J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 52 uitvoeringbesluiten 39 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1999/06/09/1999012496/justel

Titel
9 JUNI 1999. - Koninklijk besluit houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-06-1999 en tekstbijwerking tot 09-07-2018) Zie wijziging(en)

Bron : TEWERKSTELLING EN ARBEID
Publicatie : 26-06-1999 nummer :   1999012496 bladzijde : 24162   BEELD
Dossiernummer : 1999-06-09/35
Inwerkingtreding : 01-07-1999

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Definities.
Art. 1
Art. 1 VLAAMS GEWEST
Art. 1 WAALS GEWEST
Art. 1 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
HOOFDSTUK II. - Vrijstellingen.
Art. 2
Art. 2 WAALS GEWEST
Art. 2 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 2 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 2 VLAAMS GEWEST
Art. 2/1
HOOFDSTUK III. - Categorieën van arbeidskaarten en algemene bepalingen.
Art. 3-5
Art. 5 WAALS GEWEST
Art. 5 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 5 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 5 VLAAMS GEWEST
Art. 6-7
HOOFDSTUK IV. - Toekenningsvoorwaarden voor de arbeidsvergunning en voor de arbeidskaart.
Afdeling 1. - De arbeidsvergunning.
Onderafdeling 1. - De arbeidsmarkt.
Art. 8-9
Art. 9 WAALS GEWEST
Art. 9 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 9 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 9 VLAAMS GEWEST
Onderafdeling 2. - De internationale overeenkomsten of akkoorden.
Art. 10-11
Art. 11 WAALS GEWEST
Art. 11 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 11 VLAAMS GEWEST
Onderafdeling 3. - De overeenkomst.
Art. 12-13
Onderafdeling 4. - Het geneeskundig getuigschrift.
Art. 14
Art. 14 VLAAMS GEWEST
Art. 14 WAALS GEWEST
Art. 14 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 15
Art. 15 VLAAMS GEWEST
Art. 15 WAALS GEWEST
Art. 15 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Afdeling 1bis. [1 - De voorlopige arbeidsvergunning uitgereikt in het kader van het verkrijgen van de Europese blauwe kaart.]1
Afdeling 1bis. VLAAMS GEWEST. [1 - De toelating tot arbeid in het kader van de Europese blauwe kaart]1
Afdeling 1bis. DUITSTALIGE GEMEENSCHAP. [1 - De toelating tot arbeid in het kader van de Europese blauwe kaart]1
Art. 15/1
Art. 15/1 WAALS GEWEST
Art. 15/1 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 15/1 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 15/1 VLAAMS GEWEST
Art. 15/2
Art. 15/2 VLAAMS GEWEST
Art. 15/2 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 15/3
Art. 15/3 VLAAMS GEWEST
Art. 15/3 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 15/4
Art. 15/4 VLAAMS GEWEST
Art. 15/4 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Afdeling 2. - De arbeidskaart A.
Art. 16
Afdeling 3. - <opschrift ingevoegd bij KB 2003-02-06/41, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De arbeidskaart C.
Afdeling 3. VLAAMS GEWEST. [1 - Procedure voor de toelating tot arbeid die deel uitmaakt van een procedure om de gecombineerde vergunning, de Europese blauwe kaart of een andere verblijfstitel te verkrijgen met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen.]1
Afdeling 3. WAALS GEWEST. [1 Procedure tot het verrichten van arbeid die deel uitmaakt van de procedure tot het verkrijgen van een gecombineerde vergunning of een andere verblijfsvergunning om voor een periode van meer dan negentig dagen te werken.]1
Afdeling 3. DUITSTALIGE GEMEENSCHAP. [1 - Procedure voor de toelating tot arbeid die deel uitmaakt van een procedure om een gecombineerde vergunning, een Europese blauwe kaart of een andere verblijfstitel te verkrijgen met het oog op werk en die de onderdaan van een derde land de mogelijkheid biedt voor een periode van meer dan negentig dagen te werken]1
Art. 17
Art. 17 VLAAMS GEWEST
Art. 17 WAALS GEWEST
Art. 17 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 17.1 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 17/1 WAALS GEWEST
Art. 18
Art. 18 VLAAMS GEWEST
Art. 18 WAALS GEWEST
Art. 18 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.1 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.1 WAALS GEWEST
Art. 18/1 VLAAMS GEWEST
Art. 18.2 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.2 WAALS GEWEST
Art. 18/2 VLAAMS GEWEST
Art. 18.3 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.3 WAALS GEWEST
Art. 18/3 VLAAMS GEWEST
Art. 18.4 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.4 WAALS GEWEST
Art. 18/4 VLAAMS GEWEST
Art. 18.5 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.5 WAALS GEWEST
Art. 18/5 VLAAMS GEWEST
Art. 18.6 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.6 WAALS GEWEST
Art. 18/6 VLAAMS GEWEST
Art. 18.7 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.7 WAALS GEWEST
Art. 18/7 VLAAMS GEWEST
Art. 18.8 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.8 WAALS GEWEST
Art. 18/8 VLAAMS GEWEST
Art. 18.9 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.9 WAALS GEWEST
Art. 18/9 VLAAMS GEWEST
Art. 18.10 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.10 WAALS GEWEST
Art. 18/10 WAALS GEWEST
Art. 18.11 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.11 WAALS GEWEST
Art. 18/11 VLAAMS GEWEST
Art. 18.12 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.12 WAALS GEWEST
Art. 18/12 VLAAMS GEWEST
Art. 18.13 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.13 WAALS GEWEST
Art. 18/13 VLAAMS GEWEST
Art. 18.14 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.14 WAALS GEWEST
Art. 18/14 VLAAMS GEWEST
Art. 18.15 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.15 WAALS GEWEST
Art. 18/15 VLAAMS GEWEST
Art. 18.16 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.16 WAALS GEWEST
Art. 18/16 VLAAMS GEWEST
Art. 18.17 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.17 WAALS GEWEST
Art. 18/17 VLAAMS GEWEST
Art. 18.18 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.18 WAALS GEWEST
Art. 18/18 VLAAMS GEWEST
Art. 18.19 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.19 WAALS GEWEST
Art. 18/19 VLAAMS GEWEST
Art. 18.20 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.20 WAALS GEWEST
Art. 18/20 VLAAMS GEWEST
Art. 18.21 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.21 WAALS GEWEST
Art. 18/21 VLAAMS GEWEST
Art. 18.22 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.22 WAALS GEWEST
Art. 18/22 VLAAMS GEWEST
Art. 18.23 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.23 WAALS GEWEST
Art. 18/23 VLAAMS GEWEST
Art. 18.24 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.24 WAALS GEWEST
Art. 18/24 VLAAMS GEWEST
Art. 18.25 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.25 WAALS GEWEST
Art. 18/25 VLAAMS GEWEST
Art. 18.26 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.26 WAALS GEWEST
Art. 18/26 VLAAMS GEWEST
Art. 18.27 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.27 WAALS GEWEST
Art. 18/27 VLAAMS GEWEST
Art. 18.28 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18/28 VLAAMS GEWEST
Art. 18.29 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18/29 VLAAMS GEWEST
Art. 18.30 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.31 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 18.32 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
HOOFDSTUK V. - Contingenten.
Art. 19
HOOFDSTUK VI. - Bijzondere categorieën van werknemers.
Afdeling 1. - De stagiairs.
Art. 20-23
Afdeling 2. - De au pair-jongeren.
Art. 24-29
Afdeling 3. - Cabaretpersoneel.
Art. 30
HOOFDSTUK VII. - Hernieuwing van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart B.
Art. 31-33
HOOFDSTUK VIII. - Weigering en intrekking van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart.
Art. 34-35
HOOFDSTUK IX. - Toezicht.
Art. 36
HOOFDSTUK X. - Slachtoffers van de mensenhandel. (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 11, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
Art. 37
Art. 37 WAALS GEWEST
Art. 37 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 37 VLAAMS GEWEST
Art. 37/1 WAALS GEWEST
Art. 37/1 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 37/1 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 37/1 VLAAMS GEWEST
Art. 37/2 WAALS GEWEST
Art. 37/2 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 37/2 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 37/2 VLAAMS GEWEST
HOOFDSTUK XI. - (Tijdelijke, overgangs- en slotbepalingen.) <KB 2004-04-12/32, art. 1, Inwerkingtreding : 01-05-2004>
Art. 38
Art. 38 VLAAMS GEWEST
Art. 38 WAALS GEWEST
Art. 38 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 38bis, 38ter, 38quater, 38quinquies, 38sexies, 38septies, 38octies, 39-42
BIJLAGEN.
Art. N1-N3

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Definities.

  Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit en van zijn uitvoeringsbesluiten verstaat men onder :
  1° wet van 15 december 1980 : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  2° de wet : de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
  3° buitenlandse onderdanen en werknemers : de onderdanen en werknemers die de Belgische nationaliteit niet bezitten;
  4° de Minister : de Minister van Tewerkstelling en Arbeid;
  5° de bevoegde overheid : de overheid bevoegd krachtens artikel 6, § 1, IX, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen,
  6° (wettig verblijf : de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980 of de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met uitzondering van de verblijfssituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden.) <KB 2003-02-06/41, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  7° arbeidsmarkt : de arbeidsmarkt van de drie Gewesten, evenals de markt van de Lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
  8° schouwspelartiest : de personen die het beroep van schouwspelartiest uitoefenen zoals omschreven in artikel 3, 2° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 ter herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers;
  9° cabaret : wat ook de benaming, juridische vorm en sociale doelstelling zij, elke instelling waarvan de reële hoofd- of bijactiviteit bestaat in het organiseren van spektakels onder de vorm van dans, zang of striptease;
  10° cabaretpersoneel : elke met een arbeidsovereenkomst in dienst genomen persoon om tewerkgesteld te zijn in een cabaret;
  11° beroepssportlui : de sportlui aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
  (12° opleiding : een activiteit of een geheel van activiteiten die erop gericht is de personen die eraan deelnemen meer kennis en meer vaardigheden bij te brengen die hen moeten toelaten hun beroepswerkzaamheden efficiënter uit te oefenen. In ieder geval kan de bedrijfsgebonden opleiding niet gepaard gaan met enige productieve prestatie.
  13° kaderlid : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
  14° hoofdkwartier: iedere binnenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b), van Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en ieder Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, c) van het zelfde Wetboek, op voorwaarde dat de binnenlandse vennootschap of buitenlandse vennootschap minstens gekwalificeerd kan worden als een geassocieerde vennootschap zoals bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Vennootschappen en de binnenlandse vennootschap of Belgische filiaal activiteiten met een voorbereidend of hulpverlenend karakter ten voordele van het geheel of een deel van de vennootschappen van de groep waartoe ze behoort, activiteiten inzake informatieverstrekking aan klanten, activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen en/of activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren uitoefent;
  15° groep: het geheel van verbonden en/of geassocieerde vennootschappen zoals bedoeld in artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen die in ten minste drie verschillende landen gevestigd zijn; <KB 2007-09-12/35, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [1 16° leidinggevend personeel : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, 4° van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008;]1
  [2 17° echtgenoot : de echtgenoot, alsook iedere persoon die met een andere persoon verbonden is door een geregistreerd partnerschap zoals bedoeld in de artikelen 10, § 1, 4° en 5°, en 40bis, § 2, 1° en 2° van de wet van 15 december 1980;]2
  [3 18° europese blauwe kaart : het verblijfsdocument voorzien bij artikel 1, 3° van de wet van 15 december 1980;
   19° dienst Vreemdelingenzaken : het bestuur dat belast is met de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]3
  ----------
  (1)<KB 2009-05-28/01, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<KB 2011-03-13/20, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 08-04-2011>
  (3)<KB 2012-07-17/10, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>

  Art. 1_VLAAMS_GEWEST.
   Voor de toepassing van dit besluit en van zijn uitvoeringsbesluiten verstaat men onder :
  1° wet van 15 december 1980 : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  2° de wet : de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
  3° buitenlandse onderdanen en werknemers : de onderdanen en werknemers die de Belgische nationaliteit niet bezitten;
  4° [4 gewestminister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid;]4
  5° de bevoegde overheid : de overheid bevoegd krachtens artikel 6, § 1, IX, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen,
  6° (wettig verblijf : de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980 of de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met uitzondering van de verblijfssituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden.) <KB 2003-02-06/41, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  7° arbeidsmarkt : de arbeidsmarkt van de drie Gewesten, evenals de markt van de Lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
  8° schouwspelartiest : de personen die het beroep van schouwspelartiest uitoefenen zoals omschreven in artikel 3, 2° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 ter herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers;
  9° cabaret : wat ook de benaming, juridische vorm en sociale doelstelling zij, elke instelling waarvan de reële hoofd- of bijactiviteit bestaat in het organiseren van spektakels onder de vorm van dans, zang of striptease;
  10° cabaretpersoneel : elke met een arbeidsovereenkomst in dienst genomen persoon om tewerkgesteld te zijn in een cabaret;
  11° beroepssportlui : de sportlui aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
  (12° opleiding : een activiteit of een geheel van activiteiten die erop gericht is de personen die eraan deelnemen meer kennis en meer vaardigheden bij te brengen die hen moeten toelaten hun beroepswerkzaamheden efficiënter uit te oefenen. In ieder geval kan de bedrijfsgebonden opleiding niet gepaard gaan met enige productieve prestatie.
  13° kaderlid : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
  14° hoofdkwartier: iedere binnenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b), van Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en ieder Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, c) van het zelfde Wetboek, op voorwaarde dat de binnenlandse vennootschap of buitenlandse vennootschap minstens gekwalificeerd kan worden als een geassocieerde vennootschap zoals bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Vennootschappen en de binnenlandse vennootschap of Belgische filiaal activiteiten met een voorbereidend of hulpverlenend karakter ten voordele van het geheel of een deel van de vennootschappen van de groep waartoe ze behoort, activiteiten inzake informatieverstrekking aan klanten, activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen en/of activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren uitoefent;
  15° groep: het geheel van verbonden en/of geassocieerde vennootschappen zoals bedoeld in artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen die in ten minste drie verschillende landen gevestigd zijn; <KB 2007-09-12/35, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [1 16° leidinggevend personeel : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, 4° van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008;]1
  [2 17° echtgenoot : de echtgenoot, alsook iedere persoon die met een andere persoon verbonden is door een geregistreerd partnerschap zoals bedoeld in de artikelen 10, § 1, 4° en 5°, en 40bis, § 2, 1° en 2° van de wet van 15 december 1980;]2
  [3 18° europese blauwe kaart : het verblijfsdocument voorzien [4 bij artikel 1, 15°]4 van de wet van 15 december 1980;
   19° dienst Vreemdelingenzaken : het bestuur [4 van de federale overheid]4 dat belast is met de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]3
  [4 20° dienst Economische Migratie : de dienst Economische Migratie van het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie, vermeld in artikel 25, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
   21° gecombineerde vergunning : een verblijfstitel die een vermelding bevat over de toegang tot de arbeidsmarkt en die een onderdaan van een derde land in staat stelt om wettelijk op het Belgische grondgebied te verblijven om er te werken;
   22° samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 : het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
   23° gecombineerde procedure : de procedure, vermeld in hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018.]4
  
----------
  (1)<KB 2009-05-28/01, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<KB 2011-03-13/20, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 08-04-2011>
  (3)<KB 2012-07-17/10, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (4)<BVR 2018-06-01/06, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 1_WAALS_GEWEST.
   Voor de toepassing van dit besluit en van zijn uitvoeringsbesluiten verstaat men onder :
  1° wet van 15 december 1980 : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  2° de wet : de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
  3° buitenlandse onderdanen en werknemers : de onderdanen en werknemers die de Belgische nationaliteit niet bezitten;
  4° [4 de Minister : de Minister van de Waalse Regering bevoegd voor Tewerkstelling;]4
  5° de bevoegde overheid : de overheid bevoegd krachtens artikel 6, § 1, IX, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen,
  6° (wettig verblijf : de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980 of de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met uitzondering van de verblijfssituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden.) <KB 2003-02-06/41, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  7° arbeidsmarkt : de arbeidsmarkt van de drie Gewesten, evenals de markt van de Lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
  8° schouwspelartiest : de personen die het beroep van schouwspelartiest uitoefenen zoals omschreven in artikel 3, 2° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 ter herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers;
  9° cabaret : wat ook de benaming, juridische vorm en sociale doelstelling zij, elke instelling waarvan de reële hoofd- of bijactiviteit bestaat in het organiseren van spektakels onder de vorm van dans, zang of striptease;
  10° cabaretpersoneel : elke met een arbeidsovereenkomst in dienst genomen persoon om tewerkgesteld te zijn in een cabaret;
  11° beroepssportlui : de sportlui aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
  (12° opleiding : een activiteit of een geheel van activiteiten die erop gericht is de personen die eraan deelnemen meer kennis en meer vaardigheden bij te brengen die hen moeten toelaten hun beroepswerkzaamheden efficiënter uit te oefenen. In ieder geval kan de bedrijfsgebonden opleiding niet gepaard gaan met enige productieve prestatie.
  13° kaderlid : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
  14° hoofdkwartier: iedere binnenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b), van Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en ieder Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, c) van het zelfde Wetboek, op voorwaarde dat de binnenlandse vennootschap of buitenlandse vennootschap minstens gekwalificeerd kan worden als een geassocieerde vennootschap zoals bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Vennootschappen en de binnenlandse vennootschap of Belgische filiaal activiteiten met een voorbereidend of hulpverlenend karakter ten voordele van het geheel of een deel van de vennootschappen van de groep waartoe ze behoort, activiteiten inzake informatieverstrekking aan klanten, activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen en/of activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren uitoefent;
  15° groep: het geheel van verbonden en/of geassocieerde vennootschappen zoals bedoeld in artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen die in ten minste drie verschillende landen gevestigd zijn; <KB 2007-09-12/35, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [1 16° leidinggevend personeel : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, 4° van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008;]1
  [2 17° echtgenoot : de echtgenoot, alsook iedere persoon die met een andere persoon verbonden is door een geregistreerd partnerschap zoals bedoeld in de artikelen 10, § 1, 4° en 5°, en 40bis, § 2, 1° en 2° van de wet van 15 december 1980;]2
  [3 18° europese blauwe kaart : [4 de verblijfsvergunning voorzien in artikel 1, 15°]4 van de wet van 15 december 1980;
   19° dienst Vreemdelingenzaken : het bestuur dat belast is met de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]3
  [4 20° de Administratie : de Directie Tewerkstelling en Werkvergunningen van het Departement Werk en Beroepsopleiding van het Operationeel Directoraat-generaal Economie, Werk, Onderzoek van de Waalse Overheidsdienst;
   21° het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 : het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waalse Gewest, het Vlaamse Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap over de coördinatie van het beleid voor de toekenning van arbeidsvergunningen en de toekenning van de verblijfsvergunning, alsook de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse werknemers;
   22° de gecombineerde vergunning : de verblijfsvergunning zoals bepaald in artikel 3, 10°, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018;
   23° de enkele procedure : de procedure zoals bepaald in artikel 3, 6°, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018;
   24° onderdaan van een derde land : de onderdaan zoals bepaald in artikel 3, 7°, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018.]4
  
----------
  (1)<KB 2009-05-28/01, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<KB 2011-03-13/20, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 08-04-2011>
  (3)<KB 2012-07-17/10, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (4)<BWG 2018-06-14/20, art. 2, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   Voor de toepassing van dit besluit en van zijn uitvoeringsbesluiten verstaat men onder :
  1° wet van 15 december 1980 : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  2° de wet : de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
  3° buitenlandse onderdanen en werknemers : de onderdanen en werknemers die de Belgische nationaliteit niet bezitten;
  4° [4 Gemeenschapsminister: de minister van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap bevoegd voor Werkgelegenheid;]4
  5° de bevoegde overheid : de overheid bevoegd krachtens artikel 6, § 1, IX, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen,
  6° (wettig verblijf : de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980 of de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met uitzondering van de verblijfssituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden.) <KB 2003-02-06/41, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  7° arbeidsmarkt : de arbeidsmarkt van de drie Gewesten, evenals de markt van de Lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
  8° schouwspelartiest : de personen die het beroep van schouwspelartiest uitoefenen zoals omschreven in artikel 3, 2° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 ter herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers;
  9° cabaret : wat ook de benaming, juridische vorm en sociale doelstelling zij, elke instelling waarvan de reële hoofd- of bijactiviteit bestaat in het organiseren van spektakels onder de vorm van dans, zang of striptease;
  10° cabaretpersoneel : elke met een arbeidsovereenkomst in dienst genomen persoon om tewerkgesteld te zijn in een cabaret;
  11° beroepssportlui : de sportlui aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
  (12° opleiding : een activiteit of een geheel van activiteiten die erop gericht is de personen die eraan deelnemen meer kennis en meer vaardigheden bij te brengen die hen moeten toelaten hun beroepswerkzaamheden efficiënter uit te oefenen. In ieder geval kan de bedrijfsgebonden opleiding niet gepaard gaan met enige productieve prestatie.
  13° kaderlid : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
  14° hoofdkwartier: iedere binnenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b), van Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en ieder Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, c) van het zelfde Wetboek, op voorwaarde dat de binnenlandse vennootschap of buitenlandse vennootschap minstens gekwalificeerd kan worden als een geassocieerde vennootschap zoals bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Vennootschappen en de binnenlandse vennootschap of Belgische filiaal activiteiten met een voorbereidend of hulpverlenend karakter ten voordele van het geheel of een deel van de vennootschappen van de groep waartoe ze behoort, activiteiten inzake informatieverstrekking aan klanten, activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen en/of activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren uitoefent;
  15° groep: het geheel van verbonden en/of geassocieerde vennootschappen zoals bedoeld in artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen die in ten minste drie verschillende landen gevestigd zijn; <KB 2007-09-12/35, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [1 16° leidinggevend personeel : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, 4° van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008;]1
  [2 17° echtgenoot : de echtgenoot, alsook iedere persoon die met een andere persoon verbonden is door een geregistreerd partnerschap zoals bedoeld in de artikelen 10, § 1, 4° en 5°, en 40bis, § 2, 1° en 2° van de wet van 15 december 1980;]2
  [3 18° europese blauwe kaart : het verblijfsdocument voorzien [4 bij artikel 1, 15°]4 van de wet van 15 december 1980;
   19° dienst Vreemdelingenzaken : het bestuur [4 van de federale overheid]4 dat belast is met de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]3
  [4 20° departement: het departement van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap dat bevoegd is voor Werkgelegenheid;
   21° gecombineerde vergunning: de verblijfstitel die een vermelding bevat over de toegang tot de arbeidsmarkt en die een onderdaan van een derde land in staat stelt om wettelijk op het Belgische grondgebied te verblijven om er te werken;
   22° samenwerkingsakkoord: het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten.]4
  
----------
  (1)<KB 2009-05-28/01, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<KB 2011-03-13/20, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 08-04-2011>
  (3)<KB 2012-07-17/10, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (4)<BDG 2018-06-07/15, art. 1, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  HOOFDSTUK II. - Vrijstellingen.

  Art. 2.Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart :
  1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
  2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
   b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
   c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
   - van een geldig attest van immatriculatie,
   - of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
   d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
  3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
  b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
  5° de in België erkende vluchteling;
  6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
  7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
  8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
  9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
  13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
  14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
  a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
  b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
  c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
  (oude d) opgeheven) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
  16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
  18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
  19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
  20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
  b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
  b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
  25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (26° de onderzoekers die naar België komen om onderzoek te doen bij een erkende onderzoekinstelling in het kader van een gastovereenkomst, in de gevallen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen bepaald bij de artikelen 61/10 tot 61/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en bij het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten.
  De duur van de vrijstelling wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject die wordt vastgelegd in de door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst. Haar geldigheid is beperkt tot de onderzoeksactiviteit voor dewelke ze werd toegekend alsook tot de onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid met wie de buitenlandse onderdaan voor dewelke deze vrijstelling werd toegekend, samenwerkt;
  27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
  28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
  29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
  De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
  30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
  Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
  31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
  32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
  33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 69 van voornoemde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet.
  Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [3 34° de buitenlandse onderdanen die houder zijn van een Europese blauwe kaart uitgereikt door de Dienst Vreemdelingenzaken;]3
  De Minister kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
  (Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
  In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° en 33°).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
  [4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4
  ----------
  (1)<KB 2009-05-28/01, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<KB 2011-03-13/20, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 08-04-2011>
  (3)<KB 2012-07-17/10, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (4)<KB 2013-07-17/05, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 05-08-2013>

  Art. 2_WAALS_GEWEST.
  Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart :
  1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
  2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
   b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
   c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
   - van een geldig attest van immatriculatie,
   - of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
   d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
  3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
  b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
  5° de in België erkende vluchteling;
  6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
  7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
  8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
  9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
  13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
  14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
  a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
  b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
  c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
  (oude d) opgeheven) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
  16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
  18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
  19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
  20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
  b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
  b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
  25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (26° de onderzoekers die naar België komen om onderzoek te doen bij een erkende onderzoekinstelling in het kader van een gastovereenkomst, in de gevallen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen bepaald bij de artikelen 61/10 tot 61/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en bij het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten.
  De duur van de vrijstelling wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject die wordt vastgelegd in de door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst. Haar geldigheid is beperkt tot de onderzoeksactiviteit voor dewelke ze werd toegekend alsook tot de onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid met wie de buitenlandse onderdaan voor dewelke deze vrijstelling werd toegekend, samenwerkt;
  27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
  28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
  29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
  De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
  30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
  Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
  31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
  32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
  33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt [5 dan het bedrag van 65.771 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37;]5.
  Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [3 34° de buitenlandse onderdanen die houder zijn van een Europese blauwe kaart uitgereikt door de Dienst Vreemdelingenzaken;]3
  [8 35° de buitenlandse onderdanen die de verblijfsstatus van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens een wetgeving of regelgeving tot omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, voor zover zij met een arbeidskaart model B gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden werden tewerkgesteld.]8
  [8 "Wat punt 35° betreft, worden met arbeidsperiodes gelijkgesteld de periodes van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene werd tewerkgesteld.]8
  De [9 gewestelijke Minister]9 kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
  (Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
  In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° en 33°).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
  [4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de [9 gewestelijke Minister]9 de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4
  
----------
  (1)<KB 2009-05-28/01, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<KB 2011-03-13/20, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 08-04-2011>
  (3)<KB 2012-07-17/10, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (4)<KB 2013-07-17/05, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 05-08-2013>
  (5)<BWG 2014-11-06/01, art. 1, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>
  (8)<BWG 2015-07-02/26, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (9)<BWG 2018-06-14/20, art. 3, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart :
  1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
  2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
   b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
   c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
   - van een geldig attest van immatriculatie,
   - of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
   d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
  3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
  b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
  5° de in België erkende vluchteling;
  6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
  7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
  8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
  9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
  13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
  14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
  a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
  b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
  c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
  (oude d) opgeheven) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
  16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
  18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
  19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
  20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
  b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
  b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
  25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (26° de onderzoekers die naar België komen om onderzoek te doen bij een erkende onderzoekinstelling in het kader van een gastovereenkomst, in de gevallen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen bepaald bij de artikelen 61/10 tot 61/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en bij het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten.
  De duur van de vrijstelling wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject die wordt vastgelegd in de door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst. Haar geldigheid is beperkt tot de onderzoeksactiviteit voor dewelke ze werd toegekend alsook tot de onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid met wie de buitenlandse onderdaan voor dewelke deze vrijstelling werd toegekend, samenwerkt;
  27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
  28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
  29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
  De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
  30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
  Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
  31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
  32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
  33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt [5 dan het bedrag van 65.771 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37;]5.
  Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [3 34° [9 ...]9]3
  [8 35° de buitenlandse onderdanen die de verblijfsstatus van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens een wetgeving of regelgeving tot omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, voor zover zij met een arbeidskaart model B gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden werden tewerkgesteld.]8
  [8 "Wat punt 35° betreft, worden met arbeidsperiodes gelijkgesteld de periodes van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene werd tewerkgesteld.]8
  De [9 Gemeenschapsminister]9 kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
  (Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
  In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° en 33°).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
  [4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de [9 Gemeenschapsminister]9 de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4
  
----------
  (1)<KB 2009-05-28/01, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<KB 2011-03-13/20, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 08-04-2011>
  (3)<KB 2012-07-17/10, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (4)<KB 2013-07-17/05, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 05-08-2013>
  (5)<BWG 2014-11-06/01, art. 1, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>
  (8)<BWG 2015-07-02/26, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (9)<BDG 2018-06-07/15, art. 2, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart :
  1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
  2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
   b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
   c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
   - van een geldig attest van immatriculatie,
   - of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
   d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
  3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
  b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
  5° de in België erkende vluchteling;
  6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
  7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
  8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
  9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
  13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
  14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
  a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
  b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
  c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
  (oude d) opgeheven) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
  16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
  18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
  19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
  20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
  b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
  b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
  25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (26° de onderzoekers die naar België komen om onderzoek te doen bij een erkende onderzoekinstelling in het kader van een gastovereenkomst, in de gevallen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen bepaald bij de artikelen 61/10 tot 61/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en bij het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten.
  De duur van de vrijstelling wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject die wordt vastgelegd in de door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst. Haar geldigheid is beperkt tot de onderzoeksactiviteit voor dewelke ze werd toegekend alsook tot de onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid met wie de buitenlandse onderdaan voor dewelke deze vrijstelling werd toegekend, samenwerkt;
  27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
  28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
  29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
  De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
  30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
  Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
  31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
  32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
  33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [6 bedrag van 65.771 EUR berekend en aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]6.
  Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [3 34° de buitenlandse onderdanen die houder zijn van een Europese blauwe kaart uitgereikt door de Dienst Vreemdelingenzaken;]3
  [10 35° de buitenlandse onderdanen die het statuut van langdurig ingezeten onderdanen in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, voor zover ze gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden tewerkgesteld geweest zijn overeenkomstig artikel 9, eerste lid, 20°, van dit besluit.
   Voor de toepassing van 35° worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van volledige arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich hebben voorgedaan op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze was tewerkgesteld door een in België gevestigde werkgever.]10
  De Minister kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
  (Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
  In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° en 33°).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
  [4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4
  
----------
  (1)<KB 2009-05-28/01, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<KB 2011-03-13/20, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 08-04-2011>
  (3)<KB 2012-07-17/10, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (4)<KB 2013-07-17/05, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 05-08-2013>
  (6)<BESL 2014-11-13/11, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (10)<BESL 2015-07-09/22, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  

  Art. 2_VLAAMS_GEWEST.
  Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart :
  1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
  2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
   b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
   c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
   - van een geldig attest van immatriculatie,
   - of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
   d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
  3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
  b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
  5° de in België erkende vluchteling;
  6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
  7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
  8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
  9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
  13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
  14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
  a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
  b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
  c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
  (oude d) opgeheven) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
  16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
  18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
  19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
  20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
  b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
  b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
  25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (26° de onderzoekers die naar België komen om onderzoek te doen bij een erkende onderzoekinstelling in het kader van een gastovereenkomst, in de gevallen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen bepaald bij de artikelen 61/10 tot 61/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en bij het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten.
  De duur van de vrijstelling wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject die wordt vastgelegd in de door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst. Haar geldigheid is beperkt tot de onderzoeksactiviteit voor dewelke ze werd toegekend alsook tot de onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid met wie de buitenlandse onderdaan voor dewelke deze vrijstelling werd toegekend, samenwerkt;
  27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
  28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
  29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
  De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
  30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
  Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
  31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
  32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
  33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [7 bedrag van 65.771 euro berekend en aangepast conform artikel 37]7.
  Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [3 34° [10 ...]10]3
  [9 35° de buitenlandse onderdanen die het statuut van langdurig ingezeten onderdanen in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, en die gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden arbeid hebben verricht conform artikel 9, eerste lid, 20°, van dit besluit.
   Voor de toepassing van het voorgaande lid worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat betrokkene op regelmatige wijze door een in België gevestigde werkgever werd tewerkgesteld.]9
  De [10 gewestminister]10 kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
  (Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
  In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° en 33°).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
  [4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de [10 gewestminister]10 de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4

  ----------
  (1)<KB 2009-05-28/01, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<KB 2011-03-13/20, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 08-04-2011>
  (3)<KB 2012-07-17/10, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (4)<KB 2013-07-17/05, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 05-08-2013>
  (7)<BVR 2014-12-19/B0, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (9)<BVR 2015-06-26/16, art. 1, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (10)<BVR 2018-06-01/06, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 2/1. [1 Zijn eveneens vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart, de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan die het statuut van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, voor zover deze buitenlandse onderdaan vrijgesteld is van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart.
   Artikel 2, tweede lid en verder, zijn van toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-10-08/05, art. 2, 037; Inwerkingtreding : 02-11-2017>
  

  HOOFDSTUK III. - Categorieën van arbeidskaarten en algemene bepalingen.

  Art. 3. De arbeidskaart behoort tot een van de volgende categorieën :
  1° de arbeidskaart A : de arbeidskaart voor onbepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt;
  2° de arbeidskaart B : de arbeidskaart voor bepaalde tijd, van ten hoogste twaalf maanden en beperkt tot de tewerkstelling bij één werkgever;
  (3° de arbeidskaart C : de arbeidskaart voor bepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt.) <KB 2003-02-06/41, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>

  Art. 4.§ 1. Wanneer de werknemer houder is van een arbeidskaart A, is geen arbeidsvergunning vereist in hoofde van de werkgever.
  De arbeidskaart A verliest alle geldigheid als de houder van die kaart gedurende een periode van meer dan een jaar uit het land afwezig blijft, behalve indien deze afwezigheid niet het verlies van zijn recht op of machtiging tot verblijf, overeenkomstig artikel 39, § 3 of § 5 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, tot gevolg had.
  § 2. De toekenning aan de werkgever van de arbeidsvergunning, heeft automatisch tot gevolg dat ook de arbeidskaart B aan de betrokken werknemer wordt toegekend.
  De geldigheidsduur van de arbeidskaart stemt overeen met de geldigheidsduur van de aan de werkgever toegekende arbeidsvergunning.
  De arbeidskaart B verliest alle geldigheid indien de houder ervan zijn recht op of machtiging tot verblijf verliest.
  § 3. (Wanneer de werknemer houder is van een arbeidskaart C, is geen arbeidsvergunning vereist in hoofde van de werkgever.
  De arbeidskaart C verliest alle geldigheid indien de houder ervan zijn recht op of machtiging tot verblijf verliest.) <KB 2003-02-06/41, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>

  Art. 5.In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet, mag de arbeidsvergunning worden toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 9 [1 , bij artikel 2, eerste lid, 34°]1 (en in artikel 38septies) die België zijn binnengekomen om er tewerkgesteld te worden vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen. <KB 2008-12-23/30, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  ----------
  (1)<KB 2012-07-17/10, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>

  Art. 5_WAALS_GEWEST.
  [2 In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet, mag de vergunning worden toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van onderdanen bedoeld in artikel 2, eerste lid, punt 34°, en in artikel 9, die België zijn binnengekomen om er tewerkgesteld te worden vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen.]2
  
----------
  (1)<KB 2012-07-17/10, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (2)<BWG 2015-07-02/26, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  

  Art. 5_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [2 In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet, mag de vergunning worden toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van onderdanen bedoeld in [5 ...]5 en in artikel 9, die België zijn binnengekomen om er tewerkgesteld te worden vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen.]2
  
----------
  (1)<KB 2012-07-17/10, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (2)<BWG 2015-07-02/26, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (5)<BDG 2018-06-07/15, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 5_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet, mag de arbeidsvergunning worden toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 9 [4 en bij artikel 2, eerste lid, 34°]4 die België zijn binnengekomen om er tewerkgesteld te worden vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen.
  
----------
  (1)<KB 2012-07-17/10, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (4)<BESL 2015-07-09/22, art. 2, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  

  Art. 5_VLAAMS_GEWEST.
  In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet, mag de arbeidsvergunning worden toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 9 [1 [4 ...]4]1 [3 ...]3 die België zijn binnengekomen om er tewerkgesteld te worden vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen.

  ----------
  (1)<KB 2012-07-17/10, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (3)<BVR 2015-06-26/16, art. 2, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (4)<BVR 2018-06-01/06, art. 3, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 6. De arbeidsvergunning en de arbeidskaart kunnen aan bijzondere voorwaarden worden verbonden. Die voorwaarden worden in het formulier van toekenning van de arbeidsvergunning en indien mogelijk op de arbeidskaart aangegeven.

  Art. 7. De buitenlandse onderdaan die het land voorgoed verlaat, moet vóór zijn vertrek de arbeidskaart teruggeven aan het gemeentebestuur van zijn hoofdverblijfplaats.

  HOOFDSTUK IV. - Toekenningsvoorwaarden voor de arbeidsvergunning en voor de arbeidskaart.

  Afdeling 1. - De arbeidsvergunning.

  Onderafdeling 1. - De arbeidsmarkt.

  Art. 8. De arbeidsvergunning wordt alleen dan toegekend wanneer het niet mogelijk is binnen een redelijke termijn onder de werknemers op de arbeidsmarkt een werknemer te vinden die, al of niet door een nog te volgen gepaste beroepsopleiding, geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een billijke termijn te bekleden.

  Art. 9.In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om :
  1° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  2° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  3° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
  6° (hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 67 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
  De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
  - ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
  - ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 69 van de voormelde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 69 van dezelfde wet aangegeven bedrag. Het voornoemde bedrag is berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
  9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgen in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
  11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
  13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
  14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
  15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan het in artikel 65, § 2, eerste lid, van de voormelde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  (18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
  19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
   (20° de werknemers, onderdanen van een Staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte, die de verblijfsstatus van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen op basis van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.) <AR 2008-12-23/30, art. 3, 019; Inwerkingtreding : onbepaald, dat in werking treedt de dag waarop de artikelen 38ter, 38quater en 38quinquies van dit koninklijk besluit>
  De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
  - voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
  - een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
  Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
  - worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
  - een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
  Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
  ----------
  (1)<KB 2012-07-17/10, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>

  Art. 9_WAALS_GEWEST.
  In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om :
  1° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  2° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  3° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
  6° (hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan [2 het bedrag van 39.422 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37]2; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
  De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
  - ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
  - ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan [2 het bedrag van 65.771 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37]2.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan [2 het bedrag van 65.771 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37]2; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
  9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgen in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
  11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
  13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
  14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
  15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan [2 het bedrag van 32.886 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37;]2) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  (18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
  19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  20° [5 de buitenlandse onderdanen die de verblijfsstatus van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen op basis van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen voor zover deze arbeidsvergunning betrekking heeft op beroepen waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er zich een tekort aan arbeidskrachten voordoet.]5
  De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
  - voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
  - een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
  Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
  - worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
  - een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
  Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
  [5 [6 ...]6]5.
  
----------
  (1)<KB 2012-07-17/10, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (2)<BWG 2014-11-06/01, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>
  (5)<BWG 2015-07-02/26, art. 3, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (6)<BWG 2018-06-14/20, art. 4, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 9_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om :
  1° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  2° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  3° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° [6 het hooggeschoold personeel, vermeld in afdeling 1bis;]6
  5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
  6° (hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan [2 het bedrag van 39.422 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37]2; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
  De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
  - ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
  - ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan [2 het bedrag van 65.771 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37]2.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan [2 het bedrag van 65.771 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37]2; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
  9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgen in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
  11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
  13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
  14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
  15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan [2 het bedrag van 32.886 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37;]2) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  (18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
  19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  20° [5 de buitenlandse onderdanen die de verblijfsstatus van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen op basis van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen voor zover deze arbeidsvergunning betrekking heeft op beroepen waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er zich een tekort aan arbeidskrachten voordoet.]5
  De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
  - voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
  - een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
  Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
  - worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
  - een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
  Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
  [5 [6 ...]6]5.
  
----------
  (1)<KB 2012-07-17/10, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (2)<BWG 2014-11-06/01, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>
  (5)<BWG 2015-07-02/26, art. 3, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (6)<BDG 2018-06-07/15, art. 4, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 9_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om :
  1° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  2° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  3° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
  6° (hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [3 bedrag van 39.422 EUR berekend en aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]3; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
  De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
  - ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
  - ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [3 bedrag van 65.771 EUR berekend en aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]3.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [3 bedrag van 65.771 EUR berekend en aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]3; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
  9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgen in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
  11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
  13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
  14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
  15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan het [3 bedrag van 32.886 EUR berekend een aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]3;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  (18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
  19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  20° [7 de onderdanen van een Staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte die het statuut van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.
   De arbeidsvergunning heeft betrekking op beroepen waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er zich, voor de toepassing van de wet, een tekort aan arbeidskrachten voordoet.]7
  De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
  - voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
  - een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
  Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
  - worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
  - een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
  Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
  [7 De arbeidsvergunning voor een betrekking waarvoor een tekort aan arbeidskrachten bestaat als bedoeld in 20° van het eerste lid, wordt binnen de vijf werkdagen door de bevoegde overheid afgeleverd, wanneer aan de voorwaarden voor de toekenning ervan is voldaan. De werkgever overhandigt de werknemer een kopie van deze arbeidsvergunning in afwachting van de aflevering van de arbeidskaart B. Deze kopie geldt voor de werknemer als voorlopige arbeidskaart B tot op het ogenblik van de aflevering van de arbeidskaart B.]7
  
----------
  (1)<KB 2012-07-17/10, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (3)<BESL 2014-11-13/11, art. 2, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (7)<BESL 2015-07-09/22, art. 3, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  

  Art. 9_VLAAMS_GEWEST.
  In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om :
  1° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  2° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  3° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° [7 het hoogopgeleide personeel, vermeld in afdeling 1bis;]7
  5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
  6° (hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [4 bedrag van 39.422 euro berekend en aangepast conform artikel 37]4; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
  De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
  - ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
  - ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [4 bedrag van 65.771 euro berekend en aangepast conform artikel 37]4.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [4 bedrag van 65.771 euro berekend en aangepast conform artikel 37]4; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
  9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgen in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
  11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
  13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
  14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
  15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan het [4 bedrag van 32.886 euro berekend en aangepast conform artikel 37]4;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  (18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
  19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  20° [6 de buitenlandse onderdanen die het statuut van langdurig ingezeten onderdanen in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, voor zover die arbeidsvergunning betrekking heeft op beroepen waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er zich, voor de toepassing van de wet, een tekort aan arbeidskrachten voordoet.]6
  De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
  - voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
  - een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
  Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
  - worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
  - een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
  Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
  [6 [7 ...]7.]6

  ----------
  (1)<KB 2012-07-17/10, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (4)<BVR 2014-12-19/B0, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (6)<BVR 2015-06-26/16, art. 3, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (7)<BVR 2018-06-01/06, art. 4, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Onderafdeling 2. - De internationale overeenkomsten of akkoorden.

  Art. 10. De arbeidsvergunning wordt alleen voor die werknemers toegekend die onderdaan zijn van de landen waarmede België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is.

  Art. 11.In afwijking van artikel 10 wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet beperkt tot de werknemers die onderdaan zijn van de landen waarmee België verbonden is krachtens internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 (en artikel 38septies). <AR 2008-12-23/30, art. 6, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 11_WAALS_GEWEST.
  In afwijking van artikel 10 wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet beperkt tot de werknemers die onderdaan zijn van de landen waarmee België verbonden is krachtens internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 [1 ...]1.
  
----------
  (1)<BWG 2015-07-02/26, art. 4, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Art. 11_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  In afwijking van artikel 10 wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet beperkt tot de werknemers die onderdaan zijn van de landen waarmee België verbonden is krachtens internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 [3 ...]3.
  
----------
  (3)<BESL 2015-07-09/22, art. 4, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Art. 11_VLAAMS_GEWEST.
  In afwijking van artikel 10 wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet beperkt tot de werknemers die onderdaan zijn van de landen waarmee België verbonden is krachtens internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 [2 ...]2.

  ----------
  (2)<BVR 2015-06-26/16, art. 4, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Onderafdeling 3. - De overeenkomst.

  Art. 12. Voor de toekenning van de arbeidsvergunning dienen de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst te ondertekenen die de vermeldingen en de bepalingen bevat die voorkomen in bijlage I van dit besluit.
  Wanneer het schouwspelartiesten, met of zonder internationale faam, betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en de bepalingen die voorkomen in bijlage II van dit besluit.
  Wanneer het stagiairs betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in het artikel 22, 3° en 4° van dit besluit.
  Wanneer het au pair-jongeren betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in bijlage III van dit besluit.
  Wanneer het de voorlopige arbeidsvergunning betreft, geldt als voorwaarde voor de toekenning ervan dat werkgever en werknemer een geschreven arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ondertekenen.

  Art. 13.In afwijking van artikel 12, eerste lid, wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet afhankelijk gesteld van de ondertekening van de overeenkomst bedoeld in hetzelfde artikel wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 (en artikel 38septies). <AR 2008-12-23/30, art. 7, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  
  Art. 13. (WAALS GEWEST)
  In afwijking van artikel 12, eerste lid, wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet afhankelijk gesteld van de ondertekening van de overeenkomst bedoeld in hetzelfde artikel wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 [1 ...]1.
  
  Art. 13. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  In afwijking van artikel 12, eerste lid, wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet afhankelijk gesteld van de ondertekening van de overeenkomst bedoeld in hetzelfde artikel wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 [3 ...]3.
  
  Art. 13. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  In afwijking van artikel 12, eerste lid, wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet afhankelijk gesteld van de ondertekening van de overeenkomst bedoeld in hetzelfde artikel wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 [2 ...]2.

  ----------
  (1)<BWG 2015-07-02/26, art. 5, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (2)<BVR 2015-06-26/16, art. 5, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (3)<BESL 2015-07-09/22, art. 5, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Onderafdeling 4. - Het geneeskundig getuigschrift.

  Art. 14. De aanvraag om een arbeidsvergunning voor een buitenlandse werknemer die voor de eerste keer tewerkgesteld wordt in België, moet vergezeld gaan van een geneeskundig getuigschrift waarbij verklaard wordt dat niets erop wijst dat de werknemer, wegens zijn gezondheidstoestand, in de nabije toekomst arbeidsongeschikt zal worden.
  Zo de werknemer zich in het buitenland bevindt, moet dit geneeskundig getuigschrift afgegeven worden door een geneesheer erkend door de Belgische diplomatieke of consulaire ambtenaren in het buitenland.
  Het geneeskundig getuigschrift moet ten vroegste drie maanden voor de indieningsdatum van de aanvraag worden opgesteld.
  Het geneeskundig getuigschrift zal desnoods, door een beëdigd vertaler, in een van de talen van het Gewest, dat bevoegd is voor het afleveren van de arbeidskaart, moeten worden vertaald.

  Art. 14_VLAAMS_GEWEST.
   De aanvraag om een arbeidsvergunning voor een buitenlandse werknemer die voor de eerste keer tewerkgesteld wordt in België, moet vergezeld gaan van een geneeskundig getuigschrift waarbij verklaard wordt dat niets erop wijst dat de werknemer, wegens zijn gezondheidstoestand, in de nabije toekomst arbeidsongeschikt zal worden.
  Zo de werknemer zich in het buitenland bevindt, moet dit geneeskundig getuigschrift afgegeven worden door een geneesheer erkend door de Belgische diplomatieke of consulaire ambtenaren in het buitenland.
  Het geneeskundig getuigschrift moet ten vroegste drie maanden voor de indieningsdatum van de aanvraag worden opgesteld.
  Het geneeskundig getuigschrift zal desnoods, door een beëdigd vertaler, in een van de talen van het Gewest, dat bevoegd is voor het afleveren van de arbeidskaart, moeten worden vertaald.
  [1 Voor de toepassing van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt het geneeskundig getuigschrift, vermeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, 5°, van de wet van 15 december 1980, gelijkgesteld met een geneeskundig getuigschrift als vermeld in het eerste tot en met het vierde lid.]1

  ----------
  (1)<BVR 2018-06-01/06, art. 5, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 14_WAALS_GEWEST.
   De aanvraag om een arbeidsvergunning voor een buitenlandse werknemer die voor de eerste keer tewerkgesteld wordt in België, moet vergezeld gaan van een geneeskundig getuigschrift waarbij verklaard wordt dat niets erop wijst dat de werknemer, wegens zijn gezondheidstoestand, in de nabije toekomst arbeidsongeschikt zal worden.
  Zo de werknemer zich in het buitenland bevindt, moet dit geneeskundig getuigschrift afgegeven worden door een geneesheer erkend door de Belgische diplomatieke of consulaire ambtenaren in het buitenland.
  Het geneeskundig getuigschrift moet ten vroegste drie maanden voor de indieningsdatum van de aanvraag worden opgesteld.
  Het geneeskundig getuigschrift zal desnoods, door een beëdigd vertaler, in een van de talen van het Gewest, dat bevoegd is voor het afleveren van de arbeidskaart, moeten worden vertaald.
  [1 Voor de toepassing van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wordt het geneeskundig getuigschrift bedoeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, 6°, van de wet van 15 december 1980 gelijkgesteld met een bij dit artikel bedoelde geneeskundig getuigschrift.]1

  ----------
  (1)<BWG 2018-06-14/20, art. 5, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 14_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   De aanvraag om een arbeidsvergunning voor een buitenlandse werknemer die voor de eerste keer tewerkgesteld wordt in België, moet vergezeld gaan van een geneeskundig getuigschrift waarbij verklaard wordt dat niets erop wijst dat de werknemer, wegens zijn gezondheidstoestand, in de nabije toekomst arbeidsongeschikt zal worden.
  Zo de werknemer zich in het buitenland bevindt, moet dit geneeskundig getuigschrift afgegeven worden door een geneesheer erkend door de Belgische diplomatieke of consulaire ambtenaren in het buitenland.
  Het geneeskundig getuigschrift moet ten vroegste drie maanden voor de indieningsdatum van de aanvraag worden opgesteld.
  Het geneeskundig getuigschrift zal desnoods, door een beëdigd vertaler, in een van de talen van het Gewest, dat bevoegd is voor het afleveren van de arbeidskaart, moeten worden vertaald.
  [1 Voor de toepassing van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord wordt het geneeskundig getuigschrift vermeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, 5°, van de wet van 15 december 1980 gelijkgesteld met een geneeskundig getuigschrift als vermeld in dit artikel.]1

  ----------
  (1)<BDG 2018-06-07/15, art. 5, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 15.De bepalingen van artikel 14 zijn niet van toepassing op de tewerkstelling :
   1° van personen die minstens 2 jaar wettig in België verblijven;
   2° van personen bedoeld in artikel 9, 9° en 10°.

  Art. 15_VLAAMS_GEWEST.
   De bepalingen van artikel 14 zijn niet van toepassing op de tewerkstelling :
   1° van personen die minstens 2 jaar wettig in België verblijven;
   2° van personen [1 als vermeld in artikel 9, eerste lid, 4°, 9°, 10° en 20°]1.

  ----------
  (1)<BVR 2018-06-01/06, art. 6, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 15_WAALS_GEWEST.
  De bepalingen van artikel 14 zijn niet van toepassing op de tewerkstelling :
   1° van personen die minstens 2 jaar wettig in België verblijven;
   2° [1 van personen bedoeld in artikel 9, 9°, 10° en 20°.]1

  ----------
  (1)<BWG 2015-07-02/26, art. 6, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  

  Art. 15_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  De bepalingen van artikel 14 zijn niet van toepassing op de tewerkstelling :
   1° van personen die minstens 2 jaar wettig in België verblijven;
   2° [1 [2 van personen als vermeld in artikel 9, eerste lid, 4°, 9°, 10° en 20°]2.]1

  ----------
  (1)<BWG 2015-07-02/26, art. 6, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (2)<BDG 2018-06-07/15, art. 6, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Afdeling 1bis. [1 - De voorlopige arbeidsvergunning uitgereikt in het kader van het verkrijgen van de Europese blauwe kaart.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-17/10, art. 6, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>

  Afdeling 1bis. VLAAMS_GEWEST. [1 - De toelating tot arbeid in het kader van de Europese blauwe kaart]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-06-01/06, art. 7, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Afdeling 1bis. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - De toelating tot arbeid in het kader van de Europese blauwe kaart]1
  ----------
  (1)<BDG 2018-06-07/15, art. 7, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 15/1.[1 De voorlopige arbeidsvergunning toegekend in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart wordt toegekend aan de werkgevers die een buitenlandse werknemer willen tewerkstellen voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan :
   a) de werkgever moet met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst hebben gesloten van onbepaalde duur of met een duur gelijk aan of hoger dan een jaar;
   b) [2 de buitenlandse werknemer moet een bruto jaarloon genieten van 49.995 of meer;]2
   c) de werknemer moet hogere beroepskwalificaties aantonen in het bezit zijn van een diploma uitgereikt door een onderwijsinstituut erkend als hogere onderwijsinstelling door de Staat waar in het instituut is gevestigd.
   Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt verstaan onder diploma van het hoger onderwijs : alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels uitgereikt door een overheid waarbij het succesvol beëindigen wordt aangetoond van een postsecundair programma inzake hogere studies, dit betekent een geheel van lessen verstrekt door een onderwijsinstituut erkend als hoger onderwijsinstelling door de staat waar in het instituut is gevestigd, op voorwaarde dat de studies nodig voor het behalen ervan minstens drie jaar hebben geduurd.
  [2 Het bedrag van het in lid 1, onder b), bedoeld loon wordt elk jaar aangepast op 1 januari, aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde kwartaal (basis 1997=100) volgens de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het oorspronkelijke indexcijfer. Het resultaat wordt afgerond op de euro.
   Voor de toepassing van lid 3, wordt verstaan onder :
   1° index van de conventionele lonen voor bedienden, de index opgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van het gemiddelde van de bediendenlonen voor volwassenen in de particuliere sector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
   2° basisbedrag : het bedrag van kracht op 1 januari 2013;
   3° nieuw indexcijfer : index voor het derde kwartaal op basis 1997=100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
   4° oorspronkelijke index : index van het derde kwartaal 2012 op basis 1997 = 100.]2
   In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een vraag voor een voorlopige arbeidsvergunning afwijzen :
   1°) wanneer het mogelijk is, onder de werknemers op de arbeidsmarkt, een werknemer te vinden die geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een redelijke termijn te bekleden;
   2°) om een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren die een tekort aan gekwalificeerde werknemers kennen in het land van oorsprong;
   3°) indien de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber eerder gesanctioneerd werd door zich niet te schikken naar de bepalingen tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling of om werknemers te hebben tewerkgesteld die geen toelating tot verblijf en tewerkstelling hadden.]1
  (NOTA : het bedrag van 49,995 € wordt op 01-01-2014 verhoogd tot 50,974 €, zie : 2014-04-24/01)
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-17/10, art. 7, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (2)<KB 2013-12-26/35, art. 1, 028; Inwerkingtreding : 31-12-2013>

  Art. 15/1_WAALS_GEWEST.
  [1 De voorlopige arbeidsvergunning toegekend in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart wordt toegekend aan de werkgevers die een buitenlandse werknemer willen tewerkstellen voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan :
   a) de werkgever moet met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst hebben gesloten van onbepaalde duur of met een duur gelijk aan of hoger dan een jaar;
   b) [2 de buitenlandse werknemer moet een bruto jaarloon genieten van 49.995 of meer [3 berekend en aangepast volgens artikel 37/1]3;]2
   c) de werknemer moet hogere beroepskwalificaties aantonen in het bezit zijn van een diploma uitgereikt door een onderwijsinstituut erkend als hogere onderwijsinstelling door de Staat waar in het instituut is gevestigd.
   Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt verstaan onder diploma van het hoger onderwijs : alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels uitgereikt door een overheid waarbij het succesvol beëindigen wordt aangetoond van een postsecundair programma inzake hogere studies, dit betekent een geheel van lessen verstrekt door een onderwijsinstituut erkend als hoger onderwijsinstelling door de staat waar in het instituut is gevestigd, op voorwaarde dat de studies nodig voor het behalen ervan minstens drie jaar hebben geduurd.
  [2 [3 ...]3 van kracht op 1 januari 2013;
   [3 ...]3 ]2
   In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een vraag voor een voorlopige arbeidsvergunning afwijzen :
   1°) wanneer het mogelijk is, onder de werknemers op de arbeidsmarkt, een werknemer te vinden die geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een redelijke termijn te bekleden;
   2°) om een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren die een tekort aan gekwalificeerde werknemers kennen in het land van oorsprong;
   3°) indien de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber eerder gesanctioneerd werd door zich niet te schikken naar de bepalingen tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling of om werknemers te hebben tewerkgesteld die geen toelating tot verblijf en tewerkstelling hadden.]1
  (NOTA : het bedrag van 49,995 € wordt op 01-01-2014 verhoogd tot 50,974 €, zie : 2014-04-24/01)
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-17/10, art. 7, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (2)<KB 2013-12-26/35, art. 1, 028; Inwerkingtreding : 31-12-2013>
  (3)<BWG 2014-11-06/01, art. 3, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>
  

  Art. 15/1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 § 1 - Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan.
   § 2 - De toelating tot arbeid in het kader van de Europese blauwe kaart wordt toegekend als aan de volgende voorwaarden is voldaan :
   1° de werkgever heeft met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst gesloten van onbepaalde duur of voor minstens één jaar;
   2° de buitenlandse werknemer krijgt een bruto jaarloon van 49.995 euro of meer, berekend en aangepast aan het indexcijfer conform artikel 37/1;
   3° de werknemer beschikt over een hogere beroepskwalificatie en is in het bezit van een diploma, uitgereikt door een onderwijsinstelling die erkend is als hogere onderwijsinstelling door de Staat waarin de instelling is gevestigd. Als diploma worden beschouwd: alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels die uitgereikt zijn door een bevoegde overheid na het succesvol beëindigen van een postsecundair programma voor hogere studies, d.i. een geheel van lessen, verstrekt door een onderwijsinstelling die erkend is als hogere onderwijsinstelling door de betrokken Staat, op voorwaarde dat de studies die nodig zijn om het diploma van hoger onderwijs te behalen, minstens drie jaar hebben geduurd.
   § 3 - In afwijking van § 2 kan de bevoegde overheid in de volgende gevallen een aanvraag afwijzen :
   1° om een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren met een tekort aan gekwalificeerde werknemers in het land van oorsprong;
   2° als de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber eerder gesanctioneerd werd omdat hij zich niet schikte naar de bepalingen tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling of omdat hij werknemers heeft tewerkgesteld die geen toelating tot verblijf en tewerkstelling hadden.]1

  ----------
  (1)<BDG 2018-06-07/15, art. 8, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 15/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 De voorlopige arbeidsvergunning toegekend in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart wordt toegekend aan de werkgevers die een buitenlandse werknemer willen tewerkstellen voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan :
   a) de werkgever moet met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst hebben gesloten van onbepaalde duur of met een duur gelijk aan of hoger dan een jaar;
   b) [2 de buitenlandse werknemer moet een bruto jaarloon genieten van 49.995 of meer [4 berekend en aangepast volgens artikel 37/1 van dit besluit]4;]2
   c) de werknemer moet hogere beroepskwalificaties aantonen in het bezit zijn van een diploma uitgereikt door een onderwijsinstituut erkend als hogere onderwijsinstelling door de Staat waar in het instituut is gevestigd.
   Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt verstaan onder diploma van het hoger onderwijs : alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels uitgereikt door een overheid waarbij het succesvol beëindigen wordt aangetoond van een postsecundair programma inzake hogere studies, dit betekent een geheel van lessen verstrekt door een onderwijsinstituut erkend als hoger onderwijsinstelling door de staat waar in het instituut is gevestigd, op voorwaarde dat de studies nodig voor het behalen ervan minstens drie jaar hebben geduurd.
  [2 [4 ...]4
   [4 ...]4 ]2
   In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een vraag voor een voorlopige arbeidsvergunning afwijzen :
   1°) wanneer het mogelijk is, onder de werknemers op de arbeidsmarkt, een werknemer te vinden die geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een redelijke termijn te bekleden;
   2°) om een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren die een tekort aan gekwalificeerde werknemers kennen in het land van oorsprong;
   3°) indien de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber eerder gesanctioneerd werd door zich niet te schikken naar de bepalingen tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling of om werknemers te hebben tewerkgesteld die geen toelating tot verblijf en tewerkstelling hadden.]1
  (NOTA : het bedrag van 49,995 € wordt op 01-01-2014 verhoogd tot 50,974 €, zie : 2014-04-24/01)
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-17/10, art. 7, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (2)<KB 2013-12-26/35, art. 1, 028; Inwerkingtreding : 31-12-2013>
  (4)<BESL 2014-11-13/11, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  

  Art. 15/1_VLAAMS_GEWEST.
  [1 § 1. Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan.
   § 2. De toelating tot arbeid in het kader van de Europese blauwe kaart wordt toegekend als aan al de volgende voorwaarden is voldaan :
   1° de werkgever heeft met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst gesloten van onbepaalde duur of voor minstens één jaar;
   2° de buitenlandse werknemer krijgt een bruto jaarloon van 49.995 euro of meer, berekend en aangepast conform artikel 37/1;
   3° de werknemer toont hogere beroepskwalificaties aan en is in het bezit van een diploma, uitgereikt door een onderwijsinstituut dat erkend is als hogere onderwijsinstelling door de Staat waarin het instituut is gevestigd.
   In het eerste lid wordt verstaan onder diploma van het hoger onderwijs : alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels die uitgereikt zijn door een overheid, waarbij het succesvol beëindigen van een postsecundair programma voor hogere studies wordt aangetoond. Dat is een geheel van lessen, verstrekt door een onderwijsinstituut dat erkend is als hoger onderwijsinstelling door de staat waarin het instituut is gevestigd, op voorwaarde dat de studies die nodig zijn om het diploma van hoger onderwijs te behalen, minstens drie jaar hebben geduurd.
   § 3. In afwijking van paragraaf 2 kan de bevoegde overheid in de volgende gevallen een vraag afwijzen :
   1° om een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren met een tekort aan gekwalificeerde werknemers in het land van oorsprong;
   2° als de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber eerder gesanctioneerd werd omdat hij zich niet schikte naar de bepalingen tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling of omdat hij werknemers heeft tewerkgesteld die geen toelating tot verblijf en tewerkstelling hadden.]1

  ----------
  (1)<BVR 2018-06-01/06, art. 8, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 15/2. [1 De artikelen 8, 10 en 14 zijn niet van toepassing in het geval van toekenning van een voorlopige arbeidsvergunning uitgereikt in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart.
   Bij afwijking op het voorgaande lid kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gevallen bepalen waarvoor een onderzoek van de arbeidsmarkt noodzakelijk is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-17/10, art. 8, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>

  Art. 15/2_VLAAMS_GEWEST.
  [1 In afwijking van artikel 9, eerste lid, 4°, kan de Vlaamse Regering de gevallen bepalen waarin een onderzoek van de arbeidsmarkt noodzakelijk is.]1

  ----------
  (1)<BVR 2018-06-01/06, art. 9, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 15/2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 In afwijking van artikel 9, eerste lid, 4°, kan de Regering de gevallen bepalen waarin een onderzoek van de arbeidsmarkt noodzakelijk is.]1

  ----------
  (1)<BDG 2018-06-07/15, art. 9, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 15/3. [1 De voorlopige arbeidsvergunning wordt in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart toegekend binnen de dertig dagen voor zover de betreffende toekenningvoorwaarden zijn vervuld.
   De werkgever bezorgt de werknemer een afschrift van deze voorlopige arbeidsvergunning in afwachting van de toekenning van de Europese blauwe kaart.
   De werknemer kan beginnen werken van zodra hij in het bezit is van het afschrift van deze voorlopige arbeidsvergunning en hij het verblijf aangevraagd heeft en wettig verblijft.
   De voorlopige arbeidsvergunning is niet langer geldig :
   - op de dag van de uitreiking aan de werknemer van de Europese blauwe kaart;
   - op de dag van de betekening aan de werknemer door de Dienst Vreemdelingenzaken van de beslissing tot weigering van de aanvraag voor een Europese blauwe kaart;
   - indien de werknemer binnen de negentig dagen te rekenen vanaf de dag van uitreiking van de voorlopige arbeidsvergunning geen aanvraag voor een Europese blauwe kaart heeft ingediend bij de Dienst Vreemdelingenzaken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-17/10, art. 9, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>

  Art. 15/3_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij BVR 2018-06-01/06, art. 10, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 15/3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BDG 2018-06-07/15, art. 10, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 15/4. [1 Tijdens de eerste twee jaar van tewerkstelling van de werknemer gedekt door een voorlopige arbeidsvergunning of door de Europese blauwe kaart :
   1° is de werkgever ertoe gehouden de bevoegde overheid te verwittigen in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst;
   2° is elke wijziging van werkgever evenals elke wijziging van de arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in artikel 15/1 die gevolgen heeft voor de geldigheid van de Europese blauwe kaart, onderworpen aan de voorafgaande toekenning door de bevoegde overheid van een voorlopige arbeidsvergunning;
   3° is de hernieuwing van de Europese blauwe kaart door de werknemer bij de Dienst Vreemdelingenzaken afhankelijk van de toekenning door de bevoegde overheid van een nieuwe voorlopige arbeidsvergunning aan de werkgever voor zover de voorwaarden vermeld onder artikel 15/1 zijn vervuld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-17/10, art. 10, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>

  Art. 15/4_VLAAMS_GEWEST.
   [1 Tijdens de eerste twee jaar van tewerkstelling van de werknemer gedekt [2 ...]2 door de Europese blauwe kaart :
   1° is de werkgever ertoe gehouden de bevoegde overheid te verwittigen in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst;
   2° [2 veronderstelt elke wijziging van werkgever, alsook elke betekenisvolle wijziging van de arbeidsvoorwaarden, vermeld in artikel 15/1, § 2, die gevolgen heeft voor de geldigheid van de Europese blauwe kaart, een nieuwe aanvraag van toelating tot arbeid die deel uitmaakt van een procedure om de Europese blauwe kaart te verkrijgen;]2
   3° is de hernieuwing van de Europese blauwe kaart door de werknemer bij de Dienst Vreemdelingenzaken afhankelijk van [2 een nieuwe aanvraag van toelating tot arbeid die deel uitmaakt van een procedure om de Europese blauwe kaart te verkrijgen]2 voor zover de voorwaarden vermeld onder artikel 15/1 zijn vervuld.]1
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-17/10, art. 10, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (2)<BVR 2018-06-01/06, art. 11, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 15/4_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   [1 Tijdens de eerste twee jaar van tewerkstelling van de werknemer gedekt [2 ...]2 door de Europese blauwe kaart :
   1° is de werkgever ertoe gehouden de bevoegde overheid te verwittigen in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst;
   2° [2 veronderstelt elke wijziging van werkgever, alsook elke betekenisvolle wijziging van de arbeidsvoorwaarden, vermeld in artikel 15/1, § 2, die gevolgen heeft voor de geldigheid van de Europese blauwe kaart, een nieuwe aanvraag van toelating tot arbeid die deel uitmaakt van een procedure om de Europese blauwe kaart te verkrijgen;]2
   3° is de hernieuwing van de Europese blauwe kaart door de werknemer bij de Dienst Vreemdelingenzaken afhankelijk van [2 een nieuwe aanvraag van toelating tot arbeid die deel uitmaakt van een procedure om de Europese blauwe kaart te verkrijgen]2 voor zover de voorwaarden vermeld onder artikel 15/1 zijn vervuld.]1
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-17/10, art. 10, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (2)<BDG 2018-06-07/15, art. 11, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Afdeling 2. - De arbeidskaart A.

  Art. 16. <KB 2003-02-06/41, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De arbeidskaart A wordt toegekend aan de buitenlandse onderdaan die, over een maximale periode van tien jaar wettig en ononderbroken verblijf onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, bewijst dat hij vier jaar arbeid met een arbeidskaart B heeft verricht.
  De termijn van vier jaar arbeid bepaald in het eerste lid wordt teruggebracht tot drie jaar voor de onderdanen van de landen waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is.
  De termijn van vier jaar arbeid bedoeld in het eerste lid en de termijn van drie jaar arbeid bedoeld in het tweede lid worden respectievelijk verminderd met één jaar, indien de echtgenote of de kinderen van de buitenlandse onderdaan samen met hem wettig verblijven.
  Voor de toepassing van de voorgaande leden worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze door een in België gevestigde werkgever werd tewerkgesteld.
  Het verblijf wordt geacht ononderbroken te zijn :
  a) wanneer de onderbreking tussen twee opeenvolgende verblijfsperioden niet meer dan een jaar beloopt;
  b) wanneer de afwezigheid het gevolg is van de dienstplicht, op voorwaarde dat de betrokkene binnen zestig dagen na het volbrengen van de dienstperiode naar België terugkeert.
  Komen niet in aanmerking de jaren arbeid gedekt door arbeidskaarten die werden toegekend :
  a) aan de gespecialiseerde techniekers, bedoeld in artikel 9, eerste lid, 9°;
  b) aan de stagiairs, bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
  c) aan de au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk VI;
  d) aan werknemers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven;
  e) om te werken als navorser of gasthoogleraar aan een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling;
  f) om te werken als hooggeschoold personeel, bedoeld bij artikel 9, eerste lid, 6°;
  g) op grond van artikel 9, eerste lid, 16° of 17°.
  (h) aan de werknemers die een opleiding volgen op basis van artikel 9, eerste lid, 18° en 19°.) <KB 2007-09-12/35, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>

  Afdeling 3. - <opschrift ingevoegd bij KB 2003-02-06/41, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De arbeidskaart C.

  Afdeling 3. VLAAMS_GEWEST. [1 - Procedure voor de toelating tot arbeid die deel uitmaakt van een procedure om de gecombineerde vergunning, de Europese blauwe kaart of een andere verblijfstitel te verkrijgen met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen.]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Afdeling 3. WAALS_GEWEST. [1 Procedure tot het verrichten van arbeid die deel uitmaakt van de procedure tot het verkrijgen van een gecombineerde vergunning of een andere verblijfsvergunning om voor een periode van meer dan negentig dagen te werken.]1
  ----------
  (1)<BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Afdeling 3. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Procedure voor de toelating tot arbeid die deel uitmaakt van een procedure om een gecombineerde vergunning, een Europese blauwe kaart of een andere verblijfstitel te verkrijgen met het oog op werk en die de onderdaan van een derde land de mogelijkheid biedt voor een periode van meer dan negentig dagen te werken]1
  ----------
  (1)<BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 17.[1 De arbeidskaart C wordt toegekend :
   1° a) aan de buitenlandse onderdanen die een asielaanvraag hebben ingediend na 31 mei 2007 en die [4 vier maanden]4 na hun asielaanvraag nog geen betekening van de beslissing hebben gekregen van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen totdat een beslissing wordt betekend door deze laatste, of, in geval van beroep, totdat een beslissing wordt betekend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.;
   b) aan de buitenlandse onderdanen die een asielaanvraag hebben ingediend vóór 1 juni 2007, waarvan de aanvraag ontvankelijk werd verklaard of waarover nog geen beslissing werd betekend met betrekking tot de ontvankelijkheid, tot wanneer een beslissing wordt betekend inzake de gegrondheid van hun aanvraag tot erkenning als vluchteling door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen of, in geval van beroep, door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen;
   2° aan de buitenlandse onderdanen die erkend zijn voor de subsidiaire beschermingsstatus gedurende de periode waarbinnen hun verblijf is beperkt;
   3° aan de buitenlandse onderdanen die, in het kader van de strijd tegen de mensenhandel, een verblijfsvergunning hebben ontvangen in toepassing van artikel 110bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   4° aan de buitenlandse onderdanen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit zijn van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
   5° aan de buitenlandse onderdanen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980, voorzover de verlenging van de machtiging tot verblijf afhankelijk wordt gemaakt van tewerkstelling, behalve als het buitenlandse onderdanen betreft die een verblijfsvergunning toegekend kregen nadat een werkgever in België voor hen een aanvraag om arbeidsvergunning had ingediend;
   6° aan de buitenlandse onderdanen die het voorrecht inroepen van een recht op verblijf op basis van artikel 10 van de wet van 15 december 1980 of van een recht op verblijfsvergunning op basis van artikel 10bis van dezelfde wet, tijdens de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het verblijfsrecht alsook tijdens het beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, met uitzondering van de :
   - familieleden van buitenlandse onderdanen wier verblijf beperkt is tot de duur van een arbeidskaart of van een beroepskaart of van de uitoefening van een zelfstandige activiteit,
   - familieleden van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 2, 1e lid, 4° (behalve als het onderdanen zijn van een land dat met België verbonden is door een akkoord van wederkerigheid), 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25 en 26° [2 en 34°]2,
   - familieleden van een student;
   7° aan de buitenlandse onderdanen die een definitieve gunstige beslissing hebben verkregen betreffende een verblijfsrecht op basis van artikel 10 van de wet van 15 december 1980 of betreffende een verblijfsvergunning op basis van artikel 10bis van de voorvermelde wet met uitzondering van de :
   - familieleden van buitenlandse onderdanen wier verblijf beperkt is tot de duur van een arbeidskaart of van een beroepskaart of van de uitoefening van een zelfstandige activiteit,
   - familieleden van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 2, 1e lid, 4° (behalve als het onderdanen zijn van een land dat met België verbonden is door een akkoord van wederkerigheid) 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° en 26° [2 en 34°]2,
   - familieleden van een student;
   8° aan de personen die een recht op verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België voor arbeidsprestaties buiten de schoolvakanties, voor zover hun tewerkstelling twintig uren per week niet overschrijdt en deze verenigbaar is met hun studies;
   9° aan de echtgenoot en aan de kinderen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt van diplomaten en consuls alsook de echtgenoot van andere titularissen van een bijzondere verblijfstitel indien zij onderdaan zijn van een land waarmee België verbonden is via een wederkerigheidsakkoord;
   10° aan de personen die gemachtigd werden te verblijven als begunstigden van de tijdelijke bescherming bedoeld bij artikel 57/29 van de wet van 15 december 1980 door de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheden heeft of door diens gemachtigde.]1
  [3 De arbeidskaart C is geldig ten aanzien van buitenlandse onderdanen die aan de voorwaarden voldoen bedoeld in het eerste lid, maar die tijdelijk in het bezit zijn van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omdat zij in afwachting zijn van de afgifte van het verblijfsdocument.
   Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]3
  ----------
  (1)<KB 2011-03-13/20, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 08-04-2011>
  (2)<KB 2012-07-17/10, art. 11, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (3)<KB 2013-07-17/05, art. 3, 027; Inwerkingtreding : 05-08-2013>
  (4)<KB 2015-10-29/07, art. 1, 035; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

  Art. 17_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven.]1

  ----------
  (1)<BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 17_WAALS_GEWEST.
  [1 § 1. De bepalingen van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 gelden onverminderd de bepalingen :
   1° van de hoofdstukken II tot XI;
   2° van het koninklijk besluit van 7 oktober 2009 houdende bijzondere bepalingen met betrekking tot de tewerkstelling van sommige categorieën van buitenlandse werknemers.
   Wat het eerste lid, 1°, betreft, wordt een uitzondering gemaakt op :
   1° artikel 2, eerste lid, 14°;
   2° afdeling 2 van hoofdstuk VI;
   3° artikel 31, tweede lid.]1

  ----------
  (1)<BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 17_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven.]1

  ----------
  (1)<BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 17.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 De bepalingen van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord gelden met behoud van de toepassing van :
   1° hoofdstuk II en III, hoofdstuk IV, afdeling 1, 1bis en 2, hoofdstuk V, hoofdstuk VII, afdeling 1 en 3, met uitzondering van artikel 31, tweede lid, en hoofdstuk VIII tot en met XI;
   2° het koninklijk besluit van 7 oktober 2009 houdende bijzondere bepalingen met betrekking tot de tewerkstelling van sommige categorieën van buitenlandse werknemers.
   De bepalingen van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord zijn niet van toepassing op aanvragen op basis van artikel 2, eerste lid, 14°.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 17/1_WAALS_GEWEST.
  [1 § 1. De bepalingen van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 gelden met behoud van de toepassing van :
   1° hoofdstuk II en III, hoofdstuk IV, afdeling 1, 1bis en 2, hoofdstuk V, hoofdstuk VI, afdeling 1 en 3, hoofdstuk VII, met uitzondering van artikel 31, tweede lid, en hoofdstuk VIII tot en met XI van dit besluit;
   2° het koninklijk besluit van 7 oktober 2009 houdende bijzondere bepalingen met betrekking tot de tewerkstelling van sommige categorieën van buitenlandse werknemers.
   § 2. De bepalingen van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 zijn niet van toepassing op aanvragen op basis van artikel 2, eerste lid, 14°, van dit besluit.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18. <KB 2003-02-06/41, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De maximale duur van de arbeidskaart C bedraagt een jaar; zij kan worden hernieuwd.

  Art. 18_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor de tewerkstelling van een werknemer, onderdaan van een derde land, vraagt de werkgever conform de bepalingen van deze afdeling een toelating tot arbeid aan bij de dienst Economische Migratie. De werkgever treedt daarbij op als vertegenwoordiger van de werknemer. De ondertekening van de arbeidsovereenkomst door de werknemer geldt als aanwijzing door de werknemer van de werkgever als zijn vertegenwoordiger.
   De aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvoor de dienst Economische Migratie een model ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt :
   1° de persoonlijke gegevens en het e-mailadres van de werkgever of diens mandataris en van de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor het verblijfsadres van de onderdaan van een derde land als die in het buitenland verblijft op het ogenblik waarop de werkgever de aanvraag indient;
   2° de persoonlijke gegevens van de werknemer;
   3° de gegevens en de details aangaande de tewerkstelling van de werknemer in het Vlaamse Gewest.
   De werkgever vult de aanvraag naar behoren in, en ondertekent het gedateerde formulier.
   De ondertekening kan verricht worden via elke elektronische weg die aan de voorwaarden van artikel 1322, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek voldoet.]1

  ----------
  (1)<BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18_WAALS_GEWEST.
  [1 Om een onderdaan van een derde land toe te laten om te werken, dient de werkgever een aanvraag tot arbeidsvergunning in bij de Administratie en dit, overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.
   De aanvraag wordt ingediend door middel van een formulier ter beschikking gesteld door de Administratie.
   Het aanvraagformulier wordt door de werkgever en de werknemer onderdaan van een derde land naar behoren ingevuld, gedateerd en ondertekend.
   De werkgever treedt op als vertegenwoordiger van de werknemer. De ondertekening van het aanvraagformulier bedoeld in het tweede lid door de werknemer en de werkgever of diens lasthebber, geldt als :
   1° aanwijzing, door de werknemer, van de werkgever als vertegenwoordiger;
   2° aanvaarding, door de werkgever, van het aldus toevertrouwde mandaat.]1

  ----------
  (1)<BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor de tewerkstelling van een werknemer, onderdaan van een derde land, vraagt de werkgever conform de bepalingen van het samenwerkingsakkoord en conform de bepalingen van deze afdeling een toelating tot arbeid aan bij het departement. De werkgever treedt daarbij op als vertegenwoordiger van de werknemer. De ondertekening van de arbeidsovereenkomst door de werknemer geldt als instemming van de werknemer met de aanwijzing van de werkgever als zijn vertegenwoordiger.
   De aanvraag wordt ingediend via een formulier dat het departement ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt :
   1° de persoonlijke gegevens, het e-mailadres of het faxnummer van de werkgever of van diens mandataris en de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor het verblijfsadres van de werknemer als deze in het buitenland verblijft op het ogenblik van de indiening van de aanvraag;
   2° de persoonlijke gegevens van de werknemer;
   3° de gegevens en de details aangaande de tewerkstelling van de werknemer in het Duitse taalgebied.
   De aanvraag wordt door de werkgever ingevuld, gedagtekend en ondertekend.]1

  ----------
  (1)<BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 De via de werkgever ingediende aanvraag kan alleen worden ingediend door een natuurlijke persoon die daarvoor over de vereiste rechtsbekwaamheid beschikt, met name door de werkgever zelf of door de natuurlijke persoon die op regelmatige wijze in België verblijft en in naam en voor rekening van de werkgever handelt.
   Voor de in het buitenland gevestigde werkgever kan alleen die natuurlijke persoon optreden.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.1_WAALS_GEWEST.
  [1 De aanvraag geformuleerd door de werkgever wordt in elk geval ingediend door een natuurlijke persoon die daarvoor de rechtsbevoegdheid in België heeft Het kan de werkgever zelf zijn, of een natuurlijke persoon die zijn hoofdverblijfplaats in België heeft en die namens en voor rekening van de werkgever handelt. Wanneer de werkgever buiten België is gevestigd, is alleen deze natuurlijke persoon gemachtigd om te handelen. ]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/1_VLAAMS_GEWEST.
   [1 De aanvraag door tussenkomst van de werkgever wordt ingediend door een natuurlijke persoon die daarvoor over de vereiste rechtsbekwaamheid beschikt. Dat kan de werkgever zelf zijn, of een natuurlijke persoon die op regelmatige wijze in België verblijft en die in naam en voor rekening van de werkgever handelt. Als de werkgever in het buitenland gevestigd is, kan alleen de natuurlijke persoon voor hem optreden.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 De werkgever of, in voorkomend geval, de werknemer, voegt de documenten vermeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.2_WAALS_GEWEST.
  [1 De werkgever of, in voorkomend geval, de werknemer, voegt de documenten bedoeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 bij het formulier bedoeld in artikel 18.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/2_VLAAMS_GEWEST.
  [1 De werkgever of, in voorkomend geval, de werknemer, voegt de documenten, vermeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Naast de documenten vermeld in artikel 18.2, voegt de werkgever de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een kopie van zijn identiteitsbewijs of dat van zijn volmachthouder;
   2° een kopie van de bladzijden van het geldig paspoort van de werknemer die zijn persoonlijke gegevens bevatten of, als de betrokkene in België verblijft, een kopie van het document dat zijn verblijf dekt;
   3° in geval van detachering, een kopie van het document, afgeleverd door de buitenlandse instelling, dat verklaart dat de socialezekerheidswetgeving van dat land van toepassing blijft tijdens de tewerkstelling op het Belgische grondgebied, of, als een internationale overeenkomst daarover ontbreekt, een verklaring van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat de voorwaarden om onderworpen te zijn aan het Belgische stelsel voor werknemers, niet vervuld zijn.
   In geval van hernieuwing worden de volgende stukken toegevoegd :
   1° een kopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de toelating tot arbeid die verstrijkt of een kopie van de individuele rekening na een volledig kalenderjaar waarin de betrokkene heeft gewerkt, alsook de betalingsbewijzen ervan;
   2° als de aanvraag een detachering betreft binnen het toepassingsgebied van titel IV, hoofdstuk 8, van de programmawet (I) van 27 december 2006: het bewijs van inschrijving in het Limosakadaster.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.3_WAALS_GEWEST.
  [1 Bij het formulier bedoeld in artikel 18 en de documenten bedoeld in artikel 18/2, voegt de werkgever :
   1° het afschrift van zijn identiteitskaart of van zijn lasthebber;
   2° het afschrift van elke bladzijde van het geldig paspoort van de werknemer en, als de betrokkene in België verblijft, het afschrift van het document dat zijn verblijf dekt;
   3° als de aanvraag een terbeschikkingstelling betreft :
   a) een afschrift van het document afgegeven door de buitenlandse instelling waaruit blijkt dat de wetgeving betreffende de sociale zekerheid van dat land van toepassing blijft tijdens de tewerkstelling op het Belgisch grondgebied wanneer een internationale overeenkomst betreffende de sociale zekerheid bestaat;
   b) bij gebrek aan een dergelijke internationale overeenkomst, een document van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid waaruit blijkt dat de werknemer niet onderworpen mag worden aan het Belgisch stelsel van sociale zekerheid.
   Voor een aanvraag tot hernieuwing, naast de in het eerste lid bedoelde documenten, worden er ook bijgevoegd :
   1° het afschrift van de loonfiches of loonafrekeningen voor de hele periode van de arbeidsvergunning die vervalt of het afschrift van de individuele rekening;
   2° als de aanvraag een terbeschikkingstelling betreft, het bewijs van de inschrijving in het kadaster Limosa;
   3° als de aanvraag een gesubsidieerde onderzoeker betreft bedoeld in artikel 9, eerste lid, 8°, het bewijs van de betaling van de subsidie.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/3_VLAAMS_GEWEST.
  [1 De werkgever voegt naast de documenten, vermeld in artikel 18/2, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een fotokopie van zijn identiteitsbewijs of dat van zijn volmachthouder;
   2° een fotokopie van de persoonsgegevens van het geldige paspoort van de werknemer en, als de betrokkene in België verblijft, een fotokopie van het document dat zijn verblijf dekt;
   3° in geval van detachering, een kopie van het document, afgeleverd door de buitenlandse instelling, dat verklaart dat de socialezekerheidswetgeving van dat land van toepassing blijft tijdens de tewerkstelling op het Belgische grondgebied, of, als een internationale overeenkomst daarover ontbreekt, een verklaring van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat de voorwaarden om onderworpen te zijn aan het Belgische stelsel voor werknemers, niet vervuld zijn.
   In geval van hernieuwing worden de volgende stukken bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, gevoegd :
   1° een fotokopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de toelating tot arbeid die verstrijkt;
   2° een fotokopie van de individuele rekening na een volledig kalenderjaar waarin de betrokkene heeft gewerkt;
   3° als de aanvraag een detachering betreft binnen het toepassingsgebied van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006, het bewijs van inschrijving in het Limosakadaster.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.4_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor stagiairs als vermeld in artikel 9, eerste lid, 5°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een kopie van de stageovereenkomst vermeld in artikel 22, 3°, ingevuld, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
   2° als de stage wordt betaald door middel van een beurs, het bewijs van de toekenning van die beurs aan de betrokkene;
   3° het opleidingsprogramma vermeld in artikel 22, 4°;
   4° een kopie van het diploma of van het getuigschrift van de studie in het verlengde waarvan de stage plaatsvindt, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan;
   5° de verbintenis, ondertekend door de stagiair, om tijdens de stageperiode geen andere betrekking in België te bekleden dan die waarvoor de toelating werd verleend.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.4_WAALS_GEWEST.
  [1 Bij het formulier bedoeld in artikel 18 en de documenten bedoeld in de artikelen 18/2 en 18/3, voegt de werkgever, als het gaat om de stagiairs bedoeld in artikel 9, eerste lid, 5° :
   1° het afschrift van de stageovereenkomst naar behoren ingevuld, bedoeld in artikel 22, 3°, gedateerd en ondertekend door beide partijen;
   2° als de stage wordt vergoed met een beurs, het bewijs van de toekenning van deze beurs aan de betrokkene;
   3° het opleidingsprogramma bedoeld in artikel 22, 4°;
   4° het afschrift van het diploma of getuigschrift dat door de stage wordt aangevuld, waarbij, in voorkomend geval, de versie vertaald door een beëdigd vertaler gevoegd zal worden;
   5° de verbintenis bedoeld in artikel 21, 2°, ondertekend door de stagiair, om in België geen dienstbetrekking uit te voeren tijdens de geldigheidsduur van de aangevraagde arbeidsvergunning.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/4_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor stagiairs als vermeld in artikel 9, eerste lid, 5°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een fotokopie van de naar behoren ingevulde stageovereenkomst, vermeld in artikel 22, 3°, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
   2° als de stage wordt betaald met een beurs, het bewijs van de toekenning van die beurs aan de betrokkene;
   3° het opleidingsprogramma, vermeld in artikel 22, 4° ;
   4° een fotokopie van het diploma of getuigschrift van de studie in het verlengde waarvan de stage plaatsvindt, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
   5° het curriculum vitae van de stagiair;
   6° de verbintenis, ondertekend door de stagiair, om tijdens de stageperiode geen andere betrekking in België te bekleden dan die waarvoor de toelating wordt verleend.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.5_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor hooggekwalificeerd personeel of personen die een leidinggevende functie bekleden als vermeld in artikel 9, eerste lid, 6° en 7°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een kopie van de arbeidsovereenkomst conform de bepalingen van titel I en titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en door beide partijen ondertekend, of, in geval van detachering, een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een vertaling ervan;
   2° in geval van detachering, een attest ondertekend door de werkgever waarin hij de duur van de detachering bepaalt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de detachering;
   3° voor hooggekwalificeerd personeel, een kopie van de diploma's van het hoger onderwijs die de betrokkene heeft behaald of elk ander document dat de kwalificatie van de werknemer bevestigt, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.5_WAALS_GEWEST.
   [1 Bij het formulier bedoeld in artikel 18 en de documenten bedoeld in de artikelen 18/2 en 18/3, voegt de werkgever, als het gaat om hooggeschoold personeel of personen die een leidinggevende functie komen bekleden bedoeld in artikel 9, eerste lid, 6° en 7° :
   1° a) het afschrift van de arbeidsovereenkomst conform de bepalingen van de titels I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedateerd en ondertekend door beide partijen;
   b) in geval van terbeschikkingstelling, het afschrift van de arbeidsovereenkomst die de werknemer met zijn werkgever gevestigd in het buitenland verbindt, waarbij, in voorkomend geval, de versie vertaald door een beëdigd vertaler gevoegd zal worden;
   2° in geval van terbeschikkingstelling, een attest ondertekend door de werkgever met vermelding van de duur van de terbeschikkingstelling alsook de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de terbeschikkingstelling;
   3° voor het hooggeschoold personeel, het afschrift van de diploma's van het hoger onderwijs behaald door de betrokkene, waarbij, in voorkomend geval, de versie vertaald door een beëdigd vertaler gevoegd zal worden;
   4° voor de personen die een leidinggevende functie komen bekleden, het attest "leidinggevend personeel" ter beschikking gesteld door de Administratie naar behoren ingevuld, gedateerd en ondertekend door beide partijen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/5_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor hooggeschoold personeel of personen die een leidinggevende functie bekleden als vermeld in artikel 9, eerste lid, 6° en 7°, van dit besluit, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit :
   1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst conform titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, of, in geval van detachering, een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn werkgever die in het buitenland is gevestigd, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
   2° in geval van detachering een attest, ondertekend door de werkgever, waarin hij de duur van de detachering bepaalt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de detachering;
   3° voor hooggeschoold personeel een fotokopie van de diploma's van het hoger onderwijs die de betrokkene heeft behaald, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.6_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor navorsers of gasthoogleraren als vermeld in artikel 9, eerste lid, 8°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° voor navorsers, het voltijdse programma van wetenschappelijk onderzoek, met vermelding van de begin- en einddatum, alsook met vermelding van de bezoldiging of de subsidie die ten minste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen;
   2° voor een gesubsidieerde navorser, het bewijs van de toekenning van de subsidie;
   3° het bewijs van de selectie en van de uitnodiging door de universiteit, instelling van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instelling;
   4° een kopie van het universitaire diploma van de betrokkene waaruit blijkt dat hij houder is van een op basis van een doctoraal proefschrift verkregen doctorstitel of van een gelijkwaardig bevonden academische titel, in voorkomend geval met een vertaling ervan;
   5° voor een gasthoogleraar, tenzij het bewijs wordt geleverd dat zijn uitzendende instelling hem gedurende zijn verblijf verder bezoldigt, het bewijs dat hem een bezoldiging wordt toegekend die overeenstemt met het barema van het onderwijspersoneel aan de universiteit of in de instelling van hoger onderwijs.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.6_WAALS_GEWEST.
   [1 Bij het formulier bedoeld in artikel 18 en de documenten bedoeld in de artikelen 18/2 en 18/3, voegt de werkgever, als het gaat om navorsers en gasthoogleraren bedoeld in artikel 9, eerste lid, 8° :
   1° voor de navorsers, het voltijds onderzoeksprogramma met vermelding van de begin- en einddata en van de bezoldiging of de subsidie die tenminste overeenstemmen met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen;
   2° als de aanvraag een gesubsidieerde navorser betreft, het bewijs van de toekenning van de subsidie;
   3° het bewijs van de uitnodiging en, in voorkomend geval, van de selectie, door de universiteit, de instelling van hoger onderwijs of de erkende wetenschappelijke instelling;
   4° het afschrift van het universitair diploma van de betrokkene, namelijk het bewijs dat hij houder is van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden, waarbij, in voorkomend geval, de versie vertaald door een beëdigd vertaler gevoegd zal worden;
   5° voor een gasthoogleraar, tenzij er wordt bewezen, gedurende zijn verblijf, dat hij verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling, het bewijs dat hij een bezoldiging ontvangt in een barema van het onderwijzend personeel van de universiteit of van de instelling van hoger onderwijs.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/6_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor navorsers of gasthoogleraren als vermeld in artikel 9, eerste lid, 8°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° voor de navorsers het voltijdse programma van wetenschappelijk onderzoek, met vermelding van de begin- en einddatum, alsook van de bezoldiging of de subsidie die ten minste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen;
   2° voor een gesubsidieerde navorser het bewijs van de toekenning van de subsidie;
   3° een fotokopie van het universitaire diploma van de betrokkene, namelijk het bewijs dat hij houder is van een doctoraat op proefschrift of van een academische titel die als gelijkwaardig wordt beoordeeld, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
   4° voor een gasthoogleraar, tenzij het bewijs wordt geleverd dat zijn uitzendende instelling hem gedurende zijn verblijf verder bezoldigt, het bewijs dat hem een bezoldiging wordt toegekend die overeenstemt met het barema van het onderwijspersoneel in de universiteit of in de instelling van hoger onderwijs.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.7_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor gespecialiseerde technici als vermeld in artikel 9, eerste lid, 9°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een kopie van de leveringsovereenkomst waaruit blijkt dat de installatie die de gespecialiseerde technicus in België monteert, op gang brengt of herstelt, vervaardigd of geleverd is door zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is;
   2° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de technicus en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, waarbij een kopie gevoegd is van de door de werkgever ondertekende dienstopdracht of opdrachtbrief, met bepaling van de duur van de detachering alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden voor de duur van de detachering, in voorkomend geval met een vertaling ervan.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.7_WAALS_GEWEST.
   [1 Bij het formulier bedoeld in artikel 18 en de documenten bedoeld in de artikelen 18/2 en 18/3, voegt de werkgever, als het gaat om gespecialiseerde techniekers bedoeld in artikel 9, eerste lid, 9° :
   1° het afschrift van het leveringscontract dat bewijst dat de gespecialiseerde technieker naar België komt om over te gaan tot de montage, het op gang brengen of de herstelling van een installatie die door zijn werkgever gevestigd in het buitenland wordt vervaardigd of geleverd.
   2° een nota met vermelding van de sector en het werkdomein van de werkgever gevestigd in het buitenland die zijn werknemer detacheert;
   3° het afschrift van de arbeidsovereenkomst die de technieker met zijn werkgever gevestigd in het buitenland verbindt, vergezeld van een afschrift van de dienstopdracht of de opdrachtbrief, ondertekend door de werkgever, waarbij de duur van de terbeschikkingstelling wordt bepaald alsook de arbeids- en berzoldigingsvoorwaarden voor de duur van de terbeschikkingstelling, waarbij, in voorkomend geval, de versie vertaald door een beëdigd vertaler gevoegd zal worden.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/7_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor gespecialiseerde technici als vermeld in artikel 9, eerste lid, 9°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een fotokopie van de leveringsovereenkomst waaruit blijkt dat de installatie die de gespecialiseerde technicus komt monteren, die hij in gang komt zetten of die hij komt herstellen, vervaardigd of geleverd is door zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is;
   2° een nota met vermelding van de sector en het activiteitengebied van de werkgever die in het buitenland gevestigd is en die zijn werknemer detacheert;
   3° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de technicus en zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is, waarbij een fotokopie gevoegd is van de dienstopdracht of de opdrachtbrief, ondertekend door de werkgever, met een beschrijving van de duur van de detachering, alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden voor de duur van de detachering, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.8_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 10°, die gedetacheerd werden om een opleiding van hoogstens zes maanden te volgen die verbonden is aan een met een Belgische onderneming gesloten verkoopcontract, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een vertaling ervan;
   2° een kopie van de opleidingsovereenkomst die bij het verkoopcontract gevoegd werd, met vermelding van de duur van de opleiding, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de opleiding;
   3° een kopie van het verkoopcontract tussen de Belgische onderneming en de in het buitenland gevestigde werkgever.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.8_WAALS_GEWEST.
  [1 Bij het formulier bedoeld in artikel 18 en de documenten bedoeld in de artikelen 18/2 en 18/3, voegt de werkgever, als het gaat om werknemers bedoeld in artikel 9, eerste lid, 10°, gedetacheerd voor een opleiding van maximum zes maanden toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten met een Belgisch bedrijf :
   1° het afschrift van de arbeidsovereenkomst die de werknemer en de werkgever gevestigd in het buitenland verbindt, waarbij, in voorkomend geval, de versie vertaald door een beëdigd vertaler gevoegd zal worden;
   2° de opleidingsovereenkomst toegevoegd aan het verkoopscontract met de vermelding van de opleidingsduur alsook de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de opleiding;
   3° het afschrift van het verkoopscontract gesloten tussen het Belgisch bedrijf en de werkgever gevestigd in het buitenland.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/8_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 10°, die gedetacheerd worden om een opleiding te volgen gedurende hoogstens zes maanden in de nasleep van een met een Belgische onderneming gesloten verkoopcontract, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de werkgever die in het buitenland gevestigd is, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
   2° een fotokopie van de opleidingsovereenkomst die bij het verkoopcontract gevoegd is, met bepaling van de duur van de opleiding, alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de opleiding;
   3° een fotokopie van het verkoopcontract tussen de Belgische onderneming en de werkgever die in het buitenland gevestigd is.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.9_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor beroepssportlui en trainers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 11°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars in overeenstemming met de artikelen 2 tot 9 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;
   2° een verklaring op erewoord, waarbij de werkgever er zich toe verbindt de betaling van het bedrag van de bezoldiging vermeld in artikel 9, eerste lid, 11°, te eerbiedigen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.9_WAALS_GEWEST.
  [1 Bij het formulier bedoeld in artikel 18 en de documenten bedoeld in de artikelen 18/2 en 18/3, voegt de werkgever, als het gaat om beroepssportlui en trainers bedoeld in artikel 9, eerste lid, 11° :
   1° het afschrift van de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaar conform de bepalingen van de artikelen 2 tot 9 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, gedateerd en ondertekend door beide partijen;
   2° een verklaring op erewoord waarin de werkgever zich ertoe verbindt het bedrag van de bezoldiging bedoeld in artikel 9, eerste lid, 11°, na te leven.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/9_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor beroepssportlui of trainers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 11°, van dit besluit, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit :
   1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst van betaalde sportbeoefenaar conform artikel 2 tot en met 9 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
   2° een verklaring op erewoord, waarbij de werkgever zich ertoe verbindt het bedrag van de bezoldiging, vermeld in artikel 9, eerste lid, 11°, van dit besluit, te eerbiedigen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.10_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor personen als vermeld in artikel 9, eerste lid, 12° en 13°, die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een exploitatiezetel in België of in een toeristische dienst van hun land voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een kopie van de arbeidsovereenkomst conform de bepalingen van titel I en titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en door beide partijen ondertekend, of, in geval van detachering, een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een vertaling ervan;
   2° in geval van detachering, een attest ondertekend door de werkgever waarin hij de duur van de detachering bepaalt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de detachering.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.10_WAALS_GEWEST.
  [1 Bij het formulier bedoeld in artikel 18 en de documenten bedoeld in de artikelen 18/2 en 18/3, voegt de werkgever, als het gaat om werknemers die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België of in een toeristische dienst van hun land bedoeld in artikel 9, eerste lid, 12° en 13° :
   1° het afschrift van de arbeidsovereenkomst conform de bepalingen van de titels I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedateerd en ondertekend door beide partijen of, in geval van terbeschikkingstelling, een afschrift van de arbeidsovereenkomst die de werknemer met zijn werkgever gevestigd in het buitenland verbindt, waarbij, in voorkomend geval, de versie vertaald door een beëdigd vertaler gevoegd zal worden;
   2° in geval van terbeschikkingstelling, een attest ondertekend door de werkgever met vermelding van de duur van de terbeschikkingstelling alsook de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de terbeschikkingstelling.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/10_WAALS_GEWEST.
  [1 Voor werknemers die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België of in een toeristische dienst van hun land als vermeld in artikel 9, eerste lid, 12° en 13°, van dit besluit, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit :
   1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst conform titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, of, in geval van detachering, een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
   2° in geval van detachering een attest, ondertekend door de werkgever, waarin hij de duur van de detachering bepaalt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de detachering.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.11_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor schouwspelartiesten als vermeld in artikel 9, eerste lid, 15°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een kopie van de ingevulde, gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst voor schouwspelartiesten, met alle vermeldingen en bepalingen opgenomen in bijlage II van dit besluit;
   2° een brief met uitleg van de werkgever over de aard van de artistieke handelingen in het kader van de toelating tot arbeid.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.11_WAALS_GEWEST.
  [1 Bij het in artikel 18 bedoelde formulier en bij de in de artikelen 18/2 en 18/3 bedoelde documenten voegt de werkgever, indien het gaat om schouwspelartiesten bedoeld in artikel 9, eerste lid, 15° :
   1° het afschrift van de door beide partijen behoorlijk ingevulde, gedateerde en ondertekende arbeidsovereenkomst voor schouwspelartiest met de vermeldingen en bepalingen bedoeld in bijlage II die bij dat besluit wordt gevoegd;
   2° een toelichtende brief van de werkgever over de aard van de artistieke activiteiten in het kader van de arbeidsvergunning.
   De administratie kan de in het eerste lid, 1°, bedoelde bijlage II die bij dat besluit wordt gevoegd wijzigen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/11_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor schouwspelartiesten als vermeld in artikel 9, eerste lid, 15°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een fotokopie van de naar behoren ingevulde arbeidsovereenkomst voor schouwspelartiest met de vermeldingen en bepalingen, opgenomen in bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
   2° een brief met uitleg van de werkgever over de aard van de artistieke activiteiten in het kader van de toegang tot arbeid.]1{

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.12_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 18° en 19°, die gedetacheerd worden om een opleiding te volgen in een Belgische zetel van de multinationale groep waartoe hun onderneming behoort, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een vertaling ervan;
   2° het bewijs dat de Belgische zetel waar de opleiding plaatsvindt, deel uitmaakt van de multinationale groep waartoe de onderneming van de werknemer behoort;
   3° een kopie van de opleidingsovereenkomst, met vermelding van de duur van de opleiding alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de opleiding in België.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.12_WAALS_GEWEST.
  [1 Bij het in artikel 18 bedoelde formulier en bij de in de artikelen 18/2 en 18/3 bedoelde documenten voegt de werkgever, indien het gaat om werknemers die voor een opleiding zijn gedetacheerd bij een Belgische zetel van de multinationale groep waartoe hun onderneming behoort :
   1° het afschrift van de arbeidsovereenkomst waarmee de werknemer aan zijn in het buitenland gevestigde werkgever verbonden wordt;
   2° het bewijs dat de Belgische zetel waarin de opleiding plaatsvindt, deel uitmaakt van de multinationale groep waartoe de onderneming van de werknemer behoort;
   3° het afschrift van het opleidingscontract waarin de duur van de opleiding alsook de arbeidsvoorwaarden en de bezoldiging tijdens zijn opleiding in België worden vermeld.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/12_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor werknemers die worden gedetacheerd om een opleiding te volgen in een Belgische zetel van de multinationale groep waartoe hun onderneming behoort als vermeld in artikel 9, eerste lid, 18° en 19°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de werkgever die in het buitenland gevestigd is, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
   2° het bewijs dat de Belgische zetel waar de opleiding plaatsvindt, deel uitmaakt van de multinationale groep waartoe de onderneming van de werknemer behoort;
   3° een fotokopie van de opleidingsovereenkomst, met vermelding van de duur van de opleiding, alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de opleiding.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.13_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 20°, die de status van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben en voor wie de toelating tot arbeid een beroep betreft waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er een tekort aan arbeidskrachten is, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een kopie van de verblijfskaart van langdurig ingezeten onderdaan die de betrokkene verkregen heeft in een andere lidstaat van de Europese Unie, waarin de passende vermelding "langdurig ingezetene-EG" als bedoeld in de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen uitdrukkelijk is opgenomen;
   2° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen in titel I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.13_WAALS_GEWEST.
  [1 Bij het in artikel 18 bedoelde formulier en bij de in de artikelen 18/2 en 18/3 bedoelde documenten voegt de werkgever, indien het gaat om werknemers bedoeld in artikel 9, eerste lid, 20°, die de verblijfsstatus van langdurig ingezetene in een andere lidstaat van de Europese Unie genieten en wier de arbeidsvergunning een beroep betreft, waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er zich een tekort aan arbeidskrachten voordoet :
   1° als het om een eerste aanvraag gaat, het afschrift van de verblijfskaart van langdurig ingezetene, die de betrokkene in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verkregen en die uitdrukkelijk de gepaste vermelding "EU-langdurig ingezetene" vermeldt;
   2° het afschrift van de door beide partijen gedateerde en ondertekende arbeidsovereenkomst die overeenstemt met de titels I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/13_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 20°, van dit besluit, die het statuut van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben, en voor wie de toegang tot arbeid een beroep betreft waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er een tekort aan arbeidskrachten is, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit :
   1° bij een eerste aanvraag de fotokopie van de verblijfskaart van langdurig ingezeten onderdaan die de betrokkene verkregen heeft in een andere lidstaat van de Europese Unie, waarin de passende vermelding "langdurig ingezetene-EG" uitdrukkelijk is opgenomen;
   2° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst conform titel I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.14_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 4°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen in titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
   2° een kopie van het diploma van de werknemer dat bevestigt dat hij geslaagd is voor een postsecundaire cyclus van minstens drie jaar hogere studies aan een instelling voor hoger onderwijs die in de Staat waar die instelling gevestigd is, als zodanig erkend is. Het diploma wordt door een vertaler in het Duits vertaald en de kopie wordt door de bevoegde diplomatieke of consulaire post gelegaliseerd.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.14_WAALS_GEWEST.
   [1 Bij het in artikel 18 bedoelde formulier en bij de in de artikelen 18/2 en 18/3 bedoelde documenten voegt de werkgever, indien het gaat om werknemers bedoeld in artikel 2, eerste lid, 6°, het bewijs dat het om een erkende eredienst gaat en dat de betrokkene bedienaar van de eredienst is, en dit, aan de hand van een afschrift van de akte tot aanwijzing van de FOD Justitie of van het bewijs van de aanwijzing door de Belgische verantwoordelijke voor de erkende eredienst. De duur van de opdracht en de bestaansmiddelen worden vermeld.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/14_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 4°, van dit besluit, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit :
   1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst conform titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
   2° een fotokopie van het diploma van de werknemer, dat bevestigt dat hij geslaagd is voor een postsecundaire cyclus van minstens drie jaar hogere studies aan een instituut dat erkend is als instelling voor hoger onderwijs door de staat waarin het instituut is gevestigd als vermeld in artikel 15/1, § 2, van dit besluit. Het diploma is naar het Frans of Nederlands vertaald, en het afschrift is door de bevoegde diplomatieke of consulaire post gelegaliseerd.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.15_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor werknemers als vermeld in artikel 2, eerste lid, 6°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, het bewijs dat het om een erkende eredienst gaat en dat de betrokkene bedienaar van die eredienst is. Het bewijs wordt geleverd met een kopie van de aanstellingsakte van de FOD Justitie of met een kopie van het bewijs van aanstelling door de Belgische verantwoordelijke van de erkende eredienst. De duur en de plaats van de opdracht en de bestaansmiddelen worden vermeld.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.15_WAALS_GEWEST.
  [1 Bij het in artikel 18 bedoelde formulier en bij de in de artikelen 18/2 en 18/3 bedoelde documenten voegt de werkgever de volgende documenten, indien het gaat om personeel dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, 7° :
   1° elk document dat aantoont dat de werknemer tewerkgesteld is door een officiële instantie belast met het onderhoud van militaire begraafplaatsen om te zorgen voor het onderhoud van graven van buitenlandse militairen;
   2° het afschrift van de door beide partijen gedateerde en ondertekende arbeidsovereenkomst die overeenstemt met de titels I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/15_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor de werknemers, vermeld in artikel 2, eerste lid, 6°, voegt de werkgever bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, het bewijs dat het om een erkende eredienst gaat, en dat de betrokkene bedienaar van de eredienst is. Het bewijs wordt geleverd met een afschrift van de aanstellingsakte van de FOD Justitie of van een bewijs van aanstelling door de Belgische verantwoordelijke van de erkende eredienst. De duur van de opdracht en de bestaansmiddelen worden vermeld.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.16_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor personeel dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt als vermeld in artikel 2, eerste lid, 7°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid:
   1° elk document dat aantoont dat de werknemer wordt tewerkgesteld door een officiële instantie die belast is met het onderhoud van militaire begraafplaatsen om het onderhoud van de graven van buitenlandse militairen te verzekeren;
   2° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen in titel I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.16_WAALS_GEWEST.
  [1 Bij het in artikel 18 bedoelde formulier en bij de in de artikelen 18/2 en 18/3 bedoelde documenten voegt de werkgever, indien het om zeelieden bedoeld in artikel 2, eerste lid, 8°, gaat :
   1° het bewijs van de opneming op de lijst van de Pool bij de Hulp-en voorzorgskas voor zeevarenden;
   2° het afschrift van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst aan boord van zeeschepen conform de bepalingen van de artikelen 29 tot 39 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen, gedateerd en ondertekend door de zeevarende en de werkgever, de reder of zijn gemachtigde of de kapitein.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/16_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor het personeel dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt, vermeld in artikel 2, eerste lid, 7°, van dit besluit, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit :
   1° elk document dat aantoont dat de werknemer wordt tewerkgesteld door een officiële instantie die belast is met het onderhoud van militaire begraafplaatsen, om het onderhoud van de graven van buitenlandse militairen te verzekeren;
   2° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst conform titel I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.17_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor zeelieden als vermeld in artikel 2, eerste lid, 8°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° het bewijs van inschrijving op de Poollijst;
   2° een kopie van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst aan boord van zeeschepen, conform de bepalingen van artikel 29 tot 39 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen, gedagtekend en ondertekend door de zeeman en de werkgever, de reder, zijn gemachtigde of de kapitein.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.17_WAALS_GEWEST.
  [1 Bij het in artikel 18 bedoelde formulier en bij de in de artikelen 18/2 en 18/3 bedoelde documenten voegt de werkgever de perskaart van de journalist afgegeven door de bevoegde diensten, indien het gaat om in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, 15°.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/17_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor de zeelieden, vermeld in artikel 2, eerste lid, 8°, van dit besluit, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit :
   1° het bewijs van inschrijving op de Poollijst;
   2° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst aan boord van zeeschepen, conform artikel 29 tot en met 39 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen, gedagtekend en ondertekend door de zeeman en de werkgever, de reder, zijn gemachtigde of de kapitein.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.18_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor journalisten die in België verblijven en die uitsluitend verbonden zijn aan dagbladen die in het buitenland uitgegeven worden of aan persagentschappen, radio- of televisiestations die in het buitenland gevestigd zijn, vermeld in artikel 2, eerste lid, 15°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, een kopie van de voorlopige of definitieve perskaart van de journalist afgeleverd door de bevoegde overheid.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.18_WAALS_GEWEST.
  [1 Bij het in artikel 18 bedoelde formulier en bij de in de artikelen 18/2 en 18/3 bedoelde documenten voegt de werkgever, indien het gaat om werknemers bedoeld in artikel 2, eerste lid, 20° :
   1° het afschrift van de door beide partijen gedateerde en ondertekende arbeidsovereenkomst die overeenstemming is met de titels I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
   2° het afschrift van de internationale overeenkomst in uitvoering waarvan de tewerkstelling geschiedt;
   3° het bewijs dat de internationale overeenkomst in uitvoering waarvan de tewerkstelling geschiedt, door een gewestelijke of gemeenschappelijke overheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden goedgekeurd is.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/18_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor de journalisten die in België verblijven en die uitsluitend verbonden zijn aan dagbladen die in het buitenland uitgegeven worden of aan persagentschappen, radio- of televisiestations die in het buitenland gevestigd zijn, vermeld in artikel 2, eerste lid, 15°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, een afschrift van de voorlopige of definitieve perskaart van de journalist, afgeleverd door de bevoegde Belgische diensten.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.19_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor werknemers als vermeld in artikel 2, eerste lid, 20°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen in titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
   2° een kopie van het internationaal akkoord ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt;
   3° het bewijs dat het internationale akkoord, ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt, bekrachtigd is door een gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van haar respectieve bevoegdheden.]1
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.19_WAALS_GEWEST.
   [1 Bij het in artikel 18 bedoelde formulier en bij de in de artikelen 18/2 en 18/3 bedoelde documenten voegt de werkgever, indien het gaat om stagiairs bedoeld in artikel 2, eerste lid, 21° :
   1° het afschrift van de door beide partijen gedateerde en ondertekende stageovereenkomst waarin de duur van de stage en het bedrag van de bestaansmiddelen worden vermeld;
   2° indien het gaat om een stagiair tewerkgesteld in het kader van een programma goedgekeurd door een in België gevestigde publiekrechtelijke internationale organisatie waarvan het statuut bij een vigerend verslag geregeld wordt, het bewijs dat dit programma door de internationale organisatie is goedgekeurd;
   3° in geval van uitwisselingsprogramma gebaseerd op wederkerigheid, het bewijs van de wederkerigheid.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/19_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor werknemers als vermeld in artikel 2, eerste lid, 20°, van dit besluit, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in de artikel 18/2 en 18/3 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit :
   1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst, conform titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
   2° een afschrift van het internationale akkoord ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt;
   3° het bewijs dat het internationale akkoord ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt, bekrachtigd is door een gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van haar respectieve bevoegdheden.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.20_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor stagiairs als vermeld in artikel 2, eerste lid, 21°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende stageovereenkomst, met vermelding van de stageduur en de bezoldiging;
   2° bij een stagiair die tewerkgesteld wordt in het kader van een programma dat goedgekeurd is door een internationale instelling van publiek recht die in België gevestigd is, waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, het bewijs van goedkeuring van het programma door de internationale instelling;
   3° bij een wederkerig uitwisselingsprogramma, het bewijs van de wederkerigheid.]1
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.20_WAALS_GEWEST.
  [1 Bij het in artikel 18 bedoelde formulier en bij de in de artikelen 18/2 en 18/3 bedoelde documenten voegt de werkgever, indien het gaat om de postdoctorale onderdanen uit een derde land zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, 25° :
   1° het bewijs dat de postdoctorale werknemer houder is van een titel van doctor en dat hij buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende universiteit;
   2° het bewijs dat de postdoctorale werknemer in aanmerking komt voor een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek met vermelding van het bedrag van de tegemoetkoming;
   3° het bewijst dat de postdoctorale werknemer een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek uitvoert in de onthalende universiteit met vermelding van de duur van het onderzoek.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/20_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor de stagiairs, vermeld in artikel 2, eerste lid, 21°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een fotokopie van de stageovereenkomst, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, met vermelding van de duur van de stage en de hoogte van de vergoeding;
   2° bij een stagiair die tewerkgesteld wordt in het kader van een programma dat goedgekeurd is door een internationale instelling van publiek recht die in België gevestigd is en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, het bewijs van goedkeuring van het programma door de internationale instelling;
   3° bij een wederkerig uitwisselingsprogramma het bewijs van de wederkerigheid.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.21_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor postdoctorale vreemdelingen als vermeld in artikel 2, eerste lid, 25°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° het bewijs dat de postdoctorandus houder is van een doctorsgraad of over uitzonderlijke wetenschappelijke kennis beschikt die geattesteerd is door de gastuniversiteit;
   2° het bewijs dat de postdoctorandus een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek krijgt, met vermelding van het bedrag van de tegemoetkoming;
   3° het bewijs dat de postdoctorandus een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek volbrengt in de gastuniversiteit, met vermelding van de duur van het onderzoek.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.21_WAALS_GEWEST.
  [1 Bij het in artikel 18 bedoelde formulier en bij de in de artikelen 18/2 en 18/3 bedoelde documenten voegt de werkgever, indien het gaat om onderzoekers bedoeld in artikel 2, eerste lid, 26°, het afschrift van de gastovereenkomst tussen de onderzoeker en de erkende onderzoekinstelling, behoorlijk ingevuld, gedateerd en ondertekend door beide partijen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/21_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor de postdoctorale onderdanen van een derde land, vermeld in artikel 2, eerste lid, 25°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° het bewijs dat de postdoctorandus houder is van een doctorsgraad of over uitzonderlijke wetenschappelijke kwaliteiten beschikt die geattesteerd zijn door de gastuniversiteit;
   2° het bewijs dat de postdoctorandus een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek krijgt, met vermelding van het bedrag van de tegemoetkoming;
   3° het bewijs dat de postdoctorandus fundamenteel wetenschappelijk onderzoek volbrengt in de gastuniversiteit, met vermelding van de duur van het onderzoek.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.22_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor onderzoekers als vermeld in artikel 2, eerste lid, 26°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, een kopie van de ingevulde, gedagtekende en door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling ondertekende gastovereenkomst tussen de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.22_WAALS_GEWEST.
  [1 Bij het in artikel 18 bedoelde formulier en bij de in de artikelen 18/2 en 18/3 bedoelde documenten voegt de werkgever, indien het om gaat om kaderleden en leidinggevend personeel bedoeld in artikel 2, eerste lid, 33° :
   1° het afschrift van de door beide partijen gedateerde en ondertekende arbeidsovereenkomst die in overeenstemming is met de titels I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en die voorziet in een jaarlijkse bezoldiging hoger dan het bedrag vermeld in artikel 69 van de wet van 3 juli 1978 en berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet;
   2° een attest van een bedrijfsrevisor opgenomen op de lijst van het Belgisch Instituut der Bedrijfsrevisoren waaruit blijkt dat de werkgever voldoet aan de wettelijke voorwaarden om als hoofdzetel te worden beschouwd.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/22_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor de onderzoekers, vermeld in artikel 2, eerste lid, 26°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, een fotokopie van de gastovereenkomst tussen de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.23_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor kaderleden en leidinggevend personeel als vermeld in artikel 2, eerste lid, 33°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
   1° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen in titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, met vermelding van de jaarlijkse bezoldiging;
   2° een attest van een bedrijfsrevisor opgenomen in de lijst van het Instituut voor Bedrijfsrevisoren, dat bevestigt dat de werkgever voldoet aan de wettelijke voorwaarden om als hoofdzetel te worden aangewezen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.23_WAALS_GEWEST.
  [1 Bij het in artikel 18 bedoelde formulier en bij de in de artikelen 18/2 en 18/3 bedoelde documenten voegt de werkgever, indien het gaat om werknemers die niet bedoeld zijn in de artikelen 18/4 tot en met 18/22, noch in de artikelen 18/24 of 18/25, een afschrift van de door beide partijen behoorlijk ingevulde, gedateerde en ondertekende arbeidsovereenkomst die de vermeldingen en bepalingen van de bijgevoegde bijlage I bevat.
   De administratie kan de in het eerste lid bedoelde bijlage I die bij dat besluit wordt gevoegd wijzigen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/23_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor de kaderleden en het leidinggevende personeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 33°, van dit besluit, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld artikel 18, tweede lid :
   1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de Belgische hoofdzetel, conform titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, met vermelding van de jaarlijkse bezoldiging;
   2° een attest van een bedrijfsrevisor, opgenomen in de lijst van het Belgisch Instituut van de Bedrijfsrevisoren, dat bevestigt dat de werkgever voldoet aan de wettelijke voorwaarden om als hoofdkwartier te worden aangewezen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.24_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Voor alle andere werknemers dan de werknemers als bedoeld in de artikelen 18.4 tot 18.23 of als bedoeld in de artikelen 18.26 en 18.27 voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst die ingevuld werd en alle vermeldingen en bepalingen bevat die opgenomen zijn in bijlage I van dit besluit.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.24_WAALS_GEWEST.
  [1 § 1. Met het oog op de tewerkstelling bedoeld in artikel 16 dient de werknemer, onderdaan van een derde land, een aanvraag voor een arbeidsvergunning voor een onbepaalde duur, die alle bezoldigde beroepen dekt, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit bij de administratie in.
   De aanvraag wordt ingediend aan de hand van een door de administratie ter beschikking gesteld formulier.
   De werknemer, onderdaan van een derde land, vult het aanvraagformulier behoorlijk in en dateert en ondertekent het.
   § 2. Bij het in § 1 bedoelde formulier en bij de in de artikelen 18/2 bedoelde documenten voegt de werknemer :
   1° het afschrift van de arbeidskaarten B bedoeld in artikel 3, 2°, die eerder zijn verleend door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het Vlaamse Gewest of de Duitstalige Gemeenschap, of van alle verblijfsvergunningen die voor arbeidsdoeleinden zijn toegekend;
   2° het afschrift van de loonfiches of loonafrekeningen voor de meest recente volledige periode waarvoor een arbeidsvergunning is toegekend;
   3° het afschrift van de lopende arbeidsovereenkomst of, bij gebreke daarvan, van elk document waaruit blijkt dat de onderdaan van de derde land overeenkomstig artikel 61/25, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980 over voldoende bestaansmiddelen beschikt.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/24_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Voor alle andere werknemers dan de werknemers, vermeld in artikel 18/4 tot en met 18/23, of artikel 18/25 en 18/26, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, een fotokopie van de naar behoren ingevulde arbeidsovereenkomst met de vermeldingen en bepalingen, opgenomen in bijlage I, die dit besluit is gevoegd, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.25_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Met behoud van de toepassing van de artikelen 18.2 tot 18.24 kan het departement de werkgever aanmanen om bij de aanvraag nog andere documenten te voegen die voor de behandeling van zijn aanvraag noodzakelijk zijn.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.25_WAALS_GEWEST.
  [1 § 1. Met het oog op zijn tewerkstelling bedoeld in artikel 2, eerste lid, 35° dient de buitenlandse onderdaan die de verblijfsstatus van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verkregen krachtens een wetgeving of regelgeving tot omzetting van de Richtlijn 2003/109/CE/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, een aanvraag voor een arbeidsvergunning voor onbepaalde duur bij de administratie in overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.
   De aanvraag wordt ingediend aan de hand van een door de administratie ter beschikking gesteld formulier.
   De werknemer, onderdaan van een derde land, vult het aanvraagformulier behoorlijk in en dateert en ondertekent het.
   § 2. Bij het in § 1 bedoelde formulier en bij de in de artikelen 18/2 bedoelde documenten voegt de werknemer :
   1° het afschrift van de arbeidskaarten B bedoeld in artikel 3, 2°, die eerder zijn verleend door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het Vlaamse Gewest of de Duitstalige Gemeenschap, of van alle verblijfsvergunningen die voor arbeidsdoeleinden zijn toegekend;
   2° het afschrift van de loonfiches of loonafrekeningen voor de meest recente volledige periode waarvoor een arbeidsvergunning is toegekend;
   3° het afschrift van de lopende arbeidsovereenkomst of, bij gebreke daarvan, van elk document waaruit blijkt dat de onderdaan van de derde land overeenkomstig artikel 61,25-6, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980 over voldoende bestaansmiddelen beschikt.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/25_VLAAMS_GEWEST.
  [1 § 1. Voor de tewerkstelling, vermeld in artikel 16, vraagt de werknemer, onderdaan van een derde land, bij de dienst Economische Migratie toelating tot arbeid voor onbepaalde tijd en voor alle beroepen die in loondienst uitgeoefend worden, conform de bepalingen van deze afdeling.
   De aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvoor de dienst Economische Migratie een model ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt :
   1° de persoonlijke gegevens van de werknemer;
   2° de gegevens aangaande de voorgaande perioden van tewerkstelling in België.
   De onderdaan van een derde land vult de aanvraag naar behoren in en ondertekent het gedateerde formulier.
   De ondertekening kan verricht worden via elke elektronische weg die aan de voorwaarden van artikel 1322, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek voldoet.
   § 2. De werknemer voegt naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in paragraaf 1 :
   1° een fotokopie van al zijn voorgaande arbeidskaarten B als vermeld in artikel 3, 2°, van dit besluit, of van zijn verblijfstitels met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen;
   2° een fotokopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de recentste toelating tot arbeid;
   3° een fotokopie van de lopende arbeidsovereenkomst of, bij het ontbreken daarvan, om het even welk ander document, aan de hand waarvan de onderdaan van een derde land aantoont dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt, overeenkomstig artikel 61/25-6, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.26_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 § 1 - Voor een tewerkstelling als bedoeld in artikel 16 vraagt de werknemer, onderdaan van een derde land, bij het departement een toelating tot arbeid voor onbepaalde duur en voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen aan, conform de bepalingen van deze afdeling.
   De aanvraag wordt ingediend via een formulier dat het departement ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt :
   1° de persoonlijke gegevens van de werknemer;
   2° de gegevens aangaande de voorgaande perioden van tewerkstelling in België;
   3° als de werknemer in het buitenland verblijft op het ogenblik van de indiening van de aanvraag: de gegevens van de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn buitenlands verblijfsadres.
   Het formulier wordt ingevuld, gedagtekend en ondertekend door de onderdaan van een derde land.
   § 2 - De werknemer voegt, naast de documenten vermeld in artikel 18.2, de volgende documenten bij het formulier vermeld in § 1 :
   1° een kopie van zijn voorgaande arbeidskaarten B vermeld in artikel 3, 2°, of van zijn voorgaande verblijfstitels met het oog op werk, die de onderdaan van een derde land de mogelijkheid bieden voor een periode van meer dan negentig dagen te werken;
   2° een kopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de recentste volledige periode van de toelating tot arbeid, alsook de betalingsbewijzen ervan;
   3° een kopie van de lopende arbeidsovereenkomst of, bij het ontbreken daarvan, om het even welk ander document, aan de hand waarvan de onderdaan van een derde land aantoont dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt, overeenkomstig artikel 61/25-5, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.26_WAALS_GEWEST.
  [1 § 1. De administratie deelt de beslissing tot weigering van de arbeidsvergunning aan de werkgever en aan de werknemer die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 9 van de wet van 30 april 1999 mede.
   De beslissing vermeldt de mogelijkheid om een beroep in te dienen overeenkomst artikel 9 van de wet van 30 april 1999, de bevoegde instanties waarbij dit beroep kan worden ingesteld alsook de eisen van vormen en termijnen.
   § 2. Zolang het beroep bij de gewestelijke Minister hangende is, wordt elke aanvraag die krachtens de volgende artikelen is ingediend, onontvankelijk verklaard :
   1° artikel 18 voor zover het om een betrekking voor dezelfde werknemer gaat en voor het beroep dat bij de gewestelijke Minister hangende is, een krachtens artikel 18 ingediende aanvraag betreft;
   2° artikel 18/24 door dezelfde werknemer voor zover het beroep dat bij de gewestelijke Minister hangende is, een krachtens artikel 18/24 ingediende aanvraag betreft;
   3° artikel 18/25 door dezelfde werknemer voor zover het beroep dat bij de gewestelijke Minister hangende is, een krachtens artikel 18/25 ingediende aanvraag betreft.
   § 3. De administratie deelt de beslissing van de gewestelijke Minister in beroep tot weigering van de arbeidsvergunning aan de verzoeker mede.
   De beslissing vermeldt de mogelijkheid om een beroep in te dienen, de bevoegde instanties waarbij dit beroep kan worden ingesteld alsook de eisen van vormen en termijnen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/26_VLAAMS_GEWEST.
  [1 § 1. Voor zijn tewerkstelling vraagt de buitenlandse onderdaan die het statuut van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verkregen, vermeld in artikel 2, eerste lid, 35°, een toelating tot arbeid in de vorm van een vrijstelling bij de dienst Economische Migratie, conform de bepalingen van afdeling 3 van hoofdstuk IV van dit besluit.
   De aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvoor de dienst Economische Migratie een model ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt :
   1° de persoonlijke gegevens van de werknemer;
   2° de gegevens aangaande de voorgaande perioden van tewerkstelling in België.
   De onderdaan van een derde land vult de aanvraag naar behoren in en ondertekent het gedateerde formulier.
   De ondertekening kan verricht worden via elke elektronische weg die aan de voorwaarden van artikel 1322, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek voldoet.
   § 2. De werknemer voegt naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in paragraaf 1 :
   1° een fotokopie van al zijn voorgaande arbeidskaarten B, vermeld in artikel 3, 2°, van dit besluit, of van zijn verblijfstitels met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen;
   2° een fotokopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de recentste toelating tot arbeid;
   3° een fotokopie van een lopende arbeidsovereenkomst of, bij het ontbreken daarvan, om het even welk ander document, aan de hand waarvan de onderdaan van een derde land aantoont dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt, overeenkomstig artikel 61/25-6, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.27_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 § 1 - Voor een tewerkstelling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 35°, vraagt de onderdaan van een derde land die de status van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verkregen, bij het departement een toelating tot arbeid aan in de vorm van een vrijstelling als vermeld in hetzelfde artikel, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.
   De aanvraag wordt ingediend via een formulier dat het departement ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt de gegevens vermeld in artikel 18.26, § 1, tweede lid, 1° en 2°.
   De onderdaan van een derde land vult de aanvraag in en ondertekent het gedagtekende formulier.
   § 2 - De werknemer voegt, naast de documenten vermeld in artikel 18.2, de volgende documenten bij het formulier vermeld in § 1 :
   1° een kopie van zijn voorgaande arbeidskaarten B vermeld in artikel 3, 2°, of van zijn voorgaande verblijfstitels met het oog op werk, die de onderdaan van een derde land de mogelijkheid bieden voor een periode van meer dan negentig dagen te werken;
   2° een kopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de recentste volledige periode van de toelating tot arbeid, alsook de betalingsbewijzen ervan;
   3° een kopie van de lopende arbeidsovereenkomst of, bij het ontbreken daarvan, om het even welk ander document, aan de hand waarvan de onderdaan van een derde land aantoont dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt, overeenkomstig artikel 61/25-5, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.27_WAALS_GEWEST.
  [1 De aanvraag tot verlenging van de arbeidsvergunning wordt door de werkgever bij de administratie ingediend, overeenkomstig de artikelen 18 tot en met 18/3 en, volgens het geval, de artikelen 18/4 tot en met 18/23.
   In afwijking van het eerste lid worden de in de artikelen 18/4 tot 18/23 bedoelde documenten die onveranderd zijn gebleven sinds hun overmaking aan de administratie, met uitzondering van het in artikel 12, eerste lid, bedoelde document, niet gevoegd bij de aanvraag tot verlenging.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2018-06-14/20, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18/27_VLAAMS_GEWEST.
  [1 De dienst Economische Migratie beslist binnen tien dagen vanaf de ontvangst van de aanvraag, vermeld in artikel 18, 18/25 of 18/26, of de aanvraag volledig is, en stelt de aanvrager in kennis van het volledige karakter van de aanvraag.
   Een onvolledige aanvraag kan aangevuld worden overeenkomstig artikel 19, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018.
   De werkgever of de werknemer, vermeld in artikel 18/25 of 18/26, wordt met een aangetekende brief op de hoogte gebracht van de beslissing van onontvankelijkheid.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.28_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Het departement onderzoekt de aanvraag met inachtneming van de bepalingen van het samenwerkingsakkoord.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18/28_VLAAMS_GEWEST.
  [1 § 1. De beslissing om de toegang tot arbeid te weigeren, wordt door de dienst Economische Migratie met een aangetekende brief betekend aan de werkgever en aan de werknemer die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 9 van de wet. De beslissing wordt aan de werknemer betekend op de woonplaats, vastgesteld conform artikel 61/25-4 van de wet van 15 december 1980.
   De beslissing vermeldt de mogelijkheid van beroep, vermeld in artikel 9 van de wet, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te eerbiedigen vormvereisten en termijnen.
   § 2. Zolang het beroep bij de gewestminister hangende is, wordt elke aanvraag die na het beroep wordt ingesteld met toepassing van de volgende bepalingen, niet ontvankelijk verklaard :
   1° artikel 18 : het betreft een arbeidsbetrekking voor dezelfde werknemer en het beroep dat bij de gewestminister hangende is, betreft een aanvraag die ingediend is conform artikel 18;
   2° artikel 18/25 : de aanvraag is ingediend door dezelfde werknemer en het beroep dat bij de gewestminister hangende is, betreft een aanvraag die ingediend is conform artikel 18/25;
   3° artikel 18/26 : de aanvraag is ingediend door dezelfde werknemer en het beroep dat bij de gewestminister hangende is, betreft een aanvraag die ingediend is conform artikel 18/26.
   § 3. De beslissing van de gewestminister in beroep om de toegang tot arbeid te weigeren, wordt door de dienst Economische Migratie met een aangetekende brief betekend aan de beroepsindiener.
   De beslissing vermeldt de mogelijkheid van beroep, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te eerbiedigen vormvereisten en termijnen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.29_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 De aanvraag wordt als onvolledig beschouwd als ze niet de documenten of de gegevens bevat die vermeld zijn in artikel 18 tot 18.3 en, naargelang van het geval, artikel 18.4 tot 18.27.
   Binnen een termijn van tien dagen die ingaat vanaf de ontvangst van de aanvraag vermeld in de artikelen 18, 18.25 of 18.26, beslist het departement of die aanvraag volledig is en stelt de aanvrager over de volledigheid en ontvankelijkheid van de aanvraag in kennis.
   Met toepassing van artikel 19, § 2, van het samenwerkingsakkoord kan de aanvrager, nadat het departement hem daartoe aangemaand heeft, zijn aanvraag volledig maken. Nadat de aanvraag volledig gemaakt is, stelt het departement de aanvrager over de volledigheid en ontvankelijkheid in kennis.
   Het departement brengt de beslissing van onontvankelijkheid aangetekend ter kennis van de werkgever of van de werknemer, onderdaan van een derde land.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18/29_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de geldigheid dient de werkgever de aanvraag tot hernieuwing of wijziging van de toelating tot arbeid in bij de dienst Economische Migratie, conform artikel 18 tot en met 18/3, en, naargelang het geval, artikel 18/4 tot en met 18/24.
   In afwijking van het eerste lid worden de documenten, vermeld in artikel 18/4 tot en met 18/24, die ongewijzigd zijn gebleven sinds ze bezorgd zijn aan de dienst Economische Migratie, niet bij de aanvraag tot hernieuwing gevoegd.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-06-01/06, art. 12, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 18.30_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Het departement onderzoekt de eigenlijke aanvraag om toelating tot arbeid op basis van de relevante stukken van het volledig bevonden dossier en op basis van de inlichtingen en documenten die omwille van hun nut bij het indienen van de aanvraag opgevraagd werden.
   Op basis van het onderzoek door het departement beslist de Gemeenschapsminister over de eigenlijke aanvraag.
   Indien de Gemeenschapsminister de aanvraag om toelating tot arbeid weigert, brengt het departement die weigering aangetekend ter kennis van de werkgever en van de werknemer die voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 9 van de wet.
   Overeenkomstig artikel 9 van de wet wordt het volgende vermeld in de beslissing :
   1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
   2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
   3° de na te leven termijnen en vormvereisten.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.31_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 § 1 - Als de aanvraag geweigerd werd, kan de aanvrager binnen dertig dagen na kennisgeving beroep instellen bij de Gemeenschapsminister.
   Als de Gemeenschapsminister de aanvraag opnieuw weigert, brengt het departement de beslissing aangetekend ter kennis van de aanvrager.
   § 2 - Zolang het beroep bij de Gemeenschapsminister hangende is, wordt elke na instelling van dit beroep ingediende aanvraag niet-ontvankelijk verklaard krachtens :
   1° artikel 18, voor zover het gaat om de tewerkstelling van dezelfde werknemer en voor zover het beroep dat bij de Gemeenschapsminister hangende is betrekking heeft op een aanvraag die ingediend is krachtens artikel 18;
   2° artikel 18.26, door dezelfde werknemer, voor zover het beroep dat bij de Gemeenschapsminister hangende is betrekking heeft op een aanvraag die ingediend is krachtens artikel 18.26;
   3° artikel 18.27, ingediend door dezelfde werknemer, voor zover het beroep dat bij de Gemeenschapsminister hangende is betrekking heeft op een aanvraag die ingediend is krachtens artikel 18.27.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 18.32_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Met behoud van de toepassing van artikel 21 van het samenwerkingsakkoord worden, in geval van een aanvraag tot hernieuwing van de toelating tot arbeid, de documenten vermeld in de artikelen 18.4 tot 18.24 niet bijgevoegd, voor zover ze sinds de overzending aan het departement onveranderd zijn gebleven.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2018-06-07/15, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  HOOFDSTUK V. - Contingenten.

  Art. 19. Onverminderd de bepalingen van de wet en van dit besluit, is de toekenning van een arbeidsvergunning aan een contingent van minstens vijftien werknemers eveneens onderworpen aan een voorafgaandelijke schriftelijke aanvraag gericht aan de bevoegde overheid.
  Het voorgaande lid is niet van toepassing wanneer het de werknemers betreft, bedoeld in artikel 9.
  De bevoegde overheid vraagt het advies van het bevoegde paritaire comité.

  HOOFDSTUK VI. - Bijzondere categorieën van werknemers.

  Afdeling 1. - De stagiairs.

  Art. 20. Voor de toepassing van deze afdeling verstaat men onder stagiairs, de personen die een stage volgen, d.w.z. de opleiding, bij een werkgever, als voortzetting van een voorafgaandelijke vorming bevestigd door een diploma of een studiegetuigschrift.

  Art. 21. De arbeidsvergunning en de arbeidskaart met betrekking tot een stagiair worden slechts toegekend op voorwaarde dat de betrokkene :
  1° minstens achttien jaar oud en niet meer dan dertig jaar oud op de datum van toekenning van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart;
  2° gaat de verbintenis aan gedurende de stageperiode geen dienstbetrekking in België uit te voeren;

  Art. 22. De stage moet beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
  1° ze dient voltijds te zijn;
  2° de duur mag de twaalf maanden niet overschrijden en mag desgevallend slechts worden verlengd voor zover de totale tewerkstellingsduur de twaalf maanden niet overschrijdt;
  3° ze dient het voorwerp uit te maken van een stageovereenkomst vertaald in de moedertaal van de betrokkene, of een andere taal die hij begrijpt, en die met name het aantal uren van opleiding vermeldt alsook het bedrag van het loon dat niet lager mag zijn dan het toepasselijk wettelijk gewaarborgd minimumloon, hierbij inbegrepen het bedrag van eventuele beurzen;
  4° ze dient vergezeld te zijn van een opleidingsprogramma.

  Art. 23. Het artikel 21, 1° is niet van toepassing op stagiairs aangeworven door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling;

  Afdeling 2. - De au pair-jongeren.

  Art. 24. Deze afdeling regelt de voorwaarden van toekenning van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten die betrekking hebben op een au pair-jongere.
  Onder au pair-jongere verstaat men, de jongere die tijdelijk in een gastgezin wordt opgenomen waar hij kost en inwoning geniet in ruil voor lichte dagdagelijkse huishoudelijke taken, om zijn taalkennis te vervolmaken en zijn algemene ontwikkeling te verruimen door een betere kennis van het land door deel te nemen aan het gezinsleven van het gastgezin.

  Art. 25. De au pair-jongere moet :
  (1° tenminste achttien jaar en nog geen zesentwintig jaar oud zijn op de datum van toekenning van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart;
  2° zich ertoe verbinden in België geen dienstbetrekking uit te voeren gedurende de au pair-plaatsing;
  3° over een titel beschikken die hem in het land van herkomst recht op toegang geeft tot het hoger onderwijs of het bewijs leveren dat hij minstens tot de leeftijd van 17 jaar onderwijs gevolgd heeft;
  4° een basiskennis hebben van de omgangstaal van het gastgezin of de verbintenis aangaan deze basiskennis onmiddellijk na aankomst in België te verwerven via het volgen van een intensieve taalcursus;
  5° gedurende de au pair-plaatsing cursussen volgen in een erkende instelling, erkend of gesubsidieerd door één van de Gemeenschappen of bepaald door de Gewestminister die de tewerkstelling onder zijn bevoegdheid heeft, en die de gewesttaal of -talen onderwijst, door trimestrieel een bewijs voor te leggen waaruit blijkt dat hij regelmatig deze lessen volgt;) <KB 2001-09-12/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
  6° nog geen arbeidskaart hebben verkregen in België, uit welke hoofde dan ook behalve het geval bepaald in art. 28, 4°.

  Art. 26. <KB 2001-09-12/30, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2001> Het gastgezin moet :
  1° onder zijn leden minstens één kind tellen dat geen 13 jaar oud is bij de aanvang van de periode van verblijf van de au pair-jongere;
  2° voor de kinderen die de leeftijd van zes jaar niet bereiken, het bewijs voorleggen dat, voor de periode die overeenkomt met de maximale duur van het verblijf van de au pair-jongere of voor de periode tot het jongste kind de leeftijd van zes jaar bereikt, overdag in hun opvang werd voorzien;
  3° een bewijs van goed zedelijk gedrag voorleggen voor al zijn leden, meerderjarig bij de aanvang van het verblijf van de au pair-jongere;
  4° de au pair-jongere maandelijks, per overschrijving op zijn bankrekening, een vast bedrag als zakgeld uitkeren van ten minste 450 EUR, ongeacht eventuele periodes van inactiviteit van de au pair-jongere; (NOTA : vanaf 01-10-2001 tot 31-12-2001 geldt het bedrag van 18.153 F in plaats van 450 EUR; KB 2001-09-12/30, art. 4.)
  5° ten gunste van de au pair-jongere een aanvullende verzekering gesloten hebben voor het waarborgen van de risico's, inzake de medische, farmaceutische en hospitalisatiekosten in geval van ziekte of ongeval;
  6° de au pair-jongere een persoonlijke kamer ter beschikking stellen en hem de vrije toegang tot de woning verzekeren;
  7° de au pair-jongere minstens over een volledige vrije dag per week laten beschikken en alle mogelijkheid te geven deel te nemen aan de uitoefening van zijn eredienst of van zijn levensbeschouwingen;
  8° zich er toe verbinden een verzekering af te sluiten voor de eventuele voortijdige repatriëring van de au pair-jongere veroorzaakt door ziekte of ongeval, alsook er zich toe verbinden de kosten te betalen die voor de Staat eventueel voortvloeien uit het verblijf van de au pair-jongere of zijn repatriëring;
  9° zich akkoord verklaren de toezichthoudende ambtenaren toegang te verlenen tot de woning.

  Art. 27. De deelneming van de au pair-jongere aan de dagdagelijkse taken waarvan sprake in artikel 24, tweede lid, de kinderoppas inbegrepen, mag niet meer dan vier uur per dag en twintig uur per week bedragen; zij mag niet het hoofddoel van het verblijf uitmaken.

  Art. 28. De toekenning van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart is afhankelijk van de volgende voorwaarden :
  1° de naleving van de voorwaarden bedoeld bij de artikelen 24 tot en met 27;
  2° het gastgezin heeft geen geldige arbeidsvergunning voor een andere au pair-jongere;
  3° (opgeheven) <KB 2001-09-12/30, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
  4° de geldigheidsduur van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart betreffende de au pair-jongere mag één jaar niet overschrijden;
  5° de arbeidsvergunning en de arbeidskaart met betrekking tot de au pair-jongere mogen slechts eenmaal worden vernieuwd voor zover de plaatsingsperiode geen volledig jaar overschrijdt;
  6° een wijziging van gastgezin is slechts eenmaal mogelijk voor zover de totale duur van plaatsing van de au pair-jongere nog geen volledig jaar overschrijdt en indien aan alle andere toekenningsvoorwaarden van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart bedoeld in deze afdeling eveneens voldaan is;
  7° (opgeheven) <KB 2001-09-12/30, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2001>

  Art. 29. Bij niet-naleving van de voorwaarden bepaald in deze afdeling, wordt de au pair-jongere ten opzichte van het gastgezin beschouwd als te zijn aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor dienstboden, zoals bedoeld in artikel 5 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

  Afdeling 3. - Cabaretpersoneel.

  Art. 30. De arbeidsvergunning en de arbeidskaart B voor het cabaretpersoneel worden slechts afgeleverd op voorwaarde dat de in België gelegen woonplaats van het cabaretpersoneel zich in een ander gebouw dan dat van de arbeidsplaats bevindt.

  HOOFDSTUK VII. - Hernieuwing van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart B.

  Art. 31. Onder hernieuwing wordt verstaan, het afleveren van een nieuwe arbeidsvergunning en een nieuwe arbeidskaart B, met het oog op een verdere tewerkstelling van dezelfde werknemer in hetzelfde beroep, al dan niet bij dezelfde werkgever.
  De aanvraag tot hernieuwing dient door de werkgever te worden ingediend, uiterlijk één maand voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende arbeidsvergunning en arbeidskaart B.

  Art. 32. <KB 2003-02-06/41, art. 8, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De bepalingen van de artikelen 8 tot 11, 12, eerste lid, en 13 zijn van toepassing op de aanvragen om hernieuwing van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten.
  Wanneer de arbeidsvergunning of de arbeidskaart werden toegekend met toepassing van artikel 38, § 2, zijn echter de artikelen 8 en 10 niet van toepassing op de aanvragen om hernieuwing, behalve evenwel als het tegendeel uitdrukkelijk wordt vermeld door de bevoegde overheid.

  Art. 33. In afwijking van artikel 31, eerste lid, is men niet verplicht hetzelfde beroep uit te oefenen waarvoor de eerste arbeidskaart B werd toegekend, wanneer het gaat om werknemers die een opleiding of herscholing genieten of genoten hebben, verstrekt in een centrum van een Gewestelijke dienst voor arbeidsvoorziening of in een erkend centrum, of een beroepsherscholing verstrekt door het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering.

  HOOFDSTUK VIII. - Weigering en intrekking van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart.

  Art. 34. De arbeidsvergunning en de arbeidskaart worden geweigerd wanneer :
  1° de aanvraag onvolledige of onjuiste gegevens bevat of wanneer de voorwaarden vermeld in de wet of in de uitvoeringbesluiten niet zijn vervuld;
  2° de tewerkstelling strijdig is hetzij met de openbare orde of de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake de indienstneming en de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
  3° redenen van openbare orde of openbare veiligheid die gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van de werknemer het noodzakelijk maken;
  4° de werkgever de wettelijke en de reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet naleeft;
  5° de tewerkstelling niet geschiedt overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die voor de tewerkstelling van Belgische werknemers gelden;
  6° zij worden aangevraagd voor een betrekking wanneer aan deze tewerkstelling geen inkomsten verbonden zijn die de werknemer in staat stellen in zijn behoeften of in die van zijn gezin te voorzien.
  (7° op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, de betrokken buitenlandse werknemer, wat zijn recht op of zijn machtiging tot verblijf betreft, het voorwerp is van een negatieve beslissing, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort.) <KB 2003-02-06/41, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>

  Art. 35. § 1. De arbeidsvergunning wordt ingetrokken, wanneer :
  1° de werkgever gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken of onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd om ze te verkrijgen;
  2° de tewerkstelling strijdig is, hetzij met de openbare orde of openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij nog met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake indienstneming en tewerkstelling van werknemers van buitenlandse nationaliteit;
  3° de werkgever de wettelijke en reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet nakomt;
  4° de werknemer niet is tewerkgesteld overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de Belgische werknemers;
  5° de werkgever zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de arbeidsvergunning verbonden zijn;
  6° de arbeidskaart van de werknemer, die door de werkgever wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken.
  § 2. De arbeidskaart wordt ingetrokken wanneer :
  1° de werknemer gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken of onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd om de arbeidskaart te verkrijgen;
  2° de tewerkstelling van de werknemer strijdig is hetzij met de openbare orde of met de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen;
  3° (een negatieve beslissing over het recht op of de machtiging tot verblijf van zijn titularis werd genomen, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort;) <KB 2003-02-06/41, art. 10, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° de werknemer zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de toekenning van de arbeidskaart verbonden zijn;
  5° de arbeidsvergunning van de werkgever, door wie de werknemer wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken.

  HOOFDSTUK IX. - Toezicht.

  Art. 36.Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, worden belast met het toezicht op de naleving van de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan :
  1° de sociaal bemiddelaars van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
  2° de inspecteurs van de Administratie van de Werkgelegenheid van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
  3° de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Administratie van de Arbeidsbetrekkingen en -reglementering van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
  4° de ingenieurs, de industrieel- en technische ingenieurs en de technische controleurs van de Technische Inspectie van de Administratie van de Arbeidsveiligheid van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
  5° de geneesheren-arbeidsinspecteurs en de bezoekers-arbeidshygiëne van de Medische Inspectie van de Administratie van Arbeidshygiëne en -geneeskunde van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
  6° [1 ...]1
  7° de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  8° de hoofdcontroleurs, de controleurs en de adjunct-controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, alsmede de eerstaanwezend inspecteurs-hoofd van dienst, de eerstaanwezend inspecteurs, de inspecteurs, de eerstaanwezend adjunct-inspecteurs, de adjunct-inspecteurs 2e klasse en de adjunct-inspecteurs 1e klasse van de Algemene Inspectie van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
  9° de inspecteurs van het Ministerie van Middenstand;
  10° de ambtenaren van de fiscale administraties;
  11° de ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken;
  12° de politieambtenaren van de rijkswacht;
  13° de politieambtenaren van de gemeentepolitie.
  ----------
  (1)<KB 2017-06-22/02, art. 14, 036; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  HOOFDSTUK X. - Slachtoffers van de mensenhandel. (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 11, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  
  HOOFDSTUK X. (WAALSE OVERHEIDSDIENST)
  [1 - Stelsel voor de aanpassing van de bezoldigingsbedragen]1
  
  HOOFDSTUK X. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  [2 - Aanpassingsmechanisme voor de bezoldigingsbedragen]2
  
  HOOFDSTUK X. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  [3 - Aanpassingsmechanisme voor bezoldigingsbedrag]3

  ----------
  (1)<BWG 2014-11-06/01, art. 4, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>
  (2)<BESL 2014-11-13/11, art. 4, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<BVR 2014-12-19/B0, art. 4, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 37.
  (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 11, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>

  Art. 37_WAALS_GEWEST.
  [1 De bezoldigingsbedragen bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 33°, 9, eerste lid, 6°, 7° en 15 °, worden elk jaar op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden voor het derde trimester (basis 2010 = 100) overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het beginindexcijfer. Het resultaat wordt afgerond naar de gehele euro.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder :
   1° indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden : het indexcijfer opgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van het gemiddelde van de bediendenlonen voor volwassenen in de particuliere sector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
   2° basisbedragen : de bedragen van kracht op 1 januari 2014;
   3° nieuw indexcijfer : index voor het derde kwartaal op basis 2010 = 100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
   4° oorspronkelijke index: index van het derde kwartaal 2012 op basis 2010 = 100;]1
  
----------
  (1)<BWG 2014-11-06/01, art. 8, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>
  

  Art. 37_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [2 De bezoldigingsbedragen bepaald in artikel 2, eerste lid, 33°, in artikel 9, eerste lid, 6°, 7° en 15° worden elk jaar aangepast op 1 januari aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde trimester (basis [4 2010]4=100) overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de aanvangsindex. Het resultaat wordt afgerond tot de euro.
   Voor de toepassing van het eerste lid moet worden verstaan onder :
   1° index van de conventionele lonen voor bedienden, de index vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
   2° basisbedragen : bedragen van kracht op 1 januari 2014;
   3° nieuwe index : index van het derde trimester met als basis [4 2010]4=100 van het jaar dat voorafgaat aan de indexering;
   4° aanvangsindex : index van het derde trimester [4 2013]4 met als basis [4 2010]4=100.]2
  
----------
  (2)<BESL 2014-11-13/11, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (4)<BESL 2015-07-09/22, art. 6, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  

  Art. 37_VLAAMS_GEWEST.
  [3 De bezoldigingsbedragen, vermeld in artikel 2, eerste lid, 33°, en artikel 9, eerste lid, 6°, 7°, en 15°, worden elk jaar aangepast op 1 januari aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde trimester (basis 2010=100) overeenkomstig de formule: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de aanvangsindex. Het resultaat wordt afgerond op de euro.
   In het eerste lid wordt verstaan onder:
   1° index van de conventionele lonen voor bedienden: de index vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
   2° basisbedragen: de bedragen van kracht op 1 januari 2014;
   3° nieuwe index: de index van het derde trimester met als basis 2010=100 van het jaar dat voorafgaat aan de indexering;
   4° aanvangsindex: de index van het derde trimester 2013 met als basis 2010=100.]3

  ---------
  (3)<BVR 2014-12-19/B0, art. 4, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  

  Art. 37/1_WAALS_GEWEST.
  [1 Het bezoldigingsbedrag bedoeld in artikel 15/1, eerste lid, punt b) wordt elk jaar op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden voor het derde trimester (basis 2010 = 100) overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door de omrekeningscoëfficiënt. Het resultaat wordt afgerond naar de gehele euro.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder :
   1° indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden : het indexcijfer opgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van het gemiddelde van de bediendenlonen voor volwassenen in de particuliere sector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
   2° basisbedrag : bedrag van kracht op 1 januari 2013;
   3° nieuw indexcijfer : index voor het derde kwartaal op basis 2010 = 100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
   4° oorspronkelijke index : index van het derde kwartaal 2012 op basis 1997 = 100;
   5° omrekeningscoëfficiënt = 0,750638.]1
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2014-11-06/01, art. 6, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>

  Art. 37/1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 Het bezoldigingsbedrag bedoeld in [2 artikel 15/1, § 2, eerste lid, 2°]2 wordt elk jaar op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden voor het derde trimester (basis 2010 = 100) overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door de omrekeningscoëfficiënt. Het resultaat wordt afgerond naar de gehele euro.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder :
   1° indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden : het indexcijfer opgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van het gemiddelde van de bediendenlonen voor volwassenen in de particuliere sector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
   2° basisbedrag : bedrag van kracht op 1 januari 2013;
   3° nieuw indexcijfer : index voor het derde kwartaal op basis 2010 = 100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
   4° oorspronkelijke index : index van het derde kwartaal 2012 op basis 1997 = 100;
   5° omrekeningscoëfficiënt = 0,750638.]1
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2014-11-06/01, art. 6, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>
  (2)<BDG 2018-06-07/15, art. 13, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 37/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [2 Het bezoldigingsbedrag bepaald in artikel 15/1, lid 1, punt b) wordt elk jaar aangepast, op 1 januari aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde trimester (basis [3 2010]3=100) overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de aanvangsindex [3 (vermenigvuldigd met de omzettingscoëfficiënt)]3. Het resultaat wordt afgerond tot de euro.
   Voor de toepassing van het eerste lid, moet worden verstaan onder :
   1° index van de conventionele lonen voor bedienden, de index vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
   2° basisbedrag : bedrag van kracht op 1 januari 2013;
   3° nieuwe index : index van het derde trimester met als basis [3 2010]3 = 100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
   4° aanvangsindex : index van het derde trimester 2012 met als basis 1997=100;]2
  [3 5° omzettingscoëfficiënt : 0,750638.]3
  
----------
  (2)<BESL 2014-11-13/11, art. 6, 030; Inwerkingtreding : 15-12-2014>
  (3)<BESL 2015-07-09/22, art. 7, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  

  Art. 37/1_VLAAMS_GEWEST.
  Het bezoldigingsbedrag, vermeld in artikel 15/1, [1 § 2, eerste lid, 2°]1 wordt elk jaar aangepast op 1 januari aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde trimester (basis 2010=100) overeenkomstig de formule: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de aanvangsindex (vermenigvuldigd met de omzettingscoëfficiënt). Het resultaat wordt afgerond op de euro.
   In het eerste lid wordt verstaan onder:
   1° index van de conventionele lonen voor bedienden: de index vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
   2° basisbedrag: het bedrag van kracht op 1 januari 2013;
   3° nieuwe index: de index van het derde trimester met als basis 2010=100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
   4° aanvangsindex: de index van het derde trimester 2012 met als basis 1997=100;
   5° omzettingscoëfficiënt: 0,750638.

  ----------
  (1)<BVR 2018-06-01/06, art. 13, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  Art. 37/2_WAALS_GEWEST.
  [1 De bezoldigingsbedragen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 33°, in artikel 9, eerste lid, 6°, 7° en 15°, en in artikel 15/1 van dit besluit moeten de tegenwaarde zijn van de verrichte arbeidsprestaties en met zekerheid gekend zijn vóór het begin van de tewerkstelling van de werknemers in België.]1
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2014-11-06/01, art. 7, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>

  Art. 37/2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 De bezoldigingsbedragen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 33°, in artikel 9, eerste lid, 6°, 7° en 15°, en in [2 artikel 15/1, § 2, eerste lid, 2°]2 van dit besluit moeten de tegenwaarde zijn van de verrichte arbeidsprestaties en met zekerheid gekend zijn vóór het begin van de tewerkstelling van de werknemers in België.]1
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2014-11-06/01, art. 7, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>
  (2)<BDG 2018-06-07/15, art. 14, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 37/2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [2 De bezoldigingsbedragen bedoeld in artikel 2, lid 1, 33°, in artikel 9, lid 1, 6°, 7° en 15° en in artikel 15/1 van dit besluit moeten de tegenprestatie vormen van uitgevoerde arbeidsprestaties en moeten met zekerheid gekend zijn voor het begin van de tewerkstelling van de werknemers in België.]2
  
----------
  (2)<BESL 2014-11-13/11, art. 7, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  

  Art. 37/2_VLAAMS_GEWEST.
  De bezoldigingsbedragen, vermeld in artikel 2, eerste lid, 33°, artikel 9, eerste lid, 6°, 7°, en 15°, en [1 artikel 15/1, § 2, eerste lid, 2°]1, vormen de tegenprestatie van uitgevoerde arbeidsprestaties, en zijn met zekerheid gekend bij aanvang van de tewerkstelling van de werknemers in België.

  ----------
  (1)<BVR 2018-06-01/06, art. 14, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>

  HOOFDSTUK XI. - (Tijdelijke, overgangs- en slotbepalingen.) <KB 2004-04-12/32, art. 1, Inwerkingtreding : 01-05-2004>

  Art. 38.§ 1. Wanneer de Minister algemene regelen ter uitvoering van dit besluit uitvaardigt, raadpleegt hij, behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
  § 2. De bevoegde overheid kan bij gemotiveerde beslissing voor individuele behartigenswaardige gevallen om economische of sociale redenen afwijken van de artikelen 8, 10, 12, 14, 21, 1° en 22, 2°.

  Art. 38_VLAAMS_GEWEST.
   § 1. Wanneer de [1 gewestminister]1 algemene regelen ter uitvoering van dit besluit uitvaardigt, raadpleegt hij, behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, de [1 Adviescommissie voor Economische Migratie]1.
  § 2. De bevoegde overheid kan bij gemotiveerde beslissing voor individuele behartigenswaardige gevallen om economische of sociale redenen afwijken van de artikelen 8, 10, 12, 14, 21, 1° en 22, 2°.

  ----------
  (1)<BVR 2018-06-01/06, art. 15, 040; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 38_WAALS_GEWEST.
   § 1. Wanneer de [1 gewestelijke Minister]1 algemene regelen ter uitvoering van dit besluit uitvaardigt, raadpleegt hij, behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
  § 2. De bevoegde overheid kan bij gemotiveerde beslissing voor individuele behartigenswaardige gevallen om economische of sociale redenen afwijken van de artikelen 8, 10, 12, 14, 21, 1° en 22, 2°.

  ----------
  (1)<BWG 2018-06-14/20, art. 1, 039; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 38_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   § 1. Wanneer de [1 Gemeenschapsminister]1 algemene regelen ter uitvoering van dit besluit uitvaardigt, raadpleegt hij, behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
  § 2. De bevoegde overheid kan bij gemotiveerde beslissing voor individuele behartigenswaardige gevallen om economische of sociale redenen afwijken van de artikelen 8, 10, 12, 14, 21, 1° en 22, 2°.

  ----------
  (1)<BDG 2018-06-07/15, art. 15, 038; Inwerkingtreding : 24-12-2018>
  

  Art. 38bis.<Opgeheven bij KB 2013-06-24/02, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-07-2013>

  Art. 38ter.<Ingevoegd bij KB 2004-04-12/32, art. 2, Inwerkingtreding : 01-05-2004; Opheffing : onbepaald ; zie ook art. 38sexies van dit koninklijk besluit)> § 1. [1 ...]1
  (De vrijstellingen bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 1° en 3°, zijn niet van toepassing op de onderdanen van de Republiek Bulgarije en van Roemenië voor zover deze onderdanen vallen onder de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lidstaten van de Europese Unie) en de Republiek Bulgarije en Roemenië betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie, en onder de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 25 april 2005, goedgekeurd bij de wet van 2 juni 2006, meer bepaald onder artikel 23 van deze Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, alsmede onder de Bijlagen V, VI, VIII, IX, X, XII, XIII en XIV bij deze Akte.) <KB 2006-12-19/32, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [1 De vrijstellingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1° en 3° zijn niet van toepassing op de onderdanen van de Republiek Kroatië voor zover deze onderdanen vallen onder de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lidstaten van de Europese Unie) en de Republiek Kroatië betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie en tot de Slotakte, gedaan te Brussel op 9 december 2012, goedgekeurd bij de wet van 17 februari 2013, meer bepaald het artikel 18 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden tot de Europese Unie van de Republiek Kroatië en van de aanpassingen van het verdrag betreffende de Europese Unie, het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie dat de overgangsmaatregelen bepaalt opgesomd in de lijst onder Bijlage V van deze Akte.]1
  § 2. [2 de vrijstellingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, 2° en 3° zijn niet van toepassing]2 op de volgende familieleden van de onderdanen van de in § 1 bedoelde landen :
  a) de echtgenoot;
  b) de bloedverwanten in de nederdalende lijn of die van zijn echtgenoot, beneden 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
  c) de bloedverwanten in de opgaande lijn of die van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn, met uitzondering van de bloedverwanten in opgaande lijn van de studenten of die van de echtgenoot;
  d) de echtgenoot van de personen bedoeld in b) en c).
  § 3. [2 In afwijking van de paragrafen 1 en 2, zijn de vrijstellingen bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 1°, 2° en 3° van toepassing :
   a) op personen op wie een andere Overeenkomst of een ander Verdrag van toepassing is, die bepalingen bevatten die gunstiger zijn met betrekking tot de tewerkstelling;
   b) op personen die kunnen genieten van één van de andere vrijstellingen bedoeld bij artikel 2;
   c) op personen die reeds vóór de toetredingsdatum in het bezit zijn van een vestigingsvergunning of die reeds werden gemachtigd tot onbeperkt verblijf zoals bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 3°, b;
   d) op personen die op een andere grond dan het feit dat zij onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie, na de toetredingsdatum, een vestigingsvergunning bekomen of die na diezelfde toetredingsdatum gemachtigd worden tot onbeperkt verblijf zoals bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 3°, b;
   e) op personen tewerkgesteld door een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming, andere dan een onderneming die uitzendarbeid of elke andere wettige vorm van terbeschikkingstelling van werknemers tot doel heeft, die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten, op voorwaarde dat :
   - zij op wettige wijze tewerkgesteld zijn in de lidstaat waar zij verblijven;
   - en deze arbeidsvergunning tenminste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
   f) op de personen die in het bezit zijn van het document ter staving van duurzaam verblijf overeenkomstig het model van bijlage 8bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (E+kaart);
   g) op de personen die in het bezit zijn van een duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen F+kaart);
   h) op de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden;
   i) op de personen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning toegekend op grond van artikel 40bis of artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, in het kader van een procedure tot gezinshereniging met een Belgische onderdaan of met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte andere dan een Roemeense, een Bulgaarse of een Kroatische onderdaan tenzij deze Bulgaarse, Roemeense of Kroatische onderdaan reeds is vrijgesteld met toepassing van dit besluit.
   De personen opgesomd onder i) moeten in het bezit zijn :
   - tijdens de periode van onderzoek van de aanvraag om erkenning van het recht op verblijf, van :
   - ofwel een document overeenkomstig het model van bijlage 19 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen,
   - ofwel van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals van een geldig attest van immatriculatie, of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister (A kaart);
   - in geval van definitief gunstige beslissing :
   - ofwel van een " verklaring van inschrijving van burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 8 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (E kaart),
   - ofwel van een verblijfskaart van een " familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F kaart);
   - in geval van beroep tegen een ongunstige beslissing, van een document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen]2
  [2 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]2
  
  Art. 38ter( WAALS GEWEST)
  <Opgeheven bij BWG 2015-07-02/26, art. 7,1°, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38ter. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  <Opgeheven bij BESL 2015-07-09/22, art. 8,1°, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38ter. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  <Opgeheven bij BVR 2015-06-26/16, art. 6,1°, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  ----------
  (1)<KB 2013-06-24/02, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (2)<KB 2013-07-17/05, art. 4, 027; Inwerkingtreding : 05-08-2013>

  Art. 38quater.<Ingevoegd bij KB 2004-04-12/32, art. 3, Inwerkingtreding : 01-05-2004; Opheffing : onbepaald ; zie ook art. 38sexies van dit koninklijk besluit> § 1. In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om onderdanen van de in artikel 38ter, § 1, bedoelde landen die :
  - hetzij (op de toetredingsdatum) legaal in België werkten en wier toelating tot de arbeidsmarkt voor een ononderbroken periode van 12 maanden of meer gold; <KB 2006-12-19/32, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  - hetzij (na de toetredingsdatum) gedurende een ononderbroken periode van 12 maanden of meer tot de arbeidsmarkt in België zijn toegelaten. <KB 2006-12-19/32, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 2. In afwijking van artikel 8 wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning evenmin rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om de volgende familieleden, ongeacht hun nationaliteit, van de onderdanen van de in artikel 38ter, § 1, vermelde landen :
  a) de echtgenoot;
  b) de bloedverwanten in nederdalende lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn.
  De bepalingen van het eerste lid zijn slechts van toepassing indien deze personen :
  a) hetzij zich met de werknemer die onderdaan is van één van de landen bedoeld in § 1, in België is komen vestigen, op voorwaarde dat :
  - deze personen (op de toetredingsdatum) met de werknemer legaal op het grondgebied van België verbleef en <KB 2006-12-19/32, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  - die werknemer legaal tot de Belgische arbeidsmarkt is toegelaten voor een periode van ten minste 12 maanden;
  b) hetzij (vanaf de toetredingsdatum) met de werknemer die onderdaan is van één van de landen bedoeld in § 1, legaal op het grondgebied van België verblijven, nadat zij gedurende ten minste 18 maanden in België hebben verbleven. <KB 2006-12-19/32, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (§ 3. In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om onderdanen van de in artikel 38ter, § 1, bedoelde landen en voor zover dat deze arbeidsvergunning betrekking heeft op beroepen waarvoor de bevoegde overheid, voor de toepassing van de wet, erkend heeft dat er zich een tekort aan arbeidskrachten voordoet.
  Deze arbeidsvergunning, wordt binnen de vijf werkdagen van de bevoegde gewestelijke administratie afgeleverd, wanneer aan de voorwaarden voor de toekenning ervan is voldaan. De werkgever overhandigt de werknemer een kopie van deze arbeidsvergunning in afwachting van de aflevering van de arbeidskaart B. Deze kopie geldt voor de werknemer als voorlopige arbeidskaart B tot op het ogenblik van de aflevering van de arbeidskaart B.
  De bevoegde overheden houden de toegekende arbeidskaarten op elektronische wijze bij. De elektronische bestanden met betrekking tot de toegekende arbeidskaarten die maandelijks door de bevoegde overheden worden bezorgd aan de RSZ, worden door deze laatste geconfronteerd met de Dimona-databank; vastgestelde anomalieën worden voor verder onderzoek overgemaakt aan de inspectiediensten Toezicht Sociale Wetten en Sociale inspectie.) <KB 2006-04-24/32, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 30-04-2006 voor het eerste en derde lid; Inwerkingtreding : 01-06-2006 voor het tweede lid>
  
  Art. 38quater(WAALS GEWEST)
  <Opgeheven bij BWG 2015-07-02/26, art. 7,2°, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38quater. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  <Opgeheven bij BESL 2015-07-09/22, art. 8,2°, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38quater. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  <Opgeheven bij BVR 2015-06-26/16, art. 6,2°, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>


  Art. 38quinquies.<Ingevoegd bij KB 2004-04-12/32, art. 4, Inwerkingtreding : 01-05-2004; Opheffing : onbepaald ; zie ook art. 38sexies van dit koninklijk besluit> De bepalingen van de artikelen 12 en 14 zijn niet van toepassing op de tewerkstelling van personen bedoeld bij artikel 38quater.
  (De bepalingen van artikel 5 zijn van toepassing op de tewerkstelling van personen bedoeld bij artikel 38quater.) <KB 2006-04-24/32, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 30-04-2006>
  
  Art. 38quinquies. (WAALS GEWEST)
  <Opgeheven bij BWG 2015-07-02/26, art. 7,3°, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38uinquies. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  <Opgeheven bij BESL 2015-07-09/22, art. 8,3°, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38quinquies. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  <Opgeheven bij BVR 2015-06-26/16, art. 6,3°, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>


  Art. 38sexies.[1 De artikelen 38ter, 38quater en 38quinquies zullen buiten werking treden, voor wat betreft de Lidstaten bedoeld in artikel 38ter, § 1, eerste lid, op 31 december 2013 en, voor wat betreft de Lidstaat bedoeld in artikel 38ter, § 1, tweede lid, op 30 juni 2015.]1
  
  Art. 38sexies. (WAALS GEWEST)
  <Opgeheven bij BWG 2015-07-02/26, art. 7,4°, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38sexies. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  <Opgeheven bij BESL 2015-07-09/22, art. 8,4°, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38sexies. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  <Opgeheven bij BVR 2015-06-26/16, art. 6,4°, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  ----------
  (1)<KB 2013-06-24/02, art. 3, 026; Inwerkingtreding : 01-07-2013>

  Art. 38septies.<ingevoegd bij KB 2008-12-23/30, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2009; Opheffing : onbepaald, houdt op van kracht te zijn op hetzelfde ogenblik dat de artikelen 38ter, 38quater en 38quinquies van dit besluit ophouden van kracht te zijn.> In afwijking van artikel 8 van dit besluit wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om onderdanen van een land dat geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte die de status van langdurig ingezeten onderdaan verworven hebben in een andere lidstaat van de Europese Unie, op basis van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, en voor zover deze arbeidsvergunning betrekking heeft op beroepen waarvoor de bevoegde overheid, voor de toepassing van de wet, erkend heeft dat er zich een tekort aan arbeidskrachten voordoet. De procedure voor de aflevering van de arbeidskaart verloopt volgens de bepalingen van artikel 38quater, § 3, tweede en derde lid.
  Na de twaalf eerste maanden van hun toelating op de Belgische arbeidsmarkt kan hen een nieuwe arbeidskaart voor alle beroepen worden toegekend, zonder rekening te houden met de situatie op de arbeidsmarkt.
  
  Art. 38septies. (WAALS GEWEST)
  <Opgeheven bij BWG 2015-07-02/26, art. 7,5°, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38septies. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  <Opgeheven bij BESL 2015-07-09/22, art. 8,5°, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38septies. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  <Opgeheven bij BVR 2015-06-26/16, art. 6,5°, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>


  Art. 38octies.<ingevoegd bij KB 2008-12-23/30, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-2009> Het artikel 38septies houdt op van kracht te zijn op hetzelfde ogenblik dat de artikelen 38ter, 38quater en 38quinquies van dit besluit ophouden van kracht te zijn.
  
  Art. 38octies. (WAALS GEWEST)
  <Opgeheven bij BWG 2015-07-02/26, art. 7,6°, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38octies. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  <Opgeheven bij BESL 2015-07-09/22, art. 8,6°, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38octies. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  <Opgeheven bij BVR 2015-06-26/16, art. 6,6°, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>


  Art. 39.§ 1. Zijn opgeheven vanaf 1 juli 1999 :
  1° het koninklijk besluit van 6 november 1967 betreffende de voorwaarden van toekenning en intrekking van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 26 februari 1968, 5 mei 1970, 10 december 1976, 5 oktober 1979, 27 juli 1983, 22 februari 1993, 18 maart 1993, 2 juni 1993, 11 juli 1996, 16 februari 1998 en 10 juni 1998, met uitzondering van de artikelen 3 en 4 en de bijlage bij dit besluit;
  2° het ministerieel besluit van 15 juli 1969 betreffende de voorwaarden van toekenning van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 25 september 1969, 6 mei 1970, 19 maart 1993 en 11 februari 1998, met uitzondering van de artikelen 12, 13 en 14;
  3° het ministerieel besluit van 19 maart 1993 tot uitvoering van artikel 23bis van het koninklijk besluit van 6 november 1967 betreffende de voorwaarden van toekenning en intrekking van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit.
  § 2. De bepalingen bedoeld in § 1 blijven evenwel van toepassing op de aanvragen van arbeidsvergunningen en arbeidskaarten ingediend vóór 1 juli 1999.

  Art. 40. § 1. De indiening van de aanvragen om de arbeidsvergunningen en de arbeidskaarten blijven tot uiterlijk (31 december 2005) geregeld door de volgende bepalingen : <KB 2004-12-06/35, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 17-01-2005>
  1° de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 6 november 1967 betreffende de voorwaarden van toekenning en intrekking van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit en de bijlage bij dit besluit;
  2° het ministerieel besluit van 19 december 1967 betreffende de modaliteiten van indiening en aflevering van de aanvragen om arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 15 juli 1969, 6 mei 1970, 19 maart 1993, 11 februari 1998 en 2 maart 1998, met uitzondering van artikel 1, vierde lid en de artikelen 5, 11, 16, 19 en 20 die niet meer van toepassing zijn op de aanvragen van arbeidsvergunningen en arbeidskaarten, ingediend na 1 juli 1999;
  3° de artikelen 12, 13 en 14 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969 betreffende de voorwaarden van toekenning van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit;
  § 2 - De Minister kan, in voorkomend geval, de in § 1, 2° en 3° bedoelde bepalingen wijzigen tijdens de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met (31 december 2005). <KB 2004-12-06/35, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 17-01-2005>

  Art. 41. § 1. De wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers treedt in werking op 1 juli 1999.
  § 2. - Dit besluit treedt in werking op 1 juli 1999 en is van toepassing op de aanvragen voor arbeidsvergunningen en arbeidskaarten ingediend vanaf deze datum.

  Art. 42. Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage I. Vermeldingen en bepalingen die in de arbeidsovereenkomst van de buitenlandse werknemer moeten voorkomen.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 26-06-1999, p. 24185-24186).

  Art. N2. Bijlage II. - Vermeldingen en bepalingen die in de arbeidsovereenkomst van een buitenlandse schouwspelartiest moeten voorkomen.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 26-06-1999, p. 24187-24188).

  Art. N3. Bijlage III. - OVEREENKOMST VOOR DE PLAATSING VAN EEN AU PAIR.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 26-06-1999, p. 24189-24190).
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 9 juni 1999.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
Mevr. M. SMET

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
   Gelet op het advies van de Adviesraad voor buitenlandse arbeidskrachten van 13 april 1994 en 30 juni 1998;
   Gelet op het advies van de inspecteur van financiën, gegeven op 14 juli 1998 en op 19 april 1999;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 23 juli 1998 en van 7 mei 1999;
   Gelet op het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid dat de coördinatie en de harmonisering van deze reglementering, vervat in de nieuwe wet van 30 april 1999 enerzijds en in voorliggend ontwerp van uitvoeringsbesluit anderzijds, zo spoedig mogelijk in werking moeten kunnen treden; dat de betrokken administraties en personen zo snel mogelijk op de hoogte moeten worden gebracht van een aantal nieuwe bepalingen inzake de tewerkstelling van buitenlandse werknemers; dat het o.a. dringend noodzakelijk is dat een juridische basis kan ingevoerd worden voor het verlenen van een voorlopige arbeidsvergunning voor slachtoffers van mensenhandel, dat de mogelijkheid om een buitenlandse werknemer voorlopig te werk te stellen nog vóór een arbeidsvergunning en -kaart wordt aangevraagd moet worden afgeschaft om misbruiken te voorkomen en dat erkende vluchtelingen en personen die in België een stage lopen in het kader van een uitwisselingsprogramma of bij internationale instellingen van publiek recht moeten kunnen vrijgesteld worden van de verplichting een arbeidskaart te bekomen; dat een aantal van deze bepalingen op 1 juli 1999 in werking moeten kunnen treden, o.a. wat betreft de stagiairs in het kader van de uitwisselingsprogramma's, aangezien een groot deel van deze stages loopt tijdens de vakantiemaanden, en ook wat betreft de bepalingen inzake de au pair-jongeren;
   Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 20 mei 1999, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, vervangen door de wet van 4 augustus 1996;
   Op de voordracht van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 28-03-2019 GEPUBL. OP 05-04-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 2) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 07-12-2018 GEPUBL. OP 21-12-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2,L1,1°-25°,27°-34°,L2-L5; 3-8; 9,L1,6°-20°,L2-L3; 10-15; 16-19; 24-N3)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 05-07-2018 GEPUBL. OP 25-09-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 9; 14; 17-18/27; 38)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-09-2018 GEPUBL. OP 17-09-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1-23; 30-42; N1-N3)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 01-06-2018 GEPUBL. OP 09-07-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 5; 9; 14; 15; 15/1; 15/2; 15/3; 15/4; 17; 17/1; 18; 18/1-18/29; 37/1; 37/2; 38)
  • BEELD
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 14-06-2018 GEPUBL. OP 02-07-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 9; 14; 17; 18; 18/1-18/27; 38)
  • BEELD
  • BESLUIT DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 07-06-2018 GEPUBL. OP 27-06-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 5; 9; 14; 15; 15/1; 15/2; 15/3; 15/4; 17-18; 17-18.32; 37/1; 37/2; 38)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-10-2017 GEPUBL. OP 23-10-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 2/1)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-06-2017 GEPUBL. OP 30-06-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 36)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-10-2015 GEPUBL. OP 09-11-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 17)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 09-07-2015 GEPUBL. OP 14-09-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 5; 9; 11; 13; 37; 37/1; 38ter; 38quater; 38quinquies; 38sexies; 38septies; 38octies)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 26-06-2015 GEPUBL. OP 23-07-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 5; 9; 11; 13; 38ter; 38quater; 38quinquies; 38sexies; 38septies; 38octies)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 19-12-2014 GEPUBL. OP 13-02-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 9; 15/1; 37; 37/1; 37/2)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 13-11-2014 GEPUBL. OP 05-12-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 9; 15/1; 37; 37/1; 37/2)
  • BEELD
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 06-11-2014 GEPUBL. OP 14-11-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 9; 15/1; 37; 37/1; 37/2)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-12-2013 GEPUBL. OP 24-01-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 15/1)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-07-2013 GEPUBL. OP 26-07-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 17; 38ter)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-06-2013 GEPUBL. OP 28-06-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 38bis; 38ter; 38sexies)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-07-2012 GEPUBL. OP 31-08-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 5; 9; 15/1; 15/2; 15/3; 15/4; 17)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-12-2011 GEPUBL. OP 30-12-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 38sexies)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-03-2011 GEPUBL. OP 29-03-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 17)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-12-2009 GEPUBL. OP 12-01-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 17)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-05-2009 GEPUBL. OP 29-05-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 17)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-12-2008 GEPUBL. OP 30-12-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 38SEXIES)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 9; 38SEPT; 38OCT; 11; 13)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-04-2008 GEPUBL. OP 20-05-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-09-2007 GEPUBL. OP 28-09-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 9; 16)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-01-2007 GEPUBL. OP 13-02-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 17)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 38TER; 38QUAT; 38SEXIES)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-04-2006 GEPUBL. OP 28-04-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 38QUATER-38SEXIES)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-12-2004 GEPUBL. OP 07-01-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 40)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-07-2004 GEPUBL. OP 23-08-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 17)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-04-2004 GEPUBL. OP 21-04-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 38TER-38SEXIES)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-12-2003 GEPUBL. OP 17-12-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 40)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-03-2003 GEPUBL. OP 01-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 9)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-02-2003 GEPUBL. OP 27-02-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 3; 4; 9; 16; 17; 18; 32; 34; 35; )
    (GEWIJZIGD ART. : 37)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-10-2002 GEPUBL. OP 24-12-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 40)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-07-2002 GEPUBL. OP 26-09-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 38BIS)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-12-2001 GEPUBL. OP 20-12-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 40)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-09-2001 GEPUBL. OP 18-09-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 25; 26; 28)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-01-2001 GEPUBL. OP 07-02-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 40)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 26)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-07-2000 GEPUBL. OP 01-08-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 9)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-02-2000 GEPUBL. OP 26-02-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 2)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING,
       Sire,
       Het koninklijk besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd beoogt uitvoering te geven aan de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. De datum van inwerkingtreding van voormelde wet, namelijk 1 juli 1999, wordt eveneens door dit koninklijk besluit vastgesteld.
       Dit koninklijk besluit beoogt vooreerst een coördinatie van de reglementering op het vlak van de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. Deze materie wordt momenteel immers geregeld door een aantal koninklijke en ministeriële besluiten en door een reeks ministeriële omzendbrieven.
       De regeling voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers vervat in al deze teksten is ondoorzichtig en onlogisch opgebouwd. Dit leidt tot rechtsonzekerheid bij al diegenen die met deze reglementering te maken hebben.
       Daarnaast beoogt dit besluit eveneens een actualisering van deze reglementering. De huidige teksten dateren immers nog uit het eind van de jaren '60 en werden tot op heden weinig of niet aangepast aan een aantal evoluties op de arbeidsmarkt met betrekking tot de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
       Bespreking van de artikelen.
       Artikel 1.
       In de punten 3°, 4° en 5° worden de definities hernomen uit de wet bedoeld in punt 2.
       Het punt 6° geeft de definitie van het wettig verblijf (dat het begrip van regelmatig verblijf vervangt dat in de vroegere reglementering niet werd gedefinieerd). Men verwijst hiermee naar de wet van 15 december 1980.
       De definities onder punt 7° (arbeidsmarkt) en punt 8° (schouwspelartiesten) bestonden niet in de oude reglementering, zomin als die van beroepssportlui (punt 11°).
       De definities onder punt 9° en 10° daarentegen (cabaret en cabaretpersoneel) werden sedert 1993 in de reglementering opgenomen.
       Artikel 2.
       Het eerste lid van dit artikel geeft in uitvoering van artikel 7 van de wet, de lijst van vrijstellingen van de verplichting een arbeidskaart te verkrijgen.
       Het punt 3° bevindt zich reeds in de huidige reglementering.
       In punt 4° wordt op het einde " voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten " toegevoegd. Een gelijkaardige toevoeging werd gedaan in het punt 6° (bedienaars van de eredienst) waar ook het woord " erkend " werd toegevoegd.
       In punt 5° wordt een nieuwe categorie van vrijstelling ingevoerd voor de vluchtelingen.
       Het punt 7° is een bepaling die reeds in de reglementering bestaat; hetzelfde geldt voor de punten 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14° en 15°.
       In punt 12° wordt de verwijzing naar artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 november 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones toegevoegd. Het betreft daar een rechtzetting van een weglating.
       Het punt 16° is quasi identiek aan de bestaande wetgeving; enkel de woorden " en/of erkend " werden toegevoegd.
       In punt 17° werd de vrijstelling die reeds werd toegekend aan schouwspelartiesten met internationale faam, uitgebreid tot hun begeleiders en, bovendien, uit de overweging te harmoniseren, werd de formulering van de verblijfsvoorwaarde overgenomen van deze opgenomen in punt 15° en 16° " voor zover hun verblijf in het land drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt ".
       In punt 18° werd het woord " hoger " weggelaten. De bedoeling is om de jonge buitenlandse onderdanen die wettig in België verblijven en die les volgen in het secundair onderwijs niet te bestraffen, temeer daar het al dikwijls over een benadeelde categorie gaat.
       In punt 19° heeft men " die wettig verblijven " toegevoegd.
       De punten 20° en 21° beogen bepaalde categorieën van stagiairs en zijn nieuwe bepalingen.
       In punt 22° (leerlingen) zijn de woorden " die wettig in België verblijven " vervangen door " die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden in België ".
       Het laatste lid van artikel 2 laat de Minister toe het begrip internationale faam, bedoeld in punt 17°, verder te definiëren.
       Artikel 3.
       Dit artikel bepaalt de categorieën van arbeidskaarten. In vergelijking met de huidige wetgeving herneemt men niet langer de arbeidskaart C die totaal in onbruik is geraakt.
       Anderzijds, de definitie van de arbeidskaart B is enigszins gewijzigd : men bepaalt een maximum duur van twaalf maanden en de kaart is beperkt tot de tewerkstelling bij één werkgever (en niet langer in één bedrijfstak).
       Artikel 4.
       Paragraaf 1 herneemt, in zijn eerste en tweede lid, reeds bestaande bepalingen. Men heeft nochtans op het einde van het tweede lid het volgende eraan toegevoegd : " behalve indien deze afwezigheid niet het verlies van het recht op of machtiging tot verblijf, overeenkomstig artikel 39, § 3 of § 5 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, tot gevolg had ". Het doel is om de tegenstellingen tussen het arbeidsrecht en verblijfsrecht te vermijden.
       Het eerste en tweede lid van paragraaf 2 stemmen overeen met het artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Het derde lid is een nieuwe bepaling ingevoegd met de bedoeling een eventuele discordantie te vermijden tussen de reglementering van het verblijf van vreemdelingen en deze op hun toegang tot werk.
       Artikel 5.
       Dit artikel voorziet de afwijkingen op artikel 4, paragraaf 2, eerste lid van de wet. Worden bedoeld, de personen voor wie geen rekening wordt gehouden met de arbeidsmarkt bij het afleveren van de arbeidskaart.
       Aangezien artikel 4, § 2, eerste lid van de wet enkel handelt over de arbeidsvergunning en niet over de voorlopige arbeidsvergunning (artikel 4, § 4 van de wet en artikel 4, § 3 van dit besluit), moet er geen afwijking voorzien worden in dit artikel 5.
       Artikel 6.
       Dit artikel beantwoordt aan artikel 9 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Nochtans, om de controle te vergemakkelijken, heeft men de mogelijkheid om de bijzondere voorwaarden bij ter post aangetekende brief te betekenen niet weerhouden.
       De woorden " indien mogelijk " worden nader verklaard door de toekomstige formaten van de documenten betreffende de arbeidskaart (formaat van de identiteitskaart).
       Artikel 7.
       Dit artikel stemt overeen met artikel 13bis, eerste lid van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Om practische reden wordt het niet opportuun geacht sancties te voorzien.
       Artikel 8.
       Deze fundamentele bepaling is bijna identiek aan artikel 5 van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Er dient echter op gewezen te worden dat men nu spreekt van " arbeidsmarkt " (zie artikel 1, 7°) en niet langer van " nationale arbeidsmarkt ".
       Artikel 9.
       Dit artikel stemt overeen, zij het met meerdere wijzigingen, met artikel 1 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969.
       Het betreft de bepaling van de categorieën buitenlandse werknemers voor wie, in afwijking van artikel 8, geen rekening moet worden gehouden met de situatie van de arbeidsmarkt voor de uitreiking van de arbeidsvergunning.
       Men dient in het bijzonder op te merken dat men het niet nuttig heeft geacht in deze lijst de inwonende dienstboden en dienstmeiden nog langer op te nemen en dat, voor de studenten, de beperking van een 20-uren week, die reeds krachtens een omzendbrief werd toegepast, wordt bevestigd. Deze beperking is logisch in de mate dat het gaat om personen waarvan het verblijf wordt gerechtvaardig om studies te volgen in België.
       Overigens verenigt dit artikel alle gevallen waar geen rekening wordt gehouden met de arbeidsmarkt, waar vroeger een deel van de vrijstellingen her en der verspreid stonden in de reglementering (stagiairs, au pair-jongeren, gespecialiseerde techniekers).
       Om reden van duidelijkheid krijgt de term " gespecialiseerde technieker " (punt 9) de voorkeur op " monteerders-specialisten " daar de praktijk heeft aangetoond dat het niet enkel om industriële installaties gaat.
       De punten 11°, 12° en 13° (beroepssportlui, personen met een verantwoordelijkheidsfunctie in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij of een toeristische dienst van hun land) zijn eveneens een bevestiging van vrijstellingen die voorheen in omzendbrieven waren voorzien.
       De omschrijvingen van " navorser " en van " gasthoogleraar ", vermeld onder de leden 2° en 4°, werden opgesteld na raadpleging van de Gemeenschappen.
       Artikel 10.
       Dit artikel stemt overeen met artikel 6 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Artikel 11.
       Dit artikel stemt overeen met artikel 2 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969. Omdat men verwijst naar artikel 9, geldt het commentaar gegeven bij dit artikel eveneens voor artikel 11.
       Artikel 12.
       Het eerste lid van dit artikel stemt overeen met artikel 2bis van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Het tweede tot vijfde lid voeren de verplichting in van een specifiek contract voor bepaalde categorieën (artiesten, stagiairs, au pair-jongeren, voorlopige arbeidsvergunning).
       Artikel 13.
       Dit artikel stemt overeen met artikel 3bis van het ministerieel besluit van 15 juli 1969. Dezelfde opmerking als voor artikel 11 kan hier worden gemaakt.
       Voor stagiairs en au pair-jongeren zijn bijzondere contracten voorzien.
       Artikel 14.
       Dit artikel stemt gedeeltelijk overeen met artikel 2 van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Men heeft er een bepaling aan toegevoegd (lid 3) waarin de termijn wordt gepreciseerd binnen dewelke het geneeskundig getuigschrift moet worden opgesteld om de voorlegging van te oude getuigschriften te vermijden.
       Overigens blijkt uit ervaring de noodzakelijkheid van de invoering van het vierde lid dat desnoods de vertaling eist van het geneeskundig getuigschrift in één van de talen van het bevoegd Gewest.
       Artikel 15.
       In combinatie met artikel 14 stemt dit artikel overeen met artikel 2 van het koninklijk besluit van 6 november 1967 (voor punt 1°) en met artikel 21 van hetzelfde besluit (voor punt 2°).
       Artikel 16.
       Dit artikel bepaalt de categorieën van vreemdelingen die recht hebben op een arbeidskaart A en stemt overeen met artikel 13 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Het punt 1° behandelt het recht een arbeidskaart A te verkrijgen op basis van het aantal jaren arbeid met een arbeidskaart B. Het aantal arbeidsjaren is teruggebracht op vier in plaats van vroeger vijf maar, in feite betreft het een bevestiging van wat reeds van toepassing was krachtens artikel 10, 2° van het ministerieel besluit van 15 juli 1969.
       Let bovendien op het gebruik van de term " wettig verblijf ", gedefinieerd in artikel 1 (in plaats van " regelmatig verblijf ").
       Het punt 2° behandelt het recht om de arbeidskaart A te verkrijgen op basis van het aantal jaren " wettig " (in plaats van " regelmatig ") en " ononderbroken verblijf ".
       Het punt 3° voorziet het recht op een arbeidskaart A voor de echtgenoot van een persoon die ingevolge 1° of 2° recht heeft op een arbeidskaart A. Met de bedoeling de reglementering in overeenstemming te brengen met de verblijfsreglementering, heeft men er aan toegevoegd dat de echtgenoot moet beschikken over een verblijfstitel op basis van artikel 10, eerste lid, 1° of 4° van de wet van 15 december 1980.
       De bedoeling is te vermijden dat een persoon een arbeidskaart A ontvangt zolang hij enkel over een voorlopige verblijfstitel beschikt die slechts kan worden bevestigd na één jaar samenwonen.
       In punt 4°, buiten de invoering van het begrip van verblijf overeenkomstig artikel 10, eerste lid, 1° of 4° van de wet van 15 december 1980, past het het gebruik op te merken van het begrip " kinderen " zonder nog een onderscheid te maken tussen wettige, natuurlijke of geadopteerde kinderen.
       Met uitzondering van punten 6° en 8° bestonden de overige punten reeds. Het punt 8° heeft eveneens tot doel verblijfsrecht en arbeidsrecht te harmoniseren. In uitvoering van artikel 19, derde lid van de wet van 15 december 1980 werd het koninklijk besluit van 7 augustus 1995 houdende vaststelling van de gevallen waarin en van de voorwaarden waaronder een vreemdeling, wiens afwezigheid uit het Rijk langer dan één jaar duurt, kan gemachtigd worden er terug te keren gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 2 september 1995.
       Artikel 17.
       Dit artikel voorziet, in paragraaf 1, in de gevallen waar de termijn van vier jaar, voorzien in artikel 16, 1° kan worden ingekort. Deze paragraaf stemt overeen met artikel 10, 1° van het ministerieel besluit van 15 juli 1969 en met het tweede lid van artikel 13, 1° van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Paragraaf 2 stemt overeen met het laatste lid van artikel 13 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Artikel 18.
       Het punt 1° van dit artikel behandelt de gelijkstellingen met de arbeidsperioden voor de toepassing van de artikelen 16, 1° en 17, paragraaf 1. Deze bepaling stemt overeen met artikel 13, 1°, vierde lid van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Het artikel 18, 2° beschrijft de gevallen waar het verblijf geacht wordt ononderbroken te zijn en stemt overeen met artikel 13, 1°, derde lid en 2°, tweede lid van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Nochtans werd artikel 18, 2°, a) uitgebreid tot artikel 16, 2°.
       De punten 3° en 4° van artikel 18 stemmen overeen met respectievelijk artikel 13, 1°, vijfde lid en 2°, derde lid van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Artikel 19.
       Dit artikel behandelt de contingenten en stemt overeen met artikel 13 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969.
       Er dient te worden opgemerkt dat men de verplichting heeft ingevoerd om het bevoegde paritaire comité te raadplegen.
       Artikel 20 tot 23.
       Deze artikelen stemmen overeen met artikel 17, paragrafen 1 tot 4 van het koninklijk besluit van 6 november 1967 (wijziging van 16 februari 1998).
       Paragraaf 5 van voormeld artikel 17 betreffende de mogelijkheid om af te wijken inzake de leeftijd van de stagiair en de duur van de stage is voortaan voorzien in artikel 38, paragraaf 2.
       Artikel 24 tot 29.
       Deze artikelen betreffen de au pair-jongeren. Zij stemmen overeen met artikel 18 van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Zij wijzigen grondig deze bepaling zoals ze toen werd opgesteld. Zij hernemen integraal de voorstellen die het voorwerp uitmaakten van het advies 97/1 van de Adviesraad voor buitenlandse arbeidskrachten maar die nog niet werden aangenomen.
       Met betrekking tot meer bepaald artikel 26, 2° dient te worden opgemerkt dat deze bepaling tot doel heeft te beletten dat de au pair-jongere onthaald wordt in een gastgezin dat niet één van de drie nationale talen als omgangstaal gebruikt (bijvoorbeeld Zweeds of Japanees). In dergelijk geval zou het oogmerk de taalkennis van de au pair-jongere te vervolmaken niet bereikt worden daar er geen overeenstemming zou zijn tussen de taalcursussen die de au pair-jongere zou volgen en de omgangstaal gebruikt in het gastgezin.
       Artikel 30.
       Dit artikel betreft het cabaretpersoneel. De definitie van " cabaret " en " cabaretpersoneel " wordt gegeven in artikel 1, 9° en 10°. Het artikel 30 stemt overeen met artikel 4 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969 (versie van 19 maart 1993).
       Artikel 31.
       Dit artikel geeft, in lid 1, een definitie van hernieuwing, wat nog niet bestond in deze reglementering. Men preciseert vooral dat de hernieuwing het voortduren betreft van de tewerkstelling van eenzelfde werknemer in eenzelfde beroep (maar niet noodzakelijk bij dezelfde werkgever).
       De artikelen 31 tot 33 stemmen overeen met de artikelen 5 tot 9 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969.
       Het tweede lid van artikel 31 voert een minimumtermijn in voor het inleiden van de hernieuwingsaanvraag voor het verstrijken van de lopende arbeidsvergunning en arbeidskaart.
       Artikel 32.
       Dit artikel preciseert dat de artikelen 8 tot 11 en 12, eerste lid, betreffende de verplichting van een overeenkomst, van toepassing zijn op de hernieuwingsaanvragen.
       A contrario betekent dit dat de voorwaarde van het geneeskundig getuigschrift niet moeten worden vervuld.
       Artikel 33.
       Dit artikel voorziet, om sociale redenen, afwijkingen die reeds bestaan in artikel 31, eerste lid. In deze afwijkingen worden echter de onvrijwillig werklozen niet meer hernomen. Inderdaad lijkt het onlogisch de hernieuwing voor een ander werk in dat geval toe te staan wanneer in principe de eerste arbeidskaart werd toegestaan juist omdat er een tekort op de arbeidsmarkt bestond van het beroep dat voorwerp uitmaakte van de arbeidskaart.
       Artikel 34.
       Dit artikel stemt overeen met de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 6 november 1967. De gebruikte formulering bovenaan het artikel is echter duidelijker : " de arbeidsvergunning en de arbeidskaart worden geweigerd " in plaats van " worden niet toegekend " of " kunnen worden geweigerd ".
       Het punt 1° betreft een nieuwe bepaling die zal toelaten de arbeidsvergunning en de arbeidskaart te weigeren om reden dat de aanvraag onvolledige of onjuiste gegevens bevat.
       Op grond van het punt 2° zal het bv. mogelijk zijn de arbeidsvergunning en de arbeidskaart te weigeren wanneer niet voldaan wordt aan de vereisten inzake de gereglementeerde beroepen.
       Het punt 6° laat niet langer toe de arbeidsvergunning en de arbeidskaart te weigeren omdat het geen voltijdse tewerkstelling zou betreffen; alleen wanneer onvoldoende inkomsten zouden worden verworven door deze tewerkstelling wordt dit voortaan geweigerd.
       Artikel 35.
       Dit artikel betreft het terug intrekken van de arbeidsvergunning (paragraaf 1) en de arbeidskaart (paragraaf 2). Het stemt overeen met artikel 11 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Ook hier is de formulering bij de aanvang van de paragraaf duidelijker : " de arbeidsvergunning (of de arbeidskaart) wordt ingetrokken " in plaats van " kan worden ingetrokken ".
       Artikel 36.
       Dit artikel stemt overeen met artikel 29 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Artikel 37.
       Dit artikel voorziet een voorlopige arbeidsvergunning voor de slachtoffers van de mensenhandel. Hiermee wordt een juridische basis gegeven in de reglementering voor wat tot nu voorzien werd bij de ministeriële omzendbrieven, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 juli 1994 en 21 februari 1997.
       Artikel 38.
       Paragraaf 1 legt aan de Minister de verplichting op om, wanneer hij algemene regelen ter uitvoering van dit besluit uitvaardigt, de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers te raadplegen. Deze raad wordt geïnstalleerd bij artikel 19 van de wet.
       Wanneer de dringende noodzakelijkheid wordt ingeroepen om dit advies niet te vragen zal deze zoals steeds gemotiveerd moeten worden.
       Paragraaf 2 hergroepeert de afwijkingsmogelijkheden. De beslissing moet worden gemotiveerd. Onder " bevoegde overheid " dient te worden verstaan de bevoegde gewestelijke Minister inzake tewerkstelling.
       Artikel 39.
       Dit artikel geeft de lijst van opgeheven bepalingen.
       Artikel 40.
       De huidige procedureregels worden behouden tot uiterlijk 31 december 2000. Dit moet toelaten een nieuwe procedure voor de uitreiking van een beveiligde arbeidskaart te kunnen ontwikkelen.
       Gevolg gevend aan het advies van de Raad van State werd besloten § 2 van het ontwerp betreffende de omzendbrief inzake de kandidaat-vluchtelingen niet nu te hernemen, aangezien deze overgangsbepaling toegevoegd werd nadat het ontwerp in de Ministerraad werd besproken en betrekking heeft op een materie die krachtens de artikelen 4, § 4 en 8, § 1 van de wet van 30 april 1999 in de Ministerraad overlegd dienen te worden.
       Krachtens artikel 8, § 2 van de wet van 30 april 1999 geldt dezelfde redenering niet voor artikel 40, § 1.
       Om aan het advies van de Raad van State te voldoen zal een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden opgesteld om het voorliggend koninklijk besluit aan te vullen met de inhoud van bovengenoemde omzendbrief.
       Artikel 41.
       De datum van inwerkingtreding van de wet en van dit besluit wordt bepaald op 1 juli 1999.
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige
       en zeer getrouwe dienaar,
       De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
       Mevr. M. SMET

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 52 uitvoeringbesluiten 39 gearchiveerde versies
    Franstalige versie