J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 51 uitvoeringbesluiten 36 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1999/06/09/1999012496/justel

Titel
9 JUNI 1999. - Koninklijk besluit houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
(NOTA : artikelen gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BESL 2018-07-05/26, art. 2-7; Inwerkingtreding : onbepaald)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-06-1999 en tekstbijwerking tot 23-10-2017) Zie wijziging(en)

Bron : TEWERKSTELLING EN ARBEID
Publicatie : 26-06-1999 nummer :   1999012496 bladzijde : 24162   BEELD
Dossiernummer : 1999-06-09/35
Inwerkingtreding : 01-07-1999

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Definities.
Art. 1
HOOFDSTUK II. - Vrijstellingen.
Art. 2, 2/1
HOOFDSTUK III. - Categorieën van arbeidskaarten en algemene bepalingen.
Art. 3-7
HOOFDSTUK IV. - Toekenningsvoorwaarden voor de arbeidsvergunning en voor de arbeidskaart.
Afdeling 1. - De arbeidsvergunning.
Onderafdeling 1. - De arbeidsmarkt.
Art. 8-9
Onderafdeling 2. - De internationale overeenkomsten of akkoorden.
Art. 10-11
Onderafdeling 3. - De overeenkomst.
Art. 12-13
Onderafdeling 4. - Het geneeskundig getuigschrift.
Art. 14-15
Afdeling 1bis. [1 - De voorlopige arbeidsvergunning uitgereikt in het kader van het verkrijgen van de Europese blauwe kaart.]1
Art. 15/1, 15/2, 15/3, 15/4
Afdeling 2. - De arbeidskaart A.
Art. 16
Afdeling 3. - <opschrift ingevoegd bij KB 2003-02-06/41, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De arbeidskaart C.
Art. 17-18
HOOFDSTUK V. - Contingenten.
Art. 19
HOOFDSTUK VI. - Bijzondere categorieën van werknemers.
Afdeling 1. - De stagiairs.
Art. 20-23
Afdeling 2. - De au pair-jongeren.
Art. 24-29
Afdeling 3. - Cabaretpersoneel.
Art. 30
HOOFDSTUK VII. - Hernieuwing van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart B.
Art. 31-33
HOOFDSTUK VIII. - Weigering en intrekking van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart.
Art. 34-35
HOOFDSTUK IX. - Toezicht.
Art. 36
HOOFDSTUK X. - Slachtoffers van de mensenhandel. (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 11, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
Art. 37, 37/1, 37/2
HOOFDSTUK XI. - (Tijdelijke, overgangs- en slotbepalingen.) <KB 2004-04-12/32, art. 1, Inwerkingtreding : 01-05-2004>
Art. 38, 38bis, 38ter, 38quater, 38quinquies, 38sexies, 38septies, 38octies, 39-42
BIJLAGEN.
Art. N1-N3

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Definities.

  Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit en van zijn uitvoeringsbesluiten verstaat men onder :
  1° wet van 15 december 1980 : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  2° de wet : de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
  3° buitenlandse onderdanen en werknemers : de onderdanen en werknemers die de Belgische nationaliteit niet bezitten;
  4° de Minister : de Minister van Tewerkstelling en Arbeid;
  5° de bevoegde overheid : de overheid bevoegd krachtens artikel 6, § 1, IX, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen,
  6° (wettig verblijf : de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980 of de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met uitzondering van de verblijfssituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden.) <KB 2003-02-06/41, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  7° arbeidsmarkt : de arbeidsmarkt van de drie Gewesten, evenals de markt van de Lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
  8° schouwspelartiest : de personen die het beroep van schouwspelartiest uitoefenen zoals omschreven in artikel 3, 2° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 ter herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers;
  9° cabaret : wat ook de benaming, juridische vorm en sociale doelstelling zij, elke instelling waarvan de reële hoofd- of bijactiviteit bestaat in het organiseren van spektakels onder de vorm van dans, zang of striptease;
  10° cabaretpersoneel : elke met een arbeidsovereenkomst in dienst genomen persoon om tewerkgesteld te zijn in een cabaret;
  11° beroepssportlui : de sportlui aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
  (12° opleiding : een activiteit of een geheel van activiteiten die erop gericht is de personen die eraan deelnemen meer kennis en meer vaardigheden bij te brengen die hen moeten toelaten hun beroepswerkzaamheden efficiënter uit te oefenen. In ieder geval kan de bedrijfsgebonden opleiding niet gepaard gaan met enige productieve prestatie.
  13° kaderlid : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
  14° hoofdkwartier: iedere binnenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b), van Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en ieder Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, c) van het zelfde Wetboek, op voorwaarde dat de binnenlandse vennootschap of buitenlandse vennootschap minstens gekwalificeerd kan worden als een geassocieerde vennootschap zoals bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Vennootschappen en de binnenlandse vennootschap of Belgische filiaal activiteiten met een voorbereidend of hulpverlenend karakter ten voordele van het geheel of een deel van de vennootschappen van de groep waartoe ze behoort, activiteiten inzake informatieverstrekking aan klanten, activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen en/of activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren uitoefent;
  15° groep: het geheel van verbonden en/of geassocieerde vennootschappen zoals bedoeld in artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen die in ten minste drie verschillende landen gevestigd zijn; <KB 2007-09-12/35, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [1 16° leidinggevend personeel : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, 4° van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008;]1
  [2 17° echtgenoot : de echtgenoot, alsook iedere persoon die met een andere persoon verbonden is door een geregistreerd partnerschap zoals bedoeld in de artikelen 10, § 1, 4° en 5°, en 40bis, § 2, 1° en 2° van de wet van 15 december 1980;]2
  [3 18° europese blauwe kaart : het verblijfsdocument voorzien bij artikel 1, 3° van de wet van 15 december 1980;
   19° dienst Vreemdelingenzaken : het bestuur dat belast is met de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]3
  ----------
  (1)<KB 2009-05-28/01, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<KB 2011-03-13/20, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 08-04-2011>
  (3)<KB 2012-07-17/10, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>

  HOOFDSTUK II. - Vrijstellingen.

  Art. 2.Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart :
  1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
  2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
   b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
   c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
   - van een geldig attest van immatriculatie,
   - of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
   d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
  3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
  b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
  5° de in België erkende vluchteling;
  6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
  7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
  8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
  9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
  13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
  14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
  a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
  b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
  c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
  (oude d) opgeheven) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
  16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
  18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
  19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
  20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
  b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
  b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
  25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (26° de onderzoekers die naar België komen om onderzoek te doen bij een erkende onderzoekinstelling in het kader van een gastovereenkomst, in de gevallen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen bepaald bij de artikelen 61/10 tot 61/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en bij het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten.
  De duur van de vrijstelling wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject die wordt vastgelegd in de door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst. Haar geldigheid is beperkt tot de onderzoeksactiviteit voor dewelke ze werd toegekend alsook tot de onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid met wie de buitenlandse onderdaan voor dewelke deze vrijstelling werd toegekend, samenwerkt;
  27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
  28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
  29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
  De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
  30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
  Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
  31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
  32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
  33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 69 van voornoemde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet.
  Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [3 34° de buitenlandse onderdanen die houder zijn van een Europese blauwe kaart uitgereikt door de Dienst Vreemdelingenzaken;]3
  De Minister kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
  (Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
  In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° en 33°).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
  [4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4
  
  Art. 2. (WAALSE OVERHEIDSDIENST)
  Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart :
  1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
  2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
   b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
   c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
   - van een geldig attest van immatriculatie,
   - of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
   d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
  3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
  b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
  5° de in België erkende vluchteling;
  6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
  7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
  8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
  9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
  13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
  14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
  a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
  b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
  c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
  (oude d) opgeheven) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
  16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
  18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
  19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
  20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
  b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
  b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
  25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (26° de onderzoekers die naar België komen om onderzoek te doen bij een erkende onderzoekinstelling in het kader van een gastovereenkomst, in de gevallen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen bepaald bij de artikelen 61/10 tot 61/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en bij het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten.
  De duur van de vrijstelling wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject die wordt vastgelegd in de door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst. Haar geldigheid is beperkt tot de onderzoeksactiviteit voor dewelke ze werd toegekend alsook tot de onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid met wie de buitenlandse onderdaan voor dewelke deze vrijstelling werd toegekend, samenwerkt;
  27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
  28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
  29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
  De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
  30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
  Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
  31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
  32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
  33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt [5 dan het bedrag van 65.771 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37;]5.
  Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [3 34° de buitenlandse onderdanen die houder zijn van een Europese blauwe kaart uitgereikt door de Dienst Vreemdelingenzaken;]3
  [8 35° de buitenlandse onderdanen die de verblijfsstatus van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens een wetgeving of regelgeving tot omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, voor zover zij met een arbeidskaart model B gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden werden tewerkgesteld.]8
  [8 "Wat punt 35° betreft, worden met arbeidsperiodes gelijkgesteld de periodes van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene werd tewerkgesteld.]8
  De Minister kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
  (Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
  In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° en 33°).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
  [4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4
  
  Art. 2. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart :
  1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
  2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
   b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
   c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
   - van een geldig attest van immatriculatie,
   - of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
   d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
  3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
  b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
  5° de in België erkende vluchteling;
  6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
  7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
  8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
  9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
  13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
  14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
  a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
  b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
  c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
  (oude d) opgeheven) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
  16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
  18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
  19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
  20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
  b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
  b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
  25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (26° de onderzoekers die naar België komen om onderzoek te doen bij een erkende onderzoekinstelling in het kader van een gastovereenkomst, in de gevallen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen bepaald bij de artikelen 61/10 tot 61/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en bij het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten.
  De duur van de vrijstelling wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject die wordt vastgelegd in de door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst. Haar geldigheid is beperkt tot de onderzoeksactiviteit voor dewelke ze werd toegekend alsook tot de onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid met wie de buitenlandse onderdaan voor dewelke deze vrijstelling werd toegekend, samenwerkt;
  27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
  28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
  29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
  De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
  30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
  Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
  31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
  32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
  33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [6 bedrag van 65.771 EUR berekend en aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]6.
  Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [3 34° de buitenlandse onderdanen die houder zijn van een Europese blauwe kaart uitgereikt door de Dienst Vreemdelingenzaken;]3
  [10 35° de buitenlandse onderdanen die het statuut van langdurig ingezeten onderdanen in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, voor zover ze gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden tewerkgesteld geweest zijn overeenkomstig artikel 9, eerste lid, 20°, van dit besluit.
   Voor de toepassing van 35° worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van volledige arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich hebben voorgedaan op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze was tewerkgesteld door een in België gevestigde werkgever.]10
  De Minister kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
  (Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
  In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° en 33°).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
  [4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4
  
  Art. 2. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart :
  1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
  2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
   b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
   c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
   - van een geldig attest van immatriculatie,
   - of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
   d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
  3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
  b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
  5° de in België erkende vluchteling;
  6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
  7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
  8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
  9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
  13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
  14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
  a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
  b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
  c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
  (oude d) opgeheven) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
  15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
  16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
  18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
  19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
  20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
  b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
  b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
  25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (26° de onderzoekers die naar België komen om onderzoek te doen bij een erkende onderzoekinstelling in het kader van een gastovereenkomst, in de gevallen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen bepaald bij de artikelen 61/10 tot 61/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en bij het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten.
  De duur van de vrijstelling wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject die wordt vastgelegd in de door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst. Haar geldigheid is beperkt tot de onderzoeksactiviteit voor dewelke ze werd toegekend alsook tot de onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid met wie de buitenlandse onderdaan voor dewelke deze vrijstelling werd toegekend, samenwerkt;
  27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
  28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
  29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
  De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
  30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
  De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
  Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
  31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
  32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
  33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [7 bedrag van 65.771 euro berekend en aangepast conform artikel 37]7.
  Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [3 34° de buitenlandse onderdanen die houder zijn van een Europese blauwe kaart uitgereikt door de Dienst Vreemdelingenzaken;]3
  [9 35° de buitenlandse onderdanen die het statuut van langdurig ingezeten onderdanen in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, en die gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden arbeid hebben verricht conform artikel 9, eerste lid, 20°, van dit besluit.
   Voor de toepassing van het voorgaande lid worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat betrokkene op regelmatige wijze door een in België gevestigde werkgever werd tewerkgesteld.]9
  De Minister kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
  (Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
  In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° en 33°).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  [4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
  [4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4

  ----------
  (1)<KB 2009-05-28/01, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<KB 2011-03-13/20, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 08-04-2011>
  (3)<KB 2012-07-17/10, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (4)<KB 2013-07-17/05, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 05-08-2013>
  (5)<BWG 2014-11-06/01, art. 1, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>
  (6)<BESL 2014-11-13/11, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (7)<BVR 2014-12-19/B0, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (8)<BWG 2015-07-02/26, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (9)<BVR 2015-06-26/16, art. 1, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (10)<BESL 2015-07-09/22, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Art. 2/1. [1 Zijn eveneens vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart, de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan die het statuut van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, voor zover deze buitenlandse onderdaan vrijgesteld is van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart.
   Artikel 2, tweede lid en verder, zijn van toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-10-08/05, art. 2, 037; Inwerkingtreding : 02-11-2017>
  

  HOOFDSTUK III. - Categorieën van arbeidskaarten en algemene bepalingen.

  Art. 3. De arbeidskaart behoort tot een van de volgende categorieën :
  1° de arbeidskaart A : de arbeidskaart voor onbepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt;
  2° de arbeidskaart B : de arbeidskaart voor bepaalde tijd, van ten hoogste twaalf maanden en beperkt tot de tewerkstelling bij één werkgever;
  (3° de arbeidskaart C : de arbeidskaart voor bepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt.) <KB 2003-02-06/41, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>

  Art. 4.§ 1. Wanneer de werknemer houder is van een arbeidskaart A, is geen arbeidsvergunning vereist in hoofde van de werkgever.
  De arbeidskaart A verliest alle geldigheid als de houder van die kaart gedurende een periode van meer dan een jaar uit het land afwezig blijft, behalve indien deze afwezigheid niet het verlies van zijn recht op of machtiging tot verblijf, overeenkomstig artikel 39, § 3 of § 5 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, tot gevolg had.
  § 2. De toekenning aan de werkgever van de arbeidsvergunning, heeft automatisch tot gevolg dat ook de arbeidskaart B aan de betrokken werknemer wordt toegekend.
  De geldigheidsduur van de arbeidskaart stemt overeen met de geldigheidsduur van de aan de werkgever toegekende arbeidsvergunning.
  De arbeidskaart B verliest alle geldigheid indien de houder ervan zijn recht op of machtiging tot verblijf verliest.
  § 3. (Wanneer de werknemer houder is van een arbeidskaart C, is geen arbeidsvergunning vereist in hoofde van de werkgever.
  De arbeidskaart C verliest alle geldigheid indien de houder ervan zijn recht op of machtiging tot verblijf verliest.) <KB 2003-02-06/41, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>

  Art. 5.In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet, mag de arbeidsvergunning worden toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 9 [1 , bij artikel 2, eerste lid, 34°]1 (en in artikel 38septies) die België zijn binnengekomen om er tewerkgesteld te worden vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen. <KB 2008-12-23/30, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  
  Art.5. (WAALS GEWEST)
  [2 In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet, mag de vergunning worden toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van onderdanen bedoeld in artikel 2, eerste lid, punt 34°, en in artikel 9, die België zijn binnengekomen om er tewerkgesteld te worden vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen.]2
  
  Art. 5. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet, mag de arbeidsvergunning worden toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 9 [4 en bij artikel 2, eerste lid, 34°]4 die België zijn binnengekomen om er tewerkgesteld te worden vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen.
  
  Art. 5. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet, mag de arbeidsvergunning worden toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 9 [1 , bij artikel 2, eerste lid, 34°]1 [3 ...]3 die België zijn binnengekomen om er tewerkgesteld te worden vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen.

  ----------
  (1)<KB 2012-07-17/10, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (2)<BWG 2015-07-02/26, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (3)<BVR 2015-06-26/16, art. 2, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (4)<BESL 2015-07-09/22, art. 2, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Art. 6. De arbeidsvergunning en de arbeidskaart kunnen aan bijzondere voorwaarden worden verbonden. Die voorwaarden worden in het formulier van toekenning van de arbeidsvergunning en indien mogelijk op de arbeidskaart aangegeven.

  Art. 7. De buitenlandse onderdaan die het land voorgoed verlaat, moet vóór zijn vertrek de arbeidskaart teruggeven aan het gemeentebestuur van zijn hoofdverblijfplaats.

  HOOFDSTUK IV. - Toekenningsvoorwaarden voor de arbeidsvergunning en voor de arbeidskaart.

  Afdeling 1. - De arbeidsvergunning.

  Onderafdeling 1. - De arbeidsmarkt.

  Art. 8. De arbeidsvergunning wordt alleen dan toegekend wanneer het niet mogelijk is binnen een redelijke termijn onder de werknemers op de arbeidsmarkt een werknemer te vinden die, al of niet door een nog te volgen gepaste beroepsopleiding, geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een billijke termijn te bekleden.

  Art. 9.In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om :
  1° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  2° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  3° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
  6° (hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 67 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
  De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
  - ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
  - ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 69 van de voormelde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 69 van dezelfde wet aangegeven bedrag. Het voornoemde bedrag is berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
  9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgen in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
  11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
  13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
  14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
  15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan het in artikel 65, § 2, eerste lid, van de voormelde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  (18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
  19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
   (20° de werknemers, onderdanen van een Staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte, die de verblijfsstatus van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen op basis van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.) <AR 2008-12-23/30, art. 3, 019; Inwerkingtreding : onbepaald, dat in werking treedt de dag waarop de artikelen 38ter, 38quater en 38quinquies van dit koninklijk besluit>
  De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
  - voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
  - een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
  Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
  - worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
  - een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
  Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
  
  Art. 9. (WAALSE OVERHEIDSDIENST)
  In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om :
  1° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  2° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  3° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
  6° (hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan [2 het bedrag van 39.422 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37]2; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
  De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
  - ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
  - ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan [2 het bedrag van 65.771 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37]2.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan [2 het bedrag van 65.771 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37]2; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
  9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgen in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
  11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
  13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
  14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
  15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan [2 het bedrag van 32.886 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37;]2) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  (18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
  19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  20° [5 de buitenlandse onderdanen die de verblijfsstatus van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen op basis van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen voor zover deze arbeidsvergunning betrekking heeft op beroepen waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er zich een tekort aan arbeidskrachten voordoet.]5
  De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
  - voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
  - een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
  Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
  - worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
  - een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
  Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
  [5 Wat punt 20° betreft, wordt de arbeidsvergunning door de bevoegde overheid afgeleverd binnen vijf werkdagen wanneer de voorwaarden voor de toekenning ervan worden vervuld.]5.
  
  Art. 9. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om :
  1° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  2° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  3° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
  6° (hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [3 bedrag van 39.422 EUR berekend en aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]3; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
  De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
  - ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
  - ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [3 bedrag van 65.771 EUR berekend en aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]3.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [3 bedrag van 65.771 EUR berekend en aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]3; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
  9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgen in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
  11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
  13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
  14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
  15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan het [3 bedrag van 32.886 EUR berekend een aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]3;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  (18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
  19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  20° [7 de onderdanen van een Staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte die het statuut van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.
   De arbeidsvergunning heeft betrekking op beroepen waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er zich, voor de toepassing van de wet, een tekort aan arbeidskrachten voordoet.]7
  De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
  - voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
  - een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
  Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
  - worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
  - een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
  Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
  [7 De arbeidsvergunning voor een betrekking waarvoor een tekort aan arbeidskrachten bestaat als bedoeld in 20° van het eerste lid, wordt binnen de vijf werkdagen door de bevoegde overheid afgeleverd, wanneer aan de voorwaarden voor de toekenning ervan is voldaan. De werkgever overhandigt de werknemer een kopie van deze arbeidsvergunning in afwachting van de aflevering van de arbeidskaart B. Deze kopie geldt voor de werknemer als voorlopige arbeidskaart B tot op het ogenblik van de aflevering van de arbeidskaart B.]7
  
  Art. 9. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om :
  1° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  2° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  3° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
  6° (hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [4 bedrag van 39.422 euro berekend en aangepast conform artikel 37]4; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
  De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
  - ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
  - ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [4 bedrag van 65.771 euro berekend en aangepast conform artikel 37]4.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [4 bedrag van 65.771 euro berekend en aangepast conform artikel 37]4; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
  9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgen in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
  11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
  13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
  14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
  15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan het [4 bedrag van 32.886 euro berekend en aangepast conform artikel 37]4;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  (18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
  19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
  20° [6 de buitenlandse onderdanen die het statuut van langdurig ingezeten onderdanen in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, voor zover die arbeidsvergunning betrekking heeft op beroepen waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er zich, voor de toepassing van de wet, een tekort aan arbeidskrachten voordoet.]6
  De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
  - voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
  - een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
  Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
  - houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
  - uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
  - worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
  - een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
  Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
  [6 Voor de toepassing van het eerste lid, 20°, wordt de arbeidsvergunning binnen vijf werkdagen afgeleverd door de bevoegde gewestelijke administratie als aan de voorwaarden voor de toekenning ervan is voldaan. De werkgever overhandigt de werknemer een kopie van de arbeidsvergunning in afwachting van de aflevering van arbeidskaart B. De kopie geldt voor de werknemer als voorlopige arbeidskaart B tot op het ogenblik waarop arbeidskaart B wordt afgeleverd. De bevoegde overheid houdt de toegekende arbeidskaarten op elektronische wijze bij.]6

  ----------
  (1)<KB 2012-07-17/10, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (2)<BWG 2014-11-06/01, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>
  (3)<BESL 2014-11-13/11, art. 2, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (4)<BVR 2014-12-19/B0, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (5)<BWG 2015-07-02/26, art. 3, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (6)<BVR 2015-06-26/16, art. 3, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (7)<BESL 2015-07-09/22, art. 3, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Onderafdeling 2. - De internationale overeenkomsten of akkoorden.

  Art. 10. De arbeidsvergunning wordt alleen voor die werknemers toegekend die onderdaan zijn van de landen waarmede België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is.

  Art. 11.In afwijking van artikel 10 wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet beperkt tot de werknemers die onderdaan zijn van de landen waarmee België verbonden is krachtens internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 (en artikel 38septies). <AR 2008-12-23/30, art. 6, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  
  Art. 11. (WAALS GEWEST)
  In afwijking van artikel 10 wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet beperkt tot de werknemers die onderdaan zijn van de landen waarmee België verbonden is krachtens internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 [1 ...]1.
  
  Art. 11. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  In afwijking van artikel 10 wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet beperkt tot de werknemers die onderdaan zijn van de landen waarmee België verbonden is krachtens internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 [3 ...]3.
  
  Art. 11. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  In afwijking van artikel 10 wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet beperkt tot de werknemers die onderdaan zijn van de landen waarmee België verbonden is krachtens internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 [2 ...]2.

  ----------
  (1)<BWG 2015-07-02/26, art. 4, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (2)<BVR 2015-06-26/16, art. 4, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (3)<BESL 2015-07-09/22, art. 4, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Onderafdeling 3. - De overeenkomst.

  Art. 12. Voor de toekenning van de arbeidsvergunning dienen de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst te ondertekenen die de vermeldingen en de bepalingen bevat die voorkomen in bijlage I van dit besluit.
  Wanneer het schouwspelartiesten, met of zonder internationale faam, betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en de bepalingen die voorkomen in bijlage II van dit besluit.
  Wanneer het stagiairs betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in het artikel 22, 3° en 4° van dit besluit.
  Wanneer het au pair-jongeren betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in bijlage III van dit besluit.
  Wanneer het de voorlopige arbeidsvergunning betreft, geldt als voorwaarde voor de toekenning ervan dat werkgever en werknemer een geschreven arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ondertekenen.

  Art. 13.In afwijking van artikel 12, eerste lid, wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet afhankelijk gesteld van de ondertekening van de overeenkomst bedoeld in hetzelfde artikel wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 (en artikel 38septies). <AR 2008-12-23/30, art. 7, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  
  Art. 13. (WAALS GEWEST)
  In afwijking van artikel 12, eerste lid, wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet afhankelijk gesteld van de ondertekening van de overeenkomst bedoeld in hetzelfde artikel wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 [1 ...]1.
  
  Art. 13. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  In afwijking van artikel 12, eerste lid, wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet afhankelijk gesteld van de ondertekening van de overeenkomst bedoeld in hetzelfde artikel wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 [3 ...]3.
  
  Art. 13. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  In afwijking van artikel 12, eerste lid, wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet afhankelijk gesteld van de ondertekening van de overeenkomst bedoeld in hetzelfde artikel wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 [2 ...]2.

  ----------
  (1)<BWG 2015-07-02/26, art. 5, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (2)<BVR 2015-06-26/16, art. 5, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (3)<BESL 2015-07-09/22, art. 5, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Onderafdeling 4. - Het geneeskundig getuigschrift.

  Art. 14. De aanvraag om een arbeidsvergunning voor een buitenlandse werknemer die voor de eerste keer tewerkgesteld wordt in België, moet vergezeld gaan van een geneeskundig getuigschrift waarbij verklaard wordt dat niets erop wijst dat de werknemer, wegens zijn gezondheidstoestand, in de nabije toekomst arbeidsongeschikt zal worden.
  Zo de werknemer zich in het buitenland bevindt, moet dit geneeskundig getuigschrift afgegeven worden door een geneesheer erkend door de Belgische diplomatieke of consulaire ambtenaren in het buitenland.
  Het geneeskundig getuigschrift moet ten vroegste drie maanden voor de indieningsdatum van de aanvraag worden opgesteld.
  Het geneeskundig getuigschrift zal desnoods, door een beëdigd vertaler, in een van de talen van het Gewest, dat bevoegd is voor het afleveren van de arbeidskaart, moeten worden vertaald.

  Art. 15.De bepalingen van artikel 14 zijn niet van toepassing op de tewerkstelling :
   1° van personen die minstens 2 jaar wettig in België verblijven;
   2° van personen bedoeld in artikel 9, 9° en 10°.
  
  Art.15 (WAALS GEWEST)
  De bepalingen van artikel 14 zijn niet van toepassing op de tewerkstelling :
   1° van personen die minstens 2 jaar wettig in België verblijven;
   2° [1 van personen bedoeld in artikel 9, 9°, 10° en 20°.]1

  ----------
  (1)<BWG 2015-07-02/26, art. 6, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Afdeling 1bis. [1 - De voorlopige arbeidsvergunning uitgereikt in het kader van het verkrijgen van de Europese blauwe kaart.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-17/10, art. 6, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>

  Art. 15/1.[1 De voorlopige arbeidsvergunning toegekend in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart wordt toegekend aan de werkgevers die een buitenlandse werknemer willen tewerkstellen voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan :
   a) de werkgever moet met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst hebben gesloten van onbepaalde duur of met een duur gelijk aan of hoger dan een jaar;
   b) [2 de buitenlandse werknemer moet een bruto jaarloon genieten van 49.995 of meer;]2
   c) de werknemer moet hogere beroepskwalificaties aantonen in het bezit zijn van een diploma uitgereikt door een onderwijsinstituut erkend als hogere onderwijsinstelling door de Staat waar in het instituut is gevestigd.
   Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt verstaan onder diploma van het hoger onderwijs : alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels uitgereikt door een overheid waarbij het succesvol beëindigen wordt aangetoond van een postsecundair programma inzake hogere studies, dit betekent een geheel van lessen verstrekt door een onderwijsinstituut erkend als hoger onderwijsinstelling door de staat waar in het instituut is gevestigd, op voorwaarde dat de studies nodig voor het behalen ervan minstens drie jaar hebben geduurd.
  [2 Het bedrag van het in lid 1, onder b), bedoeld loon wordt elk jaar aangepast op 1 januari, aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde kwartaal (basis 1997=100) volgens de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het oorspronkelijke indexcijfer. Het resultaat wordt afgerond op de euro.
   Voor de toepassing van lid 3, wordt verstaan onder :
   1° index van de conventionele lonen voor bedienden, de index opgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van het gemiddelde van de bediendenlonen voor volwassenen in de particuliere sector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
   2° basisbedrag : het bedrag van kracht op 1 januari 2013;
   3° nieuw indexcijfer : index voor het derde kwartaal op basis 1997=100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
   4° oorspronkelijke index : index van het derde kwartaal 2012 op basis 1997 = 100.]2
   In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een vraag voor een voorlopige arbeidsvergunning afwijzen :
   1°) wanneer het mogelijk is, onder de werknemers op de arbeidsmarkt, een werknemer te vinden die geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een redelijke termijn te bekleden;
   2°) om een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren die een tekort aan gekwalificeerde werknemers kennen in het land van oorsprong;
   3°) indien de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber eerder gesanctioneerd werd door zich niet te schikken naar de bepalingen tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling of om werknemers te hebben tewerkgesteld die geen toelating tot verblijf en tewerkstelling hadden.]1
  (NOTA : het bedrag van 49,995 € wordt op 01-01-2014 verhoogd tot 50,974 €, zie : 2014-04-24/01)
  
  Art. 15/1. (WAALSE OVERHEIDSDIENST)
  [1 De voorlopige arbeidsvergunning toegekend in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart wordt toegekend aan de werkgevers die een buitenlandse werknemer willen tewerkstellen voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan :
   a) de werkgever moet met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst hebben gesloten van onbepaalde duur of met een duur gelijk aan of hoger dan een jaar;
   b) [2 de buitenlandse werknemer moet een bruto jaarloon genieten van 49.995 of meer [3 berekend en aangepast volgens artikel 37/1]3;]2
   c) de werknemer moet hogere beroepskwalificaties aantonen in het bezit zijn van een diploma uitgereikt door een onderwijsinstituut erkend als hogere onderwijsinstelling door de Staat waar in het instituut is gevestigd.
   Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt verstaan onder diploma van het hoger onderwijs : alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels uitgereikt door een overheid waarbij het succesvol beëindigen wordt aangetoond van een postsecundair programma inzake hogere studies, dit betekent een geheel van lessen verstrekt door een onderwijsinstituut erkend als hoger onderwijsinstelling door de staat waar in het instituut is gevestigd, op voorwaarde dat de studies nodig voor het behalen ervan minstens drie jaar hebben geduurd.
  [2 [3 ...]3 van kracht op 1 januari 2013;
   [3 ...]3 ]2
   In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een vraag voor een voorlopige arbeidsvergunning afwijzen :
   1°) wanneer het mogelijk is, onder de werknemers op de arbeidsmarkt, een werknemer te vinden die geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een redelijke termijn te bekleden;
   2°) om een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren die een tekort aan gekwalificeerde werknemers kennen in het land van oorsprong;
   3°) indien de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber eerder gesanctioneerd werd door zich niet te schikken naar de bepalingen tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling of om werknemers te hebben tewerkgesteld die geen toelating tot verblijf en tewerkstelling hadden.]1
  (NOTA : het bedrag van 49,995 € wordt op 01-01-2014 verhoogd tot 50,974 €, zie : 2014-04-24/01)
  
  Art. 15/1. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  [1 De voorlopige arbeidsvergunning toegekend in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart wordt toegekend aan de werkgevers die een buitenlandse werknemer willen tewerkstellen voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan :
   a) de werkgever moet met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst hebben gesloten van onbepaalde duur of met een duur gelijk aan of hoger dan een jaar;
   b) [2 de buitenlandse werknemer moet een bruto jaarloon genieten van 49.995 of meer [4 berekend en aangepast volgens artikel 37/1 van dit besluit]4;]2
   c) de werknemer moet hogere beroepskwalificaties aantonen in het bezit zijn van een diploma uitgereikt door een onderwijsinstituut erkend als hogere onderwijsinstelling door de Staat waar in het instituut is gevestigd.
   Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt verstaan onder diploma van het hoger onderwijs : alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels uitgereikt door een overheid waarbij het succesvol beëindigen wordt aangetoond van een postsecundair programma inzake hogere studies, dit betekent een geheel van lessen verstrekt door een onderwijsinstituut erkend als hoger onderwijsinstelling door de staat waar in het instituut is gevestigd, op voorwaarde dat de studies nodig voor het behalen ervan minstens drie jaar hebben geduurd.
  [2 [4 ...]4
   [4 ...]4 ]2
   In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een vraag voor een voorlopige arbeidsvergunning afwijzen :
   1°) wanneer het mogelijk is, onder de werknemers op de arbeidsmarkt, een werknemer te vinden die geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een redelijke termijn te bekleden;
   2°) om een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren die een tekort aan gekwalificeerde werknemers kennen in het land van oorsprong;
   3°) indien de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber eerder gesanctioneerd werd door zich niet te schikken naar de bepalingen tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling of om werknemers te hebben tewerkgesteld die geen toelating tot verblijf en tewerkstelling hadden.]1
  (NOTA : het bedrag van 49,995 € wordt op 01-01-2014 verhoogd tot 50,974 €, zie : 2014-04-24/01)
  
  Art. 15/1. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  [1 De voorlopige arbeidsvergunning toegekend in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart wordt toegekend aan de werkgevers die een buitenlandse werknemer willen tewerkstellen voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan :
   a) de werkgever moet met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst hebben gesloten van onbepaalde duur of met een duur gelijk aan of hoger dan een jaar;
   b) [2 de buitenlandse werknemer moet een bruto jaarloon genieten van 49.995 of meer [5 berekend en aangepast conform artikel 37/1]5;]2
   c) de werknemer moet hogere beroepskwalificaties aantonen in het bezit zijn van een diploma uitgereikt door een onderwijsinstituut erkend als hogere onderwijsinstelling door de Staat waar in het instituut is gevestigd.
   Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt verstaan onder diploma van het hoger onderwijs : alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels uitgereikt door een overheid waarbij het succesvol beëindigen wordt aangetoond van een postsecundair programma inzake hogere studies, dit betekent een geheel van lessen verstrekt door een onderwijsinstituut erkend als hoger onderwijsinstelling door de staat waar in het instituut is gevestigd, op voorwaarde dat de studies nodig voor het behalen ervan minstens drie jaar hebben geduurd.
  [5 ...]5
  [5 ...]5
   In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een vraag voor een voorlopige arbeidsvergunning afwijzen :
   1°) wanneer het mogelijk is, onder de werknemers op de arbeidsmarkt, een werknemer te vinden die geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een redelijke termijn te bekleden;
   2°) om een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren die een tekort aan gekwalificeerde werknemers kennen in het land van oorsprong;
   3°) indien de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber eerder gesanctioneerd werd door zich niet te schikken naar de bepalingen tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling of om werknemers te hebben tewerkgesteld die geen toelating tot verblijf en tewerkstelling hadden.]1
  (NOTA : het bedrag van 49,995 € wordt op 01-01-2014 verhoogd tot 50,974 €, zie : 2014-04-24/01)

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-17/10, art. 7, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (2)<KB 2013-12-26/35, art. 1, 028; Inwerkingtreding : 31-12-2013>
  (3)<BWG 2014-11-06/01, art. 3, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>
  (4)<BESL 2014-11-13/11, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (5)<BVR 2014-12-19/B0, art. 3, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 15/2. [1 De artikelen 8, 10 en 14 zijn niet van toepassing in het geval van toekenning van een voorlopige arbeidsvergunning uitgereikt in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart.
   Bij afwijking op het voorgaande lid kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gevallen bepalen waarvoor een onderzoek van de arbeidsmarkt noodzakelijk is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-17/10, art. 8, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>

  Art. 15/3. [1 De voorlopige arbeidsvergunning wordt in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart toegekend binnen de dertig dagen voor zover de betreffende toekenningvoorwaarden zijn vervuld.
   De werkgever bezorgt de werknemer een afschrift van deze voorlopige arbeidsvergunning in afwachting van de toekenning van de Europese blauwe kaart.
   De werknemer kan beginnen werken van zodra hij in het bezit is van het afschrift van deze voorlopige arbeidsvergunning en hij het verblijf aangevraagd heeft en wettig verblijft.
   De voorlopige arbeidsvergunning is niet langer geldig :
   - op de dag van de uitreiking aan de werknemer van de Europese blauwe kaart;
   - op de dag van de betekening aan de werknemer door de Dienst Vreemdelingenzaken van de beslissing tot weigering van de aanvraag voor een Europese blauwe kaart;
   - indien de werknemer binnen de negentig dagen te rekenen vanaf de dag van uitreiking van de voorlopige arbeidsvergunning geen aanvraag voor een Europese blauwe kaart heeft ingediend bij de Dienst Vreemdelingenzaken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-17/10, art. 9, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>

  Art. 15/4. [1 Tijdens de eerste twee jaar van tewerkstelling van de werknemer gedekt door een voorlopige arbeidsvergunning of door de Europese blauwe kaart :
   1° is de werkgever ertoe gehouden de bevoegde overheid te verwittigen in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst;
   2° is elke wijziging van werkgever evenals elke wijziging van de arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in artikel 15/1 die gevolgen heeft voor de geldigheid van de Europese blauwe kaart, onderworpen aan de voorafgaande toekenning door de bevoegde overheid van een voorlopige arbeidsvergunning;
   3° is de hernieuwing van de Europese blauwe kaart door de werknemer bij de Dienst Vreemdelingenzaken afhankelijk van de toekenning door de bevoegde overheid van een nieuwe voorlopige arbeidsvergunning aan de werkgever voor zover de voorwaarden vermeld onder artikel 15/1 zijn vervuld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-17/10, art. 10, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>

  Afdeling 2. - De arbeidskaart A.

  Art. 16. <KB 2003-02-06/41, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De arbeidskaart A wordt toegekend aan de buitenlandse onderdaan die, over een maximale periode van tien jaar wettig en ononderbroken verblijf onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, bewijst dat hij vier jaar arbeid met een arbeidskaart B heeft verricht.
  De termijn van vier jaar arbeid bepaald in het eerste lid wordt teruggebracht tot drie jaar voor de onderdanen van de landen waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is.
  De termijn van vier jaar arbeid bedoeld in het eerste lid en de termijn van drie jaar arbeid bedoeld in het tweede lid worden respectievelijk verminderd met één jaar, indien de echtgenote of de kinderen van de buitenlandse onderdaan samen met hem wettig verblijven.
  Voor de toepassing van de voorgaande leden worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze door een in België gevestigde werkgever werd tewerkgesteld.
  Het verblijf wordt geacht ononderbroken te zijn :
  a) wanneer de onderbreking tussen twee opeenvolgende verblijfsperioden niet meer dan een jaar beloopt;
  b) wanneer de afwezigheid het gevolg is van de dienstplicht, op voorwaarde dat de betrokkene binnen zestig dagen na het volbrengen van de dienstperiode naar België terugkeert.
  Komen niet in aanmerking de jaren arbeid gedekt door arbeidskaarten die werden toegekend :
  a) aan de gespecialiseerde techniekers, bedoeld in artikel 9, eerste lid, 9°;
  b) aan de stagiairs, bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
  c) aan de au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk VI;
  d) aan werknemers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven;
  e) om te werken als navorser of gasthoogleraar aan een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling;
  f) om te werken als hooggeschoold personeel, bedoeld bij artikel 9, eerste lid, 6°;
  g) op grond van artikel 9, eerste lid, 16° of 17°.
  (h) aan de werknemers die een opleiding volgen op basis van artikel 9, eerste lid, 18° en 19°.) <KB 2007-09-12/35, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>

  Afdeling 3. - <opschrift ingevoegd bij KB 2003-02-06/41, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De arbeidskaart C.

  Art. 17.[1 De arbeidskaart C wordt toegekend :
   1° a) aan de buitenlandse onderdanen die een asielaanvraag hebben ingediend na 31 mei 2007 en die [4 vier maanden]4 na hun asielaanvraag nog geen betekening van de beslissing hebben gekregen van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen totdat een beslissing wordt betekend door deze laatste, of, in geval van beroep, totdat een beslissing wordt betekend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.;
   b) aan de buitenlandse onderdanen die een asielaanvraag hebben ingediend vóór 1 juni 2007, waarvan de aanvraag ontvankelijk werd verklaard of waarover nog geen beslissing werd betekend met betrekking tot de ontvankelijkheid, tot wanneer een beslissing wordt betekend inzake de gegrondheid van hun aanvraag tot erkenning als vluchteling door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen of, in geval van beroep, door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen;
   2° aan de buitenlandse onderdanen die erkend zijn voor de subsidiaire beschermingsstatus gedurende de periode waarbinnen hun verblijf is beperkt;
   3° aan de buitenlandse onderdanen die, in het kader van de strijd tegen de mensenhandel, een verblijfsvergunning hebben ontvangen in toepassing van artikel 110bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   4° aan de buitenlandse onderdanen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit zijn van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
   5° aan de buitenlandse onderdanen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980, voorzover de verlenging van de machtiging tot verblijf afhankelijk wordt gemaakt van tewerkstelling, behalve als het buitenlandse onderdanen betreft die een verblijfsvergunning toegekend kregen nadat een werkgever in België voor hen een aanvraag om arbeidsvergunning had ingediend;
   6° aan de buitenlandse onderdanen die het voorrecht inroepen van een recht op verblijf op basis van artikel 10 van de wet van 15 december 1980 of van een recht op verblijfsvergunning op basis van artikel 10bis van dezelfde wet, tijdens de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het verblijfsrecht alsook tijdens het beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, met uitzondering van de :
   - familieleden van buitenlandse onderdanen wier verblijf beperkt is tot de duur van een arbeidskaart of van een beroepskaart of van de uitoefening van een zelfstandige activiteit,
   - familieleden van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 2, 1e lid, 4° (behalve als het onderdanen zijn van een land dat met België verbonden is door een akkoord van wederkerigheid), 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25 en 26° [2 en 34°]2,
   - familieleden van een student;
   7° aan de buitenlandse onderdanen die een definitieve gunstige beslissing hebben verkregen betreffende een verblijfsrecht op basis van artikel 10 van de wet van 15 december 1980 of betreffende een verblijfsvergunning op basis van artikel 10bis van de voorvermelde wet met uitzondering van de :
   - familieleden van buitenlandse onderdanen wier verblijf beperkt is tot de duur van een arbeidskaart of van een beroepskaart of van de uitoefening van een zelfstandige activiteit,
   - familieleden van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 2, 1e lid, 4° (behalve als het onderdanen zijn van een land dat met België verbonden is door een akkoord van wederkerigheid) 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° en 26° [2 en 34°]2,
   - familieleden van een student;
   8° aan de personen die een recht op verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België voor arbeidsprestaties buiten de schoolvakanties, voor zover hun tewerkstelling twintig uren per week niet overschrijdt en deze verenigbaar is met hun studies;
   9° aan de echtgenoot en aan de kinderen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt van diplomaten en consuls alsook de echtgenoot van andere titularissen van een bijzondere verblijfstitel indien zij onderdaan zijn van een land waarmee België verbonden is via een wederkerigheidsakkoord;
   10° aan de personen die gemachtigd werden te verblijven als begunstigden van de tijdelijke bescherming bedoeld bij artikel 57/29 van de wet van 15 december 1980 door de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheden heeft of door diens gemachtigde.]1
  [3 De arbeidskaart C is geldig ten aanzien van buitenlandse onderdanen die aan de voorwaarden voldoen bedoeld in het eerste lid, maar die tijdelijk in het bezit zijn van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omdat zij in afwachting zijn van de afgifte van het verblijfsdocument.
   Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]3
  ----------
  (1)<KB 2011-03-13/20, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 08-04-2011>
  (2)<KB 2012-07-17/10, art. 11, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2012>
  (3)<KB 2013-07-17/05, art. 3, 027; Inwerkingtreding : 05-08-2013>
  (4)<KB 2015-10-29/07, art. 1, 035; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

  Art. 18. <KB 2003-02-06/41, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De maximale duur van de arbeidskaart C bedraagt een jaar; zij kan worden hernieuwd.

  HOOFDSTUK V. - Contingenten.

  Art. 19. Onverminderd de bepalingen van de wet en van dit besluit, is de toekenning van een arbeidsvergunning aan een contingent van minstens vijftien werknemers eveneens onderworpen aan een voorafgaandelijke schriftelijke aanvraag gericht aan de bevoegde overheid.
  Het voorgaande lid is niet van toepassing wanneer het de werknemers betreft, bedoeld in artikel 9.
  De bevoegde overheid vraagt het advies van het bevoegde paritaire comité.

  HOOFDSTUK VI. - Bijzondere categorieën van werknemers.

  Afdeling 1. - De stagiairs.

  Art. 20. Voor de toepassing van deze afdeling verstaat men onder stagiairs, de personen die een stage volgen, d.w.z. de opleiding, bij een werkgever, als voortzetting van een voorafgaandelijke vorming bevestigd door een diploma of een studiegetuigschrift.

  Art. 21. De arbeidsvergunning en de arbeidskaart met betrekking tot een stagiair worden slechts toegekend op voorwaarde dat de betrokkene :
  1° minstens achttien jaar oud en niet meer dan dertig jaar oud op de datum van toekenning van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart;
  2° gaat de verbintenis aan gedurende de stageperiode geen dienstbetrekking in België uit te voeren;

  Art. 22. De stage moet beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
  1° ze dient voltijds te zijn;
  2° de duur mag de twaalf maanden niet overschrijden en mag desgevallend slechts worden verlengd voor zover de totale tewerkstellingsduur de twaalf maanden niet overschrijdt;
  3° ze dient het voorwerp uit te maken van een stageovereenkomst vertaald in de moedertaal van de betrokkene, of een andere taal die hij begrijpt, en die met name het aantal uren van opleiding vermeldt alsook het bedrag van het loon dat niet lager mag zijn dan het toepasselijk wettelijk gewaarborgd minimumloon, hierbij inbegrepen het bedrag van eventuele beurzen;
  4° ze dient vergezeld te zijn van een opleidingsprogramma.

  Art. 23. Het artikel 21, 1° is niet van toepassing op stagiairs aangeworven door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling;

  Afdeling 2. - De au pair-jongeren.

  Art. 24. Deze afdeling regelt de voorwaarden van toekenning van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten die betrekking hebben op een au pair-jongere.
  Onder au pair-jongere verstaat men, de jongere die tijdelijk in een gastgezin wordt opgenomen waar hij kost en inwoning geniet in ruil voor lichte dagdagelijkse huishoudelijke taken, om zijn taalkennis te vervolmaken en zijn algemene ontwikkeling te verruimen door een betere kennis van het land door deel te nemen aan het gezinsleven van het gastgezin.

  Art. 25. De au pair-jongere moet :
  (1° tenminste achttien jaar en nog geen zesentwintig jaar oud zijn op de datum van toekenning van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart;
  2° zich ertoe verbinden in België geen dienstbetrekking uit te voeren gedurende de au pair-plaatsing;
  3° over een titel beschikken die hem in het land van herkomst recht op toegang geeft tot het hoger onderwijs of het bewijs leveren dat hij minstens tot de leeftijd van 17 jaar onderwijs gevolgd heeft;
  4° een basiskennis hebben van de omgangstaal van het gastgezin of de verbintenis aangaan deze basiskennis onmiddellijk na aankomst in België te verwerven via het volgen van een intensieve taalcursus;
  5° gedurende de au pair-plaatsing cursussen volgen in een erkende instelling, erkend of gesubsidieerd door één van de Gemeenschappen of bepaald door de Gewestminister die de tewerkstelling onder zijn bevoegdheid heeft, en die de gewesttaal of -talen onderwijst, door trimestrieel een bewijs voor te leggen waaruit blijkt dat hij regelmatig deze lessen volgt;) <KB 2001-09-12/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
  6° nog geen arbeidskaart hebben verkregen in België, uit welke hoofde dan ook behalve het geval bepaald in art. 28, 4°.

  Art. 26. <KB 2001-09-12/30, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2001> Het gastgezin moet :
  1° onder zijn leden minstens één kind tellen dat geen 13 jaar oud is bij de aanvang van de periode van verblijf van de au pair-jongere;
  2° voor de kinderen die de leeftijd van zes jaar niet bereiken, het bewijs voorleggen dat, voor de periode die overeenkomt met de maximale duur van het verblijf van de au pair-jongere of voor de periode tot het jongste kind de leeftijd van zes jaar bereikt, overdag in hun opvang werd voorzien;
  3° een bewijs van goed zedelijk gedrag voorleggen voor al zijn leden, meerderjarig bij de aanvang van het verblijf van de au pair-jongere;
  4° de au pair-jongere maandelijks, per overschrijving op zijn bankrekening, een vast bedrag als zakgeld uitkeren van ten minste 450 EUR, ongeacht eventuele periodes van inactiviteit van de au pair-jongere; (NOTA : vanaf 01-10-2001 tot 31-12-2001 geldt het bedrag van 18.153 F in plaats van 450 EUR; KB 2001-09-12/30, art. 4.)
  5° ten gunste van de au pair-jongere een aanvullende verzekering gesloten hebben voor het waarborgen van de risico's, inzake de medische, farmaceutische en hospitalisatiekosten in geval van ziekte of ongeval;
  6° de au pair-jongere een persoonlijke kamer ter beschikking stellen en hem de vrije toegang tot de woning verzekeren;
  7° de au pair-jongere minstens over een volledige vrije dag per week laten beschikken en alle mogelijkheid te geven deel te nemen aan de uitoefening van zijn eredienst of van zijn levensbeschouwingen;
  8° zich er toe verbinden een verzekering af te sluiten voor de eventuele voortijdige repatriëring van de au pair-jongere veroorzaakt door ziekte of ongeval, alsook er zich toe verbinden de kosten te betalen die voor de Staat eventueel voortvloeien uit het verblijf van de au pair-jongere of zijn repatriëring;
  9° zich akkoord verklaren de toezichthoudende ambtenaren toegang te verlenen tot de woning.

  Art. 27. De deelneming van de au pair-jongere aan de dagdagelijkse taken waarvan sprake in artikel 24, tweede lid, de kinderoppas inbegrepen, mag niet meer dan vier uur per dag en twintig uur per week bedragen; zij mag niet het hoofddoel van het verblijf uitmaken.

  Art. 28. De toekenning van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart is afhankelijk van de volgende voorwaarden :
  1° de naleving van de voorwaarden bedoeld bij de artikelen 24 tot en met 27;
  2° het gastgezin heeft geen geldige arbeidsvergunning voor een andere au pair-jongere;
  3° (opgeheven) <KB 2001-09-12/30, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
  4° de geldigheidsduur van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart betreffende de au pair-jongere mag één jaar niet overschrijden;
  5° de arbeidsvergunning en de arbeidskaart met betrekking tot de au pair-jongere mogen slechts eenmaal worden vernieuwd voor zover de plaatsingsperiode geen volledig jaar overschrijdt;
  6° een wijziging van gastgezin is slechts eenmaal mogelijk voor zover de totale duur van plaatsing van de au pair-jongere nog geen volledig jaar overschrijdt en indien aan alle andere toekenningsvoorwaarden van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart bedoeld in deze afdeling eveneens voldaan is;
  7° (opgeheven) <KB 2001-09-12/30, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2001>

  Art. 29. Bij niet-naleving van de voorwaarden bepaald in deze afdeling, wordt de au pair-jongere ten opzichte van het gastgezin beschouwd als te zijn aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor dienstboden, zoals bedoeld in artikel 5 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

  Afdeling 3. - Cabaretpersoneel.

  Art. 30. De arbeidsvergunning en de arbeidskaart B voor het cabaretpersoneel worden slechts afgeleverd op voorwaarde dat de in België gelegen woonplaats van het cabaretpersoneel zich in een ander gebouw dan dat van de arbeidsplaats bevindt.

  HOOFDSTUK VII. - Hernieuwing van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart B.

  Art. 31. Onder hernieuwing wordt verstaan, het afleveren van een nieuwe arbeidsvergunning en een nieuwe arbeidskaart B, met het oog op een verdere tewerkstelling van dezelfde werknemer in hetzelfde beroep, al dan niet bij dezelfde werkgever.
  De aanvraag tot hernieuwing dient door de werkgever te worden ingediend, uiterlijk één maand voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende arbeidsvergunning en arbeidskaart B.

  Art. 32. <KB 2003-02-06/41, art. 8, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De bepalingen van de artikelen 8 tot 11, 12, eerste lid, en 13 zijn van toepassing op de aanvragen om hernieuwing van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten.
  Wanneer de arbeidsvergunning of de arbeidskaart werden toegekend met toepassing van artikel 38, § 2, zijn echter de artikelen 8 en 10 niet van toepassing op de aanvragen om hernieuwing, behalve evenwel als het tegendeel uitdrukkelijk wordt vermeld door de bevoegde overheid.

  Art. 33. In afwijking van artikel 31, eerste lid, is men niet verplicht hetzelfde beroep uit te oefenen waarvoor de eerste arbeidskaart B werd toegekend, wanneer het gaat om werknemers die een opleiding of herscholing genieten of genoten hebben, verstrekt in een centrum van een Gewestelijke dienst voor arbeidsvoorziening of in een erkend centrum, of een beroepsherscholing verstrekt door het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering.

  HOOFDSTUK VIII. - Weigering en intrekking van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart.

  Art. 34. De arbeidsvergunning en de arbeidskaart worden geweigerd wanneer :
  1° de aanvraag onvolledige of onjuiste gegevens bevat of wanneer de voorwaarden vermeld in de wet of in de uitvoeringbesluiten niet zijn vervuld;
  2° de tewerkstelling strijdig is hetzij met de openbare orde of de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake de indienstneming en de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
  3° redenen van openbare orde of openbare veiligheid die gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van de werknemer het noodzakelijk maken;
  4° de werkgever de wettelijke en de reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet naleeft;
  5° de tewerkstelling niet geschiedt overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die voor de tewerkstelling van Belgische werknemers gelden;
  6° zij worden aangevraagd voor een betrekking wanneer aan deze tewerkstelling geen inkomsten verbonden zijn die de werknemer in staat stellen in zijn behoeften of in die van zijn gezin te voorzien.
  (7° op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, de betrokken buitenlandse werknemer, wat zijn recht op of zijn machtiging tot verblijf betreft, het voorwerp is van een negatieve beslissing, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort.) <KB 2003-02-06/41, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>

  Art. 35. § 1. De arbeidsvergunning wordt ingetrokken, wanneer :
  1° de werkgever gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken of onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd om ze te verkrijgen;
  2° de tewerkstelling strijdig is, hetzij met de openbare orde of openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij nog met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake indienstneming en tewerkstelling van werknemers van buitenlandse nationaliteit;
  3° de werkgever de wettelijke en reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet nakomt;
  4° de werknemer niet is tewerkgesteld overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de Belgische werknemers;
  5° de werkgever zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de arbeidsvergunning verbonden zijn;
  6° de arbeidskaart van de werknemer, die door de werkgever wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken.
  § 2. De arbeidskaart wordt ingetrokken wanneer :
  1° de werknemer gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken of onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd om de arbeidskaart te verkrijgen;
  2° de tewerkstelling van de werknemer strijdig is hetzij met de openbare orde of met de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen;
  3° (een negatieve beslissing over het recht op of de machtiging tot verblijf van zijn titularis werd genomen, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort;) <KB 2003-02-06/41, art. 10, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  4° de werknemer zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de toekenning van de arbeidskaart verbonden zijn;
  5° de arbeidsvergunning van de werkgever, door wie de werknemer wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken.

  HOOFDSTUK IX. - Toezicht.

  Art. 36.Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, worden belast met het toezicht op de naleving van de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan :
  1° de sociaal bemiddelaars van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
  2° de inspecteurs van de Administratie van de Werkgelegenheid van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
  3° de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Administratie van de Arbeidsbetrekkingen en -reglementering van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
  4° de ingenieurs, de industrieel- en technische ingenieurs en de technische controleurs van de Technische Inspectie van de Administratie van de Arbeidsveiligheid van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
  5° de geneesheren-arbeidsinspecteurs en de bezoekers-arbeidshygiëne van de Medische Inspectie van de Administratie van Arbeidshygiëne en -geneeskunde van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
  6° [1 ...]1
  7° de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  8° de hoofdcontroleurs, de controleurs en de adjunct-controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, alsmede de eerstaanwezend inspecteurs-hoofd van dienst, de eerstaanwezend inspecteurs, de inspecteurs, de eerstaanwezend adjunct-inspecteurs, de adjunct-inspecteurs 2e klasse en de adjunct-inspecteurs 1e klasse van de Algemene Inspectie van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
  9° de inspecteurs van het Ministerie van Middenstand;
  10° de ambtenaren van de fiscale administraties;
  11° de ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken;
  12° de politieambtenaren van de rijkswacht;
  13° de politieambtenaren van de gemeentepolitie.
  ----------
  (1)<KB 2017-06-22/02, art. 14, 036; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  HOOFDSTUK X. - Slachtoffers van de mensenhandel. (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 11, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  
  HOOFDSTUK X. (WAALSE OVERHEIDSDIENST)
  [1 - Stelsel voor de aanpassing van de bezoldigingsbedragen]1
  
  HOOFDSTUK X. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  [2 - Aanpassingsmechanisme voor de bezoldigingsbedragen]2
  
  HOOFDSTUK X. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  [3 - Aanpassingsmechanisme voor bezoldigingsbedrag]3

  ----------
  (1)<BWG 2014-11-06/01, art. 4, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>
  (2)<BESL 2014-11-13/11, art. 4, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<BVR 2014-12-19/B0, art. 4, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 37.(opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 11, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  
  Art. 37. (WAALSE OVERHEIDSDIENST)
  [1 De bezoldigingsbedragen bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 33°, 9, eerste lid, 6°, 7° en 15 °, worden elk jaar op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden voor het derde trimester (basis 2010 = 100) overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het beginindexcijfer. Het resultaat wordt afgerond naar de gehele euro.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder :
   1° indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden : het indexcijfer opgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van het gemiddelde van de bediendenlonen voor volwassenen in de particuliere sector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
   2° basisbedragen : de bedragen van kracht op 1 januari 2014;
   3° nieuw indexcijfer : index voor het derde kwartaal op basis 2010 = 100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
   4° oorspronkelijke index: index van het derde kwartaal 2012 op basis 2010 = 100;]1
  
  Art. 37. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  [2 De bezoldigingsbedragen bepaald in artikel 2, eerste lid, 33°, in artikel 9, eerste lid, 6°, 7° en 15° worden elk jaar aangepast op 1 januari aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde trimester (basis [4 2010]4=100) overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de aanvangsindex. Het resultaat wordt afgerond tot de euro.
   Voor de toepassing van het eerste lid moet worden verstaan onder :
   1° index van de conventionele lonen voor bedienden, de index vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
   2° basisbedragen : bedragen van kracht op 1 januari 2014;
   3° nieuwe index : index van het derde trimester met als basis [4 2010]4=100 van het jaar dat voorafgaat aan de indexering;
   4° aanvangsindex : index van het derde trimester [4 2013]4 met als basis [4 2010]4=100.]2
  
  Art. 37 (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  [3 De bezoldigingsbedragen, vermeld in artikel 2, eerste lid, 33°, en artikel 9, eerste lid, 6°, 7°, en 15°, worden elk jaar aangepast op 1 januari aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde trimester (basis 2010=100) overeenkomstig de formule: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de aanvangsindex. Het resultaat wordt afgerond op de euro.
   In het eerste lid wordt verstaan onder:
   1° index van de conventionele lonen voor bedienden: de index vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
   2° basisbedragen: de bedragen van kracht op 1 januari 2014;
   3° nieuwe index: de index van het derde trimester met als basis 2010=100 van het jaar dat voorafgaat aan de indexering;
   4° aanvangsindex: de index van het derde trimester 2013 met als basis 2010=100.]3

  ----------
  (1)<BWG 2014-11-06/01, art. 8, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>
  (2)<BESL 2014-11-13/11, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<BVR 2014-12-19/B0, art. 4, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (4)<BESL 2015-07-09/22, art. 6, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 37/1.(WAALSE OVERHEIDSDIENST)
  [1 Het bezoldigingsbedrag bedoeld in artikel 15/1, eerste lid, punt b) wordt elk jaar op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden voor het derde trimester (basis 2010 = 100) overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door de omrekeningscoëfficiënt. Het resultaat wordt afgerond naar de gehele euro.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder :
   1° indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden : het indexcijfer opgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van het gemiddelde van de bediendenlonen voor volwassenen in de particuliere sector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
   2° basisbedrag : bedrag van kracht op 1 januari 2013;
   3° nieuw indexcijfer : index voor het derde kwartaal op basis 2010 = 100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
   4° oorspronkelijke index : index van het derde kwartaal 2012 op basis 1997 = 100;
   5° omrekeningscoëfficiënt = 0,750638.]1
  
  Art. 37/1. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  [2 Het bezoldigingsbedrag bepaald in artikel 15/1, lid 1, punt b) wordt elk jaar aangepast, op 1 januari aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde trimester (basis [3 2010]3=100) overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de aanvangsindex [3 (vermenigvuldigd met de omzettingscoëfficiënt)]3. Het resultaat wordt afgerond tot de euro.
   Voor de toepassing van het eerste lid, moet worden verstaan onder :
   1° index van de conventionele lonen voor bedienden, de index vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
   2° basisbedrag : bedrag van kracht op 1 januari 2013;
   3° nieuwe index : index van het derde trimester met als basis [3 2010]3=100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
   4° aanvangsindex : index van het derde trimester 2012 met als basis 1997=100;]2
  [3 5° omzettingscoëfficiënt : 0,750638.]3
  
  Art. 37/1. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  Het bezoldigingsbedrag, vermeld in artikel 15/1, eerste lid, b), wordt elk jaar aangepast op 1 januari aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde trimester (basis 2010=100) overeenkomstig de formule: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de aanvangsindex (vermenigvuldigd met de omzettingscoëfficiënt). Het resultaat wordt afgerond op de euro.
   In het eerste lid wordt verstaan onder:
   1° index van de conventionele lonen voor bedienden: de index vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
   2° basisbedrag: het bedrag van kracht op 1 januari 2013;
   3° nieuwe index: de index van het derde trimester met als basis 2010=100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
   4° aanvangsindex: de index van het derde trimester 2012 met als basis 1997=100;
   5° omzettingscoëfficiënt: 0,750638.

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2014-11-06/01, art. 6, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>
  (2)<BESL 2014-11-13/11, art. 6, 030; Inwerkingtreding : 15-12-2014>
  (3)<BESL 2015-07-09/22, art. 7, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 37/2.(WAALSE OVERHEIDSDIENSTEN)
  [1 De bezoldigingsbedragen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 33°, in artikel 9, eerste lid, 6°, 7° en 15°, en in artikel 15/1 van dit besluit moeten de tegenwaarde zijn van de verrichte arbeidsprestaties en met zekerheid gekend zijn vóór het begin van de tewerkstelling van de werknemers in België.]1
  
  Art. 37/2. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  [2 De bezoldigingsbedragen bedoeld in artikel 2, lid 1, 33°, in artikel 9, lid 1, 6°, 7° en 15° en in artikel 15/1 van dit besluit moeten de tegenprestatie vormen van uitgevoerde arbeidsprestaties en moeten met zekerheid gekend zijn voor het begin van de tewerkstelling van de werknemers in België.]2
  
  Art. 37/2. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  De bezoldigingsbedragen, vermeld in artikel 2, eerste lid, 33°, artikel 9, eerste lid, 6°, 7°, en 15°, en artikel 15/1, vormen de tegenprestatie van uitgevoerde arbeidsprestaties, en zijn met zekerheid gekend bij aanvang van de tewerkstelling van de werknemers in België.

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2014-11-06/01, art. 7, 029; Inwerkingtreding : 14-11-2014>
  (2)<BESL 2014-11-13/11, art. 7, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  HOOFDSTUK XI. - (Tijdelijke, overgangs- en slotbepalingen.) <KB 2004-04-12/32, art. 1, Inwerkingtreding : 01-05-2004>

  Art. 38.§ 1. Wanneer de Minister algemene regelen ter uitvoering van dit besluit uitvaardigt, raadpleegt hij, behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
  § 2. De bevoegde overheid kan bij gemotiveerde beslissing voor individuele behartigenswaardige gevallen om economische of sociale redenen afwijken van de artikelen 8, 10, 12, 14, 21, 1° en 22, 2°.

  Art. 38bis.<Opgeheven bij KB 2013-06-24/02, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-07-2013>

  Art. 38ter.<Ingevoegd bij KB 2004-04-12/32, art. 2, Inwerkingtreding : 01-05-2004; Opheffing : onbepaald ; zie ook art. 38sexies van dit koninklijk besluit)> § 1. [1 ...]1
  (De vrijstellingen bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 1° en 3°, zijn niet van toepassing op de onderdanen van de Republiek Bulgarije en van Roemenië voor zover deze onderdanen vallen onder de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lidstaten van de Europese Unie) en de Republiek Bulgarije en Roemenië betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie, en onder de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 25 april 2005, goedgekeurd bij de wet van 2 juni 2006, meer bepaald onder artikel 23 van deze Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, alsmede onder de Bijlagen V, VI, VIII, IX, X, XII, XIII en XIV bij deze Akte.) <KB 2006-12-19/32, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [1 De vrijstellingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1° en 3° zijn niet van toepassing op de onderdanen van de Republiek Kroatië voor zover deze onderdanen vallen onder de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lidstaten van de Europese Unie) en de Republiek Kroatië betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie en tot de Slotakte, gedaan te Brussel op 9 december 2012, goedgekeurd bij de wet van 17 februari 2013, meer bepaald het artikel 18 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden tot de Europese Unie van de Republiek Kroatië en van de aanpassingen van het verdrag betreffende de Europese Unie, het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie dat de overgangsmaatregelen bepaalt opgesomd in de lijst onder Bijlage V van deze Akte.]1
  § 2. [2 de vrijstellingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, 2° en 3° zijn niet van toepassing]2 op de volgende familieleden van de onderdanen van de in § 1 bedoelde landen :
  a) de echtgenoot;
  b) de bloedverwanten in de nederdalende lijn of die van zijn echtgenoot, beneden 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
  c) de bloedverwanten in de opgaande lijn of die van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn, met uitzondering van de bloedverwanten in opgaande lijn van de studenten of die van de echtgenoot;
  d) de echtgenoot van de personen bedoeld in b) en c).
  § 3. [2 In afwijking van de paragrafen 1 en 2, zijn de vrijstellingen bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 1°, 2° en 3° van toepassing :
   a) op personen op wie een andere Overeenkomst of een ander Verdrag van toepassing is, die bepalingen bevatten die gunstiger zijn met betrekking tot de tewerkstelling;
   b) op personen die kunnen genieten van één van de andere vrijstellingen bedoeld bij artikel 2;
   c) op personen die reeds vóór de toetredingsdatum in het bezit zijn van een vestigingsvergunning of die reeds werden gemachtigd tot onbeperkt verblijf zoals bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 3°, b;
   d) op personen die op een andere grond dan het feit dat zij onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie, na de toetredingsdatum, een vestigingsvergunning bekomen of die na diezelfde toetredingsdatum gemachtigd worden tot onbeperkt verblijf zoals bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 3°, b;
   e) op personen tewerkgesteld door een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming, andere dan een onderneming die uitzendarbeid of elke andere wettige vorm van terbeschikkingstelling van werknemers tot doel heeft, die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten, op voorwaarde dat :
   - zij op wettige wijze tewerkgesteld zijn in de lidstaat waar zij verblijven;
   - en deze arbeidsvergunning tenminste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
   f) op de personen die in het bezit zijn van het document ter staving van duurzaam verblijf overeenkomstig het model van bijlage 8bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (E+kaart);
   g) op de personen die in het bezit zijn van een duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen F+kaart);
   h) op de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden;
   i) op de personen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning toegekend op grond van artikel 40bis of artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, in het kader van een procedure tot gezinshereniging met een Belgische onderdaan of met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte andere dan een Roemeense, een Bulgaarse of een Kroatische onderdaan tenzij deze Bulgaarse, Roemeense of Kroatische onderdaan reeds is vrijgesteld met toepassing van dit besluit.
   De personen opgesomd onder i) moeten in het bezit zijn :
   - tijdens de periode van onderzoek van de aanvraag om erkenning van het recht op verblijf, van :
   - ofwel een document overeenkomstig het model van bijlage 19 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen,
   - ofwel van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals van een geldig attest van immatriculatie, of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister (A kaart);
   - in geval van definitief gunstige beslissing :
   - ofwel van een " verklaring van inschrijving van burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 8 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (E kaart),
   - ofwel van een verblijfskaart van een " familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F kaart);
   - in geval van beroep tegen een ongunstige beslissing, van een document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen]2
  [2 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]2
  
  Art. 38ter( WAALS GEWEST)
  <Opgeheven bij BWG 2015-07-02/26, art. 7,1°, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38ter. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  <Opgeheven bij BESL 2015-07-09/22, art. 8,1°, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38ter. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  <Opgeheven bij BVR 2015-06-26/16, art. 6,1°, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  ----------
  (1)<KB 2013-06-24/02, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (2)<KB 2013-07-17/05, art. 4, 027; Inwerkingtreding : 05-08-2013>

  Art. 38quater.<Ingevoegd bij KB 2004-04-12/32, art. 3, Inwerkingtreding : 01-05-2004; Opheffing : onbepaald ; zie ook art. 38sexies van dit koninklijk besluit> § 1. In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om onderdanen van de in artikel 38ter, § 1, bedoelde landen die :
  - hetzij (op de toetredingsdatum) legaal in België werkten en wier toelating tot de arbeidsmarkt voor een ononderbroken periode van 12 maanden of meer gold; <KB 2006-12-19/32, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  - hetzij (na de toetredingsdatum) gedurende een ononderbroken periode van 12 maanden of meer tot de arbeidsmarkt in België zijn toegelaten. <KB 2006-12-19/32, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 2. In afwijking van artikel 8 wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning evenmin rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om de volgende familieleden, ongeacht hun nationaliteit, van de onderdanen van de in artikel 38ter, § 1, vermelde landen :
  a) de echtgenoot;
  b) de bloedverwanten in nederdalende lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn.
  De bepalingen van het eerste lid zijn slechts van toepassing indien deze personen :
  a) hetzij zich met de werknemer die onderdaan is van één van de landen bedoeld in § 1, in België is komen vestigen, op voorwaarde dat :
  - deze personen (op de toetredingsdatum) met de werknemer legaal op het grondgebied van België verbleef en <KB 2006-12-19/32, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  - die werknemer legaal tot de Belgische arbeidsmarkt is toegelaten voor een periode van ten minste 12 maanden;
  b) hetzij (vanaf de toetredingsdatum) met de werknemer die onderdaan is van één van de landen bedoeld in § 1, legaal op het grondgebied van België verblijven, nadat zij gedurende ten minste 18 maanden in België hebben verbleven. <KB 2006-12-19/32, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (§ 3. In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om onderdanen van de in artikel 38ter, § 1, bedoelde landen en voor zover dat deze arbeidsvergunning betrekking heeft op beroepen waarvoor de bevoegde overheid, voor de toepassing van de wet, erkend heeft dat er zich een tekort aan arbeidskrachten voordoet.
  Deze arbeidsvergunning, wordt binnen de vijf werkdagen van de bevoegde gewestelijke administratie afgeleverd, wanneer aan de voorwaarden voor de toekenning ervan is voldaan. De werkgever overhandigt de werknemer een kopie van deze arbeidsvergunning in afwachting van de aflevering van de arbeidskaart B. Deze kopie geldt voor de werknemer als voorlopige arbeidskaart B tot op het ogenblik van de aflevering van de arbeidskaart B.
  De bevoegde overheden houden de toegekende arbeidskaarten op elektronische wijze bij. De elektronische bestanden met betrekking tot de toegekende arbeidskaarten die maandelijks door de bevoegde overheden worden bezorgd aan de RSZ, worden door deze laatste geconfronteerd met de Dimona-databank; vastgestelde anomalieën worden voor verder onderzoek overgemaakt aan de inspectiediensten Toezicht Sociale Wetten en Sociale inspectie.) <KB 2006-04-24/32, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 30-04-2006 voor het eerste en derde lid; Inwerkingtreding : 01-06-2006 voor het tweede lid>
  
  Art. 38quater(WAALS GEWEST)
  <Opgeheven bij BWG 2015-07-02/26, art. 7,2°, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38quater. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  <Opgeheven bij BESL 2015-07-09/22, art. 8,2°, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38quater. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  <Opgeheven bij BVR 2015-06-26/16, art. 6,2°, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>


  Art. 38quinquies.<Ingevoegd bij KB 2004-04-12/32, art. 4, Inwerkingtreding : 01-05-2004; Opheffing : onbepaald ; zie ook art. 38sexies van dit koninklijk besluit> De bepalingen van de artikelen 12 en 14 zijn niet van toepassing op de tewerkstelling van personen bedoeld bij artikel 38quater.
  (De bepalingen van artikel 5 zijn van toepassing op de tewerkstelling van personen bedoeld bij artikel 38quater.) <KB 2006-04-24/32, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 30-04-2006>
  
  Art. 38quinquies. (WAALS GEWEST)
  <Opgeheven bij BWG 2015-07-02/26, art. 7,3°, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38uinquies. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  <Opgeheven bij BESL 2015-07-09/22, art. 8,3°, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38quinquies. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  <Opgeheven bij BVR 2015-06-26/16, art. 6,3°, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>


  Art. 38sexies.[1 De artikelen 38ter, 38quater en 38quinquies zullen buiten werking treden, voor wat betreft de Lidstaten bedoeld in artikel 38ter, § 1, eerste lid, op 31 december 2013 en, voor wat betreft de Lidstaat bedoeld in artikel 38ter, § 1, tweede lid, op 30 juni 2015.]1
  
  Art. 38sexies. (WAALS GEWEST)
  <Opgeheven bij BWG 2015-07-02/26, art. 7,4°, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38sexies. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  <Opgeheven bij BESL 2015-07-09/22, art. 8,4°, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38sexies. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  <Opgeheven bij BVR 2015-06-26/16, art. 6,4°, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  ----------
  (1)<KB 2013-06-24/02, art. 3, 026; Inwerkingtreding : 01-07-2013>

  Art. 38septies.<ingevoegd bij KB 2008-12-23/30, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2009; Opheffing : onbepaald, houdt op van kracht te zijn op hetzelfde ogenblik dat de artikelen 38ter, 38quater en 38quinquies van dit besluit ophouden van kracht te zijn.> In afwijking van artikel 8 van dit besluit wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om onderdanen van een land dat geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte die de status van langdurig ingezeten onderdaan verworven hebben in een andere lidstaat van de Europese Unie, op basis van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, en voor zover deze arbeidsvergunning betrekking heeft op beroepen waarvoor de bevoegde overheid, voor de toepassing van de wet, erkend heeft dat er zich een tekort aan arbeidskrachten voordoet. De procedure voor de aflevering van de arbeidskaart verloopt volgens de bepalingen van artikel 38quater, § 3, tweede en derde lid.
  Na de twaalf eerste maanden van hun toelating op de Belgische arbeidsmarkt kan hen een nieuwe arbeidskaart voor alle beroepen worden toegekend, zonder rekening te houden met de situatie op de arbeidsmarkt.
  
  Art. 38septies. (WAALS GEWEST)
  <Opgeheven bij BWG 2015-07-02/26, art. 7,5°, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38septies. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  <Opgeheven bij BESL 2015-07-09/22, art. 8,5°, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38septies. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  <Opgeheven bij BVR 2015-06-26/16, art. 6,5°, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>


  Art. 38octies.<ingevoegd bij KB 2008-12-23/30, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-2009> Het artikel 38septies houdt op van kracht te zijn op hetzelfde ogenblik dat de artikelen 38ter, 38quater en 38quinquies van dit besluit ophouden van kracht te zijn.
  
  Art. 38octies. (WAALS GEWEST)
  <Opgeheven bij BWG 2015-07-02/26, art. 7,6°, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38octies. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  <Opgeheven bij BESL 2015-07-09/22, art. 8,6°, 034; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  
  Art. 38octies. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  <Opgeheven bij BVR 2015-06-26/16, art. 6,6°, 033; Inwerkingtreding : 01-07-2015>


  Art. 39.§ 1. Zijn opgeheven vanaf 1 juli 1999 :
  1° het koninklijk besluit van 6 november 1967 betreffende de voorwaarden van toekenning en intrekking van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 26 februari 1968, 5 mei 1970, 10 december 1976, 5 oktober 1979, 27 juli 1983, 22 februari 1993, 18 maart 1993, 2 juni 1993, 11 juli 1996, 16 februari 1998 en 10 juni 1998, met uitzondering van de artikelen 3 en 4 en de bijlage bij dit besluit;
  2° het ministerieel besluit van 15 juli 1969 betreffende de voorwaarden van toekenning van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 25 september 1969, 6 mei 1970, 19 maart 1993 en 11 februari 1998, met uitzondering van de artikelen 12, 13 en 14;
  3° het ministerieel besluit van 19 maart 1993 tot uitvoering van artikel 23bis van het koninklijk besluit van 6 november 1967 betreffende de voorwaarden van toekenning en intrekking van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit.
  § 2. De bepalingen bedoeld in § 1 blijven evenwel van toepassing op de aanvragen van arbeidsvergunningen en arbeidskaarten ingediend vóór 1 juli 1999.

  Art. 40. § 1. De indiening van de aanvragen om de arbeidsvergunningen en de arbeidskaarten blijven tot uiterlijk (31 december 2005) geregeld door de volgende bepalingen : <KB 2004-12-06/35, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 17-01-2005>
  1° de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 6 november 1967 betreffende de voorwaarden van toekenning en intrekking van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit en de bijlage bij dit besluit;
  2° het ministerieel besluit van 19 december 1967 betreffende de modaliteiten van indiening en aflevering van de aanvragen om arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 15 juli 1969, 6 mei 1970, 19 maart 1993, 11 februari 1998 en 2 maart 1998, met uitzondering van artikel 1, vierde lid en de artikelen 5, 11, 16, 19 en 20 die niet meer van toepassing zijn op de aanvragen van arbeidsvergunningen en arbeidskaarten, ingediend na 1 juli 1999;
  3° de artikelen 12, 13 en 14 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969 betreffende de voorwaarden van toekenning van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit;
  § 2 - De Minister kan, in voorkomend geval, de in § 1, 2° en 3° bedoelde bepalingen wijzigen tijdens de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met (31 december 2005). <KB 2004-12-06/35, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 17-01-2005>

  Art. 41. § 1. De wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers treedt in werking op 1 juli 1999.
  § 2. - Dit besluit treedt in werking op 1 juli 1999 en is van toepassing op de aanvragen voor arbeidsvergunningen en arbeidskaarten ingediend vanaf deze datum.

  Art. 42. Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage I. Vermeldingen en bepalingen die in de arbeidsovereenkomst van de buitenlandse werknemer moeten voorkomen.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 26-06-1999, p. 24185-24186).

  Art. N2. Bijlage II. - Vermeldingen en bepalingen die in de arbeidsovereenkomst van een buitenlandse schouwspelartiest moeten voorkomen.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 26-06-1999, p. 24187-24188).

  Art. N3. Bijlage III. - OVEREENKOMST VOOR DE PLAATSING VAN EEN AU PAIR.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 26-06-1999, p. 24189-24190).
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 9 juni 1999.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
Mevr. M. SMET

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
   Gelet op het advies van de Adviesraad voor buitenlandse arbeidskrachten van 13 april 1994 en 30 juni 1998;
   Gelet op het advies van de inspecteur van financiën, gegeven op 14 juli 1998 en op 19 april 1999;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 23 juli 1998 en van 7 mei 1999;
   Gelet op het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid dat de coördinatie en de harmonisering van deze reglementering, vervat in de nieuwe wet van 30 april 1999 enerzijds en in voorliggend ontwerp van uitvoeringsbesluit anderzijds, zo spoedig mogelijk in werking moeten kunnen treden; dat de betrokken administraties en personen zo snel mogelijk op de hoogte moeten worden gebracht van een aantal nieuwe bepalingen inzake de tewerkstelling van buitenlandse werknemers; dat het o.a. dringend noodzakelijk is dat een juridische basis kan ingevoerd worden voor het verlenen van een voorlopige arbeidsvergunning voor slachtoffers van mensenhandel, dat de mogelijkheid om een buitenlandse werknemer voorlopig te werk te stellen nog vóór een arbeidsvergunning en -kaart wordt aangevraagd moet worden afgeschaft om misbruiken te voorkomen en dat erkende vluchtelingen en personen die in België een stage lopen in het kader van een uitwisselingsprogramma of bij internationale instellingen van publiek recht moeten kunnen vrijgesteld worden van de verplichting een arbeidskaart te bekomen; dat een aantal van deze bepalingen op 1 juli 1999 in werking moeten kunnen treden, o.a. wat betreft de stagiairs in het kader van de uitwisselingsprogramma's, aangezien een groot deel van deze stages loopt tijdens de vakantiemaanden, en ook wat betreft de bepalingen inzake de au pair-jongeren;
   Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 20 mei 1999, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, vervangen door de wet van 4 augustus 1996;
   Op de voordracht van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 07-12-2018 GEPUBL. OP 21-12-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2,L1,1°-25°,27°-34°,L2-L5; 3-8; 9,L1,6°-20°,L2-L3; 10-15; 16-19; 24-N3)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 05-07-2018 GEPUBL. OP 25-09-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 9; 14; 17-18/27; 38) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-09-2018 GEPUBL. OP 17-09-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1-23; 30-42; N1-N3) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 01-06-2018 GEPUBL. OP 09-07-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 5; 9; 14; 15; 15/1; 15/2; 15/3; 15/4; 17; 17/1; 18; 18/1-18/29; 37/1; 37/2; 38) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 14-06-2018 GEPUBL. OP 02-07-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 9; 14; 17; 18; 18/1-18/27; 38)
  • BEELD
  • BESLUIT DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 07-06-2018 GEPUBL. OP 27-06-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 5; 9; 14; 15; 15/1; 15/2; 15/3; 15/4; 17-18; 17-18.32; 37/1; 37/2; 38)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-10-2017 GEPUBL. OP 23-10-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 2/1)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-06-2017 GEPUBL. OP 30-06-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 36)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-10-2015 GEPUBL. OP 09-11-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 17)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 09-07-2015 GEPUBL. OP 14-09-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 5; 9; 11; 13; 37; 37/1; 38ter; 38quater; 38quinquies; 38sexies; 38septies; 38octies)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 26-06-2015 GEPUBL. OP 23-07-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 5; 9; 11; 13; 38ter; 38quater; 38quinquies; 38sexies; 38septies; 38octies)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 19-12-2014 GEPUBL. OP 13-02-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 9; 15/1; 37; 37/1; 37/2)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 13-11-2014 GEPUBL. OP 05-12-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 9; 15/1; 37; 37/1; 37/2)
  • BEELD
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 06-11-2014 GEPUBL. OP 14-11-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 9; 15/1; 37; 37/1; 37/2)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-12-2013 GEPUBL. OP 24-01-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 15/1)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-07-2013 GEPUBL. OP 26-07-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 17; 38ter)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-06-2013 GEPUBL. OP 28-06-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 38bis; 38ter; 38sexies)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-07-2012 GEPUBL. OP 31-08-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 5; 9; 15/1; 15/2; 15/3; 15/4; 17)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-12-2011 GEPUBL. OP 30-12-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 38sexies)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-03-2011 GEPUBL. OP 29-03-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 17)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-12-2009 GEPUBL. OP 12-01-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 17)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-05-2009 GEPUBL. OP 29-05-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 17)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-12-2008 GEPUBL. OP 30-12-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 38SEXIES)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 9; 38SEPT; 38OCT; 11; 13)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-04-2008 GEPUBL. OP 20-05-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-09-2007 GEPUBL. OP 28-09-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 9; 16)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-01-2007 GEPUBL. OP 13-02-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 17)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 38TER; 38QUAT; 38SEXIES)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-04-2006 GEPUBL. OP 28-04-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 38QUATER-38SEXIES)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-12-2004 GEPUBL. OP 07-01-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 40)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-07-2004 GEPUBL. OP 23-08-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 17)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-04-2004 GEPUBL. OP 21-04-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 38TER-38SEXIES)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-12-2003 GEPUBL. OP 17-12-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 40)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-03-2003 GEPUBL. OP 01-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 9)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-02-2003 GEPUBL. OP 27-02-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 3; 4; 9; 16; 17; 18; 32; 34; 35; )
    (GEWIJZIGD ART. : 37)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-10-2002 GEPUBL. OP 24-12-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 40)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-07-2002 GEPUBL. OP 26-09-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 38BIS)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-12-2001 GEPUBL. OP 20-12-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 40)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-09-2001 GEPUBL. OP 18-09-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 25; 26; 28)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-01-2001 GEPUBL. OP 07-02-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 40)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 26)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-07-2000 GEPUBL. OP 01-08-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 9)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-02-2000 GEPUBL. OP 26-02-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 2)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING,
       Sire,
       Het koninklijk besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd beoogt uitvoering te geven aan de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. De datum van inwerkingtreding van voormelde wet, namelijk 1 juli 1999, wordt eveneens door dit koninklijk besluit vastgesteld.
       Dit koninklijk besluit beoogt vooreerst een coördinatie van de reglementering op het vlak van de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. Deze materie wordt momenteel immers geregeld door een aantal koninklijke en ministeriële besluiten en door een reeks ministeriële omzendbrieven.
       De regeling voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers vervat in al deze teksten is ondoorzichtig en onlogisch opgebouwd. Dit leidt tot rechtsonzekerheid bij al diegenen die met deze reglementering te maken hebben.
       Daarnaast beoogt dit besluit eveneens een actualisering van deze reglementering. De huidige teksten dateren immers nog uit het eind van de jaren '60 en werden tot op heden weinig of niet aangepast aan een aantal evoluties op de arbeidsmarkt met betrekking tot de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
       Bespreking van de artikelen.
       Artikel 1.
       In de punten 3°, 4° en 5° worden de definities hernomen uit de wet bedoeld in punt 2.
       Het punt 6° geeft de definitie van het wettig verblijf (dat het begrip van regelmatig verblijf vervangt dat in de vroegere reglementering niet werd gedefinieerd). Men verwijst hiermee naar de wet van 15 december 1980.
       De definities onder punt 7° (arbeidsmarkt) en punt 8° (schouwspelartiesten) bestonden niet in de oude reglementering, zomin als die van beroepssportlui (punt 11°).
       De definities onder punt 9° en 10° daarentegen (cabaret en cabaretpersoneel) werden sedert 1993 in de reglementering opgenomen.
       Artikel 2.
       Het eerste lid van dit artikel geeft in uitvoering van artikel 7 van de wet, de lijst van vrijstellingen van de verplichting een arbeidskaart te verkrijgen.
       Het punt 3° bevindt zich reeds in de huidige reglementering.
       In punt 4° wordt op het einde " voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten " toegevoegd. Een gelijkaardige toevoeging werd gedaan in het punt 6° (bedienaars van de eredienst) waar ook het woord " erkend " werd toegevoegd.
       In punt 5° wordt een nieuwe categorie van vrijstelling ingevoerd voor de vluchtelingen.
       Het punt 7° is een bepaling die reeds in de reglementering bestaat; hetzelfde geldt voor de punten 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14° en 15°.
       In punt 12° wordt de verwijzing naar artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 november 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones toegevoegd. Het betreft daar een rechtzetting van een weglating.
       Het punt 16° is quasi identiek aan de bestaande wetgeving; enkel de woorden " en/of erkend " werden toegevoegd.
       In punt 17° werd de vrijstelling die reeds werd toegekend aan schouwspelartiesten met internationale faam, uitgebreid tot hun begeleiders en, bovendien, uit de overweging te harmoniseren, werd de formulering van de verblijfsvoorwaarde overgenomen van deze opgenomen in punt 15° en 16° " voor zover hun verblijf in het land drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt ".
       In punt 18° werd het woord " hoger " weggelaten. De bedoeling is om de jonge buitenlandse onderdanen die wettig in België verblijven en die les volgen in het secundair onderwijs niet te bestraffen, temeer daar het al dikwijls over een benadeelde categorie gaat.
       In punt 19° heeft men " die wettig verblijven " toegevoegd.
       De punten 20° en 21° beogen bepaalde categorieën van stagiairs en zijn nieuwe bepalingen.
       In punt 22° (leerlingen) zijn de woorden " die wettig in België verblijven " vervangen door " die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden in België ".
       Het laatste lid van artikel 2 laat de Minister toe het begrip internationale faam, bedoeld in punt 17°, verder te definiëren.
       Artikel 3.
       Dit artikel bepaalt de categorieën van arbeidskaarten. In vergelijking met de huidige wetgeving herneemt men niet langer de arbeidskaart C die totaal in onbruik is geraakt.
       Anderzijds, de definitie van de arbeidskaart B is enigszins gewijzigd : men bepaalt een maximum duur van twaalf maanden en de kaart is beperkt tot de tewerkstelling bij één werkgever (en niet langer in één bedrijfstak).
       Artikel 4.
       Paragraaf 1 herneemt, in zijn eerste en tweede lid, reeds bestaande bepalingen. Men heeft nochtans op het einde van het tweede lid het volgende eraan toegevoegd : " behalve indien deze afwezigheid niet het verlies van het recht op of machtiging tot verblijf, overeenkomstig artikel 39, § 3 of § 5 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, tot gevolg had ". Het doel is om de tegenstellingen tussen het arbeidsrecht en verblijfsrecht te vermijden.
       Het eerste en tweede lid van paragraaf 2 stemmen overeen met het artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Het derde lid is een nieuwe bepaling ingevoegd met de bedoeling een eventuele discordantie te vermijden tussen de reglementering van het verblijf van vreemdelingen en deze op hun toegang tot werk.
       Artikel 5.
       Dit artikel voorziet de afwijkingen op artikel 4, paragraaf 2, eerste lid van de wet. Worden bedoeld, de personen voor wie geen rekening wordt gehouden met de arbeidsmarkt bij het afleveren van de arbeidskaart.
       Aangezien artikel 4, § 2, eerste lid van de wet enkel handelt over de arbeidsvergunning en niet over de voorlopige arbeidsvergunning (artikel 4, § 4 van de wet en artikel 4, § 3 van dit besluit), moet er geen afwijking voorzien worden in dit artikel 5.
       Artikel 6.
       Dit artikel beantwoordt aan artikel 9 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Nochtans, om de controle te vergemakkelijken, heeft men de mogelijkheid om de bijzondere voorwaarden bij ter post aangetekende brief te betekenen niet weerhouden.
       De woorden " indien mogelijk " worden nader verklaard door de toekomstige formaten van de documenten betreffende de arbeidskaart (formaat van de identiteitskaart).
       Artikel 7.
       Dit artikel stemt overeen met artikel 13bis, eerste lid van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Om practische reden wordt het niet opportuun geacht sancties te voorzien.
       Artikel 8.
       Deze fundamentele bepaling is bijna identiek aan artikel 5 van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Er dient echter op gewezen te worden dat men nu spreekt van " arbeidsmarkt " (zie artikel 1, 7°) en niet langer van " nationale arbeidsmarkt ".
       Artikel 9.
       Dit artikel stemt overeen, zij het met meerdere wijzigingen, met artikel 1 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969.
       Het betreft de bepaling van de categorieën buitenlandse werknemers voor wie, in afwijking van artikel 8, geen rekening moet worden gehouden met de situatie van de arbeidsmarkt voor de uitreiking van de arbeidsvergunning.
       Men dient in het bijzonder op te merken dat men het niet nuttig heeft geacht in deze lijst de inwonende dienstboden en dienstmeiden nog langer op te nemen en dat, voor de studenten, de beperking van een 20-uren week, die reeds krachtens een omzendbrief werd toegepast, wordt bevestigd. Deze beperking is logisch in de mate dat het gaat om personen waarvan het verblijf wordt gerechtvaardig om studies te volgen in België.
       Overigens verenigt dit artikel alle gevallen waar geen rekening wordt gehouden met de arbeidsmarkt, waar vroeger een deel van de vrijstellingen her en der verspreid stonden in de reglementering (stagiairs, au pair-jongeren, gespecialiseerde techniekers).
       Om reden van duidelijkheid krijgt de term " gespecialiseerde technieker " (punt 9) de voorkeur op " monteerders-specialisten " daar de praktijk heeft aangetoond dat het niet enkel om industriële installaties gaat.
       De punten 11°, 12° en 13° (beroepssportlui, personen met een verantwoordelijkheidsfunctie in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij of een toeristische dienst van hun land) zijn eveneens een bevestiging van vrijstellingen die voorheen in omzendbrieven waren voorzien.
       De omschrijvingen van " navorser " en van " gasthoogleraar ", vermeld onder de leden 2° en 4°, werden opgesteld na raadpleging van de Gemeenschappen.
       Artikel 10.
       Dit artikel stemt overeen met artikel 6 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Artikel 11.
       Dit artikel stemt overeen met artikel 2 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969. Omdat men verwijst naar artikel 9, geldt het commentaar gegeven bij dit artikel eveneens voor artikel 11.
       Artikel 12.
       Het eerste lid van dit artikel stemt overeen met artikel 2bis van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Het tweede tot vijfde lid voeren de verplichting in van een specifiek contract voor bepaalde categorieën (artiesten, stagiairs, au pair-jongeren, voorlopige arbeidsvergunning).
       Artikel 13.
       Dit artikel stemt overeen met artikel 3bis van het ministerieel besluit van 15 juli 1969. Dezelfde opmerking als voor artikel 11 kan hier worden gemaakt.
       Voor stagiairs en au pair-jongeren zijn bijzondere contracten voorzien.
       Artikel 14.
       Dit artikel stemt gedeeltelijk overeen met artikel 2 van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Men heeft er een bepaling aan toegevoegd (lid 3) waarin de termijn wordt gepreciseerd binnen dewelke het geneeskundig getuigschrift moet worden opgesteld om de voorlegging van te oude getuigschriften te vermijden.
       Overigens blijkt uit ervaring de noodzakelijkheid van de invoering van het vierde lid dat desnoods de vertaling eist van het geneeskundig getuigschrift in één van de talen van het bevoegd Gewest.
       Artikel 15.
       In combinatie met artikel 14 stemt dit artikel overeen met artikel 2 van het koninklijk besluit van 6 november 1967 (voor punt 1°) en met artikel 21 van hetzelfde besluit (voor punt 2°).
       Artikel 16.
       Dit artikel bepaalt de categorieën van vreemdelingen die recht hebben op een arbeidskaart A en stemt overeen met artikel 13 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Het punt 1° behandelt het recht een arbeidskaart A te verkrijgen op basis van het aantal jaren arbeid met een arbeidskaart B. Het aantal arbeidsjaren is teruggebracht op vier in plaats van vroeger vijf maar, in feite betreft het een bevestiging van wat reeds van toepassing was krachtens artikel 10, 2° van het ministerieel besluit van 15 juli 1969.
       Let bovendien op het gebruik van de term " wettig verblijf ", gedefinieerd in artikel 1 (in plaats van " regelmatig verblijf ").
       Het punt 2° behandelt het recht om de arbeidskaart A te verkrijgen op basis van het aantal jaren " wettig " (in plaats van " regelmatig ") en " ononderbroken verblijf ".
       Het punt 3° voorziet het recht op een arbeidskaart A voor de echtgenoot van een persoon die ingevolge 1° of 2° recht heeft op een arbeidskaart A. Met de bedoeling de reglementering in overeenstemming te brengen met de verblijfsreglementering, heeft men er aan toegevoegd dat de echtgenoot moet beschikken over een verblijfstitel op basis van artikel 10, eerste lid, 1° of 4° van de wet van 15 december 1980.
       De bedoeling is te vermijden dat een persoon een arbeidskaart A ontvangt zolang hij enkel over een voorlopige verblijfstitel beschikt die slechts kan worden bevestigd na één jaar samenwonen.
       In punt 4°, buiten de invoering van het begrip van verblijf overeenkomstig artikel 10, eerste lid, 1° of 4° van de wet van 15 december 1980, past het het gebruik op te merken van het begrip " kinderen " zonder nog een onderscheid te maken tussen wettige, natuurlijke of geadopteerde kinderen.
       Met uitzondering van punten 6° en 8° bestonden de overige punten reeds. Het punt 8° heeft eveneens tot doel verblijfsrecht en arbeidsrecht te harmoniseren. In uitvoering van artikel 19, derde lid van de wet van 15 december 1980 werd het koninklijk besluit van 7 augustus 1995 houdende vaststelling van de gevallen waarin en van de voorwaarden waaronder een vreemdeling, wiens afwezigheid uit het Rijk langer dan één jaar duurt, kan gemachtigd worden er terug te keren gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 2 september 1995.
       Artikel 17.
       Dit artikel voorziet, in paragraaf 1, in de gevallen waar de termijn van vier jaar, voorzien in artikel 16, 1° kan worden ingekort. Deze paragraaf stemt overeen met artikel 10, 1° van het ministerieel besluit van 15 juli 1969 en met het tweede lid van artikel 13, 1° van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Paragraaf 2 stemt overeen met het laatste lid van artikel 13 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Artikel 18.
       Het punt 1° van dit artikel behandelt de gelijkstellingen met de arbeidsperioden voor de toepassing van de artikelen 16, 1° en 17, paragraaf 1. Deze bepaling stemt overeen met artikel 13, 1°, vierde lid van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Het artikel 18, 2° beschrijft de gevallen waar het verblijf geacht wordt ononderbroken te zijn en stemt overeen met artikel 13, 1°, derde lid en 2°, tweede lid van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Nochtans werd artikel 18, 2°, a) uitgebreid tot artikel 16, 2°.
       De punten 3° en 4° van artikel 18 stemmen overeen met respectievelijk artikel 13, 1°, vijfde lid en 2°, derde lid van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Artikel 19.
       Dit artikel behandelt de contingenten en stemt overeen met artikel 13 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969.
       Er dient te worden opgemerkt dat men de verplichting heeft ingevoerd om het bevoegde paritaire comité te raadplegen.
       Artikel 20 tot 23.
       Deze artikelen stemmen overeen met artikel 17, paragrafen 1 tot 4 van het koninklijk besluit van 6 november 1967 (wijziging van 16 februari 1998).
       Paragraaf 5 van voormeld artikel 17 betreffende de mogelijkheid om af te wijken inzake de leeftijd van de stagiair en de duur van de stage is voortaan voorzien in artikel 38, paragraaf 2.
       Artikel 24 tot 29.
       Deze artikelen betreffen de au pair-jongeren. Zij stemmen overeen met artikel 18 van het koninklijk besluit van 6 november 1967. Zij wijzigen grondig deze bepaling zoals ze toen werd opgesteld. Zij hernemen integraal de voorstellen die het voorwerp uitmaakten van het advies 97/1 van de Adviesraad voor buitenlandse arbeidskrachten maar die nog niet werden aangenomen.
       Met betrekking tot meer bepaald artikel 26, 2° dient te worden opgemerkt dat deze bepaling tot doel heeft te beletten dat de au pair-jongere onthaald wordt in een gastgezin dat niet één van de drie nationale talen als omgangstaal gebruikt (bijvoorbeeld Zweeds of Japanees). In dergelijk geval zou het oogmerk de taalkennis van de au pair-jongere te vervolmaken niet bereikt worden daar er geen overeenstemming zou zijn tussen de taalcursussen die de au pair-jongere zou volgen en de omgangstaal gebruikt in het gastgezin.
       Artikel 30.
       Dit artikel betreft het cabaretpersoneel. De definitie van " cabaret " en " cabaretpersoneel " wordt gegeven in artikel 1, 9° en 10°. Het artikel 30 stemt overeen met artikel 4 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969 (versie van 19 maart 1993).
       Artikel 31.
       Dit artikel geeft, in lid 1, een definitie van hernieuwing, wat nog niet bestond in deze reglementering. Men preciseert vooral dat de hernieuwing het voortduren betreft van de tewerkstelling van eenzelfde werknemer in eenzelfde beroep (maar niet noodzakelijk bij dezelfde werkgever).
       De artikelen 31 tot 33 stemmen overeen met de artikelen 5 tot 9 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969.
       Het tweede lid van artikel 31 voert een minimumtermijn in voor het inleiden van de hernieuwingsaanvraag voor het verstrijken van de lopende arbeidsvergunning en arbeidskaart.
       Artikel 32.
       Dit artikel preciseert dat de artikelen 8 tot 11 en 12, eerste lid, betreffende de verplichting van een overeenkomst, van toepassing zijn op de hernieuwingsaanvragen.
       A contrario betekent dit dat de voorwaarde van het geneeskundig getuigschrift niet moeten worden vervuld.
       Artikel 33.
       Dit artikel voorziet, om sociale redenen, afwijkingen die reeds bestaan in artikel 31, eerste lid. In deze afwijkingen worden echter de onvrijwillig werklozen niet meer hernomen. Inderdaad lijkt het onlogisch de hernieuwing voor een ander werk in dat geval toe te staan wanneer in principe de eerste arbeidskaart werd toegestaan juist omdat er een tekort op de arbeidsmarkt bestond van het beroep dat voorwerp uitmaakte van de arbeidskaart.
       Artikel 34.
       Dit artikel stemt overeen met de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 6 november 1967. De gebruikte formulering bovenaan het artikel is echter duidelijker : " de arbeidsvergunning en de arbeidskaart worden geweigerd " in plaats van " worden niet toegekend " of " kunnen worden geweigerd ".
       Het punt 1° betreft een nieuwe bepaling die zal toelaten de arbeidsvergunning en de arbeidskaart te weigeren om reden dat de aanvraag onvolledige of onjuiste gegevens bevat.
       Op grond van het punt 2° zal het bv. mogelijk zijn de arbeidsvergunning en de arbeidskaart te weigeren wanneer niet voldaan wordt aan de vereisten inzake de gereglementeerde beroepen.
       Het punt 6° laat niet langer toe de arbeidsvergunning en de arbeidskaart te weigeren omdat het geen voltijdse tewerkstelling zou betreffen; alleen wanneer onvoldoende inkomsten zouden worden verworven door deze tewerkstelling wordt dit voortaan geweigerd.
       Artikel 35.
       Dit artikel betreft het terug intrekken van de arbeidsvergunning (paragraaf 1) en de arbeidskaart (paragraaf 2). Het stemt overeen met artikel 11 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Ook hier is de formulering bij de aanvang van de paragraaf duidelijker : " de arbeidsvergunning (of de arbeidskaart) wordt ingetrokken " in plaats van " kan worden ingetrokken ".
       Artikel 36.
       Dit artikel stemt overeen met artikel 29 van het koninklijk besluit van 6 november 1967.
       Artikel 37.
       Dit artikel voorziet een voorlopige arbeidsvergunning voor de slachtoffers van de mensenhandel. Hiermee wordt een juridische basis gegeven in de reglementering voor wat tot nu voorzien werd bij de ministeriële omzendbrieven, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 juli 1994 en 21 februari 1997.
       Artikel 38.
       Paragraaf 1 legt aan de Minister de verplichting op om, wanneer hij algemene regelen ter uitvoering van dit besluit uitvaardigt, de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers te raadplegen. Deze raad wordt geïnstalleerd bij artikel 19 van de wet.
       Wanneer de dringende noodzakelijkheid wordt ingeroepen om dit advies niet te vragen zal deze zoals steeds gemotiveerd moeten worden.
       Paragraaf 2 hergroepeert de afwijkingsmogelijkheden. De beslissing moet worden gemotiveerd. Onder " bevoegde overheid " dient te worden verstaan de bevoegde gewestelijke Minister inzake tewerkstelling.
       Artikel 39.
       Dit artikel geeft de lijst van opgeheven bepalingen.
       Artikel 40.
       De huidige procedureregels worden behouden tot uiterlijk 31 december 2000. Dit moet toelaten een nieuwe procedure voor de uitreiking van een beveiligde arbeidskaart te kunnen ontwikkelen.
       Gevolg gevend aan het advies van de Raad van State werd besloten § 2 van het ontwerp betreffende de omzendbrief inzake de kandidaat-vluchtelingen niet nu te hernemen, aangezien deze overgangsbepaling toegevoegd werd nadat het ontwerp in de Ministerraad werd besproken en betrekking heeft op een materie die krachtens de artikelen 4, § 4 en 8, § 1 van de wet van 30 april 1999 in de Ministerraad overlegd dienen te worden.
       Krachtens artikel 8, § 2 van de wet van 30 april 1999 geldt dezelfde redenering niet voor artikel 40, § 1.
       Om aan het advies van de Raad van State te voldoen zal een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden opgesteld om het voorliggend koninklijk besluit aan te vullen met de inhoud van bovengenoemde omzendbrief.
       Artikel 41.
       De datum van inwerkingtreding van de wet en van dit besluit wordt bepaald op 1 juli 1999.
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige
       en zeer getrouwe dienaar,
       De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
       Mevr. M. SMET

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 51 uitvoeringbesluiten 36 gearchiveerde versies
    Franstalige versie