebben opgebouwd in de loonschalen die, overeenkomstig bijlage 12bis, recht geven op de indeling in de klasse in kwestie.

  Art. 14.1.3. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 35, Inwerkingtreding : 01-01-2007> In het niveau B bestaat de minimumloonschalengroep B1C, B2C.1, B3C.1 en B4C.1 en de maximumloonschalengroep B1C, B2C.2, B3C.2 en B4C.2, waarvan de loonschalen zijn opgenomen in bijlage 1bis, enkel in uitdoving. Alleen de personeelsleden die die loonschalen krachtens de in artikel XIV.I.2, § 1, bedoelde inschaling verwerven, kunnen ze genieten. Die personeelsleden behouden die loonschalengroepen zolang zij tot het niveau B blijven behoren en tot zij, in voorkomend geval, een voordeliger loonschalengroep verwerven. Zij genieten dezelfde baremische loopbaan als die bedoeld in deel VII, titel IV, hoofdstuk IV, afdeling 1.

  Art. 14.1.4. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 35, Inwerkingtreding : 01-01-2007> De loonschalengroepen D1C, D2C, D3C en D4C en C1D, C2D, C3D en C4D, met de loonschalen zoals zij waren vastgesteld op 31 december 2006, bestaan enkel nog in uitdoving.
  De personeelsleden die één van die loonschalengroepen genieten, behouden ze ten persoonlijke titel, tot zolang zij, respectievelijk, tot het niveau D of het niveau C blijven behoren.
  Deze personeelsleden blijven een baremische loopbaan genieten zoals die bestond op 31 december 2006.
  Zij genieten de competentieontwikkelingstoelage onder de voorwaarden van artikel XI.II.22bis.

  Art. 14.1.5. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 35, Inwerkingtreding : 01-01-2007> Personeelsleden van het niveau A die beantwoorden aan de wettelijke voorwaarden om het ambt van preventieadviseur uit te oefenen en effectief voor deze functie zijn aangewezen, verwerven de loonschaal A21 met een loonschaalanciënniteit gelijk aan nul, tenzij zij door hun inschaling krachtens artikel XIV.I.2, § 1, een hogere loonschaal verwerven. Hun klasseanciënniteit in de klasse A2 is gelijk aan de anciënniteit die zij hebben verworven sinds hun voornoemde aanwijzing.

  Art. 14.1.6. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 35, Inwerkingtreding : 01-01-2007> Personeelsleden van het niveau A die een ambt bekleden waarvoor het bezit van een specifiek diploma of getuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau A bij de federale Rijksbesturen, zoals opgenomen in de bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, een uitsluitende aanwervings- of mobiliteitsvereiste was, verwerven de loonschaal A12, tenzij zij door hun inschaling krachtens artikel XIV.I.2, § 1, een hogere loonschaal verwerven.

  Art. 14.1.7. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 35, Inwerkingtreding : 01-01-2007> Aan de personeelsleden die zich voor een gecertificeerde opleiding inschrijven vóór 1 september 2007 en die vervolgens krachtens artikel VII.IV.27 de overeenstemmende loonschaal van de maximumloonschalengroep verwerven, wordt alsdan een éénmalige loonschaalanciënniteitsbonificatie toegekend die gelijk is aan de loonschaalanciënniteit die zij in hun vorige loonschaal van de minimumloonschalengroep, genoten.
  In afwijking van artikel XI.II.22bis, § 1, verwerven de in het eerste lid bedoelde personeelsleden ook het recht op de competentieontwikkelingstoelage in de verworven loonschaal van de maximumloonschalengroep.

  Art. 14.1.8. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 35, Inwerkingtreding : 01-01-2007> In afwijking van artikel VII.IV.25, 3°, zijn de in artikel XIV.I.7 bedoelde personeelsleden die op 1 september 2008 meer dan een jaar loonschaalanciënniteit genieten, vrijgesteld van de voorwaarde van het met vrucht volgen van een gecertificeerde opleiding om de eerstvolgende loonschaal van de maximumloonschalengroep te verwerven.

  Art. 14.1.9. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 35, Inwerkingtreding : 01-01-2007> De personeelsleden van niveau B, C en D, op 1 januari 2007 ingeschaald in een basisloonschaal, evenals de personeelsleden van niveau A, met meer dan vijf jaar loonschaalanciënniteit op 1 september 2008, behouden, indien zij zich vóór 1 september 2007 inschrijven voor een, nadien met vrucht gevolgde, gecertificeerde opleiding, het voordeel van de competentieontwikkelingstoelage na overgang naar de onmiddellijk hogere loonschaal dan deze waarin zij op 1 januari 2007 worden ingeschaald.
  De personeelsleden, die krachtens artikel XIV.I.7, eerste lid, met meer dan vijf jaar loonschaalanciënniteit overgaan naar de overeenstemmende tweede loonschaal van de maximumloonschalengroep, behouden het voordeel van de competentieontwikkelingstoelage eveneens na de daaropvolgende overgang naar de onmiddellijk hogere loonschaal van deze maximumloonschalengroep.

  Art. 14.1.10. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 35, Inwerkingtreding : 01-01-2007> In afwijking van artikel VII.IV.27, derde lid, kan het personeelslid dat vóór 1 september 2008 de hoogste loonschaal van de minimumloonschalengroep geniet, overeenkomstig hetzelfde artikel, eerste lid, de overeenstemmende loonschaal van de maximumloonschalengroep verwerven onder voorwaarde dat het zich inschrijft voor een gecertificeerde opleiding vóór 1 september 2007.

  Art. 14.1.11. De overgang naar de maximumloonschalengroep krachtens artikel VII.IV.27 of XIV.I.7, geschiedt ten vroegste op 1 september 2008.

  Art. 14.1.12. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 35, Inwerkingtreding : 01-01-2007> Personeelsleden van het administratief en logistiek kader met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur voor een deeltijdse betrekking of met een betrekking die wordt gefinancierd door tijdelijke of wisselende middelen, die voor het overige voldoen aan de voorwaarden om te worden benoemd, inzonderheid die bedoeld in artikel XII.IV.2, kunnen, wanneer op hun gewone plaats van het werk een voltijdse, permanente betrekking met een gelijkaardige functionaliteit als de hunne vacant wordt, zich voor die betrekking kandidaat stellen, alvorens beroep wordt gedaan op de mobiliteit of de externe aanwerving om haar in te vullen. Voor zover hij geschikt bevonden wordt, wordt de meest geschikt bevonden kandidaat benoemd in de aan de betrekking verbonden graad.

  Art. 14.1.13. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 35, Inwerkingtreding : 01-01-2007> Benoemde personeelsleden van het administratief en logistiek kader die hebben geopteerd voor het behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling en die de in artikel 12, tweede lid, laatste zin, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en in de artikelen 242, derde lid, laatste zin, en 243, vierde lid, laatste zin, van de wet, bedoelde beslissing nemen, verkrijgen een loonschaal en loonschaalanciënniteit overeenkomstig artikel XII.II.6, alvorens artikel XIV.I.2 en in voorkomend geval de overige artikelen van dit deel, op hen worden toegepast.

  Art. 14.1.14. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 35, Inwerkingtreding : 01-01-2007> Contractuele personeelsleden die reeds in dienst waren vóór 1 januari 2007 en die worden benoemd met toepassing van artikel XII.IV.2, verkrijgen in voorkomend geval een loonschaal en loonschaalanciënniteit overeenkomstig artikel XII.II.38, tweede lid, XII.II.44, tweede lid, XII.II.51, tweede lid, of XII.II.58, tweede lid, alvorens artikel XIV.I.2 en in voorkomend geval de overige artikelen van dit deel, op hen worden toegepast.

  Art. 14.1.15. [1 De procedures tot toekenning van de loonschalen AA4 en A4A, waarvan de oproep tot kandidaatstelling uiterlijk plaats heeft gevonden vóór 1 januari 2007, worden voortgezet overeenkomstig de bepalingen die tot die datum dienaangaande toepasselijk waren. De voornoemde loonschalen worden aan de door de selectiecommissie voorgedragen kandidaten verleend met ingang van de eerste januari die volgt op de datum waarop de betrokken kandidaten aan de voorwaarde inzake anciënniteit voldoen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-11/05, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  BIJLAGEN.

  Art. 1N1. Bijlage 1. De loonschalen in BEF.
  Tabel 1. - Kader van hulpagenten van politie.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11124).
  Tabel 2. - Basiskader.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11125).
  Tabel 3. - Middenkader.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11126).
  Tabel 4. - Officierskader (niet bedoeld in tabel 5).
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11127 tot 11128).
  Tabel 5. - Officierskader - ingenieurs.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11129).
  Tabel 6. - Middenkader - overgangsloonschalen.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11130).
  Tabel 7. - Officierskader - overgangsloonschalen.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11131).

  Art. 2N1. Bijlage 1. - De loonschalen in EUR.
  Tabel 1. - Kader van hulpagenten van politie.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11132).
  Tabel 2. - Basiskader.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11133).
  Tabel 3. - Middenkader.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11134). <Erratum, B.S. 02-10-2001, p. 33207> <Erratum, B.S. 21-11-2001, p. 39421>
  Tabel 4. - Officierskader (niet bedoeld in tabel 5).
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11135 tot 11136).
  Tabel 5. - Officierskader - ingenieurs.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11137).
  Tabel 6. - Middenkader - overgangsloonschalen.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11138). <Erratum, B.S. 02-10-2001, p. 33207>
  Tabel 7. - Officierskader - overgangsloonschalen.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11139). <Erratum, B.S. 02-10-2001, p. 33207>

  Art. N1bis. Bijlage 1bis. - Loonschalen CALOG. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 37, Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (Loonschalen niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-03-2007, p. 18459-18468).

  Art. N2. (Opgeheven) <KB 2007-12-20/51, art. 17, 016; Inwerkingtreding : 01-04-2005>

  Art. N3.Bijlage 3. Weddebijslag voor de uitvoering van een leidinggevend ambt voor de duur van een mandaat.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11141).
  Gewijzigd door :
  <KB 2002-04-16/30, art. 21, Inwerkingtreding : 25-04-2002; B.S. 25-04-2002, p. 17246>
  <KB 2008-09-18/55, art. 4, Inwerkingtreding : 19-10-2008>
  <KB 2013-05-23/10, art. 15, 021; Inwerkingtreding : 17-06-2013>
  <KB 2015-05-29/07, art. 1, 025; Inwerkingtreding : 01-06-2014>

  Art. N3bis. Bijlage 3. - Weddebijslag voor de uitvoering van een leidinggevend ambt voor de duur van een mandaat.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11142).

  Art. N4. Bijlage 4. Door een kandidaat voor heropneming over te leggen getuigschrift.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11145 tot 11146).

  Art. N5. Bijlage 5. Mogelijke cumuls inzake toelagen, vergoedingen en weddebijslagen.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11148).
  Vervangen door :
  <KB 2007-11-02/32, art. 2; Inwerkingtreding : 01-12-2007>

  Art. N6.Bijlage 6. Jaarlijkse bedragen in BEF van de functietoelage.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-03-2007, p. 18468).
  
  Modifiée par :
  
  <KB 2016-11-25/11, art. 2, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. N6bis. <AR 2007-11-02/32, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-12-2007> Bijlage 6. - Jaarlijkse bedragen in EUR van de functietoelage.

  
Eenheden - Begunstigde ambtenBasiskaderMiddenkaderOfficierskader
 Niveaus D en CNiveau BNiveau A
    
1. Detachement luchtsteun   
a. Varend personeel met12 766,5212 766,5212 766,52
hoger brevet   
b. Gebrevetteerd varend7 473,997 473,997 473,99
personeel   
c. Leerling-varend4 462,094 462,094 462,09
personeel   
d. Tijdelijk varend4 462,094 462,094 462,09
personeel   
2. Rijdend personeel (met1 938,212 290,442 642,97
inbegrip van de stagiairs)   
van de politie van de   
autosnelwegen en van de   
door de Koning   
bepaalde autowegen   
Personeel dat zijn dienst   
op moto uitoefent   
3. Detachement belast met de4 258,874 445,634 678,35
onmiddellijke beveiliging   
van de koninklijke familie   
4. Detachementen belast met de4 055,914 315,314 638,54
politie der militairen   
4bis. Scheepvaartpolitie818,05818,05818,05
5. Eenheden belast met de   
bewaking, de bescherming   
of de gespecialiseerde   
interventie   
Lid belast met de   
interventie   
Te Brussel6 391,396 402,386 863,11
Buiten Brussel3 913,503 924,414 171,46
Ander lid   
Te Brussel5 947,965 959,076 331,26
Buiten Brussel3 471,013 482,413 715,93
6. Nabijheidspolitie495,79--
7. Misdrijf-, strategische1 755,391 765,651 938,78
analist   
8. Premie voor leidinggevenden1 000,001 000,001 500,00
9. Polygrafist1 755,391 765,651 938,78



  Art. N7.Bijlage 7. [1 Toelage " Brussels Hoofdstedelijk Gewest " in EUR]1
  

  
[1 Année 1
  -
  Jaar 1
Année 2
  -
  Jaar 2
Année 3
  -
  Jaar 3
Année 4
  -
  Jaar 4
Année 5
  -
  Jaar 5
Année 6 et suivantes sur engagement
  -
  Jaar 6 en volgende
  mits verbintenis
  
669,32803,18937,041 070,911 204,771 338,63 ]1
(1)<KB 2009-06-16/07, art. 7, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2009>


  ----------
  (1)<KB 2009-06-16/07, art. 7, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  

  Art. N8. Bijlage 8. Tweetaligheidstoelage in EUR. <KB 2004-02-03/32, art. 13, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003>

  
Taalkennis bedoeld in het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coordinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken en die het recht op een toelage opentOfficierskader
  Niv. A
  Niv. 1
Middenkader(1)
   Niv. B
   Niv. 2
Basiskader(2)
  Niv. C
   Niv. 2
Hulpkader
   Niv. D
   Niv. 4
     
- Artikel 29, § 1 : elementaire kennis van het Frans
  - Artikel 15, § 2 : elementaire kennis van de tweede taal
223,11178,49133,8789,25
- Artikel 21, § 2 : elementaire kennis van de tweede taal
  en
  - Artikel 21, § 5 : voldoende of elementaire kennis van de tweede taal
   - Artikel 46, § 5 : voldoende of elementaire kennis van de tweede taal
223,11178,49133,8789,25 (3)
- Artikel 15, § 2 : voldoende kennis van de tweede taal
   - Artikel 21, § 4 : voldoende kennis van de tweede taal
   en
  - Artikel 21, § 5 : voldoende kennis van de tweede taal
  - Artikel 46, § 4 : voldoende kennis van de tweede taal

  
  223,11
   
- Artikel 43, § 3, derde lid : voldoende kennis van de tweede taal267,73 (4)   
- Artikel 15, § 1 : kennis van een andere taal (Frans, Nederlands of Duits)267,73178,49133,8789,25


  (1) Geldt eveneens voor de actuele personeelsleden met taalkennis Niv. 2 en die hetzij :
  - in het officierskader worden ingeschaald overeenkomstig tabel D1 van bijlage 11;
  - in het officierskader worden aangesteld krachtens artikel XII.VII.26;
  - overgaan naar het officierskader krachtens artikel XII.VII.17.
  (2) Geldt eveneens voor de actuele personeelsleden die in het middenkader aangesteld worden krachtens artikel XII.VII.21 of XII.VII.26.
  (3) De in artikel 21, § 5 bedoelde elementaire kennis is voldoende voor het toewijzen van de toelage.
  (4) 223,11 voor de personeelsleden die geen houder zijn van het taalgetuigschrift bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 30 november 1966 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorzien door artikel 53 van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.

  Art. N8bis. Bijlage 8. - Tweetaligheidstoelage in EUR.
  (NOTE : Justel a supprimé l'article N8bis visée l'inutilité de cet article par la modification dans l'article N8 appporté par AR 2004-02-03/32, art. 13)

  Art. N9.Bijlage 9. Maaltijd- en logementsvergoeding in BEF.
  Tabel 1. - Forfaitaire bedragen voor maaltijdkosten behalve indien de maaltijd geleverd wordt door een mess of huishouding zoals bedoeld in tabel 2.
  Ontbijt : 100.
  Middagmaal : 250.
  Avondmaal : 250.
  Nachtmaaltijd : 140.
  Tabel 2. - Forfaitaire bedragen voor maaltijdkosten voor de maaltijden genomen of geacht genomen te zijn in een mess of huishouding van de federale politie, van de krijgsmachten, van ministeries of van federale parastatalen, gemeenschappen of gewesten, van een gemeente of van ieder ander organisme of onderneming waarmee een overeenkomst werd gesloten.
  Ontbijt : 50.
  Middagmaal : 100.
  Avondmaal : 100.
  Nachtmaaltijd : 70.
  Tabel 3. - Maximale bedragen voor de kosten van logement en ontbijt (1) (2) in het geval van een rechtstreekse tenlasteneming door de Staat of de terugbetaling op voorlegging van een nota of ontvangstbewijs.
  

  
  Indien geleverd door een aan BTW-onderworpeneIndien geleverd door een niet aan BTW-onderworpene
    
Logement met ontbijt:1 800 per nacht820 per nacht
Alleen logement : 1 600 per nacht720 per nacht


  (1) Indien het logement wordt geleverd met ontbijt is de vergoeding voor ontbijt (tabel 1 of 2) niet verschuldigd.
  (2) In geval van half pension of vol pension zal het bedrag vermeld op de nota of ontvangstbewijs terugbetaald worden binnen de grenzen van het bedrag bekomen door de som te maken van de, naar gelang van het geval, in de tabel 1, 2 en 3 vermelde bedragen.

  Art. N9bis. Bijlage 9. - Maaltijd- en logementsvergoeding in EUR.
  Tabel 1. - Forfaitaire bedragen voor maaltijdkosten behalve indien de maaltijd geleverd wordt door een mess of huishouding zoals bedoeld in tabel 2.
  Ontbijt : 2,48.
  Middagmaal : 6,20.
  Avondmaal : 6,20.
  Nachtmaaltijd : 3,48.
  Tabel 2. - Forfaitaire bedragen voor maaltijdkosten voor de maaltijden genomen of geacht genomen te zijn in een mess of huishouding van de federale politie, van de krijgsmachten, van ministeries of van federale parastatalen, gemeenschappen of gewesten, van een gemeente of van ieder ander organisme of onderneming waarmee een overeenkomst werd gesloten.
  Ontbijt : 1,24.
  Middagmaal : 2,48.
  Avondmaal : 2,48.
  Nachtmaaltijd : 1,74.
  Tabel 3. - Maximale bedragen voor de kosten van logement en ontbijt (1) (2) in het geval van een rechtstreekse tenlasteneming door de Staat of de terugbetaling op voorlegging van een nota of ontvangstbewijs.

  
 Indien geleverd door een aan BTW-onderworpeneIndien geleverd door een niet aan BTW-onderworpene
   
Logement met ontbijt :44,63 EUR per nacht20,33 EUR per nacht
Alleen logement :39,67 EUR per nacht17,85 EUR per nacht


  (1) Indien het logement wordt geleverd met ontbijt is de vergoeding voor ontbijt (tabel 1 of 2) niet verschuldigd.
  (2) In geval van half pension of vol pension zal het bedrag vermeld op de nota of ontvangstbewijs terugbetaald worden binnen de grenzen van het bedrag bekomen door de som te maken van de, naar gelang van het geval, in de tabel 1, 2 en 3 vermelde bedragen.

  Art. N10. Bijlage 10. - Verhuisvergoeding in BEF. - Maximaal bedrag ter dekking van de reële kosten (BTW incluis).

  
Totale afstand (heen en terug)Alleenstaande (*)Gezin met maximum 2 kinderen (*)Gezin met 3 kinderen of meer (*)
tot 100 Km15 75020 50025 000
101 - 150 Km19 25025 00030 250
151 - 200 Km22 75029 50035 500
201 - 250 Km26 25034 00040 750
251 - 300 Km29 75038 50046 000
301 - 350 Km33 75043 00051 250
351 - 400 Km37 75047 50056 500
401 - 450 Km41 75052 00061 750
451 - 500 Km45 75056 50067 000
501 - 550 Km50 75061 00072 250
551 - 600 Km55 75065 50077 500
601 - 650 Km60 75070 00082 750
651 - 700 Km65 75074 50088 000
701 - 750 Km70 75079 00093 250
751 - 800 Km75 75083 50098 500


  (*) De bedragen mogen met maximaal 4 250 of 8 500 worden verhoogd naar gelang het feit dat een goederenlift nodig is gedurende minder of meer dan vier uur.
  Het beroep doen op een goederenlift moet, om in aanmerking genomen te kunnen worden, overduidelijk blijken uit de factuur.

  Art. N10bis. Bijlage 10. - Verhuisvergoeding in EUR. - Maximaal bedrag ter dekking van de reële kosten (BTW incluis).

  
Totale afstand (heen en terug)Alleenstaande (*)Gezin met maximum 2 kinderen (*)Gezin met 3 kinderen of meer (*)
    
tot 100 Km390,44508,19619,74
101 - 150 Km477,20619,74749,88
151 - 200 Km563,96731,29880,03
201 - 250 Km650,73842,841 010,17
251 - 300 Km737,49954,401 140,32
301 - 350 Km836,651 065,951 270,46
351 - 400 Km935,801 177,501 400,60
401 - 450 Km1 034,961 289,051 530,75
451 - 500 Km1 134,121 400,601 660,89
501 - 550 Km1 258,061 512,161 791,04
551 - 600 Km1 382,011 623,711 921,18
601 - 650 Km1 505,961 735,262 051,32
651 - 700 Km1 629,901 846,812 181,47
701 - 750 Km1 753,851 958,362 311,61
751 - 800 Km1 877,802 069,922 441,76


  (*) De bedragen mogen met maximaal 105,36 of 210,71 worden verhoogd naar gelang het feit dat een goederenlift nodig is gedurende minder of meer dan vier uur.
  Het beroep doen op een goederenlift moet, om in aanmerking genomen te kunnen worden, overduidelijk blijken uit de factuur.

  Art. N11. Bijlage 11. - Inschalingstabellen in BEF.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11176 tot 11186.)
  <Gewizigd bij : >
  <W 2005-07-03/53, art. 10, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2001; zie B.S. 29-07-2005, p. 33538-33539>

  Art. N12. Bijlage 12. - Inschaling in loonschalengroepen.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-03-2001, p. 11194 tot 11200).
  (Gewijzigd bij : )
  <W 2002-12-24/31, art. 470; Inwerkingtreding : 10-01-2003>

  Art. N12bis. Bijlage 12bis. - Inschaling in de nieuwe loonschalen CALOG. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 40, Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-03-2007, p. 18469-18471).

  Art. N13. Bijlage 13. - Kader van het operationeel personeel van de lokale politiekorpsen. - Bevordering naar anciënniteit.
  1. Vlaams Gewest (1).
  (1) Omzendbrief van de Vlaamse Gemeenschap BA/95/06 van 1 juli 1995 met betrekking tot het sectoraal akkoord van 12 juli 1994 over het veiligheidspersoneel - aanvulling (Belgisch Staatsblad 22 augustus 1995.
  Stedelijke politie.
  1.1. Functionele loopbaan voor hulpagent zonder diploma met schaal E1 naar schaal E2.
  1.2. Functionele loopbaan voor hulpagent zonder diploma met schaal E2 naar schaal E3.
  1.3. Functionele loopbaan voor hulpagent met diploma LSO met schaal D1 naar schaal D2.
  1.4. Functionele loopbaan voor hulpagent met diploma LSO met schaal D2 naar schaal D3.
  1.5. Functionele loopbaan voor politieagent met schaal PB2 naar schaal PB2bis.
  1.6. Functionele loopbaan voor politieagent met schaal PB2bis naar schaal PB3.
  1.7. Functionele loopbaan voor inspecteur met schaal PB3 naar schaal PB4.
  1.8. Functionele loopbaan voor hoofdinspecteur met schaal PB4 naar schaal PB5.
  1.9. Functionele loopbaan voor hoofdinspecteur eerste klasse met schaal PB5 naar schaal PB6.
  1.10. Functionele loopbaan voor adjunct-commissaris klasse 14, 15 en 16 met schaal PB8 naar schaal PB9.
  1.11. Functionele loopbaan voor adjunct-commissaris klasse 17 en hoger met schaal PB10 naar schaal PB11.
  1.12. Functionele loopbaan voor adjunct-commissaris klasse 17 en hoger met schaal PB11 naar schaal PB11bis.
  1.13. Functionele loopbaan voor adjunct-commissaris klasse 17 en hoger met schaal PB11bis naar schaal PB11ter.
  1.14. Functionele loopbaan voor adjunct-commissaris-inspecteur met schaal PB12 naar schaal PB13.
  1.15. Functionele loopbaan voor adjunct-commissaris-hoofdinspecteur tem klasse 21 met schaal PB14 naar schaal PB15.
  1.16. Functionele loopbaan voor adjunct-commissaris-hoofdinspecteur van klasse 22 met schaal PB16 naar schaal PB17.
  1.17. Functionele loopbaan voor politieassistent met schaal B1 naar schaal B2.
  1.18. Functionele loopbaan voor politieassistent met schaal B2 naar schaal B3.
  Landelijke politie.
  1.19. Functionele loopbaan voor veldwachter met schaal PB2 naar schaal PB2bis.
  1.20. Functionele loopbaan voor veldwachter met schaal PB2bis naar schaal PB3.
  1.21. Functionele loopbaan voor enige veldwachter met schaal PB3 naar schaal PB18.
  1.22 Functionele loopbaan voor hoofdveldwachter met schaal PB5 naar schaal PB6.
  2. Waals Gewest (2) (3).
  (2) Omzendbrief van het Waals Gewest van 16 mei 1995 met betrekking tot de bezoldiging van het personeel van de gemeentepolitie en het personeel van de openbare brandweerdiensten, gewijzigd bij de omzendbrief van 4 december 1997 (niet gepubliceerd).
  (3) Omzendbrief van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 februari 1996 betreffende de weddenschaalherziening voor het veiligheidspersoneel van de Duitstalige gemeenten (niet gepubliceerd).
  Stedelijke politie.
  2.1. Loopbaanontwikkeling voor de hulpagenten van politie met schaal D1 naar schaal D2.
  2.2. Loopbaanontwikkeling voor de politieagenten met schaal D5 naar schaal D5.1.
  2.3. Loopbaanontwikkeling voor de politieagenten met schaal D5.1 naar schaal D6.
  2.4. Loopbaanontwikkeling voor de politieassistenten met schaal B1 naar schaal B2.
  2.5. Loopbaanontwikkeling voor de politieassistenten met schaal B2 naar schaal B3.
  2.6. Loopbaanontwikkeling voor de adjunct-commissarissen - klasse 17 of meer - met schaal A.P.1 naar schaal A.P.2.
  Landelijke politie.
  2.7. Loopbaanontwikkeling voor de veldwachters met schaal D5 naar schaal D5.1.
  2.8. Loopbaanontwikkeling voor de veldwachters met schaal D5.1 naar schaal D6.
  3. Brussels Hoofdstedelijk Gewest (4).
  (4) Sociaal Handvest van 28 april 1994 met betrekking tot harmonisatie van het administratief statuut en algemene weddeherziening voor het personeel van de plaatselijke besturen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aangevuld door het Sociaal Handvest van 27 oktober 1994 (Belgisch Staatsblad 26 januari 1995 en 8 februari 1995).
  3.1. Personeelsleden van de gemeentepolitie met schaal EP1 naar schaal EP2.
  3.2. Personeelsleden van de gemeentepolitie met schaal EP2 naar schaal EP3.
  3.3. Personeelsleden van de gemeentepolitie met schaal CP1 naar schaal CP2.
  3.4. Personeelsleden van de gemeentepolitie met schaal CP2 naar schaal CP3.
  3.5. Personeelsleden van de gemeentepolitie met schaal BP1 naar schaal BP2.
  3.6. Personeelsleden van de gemeentepolitie met schaal BP2 naar schaal BP3.
  3.7. Personeelsleden van de gemeentepolitie met schaal AP1 naar schaal AP2.
  3.8. Personeelsleden van de gemeentepolitie met schaal AP2 naar schaal AP3.

  Art. N14. Bijlage 14. - Gelijkwaardigheid tussen de in de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger bedoelde niveaus van taalkennis en de in het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken bedoelde niveaus van taalkennis.

  
Wet van 30 juli 1938 betreffendeKoninklijk besluit van 18 juli 1966
het gebruik der talen bij hetHoudende coordinatie van de wetten
legerop het gebruik van de talen in
 bestuurszaken
  
De in artikel 2, eerste en tweedeDe in de artikelen 15, § 1, 21,
lid bedoelde kennis van de Fransederde lid, 38, § 1 en 43, § 4,
of Nederlandse taaleerste en vierde lid bedoelde kennis
 van de Franse of Nederlandse taal
 voor het niveau 1
De in artikel 2, eerste en derdeDe in de artikelen 21, § 2 en 38,
lid bedoelde kennis van de Franse§ 4 bedoelde kennis van de Franse of
of Nederlandse taalNederlandse taal
De in artikel 3 bedoelde kennisDe in artikel 29 bedoelde kennis van
van de Franse taalde Franse taal voor het niveau 1
De in artikel 3 bedoelde kennis1° De in de artikelen 21, § 5, 38,
van de Franse of Nederlandse taal§ 4 en 46, § 5 bedoelde kennis
 van de Franse of Nederlandse taal
 voor het niveau 1
 2° De in de artikelen 21, § 4, 38,
 § 4 en 46, § 4 bedoelde kennis
 van de Franse of Nederlandse taal
De in artikel 5 bedoelde kennisDe in artikel 43, § 3, derde lid
van de Franse of Nederlandse taalbedoelde voldoende kennis van de
 Franse of Nederlandse taal
De in artikel 7 bedoelde kennis1° De in artikel 43, § 3, derde lid
van de Franse of Nederlandse taalbedoelde kennis van de Franse of
 Nederlandse taal
 2° De in de artikelen 15, § 1 en 38,
 § 1 bedoelde kennis van de Franse
 of Nederlandse taal voor het
 niveau 1
De in artikel 8, eerste lidDe in de artikelen 15, § 1, 21, § 1,
bedoelde kennis van de Franse ofderde lid, 38, § 1 en 43, § 4,
Nederlandse taaleerste en vierde lid bedoelde kennis
 van de Franse of Nederlandse taal
 voor het niveau 2
De in artikel 8, eerste lidDe in de artikelen 15, 1 en 38,
bedoelde kennis van de Duitse taal§ 1 bedoelde kennis van de Duitse
 taal voor het niveau 2
De in artikel 8, derde lid1° De in de artikelen 15, § 1, 21,
bedoelde kennis van de Franse of§ 1, derde lid, 38, § 1 en 43,
Nederlandse taal§ 4, eerste en vierde lid
 bedoelde kennis van de Franse of
 Nederlandse taal voor het
 niveau 2
 2° De in de artikelen 21, § 5, 38,
 § 4 en 46, § 5 bedoelde kennis
 van de Franse of Nederlandse taal
 voor het niveau 2
 3° De in de artikelen 21, § 4, 38,
 § 4 en 46, § 4 bedoelde kennis
 van de Franse of Nederlandse taal
De in artikel 8, derde lidDe in artikel 29 bedoelde kennis van
bedoelde kennis van de Franse taalde Franse taal voor het niveau 2
De in artikel 8, derde lidDe in de artikelen 15, § 1 en 38,
bedoelde kennis van de Duitse taal§ 1 bedoelde kennis van de Duitse
 taal voor het niveau 2



  Art. N15. Bijlage 15. - De bevorderingen naar anciënniteit van de leden van de griffies en parketten bij de hoven en rechtbanken ter beschikking gesteld van de brigades en het commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie bij de parketten.

  
1(1)Arbeider weddenschaal 40A naar weddenschaal 40B
2(1)Administratief agent weddenschaal 42B naar weddenschaal 42C
3(1)Beambte weddenschaal 30A naar weddenschaal 30C
4(2)Beambte weddenschaal 30C naar weddenschaal 30D
5(1)Gerechtelijk technisch assistent weddenschaal 30A naar weddenschaal 30E
6(1)Opsteller weddenschaal 20A naar weddenschaal 20B
7(2)Opsteller weddenschaal 20B naar weddenschaal 20C
8(2)Vertaler weddenschaal 26A naar weddenschaal 26J
9(1)Bibliotheekbeheerder weddenschaal 26E naar weddenschaal 26H
10(1)Industrieel ingenieur weddenschaal 10A naar weddenschaal 10B
11(1)Industrieel ingenieur weddenschaal 10B naar weddenschaal 10C
12(1)Vertaler-revisor weddenschaal 10A naar weddenschaal 10B
13(1)Vertaler-revisor weddenschaal 10B naar weddenschaal 10C
14(2)Adjunct-secretaris weddenschaal 2915 naar weddenschaal 2914


  (1) Koninklijk besluit van 19 maart 1996 houdende oprichting en vereenvoudiging, in de griffies en parketten bij de hoven en rechtbanken, van de loopbaan van de graden waarvoor een bijzondere beroepsbekwaamheid is vereist en tot vaststelling van de bezoldigingsregeling ervan en tot vaststelling van de bezoldigingsregeling van het personeel van de griffies en parketten bij de hoven en rechtbanken en van de attaches in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie.
  (2) Artikelen 182bis en 184 van het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. N16. Bijlage 16. - Kader van het administratief en logistiek personeel van de lokale politiekorpsen. - Bevordering naar anciënniteit.
  1. Vlaams Gewest (1) (2) (3).
  (1) Omzendbrief van de Vlaamse Gemeenschap BA/99/06 van 8 juni 1999 met betrekking tot het sectoraal akkoord 1997-1998 met betrekking tot algemene weddenschaalherziening en gemeenschappelijke krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid in de lokale en regionale besturen.
  (2) Omzendbrief van de Vlaamse Gemeenschap BA/93/07 van 20 december 1993 betreffende errata en verduidelijkingen bij het sectoraal akkoord 1997-1998, voor zover hiernaar verwezen wordt in het sectoraal akkoord 1997-1998.
  (3) Enkel voor de gemeenten die het sectoraal akkoord van 1997-1998 toepasselijk hebben gemaakt bij uitvoerbaar verklaard gemeentereglement.
  1.1. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal E1 naar schaal E2.
  1.2. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal E2 naar schaal E3.
  1.3. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal D1 naar schaal D2.
  1.4. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal D2 naar schaal D3.
  1.5. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal C1 naar schaal C2.
  1.6. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal C2 naar schaal C3.
  1.7. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal C3 naar schaal C4.
  1.8. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal C4 naar schaal C5.
  1.9. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal B1 naar schaal B2.
  1.10. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal BV1 naar schaal BV2.
  1.11. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal B2 naar schaal B3.
  1.12. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal BV2 naar schaal BV3.
  1.13. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal B4 naar schaal B5.
  1.14. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal A1a naar schaal A2a (afgeplatte organisatiestructuur).
  1.15. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal A2a naar schaal A3a (afgeplatte organisatiestructuur).
  1.16. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal A1a naar schaal A1b (traditionele organisatie).
  1.17. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal A1b naar schaal A2a (traditionele organisatie).
  1.18. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal A4a naar schaal A4b (traditionele organisatie).
  1.19. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal A5a naar schaal A5b.
  1.20. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal A6a naar schaal A6b.
  1.21. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal A6a naar schaal A7a.
  1.22. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal A6b naar schaal A7a.
  1.23. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal A7a naar schaal A7b.
  1.24. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal A8a naar schaal A8b.
  1.25. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal A9a naar schaal A9b.
  1.26. Functionele loopbaan voor personeelsleden met schaal A10a naar schaal A10b.
  2. Waals Gewest (4) (5).
  (4) Omzendbrief van het Waals Gewest van 27 mei 1994 betreffende de algemene principes van het lokaal en provinciaal openbaar ambt (niet gepubliceerd), gewijzigd bij omzendbrief van 7 juli 1999 (Belgisch Staatsblad 28 oktober 1999).
  (5) Omzendbrief van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 juli 1994 betreffende de toepassing van de algemene weddenschaal-herziening voor het personeel van de Duitstalige gemeenten (niet gepubliceerd).
  2.1. Loopbaanontwikkeling voor arbeiders en hulpbeambten met schaal E.1 naar schaal E.2.
  2.2. Loopbaanontwikkeling voor arbeiders en hulp-arbeiders van zware werken met schaal E.2 naar schaal E.3.
  2.3. Loopbaanontwikkeling voor geschoolde arbeiders en bibliotheek-beambten met schaal D.1 naar schaal D.2.
  2.4. Loopbaanontwikkeling voor geschoolde arbeiders en bibliotheek-beambten met schaal D.2 naar schaal D.3.
  2.5. Loopbaanontwikkeling voor geschoolde arbeiders met schaal D.3 naar schaal D.4.
  2.6. Loopbaanontwikkeling voor sanitaire helpers met schaal D.2 naar schaal D.3.
  2.7. Loopbaanontwikkeling voor administratieve en bibliotheekbedienden met schaal D.1 naar schaal D.4.
  2.8. Loopbaanontwikkeling voor administratieve en bibliotheekbedienden met schaal D.4 naar schaal D.5.
  2.9. Loopbaanontwikkeling voor administratieve en bibliotheekbedienden met schaal D.4 of D.5 naar schaal D.6.
  2.10. Loopbaanontwikkeling voor gebrevetteerde verpleegsters met schaal D.6 naar schaal D.7.
  2.11. Loopbaanontwikkeling voor technisch personeel met schaal D.7 naar schaal D.8.
  2.12. Loopbaanontwikkeling voor technisch hoofdpersoneel met schaal D.9 naar schaal D.10.
  2.13. Loopbaanontwikkeling voor administratieve diensthoofden met schaal C.3 naar schaal C.4.
  2.14. Loopbaanontwikkeling voor specifiek gegradueerden en gegradueerde bibliothecarissen met schaal B.1 naar schaal B.2.
  2.15. Loopbaanontwikkeling voor specifiek gegradueerden en gegradueerde bibliothecarissen met schaal B.2 naar schaal B.3.
  2.16. Loopbaanontwikkeling voor bureauchefs of hoofdbibliothecaris met schaal A.1 naar schaal A.2.
  2.17. Loopbaanontwikkeling voor specifieke attachés met schaal A.1 naar schaal A.2.
  2.18. Loopbaanontwikkeling voor specifieke attachés met schaal A.2 naar schaal A.3.
  2.19. Loopbaanontwikkeling voor afdelingshoofden met schaal A.3 naar schaal A.4.
  2.20. Loopbaanontwikkeling voor hoofdattachés met schaal A.4 naar schaal A.5.

  Art. N17. Bijlage 17.

  Art. 1N17. I. Indien het personeelslid lid was van het operationeel korps van de rijkswacht zonder voordien lid te zijn geweest van de zeevaart-, de luchtvaart- of de spoorwegpolitie
  Bepalen van de eventuele bijkomende toelage.
  Indien :
  de geïndexeerde maandwedde zoals bepaald in het statuut van oorsprong (A)
  + het deel van de commandotoelage dat onderworpen is aan een inhouding als bijdrage voor sociale zekerheid - sector geneeskundige verzorging (B)
  + de haard- of standplaatstoelage (C)
  + de huisvestingstoelage (D)
  + de bijzondere functietoelage (E)
  + het deel van de commandotoelage dat niet onderworpen is aan een inhouding als bijdrage voor sociale zekerheid - sector geneeskundige verzorging (F)
  + de toelage commandant KSchGd (G)
  - inhoudingen voor het fonds voor overlevingspensioenen (op A) (H)
  - inhoudingen als bijdrage voor sociale zekerheid - sector geneeskundige verzorging (op A + B) (I)
  zijnde J,
  groter is dan :
  de maandwedde zoals bepaald in dit koninklijk besluit (K)
  + de haard- of standplaatstoelage (L)
  + de overgangstoelage (commandotoelage) (artikel XII.XI.20) (M)
  + de bijkomende toelage (artikel XII.XI.21) (N)
  - inhoudingen voor het fonds voor overlevingspensioenen (op K) (O)
  - inhoudingen als bijdrage voor sociale zekerheid - sector geneeskundige verzorging (op K+ M+ N) (P)
  zijnde Q,
  wordt de bijkomende toelage, zijnde R, bepaald als het verschil tussen J en Q, vermenigvuldigd met :
  a) 1,036808, indien het personeelslid niet behoort tot of gedetacheerd is bij de diensten van de federale politie belast met de politie van de militairen, gestationneerd bij de Belgische strijdkrachten in Duitsland;
  b) 1, indien het personeelslid behoort tot of gedetacheerd is bij de diensten van de federale politie belast met de politie van de militairen, gestationneerd bij de Belgische strijdkrachten in Duitsland.

  Art. 2N17. II. Indien het personeelslid lid was van het operationeel korps van de rijkswacht en voordien lid is geweest van de zeevaart-, de luchtvaart- of de spoorwegpolitie.
  Bepalen van de eventuele bijkomende toelage.
  Zijnde S, de, in voorkomend geval, aan het ex-lid van de zeevaart-, de luchtvaart- of de spoorwegpolitie verschuldigde bijkomende toelage.
  En zijnde I', de inhoudingen voor sociale zekerheid - ziekteverzekering (op S).
  Indien A + B + C + D + E + F + G + S - H - I - I', zijnde T, groter is dan Q,
  wordt de bijkomende toelage R bepaald als het verschil tussen T en Q, vermenigvuldigd met 1,036808.

  Art. N18.Bijlage 18. Aanwezigheidstermijn. <KB 2004-02-03/32, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (Formulier niet opgenomen om technische redenen; zie B.S. 13-02-2004, p. 8783.)
  <Gewijzigd bij :>
  <KB 2009-06-16/07, art. 8; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. N18bis.Bijlage 18bis.
  [1 Aanwezigheidstermijn.
   Naam : . . . . .
   Voornaam : . . . . .
   Identificatienummer : . . . . .
   Hierbij verleen ik mijn akkoord om een aanwezigheidstermijn van vijf jaar na te leven, die aanvangt vanaf de ondertekening van dit document, de politiezone/de directie of dienst die rechtstreeks afhangt van de commissaris-generaal of een directeur-generaal van de federale politie/de dienst die rechtstreeks afhangt van een andere overheid (schrappen wat niet past) hierna vermeld :
   In geval van verlof voorafgaand aan het pensioen, definitieve ambtsontheffing bedoeld in Titel I van Deel IX RPPol, één van de verloven bedoeld in de Titels XII (verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een politiek mandataris), XIII (verlof voor opdracht van algemeen belang) en XIV (afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden) van Deel VIII RPPol, verlof voor voltijdse loopbaanonderbreking bedoeld in artikel 116 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, of vertrek naar de diensten van de federale politie of een ander korps van de lokale politie of een andere dienst die rechtstreeks afhangt van een andere overheid die gesitueerd is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of naar elke betrekking buiten Brussel Hoofdstad vóór die vervaldatum, weet ik dat ik het verschil tussen de bedragen uitgekeerd vanaf mijn verbintenis en deze die ik ontvangen zou hebben indien ik mij niet verbonden had, bij toepassing van artikel XI.III.28bis RPPol zal moeten terugbetalen.
   Ik weet ook dat ik het recht op de toelage bedoeld in artikel XI.III.28bis RPPol verlies wanneer ik deze verbintenis niet hernieuw ten laatste twee maanden vóór het verstrijken van de geldigheidstermijn ervan.
   Datum : . . . . .
   Handtekening : . . . . .]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-16/07, art. 9, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. N19.<Ingevoegd bij KB 2005-12-20/41, art. 24; Inwerkingtreding : 30-01-2006> Bijlage 19.
  
  Tableau I
  
  

  
[1 Gespecialiseerde betrekkingenBrevet vereist voor een ambtshalve aanwijzing en een herplaatsingVoorrang in het raam van mobiliteit
  voor brevethouders
   
1. De betrekkingen van het operationeel kader in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie en in de onderzoeks- en opsporingsdiensten van de lokale politie :  
   
1.1. de betrekkingen van het basiskader, het middenkader en het officierenkader van de federale en de lokale politie;JaJa
   
1.2. de betrekkingen van het basiskader, het middenkader en het officierenkader van de federale en de lokale politie waarvoor een bijkomende functionele gerechtelijke opleiding wordt vereist :  
   
1.2.1. de betrekkingen van operationele misdrijfanalist;JaJa
   
1.2.2. de betrekkingen van gedragsanalist;NeenJa
   
1.2.3. de betrekkingen van polygrafist;NeenJa
   
1.2.4. de betrekkingen van officier Bijzondere Technieken;JaJa
   
1.2.5. de betrekkingen van officier Nationale Informanten Beheerder/Lokale Informanten Beheerder;JaJa
   
1.2.6. de betrekkingen van technische en wetenschappelijke politie in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie;JaJa
   
1.2.7. de betrekkingen bij de dienst Computer Crime Unit;JaJa
   
1.2.8. de betrekkingen van financieel deskundige;NeenJa
   
2. De betrekkingen van het administratief en logistiek kader in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie en in de onderzoeks- en opsporingsdiensten van de lokale politie :  
   
2.1. de betrekkingen van technische en wetenschappelijke politie in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie van de niveaus A, B en C;JaJa
   
2.2. de betrekkingen van operationele misdrijfanalist van de niveaus A en B;JaJa
   
2.3. de betrekkingen van gedragsanalist van de niveaus A en B;NeenJa
   
2.4. de betrekkingen bij de dienst Computer Crime Unit van de niveaus A en B;JaJa
   
2.5. de betrekkingen van financieel deskundige van de niveaus A en B;NeenJa
   
3. De betrekkingen van hondengeleider :  
   
3.1. de betrekkingen van patrouillehondgeleider;JaJa
   
3.2. de betrekkingen van actieve drughondgeleider;JaJa
   
3.3. de betrekkingen van stille drughondgeleider;JaJa
   
3.4. de betrekkingen van speurhondgeleider;JaJa
   
3.5. de betrekkingen van geleider hond menselijke resten;JaJa
   
3.6. de betrekkingen van hormonenhondgeleider;JaJa
   
3.7. de betrekkingen van brandhaarddetectiehondgeleider;JaJa
   
3.8. de betrekkingen van aanvalshondgeleider;JaJa
   
3.9. de betrekkingen van explosievenhondgeleider;JaJa
   
3.10. de betrekkingen van migratiecontrolehondgeleider;JaJa
   
4. De betrekkingen van de directie van de speciale eenheden van de federale politie :  
   
4.1. de betrekkingen van gespecialiseerde observant;JaJa
   
4.2. de betrekkingen in een ploeg van de gespecialiseerde arrestatie;JaJa
   
4.3. de betrekkingen in een ploeg van de gespecialiseerde interventie;JaJa
   
4.4. de betrekkingen van undercoveragent;NeenNeen
   
4.5. de betrekkingen van undercover coördinator;NeenNeen
   
4.6. de betrekkingen van undercover supervisor;NeenNeen
   
4.7. de betrekkingen bij de technische eenheden;NeenJa
   
4.8. de betrekkingen van de dienst Disaster Victim Identification;JaJa
   
5. De betrekkingen in het informatie- en communicatiebeheer :  
   
5.1. de betrekkingen van operator;NeenJa
   
5.2. de betrekkingen van call-taker;NeenJa
   
5.3. de betrekkingen van dispatcher;NeenJa
   
5.4. de betrekkingen van programmeur-encodeur;NeenJa
   
5.5. de betrekkingen van Field Training Manager;NeenJa
   
5.6. de betrekkingen van supervisor-coördinator;NeenJa
   
5.7. de betrekkingen van directeur CIC;NeenJa
   
5.8. de betrekkingen van adjunct-directeur CIC;NeenJa
   
6. De betrekkingen in het informatiebeheer en de verwerking van de operationele politionele informatie :  
   
6.1. de betrekkingen van functionele beheerder ISLP;NeenJa
   
6.2. de betrekkingen van operator in de behandeling van de operationele politionele informatie;NeenJa
   
7. Andere gespecialiseerde betrekkingen :  
   
7.1. de betrekkingen van strategische analist;JaJa
   
7.2. de betrekkingen van politie-assistent;JaJa**
   
7.3. de betrekkingen van opleider;NeenJa
   
7.4. de betrekkingen van wijkpolitie;NeenJa
   
7.5. [2 de betrekkingen van motorrijder van de verkeerspolitie;]2Ja *Ja
   
7.6. de betrekkingen bij de spoorwegpolitie;Ja *Ja
   
7.7. de betrekkingen bij de scheepvaartpolitie;Ja *Ja
   
7.8. de betrekkingen bij de luchtvaartpolitie;Ja *Ja
   
7.9. de betrekkingen van politieruiter;NeenJa
   
7.10. de betrekkingen van piloot;JaJa
   
7.11. de betrekkingen van varend personeel van de luchtsteundienst;JaJa
   
7.12. de betrekkingen van de politie van de grenscontrole;JaJa
   
7.13. de betrekkingen van de bescherming SACEUR in het detachement SHAPE;NeenJa
   
7.14. de betrekkingen van de VIP-beveiliging koninklijk paleis;NeenJa
   
7.15. de betrekkingen van de ''protection unit'' van de GIS.NeenJa
* behalve bij herplaatsing van een personeelslid van het operationeel kader dat een ambt van het administratief en logistiek kader bekleedt;
  ** in het raam van de mobiliteit kunnen enkel (aspirant-)hoofdinspecteurs met specialiteit politieassistent of hoofdinspecteurs die houder zijn van een geldig brevet politieassistent zich kandidaat stellen voor de betrekkingen van politieassistent. ]1
(1)<KB 2014-10-10/11, art. 1, 024; Inwerkingtreding : 04-12-2014>
(2)<KB 2016-11-25/11, art. 3, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2017>


  
  Tableau II
  
  

  
[1 Betrekkingen waarvoor een bijzondere bekwaamheid wordt vereistBrevet vereist voor een ambtshalve aanwijzing en een herplaatsingVoorrang in het raam van de mobiliteit voor brevethouders
   
1. de betrekkingen met een bijzondere bekwaamheid van motorrijder;NeenJa
   
2. de betrekkingen met een bijzondere bekwaamheid voor het besturen van een snel voertuig/van een voertuig bij dringende omstandigheden;NeenJa
   
3. de betrekkingen met een bijzondere bekwaamheid voor het besturen van een dienstmotorfiets in stedelijke omgeving;NeenJa
   
4. de betrekkingen met een bijzondere bekwaamheid voor undercoveragent;NeenJa
   
5. de betrekkingen met een bijzondere bekwaamheid voor de Disaster Victim Identification;NeenJa
   
6. de betrekkingen met een bijzondere bekwaamheid voor de Disaster Victim Identification - Ante Mortem;NeenJa
   
7. de betrekkingen met een bijzondere bekwaamheid voor de Disaster Victim Identification - Post Mortem;NeenJa
   
8. de betrekkingen met een bijzondere bekwaamheid begeleider verwijderingen.NeenJa]1
(1)<KB 2014-10-10/11, art. 1, 024; Inwerkingtreding : 04-12-2014>


Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
    Gegeven te Parijs, 30 maart 2001.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Binnenlandse Zaken,
A. DUQUESNE
De Minister van Ambtenarenzaken,
L. VAN DEN BOSSCHE
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-11-2016 GEPUBL. OP 13-12-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : N6; N19)
  • BEELD
  • WET VAN 21-04-2016 GEPUBL. OP 29-04-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.7.6; 12.7.17; 12.7.18; 12.9.4; )
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-11-2015 GEPUBL. OP 25-11-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 12.13.1-12.13.6)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-05-2015 GEPUBL. OP 11-06-2015
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-10-2014 GEPUBL. OP 24-11-2014
    (GEWIJZIGD ART. : N19)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-09-2014 GEPUBL. OP 29-09-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 14.1.15)
  • BEELD
  • WET VAN 21-12-2013 GEPUBL. OP 31-12-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.4.7; 12.7.21; 12.7.27bis; 12.11.23; 12.11.25; 12.11.36)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-05-2013 GEPUBL. OP 07-06-2013
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • BEELD
  • WET VAN 02-12-2011 GEPUBL. OP 17-02-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.6.9bis; 12.7.27bis; )
  • BEELD
  • WET VAN 03-03-2010 GEPUBL. OP 08-04-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.6.9bis; 12.7.27bis)
  • BEELD
  • WET VAN 25-01-2010 GEPUBL. OP 03-03-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.7.15quater; 12.7.15quinquies; 12.7.15sexies; 12.7.16quinquies; 12.7.16septies; 12.7.16octies; 12.7.18; 12.7.19bis; 12.11.18ter; )
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-06-2009 GEPUBL. OP 06-07-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : N7; N18; N18bis)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-09-2008 GEPUBL. OP 09-10-2008
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-12-2007 GEPUBL. OP 18-01-2008
    (GEWIJZIGD ART. : N2)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-11-2007 GEPUBL. OP 22-11-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : N5; N6)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-08-2007 GEPUBL. OP 12-09-2007
    (GEWIJZIGD ART. : N6)
  • BEELD
  • WET VAN 15-05-2007 GEPUBL. OP 15-06-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 12.7.16SEXIES)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-03-2007 GEPUBL. OP 30-03-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 14.1.1; 14.1.2-14.1.14; N1BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : N6; N7; N12BIS; N18BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 01-03-2007 GEPUBL. OP 14-03-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 12.7.7)
  • BEELD
  • WET VAN 02-06-2006 GEPUBL. OP 08-09-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.7.15QUA; 12.7.16QUI)
    (GEWIJZIGD ART. : 12.11.18BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 20-07-2006 GEPUBL. OP 28-07-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 12.11.38)
  • BEELD
  • WET VAN 20-06-2006 GEPUBL. OP 26-07-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 12.7.27BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 16-03-2006 GEPUBL. OP 02-05-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 12.7.7)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-12-2005 GEPUBL. OP 30-01-2006
    (GEWIJZIGD ART. : N19)
  • BEELD
  • WET VAN 03-07-2005 GEPUBL. OP 29-07-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.11.23; 12.11.24; 12.6.8)
    (GEWIJZIGD ART. : 12.6.9)
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.2.20; 12.2.28; N11; 12.4.2)
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.4.6; 12.4.7; 12.6.6BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.6.8; 12.6.8BIS; 12.6.9BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.7.11BIS; 12.7.15.; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.7.15BIS; 12.7.15TER)
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.7.16; 12.7.16BIS; 12.7.17)
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.7.16TER; 12.7.16QUA; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.7.18; 12.7.19; 12.7.23BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.7.25; 12.7.27BIS; 12.11.15)
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.11.17; 12.11.18; 12.11.21)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-02-2004 GEPUBL. OP 13-02-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : N7; N7BIS; N8; N8BIS; N18)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-12-2003 GEPUBL. OP 30-12-2003
    (GEWIJZIGD ART. : N6)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-05-2003 GEPUBL. OP 09-07-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 13.2.1)
  • BEELD
  • WET VAN 24-12-2002 GEPUBL. OP 31-12-2002
    (GEWIJZIGD ART. : N12)
  • BEELD
  • WET VAN 02-08-2002 GEPUBL. OP 29-08-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 12.9.4)
  • BEELD
  • WET VAN 26-04-2002 GEPUBL. OP 30-04-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 12.8.10; 12.8.10BIS)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-04-2002 GEPUBL. OP 25-04-2002
    (GEWIJZIGD ART. : N3)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Inhoudstafel 23 uitvoeringbesluiten 27 gearchiveerde versies
    Franstalige versie