J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 161 uitvoeringbesluiten 72 gearchiveerde versies
Erratum Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2001/03/30/2001000327/justel

Titel
30 MAART 2001. - Koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) (Deel 1 tot en met 11)
(NOTA : om technische en praktische redenen, werden de Romeinse cijfers van de artikelen van deze tekst, veranderd in Arabische cijfers respectievelijk met volgende artikelen : Artikel I.I.1 wordt Artikel 1.1.1; Art. III.II.3 wordt Art. 3.2.3. De verwijzingen ingesloten in de artikelen werden niet veranderd en een verwijzing naar artikel III.VII.4 moet gelezen worden als een verwijzing naar artikel III.7.4)
(NOTA : De artikelen IV.I.60 en VII.II.50 RPPol worden bekrachtigd met ingang van hun respectieve dag van inwerkingtreding bij W 2016-04-21/06, art. 90)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-03-2001 en tekstbijwerking tot 10-02-2017)

Bron : BINNENLANDSE ZAKEN.JUSTITIE
Publicatie : 31-03-2001 nummer :   2001000327 bladzijde : 10863   BEELD
Dossiernummer : 2001-03-30/31
Inwerkingtreding : 01-04-2001

Inhoudstafel Tekst Begin
DEEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
TITEL I. - DEFINITIES.
Art. 1.1.1-1.1.2
TITEL II. - TOEPASSINGSGEBIED.
Art. 1.2.1
TITEL III. - ALGEMENE BEPALING.
Art. 1.3.1
DEEL II. - HET PERSONEEL.
TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
HOOFDSTUK I. - DE ANCIENNITEIT EN DE RANGSCHIKKING.
Art. 2.1.1-2.1.8
HOOFDSTUK II. - DE NAAMLIJST.
Art. 2.1.9-2.1.10
HOOFDSTUK III. - DE BENOEMENDE OVERHEID.
Art. 2.1.11
HOOFDSTUK IV. - HET PERSOONLIJK DOSSIER.
Art. 2.1.12-2.1.14
TITEL II. - HET OPERATIONEEL KADER.
HOOFDSTUK I. - DE GRADEN EN DE LOONSCHALEN.
AFDELING 1. - DE GRADEN.
Art. 2.2.1-2.2.3
AFDELING 2. - DE LOONSCHALEN.
Art. 2.2.4-2.2.9
HOOFDSTUK II. - DE HOEDANIGHEID VAN OFFICIER VAN GERECHTELIJKE POLITIE.
Art. 2.2.10
TITEL III. - HET ADMINISTRATIEF EN LOGISTIEK KADER.
HOOFDSTUK I. - DE GRADEN.
Art. 2.3.1-2.3.2
HOOFDSTUK II. - DE LOONSCHALEN.
Art. 2.3.3-2.3.21
DEEL III. - DE RECHTEN EN PLICHTEN.
TITEL I. - ALGEMENE BEPALING.
Art. 3.1.1
TITEL II. - DE GEZAGSUITOEFENING.
Art. 3.2.1-3.2.4
TITEL III.
Art. 3.3.1-3.3.2
TITEL IV. - HET RECHT OP OPLEIDING.
Art. 3.4.1-3.4.2
TITEL V.
Art. 3.5.1-3.5.2
TITEL VI. - DE CUMULATIE.
Art. 3.6.1-3.6.5
TITEL VII. - ONGEWENST SEKSUEEL GEDRAG OP HET WERK.
Art. 3.7.1-3.7.9
DEEL IV. - DE AANWERVING, DE SELECTIE EN DE OPLEIDING.
TITEL I. - DE AANWERVING EN DE SELECTIE.
HOOFDSTUK I. - DE AANWERVING EN DE SELECTIE VAN HET PERSONEEL VAN HET OPERATIONEEL KADER.
AFDELING 1. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 4.1.1-4.1.2
AFDELING 2. - DE AANWERVING.
Onderafdeling 1. - Algemene bepaling.
Art. 4.1.3
Onderafdeling 2.
Art. 4.1.4-4.1.6
Onderafdeling 3. - De diplomavereisten.
Art. 4.1.7-4.1.12
AFDELING 3. - DE SELECTIE.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 4.1.13-4.1.14
Onderafdeling 2. - De selectieproeven en -procedure.
Art. 4.1.15-4.1.28
Onderafdeling 2bis. - [1 De afwezigheden]1
Art. 4.1.28bis
Onderafdeling 3. - De vrijstellingen.
Art. 4.1.29, 4.1.29bis, 4.1.29ter
Onderafdeling 4. - De volgorde van toelating tot de basisopleiding.
Art. 4.1.30-4.1.33, 4.1.33bis
HOOFDSTUK II. - DE AANWERVING EN DE SELECTIE VAN HET PERSONEEL VAN HET ADMINISTRATIEF EN LOGISTIEK KADER.
AFDELING 1. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 4.1.34-4.1.36
AFDELING 2. - DE AANWERVING.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 4.1.37-4.1.40
Onderafdeling 2.
Art. 4.1.41-4.1.43
Onderafdeling 3. - De diplomavereisten.
Art. 4.1.44-4.1.48
Onderafdeling 4. - De bijzondere toelatingsvoorwaarden.
Art. 4.1.49
AFDELING 3. - DE SELECTIE.
Onderafdeling 1. -Algemene bepalingen.
Art. 4.1.50-4.1.51
Onderafdeling 2. - De selectieproeven en -procedure.
Art. 4.1.52-4.1.53
Onderafdeling 2bis. - [1 De vrijstellingen]1
Art. 4.1.54, 4.1.54bis
Onderafdeling 2ter. - [1 De afwezigheden]1
Art. 4.1.55
Onderafdeling 3. - De beslissing betreffende de geschiktheid.
Art. 4.1.56-4.1.57, 4.1.57bis
Onderafdeling 4. - De wervingsreserve.
Art. 4.1.58-4.1.59
Afdeling 4. - [1 De benoeming van contractuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader]1
Art. 4.1.60
TITEL II. - DE OPLEIDING.
HOOFDSTUK I. - DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED.
Art. 4.2.1-4.2.2
HOOFDSTUK II. - ALGEMENE PRINCIPES VAN DE OPLEIDING.
Art. 4.2.3-4.2.13
HOOFDSTUK III. - DE POLITIESCHOLEN.
AFDELING 1. - POLITIESCHOLEN ERKEND DOOR DE MINISTER.
Art. 4.2.14-4.2.26
AFDELING 2. - POLITIESCHOLEN INGERICHT DOOR DE MINISTER.
Art. 4.2.27-4.2.28
AFDELING 3. - POLITIESCHOOL INGERICHT DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE.
Art. 4.2.29
AFDELING 4. - DE OPDRACHTEN VAN DE POLITIESCHOLEN.
Art. 4.2.30-4.2.31
AFDELING 5. - HET BEHEERSCONTRACT.
Art. 4.2.32-4.2.34
HOOFDSTUK IV. - DE OMKADERING TIJDENS DE OPLEIDING.
AFDELING 1. - DE OMKADERING IN DE POLITIESCHOOL.
Art. 4.2.35-4.2.37
AFDELING 2. - DE OMKADERING IN DE POLITIEDIENSTEN.
Art. 4.2.38-4.2.41
HOOFDSTUK V. - DE ORGANISATIE VAN DE OPLEIDINGEN.
Art. 4.2.42-4.2.45
HOOFDSTUK VI. - DE TOELATING TOT DE BASISOPLEIDING EN DE AANSTELLING IN DE GRAAD.
Art. 4.2.46-4.2.48
HOOFDSTUK VII. - DE FINANCIERING VAN DE OPLEIDINGEN.
Art. 4.2.49-4.2.50
Titel III. - De gecertificeerde opleiding <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 8, Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 4.3.1-4.3.7
DEEL V. - DE STAGE EN DE BENOEMING.
TITEL I. - ALGEMENE BEPALING.
Art. 5.1.1
TITEL II. - DE STAGE EN DE BENOEMING.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
Art. 5.2.1
HOOFDSTUK II. - DE BENOEMING.
Art. 5.2.2-5.2.3
HOOFDSTUK III. [1 - De Stage.]1
AFDELING 1. [1 - Algemene bepalingen.]1
Art. 5.2.3bis, 5.2.4-5.2.6, 5.2.6bis
AFDELING 2. [1 - De aanvang van de stage.]1
Art. 5.2.7
AFDELING 3. [1 - De duur van de stage.]1
Art. 5.2.8-5.2.9
AFDELING 4. [1 - De evaluatie van de stagiair.]1
Art. 5.2.10-5.2.13
AFDELING 5. [1 - De beroepsgeschiktheid van de stagiair.]1
Art. 5.2.14-5.2.18
AFDELING 6. [1 - Het stagedossier.]1
Art. 5.2.19-5.2.20
TITEL III. - DE INDIENSTNEMING, DE BENOEMING EN DE STAGE VAN HET PERSONEELSLID VAN HET ADMINISTRATIEF EN LOGISTIEK KADER.
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALING.
Art. 5.3.1
HOOFDSTUK II. - DE INDIENSTNEMING EN DE BENOEMING.
Art. 5.3.2-5.3.8
HOOFDSTUK III. - DE STAGE.
AFDELING 1. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 5.3.9-5.3.11
AFDELING 2. - DE TOELATING TOT DE STAGE.
Art. 5.3.12
AFDELING 3. - DE DUUR VAN DE STAGE.
Art. 5.3.13-5.3.14
AFDELING 4. - DE EVALUATIE VAN DE STAGIAIR.
Art. 5.3.15-5.3.18
AFDELING 5. - DE BEROEPSGESCHIKTHEID VAN DE STAGIAIR.
Art. 5.3.19-5.3.23
AFDELING 6. - HET STAGEDOSSIER.
Art. 5.3.24-5.3.25
DEEL VI. - HET DOELTREFFEND INZETTEN VAN HET PERSONEEL.
TITEL I. - DE ORGANISATIE VAN DE ARBEIDSTIJD.
HOOFDSTUK I. - BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN TOEPASSINGSGEBIED.
Art. 6.1.1-6.1.2
HOOFDSTUK II. - DE REFERENTIEPERIODE EN DE ORGANISATIE VAN DE DIENST.
Art. 6.1.3
HOOFDSTUK III. - DE ARBEIDS- EN RUSTTIJDEN.
Art. 6.1.4-6.1.9
HOOFDSTUK IV. - DE NACHTPRESTATIES.
Art. 6.1.10-6.1.12
HOOFDSTUK V. - DE NADERE REGELEN INZAKE BEREIKBAARHEID EN TERUGROEPBAARHEID.
Art. 6.1.13-6.1.15
TITEL II. - DE INPLAATSSTELLING VAN HET PERSONEEL.
HOOFDSTUK I. - DE EERSTE AANWIJZING.
AFDELING 1. - [1 DE EERSTE AANWIJZING VAN EEN PERSONEELSLID VAN HET OPERATIONEEL KADER]1
Art. 6.2.1-6.2.3
Onderafdeling 1. - [1 De eerste aanwijzing binnen het basiskader]1
Art. 6.2.4, 6.2.4bis, 6.2.4ter, 6.2.4quater, 6.2.4quinquies
Onderafdeling 2. - [1 De eerste aanwijzing binnen het kader van agenten van politie of het gespecialiseerd middenkader]1
Art. 6.2.4sexies
Onderafdeling 3. - [1 De eerste aanwijzing binnen het middenkader of het officierskader]1
Art. 6.2.4septies
AFDELING 2. - DE EERSTE AANWIJZING VAN EEN PERSONEELSLID VAN HET ADMINISTRATIEF EN LOGISTIEK KADER.
Art. 6.2.5-6.2.7
HOOFDSTUK II. - DE REGELING VAN DE MOBILITEIT.
AFDELING 1. - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN.
Onderafdeling 1. - De algemene voorwaarden voor mobiliteit.
Art. 6.2.8-6.2.12, 6.2.12bis
Onderafdeling 2. - Het mobiliteitsdossier.
Art. 6.2.13-6.2.14
AFDELING 2. - DE PROCEDUREVOORSCHRIFTEN.
Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Art. 6.2.15-6.2.27, 6.2.27bis
Onderafdeling 2. - Bijzondere bepalingen eigen aan de mobiliteit naar een korps van de lokale politie.
Art. 6.2.28-6.2.34
Onderafdeling 3. - Bijzondere bepalingen eigen aan de mobiliteit in of naar de federale politie.
Art. 6.2.35-6.2.40
AFDELING 3. - DE SELECTIECOMMISSIES VOOR OFFICIEREN EN VOOR PERSONEELSLEDEN VAN NIVEAU A.
Onderafdeling 1. - De plaatselijke selectiecommissie voor officieren van de lokale politie.
Art. 6.2.41-6.2.43
Onderafdeling 2. - De plaatselijke selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de lokale politie.
Art. 6.2.44-6.2.45
Onderafdeling 3. - De nationale selectiecommissie voor officieren van de lokale politie.
Art. 6.2.46-6.2.51
Onderafdeling 4. - De nationale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de lokale politie.
Art. 6.2.52-6.2.54
Onderafdeling 5. - De federale selectiecommissie voor officieren van de federale politie.
Art. 6.2.55-6.2.58
Onderafdeling 6. - De federale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de federale politie.
Art. 6.2.59-6.2.60
AFDELING 4. - DE SELECTIECOMMISSIES VOOR DE PERSONEELSLEDEN VAN HET MIDDEN- EN BASISKADER EN VOOR DE PERSONEELSLEDEN VAN DE NIVEAUS B EN C.
Onderafdeling 1. - De plaatselijke selectiecommissie voor de personeelsleden van het midden- en basiskader van de lokale politie.
Art. 6.2.61-6.2.62
Onderafdeling 2. - De plaatselijke selectiecommissie voor de personeelsleden van de niveaus B en C van de lokale politie.
Art. 6.2.63-6.2.64
Onderafdeling 3. - De federale selectiecommissie voor de personeelsleden van het midden- en basiskader van de federale politie.
Art. 6.2.65-6.2.66
Onderafdeling 4. - De federale selectiecommissie voor de personeelsleden van de niveaus B en C van de federale politie.
Art. 6.2.67-6.2.68
Afdeling 5. [1 - Bijzondere bepalingen eigen aan de mobiliteit naar een betrekking van verbindingsofficier.]1
Art. 6.2.68bis
AFDELING 6. [1 - BIJZONDERE BEPALINGEN EIGEN AAN DE MOBILITEIT NAAR EEN BETREKKING BINNEN DE DIRECTIE VAN DE SPECIALE EENHEDEN.]1
Art. 6.2.68ter
HOOFDSTUK III. - BIJZONDERE BEPALINGEN EIGEN AAN DE FEDERALE POLITIE : DE AMBTSHALVE AANWIJZING.
Art. 6.2.69-6.2.71
HOOFDSTUK IV. - DE TIJDELIJKE INPLAATSSTELLING VAN DE PERSONEELSLEDEN.
AFDELING 1. - DE DETACHERING EN DE TERBESCHIKKINGSTELLING.
Art. 6.2.72-6.2.76
AFDELING 2. - DE UITOEFENING VAN EEN HOGER AMBT.
Art. 6.2.77-6.2.84
HOOFDSTUK V. - DE HERPLAATSING.
AFDELING 1. - TOEPASSINGSGEBIED.
Art. 6.2.85
AFDELING 2. - NADERE BEPALINGEN INZAKE HERPLAATSING.
Art. 6.2.86-6.2.91
Hoofdstuk VI. - Slotbepaing. <Ingevoegd bij KB 2005-12-20/41, art. 23; Inwerkingtreding : 30-01-2006>
Art. 6.2.92
Hoofdstuk VII. [1 - Het eindeloopbaanregime.]1
Art. 6.2.93-6.2.103
DEEL VII. - DE ADMINISTRATIEVE LOOPBAAN.
TITEL I. - DE EVALUATIE. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
HOOFDSTUK I. - De inhoud. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
Art. 7.1.1-7.1.4
HOOFDSTUK II. - De evaluator, de eindverantwoordelijke voor de evaluatie en de evaluatie-adviseur. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
Art. 7.1.5-7.1.8
HOOFDSTUK III. - De evaluatieperiode. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
Art. 7.1.9-7.1.10
HOOFDSTUK IV. - Het planningsgesprek, het functioneringsgesprek en het evaluatiegesprek.
Art. 7.1.11-7.1.13
HOOFDSTUK V. - De vermeldingen. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
Art. 7.1.14-7.1.15
HOOFDSTUK VI. - De procedurevoorschriften. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
Afdeling 1. - De evaluatieprocedure en het beroep bij de eindverantwoordelijke voor de evaluatie. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
Art. 7.1.16-7.1.20
Afdeling 2. - De beroepsprocedure bij de raad van beroep. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
Onderafdeling 1. - De raad van beroep. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
Art. 7.1.21-7.1.24
Onderafdeling 2. - De procedure voor de raad van beroep <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
Art. 7.1.25-7.1.27
HOOFDSTUK VII. - Het evaluatiedossier. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
Art. 7.1.28-7.1.30
HOOFDSTUK VIII. - Diverse bepalingen. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
Art. 7.1.31
TITEL II. - DE LOOPBAAN VAN HET PERSONEEL VAN HET OPERATIONEEL KADER.
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 7.2.1-7.2.3
HOOFDSTUK II. - DE BEVORDERING DOOR VERHOGING IN GRAAD.
Art. 7.2.4-7.2.5
HOOFDSTUK III. - DE BEVORDERING DOOR OVERGANG NAAR EEN HOGER KADER.
AFDELING 1.
Art. 7.2.6
AFDELING 2. - DE TOELATINGSVOORWAARDEN.
Onderafdeling 1.
Art. 7.2.7
Onderafdeling 2.
Art. 7.2.8
Onderafdeling 3. - Vereiste kaderanciënniteit.
Art. 7.2.9-7.2.10
Onderafdeling 4. - Diplomavereisten.
Art. 7.2.11-7.2.13
AFDELING 3. - DE SELECTIE.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 7.2.14-7.2.15
Onderafdeling 2. - De selectieproeven en -procedure.
Art. 7.2.16-7.2.19, 7.2.19bis, 7.2.20
HOOFDSTUK IV. - DE BAREMISCHE LOOPBAAN.
AFDELING 1. - DE BAREMISCHE LOOPBAAN IN HET KADER VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE.
Art. 7.2.21
AFDELING 2. - DE BAREMISCHE LOOPBAAN IN HET BASISKADER.
Art. 7.2.22
AFDELING 3. - DE BAREMISCHE LOOPBAAN IN HET MIDDENKADER.
Art. 7.2.23
AFDELING 4. - DE BAREMISCHE LOOPBAAN IN HET OFFICIERSKADER.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 7.2.24
Onderafdeling 2. - De nationale selectiecommissie voor hogere officieren.
Art. 7.2.25-7.2.27
Onderafdeling 3. - De overgang naar de loonschaal O7.
Art. 7.2.28-7.2.38
Onderafdeling 4. - De overgang naar de loonschaal 08.
Art. 7.2.39-7.2.49
HOOFDSTUK V. - De benoeming van contractuele hulpagenten van politie. <Ingevoegd bij KB 2004-04-25/56, art. 1; Inwerkingtreding : 13-05-2004>
Art. 7.2.50-7.2.51
TITEL III. - DE AANWIJZING VOOR EEN MANDAAT. (NOTA : De vroegere titel III, bestaande uit de artikelen 7.3.1 tot en met 7.3.137, is vervangen door de nieuwe titel III, bestaande uit de artikelen 7.3.1 tot en met 7.3.111, bij <KB 2008-09-18/55, art. 3, 038 tot 040; Inwerkingtreding : 19-10-2008>)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Afdeling 1. - De mandaten
Art. 7.3.1-7.3.3
Afdeling 2. - Functiebeschrijving en profiel
Art. 7.3.4-7.3.9
Afdeling 3. - Het mandaatdossier
Art. 7.3.10-7.3.11
HOOFDSTUK II. - De aanwijzing voor een mandaat
Afdeling 1. - De voorwaarden voor de aanwijzing voor een mandaat
Onderafdeling 1. - Algemene aanwijzingsvoorwaarden
Art. 7.3.12
Onderafdeling 2. - Specifieke aanwijzingsvoorwaarden
Art. 7.3.13-7.3.19
Afdeling 2. - De procedure
Onderafdeling 1. - De vacature en de kandidaatstelling
Art. 7.3.20-7.3.24
Onderafdeling 2. - De procedure voor de selectiecommissie
Art. 7.3.25-7.3.30
Afdeling 3. - De aanwijzing voor een mandaat
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 7.3.31-7.3.41
Onderafdeling 2. - Bijzondere bepalingen inzake de aanwijzing voor het mandaat van korpschef
Art. 7.3.42-7.3.43
Onderafdeling 3. - Bijzondere bepalingen inzake de aanwijzing voor de mandaten in de federale politie
Art. 7.3.44-7.3.50
Onderafdeling 4. - Bijzondere bepaling inzake de aanwijzing voor het mandaat van inspecteur-generaal en van adjunct-inspecteur-generaal
Art. 7.3.51
Afdeling 4. - De selectiecommissies
Onderafdeling 1. - Bepalingen gemeenschappelijk aan alle in deze afdeling bedoelde selectiecommissies
Art. 7.3.52-7.3.57
Onderafdeling 2. - De plaatselijke selectiecommissie voor het ambt van korpschef
Art. 7.3.58
Onderafdeling 3. - De nationale selectiecommissie voor het ambt van korpschef
Art. 7.3.59-7.3.60
Onderafdeling 4. - De selectiecommissie voor het ambt van commissaris-generaal
Art. 7.3.61
Onderafdeling 5. - De selectiecommissie voor het ambt van directeur-generaal
Art. 7.3.62
Onderafdeling 6. - De selectiecommissie voor het ambt van bestuurlijke directeur-coördinator
Art. 7.3.63-7.3.64
Onderafdeling 7. - De selectiecommissie voor het ambt van gerechtelijke directeur
Art. 7.3.65-7.3.66
Onderafdeling 8. - De selectiecommissie voor het ambt van directeur
Art. 7.3.67
Onderafdeling 9. - De selectiecommissie voor het ambt van inspecteur-generaal en adjunct-inspecteur-generaal
Art. 7.3.68
HOOFDSTUK III. - De evaluatie van de mandaathouder
Afdeling 1. - De periodiciteit van de evaluaties
Art. 7.3.69
Afdeling 2. - De evaluatiecommissies
Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepaling voor alle evaluatiecommissies
Art. 7.3.70
Onderafdeling 2. - De evaluatiecommissie voor het ambt van korpschef
Art. 7.3.71
Onderafdeling 3. - De evaluatiecommissie voor het ambt van commissaris-generaal
Art. 7.3.72
Onderafdeling 4. - De evaluatiecommissie voor het ambt van directeur-generaal
Art. 7.3.73
Onderafdeling 5. - De evaluatiecommissie voor het ambt van bestuurlijke directeur-coördinator
Art. 7.3.74
Onderafdeling 6. - De evaluatiecommissie voor het ambt van gerechtelijke directeur
Art. 7.3.75
Onderafdeling 7. - De evaluatiecommissie voor het ambt van directeur
Art. 7.3.76
Onderafdeling 8. - De evaluatiecommissie voor het ambt van inspecteur-generaal en adjunct-inspecteur-generaal
Art. 7.3.77
Afdeling 3. - De evaluatie door de evaluatiecommissie
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 7.3.78-7.3.80
Onderafdeling 2. - De procedurevoorschriften
Art. 7.3.81-7.3.86
HOOFDSTUK IV. - De hernieuwing van het mandaat
Afdeling 1. - Het Verzoek Tot Hernieuwing En De Evaluatie
Art. 7.3.87-7.3.89
Afdeling 2. - De hernieuwing van het mandaat
Art. 7.3.90-7.3.97
HOOFDSTUK V. - De beëindiging van het mandaat
Afdeling 1. - Het vrijwillig beëindigen van het mandaat
Art. 7.3.98-7.3.100
Afdeling 2. - De beëindiging van het mandaat wegens ongeschiktheid van de mandaathouder
Art. 7.3.101-7.3.103
Afdeling 3. - De Beëindiging Van Het Mandaat Wegens Tuchtstraf
Art. 7.3.104-7.3.106
Afdeling 4. - Bijzondere regels voor de Federale Politie : de aanwijzing voor een ander mandaat
Art. 7.3.107-7.3.110
HOOFDSTUK VI. - De herplaatsing
Art. 7.3.111
TITEL IV. - DE LOOPBAAN VAN HET PERSONEEL VAN HET ADMINISTRATIEF EN LOGISTIEK KADER.
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 7.4.1-7.4.3
HOOFDSTUK II. - (De bevordering door overgang naar een hogere klasse en de overgang naar een lagere klasse) <KB 2007-03-23/36, art. 14, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 7.4.4-7.4.6
HOOFDSTUK III. - DE BEVORDERING DOOR OVERGANG NAAR EEN HOGER NIVEAU.
AFDELING 1. - ALGEMENE BEPALING.
Art. 7.4.7
AFDELING 2. - HET BREVET VOOR OVERGANG NAAR EEN HOGER NIVEAU.
Onderafdeling 1.
Art. 7.4.8
Onderafdeling 2.
Art. 7.4.9
Onderafdeling 3. - Vereiste niveauanciënniteit.
Art. 7.4.10-7.4.12
Onderafdeling 4. - Diplomavereisten.
Art. 7.4.13-7.4.16
Onderafdeling 5. - De selectie.
Art. 7.4.17-7.4.21
HOOFDSTUK IV. - DE BAREMISCHE LOOPBAAN.
AFDELING 1. - (De baremische loopbaan in de niveaus B, C en D) <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 7.4.22-7.4.28
Afdeling 2. - De baremische loopbaan in het niveau A <Nieuwe afdeling ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Onderafdeling 1. - Klasse A1 en A2 <Nieuwe onderafdeling ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 7.4.29-7.4.30
Onderafdeling 2. - Klasse A3, A4 en A5 <Nieuwe onderafdeling ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 7.4.31-7.4.39
DEEL VIII. - DE ADMINISTRATIEVE STANDEN, DE VERLOVEN, DE DIENSTVRIJSTELLINGEN EN DE NON-ACTIVITEITEN.
TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 8.1.1, 8.1.1bis, 8.1.2
TITEL II. - DE ADMINISTRATIEVE STANDEN.
Art. 8.2.1-8.2.7
TITEL III. - JAARLIJKS VAKANTIEVERLOF EN FEESTDAGEN.
HOOFDSTUK I. - HET JAARLIJKS VAKANTIEVERLOF.
AFDELING 1. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 8.3.1, 8.3.1bis, 8.3.2-8.3.6
AFDELING 2. - PROCEDURE BIJ WEIGERING VAN HET JAARLIJKS VAKANTIEVERLOF.
Art. 8.3.7-8.3.11
HOOFDSTUK II. - DE WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE FEESTDAGEN.
Art. 8.3.12-8.3.15
TITEL IV. - OMSTANDIGHEIDSVERLOVEN, UITZONDERLIJKE VERLOVEN EN DIENSTVRIJSTELLINGEN.
HOOFDSTUK I. - OMSTANDIGHEIDSVERLOVEN.
Art. 8.4.1
HOOFDSTUK II. - UITZONDERLIJKE VERLOVEN.
Art. 8.4.2-8.4.7, 8.4.7bis, 8.4.8-8.4.9, 8.4.9bis
HOOFDSTUK III. - DIENSTVRIJSTELLINGEN.
Art. 8.4.10
TITEL V. - MOEDERSCHAPSBESCHERMING.
Art. 8.5.1-8.5.4, 8.5.4bis, 8.5.5-8.5.11
TITEL VI. - VADERSCHAPSVERLOF.
Art. 8.6.1-8.6.4
TITEL VII. - OUDERSCHAPSVERLOF.
Art. 8.7.1-8.7.2
TITEL VIII. - [1 ADOPTIEVERLOF, OPVANGVERLOF EN PLEEGZORGVERLOF]1
Art. 8.8.1-8.8.3
TITEL IX. - VERLOF OM DWINGENDE REDENEN VAN FAMILIAAL BELANG.
Art. 8.9.1-8.9.3
TITEL X. - ZIEKTEVERLOF.
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 8.10.1-8.10.11
HOOFDSTUK II. - VERMINDERDE PRESTATIES WEGENS ZIEKTE.
Art. 8.10.12-8.10.16, 8.10.16bis, 8.10.16ter
HOOFDSTUK IIbis. - [1 Verminderde prestaties wegens een langdurige medische ongeschiktheid]1
Art. 8.10.16quater, 8.10.16quinquies, 8.10.16sexies, 8.10.16septies
HOOFDSTUK III. - PROFYLACTISCH VERLOF.
Art. 8.10.17
TITEL XI. - DISPONIBILITEIT WEGENS ZIEKTE.
Art. 8.11.1-8.11.13
TITEL XII. - (Verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht.) <KB 2004-11-18/32, art. 13, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004>
Art. 8.12.1-8.12.3
TITEL XIII. - VERLOF VOOR OPDRACHT VAN ALGEMEEN BELANG.
Art. 8.13.1-8.13.14
TITEL XIV. - AFWEZIGHEID VAN LANGE DUUR WEGENS PERSOONLIJKE AANGELEGENHEDEN.
Art. 8.14.1-8.14.4
TITEL XV. - VERLOF VOOR LOOPBAANONDERBREKING.
Art. 8.15.1-8.15.6
TITEL XVI. [1 - DE VIERDAGENWEEK MET OF ZONDER PREMIE.]1
HOOFDSTUK I. [1 - DE VIERDAGENWEEK MET PREMIE.]1
Art. 8.16.1
HOOFDSTUK II. [1 - DE VIERDAGENWEEK ZONDER PREMIE.]1
Art. 8.16.2
HOOFDSTUK III. [1 - UITSLUITINGEN.]1
Art. 8.16.3
TITEL XVII. - DE VERVANGINGEN.
Art. 8.17.1
TITEL XVIII. [1 - HALFTIJDS WERKEN VANAF 50 OF 55 JAAR]1.
Art. 8.18.1-8.18.2
DEEL IX. - DE DEFINITIEVE AMBTSONTHEFFING, DE AMBTSNEERLEGGING EN DE HEROPNEMING.
TITEL I. - DE DEFINITIEVE AMBTSONTHEFFING EN DE AMBTSNEERLEGGING.
HOOFDSTUK I. - TOEPASSINGSGEBIED.
Art. 9.1.1
HOOFDSTUK II. - DE DEFINITIEVE AMBTSONTHEFFING EN DE AMBTSNEERLEGGING.
AFDELING 1. - DE DEFINITIEVE AMBTSONTHEFFING.
Art. 9.1.2-9.1.7
AFDELING 2. - DE AMBTSNEERLEGGING.
Art. 9.1.8-9.1.10
AFDELING 3. - DIVERSE BEPALINGEN.
Art. 9.1.11-9.1.12
TITEL II. - DE COMMISSIES VOOR GESCHIKTHEID VAN HET PERSONEEL VAN DE POLITIEDIENSTEN.
HOOFDSTUK I. - SAMENSTELLING EN BEVOEGDHEDEN.
Art. 9.2.1-9.2.5
HOOFDSTUK II. - DE PROCEDURE IN EERSTE AANLEG.
Art. 9.2.6-9.2.12
HOOFDSTUK III. - DE PROCEDURE IN HOGER BEROEP.
Art. 9.2.13-9.2.15
HOOFDSTUK IV. - HERZIENING.
Art. 9.2.16
TITEL III. - DE HEROPNEMING.
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 9.3.1-9.3.3
HOOFDSTUK II. - VOORWAARDEN VOOR HEROPNEMING.
AFDELING 1. - DE VOORWAARDEN VOOR HEROPNEMING.
Art. 9.3.4
AFDELING 2. - DE MEDISCHE ONDERZOEKEN.
Art. 9.3.5-9.3.9
AFDELING 2bis. [1 - Een onderzoek van de omgeving en de antecedenten]1
Art. 9.3.9bis
AFDELING 3. - HET VERZOEK TOT HEROPNEMING.
Art. 9.3.10
AFDELING 4. - DE BESLISSING TOT HEROPNEMING.
Art. 9.3.11
AFDELING 5. - PROCEDURE BIJ WEIGERING VAN HEROPNEMING.
Art. 9.3.12-9.3.13
DEEL X. - DE MEDISCHE BESCHERMING EN DE MEDISCHE CONTROLE.
TITEL I. - DE MEDISCHE BESCHERMING.
Art. 10.1.1-10.1.8
TITEL II. - DE MEDISCHE CONTROLE.
HOOFDSTUK I. - DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED.
Art. 10.2.1-10.2.2
HOOFDSTUK II. - VERPLICHTINGEN WAARAAN EEN PERSONEELSLID MET VERLOF WEGENS ZIEKTE MOET VOLDOEN.
Art. 10.2.3-10.2.4
HOOFDSTUK III. - HET MEDISCH CONTROLEONDERZOEK WAARAAN EEN PERSONEELSLID MET VERLOF WEGENS ZIEKTE KAN WORDEN ONDERWORPEN.
Art. 10.2.5-10.2.9
HOOFDSTUK IV. - DE BEROEPSPROCEDURE.
Art. 10.2.10-10.2.13
HOOFDSTUK V. - SLOTBEPALING.
Art. 10.2.14
TITEL III. - DE ARBEIDSONGEVALLEN EN DE BEROEPSZIEKTEN.
HOOFDSTUK I. - DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED.
Art. 10.3.1-10.3.2
HOOFDSTUK II. - DE KOSTEN.
Art. 10.3.3-10.3.6
HOOFDSTUK III. - DE PROCEDURE.
AFDELING 1. - DE AANGIFTE.
Art. 10.3.7-10.3.9
AFDELING 2. - HET GENEESKUNDIG ONDERZOEK.
Art. 10.3.10-10.3.17
AFDELING 3. - DE TOEKENNING VAN DE RENTE.
Art. 10.3.18-10.3.19
AFDELING 4. - DE HERZIENING.
Art. 10.3.20-10.3.30
HOOFDSTUK IV. - HET BEDRAG, DE BETALING EN DE TENLASTENEMING VAN DE RENTEN.
AFDELING 1. - DE BEZOLDIGING.
Art. 10.3.31-10.3.33
AFDELING 2. - DE INDEXATIE.
Art. 10.3.34
AFDELING 3. - DE BETALING EN DE BEGROTING.
Art. 10.3.35-10.3.36
HOOFDSTUK V. - HET KAPITAAL.
Art. 10.3.37-10.3.39
DEEL XI. - HET GELDELIJK STATUUT.
TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
HOOFDSTUK I. - TOEPASSINGSGEBIED.
Art. 11.1.1-11.1.2
HOOFDSTUK II. - DEFINITIES.
Art. 11.1.3
TITEL II. - WEDDE.
HOOFDSTUK I. - HET RECHT OP WEDDE.
Art. 11.2.1-11.2.2
HOOFDSTUK II. - DE VASTSTELLING VAN DE WEDDE.
AFDELING 1. [1 - DE BASISWEDDE, DE GELDELIJKE ANCIENNITEIT EN DE TUSSENTIJDSE VERHOGINGEN.]1
Onderafdeling 1. [1 - Basiswedde.]1
Art. 11.2.3
Onderafdeling 2. [1 - Geldelijke anciënniteit.]1
Art. 11.2.4
Onderafdeling 3. [1 - De in aanmerking komende diensten op het ogenblik van de indiensttreding van het personeelslid.]1
Art. 11.2.5-11.2.6
Onderafdeling 4. [1 - De in aanmerking komende diensten na de indiensttreding van het personeelslid.]1
Art. 11.2.7-11.2.9
Onderafdeling 5. [1 - Tussentijdse verhogingen.]1
Art. 11.2.10
AFDELING 1bis. [1 - Wedde van de commissaris-generaal van de federale politie]1
Art. 11.2.10bis
AFDELING 2. - VRIJWARINGSCLAUSULES.
Art. 11.2.11-11.2.12
AFDELING 3. - DE UITBETALING VAN DE WEDDE.
Art. 11.2.13-11.2.16
AFDELING 4. - DE WEDDEBIJSLAGEN.
Onderafdeling 1. - Weddebijslag voor de uitoefening van een mandaat.
Art. 11.2.17
Onderafdeling 2. - Weddebijslag voor de uitoefening van een hoger ambt.
Art. 11.2.18-11.2.22
Onderafdeling 3. - De competentieontwikkelingstoelage <Ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 27; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 11.2.22bis
HOOFDSTUK III. - DE GEWAARBORGDE BEZOLDIGING.
Art. 11.2.23-11.2.28
TITEL III. - DE TOELAGEN.
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 11.3.1-11.3.3
HOOFDSTUK II. - DE GEMEENSCHAPPELIJKE TOELAGEN VOOR DE PERSONEELSLEDEN EN DE AMBTENAREN VAN DE FEDERALE MINISTERIES.
Art. 11.3.4
HOOFDSTUK IIbis. - [1 Het vakantiegeld]1
Art. 11.3.4bis
HOOFDSTUK III. - DE TOELAGEN VOOR DIENSTPRESTATIES UITGEVOERD OP EEN ZATERDAG, EEN ZONDAG, EEN FEESTDAG OF TIJDENS DE NACHT ALSOOK TOELAGEN VOOR BIJKOMENDE DIENSTPRESTATIES, VOOR HET BEREIKBAAR EN TERUGROEPBAAR PERSONEEL EN VOOR EEN ONONDERBROKEN DIENST VAN MEER DAN VIERENTWINTIG UUR.
AFDELING 1. - DEFINITIES.
Art. 11.3.5
AFDELING 2. - DE TOELAGE VOOR DIENSTPRESTATIES UITGEVOERD OP EEN ZATERDAG, EEN ZONDAG, EEN FEESTDAG OF TIJDENS DE NACHT.
Art. 11.3.6, 11.3.6bis
AFDELING 3. - DE UURTOELAGE VOOR BIJKOMENDE DIENSTPRESTATIES.
Art. 11.3.7-11.3.9
AFDELING 4. - DE TOELAGE VOOR BEREIKBAAR EN TERUGROEPBAAR PERSONEEL.
Art. 11.3.10
AFDELING 5. - DE TOELAGE VOOR EEN ONONDERBROKEN DIENST VAN MEER DAN VIERENTWINTIG UUR.
Art. 11.3.11
HOOFDSTUK IV. - DE TOELAGEN EN DE PREMIES VAN FUNCTIONELE AARD.
AFDELING 1. - DE FUNCTIETOELAGE.
Art. 11.3.12-11.3.16
AFDELING 2. - DE TOELAGE VOOR DE OPLEIDER.
Art. 11.3.17-11.3.18
AFDELING 3. - DE FORFAITAIRE TOELAGE VOOR BEPAALDE PERSONEELSLEDEN DIE BELAST ZIJN MET DE UITVOERING VAN BEPAALDE OPDRACHTEN IN HET RAAM VAN DE UITVOERING VAN HET FEDERALE IMMIGRATIEBELEID.
Art. 11.3.19-11.3.23
AFDELING 4. - DE TOELAGE VOOR DE MENTOR.
Art. 11.3.24-11.3.26
AFDELING 5. - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALING.
Art. 11.3.27
HOOFDSTUK V. - DE TOELAGE " BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST ".
Art. 11.3.28, 11.3.28bis, 11.3.28ter, 11.3.29-11.3.30
Hoofdstuk Vbis.
Art. 11.3.30bis, 11.3.30ter, 11.3.30quater
HOOFDSTUK VI. - DE TWEETALIGHEIDSTOELAGE.
Art. 11.3.31-11.3.33
Hoofdstuk VIbis. - De tweetaligheidstoelage voor de personeelsleden van het administratief en logistiek kader <Ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 34; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 11.3.33bis, 11.3.33ter
HOOFDSTUK VII. - DE TOELAGE VOOR GELEGENHEIDSLUCHTVAARTPRESTATIES.
Art. 11.3.34-11.3.35
HOOFDSTUK VIII. - DE TOELAGE VOOR ONDERWIJSOPDRACHTEN.
Art. 11.3.36-11.3.40
HOOFDSTUK IX. - DE SELECTIETOELAGE.
Art. 11.3.41-11.3.43
HOOFDSTUK X. - HET ZEEGELD.
Art. 11.3.44-11.3.45
TITEL IV. - DE VERGOEDINGEN.
HOOFDSTUK I. - DE VERGOEDINGEN GEMEENSCHAPPELIJK VOOR DE PERSONEELSLEDEN EN DE AMBTENAREN VAN DE FEDERALE MINISTERIES.
Art. 11.4.1-11.4.2
HOOFDSTUK II. - DE VERGOEDING VOOR WERKELIJKE ONDERZOEKSKOSTEN.
Art. 11.4.3-11.4.5
HOOFDSTUK III. - DE VERGOEDING VOOR TELEFOON.
Art. 11.4.6
HOOFDSTUK IV. - DE VERGOEDING VOOR ONDERHOUD VAN POLITIEHOND.
Art. 11.4.7
HOOFDSTUK V. - DE VERGOEDING VOOR ONDERHOUD VAN HET UNIFORM.
Art. 11.4.8-11.4.9
HOOFDSTUK VI. - DE VERGOEDING VOOR VASTE DIENST BIJ DE SHAPE.
Art. 11.4.10-11.4.12
HOOFDSTUK VII. - DE VERGOEDING VOOR MAALTIJD-, VERBLIJF-, TRAJECT- EN VERHUISKOSTEN.
AFDELING 1. - DEFINITIES.
Art. 11.4.13
AFDELING 2. - TOEPASSINGSGEBIED EN ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 11.4.14-11.4.18
AFDELING 3. - DE VERGOEDING VAN MAALTIJD- EN VERBLIJFKOSTEN GEDURENDE EEN DIENSTVERPLAATSING VERRICHT IN BELGIE OF GEDURENDE EEN CONSIGNE OF EEN ONVERWACHTE OPERATIE.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen inzake vergoeding van maaltijd- en verblijfkosten.
Art. 11.4.19-11.4.27
Onderafdeling 2. - De maaltijd- of verblijfkosten als gevolg van een terugroeping of een dienstreis.
Art. 11.4.28-11.4.30
Onderafdeling 3. - De maaltijd- of verblijfkosten als gevolg van een consigne of een detachering.
Art. 11.4.31-11.4.32
Onderafdeling 4. - De maaltijdkosten als gevolg van een onverwachte operatie.
Art. 11.4.33
Onderafdeling 5. - De maaltijdkosten als gevolg van de deelname van een personeelslid aan de permanente interventie- en piekploegen van een politiezone of aan het permanentiepiket van de algemene reserve van de federale politie.
Art. 11.4.34
Onderafdeling 6. - De maaltijdkosten als gevolg van een overbrenging van de gewone plaats van het werk.
Art. 11.4.35
AFDELING 4. - DE VERGOEDING VAN KOSTEN DIE VAN EEN ANDERE AARD ZIJN DAN DE TRAJECT- OF VERHUISKOSTEN, GEMAAKT TIJDENS EEN DIENSTVERPLAATSING BUITEN HET RIJK.
Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied en algemene bepalingen.
Art. 11.4.36-11.4.37
Onderafdeling 2. - Kosten gemaakt tijdens tijdelijke opdrachten.
Art. 11.4.38-11.4.48
Onderafdeling 3. - De kosten gemaakt tijdens een vaste dienst.
Art. 11.4.49-11.4.64
Onderafdeling 4. - Bijzondere bepalingen betreffende de vaste diensten met het oogmerk om cursussen of stages van lange duur te volgen.
Art. 11.4.65
Onderafdeling 4bis. - Bijzondere bepalingen betreffende de grensoverschrijdende gewone plaats van het werk. <Ingevoegd bij KB 2006-01-09/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2006>
Art. 11.4.65bis, 11.4.65ter
AFDELING 5. - DE VERGOEDING VAN TRAJECTKOSTEN ALS GEVOLG VAN DIENSTVERPLAATSINGEN VERRICHT, HETZIJ IN BELGIE, HETZIJ BUITEN HET RIJK.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 11.4.66-11.4.72
Onderafdeling 2. - Algemene aanvullende bepalingen inzake het gebruik van het openbaar vervoer en vervoer door de lucht of over zee.
Art. 11.4.73-11.4.76
Onderafdeling 3. - Bijzondere bepalingen betreffende de trajectkosten ten gevolge van het gebruik van het openbaar vervoer en van het transport door de lucht of over zee tijdens dienstverplaatsingen buiten het Rijk.
Art. 11.4.77
Onderafdeling 4. - Bijzondere bepalingen betreffende de trajectkosten ten gevolge van het gebruik van het openbaar vervoer tijdens een dienstreis.
Art. 11.4.78-11.4.80
Onderafdeling 5. - Bijzondere bepalingen betreffende de trajectkosten ten gevolge van het gebruik van het openbaar vervoer tijdens een detachering.
Art. 11.4.81-11.4.84
Onderafdeling 6. -Bijzondere bepalingen betreffende de trajectkosten ten gevolge van het gebruik van het openbaar vervoer tijdens een terugroeping.
Art. 11.4.85-11.4.86
Onderafdeling 7. - Het gebruik van een taxi.
Art. 11.4.87-11.4.88
Onderafdeling 8. - Bijzondere bepalingen betreffende de trajectkosten ten gevolge van het gebruik van een privé-voertuig tijdens een dienstreis of tijdelijke opdracht.
Art. 11.4.89-11.4.91
Onderafdeling 9. - Bijzondere bepalingen betreffende de trajectkosten ten gevolge van het gebruik van een privé-voertuig tijdens een detachering.
Art. 11.4.92-11.4.95
Onderafdeling 10. - Bijzondere bepalingen betreffende de trajectkosten ten gevolge van het gebruik van een privé-voertuig tijdens een terugroeping.
Art. 11.4.96-11.4.99
Onderafdeling 11. - Bijzondere bepalingen in geval van het gebruik van een privé-voertuig tijdens tijdelijke opdrachten die uitgevoerd worden in het raam van een vaste dienst.
Art. 11.4.100
Onderafdeling 12. - Bijzondere bepalingen in geval van overbrenging van de gewone plaats van het werk.
Art. 11.4.101-11.4.104
Onderafdeling 13. - De diverse kosten die betrekking hebben op het gebruik van dienst- of privé-voertuigen.
Art. 11.4.105
Onderafdeling 14. - Bedrag van de kilometervergoeding.
Art. 11.4.106
AFDELING 6. - DE VERGOEDING VAN DE VERHUISKOSTEN.
Onderafdeling 1. - Algemene bepaling.
Art. 11.4.107
Onderafdeling 2. - De verhuizingen uitgevoerd in België, naar, vanuit of bij de Belgische strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland.
Art. 11.4.108-11.4.117
Onderafdeling 3. - Bepalingen betreffende de verhuizingen die uitgevoerd worden vanuit België of de Belgische Strijdmachten in de Bondsrepubliek Duitsland naar het buitenland, of omgekeerd, en de verhuizingen die uitgevoerd worden in het buitenland.
Art. 11.4.118-11.4.119
HOOFDSTUK VIII. - DE VERGOEDING VOOR VERPLAATSING IN HET RAAM VAN DE BINNENVAART. <Opgeheven door KB 2003-12-05/34, art. 3, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
Art. 11.4.120
HOOFDSTUK IX. - DE BETALING VAN DE VERGOEDINGEN.
Art. 11.4.121-11.4.123
TITEL V. - ALLERLEI BEZOLDIGINGEN EN TEGEMOETKOMINGEN.
HOOFDSTUK I. - DE TEGEMOETKOMING VAN DE STAAT, EEN GEMEENTE OF EEN MEERGEMEENTEZONE, IN DE VERVOERSKOSTEN.
Art. 11.5.1
HOOFDSTUK II. - DE TEGEMOETKOMING VAN DE STAAT, EEN GEMEENTE OF EEN MEERGEMEENTEZONE, IN BEPAALDE BEGRAFENISKOSTEN.
Art. 11.5.2-11

Tekst Inhoudstafel Begin
DEEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  TITEL I. - DEFINITIES.

  Artikel 1.1.1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° [3 ...]3
  2° [3 ...]3
  3° [3 ...]3
  4° [3 ...]3
  5° [3 ...]3
  6° " politieambtenaar " : elk personeelslid van het operationeel kader dat behoort tot hetzij het basis-, midden- of officierskader in de zin van artikel 117, eerste lid, van de wet;
  7° [3 ...]3;
  8° [3 ...]3
  9° [3 ...]3
  10° [3 ...]3
  [1 10bis° " verbindingsofficier " : de titularis van een alsdusdanig op de personeelsformatie van de federale politie voorziene betrekking die als hoofdtaak heeft om de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, te vertegenwoordigen in één of meerdere landen, op basis van een bilateraal of multilateraal akkoord tussen België en één of meerdere andere landen;]1
  11° [3 ...]3
  12° [3 ...]3
  13° [3 ...]3
  14° ("een gespecialiseerde betrekking" : een betrekking zoals bedoeld in tabel I van de bijlage 19;) <KB 2005-12-20/41, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006>
  15° [3 ...]3
  16° " een detachering " : met uitzondering van de detacheringen bedoeld in de artikelen 96 en 105 van de wet, de tijdelijke aanwijzing van een personeelslid dat over alle kwalificaties beschikt die voor de betrekking zijn vereist, in een andere betrekking dan diegene waarin het is benoemd of aangewezen, zonder beperking wat betreft zijn aanwending, voor een duur van ten minste twee opeenvolgende dagen en maximum zes maanden, verlengbaar wegens dwingende dienstredenen;
  17° " een terbeschikkingstelling " : de uitoefening van ambten ten gunste van een andere eenheid of een andere dienst met een beperking van de uit te voeren opdracht of de duur ervan;
  18° " wettelijke feestdagen " : de feestdagen opgesomd in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen;
  19° " reglementaire feestdagen " : 2 en 15 november, 26 december en twee dagen naar keuze van de bevoegde overheid om een gebeurtenis te vieren of te herdenken van het federaal niveau of van één van de gemeenschappen of één van de gewesten;
  20° " rust " : elke periode gedurende dewelke het personeelslid noch in verlof, noch in non-activiteit, noch in disponibiliteit is, of noch met dienst is bevolen;
  21° " dienstvrijstelling " : de machtiging gegeven door de bevoegde overheid aan een personeelslid opdat deze laatste tijdens de uren waarop hij met dienst is bevolen voor een welbepaalde duur afwezig mag zijn;
  22° " de medische dienst " : de medische dienst van de politiediensten;
  23° " de opleiding " : de diverse beroepsopleidingscycli bedoeld in 24° tot en met 27°;
  24° " de basisopleiding " : de beroepsopleiding gegeven aan de aspirant met het oog op het uitoefenen van een eerste betrekking in één van de vier kaders bedoeld in artikel 117 van de wet en die noodzakelijk is voor het uitoefenen van deze betrekking;
  25° [3 ...]3
  26° " de promotieopleiding " : de beroepsopleiding die tot doel heeft nieuwe kennis en vaardigheden te verwerven of bepaalde dimensies van het politieambt uit te diepen en die wordt verstrekt aan bepaalde personeelsleden en waarvoor het slagen één van de toelatingsvoorwaarden tot een bevordering uitmaakt;
  27° ("de functionele opleiding" : de opleiding die er toe strekt om bepaalde personeelsleden bijzondere beroepsbekwaamheden bij te brengen zodat zij in staat zijn om gespecialiseerde opdrachten te volbrengen die gekoppeld zijn aan de uitoefening van hun gespecialiseerde betrekking en/of om de taken op zich te nemen die voortvloeien uit hun bijzondere bekwaamheid;) <KB 2005-12-20/41, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006>
  (28° "de wet van 26 april 2002" : de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten;) <KB 2005-12-20/41, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006>
  [2 29° "een ernstige gewelddaad" : een gewelddaad die ernstige fysieke en/of psychische gevolgen met zich meebrengt.]2
  ----------
  (1)<KB 2013-04-03/04, art. 1, 054; Inwerkingtreding : 20-04-2013>
  (2)<KB 2014-02-03/08, art. 1, 060; Inwerkingtreding : 02-03-2014>
  (3)<W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 1.1.2. Dit besluit mag worden aangehaald als " rechtspositiebesluit van het personeel van de politiediensten " en afgekort als " RPPol ".

  TITEL II. - TOEPASSINGSGEBIED.

  Art. 1.2.1. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, is dit besluit van toepassing op de personeelsleden.

  TITEL III. - ALGEMENE BEPALING.

  Art. 1.3.1. Alle bij dit besluit toegewezen bevoegdheden worden eveneens uitgeoefend door het personeelslid dat met de waarneming van het ambt van de titularis is belast, evenals bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van deze.

  DEEL II. - HET PERSONEEL.

  TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  HOOFDSTUK I. - DE ANCIENNITEIT EN DE RANGSCHIKKING.

  Art. 2.1.1. De volgende administratieve anciënniteiten zijn toepasselijk op de personeelsleden :
  1° de graadanciënniteit;
  2° de kaderanciënniteit voor de leden van het operationeel kader of de niveauanciënniteit voor de leden van het administratief en logistiek kader;
  3° de loonschaalanciënniteit;
  4° de dienstanciënniteit.
  (5° de klasseanciënniteit voor de leden van het administratief en logistiek kader van niveau A.) <KB 2007-03-23/36, art. 1, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 2.1.2.§ 1. De graad-, de kader- of de niveau-anciënniteit en de dienstanciënniteit bestaan uit de werkelijke diensten die het personeelslid heeft verricht in het operationeel kader en het administratief en logistiek kader of in één van beide.
  § 2. Voor de graadanciënniteit worden de in aanmerking komende werkelijke diensten aangerekend vanaf de datum waarop het personeelslid is benoemd of in dienst is genomen in de betrokken graad.
  Voor de kader- of niveauanciënniteit worden de in aanmerking komende werkelijke diensten aangerekend vanaf de datum waarop het personeelslid is benoemd of in dienst is genomen in een graad van het betrokken kader of niveau.
  Indien de stage wordt opgeschort overeenkomstig de artikelen [2 V.II.9, tweede lid]2, of V.III.14, § 2 of overeenkomstig de artikelen V.II.14, eerste lid, 2°, of [1 V.III.19, eerste lid, 1°]1, wordt verlengd, dan worden de kader- en graadanciënniteit van rechtswege verminderd met de duur van deze opschorting of verlenging van de stage.
  § 3. Voor de dienstanciënniteit worden alle werkelijke diensten in aanmerking genomen die het personeelslid heeft verricht vanaf de datum waarop het personeelslid deze hoedanigheid heeft verkregen.
  [§ 4. Voor de klasseanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop het personeelslid in de beschouwde klasse werd opgenomen.] <KB 2007-03-23/36, art. 2, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 1, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>
  (2)<KB 2014-04-24/24, art. 1, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 2.1.3. De loonschaalanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die het personeelslid heeft verricht in een bepaalde loonschaal.

  Art. 2.1.4. Het personeelslid wordt geacht werkelijke diensten te verrichten zolang het zich bevindt in een administratieve stand op grond waarvan het, krachtens dit besluit, zijn loon of bij gemis daarvan, zijn aanspraak op bevordering of op baremische loopbaan behoudt.

  Art. 2.1.5. De graad-, de kader- of niveau-anciënniteit, (de klasse-,) de loonschaal- en de dienstanciënniteit worden uitgedrukt in dagen, maanden en jaren. <KB 2007-03-23/36, art. 3, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Voor de toepassing van deze bepaling is de duur van een maand dertig dagen.

  Art. 2.1.6. Voor de toepassing van artikel II.I.5 op de personeelsleden die gemachtigd zijn hun ambt met verminderde prestaties uit te oefenen met prorata non-activiteit voor de duur van de afwezigheid :
  1° worden prestaties van 1976 uur deeltijdse arbeid geteld als twaalf maanden;
  2° worden prestaties van een twaalfde van 1976 uur deeltijdse arbeid geteld als één maand;
  3° worden prestaties van 7 uur en 36 minuten geteld als één dag.

  Art. 2.1.7. Voor de toepassing van de reglementaire bepalingen die uitgaan van de anciënniteit, wordt onder de personeelsleden van wie de anciënniteit moet worden vergeleken, de voorrang als volgt bepaald :
  1° het personeelslid met de grootste graadanciënniteit (of, voor de personeelsleden van niveau A, dat met de hoogste klasse of, bij gelijke klasse, dat met de grootste klasseanciënniteit); <KB 2007-03-23/36, art. 4, 1°, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  2° bij gelijke (graad- of klasseanciënniteit), het personeelslid met de grootste kader- of niveauanciënniteit; <KB 2007-03-23/36, art. 4, 2°, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  3° bij gelijke kader- of niveauanciënniteit, het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit;
  4° bij gelijke dienstanciënniteit, het oudste personeelslid.

  Art. 2.1.8. § 1. Betreft het een personeelslid van het operationeel kader, dan wordt, in afwijking van artikel II.I.7, 4°, bij gelijke graad-, kader- en dienstanciënniteit, de voorrang bepaald volgens het volgende onderscheid :
  1° betreft het personeelsleden van het operationeel kader die aan hetzelfde examen hebben deelgenomen dat de basisopleiding die toegang verleent tot het kader waartoe ze behoren, afsloot, dan wordt de anciënniteit bepaald door de eindrangschikking opgemaakt volgens de dalende orde van het algemeen beoordelingscijfer dat zij behaalden aan het einde van die basisopleiding;
  2° betreft het personeelsleden van het operationeel kader die op dezelfde datum zijn benoemd en die niet aan hetzelfde examen hebben deelgenomen, dan wordt de anciënniteit bepaald met inachtneming van de verschillende opgemaakte rangschikkingen zoals bedoeld in 1° en het aantal in elk van deze graden benoemde personeelsleden van het operationeel kader. De personeelsleden van het operationeel kader van iedere rangschikking worden hierin naar verhouding van hun aantal beurtelings opgenomen.
  Dergelijke werkwijze mag echter niet tot gevolg hebben dat een personeelslid van het operationeel kader wordt gerangschikt voor een ander waarvan het examencijfer meer dan tien percent van het totaal der punten hoger is dan het zijne.
  § 2. Laat de regeling vervat in § 1 niet toe de voorrang naar anciënniteit te bepalen, dan heeft bij gelijke dienstanciënniteit het oudste personeelslid van het operationeel kader voorrang.

  HOOFDSTUK II. - DE NAAMLIJST.

  Art. 2.1.9. De minister publiceert jaarlijks de naamlijst van de personeelsleden van enerzijds het operationeel kader en anderzijds van het administratief en logistiek kader.
  De personeelsleden zijn op de naamlijst ingedeeld per graad met vermelding van :
  1° de naam en voornaam;
  2° de geboortedatum;
  3° de graad-, kader- of niveau-, dienst- en loonschaalanciënniteit op 1 juli van dat jaar;
  4° het politiekorps waarvan het personeelslid op 1 juli van dat jaar deel uitmaakt;
  5° de gewone plaats van het werk op 1 juli van dat jaar.

  Art. 2.1.10. Ten laatste op 1 oktober van elk jaar zenden de commissaris-generaal en de korpschefs, elk wat hun personeelsleden betreft, de in artikel II.I.9 bepaalde gegevens alsook de genoten loonschaal op 1 juli van dat jaar aan de minister of aan de door hem aangewezen dienst.

  HOOFDSTUK III. - DE BENOEMENDE OVERHEID.

  Art. 2.1.11.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  HOOFDSTUK IV. - HET PERSOONLIJK DOSSIER.

  Art. 2.1.12. Het persoonlijk dossier bevat minstens :
  1° een inventaris van de stukken;
  2° het evaluatiedossier bedoeld (in artikel VII.I.28); <KB 2007-12-20/51, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
  3° in voorkomend geval, het mobiliteitsdossier bedoeld in artikel VI.II.13;
  4° het stagedossier bedoeld in de artikelen V.II.19 of V.III.24;
  5° in voorkomend geval, voor de nog niet doorgehaalde tuchtstraffen, het tuchtdossier;
  6° het of de mandaatdossier(s), bedoeld in (artikel VII.III.10). <KB 2008-09-18/55, art. 1, 038; Inwerkingtreding : 19-10-2008>
  De minister bepaalt de overige stukken die in het persoonlijk dossier worden opgenomen.

  Art. 2.1.13. Onverminderd artikel 140 van de wet, heeft het personeelslid te allen tijde recht op inzage in zijn persoonlijk dossier en kan het steeds kosteloos een afschrift ervan bekomen.
  Alle stukken moeten worden geviseerd door het personeelslid.
  Het personeelslid kan volmacht geven aan een derde opdat deze laatste recht heeft op inzage van het persoonlijk dossier van het personeelslid.

  Art. 2.1.14. De minister bepaalt de nadere regels inzake de inhoud, de wijze van presentatie en het bijhouden van het persoonlijk dossier.

  TITEL II. - HET OPERATIONEEL KADER.

  HOOFDSTUK I. - DE GRADEN EN DE LOONSCHALEN.

  AFDELING 1. - DE GRADEN.

  Art. 2.2.1.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 2.2.2.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 2.2.3. Gedurende de duur van de stage wordt de graadbenaming aangevuld met de term " stagiair ".

  AFDELING 2. - DE LOONSCHALEN.

  Art. 2.2.4. De graad van hoofdcommissaris van politie bevat de loonschalen O5, O5ir, O6, O6ir, O7 en O8.

  Art. 2.2.5.De graad van commissaris van politie bevat de loonschalen O2, O2ir, O3, O3ir, O4 en O4ir.
  (De aspirant-commissaris van politie die de basisopleiding volgt in het raam van de bevordering door overgang naar een hoger kader, behoudt de loonschaal die hij bezat de dag voorafgaand aan zijn aanstelling tot aspirant-commissaris van politie. De overige aspiranten-commissaris van politie genieten de loonschaal O1.) <KB 2002-04-16/30, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 25-04-2002>

  Art. 2.2.6. De graad van hoofdinspecteur van politie bevat de loonschalen M1.1, M1.2, M2.1, M2.2, M3.1, M3.2, M4.1 en M4.2.
  De aspirant-hoofdinspecteur van politie die voortspruit uit het basiskader, behoudt de loonschaal die hij bezat de dag voorafgaand aan zijn aanstelling tot aspirant-hoofdinspecteur van politie. De overige aspiranten-hoofdinspecteur van politie genieten de loonschaal M1.2.

  Art. 2.2.7.De graad van inspecteur van politie bevat de loonschalen B1, B2, B3, B4 en B5.
  [1 De aspirant-inspecteur van politie die voortspruit uit het kader van agenten van politie in het raam van de bevordering door overgang naar het basiskader bedoeld in artikel VII.II.9, behoudt de loonschaal die hij bezat de dag voorafgaand aan zijn aanstelling tot aspirant-inspecteur van politie. De overige aspiranten-inspecteur van politie genieten de loonschaal HAU1.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-02-11/15, art. 1, 053; Inwerkingtreding : 08-11-2012. Is van toepassing op hen die tot aspirantinspecteur van politie worden aangesteld vanaf 1 oktober 2012>

  Art. 2.2.8. De graad van hulpagent van politie bevat de loonschalen HAU1, HAU2 en HAU3.
  De aspirant-hulpagent van politie geniet de loonschaal HAU1.

  Art. 2.2.9. De in deze afdeling bepaalde loonschalen zijn opgenomen als bijlage 1 bij dit besluit.

  HOOFDSTUK II. - DE HOEDANIGHEID VAN OFFICIER VAN GERECHTELIJKE POLITIE.

  Art. 2.2.10. Onverminderd artikel 138 van de wet hebben de politieambtenaren die tot het middenkader behoren de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.
  De personeelsleden van het operationeel kader die deel uitmaken van het middenkader of van het officierskader verkrijgen deze hoedanigheid op het ogenblik van de benoeming in de graad van hoofdinspecteur van politie of, naar gelang van het geval, in de graad van commissaris van politie.

  TITEL III. - HET ADMINISTRATIEF EN LOGISTIEK KADER.

  HOOFDSTUK I. - DE GRADEN.

  Art. 2.3.1. Het administratief en logistiek kader bestaat uit vier niveaus : het niveau A, het niveau B, het niveau C en het niveau D. Elk niveau omvat verscheidene graden, waaronder ten minste één gemene graad en verscheidene bijzondere graden, die hierna per niveau worden opgesomd :
  1° niveau A :
  a) gemene graad : adviseur;
  b) bijzondere graden :
  i) ICT-adviseur;
  ii) ingenieur;
  iii) arts;
  iv) tandarts;
  v) dierenarts;
  vi) apotheker;
  (vii) bijzonder rekenplichtige.) <KB 2007-01-22/42, art. 10, 024; Inwerkingtreding : 22-02-2007>
  2° niveau B :
  a) gemene graad : consulent;
  b) (bijzondere graden :
  i) directiesecretaris;
  ii) vertaler;
  iii) fotograaf;
  iv) ICT-consulent;
  v) technisch consulent;
  vi) maatschappelijk assistent;
  vii) boekhouder;
  viii) verpleger;
  ix) laborant;
  x) communicatieconsulent;) <KB 2007-03-23/36, art. 5, 1°, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  3° niveau C :
  a) gemene graad : assistent;
  b) (bijzondere graden :
  i) ICT-assistent;
  ii) gespecialiseerd vakman;) <KB 2007-03-23/36, art. 5, 2°, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  4° niveau D :
  a) gemene graden :
  i) hulpkracht;
  ii) arbeider;
  iii) bediende;
  iv) vakman;
  b) (bijzondere graad : ICT-technicus.) <KB 2007-03-23/36, art. 5, 3°, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (Tweede lid opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 5, 4°, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (Derde lid opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 5, 4°, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Bijkomende gemene of bijzondere graden kunnen door Ons worden bepaald. Zij worden gekoppeld aan de loonschalen bedoeld in hoofdstuk II.

  Art. 2.3.2.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  HOOFDSTUK II. - DE LOONSCHALEN.

  Art. 2.3.3. <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De in dit hoofdstuk bedoelde loonschalen zijn opgenomen als bijlage 1bis bij dit besluit.

  Art. 2.3.4. <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Aan elke graad van de niveaus B, C en D, zijn twee loonschalengroepen verbonden, die de minimum - en de maximumloonschalengroep worden genoemd.
  De eerste loonschaal die het personeelslid met een bepaalde graad verwerft, wordt de basisloonschaal genoemd. De basisloonschaal is gemeenschappelijk voor de minimum - en de maximumloonschalengroep die aan een graad zijn verbonden. In de volgende artikelen is de basisloonschaal telkens die als eerste wordt genoemd.

  Art. 2.3.5. <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Aan de graad van consulent zijn de minimumloonschalengroep houdende de loonschalen BB1, BB2.1, BB3.1 en BB4.1 en de maximumloonschalengroep houdende de loonschalen BB1, BB2.2, BB3.2 en BB4.2 verbonden.

  Art. 2.3.6. <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Aan de graden van vertaler, directiesecretaris en fotograaf zijn de minimumloonschalengroep houdende de loonschalen B1A, B2A.1, B3A.1 en B4A.1 en de maximumloonschalengroep houdende de loonschalen B1A, B2A.2, B3A.2 en B4A.2 verbonden.

  Art. 2.3.7. <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Aan de graden van ICT-consulent en technisch consulent zijn de minimumloonschalengroep houdende de loonschalen B1B, B2B.1, B3B.1 en B4B.1 en de maximumloonschalengroep houdende de loonschalen B1B, B2B.2, B3B.2 en B4B.2 verbonden.

  Art. 2.3.8. <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Aan de graden van maatschappelijk assistent, boekhouder, verpleger, laborant en communicatieconsulent zijn de minimumloonschalengroep houdende de loonschalen B1D, B2D.1, B3D.1 en B4D.1 en de maximumloonschalengroep houdende de loonschalen B1D, B2D.2, B3D.2 en B4D.2 verbonden.

  Art. 2.3.9. <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Aan de graad van assistent zijn de minimumloonschalengroep houdende de loonschalen CC1, CC2.1, CC3.1 en CC4.1 en de maximumloonschalengroep houdende de loonschalen CC1, CC2.2, CC3.2 en CC4.2 verbonden.

  Art. 2.3.10. <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Aan de graden van ICT-assistent en gespecialiseerd vakman zijn de minimumloonschalengroep houdende de loonschalen C1A, C2A.1, C3A.1 en C4A.1 en de maximumloonschalengroep houdende de loonschalen C1A, C2A.2, C3A.2 en C4A.2 verbonden.

  Art. 2.3.11. <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Aan de graden van hulpkracht en arbeider zijn de minimumloonschalengroep houdende de loonschalen DD1, DD2.1, DD3.1 en DD4.1 en de maximumloonschalengroep houdende de loonschalen DD1, DD2.2, DD3.2 en DD4.2 verbonden.

  Art. 2.3.12. <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Aan de graden van bediende en vakman zijn de minimumloonschalengroep houdende de loonschalen D1A, D2A.1, D3A.1 en D4A.1 en de maximumloonschalengroep houdende de loonschalen D1A, D2A.2, D3A.2 en D4A.2 verbonden.

  Art. 2.3.13. <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Aan de graad van ICT-technicus zijn de minimumloonschalengroep houdende de loonschalen D1B, D2B.1, D3B.1 en D4B.1 en de maximumloonschalengroep houdende de loonschalen D1B, D2B.2, D3B.2 en D4B.2 verbonden.

  Art. 2.3.14. <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Het niveau A bevat vijf klassen, genummerd van A1 tot A5, waaraan de volgende loonschalen zijn verbonden :
  1° klasse A1 bevat de loonschalen A11, A12, A21, A22 en A23;
  2° klasse A2 bevat de loonschalen A21, A22 en A23;
  3° klasse A3 bevat de loonschalen A31, A32 en A33;
  4° klasse A4 bevat de loonschalen A41, A42 en A43;
  5° klasse A5 bevat de loonschalen A51, A52 en A53.
  De eerstgenoemde loonschaal van de loonschalengroep die aan de klasse is verbonden, wordt de basisloonschaal van die klasse genoemd.
  § 2. De personeelsleden bekleed met een bijzondere graad van niveau A, behoren minstens tot klasse A2.
  § 3. De personeelsleden van het niveau A die beantwoorden aan de wettelijke voorwaarden om het ambt van preventieadviseur uit te oefenen en effectief voor deze functie zijn aangewezen, behoren minstens tot klasse A2.
  De personeelsleden die geselecteerd zijn voor een ambt van preventieadviseur en die nog niet beantwoorden aan de wettelijke voorwaarden om dit ambt uit te oefenen, behoren tot de klasse A1.
  § 4. De ambten van niveau A worden in de klassen ingedeeld na een weging op basis van een matrix met twee assen met de volgende criteria :
  1° as "omkadering" :
  - hiërarchie in dalende lijn;
  - hiërarchie in stijgende lijn;
  - budgettaire verantwoordelijkheid;
  - autonomie in het raam van personeelsbeheer;
  2° as "bijdrage" :
  - opleidingsniveau vereist voor de uitoefening van de functie;
  - ervaring vereist voor de uitoefening van de functie;
  - complexiteit van de te behandelen problemen;
  - invloed van de functie.
  De minister kan daaromtrent nadere regels vaststellen.

  Art. 2.3.15. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 2.3.16. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 2.3.17. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 2.3.18. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 2.3.19. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 2.3.20. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 2.3.21. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  DEEL III. - DE RECHTEN EN PLICHTEN.

  TITEL I. - ALGEMENE BEPALING.

  Art. 3.1.1. Dit deel is met uitzondering van titel VI ook van toepassing op de militairen bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de de rechtspositie van de politiediensten.

  TITEL II. - DE GEZAGSUITOEFENING.

  Art. 3.2.1. Bij elke aanwijzing van een personeelslid voor een betrekking moet vaststaan, zo nodig bepaald worden, welke personeelsleden op grond van het organogram onder de verantwoordelijkheid vallen van het aangewezen personeelslid, derwijze dat het duidelijk is welke personeelsleden op grond van artikel 120, eerste lid, 1°, van de wet, onder zijn gezag staan.
  Telkens wanneer aan een personeelslid een taak wordt toevertrouwd, moet vaststaan, zo nodig bepaald worden door de hiërarchische meerdere, aan welke personeelsleden opdracht moet worden gegeven om mee te werken aan de uitvoering van die taak, derwijze dat het duidelijk is welke personeelsleden op grond van artikel 120, eerste lid, 2°, van de wet, binnen de perken van die taak, onder het gezag staan van het met de taak belaste personeelslid.

  Art. 3.2.2. De bevelen van het personeelslid dat, overeenkomstig artikel 120 van de wet, het gezag over een ander personeelslid uitoefent, hierna voor de toepassing van dit deel de meerdere genoemd, hebben steeds de uitvoering van de opdrachten van de politiediensten en de goede werking van de eenheden en diensten tot doel. De bevelen moeten wettig en opportuun zijn en in verhouding staan tot het doel dat de meerdere met het bevel wenst te bereiken. De uitvoering van de bevelen moet te allen tijde mogelijk zijn met inachtneming van de regels met betrekking tot de deontologie.
  De meerdere is verantwoordelijk voor de bevelen die hij geeft en voor elke wijze van uitvoering ervan die redelijk voorzienbaar is. Te dien einde geeft hij elke nadere toelichting die voor de correcte uitvoering van het bevel vereist is, zonder nochtans de noodzakelijke actievrijheid van zijn personeelsleden nodeloos in te perken. De meerdere staat in voor het toezicht op de correcte uitvoering van de bevelen die hij heeft gegeven.

  Art. 3.2.3. Het personeelslid aan wie een onwettig bevel wordt gegeven, meldt zijn voornemen om een dergelijk bevel niet uit te voeren, onmiddellijk aan de meerdere die het bevel heeft gegeven of aan diens meerdere.

  Art. 3.2.4. Het personeelslid is verantwoordelijk voor de uitvoering van de aan hem door zijn meerdere gegeven bevelen. Hij voert die bevelen correct en tijdig uit met inachtneming van alle richtlijnen die hem daartoe gegeven werden. Hij neemt alle initiatieven die voor de uitvoering van de bevelen noodzakelijk zijn. Indien nodig vraagt hij de meerdere tijdig om aanvullende richtlijnen te verstrekken. Hij brengt aan de meerdere regelmatig verslag uit over de uitvoering van zijn bevelen en meldt hem iedere nuttige informatie in dat verband.

  TITEL III.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 3.3.1.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 3.3.2.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  TITEL IV. - HET RECHT OP OPLEIDING.

  Art. 3.4.1. Het personeelslid heeft recht op informatie, opleiding en voortgezette opleiding zowel wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de taakuitoefening in de politiediensten, als om te voldoen aan de vereisten inzake (evaluatie), bevordering en baremische loopbaan. <KB 2007-12-20/51, art. 2, 034; Inwerkingtreding : 01-04-2005>

  Art. 3.4.2. Het personeelslid moet zich op de hoogte houden van de evoluties in de materies waarmee hij beroepsmatig is belast.

  TITEL V.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 3.5.1.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 3.5.2.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  TITEL VI. - DE CUMULATIE.

  Art. 3.6.1. Deze titel is alleen toepasselijk op de personeelsleden van het operationeel kader.

  Art. 3.6.2. De aanvraag tot het bekomen van een individuele afwijking bedoeld in artikel 135, eerste lid, van de wet, wordt aangetekend of tegen ontvangstbewijs ingediend, naar gelang het geval, bij de commissaris-generaal, de burgemeester of het politiecollege.

  Art. 3.6.3. De commissaris-generaal, de burgemeester of het politiecollege beslist over de aanvraag, na het gemotiveerd advies te hebben ingewonnen van, naar gelang van het geval, de directeur-generaal die de algemene directie leidt onder wiens gezag de aanvrager zijn ambt uitoefent of de korpschef.
  Hij brengt zijn beslissing ter kennis van de aanvrager binnen de dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag.

  Art. 3.6.4. De commissaris-generaal, de burgemeester of het politiecollege kan een met toepassing van artikel 135 van de wet verleende afwijking van het cumulatieverbod niet intrekken dan na het betrokken personeelslid te hebben gehoord.

  Art. 3.6.5. De beslissing tot intrekking vermeldt de termijn waarbinnen de cumulatie dient te worden beëindigd, rekening houdend met de gevolgen van de intrekking, zowel ten aanzien van het betrokken personeelslid als ten aanzien van derden.

  TITEL VII. - ONGEWENST SEKSUEEL GEDRAG OP HET WERK.

  Art. 3.7.1. Onder ongewenst seksueel gedrag wordt verstaan elke vorm van verbaal, niet-verbaal of lichamelijk gedrag van seksuele aard waarvan degene die zich er schuldig aan maakt, weet of zou moeten weten, dat het afbreuk doet aan de waardigheid van vrouwen en mannen op het werk.

  Art. 3.7.2. De personeelsleden hebben het recht met waardigheid behandeld te worden. De personeelsleden moeten afzien van elk ongewenst seksueel gedrag op het werk.

  Art. 3.7.3. Binnen de federale politie en binnen ieder korps van de lokale politie bestaat een vertrouwensdienst die in functie van het personeelseffectief van het betrokken korps, één of meer personen omvat, " vertrouwenspersonen " geheten.
  De commissaris-generaal of de korpschef maakt met het oog op de goede werking van de vertrouwensdienst, de daartoe vereiste middelen en tijd vrij.

  Art. 3.7.4. De commissaris-generaal of de korpschef wijst de vertrouwenspersoon aan voor een hernieuwbare termijn van drie jaar onder de personeelsleden met ten minste vijf jaar kader- of niveauanciënniteit.
  Indien de vertrouwenspersoon niet voldoet, kan de commissaris-generaal of de korpschef een einde stellen aan de aanwijzing. In dat geval wordt overeenkomstig het eerste lid een nieuwe vertrouwenspersoon aangewezen.

  Art. 3.7.5. De vertrouwenspersoon heeft tot taak raad te geven, hulp te bieden aan personeelsleden die het slachtoffer waren van ongewenst seksueel gedrag en bij te dragen tot een informele of formele oplossing van het probleem.
  De vertrouwenspersoon zal voorafgaand aan het opnemen van zijn opdracht een aangepaste opleiding genieten, ten minste betreffende de beste methoden om de problemen op te lossen.

  Art. 3.7.6. Wanneer de feiten van ongewenst seksueel gedrag die werden meegedeeld aan de vertrouwensdienst, met het oog op de bemiddeling verdere informatie vereisen, wordt deze informatie door de vertrouwenspersoon ingewonnen.

  Art. 3.7.7. De opdracht van vertrouwenspersoon mag geen aanleiding geven tot enig nadeel of speciale voordelen voor degene die deze uitoefent. De vertrouwenspersoon ressorteert, voor de uitoefening van zijn ambt, rechtstreeks onder de commissaris-generaal of de korpschef of de door hem aangewezen dienst.

  Art. 3.7.8. De opdrachten en de nadere werkingsregels van de vertrouwensdienst evenals de namen van de vertrouwenspersonen, worden meegedeeld aan de personeelsleden.

  Art. 3.7.9. De minister bepaalt de nadere werkingsregels van de vertrouwensdienst.

  DEEL IV. - DE AANWERVING, DE SELECTIE EN DE OPLEIDING.

  TITEL I. - DE AANWERVING EN DE SELECTIE.

  HOOFDSTUK I. - DE AANWERVING EN DE SELECTIE VAN HET PERSONEEL VAN HET OPERATIONEEL KADER.

  AFDELING 1. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 4.1.1. Dit hoofdstuk is enkel toepasselijk op de personeelsleden van het operationeel kader die extern aangeworven worden.

  Art. 4.1.2. Onverminderd de verantwoordelijkheden en opdrachten die de minister, gezamenlijk met de minister van Ambtenarenzaken, aan het selectiebureau van de federale overheid (SELOR) toebedeelt, wordt het beleid van de minister inzake aanwerving en selectie van de personeelsleden voorbereid en uitgevoerd door de algemene directie personeel van de federale politie.

  AFDELING 2. - DE AANWERVING.

  Onderafdeling 1. - Algemene bepaling.

  Art. 4.1.3.Onverminderd artikel 98 van de wet, bepaalt de minister jaarlijks, per taalstelsel en per opleidingscyclus, hoeveel kandidaten kunnen worden toegelaten.
  [1 Voor wat de basisopleiding van het basiskader betreft, bezorgt, naar gelang van het geval, de commissaris-generaal, de gemeente- of politieraad, hem daartoe het aantal vacante betrekkingen die niet overeenkomstig de regeling inzake de mobiliteit bedoeld in deel VI, titel II, hoofdstuk II kunnen worden ingevuld. De commissaris-generaal en de gemeente- of politieraad geven tevens aan of een beroep wordt gedaan op de onmiddellijke toelating bedoeld in artikel IV.I.33, § 1, eerste lid.]1
  Op zijn vraag en binnen de door hem gestelde termijnen [1 bezorgt, voor wat de overige basisopleidingen betreft,]1 de commissaris-generaal, de gemeente- of de politieraad, naar gelang van het geval, hem daartoe de nodige gegevens.
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 1, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Onderafdeling 2.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 4.1.4.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 4.1.5.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 4.1.6.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Onderafdeling 3. - De diplomavereisten.

  Art. 4.1.7.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 4.1.8.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 4.1.9.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 4.1.10.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 4.1.11.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 4.1.12. De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst kan buitenlandse diploma's of getuigschriften die ten minste evenwaardig zijn aan die welke opgenomen zijn in de bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, in aanmerking nemen.

  AFDELING 3. - DE SELECTIE.

  Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 4.1.13.Het organiseren van niet doorlopende selectieproeven wordt onder meer aangekondigd via een bericht bekendgemaakt [1 op de website van de directie van de rekrutering en van de selectie]1. Deze bekendmaking vermeldt de taal van de selectieproeven, het kader waarvoor de proeven worden georganiseerd, een beschrijving van het ambt, een beknopt profiel, de deelnemingsvoorwaarden en de datum waarop die moeten vervuld zijn [1 , de wijze van inschrijven en de uiterste inschrijvingsdatum alsmede het selectiereglement, opgesteld door de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie]1.
  De selectieproeven voor het [1 ...]1 basiskader worden doorlopend georganiseerd.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 2, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.14.
  <Opgeheven bij KB 2009-06-07/13, art. 3, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Onderafdeling 2. - De selectieproeven en -procedure.

  Art. 4.1.15.De selectieprocedure bedoeld in deze afdeling omvat :
  1° een proef die toelaat de noodzakelijke cognitieve vaardigheden te beoordelen;
  2° een persoonlijkheidsproef met aan het ambt aangepaste selectietechnieken;
  3° een fysiek-medische geschiktheidsproef met onderzoek van beide componenten in relatie tot het ambt;
  4° [1 een selectiegesprek met de betrokken selectiecommissie. De selectiecommissie meet de competenties die door de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie in het selectiereglement worden aangewezen uit een door de minister vastgestelde lijst.]1.
  [2 ...]2
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>
  (2)<W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 4.1.16. De proeven vinden in principe derwijze plaats dat het niet mogelijk is aan een proef deel te nemen zonder de voor de voorafgaande selectieproef bepaalde minimumdrempel te hebben behaald.

  Art. 4.1.17.[1 § 1. De deliberatiecommissie beslist of de kandidaat, met uitzondering van de kandidaat-commissaris van politie, al dan niet geschikt wordt bevonden op grond van artikel IV.I.15, eerste lid, 1° tot 4°.
   § 2. De selectie van de kandidaten-commissaris van politie geschiedt onder de vorm van een vergelijkend examen.
   De proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°, mondt uit in een rangschikking van de kandidaten op grond waarvan deze voor de volgende selectieproeven worden opgeroepen, en dit tot de deliberatiecommissie het vergelijkend examen afsluit overeenkomstig artikel IV.I.24, tweede lid.
   Bij gelijke resultaten wordt voorrang verleend aan de oudste kandidaat.
   De kandidaten, houders van een diploma of getuigschrift bedoeld in artikel IV.I.11, worden zowel ingeschreven op de rangschikking van de overeenstemmende voorbehouden vacatures als op die van de niet-voorbehouden vacatures.
   De deliberatiecommissie verdeelt de kandidaten op grond van artikel IV.I.15, eerste lid, 1° tot 4° in drie groepen : " zeer geschikt ", " geschikt " of " ongeschikt ".
   De geschiktheid van de in het vierde lid bedoelde kandidaten, wordt door de deliberatiecommissie, in volgorde, getoetst ten aanzien van de voorbehouden vacatures en van de niet-voorbehouden vacatures.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 5, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.18.De directeur van de directie van de [1 rekrutering]1 en de selectie beslist, overeenkomstig de richtlijnen van de minister, of de kandidaat al dan niet beantwoordt aan de vereiste bepaald bij artikel IV.I.4, 3°, en legt, in voorkomend geval, [1 ...]1 een beperking op van de territoriale inzetbaarheid van de kandidaat.
  De directeur licht de kandidaat schriftelijk in van zijn gemotiveerde beslissing. Deze kennisgeving omvat eveneens, in voorkomend geval, de bewoordingen van artikel IV.I.19.
  De kandidaat kan de minister steeds verzoeken de in het eerste lid bedoelde beperking van de territoriale inzetbaarheid te herzien. De minister beslist op advies van, naar gelang van het geval, de korpschef of de commissaris-generaal.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 6, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.19. De kandidaat van wie wordt geoordeeld dat hij niet van onberispelijk gedrag is of ten aanzien van wie een beperking van de territoriale inzetbaarheid wordt opgelegd, kan daartegen een beroep aantekenen bij de minister.
  De minister beslist na advies van de paritaire commissie bedoeld in artikel IV.I.20.
  Het in het eerste lid bedoelde beroep moet op straffe van onontvankelijkheid, bij een ter post aangetekende brief worden ingediend binnen de zestien dagen na de kennisgeving van de beslissing.

  Art. 4.1.20.Bij de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie bestaat een paritaire commissie die als volgt is samengesteld :
  1° de inspecteur-generaal van de algemene inspectie, voorzitter;
  2° één bijzitter per representatieve vakorganisatie;
  3° een overeenkomstig 2° vastgesteld aantal bijzitters waarvan zo mogelijk evenveel leden tot de lokale als tot de federale politie behoren.
  De voorzitter en de bijzitters hebben bovendien elk een plaatsvervanger.
  Een secretaris, aangewezen door de inspecteur-generaal van de algemene inspectie onder de personeelsleden van de algemene inspectie, staat de paritaire commissie bij.
  [1 De paritaire commissie kan slechts rechtsgeldig zitting houden, beraadslagen en stemmen indien ten minste twee derden van haar leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn.
   De voorzitter beschikt over één stem. Elke groep van bijzitters bedoeld in het eerste lid, 2° en 3° beschikt over een overeenkomstig 2° vastgesteld aantal stemmen, ongeacht het aantal aanwezige bijzitters in elke groep. Deze stemmen worden onder de leden van die groep gelijk verdeeld.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 7, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.21. De minister wijst de in artikel IV.I.20, eerste lid, 3°, bedoelde bijzitters aan onder de personeelsleden die voorkomen op een dubbele lijst die wordt voorgesteld door de commissaris-generaal wat de leden van de federale politie betreft en door de vaste commissie voor de lokale politie wat de leden van de lokale politie betreft.
  De inspecteur-generaal wijst onder de personeelsleden van de algemene inspectie een plaatsvervangende voorzitter aan.

  Art. 4.1.22. Het mandaat van de plaatsvervangende voorzitter, de bijzitters en hun plaatsvervangers bedraagt drie jaar en is hernieuwbaar.
   De plaatsvervangende voorzitter, de bijzitters en de plaatsvervangers die worden aangewezen ter vervanging van de overleden of aftredende voorzitter of bijzitters, voleindigen de aanwijzing van degenen die ze vervangen.

  Art. 4.1.23.De door de minister aangewezen dienst van de federale politie licht [1 de kandidaat, de in artikel IV.I.18 bedoelde directeur en de in artikel IV.I.20 bedoelde paritaire commissie]1 schriftelijk in van de door de minister in beroep gewezen beslissing bedoeld in artikel IV.I.19.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 8, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.24.De kandidaat die op grond van artikel IV.I.17 door de [1 deliberatiecommissie]1 geschikt [1 of, in voorkomend geval, zeer geschikt]1 wordt bevonden en beantwoordt aan de in artikel IV.I.4, 3°, bedoelde vereiste, kan worden toegelaten.
  [1 Indien het aantal kandidaten-commissaris van politie die op grond van artikel IV.I.17, § 2, vijfde lid, door de deliberatiecommissie " zeer geschikt " worden bevonden en beantwoorden aan de in artikel IV.I.4, 3°, bedoelde vereiste gelijk is aan het in artikel IV.I.3 bedoelde aantal, sluit de deliberatiecommissie het vergelijkend examen af.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 9, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.25. De directeur bedoeld in artikel IV.I.18 licht de kandidaat schriftelijk in van de in artikel IV.I.24, naar gelang van het geval, bedoelde geschiktheid of ongeschiktheid. Deze kennisgeving omvat eveneens, in voorkomend geval :
  1° de in artikel IV.I.29 bedoelde geldigheidstermijn;
  2° de in artikel IV.I.31 bedoelde geldigheidstermijn.

  Art. 4.1.26.De inhoud van de selectieproeven wordt bepaald door het profiel van het beoogde ambt en varieert volgens het kader. [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 10, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.27.Onverminderd artikel 98 van de wet, bepaalt de minister :
  1° de nadere inhoud en organisatieregels van de selectieproeven;
  2° de elementen die het voorwerp uitmaken van het onderzoek bedoeld in artikel IV.I.15, tweede lid;
  3° de in artikel IV.I.16 bedoelde minimumdrempels voor de in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°, 2° en 3° bedoelde selectieproeven;
  4° de selectieproeven of een gedeelte ervan die, in voorkomend geval, het vergelijkend examen uitmaken;
  5° de samenstelling en de werkwijze van de in artikel IV.I.15, eerste lid, 4°, bedoelde selectiecommissie.
  [1 6° de samenstelling en de werkwijze van de in artikel IV.I.17 bedoelde deliberatiecommissie.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 11, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.28. De minister legt in het in artikel IV.II.32 bedoelde beheerscontract de aard en de mate van de betrokkenheid van de politiescholen in de selectieprocedure vast.

  Onderafdeling 2bis. - [1 De afwezigheden]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-06-07/13, art. 12, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.28bis. [1 De kandidaat die zonder aanvaardbare reden afwezig is op het ogenblik dat een selectieproef of het geheel van de selectieproeven plaatsvindt, kan door de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie worden uitgesloten van verdere deelname.
   De in het eerste lid bedoelde aanvaardbare reden wordt nader toegelicht in het selectiereglement.
   De uitsluiting van verdere deelname wordt gelijkgesteld met het niet slagen in de selectieprocedure.]1
  
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-06-07/13, art. 12, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Onderafdeling 3. - De vrijstellingen.

  Art. 4.1.29.[4 De kandidaat-agent van politie en de kandidaat-inspecteur van politie die niet de minimumdrempel hebben behaald voor een selectieproef en die opnieuw afleggen in het raam van een selectieprocedure voor hetzelfde kader binnen de twee jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van hun mislukking, zijn vrijgesteld van de selectieproeven bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2° en 4° waarvoor zij de minimumdrempel hebben behaald.]4 Zo daar evenwel aanwijzingen toe zijn, verzoekt [1 de in artikel IV.I.17 bedoelde deliberatiecommissie]1, vooraleer zich uit te spreken over de geschiktheid van de kandidaat, om een bijkomend onderzoek met betrekking tot de in [4 artikel IV.I.15, eerste lid, 2°]4 of 4° bepaalde vereisten.
  [2 De kandidaat-hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie of met specialiteit politieassistent die niet de minimumdrempel heeft behaald voor een selectieproef en die opnieuw aflegt [4 in het raam van een selectieprocedure voor hoofdinspecteur met respectievelijk dezelfde bijzondere specialisatie of specialiteit politieassistent]4 binnen de twee jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van zijn mislukking, is vrijgesteld van de selectieproeven bedoeld in [4 artikel IV.I.15, eerste lid, 2°]4 en 4°, waarvoor hij de minimumdrempel heeft behaald. Zo daar evenwel aanwijzingen toe zijn, verzoekt de in artikel IV.I.17 bedoelde deliberatiecommissie, vooraleer zich uit te spreken over de geschiktheid van de kandidaat, om een bijkomend onderzoek met betrekking tot de in [4 artikel IV.I.15, eerste lid, 2°]4 of 4° bepaalde vereisten.]2
  Bovendien kan, zo daar aanwijzingen toe zijn, de directeur bedoeld in artikel IV.I.18, vooraleer zich uit te spreken over de geschiktheid van de kandidaat, een bijkomend onderzoek met betrekking tot de in artikel IV.I.4, 3°, bedoelde vereiste gelasten.
  [2 De kandidaat-agent van politie die houder is van een diploma dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de indienstneming in de betrekkingen van niveau C bij de federale Rijksbesturen, zoals opgenomen in de bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, is vrijgesteld van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°.
   De kandidaat-inspecteur van politie die houder is van een diploma dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de indienstneming in de betrekkingen van niveau B bij de federale Rijksbesturen, zoals opgenomen in de bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, is vrijgesteld van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°.
   De kandidaat-agent van politie en de kandidaat-inspecteur van politie zijn vrijgesteld van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1° indien zij geslaagd zijn voor de proef inzake de cognitieve vaardigheden van [4 ten minste hetzelfde kader]4 .
  [4 De kandidaat-hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie of met specialiteit politieassistent is vrijgesteld van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°, indien hij in het raam van een voorafgaande selectieprocedure voor hoofdinspecteur met respectievelijk dezelfde bijzondere specialisatie of specialiteit politieassistent geslaagd is voor de proef inzake de cognitieve vaardigheden.
   De kandidaat-agent van politie, de kandidaat-inspecteur van politie en de kandidaat-hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie of met specialiteit politieassistent zijn vrijgesteld van de fysiek-medische geschiktheidsproef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 3°, indien zij in het raam van een voorafgaande selectieprocedure de voor de fysiek-medische geschiktheidsproef bepaalde minimumdrempel hebben behaald. Deze vrijstelling geldt voor twee jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van hun slagen. Zo daar evenwel aanwijzingen toe zijn, verzoekt de in artikel IV.I.17 bedoelde deliberatiecommissie, vooraleer zich uit te spreken over de geschiktheid van de kandidaat, om een bijkomend onderzoek met betrekking tot de in artikel IV.I.15, eerste lid, 3° bepaalde vereisten.
   De kandidaat-agent van politie en de kandidaat-inspecteur van politie die in het raam van een selectieprocedure voor een hoger kader door de in artikel IV.I.17 bedoelde deliberatiecommissie geschikt werden bevonden voor respectievelijk het kader van agenten van politie en het basiskader, zijn binnen de twee jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing van de deliberatiecommissie vrijgesteld van de selectieproeven bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2° en 4°.]4
  [4 ...]4
   De personeelsleden [4 van het kader van agenten van politie,]4 van het basiskader en van het middenkader die extern in een hoger kader worden aangeworven overeenkomstig artikel IV.I.1, zijn vrijgesteld van de in artikel IV.I.15, eerste lid, 3°, bedoelde selectieproef en van het onderzoek van de omgeving en de antecedenten.]2
  [3 De kandidaat-inspecteur van politie is vrijgesteld van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°, indien hij geslaagd is voor " het specialisatiejaar van het technisch secundair onderwijs optie : Integrale veiligheid " in de Vlaamse Gemeenschap of " l'année de qualification de l'enseignement secondaire technique option : Assistants aux métiers de la sécurité " in de Franse Gemeenschap.]3
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 13, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>
  (2)<KB 2009-06-07/13, art. 13, 044; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  (3)<KB 2010-04-06/31, art. 1, 049; Inwerkingtreding : 15-05-2010>
  (4)<KB 2010-06-25/10, art. 1, 050; Inwerkingtreding : 01-04-2009>

  Art. 4.1.29bis. [1 De kandidaat die houder is van een bewijsschrift verleend ingevolge het taalexamen bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, samengevat op 18 juli 1966, geniet de in artikel IV.I.29, eerste tot derde lid en zesde tot tiende lid, bedoelde vrijstellingen ook in het raam van een selectieprocedure die wordt georganiseerd in een ander taalregime dan de vooraf afgelegde selectieprocedure.
   De kandidaat die houder is van een bewijsschrift verleend ingevolge het taalexamen bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, samengevat op 18 juli 1966, geniet de in artikel IV.I.29, vierde, vijfde en elfde lid, bedoelde vrijstellingen ook in het raam van een selectieprocedure die wordt georganiseerd in een andere taal dan de taal waarin het diploma werd behaald.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-06-25/10, art. 2, 050; Inwerkingtreding : 01-04-2009>

  Art. 4.1.29ter. [1 De minister kan de gevallen bepalen waarin een vrijstelling voor de subproeven van de in artikel IV.I.15, eerste lid, 1° tot 4°, bedoelde selectieproeven wordt verleend.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-06-25/10, art. 3, 050; Inwerkingtreding : 01-04-2009>

  Onderafdeling 4. - De volgorde van toelating tot de basisopleiding.

  Art. 4.1.30.[1 § 1. De laureaten van de selectieproeven voor agent van politie en hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie of met specialiteit politie-assistent worden opgenomen in een wervingsreserve.
   De directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie stelt de lijst van de kandidaten-agent van politie en de lijst van de kandidaten-hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie of met specialiteit politie-assistent die opgenomen worden in de in het eerste lid bedoelde wervingsreserves vast.
   De directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie verzendt de desbetreffende lijst van geschikt bevonden kandidaten aan de korpschef, indien het een betrekking bij een korps van de lokale politie betreft, of aan de betrokken directeur, indien het een betrekking bij de federale politie betreft.
   De kandidaten worden vervolgens aan de door de benoemende overheid georganiseerde selectieproeven onderworpen.
   De benoemende overheid vergelijkt de respectieve aanspraken en verdiensten van de verschillende kandidaten, waarna zij de voor de vacante betrekking meest geschikte kandidaat selecteert die vervolgens tot de basisopleiding wordt toegelaten.
   § 2. De laureaten van de selectieproeven voor inspecteur van politie worden opgenomen in een wervingsreserve in volgorde van de datum van hun inschrijving voor de selectieproeven.
   Bij gelijke datum wordt voorrang verleend aan de oudste kandidaat.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 14, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.31.De opneming in de wervingsreserve geldt voor [1 twee jaar]1. Alle kandidaten worden in elk geval onderworpen aan een medisch controleonderzoek voorafgaand aan hun toelating tot de opleiding. Dit onderzoek gaat na of er geen grondige wijzigingen hebben plaatsgevonden in het medisch profiel van de kandidaat sinds de fysiek-medische geschiktheidsproef.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 15, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.32.
  § 1. De selectie [1 ...]1 van de kandidaten-commissaris van politie aangeworven op diploma bedoeld in artikel IV.I.10, geschiedt onder de vorm van een vergelijkend examen, derwijze dat er geen wervingsreserve wordt samengesteld.
  § 2. [1 Voor de toelating tot de basisopleiding worden de kandidaten-commissaris van politie als volgt gerangschikt :
   1° de kandidaten in de groep " zeer geschikt " hebben, in voorkomend geval, voorrang op de kandidaten in de groep " geschikt ";
   2° binnen iedere groep worden de kandidaten gerangschikt in volgorde van de resultaten van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°;
   3° bij gelijke resultaten wordt voorrang verleend aan de oudste kandidaat.]1
  § 3. Nuttig gerangschikt zijn de kandidaten die aan de voorwaarden voldoen en wier rangschikkingsnummer de in artikel IV.I.3 bedoelde aantallen niet overschrijdt.
  De nuttige rangschikking van [1 de in artikel IV.I.17, § 2, vierde lid, bedoelde kandidaten]1, wordt, in volgorde, getoetst aan de rangschikking van de voorbehouden vacatures en die van de niet-voorbehouden vacatures.
  De niet-toegewezen voorbehouden vacatures komen ten bate van de andere kandidaten.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 16, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.33.[1 § 1. De kandidaten-inspecteur van politie die in het raam van de aanwerving de voorkeur hebben geuit om te worden aangewezen in een politiedienst die een beroep heeft gedaan op de onmiddellijke toelating, worden voor de andere kandidaten-inspecteur van politie tot de basisopleiding toegelaten. De kandidaten die op gelijke datum hun voorkeur voor een bepaalde politiedienst hebben geuit, worden tot de basisopleiding toegelaten in volgorde van hun rangschikking overeenkomstig artikel IV.I.30, § 2.
   De onmiddellijke toelating voor de betrokken politiedienst wordt afgesloten als het aantal kandidaten die overeenkomstig het eerste lid tot de basisopleiding worden toegelaten gelijk is aan het aantal betrekkingen waarvoor de politiedienst een beroep heeft gedaan op de onmiddellijke toelating.
   Voor wat de overige kandidaten-inspecteur van politie betreft, bepaalt de rangschikking overeenkomstig artikel IV.I.30, § 2, de volgorde van toelating tot de basisopleiding.
   § 2. De rangschikking van de kandidaten-commissaris van politie overeenkomstig artikel IV.I.32 bepaalt de volgorde van toelating tot de basisopleiding.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 2, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Art. 4.1.33bis. [1 De kandidaat die wordt toegelaten tot de basisopleiding en die om gezondheidsredenen, wegens zwangerschap of omwille van een lopende arbeidsovereenkomst verhinderd is om daaraan deel te nemen, kan de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie verzoeken om deel te nemen aan de basisopleiding die na het einde van de verhindering wordt georganiseerd.
   Het verzoek tot uitstel om gezondheidsredenen of zwangerschap moet met een medisch getuigschrift worden gestaafd.]1
  
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-06-07/13, art. 18, 044; Inwerkingtreding : 01-04-2009>

  HOOFDSTUK II. - DE AANWERVING EN DE SELECTIE VAN HET PERSONEEL VAN HET ADMINISTRATIEF EN LOGISTIEK KADER.

  AFDELING 1. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 4.1.34. Dit hoofdstuk is enkel toepasselijk op de personeelsleden van het administratief en logistiek kader die extern aangeworven worden.

  Art. 4.1.35.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 4.1.36. Onverminderd de verantwoordelijkheden en opdrachten die de minister, gezamenlijk met de Minister van Ambtenarenzaken, aan het selectiebureau van de federale overheid (SELOR) toebedeelt, wordt het beleid van de minister inzake aanwerving en selectie van de personeelsleden van het administratief en logistiek kader voorbereid en uitgevoerd door de algemene directie personeel van de federale politie.

  AFDELING 2. - DE AANWERVING.

  Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 4.1.37.<KB 2005-12-20/41, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006> Indien in een overeenkomstig [artikel VI.II.15, § 1] vacant verklaarde betrekking niet overeenkomstig de regeling inzake mobiliteit bedoeld in deel VI, titel II, hoofdstuk II is voorzien, impliceert de vacantverklaring van een betrekking, onverminderd artikel 26 van de wet van 26 april 2002, [1 het beroep op de statutaire aanwerving]1. <KB 2007-03-02/32, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 06-03-2007>
  [1 Onverminderd de aanwervingen bedoeld in artikel 26 van de wet van 26 april 2002, kan een betrekking, voorafgaand aan de regeling inzake mobiliteit bedoeld in deel VI, titel II, hoofdstuk II, om dringende redenen worden ingevuld door een personeelslid in dienst genomen bij een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur van maximum twaalf maanden.
   Een betrekking die bij wijze van de in het tweede lid bedoelde contractuele aanwerving wordt ingevuld, wordt in een onmiddellijk navolgende mobiliteitscyclus vacant verklaard overeenkomstig artikel VI.II.15, § 1.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 19, 044; Inwerkingtreding : 26-06-2009>

  Art. 4.1.38. De korpschef, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal, deelt de in artikel IV.I.37. bedoelde betrekkingen onverwijld mee aan de minister of de door deze aangewezen dienst.

  Art. 4.1.39.Indien een wervingsreserve, bedoeld in artikel IV.I.58, waarvan de kandidaten in aanmerking komen voor een vacante betrekking, bestaat, wordt de lijst van de geschikt bevonden kandidaten, bedoeld in artikel IV.I.59, door de minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst, verzonden [1 aan de korpschef, indien het een vacante betrekking bij een korps van de lokale politie betreft, of aan de betrokken directeur, indien het een vacante betrekking bij de federale politie betreft]1.
  Indien geen wervingsreserve, bedoeld in artikel IV.I.58, waarvan de kandidaten in aanmerking komen voor een vacante betrekking, bestaat [1 of indien een beroep wordt gedaan op de contractuele aanwerving zoals bedoeld in artikel IV.I.37, tweede lid, met uitzondering van de aanwervingen bedoeld in artikel 26 van de wet van 26 april 2002]1, wordt een selectie georganiseerd overeenkomstig afdeling 3. Na beëindiging van de selectieprocedure wordt de lijst van de geschikt bevonden kandidaten, bedoeld in artikel IV.I.57, door de minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst, verzonden [1 aan de korpschef, indien het een vacante betrekking bij een korps van de lokale politie betreft, of aan de betrokken directeur, indien het een vacante betrekking bij de federale politie betreft]1.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 20, 044; Inwerkingtreding : 26-06-2009>

  Art. 4.1.40. Onverminderd artikel 98 van de wet, bepaalt de minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst voor welke graad en in welke taal, examens worden georganiseerd alsmede het tijdstip van die examens.
  De commissaris-generaal, de gemeente- of de politieraad, naar gelang van het geval, bezorgen hem daartoe de nodige gegevens.

  Onderafdeling 2.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 4.1.41.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 4.1.42.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 4.1.43.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Onderafdeling 3. - De diplomavereisten.

  Art. 4.1.44.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 4.1.45.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 4.1.46.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 4.1.47. De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst kan buitenlandse diploma's of getuigschriften die ten minste evenwaardig zijn aan die, welke opgenomen zijn in de bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, in aanmerking nemen.

  Art. 4.1.48.
  <Opgeheven bij KB 2009-06-07/13, art. 21, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Onderafdeling 4. - De bijzondere toelatingsvoorwaarden.

  Art. 4.1.49.[1 ...]1
  De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst stelt bij het organiseren van de selectie de datum vast waarop de kandidaten moeten voldoen aan de bijzondere toelatingsvoorwaarden.
  ----------
  (1)<W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  AFDELING 3. - DE SELECTIE.

  Onderafdeling 1. -Algemene bepalingen.

  Art. 4.1.50.Het organiseren van de selectieproeven wordt onder meer aangekondigd via een bericht bekendgemaakt [1 op de website van de directie van de rekrutering en van de selectie]1. Deze bekendmaking vermeldt ten minste de taal van de selectieproeven, het niveau waarvoor de proeven worden georganiseerd, een beschrijving van de betrekking, een beknopt profiel, de deelnemingsvoorwaarden en de datum waarop die moeten vervuld zijn [1 , de wijze van inschrijven en de uiterste inschrijvingsdatum alsmede het selectiereglement, opgesteld door de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie]1.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 22, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.51. <KB 2007-03-23/36, art. 7, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De selectie kan worden georganiseerd voor de benoeming of indiensttreding in de basisloonschalen :
  1° van de, naargelang het geval, gemene of bijzondere graad van de niveaus B, C en D;
  2° van de klasse A1, A2, A3 of A4.
  In dat raam wordt van de kandidaten een voor de functie nuttige ervaring van zes jaar voor de klasse A3 en van negen jaar voor de klasse A4 geëist.

  Onderafdeling 2. - De selectieproeven en -procedure.

  Art. 4.1.52.De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst bepaalt, in functie van de aard van de te begeven betrekking, de aard, het aantal, de volgorde en de organisatieregels van de selectieproeven.
   Deze selectieproeven kunnen omvatten :
  1° een proef die toelaat de noodzakelijke cognitieve vaardigheden te beoordelen;
  2° een persoonlijkheidsproef met aan het ambt aangepaste selectietechnieken;
  3° indien dit vereist is voor de beoogde betrekking, een fysiek-medische geschiktheidsproef;
  4° [1 een selectiegesprek met de betrokken selectiecommissie, die de specifieke competenties van de kandidaten evalueert, waarna een eindevaluatie wordt uitgebracht. De specifieke competenties worden nader toegelicht in het functieprofiel.]1.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 23, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.53. De selectieproeven worden derwijze georganiseerd dat het niet mogelijk is aan een proef deel te nemen zonder de voor de voorafgaande selectieproef bepaalde minimumdrempel te hebben behaald.
  De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst bepaalt de in het eerste lid bedoelde minimumdrempels.

  Onderafdeling 2bis. - [1 De vrijstellingen]1
  
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-06-07/13, art. 24, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.54.De kandidaat die niet de minimumdrempel heeft behaald voor een selectieproef en die opnieuw aflegt in het raam van een selectieprocedure voor een betrekking met hetzelfde profiel binnen de twee jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van zijn mislukking, is vrijgesteld [3 van de selectieproeven bedoeld in artikel IV.I.52, tweede lid, 2° of 4°, waarvoor hij de minimumdrempel heeft behaald]3 . Zo daar evenwel aanwijzingen toe zijn, verzoekt de minister of de in artikel IV.I.57 bedoelde dienst, vooraleer zich uit te spreken over de geschiktheid van de kandidaat, om een bijkomend onderzoek met betrekking tot de in [3 de artikelen IV.I.52, tweede lid, 2° of 4°]3 en IV.I.41, 3°, bepaalde vereisten.
  [1 De kandidaat voor een betrekking van het niveau D die houder is van een diploma dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de indienstneming in de betrekkingen van niveau C bij de federale Rijksbesturen, zoals opgenomen in de bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, wordt vrijgesteld van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.52, tweede lid, 1°.
   De kandidaat voor een betrekking van het niveau C die houder is van een diploma dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de indienstneming in de betrekkingen van niveau B bij de federale Rijksbesturen, zoals opgenomen in de bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, wordt vrijgesteld van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.52, tweede lid, 1°.
  [4 De kandidaat voor een betrekking van het niveau B die houder is van een diploma dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de indienstneming in de betrekkingen van niveau A bij de federale Rijksbesturen, zoals opgenomen in de bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, wordt vrijgesteld van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.52, tweede lid, 1°.]4
   [3 De kandidaat is vrijgesteld van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.52, tweede lid, 1°, indien hij geslaagd is voor de proef inzake de cognitieve vaardigheden van ten minste hetzelfde niveau.]3 ]1
  [2 De kandidaat voor een betrekking van het niveau C is vrijgesteld van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.52, tweede lid, 1°, indien hij geslaagd is voor " het specialisatiejaar van het technisch secundair onderwijs optie : Integrale veiligheid " in de Vlaamse Gemeenschap of " l'année de qualification de l'enseignement secondaire technique option : Assistants aux métiers de la sécurité " in de Franse Gemeenschap.]2
  [3 De kandidaat voor een betrekking van het niveau D is vrijgesteld van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.52, tweede lid, 1°, indien hij de minimumdrempel heeft behaald voor de door de minister bepaalde subproeven van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°, van ten minste het kader van agenten van politie.
   De kandidaat voor een betrekking van het niveau C is vrijgesteld van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.52, tweede lid, 1°, indien hij de minimumdrempel heeft behaald voor de door de minister bepaalde subproeven van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°, van ten minste het basiskader.
   De kandidaat voor een betrekking van het niveau B is vrijgesteld van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.52, tweede lid, 1°, indien hij de minimumdrempel heeft behaald voor de door de minister bepaalde subproeven van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°, van ten minste het middenkader.
   De kandidaat voor een betrekking van het niveau A is vrijgesteld van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.52, tweede lid, 1°, indien hij de minimumdrempel heeft behaald voor de door de minister bepaalde subproeven van de proef inzake de cognitieve vaardigheden bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°, van ten minste het officierskader.
   De kandidaat die slaagt voor de persoonlijkheidsproef van een welbepaald niveau wordt vrijgesteld van de persoonlijkheidsproef van een lager niveau. Deze vrijstelling geldt voor twee jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van zijn slagen. Zo daar evenwel aanwijzingen toe zijn, verzoekt de minister of de in artikel IV.I.57 bedoelde dienst, vooraleer zich uit te spreken over de geschiktheid van de kandidaat, om een bijkomend onderzoek met betrekking tot de in artikel IV.I.52, tweede lid, 2° bepaalde vereisten.]3
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 25, 044; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  (2)<KB 2010-04-06/31, art. 2, 049; Inwerkingtreding : 15-05-2010>
  (3)<KB 2010-06-25/10, art. 4, 1°-2°, 4°-5°, 050; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  (4)<KB 2010-06-25/10, art. 4, 3°, 050; Inwerkingtreding : 09-07-2010>

  Art. 4.1.54bis. [1 De kandidaat die houder is van een bewijsschrift verleend ingevolge het taalexamen bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, samengevat op 18 juli 1966, geniet de in artikel IV.I.54, eerste en vijfde lid en zevende tot elfde lid, bedoelde vrijstellingen ook in het raam van een selectieprocedure die wordt georganiseerd in een ander taalregime dan de vooraf afgelegde selectieprocedure.
   De kandidaat die houder is van een bewijsschrift verleend ingevolge het taalexamen bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, samengevat op 18 juli 1966, geniet de in artikel IV.I.54, tweede tot vierde en zesde lid, bedoelde vrijstellingen ook in het raam van een selectieprocedure die wordt georganiseerd in een andere taal dan de taal waarin het diploma werd behaald.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-06-25/10, art. 5, 050; Inwerkingtreding : 01-04-2009>

  Onderafdeling 2ter. - [1 De afwezigheden]1
  
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-06-07/13, art. 26, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.55.[1 De kandidaat die zonder aanvaardbare reden afwezig is op het ogenblik dat een selectieproef of het geheel van de selectieproeven plaatsvindt, kan door de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie worden uitgesloten van verdere deelname.
   De in het eerste lid bedoelde aanvaardbare reden wordt nader toegelicht in het selectiereglement.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 27, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Onderafdeling 3. - De beslissing betreffende de geschiktheid.

  Art. 4.1.56.De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst bepaalt de voorwaarden die moeten voldaan zijn opdat een kandidaat geschikt wordt bevonden [1 op grond van artikel IV.I.52, tweede lid, 1° tot 4]1.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 28, 043; Inwerkingtreding : 10-01-2014 (KB 2016-07-10/06, art. 8)>

  Art. 4.1.57.De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst beslist of een kandidaat al dan niet geschikt is bevonden [1 op grond van artikel IV.I.52, tweede lid, 1° tot 4°]1 en stelt de lijst van de geschikte kandidaten vast.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 29, 043; Inwerkingtreding : 10-01-2014 (KB 2016-07-10/06, art. 8)>

  Art. 4.1.57bis.[1 De directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie of, indien het een betrekking van het administratief en logistiek kader van een korps van de lokale politie waarvoor geen bijzondere eisen inzake integriteit worden opgelegd op grond van artikel 25, 2° van de wet van 26 april 2002 betreft, de korpschef van het korps voor hetwelk de kandidaat wordt aangeworven, beslist, overeenkomstig de richtlijnen van de minister, of de kandidaat al dan niet beantwoordt aan de vereiste bepaald bij artikel IV.I.41, 3°.
   De directeur of de betrokken korpschef licht de kandidaat schriftelijk in van zijn gemotiveerde beslissing. Deze kennisgeving omvat eveneens, in voorkomend geval, de bewoordingen van artikel IV.I.19.
   De kandidaat van wie wordt geoordeeld dat hij niet beantwoordt aan de vereiste bepaald bij artikel IV.I.41, 3°, kan daartegen een beroep aantekenen bij de minister, overeenkomstig de procedure zoals bedoeld in de artikelen IV.I.19 tot IV.I.23.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-06-07/13, art. 30, 043; Inwerkingtreding : 10-01-2014 (KB 2016-07-10/06, art. 8)>

  Onderafdeling 4. - De wervingsreserve.

  Art. 4.1.58.De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst beslist voorafgaandelijk of er naar aanleiding van een selectie al dan niet een reserve van geschikte kandidaten wordt aangelegd.
  Indien een wervingsreserve wordt aangelegd, heeft deze een geldigheid van twee jaar die ingaat vanaf de opstelling van het proces-verbaal waarbij de in artikel IV.I.57 bedoelde lijst wordt vastgesteld. Een kortere geldigheidsduur kan worden vastgesteld [1 in het selectiereglement]1.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 31, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.59.De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst stelt de lijst van de kandidaten die opgenomen worden in de wervingsreserve vast.

  Afdeling 4. - [1 De benoeming van contractuele personeelsleden van het administratief en logistiek kader]1
  
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-06-07/13, art. 32, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.1.60. [1 Met uitzondering van de aanwervingen bedoeld in artikel 26 van de wet van 26 april 2002, wordt een personeelslid van het administratief en logistiek kader dat bij een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur van maximum twaalf maanden in dienst wordt genomen om dringende redenen zoals bedoeld in artikel IV.I.37, tweede lid, benoemd wanneer het overeenkomstig artikel VI.II.8 wordt aangewezen voor een statutaire betrekking.
   De in het eerste lid bedoelde personeelsleden worden geselecteerd overeenkomstig één van de selectiemodaliteiten zoals bedoeld in de artikelen VI.II.21 en volgende.]1
  
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-06-07/13, art. 32, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  TITEL II. - DE OPLEIDING.

  HOOFDSTUK I. - DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED.

  Art. 4.2.1. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :
  1° " politieschool " : elke opleidingsinstelling, school, academie, of elk trainings- of opleidingscentrum erkend of ingericht door de minister of door de minister van Justitie, om alle of een deel van de opleidingen bedoeld in artikel I.I.1, 23°, te verstrekken en de eraan verbonden diploma's en brevetten uit te reiken;
  2° " competentie " : de vaardigheid om een geheel aan kennis, kunde en attitudes in werking te stellen die het mogelijk maken een bepaald aantal taken uit te voeren;
  3° " docent " : de persoon aangewezen om in een politieschool een welbepaalde materie te onderwijzen die gespecialiseerde competenties vereist en die niet behoort tot het bevoegdheidsdomein van de praktijkmonitor;
  4° " praktijkmonitor " : het personeelslid belast met het aanleren in een politieschool van politionele technieken en praktijken;
  5° " opleider " : de persoon aangewezen in een politieschool en die instaat voor de begeleiding van de aspiranten of cursisten tijdens de volledige schoolse opleiding.

  Art. 4.2.2. De bepalingen met betrekking tot de basisopleidingen zijn niet van toepassing op de personeelsleden van het administratief en logistiek kader.

  HOOFDSTUK II. - ALGEMENE PRINCIPES VAN DE OPLEIDING.

  Art. 4.2.3. De opleiding heeft betrekking op :
  1° de wettelijke en reglementaire bepalingen;
  2° het aanwenden van technieken;
  3° het toepassen van tactische principes en uitvoeringsregels;
  4° het zich eigen maken van adequate gedragswetenschappelijke en relationele eigenschappen.

  Art. 4.2.4.Onverminderd artikel VIII.III.6 is de aanwezigheid tijdens cursussen, lessen, oefeningen en andere activiteiten georganiseerd in het raam van de opleiding verplicht, onder voorbehoud van de afwijkingen voorzien [1 in de reglementen bedoeld in]1 artikel IV.II.42.
  ----------
  (1)<KB 2015-09-24/02, art. 41, 065; Inwerkingtreding : 01-10-2015. Zie ook art. 51>

  Art. 4.2.5. De opleiding heeft tot finaliteit te beantwoorden aan de basisfilosofie van het politiesysteem zoals het werd ontwikkeld door de wet.
  De opleiding moet bovendien tegemoetkomen aan de imperatieven die ontstaan door de uitvoering van de diverse opdrachten door het personeel en zich aanpassen aan de wijzigende behoeften van de politieorganisatie. Hiertoe wordt zij gebaseerd op gedifferentieerde professionele competentieprofielen.

  Art. 4.2.6. Het hoofdobjectief van de opleiding is zij die ervan genieten, de nodige competenties te laten verwerven of te versterken zodat zij in staat zijn ten volle hun taken en verantwoordelijkheden in de politieorganisatie uit te oefenen.

  Art. 4.2.7. De opleiding verzekert aan alle personeelsleden gelijke kansen tot emancipatie binnen de professionele loopbaan en begunstigt de mobiliteit binnen de politiediensten.

  Art. 4.2.8. De opleiding dient op een professionele manier ontwikkeld te worden, wat onder andere inhoudt dat :
  1° er een globale, systematische en langetermijnvisie is met betrekking tot de ontwikkeling van de competenties van het personeel;
  2° er constant gezocht wordt naar nieuwe kennis en vaardigheden, nieuwe evoluties in het raam van het politiewerk;
  3° de opleidingsinspanningen door het personeel maximaal gevaloriseerd worden door het afleveren van brevetten die toelaten positief te evolueren in de loopbaan en die het bezit van een expertise erkennen.

  Art. 4.2.9. De opleiding behoort niet uitsluitend tot de bevoegdheid van de politiescholen en van de diensten belast met het beheer van de opleiding. Elk personeelslid is verantwoordelijk voor de eigen opleiding en dient eveneens bij te dragen tot de ontwikkeling van de competenties van zijn collega's.
  Het behoort tot de verantwoordelijkheden van elke hiërarchische en functionele chef bij te dragen tot de ontwikkeling van de competenties van zijn medewerkers.
  De rol van de officieren bestaat in dit verband, in het bijzonder, in garant te staan voor de mededeling, de verspreiding en de toepassing van nieuwe concepten met betrekking tot het politiewerk alsook van de wijzigingen op wettelijk en reglementair vlak.
  De verschillende politieoverheden en de korpschefs van de federale politie en van de korpsen van de lokale politie hebben eveneens een verantwoordelijkheid in het domein van de opleiding; het komt hen toe de verwachtingen ten aanzien van het personeel te verduidelijken.
  De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst is, in samenspraak met de politiescholen, verantwoordelijk voor de vertaling van de verwachtingen in termen van gewenste competenties, en dit in samenspraak met de diverse verantwoordelijkheidsniveaus, alsook voor de inwerkingstelling van de opleidingspolitiek beslist door de minister en de minister van Justitie en gericht op de gewenste competenties.

  Art. 4.2.10. Om de algemene principes bepaald in dit hoofdstuk te bereiken, worden de kennis en de kunde geplaatst in het perspectief van hun aanwending in een gegeven ambt.
  Deze competenties worden verworven gedurende zowel leerperiodes in de school als tijdens de andere opleidingsactiviteiten, in het bijzonder, onder begeleiding van een mentor tijdens de stageperiodes in een operationele eenheid of dienst.

  Art. 4.2.11. De opleiding wordt gegeven via een benadering die diverse elementen integreert :
  1° het kennen en het begrijpen van de wettelijke en reglementaire beschikkingen;
  2° het aanwenden van technieken;
  3° het toepassen van tactische principes en modaliteiten;
  4° het aannemen van adequate gedragswetenschappelijke en relationele elementen.
  De opleiding steunt zoveel mogelijk op praktische gevallenstudies en op praktische oefeningen, hetzij als basis voor de theorie hetzij om de theorie in praktijk om te zetten.
  De opleiding wordt in modulaire vorm ontworpen en evolueert van het meest eenvoudige naar het meest complexe.

  Art. 4.2.12. De aanwezigheid bij de cursussen en opleidingsactiviteiten bedoeld in artikel IV.II.4, alsook de deelneming aan de examens worden gelijkgesteld aan periodes van dienstactiviteit.

  Art. 4.2.13. De duur van de opleidingscycli, de algemene inhoud van de programma's, de algemene regelen inzake de beoordeling, de examens en het slagen alsmede de algemene regelen van de organisatie van de opleidingscycli, worden door Ons bepaald.

  HOOFDSTUK III. - DE POLITIESCHOLEN.

  AFDELING 1. - POLITIESCHOLEN ERKEND DOOR DE MINISTER.

  Art. 4.2.14. Onverminderd de artikelen IV.II.27, IV.II.28 en IV.II.29 en onverminderd artikel 98 van de wet, zijn enkel de politiescholen die erkend zijn door de minister, gemachtigd om opleidingscycli te verstrekken.
  De erkenning van een politieschool wordt verleend per kader bedoeld in de artikelen 116 en 117 van de wet en volgens het type van opleidingscyclus binnen die kaders.
  De erkenning geldt voor onbepaalde duur en zolang de voorwaarden bepaald in artikel IV.II.16 ongewijzigd blijven.

  Art. 4.2.15. Elke school die de erkenning vraagt, zendt daartoe een aangetekende brief naar de minister waarin het bewijs wordt geleverd dat zij voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel IV.II.16.

  Art. 4.2.16.Om erkend te worden moet een politieschool aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° er zich toe verbinden om één of meerdere opleidingscycli te verstrekken waarvoor de erkenning geldt, in overeenstemming met de door Ons vastgestelde bepalingen en met naleving van het beheerscontract bedoeld in artikel IV.II.32;
  2° beschikken over voldoende infrastructuur om alle of een deel van die opleidingscycli te verstrekken, overeenkomstig de omkaderings- en kwaliteitsnormen vastgesteld door Ons;
  3° beschikken over de medewerking van docenten, praktijkmonitoren, opleiders en omkaderingspersoneel die over de theoretische, praktische en pedagogische kennis beschikken alsook over een voldoende professionele ervaring met betrekking tot de leerstof die zij moeten onderwijzen of met betrekking tot de omkadering die zij moeten verzekeren en die aangeworven of aangewezen worden overeenkomstig de door Ons bepaalde normen en criteria;
  4° een schoolreglement vaststellen met naleving van [1 de reglementen bedoeld in]1 artikel IV.II.42;
  5° zich onderwerpen aan het toezicht van de minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst van de federale politie en daartoe aanvaarden dat, enerzijds, een afgevaardigde van de minister zitting houdt in de raad van bestuur en dat, anderzijds, een afgevaardigde van de minister toezicht houdt op de pedagogie in deze politieschool.
  ----------
  (1)<KB 2015-09-24/02, art. 42, 065; Inwerkingtreding : 01-10-2015. Zie ook art. 51>

  Art. 4.2.17. Het niet naleven van één van de in artikel IV.II.16 bepaalde erkenningsvoorwaarden kan de intrekking van de erkenning tot gevolg hebben.
  De minister kan, onverminderd artikel 98 van de wet, de erkenning intrekken na de inrichtende macht van de school te hebben gehoord. De beslissing tot intrekking kan evenwel geen uitwerking hebben vr het verstrijken van de lopende opleidingscycli.
  Indien een procedure met het oog op de intrekking van de erkenning van een politieschool wordt ingeleid, wordt dit zonder verwijl ter kennis gebracht aan de inrichtende macht van die school. Vanaf de datum van die kennisgeving kan geen opleidingscyclus worden gestart vooraleer de minister definitief uitspraak heeft gedaan over de ingeleide procedure.

  Art. 4.2.18. Een overeenkomstig de artikelen IV.II.14 tot en met IV.II.16 erkende politieschool vraagt voor elke opleidingscyclus die zij ofwel in uitvoering van het beheerscontract, ofwel op initiatief dan wel op verzoek van de minister of de minister van Justitie concreet organiseert, voorafgaandelijk de goedkeuring van het programma aan de minister alsook, voor wat de gerechtelijke opleidingen betreft, aan de minister van Justitie, overeenkomstig de door Ons vastgestelde bepalingen.

  Art. 4.2.19.De minister kan een politieschool erkennen voor de basisopleiding van het kader van [1 agenten van politie]1, per provincie en voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 33, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.2.20. De minister kan een politieschool erkennen voor de basisopleiding van het basiskader, per provincie en voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

  Art. 4.2.21. De minister kan een politieschool erkennen voor de basisopleiding van het middenkader, per provincie en voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  De scholen erkend om de basisopleiding van het middenkader te verstrekken, zijn van rechtswege erkend voor het verstrekken van de versnelde opleidingscyclus die voorafgaand aan de basisopleiding van het middenkader wordt gegeven aan de kandidaten die niet de hoedanigheid van personeelslid van het operationeel kader bezitten en die rechtstreeks voor dat kader worden aangeworven.

  Art. 4.2.22. De minister kan een politieschool erkennen voor de promotieopleiding voor toegang tot het basiskader en het middenkader, per provincie en voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

  Art. 4.2.23. De minister erkent één of meer politiescholen voor de functionele opleidingen van het basiskader, middenkader en officierskader.

  Art. 4.2.24. Onverminderd de artikelen IV.II.27 en IV.II.28 erkent de minister één of meer politiescholen voor de voortgezette opleiding van het hulpkader, basiskader, middenkader en het officierskader.

  Art. 4.2.25. De in de artikelen IV.II.19 tot en met IV.II.24 bedoelde erkende scholen hangen per provincie of voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, af van één enkele inrichtende macht.

  Art. 4.2.26. De minister bepaalt de voorwaarden waaraan andere instellingen dan de politiescholen moeten voldoen om een machtiging te verkrijgen om bepaalde functionele of voortgezette opleidingen ten voordele van de personeelsleden te verstrekken.

  AFDELING 2. - POLITIESCHOLEN INGERICHT DOOR DE MINISTER.

  Art. 4.2.27. Onverminderd artikel 98 van de wet, richt de minister één nationale school voor officieren op die, met uitsluiting van alle andere politiescholen, de basisopleiding voor officieren en de opleiding tot het directiebrevet verstrekt en die, bij voorkeur, eveneens de voortgezette opleidingen van het officierskader verstrekt.

  Art. 4.2.28. De minister kan in de federale politie één of meer politiescholen oprichten die instaan voor de basisopleiding van het basis- en/of middenkader of die gemachtigd zijn andere dan de in de artikelen IV.II.27 en IV.II.29 bedoelde opleidingscycli te verstrekken.
  De in het eerste lid bedoelde politieschool die de basisopleiding voor het basiskader verstrekt, staat tevens in voor de versnelde opleidingscyclus die voorafgaand aan de basisopleiding van het officierskader wordt gegeven aan de kandidaten die niet de hoedanigheid van personeelslid van het operationeel kader bezitten en die rechtstreeks voor dat kader worden aangeworven.

  AFDELING 3. - POLITIESCHOOL INGERICHT DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE.

  Art. 4.2.29. De minister van Justitie richt binnen de federale politie één nationale rechercheschool op die, met uitsluiting van alle andere politiescholen, de functionele gerechtelijke opleidingen verstrekt en die, bij voorkeur, eveneens de voortgezette gerechtelijke opleidingen verstrekt.

  AFDELING 4. - DE OPDRACHTEN VAN DE POLITIESCHOLEN.

  Art. 4.2.30. De politiescholen hebben tot opdracht het geheel of een deel van de opleidingscycli te verstrekken.
  De minimale opdrachten van elke erkende school worden omschreven in het beheerscontract bedoeld in artikel IV.II.32.
  Zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen vastgelegd in het beheerscontract bedoeld in artikel IV.II.32, kunnen de politiescholen bijkomende cycli van voortgezette en van functionele opleidingen verstrekken die beantwoorden aan specifieke behoeften van de personeelsleden.
  De minister of de minister van Justitie kan, onverminderd artikel 98 van de wet, de organisatie initiëren van cycli van voortgezette of van functionele opleidingen die beantwoorden aan specifieke behoeften van de personeelsleden.
  De kwaliteitsstandaarden, de omkaderingsnormen en de pedagogische normen waaraan moet worden voldaan voor de beoogde opleidingen worden bepaald door Ons.

  Art. 4.2.31. De politiescholen moeten bijdragen tot :
  1° het realiseren van een adequate, permanente en volledige behoeftenanalyse op alle niveaus;
  2° het formuleren van duidelijke en precieze doelstellingen;
  3° het toekennen van een centrale en actieve plaats aan de aspirant of cursist;
  4° het aanwenden van leermethodes die globaal gericht zijn naar het opdoen van ervaring en het werken in ploegverband;
  5° een verloop van de opleidingen met een voldoende permanente omkadering, met respect voor kwalitatieve normen die identiek zijn voor alle opleidingsentiteiten;
  6° de studie en de ontwikkeling van nieuwe onderwijs- en opleidingsinstrumenten of -methodes in het perspectief van het zoeken naar een permanente maximale afstemming tussen de opleiding en de behoeften van de politiediensten.

  AFDELING 5. - HET BEHEERSCONTRACT.

  Art. 4.2.32. De inrichtende macht van elke politieschool bedoeld in artikel IV.II.25, sluit jaarlijks een beheerscontract met de minister.
  Dit contract bepaalt onder meer :
  1° de opleidingscyclus of -cycli die georganiseerd moeten worden tijdens het referentiejaar alsook hun frequentie en het minimum aantal aspiranten of cursisten dat moet worden toegelaten;
  2° de nadere samenwerkingsregels tussen de diverse politiescholen alsook met de door de minister aangewezen dienst of diensten;
  3° de werkingsmiddelen die worden toegekend voor het uitvoeren van de taken, naar gelang van het geval, bij wijze van subsidie of inschrijving op het budget van de federale politie.
  Het geheel van de verplichtingen vastgelegd in het beheerscontract moet beantwoorden aan de bepalingen van deze titel.

  Art. 4.2.33. Het beheerscontract wordt voorbereid door de door de minister aangewezen dienst in samenspraak met de betrokken politieschool.

  Art. 4.2.34. Onverminderd artikel 98 van de wet, bepaalt de minister jaarlijks de door de in de artikelen IV.II.27 tot en met IV.II.29 bedoelde scholen na te leven verplichtingen met betrekking tot de in artikel IV.II.32, 1° en 2°, bedoelde aspecten alsmede de werkingsmiddelen die hen daarvoor worden toegekend.

  HOOFDSTUK IV. - DE OMKADERING TIJDENS DE OPLEIDING.

  AFDELING 1. - DE OMKADERING IN DE POLITIESCHOOL.

  Art. 4.2.35. De politiescholen beschikken over onderwijzend en omkaderingspersoneel, bestaande uit permanent personeel en uit personeel dat op een punctuele wijze samenwerkt. De docenten bezitten al dan niet de hoedanigheid van politieambtenaar.

  Art. 4.2.36. Er bestaat in elke politieschool een pedagogische cel die pedagogische steun verleent aan de aspiranten, cursisten, docenten en de opleiders en die waakt over de coherentie en de coördinatie, met naleving van de algemene en bijzondere doelstellingen vastgelegd voor de betrokken opleiding.

  Art. 4.2.37. In elke politieschool waar opleidingen worden verstrekt waarvan opleidingsstages deel uitmaken, bestaat er ten minste één stagecoördinator. Zijn hoofdopdracht bestaat erin na te gaan of de doelstellingen van de opleidingsstage daadwerkelijk worden gerealiseerd, alsook in het verlenen van een begeleiding in het raam van de stagerelaties tussen de mentor en de aspirant of cursist die een opleidingsstage volgt.
  De aanwijzing van de coördinatoren gebeurt met inachtneming van de door de minister bepaalde criteria.

  AFDELING 2. - DE OMKADERING IN DE POLITIEDIENSTEN.

  Art. 4.2.38. Tijdens hun opleidingsstage wordt de aspirant of cursist begeleid door een mentor.
  De mentor is belast met de omkadering, de begeleiding en de beoordeling van de aspirant of cursist volgens de door Ons vastgestelde regels.
  Hij staat de aspirant of de cursist bij in zijn praktische activiteiten en stimuleert een correct professioneel gedrag door de klemtoon te leggen op het in praktijk brengen van de verworven theoretische kennis.
  De rol van de mentor is complementair aan die van de opleiders. In het raam van het opvolgen van de aspirant of de cursist heeft de mentor regelmatig contact met de politieschool en in het bijzonder met de stagecoördinator.
  De minister bepaalt de geschiktheidscriteria waaraan een personeelslid moet voldoen om als mentor in het raam van de opleidingsstage te kunnen worden aangewezen.
  De minister bepaalt het maximum aantal aspiranten en cursisten dat een mentor mag begeleiden en dit in functie van de eigen aard van de dienst.

  Art. 4.2.39. De mentor wordt aangewezen onder de personeelsleden van het door de aspirant of de cursist beoogde kader.

  Art. 4.2.40. De verantwoordelijken van de lokale politiekorpsen of van de diensten van de federale politie zijn ertoe gehouden om aspiranten of cursisten te onthalen voor het uitvoeren van een opleidingsstage in hun korps of dienst naar rata van een jaarlijks aantal dat ten minste 5 % bedraagt van het beschikbare effectief.

  Art. 4.2.41. De minister bepaalt de voorwaarden waaraan de in artikel IV.II.40 bedoelde korpsen of diensten moeten voldoen om in staat te zijn hun verplichtingen inzake het onthaal van de aspiranten of cursisten tijdens de opleidingsstages te vervullen.
  Voor de cursisten die een functionele opleidingscyclus in het gerechtelijke domein volgen, is voor het vastleggen van de in het eerste lid bepaalde voorwaarden, het eensluidend advies van de minister van Justitie vereist.

  HOOFDSTUK V. - DE ORGANISATIE VAN DE OPLEIDINGEN.

  Art. 4.2.42.[1 De minister bepaalt, onverminderd artikel 98 van de wet, een algemeen studiereglement of, wat de basisopleiding van het basiskader betreft, een onderwijs- en examenreglement. Die reglementen, toepasselijk op de erkende en de in de artikelen IV.II.27 tot en met IV.II.29 bedoelde politiescholen, bepalen onder meer op uniforme wijze]1 :
  1° de nadere regelen inzake de inhoud en de organisatie van de opleidingen;
  2° de nadere regelen met betrekking tot de opleidingsstages [1 of, wat de basisopleiding van het basiskader betreft, het werkplekleren]1;
  3° de nadere regelen inzake de beoordeling, de examens en het slagen;
  4° de gevallen waarin aan de aspirant of cursist een uitstel kan worden toegekend;
  5° de maatregelen te nemen bij afwijzing.
  ----------
  (1)<KB 2015-09-24/02, art. 43, 065; Inwerkingtreding : 01-10-2015. Zie ook art. 51>

  Art. 4.2.43. Om toegelaten te worden tot de stage bedoeld in deel V moet de kandidaat in het bezit zijn van een rijbewijs geldig voor de voertuigen van categorie B zonder beperkingen noch voorwaarden.

  Art. 4.2.44. De minister of de directeur-generaal door hem aangewezen beslist over :
  1° (...) <KB 2001-11-20/32, art. 76, 002; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  2° (...) <KB 2001-11-20/32, art. 76, 002; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  3° het overdoen van de basisopleiding of een deel ervan, overeenkomstig de nadere regels vervat in het algemeen studiereglement;
  4° de definitieve afwijzing tijdens of op het einde van de basisopleiding, overeenkomstig de nadere regels vervat in het algemeen studiereglement.

  Art. 4.2.45. De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst homologeert binnen de drie maanden na hun uitreiking de brevetten en de diploma's uitgereikt door de erkende politiescholen.

  HOOFDSTUK VI. - DE TOELATING TOT DE BASISOPLEIDING EN DE AANSTELLING IN DE GRAAD.

  Art. 4.2.46.Zo daar, ingevolge het tijdsverloop tussen de opname in de wervingsreserve en de [1 aanvang van]1 de basisopleiding, aanwijzingen toe zijn, kan de aanwervende overheid of de commissaris-generaal, naar gelang van het geval, de betrokken selectiecommissie om een bijkomend onderzoek verzoeken met betrekking tot de in artikel IV.I.15, eerste lid, 2° en 3° bepaalde vereisten [1 alsmede om een bijkomend onderzoek van de omgeving en de antecedenten]1.
  In dat geval zijn de artikelen IV.I.15 [1 tot en met IV.I.23]1 van toepassing.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 34, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.2.47.De tot de basisopleiding toegelaten personen worden op de dag van die toelating van rechtswege aangesteld in de graad van, respectievelijk, aspirant-hulpagent van politie, aspirant-inspecteur van politie, aspirant-hoofdinspecteur van politie en aspirant-commissaris van politie.
  De aspirant-hulpagent van politie maakt tijdens zijn basisopleiding deel uit van de politiedienst voor dewelke hij werd aangeworven.
  [1 De aspirant-inspecteur van politie aangeworven bij toepassing van artikel VI.II.15, § 3, maakt tijdens zijn basisopleiding deel uit van de politiedienst voor dewelke hij werd aangeworven.
   De aspirant-hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie of met specialiteit politie-assistent maakt tijdens zijn basisopleiding deel uit van de politiedienst voor dewelke hij werd aangeworven.]1
  [1 De aspiranten die een basisopleiding volgen in het raam van de bevorderingsprocedure door overgang naar een hoger kader blijven tijdens die basisopleiding deel uitmaken van het operationeel kader van de politiedienst waartoe zij voor hun toelating tot de basisopleiding behoorden.]1
  [1 De andere aspiranten]1 maken deel uit van het operationeel kader van de federale politie.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 35, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 4.2.48. De in artikel IV.II.44, 4°, bedoelde definitieve afwijzing brengt van rechtswege de intrekking van iedere aanstelling in een graad mee.

  HOOFDSTUK VII. - DE FINANCIERING VAN DE OPLEIDINGEN.

  Art. 4.2.49. Binnen de perken van de begrotingskredieten en volgens de voorwaarden en de nadere regels door Ons bepaald, wordt aan de erkende politiescholen een financiële tussenkomst toegekend.

  Art. 4.2.50. De bedragen van de financiële tussenkomst worden, in functie van het type opleiding en haar modaliteiten, op een identieke wijze berekend voor alle erkende politiescholen.

  Titel III. - De gecertificeerde opleiding <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 8, Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 4.3.1. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 8, Inwerkingtreding : 01-01-2007> Het personeelslid van het administratief en logistiek kader, dat niet bezoldigd wordt in de laatste loonschaal van een loonschalengroep of van een klasse, heeft het recht om een gecertificeerde opleiding te volgen, indien het ten minste één jaar niveauanciënniteit bezit.
  De anciënniteitsvoorwaarde moet vervuld zijn op de datum van inschrijving voor de gecertificeerde opleiding.
  Het personeelslid dat wordt bevorderd in een hoger niveau of in een hogere klasse, kan zich onmiddellijk inschrijven om deel te nemen aan een gecertificeerde opleiding die overeenstemt met het nieuwe niveau of de nieuwe klasse.

  Art. 4.3.2. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 8, Inwerkingtreding : 01-01-2007> Het personeelslid dat een gecertificeerde opleiding waarvoor het zich had ingeschreven, niet met vrucht heeft gevolgd, kan zich ten vroegste 365 dagen na de vorige inschrijving opnieuw inschrijven.

  Art. 4.3.3. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 8, Inwerkingtreding : 01-01-2007> Het personeelslid kan zich ten vroegste twee jaar na de laatste inschrijving voor een met vrucht gevolgde gecertificeerde opleiding, inschrijven voor een nieuwe gecertificeerde opleiding.

  Art. 4.3.4. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 8, Inwerkingtreding : 01-01-2007> De functionele meerdere bepaalt, na overleg met het personeelslid en op basis van vooraf erkende en voor het personeelslid relevante gecertificeerde opleidingen, voor welke gecertificeerde opleiding het personeelslid zich mag inschrijven.
  De concrete meerwaarde voor het door het personeelslid uitgeoefende ambt is daarbij het belangrijkste criterium.
  Indien het personeelslid zich niet akkoord verklaart met de keuze van de functionele meerdere, kan het daaromtrent een bezwaarschrift richten aan zijn eindverantwoordelijke voor de evaluatie, die de definitieve beslissing ter zake neemt. De datum van dit bezwaarschrift wordt beschouwd als inschrijvingsdatum voor de gecertificeerde opleiding.

  Art. 4.3.5. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 8, Inwerkingtreding : 01-01-2007> Het personeelslid dat een loonschaal van de maximumloonschalengroep geniet of behoort tot niveau A en dat een competentieontwikkelingstoelage ontvangt, kan zich ten vroegste 12 maanden voor het bereiken van de zes jaar loonschaalanciënniteit opnieuw inschrijven om deel te nemen aan een gecertificeerde opleiding.

  Art. 4.3.6. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 8, Inwerkingtreding : 01-01-2007> Het personeelslid dat rechtsgeldig is ingeschreven voor een gecertificeerde opleiding en dat wegens een arbeidsongeval, een beroepsziekte, het bevallingsverlof bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, het opvangverlof voor adoptie bedoeld in artikel 36 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen of in geval van overmacht, verhinderd is om deel te nemen aan deze opleiding, kan met behoud van de initiële inschrijvingsdatum deelnemen aan die opleiding zodra die wordt georganiseerd na het einde van de verhindering.

  Art. 4.3.7. <ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 8, Inwerkingtreding : 01-01-2007> De gecertificeerde opleidingen worden als dusdanig erkend door de minister of de daartoe door hem gedelegeerde directeur van de opleiding.
  In bijzondere gevallen kan de minister de in het raam van een specifieke hoedanigheid gevolgde opleidingen, gelijkstellen met gecertificeerde opleidingen.

  DEEL V. - DE STAGE EN DE BENOEMING.

  TITEL I. - ALGEMENE BEPALING.

  Art. 5.1.1. Onverminderd artikel 59 van de wet wat de personeelsleden van de lokale politie betreft, leggen de personeelsleden de eed af in handen van de commissaris-generaal of van de door hem aangewezen directeur-generaal of directeur.
  Deze eed wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eed.

  TITEL II. - DE STAGE EN DE BENOEMING.

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.

  Art. 5.2.1. Deze titel is enkel van toepassing op de personeelsleden van het operationeel kader.

  HOOFDSTUK II. - DE BENOEMING.

  Art. 5.2.2.§ 1. [1 Het personeelslid van het operationeel kader dat geslaagd is in de betrokken basisopleiding wordt benoemd in de graad waarin het als aspirant was aangesteld.]1
  Voor de toepassing van deze titel wordt eveneens onder benoeming begrepen, het verwerven van de graad waarin een contractueel personeelslid van het operationeel kader als aspirant was aangesteld.
  § 2. [1 De in § 1 bedoelde benoeming vindt, in voorkomend geval, ten vroegste plaats op de door de directeur van de directie van de mobiliteit en het personeelsbeheer bepaalde datum.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 3, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Art. 5.2.3.De benoeming gebeurt door de benoemende overheid in een gemeente of meergemeentezone indien het personeelslid van het operationeel kader op de datum van zijn benoeming, overeenkomstig de regels inzake de inplaatsstelling bij mobiliteit bedoeld in deel VI, titel II, een betrekking bij mobiliteit heeft verkregen in een korps van de lokale politie [2 , indien het personeelslid bij toepassing van artikel VI.II.4bis een betrekking heeft verkregen in een korps van de lokale politie, indien het personeelslid overeenkomstig artikel VI.II.4quater ambtshalve werd aangewezen voor een betrekking in een korps van de lokale politie]2 [1 , indien het personeelslid bij toepassing van artikel VI.II.15, § 3, werd aangeworven of indien het personeelslid een agent van politie of een hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie of met specialiteit politie-assistent betreft die voor een korps van de lokale politie werd aangeworven]1. In het andere geval benoemt de benoemende overheid voor de personeelsleden van de federale politie het personeelslid van het operationeel kader.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 36, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>
  (2)<KB 2013-04-14/24, art. 4, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  HOOFDSTUK III. [1 - De Stage.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  AFDELING 1. [1 - Algemene bepalingen.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.3bis. [1 Dit hoofdstuk is enkel van toepassing op de personeelsleden van het basiskader.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.4.[1 De stage beoogt de evaluatie van de stagiair die in een situatie wordt geplaatst waarin hij een betrekking bekleedt die in overeenstemming is met zijn graad.
   De minister stelt de nadere regels van de stage vast. De stage omvat opleidingsactiviteiten die uit een verplicht en, in voorkomend geval, een vrij gedeelte kunnen bestaan, zonder dat deze opleidingsactiviteiten samen meer dan één vierde van de stageduur in beslag mogen nemen.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.5.[1 De korpschef, de commissaris-generaal of de betrokken directeur-generaal stelt, met inachtneming van de in artikel V.II.4, tweede lid, bedoelde nadere regels, de opleidingsactiviteiten vast waaraan de stagiair moet deelnemen.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.6.[1 De stage verloopt onder de leiding van de officier, de hoofdinspecteur of het lid van het administratief en logistiek kader van niveau A, aangewezen door de korpschef, de commissaris-generaal of de betrokken directeur-generaal, hierna "stageleider" genoemd.
   De stageleider ziet er op toe dat de stagiair deelneemt aan de met toepassing van artikel V.II.5 bepaalde opleidingsactiviteiten.
   De minister bepaalt de geschiktheidscriteria waaraan de officier, de hoofdinspecteur of het lid van het administratief en logistiek kader van niveau A moet voldoen om als stageleider te worden aangewezen.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.6bis. [1 Elke stagiair wordt begeleid door een of meerdere politieambtenaren van zijn korps wat de lokale politie betreft of van het commissariaat-generaal of de algemene directie waarvan hij afhangt wat de federale politie betreft, hierna "mentor" genoemd.
   De minister bepaalt de geschiktheidscriteria waaraan een politieambtenaar moet voldoen om als mentor te worden aangewezen. De mentor heeft ten minste dezelfde graad als de stagiair, is niet de stageleider en wordt aangewezen door de korpschef, de commissaris-generaal of de betrokken directeur-generaal onder de personeelsleden van het operationeel kader die voldoen aan deze geschiktheidscriteria.
   De minister bepaalt het maximum aantal stagiairs dat de mentor(en) mag (mogen) begeleiden en dit in functie van de eigen aard van de dienst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  AFDELING 2. [1 - De aanvang van de stage.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.7.[1 De stage vangt aan op de dag van de benoeming bedoeld in artikel V.II.2, § 1. Het personeelslid van het basiskader verkrijgt van rechtswege de hoedanigheid van stagiair op de benoemingsdatum.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  AFDELING 3. [1 - De duur van de stage.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.8.[1 De duur van de stage bedraagt zes maanden. Zij kan ten hoogste met de helft van de duur worden verlengd in de gevallen bedoeld in de artikelen V.II.14, eerste lid, 2° en V.II.15, zevende lid.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.9.[1 Om de duur van de verrichte stage te berekenen worden alle perioden waarin de stagiair in dienstactiviteit is, in aanmerking genomen, met uitzondering van de periode tussen het voorstel bedoeld in artikel V.II.14, eerste lid, 3°, en het advies bedoeld in artikel V.II.15, derde lid, 3°, of de beslissingen bedoeld in artikel V.II.15, zesde en zevende lid.
   De afwezigheden die zich voordoen nadat de stagiair gedurende vijftien werkdagen in één of verschillende malen afwezig is geweest, hebben de schorsing van de stage tot gevolg zelfs indien hij gedurende deze afwezigheden in dienstactiviteit is. Voor de toepassing van deze bepaling dient als werkdag te worden begrepen, de werkdag in de zin van artikel VIII.I.1, 2°.
   Noch het jaarlijks vakantieverlof, noch de verloven bedoeld in de artikelen VIII.IV.1 en VIII.IV.7 komen voor de berekening van deze afwezigheidsdagen in aanmerking.
   In geval van schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair en zijn administratieve toestand wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen die op hem van toepassing zijn.
   De stage wordt van rechtswege verlengd met de tijdsspanne gedurende dewelke de stage met toepassing van het tweede lid is geschorst.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  AFDELING 4. [1 - De evaluatie van de stagiair.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.10.[1 Aan het begin van de stage zendt de directeur van de betrokken politieschool aan de stageleider een samenvattend evaluatieverslag aangaande de gehele opleiding van de stagiair dat, in voorkomend geval, verschillende punten bevat waaraan bijzondere aandacht moet worden besteed gedurende de stage.
   Aan het begin van de stage bespreekt de mentor dit evaluatieverslag met de stagiair die, binnen de 7 dagen na dit gesprek, het verslag viseert en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.11.[1 Ten laatste op het einde van de derde maand van de stage, wordt door de mentor(en), na de stagiair te hebben gehoord, een verslag over de wijze van functioneren opgesteld volgens het model vastgesteld door de minister of de door hem aangewezen directeur.
   Ieder verslag over de wijze van functioneren wordt onverwijld ter kennisgeving aan de stagiair voorgelegd die, binnen de 7 dagen na de kennisgeving ervan, het verslag viseert en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt.
   Ieder verslag over de wijze van functioneren wordt door de betrokken mentor ter kennisgeving toegestuurd aan de stageleider.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.12.[1 Binnen de 30 dagen na het einde van de stage wordt er, door de mentor(en) en de stageleider, na de stagiair te hebben gehoord, een samenvattend stageverslag opgesteld, volgens het model vastgesteld door de minister of de door hem aangewezen directeur.
   Dit stageverslag wordt onverwijld ter kennisgeving aan de stagiair voorgelegd die het, binnen de 7 dagen na de kennisgeving ervan, viseert en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.13.[1 Na het verstrijken van de in artikel V.II.12, tweede lid, bedoelde termijn bezorgt de stageleider de verslagen over de wijze van functioneren, het samenvattend stageverslag en de eventuele opmerkingen terzake door de stagiair aan de korpschef, de commissaris-generaal of de betrokken directeur-generaal.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  AFDELING 5. [1 - De beroepsgeschiktheid van de stagiair.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.14.[1 Op basis van de verslagen bedoeld in artikel V.II.11, het samenvattend stageverslag en de eventuele opmerkingen terzake door de stagiair, beslist de korpschef, de commissaris-generaal of de betrokken directeur-generaal, na de nodige informatie te hebben ingewonnen inzonderheid bij de betrokken dienstchefs :
   1° of de stagiair met goed gevolg de stage heeft volbracht;
   2° of de stage, binnen de perken van artikel V.II.8, wordt verlengd;
   3° om voor te stellen, naar gelang van het geval, de stagiair te ontslaan wegens beroepsongeschiktheid of, indien het een personeelslid van het operationeel kader betreft dat bevorderd werd door overgang naar een hoger kader, wegens beroepsongeschiktheid te herplaatsen in zijn oorspronkelijk kader.
   De korpschef brengt de burgemeester of het politiecollege op de hoogte van de in het eerste lid bedoelde beslissing. De commissaris-generaal of de betrokken directeur-generaal brengt de benoemende overheid ervan op de hoogte.
   Alvorens de in het eerste lid, 2°, bedoelde beslissing te nemen, hoort de korpschef, de commissaris-generaal, de betrokken directeur-generaal of hun afgevaardigde, de stagiair, op diens verzoek, die zich naar keuze kan laten bijstaan of vertegenwoordigen tegelijk door een advocaat, een personeelslid en een lid van een erkende vakorganisatie.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.15.[1 Binnen de zeven dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het in artikel V.II.14, eerste lid, 3°, bedoelde voorstel, meldt de stagiair zijn beslissing om het voorstel al dan niet te aanvaarden aan de korpschef, de commissaris-generaal of de betrokken directeur-generaal.
   Indien de stagiair het in artikel V.II.14, eerste lid, 3°, bedoelde voorstel niet aanvaardt, verzoekt de korpschef, de commissaris-generaal of de betrokken directeur-generaal om het advies van de in de artikelen IV.I.20 tot en met IV.I.22 bedoelde paritaire commissie die binnen de 30 dagen een advies verstrekt overeenkomstig de procedure omschreven in artikel IV.I.20, vierde en vijfde lid. De paritaire commissie hoort de stagiair, die zich kan laten bijstaan of vertegenwoordigen overeenkomstig artikel V.II.14, derde lid, en de korpschef, de commissaris-generaal, de betrokken directeur-generaal of hun afgevaardigde.
   In haar advies kan de paritaire commissie ofwel :
   1° het voorstel bedoeld in artikel V.II.14, eerste lid, 3°, bevestigen;
   2° voorstellen om de stage, als die nog niet werd verlengd overeenkomstig artikel V.II.14, eerste lid, 2°, of artikel V.II.15, zevende lid, te verlengen binnen de perken van artikel V.II.8;
   3° het voorstel bedoeld in artikel V.II.14, eerste lid, 3°, niet bevestigen.
   Voor de stagiairs van de lokale politie zendt de paritaire commisie haar advies aan de korpschef die het bezorgt aan de burgemeester of het politiecollege.
   Voor de stagiairs van de federale politie zendt de paritaire commisie haar advies aan de commissaris-generaal of de betrokken directeur-generaal die het bezorgt aan de benoemende overheid.
   Indien de stagiair het in artikel V.II.14, eerste lid, 3°, bedoelde voorstel aanvaardt of indien de paritaire commissie het advies bedoeld in het derde lid, 1°, verstrekt, beslist de burgemeester of het politiecollege voor de stagiairs van de lokale politie of de benoemende overheid voor de stagiairs van de federale politie over het ontslag of de herplaatsing wegens beroepsongeschiktheid.
   Indien de paritaire commissie het advies bedoeld in het derde lid, 2°, verstrekt, beslist de burgemeester of het politiecollege voor de stagiairs van de lokale politie of de benoemende overheid voor de stagiairs van de federale politie dat de stage, binnen de perken van artikel V.II.8, wordt verlengd of dat de stagiair met goed gevolg de stage heeft volbracht.
   Indien de paritaire commissie het advies bedoeld in het derde lid, 3°, verstrekt, heeft de stagiair de stage met goed gevolg volbracht.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.16.[1 De stagiair die wegens beroepsongeschiktheid wordt herplaatst, wordt, met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de beslissing bedoeld in artikel V.II.15, zesde lid, door de benoemde overheid benoemd in zijn oorspronkelijk kader en in zijn vroegere graad in het politiekorps waarvan hij als stagiair deel uitmaakte of, mits het akkoord van de commissaris-generaal of, naar gelang van het geval, de betrokken korpschef, in het politiekorps waarvan hij als aspirant deel uitmaakte.
   Het met toepassing van het eerste lid benoemde personeelslid herneemt van rechtswege zijn kader-, graad- en loonschaalanciënniteit in zijn kader van oorsprong en in zijn vroegere graad, alsof het nooit overeenkomstig artikel V.II.2 zou zijn benoemd in de graad waarin het als aspirant was aangesteld.
   De in artikel VI.II.86 bedoelde overheid wijst het aldus benoemde personeelslid aan voor een betrekking overeenkomstig de regels van de herplaatsing bedoeld in de artikelen VI.II.85 tot en met VI.II.91.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.17.[1 De stage neemt van rechtswege een einde, hetzij op de dag waarop beslist wordt dat de stagiair met goed gevolg de stage heeft volbracht, hetzij op de dag waarop beslist wordt de stagiair wegens beroepsongeschiktheid te ontslaan of te herplaatsen, hetzij op de dag waarop het advies bedoeld in artikel V.II.15, derde lid, 3°, wordt verstrekt.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.18.[1 Voor zover hij op het ogenblik van zijn verzoek aan de in artikel 12, eerste lid, 3°, van de wet van 26 april 2002, bedoelde voorwaarde voldoet, kan de stagiair-inspecteur die ontslaan werd wegens beroepsongeschiktheid, bij de directeur-generaal van de ondersteuning en het beheer een verzoek indienen om opgenomen te worden in de wervingsreserve van het kader van agenten van politie bedoeld in artikel IV.I.30, § 1, eerste lid.
   De persoon die overeenkomstig het eerste lid in de wervingsreserve van het kader van agenten van politie is opgenomen en die wordt gerekruteerd gedurende de geldigheidsperiode van die reserve, is vrijgesteld van de basisopleiding van het kader van agenten van politie.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  AFDELING 6. [1 - Het stagedossier.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.19.[1 Het stagedossier bevat ten minste :
   1° een inventaris van de stukken;
   1bis° het samenvattend evaluatieverslag bedoeld in artikel V.II.10, eerste lid;
   2° de verslagen over de wijze van functioneren bedoeld in artikel V.II.11;
   3° het samenvattend stageverslag bedoeld in artikel V.II.12, eerste lid;
   4° in voorkomend geval, de opmerkingen van de stagiair bij de in 1bis°, 2° en 3° bedoelde verslagen;
   5° de beslissing van de korpschef, de commissaris-generaal of de betrokken directeur-generaal bedoeld in artikel V.II.14, eerste lid, en, in voorkomend geval, het advies bedoeld in artikel V.II.15, derde lid, en de beslissing bedoeld in artikel V.II.15, zesde of zevende lid, alsmede alle stavingsstukken.
   De minister bepaalt de overige stukken die in het stagedossier worden opgenomen.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 5.2.20.[1 De minister kan nadere regels inzake inzonderheid de inhoud, de wijze van presentatie en het bijhouden van het stagedossier bepalen.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  TITEL III. - DE INDIENSTNEMING, DE BENOEMING EN DE STAGE VAN HET PERSONEELSLID VAN HET ADMINISTRATIEF EN LOGISTIEK KADER.

  HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALING.

  Art. 5.3.1. Deze titel is enkel van toepassing op de personeelsleden van het administratief en logistiek kader evenals op de kandidaten die geschikt zijn bevonden overeenkomstig artikel IV.I.57.

  HOOFDSTUK II. - DE INDIENSTNEMING EN DE BENOEMING.

  Art. 5.3.2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt eveneens onder benoeming begrepen, de indienstneming van een contractueel personeelslid van het administratief en logistiek kader.

  Art. 5.3.3. De geschikte kandidaat die in aanmerking komt voor benoeming bij verschillende benoemende overheden, mag zijn voorkeur voor een bepaalde betrekking laten kennen. De kandidaat die meer dan twee maal een hem voorgestelde benoeming weigert, wordt van de wervingsreserve geschrapt.

  Art. 5.3.4.[1 De benoeming gebeurt door de benoemende overheid in een gemeente of meergemeentenzone of door de benoemende overheid voor de personeelsleden van de federale politie indien het personeelslid overeenkomstig de regels inzake de inplaatsstelling bij mobiliteit bedoeld in deel VI, titel II, of overeenkomstig de regels inzake de externe aanwerving bedoeld in artikel IV.I.34 een betrekking heeft verkregen in respectievelijk een korps van de lokale politie of de federale politie.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 37, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 5.3.5.[1 De kandidaten worden aan de door de benoemende overheid georganiseerde selectieproeven onderworpen met inachtneming van de door de directie van de rekrutering en van de selectie uitgebrachte rangorde.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 38, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 5.3.6.De benoemende overheid vergelijkt de respectieve aanspraken en verdiensten van de verschillende kandidaten, alsook, in voorkomend geval, [1 de resultaten van de in artikel V.III.5 bedoelde selectieproeven]1 en de in artikel V.III.3 bedoelde voorkeuren, waarna zij de voor de vacante betrekking meest geschikte kandidaat benoemt.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 39, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 5.3.7. De benoemende overheid maakt de benoemingsbeslissing bekend aan de personeelsleden.
  De minister bepaalt de nadere regels van deze bekendmaking.

  Art. 5.3.8. Het benoemde personeelslid wordt uiterlijk binnen een maand na de benoeming uitgenodigd om in dienst te treden.
  Wanneer het personeelslid een opzeggingsperiode moet volbrengen in toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, wordt de in het vorige lid vastgestelde termijn verlengd tot op de dag die volgt op de datum waarop de opzegging verstrijkt.
  Het benoemde personeelslid dat weigert in dienst te treden, wordt niet langer in aanmerking genomen en wordt, in voorkomend geval, van de wervingsreserve geschrapt.

  HOOFDSTUK III. - DE STAGE.

  AFDELING 1. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 5.3.9. De stage beoogt de evaluatie van de stagiair die in een situatie wordt geplaatst waarin hij een betrekking bekleedt die in overeenstemming is met het ambt waarvoor hij heeft gesolliciteerd.
  De minister legt de algemene regels van de stage vast. Deze kunnen verschillen naargelang van het niveau waarin de stage wordt gevolgd. De stage kan opleidingsactiviteiten omvatten die uit een verplicht en, in voorkomend geval, een vrij gedeelte kunnen bestaan, zonder dat deze opleidingsactiviteiten samen meer dan één vierde van de stageduur in beslag mogen nemen.

  Art. 5.3.10. De korpschef, de commissaris-generaal of de door deze laatste aangewezen directeur-generaal stelt, met inachtneming van de in artikel V.III.9, tweede lid, bedoelde algemene beginselen, de opleidingsactiviteiten vast waaraan de stagiair moet deelnemen.

  Art. 5.3.11. De stage verloopt onder de leiding van de door de korpschef of de commissaris-generaal aangewezen officier of personeelslid van het niveau A, hierna " stageleider " genoemd.
  De stageleider ziet er op toe dat de stagiair deelneemt aan de met toepassing van artikel V.III.10 bepaalde opleidingsactiviteiten.
  De minister bepaalt de geschiktheidcriteria waaraan de officier of het personeelslid van niveau A moet voldoen om als stageleider te worden aangewezen.

  AFDELING 2. - DE TOELATING TOT DE STAGE.

  Art. 5.3.12. Verkrijgt van rechtswege de hoedanigheid van stagiair, het niet-contractuele personeelslid dat de betrekking opneemt :
  1° na te zijn aangeworven bij toepassing van de bepalingen van deel IV, titel I, hoofdstuk II;
  2° of na te zijn aangewezen bij mobiliteit in het raam van de in artikel VII.IV.7 bedoelde bevordering naar een hoger niveau.

  AFDELING 3. - DE DUUR VAN DE STAGE.

  Art. 5.3.13.[1 De duur van de stage bedraagt :
   1° zes maanden voor de stagiairs van de niveaus D en C;
   2° twaalf maanden voor de stagiairs van de niveaus B en A.]1
  Zij kan ten hoogste met de helft van de duur worden verlengd in het bij [1 artikel V.III.19, eerste lid, 1°]1, bepaalde geval.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 41, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 5.3.14. § 1. Om de duur van de verrichte stage te berekenen, worden alle perioden waarin de stagiair in dienstactiviteit is, in aanmerking genomen.
  Worden evenwel niet in aanmerking genomen, de afwezigheden die zich voordoen nadat de stagiair reeds vijftien werkdagen in één of verschillende malen afwezig is geweest, zelfs indien hij gedurende deze afwezigheden in dienstactiviteit is. Voor de toepassing van deze bepaling dient als werkdag te worden begrepen, de werkdag in de zin van artikel VIII.I.1, 2°.
  Noch het jaarlijks vakantieverlof, noch de verloven bedoeld in de artikelen VIII.IV.1 en VIII.IV.7 komen voor de berekening van deze dagen afwezigheid in aanmerking.
  § 2. Behoudens in de in § 1, derde lid, opgesomde gevallen, hebben de afwezigheden die zich voordoen nadat de stagiair gedurende vijftien werkdagen in één of verschillende malen afwezig is geweest, schorsing van de stage tot gevolg.
  In geval van schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair en zijn administratieve toestand wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen die op hem van toepassing zijn.
  De stage wordt van rechtswege verlengd met de tijdsspanne gedurende dewelke de stage met toepassing van het eerste lid is geschorst.

  AFDELING 4. - DE EVALUATIE VAN DE STAGIAIR.

  Art. 5.3.15. Elke stagiair wordt begeleid door een personeelslid van zijn korps wat de lokale politie betreft of van de algemene directie waarvan hij afhangt wat de federale politie betreft, hierna " mentor " genoemd. In de mate van het mogelijke behoort dit personeelslid tot het administratief en logistiek kader.
  De minister bepaalt de geschiktheidscriteria waaraan het personeelslid moet voldoen om als mentor te worden aangewezen. De mentor is niet de stageleider en wordt aangewezen door de commissaris-generaal of de korpschef onder de personeelsleden die voldoen aan deze geschiktheidscriteria.
  De minister bepaalt het maximum aantal stagiairs dat een mentor mag begeleiden en dit in functie van de eigen aard van de dienst.

  Art. 5.3.16.
  <Opgeheven bij KB 2009-06-07/13, art. 42, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 5.3.17.
  <Opgeheven bij KB 2009-06-07/13, art. 42, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 5.3.18.
  <Opgeheven bij KB 2009-06-07/13, art. 42, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  AFDELING 5. - DE BEROEPSGESCHIKTHEID VAN DE STAGIAIR.

  Art. 5.3.19.[1 In de loop van de stage kan de stageleider, op basis van een gemotiveerd, door de mentor opgesteld evaluatieverslag en na de stagiair daaromtrent te hebben gehoord, naar gelang van het geval, beslissen :
   1° dat de stage, binnen de perken van artikel V.III.13, tweede lid, wordt verlengd;
   2° om, aan de burgemeester of het politiecollege voor de stagiairs van de lokale politie of aan de benoemende overheid voor de stagiairs van de federale politie een gemotiveerd voorstel voor te leggen dat er toe strekt, naar gelang van het geval, de stagiair te ontslaan wegens beroepsongeschiktheid of, indien het een personeelslid betreft dat bevorderd werd door verhoging van niveau, te herplaatsen in zijn oorspronkelijk niveau wegens beroepsongeschiktheid.]1
  [1 lid 2 opgeheven]1
  [1 De stagiair die wordt gehoord, kan zich naar eigen keuze laten bijstaan door een advocaat, een lid van een erkende vakorganisatie of een personeelslid.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 43, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 5.3.20.[1 Na ontvangst van het in artikel V.III.19, eerste lid, 2°, bedoelde voorstel, beslist de burgemeester of het politiecollege voor de stagiairs van de lokale politie of de benoemende overheid voor de stagiairs van de federale politie over het voorstel tot ontslag of tot herplaatsing wegens beroepsongeschiktheid.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 44, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 5.3.21. De stagiair die wegens beroepsongeschiktheid wordt ontslagen, geniet een opzeggingstermijn van drie maanden. Ten laatste op de datum van de beslissing tot ontslag, wordt met de stagiair een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur van drie maanden gesloten die overeenstemt met deze opzeggingstermijn.

  Art. 5.3.22. De stagiair die wegens beroepsongeschiktheid wordt herplaatst, wordt met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de beslissing tot herplaatsing wegens beroepsongeschiktheid door de benoemende overheid herbenoemd in het politiekorps waarvan hij deel uitmaakte, in zijn oorspronkelijk niveau en in zijn vroegere graad.
  Het met toepassing van het eerste lid benoemde personeelslid herneemt van rechtswege zijn niveau-, graad- en loonschaalanciënniteit in zijn niveau van oorsprong en in zijn vroegere graad, alsof het nooit overeenkomstig artikel V.III.4 zou zijn benoemd in de hogere graad.
  De in artikel VI.II.86 bedoelde overheid wijst het aldus herbenoemde personeelslid een betrekking aan overeenkomstig de regels van herplaatsing bedoeld in de artikelen VI.II.85 tot en met VI.II.91.

  Art. 5.3.23.[1 De stage neemt van rechtswege een einde, hetzij door het verstrijken van de in artikel V.III.13 bedoelde termijn, eventueel verlengd overeenkomstig artikel V.III.19, eerste lid, 1°, hetzij op de dag waarop beslist wordt de stagiair wegens beroepsongeschiktheid te ontslaan of te herplaatsen wegens beroepsongeschiktheid.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 45, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  AFDELING 6. - HET STAGEDOSSIER.

  Art. 5.3.24.[1 Het stagedossier bevat ten minste :
   1° een inventaris van de stukken;
   2° in voorkomend geval, het evaluatieverslag bedoeld in artikel V.III.19, eerste lid;
   3° in voorkomend geval, de opmerkingen van de stagiair bij het in 2° bedoelde verslag;
   4° in voorkomend geval, de beslissing van de stageleider bedoeld in artikel V.III.19 en, in voorkomend geval, de beslissing bedoeld in artikel V.III.20 alsmede alle stavingsstukken.]1
  De minister bepaalt de overige stukken die in het stagedossier worden opgenomen.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 46, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 5.3.25. De minister kan nadere regels inzake inzonderheid de inhoud, de wijze van presentatie en het bijhouden van het stagedossier bepalen.

  DEEL VI. - HET DOELTREFFEND INZETTEN VAN HET PERSONEEL.

  TITEL I. - DE ORGANISATIE VAN DE ARBEIDSTIJD.

  HOOFDSTUK I. - BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN TOEPASSINGSGEBIED.

  Art. 6.1.1. Voor de toepassing van deze titel moet worden verstaan onder :
  1° de bevoegde overheid :
  a) wat de lokale politie betreft, de korpschef of de door hem aangewezen overheid;
  b) wat de federale politie betreft, de commissaris-generaal, de directeurs-generaal of de door hen aangewezen overheid;
  2° de prestatienorm : het aantal werkdagen van een periode, " referentieperiode " genoemd, vermenigvuldigd met 7 uur en 36 minuten, waarbij voor de toepassing van dit begrip een werkdag elke dag is (met uitsluiting van de zaterdagen en zondagen); <KB 2003-10-24/35, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-03-2002>
  3° de arbeidsduur : de tijd gedurende dewelke het personeelslid dienstprestaties levert;
  4° het weekend : de periode beginnend op zaterdag 00.00 uur en eindigend op zondag 24.00 uur.

  Art. 6.1.2. Deze titel is ook van toepassing op de militairen bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten.

  HOOFDSTUK II. - DE REFERENTIEPERIODE EN DE ORGANISATIE VAN DE DIENST.

  Art. 6.1.3.§ 1. De referentieperiode bedraagt principieel twee maanden.
  De begin- en einddatum van de referentieperiode wordt bepaald door de minister.
  Tijdens deze referentieperiode moet de dienst zodanig worden georganiseerd dat de prestatienorm principieel niet wordt overschreden.
  § 2. In afwijking van § 1 en opvoorstel van, naar gelang van het geval, de burgemeester, het politiecollege of de commissaris-generaal, kan de minister in uitzonderlijke omstandigheden voor één of meer diensten van een politiekorps de referentieperiode uitbreiden tot maximum vier maanden daar waar de prestatienorm niet kan worden gehaald op twee maanden.
  (lid 2 opgeheven) <KB 2005-08-31/50, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (§ 3. In afwijking van § 1, kan de referentieperiode, na overleg in het betrokken overlegcomité, op één maand worden vastgesteld.) <KB 2003-10-24/35, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-03-2002>
  (§ 4. In het geval dat de prestatienorm niet wordt bereikt, wordt, voor zover dit niet te wijten is aan de door de overheid opgelegde dienstorganisatie bedoeld in § 1, derde lid, een tekort van maximum tien uren naar de volgende referentieperiode overdragen.) <KB 2003-10-24/35, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-03-2002>
  [1 § 5. In het geval dat de prestatienorm wordt overschreden, kunnen, op vraag van het personeelslid, maximum 30 uren aan bijkomende dienstprestaties worden overgedragen naar de volgende referentieperiode.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 1, 058; Inwerkingtreding : 01-11-2010>

  HOOFDSTUK III. - DE ARBEIDS- EN RUSTTIJDEN.

  Art. 6.1.4.§ 1. De arbeidsduur van het personeelslid mag gemiddeld niet meer dan 38 uren per week belopen en is in principe gespreid over vijf dagen.
  (In afwijking van het eerste lid, kan de prestatienorm van 38 uur, op vraag van het personeelslid en in onderling akkoord met de bevoegde overheid, op structurele wijze worden verdeeld over vier dagen [1 ...]1.) <KB 2007-03-23/36, art. 9, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (Onverminderd artikel X.II.3, derde lid, bepaalt de minister welke activiteiten als dienstprestaties in aanmerking komen om de in het eerste lid bedoelde arbeidsduur te bepalen.) <KB 2003-10-24/35, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 01-03-2002>
  § 2. Onverminderd § 1, eerste lid, mag de arbeidsduur niet meer dan 10 uren per periode van vierentwintig uur en 50 uren per week bedragen.
  (§ 3. Een geplande dienstprestatie moet ten minste 4 uren bedragen.) <KB 2005-08-31/50, art. 2, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 2, 058; Inwerkingtreding : 01-01-2011>

  Art. 6.1.5. Het personeelslid heeft in elke periode van 24 uur recht op ten minste 11 opeenvolgende uren rust tussen de beëindiging en de hervatting van de arbeid.
  (Mits het akkoord van het personeelslid kan die rustperiode nochtans 10 opeenvolgende uren bedragen wanneer zij volgt op een geplande dienst die eindigt tussen 20 uur en 23 uur.
  De in het eerste lid bedoelde rustperiode kan nochtans acht opeenvolgende uren bedragen in geval van een onverwachte verlenging van de arbeidsduur na afloop van de normaal voorziene arbeidsduur.) <KB 2005-08-31/50, art. 3, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 6.1.6. Na 10 opeenvolgende dagen te hebben gewerkt, heeft het personeelslid recht op twee dagen ononderbroken rust.
  (Het personeelslid mag maximum 28 weekends per jaar werken. In onderling akkoord kunnen de bevoegde overheid en het personeelslid besluiten om meer weekends per jaar te presteren. Na overleg in het betrokken overlegcomité kan het maximum van 28 weekends, in functie van de dienstnoodwendigheden, zo nodig worden vastgesteld op ten hoogste 34 weekends per jaar.) <KB 2005-08-31/50, art. 4, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (Na drie opeenvolgende weekends te hebben gewerkt, heeft het personeelslid voor het volgende weekend recht op minimum zestig uren ononderbroken rust met inbegrip van dat weekend. In onderling akkoord kunnen de bevoegde overheid en het personeelslid besluiten om meer weekends na elkaar te presteren. Na overleg in het betrokken overlegcomité, kan het maximum, in functie van de dienstnoodwendigheden, zo nodig worden vastgesteld op 4 opeenvolgende weekends.) <KB 2005-08-31/50, art. 4, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (Wanneer een dienstprestatie op niet voorziene wijze uitloopt tot ten laatste zaterdag 01.00 uur en er in dat weekend geen andere dienstprestatie wordt verricht, wordt dat beschouwd als een vrij weekend.) <KB 2003-10-24/35, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-03-2002>

  Art. 6.1.7. Van de in de artikelen VI.I.4 tot en met (VI.I.6, eerste lid) opgesomde arbeidsvoorwaarden mag in de volgende gevallen worden afgeweken : <KB 2005-08-31/50, art. 5, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  1° voor de bij ministerieel besluit aangewezen personeelsleden die een leidend ambt uitoefenen of over een autonome beslissingsbevoegdheid beschikken;
  2° voor werkzaamheden die een langdurige verplaatsing noodzaken tussen de werkelijke arbeidsplaats en de gewone plaats van het werk van het personeelslid of veelvuldige verplaatsingen noodzaken tussen de verschillende arbeidsplaatsen van het personeelslid;
  3° in uitzonderlijke door de minister te bepalen omstandigheden;
  4° voor opdrachten die door een onvoorziene noodzakelijkheid worden vereist;
  5° voor de uitvoering van bepaalde gerechtelijke taken die onderworpen zijn aan door de wet gestelde termijnen;
  6° gedurende de door de minister afgekondigde bijzondere periodes, in voorkomend geval na overleg met de minister van Justitie wat de vervulling van de in artikel 97, tweede en derde lid, van de wet, vermelde opdrachten betreft;
  7° voor tijdelijke en bijzondere politieopdrachten van fenomeenbestrijding, op beslissing van, naar gelang van het geval, de minister, de burgemeester of het politiecollege en na overleg met de representatieve vakorganisaties in het betrokken basisoverlegcomité (dan wel in het hoog overlegcomité;) <KB 2005-08-31/50, art. 5, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (8° voor de door de minister vastgestelde terugkerende gebeurtenissen die een afwijking noodzaken.) <KB 2005-08-31/50, art. 5, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  Van de in de artikelen VI.I.4 en (VI.I.6, eerste lid) opgesomde arbeidsvoorwaarden mag worden afgeweken voor de structureel georganiseerde permanenties in binnendienst van maximaal twaalf uren, op beslissing van, naar gelang van het geval, de minister, de burgemeester of het politiecollege en na overleg met de representatieve vakorganisaties in het betrokken basisoverlegcomité dan wel in het hoog overlegcomité. <KB 2005-08-31/50, art. 5, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (Op beslissing van het politiecollege en na overleg met de representatieve vakorganisaties in het basisoverlegcomité, kan er voor bepaalde diensten van de zones van lokale politie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden afgeweken van de arbeidsvoorwaarden bedoeld in artikel VI.I.4, § 2, om er (andere dan in het tweede lid bedoelde) diensten van twaalf uren te voorzien.) <KB 2004-02-03/32, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 13-02-2004> <KB 2005-08-31/50, art. 5, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (Onverminderd het derde lid kan er, op beslissing van, naar gelang van het geval, de minister, de burgemeester of het politiecollege, en na overleg in het betrokken overlegcomité, op grond van gemotiveerde dienstnoodwendigheden worden afgeweken van de arbeidsvoorwaarden bedoeld in artikel VI.I.4, § 2, om er andere dan in het tweede lid bedoelde diensten van twaalf uren te voorzien.
  Van de in artikel VI.I.6, tweede tot vierde lid, opgesomde arbeidsvoorwaarden mag, op beslissing van de minister, in uitzonderlijke omstandigheden worden afgeweken.) <KB 2005-08-31/50, art. 5, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 6.1.8. Wanneer een dienstprestatie de normale uren voor het nemen van maaltijden omvat, zal deze dienstprestatie, voor het nemen van een maaltijd, gedurende ten minste 30 minuten door rust worden onderbroken.
  Tijdens de uitvoering van een permanentiedienst of een operationele dienst van ten minste 6 uren die niet kan worden onderbroken, wordt het nemen van één maaltijd voor een maximumduur van 30 minuten als dienstprestatie aangerekend per periode van 6 uur.

  Art. 6.1.9. Zwangere personeelsleden mogen niet meer dan 9 uren per dag en 38 uren per week werken.

  HOOFDSTUK IV. - DE NACHTPRESTATIES.

  Art. 6.1.10. § 1. Een nachtprestatie is voor de toepassing van dit hoofdstuk een werkelijke dienstprestatie uitgevoerd tussen 22.00 en 06.00 uur. Elke andere prestatie is, wat dit hoofdstuk betreft, een dagprestatie.
  Een dagprestatie die met minder dan twee uren uitloopt na 22.00 uur, wordt evenwel niet aangerekend op de in de § 2 bedoelde maxima.ties per jaar met een maximum van 15 nachtprestaties per referentieperiode.
  § 2. (Het personeelslid mag maximum 400 uren nachtprestaties per jaar verrichten. Het maximum aantal nachten gedurende dewelke die uren mogen worden verricht bedraagt 70 per jaar.
  In onderling akkoord kunnen de bevoegde overheid en het personeelslid besluiten om meer dan 400 uren nachtprestaties en/of meer dan 70 nachten per jaar te presteren zonder evenwel 480 uren nachtprestaties en 85 nachten per jaar te kunnen overschrijden.
  De in het eerste lid bedoelde maxima kunnen, in functie van de dienstnoodwendigheden en na overleg in het betrokken overlegcomité, zo nodig worden vastgesteld op ten hoogste respectievelijk 480 uren nachtprestaties en 85 nachten per jaar.
  Het personeelslid mag maximum 7 opeenvolgende nachten werken, waarna het recht heeft op 2 opeenvolgende vrije nachten.) <KB 2005-08-31/50, art. 6, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (§ 3. Van de in dit artikel opgesomde arbeidsvoorwaarden mag, op beslissing van de minister, in uitzonderlijke omstandigheden worden afgeweken.) <KB 2005-08-31/50, art. 6, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 6.1.11. Onverminderd het derde lid, wordt het personeelslid op zijn vraag en vanaf vijf jaar vr de vervroegde pensioenleeftijd, vrijgesteld van nachtprestaties.
  Het personeelslid dient hiertoe een schriftelijk verzoek in bij de bevoegde overheid.
  De bevoegde overheid beschikt over een termijn van drie maanden om het personeelslid schriftelijk een arbeidsregeling voor te stellen omvattend alleen dagprestaties en die overeenstemt met zijn graad en ambt.
  Indien een dergelijke arbeidsregeling niet mogelijk is, dan kan het personeelslid, naargelang het hem schikt :
  1° ofwel beslissen zijn betrekking te behouden;
  2° ofwel vragen om herplaatst te worden in een betrekking waarvan de arbeidsregeling uitsluitend voorziet in dagprestaties.

  Art. 6.1.12. Het personeelslid heeft tijdens haar zwangerschap recht op een arbeidsregeling die geen nachtprestaties inhoudt en dit tot drie maanden na de bevalling.

  HOOFDSTUK V. - DE NADERE REGELEN INZAKE BEREIKBAARHEID EN TERUGROEPBAARHEID.

  Art. 6.1.13. Het begrip " bereikbaar " impliceert dat het personeelslid door de bevoegde overheid aangetroffen of gecontacteerd kan worden.
  Het begrip " terugroepbaar " impliceert dat het personeelslid, dat niet in verlof is, met uitzondering van de verloven (bedoeld in de artikelen VIII.III.12 en VIII.III.13, tweede lid), en voor zover die het verlof bedoeld in artikel VIII.III.1 niet voorafgaan of opvolgen, binnen een door de bevoegde overheid bepaalde redelijke termijn de dienst kan hervatten. Die termijn kan de twee uur niet overschrijden. <KB 2005-08-31/50, art. 7, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 6.1.14. Het bereikbaar en/of terugroepbaar personeel evenals de graad van bereikbaarheid en terugroepbaarheid worden bepaald door de bevoegde overheid.

  Art. 6.1.15. In geval van terugroeping wordt, wat de berekening van de arbeidsduur betreft, naast de werkelijke dienstprestatie, eveneens de duur van de verplaatsingen naar de plaats van de opdracht en terug in rekening gebracht.
  (De in het eerste lid bedoelde aangerekende arbeidsduur, bedraagt steeds ten minste drie uren. Dat minimum kan, na overleg in het betrokken overlegcomité, worden verhoogd.) <KB 2003-10-24/35, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 01-03-2002>

  TITEL II. - DE INPLAATSSTELLING VAN HET PERSONEEL.

  HOOFDSTUK I. - DE EERSTE AANWIJZING.

  AFDELING 1. - [1 DE EERSTE AANWIJZING VAN EEN PERSONEELSLID VAN HET OPERATIONEEL KADER]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 5, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Art. 6.2.1. [1 Deze afdeling is enkel toepasselijk op het personeelslid dat is benoemd overeenkomstig de artikelen V.II.2 en V.II.3.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 5, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Art. 6.2.2. [1 De eerste aanwijzing van een politieambtenaar geschiedt steeds in een betrekking van de personeelsformatie van het operationeel kader.
  De eerste aanwijzing van een agent van politie geschiedt steeds in een betrekking van het kader van agenten van politie.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 5, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Art. 6.2.3. [1 De minister kan de nadere regels bepalen van de procedure te volgen door de overheden bedoeld in deze afdeling.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 5, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Onderafdeling 1. - [1 De eerste aanwijzing binnen het basiskader]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 5, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Art. 6.2.4. [1 De aspiranten-inspecteur van politie die overeenkomstig artikel VI.II.15, § 3, worden aangeworven, worden na het slagen voor de basisopleiding door de korpschef aangewezen voor een betrekking in de politiedienst waarvoor zij werden aangeworven.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 5, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Art. 6.2.4bis. [1 De aspiranten-inspecteur van politie die overeenkomstig artikel IV.I.33, § 1, eerste lid, tot de opleiding werden toegelaten, worden na het slagen voor de basisopleiding door de korpschef of, naar gelang van het geval, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal aangewezen voor een betrekking in de politiedienst waarvoor zij in het raam van de aanwerving hun voorkeur hebben geuit.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 5, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Art. 6.2.4ter. [1 In de loop van de basisopleiding wordt een mobiliteitscyclus georganiseerd die voorbehouden is voor de aspiranten-inspecteur van politie met uitzondering van de aspiranten-inspecteur van politie bedoeld in de artikelen VI.II.4 en VI.II.4bis.
  De oproep tot kandidaatsstelling van de in het eerste lid bedoelde mobiliteitscyclus bevat enkel de betrekkingen die overeenkomstig artikel IV.I.3, tweede lid, aan de minister werden bezorgd.
  De aspirant-inspecteur van politie postuleert in het raam van die mobiliteitscyclus slechts voor één betrekking. Tegelijkertijd deelt hij de twee andere betrekkingen mee die in het raam van een eventuele ambtshalve aanwijzing overeenkomstig artikel VI.II.4quater zijn voorkeur hebben.
  De betrokken politiedienst werft de aspiranten-inspecteur van politie die postuleren in het raam van die mobiliteitscyclus daadwerkelijk aan en dit ten belope van maximum het aantal door die politiedienst overeenkomstig artikel IV.I.3, tweede lid, aangegeven betrekkingen. Bij een overaanbod aan kandidaten kiest de betrokken politiedienst de meest geschikte(n).
  De laureaten van die mobiliteit worden na het slagen voor de basisopleiding door de korpschef of, naar gelang van het geval, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal aangewezen voor de betrekking die zij via mobiliteit kregen toegewezen.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 5, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Art. 6.2.4quater. [1 Bij gebreke aan laureaten in het raam van de in artikel VI.II.4ter bedoelde mobiliteit, worden de in artikel IV.I.3, tweede lid, bedoelde betrekkingen ingevuld via een ambtshalve aanwijzing door de minister van aspiranten-inspecteur van politie die geen betrekking kregen toegewezen overeenkomstig de artikelen VI.II.4, VI.II.4bis en VI.II.4ter.
  De in het eerste lid bedoelde aanwijzing geschiedt op gezamenlijk voorstel van een vertegenwoordiger van de federale politie aangewezen door de commissaris-generaal en een vertegenwoordiger van de lokale politie aangewezen door de vaste commissie voor de lokale politie. Bij dit voorstel wordt rekening gehouden met de door de aspiranten-inspecteur van politie overeenkomstig artikel VI.II.4ter, derde lid, meegedeelde voorkeuren, de keuze van de korpschef of, naar gelang van het geval, de commissaris-generaal of de door hem aangewezen directeur-generaal van de politiedienst waartoe de betrekking behoort waarin het personeelslid ambtshalve wordt aangewezen, of de functionele noden. Indien het voorstel voor een betrekking enkel afhangt van de door de aspiranten-inspecteur van politie meegedeelde voorkeuren, wordt, bij gelijke voorkeur de rangschikking bepaald overeenkomstig artikel IV.I.30, § 2.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 5, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Art. 6.2.4quinquies. [1 De overige aspiranten-inspecteur van politie worden na het slagen voor de basisopleiding door de korpschef of, naar gelang van het geval, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal aangewezen voor de betrekking die zij overeenkomstig de bepalingen betreffende de mobiliteit, vervat in hoofdstuk II van deze titel, hebben bekomen.
  De in het eerste lid bedoelde aspiranten-inspecteur van politie die geen betrekking hebben bekomen overeenkomstig de regels inzake de mobiliteit, vervat in hoofdstuk II van deze titel, worden na het slagen voor de basisopleiding door de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal ambtshalve aangewezen voor een betrekking in de federale politie.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 5, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Onderafdeling 2. - [1 De eerste aanwijzing binnen het kader van agenten van politie of het gespecialiseerd middenkader]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 5, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Art. 6.2.4sexies. [1 De aspiranten-agent van politie en de aspiranten-hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie of met specialiteit politie-assistent worden na het slagen voor de basisopleiding door de korpschef of, naar gelang van het geval, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal aangewezen voor een betrekking in de politiedienst waarvoor zij werden aangeworven.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 5, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Onderafdeling 3. - [1 De eerste aanwijzing binnen het middenkader of het officierskader]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 5, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>
   Art. 6.2.4septies. [1De aspiranten-hoofdinspecteur van politie en de aspiranten-commissaris van politie worden na het slagen voor de basisopleiding door de korpschef of, naar gelang van het geval, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal aangewezen voor de betrekking die zij overeenkomstig de bepalingen betreffende de mobiliteit, vervat in hoofdstuk II van deze titel, hebben bekomen.
  De aspiranten-hoofdinspecteur van politie en de aspiranten-commissaris van politie die geen betrekking hebben bekomen overeenkomstig de regels inzake de mobiliteit, vervat in hoofdstuk II van deze titel, worden na het slagen voor de basisopleiding door de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal ambtshalve aangewezen voor een betrekking in de federale politie.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-14/24, art. 5, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  AFDELING 2. - DE EERSTE AANWIJZING VAN EEN PERSONEELSLID VAN HET ADMINISTRATIEF EN LOGISTIEK KADER.

  Art. 6.2.5. Deze afdeling is enkel toepasselijk op het personeelslid dat is benoemd overeenkomstig artikel V.III.6.

  Art. 6.2.6. De korpschef of, naar gelang van het geval, de commissaris-generaal of de door hem aangewezen directeur-generaal, wijst het personeelslid aan voor de vacante betrekking.

  Art. 6.2.7. De minister kan de gedetailleerde regels bepalen van de procedure te volgen door de overheden bedoeld in dit hoofdstuk.

  HOOFDSTUK II. - DE REGELING VAN DE MOBILITEIT.

  AFDELING 1. - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN.

  Onderafdeling 1. - De algemene voorwaarden voor mobiliteit.

  Art. 6.2.8. Onder de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden kan er bij wijze van mobiliteit worden voorzien in een betrekking die vacant is verklaard in de federale politie of in een korps van de lokale politie.
  De in dit hoofdstuk bepaalde regeling is niet van toepassing op de mandaatbetrekkingen bedoeld in (artikel 66 van de wet van 26 april 2002) en evenmin op de inplaatsstellingen bedoeld in artikel 96 van de wet. <KB 2008-09-18/55, art. 2, 038; Inwerkingtreding : 19-10-2008>

  Art. 6.2.9. De aanwijzingen bij mobiliteit bedoeld in dit hoofdstuk, gebeuren uitsluitend op vrijwillige basis.

  Art. 6.2.10.Voor de mobiliteit in de federale politie, tussen de verschillende lokale politiekorpsen en tussen de laatstgenoemde politiekorpsen en de federale politie [1 of naar een andere dienst waar de aanwijzing als personeelslid wordt uitgevoerd via mobiliteit]1 , komt uitsluitend het personeelslid in aanmerking dat :
  1° [1 een aanwezigheidstermijn heeft volbracht van vijf jaar in de betrekking die het bekleedt, met inbegrip van de duur van, in voorkomend geval, de functionele opleiding voor die betrekking en de termijn bedoeld in artikel VI.II.26. Mits toestemming van de korpschef voor de lokale politie of van de commissaris-generaal of van de betrokken directeur-generaal voor de federale politie, komt het personeelslid evenwel in aanmerking voor de mobiliteit na een termijn van drie jaar.]1.
  2° met één van de graden bekleed is en, in voorkomend geval, houder is van een brevet, die als toekenningsvoorwaarden voor de vacante betrekking gelden;
  3° (...) <KB 2007-12-20/51, art. 3, 034; Inwerkingtreding : onbepaald; zie ook art. 19, 2°>
  4° zich bevindt in een administratieve stand waar het zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden.
  Kan evenwel in afwijking van het eerste lid, 1°, rechtsgeldig zijn kandidaatstelling indienen en deelnemen aan de selectie :
  1° de aspirant die het door de minister bepaalde gedeelte van de basisopleiding heeft beëindigd, met uitzondering van de aspirant die is aangeworven bij toepassing van artikel IV.I.11. Hij kan evenwel slechts worden benoemd [2 na het slagen voor de basisopleiding en, in voorkomend geval ten vroegste op de in artikel V.II.2, § 2, bedoelde datum]2;
  2° [2 de aspirant die overeenkomstig artikel VI.II.4septies, tweede lid,]2, is aangewezen voor een betrekking in de federale politie;
  [2 2°bis de aspirant die overeenkomstig de artikelen VI.II.4quater en VI.II.4quinquies, tweede lid, ambtshalve is aangewezen na een aanwezigheidstermijn van twee jaar te rekenen vanaf de ambtshalve aanwijzing. Mits toestemming van de korpschef voor de lokale politie of van de commissaris-generaal of van de betrokken directeur-generaal voor de federale politie, komt het personeelslid evenwel in aanmerking voor de mobiliteit na een termijn van één jaar;]2
  3° het personeelslid bedoeld in artikel VI.II.69, na een aanwezigheidstermijn van één jaar te rekenen vanaf de ambtshalve aanwijzing;
  4° (het personeelslid bedoeld in artikel VI.II.89, tweede lid, na een aanwezigheidstermijn van één jaar te rekenen vanaf zijn herplaatsing in overtal;) <KB 2007-03-02/32, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 06-03-2007>
  5° [2 ...]2;
  6° de aspiranten bedoeld in artikel VI.II.15, § 3, na een aanwezigheidstermijn die door de betrokken zone werd vastgesteld op zes, zeven of acht jaar.) <KB 2007-03-02/32, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 06-03-2007>
  (Indien de in artikel (VI.II.15, § 1), eerste lid, bedoelde overheid dit op het ogenblik van de beslissing tot vacantverklaring beslist, kan het personeelslid dat kandidaat is voor een gespecialiseerde betrekking en dat niet over het voor deze betrekking vereiste brevet beschikt, in afwijking van het eerste lid, 2°, en overeenkomstig de bijlage 19, rechtsgeldig zijn kandidaatstelling indienen en deelnemen aan de selectie. Zijn kandidaatstelling wordt evenwel slechts onderzocht binnen de perken van artikel VI.II.23.) <KB 2005-12-20/41, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006> <KB 2007-03-02/32, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 06-03-2007>
  De minister bepaalt de nadere regels inzake de in het eerste lid, 1°, bedoelde aanwezigheidstermijn en inzonderheid het tijdstip waarop deze termijn ingaat.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-16/07, art. 1, 045; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  {(2)<KB 2013-04-14/24, art. 6, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Art. 6.2.11.De in artikel VI.II.10 bedoelde voorwaarden moeten vervuld zijn op de uiterste datum van indiening van de kandidaatstelling (...) <KB 2005-12-20/41, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006>

  Art. 6.2.12. De minister kan, om redenen van operationele noodzaak, afwijken van de in artikel VI.II.10 bepaalde voorwaarden.

  Art. 6.2.12bis. <Ingevoegd bij KB 2005-12-20/41, art. 5; Inwerkingtreding : 30-01-2006> Elke zone van lokale politie van categorie 2 of 3 wijst tweejaarlijks 10 % van de vacante betrekkingen, met een minimum van één betrekking, toe aan personeelsleden van het operationeel kader die ten minste 40 jaar zijn en gedurende ten minste tien jaar zijn aangewezen voor een betrekking op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en die een betrekking postuleren buiten dit Gewest.
  Daartoe wordt, in voorkomend geval, een voorrang toegekend aan de personeelsleden die aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden beantwoorden.
  Elke zone van lokale politie van categorie 4 of 5 wijst jaarlijks 10 % van de vacante betrekkingen, met een minimum van één betrekking, toe aan personeelsleden van het operationeel kader die ten minste 40 jaar zijn en gedurende ten minste tien jaar zijn aangewezen voor een betrekking op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en die een betrekking postuleren buiten dit Gewest.
  Daartoe wordt, in voorkomend geval, een voorrang toegekend aan de personeelsleden die aan de in het derde lid bedoelde voorwaarden beantwoorden.

  Onderafdeling 2. - Het mobiliteitsdossier.

  Art. 6.2.13. Het mobiliteitsdossier omvat :
  1° een inventaris van de stukken;
  2° de mobiliteitsfiche waarvan de inhoud wordt bepaald door de minister;
  3° de door de minister bepaalde uittreksels of afschriften uit het persoonlijk dossier;
  4° (...) <KB 2007-12-20/51, art. 4, 034; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
  5° de kandidaatstelling en, indien opgelegd, de eraan toegevoegde stukken.

  Art. 6.2.14. De minister kan de nadere regels inzake inzonderheid de inhoud, de wijze van presentatie en het bijhouden van het mobiliteitsdossier bepalen.

  AFDELING 2. - DE PROCEDUREVOORSCHRIFTEN.

  Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen.

  Art. 6.2.15.<KB 2005-12-20/41, art. 6, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006> (§ 1.) De gemeenteraad of de politieraad, op advies van de korpschef, wat de lokale politie betreft, of de commissaris-generaal of de directeur-generaal die hij aanwijst wat de federale politie betreft, beslist : <KB 2007-03-02/32, art. 3, 026; Inwerkingtreding : 06-03-2007>
  1° of een betrekking vacant wordt verklaard en, in voorkomend geval, of het gaat om een betrekking bedoeld in artikel VI.II.12bis of om een gespecialiseerde betrekking waaraan eventueel een functietoelage, bedoeld in artikel XI.III.12, is gekoppeld;
  2° over de wijze van selectie voor de vacant verklaarde betrekking onder één of meerdere van de selectiemodaliteiten bedoeld in de artikelen VI.II.21 of VI.II.22;
  3° (...) <KB 2007-12-20/51, art. 5, 034; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
  4° [1 om, naar aanleiding van de selectie, geen wervingsreserve bedoeld in artikel VI.II.27bis aan te leggen;]1;
  5° in voorkomend geval, over de samenstelling van de bevoegde selectiecommissie dan wel of een beroep wordt gedaan op de nationale selectiecommissie voor officieren van de lokale politie bedoeld in artikel VI.II.46 of, naar gelang van het geval, de nationale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de lokale politie bedoeld in artikel VI.II.52.
  In de politiezones waarvan de personeelsbezetting deficitair is ten aanzien van het door Ons vastgesteld minimaal effectief, moeten de betrekkingen die open komen binnen de zes maanden daarna worden vacant verklaard.
  § 2. [2 ...]2.
  § 3. [2 Een deficitaire zone kan, binnen het deficitair saldo]2, vastgesteld na de in § 1, tweede lid, bedoelde mobiliteit en een tweede onmiddellijk navolgende mobiliteitscyclus binnen dewelke een voorrang geldt op basis van de anciënniteit onder de geschikt bevonden kandidaten, ten belope van het aantal door haar aangegeven vacante betrekkingen, opteren voor een bijkomende aanwerving, via selectie door de directie van de rekrutering en van de selectie, waarbij de betrokken zone de opleidings-, verlonings- en uitrustingskost van de aldus aangeworven aspiranten ten laste neemt. In dit raam vermeldt die oproep tot de kandidaten de in artikel VI.II.10, tweede lid, 6°, bedoelde aanwezigheidstermijn en geschiedt de vertegenwoordiging van de lokale politie in de in artikel IV.I.27, 5°, RPPol bedoelde selectiecommissie door een personeelslid van de betrokken zone.
  § 4. Het aanwenden van [2 de maatregel bedoeld in § 3]2 houdt voor de betrokken zone de verplichting in tot daadwerkelijke aanwerving ten belope van het aantal door haar in het raam van de respectieve maatregel aangegeven vacante betrekkingen. Bij een overaanbod aan kandidaten kiest de betrokken zone de meest geschikten.) <KB 2007-03-02/32, art. 3, 026; Inwerkingtreding : 06-03-2007>
  ----------
  (1)<KB 2009-05-31/04, art. 1, 043; Inwerkingtreding : 22-06-2009>
  (2)<KB 2013-04-14/24, art. 7, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>

  Art. 6.2.16. De in artikel (VI.II.15, § 1, eerste lid) bedoelde overheid kan een betrekking vacant verklaren die binnen afzienbare tijd vacant wordt. <KB 2007-03-02/32, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 06-03-2007>

  Art. 6.2.17. De korpschef, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal, deelt de vacant verklaarde betrekkingen, hierna " vacatures " genoemd, onverwijld mee aan de minister of aan de door deze aangewezen dienst.

  Art. 6.2.18.De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst doet een oproep tot kandidaatstelling voor de vacatures.
  Deze oproep bevat minstens de volgende gegevens :
  1° (een korte functiebeschrijving van de te begeven betrekking, het adres en de dienst waar een uitgebreide beschrijving en alle nadere toelichtingen te verkrijgen zijn en, in voorkomend geval, indien het gaat om een betrekking bedoeld in artikel VI.II.12bis of om een gespecialiseerde betrekking waaraan eventueel een functietoelage bedoeld in artikel XI.III.12 is gekoppeld;) <KB 2005-12-20/41, art. 8, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006>
  2° het gewenste profiel;
  3° de gewone plaats van het werk;
  4° de categorieën van het personeel die zich voor de vacature mogen inschrijven;
  5° de uiterste datum van indiening van de kandidaatstellingen die niet vroeger mag vallen dan 16 dagen na de verschijning van de oproep tot kandidaatstelling;
  6° de wijze van selectie onder de kandidaten en inzonderheid of de betrekking wordt begeven naar anciënniteit in de zin van artikel VI.II.22.
  (In voorkomend geval wordt deze oproep aangevuld met de gegevens bedoeld in de artikelen (VI.II.15, § 1), eerste lid, 5°, en VI.II.19, § 1, vierde lid.) <KB 2005-12-20/41, art. 8, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006> <KB 2007-03-02/32, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 06-03-2007>
  [1 In voorkomend geval wordt deze oproep aangevuld met de maximumperiode van aanwijzing indien het een betrekking betreft bedoeld in artikel VI.II.68ter.]1
  De minister bepaalt de nadere regels inzake de oproep tot de kandidaten en inzonderheid de wijze waarop deze moet geschieden.
  ----------
  (1)<KB 2015-04-20/10, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 23-05-2015>

  Art. 6.2.19. § 1. Het personeelslid dient zijn kandidaatstelling in bij de door de minister aangewezen dienst.
  Om geldig te zijn moet deze kandidaatstelling :
  1° ingediend worden bij middel van het door de minister bepaalde modelformulier dat hem door de politiedienst waarvan hij deel uitmaakt ter hand wordt gesteld;
  2° hetzij verstuurd zijn per aangetekende brief, hetzij door middel van een brief tegen ontvangstbewijs overhandigd worden aan de hiërarchische meerdere, hetzij door middel van een brief tegen ontvangstbewijs rechtstreeks overhandigd worden aan de overeenkomstig het eerste lid aangewezen dienst;
  3° ingediend zijn ten laatste op de in artikel VI.II.18, tweede lid, 5°, bepaalde datum.
  Bij de kandidaatstelling voegt de kandidaat de mobiliteitsfiche bedoeld in artikel VI.II.13, 2°.
  De kandidaat voor een betrekking voor officier of voor een betrekking voor niveau A voegt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, bij zijn kandidaatstelling een nota waarin hij zijn aanspraken en verdiensten uiteenzet die hij meent te kunnen doen gelden voor de betrekking. De in artikel (VI.II.15, § 1, eeste lid) bedoelde overheid kan deze verplichting uitbreiden tot vacatures voor gespecialiseerde betrekkingen die hij bepaalt. <KB 2007-03-02/32, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 06-03-2007>
  § 2. De hiërarchische meerdere, bedoeld in § 1, tweede lid, 2°, zendt onverwijld de kandidaatstelling naar de door de minister overeenkomstig § 1, eerste lid, aangewezen dienst.

  Art. 6.2.20. (De door de minister overeenkomstig artikel VI.II.19, § 1, eerste lid, aangewezen dienst deelt de kandidaatstellingen onverwijld mee aan de korpschef of aan de commissaris-generaal of de betrokken directeur-generaal, naargelang het een vacature in een korps van de lokale politie dan wel in de federale politie betreft.) <KB 2007-03-02/35, art. 1, 027; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  De minister kan nadere regels bepalen inzake de wijze waarop de in artikel VI.II.19, § 1, eerste lid, bepaalde dienst de kandidaatstellingen meedeelt aan de in het eerste lid bedoelde overheid.

  Art. 6.2.21.De in artikel (VI.II.15, § 1, eerste lid) bedoelde overheid kan, wat de wijze van selectie betreft voor de vacant verklaarde betrekkingen, één of meer van de volgende selectiemodaliteiten kiezen : <KB 2007-03-02/32, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 06-03-2007>
  1° het inwinnen, per kandidaat, van het gemotiveerd advies van de korpschef indien het een te begeven betrekking in de lokale politie betreft, of van de directeur-generaal of de door deze aangewezen officier of personeelslid van het administratief en logistiek kader van niveau A van de algemene directie waaronder de vacante betrekking ressorteert, indien het een te begeven betrekking betreft in de federale politie;
  2° het houden van een interview met de verschillende kandidaten door de korpschef indien het een te begeven betrekking in de lokale politie betreft, of door de directeur-generaal of de door deze aangewezen officier of personeelslid van het administratief en logistiek kader van niveau A van de algemene directie waaronder de vacante betrekking ressorteert, indien het een te begeven betrekking betreft in de federale politie, waarbij een waarnemer van elke representatieve vakorganisatie aanwezig mag zijn;
  3° (opgeheven) <KB 2005-12-20/41, art. 10, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006>
  4° het inwinnen van het advies van een selectiecommissie voor hetzij officieren bedoeld in, naar gelang van het geval, de artikelen VI.II.41, VI.II.46 of VI.II.55, hetzij voor leden van het midden- en basiskader bedoeld in, naar gelang van het geval, de artikelen VI.II.61 of VI.II.65;
  5° alleen wat de kandidaten betreft voor een te begeven betrekking van, naar gelang van het geval, het niveau A, B, dan wel C, het inwinnen van het advies van de selectiecommissie bedoeld in de artikelen VI.II.44, VI.II.52 of VI.II.59 wat de personeelsleden van niveau A betreft, of in de artikelen VI.II.63 of VI.II.67 wat de personeelsleden van de niveaus B en C betreft;
  6° het organiseren van één of meerdere door haar bepaalde testen of geschiktheidsproeven.
  [1 7° het uitvoeren van een veiligheidsverificatie bedoeld in artikel 22quinquies van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, indien het een in de directie van de speciale eenheden te begeven betrekking betreft.]1
  Indien het een vacante betrekking voor officier betreft, wordt ongeacht de overeenkomstig het eerste lid gekozen selectiemodaliteit, steeds het advies ingewonnen van, hetzij de plaatselijke selectiecommissie voor officieren van de lokale politie bedoeld in artikel VI.II.41 of van de nationale selectiecommissie voor officieren van de lokale politie bedoeld in artikel VI.II.46 indien het een vacante betrekking in een korps van de lokale politie betreft, hetzij van de federale selectiecommissie voor officieren van de federale politie bedoeld in artikel VI.II.55 indien het een vacante betrekking in de federale politie betreft.
  Indien het een vacante betrekking voor een personeelslid van het administratief en logistiek kader van niveau A betreft, wordt ongeacht de overeenkomstig het eerste lid gekozen selectiemodaliteit, steeds het advies ingewonnen van, hetzij de plaatselijke selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de lokale politie bedoeld in artikel VI.II.44, of van de nationale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de lokale politie bedoeld in artikel VI.II.52, indien het een vacante betrekking in een korps van de lokale politie betreft, hetzij van de federale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de federale politie bedoeld in artikel VI.II.59, indien het een vacante betrekking in de federale politie betreft.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 48, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 6.2.22. Met uitzondering van de bij mobiliteit te begeven betrekkingen voor officier en voor personeelsleden van het administratief en logistiek kader van niveau A, kan, naar gelang van het geval, de minister of zijn afgevaardigde of de gemeente- of de politieraad beslissen dat de door hen bepaalde categorieën van betrekkingen worden toegekend in volgorde van de anciënniteit van de kandidaten die voldoen aan de algemene voorwaarden van mobiliteit bedoeld in artikel VI.II.10.

  Art. 6.2.23. <KB 2005-12-20/41, art. 11, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006> Bij gebrek aan laureaten die aan alle voorwaarden verbonden aan een vacant verklaarde gespecialiseerde betrekking beantwoorden, kan de in (artikel VI.II.15, § 1), eerste lid, bedoelde overheid beslissen om andere kandidaten aan te wijzen die niet over het vereiste brevet beschikken. <KB 2007-03-02/32, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 06-03-2007>
  De gespecialiseerde betrekkingen waarvoor een brevet is vereist, worden vastgesteld in bijlage 19.

  Art. 6.2.24. <KB 2005-12-20/41, art. 12, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006> De korpschef, de directeur van de betrokken directie van de federale politie of de inspecteur-generaal, naar gelang van het geval, betekent de aanwijzingsbeslissing van de benoemende overheid aan het personeelslid per aangetekende brief of tegen ontvangstmelding.
  Het personeelslid betekent zijn beslissing om de betrekking al dan niet op te nemen binnen de 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van de betekening bedoeld in het eerste lid :
  1° aan de directeur van de directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer van de federale politie;
  2° aan de overheid bedoeld in het eerste lid;
  3° aan de korpschef, aan de directeur van de betrokken directie van de federale politie of aan de inspecteur-generaal, naar gelang het is aangewezen bij een korps van de lokale politie, bij de federale politie of bij de algemene inspectie.
  De directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer stelt onverwijld de andere politiekorpsen of -diensten waarbij het betrokken personeelslid eveneens heeft gepostuleerd in kennis van de keuze van dit personeelslid.

  Art. 6.2.25.<KB 2005-12-20/41, art. 13, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006> Het personeelslid dat wordt aangewezen voor een bij mobiliteit te begeven betrekking, neemt die betrekking op de eerste dag van de tweede referentieperiode die volgt op de datum van de aanwijzing voor die betrekking bedoeld in artikel VI.II.24, eerste lid, behoudens indien de overheden bedoeld in [3 artikel VI.II.24, tweede lid, 2° en 3°]3, een vervroegde inplaatsstelling overeenkomen.
  [2 Behoudens indien de overheden bedoeld in artikel VI.II.24, tweede lid, 2° en 3° een vervroegde inplaatsstelling overeenkomen, kan de inplaatsstelling overeenkomstig het eerste lid van het personeelslid bedoeld in artikel VI.II.10, tweede lid, 2bis°, ten vroegste drie jaar na de ambtshalve aanwijzing plaatsvinden.]2
  De directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer wordt door de overheid bedoeld in artikel VI.II.24, eerste lid, onverwijld in kennis gesteld van de datum van de inplaatsstelling bedoeld in het eerste lid en, in voorkomend geval, van een uitstel bedoeld in [1 artikel VI.II.26, eerste lid]1.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 49, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>
  (2)<KB 2013-04-14/24, art. 8, 2° et 3°, 055; Inwerkingtreding : 06-06-2013. Is van toepassing op de personeelsleden die deelnemen aan een basisopleiding die begint op of na 1 september 2013. Overgangsbepalingen: art .15, tweede tot vierde lid>
  (3)<KB 2013-04-14/24, art. 8, 1°, 055; Inwerkingtreding : 30-01-2006>

  Art. 6.2.26.<KB 2005-12-20/41, art. 14, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006> Er kan uitstel worden verleend voor een maximale duur van zes maanden vanaf de datum van de betekening van de aanwijzing bedoeld in artikel VI.II.24, eerste lid :
  1° wanneer de uitgeoefende betrekking een door de minister bepaalde gespecialiseerde betrekking is, of een door de minister bepaalde betrekking waarvoor een bijzondere bekwaamheid wordt vereist;
  2° wanneer het personeelslid is aangewezen of gedetacheerd in een zone van lokale politie waarvan de personeelsbezetting deficitair is ten aanzien van het door Ons vastgesteld minimaal effectief;
  3° in geval van akkoord tussen de overheden bedoeld in [2 artikel VI.II.24, tweede lid, 2° en 3°]2.
  [1 Het overeenkomstig deze bepaling gedane uitstel, heeft evenwel geen invloed op de eventuele bevordering die verbonden is met de betrekking waarvoor men is aangewezen.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 50, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>
  (2)<KB 2013-04-14/24, art. 9, 055; Inwerkingtreding : 30-01-2006>

  Art. 6.2.27. Houdt de toepassing van de regeling inzake de mobiliteit in hoofde van een contractueel personeelslid een wijziging van de gewone plaats van het werk in, dan wordt dit als een bijvoegsel aan de arbeidsovereenkomst toegevoegd.

  Art. 6.2.27bis. [1 Behoudens in geval van toepassing van artikel VI.II.15, § 1, eerste lid, 4°, worden de geschikt bevonden kandidaten, tot de datum van de oproep tot de kandidaten van de tweede navolgende mobiliteitscyclus, opgenomen in een wervingsreserve die geldt voor een gelijkwaardige functionaliteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-05-31/04, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 22-06-2009>

  Onderafdeling 2. - Bijzondere bepalingen eigen aan de mobiliteit naar een korps van de lokale politie.

  Art. 6.2.28. Betreft het een bij mobiliteit te begeven betrekking van officier in een korps van de lokale politie, dan onderzoekt de, naar gelang van het geval, in artikel VI.II.41 dan wel artikel VI.II.46 bepaalde selectiecommissie de ontvankelijkheid van de kandidaturen en vergelijkt met het oog op het geschikt bevinden van de kandidaten, de aanspraken en verdiensten van dezen. In voorkomend geval kan de selectiecommissie de kandidaten ambtshalve of op hun verzoek horen.
  Betreft het een bij mobiliteit te begeven betrekking van personeelslid van het administratief en logistiek kader van niveau A in een korps van de lokale politie, dan onderzoekt de, naar gelang van het geval, in artikel VI.II.44 dan wel artikel VI.II.52 bepaalde selectiecommissie de ontvankelijkheid van de kandidaturen en vergelijkt met het oog op het geschikt bevinden van de kandidaten, de aanspraken en verdiensten van dezen. In voorkomend geval kan de selectiecommissie de kandidaten ambtshalve of op hun verzoek horen.
  De vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de in aanmerking komende kandidaten voor de bij mobiliteit te begeven betrekking, geschiedt op basis van :
  1° hun kandidaatstelling;
  2° hun mobiliteitsdossier;
  3° de resultaten van de overeenkomstig artikel VI.II.21 gekozen selectiemodaliteiten.

  Art. 6.2.29. Na de vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de in aanmerking komende kandidaten, maakt de in artikel VI.II.41 of VI.II.46 of, naar gelang van het geval, de in artikel VI.II.44 of VI.II.52 bedoelde selectiecommissie een gemotiveerd voorstel op bevattende enerzijds de kandidaten die zij geschikt heeft bevonden voor de betrekking en anderzijds de kandidaatstellingen die niet ontvankelijk zijn of waarvan ze de kandidaten niet geschikt bevindt.
  (De in het eerste lid bedoelde commissie deelt aan de niet geschikte kandidaten de redenen van hun ongeschiktheid mee.) <KB 2005-12-20/41, art. 15, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006>
  De kandidaat die zich benadeeld acht, kan binnen de tien dagen na de kennisgeving een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de in het eerste lid bedoelde selectiecommissie. Een buiten deze termijn verzonden bezwaarschrift is niet ontvankelijk.
  De in het eerste lid bedoelde selectiecommissie oordeelt over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de bezwaarschriften en deelt haar beslissing mee aan de betrokken kandidaten.

  Art. 6.2.30. De in artikel VI.II.29 bedoelde selectiecommissie deelt haar gemotiveerd voorstel, bevattende de door haar geschikt bevonden kandidaten, alsook alle kandidaturen en haar beoordeling hiervan, mee aan de gemeente- of de politieraad.
  (lid 2 opgeheven) <KB 2005-12-20/41, art. 16, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006>

  Art. 6.2.31. De gemeente- of politieraad vergelijkt de respectieve aanspraken en verdiensten van de door de selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten op grond van het voorstel van de selectiecommissie, de in artikel VI.II.28, derde lid, bepaalde gegevens en de in de artikelen 53 of 54 van de wet en, in voorkomend geval, in artikel 57 van de wet bepaalde adviezen, waarna hij, naargelang van het onderscheid gemaakt in de artikelen 53 en 54 van de wet, de voor de bij mobiliteit te begeven betrekking meest geschikte kandidaat benoemt dan wel een kandidaat voor de geambieerde betrekking op gemotiveerde wijze aan Ons voordraagt.
  Wat de personeelsleden van het administratief en logistiek kader betreft, vergelijkt de gemeente- of politieraad de respectieve aanspraken en verdiensten van de door de selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten op grond van het voorstel van de selectiecommissie en de in artikel VI.II.28, derde lid, bepaalde gegevens, waarna hij de voor de bij mobiliteit te begeven betrekking meest geschikte kandidaat benoemt dan wel in dienst neemt.

  Art. 6.2.32. Betreft het een bij mobiliteit te begeven betrekking die overeenkomstig artikel VI.II.22 bij anciënniteit wordt verleend, dan bepaalt de gemeente- of politieraad de volgorde van anciënniteit onder de ontvankelijk bevonden kandidaatstellingen en benoemt of neemt de kandidaat met de grootste anciënniteit in dienst.

  Art. 6.2.33. Betreft het een bij mobiliteit te begeven betrekking voor een personeelslid van het administratief en logistiek kader van een korps van de lokale politie van een ander niveau dan niveau A of voor een in artikel 56 van de wet bedoeld lid van een korps van de lokale politie, doch is het geen betrekking in de zin van artikel VI.II.22, dan onderzoekt de gemeente- of de politieraad de ontvankelijkheid van de kandidaturen en vergelijkt de aanspraken en verdiensten van de kandidaten op grond van de in artikel VI.II.28, derde lid, bepaalde gegevens en, in voorkomend geval, van het overeenkomstig artikel 57 van de wet ingewonnen advies. Op grond van dit onderzoek benoemt hij dan wel neemt hij de meest geschikte kandidaat in dienst.

  Art. 6.2.34. De korpschef wijst het overeenkomstig deze onderafdeling benoemde of in dienst genomen personeelslid aan voor de bij mobiliteit te begeven betrekking.

  Onderafdeling 3. - Bijzondere bepalingen eigen aan de mobiliteit in of naar de federale politie.

  Art. 6.2.35. Betreft het een bij mobiliteit te begeven betrekking van officier in de federale politie, dan onderzoekt de in artikel VI.II.55 bedoelde federale selectiecommissie voor officieren van de federale politie de ontvankelijkheid van de kandidaturen en vergelijkt met het oog op het geschikt bevinden van de kandidaten, de aanspraken en verdiensten van de kandidaten. In voorkomend geval kan de federale selectiecommissie voor officieren van de federale politie de kandidaten ambtshalve of op hun verzoek horen.
  Betreft het een bij mobiliteit te begeven betrekking van personeelslid van niveau A in de federale politie, dan onderzoekt de in artikel VI.II.59 bedoelde federale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de federale politie de ontvankelijkheid van de kandidaturen en vergelijkt met het oog op het geschikt bevinden van de kandidaten, de aanspraken en verdiensten van de kandidaten. In voorkomend geval kan de federale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de federale politie de kandidaten ambtshalve of op hun verzoek horen.
  De vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de in aanmerking komende kandidaten voor de bij mobiliteit te begeven betrekking, geschiedt op basis van :
  1° hun kandidaatstelling;
  2° hun mobiliteitsdossier;
  3° de resultaten van de overeenkomstig artikel VI.II.21 gekozen selectiemodaliteiten.

  Art. 6.2.36. Na de vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de in aanmerking komende kandidaten, maakt de federale selectiecommissie voor officieren van de federale politie of, naar gelang van het geval, de federale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de federale politie een gemotiveerd voorstel op bevattende enerzijds de kandidaten die zij geschikt heeft bevonden voor de betrekking en anderzijds de kandidaatstellingen die niet ontvankelijk zijn of waarvan zij de kandidaten niet geschikt bevindt.
  (De in het eerste lid bedoelde commissie deelt aan de niet geschikte kandidaten de redenen van hun ongeschiktheid mee.) <KB 2005-12-20/41, art. 15, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006>
  De kandidaat die zich benadeeld acht, kan binnen de tien dagen na de kennisgeving een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de in het eerste lid bedoelde selectiecommissie. Een buiten deze termijn verzonden bezwaarschrift is niet ontvankelijk.
  De in het eerste lid bedoelde selectiecommissie oordeelt over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de bezwaarschriften en deelt haar beslissing mee aan de betrokken kandidaten.

  Art. 6.2.37. De federale selectiecommissie voor officieren van de federale politie of, naar gelang van het geval, de federale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de federale politie deelt haar gemotiveerd voorstel, bevattende de door haar geschikt bevonden kandidaten, alsook alle kandidaturen en haar beoordeling hiervan, mee aan de commissaris-generaal of aan de door deze aangewezen directeur-generaal.
  (lid 2 opgeheven) <KB 2005-12-20/41, art. 16, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006>

  Art. 6.2.38. <KB 2007-03-02/35, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 24-03-2007> De directeur-generaal van het personeel, in voorkomend geval, op eensluidend advies van de commissaris-generaal voor de in het commissariaat-generaal te begeven betrekkingen of de betrokken directeur-generaal voor de in zijn algemene directie te begeven betrekkingen, vergelijkt de respectieve aanspraken en verdiensten van de door de federale selectiecommissie voor officieren van de federale politie of, naar gelang van het geval, de federale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de federale politie geschikt bevonden kandidaten op grond van het voorstel van die selectiecommissie en de in artikel VI.II.35, derde lid, bepaalde gegevens, waarna hij beslist welke de voor de bij mobiliteit te begeven betrekking meest geschikte kandidaat is.
  Is deze kandidaat een officier van de federale politie, of, naar gelang van het geval, een personeelslid van het administratief en logistiek kader van niveau A van de federale politie, dan wijst de directeur-generaal van het personeel, deze aan voor de bij mobiliteit te begeven betrekking.
  Is deze kandidaat houder van het directiebrevet bedoeld in artikel VII.II.4, 3°, of een officier van een korps van de lokale politie of, naar gelang van het geval, een personeelslid van het administratief en logistiek kader van niveau A van een korps van de lokale politie, dan draagt de directeur-generaal van het personeel deze voor benoeming voor aan de benoemende overheid, waarna hij het benoemde personeelslid aanwijst voor de bij mobiliteit te begeven betrekking in de federale politie.

  Art. 6.2.39. (Betreft het een bij mobiliteit te begeven betrekking die overeenkomstig artikel VI.II.22 bij anciënniteit wordt verleend, dan bepaalt de directeur-generaal van het personeel de volgorde van anciënniteit onder de ontvankelijk bevonden kandidaatstellingen.) <KB 2007-03-02/35, art. 3, 027; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  Is de kandidaat met de grootste anciënniteit een personeelslid van de federale politie, dan wijst hij deze aan voor de bij mobiliteit te begeven betrekking.
  (Is de kandidaat met de grootste anciënniteit een personeelslid van een korps van de lokale politie, dan wordt deze door de directeur-generaal van het personeel benoemd of in dienst genomen waarna hij die aanwijst voor de bij mobiliteit te begeven betrekking in de federale politie.) <KB 2007-03-02/35, art. 3, 027; Inwerkingtreding : 24-03-2007>

  Art. 6.2.40. <KB 2007-03-02/35, art. 4, 027; Inwerkingtreding : 24-03-2007> Betreft het een bij mobiliteit te begeven betrekking voor een personeelslid van een ander kader dan het officierskader of voor een personeelslid van een ander niveau dan het niveau A en betreft het geen betrekking in de zin van artikel VI.II.22, dan vergelijkt de directeur-generaal van het personeel, in voorkomend geval, op eensluidend advies van de commissaris-generaal voor de in het commissariaat-generaal te begeven betrekkingen of de betrokken directeur-generaal voor de in zijn algemene directie te begeven betrekkingen de aanspraken en verdiensten van de ontvankelijk bevonden kandidaatstellingen op grond van de in artikel VI.II.35, derde lid, bepaalde gegevens, waarna hij beslist welke de meest geschikte kandidaat is.
  Is deze kandidaat een personeelslid van de federale politie, dan wijst de directeur-generaal van het personeel deze aan voor de bij mobiliteit te begeven betrekking.
  Is deze kandidaat een personeelslid van een korps van de lokale politie, dan benoemt of neemt de directeur-generaal van het personeel deze in dienst, waarna hij de benoemde of in dienst genomene aanwijst voor de bij mobiliteit te begeven betrekking in de federale politie.

  AFDELING 3. - DE SELECTIECOMMISSIES VOOR OFFICIEREN EN VOOR PERSONEELSLEDEN VAN NIVEAU A.

  Onderafdeling 1. - De plaatselijke selectiecommissie voor officieren van de lokale politie.

  Art. 6.2.41. De in de artikelen 53 en 54 van de wet bedoelde selectiecommissie, hierna " de plaatselijke selectiecommissie voor officieren van de lokale politie " genoemd, bestaat uit maximum vijf leden, de voorzitter inbegrepen en is derwijze samengesteld dat zij een onpaar aantal leden telt, de voorzitter inbegrepen.
  De voorzitter van deze selectiecommissie is steeds de korpschef of de door hem aangewezen officier die ten minste is bekleed met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking van officier.
  De leden, bijzitters genoemd, worden bepaald door de gemeente- of de politieraad, met dien verstande dat :
  1° zij moeten doen blijken van een voor de opdracht van de plaatselijke selectiecommissie voor officieren van de lokale politie relevante beroepservaring;
  2° ten minste één van de leden een officier is van een korps van de lokale politie die ten minste bekleed is met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking van officier.
  Een secretaris, aangewezen door de korpschef, staat de plaatselijke selectiecommissie voor officieren van de lokale politie bij.

  Art. 6.2.42. De plaatselijke selectiecommissie voor officieren van de lokale politie kan een beroep doen op aan de politiediensten externe deskundigen die beslagen zijn in één of meer aangelegenheden die verband houden met de bij mobiliteit te begeven betrekking.
  De minister kan nadere regels bepalen inzake de aanwijzing van deze deskundigen.

  Art. 6.2.43. De leden van de plaatselijke selectiecommissie voor officieren van de lokale politie die geen personeelslid zijn, hebben voor de werkzaamheden in de selectiecommissie recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerd uur niet meer mag bedragen dan 1/1850ste van het loon van een ambtenaar met rang 17 van de federale overheidsdiensten.
  De in het eerste lid bepaalde leden hebben tevens recht op de vergoedingen voor de reis- en verblijfskosten overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van de ministeries. Zij worden hiertoe gelijkgesteld met ambtenaren van rang 17 van de federale overheidsdiensten.

  Onderafdeling 2. - De plaatselijke selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de lokale politie.

  Art. 6.2.44. De plaatselijke selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de lokale politie, bestaat uit maximum vijf leden, de voorzitter inbegrepen en is derwijze samengesteld dat zij een onpaar aantal leden telt, de voorzitter inbegrepen.
  De voorzitter van deze selectiecommissie is steeds de korpschef of de door hem aangewezen officier of personeelslid van het administratief en logistiek kader van niveau A.
  De leden, bijzitters genoemd, worden aangewezen door de gemeente- of de politieraad, met dien verstande dat :
  1° zij moeten doen blijken van een voor de opdracht van de plaatselijke selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de lokale politie relevante beroepservaring;
  2° ten minste één van de leden een personeelslid is van het administratief en logistiek kader van een korps van de lokale politie dat ten minste bekleed is met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking.
  Een secretaris, aangewezen door de korpschef, staat de plaatselijke selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de lokale politie bij.

  Art. 6.2.45. De artikelen VI.II.42 en VI.II.43 zijn van overeenkomstige toepassing op de plaatselijke selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de lokale politie.

  Onderafdeling 3. - De nationale selectiecommissie voor officieren van de lokale politie.

  Art. 6.2.46. Bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken of bij de door de minister aangewezen dienst bestaat de in artikel 55, derde lid, van de wet bedoelde selectiecommissie, hierna " de nationale selectiecommissie voor officieren van de lokale politie " genoemd. Zij omvat maximum vijf leden, de voorzitter inbegrepen en is derwijze vastgesteld dat zij een onpaar aantal leden telt, de voorzitter inbegrepen.
  De voorzitter van deze selectiecommissie is steeds een korpschef.
  De leden, bijzitters genoemd, worden aangewezen door de minister, met dien verstande dat :
  1° zij moeten doen blijken van een voor de opdracht van de nationale selectiecommissie voor officieren van de lokale politie relevante beroepservaring;
  2° ten minste één van de leden een officier is van een korps van de lokale politie die ten minste bekleed is met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking van officier.
  De voorzitter en de leden van de nationale selectiecommissie voor officieren van de lokale politie hebben bovendien elk een plaatsvervanger die voldoet aan de respectievelijke voorwaarden van de werkende voorzitter en leden.
  Een secretaris, aangewezen door de minister, staat de nationale selectiecommissie voor officieren van de lokale politie bij.

  Art. 6.2.47. De nationale selectiecommissie voor officieren van de lokale politie kan een beroep doen op aan de politiediensten externe deskundigen die beslagen zijn in één of meer aangelegenheden die verband houden met de bij mobiliteit te begeven betrekkingen.
  De minister kan nadere regels bepalen inzake de aanwijzing van deze deskundigen.

  Art. 6.2.48. Het mandaat van de werkende en de plaatsvervangende voorzitter en van de werkende en plaatsvervangende bijzitters bedraagt drie jaar en is hernieuwbaar.
  De werkende en de plaatsvervangende voorzitter die vr het verstrijken van zijn mandaat in de commissie niet langer het mandaat van korpschef uitoefent, houdt op zitting te hebben de dag waarop hij niet langer dit mandaat van korpschef uitoefent.
  De voorzitter, de bijzitters en de plaatsvervangers die worden aangewezen ter vervanging van de overleden of aftredende voorzitter of bijzitters, voleindigen de aanwijzing van degenen die ze vervangen.

  Art. 6.2.49. De minister wijst de werkende voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter en de werkende en de plaatsvervangende leden aan.
  De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter, alsook de officierenleden worden aangewezen onder de personeelsleden die voorkomen op een lijst die wordt voorgesteld door de vaste commissie voor de lokale politie en bevattende ten minste twee korpschefs, vier hoofdcommissarissen van politie en vier commissarissen van politie van een korps van de lokale politie.

  Art. 6.2.50. De leden van de nationale selectiecommissie voor officieren van de lokale politie, die geen personeelslid zijn, hebben voor de werkzaamheden in de selectiecommissie recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerd uur niet meer mag bedragen dan 1/1850ste van het loon van een rijksambtenaar met rang 17.
  De in het eerste lid bepaalde leden hebben tevens recht op de vergoedingen voor de reis- en verblijfskosten overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van de ministeries. Zij worden hiertoe gelijkgesteld met rijksambtenaren van rang 17.

  Art. 6.2.51. De minister kan de nadere regels bepalen van de door de nationale selectiecommissie voor officieren van de lokale politie te volgen procedure.

  Onderafdeling 4. - De nationale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de lokale politie.

  Art. 6.2.52. Bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken of bij de door de minister aangewezen dienst bestaat een " nationale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de lokale politie ". Zij omvat maximum vijf leden, de voorzitter inbegrepen en is derwijze vastgesteld dat zij een onpaar aantal leden telt, de voorzitter inbegrepen.
  De voorzitter van deze selectiecommissie is steeds een korpschef.
  De leden, bijzitters genoemd, worden aangewezen door de minister, met dien verstande dat :
  1° zij moeten doen blijken van een voor de opdracht van de nationale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de lokale politie relevante beroepservaring;
  2° ten minste één van de leden een personeelslid van het administratief en logistiek kader is van een korps van de lokale politie dat ten minste bekleed is met de graad of gelijkwaardige graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking.

  Art. 6.2.53. De minister wijst de werkende voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter en de werkende en de plaatsvervangende leden aan.
  De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter, alsook de personeelsleden van niveau A worden aangewezen onder de personeelsleden die voorkomen op een lijst die wordt voorgesteld door de vaste commissie voor de lokale politie en bevattende ten minste twee korpschefs en vier personeelsleden van het administratief en logistiek kader van een korps van de lokale politie.

  Art. 6.2.54. De artikelen VI.II.46, vierde en vijfde lid, VI.II.47, VI.II.48, VI.II.50 en VI.II.51 zijn van overeenkomstige toepassing op de nationale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de lokale politie.

  Onderafdeling 5. - De federale selectiecommissie voor officieren van de federale politie.

  Art. 6.2.55. Bij de federale politie bestaat een door de commissaris-generaal samen te stellen selectiecommissie, hierna " de federale selectiecommissie voor officieren van de federale politie " genoemd. Zij omvat maximum vijf leden, de voorzitter inbegrepen en is derwijze samengesteld dat zij een onpaar aantal leden telt, de voorzitter inbegrepen.
  De voorzitter van deze selectiecommissie is steeds de commissaris-generaal of de directeur-generaal die de algemene directie leidt bedoeld in artikel 93 van de wet, onder wiens gezag de bij mobiliteit te begeven vacante betrekking ressorteert of hun vertegenwoordiger die ten minste is bekleed met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking van officier. (...) <KB 2005-12-20/41, art. 17, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006>
  De leden, bijzitters genoemd, worden aangewezen door de commissaris-generaal, met dien verstande dat :
  1° zij moeten doen blijken van een voor de opdracht van de federale selectiecommissie voor officieren van de federale politie relevante beroepservaring;
  2° ten minste één van de leden een officier is van de federale politie die ten minste bekleed is met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking van officier;
  3° onverminderd 2°, ten minste één van de leden een officier is van de federale politie die ten minste bekleed is met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking van officier en die deel uitmaakt van de algemene directie waarin de bij mobiliteit te begeven betrekking vacant is.
  De commissaris-generaal wijst een hoger officier aan als plaatsvervangend voorzitter, alsook plaatsvervangende leden die moeten voldoen aan de voorwaarden van de werkende voorzitter en leden.
  Een secretaris, aangewezen door de commissaris-generaal, staat de federale selectiecommissie voor officieren van de federale politie bij.

  Art. 6.2.56. De federale selectiecommissie voor officieren van de federale politie kan een beroep doen op aan de politiediensten externe deskundigen die beslagen zijn in één of meer aangelegenheden die verband houden met de bij mobiliteit te begeven betrekking.
  De minister kan nadere regels bepalen inzake de aanwijzing van deze deskundigen.

  Art. 6.2.57. De leden van de federale selectiecommissie voor officieren van de federale politie die geen personeelslid zijn, hebben voor de werkzaamheden in de selectiecommissie recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerd uur niet meer mag bedragen dan 1/1850ste van het loon van een rijksambtenaar met rang 17.
  De in het eerste lid bepaalde leden hebben tevens recht op de vergoedingen voor de reis- en verblijfskosten overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van de ministeries.Zij worden hiertoe gelijkgesteld met rijksambtenaren van rang 17.

  Art. 6.2.58. De minister kan de nadere regels bepalen van de door de selectiecommissie te volgen procedure.

  Onderafdeling 6. - De federale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de federale politie.

  Art. 6.2.59. Bij de federale politie bestaat een door de commissaris-generaal samen te stellen selectiecommissie, hierna " de federale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de federale politie " genoemd. Zij omvat maximum vijf leden, de voorzitter inbegrepen en is derwijze samengesteld dat zij een onpaar aantal leden telt, de voorzitter inbegrepen.
  De voorzitter van deze selectiecommissie is steeds de commissaris-generaal of de directeur-generaal die de algemene directie leidt bedoeld in artikel 93 van de wet, onder wiens gezag de bij mobiliteit te begeven vacante betrekking ressorteert of hun vertegenwoordiger die ten minste is bekleed met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking van niveau A. (...) <KB 2005-12-20/41, art. 18, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006>
  De leden, bijzitters genoemd, worden aangewezen door de commissaris-generaal, met dien verstande dat :
  1° zij moeten doen blijken van een voor de opdracht van de federale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de federale politie relevante beroepservaring;
  2° ten minste één van de leden een personeelslid is van het administratief en logistiek kader van de federale politie dat ten minste bekleed is met de graad of gelijkwaardige graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking;
  3° onverminderd 2°, ten minste één van de leden een officier of een personeelslid van niveau A is van de federale politie dat ten minste bekleed is met de graad of gelijkwaardige graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking en die deel uitmaakt van de algemene directie waarin de bij mobiliteit te begeven betrekking vacant is.
  De commissaris-generaal wijst als plaatsvervangend voorzitter aan, hetzij een personeelslid van het administratief en logistiek kader van niveau A, hetzij een hogere officier. Hij wijst tevens plaatsvervangende leden aan die moeten voldoen aan de voorwaarden van de werkende leden.
  Een secretaris, aangewezen door de commissaris-generaal, staat de federale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de federale politie bij.

  Art. 6.2.60. De artikelen VI.II.56 tot en met VI.II.58 zijn van overeenkomstige toepassing op de federale selectiecommissie voor personeelsleden van niveau A van de federale politie.

  AFDELING 4. - DE SELECTIECOMMISSIES VOOR DE PERSONEELSLEDEN VAN HET MIDDEN- EN BASISKADER EN VOOR DE PERSONEELSLEDEN VAN DE NIVEAUS B EN C.

  Onderafdeling 1. - De plaatselijke selectiecommissie voor de personeelsleden van het midden- en basiskader van de lokale politie.

  Art. 6.2.61. De gemeente- of politieraad kan een selectiecommissie samenstellen, hierna " de plaatselijke selectiecommissie voor het midden- en basiskader van de lokale politie " genoemd, die als volgt is samengesteld :
  1° de korpschef of de door hem aangewezen officier, voorzitter;
  2° een officier van een korps van de lokale politie;
  3° een personeelslid van het operationeel kader van een korps van de lokale politie dat ten minste bekleed is met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking en die over de bekwaamheden beschikt die voor de bij mobiliteit te begeven betrekking vereist zijn.
  Kan, in voorkomend geval, geen beroep worden gedaan op het in het eerste lid, 3°, bedoelde personeelslid, dan wijst de gemeente- of de politieraad, op voorstel van de korpschef, een personeelslid van het operationeel kader van het eigen korps aan dat ten minste bekleed is met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking en onder wiens gezag, in de zin van artikel 120 van de wet, het te benoemen personeelslid van het operationeel kader zijn ambt zal uitoefenen.
  Een secretaris, aangewezen door de korpschef, staat de plaatselijke selectiecommissie voor het midden- en basiskader van de lokale politie bij.

  Art. 6.2.62. De gemeente- of de politieraad wijst de voorzitter en de leden aan van de plaatselijke selectiecommissie voor het midden- en basiskader van de lokale politie rekening houdend met het bepaalde in artikel VI.II.61.

  Onderafdeling 2. - De plaatselijke selectiecommissie voor de personeelsleden van de niveaus B en C van de lokale politie.

  Art. 6.2.63. De gemeente- of politieraad kan een selectiecommissie samenstellen, hierna " de plaatselijke selectiecommissie voor de niveaus B en C van de lokale politie " genoemd, die als volgt is samengesteld :
  1° de korpschef of de door hem aangewezen officier of personeelslid van het administratief en logistiek kader van niveau A, voorzitter;
  2° een officier of een personeelslid van het administratief of logistiek kader van niveau A van een korps van de lokale politie;
  3° een personeelslid van het administratief en logistiek kader van een korps van de lokale politie dat ten minste bekleed is met de gemene of bijzondere graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking en die over de bekwaamheden beschikt die voor de bij mobiliteit te begeven betrekking vereist zijn.
  Kan, in voorkomend geval, geen beroep worden gedaan op het in het eerste lid, 3°, bedoelde personeelslid, dan wijst de gemeente- of de politieraad, op voorstel van de korpschef, een personeelslid van het administratief en logistiek kader van het eigen korps aan dat ten minste bekleed is met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking. Kan, in voorkomend geval, geen beroep worden gedaan op een personeelslid dat voldoet aan de in dit lid gestelde voorwaarde, dan wijst de gemeente- of de politieraad, op voorstel van de korpschef, een personeelslid van het operationeel kader van het eigen korps aan dat ten minste tot het middenkader behoort en onder wiens gezag in de zin van artikel 120 van de wet, het te benoemen personeelslid van het administratief en logistiek kader zijn ambt zal uitoefenen.
  Een secretaris, aangewezen door de korpschef, staat de plaatselijke selectiecommissie voor de niveaus B en C van de lokale politie bij.

  Art. 6.2.64. De gemeente- of de politieraad wijst de leden aan van de plaatselijke selectiecommissie voor de niveaus B en C van de lokale politie rekening houdend met het bepaalde in artikel VI.II.63.

  Onderafdeling 3. - De federale selectiecommissie voor de personeelsleden van het midden- en basiskader van de federale politie.

  Art. 6.2.65. De commissaris-generaal kan een selectiecommissie samenstellen, hierna " de federale selectiecommissie voor het midden- en basiskader van de federale politie " genoemd, die als volgt is samengesteld :
  1° de commissaris-generaal of de directeur-generaal die de algemene directie leidt bedoeld in artikel 93 van de wet, onder wiens gezag de bij mobiliteit te begeven vacante betrekking ressorteert, of hun afgevaardigde, voorzitter;
  2° de leidende officier of diens plaatsvervanger van de dienst of eenheid waarbinnen de bij mobiliteit te begeven betrekking vacant is;
  3° een personeelslid van het operationeel kader van de federale politie dat ten minste bekleed is met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking en die over de bekwaamheden beschikt die voor de bij mobiliteit te begeven betrekking vereist zijn.
  Kan, in voorkomend geval, geen beroep worden gedaan op het in het eerste lid, 3°, bedoelde personeelslid, dan wijst de commissaris-generaal, op voorstel van de directeur-generaal bedoeld in het eerste lid, 1°, een personeelslid van het operationeel kader aan dat ten minste bekleed is met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking en onder wiens gezag in de zin van artikel 120 van de wet, het te benoemen of aan te wijzen personeelslid van het operationeel kader zijn ambt zal uitoefenen.
  (Een secretaris, aangewezen door de directeur-generaal personeel van de federale politie, staat de federale selectiecommissie voor de personeelsleden van het midden- en basiskader van de federale politie bij.) <KB 2005-12-20/41, art. 20, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006>

  Art. 6.2.66. De commissaris-generaal wijst de voorzitter en de leden aan van de federale selectiecommissie voor het midden- en basiskader van de federale politie, rekening houdend met het bepaalde in artikel VI.II.65. (...) <KB 2005-12-20/41, art. 21, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006>

  Onderafdeling 4. - De federale selectiecommissie voor de personeelsleden van de niveaus B en C van de federale politie.

  Art. 6.2.67. De commissaris-generaal kan een selectiecommissie samenstellen, hierna " de federale selectiecommissie voor de niveaus B en C van de federale politie " genoemd, die als volgt is samengesteld :
  1° de commissaris-generaal of de directeur-generaal die de algemene directie leidt bedoeld in artikel 93 van de wet, onder wiens gezag de bij mobiliteit te begeven vacante betrekking ressorteert, of hun vertegenwoordiger, voorzitter;
  2° de leidende officier of personeelslid van het administratief en logistiek kader van niveau A, of diens plaatsvervanger van de dienst of eenheid waarbinnen de bij mobiliteit te begeven betrekking vacant is;
  3° een personeelslid van het administratief en logistiek kader van de federale politie dat ten minste bekleed is met de gemene of bijzondere graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking en die over de bekwaamheden beschikt die voor de bij mobiliteit te begeven betrekking vereist zijn.
  Kan, in voorkomend geval, geen beroep worden gedaan op het in het eerste lid, 3°, bedoelde personeelslid, dan wijst de commissaris-generaal, op voorstel van de directeur-generaal bedoeld in het eerste lid, 1°, een personeelslid van het administratief en logistiek kader aan dat ten minste bekleed is met de graad die overeenstemt met de bij mobiliteit te begeven betrekking.
  Een secretaris, aangewezen door de commissaris-generaal, staat de federale selectiecommissie voor de niveaus B en C van de federale politie bij.

  Art. 6.2.68. De commissaris-generaal wijst de voorzitter en de leden aan van de federale selectiecommissie voor de niveaus B en C van de federale politie, rekening houdend met het bepaalde in artikel VI.II.67.(...) <KB 2005-12-20/41, art. 21, 023; Inwerkingtreding : 30-01-2006>

  Afdeling 5. [1 - Bijzondere bepalingen eigen aan de mobiliteit naar een betrekking van verbindingsofficier.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-04-03/04, art. 2, 054; Inwerkingtreding : 20-04-2013>

  Art. 6.2.68bis. [1 § 1. Indien een betrekking van verbindingsofficier wordt begeven, komt uitsluitend het personeelslid in aanmerking dat nog ten minste zes volle dienstjaren kan vervullen voor de verplichte leeftijd van opruststelling.
   De laureaat van de selectieprocedure voor een betrekking van verbindingsofficier wordt aangewezen voor een periode van zes jaar, zonder dat het mogelijk is om opnieuw voor een dergelijke betrekking te worden aangewezen binnen de twee jaar na het verstrijken van die periode van zes jaar.
   In afwijking van het tweede lid kan het personeelslid zich geldig kandidaat stellen en deelnemen aan de selectie voor een betrekking van verbindingsofficier in het buitenland vooraleer de bedoelde periode van twee jaar is verstreken, met dien verstande dat zijn kandidaatstelling slechts wordt onderzocht indien geen enkele andere kandidaat geschikt wordt bevonden voor die betrekking door de selectiecommissie.
   § 2. In afwijking van artikel VI.II.37, deelt de selectiecommissie haar gemotiveerd voorstel, bevattende de door haar geschikt bevonden kandidaten, in volgorde van geschiktheid, alsook alle kandidaturen en haar beoordeling hiervan, mee aan de minister.
   In afwijking van artikel VI.II.38, eerste lid, vergelijkt de minister de respectieve aanspraken en verdiensten van de door de selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten op grond van het voorstel van die selectiecommissie en de in artikel VI.II.35, derde lid, bepaalde gegevens, waarna hij beslist welke de meest geschikte kandidaat is voor de bij mobiliteit te begeven betrekking.
   § 3. In afwijking van artikel VI.II.55, eerste lid, omvat de federale selectiecommissie voor officieren van de federale politie zeven leden, de voorzitter inbegrepen.
   In afwijking van artikel VI.II.55, derde lid, zijn de leden, bijzitters genoemd :
   1° een vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken;
   2° een vertegenwoordiger van het College van Procureurs-generaal en een vertegenwoordiger van het federaal parket, beiden aangewezen door de minister van Justitie;
   3° twee hoofdcommissarissen van politie van de federale politie, aangewezen door de commissaris-generaal;
   4° een hoofdcommissaris van politie aangewezen door de vaste commissie van de lokale politie.
   In afwijking van artikel VI.II.55, vierde lid, wijst de commissaris-generaal een hoger officier aan als plaatsvervangend voorzitter, alsook plaatsvervangende leden voor de bijzitters bedoeld in het tweede lid, 3°, die moeten voldoen aan de voorwaarden van de werkende voorzitter en leden. De minister van Buitenlandse Zaken, de minister van Justitie en de vaste commissie van de lokale politie wijzen plaatsvervangende leden aan voor de bijzitters respectievelijk bedoeld in het tweede lid, 1°, 2° en 4°, die moeten voldoen aan de voorwaarden van de werkende leden.
   § 4. De kandidaat die meent dat hij een reden van wraking in de zin van artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek kan voordragen tegen de voorzitter of een bijzitter van de in § 3 bedoelde selectiecommissie, of die meent dat de voorzitter of een bijzitter hem onmogelijk onpartijdig kan beoordelen, moet de betrokken voorzitter of bijzitter op straffe van onontvankelijkheid wraken vóór het verstrijken van de in artikel VI.II.11 bepaalde termijn.
   De wraking van een bijzitter wordt, op straffe van onontvankelijkheid, bij gemotiveerd verzoekschrift gevraagd aan de voorzitter van de selectiecommissie.
   De wraking van de voorzitter wordt, op straffe van onontvankelijkheid, bij gemotiveerd verzoekschrift gevraagd aan de minister.
   De minister of, naar gelang van het geval, de voorzitter beslist over de wrakingsgronden en vervangt, in voorkomend geval, respectievelijk de gewraakte voorzitter of bijzitter door een plaatsvervanger die voldoet aan de aanwijzingsvoorwaarden van de gewraakte voorzitter of bijzitter. De gewraakte voorzitter of bijzitter en de betrokken kandidaat worden in kennis gesteld van die met redenen omklede beslissing.
   § 5. Meent een lid van de in § 3 bedoelde selectiecommissie dat één of meer kandidaten een reden van wraking tegen hem kunnen voordragen in de zin van artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek, of dat het hem onmogelijk is de kandidaat onpartijdig te beoordelen of indien hij zelf kandidaat is voor het aan te wijzen ambt, dan meldt hij dit aan de voorzitter van die selectiecommissie of, indien het de voorzitter betreft, aan de minister.
   De voorzitter of, naar gelang van het geval, de minister beslist en handelt overeenkomstig § 4, vierde lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-04-03/04, art. 2, 054; Inwerkingtreding : 20-04-2013>

  AFDELING 6. [1 - BIJZONDERE BEPALINGEN EIGEN AAN DE MOBILITEIT NAAR EEN BETREKKING BINNEN DE DIRECTIE VAN DE SPECIALE EENHEDEN.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-04-20/10, art. 2, 064; Inwerkingtreding : 23-05-2015>

  Art. 6.2.68ter. [1 De overheid bedoeld in artikel VI.II.15, § 1, kan een maximumperiode van aanwijzing vaststellen voor de betrekkingen van de directie van de speciale eenheden die zij bepaalt, zonder dat het mogelijk is om opnieuw voor een dergelijke betrekking te worden aangewezen binnen de vijf jaar na het verstrijken van die maximumperiode.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-04-20/10, art. 2, 064; Inwerkingtreding : 23-05-2015>

  HOOFDSTUK III. - BIJZONDERE BEPALINGEN EIGEN AAN DE FEDERALE POLITIE : DE AMBTSHALVE AANWIJZING.

  Art. 6.2.69. Bij gebrek aan een kandidaat die voldoet aan de algemene voorwaarden van mobiliteit bedoeld in artikel VI.II.10, voor een bij mobiliteit vacant verklaarde betrekking, kan de commissaris-generaal, binnen de perken van artikel 108 van de wet, overgaan tot de ambtshalve aanwijzing van een personeelslid voor deze betrekking.
  De ambtshalve aanwijzing gebeurt steeds, naar gelang van het geval, in een betrekking van het operationeel kader of het administratief en logistiek kader.

  Art. 6.2.70. Een ambtshalve aanwijzing van een personeelslid is slechts mogelijk indien dit personeelslid bekleed is met een graad die toegang verleent tot de betrekking waarin ambtshalve wordt voorzien en indien het over de voor de uitoefening van die betrekking vereiste kennis en vaardigheden beschikt.
  In het geval van een ambtshalve aanwijzing van een personeelslid dat deel uitmaakt van de algemene directie gerechtelijke politie of van een gedeconcentreerde gerechtelijke dienst, buiten deze diensten, wint de commissaris-generaal voorafgaand aan de ambtshalve aanwijzing het advies in van de directeur-generaal die de algemene directie gerechtelijke politie leidt. Indien deze niet instemt met de beslissing van de commissaris-generaal, dan kan in dit geval diens beslissing worden herroepen overeenkomstig het bepaalde in artikel 100, derde lid, van de wet.

  Art. 6.2.71. De minister kan de nadere regels bepalen van de procedure die door de commissaris-generaal moet worden gevolgd bij een ambtshalve aanwijzing in de zin van dit hoofdstuk.

  HOOFDSTUK IV. - DE TIJDELIJKE INPLAATSSTELLING VAN DE PERSONEELSLEDEN.

  AFDELING 1. - DE DETACHERING EN DE TERBESCHIKKINGSTELLING.

  Art. 6.2.72. Deze afdeling is niet van toepassing op de in de artikelen 96 en 105 van de wet bedoelde detacheringen.

  Art. 6.2.73. De bevoegde overheid om te beslissen over een detachering of een terbeschikkingstelling is :
  1° in de schoot van eenzelfde algemene directie van de federale politie : de directeur-generaal;
  2° in de schoot van eenzelfde korps van de lokale politie : de korpschef;
  3° tussen twee algemene directies van de federale politie : de commissaris-generaal;
  4° van de federale politie naar een korps van de lokale politie : de minister na advies van de commissaris-generaal;
  5° van een korps van de lokale politie naar een korps van de lokale politie of naar de federale politie : de burgemeester of het politiecollege, na advies van de betrokken korpschef waaronder het betrokken personeelslid ressorteert.

  Art. 6.2.74. De terbeschikkingstelling kan :
  1° hetzij gebeuren op de gewone plaats van het werk zelf;
  2° hetzij gepaard gaan met een zending naar een tijdelijke plaats van het werk maar met een systematische terugkeer naar de gewone plaats van het werk die toelaat dat de dienst of eenheid dagelijks kan beslissen over de doeltreffendheid van de terbeschikkingstelling.

  Art. 6.2.75. Zonder afbreuk te doen aan artikel 120 van de wet en aan artikel 21 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten en (onverminderd artikel VII.I.18), staat het gedetacheerde personeelslid zowel operationeel als administratief onder het gezag van de overheid van het korps of de dienst waarnaar het is gedetacheerd. <KB 2007-12-20/51, art. 6, 034; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
  Voor de opdrachten waarvoor het personeelslid terbeschikking is gesteld, staat het onder het functioneel gezag van de overheid van de eenheid of de dienst ten voordele van wie het terbeschikking is gesteld, doch blijft het onder het administratief gezag van de overheid van het korps of de dienst waartoe het behoort of is aangewezen.

  Art. 6.2.76. De minister kan de nadere regels bepalen van de procedure inzake de detachering en de terbeschikkingstelling, te volgen door de overheden bedoeld in deze afdeling.

  AFDELING 2. - DE UITOEFENING VAN EEN HOGER AMBT.

  Art. 6.2.77. Voor de toepassing van deze afdeling verstaat men onder hoger ambt :
  1° (elke betrekking die overeenstemt met de in de personeelsformatie voorkomende betrekking van een (onmiddellijk hoger niveau of een hogere klasse), wat de personeelsleden van het administratief en logistiek kader betreft of een hogere graad, wat de personeelsleden van het operationeel kader betreft, dan het niveau (, de klasse) of de graad van het personeelslid.) <KB 2003-10-24/35, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2001> <KB 2007-03-23/36, art. 10, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  2° elke betrekking die is voorzien in de personeelsformatie en waarvan de toekenning aan het betrokken personeelslid het recht opent op een weddebijslag voor de uitoefening van een mandaatfunctie of, indien hij reeds op deze grond een dergelijke weddebijslag geniet, tot een hogere weddebijslag.

  Art. 6.2.78. Een personeelslid kan, wanneer dwingende redenen van omkadering zulks vereisen, worden aangesteld in een hoger ambt voor een betrekking die tijdelijk of definitief niet wordt waargenomen door een titularis.
  (Onverminderd het eerste lid, kan alleen een officier worden aangesteld in een hoger ambt van hoger officier.) <KB 2007-03-23/36, art. 11, 1°, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (Het personeelslid van het administratief en logistiek kader kan enkel worden aangesteld in een betrekking van een hoger niveau of een hogere klasse waarvoor bij aanwerving een specifiek diploma of getuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van dat hogere niveau bij de federale Rijksbesturen, zoals opgenomen in de bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, is vereist, indien het houder is van dit specifiek diploma.
  Het personeelslid van niveau B kan enkel worden aangesteld voor de uitoefening van een hoger ambt van klasse A1 of A2.) <KB 2007-03-23/36, art. 11, 2°, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 6.2.79. Het personeelslid dat een zware tuchtstraf heeft opgelopen, mag niet aangesteld worden voor het uitoefenen van een hoger ambt vooraleer zijn straf uitgewist is.

  Art. 6.2.80. De uitoefening van het hoger ambt wordt toevertrouwd aan het personeelslid dat het meest geschikt bevonden wordt om in de onmiddellijke dienstbehoeften te voorzien.

  Art. 6.2.81. Onverminderd artikel 46 van de wet, beslist :
  1° de burgemeester, het politiecollege, de minister of zijn gemachtigde over de tijdelijke aanstelling in een betrekking van hoger officier, na advies van de korpschef of commissaris-generaal;
  2° de burgemeester, het politiecollege of de commissaris-generaal over de tijdelijke aanstelling in een betrekking van officier, na advies van de korpschef of de bevoegde directeur-generaal;
  3° de korpschef of de commissaris-generaal over de tijdelijke aanstelling in een betrekking van andere kaders dan het officierskader of in het administratief en logistiek kader.

  Art. 6.2.82. In een betrekking die tijdelijk niet wordt ingenomen door de titularis kan het personeelslid voor de duur van de afwezigheid worden aangesteld tot de titularis van de betrekking opnieuw zijn betrekking opneemt.
  Een betrekking die definitief niet meer wordt ingenomen door een titularis en derhalve vacant is, kan slechts voor ten hoogste zes maanden via een tijdelijke aanstelling worden waargenomen op voorwaarde dat binnen de drie maanden na het vacant worden van de betrekking de procedure tot toekenning van de betrekking bij mobiliteit wordt ingezet.
  De in het tweede lid bepaalde aanstelling kan bij gemotiveerde beslissing worden verlengd volgens de behoeften van de dienst en dit tot ten hoogste de dag van de toekenning bij mobiliteit van de betrekking.

  Art. 6.2.83. De akte van aanstelling in een hoger ambt vermeldt :
  1° de omschrijving van de betrekking die vacant is of tijdelijk niet ingenomen wordt door de titularis ervan, zijn laatste of huidige titularis en de reden van diens vertrek of afwezigheid;
  2° een verantwoording van de noodzaak om in de vacature een hoger ambt toe te kennen;
  3° een verantwoording van de keuze van het voorgestelde personeelslid.

  Art. 6.2.84. De uitoefening van een hoger ambt verleent geen aanspraken op een aanwijzing in die betrekking of bevordering in de graad (of de klasse) van die betrekking. <KB 2007-03-23/36, art. 12, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Een personeelslid dat met een hoger ambt is belast, oefent alle aan dat ambt verbonden prerogatieven uit.

  HOOFDSTUK V. - DE HERPLAATSING.

  AFDELING 1. - TOEPASSINGSGEBIED.

  Art. 6.2.85.Kan worden herplaatst, het personeelslid dat :
  1° niet langer over de vereiste medische geschiktheid beschikt voor de uitoefening van de betrekking maar dat opnieuw kan worden geplaatst in een andere betrekking die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand;
  2° [1 daarom verzoekt omdat het, hetzij in de uitoefening van zijn functie hetzij omwille van zijn loutere hoedanigheid van politiepersoneelslid, slachtoffer is van een ernstige gewelddaad;]1
  [2 2° bis is aangewezen voor een betrekking bedoeld in artikel VI.II.68ter;]2
  3° geen voldoening geeft tijdens de stage of opleiding die voorvloeit uit zijn aanwijzing in een gespecialiseerde betrekking;
  4° heropgenomen wordt overeenkomstig titel III van deel IX;
  5° als stagiair wegens beroepsongeschiktheid wordt herplaatst in zijn kader van oorsprong;
  6° het personeelslid dat daarom verzoekt op grond van artikel VI.I.11, vierde lid, 2°;
  7° het personeelslid dat uit disponibiliteit terugkeert en dat onder toepassing valt van artikel VIII.XI.12, 2°;
  8° wegens enigerlei oorzaak moet worden aangewezen voor een andere dan zijn eigen betrekking;
  [3 9° in het raam van het eindeloopbaanregime bedoeld in hoofdstuk VII een aangepaste betrekking heeft verkregen.]3
  ----------
  (1)<Opnieuw ingevoegd bij KB 2014-02-03/08, art. 2, 060; Inwerkingtreding : 02-03-2014>
  (2)<KB 2015-04-20/10, art. 3, 064; Inwerkingtreding : 23-05-2015>
  (3)<KB 2015-11-09/12, art. 1, 067; Inwerkingtreding : 25-11-2015>

  AFDELING 2. - NADERE BEPALINGEN INZAKE HERPLAATSING.

  Art. 6.2.86.De herplaatsing wordt bevolen door de korpschef of door de commissaris-generaal, op advies van de directeur-generaal die de algemene directie leidt binnen dewelke het personeelslid wordt herplaatst.
  [1 In afwijking van het eerste lid geschiedt de herplaatsing bedoeld in [3 artikel VI.II.85, 2°, 2° bis en 9°]3, op beslissing van de minister indien het personeelslid herplaatst wordt in een ander korps dan het korps waarvan het op het ogenblik van de beslissing tot herplaatsing deel uitmaakt.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-02-03/08, art. 3, 060; Inwerkingtreding : 02-03-2014>
  (2)<KB 2015-04-20/10, art. 4, 064; Inwerkingtreding : 23-05-2015>
  (3)<KB 2015-11-09/12, art. 2, 067; Inwerkingtreding : 25-11-2015>

  Art. 6.2.87.De herplaatsing in een betrekking gebeurt met inachtneming van de functiebeschrijving en het gewenste profiel van de titularis van die betrekking. Inzonderheid moet het personeelslid geslaagd zijn voor de vereiste selectieproeven indien deze voor het toewijzen van de betrekking vereist zijn.
  Indien het personeelslid omwille van medische ongeschiktheid wordt herplaatst, moet de nieuwe betrekking verenigbaar zijn met zijn gezondheidsprofiel.
  [1 In afwijking van het eerste lid, kan het personeelslid dat is aangewezen voor een betrekking bedoeld in artikel VI.II.68ter worden herplaatst in een gespecialiseerde betrekking waarvoor een brevet is vereist overeenkomstig de bijlage 19, zelfs indien het geen houder is van het betrokken brevet.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-04-20/10, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 23-05-2015>

  Art. 6.2.88.[1 De herplaatsing gebeurt]1 steeds in, naar gelang van het geval, het operationeel kader of het administratief en logistiek kader van het korps waarvan het personeelslid op het ogenblik van de beslissing tot herplaatsing deel uitmaakt of, bij heropneming in de zin van titel III van deel IX, deel uitmaakte op de dag van zijn ambtsneerlegging.
  [In afwijking van het eerste lid geschiedt de herplaatsing van het personeelslid bedoeld in artikel VI.II.85, 3°, slechts in het korps waartoe het behoorde op het ogenblik dat het werd aangewezen voor de in artikel VI.II.85, 3°, bedoelde betrekking, indien het betrokken personeelslid en de betrokken korpschef of, naar gelang van het geval, de commissaris-generaal daartoe in onderling akkoord beslissen. Bij gebrek aan onderling akkoord wordt het personeelslid herplaatst in het korps waartoe het behoort op het ogenblik van de beslissing tot herplaatsing.] <KB 2005-06-13/45, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 08-07-2005>
  [2 In afwijking van het eerste lid kan de herplaatsing van een personeelslid bedoeld in artikel VI.II.85, 2°, [4 en 9°,]4 geschieden in een ander korps dan het korps waarvan het op het ogenblik van de beslissing tot herplaatsing deel uitmaakt. Dergelijke herplaatsing is enkel mogelijk mits het akkoord van de betrokken korpsen wordt bekomen. Dit akkoord wordt verleend door de commissaris-generaal voor wat de federale politie betreft of door de korpschef voor wat de lokale politie betreft.]2
  [3 In afwijking van het eerste lid, kan de herplaatsing van een personeelslid bedoeld in artikel VI.II.85, 2° bis, op zijn vraag en mits het akkoord van de commissaris-generaal en de betrokken korpschef, geschieden in een korps van de lokale politie.]3
  ----------
  (1)<KB 2010-01-12/04, art. 18, 048; Inwerkingtreding : 15-02-2010>
  (2)<KB 2014-02-03/08, art. 4, 060; Inwerkingtreding : 02-03-2014>
  (3)<KB 2015-04-20/10, art. 6, 064; Inwerkingtreding : 23-05-2015>
  (4)<KB 2015-11-09/12, art. 3, 067; Inwerkingtreding : 25-11-2015>

  Art. 6.2.89.[1 Met uitzondering van de herplaatsing bedoeld in artikel VI.II.85, 9°, gebeurt de herplaatsing van een personeelslid]1 in een vacante betrekking die kan worden toegekend aan een personeelslid dat bekleed is met een graad uit dezelfde gradengroep als die van de herplaatste.
  Bij gebreke aan vacatures of indien op het ogenblik van de beslissing tot herplaatsing een procedure loopt om de betrekking bij mobiliteit toe te wijzen, geschiedt de herplaatsing in overtal. In dat geval wordt het personeelslid ambtshalve aangewezen voor een binnen zijn politiekorps vacantverklaarde betrekking, zodra een dergelijke betrekking niet bij mobiliteit overeenkomstig hoofdstuk II van deze titel werd toegewezen.
  ----------
  (1)<KB 2015-11-09/12, art. 4, 067; Inwerkingtreding : 25-11-2015>

  Art. 6.2.90. De overheid die tot de herplaatsing beslist, kan, al dan niet voorafgaand aan de herplaatsing, een personeelslid verplichten de door haar bepaalde specifieke bijscholing te volgen.

  Art. 6.2.91.Onverminderd de artikelen [1 V.II.16, tweede lid]1, en V.III.22, tweede lid, behoudt het herplaatste personeelslid zijn graad en de daaraan verbonden loonschaal.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-24/24, art. 3, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Hoofdstuk VI. - Slotbepaing. <Ingevoegd bij KB 2005-12-20/41, art. 23; Inwerkingtreding : 30-01-2006>

  Art. 6.2.92. <Ingevoegd bij KB 2005-12-20/41, art. 23; Inwerkingtreding : 30-01-2006> Het personeelslid dat ingevolge een mobiliteitsprocedure, een ambtshalve aanwijzing of een herplaatsing wordt aangewezen voor een gespecialiseerde betrekking waaraan een functietoelage bedoeld in artikel XI.III.12 is gekoppeld, kan niet worden aangewezen voor een betrekking van een andere categorie, behoudens :
  1° op zijn vraag;
  2° in geval van reorganisatie van het politiekorps waarbij het is aangewezen;
  3° indien het het voorwerp uitmaakt van een tuchtvervolging;
  4° indien het het voorwerp uitmaakt van een ordemaatregel;
  5° vaststaande medische redenen;
  6° indien zijn laatste evaluatie de eindvermelding onvoldoende draagt.

  Hoofdstuk VII. [1 - Het eindeloopbaanregime.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 6.2.93. [1 Onder "eindeloopbaanregime" moet worden begrepen de mogelijkheid tot het verkrijgen van een aangepaste betrekking, bij een politiewerkgever, in het licht van een leeftijdsbewust personeelsbeleid.
   Onder "aangepaste betrekking" moet worden begrepen een statutaire betrekking van het operationeel dan wel van het administratief en logistiek kader die aangepast is aan het profiel en de mogelijkheden van het betrokken personeelslid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 6.2.94. [1 Het personeelslid van het operationeel kader dat de leeftijd heeft van ten minste 58 jaar kan een aanvraag tot eindeloopbaanregime indienen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 6.2.95. [1 De aanvraag daartoe, met vermelding van de beoogde betrekkingen, wordt door het personeelslid ingediend bij de eindeloopbaancommissie bedoeld in artikel VI.II.97 met afschrift aan de personeelsdienst van zijn werkgever.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 6.2.96. [1 De, naargelang van het geval, gemeente- of politieraad of de bij artikel 56, tweede lid, van de wet daartoe gedelegeerde overheid of de Minister, of de daartoe gedelegeerde directeur-generaal van het middelenbeheer en de informatie, kent, na advies van de eindeloopbaancommissie, desgevallend een aangepaste betrekking toe waarin het betrokken personeelslid wordt herplaatst en mits, desgevallend, wederzijds akkoord van de betrokken werkgevers over de termijn van inplaatsstelling die maximaal vier maanden beslaat.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 6.2.97. [1 De eindeloopbaancommissie bestaat uit de volgende leden aangewezen door de in artikel VI.II.96 bedoelde overheid :
   1° twee vertegenwoordigers van het betrokken politiekorps;
   2° een expert gespecialiseerd in personeelsbeleid gericht op de duurzame inzetbaarheid van de personeelsleden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 6.2.98. [1 De commissie hoort de aanvrager.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 6.2.99. [1 De commissie houdt in haar advies rekening met de functiebeschrijving van de beschikbare aangepaste betrekkingen en met het profiel en de mogelijkheden van het personeelslid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 6.2.100. [1 De commissie kan slechts geldig adviseren indien de meerderheid van zijn leden aanwezig is en beslist bij geheime stemming en bij gewone meerderheid van de stemmen.
   Het advies wordt bezorgd aan het personeelslid en de betrokken werkgevers.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 6.2.101. [1 De commissies en de betrokken personeelsleden kunnen een gegevensbank met aangepaste betrekkingen in de geïntegreerde politie raadplegen, beheerd door de dienst personeelsbeheer van de directie personeel van de federale politie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 6.2.102. [1 Het personeelslid dat herplaatst is in een aangepaste betrekking behoudt zijn rechten op zijn weddeschaal en, in voorkomend geval, baremische loopbaan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  Art. 6.2.103. [1 De overheid bedoeld in artikel VI.II.15 kan het personeelslid dat tewerkgesteld is in een aangepaste betrekking vervangen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-09/12, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 25-11-2015>
  

  DEEL VII. - DE ADMINISTRATIEVE LOOPBAAN.
  (NOTA : Titel I, bestaande uit de artikelen VII.I.1 tot VII.I.51, wordt vervangen door een Titel I, bestaande uit de artikelen VII.I.1 tot VII.I.31 bij <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>)

  TITEL I. - DE EVALUATIE. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>

  HOOFDSTUK I. - De inhoud. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>

  Art. 7.1.1. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Het evaluatiedomein van " de overeenstemming van de beroepsbekwaamheden van het personeelslid met het competentieprofiel van de uitgeoefende functie " bestaat uit de volgende drie types van competenties waarbij voor elk type vijf niveaus zijn vastgelegd :
  1° de basiscompetenties die gemeenschappelijk zijn voor de profielen van alle functies in de politiediensten;
  2° de positiecompetenties die gekoppeld zijn aan de positie van de functie in de politiediensten;
  3° de specifieke competenties die gekoppeld zijn aan de specificiteit van de functie, aan haar strategisch referentiedomein en aan de activiteiten die in het raam van die functie worden uitgeoefend.
  Elke functie is verwant aan een generieke functie die wordt omschreven volgens de positie die wordt bekleed. De minister bepaalt de generieke functies en omschrijft de basis- en positiecompetenties ervan.
  De basis- en positiecompetenties vormen het generieke deel van het competentieprofiel en zijn gegroepeerd in een referentielijst vastgesteld door de minister.
  Op vraag van de eindverantwoordelijke voor de evaluatie vult de evaluator het generieke deel van het competentieprofiel van de generieke functie aan door specifieke competenties, hetzij uitgekozen onder de competenties van de door de minister bepaalde referentielijst, hetzij omschreven door de evaluator volgens de door de minister vastgestelde methodologie.

  Art. 7.1.2. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Het evaluatiedomein van " de houding ten aanzien van de waarden van de politiediensten " heeft betrekking op de wijze waarop de geëvalueerde zich gedraagt ten aanzien van de waarden van de politiediensten.

  Art. 7.1.3. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Het evaluatiedomein van " het realiseren van de doelstellingen " heeft betrekking op het realiseren van :
  1° de individuele doelstellingen;
  2° de operationele doelstellingen.
  De individuele doelstellingen worden voor alle personeelsleden vastgesteld. Zij bepalen de door de geëvalueerde te verbeteren punten op het vlak van de competenties die inherent zijn aan zijn functie en/of op het vlak van zijn houding tegenover de waarden.
  De operationele doelstellingen worden vastgesteld voor de personeelsleden die een functie uitoefenen met een effectieve en rechtstreekse verantwoordelijkheid in het realiseren van de doelstellingen van de dienst. Zij zijn de operationele omzetting, op het niveau van de dienst, van de doelstellingen van de politiediensten.
  De individuele doelstellingen en, in voorkomend geval, de operationele doelstellingen worden tijdens het planningsgesprek schriftelijk vastgelegd tussen de geëvalueerde en de evaluator.
  Het bepalen van de middelen die worden toegekend voor het realiseren van de doelstellingen moet op hetzelfde ogenblik gebeuren als het omschrijven van die doelstellingen.
  Indien de geëvalueerde en de evaluator tijdens het planningsgesprek geen akkoord bereiken over de doelstellingen, komt het de eindverantwoordelijke voor de evaluatie toe om die vast te stellen.

  Art. 7.1.4. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> De doelstellingen kunnen ingevolge wijzigingen in de organisatie of in de werking van de dienst of, in voorkomend geval, ingevolge de beslissing van de raad van beroep worden aangepast tijdens een functioneringsgesprek. Die aanpassing verloopt volgens de procedure bedoeld in artikel VII.I.3.

  HOOFDSTUK II. - De evaluator, de eindverantwoordelijke voor de evaluatie en de evaluatie-adviseur. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>

  Art. 7.1.5. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> De eindverantwoordelijke voor de evaluatie wijst de evaluator(en) aan na voorafgaand overleg in het betrokken overlegcomité.

  Art. 7.1.6. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> § 1. Mogen geen evaluatie opstellen, noch de evaluator, noch de eindverantwoordelijke voor de evaluatie die :
  1° kandidaat is voor dezelfde betrekking of voor eenzelfde bevordering als de geëvalueerde;
  2° meent dat tegen hem een reden tot wraking kan worden voorgedragen in de zin van artikel 828 van het gerechtelijk wetboek of dat het hem onmogelijk is de geëvalueerde onpartijdig te beoordelen.
  § 2. Het personeelslid dat meent dat ten aanzien van de evaluator of de eindverantwoordelijke voor de evaluatie die niet de korpschef, de commissaris-generaal, de directeur-generaal, de inspecteur-generaal of de directeur-diensthoofd SSGPI is, één van de in § 1 bepaalde gronden tot wraking gelden, brengt dit onverwijld ter kennis van de korpschef, de commissaris-generaal, de directeur-generaal, de inspecteur-generaal of de directeur-diensthoofd SSGPI waaronder het ressorteert.
  Meent de evaluator of de eindverantwoordelijke voor de evaluatie die niet de korpschef, de commissaris-generaal, de directeur-generaal, de inspecteur-generaal of de directeur-diensthoofd SSGPI is, dat de geëvalueerde een in § 1 bepaalde grond tot wraking tegen hem kan voordragen, dan meldt hij dit aan de korpschef, de commissaris-generaal de directeur-generaal, de inspecteur-generaal of de directeur-diensthoofd SSGPI waaronder hij ressorteert.
  De korpschef, de commissaris-generaal, de directeur-generaal, de inspecteur-generaal of de directeur-diensthoofd SSGPI waaronder de geëvalueerde ressorteert, beslist over de wrakingsgronden en vervangt, in voorkomend geval, de gewraakte evaluator of eindverantwoordelijke voor de evaluatie door een plaatsvervanger. De gewraakte evaluator of de gewraakte eindverantwoordelijke voor de evaluatie en de betrokken geëvalueerde worden in kennis gesteld van die met redenen omklede beslissing.
  § 3. Is de overeenkomstig § 2 gewraakte eindverantwoordelijke voor de evaluatie de korpschef, de commissaris-generaal, de directeur-generaal, de inspecteur-generaal of de directeur-diensthoofd SSGPI dan brengt het in § 2, eerste lid, bedoelde personeelslid, het verzoek tot wraking ter kennis van de korpschef, de commissaris-generaal, de directeur-generaal, de inspecteur-generaal of de directeur-diensthoofd SSGPI die dit verzoek onverwijld doorzendt naar de minister of de door deze aangewezen dienst. Hetzelfde doet de korpschef, de commissaris-generaal, de directeur-generaal, de inspecteur-generaal of de directeur-diensthoofd SSGPI die meent dat de geëvalueerde een in § 1 bepaalde grond tot wraking tegen hem kan voordragen.
  De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst beslist over de wrakingsgronden en vervangt, in voorkomend geval, de gewraakte korpschef, commissaris-generaal, directeur-generaal, inspecteur-generaal of directeur-diensthoofd SSGPI door een plaatsvervanger. De gewraakte korpschef, commissaris-generaal, directeur-generaal, inspecteur-generaal of directeur-diensthoofd SSGPI en de betrokken geëvalueerde worden in kennis gesteld van die met redenen omklede beslissing.

  Art. 7.1.7. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Heeft de evaluator of de eindverantwoordelijke voor de evaluatie de geëvalueerde minder dan vier maanden onder zijn gezag, dan stelt hij zijn evaluatie op, inzonderheid, in voorkomend geval, op basis van de tussentijdse evaluatie, opgesteld door de vorige evaluator of eindverantwoordelijke voor de evaluatie, die in het persoonlijk dossier van de geëvalueerde werd opgenomen, met dien verstande evenwel dat de door deze gegeven evaluatie enkel betrekking mag hebben op de periode waarin zij ten opzichte van de geëvalueerde de hoedanigheid van evaluator of eindverantwoordelijke voor de evaluatie hadden.

  Art. 7.1.8. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Indien een personeelslid, met uitzondering van de verbindingsambtenaren bedoeld in artikel 105 van de wet en van de gedetacheerden en daarmee gelijkgestelden bedoeld in artikel 96 van de wet, sedert meer dan vier maanden gedetacheerd is naar een andere dienst, dan treedt zijn functionele meerdere in de dienst van detachering op als evaluator en is de eindverantwoordelijke voor de evaluatie diegene die hij had in zijn dienst van oorsprong.

  HOOFDSTUK III. - De evaluatieperiode. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>

  Art. 7.1.9.<KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> De evaluatie geschiedt tweejaarlijks, te rekenen vanaf de datum van de vorige evaluatie opgesteld door de evaluator of, in voorkomend geval, de eindverantwoordelijke voor de evaluatie. De eerste evaluatie geschiedt, [2 wat de personeelsleden van het kader van agenten van politie, van het middenkader en van het officierskader betreft, twee jaar na de datum van de in artikel V.II.2 bedoelde benoeming, wat de personeelsleden van het basiskader betreft, twee jaar na het verstrijken van de in artikel V.II.8 bedoelde termijn, eventueel verlengd overeenkomstig de artikelen V.II.14, eerste lid, 2°, of V.II.15, zevende lid]2 en, wat het administratief en logistiek kader betreft, [1 twee jaar na het verstrijken van de in artikel V.III.13 bedoelde termijn, eventueel verlengd overeenkomstig artikel V.III.19, eerste lid, 1°]1, bepaalde beslissing of twee jaar na de datum van de indienstneming.
  Tijdens deze periode van twee jaar, " evaluatieperiode " genoemd, wordt niet overgegaan tot enige andere evaluatie tenzij de geëvalueerde wordt aangewezen voor een andere betrekking. In dit geval kan hij vragen dat de evaluator een tussentijdse evaluatie opstelt volgens de procedure beschreven in de artikelen VII.I.16 tot VII.I.20.
  Indien de evaluator wordt aangewezen voor een andere betrekking, kan hij, op verzoek van de eindverantwoordelijke voor de evaluatie, voor elk van de geëvalueerden waarvoor hij als evaluator was aangewezen, een tussentijdse evaluatie opstellen volgens dezelfde procedure.
  De tussentijdse evaluatie heeft niet voor gevolg dat een nieuwe evaluatieperiode aanvangt.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 51, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>
  (2)<KB 2014-04-24/24, art. 4, 063; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 7.1.10. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> De evaluatieperiode van het personeelslid dat tijdens die periode langdurig met verlof is volgens één van de verlofstelsels bedoeld in de artikelen VIII.III.1 tot VIII.XV.6, wordt verlengd met de duur van dit verlof.
  Na afloop van dat langdurig verlof houden de geëvalueerde en de evaluator een functioneringsgesprek waarin de doelstellingen van de geëvalueerde opnieuw worden omschreven.
  Onder langdurig verlof zoals bedoeld in het eerste lid moet worden verstaan elke ononderbroken afwezigheid van vier maanden of meer.

  HOOFDSTUK IV. - Het planningsgesprek, het functioneringsgesprek en het evaluatiegesprek.

  Art. 7.1.11. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Elke evaluatieperiode vangt aan met een planningsgesprek dat onmiddellijk volgt op het evaluatiegesprek van de vorige evaluatieperiode, behoudens in het geval bedoeld in artikel VII.I.18, tweede lid, 2°, waar het planningsgesprek van de nieuwe evaluatieperiode wordt gehouden binnen de maand die volgt op de mededeling van de beslissing van de eindverantwoordelijke voor de evaluatie.
  Tijdens het planningsgesprek bespreken de geëvalueerde en de evaluator elk van de drie domeinen bedoeld in de artikelen VII.I.1 tot en met VII.I.3 om overeen te komen wat er verwacht wordt van de geëvalueerde en hoe hij zijn ambt moet uitoefenen.
  Het planningsgesprek maakt het voorwerp uit van een verslag waarvan het model wordt vastgesteld door de minister. Het verslag wordt voor akkoord ondertekend door de geëvalueerde, de evaluator en de eindverantwoordelijke voor de evaluatie en wordt vervolgens geklasseerd in het evaluatiedossier. Een kopie ervan wordt overhandigd aan de geëvalueerde.

  Art. 7.1.12. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Het functioneringsgesprek heeft plaats telkenmale wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen en inzonderheid in de gevallen bedoeld in de artikelen VII.I.4, VII.I.9, tweede en derde lid en VII.I.10. In de andere gevallen is dit gesprek facultatief en wordt het gehouden op vraag van de geëvalueerde of van de evaluator.
  Bij het functioneringsgesprek kunnen de geëvalueerde en de evaluator overeenkomen om de doelstellingen en/of het profiel van de geëvalueerde aan te passen.
  Het functioneringsgesprek maakt het voorwerp uit van een verslag waarvan het model wordt vastgesteld door de minister. Het verslag wordt voor akkoord ondertekend door de geëvalueerde en de evaluator en, als er een wijziging van de doelstellingen is, ook door de eindverantwoordelijke voor de evaluatie, en wordt vervolgens geklasseerd in het evaluatiedossier. Een kopie ervan wordt overhandigd aan de geëvalueerde.

  Art. 7.1.13. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Het evaluatiegesprek sluit de evaluatieperiode af. Het wordt ten vroegste één maand vóór het verstrijken van de evaluatieperiode en ten laatste op de dag van het verstrijken van de evaluatieperiode gehouden. In het geval bedoeld in artikel VII.I.18, tweede lid, 2°, wordt de evaluatieperiode evenwel afgesloten en vangt de nieuwe evaluatieperiode aan met de mededeling van de beslissing van de eindverantwoordelijke voor de evaluatie, ongeacht of de geëvalueerde gebruik maakt van de beroepsprocedure bedoeld in artikel VII.I.25.
  Tijdens het evaluatiegesprek bespreken de geëvalueerde en de evaluator elk van de drie domeinen bedoeld in de artikelen VII.I.1 tot en met VII.I.3 om af te wegen hoe de geëvalueerde heeft gefunctioneerd en in welke mate hij heeft voldaan aan de verwachtingen die zijn vastgelegd overeenkomstig artikel VII.I.11.
  Het evaluatiegesprek maakt het voorwerp uit van een verslag waarvan het model wordt vastgesteld door de minister. Het verslag wordt voor akkoord ondertekend door de geëvalueerde en de evaluator en, onverminderd artikel VII.I.20, voor kennisneming ondertekend door de eindverantwoordelijke voor de evaluatie. Het verslag wordt vervolgens geklasseerd in het evaluatiedossier. Een kopie ervan wordt overhandigd aan de geëvalueerde.

  HOOFDSTUK V. - De vermeldingen. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>

  Art. 7.1.14. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Alle vermeldingen moeten worden gemotiveerd.
  Voor het domein " overeenstemming van de beroepsbekwaamheden van het personeelslid met het competentieprofiel van de uitgeoefende functie, betekent de vermelding :
  - " goed " dat de geëvalueerde blijk geeft van competenties die, naar inhoud en/of niveau, de competenties die voor een correcte uitoefening van de functie vereist zijn, overschrijden;
  - " bevredigend " dat de geëvalueerde blijk geeft van competenties die, naar inhoud en niveau, beantwoorden aan de competenties die voor een correcte uitoefening van de functie vereist zijn.
  - " onvoldoende " dat het de geëvalueerde ontbreekt aan bepaalde competenties die voor een correcte uitoefening van de functie vereist zijn of dat hij blijk geeft van die competenties maar op een lager niveau dan wat vereist wordt.
  Voor het domein " houding ten aanzien van de waarden van de politiediensten ", betekent de vermelding :
  - " goed " dat de geëvalueerde, in woorden en daden, de waarden van de politiediensten, zelfs in moeilijke omstandigheden eerbiedigt en dat hij de eerbiediging van deze waarden in zijn omgeving bevordert;
  - " bevredigend " dat de geëvalueerde, in woorden en daden, de waarden van de politiediensten in gebruikelijke omstandigheden van functioneren, eerbiedigt;
  - " onvoldoende " dat de geëvalueerde, in woorden en/of in daden, in gebruikelijke omstandigheden van functioneren geen respect opbrengt voor de waarden van de politiediensten.
  Voor het domein " realiseren van de doelstellingen ", betekent de vermelding :
  - " goed " dat de geëvalueerde de vastgelegde doelstellingen bereikt door een optimaal gebruik van de hem ter beschikking gestelde middelen en/of, in termen van doelstellingen, overschrijdt wat er van hem wordt verwacht;
  - " bevredigend " dat de geëvalueerde de vastgelegde doelstellingen bereikt door een normaal gebruik van de hem ter beschikking gestelde middelen;
  - " onvoldoende " dat de geëvalueerde door een gebrek aan organisatie, vooruitziendheid en/of door een slecht gebruik van de hem ter beschikking gestelde middelen zijn doelstellingen niet heeft gehaald.

  Art. 7.1.15. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> De eindvermelding vertolkt de globale beoordeling van het functioneren van de geëvalueerde op basis van de evaluatiedomeinen bedoeld in de artikelen VII.I.1 tot en met VII.I.3 en is coherent met de evaluatie in de verschillende evaluatiedomeinen, zonder noodzakelijk het gemiddelde te zijn van de in artikel VII.I.14 bedoelde partiële vermeldingen. De eindvermelding :
  - " goed " betekent dat de geëvalueerde op algemene wijze de verwachtingen die overeenkomstig artikel VII.I.11, tweede lid, zijn vastgesteld, heeft overtroffen;
  - " bevredigend " betekent dat de geëvalueerde op algemene wijze heeft beantwoord aan de verwachtingen die overeenkomstig artikel VII.I.11, tweede lid, zijn vastgesteld;
  - " onvoldoende " betekent dat de geëvalueerde op algemene wijze niet heeft beantwoord aan de verwachtingen die overeenkomstig artikel VII.I.11, tweede lid, zijn vastgesteld.
  De eindvermelding " onvoldoende " wordt formeel gemotiveerd rekening houdend met het bepaalde in het eerste lid.

  HOOFDSTUK VI. - De procedurevoorschriften. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>

  Afdeling 1. - De evaluatieprocedure en het beroep bij de eindverantwoordelijke voor de evaluatie. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>

  Art. 7.1.16. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Met het oog op de opmaak van de evaluatie wint de evaluator alle nuttige inlichtingen in. Ten laatste tien dagen vóór het evaluatiegesprek nodigt de evaluator de geëvalueerde uit voor dit gesprek en bezorgt hij hem een voorstel van evaluatieverslag.
  De geëvalueerde bezorgt, in voorkomend geval, zijn nota met opmerkingen op het voorstel van evaluatieverslag, ten laatste de derde dag vóór het evaluatiegesprek, aan de evaluator.
  Er wordt geen rekening gehouden met de nota met opmerkingen indien die niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn wordt bezorgd aan de evaluator.

  Art. 7.1.17. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Tijdens het evaluatiegesprek bespreken de geëvalueerde en de evaluator het voorstel van evaluatieverslag dat zij, in voorkomend geval, wijzigen. Daarbij behandelen zij de drie evaluatiedomeinen bedoeld in de artikelen VII.I.1 tot en met VII.I.3.

  Art. 7.1.18. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Op het einde van het evaluatiegesprek stelt de evaluator het evaluatieverslag op waarbij hij de partiële vermeldingen en de eindvermelding zoals bedoeld in de artikelen VII.I.14 en VII.I.15 aanstipt. Hij ondertekent het evaluatieverslag.
  Het evaluatieverslag wordt ondertekend door de geëvalueerde waarbij hij aangeeft dat hij ofwel :
  1° akkoord gaat met de vermeldingen van het evaluatieverslag, in welk geval hij zijn opmerkingen aan het evaluatieverslag kan toevoegen;
  2° niet akkoord gaat met één of meer vermelding(en) van het evaluatieverslag en beroep instelt bij de eindverantwoordelijke voor de evaluatie.

  Art. 7.1.19. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> In het geval bedoeld in artikel VII.I.18, tweede lid, 2°, bezorgt de geëvalueerde, binnen de zeven dagen volgend op het evaluatiegesprek, de nota met opmerkingen op basis waarvan hij vraagt dat het evaluatieverslag zou worden aangepast, aan de evaluator. Er wordt geen rekening gehouden met de nota met opmerkingen die na die termijn wordt ingediend.
  De evaluator bezorgt onmiddellijk het evaluatieverslag en de nota met opmerkingen van de geëvalueerde aan de eindverantwoordelijke voor de evaluatie die beslist.
  Daartoe neemt de eindverantwoordelijke voor de evaluatie of de door hem aangewezen evaluatie-adviseur kennis van het evaluatieverslag en raadpleegt hij alle stukken van het evaluatiedossier betreffende de lopende evaluatieperiode. In het geval van een eindvermelding " onvoldoende " worden de geëvalueerde en de evaluator verplicht gehoord op het niveau van de eindverantwoordelijke voor de evaluatie.

  Art. 7.1.20. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> De eindverantwoordelijke voor de evaluatie deelt, ten laatste één maand na het evaluatiegesprek, zijn beslissing mee aan de evaluator en aan de geëvalueerde.
  Die beslissing kan ofwel een bevestiging ofwel een wijziging zijn van het evaluatieverslag van de evaluator.
  In geval van wijziging van het evaluatieverslag stelt de eindverantwoordelijke voor de evaluatie of de evaluatie-adviseur een nieuw evaluatieverslag op. In dit geval worden het eerste evaluatieverslag evenals de nota met opmerkingen op het einde van de evaluatieprocedure pas vernietigd wanneer alle termijnen en/of alle beroepsmiddelen zijn uitgeput.
  In alle gevallen ondertekent de eindverantwoordelijke voor de evaluatie het evaluatieverslag.

  Afdeling 2. - De beroepsprocedure bij de raad van beroep. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>

  Onderafdeling 1. - De raad van beroep. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>

  Art. 7.1.21. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Bij de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie bestaat er een raad van beroep die als volgt is samengesteld :
  1° de inspecteur-generaal of de adjunct-inspecteur-generaal van de algemene inspectie, voorzitter;
  2° één bijzitter per representatieve vakorganisatie;
  3° een overeenkomstig 2° vastgesteld aantal bijzitters waarvan zo mogelijk evenveel leden tot de lokale als tot de federale politie behoren.
  De voorzitter en de bijzitters hebben bovendien elk één plaatsvervanger.
  Een secretaris aangewezen door de voorzitter onder de personeelsleden van de algemene inspectie, staat de raad van beroep bij.
  De raad van beroep kan slechts rechtsgeldig zitting houden, beraadslagen en stemmen indien ten minste twee derden van zijn leden aanwezig of vertegenwoordigd is.
  De voorzitter beschikt over één stem. Elke groep van bijzitters bedoeld in 2° en 3° beschikt over een totaal van vijf stemmen, ongeacht het aantal aanwezige bijzitters in elke groep. Deze stemmen worden onder de leden van die groep gelijk verdeeld.

  Art. 7.1.22. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> De minister wijst de in artikel VII.I.21, eerste lid, 3°, bedoelde bijzitters aan onder de personeelsleden die voorkomen op een dubbele lijst die wordt voorgesteld door de commissaris-generaal wat de leden van de federale politie betreft en door de vaste commissie voor de lokale politie wat de leden van de lokale politie betreft.
  De bijzitters en hun plaatsvervangers moeten vóór hun aanwijzing de opleiding tot evaluator hebben gevolgd.
  De inspecteur-generaal wijst onder de personeelsleden van de algemene inspectie een plaatsvervangende voorzitter aan.

  Art. 7.1.23. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Het mandaat van de plaatsvervangende voorzitter, de bijzitters en hun plaatsvervangers bedraagt drie jaar en is hernieuwbaar.
  De plaatsvervangende voorzitter, de bijzitters en de plaatsvervangers die worden aangewezen ter vervanging van de overleden of aftredende voorzitter of bijzitters, voleindigen de aanwijzing van degenen die ze vervangen.

  Art. 7.1.24. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> De geëvalueerde die meent dat hij een reden van wraking in de zin van artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek kan voordragen tegen de voorzitter of een bijzitter, of die meent dat de voorzitter of een bijzitter hem onmogelijk onpartijdig kan beoordelen, moet de betrokken voorzitter of bijzitter op straffe van onontvankelijkheid wraken binnen de veertien dagen na het einde van de in artikel VII.I.25 bepaalde termijn. De wraking wordt, op straffe van onontvankelijkheid, bij gemotiveerd verzoekschrift gevraagd aan de voorzitter van de raad van beroep of, als het de voorzitter betreft, de minister.
  De voorzitter of, naar gelang van het geval, de minister beslist over de wrakingsgronden en vervangt, in voorkomend geval, het gewraakte lid door zijn plaatsvervanger. De voorzitter, naar gelang van het geval, het gewraakte lid en de geëvalueerde worden in kennis gesteld van die met redenen omklede beslissing.
  Meent de bijzitter dat de geëvalueerde een reden van wraking tegen hem kan voordragen in de zin van artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek of dat het hem onmogelijk is de geëvalueerde onpartijdig te beoordelen, dan meldt hij dit aan de voorzitter. Als het de voorzitter betreft, dan meldt hij dit aan de minister.
  De voorzitter of, naar gelang van het geval, de minister beslist en handelt overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid.

  Onderafdeling 2. - De procedure voor de raad van beroep <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>

  Art. 7.1.25. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Om geldig te zijn, moet het hoger beroep bij gemotiveerd verzoekschrift worden ingediend, hetzij per aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs, bij de inspecteur-generaal en dit binnen de veertien dagen na kennisneming van de in artikel VII.I.20 bedoelde beslissing.

  Art. 7.1.26. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> De raad van beroep oordeelt op basis van het evaluatiedossier waarvan alle stukken opgesteld in het raam van de betwiste evaluatie deel uitmaken.

  Art. 7.1.27. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> De raad van beroep kan ofwel de bestreden evaluatie bevestigen, ofwel geheel of gedeeltelijk wijzigen. Zijn beslissing houdt de eindevaluatie in van de geëvalueerde over de betrokken evaluatieperiode.
  De beslissing van de raad van beroep wordt zonder verwijl ter kennis gebracht van de geëvalueerde en van de eindverantwoordelijke voor de evaluatie.

  HOOFDSTUK VII. - Het evaluatiedossier. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>

  Art. 7.1.28. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Voor elke nieuwe evaluatieperiode wordt een evaluatiedossier geopend. Dit dossier bevat :
  1° een inventaris van de stukken;
  2° het verslag van het planningsgesprek bedoeld in artikel VII.I.11;
  3° in voorkomend geval, het verslag van het (de) functioneringsgesprek(ken) bedoeld in artikel VII.I.12;
  4° het evaluatieverslag bedoeld in artikel VII.I.13;
  5° alle stukken met betrekking tot de lopende evaluatieperiode die mogelijks een weerslag op de evaluatie kunnen hebben en inzonderheid :
  a) de nota's en de briefwisseling over de geëvalueerde met betrekking tot zijn wijze van dienen;
  b) de gevolgde opleidingen en de behaalde resultaten;
  c) de resultaten behaald tijdens selectieproeven of bevorderingsexamens;
  d) het blad der tuchtstraffen bedoeld in artikel 57 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten;
  e) alle voorgaande evaluatieverslagen met de eindvermelding " onvoldoende " met hierbij alle elementen van de procedures;
  6° de evaluatieverslagen die slaan op de twee vorige evaluatieperiodes;

  Art. 7.1.29. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Onverminderd artikel 140 van de wet mogen enkel de voor de evaluatie relevante stukken zich in het evaluatiedossier bevinden en ingezien worden door de geëvalueerde, de evaluator, de eindverantwoordelijke voor de evaluatie en de evaluatie-adviseur.
  Geen enkel stuk mag in het evaluatiedossier worden opgenomen zonder dat het belanghebbende personeelslid het voor kennisneming heeft getekend.

  Art. 7.1.30. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> Het personeelslid ontvangt na het beëindigen van de evaluatieprocedure een kopie van zijn evaluatieverslag. Het kan eveneens een kopie vragen van één of meerdere stukken die bij het evaluatieverslag zijn gevoegd.

  HOOFDSTUK VIII. - Diverse bepalingen. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005>

  Art. 7.1.31. <KB 2007-12-20/51, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-04-2005> De evaluatie mag, wat de syndicale afgevaardigden betreft, niet gegrond zijn op de handelingen die zij in die hoedanigheid verrichten en die rechtstreeks verband houden met de door hen uitgeoefende prerogatieven zoals bedoeld in de artikelen 14 en 15 van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten.
  De evaluatie van de deskundigen bedoeld in artikel 64 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten, en van de vertrouwenspersonen mag eveneens niet gegrond zijn op de handelingen die zij in die hoedanigheid verrichten en die rechtstreeks verband houden met de door hen uitgeoefende prerogatieven.

  TITEL II. - DE LOOPBAAN VAN HET PERSONEEL VAN HET OPERATIONEEL KADER.

  HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 7.2.1.§ 1. De bevordering is de benoeming van een personeelslid van het operationeel kader tot een hogere graad.
  Er zijn twee soorten van bevorderingen :
  1° de bevordering door verhoging in graad binnen eenzelfde kader;
  2° de bevordering door overgang naar een hoger kader.
  § 2. [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 7.2.2.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 7.2.3. § 1. De benoemende overheid verleent de bevordering en de loonschaalverhoging bedoeld in artikel VII.II.24, 4° en 5°.
  § 2. (Met uitzondering van de loonschaalverhoging bedoeld in § 1, wordt de hogere loonschaal binnen de baremische loopbaan toegekend door de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal of, naar gelang van het geval, de korpschef of het door deze aangewezen personeelslid. Indien de evaluatie van een personeelslid van de lokale politie de eindvermelding " onvoldoende " draagt, is de bevoegde overheid in het raam van de baremische loopbaan evenwel de burgemeester of het politiecollege.
  De minister stelt de nadere regels inzake die toekenning vast.) <KB 2007-03-02/35, art. 5, 027; Inwerkingtreding : 24-03-2007>

  HOOFDSTUK II. - DE BEVORDERING DOOR VERHOGING IN GRAAD.

  Art. 7.2.4.Kan tot de graad van hoofdcommissaris van politie worden bevorderd, de commissaris van politie die :
  1° ten minste negen jaar kaderanciënniteit heeft in het officierskader;
  2° houder is van een diploma of een studiegetuigschrift dat toegang geeft tot het [1 niveau A]1 in het federaal openbaar ambt of geslaagd is voor de door het selectiebureau van de federale overheid (SELOR) georganiseerde examens voor overgang naar het [1 niveau A]1 in het federaal openbaar ambt;
  3° houder is van het door Ons bepaalde directiebrevet.
  ----------
  (1)<W 2013-12-21/22, art. 30, 057; Inwerkingtreding : 10-01-2014>

  Art. 7.2.5.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  HOOFDSTUK III. - DE BEVORDERING DOOR OVERGANG NAAR EEN HOGER KADER.

  AFDELING 1.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 7.2.6.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  AFDELING 2. - DE TOELATINGSVOORWAARDEN.

  Onderafdeling 1.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 7.2.7.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Onderafdeling 2.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 7.2.8.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Onderafdeling 3. - Vereiste kaderanciënniteit.

  Art. 7.2.9. Een hulpagent van politie kan worden toegelaten tot de selectie voor overgang naar het basiskader mits hij ten minste (twee) jaar anciënniteit telt in het kader van hulpagenten van politie. <KB 2004-02-03/32, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2003>

  Art. 7.2.10. Een inspecteur van politie en een hoofdinspecteur van politie kunnen worden toegelaten tot de selectie voor overgang naar respectievelijk het midden- en officierskader mits zij ten minste zes jaar kaderanciënniteit tellen in respectievelijk het basis- of middenkader.

  Onderafdeling 4. - Diplomavereisten.

  Art. 7.2.11.Om te worden toegelaten tot de selectie voor overgang naar het basiskader moet het personeelslid houder zijn van een diploma of getuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van [1 niveau C]1 bij de federale Rijksbesturen, zoals opgenomen in de bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.
  [2 ...]2
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 52, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>
  (2)<W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 7.2.12.Om te worden toegelaten tot de selectie voor overgang naar het officierskader moet het personeelslid houder zijn van een diploma of getuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van [1 niveau A]1 bij de federale Rijksbesturen, zoals opgenomen in de bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.
  [2 ...]2
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 53, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>
  (2)<W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 7.2.13. De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst kan buitenlandse diploma's of getuigschriften die ten minste evenwaardig zijn aan die welke opgenomen zijn in de bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, in aanmerking nemen.

  AFDELING 3. - DE SELECTIE.

  Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 7.2.14.Het organiseren van de selectieproeven wordt door de minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst aangekondigd.
  Deze aankondiging vermeldt ten minste de taal van de selectieproeven, het kader waarvoor de proeven worden georganiseerd, de deelnemingsvoorwaarden en de datum waarop die moeten vervuld zijn [1 , de wijze van inschrijven en de uiterste inschrijvingsdatum alsmede het selectiereglement, opgesteld door de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie]1.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 54, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 7.2.15.
  <Opgeheven bij KB 2009-06-07/13, art. 55, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Onderafdeling 2. - De selectieproeven en -procedure.

  Art. 7.2.16.§ 1. De selectie van de kandidaten in het raam van de bevorderingsprocedures door overgang naar [1 het midden- of het officierskader]1 geschiedt onder de vorm van een vergelijkend examen.
  (§ 2. [1 De beroepsproef bedoeld in de artikelen VII.II.18 en VII.II.19, mondt uit in een rangschikking van de kandidaten voor respectievelijk het midden- of het officierskader op grond waarvan deze, in voorkomend geval, voor de volgende selectieproeven worden opgeroepen, en dit tot het in artikel 38 van de wet van 26 april 2002 bedoelde aantal is bereikt.]1
  De kandidaten worden gerangschikt overeenkomstig de artikelen II.I.7 en II.I.8 indien hun resultaten gelijkwaardig zijn.) <KB 2004-04-02/39, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 05-05-2004>
  ----------
  (1)<KB 2016-09-28/04, art. 1, 071; Inwerkingtreding : 04-10-2016>

  Art. 7.2.17.[1 De artikelen IV.I.15, eerste lid, 1° en 2°, IV.I.16, IV.I.26 en IV.I.27, 1°, 3° en 6°]1, zijn van overeenkomstige toepassing op de kandidaten voor overgang naar het basiskader [met dien verstande dat de in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°, bedoelde proef wordt vervangen door een beroepsproef.] <KB 2004-04-02/39, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 05-05-2004>
  [1 Voor wat de kandidaten voor overgang naar het basiskader betreft, wordt respectievelijk het advies ingewonnen van de korpschef, voor wat betreft de leden van de lokale politie, of het advies van de betrokken directeur, voor wat betreft de leden van de federale politie. Daartoe stelt de dienst van de rekrutering en van de selectie van de federale politie een gestandardiseerd formulier op. Dit advies wordt in aanmerking genomen in het raam van de in artikel IV.I.15, eerste lid, 2° bedoelde persoonlijkheidsproef.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-09-28/04, art. 2, 071; Inwerkingtreding : 04-10-2016>

  Art. 7.2.18.De artikelen IV.I.15, eerste lid, 1°, 2° en 4°, IV.I.16, [1 ...]1, IV.I.26 en [1 IV.I.27, 1° en 3° tot 6°]1, zijn van overeenkomstige toepassing op de kandidaten voor overgang naar het middenkader met dien verstande dat de in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°, bedoelde proef wordt vervangen door een beroepsproef.
  [1 Voor wat betreft de in artikel IV.I.15, eerste lid, 2° bedoelde persoonlijkheidsproef, wordt respectievelijk het advies van de korpschef, voor wat betreft de leden van de lokale politie of het advies van de betrokken directeur, voor wat betreft de leden van de federale politie, in aanmerking genomen. De kandidaten die een negatief advies verkregen en die een negatief resultaat behaalden op die proef, worden niet toegelaten tot de volgende proef.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 56, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 7.2.19.De artikelen IV.I.15, eerste lid, 1°, 2° en 4°, IV.I.16, [1 ...]1 IV.I.26 en [1 IV.I.27, 1° en 3° tot 6°]1, zijn van overeenkomstige toepassing op de kandidaten voor overgang naar het officierskader met dien verstande dat de in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°, bedoelde proef wordt vervangen door een beroepsproef.
  [1 Voor wat betreft de in artikel IV.I.15, eerste lid, 2° bedoelde persoonlijkheidsproef, wordt respectievelijk het advies van de korpschef, voor wat betreft de leden van de lokale politie of het advies van de betrokken directeur, voor wat betreft de leden van de federale politie, in aanmerking genomen. De kandidaten die een negatief advies verkregen en die een negatief resultaat behaalden op die proef, worden niet toegelaten tot de volgende proef.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 56, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 7.2.19bis. [1 De in artikel IV.I.17 bedoelde deliberatiecommissie beslist of de kandidaat voor overgang naar het basiskader geschikt of ongeschikt wordt bevonden op basis van de selectieprocedure en het in artikel VII.II.17, tweede lid, bedoelde advies.
   De deliberatiecommissie stelt de lijst van de personeelsleden die geschikt werden bevonden in alfabetische volgorde vast. De deliberatiecommissie zendt deze lijst vervolgens aan het hoofd van de dienst van de rekrutering en van de selectie van de federale politie, die de betrokken kandidaten hiervan inlicht.
   De geschikt bevonden kandidaten ontvangen een brevet voor overgang naar het basiskader.
   De agenten van politie met een brevet voor overgang naar het basiskader kunnen, voor de aanvang van de basisopleiding, overeenkomstig de regeling inzake mobiliteit bedoeld in deel VI, titel II, hoofdstuk II, postuleren voor een betrekking van het basiskader. De agent van politie die aldus een betrekking kreeg toegewezen, neemt die betrekking, in afwijking van artikel VI.II.25, eerste lid, op de in artikel V.II.2, § 2, bedoelde datum op.
   Alle agenten van politie met een brevet voor overgang naar het basiskader worden tot de basisopleiding van het basiskader toegelaten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-09-28/04, art. 3, 071; Inwerkingtreding : 04-10-2016>
  

  Art. 7.2.20.[1 De in artikel IV.I.17 bedoelde deliberatiecommissie verdeelt de [2 kandidaten voor het midden- of officierskader]2 op basis van het vergelijkend examen in drie groepen : " zeer geschikt ", " geschikt " en " ongeschikt ".
   Indien het in artikel [2 artikel 38 van de wet van 26 april 2002]2 bedoelde aantal [2 kandidaten voor het midden- of officierskader]2 in de groep " zeer geschikt " bereikt is, sluit de deliberatiecommissie het vergelijkend examen af.
   De deliberatiecommissie stelt de lijst van de [2 personeelsleden van het basis- of middenkader]2 die geslaagd en batig gerangschikt zijn in alfabetische volgorde vast. De deliberatiecommissie zendt deze lijst vervolgens aan de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie, die de betrokken [2 kandidaten voor het midden- of officierskader]2 hiervan inlicht.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 57, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>
  (2)<KB 2016-09-28/04, art. 4, 071; Inwerkingtreding : 04-10-2016>

  HOOFDSTUK IV. - DE BAREMISCHE LOOPBAAN.

  AFDELING 1. - DE BAREMISCHE LOOPBAAN IN HET KADER VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE.

  Art. 7.2.21. Er wordt een baremische loopbaan ingesteld voor overgang tussen de hieronder opgesomde loonschalen en na het aantal jaren loonschaalanciënniteit dat ernaast wordt vermeld :
  1° van de loonschaal HAU1 naar de loonschaal HAU2 na zes jaar in de loonschaal HAU1;
  2° van de loonschaal HAU2 naar de loonschaal HAU3 na zes jaar in de loonschaal HAU2.
  De loonschalen HAU2 en HAU3 in de baremische loopbaan worden niet toegekend indien de (evaluatie) de eindvermelding " onvoldoende " draagt.
  De toekenning van de loonschalen HAU2 en HAU3 is eveneens afhankelijk van het volgen van de door Ons bepaalde voortgezette opleiding. <KB 2007-12-20/51, art. 8, 034; Inwerkingtreding : 01-04-2005>

  AFDELING 2. - DE BAREMISCHE LOOPBAAN IN HET BASISKADER.

  Art. 7.2.22.Er wordt een baremische loopbaan ingesteld voor overgang tussen de hieronder opgesomde loonschalen en na het aantal jaren loonschaalanciënniteit dat ernaast wordt vermeld :
  1° van de loonschaal B1 naar de loonschaal B2 na zes jaar [1 , verminderd met de normale duur van de basisopleiding van het basiskader,]1 in de loonschaal B1;
  2° van de loonschaal B2 naar de loonschaal B3 na zes jaar in de loonschaal B2;
  3° van de loonschaal B3 naar de loonschaal B4 na zes jaar in de loonschaal B3;
  4° van de loonschaal B4 naar de loonschaal B5 na zes jaar in de loonschaal B4.
  De hogere loonschaal in de baremische loopbaan wordt niet toegekend indien de (evaluatie) de eindvermelding " onvoldoende " draagt. <KB 2007-12-20/51, art. 8, 034; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
  De toekenning van de loonschalen B2, B3, B4 en B5 is eveneens afhankelijk van het volgen van de door Ons bepaalde voortgezette opleiding.
  ----------
  (1)<KB 2013-02-11/15, art. 2, 053; Inwerkingtreding : 08-11-2012. Is van toepassing op hen die tot aspirantinspecteur van politie worden aangesteld vanaf 1 oktober 2012>

  AFDELING 3. - DE BAREMISCHE LOOPBAAN IN HET MIDDENKADER.

  Art. 7.2.23.Er wordt een baremische loopbaan ingesteld voor overgang tussen de hieronder opgesomde loonschalen en na het aantal jaren loonschaalanciënniteit dat ernaast wordt vermeld :
  1° van de loonschaal M1.1 naar de loonschaal M2.1 na zes jaar [1 , verminderd met de normale duur van de basisopleiding van het middenkader,]1 in de loonschaal M1.1;
  2° van de loonschaal M1.2 naar de loonschaal M2.2 na zes jaar in de loonschaal M1.2;
  3° van de loonschaal M2.1 naar de loonschaal M3.1 na zes jaar in de loonschaal M2.1;
  4° van de loonschaal M2.2 naar de loonschaal M3.2 na zes jaar in de loonschaal M2.2;
  5° van de loonschaal M3.1 naar de loonschaal M4.1 na zes jaar in de loonschaal M3.1;
  6° van de loonschaal M3.2 naar de loonschaal M4.2 na zes jaar in de loonschaal M3.2.
  De hogere loonschaal in de baremische loopbaan wordt niet toegekend indien de (evaluatie) de eindvermelding " onvoldoende " draagt. <KB 2007-12-20/51, art. 8, 034; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
  De toekenning van de loonschalen M2.1, M2.2, M3.1, M3.2, M4.1 en M4.2 is eveneens afhankelijk van het volgen van de door Ons bepaalde voortgezette opleiding.
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 3, 058; Inwerkingtreding : 21-02-2014>

  AFDELING 4. - DE BAREMISCHE LOOPBAAN IN HET OFFICIERSKADER.

  Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 7.2.24. Onverminderd de artikelen VII.II.28 tot VII.II.49 wordt een baremische loopbaan ingesteld voor overgang tussen de hieronder opgesomde loonschalen en na het aantal jaren loonschaalanciënniteit dat ernaast wordt vermeld :
  1° van de loonschaal O2 naar de loonschaal O3 na zes jaar in de loonschaal O2;
  2° van de loonschaal O3 naar de loonschaal O4 na zes jaar in de loonschaal O3;
  3° van de loonschaal O5 naar de loonschaal O6 na zes jaar in de loonschaal O5;
  4° van de loonschaal O6 naar de loonschaal O7 na zes jaar in de loonschaal O6;
  5° van de loonschaal O7 naar de loonschaal O8 na zes jaar in de loonschaal O7.
  De hogere loonschaal in de baremische loopbaan wordt niet toegekend indien de (evaluatie) de eindvermelding " onvoldoende " draagt. <KB 2007-12-20/51, art. 8, 034; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
  De toekenning van de loonschalen O3 en O4 is eveneens afhankelijk van het volgen van de door Ons bepaalde voortgezette opleiding.

  Onderafdeling 2. - De nationale selectiecommissie voor hogere officieren.

  Art. 7.2.25. Bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken bestaat, met het oog op de toekenning van de loonschalen O7 en O8, een nationale selectiecommissie voor hogere officieren, in deze afdeling de " selectiecommissie " genoemd, die als volgt is samengesteld :
  1° de inspecteur-generaal van de algemene inspectie, voorzitter;
  2° de directeur-generaal die de algemene directie bestuurlijke politie leidt;
  3° de directeur-generaal die de algemene directie gerechtelijke politie leidt;
  4° twee korpschefs van de lokale politie die ten minste de loonschaal O7 genieten;
  5° twee leden die geen personeelslid zijn.
  De in het eerste lid, 5°, bedoelde leden moeten ten minste houder zijn van een diploma van een universiteit of hogeschool van de Vlaamse of Franse Gemeenschap en doen blijken van een voor de opdracht van de selectiecommissie relevante beroepservaring van ten minste tien jaar.
  De voorzitter en de leden van de selectiecommissie hebben bovendien elk een plaatsvervanger. Met uitzondering van de plaatsvervangers van de onder het eerste lid, 5°, bedoelde leden die moeten voldoen aan de in het tweede lid bepaalde vereisten, genieten deze plaatsvervangers ten minste de loonschaal O7.
  Een secretaris, aangewezen door de minister, staat de selectiecommissie bij.

  Art. 7.2.26. De minister wijst aan :
  1° de in artikel VII.II.25, eerste lid, 4°, bedoelde korpschefs onder die welke voorkomen op een lijst bevattende ten minste vier korpschefs die worden voorgesteld door de Vaste Commissie voor de lokale politie;
  2° de in artikel VII.II.25, eerste lid, 5°, bedoelde leden, alsook hun plaatsvervangers;
  3° een plaatsvervangende voorzitter uit een dubbeltal voorgesteld door de inspecteur-generaal van de algemene inspectie;
  4° een plaatsvervanger voor elk van de leden van de selectiecommissie onder de hoofdcommissarissen die ten minste de loonschaal O7 genieten en die voorkomen op een lijst, bevattende ten minste vier hoofdcommissarissen van politie die ten minste de loonschaal O7 genieten, die wordt voorgesteld door de commissaris-generaal wat de leden van de federale politie betreft en door de Vaste Commissie voor de lokale politie wat de korpschefs betreft.

  Art. 7.2.27. De leden van de selectiecommissie die geen personeelslid zijn hebben voor hun werkzaamheden in de selectiecommissie recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerd uur niet meer mag bedragen dan 1/1850ste van het loon van een rijksambtenaar met rang 17.
  De leden van de selectiecommissie hebben recht op de vergoedingen voor de reis- en verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van de ministeries. De personen die niet de hoedanigheid van personeelslid hebben, worden gelijkgesteld met rijksambtenaren van rang 17.

  Onderafdeling 3. - De overgang naar de loonschaal O7.

  Art. 7.2.28. De hoofdcommissaris van politie geniet, binnen het in artikel VII.II.29 bepaalde quotum, de in artikel VII.II.24, eerste lid, 4°, bedoelde loonschaalverhoging indien hij geselecteerd is door de selectiecommissie.

  Art. 7.2.29. Het aantal hogere officieren van politie dat ten minste de loonschaal O7 geniet, omvat ten hoogste 50 % van het totaal aantal hogere officieren in de politiediensten.
  Op grond van de gegevens bedoeld in de artikelen II.I.9 en II.I.10, bepaalt de minister of de directeur van de dienst die hij aanwijst, jaarlijks het in het eerste lid bedoelde getal.
  Indien dit resultaat geen geheel getal uitmaakt, wordt het afgerond naar de naasthogere eenheid.

  Art. 7.2.30. De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst doet een oproep tot kandidaatstelling.
  Deze oproep bevat minstens de volgende gegevens :
  1° het overeenkomstig artikel VII.II.29 bepaalde aantal hogere officieren dat in het volgende jaar in aanmerking komt voor de overgang naar de loonschaal O7;
  2° de datum waarop de in artikel VII.II.24, eerste lid, 4°, bedoelde voorwaarde moet vervuld zijn;
  3° de wijze van kandidaatstelling en de uiterste datum waarop die ontvankelijk kan worden ingediend;
  4° de samenstelling van de selectiecommissie.

  Art. 7.2.31. De kandidaat dient zijn kandidaatstelling in bij de minister of bij de door deze aangewezen dienst.
  Om geldig te zijn moet deze beantwoorden aan de voorschriften van de oproep en hetzij per aangetekende brief worden verzonden, hetzij tegen ontvangstbewijs bij de door de minister aangewezen dienst worden ingediend.

  Art. 7.2.32. De kandidaat die de wraking van de voorzitter of van een lid van de selectiecommissie wil voordragen, moet dit op straffe van onontvankelijkheid doen voor het verstrijken van de in artikel VII.II.30, tweede lid, 3°, bepaalde termijn. De wraking wordt, op straffe van onontvankelijkheid, bij gemotiveerd verzoekschrift gevraagd aan de minister.
  De minister beslist over de wrakingsgronden en vervangt, in voorkomend geval, het gewraakte lid door de plaatsvervanger. De voorzitter, het gewraakte lid en de betrokken kandidaat worden in kennis gesteld van die met redenen omklede beslissing.

  Art. 7.2.33. De minister of de door hem aangewezen overheid of dienst deelt de kandidaatstellingen alsmede de in de oproep vermelde gegevens mee aan de voorzitter van de selectiecommissie.
  Meent de voorzitter of een lid dat één of meer kandidaten een reden van wraking tegen hem kunnen voordragen in de zin van artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek of dat het hem onmogelijk is de kandidaat onpartijdig te beoordelen, dan meldt hij dit aan de minister.
  De minister beslist en handelt overeenkomstig het bepaalde in artikel VII.II.32, tweede lid.

  Art. 7.2.34. De selectiecommissie onderzoekt de ontvankelijkheid van de kandidaatstellingen en vergelijkt de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten.
  De vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de in aanmerking komende kandidaten geschiedt op basis van het persoonlijk dossier, de evaluatie en de kandidaatstelling.

  Art. 7.2.35. Na de vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de in aanmerking komende kandidaten, maakt de selectiecommissie een gemotiveerd voorstel tot loonschaalverhoging op bevattende, enerzijds, in orde van hun geschiktheid, de door haar aanbevolen kandidaten en anderzijds de kandidaatstellingen die hetzij niet ontvankelijk zijn, hetzij niet door haar worden aanbevolen.
  Het door de selectiecommissie aanbevolen aantal kandidaten mag niet groter zijn dan het aantal te begeven betrekkingen zoals vastgesteld in artikel VII.II.30, tweede lid, 1°.

  Art. 7.2.36. De selectiecommissie deelt haar gemotiveerd voorstel, bevattende de door haar voor het toekennen van de loonschaal O7 geselecteerde kandidaten, mee aan de kandidaten.
  De kandidaat die zich benadeeld acht, kan binnen vijftien dagen na deze kennisgeving een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de selectiecommissie. Een buiten deze termijn verzonden bezwaarschrift is niet ontvankelijk.
  De selectiecommissie oordeelt over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de bezwaarschriften.

  Art. 7.2.37. De selectiecommissie deelt haar gemotiveerd voorstel, bevattende de door haar voor het toekennen van de loonschaal O7 geselecteerde kandidaten alsook alle kandidaatstellingen en haar beoordeling ervan, mee aan de minister.
  De minister kan een geselecteerde kandidaat weigeren indien deze niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen VII.II.24, eerste lid, 4°, en tweede lid of indien diens kandidaatstelling niet voldoet aan de voorwaarden van artikel VII.II.31.
  Ingeval van weigering van de minister doet de selectiecommissie een nieuw gemotiveerd voorstel.

  Art. 7.2.38. De in artikel VII.II.3, § 1, bedoelde overheid verleent de overgang naar de loonschaal O7 aan de door de selectiecommissie voorgedragen kandidaten.

  Onderafdeling 4. - De overgang naar de loonschaal 08.

  Art. 7.2.39. Het aantal hoofdcommissarissen dat de loonschaal O8 geniet, omvat ten hoogste 25 % van het totaal aantal hoofdcommissarissen van politie.
  Op grond van de gegevens bedoeld in de artikelen II.I.9 en II.I.10, bepaalt de minister of de directeur van de dienst die hij aanwijst, jaarlijks het in het eerste lid bedoelde getal.
  Indien dit resultaat geen geheel getal uitmaakt, wordt het afgerond naar de naasthogere eenheid.

  Art. 7.2.40. De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst richt een oproep tot kandidaatstelling aan de kandidaten.
  Deze oproep dient minstens de volgende gegevens te bevatten :
  1° het overeenkomstig artikel VII.II.39 bepaalde aantal hogere officieren aan wie in het volgende jaar de loonschaal O8 kan worden toegekend;
  2° de datum waarop de in artikel VII.II.24, eerste lid, 5°, bepaalde voorwaarde moet vervuld zijn;
  3° de wijze van kandidaatstelling en de uiterste datum waarop die ontvankelijk kan worden ingediend;
  4° de samenstelling van de selectiecommissie.

  Art. 7.2.41. De kandidaat dient zijn kandidaatstelling in bij de minister of bij de door deze aangewezen dienst.
  Om geldig te zijn moet deze beantwoorden aan de voorschriften van de oproep en hetzij per aangetekende brief worden verzonden, hetzij tegen ontvangstbewijs bij de door de minister aangewezen dienst worden ingediend.

  Art. 7.2.42. De kandidaat die de wraking van de voorzitter of van een lid van de selectiecommissie wil voordragen, moet dit op straffe van onontvankelijkheid doen voor het verstrijken van de in artikel VII.II.40, tweede lid, 3°, bepaalde termijn. De wraking wordt, op straffe van onontvankelijkheid, bij gemotiveerd verzoekschrift gevraagd aan de minister.
  De minister beslist over de wrakingsgronden en vervangt, in voorkomend geval, het gewraakte lid door de plaatsvervanger. De voorzitter, het gewraakte lid en de betrokken kandidaat worden in kennis gesteld van die met redenen omklede beslissing.

  Art. 7.2.43. De minister of de door hem aangewezen overheid of dienst deelt de kandidaatstellingen alsmede de in de oproep vermelde gegevens mee aan de voorzitter van de selectiecommissie.
  Meent de voorzitter of een lid dat één of meer kandidaten een reden van wraking tegen hem kunnen voordragen in de zin van artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek of dat het hem onmogelijk is de kandidaat onpartijdig te beoordelen, dan meldt hij dit aan de minister.
  De minister beslist en handelt overeenkomstig het bepaalde in artikel VII.II.42, tweede lid.

  Art. 7.2.44. Het onderzoek van de ontvankelijkheid van de kandidaatstellingen en de vergelijking van de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten, geschiedt door de selectiecommissie, met dien verstande dat alleen korpschefs en plaatsvervangers die de loonschaal O8 genieten, voor deze opdracht van de selectiecommissie, zitting mogen nemen.
  De minister waakt er over dat aan deze bijzondere vereiste is voldaan.

  Art. 7.2.45. De vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de in aanmerking komende kandidaten geschiedt op basis van het persoonlijk dossier, de evaluatie en de kandidaatstelling.

  Art. 7.2.46. Na de vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de in aanmerking komende kandidaten, maakt de selectiecommissie een gemotiveerd voorstel tot loonschaalverhoging op bevattende, enerzijds, in orde van hun geschiktheid, de door haar aanbevolen kandidaten en anderzijds de kandidaatstellingen die hetzij niet ontvankelijk zijn, hetzij niet door haar worden aanbevolen.
  Het door de selectiecommissie aanbevolen aantal kandidaten mag niet groter zijn dan het aantal hogere officieren die de loonschaal O8 kunnen genieten, zoals vastgesteld in artikel VII.II.40, tweede lid, 1°.

  Art. 7.2.47. De selectiecommissie deelt haar gemotiveerd voorstel bevattende de door haar voor het toekennen van de loonschaal O8 geselecteerde kandidaten, mee aan de kandidaten.
  De kandidaat die zich benadeeld acht, kan binnen vijftien dagen na deze kennisgeving een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de selectiecommissie. Een buiten deze termijn verzonden bezwaarschrift is niet ontvankelijk.
  De selectiecommissie oordeelt over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de bezwaarschriften.

  Art. 7.2.48. De selectiecommissie deelt haar gemotiveerd voorstel, bevattende de door haar voor het toekennen van de loonschaal O8 geselecteerde kandidaten, alsook alle kandidaatstellingen en haar beoordeling ervan, mee aan de minister.
  De minister kan een geselecteerde kandidaat weigeren indien deze niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel VII.II.24, eerste lid, 5° en tweede lid, of indien diens kandidaatstelling niet voldoet aan de voorwaarden van artikel VII.II.41.
  Ingeval van weigering van de minister doet de selectiecommissie een nieuw gemotiveerd voorstel.

  Art. 7.2.49. De in artikel VII.II.3, § 1, bedoelde overheid verleent de overgang naar de loonschaal O8 aan de door de selectiecommissie voorgedragen kandidaten.

  HOOFDSTUK V. - De benoeming van contractuele hulpagenten van politie. <Ingevoegd bij KB 2004-04-25/56, art. 1; Inwerkingtreding : 13-05-2004>

  Art. 7.2.50. <Ingevoegd bij KB 2004-04-25/56, art. 1; Inwerkingtreding : 13-05-2004> De contractuele hulpagent van politie wordt benoemd wanneer hij hetzij overeenkomstig artikel VI.II.8, hetzij via een interne verschuiving binnen dezelfde rechtspersoon wordt aangewezen voor een betrekking van statutair hulpagent van politie.

  Art. 7.2.51. <Ingevoegd bij KB 2004-04-25/56, art. 1; Inwerkingtreding : 13-05-2004> De in artikel VII.II.50 bedoelde personeelsleden worden geselecteerd overeenkomstig een van de selectiemodaliteiten zoals bedoeld in artikel VI.II.21 en volgende RPPol.

  TITEL III. - DE AANWIJZING VOOR EEN MANDAAT. (NOTA : De vroegere titel III, bestaande uit de artikelen 7.3.1 tot en met 7.3.137, is vervangen door de nieuwe titel III, bestaande uit de artikelen 7.3.1 tot en met 7.3.111, bij <KB 2008-09-18/55, art. 3, 038 tot 040; Inwerkingtreding : 19-10-2008>)

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

  Afdeling 1. - De mandaten

  Art. 7.3.1. Onverminderd artikel VII.III.2 bepaalt de minister wat onder personeelsbezetting in de zin van artikel 67 van de wet van 26 april 2002 wordt begrepen.

  Art. 7.3.2. De voor de toepassing van artikel VII.III.1 in aanmerking te nemen personeelsbezetting is die zoals ze bestaat zes maanden voorafgaand aan de datum waarop het bij mandaat te begeven ambt vacant wordt verklaard of wordt hernieuwd. Zij wordt vastgesteld door de gemeente- of politieraad wat het ambt van korpschef betreft en door de commissaris-generaal wat de mandaten in de federale politie betreft.
  De overeenkomstig het eerste lid bepaalde personeelsbezetting en de daaruit volgende bepaling van de categorie waarin het te begeven mandaat wordt ingedeeld, blijft ongewijzigd tot aan de eerstvolgende vacantverklaring of hernieuwing van het bij mandaat te begeven ambt.

  Art. 7.3.3. Voor de toepassing van artikel 120, eerste lid, 1°, van de wet, is het bij wijze van mandaat uitgeoefende ambt het hoogste ambt dat wordt waargenomen in de organisatie van een korps of van een onderdeel ervan.

  Afdeling 2. - Functiebeschrijving en profiel

  Art. 7.3.4. De functiebeschrijving van een bepaald bij mandaat te begeven ambt en de daaruit voorvloeiende profielvereisten kunnen, in voorkomend geval, verschillen naar gelang van de concrete aard en omvang van het ambt en de concrete plaats waar het ambt wordt uitgeoefend.

  Art. 7.3.5. De minister bepaalt de functiebeschrijving en de daaruit voortvloeiende profielvereisten van een korpschef, na advies van de adviesraad van burgemeesters en van de vaste commissie van de lokale politie.

  Art. 7.3.6. Onverminderd artikel 8 van de wet bepalen de minister en de minister van Justitie gezamenlijk de functiebeschrijving en de daaruit voortvloeiende profielvereisten van de commissaris-generaal, de inspecteur-generaal, de adjunct-inspecteur-generaal, de directeur-generaal gerechtelijke politie en de gerechtelijke directeur, na advies van :
  1° de commissaris-generaal en de inspecteur-generaal wat de functiebeschrijving en de profielvereisten van het ambt van commissaris-generaal betreft;
  2° de inspecteur-generaal, de commissaris-generaal en de adviesraad van burgemeesters wat de functiebeschrijving en de profielvereisten van het ambt van inspecteur-generaal en adjunct-inspecteur-generaal betreft;
  3° de commissaris-generaal wat de functiebeschrijving en de profielvereisten van het ambt van directeur-generaal gerechtelijke politie betreft;
  4° de commissaris-generaal en de directeur-generaal gerechtelijke politie wat de functiebeschrijving en de profielvereisten van het ambt van gerechtelijke directeur betreft.

  Art. 7.3.7. De minister bepaalt de functiebeschrijving en de daaruit voortvloeiende profielvereisten van het ambt van de overige directeurs-generaal, na advies van de commissaris-generaal.

  Art. 7.3.8. De minister bepaalt de functiebeschrijving en de daaruit voortvloeiende profielvereisten van het ambt van bestuurlijke directeur-coördinator, na advies van de commissaris-generaal.

  Art. 7.3.9. De minister bepaalt de functiebeschrijving en de daaruit voortvloeiende profielvereisten van het ambt van directeur, op advies van de commissaris-generaal of, naar gelang van het geval, de directeur-generaal die het hiërarchisch gezag uitoefent over de betrokken directie.

  Afdeling 3. - Het mandaatdossier

  Art. 7.3.10. Het mandaatdossier omvat alle stukken die relevant zijn voor het uitgeoefende mandaat en inzonderheid :
  1° een inventaris van de stukken;
  2° de functiebeschrijving van en de profielvereisten voor het uitgeoefende mandaat;
  3° de kandidaatstelling en, in voorkomend geval, de eraan toegevoegde stukken;
  4° alle stukken met betrekking tot de procedure voor de selectiecommissie;
  5° de, in voorkomend geval, uitgebrachte adviezen en gemotiveerde voordrachten;
  6° de beslissingen of het besluit tot aanwijzing en het proces-verbaal van eedaflegging;
  7° de opdrachtbrief;
  8° alle stukken met betrekking tot de procedure voor de evaluatiecommissie;
  9° alle overige stukken met betrekking tot het lopende mandaat zoals onder meer de stukken die zijn opgesteld naar aanleiding van de hernieuwing en de beëindiging van het mandaat.
  De minister kan nadere regels inzake inzonderheid de inhoud, de wijze van presentatie en het bijhouden van het mandaatdossier bepalen. Hij kan ook de overige, niet in het eerste lid opgesomde stukken bepalen die niettemin relevant zijn voor het uitgeoefende mandaat en die in het mandaatdossier moeten worden opgenomen.

  Art. 7.3.11. Onverminderd artikel 140 van de wet mag geen enkel stuk in het mandaatdossier worden opgenomen zonder dat het door het belanghebbende personeelslid voor kennisneming werd getekend.

  HOOFDSTUK II. - De aanwijzing voor een mandaat

  Afdeling 1. - De voorwaarden voor de aanwijzing voor een mandaat

  Onderafdeling 1. - Algemene aanwijzingsvoorwaarden

  Art. 7.3.12. De in artikel 71 van de wet van 26 april 2002 bepaalde voorwaarden moeten vervuld zijn op de uiterste datum van de indiening van de kandidaatstelling vastgesteld overeenkomstig artikel VII.III.23.

  Onderafdeling 2. - Specifieke aanwijzingsvoorwaarden

  Art. 7.3.13. Kan bij mandaat worden aangewezen voor het ambt van korpschef, het personeelslid van het operationeel kader dat :
  1° titularis is van de graad van hoofdcommissaris van politie of houder is van het directiebrevet;
  2° beantwoordt aan de profielvereisten van een chef van een korps van de lokale politie;
  3° geschikt is bevonden door de selectiecommissie voor het ambt van korpschef, bedoeld in de artikelen VII.III.58 of VII.III.59.

  Art. 7.3.14. Kan bij mandaat worden aangewezen voor het ambt van commissaris-generaal, het personeelslid van het operationeel kader dat :
  1° titularis is van de graad van hoofdcommissaris van politie of houder is van het directiebrevet;
  2° ten minste 40 jaar is;
  3° beantwoordt aan de profielvereisten van het te begeven ambt van commissaris-generaal;
  4° geschikt is bevonden door de selectiecommissie voor het ambt van commissaris-generaal.

  Art. 7.3.15. Kan bij mandaat worden aangewezen voor het ambt van directeur-generaal gerechtelijke politie of directeur-generaal bestuurlijke politie, het personeelslid van het operationeel kader dat :
  1° titularis is van de graad van hoofdcommissaris van politie of houder is van het directiebrevet;
  2° ten minste 35 jaar is;
  3° beantwoordt aan de profielvereisten van het te begeven ambt van directeur-generaal;
  4° geschikt is bevonden door de selectiecommissie voor het ambt van directeur-generaal.
  Kan bij mandaat worden aangewezen voor het ambt van directeur-generaal van de ondersteuning en het beheer, het personeelslid dat :
  1° titularis is van de graad van hoofdcommissaris van politie of houder is van het directiebrevet of de voorgeschreven klasseanciënniteit heeft;
  2° ten minste 35 jaar is;
  3° beantwoordt aan de profielvereisten van het te begeven ambt van directeur-generaal;
  4° geschikt is bevonden door de selectiecommissie voor het ambt van directeur-generaal.

  Art. 7.3.16. Kan bij mandaat worden aangewezen voor het ambt van bestuurlijke directeur-coördinator of van gerechtelijke directeur, het personeelslid van het operationeel kader dat :
  1° titularis is van de graad van hoofdcommissaris van politie of houder is van het directiebrevet;
  2° beantwoordt aan de profielvereisten van, naar gelang van het geval, bestuurlijke directeur-coördinator dan wel gerechtelijke directeur;
  3° geschikt is bevonden door de selectiecommissie voor het ambt van bestuurlijke directeur-coördinator dan wel voor het ambt van gerechtelijke directeur.

  Art. 7.3.17. Kan bij mandaat worden aangewezen voor het ambt van directeur, het personeelslid dat :
  1° titularis is van de graad van hoofdcommissaris van politie of houder is van het directiebrevet of, naar gelang van het geval, de voorgeschreven klasseanciënniteit heeft;
  2° beantwoordt aan de profielvereisten van het te begeven ambt van directeur;
  3° geschikt is bevonden door de selectiecommissie voor het ambt van directeur.

  Art. 7.3.18. Kan bij mandaat worden aangewezen voor het ambt van inspecteur-generaal, de persoon die :
  1° indien het een lid van het operationeel kader dan wel van het administratief en logistiek kader betreft, bekleed is met respectievelijk de graad van hoofdcommissaris van politie of houder is van het directiebrevet of de voorgeschreven klasseanciënniteit heeft;
  2° ten minste 40 jaar is;
  3° beantwoordt aan de profielvereisten van het te begeven ambt van inspecteur-generaal;
  4° geschikt is bevonden door de selectiecommissie voor het ambt van inspecteur-generaal en adjunct-inspecteur-generaal.

  Art. 7.3.19. Kan bij mandaat worden aangewezen voor het ambt van adjunct-inspecteur-generaal, de persoon die :
  1° indien het een lid van het operationeel kader dan wel van het administratief en logistiek kader betreft, bekleed is met respectievelijk de graad van hoofdcommissaris van politie of houder is van het directiebrevet of de voorgeschreven klasseanciënniteit heeft;
  2° ten minste 35 jaar is;
  3° beantwoordt aan de profielvereisten van het te begeven ambt van adjunct-inspecteur-generaal;
  4° geschikt is bevonden door de selectiecommissie voor het ambt van inspecteur-generaal en adjunct-inspecteur-generaal.

  Afdeling 2. - De procedure

  Onderafdeling 1. - De vacature en de kandidaatstelling

  Art. 7.3.20. Onverminderd het bepaalde in het tweede en het derde lid, beslissen de gemeente- of politieraad wat de lokale politie betreft, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal wat de federale politie betreft en de minister wat de algemene inspectie betreft :
  1° dat een bij wege van mandaat te begeven ambt wordt vacant verklaard;
  2° over de termijn waarbinnen de kandidaatstelling ontvankelijk kan worden ingediend, zonder dat deze termijn minder dan twintig dagen mag bedragen, te rekenen vanaf de dag van de mededeling van de in artikel VII.III.23 bedoelde oproep aan de voor de aanwijzing voor het mandaat in aanmerking komende personeelsleden;
  3° over de samenstelling van de bevoegde selectiecommissie dan wel, indien het een mandaat van korpschef betreft, of een beroep wordt gedaan op de nationale selectiecommissie voor het ambt van korpschef bedoeld in artikel VII.III.59.
  Betreft het een bij wege van mandaat toe te wijzen ambt van directeur-generaal, dan wordt de in het eerste lid bedoelde beslissing genomen door de commissaris-generaal.
  Betreft het een bij wege van mandaat toe te wijzen ambt van commissaris-generaal, dan wordt de in het eerste lid bedoelde beslissing genomen door de minister.

  Art. 7.3.21. De in artikel VII.III.20 bedoelde overheid kan een mandaat vacant verklaren dat binnen een jaar vacant wordt.

  Art. 7.3.22. De korpschef, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal, deelt de vacant verklaarde mandaten onverwijld mee aan de minister of aan de directeur van de door hem aangewezen dienst.

  Art. 7.3.23. De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst doet een oproep tot kandidaatstelling voor de mandaten.
  Deze oproep bevat minstens de volgende gegevens :
  1° het vacante mandaat en de categorie en/of klasse waartoe het behoort;
  2° de vermelding waar de functiebeschrijving en het profiel kunnen worden geraadpleegd;
  3° de wijze van kandidaatstelling en de uiterste datum waarop die ontvankelijk kan worden ingediend;
  4° de samenstelling van de selectiecommissie.

  Art. 7.3.24. De kandidaat dient zijn kandidaatstelling in bij de minister of bij de directeur van de door hem aangewezen dienst.
  Om geldig te zijn moet deze kandidaatstelling hetzij per aangetekende brief worden verzonden, hetzij tegen ontvangstbewijs bij de directeur van de door de minister aangewezen dienst worden afgegeven ten laatste op de uiterste datum. Is deze uiterste datum een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt deze vervaldag verplaatst op de eerstvolgende dag die geen zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is.
  Op straffe van onontvankelijkheid van de kandidaatstelling, zet de kandidaat voor het vacante mandaat in zijn kandidaatstelling de aanspraken en verdiensten uiteen die hij meent te kunnen doen gelden voor het bij wege van mandaat toe te wijzen ambt.

  Onderafdeling 2. - De procedure voor de selectiecommissie

  Art. 7.3.25. De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst deelt de kandidaatstellingen alsmede de in de oproep vermelde gegevens mee aan de voorzitter van de selectiecommissie.

  Art. 7.3.26. § 1. De bevoegde selectiecommissie onderzoekt de ontvankelijkheid van de kandidaatstellingen. De kandidaat waarvan de kandidaatstelling onontvankelijk werd bevonden, kan binnen de vijf dagen na de kennisgeving ervan door de selectiecommissie een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de selectiecommissie. Een buiten deze termijn verzonden bezwaarschrift is niet ontvankelijk.
  De selectiecommissie oordeelt over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de bezwaarschriften en deelt haar beslissing mee aan de betrokken kandidaten.
  § 2. De bevoegde selectiecommissie vergelijkt met het oog op de beoordeling van de geschiktheid van de kandidaten, de aanspraken en verdiensten van dezen.
  De geschiktheid wordt vastgesteld aan de hand van het profiel van de kandidaat ten overstaan van het voor het ambt vereiste profiel en rekening houdend met de functiebeschrijving, de kandidaatstelling, het persoonlijk dossier, de evaluatie en, in voorkomend geval, de resultaten van het horen van de kandidaat door de selectiecommissie.
  De in het tweede lid bedoelde functiebeschrijving en het voor het ambt vereiste profiel zijn die welke van toepassing waren op het ogenblik van de beslissing tot vacantverklaring van het bij mandaat te begeven ambt.

  Art. 7.3.27. De selectiecommissie kan de kandidaten horen. Indien één kandidaat wordt gehoord, worden alle kandidaten uitgenodigd om gehoord te worden.

  Art. 7.3.28. Na de vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de in aanmerking komende kandidaten, maakt de selectiecommissie voor elk van de volgende categorieën van kandidaten een gemotiveerd voorstel op, betreffende :
  1° de door haar voor het mandaat geschikt geachte kandidaten, in volgorde van geschiktheid;
  2° de door haar voor het mandaat niet geschikt geachte kandidaten;
  3° de door haar niet ontvankelijk bevonden kandidaatstellingen.
  De kandidaat die ongeschikt werd geacht, kan binnen de vijftien dagen na de kennisgeving ervan door de selectiecommissie een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de selectiecommissie. Een buiten deze termijn verzonden bezwaarschrift is niet ontvankelijk.
  De selectiecommissie oordeelt over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de bezwaarschriften en deelt haar beslissing mee aan de betrokken kandidaten.

  Art. 7.3.29. De selectiecommissie deelt vervolgens haar definitief voorstel met betrekking tot alle kandidaten alsmede alle kandidaatstellingen mee aan de in artikel VII.III.20 bedoelde overheid.

  Art. 7.3.30. Indien de selectiecommissie na toepassing van de in deze afdeling bedoelde procedure geen enkele kandidaat geschikt acht voor het bij mandaat te begeven ambt kan de minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst een nieuwe oproep tot kandidaatstelling doen.
  Voor de aanwijzing voor een mandaat ingevolge de in het eerste lid bedoelde oproep komen uitsluitend in aanmerking de kandidaten die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 71, eerste lid, van de wet van 26 april 2002.

  Afdeling 3. - De aanwijzing voor een mandaat

  Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 7.3.31. De aanwijzing bij mandaat van de korpschef wordt door Ons verricht overeenkomstig artikel 48 van de wet.
  De aanwijzingen bij mandaat in de federale politie worden door Ons verricht op gemotiveerde voordracht van de minister, onverminderd artikel 107 van de wet.
  De aanwijzing bij mandaat van de inspecteur-generaal en van de adjunct-inspecteur-generaal wordt door Ons verricht overeenkomstig artikel 11, § 1, van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten.

  Art. 7.3.32. De in artikel VII.III.25 directeur van de door de minister aangewezen dienst brengt de beslissing tot aanwijzing bij mandaat ter kennis van het aangewezen personeelslid en maakt ze bekend aan de personeelsleden. Zij worden door toedoen van de minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  De minister bepaalt de nadere regels inzake de bekendmaking aan de personeelsleden.

  Art. 7.3.33. De persoon die overeenkomstig de bepalingen van deze titel wordt aangewezen voor een bij mandaat te begeven ambt, is er toe gehouden dit mandaat op te nemen op de in de beslissing tot aanwijzing vermelde datum of, indien geen datum is vermeld, binnen de twee maanden nadat het aanwijzingsbesluit aan betrokkene is betekend. Na deze termijn wordt deze geacht het mandaat niet op te nemen en kan het mandaat opnieuw vacant worden verklaard dan wel beslist worden door de in artikel VII.III.20 bedoelde overheid om de procedure te hernemen en een andere kandidaat aan te wijzen uit de eerder door de bevoegde selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten.
  In afwijking van het eerste lid dient de persoon die op het tijdstip van de aanwijzing voor een mandaat, belast is met een ander overeenkomstig deze titel verleend mandaat, het mandaat waarvoor hij overeenkomstig het eerste lid is aangewezen, ten laatste op te nemen binnen de zes maanden, te rekenen vanaf de bekendmaking bij uittreksel van de beslissing tot aanwijzing in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 7.3.34. De korpschef van de lokale politie legt de eed af in handen van de burgemeester of de voorzitter van het politiecollege.
  De commissaris-generaal, de inspecteur-generaal, de adjunct-inspecteurs-generaal en de directeurs-generaal leggen de eed af in handen van de minister. De houders van de overige federale mandaten leggen de eed af in handen van de commissaris-generaal.
  De eed wordt afgelegd in de termen bepaald in artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eed.

  Art. 7.3.35. De eed wordt afgelegd binnen de in artikel VII.III.33 bepaalde termijn.
  De duur van het mandaat, gerekend in jaren, gaat in de dag van de eedaflegging en in elk geval op de laatste dag van de respectieve in artikel VII.III.33, eerste en tweede lid bepaalde termijnen.

  Art. 7.3.36. Onverminderd artikel 96, tweede lid, van de wet, houdt de aanwijzing voor een mandaat in een ander korps van politie dan datgene waarvan het personeelslid deel uitmaakt op het ogenblik van de aanwijzing, van rechtswege in dat het personeelslid op de datum dat het het mandaat opneemt, ophoudt deel uit te maken van het korps van oorsprong en lid wordt van het korps van politie waarin het personeelslid het mandaat uitoefent.

  Art. 7.3.37. Het opnemen van het mandaat houdt van rechtswege, op de dag van de eedaflegging een beëindiging in van de verloven die met toepassing van deel VIII aan de mandaathouders worden ontzegd.

  Art. 7.3.38. Tijdens de duur van het mandaat oefent de mandaathouder de prerogatieven uit verbonden aan het ambt dat hij bij mandaat bekleedt. Voor het overige valt hij onder de toepassing van de bepalingen die met zijn graad zijn verbonden.

  Art. 7.3.39. De opdrachtbrief wordt vastgesteld door :
  1° de gemeente- of politieraad wat de korpschef betreft;
  2° de minister en de minister van Justitie, gezamenlijk optredend, wat de commissaris-generaal en de inspecteur-generaal betreft;
  3° de commissaris-generaal wat de directeurs van het commissariaat-generaal en de directeurs-generaal betreft;
  4° de directeur-generaal wat de directeurs van zijn algemene directie betreft;
  5° de inspecteur-generaal wat de adjunct-inspecteurs-generaal betreft.
  Voor het bij mandaat aangewezen ambt van gerechtelijke directeur wordt een kopie van de opdrachtbrief meegedeeld aan de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de gerechtelijke directeur zijn mandaat uitoefent.
  In alle gevallen wordt een kopie van de opdrachtbrief aan de inspecteur-generaal bezorgd.

  Art. 7.3.40. Ingevolge essentiële wijzigingen in de te bereiken doelstellingen van het mandaat en/of in de ter beschikking gestelde middelen met dewelke die doelstellingen moeten worden nagestreefd, wordt de opdrachtbrief aangepast op voorstel van de overheid dan wel van de mandaathouder. Deze aanpassing gebeurt volgens dezelfde procedure als die bedoeld in artikel 72 van de wet van de 26 april 2002 en in artikel VII.III.39.

  Art. 7.3.41. De mandaathouder moet ten minste een aanwezigheidstermijn van drie volle jaren hebben volbracht in het mandaat dat hij bekleedt vooraleer hij zich rechtsgeldig kandidaat kan stellen voor een bij mobiliteit te begeven betrekking.
  Met uitzondering van het in artikel 107, zesde lid, van de wet bedoelde geval, blijft het personeelslid dat het mandaat binnen de in het eerste lid bepaalde aanwezigheidstermijn vrijwillig beëindigt, gehouden aan een termijn, ingaand op de datum van de beëindiging van het mandaat, binnen dewelke hij zich niet rechtsgeldig kan kandidaat stellen voor hetzij een ander bij mandaat te begeven ambt, hetzij een bij mobiliteit te begeven betrekking. In dat geval stemt deze termijn overeen met het resterende gedeelte van de in het eerste lid bepaalde aanwezigheidstermijn.

  Onderafdeling 2. - Bijzondere bepalingen inzake de aanwijzing voor het mandaat van korpschef

  Art. 7.3.42. Voorafgaand aan de in artikel 48, eerste lid, van de wet bepaalde voordracht, kan de gemeente- of de politieraad alle door de selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten uitnodigen om voor haar hun kandidaatstelling uiteen te zetten.
  De in het eerste lid bedoelde mondelinge uiteenzetting kan ten vroegste tien dagen na de uitnodiging plaatshebben.

  Art. 7.3.43. De gemeente- of politieraad vergelijkt de respectieve aanspraken en verdiensten van de door de selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten op grond van het gemotiveerde voorstel van de selectiecommissie, van de in artikel VII.III.26, tweede lid, bedoelde gegevens en van de in artikel 48 van de wet bedoelde adviezen, waarna hij een kandidaat voor het aanwijzen voor het mandaat van korpschef op gemotiveerde wijze aan Ons voordraagt.

  Onderafdeling 3. - Bijzondere bepalingen inzake de aanwijzing voor de mandaten in de federale politie

  Art. 7.3.44. De in artikel 107, zevende lid, van de wet bepaalde termijn binnen dewelke het advies moet worden verstrekt, bedraagt twintig dagen, te rekenen vanaf de dag van ontvangst van het verzoek.
  Het verzoek om het advies bevat de bepalingen van artikel 107, zevende lid, van de wet en van dit artikel.

  Art. 7.3.45. De hiërarchische oversten van de federale politie, bedoeld in artikel 107, vijfde lid, van de wet zijn :
  1° binnen de perken van artikel 107, vijfde lid, in fine, van de wet, de commissaris-generaal wat het bij wege van mandaat te begeven ambt van commissaris-generaal, directeur-generaal, bestuurlijke directeur-coördinator en gerechtelijke directeur betreft;
  2° de directeur-generaal gerechtelijke politie wat het bij wege van mandaat te begeven ambt van gerechtelijke directeur betreft.

  Art. 7.3.46. Het advies van de in artikel VII.III.45 bepaalde hiërarchische oversten kan een gemotiveerde volgorde van voorkeur onder de kandidaten omvatten.
  Het advies wordt verleend aan de minister, aan de minister van Justitie of aan beiden, naar gelang overeenkomstig artikel 107, eerste tot en met derde lid, van de wet, de eerstgenoemde, de als tweede genoemde of beiden de geschikte kandidaat voor het geambieerde, bij mandaat te begeven ambt, aan Ons voordraagt of voordragen.

  Art. 7.3.47. De minister en de Minister van Justitie vergelijken de respectieve aanspraken en verdiensten van de door de bevoegde selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten voor respectievelijk het mandaat van commissaris-generaal en van directeur-generaal, op grond van het voorstel van de ter zake bevoegde selectiecommissie, de in artikel VII.III.26, § 2, tweede lid, bepaalde gegevens en de in artikel 107, eerste en vijfde lid, van de wet bepaalde adviezen, waarna zij de geschikte kandidaat voor het bij mandaat te begeven ambt aan Ons voordragen.

  Art. 7.3.48. De Minister vergelijkt de respectieve aanspraken en verdiensten van de door de bevoegde selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten voor het mandaat van bestuurlijke directeur-coördinator, op grond van het voorstel van de ter zake bevoegde selectiecommissie, de in artikel VII.III.26, § 2, tweede lid, bepaalde gegevens en de in artikel 107, tweede en vijfde lid, van de wet bepaalde adviezen, waarna hij de geschikte kandidaat voor het bij mandaat te begeven ambt aan Ons voordraagt.

  Art. 7.3.49. De minister van Justitie vergelijkt de respectieve aanspraken en verdiensten van de door de bevoegde selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten voor het mandaat van gerechtelijke directeur, op grond van het voorstel van de ter zake bevoegde selectiecommissie, de in artikel VII.III.26, § 2, tweede lid, bepaalde gegevens en de in artikel 107, derde en vijfde lid, van de wet bepaalde adviezen, waarna hij de geschikte kandidaat voor het bij mandaat te begeven ambt aan Ons voordraagt.

  Art. 7.3.50. De minister vergelijkt de respectieve aanspraken en verdiensten van de door de bevoegde selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten voor het mandaat van directeur, op grond van het voorstel van de ter zake bevoegde selectiecommissie en de in artikel VII.III.26, § 2, tweede lid, bepaalde gegevens, waarna hij de geschikte kandidaat voor het bij mandaat te begeven ambt aan Ons voordraagt.

  Onderafdeling 4. - Bijzondere bepaling inzake de aanwijzing voor het mandaat van inspecteur-generaal en van adjunct-inspecteur-generaal

  Art. 7.3.51. De minister en de Minister van Justitie vergelijken de respectieve aanspraken en verdiensten van de door de bevoegde selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten voor het mandaat van inspecteur-generaal en van adjunct-inspecteur-generaal op grond van het voorstel van de ter zake bevoegde selectiecommissie en de in artikel VII.III.26, § 2, tweede lid, bepaalde gegevens, waarna zij de geschikte kandidaat voor het bij mandaat te begeven ambt aan Ons voordragen.

  Afdeling 4. - De selectiecommissies

  Onderafdeling 1. - Bepalingen gemeenschappelijk aan alle in deze afdeling bedoelde selectiecommissies

  Art. 7.3.52. De kandidaat die meent dat hij een reden van wraking in de zin van artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek kan voordragen tegen de voorzitter of een bijzitter van een selectiecommissie, of die meent dat de voorzitter of een bijzitter hem onmogelijk onpartijdig kan beoordelen, moet de betrokken voorzitter of bijzitter op straffe van onontvankelijkheid wraken vóór het verstrijken van de in artikel VII.III.23, tweede lid, 3°, bepaalde termijn.
  De wraking wordt, op straffe van onontvankelijkheid, bij gemotiveerd verzoekschrift gevraagd aan de overheid die de selectiecommissie heeft samengesteld.
  Is de selectiecommissie samengesteld door de gemeenteraad of de politieraad dan wordt het verzoekschrift gericht aan de burgemeester of aan de voorzitter van het politiecollege.
  De in het tweede lid bedoelde overheid die de selectiecommissie heeft samengesteld, beslist over de wrakingsgronden en vervangt, in voorkomend geval, de gewraakte voorzitter of bijzitter door een plaatsvervanger die voldoet aan de aanwijzingsvoorwaarden van de gewraakte voorzitter of bijzitter. De voorzitter, de gewraakte bijzitter en de betrokken kandidaat worden in kennis gesteld van die met redenen omklede beslissing.

  Art. 7.3.53. Meent de voorzitter of een bijzitter van een selectiecommissie dat één of meer kandidaten een reden van wraking tegen hem kunnen voordragen in de zin van artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek, of dat het hem onmogelijk is de kandidaat onpartijdig te beoordelen of is hij zelf kandidaat voor het bij wege van mandaat aan te wijzen ambt, dan meldt hij dit aan de overheid die de selectiecommissie samenstelt. Is de selectiecommissie samengesteld door de gemeenteraad of de politieraad dan wordt de melding gedaan bij de burgemeester of de voorzitter van het politiecollege.
  De aangezochte overheid beslist en handelt overeenkomstig artikel VII.III.52, vierde lid.

  Art. 7.3.54. De voorzitter en de bijzitters van de in deze afdeling bedoelde selectiecommissies die geen personeelslid zijn, hebben voor de werkzaamheden in de selectiecommissie recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerd uur niet meer mag bedragen dan 1/1 850e van het loon van een rijksambtenaar met rang 17.
  De in het eerste lid bedoelde voorzitter en bijzitters hebben tevens recht op de vergoedingen voor de reis- en verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van de ministeries. Zij worden hiertoe gelijkgesteld met rijksambtenaren van rang 17.

  Art. 7.3.55. Als hierna is bepaald dat een gewezen mandaathouder kan worden aangewezen voor een selectiecommissie, dan houdt zulks in dat enkel gewezen mandaathouders van het bedoelde mandaat, die geen evaluatie met eindvermelding " onvoldoende " hebben gekregen in de zin van deze titel en die op het ogenblik van hun aanwijzing voor de selectiecommissie sedert minder dan drie jaar hebben opgehouden het bedoelde mandaat uit te oefenen, kunnen worden aangewezen.

  Art. 7.3.56. De werkende en de plaatsvervangende voorzitter en bijzitters van een selectiecommissie die zijn aangewezen op grond van hun hoedanigheid van titularis van het ambt dat bij wege van mandaat wordt toegewezen, blijven bij de beëindiging van hun mandaat hun opdracht in de selectiecommissie uitoefenen, behalve als de evaluatie van de uitoefening van hun mandaat in de zin van artikel VII.III.82 de eindvermelding " onvoldoende " draagt.

  Art. 7.3.57. De minister kan de nadere regels bepalen voor de samenstelling van de in deze afdeling bedoelde selectiecommissies.
  De minister kan een lijst opstellen van deskundigen die in aanmerking kunnen komen om zitting te nemen in een selectiecommissie en die doen blijken van een voor de opdracht van die selectiecommissie relevante beroepservaring. Deze deskundigen kunnen personeelsleden zijn.
  De opneming in de in het tweede lid bedoelde lijst geldt voor een periode van drie jaar die kan worden hernieuwd.

  Onderafdeling 2. - De plaatselijke selectiecommissie voor het ambt van korpschef

  Art. 7.3.58. De in de artikelen 48 en 50, eerste lid, van de wet bedoelde selectiecommissie, hierna " de plaatselijke selectiecommissie voor het ambt van korpschef " genoemd, wordt voorgezeten door, naar gelang van het geval, de burgemeester of de voorzitter van het politiecollege, en is bovendien samengesteld uit de volgende bijzitters :
  1° een korpschef die een mandaat uitoefent van ten minste dezelfde categorie als het te begeven mandaat.
  Is het te begeven ambt, een ambt van categorie 5 dan kan, in voorkomend geval, hetzij een gewezen korpschef van categorie 5, hetzij een korpschef die een mandaat van categorie 4 uitoefent, worden aangewezen;
  2° een bestuurlijke directeur-coördinator of eventueel een gerechtelijke directeur, uit een ander ambtsgebied dan datgene waarin de gemeente of de meergemeentenzone waarin het ambt van korpschef te begeven is, is gelegen of, in voorkomend geval, een gewezen bestuurlijke directeur-coördinator;
  3° een deskundige die niet behoort tot het betrokken lokaal politiekorps en die doet blijken van een voor de opdracht van de plaatselijke selectiecommissie voor het ambt van korpschef relevante beroepservaring;
  4° de gouverneur of de door hem aangewezen vice-gouverneur of arrondissementscommissaris;
  5° de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de gemeente of de meergemeentezone waarin het ambt van korpschef te begeven is, is gelegen;
  6° de inspecteur-generaal of de door hem aangewezen adjunct-inspecteur-generaal.
  De bijzitters bedoeld in het eerste lid, 1° tot 3°, worden aangewezen door de gemeente- of de politieraad.
  Voor de aanwijzing van de in het eerste lid, 3°, bedoelde deskundige kan geput worden uit de lijst bedoeld in artikel VII.III.57, tweede lid.
  Een secretaris, aangewezen door de voorzitter, staat de plaatselijke selectiecommissie voor het ambt van korpschef bij.
  De gemeente- of politieraad kan voor de voorzitter een plaatsvervanger aanwijzen en kan voor elke bijzitter bedoeld in het eerste lid, 1° tot 3°, één of meer plaatsvervangers aanwijzen die voldoen aan dezelfde aanwijzingsvoorwaarden als de werkende bijzitters.

  Onderafdeling 3. - De nationale selectiecommissie voor het ambt van korpschef

  Art. 7.3.59. Bij de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken of bij de door de minister aangewezen dienst bestaat de nationale selectiecommissie voor het ambt van korpschef, uit de volgende door de minister aangewezen leden :
  1° een voorzitter die, naar gelang het een mandaat van de categorieën 1 tot en met 3 of een mandaat van de categorie 4 of 5 betreft, respectievelijk houder is van een mandaat van de categorie 3 of van ten minste de categorie 4 dan wel een gewezen mandaathouder van de respectieve voormelde twee categorieën;
  2° een bestuurlijke directeur-coördinator of een gewezen bestuurlijke directeur-coördinator of een gerechtelijke directeur, bijzitter;
  3° een deskundige die niet behoort tot het betrokken lokaal politiekorps en die doet blijken van een voor de opdracht van de nationale selectiecommissie voor het ambt van korpschef relevante beroepservaring, bijzitter.
  Voor de aanwijzing van de in het eerste lid, 3°, bedoelde deskundige kan geput worden uit de lijst bedoeld in artikel VII.III.57, tweede lid.
  Een secretaris, aangewezen door de voorzitter, staat de nationale selectiecommissie voor het ambt van korpschef bij.
  De minister kan voor de voorzitter en voor elke bijzitter twee of meer plaatsvervangers aanwijzen die voldoen aan dezelfde aanwijzingsvoorwaarden van de werkende voorzitter en bijzitters.

  Art. 7.3.60. Het mandaat van de werkende en plaatsvervangende voorzitter en bijzitters van de nationale selectiecommissie voor het ambt van korpschef geldt voor drie jaar en is hernieuwbaar.
  De voorzitter, de bijzitters en de plaatsvervangers die zijn aangewezen ter vervanging van een overleden of afgetreden voorzitter of bijzitter, voleindigen de aanwijzing van diegene die ze vervangen.

  Onderafdeling 4. - De selectiecommissie voor het ambt van commissaris-generaal

  Art. 7.3.61. De selectiecommissie voor het ambt van commissaris-generaal bestaat uit de volgende door de minister aangewezen leden :
  1° de inspecteur-generaal, voorzitter;
  2° twee directeurs-generaal die niet meedingen voor het bij mandaat te begeven ambt van commissaris-generaal, bijzitters.
  Indien slechts één of geen directeur-generaal in de mogelijkheid verkeert om in de selectiecommissie zitting te nemen, dan worden evenwel als bijzitters aangewezen, één of twee deskundigen die doen blijken van een voor de opdracht van de selectiecommissie voor het ambt van commissaris-generaal relevante beroepservaring;
  3° een korpschef, die een mandaat uitoefent van categorie 5 en die voorkomt op een lijst voorgedragen door de vaste commissie van de lokale politie, bijzitter;
  4° met uitsluiting van het geval bedoeld in 2°, tweede lid, een deskundige die doet blijken van een voor de opdracht van de selectiecommissie voor het ambt van commissaris-generaal relevante beroepservaring, bijzitter.
  Voor de aanwijzing van de in het eerste lid, 2° en 4°, bedoelde deskundigen kan geput worden uit de lijst bedoeld in artikel VII.III.57, tweede lid.
  Een secretaris, aangewezen door de voorzitter, staat de selectiecommissie voor het ambt van commissaris-generaal bij.
  De minister kan voor elke bijzitter één of meer plaatsvervangers aanwijzen die voldoen aan dezelfde aanwijzingsvoorwaarden van de werkende bijzitters.

  Onderafdeling 5. - De selectiecommissie voor het ambt van directeur-generaal

  Art. 7.3.62. De selectiecommissie voor het ambt van directeur-generaal bestaat uit de volgende door de commissaris-generaal aangewezen leden :
  1° de commissaris-generaal, voorzitter;
  2° een directeur-generaal van een andere algemene directie of een gewezen directeur-generaal, bijzitter;
  3° een korpschef die een mandaat uitoefent van categorie 5 en die voorkomt op een lijst voorgedragen door de vaste commissie van de lokale politie, bijzitter;
  4° een deskundige die doet blijken van een voor de opdracht van de selectiecommissie voor het ambt van directeur-generaal relevante beroepservaring, bijzitter.
  Voor de aanwijzing van de in het eerste lid, 4°, bedoelde deskundige, kan geput worden uit de lijst bedoeld in artikel VII.III.57, tweede lid.
  Een secretaris aangewezen door de voorzitter, staat de selectiecommissie voor het ambt van directeur-generaal bij.
  De commissaris-generaal kan voor elke bijzitter één of meer plaatsvervangers aanwijzen die voldoen aan dezelfde aanwijzingsvoorwaarden van de werkende bijzitters.

  Onderafdeling 6. - De selectiecommissie voor het ambt van bestuurlijke directeur-coördinator

  Art. 7.3.63. Bij de federale politie bestaat een door de commissaris-generaal uit de volgende leden samen te stellen selectiecommissie voor het ambt van bestuurlijke directeur-coördinator :
  1° de commissaris-generaal, voorzitter;
  2° een korpschef die een mandaat van ten minste categorie 3 uitoefent en die voorkomt op een lijst voorgedragen door de vaste commissie van de lokale politie, bijzitter;
  3° een deskundige die doet blijken van een voor de opdracht van de selectiecommissie voor het ambt van bestuurlijke directeur-coördinator relevante beroepservaring, bijzitter. In voorkomend geval is dit een bestuurlijke directeur-coördinator of een gewezen bestuurlijke directeur-coördinator.
  Voor de aanwijzing van de in het eerste lid, 3°, bedoelde deskundige kan geput worden uit de lijst bedoeld in artikel VII.III.57, tweede lid.
  Een secretaris aangewezen door de voorzitter, staat de selectiecommissie voor het ambt van bestuurlijke directeur-coördinator bij.
  De commissaris-generaal kan voor elke bijzitter één of meer plaatsvervangers aanwijzen die voldoen aan dezelfde aanwijzingsvoorwaarden van de werkende bijzitters.

  Art. 7.3.64. Het mandaat van de werkende en plaatsvervangende voorzitter en bijzitters van de selectiecommissie voor het ambt van bestuurlijke directeur-coördinator geldt voor drie jaar en is hernieuwbaar.
  De voorzitter, de bijzitters en de plaatsvervangers die zijn aangewezen ter vervanging van een overleden of afgetreden voorzitter of bijzitter, voleindigen de aanwijzing van diegene die ze vervangen.

  Onderafdeling 7. - De selectiecommissie voor het ambt van gerechtelijke directeur

  Art. 7.3.65. Bij de federale politie bestaat een door de commissaris-generaal uit de volgende leden samen te stellen selectiecommissie voor het ambt van gerechtelijke directeur :
  1° de directeur-generaal gerechtelijke politie, voorzitter;
  2° een korpschef die een mandaat van ten minste categorie 3 uitoefent en die voorkomt op een lijst voorgedragen door de vaste commissie van de lokale politie, bijzitter;
  3° een deskundige die doet blijken van een voor de opdracht van de selectiecommissie voor het ambt van gerechtelijke directeur relevante beroepservaring, bijzitter. In voorkomend geval is dit een gerechtelijke directeur of een gewezen gerechtelijke directeur.
  Voor de aanwijzing van de in het eerste lid, 3°, bedoelde deskundige kan geput worden uit de lijst bedoeld in artikel VII.III.57, tweede lid.
  Een secretaris aangewezen door de voorzitter, staat de selectiecommissie voor het ambt van gerechtelijke directeur bij.
  De commissaris-generaal kan voor elke bijzitter één of meer plaatsvervangers aanwijzen die voldoen aan dezelfde aanwijzingsvoorwaarden van de werkende bijzitters.

  Art. 7.3.66. Het mandaat van de werkende en plaatsvervangende voorzitter en bijzitters van de selectiecommissie voor het ambt van gerechtelijke directeur geldt voor drie jaar en is hernieuwbaar.
  De voorzitter, de bijzitters en de plaatsvervangers die zijn aangewezen ter vervanging van een overleden of afgetreden voorzitter of bijzitter, voleindigen de aanwijzing van diegene die ze vervangen.

  Onderafdeling 8. - De selectiecommissie voor het ambt van directeur

  Art. 7.3.67. Bij de federale politie bestaat een door de commissaris-generaal uit de volgende leden samen te stellen selectiecommissie voor het ambt van directeur :
  1° respectievelijk de commissaris-generaal of de directeur-generaal of hun afgevaardigde-mandaathouder, onder wiens gezag het te begeven ambt van directeur ressorteert, voorzitter;
  2° de inspecteur-generaal of de door hem aangewezen adjunct-inspecteur-generaal, bijzitter;
  3° een directeur-generaal van een andere algemene directie van de federale politie of diens afgevaardigde-mandaathouder, bijzitter.
  Een secretaris aangewezen door de voorzitter, staat de selectiecommissie voor het ambt van directeur bij.
  De commissaris-generaal kan voor elke bijzitter één of meer plaatsvervangers aanwijzen die voldoen aan dezelfde aanwijzingsvoorwaarden van de werkende bijzitters.

  Onderafdeling 9. - De selectiecommissie voor het ambt van inspecteur-generaal en adjunct-inspecteur-generaal

  Art. 7.3.68. De selectiecommissie voor het ambt van inspecteur-generaal en adjunct-inspecteur-generaal bestaat uit de volgende door de minister aangewezen leden :
  1° de voorzitter van de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, voorzitter;
  2° een lid van het College van Procureurs-generaal, bijzitter;
  3° een deskundige die doet blijken van een voor de opdracht van de selectiecommissie voor het ambt van inspecteur-generaal en adjunct-inspecteur-generaal relevante beroepservaring, bijzitter.
  Voor de aanwijzing van de in het eerste lid, 3° bedoelde deskundige kan geput worden uit de lijst bedoeld in artikel VII.III.57, tweede lid.
  Een secretaris, aangewezen door de voorzitter, staat de selectiecommissie voor het ambt van inspecteur-generaal en adjunct-inspecteur-generaal bij.
  De minister kan voor elke bijzitter één of meer plaatsvervangers aanwijzen die voldoen aan dezelfde aanwijzingsvoorwaarden van de werkende bijzitters.

  HOOFDSTUK III. - De evaluatie van de mandaathouder

  Afdeling 1. - De periodiciteit van de evaluaties

  Art. 7.3.69. De in artikel 76ter van de wet van 26 april 2002 bedoelde evaluatie wordt gehouden op verzoek van :
  1° de minister, de territoriaal bevoegde gouverneur, procureur-generaal bij het hof van beroep of procureur des Konings, de inspecteur-generaal, de burgemeester of, naar gelang van het geval, het politiecollege, de gemeenteraad of, naar gelang van het geval, de politieraad, wat de evaluatie betreft van een korpschef;
  2° de minister, de territoriaal bevoegde, gouverneur, procureur-generaal bij het hof van beroep of procureur des Konings, de inspecteur-generaal en de commissaris-generaal, wat de evaluatie van de bestuurlijke directeur-coördinator betreft;
  3° de minister, de Minister van Justitie, de territoriaal bevoegde, procureur-generaal bij het hof van beroep of procureur des Konings, de inspecteur-generaal, de directeur-generaal gerechtelijke politie en de commissaris-generaal, wat de evaluatie van de gerechtelijke directeur betreft;
  4° de minister, de Minister van Justitie, de inspecteur-generaal en de commissaris-generaal, wat de evaluatie van een directeur-generaal betreft, alsook wat de evaluatie van de directeur-generaal gerechtelijke politie betreft, de federale magistraat bedoeld in artikel 47tredecies van het Wetboek van strafvordering;
  5° de minister, de Minister van Justitie en de inspecteur-generaal, wat de evaluatie van de commissaris-generaal betreft;
  6° de minister en de Minister van Justitie, wat de evaluatie van de inspecteur-generaal betreft;
  7° de minister, de minister van Justitie en de inspecteur-generaal wat de evaluatie van een ajunct-inspecteur-generaal betreft;
  8° de minister, de commissaris-generaal en de inspecteur-generaal, wat het mandaat van directeur betreft.
  De in het eerste lid bedoelde overheden richten hun gemotiveerd verzoek tot evaluatie aan de voorzitter van de ter zake bevoegde evaluatiecommissie.

  Afdeling 2. - De evaluatiecommissies

  Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepaling voor alle evaluatiecommissies

  Art. 7.3.70. De bepalingen van de artikelen VII.III.52 tot en met VII.III.57 zijn van overeenkomstige toepassing op de evaluatiecommissies.
  De minister kan nadere regelen bepalen voor de samenstelling van de in deze afdeling bedoelde evaluatiecommissies.

  Onderafdeling 2. - De evaluatiecommissie voor het ambt van korpschef

  Art. 7.3.71. In de gemeente- of meergemeentenzone bestaat de evaluatiecommissie voor het ambt van korpschef uit de volgende leden :
  1° de burgemeester of, naar gelang van het geval, de voorzitter van het politiecollege, voorzitter;
  2° de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de gemeente of de meergemeentenzone is gelegen, bijzitter;
  3° de gouverneur of de door hem aangewezen vice-gouverneur of arrondissementscommissaris, bijzitter;
  4° de inspecteur-generaal of de door hem aangewezen adjunct-inspecteur-generaal, bijzitter.
  In geval van staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
  De evaluatiecommissie wordt bijgestaan door een secretaris aangewezen door de voorzitter.

  Onderafdeling 3. - De evaluatiecommissie voor het ambt van commissaris-generaal

  Art. 7.3.72. Bij de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken of bij de door de minister aangewezen dienst bestaat de evaluatiecommissie voor het ambt van commissaris-generaal.
  Deze evaluatiecommissie bestaat uit een onpaar aantal deskundigen, gezamenlijk aangewezen door de minister en de Minister van Justitie, die doen blijken van een voor de opdracht van de evaluatiecommissie voor het ambt van commissaris-generaal relevante beroepservaring.
  De evaluatiecommissie wordt bijgestaan door een secretaris aangewezen door de minister.

  Onderafdeling 4. - De evaluatiecommissie voor het ambt van directeur-generaal

  Art. 7.3.73. Bij de federale politie bestaat de evaluatiecommissie voor het ambt van directeur-generaal uit de volgende door de minister aangewezen leden :
  1° de commissaris-generaal, voorzitter;
  2° de inspecteur-generaal, bijzitter;
  3° een deskundige die doet blijken van een voor de opdracht van de evaluatiecommissie voor het ambt van directeur-generaal relevante beroepservaring, bijzitter.
  De evaluatiecommissie wordt bijgestaan door een secretaris aangewezen door de voorzitter.

  Onderafdeling 5. - De evaluatiecommissie voor het ambt van bestuurlijke directeur-coördinator

  Art. 7.3.74. Bij de federale politie bestaat de evaluatiecommissie voor het ambt van bestuurlijke directeur-coördinator uit de volgende leden :
  1° de inspecteur-generaal of de door hem aangewezen adjunct-inspecteur-generaal, voorzitter;
  2° de commissaris-generaal, bijzitter;
  3° de gouverneur of de door hem aangewezen vice-gouverneur of arrondissementscommissaris, bijzitter.
  De evaluatiecommissie wordt bijgestaan door een secretaris aangewezen door de voorzitter.

  Onderafdeling 6. - De evaluatiecommissie voor het ambt van gerechtelijke directeur

  Art. 7.3.75. Bij de federale politie bestaat de evaluatiecommissie voor het ambt van gerechtelijke directeur uit de volgende leden :
  1° de inspecteur-generaal of de door hem aangewezen adjunct-inspecteur-generaal, voorzitter;
  2° de procureur des Konings van het arrondissement, bijzitter;
  3° de directeur-generaal gerechtelijke politie, bijzitter.
  De evaluatiecommissie wordt bijgestaan door een secretaris aangewezen door de voorzitter.

  Onderafdeling 7. - De evaluatiecommissie voor het ambt van directeur

  Art. 7.3.76. Bij de federale politie bestaat de evaluatiecommissie voor het ambt van directeur uit de volgende leden :
  1° respectievelijk de commissaris-generaal of de directeur-generaal, onder wiens gezag het te evalueren ambt van directeur ressorteert, voorzitter;
  2° de inspecteur-generaal of de door hem aangewezen adjunct-inspecteur-generaal, bijzitter;
  3° een door de minister aangewezen directeur-generaal van een andere algemene directie van de federale politie, bijzitter.
  De evaluatiecommissie wordt bijgestaan door een secretaris aangewezen door de voorzitter.

  Onderafdeling 8. - De evaluatiecommissie voor het ambt van inspecteur-generaal en adjunct-inspecteur-generaal

  Art. 7.3.77. Bij de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken of bij de door de minister aangewezen dienst bestaat de evaluatiecommissie voor het ambt van inspecteur-generaal en adjunct-inspecteur-generaal.
  Deze evaluatiecommissie bestaat uit een onpaar aantal deskundigen, gezamenlijk aangewezen door de minister en de Minister van Justitie, die doen blijken van een voor de opdracht van de evaluatiecommissie voor het ambt van inspecteur-generaal en adjunct-inspecteur-generaal relevante beroepservaring.
  Betreft het de evaluatie van de adjunct-inspecteur-generaal dan bestaat de evaluatiecommissie minstens uit de inspecteur-generaal en twee deskundigen die doen blijken van een voor de opdracht van de evaluatiecommissie voor het ambt van inspecteur-generaal en adjunct-inspecteur-generaal relevante beroepservaring.
  De evaluatiecommissie wordt bijgestaan door een secretaris aangewezen door de minister.

  Afdeling 3. - De evaluatie door de evaluatiecommissie

  Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 7.3.78. De evaluatie geschiedt op grond van de gegevens die blijken uit de stukken met inbegrip van het in VII.III.88, tweede lid, bedoelde activiteitenverslag en, in voorkomend geval, uit de bevragingen en uit de vaststellingen van de algemene inspectie die deze heeft gedaan in het raam van haar opdrachten. De voornoemde gegevens worden getoetst tijdens het evaluatiegesprek van de evaluatiecommissie met de mandaathouder.

  Art. 7.3.79. Er mag voor de evaluatie enkel gebruik worden gemaakt van stukken waarvan de mandaathouder kennis heeft genomen.
  Onverminderd de artikelen II.I.13 en VII.III.11, wordt van alle stukken die in het raam van een evaluatie worden aangewend, een kopie verstrekt aan de mandaathouder, tenzij deze het stuk reeds bezit of er rechtstreeks toegang tot heeft.

  Art. 7.3.80. De bevragingen kunnen geschieden bij de bestuurlijke en gerechtelijke overheden, de onmiddellijke medewerkers die onder het gezag staan van de mandaathouder, alsook bij eenieder die voor de evaluatie van de mandaathouder nuttige gegevens kan aanbrengen.
  Indien er geen bevragingen beschikbaar zijn, kan de voorzitter van de evaluatiecommissie de nodige bevragingen doen of laten doen door de algemene inspectie.
  De overeenkomstig het eerste en het tweede lid bekomen bevragingen waarop de evaluatiecommissie bij haar evaluatie een beroep wil doen, kunnen slechts worden aangewend na aan de mandaathouder de gelegenheid te hebben geboden zich over deze bevragingen uit te spreken.

  Onderafdeling 2. - De procedurevoorschriften

  Art. 7.3.81. Met het oog op de opmaak van de evaluatie wint de evaluatiecommissie, binnen de perken van het bepaalde in de artikelen VII.III.78 tot en met VII.III.80, alle nuttige inlichtingen in. Zij nodigt de mandaathouder uit voor een evaluatiegesprek en deelt hem tegelijkertijd een voorstel van evaluatieverslag mee.
  Het in het eerste lid bedoelde evaluatiegesprek kan ten vroegste acht dagen na de uitnodiging plaatshebben.
  Behoudens overmacht wordt bij afwezigheid van het te evalueren personeelslid op dit evaluatiegesprek de procedure voortgezet en handelt de evaluatiecommissie overeenkomstig artikel VII.III.82.

  Art. 7.3.82. Na het evaluatiegesprek maakt de evaluatiecommissie haar evaluatieverslag op.
  Het evaluatieverslag wordt steeds besloten met de eindvermelding " goed ", " voldoende " of " onvoldoende " indien het een in artikel 76bis van de wet van 26 april 2002 bedoelde evaluatie betreft of " goed ", " goed met opmerkingen " of " onvoldoende " indien het een in artikel 76ter van de wet van 26 april 2002 bedoelde evaluatie betreft.
  Deze eindvermelding is een reflectie van de belangrijkste tendenzen uit de evaluatie van de mandaathouder en is coherent met de beschrijvende evaluatie.
  De eindvermelding wordt formeel gemotiveerd rekening houdende met het bepaalde in het tweede lid.

  Art. 7.3.83. De evaluatiecommissie deelt het evaluatieverslag onverwijld en ten laatste binnen de vijftien dagen na het evaluatiegesprek mee aan de mandaathouder.

  Art. 7.3.84. Binnen de zeven dagen na de ontvangst van het evaluatieverslag, brengt de geëvalueerde mandaathouder ter kennis van de evaluatiecommissie dat hij, hetzij :
  1° akkoord gaat met de inhoud van het evaluatieverslag;
  2° akkoord gaat met de inhoud van het evaluatieverslag doch er een aantal commentaren aan toevoegt;
  3° niet akkoord gaat met de inhoud van het evaluatieverslag en dat hij vraagt dat het zou worden aangepast in de zin van de nota met opmerkingen die hij bijvoegt.
  Eens de in het eerste lid bepaalde termijn is verstreken, wordt de geëvalueerde mandaathouder geacht akkoord te gaan met het evaluatieverslag. Met commentaren of nota's in de zin van het eerste lid, 2° en 3°, wordt geen rekening gehouden indien zij niet binnen dezelfde termijn van zeven dagen ter kennis zijn gebracht van de evaluatiecommissie.

  Art. 7.3.85. In het geval bedoeld in artikel VII.III.84, eerste lid, 2°, voegt de evaluatiecommissie de commentaren bij het evaluatieverslag.

  Art. 7.3.86. In het geval bedoeld in artikel VII.III.84, eerste lid, 3°, neemt de evaluatiecommissie kennis van de nota met opmerkingen. Treedt de evaluatiecommissie alle opmerkingen in de nota bij, dan deelt zij binnen de zeven dagen na ontvangst van de nota met opmerkingen een nieuw evaluatieverslag mee aan de geëvalueerde mandaathouder. In dit geval wordt het eerste evaluatieverslag en de erbij horende nota als onbestaande beschouwd.
  Treedt de evaluatiecommissie niet alle opmerkingen in de nota bij, dan handhaaft zij, geheel of gedeeltelijk, haar evaluatieverslag en deelt zij binnen de zeven dagen na ontvangst van de nota met opmerkingen haar beslissing tot handhaving van haar evaluatieverslag, dan wel het aangepast evaluatieverslag mee aan de geëvalueerde mandaathouder.
  Indien het evaluatieverslag op grond van de opmerkingen van de geëvalueerde mandaathouder gedeeltelijk werd aangepast, worden het eerste evaluatieverslag en de door de evaluatiecommissie in aanmerking genomen punten uit de erbij horende nota als onbestaande beschouwd.

  HOOFDSTUK IV. - De hernieuwing van het mandaat

  Afdeling 1. - Het Verzoek Tot Hernieuwing En De Evaluatie

  Art. 7.3.87. Ten vroegste tien en ten laatste acht maanden voor het verstrijken van de termijn van het mandaat, verzoekt de mandaathouder om de verlenging van zijn mandaat, dan wel deelt hij mee dat hij niet om deze verlenging verzoekt. Een buiten deze termijn ingediend verzoek tot hernieuwing is ongeldig.

  Art. 7.3.88. De mandaathouder richt het in artikel VII.III.87 bedoelde verzoek of de mededeling tot hetzij :
  1° de gemeente- of politieraad wat het mandaat van korpschef betreft;
  2° de minister wat de mandaten van inspecteur-generaal en commissaris-generaal betreft;
  3° de commissaris-generaal wat de overige mandaten in de federale politie betreft.
  Op straffe van onontvankelijkheid voegt de mandaathouder die om de hernieuwing van zijn mandaat verzoekt, bij zijn verzoek tot hernieuwing een activiteitenverslag dat onder meer is opgemaakt volgens de doelstellingen die opgenomen zijn in de opdrachtbrief. Hij voegt er tevens alle stukken bij die hem relevant blijken ter evaluatie van zijn verzoek tot hernieuwing.
  De minister kan het model van dit activiteitenverslag vastleggen, waarbij dit model kan verschillen al naar gelang van de categorie waartoe het uitgeoefende mandaat behoort, dan wel van de aard van het uitgeoefende mandaat.

  Art. 7.3.89. De in artikel VII.III.88, eerste lid, bedoelde overheid deelt de verzoeken tot hernieuwing van het mandaat mee aan de voorzitter van de voor de evaluatie van de hernieuwing bevoegde evaluatiecommissie.
  De bevoegde evaluatiecommissie evalueert de mandaathouder overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4 van hoofdstuk III.
  Indien het evaluatieverslag de eindvermelding " goed " draagt, deelt de evaluatiecommissie dit mee aan de in artikel VII.III.88 bedoelde overheid, waarna dit evaluatieverslag wordt opgenomen in het mandaatdossier en de procedure voor de hernieuwing van het mandaat, onverminderd artikel 49, eerste lid, in fine, van de wet, wordt voortgezet.
  Indien het evaluatieverslag de eindvermelding " voldoende " draagt, deelt de evaluatiecommissie dit mee aan de in artikel VII.III.88 bedoelde overheid, waarna dit evaluatieverslag wordt opgenomen in het mandaatdossier en het mandaat vacant wordt verklaard waarvoor de betrokken mandaathouder, onverminderd artikel 49, eerste lid, in fine, van de wet, kan meedingen.
  Indien het evaluatieverslag de eindvermelding " onvoldoende " draagt, deelt de evaluatiecommissie dit mee aan de in artikel VII.III.88 bedoelde overheid, waarna dit evaluatieverslag wordt opgenomen in het mandaatdossier en de procedure voor de beëindiging van het mandaat wordt voortgezet.

  Afdeling 2. - De hernieuwing van het mandaat

  Art. 7.3.90. De hernieuwing van een mandaat geschiedt door Ons op grond van de globale evaluatie bedoeld in artikel 74 van de wet van 26 april 2002 die is uitgevoerd door de daartoe bevoegde evaluatiecommissie.

  Art. 7.3.91. De in artikel 107, vijfde lid, van de wet bedoelde hiërarchische overheden zijn die bepaald in artikel VII.III.45.

  Art. 7.3.92. De in artikel 107, zevende lid, van de wet bedoelde termijn is die bepaald in artikel VII.III.44.
  Artikel VII.III.44, tweede lid, is van toepassing op het verzoek tot advies.

  Art. 7.3.93. Een verzoek tot hernieuwing van het mandaat kan niet worden geweigerd dan nadat de minister of diens afgevaardigde dan wel de overheid bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet, de betrokkene heeft gehoord.

  Art. 7.3.94. Het in artikel VII.III.94 bedoelde horen kan ten vroegste tien dagen na de uitnodiging plaatshebben.
  Behoudens overmacht wordt bij afwezigheid van het regelmatig opgeroepen personeelslid de procedure voortgezet en wordt zij geacht op tegenspraak te zijn gevoerd.

  Art. 7.3.95. Artikel VII.III.32 is van overeenkomstige toepassing op de hernieuwing van het mandaat.

  Art. 7.3.96. Het mandaat wordt uitgeoefend in overeenstemming met de bij de aanwijzing van het mandaat bepaalde en, in voorkomend geval, reeds aangepaste, opdrachtbrief.
  Desgewenst kan deze opdrachtbrief worden aangepast overeenkomstig de in de artikelen VII.III.39 en VII.III.40 bepaalde werkwijze.

  Art. 7.3.97. De duur van de hernieuwing, gerekend in jaren, gaat in de dag waarop de voorafgaande termijn van het mandaat is beëindigd.

  HOOFDSTUK V. - De beëindiging van het mandaat

  Afdeling 1. - Het vrijwillig beëindigen van het mandaat

  Art. 7.3.98. De mandaathouder kan vrijwillig zijn mandaat beëindigen door middel van een brief aan, naar gelang van het geval, de minister, de burgemeester of het politiecollege.
  Betreft het een beëindiging van één van de in artikel 66, eerste lid, 2°, 3°, 5° en 7°, van de wet van 26 april 2002 bedoelde ambten, dan licht het personeelslid ook de Minister van Justitie in van zijn verzoek tot ontslag.

  Art. 7.3.99. Het personeelslid mag slechts na toestemming van de voor het aanwijzen van het mandaat bevoegde overheid en mits naleving van een opzeggingstermijn van één maand zijn mandaat beëindigen. Indien de minister, de burgemeester of het politiecollege niet binnen de zestig dagen na de verzending van de aanvraag de beslissing van de voor het aanwijzen van het mandaat bevoegde overheid heeft meegedeeld aan de mandaathouder die vrijwillig zijn mandaat beëindigt, wordt de toestemming geacht te zijn verleend.
  De in het eerste lid bedoelde opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de in het eerste lid bepaalde beslissing ter kennis is gebracht van het personeelslid dan wel volgend op die waarin de in het eerste lid bedoelde termijn van zestig dagen na de datum van verzending is verstreken.
  De minister, de burgemeester of het politiecollege kan in onderling akkoord met de mandaathouder de in het eerste lid bedoelde opzeggingstermijn inkorten.

  Art. 7.3.100. De beslissing tot beëindiging van het mandaat wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel VII.III.32.

  Afdeling 2. - De beëindiging van het mandaat wegens ongeschiktheid van de mandaathouder

  Art. 7.3.101. De evaluatiecommissie gaat na of het gegeven bedoeld in artikel 76ter van de wet van 26 april 2002 gegrond is. Voor het overige is afdeling 4 van hoofdstuk III van overeenkomstige toepassing.
  Indien het evaluatieverslag de eindvermelding " goed " draagt, deelt de evaluatiecommissie dit mee aan de in artikel VII.III.88 bedoelde overheid, waarna dit evaluatieverslag wordt opgenomen in het mandaatdossier en het mandaat wordt voortgezet.
  Indien het evaluatieverslag de eindvermelding " goed met opmerkingen " draagt, deelt de evaluatiecommissie dit mee aan de in artikel VII.III.88 bedoelde overheid, waarna dit evaluatieverslag wordt opgenomen in het mandaatdossier.
  Indien het evaluatieverslag de eindvermelding " onvoldoende " draagt, deelt de evaluatiecommissie dit mee aan de in artikel VII.III.88 bedoelde overheid, waarna dit evaluatieverslag wordt opgenomen in het mandaatdossier en de procedure voor de beëindiging van het mandaat wordt voortgezet. Het mandaat kan slechts worden beëindigd nadat de minister of zijn afgevaardigde de mandaathouder heeft gehoord.

  Art. 7.3.102. Het in artikel VII.III.101, vierde lid, bedoelde horen kan ten vroegste zestien dagen na de uitnodiging plaatshebben.
  Behoudens overmacht wordt bij afwezigheid van het regelmatig opgeroepen personeelslid de procedure voortgezet en wordt zij geacht op tegenspraak te zijn gevoerd

  Art. 7.3.103. De beslissing tot beëindiging van het mandaat heeft uitwerking op de in de beslissing vermelde datum of, indien geen datum is vermeld, de eerste dag van de maand volgend op de datum van de kennisgeving van de beslissing aan het betrokken personeelslid.
  De beslissing tot beëindiging van het mandaat wordt bekendgemaakt overeenkomstig het bepaalde in artikel VII.III.32.

  Afdeling 3. - De Beëindiging Van Het Mandaat Wegens Tuchtstraf

  Art. 7.3.104. In de gevallen bedoeld in artikel 79 van de wet van 26 april 2002, kan het mandaat slechts door Ons worden beëindigd op verzoek van de in artikel VII.III.88 bedoelde overheid en nadat de minister of zijn afgevaardigde de mandaathouder heeft gehoord.

  Art. 7.3.105. Het in artikel VII.III.104 bedoelde horen kan ten vroegste zestien dagen na de uitnodiging plaatshebben.
  Behoudens overmacht wordt bij afwezigheid van het regelmatig opgeroepen personeelslid de procedure voortgezet en wordt zij geacht op tegenspraak te zijn gevoerd.

  Art. 7.3.106. De beslissing tot beëindiging van het mandaat heeft uitwerking op de in de beslissing vermelde datum of, indien geen datum is vermeld, de eerste dag van de maand volgend op de datum van de kennisgeving van de beslissing aan het betrokken personeelslid.
  De beslissing tot beëindiging van het mandaat wordt bekendgemaakt overeenkomstig het bepaalde in artikel VII.III.32.

  Afdeling 4. - Bijzondere regels voor de Federale Politie : de aanwijzing voor een ander mandaat

  Art. 7.3.107. Deze afdeling heeft betrekking op de in artikel 107, zesde lid, van de wet, bedoelde aanwijzing voor een ander mandaat.

  Art. 7.3.108. Vooraleer de minister en de Minister van Justitie overwegen de in artikel 107, zesde lid, van de wet bedoelde beslissing te nemen, wordt aan de mandaathouder voorafgaandelijk meegedeeld dat de in artikel 107, zesde lid, van de wet bepaalde beslissing wordt overwogen alsook de motieven hiervoor en het andere mandaat waarvoor overwogen wordt om betrokkene aan te wijzen.
  De mandaathouder beschikt over ten minste veertien dagen, te rekenen vanaf de kennisneming bedoeld in het eerste lid, om zijn standpunt ter zake te doen kennen. Hij deelt dit binnen die termijn mee aan beide in artikel 107, zesde lid, van de wet bedoelde ministers.

  Art. 7.3.109. De beslissing tot aanwijzing bedoeld in artikel 107, zesde lid, van de wet kan slechts rechtsgeldig getroffen worden mits het uitdrukkelijk akkoord van betrokkene en houdt van rechtswege de beëindiging in van het lopende mandaat op de eerste dag van de maand die volgt na de kennisgeving van deze beslissing aan betrokkene, tenzij de beslissing ter zake een andere termijn bepaalt.

  Art. 7.3.110. De minister kan nadere regels inzake de aanwijzing voor een ander mandaat bepalen.

  HOOFDSTUK VI. - De herplaatsing

  Art. 7.3.111. Met uitzondering van het personeelslid dat op de datum van de beëindiging van het mandaat, overeenkomstig de mobiliteitsregeling vervat in deel VI, titel II, hoofdstuk II wordt aangewezen voor een andere betrekking, wordt het personeelslid wiens mandaat is beëindigd, aangewezen voor een andere betrekking overeenkomstig de regels van de herplaatsing bedoeld in de artikelen VI.II.86 tot en met VI.II.91.

  TITEL IV. - DE LOOPBAAN VAN HET PERSONEEL VAN HET ADMINISTRATIEF EN LOGISTIEK KADER.

  HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 7.4.1. <KB 2007-03-23/36, art. 13, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. De benoemende overheid verleent de bevordering.
  De hogere loonschaal binnen de baremische loopbaan wordt toegekend, door de overheid bedoeld in artikel VII. II. 3, § 2.
  § 2. Aan het personeelslid dat in het raam van de mobiliteit wordt benoemd in een gelijkwaardige graad waaraan een andere minimum- of maximum-loonschalengroep is verbonden dan die die het tot dan toe genoot, wordt van rechtswege de overeenstemmende minimum- of maximumloonschalengroep, alsmede, binnen deze groep, de overeenstemmende loonschaal naar gelang van de stand van de baremische loopbaan van het personeelslid, toegekend, met behoud van loonschaalanciënniteit. De benoeming in een bijzondere graad kan enkel indien het personeelslid houder is van het desbetreffende specifiek diploma of getuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in die betrekking bij de federale Rijksbesturen, zoals opgenomen in de bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.

  Art. 7.4.2. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 13, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7.4.3. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 13, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  HOOFDSTUK II. - (De bevordering door overgang naar een hogere klasse en de overgang naar een lagere klasse) <KB 2007-03-23/36, art. 14, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7.4.4. <KB 2007-03-23/36, art. 14, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Om tot de klasse A2 te worden bevorderd, moet het personeelslid ten minste drie jaar anciënniteit in de klasse A1 hebben.
  Om tot de klasse A3 te worden bevorderd, moet het personeelslid ten minste drie jaar anciënniteit in de klasse A2 of zes jaar niveauanciënniteit in het niveau A hebben.
  Om tot de klasse A4 te worden bevorderd, moet het personeelslid ten minste drie jaar anciënniteit in de klasse A3 of zes jaar in de klasse A2 hebben.
  Om tot de klasse A5 te worden bevorderd, moet het personeelslid ten minste drie jaar anciënniteit in de klasse A4 of zes jaar in de klasse A3 hebben.
  § 2. Bij bevordering wordt de basisloonschaal van de hogere klasse toegekend, tenzij het personeelslid reeds een loonschaal die aan die klasse is verbonden, geniet.

  Art. 7.4.5. <KB 2007-03-23/36, art. 14, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Het personeelslid dat bij mobiliteit of herplaatsing of via de mandaatprocedure wordt aangewezen voor een betrekking van een lagere klasse, verwerft de loonschaal van de loonschalengroep van die klasse, in functie van, enerzijds, de reeds verworven gecumuleerde loonschaalanciënniteiten in die lagere klasse en in de hogere klasse en, anderzijds, het normaal verloop van de baremische loopbaan in de klasse, zoals bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling II.
  Indien de in het eerste lid bedoelde herplaatsing buiten zijn wil plaatsvindt, behoudt het personeelslid het voordeel van de wedde, zoals bedoeld in artikel XI.I.3, 1°, die het voor deze herplaatsing effectief genoot.

  Art. 7.4.6. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 14, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  HOOFDSTUK III. - DE BEVORDERING DOOR OVERGANG NAAR EEN HOGER NIVEAU.

  AFDELING 1. - ALGEMENE BEPALING.

  Art. 7.4.7.[2 ...]2
  (Het personeelslid dat door bevordering overgaat naar niveau A, kan zich enkel rechtsgeldig kandidaat stellen voor een betrekking van klasse A1 of, indien het een bijzondere graad betreft, voor een betrekking van klasse A2.) <KB 2007-03-23/36, art. 15, 2°, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 4, 058; Inwerkingtreding : 10-03-2010>
  (2)<W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  AFDELING 2. - HET BREVET VOOR OVERGANG NAAR EEN HOGER NIVEAU.

  Onderafdeling 1.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 7.4.8.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Onderafdeling 2.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 7.4.9.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Onderafdeling 3. - Vereiste niveauanciënniteit.

  Art. 7.4.10. Een personeelslid van niveau D kan worden toegelaten tot de selectie voor het brevet voor overgang naar niveau C mits het ten minste 3 jaar niveauanciënniteit telt in het niveau D.

  Art. 7.4.11. Een personeelslid van niveau C kan worden toegelaten tot de selectie voor het brevet voor overgang naar niveau B mits het ten minste 4 jaar niveauanciënniteit telt in het niveau C.

  Art. 7.4.12. Een personeelslid van niveau B of C kan worden toegelaten tot de selectie voor het brevet voor overgang naar niveau A mits het ten minste 2 jaar niveauanciënniteit in niveau B of ten minste 4 jaar niveauanciënniteit in niveau C telt.

  Onderafdeling 4. - Diplomavereisten.

  Art. 7.4.13.Om te worden toegelaten tot de selectie voor het brevet voor overgang naar niveau C moet het personeelslid houder zijn van een diploma of getuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van [1 niveau C]1 bij de federale Rijksbesturen, zoals opgenomen in de bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.
  [2 ...]2
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 58, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>
  (2)<W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 7.4.14.Om te worden toegelaten tot de selectie voor het brevet voor overgang naar niveau B, moet het personeelslid houder zijn van een diploma of getuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van [1 niveau B]1 bij de federale Rijksbesturen, zoals opgenomen in de bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.
  [2 ...]2
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 59, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>
  (2)<W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 7.4.15.Om te worden toegelaten tot de selectie voor het brevet voor overgang naar niveau A moet het personeelslid houder zijn van een diploma of getuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van [1 niveau A]1 bij de federale Rijksbesturen, zoals opgenomen in de bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.
  [2 ...]2
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 60, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>
  (2)<W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 7.4.16. De minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst kan buitenlandse diploma's of getuigschriften die ten minste evenwaardig zijn aan die, welke opgenomen zijn in de bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, in aanmerking nemen.

  Onderafdeling 5. - De selectie.

  Art. 7.4.17. <KB 2004-04-02/39, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 05-05-2004> De selectie van de kandidaten in het raam van de bevorderingsprocedures door overgang naar een hoger niveau geschiedt onder de vorm van een vergelijkend examen.

  Art. 7.4.18. De minister bepaalt :
  1° in functie van het niveau, de aard, het aantal, de volgorde en de organisatieregels van de selectieproeven;
  2° de voorwaarden om te slagen;
  3° de samenstelling en de werkwijze van de selectiecommissie.

  Art. 7.4.19.Het organiseren van de selectieproeven wordt aangekondigd aan de belanghebbende personeelsleden op de door de minister bepaalde manier. Deze aankondiging vermeldt ten minste de taal van de selectieproeven, het niveau waarvoor de proeven worden georganiseerd, de deelnemingsvoorwaarden en de datum waarop die moeten vervuld zijn [1 , de wijze van inschrijven en de uiterste inschrijvingsdatum alsmede het selectiereglement, opgesteld door de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie]1.
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 61, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 7.4.20.
  <Opgeheven bij KB 2009-06-07/13, art. 62, 044; Inwerkingtreding : 06-07-2009>

  Art. 7.4.21. De in artikel VII.IV.18, 3°, bedoelde selectiecommissie beslist welke kandidaten geslaagd en batig gerangschikt zijn en stelt de lijst van deze personeelsleden in alfabetische volgorde vast.
  De minister verleent het brevet aan de personeelsleden die op deze lijst voorkomen.

  HOOFDSTUK IV. - DE BAREMISCHE LOOPBAAN.

  AFDELING 1. - (De baremische loopbaan in de niveaus B, C en D) <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7.4.22. <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De baremische loopbaan van het personeelslid van niveau B, C of D bestaat in de opeenvolgende toekenning van een steeds hogere loonschaal in de minimum- of in de maximumloonschalengroep.
  (Vroegere afdeling 2 opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7.4.23. <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Voor deze afdeling wordt onder "hogere loonschaal" begrepen : de loonschaal van de minimum-, dan wel van de maximumloonschalengroep, waarvan het volgnummer, zijnde het eerstgenoemde nummer in de benaming van de loonschaal, één hoger ligt dan van de loonschaal die het personeelslid geniet.
  (Vroegere afdeling 3 opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7.4.24. <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De overgang naar de hogere loonschaal van de minimumloonschalengroep is onderworpen aan de volgende voorwaarden :
  1° zes jaar loonschaalanciënniteit in een loonschaal van die minimumloonschalengroep genieten;
  2° de laatste tweejaarlijkse eindevaluatie draagt niet de eindvermelding "onvoldoende".
  (Vroegere afdeling 4 opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (Vroegere onderafdeling 1 opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7.4.25. <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De overgang naar de hogere loonschaal van de maximumloonschalengroep is onderworpen aan de volgende voorwaarden :
  1° zes jaar loonschaalanciënniteit in een loonschaal van die maximumloonschalengroep genieten;
  2° de laatste tweejaarlijkse eindevaluatie draagt niet de eindvermelding "onvoldoende";
  3° met vrucht een gecertificeerde opleiding hebben gevolgd sinds de vorige overgang naar een andere loonschaal of vóór de vorige overgang naar de hogere loonschaal het met vrucht hebben gevolgd van een gecertificeerde opleiding naar aanleiding van een inschrijving overeenkomstig artikel IV.III.5.
  (Vroegere onderafdeling 2 opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7.4.26. <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Indien het personeelslid met een loonschaal van de maximumloonschalengroep beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in artikel VII.IV.25, 1° en 2°, maar niet aan die bedoeld in hetzelfde artikel, 3°, verwerft het de hogere loonschaal van de minimumloonschalengroep. De vorige loonschaal wordt alsdan gevrijwaard.

  Art. 7.4.27. <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Het personeelslid met een loonschaal van de minimumloonschalengroep, dat zich vóór 1 september van een kalenderjaar heeft ingeschreven voor een gecertificeerde opleiding, verwerft vanaf de maand september van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van inschrijving de overeenkomstige loonschaal van de maximumloonschalengroep, zijnde die met hetzelfde volgnummer, onder de volgende voorwaarden :
  1° de laatste tweejaarlijkse eindevaluatie draagt niet de eindvermelding "onvoldoende";
  2° met vrucht die gecertificeerde opleiding hebben gevolgd.
  Indien de in het eerste lid bedoelde inschrijving plaatsvindt na 1 september van een kalenderjaar, verwerft het personeelslid de overeenkomstige loonschaal van de maximumloonschalengroep vanaf de maand september van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van inschrijving, onder dezelfde voorwaarden.
  De in het eerste lid bedoelde overgang is evenwel niet meer mogelijk eens het personeelslid de hoogste loonschaal van de minimumloonschalengroep heeft bereikt.

  Art. 7.4.28.<KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Het contractueel personeelslid geniet geen baremische loopbaan.
  Aan het personeelslid van niveau D wordt evenwel, na zes jaar loonschaalanciënniteit in de basisloonschaal en mits de laatste tweejaarlijkse evaluatie niet de eindvermelding "onvoldoende" draagt, de tweede loonschaal van de minimumloonschalengroep toegekend, die het zou genieten mocht het zijn benoemd in zijn graad.
  [1 Aan het personeelslid dat krachtens het tweede lid de loonschaal DD2.1 heeft verworven, wordt de loonschaal DD3.1 toegekend na zes jaar loonschaalanciënniteit in de loonschaal DD2.1 en mits de laatste tweejaarlijkse evaluatie niet de eindvermelding " onvoldoende " draagt.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-09-20/26, art. 1, 046; Inwerkingtreding : 24-10-2009>
  (Vroegere onderafdeling 3 opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Afdeling 2. - De baremische loopbaan in het niveau A <Nieuwe afdeling ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Onderafdeling 1. - Klasse A1 en A2 <Nieuwe onderafdeling ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7.4.29. <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Voor de personeelsleden bekleed met de gemene graad, wordt een baremische loopbaan ingesteld voor overgang tussen de hieronder opgesomde loonschalen en na het vermeld aantal jaren loonschaalanciënniteit :
  1° van de loonschaal A11 naar de loonschaal A12 na zes jaar;
  2° van de loonschaal A12 naar de loonschaal A21 na zes jaar;
  3° van de loonschaal A21 naar de loonschaal A22 na zes jaar;
  4° van de loonschaal A22 naar de loonschaal A23 na zes jaar.
  De hogere loonschaal in de baremische loopbaan wordt niet toegekend indien de laatste tweejaarlijkse evaluatie de eindvermelding "onvoldoende" draagt.
  De toekenning van de loonschalen A22 en A23 is eveneens afhankelijk van het met vrucht hebben gevolgd van een gecertificeerde opleiding sinds de vorige overgang naar de hogere loonschaal of vóór de vorige overgang naar de hogere loonschaal het met vrucht hebben gevolgd van een gecertificeerde opleiding naar aanleiding van een inschrijving overeenkomstig artikel IV.III.5.
  § 2. De personeelsleden voor wie het bezit van een specifiek diploma of getuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau A bij de federale Rijksbesturen, zoals opgenomen in de bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel alsook het bezit van relevante ervaring verplichte aanwervingsvoorwaarden zijn, ontvangen bij hun aanwerving in een betrekking van klasse A1 een loonschaalanciënniteitsbonificatie ten belope van de vereiste duur van de relevante ervaring, met een maximum van zes jaar.

  Art. 7.4.30. <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Voor de personeelsleden bekleed met een bijzondere graad, wordt een baremische loopbaan ingesteld voor overgang tussen de hieronder opgesomde loonschalen en na het vermeld aantal jaren loonschaalanciënniteit :
  1° van de loonschaal A21 naar de loonschaal A22 na zes jaar;
  2° van de loonschaal A22 naar de loonschaal A23 na zes jaar.
  De hogere loonschaal in de baremische loopbaan wordt niet toegekend indien de laatste tweejaarlijkse evaluatie de eindvermelding "onvoldoende" draagt.

  Onderafdeling 2. - Klasse A3, A4 en A5 <Nieuwe onderafdeling ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7.4.31. <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Voor de personeelsleden benoemd in klasse A3, A4 en A5, wordt een baremische loopbaan ingesteld voor overgang tussen de hieronder opgesomde loonschalen en na het vermeld aantal jaren loonschaalanciënniteit :
  1° van de loonschaal A31, A41 en A51 naar respectievelijk de loonschaal A32, A42 en A52 na zes jaar;
  2° van de loonschaal A32, A42 en A52 naar respectievelijk de loonschaal A33, A43 en A53 na zes jaar.
  De hogere loonschaal in de baremische loopbaan wordt niet toegekend indien de laatste tweejaarlijkse evaluatie de eindvermelding "onvoldoende" draagt.
  De toekenning van de loonschalen A32 en A33 is eveneens afhankelijk van het met vrucht hebben gevolgd van een gecertificeerde opleiding sinds de vorige overgang naar de hogere loonschaal of vóór de vorige overgang naar de hogere loonschaal het met vrucht hebben gevolgd van een gecertificeerde opleiding naar aanleiding van een inschrijving overeenkomstig artikel IV.III.5.

  Art. 7.4.32. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7.4.33. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7.4.34. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7.4.35. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7.4.36. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7.4.37. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7.4.38. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7.4.39. (Opgeheven) <KB 2007-03-23/36, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  DEEL VIII. - DE ADMINISTRATIEVE STANDEN, DE VERLOVEN, DE DIENSTVRIJSTELLINGEN EN DE NON-ACTIVITEITEN.

  TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 8.1.1. Voor de toepassing van dit deel moet worden verstaan onder :
  1° " de bevoegde overheid " : de korpschef of de overheid die hij aanwijst voor de lokale politie, de commissaris-generaal of de overheden die hij aanwijst voor de federale politie, de directeur van het opleidingscentrum voor de aspiranten;
  2° (" werkdagen " : de dagen, met uitzondering van zaterdagen en zondagen, waarop het personeelslid verplicht is te werken krachtens de arbeidsregeling die het is opgelegd.
  Voor de daartoe door de bevoegde overheid, na overleg in het betrokken overlegcomité, aangewezen continudiensten in de korpsen van de lokale politie van categorie 4 en 5, moet onder " werkdagen " worden verstaan : de dagen waarop het personeelslid verplicht is te werken krachtens de arbeidsregeling die het is opgelegd.) <KB 2005-08-31/50, art. 8, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 8.1.1bis. [1 Voor de toepassing van dit deel, wordt gelijkgesteld met :
   1° het huwelijk : het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door twee personen van verschillend of van hetzelfde geslacht die samenleven als koppel;
   2° de echtgenoot van het personeelslid : de persoon, van verschillend of van hetzelfde geslacht, met wie het personeelslid samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats;
   3° de echtgenote van het personeelslid : de persoon, van verschillend of van hetzelfde geslacht, met wie het personeelslid samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats;
   4° de vader : de persoon van het vrouwelijk of mannelijk geslacht getrouwd met de moeder of die met haar samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-29/10, art. 5, 058; Inwerkingtreding : 21-02-2014>

  Art. 8.1.2. De verloven, afwezigheden en dienstvrijstellingen bedoeld in dit deel worden toegekend door de bevoegde overheid, met uitzondering echter van de volgende verloven die, naar gelang van het geval, worden toegekend door de minister, de burgemeester of het politiecollege waaronder het personeelslid ressorteert :
  1° het verlof voor opdracht van algemeen belang;
  2° (het verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht.) <KB 2004-11-18/32, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 06-12-2004>minister.

  TITEL II. - DE ADMINISTRATIEVE STANDEN.

  Art. 8.2.1. Het personeelslid bevindt zich in één van de volgende administratieve standen :
  1° in dienstactiviteit;
  2° in non-activiteit;
  3° in disponibiliteit.

  Art. 8.2.2. Wat de vaststelling van zijn administratieve stand betreft, wordt het personeelslid altijd geacht zich in dienstactiviteit te bevinden, behoudens de formele bepaling die hem, hetzij van rechtswege, hetzij op beslissing van de bevoegde overheid, in een andere administratieve stand plaatst.

  Art. 8.2.3. Het personeelslid in dienstactiviteit heeft, tenzij anders bepaald, recht op wedde, op bevordering, op de baremische loopbaan en op tussentijdse verhogingen.

  Art. 8.2.4. Behoudens de gevallen van overmacht mag het personeelslid niet afwezig zijn van zijn dienst indien het niet vooraf een verlof, een rust of een dienstvrijstelling heeft gekregen.

  Art. 8.2.5. Onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf of een administratieve maatregel, is het personeelslid dat zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof, zijn rust of zijn dienstvrijstelling zonder geldige reden overschrijdt, van rechtswege in non-activiteit.

  Art. 8.2.6. De voorlopige schorsing bedoeld in artikel 59 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten plaatst de betrokkene van rechtswege in de administratieve stand van non-activiteit.

  Art. 8.2.7. Met uitzondering van de contractuele personeelsleden, hebben de personeelsleden in non-activiteit, tenzij anders bepaald, geen recht op wedde, op bevordering, op de baremische loopbaan en op tussentijdse verhogingen.

  TITEL III. - JAARLIJKS VAKANTIEVERLOF EN FEESTDAGEN.

  HOOFDSTUK I. - HET JAARLIJKS VAKANTIEVERLOF.

  AFDELING 1. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 8.3.1. Het personeelslid, met uitzondering van de aspirant, heeft recht op 32 werkdagen jaarlijks vakantieverlof.

  Art. 8.3.1bis. [1 Het in artikel VIII.III.1 bedoelde aantal werkdagen wordt voor de personeelsleden van het officierskader en de personeelsleden van het administratief en logistiek kader aangevuld met :
   - 3 werkdagen in het kalenderjaar waarin zij de leeftijd van 61 jaar bereiken;
   - 6 werkdagen in het kalenderjaar waarin zij de leeftijd van 62 jaar bereiken;
   - 8 werkdagen in het kalenderjaar waarin zij de leeftijd van 63 jaar bereiken;
   - 10 werkdagen vanaf het kalenderjaar waarin zij de leeftijd van 64 jaar bereiken.
   Het in artikel VIII.III.1 bedoelde aantal werkdagen wordt voor de personeelsleden van het operationeel kader, met uitzondering van de personeelsleden van het officierskader, aangevuld met :
   - 3 werkdagen in het kalenderjaar waarin zij de leeftijd van 59 jaar bereiken;
   - 6 werkdagen in het kalenderjaar waarin zij de leeftijd van 60 jaar bereiken;
   - 7 werkdagen in het kalenderjaar waarin zij de leeftijd van 61 jaar bereiken;
   - 8 werkdagen in het kalenderjaar waarin zij de leeftijd van 62 jaar bereiken;
   - 9 werkdagen in het kalenderjaar waarin zij de leeftijd van 63 jaar bereiken;
   - 10 werkdagen vanaf het kalenderjaar waarin zij de leeftijd van 64 jaar bereiken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-29/10, art. 6, 058; Inwerkingtreding : 01-01-2011>

  Art. 8.3.2.[1 Het jaarlijks vakantieverlof kan worden opgenomen tot en met 31 maart van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarvoor het jaarlijks vakantieverlof is toegekend.
   In uitzonderlijke door de minister te bepalen gevallen kan het jaarlijks vakantieverlof worden opgenomen tot een door de minister vast te stellen datum na 31 maart van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarvoor het jaarlijks vakantieverlof is toegekend.
   De minister bepaalt de nadere regels van :
   - de eventuele overdracht van het jaarlijks vakantieverlof na de in het eerste lid bedoelde datum;
   - de eventuele weigering van het jaarlijks vakantieverlof.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 7, 058; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 8.3.3. Het jaarlijks vakantieverlof wordt genomen zoals het het personeelslid past en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
  (Indien het verlof wordt gesplitst en indien het personeelslid het vraagt, moet het een doorlopende periode van ten minste zestien dagen omvatten.) <KB 2008-03-10/32, art. 1, 037; Inwerkingtreding : 31-03-2008>
  (Het jaarlijks vakantieverlof bedoeld in het tweede lid dat wordt genomen in de periode van juni tot september moet, in principe, ten minste vier maanden op voorhand worden aangevraagd.) <KB 2005-08-31/50, art. 9, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 8.3.4.Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijks vakantieverlof.
  [1 Het aantal dagen jaarlijks vakantieverlof bedoeld in artikel VIII.III.1, in voorkomend geval aangevuld met het aantal dagen bedoeld in artikel VIII.III.1bis, wordt]1 echter in evenredige mate verminderd wanneer een personeelslid in de loop van het jaar in dienst treedt, een basisopleiding heeft gevolgd, zijn ambt definitief neerlegt, in dienst is genomen om onvolledige prestaties te verrichten, of tijdens het jaar één van de hierna genoemde verloven of afwezigheden heeft verkregen :
  1° het verlof voor stage of proefperiode;
  2° het verlof voor opdracht;
  3° de halftijdse vervroegde uittreding;
  4° de vrijwillige vierdagenweek;
  5° het verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan;
  6° het verlof om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen;
  7° de afwezigheden waarbij het personeelslid in de administratieve stand van non-activiteit of disponibiliteit is geplaatst;
  [2 8° de vierdagenweek met of zonder premie;
   9° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar.]2
  [3 10° de verminderde prestaties wegens een langdurige medische ongeschiktheid.]3
  Indien het aldus berekende aantal vakantiedagen geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de hogere hele dag.
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 8, 058; Inwerkingtreding : 01-01-2011>
  (2)<KB 2014-01-29/16, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<KB 2017-01-26/24, art. 1, 073; Inwerkingtreding : 20-02-2017>

  Art. 8.3.5. Het jaarlijks vakantieverlof wordt opgeschort zodra het personeelslid een ziekteverlof of een omstandigheidsverlof bekomt of in disponibiliteit wordt geplaatst.
  De verlofdagen die aldus niet werden genomen worden toegevoegd aan het saldo van de jaarlijkse verlofdagen.

  Art. 8.3.6. De aspiranten genieten twee dagen jaarlijks vakantieverlof per maand opleiding, te nemen volgens de schoolmodaliteiten die worden vastgelegd door de directeur van het opleidingscentrum in het schoolreglement.

  AFDELING 2. - PROCEDURE BIJ WEIGERING VAN HET JAARLIJKS VAKANTIEVERLOF.

  Art. 8.3.7. Bij de algemene directie personeel wordt een raadgevend orgaan opgericht dat als volgt is samengesteld :
  1° een vertegenwoordiger van de minister, voorzitter;
  2° één bijzitter per representatieve vakorganisatie;
  3° een aantal bijzitters gelijk aan het aantal bijzitters bedoeld in 2° waarvan zo mogelijk evenveel leden tot de lokale als tot de federale politie behoren.
  De voorzitter en de bijzitters hebben bovendien elk een plaatsvervanger.
  Een secretaris, aangewezen door de minister, staat het raadgevend orgaan bij.

  Art. 8.3.8. De minister wijst de in artikel VIII.III.7, eerste lid, 3°, bedoelde bijzitters aan onder de personeelsleden die voorkomen op een dubbele lijst die wordt voorgesteld door de commissaris-generaal wat de leden van de federale politie betreft en door de vaste commissie voor de lokale politie wat de leden van de lokale politie betreft.

  Art. 8.3.9. Het mandaat van de voorzitter, de bijzitters en hun plaatsvervangers bedraagt drie jaar en is hernieuwbaar.
  De voorzitter, de bijzitters en de plaatsvervangers die worden aangewezen ter vervanging van de overleden of aftredende voorzitter of bijzitters, voleindigen de aanwijzing van diegenen die ze vervangen.

  Art. 8.3.10. Het personeelslid, met uitzondering van de aspirant, kan, bij weigering van zijn jaarlijks vakantieverlof, een procedure inleiden bij het in artikel VIII.III.7 bedoelde raadgevend orgaan dat een advies verstrekt aan de overheid die het verlof heeft geweigerd.

  Art. 8.3.11. De minister bepaalt de nadere regelen van de door het personeelslid te volgen procedure.

  HOOFDSTUK II. - DE WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE FEESTDAGEN.

  Art. 8.3.12. De personeelsleden zijn met verlof op de wettelijke en reglementaire feestdagen.

  Art. 8.3.13. (§ 1.) Voor de wettelijke en reglementaire feestdagen die samenvallen met een zaterdag of een zondag, bekomt het personeelslid vervangende verlofdagen die onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof kunnen worden genomen. <KB 2008-03-10/32, art. 2, 037; Inwerkingtreding : 31-03-2008>
  De minister kan echter voor het geheel van het personeel van de beoogde diensten de data vastleggen waarop sommige of alle vervangende verlofdagen moeten worden genomen.
  (§ 2. Indien een personeelslid zijn ambt definitief neerlegt vóór een of meerdere van de data bedoeld in § 1, tweede lid, dan heeft het recht op een aantal verlofdagen gelijk aan het aantal de feestdagen die samenvielen met een zaterdag of zondag in de periode dat het nog in dienst was. Deze kunnen genomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof.) <KB 2008-03-10/32, art. 2, 037; Inwerkingtreding : 31-03-2008>

  Art. 8.3.14. Het personeelslid dat krachtens de arbeidstijdregeling die op hem van toepassing is, of ten gevolge van de behoeften van de dienst verplicht is te werken op één van de dagen bedoeld in artikel VIII.III.12 of in artikel VIII.III.13, tweede lid, bekomt vervangende verlofdagen die onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof kunnen worden genomen.

  Art. 8.3.15. De administratieve stand van het personeelslid dat op een feestdag om een andere reden met verlof is of dat in disponibiliteit of in non-activiteit is, blijft bepaald overeenkomstig de verordeningsbepalingen die op hem van toepassing zijn.

  TITEL IV. - OMSTANDIGHEIDSVERLOVEN, UITZONDERLIJKE VERLOVEN EN DIENSTVRIJSTELLINGEN.

  HOOFDSTUK I. - OMSTANDIGHEIDSVERLOVEN.

  Art. 8.4.1.[1 § 1. Omstandigheidsverloven worden aan de personeelsleden toegekend binnen de perken zoals hierna bepaald :
   1° het huwelijk van het personeelslid : 4 werkdagen;
   2° de bevalling van de echtgenote van het personeelslid : 10 werkdagen;
   3° het overlijden van de echtgeno(o)t(e) van het personeelslid, het overlijden van een bloed- of aanverwant in de eerste graad van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) alsook het overlijden van de echtgeno(o)t(e) van het kind van het personeelslid of het overlijden van de echtgeno(o)t(e) van het kind van de echtgeno(o)t(e) van het personeelslid : 4 werkdagen;
   4° het huwelijk van een kind van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) : 2 werkdagen;
   5° het huwelijk van een broer, een zuster, een schoonbroer, een schoonzuster, de vader, de moeder, de schoonvader, de stiefvader, de schoonmoeder, de stiefmoeder, een kleinkind van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) : 1 werkdag;
   6° het overlijden van een bloed- of aanverwant in om het even welke graad van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) maar onder hetzelfde dak wonend als het personeelslid : 2 werkdagen;
   7° het overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede of in de derde graad van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) maar niet onder hetzelfde dak wonend als het personeelslid : 1 werkdag;
   8° de priesterwijding of het intreden in het klooster of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een erkende religie van een kind van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) : 1 werkdag;
   9° de plechtige communie of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een erkende religie van een kind van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) : 1 werkdag;
   10° de deelneming van een kind van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) aan het feest van de "vrijzinnige jeugd" : 1 werkdag.
   § 2. Voor wat betreft de contractuele personeelsleden is § 1, 2°, van toepassing in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten voor dezelfde gebeurtenis.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 9, 058; Inwerkingtreding : 21-02-2014>

  HOOFDSTUK II. - UITZONDERLIJKE VERLOVEN.

  Art. 8.4.2.Het personeelslid van het administratief en logistiek kader, met uitzondering van de stagiair en het contractuele personeelslid, bekomt verlof om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen van de federale wetgevende kamers, van de gewest- en gemeenschapsraden, van de provincieraden, van de gemeenteraden of [1 van de Europese vergaderingen]1.
  Deze verloven worden toegekend voor een periode die overeenkomt met de duur van de verkiezingscampagne waaraan de betrokkenen als kandidaat deelnemen.
  Deze verloven worden niet bezoldigd.
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 10, 058; Inwerkingtreding : 21-02-2014>

  Art. 8.4.3.Het personeelslid, met uitzondering van de aspirant, de stagiair en het contractuele personeelslid, bekomt [1 voltijds verlof]1 voor een stage of een proefperiode in een andere betrekking van een overheidsdienst of van het gesubsidieerd onderwijs.
  Dit verlof wordt toegestaan voor de normale duur van de stage of van de proefperiode.
  De personeelsleden die een mandaat bekleden, worden uitgesloten van dat verlof.
  (Het personeelslid dat het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel, deelt aan de bevoegde overheid de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.) <KB 2004-11-18/32, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 06-12-2004>
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 11, 058; Inwerkingtreding : 21-02-2014>

  Art. 8.4.4. Het verlof bedoeld in artikel VIII.IV.3 wordt niet bezoldigd.

  Art. 8.4.5. Het personeelslid bekomt een verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen en dit voor de duur van de zitting.

  Art. 8.4.6. Het personeelslid van het administratief en logistiek kader bekomt een verlof om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps Civiele Bescherming of bij brandweerdiensten als vrijwillige dienstnemer bij dit korps of die diensten en dit voor de duur van de prestaties.

  Art. 8.4.7.[1 § 1. De personeelsleden bekomen uitzonderlijk verlof wegens overmacht die het gevolg is van de ziekte of van een ongeval overkomen aan één van de volgende personen met wie het personeelslid samenleeft op dezelfde woonplaats :
   1° de echtgeno(o)t(e) van het personeelslid;
   2° een bloed- of aanverwant van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e);
   3° een persoon opgenomen met het oog op zijn adoptie, met het oog op de uitoefening van een pleegvoogdij of ingevolge een rechterlijke beslissing tot plaatsing in een opvanggezin.
   Het personeelslid bekomt eveneens een uitzonderlijk verlof wegens overmacht die het gevolg is van de ziekte of van een ongeval overkomen aan zijn kind dat bij hem verblijft maar gedomicilieerd is bij de andere ouder van het kind.
   Voor de aspiranten kan het verlof, bedoeld in het eerste en het tweede lid, opgeschort worden tijdens de opleidingsperiodes die door de directeur van het opleidingscentrum worden vastgesteld.
   De noodzaak van de aanwezigheid van het personeelslid wordt bewezen aan de hand van een doktersattest.
   § 2. De duur van de verloven is tot vier werkdagen per jaar beperkt.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 12, 058; Inwerkingtreding : 21-02-2014>

  Art. 8.4.7bis. [1 Het personeelslid, met uitzondering van de aspirant, heeft recht op een verlof van vijf werkdagen per jaar voor de volgende activiteiten :
   1° het vergezellen en bijstaan van zieken, personen met een handicap en maatschappelijk kwetsbare personen tijdens vakantiereizen en vakantieverblijven in België en het buitenland. Die vakantiereizen en vakantieverblijven moeten georganiseerd worden door een vereniging, een openbare instelling of een privé-instelling, waarvan de opdracht erin bestaat de zorg voor zieken, personen met een handicap of maatschappelijk kwetsbare personen op zich te nemen en die hiervoor subsidies van de overheid krijgt;
   2° het begeleiden van sporters met een handicap die deelnemen aan de paralympische spelen of de "special olympics".
   Het in het eerste lid bedoelde verlof kan worden toegestaan aan het personeelslid voor zover de betrokken persoon :
   - ofwel met het personeelslid onder hetzelfde dak woont;
   - ofwel, indien de persoon niet met het personeelslid onder hetzelfde dak woont, een bloed- of aanverwant in de eerste graad is.
   Om dit verlof te genieten, kan de dienst het personeelslid vragen het bewijs te leveren van deelname aan de activiteiten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-01-26/24, art. 2, 073; Inwerkingtreding : 20-02-2017>
  

  Art. 8.4.8. Het personeelslid verkrijgt een verlof van ten hoogste vier werkdagen voor het afstaan van beenmerg. Het verlof neemt een aanvang op de dag waarop het beenmerg in de verzorgingsinstelling wordt afgestaan.

  Art. 8.4.9. Het personeelslid verkrijgt een verlof voor het afstaan van organen of weefsels. Dit verlof wordt toegestaan voor een periode die overeenkomt met de duur van de hospitalisatie en van de eventueel vereiste herstelperiode alsook met de duur van de voorafgaande geneeskundige onderzoeken.

  Art. 8.4.9bis. [1 Het personeelslid bekomt, mits voorafgaande toestemming van de bevoegde overheid en voor zover de dienstnoodwendigheden het toelaten, een verlof voor het geven van bloed, bloedplasma en bloedplaatjes.
   Het in het eerste lid bedoelde verlof wordt toegekend voor de nodige duur voor het geven van bloed, bloedplasma of bloedplaatjes en voor een maximale verplaatsingstijd van twee uur.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-29/10, art. 13, 058; Inwerkingtreding : 21-02-2014>

  HOOFDSTUK III. - DIENSTVRIJSTELLINGEN.

  Art. 8.4.10.Dienstvrijstellingen worden toegekend aan de personeelsleden voor de volgende activiteiten :
  1° de verandering van standplaats opgelegd in het belang van de dienst, wanneer die verandering een bijdrage van de Staat of de gemeente of de meergemeentezone in de verhuiskosten meebrengt : voor de nodige duur;
  2° (...); <KB 2004-11-18/32, art. 4, 016; Inwerkingtreding : 06-12-2004>
  3° de oproeping als getuige voor een rechtscollege of persoonlijke verschijning op aanmaning van een rechtscollege voor zaken die geen verband houden met de uitvoering van de dienst : voor de nodige duur;
  4° de uitoefening van het ambt van voorzitter, van bijzitter of van secretaris van een stembureau of een opnemingsbureau : de nodige tijd met een maximum van twee werkdagen;
  5° [1 ...]1
  6° de wederoproepingen van de leden van (het reservekader van het leger;) <KB 2005-06-13/45, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 08-07-2005>
  (7° het interview bedoeld in artikel VI.II.21, eerste lid, 2°, de testen of geschiktheidsproeven bedoeld in artikel VI.II.21, eerste lid, 6°, en het verschijnen voor een selectiecommissie bedoeld in deel VI;) <KB 2005-06-13/45, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 08-07-2005>
  (8° de activiteiten van algemeen belang bepaald door, naar gelang van het geval, de korpschef of de commissaris-generaal : voor de ter zake vastgestelde duur.) <KB 2005-06-13/45, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 08-07-2005>
  (Met betrekking tot de in het eerste lid, 8°, bedoelde activiteiten kan de korpschef of, naar gelang van het geval, de commissaris-generaal beslissen om de duur van die activiteiten geheel of gedeeltelijk als dienstprestatie aan te rekenen.) <KB 2005-06-13/45, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 08-07-2005>
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 14, 058; Inwerkingtreding : 21-02-2014>

  TITEL V. - MOEDERSCHAPSBESCHERMING.

  Art. 8.5.1. De bezoldiging over de periode gedurende welke het vrouwelijke personeelslid (moederschapsverlof) geniet, bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, mag niet meer dan vijftien weken, of (negentien weken) in geval van meergeboorte, bestrijken. <KB 2008-03-10/32, art. 3, 1°, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2004> <KB 2008-03-10/32, art. 3, 2°, 037; Inwerkingtreding : 31-03-2008>
  (De bezoldiging voor de verlenging van de postnatale rust toegestaan in toepassing van artikel VIII.V.4, derde lid, mag niet meer dan één week bestrijken.) <KB 2008-03-10/32, art. 3, 3°, 037; toepassing op de bevallingen die plaatsvinden na 1 september 2006>
  (De bezoldiging voor de verlenging van de postnatale rust toegestaan in toepassing van artikel VIII.V.4bis, mag niet meer dan 24 weken bestrijken.) <KB 2008-03-10/32, art. 13, 4°, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2004>

  Art. 8.5.2. De periodes van afwezigheid wegens ziekte die te wijten zijn aan de zwangerschap gedurende de (vijf weken) die vallen voor de zevende dag die de werkelijke bevallingsdatum voorafgaat, worden voor het bepalen van de administratieve stand van het vrouwelijke personeelslid veranderd in (moederschapsverlof). <KB 2008-03-10/32, art. 4, 1° en 2°, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  Dit artikel is eveneens van toepassing wanneer de periodes van afwezigheid wegens ziekte die te wijten zijn aan de zwangerschap zijn gesitueerd gedurende de (zeven weken) die, in geval van meergeboorte, vallen voor de zevende dag die de werkelijke bevallingsdatum voorafgaat. <KB 2008-03-10/32, art. 4, 3°, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2004>

  Art. 8.5.3. Wanneer het vrouwelijke personeelslid het prenataal verlof heeft opgebruikt en de bevalling na de voorziene datum gebeurt, wordt het prenataal verlof verlengd tot de werkelijke datum van de bevalling. Tijdens deze periode bevindt het vrouwelijke personeelslid zich in (moederschapsverlof). <KB 2008-03-10/32, art. 5, 037; Inwerkingtreding : 31-03-2008>
  In afwijking van artikel VIII.V.1 is de bezoldiging verschuldigd.

  Art. 8.5.4. (Op verzoek van het vrouwelijk personeelslid wordt het moederschapsverlof, in toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, na de negende week van het postnataal verlof verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder heeft gewerkt vanaf de zesde week vóór de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat.) <KB 2008-03-10/32, art. 6, 1°, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  Worden gelijkgesteld met werkdagen die tot na het postnataal verlof kunnen worden verschoven, de volgende afwezigheden gedurende de zes weken of, in geval van meergeboorte, gedurende de acht weken, die vallen vr de zevende dag die aan de werkelijke bevallingsdatum voorafgaat :
  1° het jaarlijkse vakantieverlof;
  2° de wettelijke en reglementaire feestdagen;
  3° de in de artikelen VIII.IV.1, VIII.IV.7 en VIII.IX.1 bedoelde verloven;
  4° de afwezigheden wegens ziekte met uitsluiting van de afwezigheden bedoeld in artikel VIII.V.2.
  (Op verzoek van het vrouwelijk personeelslid wordt het moederschapsverlof na de negende week van het postnataal verlof, verlengd met één week, wanneer het vrouwelijk personeelslid afwezig is geweest wegens ziekte te wijten aan de zwangerschap gedurende de ganse periode vanaf de zesde week voorafgaand aan de werkelijke datum van de bevalling, of de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht.) <KB 2008-03-10/32, art. 6, 2°, 037; toepassing op de bevallingen die plaatsvinden na 1 september 2006>
  (In geval van geboorte van een meerling, wordt op verzoek van het vrouwelijk personeelslid het moederschapsverlof na de negende week van het postnataal verlof, eventueel verlengd overeenkomstig de bepalingen van het eerste, het tweede en het derde lid, verlengd met een periode van maximaal twee weken.) <KB 2008-03-10/32, art. 6, 3°, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2004>

  Art. 8.5.4bis. <ingevoegd bij KB 2008-03-10/32, art. 7; Inwerkingtreding : 31-03-2008> Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van het vrouwelijk personeelslid de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verplegingsinrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt het vrouwelijk personeelslid aan de overheid waaronder zij ressorteert :
  1° bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;
  2° in voorkomend geval een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit het bepaalde in dit lid waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname.

  Art. 8.5.5. Het vrouwelijke personeelslid dat in dienstactiviteit is en dat de bevoegde overheid waaronder zij ressorteert, op de hoogte heeft gesteld van haar toestand, bekomt op haar verzoek het nodige verlof om haar in staat te stellen naar prenatale medische onderzoeken, die niet buiten de diensturen kunnen plaatsvinden, te gaan en die te ondergaan. De aanvraag van het personeelslid moet met een doktersattest worden gestaafd.

  Art. 8.5.6. Het vrouwelijke personeelslid dat, met toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971 is vrijgesteld van arbeid, wordt ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige duur.

  Art. 8.5.7. De artikelen VIII.V.1 en VIII.V.2 zijn niet van toepassing in geval van miskraam vr de 181ste dag van de zwangerschap.

  Art. 8.5.8.<Ingevoegd bij KB 2003-10-24/35, art. 9; Inwerkingtreding : 01-02-2002> Op vertoon van een doktersattest dat de noodzaak ervan aantoont, wordt aan het zwangere personeelslid (...) het arbeidsstelsel bedoeld in de artikelen VIII.X.13 tot [1 tot VIII.X.16ter toegestaan]1 . <KB 2007-03-23/36, art. 17, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  In afwijking van artikel VIII.X.12 wordt dit stelsel, op vertoon van een doktersattest dat de noodzaak ervan aantoont, voor volledige dagen toegestaan.
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 15, 058; Inwerkingtreding : 21-02-2014>

  Art. 8.5.9. <Ingevoegd bij KB 2003-10-24/35, art. 10; Inwerkingtreding : 01-02-2002> Onverminderd artikel VIII.V.2 worden de periodes van afwezigheid wegens ziekte die te wijten zijn aan de zwangerschap van een personeelslid (...), mits voorlegging van een doktersattest dat dit verband staaft, niet aangerekend op het aantal verlofdagen bedoeld in artikel VIII.X.1. <KB 2007-03-23/36, art. 18, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 8.5.10.<ingevoegd bij KB 2004-11-18/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-07-2002> § 1. Het vrouwelijke personeelslid heeft recht op een dienstvrijstelling om haar kind met moedermelk te voeden en/of melk af te kolven tot [1 negen maanden]1 na de geboorte van het kind.
  [1 ...]1
  § 2. De borstvoedingspauze duurt een half uur. Het vrouwelijke personeelslid dat tijdens een dag vier uur of langer werkt, heeft die dag recht op één pauze. Het vrouwelijke personeelslid dat tijdens een dag ten minste zeven en een half uur werkt, heeft die dag recht op twee pauzes. Als een vrouwelijk personeelslid recht heeft op twee pauzes tijdens een dag, kan zij deze opnemen in één of twee keer.
  De duur van de borstvoedingspauze(s) is in de duur van de prestaties van de betrokken dag begrepen.
  Het vrouwelijke personeelslid dient met de bevoegde overheid overeen te komen op welk(e) tijdstip(pen) van de dag zij de borstvoedingspauzes kan nemen. Bij ontstentenis van een akkoord vallen de borstvoedingspauzes onmiddellijk vóór of na de in het arbeidsreglement bepaalde rusttijden.
  § 3. Het vrouwelijke personeelslid dat de borstvoedingspauzes wenst te genieten, brengt de bevoegde overheid hiervan schriftelijk (twee weken) op voorhand op de hoogte, tenzij deze op verzoek van het betrokken personeelslid een kortere termijn aanvaardt. <KB 2008-03-10/32, art. 8, 037; Inwerkingtreding : 31-03-2008>
  Het recht op borstvoedingspauzes wordt toegekend mits het bewijs van borstvoeding wordt geleverd. Het bewijs wordt vanaf het begin van de uitoefening van het recht, naar keuze van het vrouwelijke personeelslid geleverd door een attest van een consultatiebureau voor zuigelingen (Kind en Gezin, " O.N.E. " of " Dienst für Kind und Familie " of door een medisch getuigschrift.
  Nadien bezorgt het vrouwelijke personeelslid de bevoegde overheid elke maand een attest of een medisch getuigschrift, telkens op de datum waarop de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes voor het eerst is ingegaan.
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 16, 058; Inwerkingtreding : 21-02-2014>

  Art. 8.5.11. <ingevoegd bij KB 2004-11-18/32, art. 6; Inwerkingtreding : 06-12-2004> Deze titel, met uitzondering van de artikelen VIII.V.8 en VIII.V.10, is niet van toepassing op het contractueel personeelslid.

  TITEL VI. - VADERSCHAPSVERLOF.

  Art. 8.6.1. Als (...) de moeder van het kind overlijdt of in het ziekenhuis wordt opgenomen, verkrijgt de vader van het kind op eigen verzoek een vaderschapsverlof om in de opvang van het kind te voorzien. <KB 2004-11-18/32, art. 7, 017; Inwerkingtreding : 06-12-2004>

  Art. 8.6.2. In geval van overlijden van de moeder is de duur van het vaderschapsverlof ten hoogste gelijk aan de duur van het (moederschapsverlof) dat de moeder nog niet had opgebruikt. Het personeelslid dat vader van het kind is en dat het vaderschapsverlof wenst te genieten, stelt daarvan de overheid waaronder hij ressorteert schriftelijk op de hoogte binnen de zeven dagen vanaf het overlijden van de moeder. De brief waarin hij dat doet, vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het vaderschapsverlof. Hij legt zo spoedig mogelijk een uittreksel uit de overlijdensakte van de moeder voor. <KB 2008-03-10/32, art. 9, 037; Inwerkingtreding : 31-03-2008>

  Art. 8.6.3. In geval van hospitalisatie van de moeder kan het personeelslid dat vader van het kind is een vaderschapsverlof krijgen onder de volgende voorwaarden :
  1° de pasgeborene moet het ziekenhuis hebben verlaten;
  2° de hospitalisatie van de moeder moet langer dan zeven dagen duren.
  Het vaderschapsverlof kan niet aanvangen voor de zevende dag volgend op de dag van de geboorte van het kind en wordt beëindigd op het ogenblik dat de hospitalisatie van de moeder ten einde loopt en uiterlijk op het einde van het gedeelte van het bevallingsverlof dat door de moeder nog niet was opgebruikt.
  Het personeelslid dat vader van het kind is en dat het vaderschapsverlof wenst te genieten, stelt daarvan de overheid waaronder hij ressorteert schriftelijk op de hoogte. De brief waarin hij dat doet, vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het verlof. De verlofaanvraag wordt gestaafd met een getuigschrift dat de duur van de hospitalisatie van de moeder vermeldt bovenop de zeven dagen volgend op de datum van de bevalling en de datum waarop de pasgeborene het ziekenhuis heeft verlaten.

  Art. 8.6.4. <ingevoegd bij KB 2004-11-18/32, art. 8; Inwerkingtreding : 06-12-2004> Deze titel is niet van toepassing op het contractueel personeelslid.

  TITEL VII. - OUDERSCHAPSVERLOF.

  Art. 8.7.1. Aan het personeelslid in dienstactiviteit, met uitzondering van de aspirant, wordt (bij de geboorte, de adoptie of de plaatsing van een kind in een opvanggezin in het kader van de pleegzorg) maximum drie maanden ouderschapsverlof toegestaan. Dit verlof moet worden genomen voor het kind de leeftijd van tien jaar heeft bereikt. Op vraag van het personeelslid wordt het verlof in maanden gesplitst. Het moet met volledige dagen worden genomen. <KB 2004-11-18/32, art. 9, 017; Inwerkingtreding : 06-12-2004>

  Art. 8.7.2. Het ouderschapsverlof wordt niet bezoldigd.

  TITEL VIII. - [1 ADOPTIEVERLOF, OPVANGVERLOF EN PLEEGZORGVERLOF]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 17, 058; Inwerkingtreding : 21-02-2014>

  Art. 8.8.1.<KB 2008-03-10/32, art. 11, 037; Inwerkingtreding : 31-03-2008> Een adoptieverlof wordt toegestaan aan het personeelslid, met uitzondering van de aspirant, dat een kind beneden de tien jaar adopteert.
  Het verlof bedraagt ten hoogste zes weken. Het verlof kan gesplitst worden in weken en dient te worden opgenomen uiterlijk binnen de vier maanden na de opname van het kind in het gezin van het personeelslid. Op vraag van het personeelslid, kunnen ten hoogste 3 weken van dit verlof opgenomen worden vooraleer het kind effectief in het gezin opgenomen wordt.
  Het personeelslid dat het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel, deelt aan de overheid waaronder het ressorteert, de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
  Het personeelslid dient de volgende documenten voor te leggen :
  1° een attest, uitgereikt door de bevoegde centrale autoriteit van de Gemeenschap of de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie waarin de toewijzing van het kind aan het personeelslid wordt bevestigd, om het verlof van ten hoogste 3 weken te verkrijgen vooraleer het kind opgenomen wordt in het gezin;
  2° een attest dat de inschrijving van het kind in het bevolkings- of vreemdelingenregister bevestigt om het resterend verlof te kunnen opnemen.
  De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in de pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag.
  [1 De maximumduur van het adoptieverlof wordt verminderd met twee weken, wanneer het personeelslid voor hetzelfde kind een omstandigheidsverlof in toepassing van artikel VIII.IV.1, § 1, 2°, of een geboorteverlof in toepassing van artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten heeft bekomen.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 18, 058; Inwerkingtreding : 21-02-2014>

  Art. 8.8.2.<KB 2008-03-10/32, art. 12, 037; Inwerkingtreding : 31-03-2008> Een opvangverlof wordt toegestaan aan het personeelslid, met uitzondering van de aspirant, dat de pleegvoogdij opneemt van een kind beneden de tien jaar of dat een minderjarige opneemt in zijn gezin ingevolge een rechterlijke beslissing tot plaatsing in een opvanggezin.
  Het verlof bedraagt ten hoogste zes weken voor een kind beneden de 3 jaar en ten hoogste 4 weken in de andere gevallen. Het verlof vangt aan op de dag dat het kind in het gezin wordt opgenomen en kan niet gesplitst worden.
  De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag.
  [1 Het opvangverlof wordt verminderd met het aantal werkdagen pleegzorgverlof dat reeds opgenomen werd in hetzelfde jaar voor hetzelfde kind in toepassing van artikel VIII.VIII.3 en in toepassing van artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 19, 058; Inwerkingtreding : 21-02-2014>

  Art. 8.8.3. [1 § 1. Een pleegzorgverlof wordt toegestaan aan het personeelslid dat is aangesteld als pleegouder door de rechtbank, door een door een Gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, door de diensten van "l'Aide à la Jeunesse", door het Comité Bijzondere Jeugdbijstand of door de "Jugendhilfedienst" voor de vervulling van de verplichtingen en opdrachten of om het hoofd te bieden aan situaties die voortvloeien uit de plaatsing in zijn gezin van één of meerdere personen die in het kader van die pleegzorg aan hem zijn toevertrouwd.
   De duur van het verlof mag zes werkdagen per jaar niet overschrijden.
   Het pleegzorgverlof wordt verminderd met het aantal werkdagen opvangverlof dat reeds opgenomen werd in hetzelfde jaar.
   § 2. Onder pleegouder moet worden verstaan de persoon die is aangesteld en vernoemd in een formele aanstellingsbeslissing uitgaande van één van de instellingen, opgesomd in § 1, eerste lid.
   Onder pleeggezin moet worden verstaan, het gezin van de persoon of van de personen die als pleegouder werd(en) aangesteld in de zin van het vorige lid.
   De plaatsing omvat alle vormen van plaatsing in het gezin waartoe kan worden besloten in het kader van een pleegzorgmaatregel, zowel de plaatsing van minderjarige personen, als de plaatsing van personen met een handicap.
   § 3. De soorten verplichtingen, opdrachten en situaties waarvoor het verlof met het oog op het verstrekken van pleegzorgen geldt, hebben betrekking op de volgende gebeurtenissen die specifiek verband houden met de pleegzorgsituatie en waarbij de tussenkomst van het personeelslid vereist is, en dit voor zover dit niet kan plaatsvinden buiten de normale uren :
   1° alle soorten van zittingen bij de gerechtelijke en administratieve autoriteiten die bevoegd zijn voor het pleeggezin;
   2° contacten van de pleegouder of het pleeggezin met de ouders of met derden die belangrijk zijn voor het pleegkind en de pleeggast;
   3° contacten met de dienst pleegzorg.
   In andere dan de hiervoor vermelde situaties geldt het recht op verlof voor zover de bevoegde plaatsingsdienst een attest aflevert dat verduidelijkt waarom dergelijk verlof noodzakelijk is.
   § 4. Het personeelslid dat gebruik maakt van het verlof met het oog op het verstrekken van pleegzorgen, is ertoe gehouden de overheid hiervan ten minste twee weken op voorhand te verwittigen. Indien dit niet mogelijk is, moet hij de overheid zo spoedig mogelijk verwittigen.
   Om het verlof te kunnen genieten, moet het personeelslid het bewijs leveren dat hij pleegouder is aan de hand van de formele aanstellingsbeslissing uitgaande van één van de in § 1, eerste lid, bedoelde instellingen.
   Op verzoek van de overheid levert het personeelslid aan de hand van de gepaste documenten of bij gebreke hieraan, door ieder ander bewijsmiddel, het bewijs van de gebeurtenissen die zijn afwezigheid op het werk rechtvaardigen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-29/10, art. 20, 058; Inwerkingtreding : 21-02-2014>

  TITEL IX. - VERLOF OM DWINGENDE REDENEN VAN FAMILIAAL BELANG.

  Art. 8.9.1.Aan de personeelsleden, met uitzondering van de aspiranten en de contractuele personeelsleden, wordt een verlof om dwingende redenen van familiaal belang toegestaan. Dat verlof wordt toegestaan voor een maximumduur van 45 werkdagen per jaar voor :
  1° ziekenhuisopname alsmede de navolgende herstelperiode van een persoon die met het personeelslid onder hetzelfde dak woont of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad die niet met het personeelslid onder hetzelfde dak woont;
  2° opvang van de kinderen [1 van het personeelslid of van de echtgeno(o)t(e) van het personeelslid]1 die de leeftijd van vijftien jaar niet hebben bereikt;) <KB 2008-03-10/32, art. 13, 1°, 037; Inwerkingtreding : 31-03-2008>
  (3° opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van de kinderen [1 van het personeelslid of van de echtgeno(o)t(e) van het personeelslid]1 die de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag;
  4° opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van de kinderen [1 van het personeelslid of van de echtgeno(o)t(e) van het personeelslid]1 die onder het statuut van verlengde minderjarigheid werden geplaatst.) <KB 2008-03-10/32, art. 13, 2°, 037; Inwerkingtreding : 31-03-2008>
  Over de gehele loopbaan van het personeelslid mag dat verlof evenwel 540 werkdagen niet overschrijden.
  (Om het verlof in toepassing van dit artikel te genieten, kan de dienst het personeelslid vragen het bewijs te leveren dat een dwingende reden van familiaal belang zich voordoet.) <KB 2008-03-10/32, art. 13, 3°, 037; Inwerkingtreding : 31-03-2008>
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/10, art. 21, 058; Inwerkingtreding : 21-02-2014>

  Art. 8.9.2. Het verlof om dwingende redenen van familiaal belang wordt niet bezoldigd.

  Art. 8.9.3. De maximumduur van het verlof om dwingende redenen van familiaal belang wordt in evenredige mate verminderd overeenkomstig artikel VIII.III.4.

  TITEL X. - ZIEKTEVERLOF.

  HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 8.10.1. Voor de gehele duur van zijn loopbaan en met uitzondering van het contractuele personeelslid, krijgt het personeelslid dat wegens ziekte verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, ziekteverlof tot maximum dertig dagen per twaalf maanden dienstanciënniteit. Als hij nog geen 36 maanden in dienst is, wordt zijn loon hem niettemin gedurende 90 dagen gewaarborgd.
  Voor het personeelslid dat oorlogsinvalide is, wordt het aantal in het eerste lid vastgestelde dagen respectievelijk op 45 en 135 gebracht.

  Art. 8.10.2.De dertig en vijfenveertig dagen waarvan sprake is in artikel VIII.X.1 worden verminderd in evenredigheid met de tijdens de beschouwde periode van twaalf maanden niet verrichte prestaties, wanneer het personeelslid in de loop van die periode :
  1° één of meer verloven heeft verkregen die [1 in artikel VIII.III.4, tweede lid, 1° tot en met 6°, 8° en 9°]1, zijn opgesomd;
  2° afwezig is geweest wegens ziekte, het verlof bedoeld in artikel VIII.X.6 uitgezonderd;
  3° op non-activiteit is geplaatst.
  Indien het aldus berekende aantal dagen ziekteverlof geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de hogere hele dag.
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/16, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 8.10.3.§ 1. Het verlof wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking bedoeld in titel XV, noch aan de stelsels van de halftijdse vervroegde uittreding en van de vrijwillige vierdagenweek bedoeld in de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector [1 noch aan de stelsels van de vierdagenweek met of zonder premie en van het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector en in het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector]1.
  Het personeelslid blijft het voor zijn verminderde prestaties verschuldigde loon ontvangen.
  § 2. Wanneer het personeelslid deeltijdse prestaties verricht, worden de afwezigheden wegens ziekte aangerekend op het aantal dagen verlof waarop hij krachtens artikel VIII.X.1 recht heeft, naar rata van de te verrichten prestaties.
  Indien het totale aantal aldus verrekende dagen per twaalf maanden dienstanciënniteit geen geheel aantal is, wordt het afgerond naar de hogere hele dag.
  Voor het personeelslid dat deeltijdse prestaties verricht, worden de dagen afwezigheid tijdens welke het personeelslid prestaties diende te verrichten als dagen ziekteverlof aangerekend.
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/16, art. 3, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 8.10.4. Het verlof wegens ziekte wordt tijdelijk onderbroken tijdens het verlof om dwingende redenen van familiaal belang. De dagen verlof om dwingende redenen die samenvallen met een ziekteverlof worden niet als ziekteverlofdagen beschouwd.

  Art. 8.10.5. Voor de toepassing van artikel VIII.X.1 worden de werkelijke prestaties in aanmerking genomen die het personeelslid in welke hoedanigheid ook en zonder vrijwillige onderbreking verricht heeft, als titularis van ambten met volledige prestaties in een andere overheidsdienst of een door de Staat of een Gemeenschap opgerichte, erkende of gesubsidieerde onderwijsinrichting, psycho-medisch sociaal centrum, dienst voor beroepskeuze of medisch pedagogisch instituut.

  Art. 8.10.6. § 1. In afwijking van artikel VIII.X.1, wordt het verlof wegens ziekte zonder tijdsbeperking toegestaan, naar aanleiding van :
  1° een arbeidsongeval;
  2° een ongeval op de weg van en naar het werk;
  3° een beroepsziekte;
  4° de toepassing van artikel VIII.V.6;
  5° de ziekten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van het beroep, met inbegrip van de sportongevallen zonder " externe oorzaak ". Die sportongevallen moeten steeds door een aangenomen arts worden bevestigd.
  Behoudens artikel VIII.X.8, tweede lid, komen de verlofdagen toegestaan naar aanleiding van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte, zelfs na de datum van consolidatie, evenals de dagen verlof toegestaan bij toepassing van artikel VIII.V.6 en van § 1, eerste lid, 5°, niet in aanmerking voor het bepalen van het aantal verlofdagen dat het personeelslid nog kan krijgen krachtens artikel VIII.X.1.
  § 2. De personeelsleden die door een beroepsziekte worden bedreigd en die, onder de door Ons vastgestelde voorwaarden, daardoor tijdelijk ophouden hun ambt uit te oefenen, worden ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige duur.

  Art. 8.10.7. De verlofdagen wegens ziekte ingevolge een ongeval veroorzaakt door de fout van een derde dat geen ongeval is als bedoeld in artikel VIII.X.6, worden niet in aanmerking genomen om het aantal verlofdagen te bepalen dat het personeelslid krachtens artikel VIII.X.1 nog kan krijgen ten belope van het percentage aansprakelijkheid dat aan de derde ten laste is gelegd en dat als grondslag dient voor de wettelijke indeplaatsstelling van de Staat voor de federale politie of van de gemeente of de meergemeentezone voor de lokale politie.

  Art. 8.10.8. Het personeelslid kan niet voorgoed ongeschikt worden verklaard wegens ziekte of invaliditeit, alvorens hij het totaal van het verlof waarop artikel VIII.X.1 hem recht geeft, heeft opgenomen.
  Onverminderd het eerste lid, worden de verlofdagen toegestaan ingevolge een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk, een beroepsziekte of een ziekte bedoeld in artikel VIII.X.6, § 1, eerste lid, 5°, slechts in aanmerking genomen vanaf de datum van consolidatie.
  Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het personeelslid dat, nadat het een opdracht heeft vervuld bij een buitenlandse regering, een buitenlands openbaar bestuur of een internationale instelling, uit dien hoofde op rust werd gesteld wegens invaliditeit en een pensioen geniet.

  Art. 8.10.9. Het wegens ziekte afwezige personeelslid is onderworpen aan het geneeskundig toezicht van de medische dienst :
  1° ambtshalve, op beslissing van een arts van de medische dienst;
  2° op verzoek van de bevoegde overheid terzake, gericht aan de dienst bedoeld in 1°. Dat verzoek moet schriftelijk worden bevestigd.

  Art. 8.10.10. In uitzonderlijke gevallen kan bij beslissing van de minister het ziekteverlof enkel worden gerechtvaardigd door een arts aangewezen door de medische dienst.
  De op dat ogenblik reglementair toegekende ziekteverloven blijven evenwel geldig.

  Art. 8.10.11. De uitzonderlijke gevallen bedoeld in artikel VIII.X.10 zijn :
  1° natuurrampen in de zin van artikel 2 van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen;
  2° rampen en plagen zoals brand, epidemieën en epizoötieën in de zin van artikel 135, § 2, 5°, van de Nieuwe Gemeentewet;
  3° de omstandigheden waarin dringende maatregelen dienen te worden getroffen om het hoofd te bieden aan een toestand waarbij 's lands veiligheid of defensie ernstig wordt bedreigd of waarbij de openbare orde in een omvangrijk deel van het Rijk op een ernstige wijze wordt of dreigt te worden verstoord.

  HOOFDSTUK II. - VERMINDERDE PRESTATIES WEGENS ZIEKTE.

  Art. 8.10.12. De afwezigheden van een personeelslid, met uitzondering van de aspirant en het contractuele personeelslid, tijdens een periode van verminderde prestaties, welke hij verricht bij toepassing van de artikelen VIII.X.13 tot VIII.X.16, worden als verlof beschouwd.De verminderde prestaties worden elke dag verricht.

  Art. 8.10.13. Indien de medische dienst van oordeel is dat een wegens ziekte afwezig personeelslid geschikt is om zijn ambt terug op te nemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties, geeft hij daarvan kennis aan de bevoegde overheid waaronder het personeelslid ressorteert.

  Art. 8.10.14. Het wegens ziekte afwezige personeelslid kan vragen om zijn ambt weer op te nemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties op grond van een advies van zijn behandelende arts en van het advies van de medische dienst die de bevoegde overheid ervan op de hoogte brengt.

  Art. 8.10.15. De arts die door de medische dienst is aangewezen om het personeelslid te onderzoeken, spreekt zich uit over zijn lichaamsgeschiktheid om zijn ambt ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties weer op te nemen.

  Art. 8.10.16. Een personeelslid zal zijn ambt opnieuw kunnen opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties voor een periode van maximum dertig dagen. Nochtans mogen verlengingen worden toegestaan voor ten hoogste dezelfde periode, indien de medische dienst bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van het personeelslid dit wettigt. Bij elk onderzoek oordeelt de medische dienst welk arbeidsstelsel het meest geschikt is.
  De totale ononderbroken duur van de verminderde prestaties mag twaalf maanden niet overschrijden. Die duur wordt niet aangerekend op het aantal verlofdagen bedoeld in artikel VIII.X.1.

  Art. 8.10.16bis.<Ingevoegd bij KB 2008-10-14/31, art. 2; Inwerkingtreding : 07-11-2008> Het jaarlijks vakantieverlof opgenomen tijdens een periode van verminderde prestaties wegens ziekte wordt per afwezigheidsdag naar de rato van een volledige dag aangerekend [1 op het aantal dagen bedoeld in artikel VIII.III.1 of, in voorkomend geval, op het aantal dagen bedoeld in artikel VIII.III.1bis]1.
  ----------
  (1)<KB 2017-01-26/24, art. 3, 073; Inwerkingtreding : 20-02-2017>

  Art. 8.10.16ter.[1 De periode van verminderde prestaties wegens ziekte onderbreekt tijdelijk de vrijwillige vierdagenweek [2 en de vierdagenweek met of zonder premie]2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-29/10, art. 22, 058; Inwerkingtreding : 21-02-2014>
  (2)<KB 2014-01-29/16, art. 4, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  HOOFDSTUK IIbis. - [1 Verminderde prestaties wegens een langdurige medische ongeschiktheid]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-01-26/24, art. 4, 073; Inwerkingtreding : 20-02-2017>
  

  Art. 8.10.16quater. [1 § 1. Het personeelslid, met uitzondering van de aspirant, de stagiair en het contractuele personeelslid, kan vragen om zijn ambt met verminderde prestaties wegens medische redenen uit te oefenen, wanneer het ingevolge een langdurige medische ongeschiktheid verhinderd is voltijds te werken aansluitend op een periode van verminderde prestaties wegens ziekte in toepassing van de artikelen VIII.X.12 tot VIII.X.16ter of na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen.
   § 2. Het in § 1 bedoelde personeelslid kan zijn ambt opnieuw opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties voor een periode van maximum twaalf maanden, tenzij de arts van de medische dienst oordeelt dat het nieuwe onderzoek vroeger moet plaatsvinden.
   Verlengingen mogen worden toegestaan voor periodes van ten hoogste twaalf maanden, indien de arts van de medische dienst bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van het personeelslid dit wettigt.
   Tijdens een lopende periode van verminderde prestaties kan het personeelslid een nieuw medisch onderzoek aanvragen bij de medische dienst met het oog op het aanpassen van zijn arbeidsstelsel.
   Bij elk onderzoek oordeelt de arts van de medische dienst of het personeelslid geschikt is om 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties te leveren.
   § 3. De verminderde prestaties worden verricht volgens een verdeling van de prestaties over de week overeenkomstig het advies van de arts van de medische dienst.
   § 4. De duur van de verminderde prestaties wegens een langdurige medische ongeschiktheid wordt niet aangerekend op het aantal verlofdagen bedoeld in artikel VIII.X.1.
   § 5. De verminderde prestaties wegens een langdurige medische ongeschiktheid worden opgeschort door :
   1° de loopbaanonderbreking;
   2° de halftijdse vervroegde uittreding;
   3° de vrijwillige vierdagenweek;
   4° de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden;
   5° de verloven in het raam van de moederschapsbescherming;
   6° het ouderschapsverlof;
   7° de vierdagenweek met en zonder premie;
   8° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar.
   De machtiging om verminderde prestaties wegens een langdurige medische ongeschiktheid te verrichten, wordt tijdelijk onderbroken tijdens een afwezigheid wegens ziekte, wegens een arbeidsongeval, wegens een ongeval op de weg van en naar het werk en wegens een beroepsziekte.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-01-26/24, art. 4, 073; Inwerkingtreding : 20-02-2017>
  

  Art. 8.10.16quinquies. [1 § 1. Het personeelslid bedoeld in artikel VIII.X.16quater, § 1, geniet zijn volledige wedde voor de eerste twaalf maanden van de verminderde prestaties wegens een langdurige medische ongeschiktheid.
   De in het eerste lid bedoelde duur wordt verminderd met het aantal dagen verminderde prestaties wegens ziekte dat het personeelslid reeds heeft opgenomen voor dezelfde aandoening in toepassing van de artikelen VIII.X.12 tot VIII.X.16ter.
   § 2. Na uitputting van de in § 1 bedoelde termijn geniet het personeelslid de wedde die verschuldigd is voor de verminderde prestaties, vermeerderd met een aanvulling gelijk aan 60 % van de wedde die verschuldigd zou zijn voor de prestaties die niet worden verstrekt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-01-26/24, art. 4, 073; Inwerkingtreding : 20-02-2017>
  

  Art. 8.10.16sexies. [1 § 1. Het personeelslid dat verminderde prestaties wegens een langdurige medische ongeschiktheid wenst te genieten, dient ten minste vijf werkdagen voor de datum waarop de verminderde prestaties aanvangen, het advies van de arts van de medische dienst verkregen te hebben.
   Het personeelslid dient een omstandig geneeskundig verslag voor te leggen van een arts-specialist.
   § 2. De arts van de medische dienst spreekt zich uit over de medische geschiktheid van het personeelslid om zijn ambt terug op te nemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties. Die arts overhandigt zo spoedig mogelijk, eventueel na de arts-specialist bedoeld in § 1, tweede lid, te hebben geraadpleegd, zijn schriftelijke bevindingen aan het personeelslid.
   § 3. Na de overhandiging van zijn bevindingen door de arts van de medische dienst in het raam van een aanvraag voor verminderde prestaties wegens een langdurige medische ongeschiktheid, kan het personeelslid, in onderling akkoord met de medische dienst, een arts-scheidsrechter aanwijzen binnen de twee werkdagen na de overhandiging van de bevindingen met het oog op het beslechten van het medisch geschil. Indien geen akkoord kan worden bereikt binnen de twee werkdagen kan het personeelslid met het oog op het beslechten van het medisch geschil een arts-scheidsrechter aanwijzen die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde en voorkomt op de lijst die in uitvoering van de voornoemde wet werd vastgesteld.
   De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist over het medisch geschil binnen de drie werkdagen na zijn aanwijzing. Elke andere vaststelling blijft gedekt door het beroepsgeheim.
   De kosten van die procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van het personeelslid, vallen ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.
   De arts-scheidsrechter brengt de arts-specialist bedoeld in § 1, tweede lid, en de arts van de medische dienst op de hoogte van zijn beslissing. De medische dienst en het personeelslid worden hiervan onmiddellijk verwittigd door de arts-scheidsrechter bij een ter post aangetekende brief.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-01-26/24, art. 4, 073; Inwerkingtreding : 20-02-2017>
  

  Art. 8.10.16septies. [1 Indien de medische dienst van oordeel is dat het personeelslid geschikt is om zijn ambt terug op te nemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties dan geeft hij daarvan kennis aan de bevoegde overheid onder wie het personeelslid ressorteert.
   De bevoegde overheid nodigt het personeelslid uit het werk te hervatten.
   Indien het personeelslid geen gevolg geeft aan deze vraag om het werk te hervatten, bevindt het zich van rechtswege in non-activiteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-01-26/24, art. 4, 073; Inwerkingtreding : 20-02-2017>
  

  HOOFDSTUK III. - PROFYLACTISCH VERLOF.

  Art. 8.10.17. Het personeelslid bekomt een profylactisch verlof wanneer een arts de ziekte, waaraan een familielid dat onder hetzelfde dak woont lijdt, bijzonder besmettelijk acht, in dusdanige mate zelfs dat de overdracht van ziektekiemen wordt gevreesd en dit gezien de omstandigheden en overeenkomstig de aanvullende bepalingen die door de minister worden opgesteld.
  Het personeelslid zal de arbeidsgeneesheer van de medische dienst onmiddellijk op de hoogte brengen van het besmettingsgevaar door middel van een geneeskundig attest dat diezelfde dag nog door de behandelende arts wordt afgeleverd.
  De verlofregeling kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden toegestaan door de medische dienst. De verlofregeling kan niet worden toegestaan aan het personeelslid dat zelf lijdt aan één van die ziektes. Het moet dan in ziekteverlof worden gesteld.

  TITEL XI. - DISPONIBILITEIT WEGENS ZIEKTE.

  Art. 8.11.1. Onverminderd artikel VIII.X.6, bevindt het personeelslid, met uitzondering van het contractuele personeelslid, dat wegens ziekte afwezig is, na het aantal dagen verlof dat krachtens artikel VIII.X.1 is toegestaan, te hebben bereikt, zich van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte.
  Het personeelslid behoudt zijn recht op bevordering en op de baremische loopbaan.
  De artikelen VIII.X.7 en VIII.X.9 zijn van toepassing op het personeelslid dat in disponibiliteit wegens ziekte is.

  Art. 8.11.2. De indisponibiliteitsstelling wegens ziekte van de personeelsleden wordt betekend door de bevoegde overheid.

  Art. 8.11.3. Onder de voorwaarden bepaald in dit hoofdstuk, wordt een wachtgeld toegekend aan de personeelsleden in disponibiliteit wegens ziekte.
  Het wachtgeld wordt vastgesteld op grond van het laatste activiteitsloon, in voorkomend geval, herzien bij toepassing van artikel 9 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries.
  In geval van cumulatie van ambten, wordt het wachtgeld slechts toegekend op grond van het hoofdambt.

  Art. 8.11.4. Het personeelslid dat in disponibiliteit wegens ziekte is, ontvangt een wachtgeld dat gelijk is aan 60 % van zijn laatste activiteitsloon.
  Het bedrag van dit wachtgeld mag echter in geen geval lager liggen dan :
  1° de vergoedingen die de betrokkene in dezelfde toestand zou ontvangen indien de sociale zekerheidsregeling op hem van toepassing was geweest sinds het begin van zijn afwezigheid;
  2° het pensioen dat hij zou verkregen hebben indien hij, op de datum van zijn indisponibiliteitsstelling, tot de vervroegde oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid was toegelaten.

  Art. 8.11.5.[1 In afwijking van artikel VIII.XI.4, heeft het personeelslid recht op een maandelijks wachtgeld dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste activiteitsloon indien de kwaal waaraan het lijdt door de commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten als een ernstige en langdurige ziekte wordt erkend.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-08-26/37, art. 1, 051; Inwerkingtreding : 24-09-2010>

  Art. 8.11.6.De disponibiliteit wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking bedoeld in titel XV, noch aan de stelsels van halftijdse vervroegde uittreding en van vrijwillige vierdagenweek zoals bedoeld in de wet van 10 april 1995 betreffende de arbeidsherverdeling in de openbare sector [1 noch aan de stelsels van de vierdagenweek met of zonder premie en van het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector en in het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector]1.
  (Voor de toepassing van artikel VIII.XI.4, is het laatste activiteitsloon dat welke verschuldigd was overeenkomstig het prestatiestelsel op het ogenblik waarop het personeelslid in disponibiliteit wordt gesteld.) <KB 2004-11-18/32, art. 11, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004>
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/16, art. 5, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 8.11.7. <KB 2004-11-18/32, art. 12, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> Onverminderd artikel IX.I.4, wordt het personeelslid, na een termijn van zes maanden vanaf zijn indisponibiliteitsstelling, opgeroepen voor de commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten.
  (Vooraleer de in het eerste lid bedoelde termijn is verstreken, kan het personeelslid op eigen verzoek voor de commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten worden opgeroepen.
  Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden worden alle dagen disponibiliteit over de laatste 365 dagen gecumuleerd.
  De aspiranten die de dag voorafgaand aan hun toelating tot de opleiding nog geen personeelslid waren van een politiedienst en die afwezig zijn wegens ziekte, uitgezonderd de afwezigheden ten gevolge van een arbeidsongeval, worden na het aantal dagen verlof dat krachtens artikel VIII.X.1 is toegestaan, te hebben bereikt, opgeroepen voor de commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten.) <KB 2008-10-14/31, art. 2, 041; Inwerkingtreding : 07-11-2008>

  Art. 8.11.8. Het personeelslid dat in disponibiliteit is gesteld wegens ziekte en een wachtgeld geniet, wordt ten minste één keer per jaar voor de medische dienst opgeroepen in de loop van de maand van de beslissing van de commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten om de betrokkene niet op pensioen te stellen wegens lichamelijke ongeschiktheid.

  Art. 8.11.9. Indien het personeelslid niet verschijnt voor de medische dienst op het ogenblik bepaald door artikel VIII.XI.8, wordt de betaling van zijn wachtgeld opgeschort vanaf dat ogenblik tot op het ogenblik van zijn verschijning.

  Art. 8.11.10. Het in disponibiliteit gestelde personeelslid is ertoe gehouden een adres binnen het Rijk, waar de hem betreffende beslissingen kunnen worden betekend, aan de administratie bekend te maken.

  Art. 8.11.11. Onverminderd de artikelen 48, 96, 107 en 149 van de wet, beslist de minister, de burgemeester of het politiecollege, naar gelang van de behoeften van de dienst, of de betrekking waarvan het in disponibiliteit wegens ziekte gestelde personeelslid titularis was, als vacant moet worden beschouwd.
  Hij kan die beslissing nemen zodra de disponibiliteit wegens ziekte van het personeelslid acht maand bereikt.

  Art. 8.11.12. Het in disponibiliteit gestelde personeelslid blijft ter beschikking van zijn politiekorps en kan, wanneer het de vereiste beroeps- en lichamelijke geschiktheid bezit, in actieve dienst worden teruggeroepen onder de volgende voorwaarden :
  1° indien het niet werd vervangen in zijn ambt : hij herneemt het binnen de termijnen bepaald door de bevoegde overheid;
  2° in de andere gevallen wordt het herplaatst.

  Art. 8.11.13. Indien het personeelslid bedoeld in artikel VIII.XI.12 zonder geldige reden weigert of verzuimt om het ambt te bekleden, wordt het, na een afwezigheid van tien dagen geacht te zijn ontslagen in de zin van artikel 125 van de wet.

  TITEL XII. - (Verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht.) <KB 2004-11-18/32, art. 13, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004>

  Art. 8.12.1.<KB 2004-11-18/32, art. 14, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> Het personeelslid van het administratief en logistiek kader kan, met akkoord van de minister, van de burgemeester of van het politiecollege waaronder het ressorteert, verlof krijgen wanneer het wordt aangewezen om een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht.
  Met uitzondering van de federale Regering is het akkoord voor wat betreft de andere organen afhankelijk van de voorwaarde dat deze een reglement hebben genomen waarbij de nadere regels inzake terugbetaling van de bezoldiging van het in het eerste lid bedoelde personeelslid worden bepaald. Voor wat betreft de federale Regering, is het verlof [1 bezoldigd]1.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-19/16, art. 1, 062; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Art. 8.12.2.<KB 2004-11-18/32, art. 15, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> Onverminderd artikel 25 van de wet op het politieambt, bestaat voor het personeelslid van het operationeel kader de mogelijkheid om, met akkoord van de minister, een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht dan wel bij een dienst die verband houdt met de politie.
  Met uitzondering van de federale Regering is het akkoord voor wat betreft de andere organen afhankelijk van de voorwaarde dat deze een reglement hebben genomen waarbij de nadere regels inzake terugbetaling van de bezoldiging van het in het eerste lid bedoelde personeelslid worden bepaald. [1 Voor wat betreft de federale Regering, is het verlof bezoldigd en indien het een personeelslid van het operationeel kader van een korps van de lokale politie betreft, is eveneens het akkoord van de burgemeester of van het politiecollege vereist]1.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-19/16, art. 2, 062; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Art. 8.12.3. Bij het einde van zijn aanwijzing en tenzij het personeelslid naar een ander kabinet overgaat, bekomt het, per maand activiteit in een kabinet, één dag verlof met een minimum van drie werkdagen en een maximum van vijftien werkdagen.

  TITEL XIII. - VERLOF VOOR OPDRACHT VAN ALGEMEEN BELANG.

  Art. 8.13.1. <KB 2004-11-18/32, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> Het personeelslid, met uitzondering van de aspirant, de stagiair, het personeelslid dat een mandaat bekleedt en, behoudens voor de opdracht bedoeld in het tweede lid, 2°, het contractuele personeelslid, bekomt verlof voor de uitoefening van een opdracht.
  Onder opdracht moet worden verstaan :
  1° de uitoefening van ambten ter vervulling van een nationale of internationale opdracht toevertrouwd :
  a) door de federale Regering, een Gewest- of Gemeenschapsregering, het College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het College van de Franse Gemeenschapscommissie of een openbaar bestuur;
  b) door een buitenlandse regering of een buitenlands overheidsbestuur;
  c) door een internationale instelling;
  2° met voorafgaande machtiging van de minister en de Minister van begroting, elke opdracht die is toevertrouwd door een instelling die geen overheidskarakter heeft, die belast werd met de uitvoering van de Europese programma's Phare, Tacis of Meda;
  3° elke internationale opdracht die is toevertrouwd door een Beslissing van de Ministerraad in het raam van de ontwikkelingssamenwerking, vredesopdrachten, de wetenschappelijke vorsing of de humanitaire hulp;
  4° elke nationale opdracht met voorafgaande machtiging van de minister in dienst van jeugdbewegingen, jeugddiensten of jeugdgroeperingen of in dienst van sommige culturele instellingen die erkend zijn door de ter zake specifiek bevoegde overheid.

  Art. 8.13.2. <KB 2004-11-18/32, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> Indien de opdracht waarmee het personeelslid belast is, hem in feite of in rechte verhindert het hem toevertrouwde ambt uit te oefenen, verkrijgt het de vrijstellingen van dienst die voor het vervullen van een dergelijke opdracht vereist zijn.
  Die vrijstellingen worden toegekend voor een duur van ten hoogste twee jaar. Zij kunnen hernieuwd worden voor periodes waarvan er geen de duur van twee jaar mag overschrijden.

  Art. 8.13.3. <KB 2004-11-18/32, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> De duur van de in artikel VIII.XIII.1, tweede lid, 2°, vermelde opdrachten mag voor de gehele loopbaan niet meer dan zes jaar bedragen.

  Art. 8.13.4. <KB 2004-11-18/32, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> § 1. De minister of, naar gelang van het geval, de burgemeester of het politiecollege kan, met instemming van de betrokkene, een personeelslid dat onder hem ressorteert, met de uitvoering van een opdracht belasten.
  Eveneens kan ieder personeelslid, met akkoord van die overheid waaronder het ressorteert, de uitvoering van een opdracht aanvaarden.
  § 2. Het personeelslid dat wordt aangewezen om een mandaat in een Belgische overheidsdienst uit te oefenen wordt ambtshalve in verlof voor opdracht geplaatst voor de duur van het mandaat.

  Art. 8.13.5. <KB 2004-11-18/32, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> Met het oog op de toepassing van de beschikking van de Europese Commissie van 30 april 2002 betreffende de regeling die van toepassing is op de nationale deskundigen die bij de diensten van de Commissie zijn gedetacheerd, maakt de Minister tot wiens Bevoegdheid de Buitenlandse betrekkingen behoren in het Belgisch Staatsblad een oproep bekend waarin duidelijk wordt uiteengezet welke bekwaamheden, geschiktheden en beroepservaring van de gegadigden gevergd worden alsook hoelang de opdracht duurt en onder welke voorwaarden die wordt uitgeoefend.
  Het personeelslid maakt binnen vijftien dagen na de datum van de bekendmaking van de in het eerste lid bedoelde oproep via de hiërarchische weg zijn kandidatuur over aan de overheid waaronder het ressorteert.
  Laatstgenoemde stuurt, wanneer hij meent zich met de uitoefening van de opdracht akkoord te kunnen verklaren, de kandidatuur, met uitsluiting van elk ander element, binnen vijftien dagen na de ontvangst ervan door naar de Minister tot wiens bevoegdheid de Buitenlandse Zaken behoren.
  De minister tot wiens bevoegdheid de buitenlandse zaken behoren legt de kandidatuur ter beslissing voor aan de Commissie van de Europese Unie.

  Art. 8.13.6. <KB 2004-11-18/32, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> Tijdens de duur van een opdracht welke als van algemeen belang is erkend, is het personeelslid met verlof. Dat verlof wordt niet bezoldigd.
  In afwijking van het eerste lid wordt het verlof bezoldigd :
  1° wanneer het personeelslid wordt aangewezen als nationale deskundige krachtens de beschikking van 30 april 2002 van de Europese Commissie;
  2° wanneer het personeelslid een opdracht uitoefent bij het Rentenfonds voor het beheer van de federale Staatsschuld;
  3° wanneer de opdracht is toegekend voor een opdracht in het kader van het Europees programma " Institution Building " ingevoerd door de Verordening nr. 622/98 van de Raad van de Europese Unie betreffende de bijstand ten gunste van de kandidaat-landen;
  4° wanneer het een opdracht betreft zoals bedoeld in artikel VIII.XIII.1, tweede lid, 3°.

  Art. 8.13.7. <KB 2004-11-18/32, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> § 1. Het karakter van algemeen belang wordt van rechtswege erkend :
  1° voor de opdrachten welke de uitoefening van een ambt in een ontwikkelingsland inhouden;
  2° voor de opdrachten bedoeld in artikel VIII.XIII.1, tweede lid, 3° en 4°;
  3° voor de opdrachten bedoeld in artikel VIII.XIII.4, § 2;
  4° voor de opdrachten uitgeoefend door het personeelslid dat als nationaal deskundige is aangewezen krachtens de beschikking van de Europese Commissie van 30 april 2002;
  5° voor de opdrachten uitgeoefend bij het Rentenfonds voor het beheer van de federale Staatsschuld;
  6° voor de opdrachten uitgeoefend in het raam van het Europees programma " Institution Building ", dat is ingesteld bij de Verordening nr. 622/98 van de Raad van de Europese Unie betreffende de bijstand ten gunste van de kandidaat-landen.
  § 2. Het verlof voor opdracht kan voor de niet in § 1 bedoelde internationale opdrachten worden toegestaan door de minister of, naar gelang van het geval, de burgemeester of het politiecollege. De minister kan tevens het karakter van algemeen belang erkennen indien de opdracht geacht wordt van overwegend belang te zijn hetzij voor het land, hetzij voor de federale Regering of de federale administratie.
  § 3. Iedere opdracht verliest van rechtswege haar karakter van algemeen belang vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin het personeelslid een dienstanciënniteit heeft bereikt die volstaat om aanspraak te kunnen maken op het krijgen van een onmiddellijk ingaand dan wel uitgesteld pensioen ten laste van de buitenlandse regering, van het buitenlandse openbaar bestuur of van de internationale instelling ten behoeve waarvan de opdracht werd vervuld.

  Art. 8.13.8. <KB 2004-11-18/32, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> Het personeelslid dat met de uitvoering van een van algemeen belang erkende opdracht wordt belast, verkrijgt de verhogingen in zijn loonschaal alsmede de hogere loonschaal waarop het aanspraak kan maken, op het tijdstip waarop het die zou verkrijgen of zou verkregen hebben indien het werkelijk in dienst was gebleven.

  Art. 8.13.9. <KB 2004-11-18/32, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> Tijdens de duur van een opdracht die niet erkend werd als zijnde van algemeen belang, wordt het personeelslid op non-activiteit gesteld.

  Art. 8.13.10. <KB 2004-11-18/32, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> Het personeelslid met verlof wegens internationale opdracht, zoals bedoeld in artikel VIII.XIII.1, tweede lid, 1° en 3°, verkrijgt een vergoeding die bestemd is om werkelijke lasten te dragen en/of toelagen.
  De minister bepaalt het bedrag van deze vergoedingen en toelagen, volgens de nadere voorwaarden die van kracht zijn voor de ambtenaren van de carrière van de Buitendienst en van de Kanselarijcarrière Buitenlandse Dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking en afhankelijk van de graad waarmee het personeelslid dat met verlof is wegens opdracht bekleed is.

  Art. 8.13.11. <KB 2004-11-18/32, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> De minister of, naar gelang van het geval, de burgemeester of het politiecollege waaronder het met een opdracht belaste personeelslid ressorteert, beslist volgens de behoeften van de dienst of de betrekking waarvan de betrokkene titularis is als vacant moet worden beschouwd zodra het betrokken personeelslid één jaar afwezig is.
  Aan de in het eerste lid bedoelde beslissing moet, naar gelang van het geval, het advies van de commissaris-generaal of van de korpschef voorafgaan.

  Art. 8.13.12. <KB 2004-11-18/32, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> Met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten hoogste drie maanden, kan de minister of, naar gelang van het geval, de burgemeester of het politiecollege waaronder het personeelslid ressorteert, op ieder ogenblik een einde maken aan de opdracht waarmee het personeelslid is belast, tijdens de vervulling ervan.
  Het personeelslid kan op ieder ogenblik een einde maken aan de opdracht tijdens de vervulling ervan.

  Art. 8.13.13. <KB 2004-11-18/32, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> Het personeelslid wiens opdracht is verstreken of wordt onderbroken bij beslissing van de minister of, naar gelang van het geval, de burgemeester of het politiecollege, bij beschikking van de Commissie van de Europese Unie of bij beslissing van het personeelslid zelf, stelt zich ter beschikking van het politiekorps waarvan het deel uitmaakt.
  Indien het zonder geldige reden weigert of verwaarloost dit te doen wordt het, na tien dagen afwezigheid, geacht te zijn ontslagen in de zin van artikel 125 van de wet.

  Art. 8.13.14. <KB 2004-11-18/32, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004> Zodra zijn opdracht is verstreken, bezet het personeelslid dat in zijn betrekking niet werd vervangen, die betrekking wanneer het zijn dienst hervat.

  TITEL XIV. - AFWEZIGHEID VAN LANGE DUUR WEGENS PERSOONLIJKE AANGELEGENHEDEN.

  Art. 8.14.1. Voor zover de situatie van de dienst het toelaat en onverminderd artikel VIII.XIV.4, bekomt het personeelslid, met uitzondering van de aspirant, de stagiair en het contractuele personeelslid, een voltijds onbetaald verlof voor een periode van maximum twee jaar tijdens de hele loopbaan. Bij opsplitsing van deze afwezigheid moet de periode van afwezigheid minimum drie maanden bedragen.
  (Het personeelslid dat een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden wenst te genieten bij toepassing van dit artikel, deelt aan de bevoegde overheid de datum mee waarop de afwezigheid zal aanvangen alsmede de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens drie maanden vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.) <KB 2004-11-18/32, art. 17, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004>
  De weigering van het verlof wordt, in voorkomend geval, omstandig gemotiveerd en vermeldt steeds de weigeringstermijn.

  Art. 8.14.2. Op zijn verzoek herneemt het personeelslid zijn ambt vr het einde van de lopende periode van afwezigheid, mits een opzegperiode van één maand, tenzij de overheid een kortere periode aanvaardt.

  Art. 8.14.3. Tijdens de afwezigheid bedoeld in artikel VIII.XIV.1, bevindt het personeelslid zich in de administratieve stand van non-activiteit en kan het geen voordeel halen uit ziektes of arbeidsongeschiktheden waarvan het tijdens de periode van zijn non-activiteit het slachtoffer zou zijn.

  Art. 8.14.4. Het personeelslid met een, naar gelang van het geval, door de minister, de burgemeester of het politiecollege bepaalde graad, of dat bekleed is met een mandaat, is uitgesloten van de in deze titel bepaalde afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden. De minister of, naar gelang van het geval, de burgemeester of het politiecollege, bepaalt de andere ambten waarvan de titularissen om redenen die inherent zijn aan de goede werking van de dienst eveneens van de toepassing van deze afwezigheid zijn uitgesloten.
  In afwijking van het eerste lid en met uitzondering van de mandatarissen, kan de minister of, naar gelang van het geval, de burgemeester of het politiecollege, voor zover de goede werking van de dienst erdoor niet wordt verstoord en na advies van de korpschef, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal, aan het in het eerste lid bedoelde personeelslid dat erom verzoekt, de in hetzelfde lid bedoelde afwezigheid toestaan.

  TITEL XV. - VERLOF VOOR LOOPBAANONDERBREKING.

  Art. 8.15.1. Het personeelslid, met uitzondering van de aspirant, de stagiair, en het contractuele personeelslid, kan een verlof bekomen om zijn loopbaan te onderbreken overeenkomstig de voorwaarden en nadere regelen bedoeld in de artikelen 116 en 118 tot en met 139 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, met dien verstande dat :
  1° de in artikel 132 van het genoemde besluit van 19 november 1998 bedoelde aanwijzing geschiedt overeenkomstig artikel VI.II.78;
  2° in afwijking van (artikel 138, § 1, vijfde lid), van het genoemde besluit van 19 november 1998, het personeelslid zich kan laten vertegenwoordigen of bijstaan door een advocaat of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie in de zin van artikel 6 van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten. <KB 2004-11-18/32, art. 18, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004>

  Art. 8.15.2. § 1. Het contractuele personeelslid, met uitzondering van de aspirant en de stagiair, kan een verlof bekomen om zijn loopbaan te onderbreken overeenkomstig de voorwaarden en nadere regelen bedoeld in het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen.
  Met uitzondering van een volledige of gedeeltelijke schorsing van zijn arbeidsovereenkomst in geval van palliatieve verzorging van een persoon, moet het contractuele personeelslid, om het recht bedoeld in het eerste lid te doen gelden, minstens gedurende een onafgebroken periode van één jaar bij dezelfde bevoegde overheid tewerkgesteld zijn.
  § 2. De contractuele hulpagent van politie, met uitzondering van de aspirant, kan een verlof bekomen om zijn loopbaan te onderbreken voor de palliatieve verzorging van een persoon, overeenkomstig de voorwaarden en nadere regelen bedoeld in voormeld besluit van 2 januari 1991.

  Art. 8.15.3. Het personeelslid, met uitzondering van de aspirant en het contractuele personeelslid, kan een verlof bekomen om zijn loopbaan te onderbreken voor ouderschapsverlof overeenkomstig de voorwaarden en nadere regelen bedoeld in artikel 35 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen.

  Art. 8.15.4. § 1. De bepalingen van hoofdstuk III, afdelingen 2 en 3, van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen, zijn van toepassing op het contractuele personeelslid, met uitzondering van de aspirant en de stagiair.
  § 2. De contractuele hulpagent van politie, met uitzondering van de aspirant en de stagiair, kan een verlof bekomen om zijn loopbaan te onderbreken voor het verlenen van zorg voor een zwaar ziek gezins- of familielid, overeenkomstig voormeld besluit van 7 mei 1999.
  De in het eerste lid bedoelde loopbaanonderbreking is evenwel beperkt tot ten hoogste drie maanden per patiënt tijdens de loopbaan van de begunstigde. Die laatste moet niet worden vervangen.

  Art. 8.15.5. § 1. Het personeelslid, met uitzondering van het contractuele personeelslid, kan zijn loopbaan onderbreken voor het verlenen van palliatieve zorg of voor het verlenen van zorg voor een zwaar ziek gezins- of familielid, overeenkomstig de voorwaarden en nadere regelen bedoeld in artikel 117 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen.
  De mogelijkheid in hoofde van een personeelslid van het operationeel kader om de loopbaan volledig dan wel gedeeltelijk te onderbreken voor de zorg voor een zwaar ziek gezins- of familielid, is, in afwijking van artikel 117, § 2, van het voormelde besluit van 19 november 1998, evenwel beperkt tot ten hoogste drie maanden per patiënt tijdens de loopbaan. Dit personeelslid moet niet worden vervangen.
  § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, is het verlof voor loopbaanonderbreking voor het aspirant-contractuele personeelslid, beperkt tot het verlof voor het verlenen van palliatieve zorg, bedoeld in artikel 117, § 1, van het voormelde besluit van 19 november 1998.

  Art. 8.15.6. Het personeelslid met een door de minister of, naar gelang van het geval, door de burgemeester of het politiecollege bepaalde graad of dat met een mandaat is bekleed, is uitgesloten van de in deze titel bepaalde verloven voor gehele of gedeeltelijke loopbaanonderbreking. De minister of, naar gelang van het geval, de burgemeester of het politiecollege, bepaalt de andere ambten waarvan de titularissen, om redenen die inherent zijn aan de goede werking van de dienst, eveneens van dit recht zijn uitgesloten alsmede de specifieke modaliteiten voor bepaalde diensten.
  In afwijking van het eerste lid en met uitzondering van de mandatarissen, kan de minister of, naar gelang van het geval, de burgemeester of het politiecollege, voor zover de goede werking van de dienst erdoor niet wordt verstoord en na advies van de korpschef, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal, aan het in het eerste lid bedoelde personeelslid dat erom verzoekt, de in deze titel bedoelde verloven voor loopbaanonderbreking toestaan.

  TITEL XVI. [1 - DE VIERDAGENWEEK MET OF ZONDER PREMIE.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/16, art. 6, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  HOOFDSTUK I. [1 - DE VIERDAGENWEEK MET PREMIE.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-29/16, art. 6, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 8.16.1.[1 De personeelsleden, met uitzondering van de aspiranten en de stagiairs, van jonger dan 55 jaar kunnen het stelsel van de vierdagenweek met premie bedoeld in hoofdstuk II van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector bekomen overeenkomstig de voorwaarden en nadere regelen bepaald in de artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector.
   De personeelsleden, met uitzondering van de aspiranten, de stagiairs en de contractuele personeelsleden, kunnen het stelsel van de vierdagenweek met premie vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in hoofdstuk II van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector bekomen overeenkomstig de voorwaarden en nadere regelen bepaald in de artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/16, art. 6, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  HOOFDSTUK II. [1 - DE VIERDAGENWEEK ZONDER PREMIE.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-29/16, art. 6, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 8.16.2.[1 Onder voorbehoud van de bijzondere bepalingen van dit besluit, kunnen de personeelsleden, met uitzondering van de aspiranten en de stagiairs, het stelsel van de vierdagenweek zonder premie bekomen overeenkomstig de voorwaarden en nadere regelen bepaald in artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector.
   De prestaties in het raam van de vierdagenweek zonder premie worden gespreid over vier werkdagen. Met akkoord van de overheid kunnen de personeelsleden een andere spreiding op weekbasis bekomen.
   Het artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, is niet van toepassing op de arbeidsregeling bedoeld in het eerste lid.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/16, art. 6, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  HOOFDSTUK III. [1 - UITSLUITINGEN.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-29/16, art. 6, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 8.16.3. [1 In afwijking van de artikelen VIII.XVI.1 en VIII.XVI.2, is het personeelslid dat een mandaat bekleedt of dat titularis is van een door de minister bepaalde graad, uitgesloten van het recht op de vierdagenweek met of zonder premie. De minister of, naar gelang van het geval, de burgemeester of het politiecollege, bepaalt de andere ambten waarvan de titularissen, om redenen die inherent zijn aan de goede werking van de dienst, eveneens van dit recht zijn uitgesloten.
   In afwijking van het eerste lid en met uitzondering van de mandaathouders, kan de minister of, naar gelang van het geval, de burgemeester of het politiecollege, voor zover de goede werking van de dienst erdoor niet wordt verstoord en na advies van de korpschef, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal, aan het in het eerste lid bedoelde personeelslid dat erom verzoekt, het recht op de vierdagenweek met of zonder premie toekennen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-29/16, art. 6, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  TITEL XVII. - DE VERVANGINGEN.

  Art. 8.17.1. De vervangingen van de personeelsleden van het operationeel kader die het verlof bedoeld in titel XV of (één van de stelsels bedoeld in titel XVI en XVIII) genieten, geschieden, in voorkomend geval, door bijkomende rekruteringen, per equivalent van een voltijds tewerkgesteld personeelslid en per rechtspersoon. <KB 2002-04-16/30, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 25-04-2002>

  TITEL XVIII. [1 - HALFTIJDS WERKEN VANAF 50 OF 55 JAAR]1.
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/16, art. 7, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 8.18.1.[1 De personeelsleden, met uitzondering van de aspiranten, de stagiairs en de contractuele personeelsleden, kunnen het stelsel van het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in hoofdstuk III van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector bekomen overeenkomstig de voorwaarden en nadere regelen bepaald in de artikelen 9 en 10 van het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/16, art. 7, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 8.18.2.[1 In afwijking van artikel VIII.XVIII.1, is het personeelslid dat een mandaat bekleedt of dat titularis is van een door de minister bepaalde graad, uitgesloten van het recht op het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar. De minister of, naar gelang van het geval, de burgemeester of het politiecollege, bepaalt de andere ambten waarvan de titularissen, om redenen die inherent zijn aan de goede werking van de dienst, eveneens van dit recht zijn uitgesloten.
   In afwijking van het eerste lid en met uitzondering van de mandaathouders, kan de minister of, naar gelang van het geval, de burgemeester of het politiecollege, voor zover de goede werking van de dienst erdoor niet wordt verstoord en na advies van de korpschef, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal, aan het in het eerste lid bedoelde personeelslid dat erom verzoekt, het recht op het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar toekennen.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/16, art. 7, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  DEEL IX. - DE DEFINITIEVE AMBTSONTHEFFING, DE AMBTSNEERLEGGING EN DE HEROPNEMING.

  TITEL I. - DE DEFINITIEVE AMBTSONTHEFFING EN DE AMBTSNEERLEGGING.

  HOOFDSTUK I. - TOEPASSINGSGEBIED.

  Art. 9.1.1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, is deze titel niet toepasselijk op het contractueel personeelslid.

  HOOFDSTUK II. - DE DEFINITIEVE AMBTSONTHEFFING EN DE AMBTSNEERLEGGING.

  AFDELING 1. - DE DEFINITIEVE AMBTSONTHEFFING.

  Art. 9.1.2.[1 ...]1
  Het in het eerste lid, 1°, bedoelde geval vindt geen toepassing indien de onregelmatig bevonden benoeming het gevolg is van een toepassing van de mobiliteitsregeling bedoeld in deel VI, titel II, hoofdstuk II van dit besluit.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 9.1.3.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 9.1.4.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 9.1.5. Wanneer een personeelslid onregelmatig afwezig is in de zin van artikel 125 van de wet of in de gevallen bedoeld in artikel VIII.XI.13 en VIII.XIII.13, tweede lid, stelt de korpschef, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal, het personeelslid met een aangetekende brief in kennis van de inhoud van artikel 125 van de wet, van de artikelen IX.I.6 en IX.I.10 en van de datum vanaf dewelke de in artikel 125 van de wet bedoelde termijn van tien dagen wordt berekend.

  Art. 9.1.6.Wanneer de termijn van tien dagen is verstreken, licht de korpschef of de commissaris-generaal onmiddellijk de burgemeester, het politiecollege of de minister in over de onregelmatigheid van de afwezigheid.
  Het personeelslid ontvangt met een aangetekende brief eveneens een kopie van de in het eerste lid bedoelde mededeling. Tevens wordt het verzocht uiterlijk binnen de tien dagen na de kennisgeving van deze kopie, aan de korpschef, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal, zijn argumenten of enig ander gegeven mee te delen dat toelaat zich uit te spreken over het al dan niet onregelmatig karakter van zijn afwezigheid.
  De korpschef of de commissaris-generaal verleent een gemotiveerd advies met betrekking tot het al dan niet onregelmatig karakter van de afwezigheid en stuurt dit, samen met de door het personeelslid in voorkomend geval naar voor gebrachte argumenten of gegevens, door naar de in artikel 125, derde lid, van de wet bedoelde overheid die beslist.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 9.1.7.[1 ...]1
  De beslissing tot definitieve ambtsontheffing wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid wordt genomen door de benoemende overheid.
  ----------
  (1)<W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  AFDELING 2. - DE AMBTSNEERLEGGING.

  Art. 9.1.8.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 9.1.9.<KB 2007-03-02/35, art. 7, 027; Inwerkingtreding : 24-03-2007> [1 Het personeelslid kan zijn ontslag vrijwillig indienen door middel van een brief aan de directeur van de directie van de mobiliteit en het personeelsbeheer van de federale politie of, naar gelang van het geval, aan de korpschef of aan het door deze aangewezen personeelslid. Het mag slechts mits naleving van een opzeggingstermijn van één maand, zijn dienst verlaten.
   De in het eerste lid bedoelde opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin het ontslag werd ingediend.
   De in het eerste lid bedoelde overheid kan, met akkoord van het personeelslid, de in het eerste lid bedoelde opzeggingstermijn inkorten.
   Wanneer het vrijwillig ontslag kan gepaard gaan met de verplichting voor het personeelslid om aan de Staat, aan de gemeente of aan de meergemeentezone de vergoeding bedoeld in artikel 85 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, te betalen, bezorgt de in het eerste lid bedoelde overheid, onverwijld de in dat lid bedoelde brief tot ontslag aan de minister of, naar gelang van het geval, aan de burgemeester of het politiecollege, die met akkoord van het personeelslid, de in het eerste lid bedoelde opzeggingstermijn kunnen inkorten.]1
  Wanneer het vrijwillig ontslag kan gepaard gaan met de verplichting voor het personeelslid om aan de Staat, aan de gemeente of aan de meergemeentezone de vergoeding bedoeld in artikel 85 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, te betalen, bezorgt de in het eerste lid bedoelde overheid, onverwijld de aanvraag tot ontslag aan de minister of, naar gelang van het geval, aan de burgemeester of het politiecollege, die in dat geval, volgens dezelfde voorwaarden als deze bedoeld in het eerste lid, bevoegd zijn om te beslissen over de aanvraag tot ontslag en, in voorkomend geval, om, met akkoord van het personeelslid, de in het eerste lid bedoelde opzeggingstermijn in te korten.
  ----------
  (1)<KB 2009-10-22/11, art. 1, 047; Inwerkingtreding : 23-11-2009>

  Art. 9.1.10.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  AFDELING 3. - DIVERSE BEPALINGEN.

  Art. 9.1.11. Het personeelslid dat op rust wordt gesteld met toepassing van de artikelen IX.I.2, eerste lid, 3°, en IX.I.8, 2°, en dat op dat ogenblik ten minste twintig jaren werkelijke diensten telt, is gerechtigd de laatste graad te dragen waarmee hij bij het politiekorps bekleed was, gevolgd door de woorden " op rust ".
  Het in het eerste lid bedoelde personeelslid dat op het ogenblik van de oppensioenstelling ten minste vijf jaar is aangewezen voor een mandaat, is gerechtigd de titel van het mandaat te dragen waarmee het bij het politiekorps bekleed was, gevolgd door de woorden " op rust ".
  Deze bepaling is eveneens van toepassing op het contractueel personeelslid dat een rustpensioen bekomt en dat op de datum van het bekomen ervan, voor de toepassing van het eerste lid ten minste twintig jaar werkelijke diensten telt of, voor de toepassing van het tweede lid ten minste vijf jaar is aangewezen voor een mandaat.

  Art. 9.1.12.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  TITEL II. - DE COMMISSIES VOOR GESCHIKTHEID VAN HET PERSONEEL VAN DE POLITIEDIENSTEN.

  HOOFDSTUK I. - SAMENSTELLING EN BEVOEGDHEDEN.

  Art. 9.2.1. In de schoot van de medische dienst wordt een commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten (CGPP) en een commissie van beroep voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten (CBGPP) ingesteld, hierna respectievelijk " de commissie " en " de commissie van beroep " genoemd.
  Beide commissies vormen een gezagsonafhankelijk onderdeel van de medische dienst.
  Zij stellen hun huishoudelijk reglement op dat de minister goedkeurt.

  Art. 9.2.2. De commissie bestaat uit de volgende drie leden :
  1° een voorzitter, lid van het officierskader, bekleed met ten minste de graad van hoofdcommissaris van politie en aangewezen door de minister;
  2° twee artsen.
  De commissie van beroep bestaat uit de volgende vijf leden :
  1° een voorzitter, lid van het officierskader, bekleed met ten minste de graad van hoofdcommissaris van politie en aangewezen door de minister;
  2° een vice-voorzitter, personeelslid van het niveau A van het administratief en logistiek kader en aangewezen door de minister;
  3° drie artsen die sedert ten minste tien jaar gediplomeerd zijn.
  Elk lid van beide commissies heeft een plaatsvervanger die aan dezelfde voorwaarden moet voldoen. Is de titularis niet-arts een lid van de federale politie, dan is zijn plaatsvervanger een lid van de lokale politie en omgekeerd.

  Art. 9.2.3. De minister wijst voor elke commissie een secretaris aan onder de personeelsleden van het administratief en logistiek kader.

  Art. 9.2.4.De commissie doet uitspraak over :
  1° de tijdelijke lichamelijke ongeschiktheid van de personeelsleden, alvorens deze om gezondheidsredenen tijdelijk op pensioen worden gesteld;
  2° de definitieve lichamelijke ongeschiktheid van de personeelsleden, alvorens deze om gezondheidsredenen definitief op pensioen worden gesteld;
  3° het al of niet verkrijgen, gedurende de disponibiliteitsperiode, van een wachtgeld gelijk aan het volledig loon, bij toepassing van artikel VIII.XI.5;
  4° de zware handicap en de graad van verlies van zelfredzaamheid van de personeelsleden, met het oog op het verkrijgen van een supplement bij de pensioenuitkering.
  [1 5° de definitieve lichamelijke ongeschiktheid van de personeelsleden van het operationeel kader om een betrekking van het operationeel kader uit te oefenen, en over hun geschiktheid om een betrekking van het administratief en logistiek kader uit te oefenen.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-01-12/04, art. 16, 048; Inwerkingtreding : 15-02-2010>

  Art. 9.2.5. De commissie geeft haar advies of doet voorstellen over elke beginselkwestie die de minister haar voorlegt.

  HOOFDSTUK II. - DE PROCEDURE IN EERSTE AANLEG.

  Art. 9.2.6. De commissie wordt geadiëerd :
  1° in het geval bedoeld in artikel VIII.XI.7, naar gelang van het geval, door de korpschef, de commissaris-generaal of door een door hen aangewezen overheid of, in voorkomend geval, op vraag van het betrokken personeelslid;
  (2° in het geval bedoeld in artikel VIII.XI.5, naar gelang van het geval, door de directeur-generaal van het personeel of de directeur van de directie van zijn algemene directie die hij aanwijst, of door de korpschef of het door deze aangewezen personeelslid.) <KB 2007-03-02/35, art. 8, 027; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  (3°) in alle andere gevallen, naar gelang van het geval, door de minister, de burgemeester of het politiecollege. <KB 2007-03-02/35, art. 8, 027; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  Zij voegen hierbij, met eerbiediging van het medisch geheim, alle inlichtingen die opheldering kunnen geven omtrent de oorsprong, de aard, de ernst en de bestendigheid van de aangevoerde ongeschiktheid.

  Art. 9.2.7. De commissie roept het betrokken personeelslid op om voor haar te verschijnen voor verhoor of onderzoek, bij een aangetekende brief en binnen de dertig dagen na het aanhangig maken van de zaak.

  Art. 9.2.8. De in artikel IX.II.7 bedoelde oproeping vermeldt :
  1° de plaats, de dag en het uur van de zitting, die ten vroegste de dertigste dag na de kennisgeving van de oproeping plaats kan hebben;
  2° de verplichting voor betrokkene om in persoon te verschijnen en het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan;
  3° de plaats waar en de termijn waarbinnen het dossier kan worden ingezien;
  4° de inhoud van de artikelen IX.II.9 en IX.II.10.

  Art. 9.2.9. Het personeelslid dat lichamelijk niet in staat is zich te verplaatsen om voor de commissie te verschijnen, moet dit staven aan de hand van een medisch getuigschrift. In dat geval kan de commissie, hetzij zich naar de verblijfplaats van de betrokkene verplaatsen om hem ter plaatse te horen of te onderzoeken, hetzij betrokkene ervan ontslaan zelf te verschijnen en hem toestaan zich door een ander persoon te laten vertegenwoordigen.

  Art. 9.2.10. Op de dag bepaald in de oproeping verschijnt het personeelslid of diens vertegenwoordiger voor de commissie.
  Behoudens overmacht, wordt bij afwezigheid van het personeelslid of diens vertegenwoordiger, de procedure voortgezet en wordt zij geacht op tegenspraak te zijn gevoerd.

  Art. 9.2.11. De commissie mag gebruik maken van alle onderzoeksmiddelen, inzonderheid het inwinnen van het advies van deskundigen en van de overheden.

  Art. 9.2.12. De commissie doet, bij meerderheid van stemmen, uitspraak binnen de dertig dagen na het sluiten van de debatten.
  De commissie geeft vervolgens binnen de vijftien dagen en bij een aangetekende brief kennis van de uitspraak aan het betrokken personeelslid en de respectieve overheden van betrokkene, bedoeld in artikel IX.II.6, eerste lid, 1° en 2°.

  HOOFDSTUK III. - DE PROCEDURE IN HOGER BEROEP.

  Art. 9.2.13. De commissie van beroep neemt in tweede aanleg kennis van de beslissingen welke de commissie bij toepassing van artikel IX.II.12 heeft gewezen.

  Art. 9.2.14. De in artikel IX.II.6, eerste lid, 2°, bedoelde overheid van betrokkene en de betrokkene zelf kunnen hoger beroep aantekenen bij de commissie van beroep, bij een aangetekende brief en binnen de dertig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing.

  Art. 9.2.15. De artikelen IX.II.7 tot en met IX.II.12, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de procedure in hoger beroep.
  De commissie van beroep geeft binnen de vijftien dagen en bij een aangetekende brief kennis van de uitspraak aan het betrokken personeelslid en de overheid van betrokkene, bedoeld in artikel IX.II.6, eerste lid, 2°.

  HOOFDSTUK IV. - HERZIENING.

  Art. 9.2.16. De beslissingen van de commissies kunnen, in geval van bedrog of arglist, op verzoek van de minister worden herzien.
  De aanvraag om herziening wordt gericht aan de voorzitter van de commissie die de bestreden beslissing getroffen heeft.

  TITEL III. - DE HEROPNEMING.

  HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 9.3.1. Deze titel is niet toepasselijk op de personeelsleden van het administratief en logistiek kader, de aspiranten of de stagiairs met uitzondering van hen die, in het raam van de bevordering door overgang naar een hoger kader, als dusdanig zijn aangesteld of de hoedanigheid van stagiair hebben verkregen.

  Art. 9.3.2. Het personeelslid dat overeenkomstig artikel IX.I.8, 1°, sedert minder dan vier jaar ontslag uit zijn ambt heeft verkregen, wordt onder de in artikel IX.III.4 bedoelde voorwaarden, op zijn verzoek opnieuw opgenomen in het politiekorps waarvan het deel uitmaakte op de datum van zijn ontslag. Het wordt terug opgenomen in het kader waarvan het deel uitmaakte, met de graad waarmee het bij het verlenen van zijn ontslag was bekleed en met de op dat ogenblik geldende anciënniteiten.

  Art. 9.3.3. Het personeelslid dat op de datum van zijn vrijwillig ontslag een aanstelling als aspirant genoot, verkrijgt door de in deze titel bedoelde heropneming niet opnieuw die aanstelling.
  Het personeelslid dat op de datum van zijn vrijwillig ontslag de hoedanigheid van stagiair bezat, herbegint zijn stage bij heropneming en verliest het voordeel van de reeds eerder aangevatte stage.

  HOOFDSTUK II. - VOORWAARDEN VOOR HEROPNEMING.

  AFDELING 1. - DE VOORWAARDEN VOOR HEROPNEMING.

  Art. 9.3.4.De kandidaat voor heropneming moet de volgende voorwaarden vervullen :
  1° op het ogenblik van het aangenomen ontslag, een (evaluatie) zonder de eindvermelding " onvoldoende " hebben; <KB 2007-12-20/51, art. 13, 034; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
  2° [2 ...]2;
  3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
  4° met uitzondering van de onopzettelijke misdrijven, sedert het aangenomen ontslag niet veroordeeld zijn, zelfs met uitstel, tot een gevangenisstraf van zes maanden of meer wegens enig strafbaar feit, of tot een lagere gevangenisstraf wegens diefstal, afpersing, misbruik van vertrouwen, oplichting, valsheid in geschriften, aanranding van de eerbaarheid, verkrachting of wegens de strafbare feiten omschreven in de artikelen 379 tot 386ter van het Strafwetboek of in de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en anti-septica, noch sedert het aangenomen ontslag activiteiten te hebben uitgevoerd die de geloofwaardigheid van de politiediensten schaden;
  5° niet het voorwerp zijn van één van de gronden van medische ongeschiktheid bedoeld in artikel IV.I.4, 6° [2 ...]2;
  6° tussen het tijdstip waarop hij wenst te worden heropgenomen en de pensioengerechtigde leeftijd nog ten minste twee volledige dienstjaren kunnen vervullen.
  [1 7° op het ogenblik van de heropneming van onberispelijk gedrag zijn.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-07/13, art. 63, 043; Inwerkingtreding : 10-01-2014 (KB 2016-07-10/06, art. 8)>
  (2)<KB 2016-07-10/06, art. 1, 070; Inwerkingtreding : 08-08-2016>

  AFDELING 2. - DE MEDISCHE ONDERZOEKEN.

  Art. 9.3.5.
  <Opgeheven bij KB 2016-07-10/06, art. 2, 070; Inwerkingtreding : 08-08-2016>

  Art. 9.3.6. § 1. Het onderzoek van de medische geschiktheid bedoeld in artikel IX.III.4, 5°, vindt plaats op uitnodiging van de commissaris-generaal of de korpschef of de overheid die zij aanwijzen.
  § 2. Vóór het onderzoek bedoeld in § 1, vult de kandidaat voor heropneming een medische vragenlijst in waarvan de minister het model bepaalt.
  Deze vragenlijst heeft betrekking op de medische toestand zoals die zich heeft ontwikkeld sedert het aangenomen ontslag.
  De vragenlijst wordt gevoegd bij de oproeping die aan de kandidaat voor heropneming gericht wordt en waarbij hij uitgenodigd wordt zich aan te melden voor het bedoelde onderzoek. Deze oproeping vermeldt dat het onderzoek een bloed- en urineanalyse omvat om vast te stellen of de kandidaat voor heropneming voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel IX.III.4, 5°.

  Art. 9.3.7.Het in artikel IX.III.6, § 1, bedoelde onderzoek van de medische geschiktheid wordt uitgevoerd [1 door een preventieadviseur-arbeidsgeneesheer. Die preventieadviseur-arbeidsgeneesheer beslist]1 over de geschiktheid of de ongeschiktheid.
  [1 Die preventieadviseur-arbeidsgeneesheer geeft]1 betrokkene binnen vijftien dagen, bij aangetekende brief, kennis van zijn beslissing en deelt deze mee aan de korpschef, de commissaris-generaal of de door deze aangewezen directeur-generaal.
  [1 Betrokkene kan hoger beroep aantekenen tegen de beslissing van ongeschiktheid overeenkomstig de artikelen 64 tot 69 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-07-10/06, art. 3, 070; Inwerkingtreding : 08-08-2016>

  Art. 9.3.8.
  <Opgeheven bij KB 2016-07-10/06, art. 4, 070; Inwerkingtreding : 08-08-2016>

  Art. 9.3.9.
  <Opgeheven bij KB 2016-07-10/06, art. 4, 070; Inwerkingtreding : 08-08-2016>

  AFDELING 2bis. [1 - Een onderzoek van de omgeving en de antecedenten]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-06-07/13, art. 64, 043; Inwerkingtreding : 10-01-2014 (KB 2016-07-10/06, art. 8)>

  Art. 9.3.9bis.[1 De kandidaat voor heropneming maakt het voorwerp uit van een onderzoek [2 , gevoerd volgens de richtlijnen van de minister,]2 met het oog op het nagaan of de vereiste bepaald bij artikel IX.III.4, 7°, vervuld is.
   De kandidaat voor heropneming van wie wordt geoordeeld dat hij niet van onberispelijk gedrag is, kan daartegen een beroep aantekenen bij de minister, overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen IV.I.19 tot IV.I.23.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-06-07/13, art. 64, 043; Inwerkingtreding : 10-01-2014 (KB 2016-07-10/06, art. 8)>
  (2)<KB 2016-07-10/06, art. 5, 070; Inwerkingtreding : 08-08-2016>

  AFDELING 3. - HET VERZOEK TOT HEROPNEMING.

  Art. 9.3.10.De kandidaat voor heropneming richt zijn verzoek tot heropneming ten minste 90 dagen voor de datum waarop hij heropgenomen wenst te worden, met een aangetekende brief, aan de korpschef van de lokale politie waarvan hij op de datum van zijn ontslag deel uitmaakte, dan wel aan de commissaris-generaal indien hij op de datum van zijn ontslag deel uitmaakte van de federale politie.
  In dat verzoek vermeldt hij zijn naam en voornamen, zijn burgerlijke stand en volledig adres, zijn vroeger kader, graad en identificatienummer en de datum waarop hij wenst heropgenomen te worden.
  Hij voegt bij zijn verzoek een getuigschrift, opgemaakt volgens het model gevoegd als bijlage 4, dat wordt afgegeven door de burgemeester van de gemeente waar hij verblijft.

  AFDELING 4. - DE BESLISSING TOT HEROPNEMING.

  Art. 9.3.11.De beslissing tot heropneming wordt genomen door de benoemende overheid.
  De benoemende overheid beslist tot heropneming binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de beslissing bedoeld in artikel IX.III.7, eerste lid, of, in voorkomend geval, [1 na de beslissing bedoeld in artikel 68 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers]1.
  ----------
  (1)<KB 2016-07-10/06, art. 6, 070; Inwerkingtreding : 08-08-2016>

  AFDELING 5. - PROCEDURE BIJ WEIGERING VAN HEROPNEMING.

  Art. 9.3.12. Het personeelslid waarvan de heropneming wordt geweigerd ingevolge het uitvoeren, sedert het aangenomen ontslag, van activiteiten die de geloofwaardigheid van de politiediensten schaden, kan een procedure inleiden voor het raadgevend orgaan bedoeld in artikel VIII.III.7.

  Art. 9.3.13. De samenstelling van het in het voormelde artikel bedoelde orgaan en de door het personeelslid te volgen procedure worden bepaald overeenkomstig de artikelen VIII.III.8, VIII.III.9 en VIII.III.10.

  DEEL X. - DE MEDISCHE BESCHERMING EN DE MEDISCHE CONTROLE.

  TITEL I. - DE MEDISCHE BESCHERMING.

  Art. 10.1.1. Onverminderd artikel X.I.2 en onverminderd de vergoedingen bedoeld in de wet van 3 juli 1967 houdende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, genieten volgende personeelsleden de kosteloze gezondheidszorgen :
  1° het personeelslid van het operationeel kader;
  2° het personeelslid van het administratief en logistiek kader dat een permanente functie van operationele ondersteuning, bepaald door de minister, uitoefent.
  De in het eerste lid bedoelde gezondheidszorgen omvatten de medische zorgverstrekking, de verpleegzorgen, de kinesitherapie, de tandverzorging, de prothesen, de medicijnen en de gevallen van hospitalisatie, inclusief het ziekenvervoer.
  (Met uitzondering van het in het eerste lid, 2°, bedoelde personeelslid, geniet het personeelslid van het administratief en logistiek kader een hospitalisatieverzekering, alsmede de medische zorgverstrekking, de verpleegzorgen en de tandverzorging verleend door een zorgverstrekker van en in de lokalen van de medische dienst.) <KB 2007-03-23/36, art. 19, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 10.1.2. Met uitzondering van de spoedinterventies, de gynaecologische raadplegingen en de tandverzorging in de door de minister bepaalde omstandigheden, geldt het recht op kosteloze gezondheidszorgen slechts in de gevallen waarin die worden verstrekt door of op voorschrift van een arts van de medische dienst of een door de minister of de door hem aangewezen overheid erkende arts.
  Onverminderd het eerste lid en met uitzondering van het primaire ziekenvervoer en de door de minister bepaalde medicijnen die niet in de ZIV-nomenclatuur voorkomen, zijn de gezondheidszorgen verleend door een zorgverstrekker of een instelling die niet tot de medische dienst behoort, slechts kosteloos voor zover die aanleiding geven tot een tussenkomst in het raam van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.

  Art. 10.1.3. De ereloonsupplementen, de kamersupplementen, de privé-kosten, de andere niet strikt noodzakelijke kosten en de door de minister bepaalde kosten voor prothesen, blijven ten laste van het personeelslid.

  Art. 10.1.4. Het personeelslid dat aanspraak kan maken op de terugbetaling van kosten voor gezondheidszorgen krachtens een verzekering door hem persoonlijk afgesloten of waarvan hij begunstigde is, heeft de verplichting er voorafgaandelijk een beroep op te doen, de medische dienst hiervan in te lichten en een kwijtschrift van de krachtens die verzekering genoten terugbetalingen te voegen bij elke aanvraag tot persoonlijke terugbetaling ingediend bij de medische dienst.
  Het recht op kosteloze gezondheidszorgen wordt geweigerd ten belope van het bedrag van terugbetaling toegekend op basis van de in het eerste lid bedoelde verzekering, met uitzondering van het deel van die terugbetaling dat betrekking heeft op de kosten bedoeld in artikel X.I.3.

  Art. 10.1.5. Het recht op kosteloze gezondheidszorgen wordt geweigerd :
  1° wanneer de ontzegging van het recht een voorwaarde uitmaakt bedoeld in artikel 135, tweede lid, van de wet;
  2° wanneer het recht haar oorsprong vindt in een opzettelijke fout gepleegd door het betrokken personeelslid.

  Art. 10.1.6. De Staat treedt rechtens in de rechten en vorderingen van de personeelsleden ten aanzien van aansprakelijke derden ten belope van de medische kosten die voortvloeien uit het schadeverwekkend feit en die gedragen worden door de medische dienst krachtens het recht bedoeld in artikel X.I.1, eerste lid.

  Art. 10.1.7. De minister bepaalt de nadere regels inzake de kosteloosheid van de gezondheidszorgen.
  De minister bepaalt de nadere regels voor de terugbetaling van de kosten voor het verstrekken van gezondheidszorgen in het buitenland of terwijl het in dienst is bij de Belgische strijdkrachten in Duitsland, opgelopen door het personeelslid van het operationeel kader en, indien zij het vergezellen, door zijn kinderen, zijn echtgenote of de persoon waarmee het samenleeft, voor zover zij niet persoonlijk enige dekking genieten voor gezondheidszorgen krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving.
  Het samenleven bedoeld in het eerste lid moet, voorafgaand aan het vertrek naar het buitenland, worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 1475 tot 1479 van het Burgerlijk Wetboek of, bij gebreke hieraan, door een getuigschrift van gezinssamenstelling.

  Art. 10.1.8. De minister bepaalt de nadere regels en de voorwaarden voor de tussenkomst van de in artikel X.I.1, derde lid, bedoelde hospitalisatieverzekering.

  TITEL II. - DE MEDISCHE CONTROLE.

  HOOFDSTUK I. - DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED.

  Art. 10.2.1. Voor de toepassing van deze titel moet worden begrepen onder :
  1° het medisch getuigschrift : het getuigschrift waarvan het model is vastgesteld door de minister;
  2° een controlerende arts : een arts die deel uitmaakt van de medische dienst of die door de minister of de door hem aangewezen overheid erkend is en raadplegingen houdt, ofwel in de inrichtingen van de medische dienst op basis van een dienstverleningscontract, dan wel in zijn eigen praktijk, en die in die hoedanigheid ten minste vijf jaar werkervaring heeft.

  Art. 10.2.2. Deze titel is ook van toepassing op de militairen bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten.

  HOOFDSTUK II. - VERPLICHTINGEN WAARAAN EEN PERSONEELSLID MET VERLOF WEGENS ZIEKTE MOET VOLDOEN.

  Art. 10.2.3. Het personeelslid dat wegens medische redenen zijn ambt niet kan uitoefenen, moet zo snel mogelijk en ten laatste bij de geplande aanvang van zijn dienst, zijn dienst daarover inlichten.
  (Het personeelslid mag de eerste ziektedag zijn woonplaats niet verlaten tenzij een medisch getuigschrift van zijn behandelende arts dit toelaat. Het medisch luik van het medisch getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden of door enigerlei ander middel binnen 24 uur worden bezorgd aan de medische dienst. Het administratief luik van het medisch getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden of door enigerlei ander middel binnen 24 uur worden bezorgd aan de betrokken personeelsdienst.) <KB 2008-10-14/31, art. 3, 041; Inwerkingtreding : 07-11-2008>
  (Het aantal in het tweede lid bedoelde ziektedagen wordt beperkt tot vier per jaar. Die ziektedagen worden niet in aanmerking genomen voor het bepalen van de arbeidsduur bedoeld in artikel VI.I.4, § 1, tweede lid. Zij worden bovendien niet aangerekend op het aantal verlofdagen bedoeld in artikel VIII.X.1.) <KB 2003-10-24/35, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 01-02-2002>

  Art. 10.2.4. Vanaf de tweede ziektedag moet het verlof wegens ziekte worden gestaafd aan de hand van een medisch getuigschrift van de behandelende arts, het ware dat die rechtvaardiging al blijkt uit het in artikel X.II.3, tweede lid, bedoelde medisch getuigschrift.
  (Het medisch luik van het in het eerste lid bedoelde medisch getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden of door enigerlei ander middel binnen 24 uur worden bezorgd aan de medische dienst. Het administratief luik van het in het eerste lid bedoelde medisch getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden of door enigerlei ander middel binnen 24 uur worden bezorgd aan de betrokken personeelsdienst.) <KB 2008-10-14/31, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 07-11-2008>

  HOOFDSTUK III. - HET MEDISCH CONTROLEONDERZOEK WAARAAN EEN PERSONEELSLID MET VERLOF WEGENS ZIEKTE KAN WORDEN ONDERWORPEN.

  Art. 10.2.5. Het medisch controleonderzoek wordt door een controlerende arts uitgevoerd.

  Art. 10.2.6. De personeelsleden met verlof wegens ziekte mogen zich niet onttrekken aan het medisch controleonderzoek bevolen overeenkomstig artikel VIII.X.9.
  Ze mogen inzonderheid tussen 8 uur en 18 uur het bezoek aan huis van een controlerende arts niet weigeren, noch weigeren zich door deze laatste te laten onderzoeken of gevolg te geven aan een oproeping die hij aan hen richt, tenzij zij zich onmogelijk kunnen verplaatsen.

  Art. 10.2.7. Wanneer uit het medisch getuigschrift van de behandelende arts blijkt dat het personeelslid zijn woonplaats mag verlaten, kan de betrokkene door een controlerende arts worden opgeroepen om een medisch controleonderzoek te ondergaan, op de plaats zo dicht mogelijk bij de verblijfplaats van betrokkene.
  (De oproeping geschiedt door gelijk welk middel en, indien mogelijk, tegen ontvangstbewijs.) <KB 2008-10-14/31, art. 5, 041; Inwerkingtreding : 07-11-2008>

  Art. 10.2.8. De controlerende arts bevestigt of wijzigt de modaliteiten of de duur van het door de behandelende arts voorgeschreven ziekteverlof.
  Een beslissing tot wijziging vindt slechts plaats na overleg met de behandelende arts.

  Art. 10.2.9. De controlerende arts deelt onmiddellijk, door overhandiging van een document tegen ontvangstbewijs of bij een aangetekende brief, zijn beslissing mee aan het personeelslid.

  HOOFDSTUK IV. - DE BEROEPSPROCEDURE.

  Art. 10.2.10. Bij de medische dienst bestaat een medische geschillencommissie die als volgt is samengesteld :
  1° de directeur-arts van de medische dienst, voorzitter;
  2° een door de representatieve vakorganisaties aangewezen arts;
  3° een arts die geen personeelslid is van de politiediensten.
  De minister wijst de in het eerste lid, 2° en 3°, bedoelde artsen aan onder de kandidaten die voorkomen op een dubbele lijst die wordt voorgesteld door, respectievelijk, de representatieve vakorganisaties en de directeur-arts van de medische dienst.
  De in het eerste lid, 2° en 3°, bedoelde arts geniet een vergoeding voor reis- en verblijfskosten overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van de ministeries. Hij wordt in dit opzicht gelijkgesteld met een rijksambtenaar van rang 17.

  Art. 10.2.11. De beslissing van de controlerende arts is vatbaar voor hoger beroep bij de medische geschillencommissie, binnen de vierentwintig uren na de in artikel X.II.9 bedoelde mededeling.

  Art. 10.2.12. De medische geschillencommissie doet uitspraak, na eventuele bijkomende onderzoeken, binnen de vierentwintig uren na diens adiëring.
  Heeft de beslissing in beroep de betrokkene niet binnen de vierentwintig uren bereikt, dan herkrijgt de beslissing van de behandelende arts volle uitwerking.

  Art. 10.2.13. De medische geschillencommissie beslist geldig als de meerderheid van de leden aanwezig is.
  Een staking der stemmen houdt een bevestiging in van de beslissing van de behandelende arts.

  HOOFDSTUK V. - SLOTBEPALING.

  Art. 10.2.14. Onverminderd het bepaalde in de wet van 3 juli 1967 houdende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, draagt het personeelslid met verlof wegens ziekte, de verplaatsingskosten, de andere kosten die het ten behoeve van de controleprocedure heeft gemaakt en de kosten van de medische onderzoeken en expertises die hij op zijn verzoek heeft ondergaan. De terugbetaling van die kosten komt echter ten laste van de federale of de lokale politie indien uit de controleprocedure, de medische onderzoeken of expertises blijkt dat het hem verleende ziekteverlof gerechtvaardigd was.
  De federale of de lokale politie draagt alle kosten van de medische onderzoeken en expertises die het personeelslid, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de medische dienst heeft ondergaan.

  TITEL III. - DE ARBEIDSONGEVALLEN EN DE BEROEPSZIEKTEN.

  HOOFDSTUK I. - DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED.

  Art. 10.3.1. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :
  1° " de wet van 3 juli 1967 " : de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector;
  2° " de overheid " :
  a) wat betreft de personeelsleden behorende tot de federale politie : (de minister of zijn afgevaardigde); <KB 2007-03-02/35, art. 9, 027; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  b) wat betreft de personeelsleden behorende tot de lokale politie :
  1) in de ééngemeentezones : de gemeenteraad;
  2) in de meergemeentezones: de politieraad;
  3° " het besluit " :
  a) wat betreft de personeelsleden behorende tot de federale politie : een ministerieel besluit;
  b) wat betreft de personeelsleden behorende tot de lokale politie :
  1) in de ééngemeentezones : een gemeenteraadsbesluit;
  2) in de meergemeentezones : een besluit van de politieraad;
  4° " de betrekking met volledige prestaties " : de betrekking die zodanige prestaties omvat dat zij een normale beroepsactiviteit volkomen in beslag neemt;
  5° " de beroepsziekte " :
  1) de beroepsziekten als zodanig erkend ter uitvoering van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten;
  2) de beroepsziekten omschreven in de internationale overeenkomsten die België verbinden, vanaf de dag waarop die overeenkomsten in België in werking zijn getreden en overeenkomstig de bepalingen ervan.

  Art. 10.3.2. De regeling ingesteld bij de wet van 3 juli 1967 wordt, met uitsluiting van artikel 16 van die wet, toepasselijk verklaard op de personeelsleden.

  HOOFDSTUK II. - DE KOSTEN.

  Art. 10.3.3. De getroffene heeft bij een arbeidsongeval recht op de vergoeding :
  1° van de kosten voor dokter, chirurg, apotheker en verpleging binnen de grenzen van het tarief door de Koning vastgesteld ter uitvoering van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 of van enig andere wetsbepaling tot wijziging of tot vervanging ervan;
  2° van de kosten voor prothesen en orthopedische toestellen waarvan het gebruik op geneeskundig gebied, als noodzakelijk is erkend;
  3° van de kosten voor herstelling en vervanging van de bij 2°, bedoelde prothesen en orthopedische toestellen.

  Art. 10.3.4. De schadevergoeding voor een beroepsziekte is verschuldigd wanneer een personeelslid, door een beroepsziekte getroffen, aan een beroepsrisico van die ziekte werd blootgesteld tijdens de volledige duur van een periode of tijdens het gedeelte ervan gedurende welke hij tot één der categorieën van gerechtigden op onderhavige bepalingen behoort.
  Elk werk in de besturen, diensten, instellingen en inrichtingen verricht tijdens de in het eerste lid vermelde periodes wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed de getroffene te hebben blootgesteld aan het risico bedoeld in dat lid.

  Art. 10.3.5. De getroffene heeft bij een beroepsziekte recht op de vergoeding van de kosten van dokter, chirurg, apotheker, verpleging, prothese en orthopedie binnen de grenzen en voorwaarden van artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 april 1965 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 februari 1964 tot vaststelling van het tarief voor geneeskundige verzorging toepasselijk inzake schadeloosstelling voor beroepsziekten of van iedere andere bepaling houdende wijziging of vervanging daarvan, onverminderd de ter uitvoering van de wet van 3 juli 1967 reeds genomen of nog te nemen gunstiger bepalingen betreffende die kosten.
  In afwijking echter van het koninklijk besluit van 14 april 1965 bedoeld in het eerste lid :
  1° wordt het akkoord van de medische adviseur van het Fonds voor beroepsziekten of van zijn afgevaardigde waarvan sprake in artikel 1 van het voormeld koninklijk besluit, vervangen door het akkoord van de medische dienst;
  2° worden, na akkoord van de medische dienst, de kosten welke niet ten laste van de getroffene zijn, betaald overeenkomstig de door Ons bepaalde regels.

  Art. 10.3.6. § 1. De getroffene heeft recht op vergoeding van de verplaatsingskosten die het gevolg zijn van het ongeval, telkens als hij zich moet verplaatsen :
  1° op verzoek van de overheid, met inbegrip van de gerechtelijk geneeskundige dienst of de medische dienst;
  2° op verzoek van de rechtbank of van de door de rechter aangewezen expert;
  3° op zijn verzoek, met toestemming van de gerechtelijk geneeskundige dienst of de medische dienst;
  4° om medische redenen.
  De bepalingen van artikel 36, tweede tot en met zesde lid, van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 of van enige andere bepaling tot wijziging of vervanging ervan, zijn op de getroffene van toepassing.
  § 2. De echtgenoot, de kinderen en de ouders van de getroffene hebben recht op vergoeding van de verplaatsingskosten die het gevolg zijn van het ongeval, onder de voorwaarden en binnen de perken bepaald bij artikel 37 van het voormeld koninklijk besluit van 21 december 1971 of van enige andere bepaling tot wijziging of vervanging ervan.
  In afwijking van § 4 van het voormelde artikel 37, wordt evenwel de toestemming van de verzekeraar vervangen door de toestemming van de medische dienst.

  HOOFDSTUK III. - DE PROCEDURE.

  AFDELING 1. - DE AANGIFTE.

  Art. 10.3.7. De overheid wijst de dienst aan waarbij ieder ongeval dat als arbeidsongeval kan worden beschouwd of waarbij elke ziekte die als beroepsziekte kan worden beschouwd, moet worden aangegeven. De personeelsleden worden daarvan in kennis gesteld.

  Art. 10.3.8. De aangifte van het ongeval of de beroepsziekte moet worden gedaan door de getroffene, zijn rechtverkrijgenden, zijn chef of enig ander belanghebbende.
  De aangifte van een ongeval of een beroepsziekte wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk gedaan door middel van een in tweevoud opgemaakt formulier " aangifte van ongeval " of een formulier " aangifte van beroepsziekte ", bij de dienst bedoeld in artikel X.III.7.
  Het formulier moet steeds vergezeld zijn van een doktersattest, zelfs indien het ongeval een arbeidsongeschiktheid van slechts één dag heeft veroorzaakt of kan veroorzaken.
  Betreft het een beroepsziekte dan vermeldt de geneesheer de aard van de beroepsziekte. Hij staaft zijn diagnose, de klinische kentekenen waarop hij steunt alsmede de vermoedelijke aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid.
  Het model van de formulieren en van het doktersattest wordt vastgesteld door de minister.

  Art. 10.3.9. Binnen de dertig dagen na de ontvangst van de aangifte, bepaalt de in artikel X.III.7 bedoelde dienst of het gaat om een arbeidsongeval of een beroepsziekte in de zin van de wet van 3 juli 1967 en deelt zijn beslissing mee aan de getroffene of zijn rechtverkrijgenden.
  Wanneer hij oordeelt dat het om een arbeidsongeval of een beroepsziekte gaat, zendt de in artikel X.III.7 bedoelde dienst een exemplaar van het formulier en het doktersattest bedoeld in artikel X.III.8, tweede tot en met vierde lid, aan de gerechtelijk geneeskundige dienst.

  AFDELING 2. - HET GENEESKUNDIG ONDERZOEK.

  Art. 10.3.10. § 1. In geval van arbeidsongeval bepaalt de gerechtelijk geneeskundige dienst de volgende medische aspecten :
  1° de aard van de fysiologische letsels;
  2° het medisch oorzakelijk verband tussen de letsels of het overlijden en de aangegeven feiten;
  3° het percentage van de blijvende invaliditeit als gevolg van het fysiologisch letsel door het ongeval veroorzaakt;
  4° de datum van de consolidatie van de letsels;
  5° de tijdelijke werkonbekwaamheid die het gevolg is van het ongeval.
  § 2. In geval van beroepsziekte bepaalt de gerechtelijk geneeskundige dienst de volgende medische aspecten :
  1° de aard van de ziekte;
  2° het percentage van de blijvende invaliditeit als gevolg van de beroepsziekte;
  3° de datum waarop de invaliditeit ten gevolge van de beroepsziekte een blijvend karakter vertoont.
  § 3. De gerechtelijk geneeskundige dienst stelt een reglement vast volgens hetwelk de arbeidsongevallen of de beroepsziekten worden geschat.

  Art. 10.3.11. Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk zijn het besluit van 11 april 1975 tot herinrichting van de gerechtelijk geneeskundige dienst en de wijzigingsbesluiten van toepassing, met dien verstande dat elke beroepskamer als volgt is samengesteld :
  1° een voorzitter die, op voorstel van de voorzitter van de gerechtelijk geneeskundige dienst, het College van gerechtelijk-geneeskundige rechtspraak gehoord, door de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, voor een verlengbare termijn van vijf jaar wordt aangewezen uit de praktizerende geneesheren die ten minste tien jaar praktijk tellen en doen blijken van hun kunde op het gebied van gerechtelijk-geneeskundige expertises;
  2° een geneesheer die, op voorstel van de representatieve syndicale organisaties van de personeelsleden, door de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, voor een verlengbare termijn van vijf jaar wordt aangewezen;
  3° een geneesheer-ambtenaar die door de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, voor een verlengbare termijn van vijf jaar wordt aangewezen.
  Indien hij dit noodzakelijk acht, doet de gerechtelijk geneeskundige dienst voor de uitvoering van zijn opdracht een beroep op de geneeskundige medewerking van het Fonds voor beroepsziekten.

  Art. 10.3.12. De zaken worden aanhangig gemaakt bij de gerechtelijk geneeskundige dienst door de dienst bedoeld in artikel X.III.7.
  Indien de gerechtelijk geneeskundige dienst vermoedt dat het fysiologisch letsel of de ziekte geen blijvende invaliditeit tot gevolg zal hebben, stuurt ze een genezingsgetuigschrift in drievoud naar de getroffene. Indien deze daaraan zijn akkoord hecht, zendt hij twee exemplaren " voor akkoord " terug naar de gerechtelijk geneeskundige dienst, die een exemplaar doorstuurt naar de in artikel X.III.7 bedoelde dienst. Indien de getroffene weigert het genezingsgetuigschrift te ondertekenen of nalaat het terug te sturen, wordt hij opgeroepen om te verschijnen voor de gerechtelijk geneeskundige dienst.

  Art. 10.3.13. De gerechtelijk geneeskundige dienst roept de getroffene op om voor hem te verschijnen.
  Indien de getroffene zich zonder geldige reden en na twee opeenvolgende oproepingsbrieven waarvan de tweede aangetekend wordt verstuurd, niet aanmeldt bij de gerechtelijk geneeskundige dienst, is hij vervallen van zijn rechten. De gerechtelijk geneeskundige dienst geeft de in artikel X.III.7 bedoelde dienst hiervan kennis.

  Art. 10.3.14. Na het onderzoek maakt de gerechtelijk geneeskundige dienst aan de getroffene bij een aangetekende brief zijn gemotiveerde beslissing bekend omtrent de in artikel X.III.10,§1 of 2,bedoelde medische aspecten.

  Art. 10.3.15. De getroffene kan beroep aantekenen tegen de beslissing bedoeld in artikel X.III.14 bij een aangetekende brief gericht aan de gerechtelijk geneeskundige dienst binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving.
  Indien de getroffene geen beroep aantekent binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, maakt de gerechtelijk geneeskundige dienst aan de in artikel X.III.7 bedoelde dienst haar gemotiveerde beslissing bekend.

  Art. 10.3.16. De beroepskamer roept de getroffene op om voor haar te verschijnen.
  Indien de getroffene zich zonder geldige reden en na twee opeenvolgende oproepingsbrieven waarvan de tweede aangetekend wordt verstuurd, niet aanmeldt bij de beroepskamer, is hij vervallen van zijn rechten. De gerechtelijk geneeskundige dienst geeft de in artikel X.III.7. bedoelde dienst hiervan kennis.

  Art. 10.3.17. Na het onderzoek maakt de beroepskamer van de gerechtelijk geneeskundige dienst aan de in artikel X.III.7 bedoelde dienst en aan de getroffene bij een aangetekende brief haar gemotiveerde beslissing bekend omtrent de in artikel X.III.10, § 1 of 2, bedoelde medische aspecten.

  AFDELING 3. - DE TOEKENNING VAN DE RENTE.

  Art. 10.3.18. De in artikel X.III.7 bedoelde dienst gaat na of de toekenningsvoorwaarden van de vergoedingen vervuld zijn. Hij onderzoekt de bestanddelen van de geleden schade en bereidt de betaling van een rente voor.
  Hiertoe legt hij aan de overheid een besluit voor, omvattende :
  1° de bezoldiging waarop de rente wordt berekend;
  2° de aard van het letsel of van de ziekte;
  3° de fysiologische invaliditeit als gevolg van het arbeidsongeval of de beroepsziekte;
  4° de datum van consolidatie van de letsels ten gevolge van het arbeidsongeval of de datum waarop de ongeschiktheid ten gevolge van de beroepsziekte een blijvend karakter vertoont.

  Art. 10.3.19. De in artikel X.III.7 bedoelde dienst stelt de getroffene of zijn rechtverkrijgenden bij een aangetekende brief in kennis van dit besluit.

  AFDELING 4. - DE HERZIENING.

  Art. 10.3.20. De aanvraag tot herziening van de vergoedingen ingediend op grond van een verergering of van een vermindering van de gebrekkigheid van de getroffene of wegens overlijden te wijten aan :
  1° de gevolgen van het ongeval, mag gedaan worden gedurende drie jaar te rekenen van het besluit of van een beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan;
  2° de gevolgen van de beroepsziekte, moet vergezeld zijn van een geneeskundig verslag hetwelk de wijzigingen vaststelt die zich in de toestand van gebrekkigheid van de getroffene hebben voorgedaan sedert de datum van de geneeskundige besluiten op grond waarvan de eerdere door de gerechtelijk geneeskundige dienst genomen beslissing of de laatste rechterlijke beslissing is gesteund.

  Art. 10.3.21. De herziening heeft uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op het indienen van de aanvraag.

  Art. 10.3.22. § 1. De gerechtigde richt zijn aanvraag tot herziening in tweevoud vergezeld van al zijn bewijsstukken, bij een aangetekende brief, aan de in artikel X.III.7 bedoelde dienst.
  § 2. De in artikel X.III.7 bedoelde dienst zendt aan de gerechtigde, bij een aangetekende brief, de aanvraag tot herziening van de overheid.

  Art. 10.3.23. De in artikel X.III.7 bedoelde dienst zendt, binnen de dertig dagen, een exemplaar van de aanvraag tot herziening aan de gerechtelijk geneeskundige dienst.

  Art. 10.3.24. Indien geen aanvraag tot herziening is ingediend, vraagt de overheid :
  1° in geval van een arbeidsongeval : ambtshalve en uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de herzieningstermijn, aan de gerechtelijk geneeskundige dienst dat hij de getroffene onderzoekt.
  De geneeskundige besluiten worden ten minste drie maanden voor het verstrijken van de herzieningstermijn aan de overheid en aan de getroffene meegedeeld. Op grond van die besluiten kunnen de getroffene of de overheid een aanvraag tot herziening indienen overeenkomstig artikel X.III.22;
  2° in geval van een beroepsziekte : ambtshalve en uiterlijk drie jaar na de datum waarop de invaliditeit een blijvend karakter vertoont, aan de gerechtelijk geneeskundige dienst dat hij de getroffene onderzoekt.
  De geneeskundige besluiten worden zo spoedig mogelijk aan de overheid en aan de getroffene meegedeeld. Op grond van die besluiten kunnen de getroffene of de overheid een aanvraag tot herziening indienen overeenkomstig artikel X.III.22.

  Art. 10.3.25. § 1. De gerechtelijk geneeskundige dienst onderzoekt de getroffene uiterlijk drie maanden na het indienen van de aanvraag tot herziening en roept hem hiertoe op.
  Indien de getroffene zich zonder geldige reden en na twee opeenvolgende oproepingsbrieven waarvan de tweede aangetekend wordt verstuurd, niet aanmeldt bij de gerechtelijk geneeskundige dienst, wordt de uitkering van de vergoedingen en de rente geschorst vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van de tweede oproeping.
  § 2. De gerechtelijk geneeskundige dienst beoordeelt de deugdelijkheid van de motieven waarom de getroffene niet verschenen is, voor zover hij een schriftelijke rechtvaardiging heeft ingediend.
  § 3. De uitbetaling wordt, zonder terugwerkende kracht, hervat de eerste dag van de maand die volgt op de datum van verschijning van de getroffene, die zonder geldig motief niet was verschenen voor de gerechtelijk geneeskundige dienst.

  Art. 10.3.26. Overeenkomstig de bepalingen van zijn reglement op de arbeidsongevallen of beroepsziekten bedoeld in artikel X.III.10, § 3, behoudt of wijzigt de gerechtelijk geneeskundige dienst het percentage van de blijvende invaliditeit.

  Art. 10.3.27. Na het onderzoek maakt de gerechtelijk geneeskundige dienst aan de overheid en aan de getroffene bij een aangetekende brief haar gemotiveerde beslissing, bedoeld in artikel X.III.26 bekend.

  Art. 10.3.28. De getroffene en de overheid kunnen beroep aantekenen tegen de beslissing bedoeld in artikel X.III.27, bij een aangetekende brief gericht aan de gerechtelijk geneeskundige dienst binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving.
  Indien de getroffene geen beroep aantekent binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, maakt de gerechtelijk geneeskundige dienst aan de in artikel X.III.7 bedoelde dienst haar gemotiveerde beslissing bekend.

  Art. 10.3.29. § 1. De beroepskamer roept de getroffene op voor haar te verschijnen.
  Indien de getroffene zich zonder geldige reden en na twee opeenvolgende oproepingsbrieven waarvan de tweede aangetekend wordt verstuurd, niet aanmeldt bij de gerechtelijk geneeskundige dienst, wordt de uitkering van de vergoedingen en de rente geschorst vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van de tweede oproeping.
  § 2. De gerechtelijk geneeskundige dienst beoordeelt de deugdelijkheid van de motieven waarom de getroffene niet verschenen is, voor zover hij een schriftelijke rechtvaardiging heeft ingediend.
  § 3. De uitbetaling wordt, zonder terugwerkende kracht, hervat de eerste dag van de maand die volgt op de datum van verschijning van de getroffene, die zonder geldig motief niet was verschenen bij de gerechtelijk geneeskundige dienst.

  Art. 10.3.30. Na het onderzoek maakt de beroepskamer van de gerechtelijk geneeskundige dienst aan de in artikel X.III.7. bedoelde dienst en aan de getroffene bij een aangetekende brief haar gemotiveerde beslissing, bedoeld in artikel X.III.26 bekend.

  HOOFDSTUK IV. - HET BEDRAG, DE BETALING EN DE TENLASTENEMING VAN DE RENTEN.

  AFDELING 1. - DE BEZOLDIGING.

  Art. 10.3.31. Voor de vaststelling van het bedrag der renten in geval van blijvende invaliditeit of overlijden moet onder jaarlijkse bezoldiging worden verstaan : de enige wedde, het enig loon of de enige als wedde of loon geldende vergoeding, door de getroffene op het tijdstip van het ongeval of op het tijdstip der vaststelling van de beroepsziekte verkregen, vermeerderd met de toelagen of vergoedingen die geen werkelijke lasten dekken en op grond van de arbeidsovereenkomst of het wettelijk of reglementair statuut zijn verschuldigd.
  De bedoelde jaarlijkse bezoldiging omvat niet de verhoging als gevolg van de koppeling ervan aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer der kleinhandelsprijzen van het Rijk op het tijdstip van het ongeval of van de vaststelling van de beroepsziekte.

  Art. 10.3.32. In geval van cumulatie van betrekkingen in één of meer besturen, diensten of inrichtingen wordt de rente berekend op de samengevoegde jaarlijkse bezoldigingen welke betrekking hebben op de verschillende bezigheden en welke verschuldigd zijn overeenkomstig de cumulatiewetgeving die erop van toepassing is.

  Art. 10.3.33. Indien de arbeidsduur van de getroffene in één of meer besturen, diensten of inrichtingen op het tijdstip van het ongeval of op het tijdstip der vaststelling der beroepsziekte minder beloopt dan een normale jaarlijkse duur van een ambt met volledige prestaties, wordt de jaarlijkse bezoldiging vermeerderd met een hypothetische bezoldiging die betrekking heeft op de periode zonder prestatie.
  Die hypothetische bezoldiging wordt berekend met inachtneming van de bezoldiging of bezoldigingen welke aan de getroffene worden uitbetaald en binnen de grenzen welke vereist zijn om tot de normale jaarlijkse duur van een ambt met volledige prestaties te komen.

  AFDELING 2. - DE INDEXATIE.

  Art. 10.3.34. Voor de toepassing van artikel 13 van de wet van 3 juli 1967 wordt de rente gekoppeld aan de spilindex 138,01 en schommelt zij overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.

  AFDELING 3. - DE BETALING EN DE BEGROTING.

  Art. 10.3.35. Onverminderd artikel 25 van de wet van 3 juli 1967 zijn de renten verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand tijdens welke de consolidatie van het ongeval wordt vastgesteld, de invaliditeit wegens beroepsziekte een blijvend karakter aanneemt of het overlijden plaatsvindt.
  Te rekenen van de dag waarop de renten zijn verkregen, worden zij de eerste dag van iedere maand van het kalenderjaar met één twaalfde vooruitbetaald. Bereikt de graad van blijvende invaliditeit evenwel geen 16 %, dan wordt de rente éénmaal per jaar in de loop van het vierde trimester uitbetaald.

  Art. 10.3.36.De kosten van de administratieve procedure, de gerechtskosten, behalve wanneer het gaat om een tergende en roekeloze eis, en de verplaatsingskosten zoals bepaald in artikel X.III.6, zijn ten laste van en worden betaald door de zorg van de overheid waaronder de in artikel X.III.7 bedoelde dienst ressorteert.
  [1 Onder administratieve procedurekosten moet onder meer worden verstaan de kosten van alle ter post aangetekende zendingen, de administratieve kosten die verbonden zijn aan het opstellen en afleveren van medische verslagen, het drukken van de formulieren voor aangifte van ongeval alsmede de erelonen van de arts die het slachtoffer bijstaat bij het verschijnen voor de gerechtelijk geneeskundige dienst.
   Indien het personeelslid voorafgaand aan het verschijnen voor de gerechtelijk geneeskundige dienst aan de in artikel X.III.7 bedoelde dienst kenbaar heeft gemaakt een beroep te zullen doen op een arts die hem zal bijstaan tijdens de procedure bij de gerechtelijk geneeskundige dienst, wordt het ereloon rechtstreeks betaald aan de betrokken arts door de overheid waaronder de in artikel X.III.7 bedoelde dienst ressorteert. Daartoe bezorgt het personeelslid of de arts aan de betrokken overheid de staat van erelonen.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-02-03/08, art. 5, 060; Inwerkingtreding : 02-03-2014>

  HOOFDSTUK V. - HET KAPITAAL.

  Art. 10.3.37. De waarde van de rente die, krachtens artikel 12 van de wet van 3 juli 1967, in kapitaal wordt uitbetaald, wordt berekend op grond van de rente waarop vooraf de verhoging ingevolge de koppeling aan het indexcijfer der kleinhandelsprijzen toegepast is, overeenkomstig de regeling bepaald in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
  De in aanmerking te nemen leeftijd voor de omzetting van de rente in kapitaal is die welke de gerechtigde heeft op het ogenblik waarop de aanvraag tot omzetting uitwerking heeft.

  Art. 10.3.38. Indien de gerechtigde gebruik maakt van het recht bepaald in artikel 12, § 1, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967, wordt het deel van de rente dat als kapitaal betaalbaar is, vastgesteld op grond van de totale rente berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 4 van de wet van 3 juli 1967 :
  1° wanneer, bij toepassing van artikel 6 van de wet van 3 juli 1967, de rente beperkt is tot 25 % van de bezoldiging op grond waarvan zij vastgesteld is;
  2° wanneer bij toepassing van artikel 7 van de wet van 3 juli 1967, de rente slechts tot 100 % of tot 150 % van de laatste bezoldiging met het rustpensioen mag gecumuleerd worden.
  In geen geval mag het in kapitaal omgezette deel van de rente, eventueel vermeerderd met het overblijvende deel van de rente, de in de artikelen 6, § 1, en 7, § 1, van de wet van 3 juli 1967 bedoelde percentages overschrijden.

  Art. 10.3.39. Het kapitaal wordt uitgekeerd binnen zestig dagen volgend op de in artikel 12, § 2, van de wet van 3 juli 1967 bepaalde datum.

  DEEL XI. - HET GELDELIJK STATUUT.

  TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  HOOFDSTUK I. - TOEPASSINGSGEBIED.

  Art. 11.1.1.De volgende artikelen zijn niet van toepassing op de personeelsleden van het administratief en logistiek kader :
  1° XI.III.12, eerste lid, 3° tot en met 6°;
  2° [ [1 XI.III.28ter]1 en XI.III.31 tot en met 33;] <KB 2007-03-23/36, art. 20, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  3° XI.III.44 en 45;
  4° XI.IV.3 tot en met XI.IV.5;
  5° XI.IV.6, behalve voor de ambten die de minister bepaalt;
  6° XI.IV.7 tot en met 9;
  7° XI.IV.120;
  8° XI.V.2 tot en met XI.V.10, behalve wanneer het overlijden zich in door de minister bepaalde omstandigheden voordoet.
  (In afwijking van het eerste lid, 2°, zijn de artikelen XI.III.31 tot XI.III.33 van toepassing op de personeelsleden van het administratief en logistiek kader van de zones van lokale politie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.) <KB 2004-02-03/32, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  ----------
  (1)<KB 2009-06-16/07, art. 2, 045; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 11.1.2. Voor de toepassing van de artikelen XI.III.10 en XI.III.21, alsook, in voorkomend geval, de bijlage 6, op de personeelsleden die van het administratief en logistiek kader deel uitmaken, worden gelijkgesteld met :
  1° een personeelslid dat deel uitmaakt van het basiskader : de personeelsleden van het administratief en logistiek kader die tot de niveaus D of C behoren;
  2° een personeelslid dat deel uitmaakt van het middenkader : de personeelsleden van het administratief en logistiek kader dit tot het niveau B behoren;
  3° een personeelslid dat deel uitmaakt van het officierskader : de personeelsleden van het administratief en logistiek kader die tot het niveau A behoren.

  HOOFDSTUK II. - DEFINITIES.

  Art. 11.1.3. In de zin van dit deel, wordt verstaan onder :
  1° " wedde " : onverminderd artikel XI.III.5, het onderdeel van de bezoldiging van het personeelslid vastgesteld in één van de loonschalen bepaald (...) in bijlage 1 (of in bijlage 1bis) bevattende : <KB 2007-03-23/36, art. 21, 1°, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  a) een minimum;
  b) de weddetrappen die het resultaat zijn van de tussentijdse verhogingen;
  c) een maximum.
  De minima, de maxima en de tussentijdse verhogingen worden uitgedrukt in een aantal monetaire eenheden overeenstemmend met hun jaarbedrag.
  De schalen van iedere graad (of klasse) zijn vastgesteld rekening houdend met de rang die zij bekleden in de baremische loopbaan en, in voorkomend geval, met de bijzonderheid van het ambt dat ermee overeenstemt. <KB 2007-03-23/36, art. 21, 2°, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Iedere schaal hangt af van één van de kaders van het operationeel kader of van één van de niveaus van het administratief en logistiek kader, zoals bedoeld in de artikelen 117 en 118 van de wet.
  Iedere loonschaal wordt aangewezen door :
  a) een eerste letter of, in voorkomend geval, twee letters die het kader voor het operationeel kader of het niveau voor het administratief en logistiek kader aanwijst of aanwijzen;
  b) een cijfer (of voor het niveau A, een groep van cijfers) of, in voorkomend geval, voor het operationeel kader, een groep cijfers waarvan het eerste de plaats in de baremische loopbaan aanwijst en, het tweede, een groep van specifieke schalen; <KB 2007-03-23/36, art. 21, 3°, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  c) in voorkomend geval, voor het operationeel kader, de vermelding van de hoedanigheid van ingenieur of, voor het administratief en logistiek kader, een letter die de specialiteit van bijzondere graden aanwijst;
  (d) in voorkomend geval, voor het administratief en logistiek kader, een cijfer dat een groep van specifieke schalen aanwijst;) <KB 2007-03-23/36, art. 21, 4°, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  2° " volledige wedde " : de wedde waarop geen enkele vorm van vermindering werd toegepast;
  3° " niet volledig verschuldigde wedde " : elke wedde die :
  a) hetzij niet verschuldigd is voor de volledige maand, hoewel er geen enkele vorm van vermindering op werd toegepast;
  b) hetzij verschuldigd is voor de volledige maand, maar voor een deel zonder dat er een vorm van vermindering op werd toegepast en voor een ander deel waar een vorm van vermindering op werd toegepast;
  c) hetzij verschuldigd is voor de volledige maand, maar in een verminderde vorm;
  4° " afwezigheidsdagen " :
  a) de volledige verlofdagen met uitzondering van het jaarlijks vakantieverlof, het syndicaal verlof of het ziekteverlof toegekend naar aanleiding van een arbeidsongeval;
  b) (de volledige dagen waarop de uren die de prestatienorm overschrijden, worden gerecupereerd, waarop men met rust, in disponibiliteit wegens ziekte of met verlof wegens opdracht van algemeen belang is of waarop men een basisopleiding volgt;) <KB 2003-10-24/35, art. 13, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  5° " heropneming van ambt " gedurende ten minste tien dagen : de heropneming van dienstactiviteiten waarbij, uiterlijk de vijftiende van de maand - ongeacht of het gaat om de lopende maand of de daaropvolgende maand - die volgt op de datum van de heropneming van het ambt, werd vastgesteld dat het personeelslid tien dagen kan doen gelden gedurende dewelke hij dienstprestaties heeft verricht.

  TITEL II. - WEDDE.

  HOOFDSTUK I. - HET RECHT OP WEDDE.

  Art. 11.2.1.[1 ...]1
  In afwijking van het eerste lid, wanneer de voorlopige hechtenis wordt gevolgd door de opschorting van de uitspraak van de veroordeling en deze opschorting vervolgens wordt herroepen, blijft de volledige wedde verworven voor de periode van hechtenis die beschouwd werd als periode van activiteit ten gevolge van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling en die voortaan wordt beschouwd als periode van non-activiteit ten gevolge van de herroeping van de opschorting.
  ----------
  (1)<W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 11.2.2.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  HOOFDSTUK II. - DE VASTSTELLING VAN DE WEDDE.

  AFDELING 1. [1 - DE BASISWEDDE, DE GELDELIJKE ANCIENNITEIT EN DE TUSSENTIJDSE VERHOGINGEN.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Onderafdeling 1. [1 - Basiswedde.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 11.2.3.[1 Onverminderd de artikelen II.II.6, tweede lid, en II.II.7, tweede lid, geniet het in een graad of klasse benoemde of als aspirant aangestelde personeelslid de minimumwedde van de aan die graad of klasse verbonden loonschaal waarop het aanspraak kan maken met toepassing van de regels betreffende de baremische loopbaan, alsook de tussentijdse verhogingen verkregen volgens de regels van dit besluit.
   Het personeelslid aangeworven bij arbeidsovereenkomst, geniet de minimumwedde van de aan zijn graad of klasse verbonden loonschaal, evenals de tussentijdse verhogingen verworven volgens de regels van dit besluit.
   In afwijking van het tweede lid, en mits toestemming van de minister wat de federale politie betreft en van de gemeenteraad of de politieraad wat de lokale politie betreft, kunnen voor alle niveaus van het administratief en logistiek kader experten met een bijzondere kwalificatie waarvan de bijdrage onontbeerlijk is voor de realisatie van bepaalde taken, worden aangeworven bij arbeidsovereenkomst met een bezoldiging berekend in een hogere loonschaal dan de schaal van het begin van de loopbaan die, rekening houdend met de graad of klasse die hem kan worden verleend, hem normaal zou moeten worden toegekend met toepassing van de bepalingen van dit besluit. Voor wat de federale politie betreft, worden de verantwoording voor de aanwerving en het gunstig advies van de Inspecteur van Financiën gevoegd bij de aanvraag tot afwijking aan de minister. Voor wat de lokale politie betreft, wordt de verantwoording voor de aanwerving gevoegd bij de aanvraag tot afwijking aan de gemeenteraad of de politieraad.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Onderafdeling 2. [1 - Geldelijke anciënniteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 11.2.4.[1 Het personeelslid geniet op elk ogenblik de wedde die overeenstemt met de anciënniteit gevormd door het totaal van de in aanmerking komende diensten zoals bedoeld in de artikelen XI.II.5, XI.II.7 en XI.II.8 en die "geldelijke anciënniteit" wordt genoemd.
   Deze geldelijke anciënniteit is opgebouwd uit twee componenten :
   1° deze die erkend wordt als verworven op het tijdstip van de indiensttreding van het personeelslid;
   2° deze die verworven is als personeelslid na de indiensttreding.
   Wanneer een reeds in dienst zijnd personeelslid een betrekking bekomt in het raam van een externe aanwerving, maakt zijn geldelijke anciënniteit het voorwerp uit van een nieuwe berekening.
   Buiten het geval bedoeld in het derde lid, kan de component van de geldelijke anciënniteit bedoeld in het tweede lid, 1°, enkel gewijzigd worden wanneer wordt vastgesteld dat een vergissing of bedrog werd begaan op het ogenblik van zijn initiële berekening. Indien dit effectief het geval is, dient deze laatste herberekend te worden op basis van de regelgeving die van toepassing was op het ogenblik van de indiensttreding van het betrokken personeelslid.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Onderafdeling 3. [1 - De in aanmerking komende diensten op het ogenblik van de indiensttreding van het personeelslid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 11.2.5.[1 § 1. Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit verworven op het tijdstip van de indiensttreding, worden ambtshalve aangenomen de diensten verricht in de openbare diensten van de Staten die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat.
   § 2. De personeelsleden aangeworven door privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen die niet bedoeld zouden worden in § 1, in een rechtspositie die eenzijdig bepaald is door de bevoegde overheid of krachtens de machtiging van de overheid, door hun bevoegde bestuursorgaan, worden beschouwd als behorend tot de openbare diensten bedoeld in § 1.
   § 3. Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit verworven op het tijdstip van de indiensttreding, kan de gemeenteraad of de politieraad of de burgemeester of het politiecollege in geval van de delegatie bedoeld in artikel 56, tweede en derde lid, van de wet, voor wat betreft de lokale politie, en de commissaris-generaal of de door hem aangewezen overheid, voor wat betreft de federale politie, eveneens de diensten verricht in andere overheidsdiensten of in de privésector of als zelfstandige erkennen indien hij van mening is dat deze diensten een beroepservaring vormen die bijzonder nuttig is voor de functie waarin het personeelslid wordt aangeworven of in dienst wordt genomen bij arbeidsovereenkomst.
   Voor de erkenning van een bijzonder nuttige ervaring van meer dan negen jaar, wint de in het eerste lid bedoelde overheid het advies in van een commissie, die als volgt is samengesteld :
   1° een lid van het Administratief en Technisch secretariaat Binnenlandse Zaken aangewezen door de minister, voorzitter;
   2° een personeelslid van de lokale politie aangewezen door de Vaste Commissie van de lokale politie, bijzitter;
   3° een personeelslid van de federale politie aangewezen door de commissaris-generaal, bijzitter.
   De beroepservaring die bijzonder nuttig is voor een functie is deze die aan de betrokkene die erover beschikt een klaarblijkelijk voordeel verschaft in termen van competenties, in het bijzonder technische competenties, voor de uitoefening van de functie.
   De valorisering van de bijzonder nuttige ervaring gebeurt bij de aanwerving van het personeelslid van het administratief en logistiek kader of van de aspirant- hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie of met specialiteit politieassistent. Die valorisering blijft naderhand ongewijzigd, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel XI.II.4, derde en vierde lid.
   Het personeelslid van het administratief en logistiek kader of de aspirant-hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie of met specialiteit politieassistent die de erkenning vraagt van een beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de functie, levert het bewijs ervan.
   [2 Behoudens een bijzondere termijn toegekend door de gemeenteraad of de politieraad of de burgemeester of het politiecollege in geval van de delegatie bedoeld in artikel 56, tweede en derde lid, van de wet, voor wat betreft de lokale politie, en de commissaris-generaal of de door hem aangewezen overheid, voor wat betreft de federale politie, is deze erkenningsaanvraag niet meer ontvankelijk vanaf de vierde maand na de indiensttreding.
   De erkenning kan ook vóór de indiensttreding gebeuren maar ze geldt pas bij de indiensttreding.]2
   Het in aanmerking nemen van de erkende diensten bedoeld in deze paragraaf wordt berekend overeenkomstig artikel XI.II.6, § 1, § 3, eerste lid, en §§ 4 tot 7.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  (2)<KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 11.2.6.[1 § 1. De diensten worden enkel in aanmerking genomen als ze de volledige maand of, ten minste, alle werkdagen van de maand bestrijken, in voorkomend geval bij meerdere werkgevers. De onvolledige maanden worden niet in aanmerking genomen.
   § 2. De voltijds gepresteerde diensten in het onderwijs over perioden korter dan 12 opeenvolgende maanden worden in aanmerking genomen volgens de volgende formule : het aantal dagen van een periode van prestaties wordt vermenigvuldigd met 1,2 en de uitkomst wordt gedeeld door 30. Het quotiënt bepaalt het aantal maanden; met de cijfers na de komma en de rest wordt geen rekening gehouden. De deeltijds gepresteerde diensten worden naar rato gevaloriseerd, volgens dezelfde berekening.
   § 3. De diensten die niet overeenstemmen met voltijdse prestaties worden prorata in aanmerking genomen. Het eindresultaat van het prorata wordt afgerond naar het hogere geheel getal.
   [2 Wanneer het personeelslid echter deeltijds gepresteerde diensten doet gelden en deze voltijds in aanmerking werden genomen voor de berekening van zijn geldelijke anciënniteit in de overheidsdienst waar ze gepresteerd werden, wordt de geldelijke anciënniteit erkend als voltijds verworven.
   Ook wanneer periodes waarin het personeelslid niet daadwerkelijk diensten heeft gepresteerd in aanmerking werden genomen voor de berekening van zijn geldelijke anciënniteit in de overheidsdienst waar ze gepresteerd werden, wordt de geldelijke anciënniteit als voltijds verworven erkend.
   De in het tweede en het derde lid bedoelde erkenning wordt echter beperkt tot de erkenning die het personeelslid genoten zou hebben indien het voor dezelfde periode en dezelfde diensten was aangeworven door een federale dienst.]2
   § 4. Het resultaat van de berekening van de verworven geldelijke anciënniteit kan nooit tot gevolg hebben dat er meer maanden in aanmerking worden genomen dan die waarin de diensten gepresteerd werden. De tien maanden van het schooljaar in het onderwijs tellen echter voor een jaar.
   § 5. In het raam van een externe aanwerving, het geval bedoeld in artikel XI.II.4, derde lid, inbegrepen, komen de diensten van de titularis van een loonschaal van het officierskader van het operationeel kader of van het niveau A van het administratief en logistiek kader, slechts voor twee derden van hun totale duur in aanmerking voor zover het diensten betreft die werden gepresteerd in niveaus die vergelijkbaar zijn met de niveaus B, C en D of in het middenkader, het basiskader en het kader van agenten van politie.
   De toepassing van de in het eerste lid bedoelde regel kan echter niet als gevolg hebben dat de duur van de in dat lid bedoelde lagere diensten met meer dan twee jaar wordt verminderd wanneer het personeelslid een loonschaal van niveau B genoot of deel uitmaakte van het middenkader en met meer dan vijf jaar wanneer het personeelslid een loonschaal van niveau C genoot of deel uitmaakte van het basiskader.
   [2 De toepassing van de in het eerste lid bedoelde regel kan ook niet als gevolg hebben dat een vermindering van in totaal meer dan vijf jaar wordt opgelegd.]2
   Voor de toepassing van het eerste tot het derde lid, worden de eventueel vereiste graadgelijkstellingen bepaald door de minister met akkoord van de minister tot wiens bevoegdheid het openbaar ambt behoort.
   Indien het overeenkomstig het eerste lid berekende aantal maanden geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de hogere hele maand.
   § 6. De bepaling bedoeld in het tweede lid, wordt voorafgaand aan die bedoeld in § 5, eerste lid, toegepast.
   De omvang van de in aanmerking komende diensten, bedoeld in artikel XI.II.5 hangt maand na maand af van de graad of klasse welke het personeelslid bekleedde of waarin het door een formele terugwerking van zijn benoeming in die graad of klasse, reeds rang ingenomen had met het oog op de bevordering tot een hogere wedde. De diensten die geen volledige kalendermaand omvatten, komen niet in aanmerking.
   Voor de toepassing van het tweede lid wordt geen rekening gehouden met de graad of klasse die de ambtenaar voorlopig bekleedde wegens de uitoefening van een hoger ambt.
   § 7. Voor de vaststelling van de omvang van de in aanmerking komende diensten, bedoeld in artikel XI.II.5, wordt elke verandering van graad of klasse die zich voordoet op een andere dag dan de eerste van de maand, uitgesteld naar de eerste van de volgende maand.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  (2)<KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Onderafdeling 4. [1 - De in aanmerking komende diensten na de indiensttreding van het personeelslid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 11.2.7.[1 Behoudens andersluidende bepaling in dit besluit, komen enkel de werkelijke of de daarmee gelijkgestelde diensten die het personeelslid, als titularis van een ambt met volledige prestaties vervult bij de politiediensten, in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit.
   Het personeelslid wordt geacht werkelijke diensten te presteren zolang het zich in de administratieve stand bevindt van dienstactiviteit of disponibiliteit.
   Zijn volledig, de prestaties waarvan het volume een normale beroepsactiviteit volledig omvat of die hiermee zijn gelijkgesteld.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 11.2.8.[1 § 1. Voor de contractuele personeelsleden, evolueert de geldelijke anciënniteit per volledige maand indien ze daadwerkelijk hun arbeidsovereenkomst uitvoeren.
   [2 § 2. Hoewel niet bezoldigd, worden evenwel voor het contractueel personeelslid voor de toekenning van de tussentijdse verhogingen in aanmerking genomen :
   1° de periodes van verlof of werkonderbreking bedoeld in de artikelen 39 en 42 tot en met 43bis, van de arbeidswet van 16 maart 1971;
   2° het vaderschapsverlof verkregen met toepassing van het koninklijk besluit van 17 oktober 1994 betreffende de omzetting van het moederschapsverlof in vaderschapsverlof bij overlijden of hospitalisatie van de moeder;
   3° de periodes van verminderde prestaties wegens ziekte;
   4° de dagen van afwezigheid verkregen met toepassing van het koninklijk besluit van 11 oktober 1991 tot vaststelling van de nadere regelen van de uitoefening van het recht op een verlof om dwingende redenen;
   5° de afwezigheid in het raam van een arbeidsonderbreking op basis van artikel 126, § 1, van de wet;
   6° de periode van verlof bedoeld in artikel 30, § 2, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
   7° de deeltijdse loopbaanonderbreking;]2
   8° de voltijdse loopbaanonderbreking voor ouderschapverlof;
   9° het ouderschapverlof bedoeld in artikel VIII.VII.1.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 11.2.9.[1 De geldelijke anciënniteit die verworven wordt na de indiensttreding evolueert per volledige maand. De onvolledige maanden worden niet in aanmerking genomen.
   De duur van de in aanmerking komende diensten die het personeelslid kan doen gelden, mag nooit de werkelijke duur overschrijden van de periodes waardoor ze gedekt worden.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Onderafdeling 5. [1 - Tussentijdse verhogingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 11.2.10.[1 De jaarlijkse of tweejaarlijkse verhogingen worden respectievelijk toegekend bij het verstrijken van de periode van één of twee jaar geldelijke anciënniteit.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-26/17, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  AFDELING 1bis. [1 - Wedde van de commissaris-generaal van de federale politie]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-26/15, art. 1, 068; Inwerkingtreding : 10-01-2016>
  

  Art. 11.2.10bis. [1 De commissaris-generaal van de federale politie geniet tijdens de uitoefening van dit mandaatambt, in plaats van de wedde vastgesteld overeenkomstig artikel XI.II.3, eerste lid, een jaarwedde ten belope van het hoogste bedrag van de hoogste loonschaal bedoeld in tabel 4 van de bijlage 1.
   De baremische loopbaan van de commissaris-generaal blijft ondertussen evenwel evolueren overeenkomstig de regelgeving dienaangaande.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-26/15, art. 1, 068; Inwerkingtreding : 10-01-2016>
  

  AFDELING 2. - VRIJWARINGSCLAUSULES.

  Art. 11.2.11. § 1. (In afwijking van artikel XI.II.9, geniet het personeelslid dat een hogere graad (of hogere klasse) verwerft op geen enkel ogenblik een lagere wedde dan die die het in de loonschaal van zijn vorige graad (of klasse) zou hebben genoten.) <KB 2002-04-16/30, art. 20, 003; Inwerkingtreding : 25-04-2002> <KB 2007-03-23/36, art. 24, 1°, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 2. (Indien de in §1 bedoelde hogere graad gekoppeld is aan het officierskader of het niveau A en verworven is in het raam van de bevordering door overgang naar een hoger kader of niveau, geniet het in § 1 bedoelde personeelslid vanaf zijn benoeming in de aan dat kader of niveau gekoppelde graad, altijd ten minste een wedde waarvan (het bedrag van 1.092,43 EUR) hoger ligt dan de wedde berekend op basis van de loonschaal die het in zijn vorig kader of niveau genoot. <KB 2007-03-23/36, art. 24, 2°, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Indien de in § 1 bedoelde hogere graad gekoppeld is aan een ander kader dan het officierskader of een ander niveau dan het niveau A en verworven is in het raam van de bevordering door overgang naar een hoger kader of niveau, geniet het in § 1 bedoelde personeelslid vanaf zijn benoeming in de aan dat kader of niveau gekoppelde graad, altijd ten minste een wedde waarvan het bedrag 29 089 frank (721,10 EUR) hoger ligt dan de wedde berekend op basis van de loonschaal die het in zijn vorig kader of niveau genoot.) <KB 2002-04-16/30, art. 20, 003; Inwerkingtreding : 25-04-2002>
  § 3. De toepassing van § 2 mag niet als gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid hoger komt te liggen dan de maximumwedde, hetzij van de schaal gekoppeld aan zijn nieuwe graad (of nieuwe klasse), hetzij van de schaal gekoppeld aan zijn vorige graad indien deze hoger ligt. <KB 2007-03-23/36, art. 24, 3°, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 11.2.12. In geval van wijziging van dit besluit, wordt elke wedde vastgesteld alsof de nieuwe bepaling altijd heeft bestaan. Dergelijke wijziging geeft echter geen recht op achterstallen.
  Indien de aldus vastgestelde wedde lager is dan deze die het personeelslid genoot bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit, dan behoudt hij de hoogste wedde totdat hij een gelijke of hogere wedde bekomt.

  AFDELING 3. - DE UITBETALING VAN DE WEDDE.

  Art. 11.2.13. § 1. De wedde van het personeelslid wordt maandelijks betaald volgens hetzelfde tijdschema dan datgene van toepassing op de ambtenaren van de federale ministeries, ten belope van één twaalfde van de jaarwedde.
  § 2. Onverminderd § 1 en artikel XI.II.14, § 2, kan het personeelslid, in afwachting van de exacte bepaling van zijn recht op wedde, een voorschot op wedde bekomen waarvan het bedrag gelijk is aan het minimum van de eerste loonschaal die overeenstemt met de graad (of de klasse) waarmee het personeelslid bekleed is. <KB 2007-03-23/36, art. 25, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 3. Elke wijziging in de toestand van een personeelslid op een andere datum dan de eerste dag van de maand, die aanleiding geeft tot de toekenning van een andere loonschaal, heeft slechts uitwerking op de eerste dag van de volgende maand.
  § 4. Wanneer de wedde van het personeelslid afhangt van zijn geldelijke anciënniteit, wordt de geldelijke anciënniteit van het personeelslid op de eerste dag van de maand in aanmerking genomen.
  § 5. Wanneer het personeelslid overlijdt of op pensioen wordt gesteld, is de wedde van de lopende maand niet terugvorderbaar.

  Art. 11.2.14. § 1. Voor de toepassing van § 2 wordt verstaan onder :
  1° " werkdag " : elke dag van de week, de feestdagen inbegrepen, met uitzondering van zaterdag en zondag;
  2° " gepresteerde werkdag " : elke werkdag waarvoor een bezoldiging is verschuldigd;
  3° " werkkalender " : het aantal te presteren werkdagen gedurende een maand of een deel van een maand.
  § 2. Wanneer de maandwedde niet volledig is verschuldigd, wordt haar bedrag vastgesteld overeenkomstig de volgende formule :
  Volledige wedde x effectief toegepaste weddepercentage x het aantal gepresteerde werkdagen/het aantal te presteren werkdagen op basis van de werkkalender.
  Wanneer de wedde, in de loop van eenzelfde maand, ofwel in zijn volledige vorm ofwel in zijn verminderde vorm verschuldigd is, kan, in voorkomend geval, de formule bedoeld in het eerste lid toegepast worden op delen van die maand.
  Indien het personeelslid bezoldigd wordt voor prestaties per uur, is het aantal gepresteerde of te presteren werkdagen gelijk aan het aantal gepresteerde of te presteren uren gedeeld door 7,6.

  Art. 11.2.15. De maandwedde met inbegrip van de bedragen bedoeld in artikel XI.II.11, alsook de weddebijslagen bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 4, van deze titel, ondergaan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig de regels bepaald bij de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De wedde wordt aan de spilindex 138,01 gekoppeld.

  Art. 11.2.16.Uitgezonderd in de gevallen bedoeld in (de artikelen VIII.XIII.4, § 2 en VIII.XIII.6, tweede lid), hangt het personeelslid in verlof wegens opdracht van algemeen belang, voor de duur van de opdracht, niet meer af van het budget van de federale politie of een lokaal politiekorps.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  AFDELING 4. - DE WEDDEBIJSLAGEN.

  Onderafdeling 1. - Weddebijslag voor de uitoefening van een mandaat.

  Art. 11.2.17. § 1. Het personeelslid, bekleed met een mandaat, geniet voor de duur van dit mandaat een weddebijslag waarvan het bedrag bepaald wordt in bijlage 3.
  Hij is verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop men er aanspraak kan op maken en is dit niet meer vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop men er geen aanspraak meer kan op maken.
  Indien deze data samenvallen met de eerste van de maand, ontstaat of vervalt het recht onmiddellijk.
  § 2. De weddebijslag is verschuldigd in alle administratieve standen die recht geven op een volledige wedde.
  Onverminderd het eerste lid, wordt, wanneer de maandwedde niet volledig is verschuldigd, de bijslag verminderd overeenkomstig dezelfde regels en in dezelfde mate als de wedde.
  Hij wordt maandelijks samen met de wedde uitbetaald, ten belope van één twaalfde van het jaarlijkse bedrag.
  § 3. De weddebijslag wordt geschorst vanaf het ogenblik dat het personeelslid dat ervan geniet, op de eerste van een maand, ten minste zijn dertigste ononderbroken afwezigheidsdag ingaat.
  Hij is opnieuw verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de betrokkene zijn ambt heeft heropgenomen gedurende ten minste tien dagen.
  § 4. Verschillende weddebijslagen zijn niet onderling cumuleerbaar en het personeelslid behoudt enkel het recht op het hoogste bedrag waarop het aanspraak kan maken. Indien het gunstigste bedrag niet datgene is dat gebonden is aan het ambt waaraan het gehecht is, wordt het verschil hem toegekend onder de vorm van een toeslag bij de weddebijslag. De §§ 1 en 2 zijn van toepassing op deze toeslag.

  Onderafdeling 2. - Weddebijslag voor de uitoefening van een hoger ambt.

  Art. 11.2.18. Er wordt een weddebijslag toegekend aan de personeelsleden die voorlopig een hoger ambt uitoefenen zoals bedoeld (in deel VI, titel II, hoofdstuk IV, afdeling 2). <KB 2003-10-24/35, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  Onverminderd artikel XI.II.19, ontstaat het recht om aanspraak te maken op de weddebijslag vanaf de dag waarop het hoger ambt effectief wordt uitgeoefend.

  Art. 11.2.19. Het voordeel van de weddebijslag wordt toegekend aan het personeelslid dat, op ononderbroken wijze gedurende ten minste eenentwintig werkdagen, het hoger ambt heeft uitgeoefend.

  Art. 11.2.20. De weddebijslag wordt vastgesteld :
  1° in geval van aanwijzing voor een ambt dat verbonden is met een betrekking voorzien voor een hogere graad (of klasse) dan die van de betrokkene : op 1/12de van het verschil tussen de eerste loonschaal die het personeelslid zou hebben genoten in de graad (of de klasse) van het ambt en de som van de schaal die hij geniet in zijn effectieve graad (of klasse) en, in voorkomend geval, het bedrag van de selectietoelage zoals bedoeld in artikel XI.III.41. De aldus vastgestelde bijslag wordt vervolgens eventueel vermeerderd met een 1/12de van het bedrag van een weddebijslag voor de uitoefening van een mandaat, gekoppeld aan de betrekking waaraan het hoger ambt is verbonden; <KB 2007-03-23/36, art. 26, 1°, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  2° in geval van aanwijzing voor een betrekking die niet werd voorzien voor een hogere graad (of klasse), maar waarvan de toekenning het recht op een weddebijslag voor de uitoefening van een mandaat opent : naar gelang van het geval, op 1/12de van het bedrag van de weddebijslag voor de uitoefening van een mandaat of op het verschil tussen het bedrag van de weddebijslag voor de uitoefening van een mandaat zoals verkregen in zijn effectieve betrekking, en het bedrag van de weddebijslag voor de uitoefening van een mandaat, gekoppeld aan de betrekking waaraan het hoger ambt is verbonden. <KB 2007-03-23/36, art. 26, 2°, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 11.2.21.De weddebijslag is verschuldigd in alle administratieve standen die recht geven op een volledige wedde of op een wedde zoals verschuldigd [2 in het raam van de verminderde prestaties wegens een langdurige medische ongeschiktheid bedoeld in artikel VIII.X.16quater,]2 (in het raam van een verlof voor deeltijdse loopbaanonderbreking bedoeld in de artikelen VIII.XV.1 tot en met VIII.XV.6,) in het raam van [1 de stelsels van de vrijwillige vierdagenweek en van de halftijdse vervroegde uittreding bedoeld in de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector evenals in het raam van de stelsels van de vierdagenweek met of zonder premie en van het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector en in het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector.]1
  Onverminderd het eerste lid, wordt de bijslag verminderd overeenkomstig dezelfde regels en in dezelfde mate als de wedde, wanneer de wedde niet volledig is verschuldigd.
  De weddebijslag wordt berekend op basis van het aantal werkdagen begrepen in de effectieve aanwijzingsperiode.
  Hij wordt uitbetaald met de wedde van de tweede maand die volgt op de maand waarin een periode van eenentwintig werkdagen is verstreken.
  De betalingen worden uitgevoerd per schijf van eenentwintig werkdagen, behalve wanneer er een einde wordt gemaakt aan de uitoefening van het hoger ambt. In dat laatste geval is de laatste schijf verschuldigd voor zover het ambt nog gedurende ten minste tien werkdagen werd uitgeoefend.
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/16, art. 8, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<KB 2017-01-26/24, art. 5, 073; Inwerkingtreding : 20-02-2017>

  Art. 11.2.22. Voor de berekening van de weddebijslag, heeft de toekenning van een andere loonschaal aan het personeelslid slechts gevolg bij het verstrijken van de lopende termijn van eenentwintig werkdagen.

  Onderafdeling 3. - De competentieontwikkelingstoelage <Ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 27; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 11.2.22bis. <Ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 27; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Aan het personeelslid van het administratief en logistiek kader dat een loonschaal van de maximumloonschalengroep geniet, dat behoort tot de klasse A1, A2 of A3 of dat bij arbeidsovereenkomst is aangeworven voor een andere dan een betrekking van klasse A4 of A5, en dat in zijn huidige loonschaal met vrucht een gecertificeerde opleiding heeft gevolgd, wordt, zolang het die loonschaal blijft genieten, jaarlijks een competentieontwikkelingstoelage toegekend. Eén gecertificeerde opleiding kan, inzonderheid voor contractuele personeelsleden, evenwel hoogstens zes maal het recht op een competentieontwikkelingstoelage openen.
  In afwijking van het eerste lid, opent het met vrucht volgen van een gecertificeerde opleiding naar aanleiding van een inschrijving overeenkomstig artikel IV.III.5, het recht op de competentieontwikkelingstoelage in de hogere loonschaal.
  Het personeelslid dat de hoogste loonschaal van een loonschalengroep geniet, heeft evenwel geen recht op de competentieontwikkelingstoelage.
  § 2. Het in § 1 bedoelde personeelslid dat zich vóór 1 september van een jaar heeft ingeschreven voor een nadien met vrucht gevolgde gecertificeerde opleiding, ontvangt vanaf de maand september van het jaar volgend op het jaar van inschrijving de competentieontwikkelingstoelage. Indien het zich na die datum inschrijft, ontvangt het de competentieontwikkelingstoelage slechts in de maand september van het tweede jaar dat daarop volgt.
  § 3. De competentieontwikkelingstoelage wordt jaarlijks in één maal uitbetaald in de maand september op grond van de tijdens de twaalf voorafgaande maanden verrichte prestaties.
  De volledige competentieontwikkelingstoelage wordt enkel toegekend indien het personeelslid gedurende de twaalf voorafgaande maanden in dienstactiviteit is geweest en een volledige wedde heeft genoten. In alle andere gevallen wordt de competentieontwikkelingstoelage proportioneel verminderd.
  De competentieontwikkelingstoelage wordt gevoegd bij de jaarlijkse brutobezoldiging voor de berekening van het vakantiegeld, de Copernicuspremie en de eindejaarstoelage.
  § 4. Het jaarlijks bedrag van de volledige competentieontwikkelingstoelage is vastgesteld op :
  1° voor het niveau D : 1.000,00 EUR;
  2° voor het niveau C : 750,00 EUR;
  3° voor het niveau B : 1.000,00 EUR;
  4° voor de klassen A1, A2 en A3 : 2.000,00 EUR.
  § 5. Het personeelslid dat een competentieontwikkelingstoelage ontvangt, ziet zijn recht op deze toelage geschorst gedurende de periode dat zijn tweejaarlijkse evaluatie de eindvermelding "onvoldoende" draagt.

  HOOFDSTUK III. - DE GEWAARBORGDE BEZOLDIGING.

  Art. 11.2.23. § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt verstaan onder :
  1° " bezoldiging " : de wedde verhoogd met de haard - of standplaatstoelage, alsook met alle andere weddebijslagen, toelagen of forfaitaire voordelen die maandelijks worden toegekend;
  2° " volledige prestaties " : de prestaties waarvan het uurrooster een normale beroepsactiviteit volledig omvat.
  § 2. Voor de vaststelling van de bezoldiging komen niet in aanmerking :
  1° de vergoedingen en toelagen die werkelijke lasten dekken;
  2° de kinderbijslagen en hun maandelijkse supplementen;
  3° de toelagen of supplementen hierna bepaald :
  a) de toelagen voor dienstprestaties uitgevoerd op een zaterdag, een zondag, een feestdag of tijdens de nacht alsook de uurtoelagen voor bijkomende dienstprestaties, voor bereikbaar en terugroepbaar personeel en voor een ononderbroken dienst van meer dan vierentwintig uur;
  b) de forfaitaire toelage voor bepaalde personeelsleden die belast zijn met de uitvoering van bepaalde opdrachten in het raam van de inplaatsstelling van het federale immigratiebeleid;
  c) de tweetaligheidstoelage.

  Art. 11.2.24.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 11.2.25.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 11.2.26.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 11.2.27.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 11.2.28.
  <Opgeheven bij W 2016-04-21/06, art. 53, 069; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  TITEL III. - DE TOELAGEN.

  HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 11.3.1.§ 1. De in de hoofdstukken IV, afdelingen 1 en 2, en VI, van deze titel bedoelde toelagen, zijn verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop men er aanspraak kan op maken en zijn dit niet meer vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop men er geen aanspraak meer kan op maken.
  Als die data samenvallen met de eerste dag van een maand, ontstaat of vervalt het recht onmiddellijk.
  § 2. Die toelagen zijn verschuldigd in alle administratieve standen die recht geven op een volledige wedde of op een wedde zoals verschuldigd [2 in het raam van de verminderde prestaties wegens een langdurige medische ongeschiktheid bedoeld in artikel VIII.X.16quater,]2 (in het raam van een verlof voor deeltijdse loopbaanonderbreking bedoeld in de artikelen VIII.XV.1 tot en met VIII.XV.6,) in het raam van [1 de stelsels van de vrijwillige vierdagenweek en van de halftijdse vervroegde uittreding bedoeld in de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector evenals in het raam van de stelsels van de vierdagenweek met of zonder premie en van het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector en in het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector.]1
  Onverminderd het eerste lid worden, wanneer de maandwedde niet volledig is verschuldigd, de toelagen verminderd overeenkomstig dezelfde regels en in dezelfde mate als de wedde.
  Die toelagen worden samen met de wedde uitbetaald, in voorkomend geval, ten belope van één twaalfde van het jaarlijkse bedrag.
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/16, art. 9, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<KB 2017-01-26/24, art. 6, 073; Inwerkingtreding : 20-02-2017>

  Art. 11.3.2. Onverminderd de artikelen XI.III.6, § 5, XI.III.27 en XI.III.28, zijn de in de hoofdstukken III tot en met X, van deze titel bedoelde toelagen, slechts cumuleerbaar voor zover bijlage 5 bij dit besluit dit toelaat.

  Art. 11.3.3.Het mobiliteitsstelsel van toepassing op de wedden van het personeel van de ministeries is eveneens van toepassing op de toelagen en premies bedoeld in deze titel, met uitzondering van de premie verschuldigd in het raam van het stelsel van de halftijdse vervroegde uittreding [1 en het stelsel van het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar" ingevoegd tussen de woorden]1. Ze worden gekoppeld aan de spilindex 138,01 (, tenzij ze al, krachtens een andere wettelijke of reglementaire beschikking, aan een andere spilindex gekoppeld zijn). <KB 2003-10-24/35, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/16, art. 10, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  HOOFDSTUK II. - DE GEMEENSCHAPPELIJKE TOELAGEN VOOR DE PERSONEELSLEDEN EN DE AMBTENAREN VAN DE FEDERALE MINISTERIES.

  Art. 11.3.4.Onverminderd de bijzondere bepalingen door Ons bepaald voor wat 2°, betreft, genieten de personeelsleden, volgens de bedragen en voorwaarden vastgesteld voor de toekenning ervan aan de personeelsleden van de federale ministeries :
  1° de haard- of standplaatstoelage;
  2° de kinderbijslag;
  3° [1 ...]1;
  4° de eindejaarspremie;
  (4°bis de integratiepremie;) <KB 2004-12-09/32, art. 1, 019; Inwerkingtreding : 01-12-2002>
  5° (...) <KB 2007-03-23/36, art. 28, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  6° de weddebijslag en de premie verschuldigd (in het raam van een verlof voor deeltijdse [2 loopbaanonderbreking bedoeld in de artikelen VIII.XV.1 tot en met VIII.XV.6, van de stelsels van de vrijwillige vierdagenweek en van de halftijdse vervroegde uittreding bedoeld in de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector evenals in het raam van de stelsels van de vierdagenweek met of zonder premie en van het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector en in het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector.]2
  (Indien nodig worden de volgende gelijkstellingen gebruikt :
  1° de niveaus A, B, C en D van het administratief en logistiek kader van de politiediensten worden geacht respectievelijk overeen te komen met de niveaus 1 (of A), 2+ (of B), 2 (of C) en 3 en 4 (of D) van het Federale Openbare Ambt;
  2° het kader van hulpagenten van politie, het basiskader, het middenkader en het officierskader van het operationeel kader van de politiediensten worden geacht respectievelijk overeen te komen met de niveaus 3 en 4 (of D), 2 (of C), 2+ (of B) en 1 (of A) van het Federale Openbare Ambt.) <KB 2003-10-24/35, art. 17, 009; Inwerkingtreding : 01-03-2002>
  ----------
  (1)<KB 2009-04-29/05, art. 2, 042; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (2)<KB 2014-01-29/16, art. 11, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  HOOFDSTUK IIbis. - [1 Het vakantiegeld]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-04-29/05, art. 1, 042; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 11.3.4bis.[1 De personeelsleden genieten jaarlijks een vakantiegeld waarvan het bedrag voor volledige prestaties gedurende het gehele referentiejaar wordt vastgesteld op 92 % van een twaalfde van de jaarwedde, gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen, die verschuldigd is voor de maand maart van het kalenderjaar. Voor het overige wordt het berekend en toegekend volgens de nadere regels die gelden voor het personeel van de federale overheidsdiensten. (NOTA : zie evenwel KB 2009-04-29/05, art. 3 en 4)
   De personeelsleden genieten evenwel het vakantiegeld berekend volgens de regels van vaststelling voor het personeel van de federale overheidsdiensten indien dat voor hen gunstiger is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-04-29/05, art. 1, 042; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  HOOFDSTUK III. - DE TOELAGEN VOOR DIENSTPRESTATIES UITGEVOERD OP EEN ZATERDAG, EEN ZONDAG, EEN FEESTDAG OF TIJDENS DE NACHT ALSOOK TOELAGEN VOOR BIJKOMENDE DIENSTPRESTATIES, VOOR HET BEREIKBAAR EN TERUGROEPBAAR PERSONEEL EN VOOR EEN ONONDERBROKEN DIENST VAN MEER DAN VIERENTWINTIG UUR.

  AFDELING 1. - DEFINITIES.

  Art. 11.3.5. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° " dienstprestaties " : onverminderd artikel XI.III.6, § 1, derde lid, de prestaties bedoeld in artikel VI.I.4, § 1, tweede lid;
  2° " feestdagen " : de dagen bedoeld in artikel I.I.1, 18° en 19°;
  3° " nachtprestaties " : de dienstprestaties verricht tussen 19.00 en 07.00 uur; (NOTA : de woorden " tussen 19.00 en 07.00 uur " worden vervangen door de woorden " tussen 19.00 en 06.00 uur ". Deze wijziging is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die voor de in artikel XII.XI.22 bedoelde vrijwaringsclausule opteren.) <KB 2003-10-24/35, art. 18 en 42, 011; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
  4° " wedde " : de bruto jaarwedde die als basis diende voor de berekening van de bezoldiging verschuldigd voor de maand gedurende dewelke de dienstprestaties verricht werden en zoals vastgelegd in de loonschalen bedoeld (...) in bijlage 1 (of in bijlage 1bis). <KB 2007-03-23/36, art. 29, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  AFDELING 2. - DE TOELAGE VOOR DIENSTPRESTATIES UITGEVOERD OP EEN ZATERDAG, EEN ZONDAG, EEN FEESTDAG OF TIJDENS DE NACHT.

  Art. 11.3.6.§ 1. Aan het personeelslid wordt een toelage toegekend voor dienstprestaties uitgevoerd op een zaterdag, een zondag, een feestdag of tijdens de nacht.
  De toelage is evenwel niet verschuldigd aan het personeelslid dat hetzij :
  1° de weddebijslag voor de uitoefening van een mandaat ontvangt;
  2° de toelage van opleider ontvangt;
  3° de weddebijslag voor de uitoefening van een hoger ambt ontvangt, voor zover deze een weddebijslag dekt voor de uitoefening van een mandaat;
  [1 4° de postvergoeding wegens een vaste dienst in het buitenland ontvangt.]1
  Onverminderd deze reeds opgelegd door andere wettelijke en reglementaire bepalingen, kan de minister bovendien beperkingen of uitsluitingen opleggen voor de toekenning van de toelage voor de prestaties die hij bepaalt.
  § 2. Per volledig uur aan dienstprestaties worden de verschuldigde bedragen als volgt vastgesteld :
  1° voor de dienstprestaties uitgevoerd op een zaterdag, een zondag of een feestdag : 1/1850ste van de wedde;
  2° voor de dienstprestaties tijdens de nacht uitgevoerd : (20 % van 1/1850ste van de wedde, voor de prestaties verricht tussen 19.00 en 22.00 uur, en 35 % van 1/1850ste van de wedde, voor de prestaties verricht tussen 22.00 en 06.00uur.) <KB 2003-10-24/35, art. 19, 011; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
  § 3. De prestaties verricht tussen de eerste en de laatste dag van een kalendermaand en die recht geven op de in deze afdeling bedoelde toelage, worden voor hun werkelijke duur aangerekend.(NOTA : het eerste lid wordt vervangen als volgt : " De prestaties verricht tussen de eerste en de laatste dag van een kalendermaand en die recht geven op de in deze afdeling bedoelde toelage, worden voor hun werkelijke duur aangerekend. Wat de dienstprestaties verricht tijdens de nacht betreft, gebeurt de aanrekening apart voor elk van de uurvorken bedoeld in § 2, 2°. " maar de comptabilisering volgens uurvorken bedoeld in deze wijziging is niet van toepassing op de personeelsleden die voor de in artikel XII.XI.22 bedoelde vrijwaringsclausule opteren.) <KB 2003-10-24/35, art. 19 en 42, 011; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
  Wanneer een dienstprestatie die de laatste dag van de kalendermaand wordt aangevat, de eerste dag van de volgende maand beëindigd wordt, wordt de duur van de prestatie na middernacht op de eerste dag van die volgende maand aangerekend.
  (Wanneer het aldus verkregen aantal uren dienstprestaties een uurgedeelte gelijk aan of meer dan dertig minuten omvat, wordt naar het volgende uur afgerond; in het tegenovergestelde geval wordt er geen rekening mee gehouden.) <KB 2003-10-24/35, art. 19, 011; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
  § 4. De verschuldigde bedragen worden betaald in de loop van de tweede maand volgend op de maand waarin de prestaties werden verricht.
  § 5. De toelagen verschuldigd voor dienstprestaties uitgevoerd op zaterdag, zondag, (een feestdag) of 's nachts zijn met elkaar cumuleerbaar evenals met deze bedoeld in de afdeling 3. <KB 2003-10-24/35, art. 19, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  ----------
  (1)<KB 2013-04-03/04, art. 3, 054; Inwerkingtreding : 20-04-2013>

  Art. 11.3.6bis. <Ingevoegd bij KB 2007-12-20/48, art. 1; Inwerkingtreding : 26-01-2008> § 1. Het personeelslid dat is aangewezen voor een ambt van wijkagent, bedoeld in artikel 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 17 september 2001 tot vaststelling van de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie teneinde een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te verzekeren en dit ambt effectief waarneemt, wordt per referentieperiode, bedoeld in artikel VI.I.3, § 1, minstens 20 uren op zater-, zon- of feestdagen met dienst bevolen, waarvan minstens 14 uren voor wijkwerking.
  Indien het in het eerste lid bedoelde personeelslid niet voltijds is tewerkgesteld, worden die minimumaantallen proportioneel verminderd.
  § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt het woord " kalendermaand " in artikel XI.III.6, § 3, gelezen als " referentieperiode ".
  In afwijking van artikel XI.III.6, § 4, worden de daarin bedoelde toelagen voor het in § 1 bedoelde personeelslid uitbetaald in de tweede maand die volgt op de referentieperiode waarop die toelagen betrekking hebben.
  § 3. Indien, tijdens een referentieperiode de in § 1 bedoelde normen niet worden bereikt ingevolge de door de overheid opgelegde dienstorganisatie, worden de aantallen uren die derhalve te weinig zijn gepresteerd op zater-, zon- of feestdagen, in aanmerking genomen voor de berekening van de toelagen dienaangaande, met uitsluiting van die voor bijkomende dienstprestaties.
  Er kan evenwel van die normen worden afgeweken op vraag of met instemming van het personeelslid, inzonderheid wanneer het een verlof wenst te nemen. In dat geval is het eerste lid niet van toepassing.

  AFDELING 3. - DE UURTOELAGE VOOR BIJKOMENDE DIENSTPRESTATIES.

  Art. 11.3.7.Onverminderd artikel VI.I.3, § 1, derde lid, en op voorwaarde dat ze noch een weddebijslag voor de uitoefening van een mandaat of voor de uitoefening van een hoger ambt, voor zover deze en weddebijslag dekt voor de uitoefening van een mandaat, noch de toelage van opleider [1 , noch een postvergoeding wegens een vaste dienst in het buitenland]1 ontvangen, wordt aan de personeelsleden die minstens benoemd zijn als stagiair, een toelage toegekend voor elk uur aan bijkomende dienstprestaties dat niet wordt gerecupereerd [2 of overgedragen naar de volgende referentieperiode]2 en de prestatienorm bedoeld in artikel VI.I.1, 2°, overschrijdt.
  In afwijking van het eerste lid genieten de personeelsleden met de hoedanigheid van aspirant, voorafgaand aan een benoeming in één kader, dezelfde toelage als op hen een beroep wordt gedaan voor de uitvoering van operationele opdrachten die geen deel uitmaken van hun opleidingsprogramma. De om die redenen verrichte prestaties geven recht op de toelage waarbij het aantal prestatie-uren per maand wordt berekend. (Wanneer het aldus verkregen aantal uren dienstprestaties een uurgedeelte gelijk aan of meer dan dertig minuten omvat, wordt dit gedeelte naar het volgende uur afgerond; in het tegenovergestelde geval wordt er geen rekening mee gehouden.) <KB 2003-10-24/35, art. 20, 011; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
  De minister bepaalt de berekeningswijze eigen aan de toestand bedoeld in het tweede lid.
  ----------
  (1)<KB 2013-04-03/04, art. 4, 054; Inwerkingtreding : 20-04-2013>
  (2)<KB 2014-01-29/10, art. 23, 058; Inwerkingtreding : 01-11-2010>

  Art. 11.3.8. § 1. Het bedrag van de uurtoelage zoals bedoeld in artikel XI.III.7, eerste lid, wordt vastgesteld op 1/1850ste van de wedde.
  Voor de toepassing van dit artikel, in afwijking van het artikel XI.III.5, 4°, wordt verstaan onder wedde, de bruto jaarwedde die als basis diende voor de berekening van de bezoldiging verschuldigd in de loop van de laatste maand van de referentieperiode - in voorkomend geval, van de maand tijdens dewelke het personeelslid bij mobiliteit werd overgeplaatst of overleed - en zoals bepaald in de loonschalen (...) opgenomen in bijlage 1 (of in bijlage 1bis). <KB 2007-03-23/36, art. 30, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 2. Het aantal te bezoldigen uren aan bijkomende dienstprestaties wordt verkregen door het verschil te berekenen tussen enerzijds het aantal uren dienstprestaties die in de loop van de referentieperiode worden aangerekend en, anderzijds, de prestatienorm.
  (Wanneer de duur van de aldus bekomen bijkomende dienstprestaties een uurgedeelte gelijk aan of meer dan dertig minuten omvat, wordt dit gedeelte naar het volgende uur afgerond; in het tegenovergestelde geval wordt er geen rekening mee gehouden.) <KB 2003-10-24/35, art. 21, 011; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
  § 3. De verschuldigde toelagen worden uitbetaald in de loop van de tweede maand die volgt op de afsluiting van de referentieperiode. In geval van mobiliteit, ambtshalve aanwijzing, herplaatsing, of in geval van overlijden, worden zij evenwel uitbetaald in de loop van de tweede maand die volgt op de datum van deze gebeurtenis.

  Art. 11.3.9. In geval van mobiliteit, ambtshalve aanwijzing of herplaatsing, wordt aan het personeelslid, bij zijn aankomst in zijn nieuwe korps, eenheid of dienst, het aantal uren toegewezen dat theoretisch reeds gepresteerd moest zijn op de datum van zijn aankomst in dat korps, die eenheid of die dienst.

  AFDELING 4. - DE TOELAGE VOOR BEREIKBAAR EN TERUGROEPBAAR PERSONEEL.

  Art. 11.3.10.§ 1. Onverminderd het tweede lid, wordt een toelage toegekend aan de personeelsleden [1 die noch een weddebijslag voor de uitoefening van een mandaat, of, in de mate dat deze geheel of gedeeltelijk in de plaats komt van een weddebijslag voor de uitoefening van een mandaat, noch een weddebijslag voor een hoger ambt, noch een postvergoeding wegens een vaste dienst in het buitenland genieten,]1 per uur waarin zij bereikbaar of terugroepbaar moeten zijn, op voorwaarde dat de uren waarop ze bereikbaar en terugroepbaar waren, niet aangerekend werden als dienstprestatieuren.
  Het feit van enkel bereikbaar te zijn geeft slechts recht op de toelage voor zover het personeelslid tot het basiskader behoort.
  Het bedrag van de toelage wordt vastgesteld op :
  1° indien het personeelslid bereikbaar was : 1/24 van 1/1850 van de wedde;
  2° indien het personeelslid bereikbaar en terugroepbaar was : 1/15 van 1/1850 van de wedde.
  (De minister stelt de lijst vast van de functionaliteiten, eventueel gecontingenteerd, die in aanmerking kunnen komen voor de toekenning van de toelage bedoeld in het eerste lid.
  De minister kan die lijst aanpassen na advies van het hoog overlegcomité, voor wat de personeelsleden van de federale politie betreft, en van het betrokken basisoverlegcomité, voor wat de personeelsleden van de lokale politie betreft.) <KB 2003-10-24/35, art. 22, 010; Inwerkingtreding : 01-04-2002>
  § 2. De prestaties verricht tussen de eerste en de laatste dag van een kalendermaand en die recht geven op de in deze afdeling bedoelde toelage, worden voor hun werkelijke duur aangerekend.
  Wanneer een dienstprestatie die de laatste dag van de kalendermaand werd aangevat, de eerste dag van de volgende maand beëindigd wordt, wordt de duur van de prestatie na middernacht op de eerste dag van die volgende maand aangerekend.
  Wanneer het aldus uiteindelijk verkregen aantal een uurgedeelte omvat, wordt dat deel naar het volgend uur afgerond.
  § 3. De verschuldigde bedragen worden betaald in de loop van de tweede maand die volgt op de maand gedurende dewelke het personeelslid bereikbaar of bereikbaar en terugroepbaar moest zijn.
  ----------
  (1)<KB 2013-04-03/04, art. 5, 054; Inwerkingtreding : 20-04-2013>

  AFDELING 5. - DE TOELAGE VOOR EEN ONONDERBROKEN DIENST VAN MEER DAN VIERENTWINTIG UUR.

  Art. 11.3.11. § 1. Wanneer de dienstprestaties moeten worden verricht op een ononderbroken manier gedurende meer dan vierentwintig uur, wordt aan het personeelslid dat niet in basisopleiding is, een toelage toegekend gelijk aan 30 % van het 1/1850ste deel van de wedde, voor elk volledig verricht uur na het twintigste uur van de ononderbroken prestaties.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt, in afwijking van artikel XI.III.5, 4°, verstaan onder wedde : de bruto jaarwedde die als basis diende voor de berekening van de verschuldigde bezoldiging voor de maand gedurende dewelke de ononderbroken dienst werd beëindigd en zoals bepaald in de loonschalen (...) opgenomen in de bijlage 1 (of in de bijlage 1bis). <KB 2007-03-23/36, art. 31, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 2. Wanneer de tijdsspanne gedurende dewelke de ononderbroken dienstprestaties werden uitgevoerd, een uurgedeelte omvat, wordt dat deel voor de vaststelling van het bedrag van de te betalen toelagen, naar het volgend uur afgerond.
  § 3. De verschuldigde bedragen worden betaald in de loop van de tweede maand die volgt op de maand waarin de ononderbroken dienst zoals bepaald in § 1 werd beëindigd.
  (§ 4. De commissaris-generaal, voor de federale politie, of de korpschef, voor een korps van de lokale politie, beslist welke de toestanden of omstandigheden zijn die aan de in § 1 bedoelde voorwaarden voldoen.) <KB 2003-10-24/35, art. 23, 009; Inwerkingtreding : 01-03-2002>

  HOOFDSTUK IV. - DE TOELAGEN EN DE PREMIES VAN FUNCTIONELE AARD.

  AFDELING 1. - DE FUNCTIETOELAGE.

  Art. 11.3.12.De hierna vermelde personeelsleden, genieten een functietoelage waarvan het bedrag in bijlage 6 is vastgesteld :
  1° de personeelsleden die deel uitmaken van het varend personeel van het luchtsteundetachement.
  De minister bepaalt onder welke voorwaarden, inzonderheid wat de opleiding betreft, een personeelslid behoort tot het varend personeel van het luchtsteundetachement;
  2° [1 De personeelsleden die een gespecialiseerde betrekking van motorrijder bekleden binnen de federale politie of in een dienst belast met specifieke opdrachten van verkeerspolitie van de lokale politie.
   De minister bepaalt onder welke voorwaarden, onder meer inzake opleiding, een personeelslid een gespecialiseerde betrekking van motorrijder binnen de federale politie of in een dienst belast met specifieke opdrachten van verkeerspolitie van de lokale politie bekleedt.]1
  3° de personeelsleden die deel uitmaken van het detachement voor de onmiddellijke beveiliging van de leden van de koninklijke familie;
  4° de personeelsleden die deel uitmaken van de detachementen belast met de politie van de militairen;
  (4°bis de personeelsleden die deel uitmaken van de scheepvaartpolitie;) <KB 2003-12-05/34, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  5° de personeelsleden die deel uitmaken van de eenheden belast met de gespecialiseerde bewaking, beveiliging of interventie, die de minister aanwijst;
  6° de personeelsleden van het basiskader (en de agenten van politie) die behoren tot de eenheden en diensten die de nabijheidspolitie uitvoeren, die de minister aanwijst; <KB 2007-12-20/62, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  7° de personeelsleden die het ambt van misdrijf- of strategische analist uitoefenen.
  (8° de personeelsleden van het administratief en logistiek kader, met uitsluiting van de klasse A3 en hoger, die op rechtstreekse wijze een ploeg van minimum tien personeelsleden, of indien het leidinggevenden van niveau D betreft, zes personeelsleden, leiden of die op voorstel van de functionele chef, door de korpschef of naar gelang het geval de minister voor de diensten die van hem afhangen, de commissaris-generaal of de betrokken directeur-generaal is aangewezen voor de dagelijkse leiding van een projectteam;) <KB 2007-03-23/36, art. 32, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (9° de personeelsleden die het ambt van polygrafist uitoefenen.) <KB 2007-08-24/34, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-10-2007>
  De toelage is eveneens verschuldigd aan de personeelsleden die werden gedetacheerd naar of ter beschikking gesteld van een korps, een eenheid of een dienst bedoeld in het eerste lid, teneinde er hetzelfde ambt als de begunstigden van de toelage uit te oefenen. Worden in ieder geval niet bedoeld de personeelsleden die in het raam van een basisopleiding of ermee verbonden stage zijn gedetacheerd of ter beschikking gesteld.
  ----------
  (1)<KB 2016-11-25/11, art. 1, 072; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 11.3.13. De bepalingen van artikel XI.II.17, § 3, zijn mutatis mutandis van toepassing op de functietoelage.
  Indien de afwezigheid zoals bedoeld in artikel XI.II.17, § 3, voortvloeit uit de deelname aan één van de opleidingen die toegang geven tot één van de kaders bedoeld in artikel 117 van de wet, is de toelage evenwel niet meer verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand gedurende dewelke de opleiding aanvangt.

  Art. 11.3.14. Aan de maandelijkse breuk van de toelage bedoeld in artikel XI.III.12, eerste lid, 1°, kan een bedrag van 3 000 frank (74,37 EUR) worden toegevoegd indien het personeelslid, houder van een brevet van testpiloot of monitor en die een ambt uitoefent van testpiloot of monitor voorzien in de personeelsformatie van het luchtsteundetachement, dit ambt daadwerkelijk in de loop van een kalendermaand heeft uitgeoefend.
  De twee bedragen zijn cumuleerbaar indien de twee ambten worden uitgeoefend in de loop van dezelfde maand.

  Art. 11.3.15. § 1. De verschillende bedragen van de toelage bedoeld in deze afdeling, zijn niet met elkaar cumuleerbaar. Het personeelslid behoudt slechts het recht op het meest gunstige bedrag waarop het aanspraak kan maken. Indien het meest gunstige bedrag niet dit is, dat gekoppeld is aan de betrekking waarvoor hij is aangewezen, wordt hem het verschil toegekend in de vorm van een dagelijkse toelagetoeslag die overeenkomt met het verschil tussen de waarde van 1/360ste van ieder van de bedragen waarop het aanspraak kan maken.
  De artikelen XI.III.1, § 2, eerste en tweede lid en XI.III.13, zijn van overeenkomstige toepassing op deze toelagetoeslag.
  § 2. Onverminderd de artikelen XI.III.1, § 2, eerste en tweede lid, en XI.III.13, heeft men in geval van detachering naar of terbeschikkingstelling van een korps, een eenheid of een dienst waar men de toelage geniet, om er hetzelfde ambt als de begunstigden van de toelagen uit te oefenen, per dag van detachering of terbeschikkingstelling, recht op de toelage ten belope van 1/360ste.
  § 3. Als de detachering of de terbeschikkingstelling minder dan één dag in beslag neemt, is eveneens 1/360ste van het jaarlijks bedrag van de toelage of van het bedrag van de dagelijkse toelagetoeslag verschuldigd.

  Art. 11.3.16. In afwijking van artikel XI.III.1, § 2, derde lid, wat de bepalingen bedoeld in de artikelen XI.III.14 en XI.III.15 betreft, worden de verschuldigde bedragen op hetzelfde tijdstip betaald als de wedde van de tweede maand die volgt op de maand gedurende dewelke de toekenningsvoorwaarden worden vervuld.

  AFDELING 2. - DE TOELAGE VOOR DE OPLEIDER.

  Art. 11.3.17. Een toelage voor opleider wordt toegekend aan de personeelsleden die een ambt bekleden in een politieschool of een opleidingscentrum van politie, met het oogmerk om er een voltijdse taak van docent, praktijkmonitor of opleider uit te oefenen.
  De minister kan andere betrekkingen of ambten met die taken gelijkstellen.
  Het jaarlijks bedrag van de toelage wordt vastgesteld op 162 000 frank (4 015,88 EUR).

  Art. 11.3.18. De artikelen XI.III.12, tweede lid, XI.III.13, XI.III.15 en XI.III.16 zijn, mutatis mutandis, van toepassing op de toelage bedoeld in artikel XI.III.17.

  AFDELING 3. - DE FORFAITAIRE TOELAGE VOOR BEPAALDE PERSONEELSLEDEN DIE BELAST ZIJN MET DE UITVOERING VAN BEPAALDE OPDRACHTEN IN HET RAAM VAN DE UITVOERING VAN HET FEDERALE IMMIGRATIEBELEID.

  Art. 11.3.19. Voor de toepassing van deze afdeling :
  1° moet onder de woorden " buiten het grondgebied van het Rijk " eveneens worden verstaan, de luchtvaartuigen, zelfs Belgische, die aan de grond gezet zijn op buitenlands grondgebied;
  2° moet onder het woord " pre-inschepingsinspectie " worden verstaan, de controle van de documenten die noodzakelijk zijn voor de toegang tot en het verblijf op het Belgische grondgebied en die wordt uitgevoerd bij de inscheping, buiten het grondgebied van het Rijk, van een vreemdeling aan boord van een luchtvaartuig of van een ander transportmiddel met bestemming België;
  3° moet onder het woord " escorteringsopdracht " worden verstaan, de begeleiding van een te verwijderen vreemdeling aan boord van een vliegtuig of van een ander transportmiddel met als bestemming een vreemde Staat. De opdracht vangt aan op het ogenblik dat de deuren van het vliegtuig of de toegang tot een ander vervoermiddel gesloten zijn en eindigt op het ogenblik dat de vreemdeling hetzij het vliegtuig of het transportmiddel verlaat, hetzij aan de lokale immigratiedienst van de vreemde Staat of van de Belgische Staat wordt overgedragen, als de opdracht na het sluiten van de deuren of de toegang, mislukt;
  4° moet onder het woord " overbrengingsopdracht " worden verstaan, de begeleiding op Belgisch grondgebied van een te verwijderen vreemdeling opdat hij zou plaatsnemen aan boord van een luchtvaartuig of van een ander transportmiddel waarmee hij naar een vreemde Staat zal worden overgebracht.

  Art. 11.3.20. Deze afdeling is van toepassing op de personeelsleden die :
  1° ofwel pre-inschepingsinspecties uitvoeren buiten het grondgebied van het Rijk;
  2° ofwel overgaan tot overbrengings- of escorteringsopdrachten.

  Art. 11.3.21. Aan de personeelsleden bedoeld in artikel XI.III.20, kan per dag een toelage of een deel van een toelage worden toegekend waarvan het eenheidsbedrag wordt vastgesteld op :
  1° 720 frank (17,85 EUR) voor het personeelslid dat deel uitmaakt van het officierskader;
  2° 650 frank (16,12 EUR) voor het personeelslid dat deel uitmaakt van het middenkader;
  3° 600 frank (14,88 EUR) voor het personeelslid dat deel uitmaakt van het basiskader (of het kader van hulpagenten van politie). <KB 2003-10-24/35, art. 24, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2001>

  Art. 11.3.22. § 1. Aan de personeelsleden die pre-inschepingsinspecties uitvoeren, wordt de toelage bedoeld in artikel XI.III.21 toegekend per dag waarop zij dergelijke inspecties uitvoeren, onafhankelijk van het aantal verrichte inspecties.
  Voor sommige bestemmingen die hij bepaalt, kan de minister het recht op de toelage geheel of gedeeltelijk uitbreiden tot de dagen gedurende dewelke zij op buitenlands grondgebied verblijven.
  § 2. Aan de personeelsleden die escorteringsopdrachten uitvoeren, wordt de toelage bedoeld in artikel XI.III.21 toegekend per dag gedurende dewelke zij één of meerdere van die opdrachten uitvoeren.
  Voor sommige bestemmingen die hij bepaalt, kan de minister het recht op de toelage, geheel of gedeeltelijk, uitbreiden tot de dagen waarop de betrokken personeelsleden op het grondgebied van het land van bestemming van de vreemdeling verblijven.
  (lid 3 opgeheven) <KB 2003-10-24/35, art. 25, 009; Inwerkingtreding : 01-03-2002>
  § 3. Aan de personeelsleden die overbrengingsopdrachten uitvoeren, wordt de toelage bedoeld in artikel XI.III.21 toegekend voor elke dag gedurende dewelke zij één of meerdere van die opdrachten hebben uitgevoerd.
  § 4. De toelagen die worden toegekend voor de uitvoering van pre-inschepingsinspectie-, overbrengings- of escorteringsopdrachten zijn niet cumuleerbaar voor éénzelfde dag. In voorkomend geval wordt slechts één van de toelagen toegekend.

  Art. 11.3.23. De verschuldigde bedragen worden betaald in de loop van de tweede maand die volgt op de maand waarin de prestaties werden verricht.

  AFDELING 4. - DE TOELAGE VOOR DE MENTOR.

  Art. 11.3.24. Een toelage wordt toegekend aan de personeelsleden die de hoedanigheid van mentor hebben, wanneer zij belast zijn met de begeleiding van één of meerdere (aspiranten in een kader, of van één of meerdere stagiairs in het kader bedoeld in artikel 118 van de wet,) of van één of meerdere kandidaten in een gespecialiseerde betrekking. <KB 2003-10-24/35, art. 26, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  De minister bepaalt wie de hoedanigheid van mentor heeft in de zin van dit artikel.

  Art. 11.3.25. Het bedrag van de toelage wordt vastgesteld op 113 frank (2,81 EUR) voor de dagen gedurende dewelke de mentor daadwerkelijk als mentor is opgetreden.

  Art. 11.3.26. De verschuldigde bedragen worden betaald in de loop van de tweede maand die volgt op de maand gedurende dewelke de cyclus van mentorship eindigt.

  AFDELING 5. - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALING.

  Art. 11.3.27. Behoudens andersluidende bepaling, mogen de toelagen en premies bedoeld in dit hoofdstuk niet gecumuleerd worden met de weddebijslag voor de uitoefening van een mandaat of, in de mate dat deze geheel of gedeeltelijk in de plaats komt van een weddebijslag voor de uitoefening van een mandaat, met de weddebijslag voor de uitoefening van een hoger ambt.

  HOOFDSTUK V. - DE TOELAGE " BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST ".

  Art. 11.3.28.[1 De personeelsleden die aangewezen zijn voor een betrekking op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met uitzondering van de betrekkingen bedoeld in artikel XI.III.12, eerste lid, 3° en 5°, genieten een toelage waarvan het bedrag is vastgesteld in de tabel van bijlage 7.
   Die toelage is verschuldigd aan het personeelslid in dienstactiviteit dat na 1 januari 2009 is aangewezen voor een betrekking op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het bedrag wordt nadien jaarlijks herzien in functie van de aanwezigheidstermijn voor zover het personeelslid ononderbroken een betrekking op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft behouden.
   Een aanwezigheidsjaar is verstreken op de verjaardatum van de dag waarop de aanwijzing heeft plaatsgevonden.
   In geval van non-activiteit, een voltijdse loopbaanonderbreking bedoeld in artikel 116 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen of van disponibiliteit gedurende het jaar, wordt de verjaardatum uitgesteld met het aantal dagen van non-activiteit, loopbaanonderbreking of van disponibiliteit. Die afwezigheden schorsen de aanwezigheidstermijn.
   Na een aanwezigheidstermijn van vijf jaar in een betrekking op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor zover het ononderbroken een betrekking bekleedt op dat grondgebied, blijft het personeelslid dat zich niet verbindt krachtens artikel XI.III.28bis, het bedrag van de toelage bedoeld in de vijfde kolom van de tabel van bijlage 7 genieten.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-16/07, art. 3, 045; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 11.3.28bis.[1 § 1. Na een aanwezigheidstermijn van vijf jaar in een betrekking op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, genieten de personeelsleden bedoeld in artikel XI.III.28 die zich ertoe verbinden een aanwezigheidstermijn van vijf jaar na te komen, naar gelang van het geval, in hun korps van de lokale politie, binnen de diensten van de federale politie of in een dienst die rechtsteeks afhangt van een andere overheid, die gesitueerd is op dat grondgebied, de hoogste toelage van de tabel van bijlage 7. Het personeelslid geniet dit bedrag zolang het de lopende verbintenis naleeft.
   Een aanwezigheidsjaar is verstreken op de verjaardatum van de dag waarop de aanwijzing heeft plaatsgevonden.
   De verbintenis van het personeelslid wordt vastgesteld op een document, waarvan het model wordt bepaald in bijlage 18bis, dat vaststelt vanaf wanneer de aanwezigheidstermijn van vijf jaar aanvangt. Dit document wordt in het mobiliteitsdossier van het betrokken personeelslid gevoegd.
   De personeelsleden bedoeld in het eerste lid, die het voordeel van de hoogste toelage wensen te behouden, moeten hun verbintenis om de vijf jaar hernieuwen. De aanvraag daartoe geschiedt aan de hand van het document bedoeld in bijlage 18bis en dit ten laatste twee maanden vóór het verstrijken van de eerdere verbintenis.
   § 2. Indien vóór het verstrijken van de aanwezigheidstermijn van vijf jaar, de verbintenis niet wordt nageleefd omwille van één van de redenen bedoeld in artikel XI.III.29, § 4, wordt de verbintenis verbroken en betaalt het personeelslid het verschil tussen de bedragen uitgekeerd vanaf zijn verbintenis en deze die het ontvangen zou hebben indien het zich niet verbonden had, terug, tenzij zijn aanwezigheidstermijn reeds meer dan tien jaar bedraagt en het onmiddellijk opnieuw wordt aangewezen voor een andere betrekking op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
   Het personeelslid kan zich onmiddellijk opnieuw verbinden in een betrekking verkregen door mobiliteit op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor een nieuwe termijn van vijf jaar.
   Het personeelslid, voor zover het op een onderbroken wijze een betrekking op het grondgebied van hetBrussels Hoofdstedelijk Gewest bekleedt, dat zich niet onmiddellijk opnieuw verbindt, geniet het bedrag van de toelage voorzien in de vijfde kolom van de tabel van bijlage 7.
   § 3. Indien het personeelslid wordt herplaatst in een betrekking buiten het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, wordt de verbintenis automatisch beëindigd. De terugbetaling van de reeds ontvangen bedragen is niet verschuldigd.
   § 4. Voor de personeelsleden die, gelet op de leeftijd van verplichte oppensioenstelling, geen vijf volle dienstjaren meer kunnen presteren, wordt de verbintenis vervangen door de verbintenis om te blijven tot de voormelde leeftijd.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-16/07, art. 3, 045; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 11.3.28ter.<Ingevoegd bij KB 2004-02-03/32, art. 7; Inwerkingtreding : 01-01-2003> [1 Naast de toepassing van de artikelen XI.III.28 en XI.III.28bis genieten de inspecteurs van politie, benoemd in een korps van lokale politie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waarvan de personeelsbezetting deficitair is ten aanzien van de personeelsformatie van de zone en die zich ertoe verbinden in die zone een aanwezigheidstermijn van zeven jaar voor de eerste verbintenis of van vijf jaar voor de hernieuwde verbintenis na te komen, daarenboven een toelage waarvan het jaarlijkse bedrag is vastgesteld in de kolom 6 van de tabel van bijlage 7, vanaf de verbintenis bedoeld in het derde lid.]1
  Het deficitair karakter van de betrokken zone wordt beoordeeld op de datum van de verbintenis bedoeld in het derde lid.
  De verbintenis van het personeelslid wordt vastgesteld op een document, waarvan het model wordt bepaald in bijlage 18, dat vaststelt vanaf wanneer de aanwezigheidstermijn van vijf [1 of zeven]1 jaar aanvangt. Dit document wordt in het mobiliteitsdossier van het betrokken personeelslid gevoegd.
  De inspecteurs van politie bedoeld in het eerste lid die de toekenning van de toelage wensen te behouden, moeten hun verbintenis [1 ...]1 hernieuwen. De aanvraag daartoe geschiedt aan de hand van het document bedoeld in bijlage 18 en dit ten laatste twee maanden vóór het verstrijken van de eerdere verbintenis.
  Bij hernieuwing van zijn verbintenis behoudt het personeelslid de toelage zelfs indien ondertussen de personeelsbezetting van de zone waarin het benoemd is niet langer deficitair is ten aanzien van de personeelsformatie van de betrokken zone.
  Voor de inspecteurs van politie bedoeld in het eerste lid die, gelet op de leeftijd van verplichte oppensioenstelling, [1 naar gelang van het geval, geen zeven of]1 geen vijf volle dienstjaren meer kunnen presteren, wordt de verbintenis bedoeld in het eerste lid vervangen door de verbintenis om in de in het eerste lid bedoelde zone te blijven tot de voormelde leeftijd.
  [1 Het personeelslid dat omwille van één van de redenen bedoeld in artikel XI.III.29, § 4, die verbintenis niet naleeft, betaalt het totaal van de sinds het aangaan van zijn laatste verbintenis op grond van dit artikel ontvangen toelagen terug aan de betrokken politiezone, tenzij zijn aanwezigheidstermijn reeds meer dan tien jaar bedraagt en het onmiddellijk opnieuw wordt aangewezen voor een andere betrekking op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-06-16/07, art. 4, 045; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 11.3.29.<KB 2004-02-03/32, art. 8, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2003> § 1. De toelagen bedoeld in dit hoofdstuk worden betaald na vervallen termijn samen met de wedde ten belope van één twaalfde van het jaarlijks bedrag; de eerste betaling alsmede de bedragsverhogingen worden uitgevoerd samen met de wedde van de maand die de verjaardatum zoals bedoeld [1 in artikel XI.III.28, derde en vierde lid of de datum van de verbintenis bedoeld, naar gelang van het geval, in artikel XI.III.28bis of XI.III.28ter]1, volgt.
  § 2. In geval van definitief vertrek uit de betrekking die zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevindt, worden de toelagen bedoeld in dit hoofdstuk niet meer betaald vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van het vertrek.
  § 3. [1 De toelagen bedoeld in de artikelen XI.III.28bis en XI.III.28ter zijn niet meer verschuldigd wanneer het personeelslid de in die artikelen bedoelde verbintenis niet hernieuwt.]1
  § 4. [1 Geven aanleiding tot de terugbetaling bedoeld in de artikelen XI.III.28bis en XI.III.28ter :
   -de mobiliteit naar een zone van lokale politie of naar de federale politie of naar een andere dienst die onmiddellijk afhangt van een andere overheid op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of naar een andere betrekking buiten het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   - het verlof voorafgaand aan het pensioen;
   - de verloven bedoeld in de Titels XII, XIII en XIV van Deel VIII;
   - het verlof voor voltijdse loopbaanonderbreking bedoeld in artikel 116 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen;
   - de definitieve ambtsontheffing en de ambtsneerlegging bedoeld in Titel I van Deel IX.
   De terugbetaling is niet verschuldigd wanneer het betrokken personeelslid de verbintenissen bedoeld in de artikelen XI.III.28bis en XI.III.28ter niet kan naleven ingevolge een hem krachtens een wettelijke of reglementaire bepaling opgelegde mobiliteit of ingevolge de indienstneming van een personeelslid van het administratief en logistiek kader in het operationeel kader of vice versa.
   Het overlijden van het betrokken personeelslid of de op pensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid geeft geen aanleiding tot terugbetaling.]1
  [§ 5. De in dit hoofdstuk bedoelde toelagen zijn verschuldigd in alle administratieve standen die recht geven op een volledige wedde of op een wedde zoals verschuldigd [3 in het raam van de verminderde prestaties wegens een langdurige medische ongeschiktheid bedoeld in artikel VIII.X.16quater]3 in het raam van [2 de stelsels van de vrijwillige vierdagenweek en van de halftijdse vervroegde uittreding bedoeld in de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector of van de stelsels van de vierdagenweek met of zonder premie en van het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector en in het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector]1 of van de deeltijdse loopbaanonderbreking bedoeld in artikel VIII.XV.1 of artikel VIII.XV.2.
  Onverminderd het eerste lid worden ze, wanneer de maandwedde niet volledig is verschuldigd, verminderd overeenkomstig dezelfde regels en in dezelfde mate als de wedde.] <KB 2005-03-26/34, art. 33, 020 ; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  ----------
  (1)<KB 2009-06-16/07, art. 5, 045; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (2)<KB 2014-01-29/16, art. 12, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<KB 2017-01-26/24, art. 7, 073; Inwerkingtreding : 20-02-2017>

  Art. 11.3.30. In geval van latere terugkeer in een betrekking die recht geeft op (de toelagen bedoeld in dit hoofdstuk,) worden de vroegere aanwezigheidsperiodes geacht nooit bestaan te hebben. <KB 2004-02-03/32, art. 9, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2003>

  Hoofdstuk Vbis.
  <Opgeheven bij KB 2009-06-16/07, art. 6, 045; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 11.3.30bis.
  <Opgeheven bij KB 2009-06-16/07, art. 6, 045; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 11.3.30ter.
  <Opgeheven bij KB 2009-06-16/07, art. 6, 045; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 11.3.30quater.
  <Opgeheven bij KB 2009-06-16/07, art. 6, 045; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  HOOFDSTUK VI. - DE TWEETALIGHEIDSTOELAGE.

  Art. 11.3.31. § 1. Naargelang het de taalkennis bezit, bedoeld in het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende de coördinatie van de wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken en vermeld in bijlage 8 van dit besluit, afgestemd op het kader waarvan het deel uitmaakt, geniet het personeelslid dat in een korps, een eenheid, een dienst of een betrekking werd aangewezen (of gedetacheerd) waar het gebruik van een andere landstaal dan zijn taal vereist of gewenst is, de overeenkomstige maandtoelage, bedoeld in dezelfde bijlage. <KB 2003-10-24/35, art. 27, 009; Inwerkingtreding : 01-03-2002>
  § 2. De minister wijst de korpsen, eenheden, diensten of betrekkingen aan waar de kennis en het gebruik van meer dan één landstaal vereist of gewenst is en bepaalt welke talen worden bedoeld.
  (§ 3. In afwijking van artikel XI.III.1, in geval van detachering, om een andere reden dan het volgen van een opleiding, naar een korps, een eenheid, een dienst of een ambt bedoeld in §§ 1 en 2, heeft men recht op de toelage ten belope van 1/30ste van het maandelijks bedrag per dag van detachering. Deze bedragen zijn op hetzelfde tijdstip betaald als de wedde van de tweede maand die volgt op de maand gedurende dewelke de toekenningsvoorwaarden worden vervuld.) <KB 2003-10-24/35, art. 27, 009; Inwerkingtreding : 01-03-2002>

  Art. 11.3.32. § 1. Onverminderd het tweede lid, ontvangt het personeelslid, wanneer het door SELOR of door de directeur van de dienst die de minister aanwijst is erkend als hebbende de kennis van een andere taal dan deze bedoeld in artikel XI.III.31 en die, door de overheid die, voor de federale politie, door de minister, en voor de lokale politie, door de burgemeester of het politiecollege is aangewezen, is erkend als hebbende een werkelijke waarde voor de politiedienst of het korps waartoe het behoort (of waarheen het gedetacheerd wordt), een toelage waarvan het bedrag is vastgesteld op 25 % van het laagste bedrag bepaald voor het kader waartoe het behoort, voor een niveau van kennis van een andere landstaal, zoals bedoeld in artikel XI.III.31. <KB 2003-10-24/35, art. 28, 009; Inwerkingtreding : 01-03-2002>
  De minister stelt een lijst op van de talen die in aanmerking komen voor de toepassing van het eerste lid.
  § 2. De kennis van een andere dan zijn eigen landstaal, wordt op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden gevaloriseerd als bedoeld in § 1, eerste lid, wanneer men is aangewezen bij een korps, een eenheid, een dienst of een betrekking waar het gebruik ervan niet is vereist of gewenst.
  (§ 3. In afwijking van artikel XI.III.1, in geval van detachering, om een andere reden dan het volgen van een opleiding, naar een korps, een eenheid, een dienst of een ambt bedoeld in § 1, heeft men recht op de toelage ten belope van 1/30ste van het maandelijks bedrag per dag van detachering. Deze bedragen zijn op hetzelfde tijdstip betaald als de wedde van de tweede maand die volgt op de maand gedurende dewelke de toekenningsvoorwaarden worden vervuld.) <KB 2003-10-24/35, art. 28, 009; Inwerkingtreding : 01-03-2002>

  Art. 11.3.33. (§ 1.) Het totale bedrag van de tweetaligheidstoelagen die worden verkregen met toepassing van de artikelen XI.III.31 en XI.III.32, kan niet hoger zijn dan anderhalve keer het hoogste bedrag waarop het personeelslid kan aanspraak maken voor de kennis van een andere landstaal bedoeld in artikel XI.III.31. <KB 2003-10-24/35, art. 29, 009; Inwerkingtreding : 01-03-2002>
  (§ 2. Bedragen die voor de kennis van eenzelfde taal zouden verschuldigd zijn, zijn niet met elkaar cumuleerbaar. Het personeelslid behoudt slechts het recht op het meest gunstige bedrag waarop het aanspraak kan maken. Indien het meest gunstige bedrag niet datgene is dat gekoppeld is aan de betrekking waarvoor het is aangewezen, wordt hem het verschil toegekend in de vorm van een dagelijks toelagecomplement dat overeenkomt met het verschil tussen de waarde van 1/30ste van ieder van de bedragen waarop het aanspraak kan maken.
  Artikel XI. III.1, § 2, eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing op dit toelagecomplement.) <KB 2003-10-24/35, art. 29, 009; Inwerkingtreding : 01-03-2002>

  Hoofdstuk VIbis. - De tweetaligheidstoelage voor de personeelsleden van het administratief en logistiek kader <Ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 34; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 11.3.33bis.<Ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 34; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Naargelang het de taalkennis bezit bedoeld in het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende de coördinatie van de wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken en vermeld in bijlage 8 van dit besluit, afgestemd op het niveau waartoe het behoort, geniet het personeelslid van het administratief en logistiek kader dat in een korps, een eenheid, een dienst of een betrekking werd aangewezen of gedetacheerd waar de kennis van een andere landstaal dan zijn taal wettelijk verplicht is, de overeenkomstige maandtoelage, bedoeld in dezelfde bijlage.
  Indien de kennis nuttig is zonder wettelijk verplicht te zijn, ontvangt het personeelslid van het administratief en logistiek kader een toelage waarvan het bedrag is vastgesteld op 25 % van het laagste bedrag bepaald voor het niveau waartoe het behoort, voor een niveau van kennis van een andere landstaal, zoals bedoeld in het eerste lid.
  [1 In afwijking van het tweede lid, genieten de personeelsleden van het administratief en logistiek kader van de politieposten en -diensten die zijn ingeplant op het grondgebied van de gemeenten van het Duitse taalgebied bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, een toelage waarvan het bedrag is vastgesteld op 100 % van de overeenkomstige maandtoelage, bedoeld in bijlage 8 van dit besluit voor zover dat zij de kennis van de Franse taal bedoeld in het eerste lid bezitten.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-10-12/07, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 06-11-2015>

  Art. 11.3.33ter. <Ingevoegd bij KB 2007-03-23/36, art. 34; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De artikelen XI.III.31, § 2 en § 3, XI.III.32 en XI.III.33 zijn mutatis mutandis van toepassing op de toelage bedoeld in dit hoofdstuk.

  HOOFDSTUK VII. - DE TOELAGE VOOR GELEGENHEIDSLUCHTVAARTPRESTATIES.

  Art. 11.3.34. § 1. Aan de personeelsleden die bevoegd zijn om gelegenheidsluchtvaartprestaties te vervullen, wordt een dagtoelage van 743 frank (18,42 EUR) toegekend voor elke dag gedurende dewelke zij ten minste één bevolen luchtvaartprestatie uitvoeren.
  De minister bepaalt de ambten waaraan het vervullen van gelegenheidsluchtvaartprestaties verbonden is, waarbij het enkele feit passagier te zijn van een luchtvaartuig evenwel geen recht geeft op een toelage.
  § 2. De toelage voor gelegenheidsluchtvaartprestaties mag niet gecumuleerd worden met de toelage bedoeld in de artikelen XI.III.12, eerste lid, 1°, XI.III.14 en XI.III.21.

  Art. 11.3.35. De toelage voor gelegenheidsluchtvaartprestaties wordt betaald in de loop van de tweede maand die volgt op de maand waarin de prestaties werden verricht.

  HOOFDSTUK VIII. - DE TOELAGE VOOR ONDERWIJSOPDRACHTEN.

  Art. 11.3.36. <KB 2003-10-24/35, art. 30, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2001> Aan de personeelsleden die in het raam van de dienstuitvoering belast zijn met een taak van docent of praktijkmonitor in een school van de politie, zonder daarvoor aangewezen, gedetacheerd of ter beschikking gesteld te zijn, met het oog op het voltijds uitoefenen van dat ambt, wordt een uurtoelage toegekend voor opleidingen die worden gegeven in scholen ingericht door de minister of de Minister van Justitie, alsook voor opleidingen die worden gegeven in erkende scholen en die worden goedgekeurd met toepassing van artikel IV.II.18.
  De toelage wordt ook toegekend aan de personeelsleden die buiten de uitvoering van hun dienst docent of praktijkmonitor zijn in een school die door de Minister van Binnenlandse Zaken of Justitie ingericht is, zonder daarvoor aangewezen, gedetacheerd of ter beschikking gesteld te zijn, met het oog op het voltijds uitoefenen van dat ambt.
  De minister kan, indien nodig, het genot van de toelage uitbreiden naar andere personeelsleden dan die bedoeld in het eerste en tweede lid.

  Art. 11.3.37. § 1. (De toelage mag toegekend worden aan de personeelsleden die in een erkenningsdossier vermeld zijn zoals door Ons bepaald, wat de erkende scholen betreft, en door de minister, wat de door hem of de door de Minister van Justitie ingerichte scholen betreft. De minister legt bovendien per kalenderjaar het aantal cursusuren vast, die, voor de personeelsleden die in het raam van de dienst die taak uitoefenen, in uitvoering van artikel XI.III.36 bezoldigd kunnen worden.
  Indien de dossiers bedoeld in het eerste lid niet bepaald werden, wijst de minister de personeelsleden aan die beschouwd worden als belast met een taak van docent of van praktijkmonitor in een politieschool.
  De tijd die voorzien is voor de ondervragingen en examens wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal cursusuren.) <KB 2003-10-24/35, art. 31, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet verstaan worden onder cursusuur : een periode van 50 minuten.

  Art. 11.3.38. Het bedrag van de uurtoelage wordt vastgesteld op :
  1° 1 800 frank (44,63 EUR) voor cursussen van universitair of post-universitair niveau;
  2° 1 080 frank (26,78 EUR) voor cursussen van hoger, niet-universitair niveau;
  3° 540 frank (13,39 EUR) voor cursussen die, in uitvoering van het tweede lid, niet beschouwd worden als van universitair, post-universitair of hoger niet-universitair niveau.
  Voor de toepassing van dit artikel bepaalt de minister de cursussen die worden beschouwd als van universitair of post-universitair niveau of van hoger niet-universitair niveau.

  Art. 11.3.39. De verschuldigde bedragen worden betaald in de loop van de tweede maand die volgt op de maand waarin de prestaties werden verricht.

  Art. 11.3.40. <KB 2003-10-24/35, art. 32, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2001> De toelage bedoeld in artikel XI.III.36 mag aan andere personen toegekend worden dan personeelsleden, die, volgens de voorwaarden die de minister vaststelt, belast zijn met een taak van docent of praktijkmonitor.
  De minister kan, in dit geval, op de toelage een verhogingscoëfficiënt toepassen.

  HOOFDSTUK IX. - DE SELECTIETOELAGE.

  Art. 11.3.41. Het personeelslid van het operationeel kader dat titularis wordt van het directiebrevet van politie en beantwoordt aan alle andere benoemingsvoorwaarden tot de graad van hoofdcommissaris van politie, geniet een selectietoelage waarvan het jaarlijkse bedrag is vastgesteld op het verschil tussen het bedrag van zijn bruto jaarwedde en het bedrag van de bruto jaarwedde die hij zou bekomen wanneer hij de loonschaal O5 genoot, zonder dat dit verschil evenwel 135 000 frank (3 346,57 EUR) mag overschrijden.

  Art. 11.3.42. De toelage wordt toegekend gedurende maximum twee jaar vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop het personeelslid aan de in artikel XI.III.41. bedoelde toekenningsvoorwaarden beantwoordt.
  Als die datum samenvalt met de eerste dag van een maand, gaat de in het eerste lid bedoelde termijn onmiddellijk in.

  Art. 11.3.43.De toelage is verschuldigd in alle administratieve standen die recht geven op een volledige wedde of op een wedde zoals verschuldigd [2 in het raam van de verminderde prestaties wegens een langdurige medische ongeschiktheid bedoeld in artikel VIII.X.16quater,]2 (in het raam van een verlof voor deeltijdse loopbaanonderbreking bedoeld in de artikelen VIII.XV.1 tot en met VIII.XV.6,) in het raam van [1 de stelsels van de vrijwillige vierdagenweek en van de halftijdse vervroegde uittreding bedoeld in de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector evenals in het raam van de stelsels van de vierdagenweek met of zonder premie en van het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector en in het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector.]1
  Onverminderd het eerste lid wordt ze, wanneer de maandwedde niet volledig is verschuldigd, verminderd overeenkomstig dezelfde regels en in dezelfde mate als de wedde.
  De toelage wordt samen met de wedde betaald, ten belope van één twaalfde van het jaarlijkse bedrag.
  ----------
  (1)<KB 2014-01-29/16, art. 13, 059; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<KB 2017-01-26/24, art. 8, 073; Inwerkingtreding : 20-02-2017>

  HOOFDSTUK X. - HET ZEEGELD.

  Art. 11.3.44. § 1. De artikelen 1, 2 en 4 van het koninklijk besluit van 12 januari 2000 houdende regeling van het zeegeld van het Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart, zijn toepasselijk op de personeelsleden die deel uitmaken van, gedetacheerd worden naar of ter beschikking gesteld zijn van de dienst van de zeevaartpolitie bij de federale politie.
  De artikelen 5 en 6 van hetzelfde besluit zijn bovendien toepasselijk op de personeelsleden die van deze dienst werkelijk deel uitmaken.
  (Voornoemde artikelen zijn evenwel slechts toepasselijk op de personeelsleden die vóór 5 december 2002 zijn aangewezen voor de scheepvaartpolitie en die vóór 31 januari 2003 voor de toepassing ervan opteren. In dat geval, en voor zolang zij deze optie niet herroepen, genieten zij de functietoelage bedoeld in artikel XI.III.12, eerst lid 4°bis, niet. Deze herroeping geschiedt, in voorkomend geval, ten definitieven titel.) <KB 2003-12-05/34, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  § 2. Voor de toepassing van artikel 4 van hetzelfde besluit, wijst de minister de overheid aan die het bedrag bepaalt van de waarde van het voedsel zoals bedoeld in het eerste lid van ditzelfde artikel.
  § 3. De verschuldigde bedragen worden betaald in de loop van de tweede maand die volgt op de maand waarin de prestaties werden verricht.

  Art. 11.3.45. De personeelsleden die zeegeld ontvangen genieten de vergoedingen voor maaltijd- of verblijfkosten, zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk VII van dit deel, niet.

  TITEL IV. - DE VERGOEDINGEN.

  HOOFDSTUK I. - DE VERGOEDINGEN GEMEENSCHAPPELIJK VOOR DE PERSONEELSLEDEN EN DE AMBTENAREN VAN DE FEDERALE MINISTERIES.

  Art. 11.4.1. Onverminderd de bijzondere bepalingen door Ons bepaald voor wat 2° betreft, genieten de personeelsleden, volgens de bedragen en voorwaarden vastgesteld voor de toekenning ervan aan de personeelsleden van de federale ministeries :
  1° een vergoeding voor begrafeniskosten;
  2° een vergoeding voor het gebruik van de fiets op weg naar en van het werk.

  Art. 11.4.2. Voor de toepassing op de personeelsleden van de federale politie van het koninklijk besluit van 20 april 1999 tot toekenning van een vergoeding voor het gebruik van de fiets aan de personeelsleden van sommige federale overheidsdiensten, bepaalt de minister wat verstaan wordt onder :
  1° " personeelsdienst of daartoe aangewezen ambtenaar ";
  2° " overheid belast met de administratie of daartoe gemandateerd ambtenaar ";
  3° " ambtenaar gemachtigd door de minister voor de behandeling van bezwaren ".
  De politiecolleges of de burgemeesters, naar gelang van het geval, doen hetzelfde voor de personeelsleden van de korpsen van de lokale politie.

  HOOFDSTUK II. - DE VERGOEDING VOOR WERKELIJKE ONDERZOEKSKOSTEN.

  Art. 11.4.3. Aan de personeelsleden van het operationeel kader, met uitsluiting van deze bedoeld in artikel 29 van de wet van 27 december 2000, houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, die ofwel behoren tot een eenheid of dienst, ofwel een ambt uitoefenen dat de minister bepaalt, wordt een maandelijkse forfaitaire vergoeding van 4 950 frank (122,71 EUR) toegekend om geringe kosten te dekken die zij dragen in de uitoefening van hun ambt.

  Art. 11.4.4.§ 1. De geringe onkosten van een andere aard dan de onkosten die het voorwerp uitmaken van een terugbetaling bedoeld in hoofdstuk VII van deze titel [1 met uitsluiting van artikel XI.IV.105]1 of waarvan de terugbetaling als gerechtskosten niet kan verkregen worden, worden geacht door de vergoeding gedekt te zijn.
  § 2. De activiteiten van specifieke opleiding en training in de eenheden en diensten bedoeld in artikel XI.IV.3, worden eveneens geacht beperkte onkosten te veroorzaken.
  ----------
  (1)<KB 2013-07-18/16, art. 1, 056; Inwerkingtreding : 18-08-2013>

  Art. 11.4.5. § 1. In afwijking van artikel XI.IV.121, wordt het recht op de vergoeding, bedoeld in artikel XI.IV.3, geopend ten belope van 270 frank (6,70 EUR) per dag dat werkelijke dienstprestaties worden geleverd :
  1° voor de personeelsleden die, ofschoon ze behoren tot een eenheid of een dienst bedoeld in artikel XI.IV.3, in de regel en krachtens hetzelfde artikel, uitgesloten zijn van het voordeel van de vergoeding bedoeld in hetzelfde artikel, voor de dagen waarop ze naast de begunstigden van deze vergoeding, worden ingezet voor opdrachten of taken van politie waarvoor ook zij dergelijke geringe onkosten maken;
  2° voor de personeelsleden die gedetacheerd zijn naar of ter beschikking gesteld zijn van één van de eenheden of diensten bedoeld in artikel XI.IV.3, om er dezelfde taken en ambten uit te oefenen als de begunstigden van de maandelijkse forfaitaire vergoeding bedoeld in artikel XI.IV.3, of, om een andere reden, wanneer ze zich bevinden in de toestand bedoeld in 1°;
  3° voor de personeelsleden die behoren tot een eenheid of een dienst of die een door de minister bepaald ambt uitoefenen, voor de dagen waarop ze naast de begunstigden van de vergoeding bedoeld in artikel XI.IV.3, worden ingezet, voor opdrachten of taken van politie waarvoor ook zij dergelijke geringe onkosten maken.
  § 2. In afwijking van artikel XI.IV.123, worden de verschuldigde bedragen betaald in de loop van de tweede maand die volgt op deze waarin de dienstprestaties zijn verricht.

  HOOFDSTUK III. - DE VERGOEDING VOOR TELEFOON.

  Art. 11.4.6. Om hen te vergoeden voor de telefoonkosten die ingevolge de eisen van beschikbaarheid voor de dienst worden gemaakt, wordt aan de personeelsleden, met uitzondering van de aspiranten, een maandelijkse vergoeding toegekend (, zolang de overheid geen telefoontoestel met inbegrip van het abonnement, te persoonlijken titel, te hunner beschikking stelt). <KB 2003-10-24/35, art. 33, 012; Inwerkingtreding : 01-12-2003>
  Het bedrag van de vergoeding wordt vastgesteld op 540 frank (13,39 EUR).

  HOOFDSTUK IV. - DE VERGOEDING VOOR ONDERHOUD VAN POLITIEHOND.

  Art. 11.4.7. § 1. Voor zover de onderhoudskosten niet ten laste van de Staat, een gemeente of een zone vallen, wordt een maandelijkse vergoeding toegekend aan het personeelslid dat voor de dienst een aangenomen hond gebruikt.
  Het bedrag van de vergoeding is vastgesteld op 3 000 frank (74,37 EUR) per hond.
  De minister stelt de voorwaarden vast waaronder de hond wordt aangenomen.
  § 2. In afwijking van artikel XI.IV.121, wordt het recht op de vergoeding bedoeld in § 1 geopend voor het personeelslid dat ertoe is gehouden om één of meerdere honden van de Staat, van een gemeente of een zone, te herbergen ten belope van 100 frank (2,48 EUR) per dag per geherbergde hond.
  In dat geval, in afwijking van artikel XI.IV.123, worden de verschuldigde bedragen, in dat geval, betaald in de loop van de tweede maand die volgt op deze waarin de honden werden geherbergd.

  HOOFDSTUK V. - DE VERGOEDING VOOR ONDERHOUD VAN HET UNIFORM.

  Art. 11.4.8. De personeelsleden genieten een vergoeding voor het onderhoud van het uniform.

  Art. 11.4.9. Het maandelijkse bedrag van de vergoeding bedraagt 380 frank (9,43 EUR).

  HOOFDSTUK VI. - DE VERGOEDING VOOR VASTE DIENST BIJ DE SHAPE.

  Art. 11.4.10. Het personeelslid aangewezen in of gedetacheerd naar de eenheid of de dienst belast met politieopdrachten bij de SHAPE of bij de nationale vertegenwoordiging van de federale politie bij dit hoofdkwartier, heeft recht op een maandelijkse vergoeding.
  Het bedrag van de vergoeding wordt vastgesteld op :
  1° 14 267 frank (353,67 EUR) voor het personeelslid bekleed met de graad van hoofdcommissaris van politie;
  2° 11 374 frank (281,96 EUR) voor het personeelslid bekleed met de graad van commissaris van politie;
  3° 8 869 frank (219,86 EUR) voor de andere personeelsleden.

  Art. 11.4.11. Het artikel XI.II.17, § 1, tweede en derde lid, § 2, tweede en derde lid, en § 3, is, mutatis mutandis, van toepassing op de vergoeding bedoeld in artikel XI.IV.10.
  Indien de afwezigheid zoals bedoeld in artikel XI.II.17, § 3, evenwel voortvloeit uit de deelname aan één van de opleidingen die toegang geven tot één van de kaders bedoeld in artikel 117 van de wet, is de vergoeding niet meer verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand gedurende dewelke de opleiding aanvangt.

  Art. 11.4.12. De vergoeding wordt samen met de wedde uitbetaald. Wanneer zij evenwel wordt toegekend in het raam van een detachering, worden de verschuldigde bedragen, ten belope van 1/30ste per dag van detachering, op hetzelfde tijdstip betaald als de wedde van de tweede maand die volgt op de maand gedurende dewelke de toekenningsvoorwaarden worden vervuld.

  HOOFDSTUK VII. - DE VERGOEDING VOOR MAALTIJD-, VERBLIJF-, TRAJECT- EN VERHUISKOSTEN.

  AFDELING 1. - DEFINITIES.

  Art. 11.4.13.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° " overheid " : de hiërarchische of functionele overheid in de zin van artikel 120 van de wet;
  2° " consigne " : de verplichting opgelegd door een overheid of die zich opdringt aan een personeelslid om, naar aanleiding van de uitvoering van een dringende opdracht of taak of ter voorbereiding ervan, op de plaats van het werk te blijven waar het zich bevond na het verstrijken van het uur waarop voorzien was dat het vrij van dienst was, ongeacht of het gaat om zijn gewone plaats van het werk of eender welke andere plaats.
  Het uur waarop voorzien is dat men vrij van dienst is, is voor de diensten die in voortdurend afwisselende ploegen werken, het uur waarop de pauze eindigt of, voor de andere diensten, het aanvankelijke of normaal geplande uur waarop het werk wordt beëindigd, zoals bedoeld in artikel VI.I.5.
  De toestand waarbij men, omwille van dienstredenen, op het daartoe aanvankelijk voorziene uur, niet kan beschikken over een rust- of lunchpauze tussen twee activiteitenperiodes, wordt niet beschouwd als consigne.
  Een consigne kan worden opgelegd bij het einde van de uitvoering van een opdracht verricht in het raam van een terugroeping. Vanaf dat moment zijn de regels inzake vergoeding voor maaltijd- en verblijfkosten deze die gelden voor de consigne;
  3° " Belgische strijdkrachten in Duitsland " : de Belgische strijdkrachten ontplooid in de Bondsrepubliek Duitsland, verder de " BSD " genoemd;
  4° " dienstverplaatsing " : elke verplaatsing buiten de gewone of tijdelijke plaats van het werk - ongeacht of men gevestigd is in België, intern de BSD of in het buitenland - die in het raam van de uitoefening van het ambt wordt gemaakt om de voorbereiding, de ondersteuning of de uitvoering van een opdracht of activiteit, toevertrouwd of voorgeschreven door, krachtens of in uitvoering van de wetten en reglementen, aan de federale politie, de lokale politie of hun personeelsleden, te waarborgen of te laten waarborgen.
  In afwijking van het eerste lid, wordt de toestand waarbij een personeelslid op zijn gewone of tijdelijke plaats van het werk, deel uitmaakt van een geconstitueerde eenheid, die als reserve bevolen is voor het behoud en het herstel van de openbare orde, eveneens gelijkgesteld met het feit met dienstverplaatsing te zijn. Deze gelijkstelling geldt evenwel niet voor de permanente interventie- en piekploegen van een politiezone of een permanentiepiket van de algemene reserve van de federale politie.
  Als de dienstverplaatsing, teneinde zich te begeven op het grondgebied van een vreemde Staat, het verlaten van het Belgische grondgebied of van dat van de BSD vereist, of als ze in het buitenland plaatsvindt, en op voorwaarde dat, wanneer ze vertrekt vanuit het Belgisch grondgebied of dat van de BSD, de tijd van de dienstverplaatsing meer dan zeven uur bedraagt, spreekt men van een dienstverplaatsing buiten het Rijk. De voorwaarde van zeven uur wordt nagegaan rekening houdende met het tijdsverloop tussen het ogenblik waarop het personeelslid de plaats verlaat waar de dienstverplaatsing begint en het ogenblik waarop het terugkeert naar die plaats of die waar de dienstverplaatsing ten einde loopt op het Belgisch grondgebied of dat van de BSD.
  Als de verplaatsing op Belgisch grondgebied of op dat van de BSD of tussen beiden plaatsvindt of indien de voorwaarde inzake de duur bedoeld in het derde lid niet voldaan werd, spreekt men van dienstverplaatsing uitgevoerd in België. In het laatste geval evenwel, geldt de aanduiding " dienstverplaatsing in België " slechts voor het aspect maaltijdkosten. De eventuele andere kosten zoals deze opgelopen voor logement, traject of kleine onkosten blijven vergoed overeenkomstig de regels van vergoeding voor een dienstverplaatsing buiten het Rijk.
  Wat de dienstverplaatsing uitgevoerd in België betreft, onderscheidt men : de dienstreis, de detachering en de terugroeping. Wat de dienstverplaatsing buiten het Rijk betreft, onderscheidt men de tijdelijke opdrachten en de vaste dienst, waarbij de tijdelijke opdrachten evenwel in het raam van een vaste dienst kunnen uitgevoerd worden.
  Worden eveneens met een dienstverplaatsing gelijkgesteld :
  a) het in rechte verschijnen of getuigen naar aanleiding van gebeurtenissen die tijdens de uitoefening van het ambt plaatsvonden of, op uitnodiging van de buitenlandse hoven en rechtbanken, in gerechtszaken waartoe het personeelslid heeft bijgedragen;
  b) het verschijnen voor de gerechtelijk geneeskundige dienst inzake vergoedingspensioenen, de commissie voor vergoedingspensioenen, de medische commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten, met inbegrip van de eventuele beroepsinstanties, of, de in artikel 40 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, bedoelde tuchtraad;
  c) onverminderd andersluidende of specifieke bepalingen, het verschijnen voor één van de artsen van de medische dienst, inclusief de erkende artsen, bij oproeping en in uitvoering van een reglementering;
  d) de deelname aan een onderhandelingscomité, het hoog overlegcomité of een basisoverlegcomité voor de dagen waarop deze instanties zitting houden.
  De minister kan de bepaling van het eerste lid uitbreiden tot het verschijnen voor andere overheden, instellingen, diensten, raden of commissies.
  Zijn daarentegen geen dienstverplaatsingen, de verplaatsingen van een aspirant (, niet gesproten uit een procedure tot bevordering door overgang naar een hoger kader bedoeld in deel VII, titel II, hoofdstukken I en III RPPol,) naar een politieschool of een opleidingscentrum, met uitzondering van de eventuele verplaatsingen vanuit die school of dat centrum teneinde een opdracht uit te voeren; <KB 2003-10-24/35, art. 34, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  5° " dienstreis " : elke dienstverplaatsing verricht in België, met uitzondering van de detacheringen en de terugroepingen;
  6° " terugroeping " : de toestand waarbij een overheid een personeelslid, zonder bevolen dienst, gelast een bepaalde plaats zo snel mogelijk te bereiken - zelfs binnen een bepaalde termijn - om een dienst uit te voeren.
  De aankondiging dat de aanvang van een reeds geplande en meegedeelde dienst vervroegd is geen terugroeping;
  (In afwijking van 4°, eerste lid, kan de in het eerste lid bedoelde bepaalde plaats de gewone plaats van het werk zijn.) <KB 2003-10-24/35, art. 34, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  7° " tijdelijke opdracht " : elke dienstverplaatsing buiten het Rijk, met inbegrip van de verplaatsingen die worden uitgevoerd om een cursus, een stage of een seminarie te volgen, waarvan de duur de zes maanden niet overschrijdt of niet a priori geacht wordt te overschrijden;
  8° " vaste dienst " : elke dienstverplaatsing buiten het Rijk, met inbegrip van de verplaatsingen uitgevoerd om een cursus, een stage of een seminarie te volgen,
  a) waarvan bij aanvang blijkt dat de duur meer dan 6 maanden zal bedragen (, tenzij de minister, in het belang van de Openbare Schatkist of indien hij meent dat deze categorie meer geschikt of gepast is in het licht van de nadere uitvoeringsregels van de opdracht, beslist deze dienstverplaatsing in de categorie bedoeld in 7° te houden); <KB 2004-11-18/32, art. 20, 018; Inwerkingtreding : 06-12-2004>
  b) die de overheid, in het belang van de openbare Schatkist, alsdusdanig beschouwt, ook al bedraagt de aanvankelijke voorziene duur minder dan zes maanden;
  9° " woonplaats " : de hoofdverblijfplaats waar het personeelslid in het bevolkingsregister staat ingeschreven;
  10° " trajectkosten " : de kosten gemaakt door het gebruik van eender welk vervoermiddel bij de uitvoering van een dienstverplaatsing, die in België of naar, vanuit of binnen de BSD of buiten het Rijk, wordt verricht;
  11° " verandering van woon- of verblijfplaats om dwingende dienstredenen " : de toestand waarbij aan het personeelslid een plaats wordt toegewezen waar zijn woon- of verblijfplaats moet worden gevestigd;
  12° " gewone plaats van het werk " : elk gebouw of gebouwencomplex zoals bepaald door de minister, waar het personeelslid gewoonlijk en daadwerkelijk zijn werk uitvoert.
  De minister, de burgemeester of het politiecollege, bepalen de gebouwencomplexen die ze beschouwen als één en dezelfde gewone plaats van het werk in de zin van het eerste lid;
  13° " tijdelijke plaats van het werk " : elk gebouw of gebouwencomplex, zoals bedoeld in 12°, waarnaar het personeelslid zich begeeft in het raam van een dienstverplaatsing;
  14° " gezin " : het geheel van personen dat onder hetzelfde dak woont en dat, naast het personeelslid, is samengesteld uit :
  a) hetzij zijn echtgenoot of de persoon met wie het samenwoont, ongeacht of deze toestand van samenwonen is vastgesteld overeenkomstig de artikelen 1475 tot 1479 van het burgerlijk wetboek, alsook hun eventuele kinderen en/of ascendenten in de eerste graad die het ten laste heeft;
  b) hetzij, bij gebrek aan echtgenoot of persoon met wie het samenwoont, zijn kinderen en/o