J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 4 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1998/12/11/1999007003/justel

Titel
11 DECEMBER 1998. - Wet tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. <Opschrift vervangen door W 2005-05-03/32, art. 2, 002 ; Inwerkingtreding : 07-06-2005>
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-05-1999 en tekstbijwerking tot 05-10-2018)

Bron : LANDSVERDEDIGING
Publicatie : 07-05-1999 nummer :   1999007003 bladzijde : 15758       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 1998-12-11/62
Inwerkingtreding : onbepaald

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-9, 9bis, 10-14

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

  Art. 2. In deze wet wordt verstaan onder :
  1° " inlichtingen- en veiligheidsdienst ", de Veiligheid van de Staat en de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht;
  2° " Vast Comité I ", het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten, opgericht bij de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten.
  (3° " griffie ", de griffier van het Vast Comité I;
  4° " overheid ", de overheden bedoeld in de artikelen 15 en 22ter en de veiligheidsoverheid bedoeld in artikel 22quinquies van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.) <W 2005-05-03/32, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14>

  Art. 3.(Het college samengesteld uit de voorzitter van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten, de voorzitter van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en de voorzitter [1 van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit]1 of hun plaatsvervanger, lid van hetzelfde instituut [1 ...]1), hierna het " beroepsorgaan " genoemd, neemt kennis van de met toepassing van deze wet ingestelde beroepen. <W 2005-05-03/32, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14>
  (Het beroepsorgaan wordt voorgezeten door de voorzitter van het Vast Comité I of zijn plaatsvervanger.) <W 2005-05-03/32, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14>
  (Wanneer bij het beroepsorgaan een beroep aanhangig is gemaakt, doen het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten en de Commissie tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer voor de duur van de procedure geen onderzoek naar respectievelijk klachten en aangiften in de zin van voornoemde wet van 18 juli 1991 en klachten in de zin van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens die betrekking hebben op elk veiligheidsonderzoek of elke veiligheidsverificatie die uitgevoerd wordt ter gelegenheid van procedures in het kader van veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten of veiligheidsadviezen die het voorwerp uitmaken van dat beroep.) <W 2005-05-03/32, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14>
  ----------
  (1)<W 2018-09-13/10, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 05-10-2018>

  Art. 4.<W 2005-05-03/32, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14> § 1. Wanneer overeenkomstig artikel 22 van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen de toekenning van de vereiste veiligheidsmachtiging wordt geweigerd, wanneer de beslissing niet genomen of niet ter kennis gebracht is binnen de voorziene termijn, of wanneer de veiligheidsmachtiging wordt ingetrokken, kan de persoon voor wie de machtiging vereist is, binnen dertig dagen, respectievelijk na de kennisgeving van de beslissing of na het verstrijken van de termijn, bij aangetekend schrijven beroep instellen bij het beroepsorgaan.
  Het beroep staat niet open wanneer de veiligheidsmachtiging wordt ingetrokken in het geval bedoeld in artikel 16, § 1, derde lid, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
  Het uitblijven van een beslissing door de veiligheidsoverheid binnen de termijn bepaald door het beroepsorgaan overeenkomstig artikel 10, § 1, of § 2, 1°, van deze wet, wordt beschouwd als een beslissing tot weigering en is vatbaar voor beroep door de betrokkene, overeenkomstig het eerste lid.
  § 2. Wanneer overeenkomstig de artikelen 22ter en 22quater van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen de toekenning van het veiligheidsattest wordt geweigerd, wanneer de beslissing niet genomen of niet ter kennis gebracht is binnen de voorziene termijn, of wanneer het veiligheidsattest wordt ingetrokken, kan de persoon voor wie het attest vereist is, binnen acht dagen, respectievelijk na de kennisgeving van de beslissing of na het verstrijken van de termijn, bij aangetekend schrijven beroep instellen bij het beroepsorgaan.
  § 3. [1 De persoon die met toepassing van artikel 22quinquies/1, § 2, tweede lid, en § 5, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen het voorwerp uitmaakt van een negatief veiligheidsadvies, kan binnen acht dagen na ontvangst van het advies bij aangetekend schrijven het beroepsorgaan vatten.]1
  ----------
  (1)<W 2018-09-13/10, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 05-10-2018>

  Art. 5.§ 1. In geval van beroep [inzake veiligheidsmachtigingen] zendt de veiligheidsoverheid het onderzoeksverslag aan het beroepsorgaan over, waarbij het origineel van de met redenen omklede beslissing alsmede een kopie van de kennisgeving van deze beslissing aan de eiser, en, in voorkomend geval, het in artikel 22 van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen bedoelde onderzoeksdossier worden gevoegd. <W 2005-05-03/32, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14>
  [In geval van beroep inzake veiligheidsattesten zendt de overheid het verificatiedossier aan het beroepsorgaan, waarbij de met redenen omklede vraag tot uitvoering van de veiligheidsverificaties, het origineel van de met redenen omklede beslissing alsmede een kopie van de kennisgeving van deze beslissing aan de eiser, worden gevoegd.
  In geval van beroep inzake veiligheidsadviezen zendt de veiligheidsoverheid het verificatiedossier aan het beroepsorgaan, waarbij de met redenen omklede vraag tot uitvoering van de veiligheidsverificaties, het origineel van het met redenen omklede advies alsmede een kopie van de kennisgeving van dit advies aan de eiser, worden gevoegd.] <W 2005-05-03/32, art.6 , 002; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14>
  § 2. Indien het beroepsorgaan het nuttig acht voor het onderzoek [inzake veiligheidsmachtigingen] van het beroep, verzoekt het de inlichtingen- en veiligheidsdienst die het onderzoek heeft ingesteld of instelt, een kopie van het volledige onderzoeksdossier over te zenden. Het kan eveneens van deze dienst de mededeling eisen van elke aanvullende informatie die het nuttig acht voor het onderzoek van het aanhangig gemaakte beroep. <W 2005-05-03/32, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14>
  Daartoe kan het beroepsorgaan de leden horen van de inlichtingendiensten die aan het veiligheidsonderzoek hebben meegewerkt.
  [1 De leden van de inlichtingendiensten zijn verplicht om de geheimen waarvan zij kennis hebben, bekend te maken aan het beroepsorgaan. Als deze geheimen betrekking hebben op een lopend opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek, overlegt het beroepsorgaan hierover voorafgaandelijk met de bevoegde magistraat.]1
  Acht het lid van de inlichtingendienst het nuttig die informatie toch geheim te houden omdat de verspreiding ervan de bescherming van de bronnen, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden of de vervulling van de opdrachten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten zoals bepaald in de artikelen 7, 8 en 11 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in het gedrang kan brengen, dan wordt de vraag voorgelegd aan de voorzitter van het beroepsorgaan, die uitspraak doet na het hoofd van de dienst te hebben gehoord.
  [Indien het beroepsorgaan het nuttig acht voor het onderzoek van het beroep inzake veiligheidsattesten of veiligheidsadviezen, kan het de overheden die het attest of advies uitgebracht hebben en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om elke bijkomende informatie verzoeken en de leden van deze diensten die hun medewerking aan de verificatie hebben geleverd, horen. In dit geval zijn het derde en vierde lid van toepassing op de leden van de politie- en inlichtingendiensten.] <W 2005-05-03/32, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14>
  § 3. Op verzoek van de [politie- of inlichtingendienst] kan het beroepsorgaan beslissen dat sommige inlichtingen uit de verklaring van een lid van de in § 2 bedoelde [politie- of inlichtingendienst], uit het onderzoeksverslag of het onderzoeksdossier [of het verificatiedossier], om een van de in § 2, vierde lid, genoemde redenen, [2 of als deze onder het geheim van een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek vallen,]2 geheim zijn en dat de eiser noch zijn advocaat er inzage van krijgen. [2 Als deze geheimen betrekking hebben op een lopend opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek, overlegt het beroepsorgaan hierover voorafgaandelijk met de bevoegde magistraat.]2 <W 2005-05-03/32, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14>
  Wanneer die inlichtingen afkomstig zijn van een buitenlandse inlichtingendienst, wordt de beslissing tot niet-inzage genomen door de inlichtingen- en veiligheidsdienst.
  Tegen die beslissingen is geen beroep mogelijk.
  ----------
  (1)<W 2010-02-04/26, art. 30, 003; Inwerkingtreding : onbepaald, ten laatste op 01-09-2010>
  (2)<W 2016-04-21/06, art. 86, 004; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 6. Onverminderd artikel 5, § 3, eerste en tweede lid, mogen de eiser en zijn advocaat (het verificatiedossier of) het onderzoeksverslag en eventueel het onderzoeksdossier gedurende vijf werkdagen vóór de zitting op de griffie van het beroepsorgaan inzien, op de data en uren die door het beroepsorgaan worden opgegeven.
  De eiser wordt gehoord door het beroepsorgaan, op verzoek van dat orgaan of op eigen verzoek. Hij kan zich laten bijstaan door een advocaat. <W 2005-05-03/32, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14>

  Art. 7. § 1. De leden (van het beroepsorgaan) en de personeelsleden van het Vast Comité I zijn gehouden tot een geheimhoudingsplicht ten aanzien van de feiten, handelingen of inlichtingen waarvan zij kennis hebben wegens de medewerking die zij verlenen aan de toepassing van deze wet.
  Deze geheimhoudingsplicht blijft bestaan, ook wanneer zij opgehouden hebben deze medewerking te verlenen.
  § 2. Het beroepsorgaan moet de nodige interne maatregelen nemen om het vertrouwelijk karakter van de (verificatiedossiers, van de) onderzoeksverslagen, van de documenten die erbij gevoegd zijn overeenkomstig artikel 5, § 1, en, in voorkomend geval, van de onderzoeksdossiers, te waarborgen. <W 2005-05-03/32, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14>

  Art. 8. Met geldboete van tweehonderd frank tot tienduizend frank wordt gestraft, iedere persoon bedoeld in artikel 7 die de geheimhoudingsplicht waartoe hij gehouden is op grond van dat artikel, heeft geschonden.

  Art. 9.Het beroepsorgaan beraadslaagt bij meerderheid van stemmen (respectievelijk binnen vijftien of zestig dagen) nadat het beroep (inzake veiligheidsattesten of veiligheidsmachtigingen) bij het beroepsorgaan aanhangig is gemaakt. <W 2005-05-03/32, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14>
  De beslissingen van het beroepsorgaan worden met redenen omkleed. (Zij worden bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de eiser, van de veiligheidsoverheid en van de inlichtingen- en veiligheidsdienst, naargelang van het geval, die hetzij het veiligheidsonderzoek heeft ingesteld, hetzij het dossier van de veiligheidsverificatie heeft samengesteld en zijn vanaf hun kennisgeving rechtstreeks uitvoerbaar.) <W 2005-05-03/32, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14>
  (De kennisgeving aan de eiser mag geen enkele inlichting bevatten waarvan de mededeling schade zou kunnen toebrengen aan de verdediging van de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied, aan de militaire defensieplannen, aan de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten, aan de inwendige veiligheid van de Staat, met inbegrip van het domein van de kernenergie, aan het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, aan de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen, aan het wetenschappelijk of economisch potentieel of elk ander fundamenteel belang van het land, aan de veiligheid van Belgische onderdanen in het buitenland, aan de werking van de besluitvormingsorganen van de Staat, aan de bescherming van de bronnen [1 , aan het geheim van een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek]1 of aan de bescherming van het privé-leven van derden.) [1 Als deze geheimen betrekking hebben op een lopend opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek, overlegt het beroepsorgaan hierover voorafgaandelijk met de bevoegde magistraat.]1 <Erratum, M.B. 24-06-1999>
  De beslissingen van het beroepsorgaan zijn niet vatbaar voor enig beroep.
  De rechtspleging welke voor het beroepsorgaan dient te worden gevolgd, wordt vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
  ----------
  (1)<W 2016-04-21/06, art. 87, 004; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 9bis. <ingevoegd bij W 2005-05-03/32, art. 10 ; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14> § 1. Het beroepsorgaan beraadslaagt bij meerderheid van stemmen binnen dertig dagen nadat het beroep inzake het veiligheidsadvies bij het beroepsorgaan aanhangig is gemaakt.
  Het advies van het beroepsorgaan wordt met redenen omkleed. Het wordt, bij aangetekend schrijven, ter kennis gebracht van de eiser, van de administratieve overheid en van de veiligheidsoverheid. Art. 9, derde lid, is van toepassing op de kennisgeving aan de eiser.
  Indien het beroepsorgaan het negatief veiligheidsadvies niet bevestigt, moet de administratieve overheid de redenen weergeven waarom zij het advies van het beroepsorgaan niet volgt. Zij deelt haar beslissing mee aan de betrokkene en zendt een afschrift over aan het beroepsorgaan en aan de veiligheidsoverheid.
  De Koning bepaalt de termijnen en de nadere regels voor de kennisgevingen bedoeld in het tweede en derde lid.
  § 2. Wanneer de administratieve overheid zich bij de motivering van haar beslissing uitsluitend baseert op het advies van het beroepsorgaan, is deze beslissing niet vatbaar voor enig beroep.

  Art. 10. § 1. Wanneer het beroep betrekking heeft op het uitblijven van een beslissing inzake het verlenen van een veiligheidsmachtiging, kan het beroepsorgaan, na de veiligheidsoverheid of de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst te hebben ondervraagd over de redenen voor de niet-naleving van de overeenkomstig artikel 22, eerste lid, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen bepaalde termijn, eisen dat het veiligheidsonderzoek wordt beëindigd, dat het onderzoeksverslag door de veiligheidsoverheid wordt onderzocht en dat zij beslist binnen de termijnen die het vaststelt.
  § 2. Wanneer het beroep volgt op een weigering om de veiligheidsmachtiging te verlenen of op de intrekking van een veiligheidsmachtiging, kan het beroepsorgaan, als het, na de eiser of zijn advocaat gehoord te hebben, van oordeel is dat de redenen ingeroepen om de bestreden beslissing te rechtvaardigen, ongegrond zijn en niet in verhouding staan tot het vereiste machtigingsniveau :
  1° eisen dat het veiligheidsonderzoek wordt afgerond met betrekking tot de punten die het bepaalt en dat de beslissing tot weigering of intrekking opnieuw door de veiligheidsoverheid wordt onderzocht binnen de termijnen die het vaststelt;
  2° eisen dat de veiligheidsoverheid de veiligheidsmachtiging verleent.
  § 3. Wanneer het beroep volgt op het uitblijven van beslissing van de veiligheidsoverheid binnen de termijn bepaald door het beroepsorgaan overeenkomstig § 1 of § 2, 1°, kan het beroepsorgaan, indien het, na de eiser of zijn advocaat gehoord te hebben, meent dat niets zich ertegen verzet, de veiligheidsoverheid dwingen de veiligheidsmachtiging toe te kennen.

  Art. 11. <ingevoegd bij W 2005-05-03/32, art. 11 ; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14> Wanneer het beroep volgt op een weigering om een veiligheidsattest te verlenen of op de intrekking ervan kan het beroepsorgaan, als het, na de eiser of zijn advocaat gehoord te hebben, van oordeel is dat de redenen ingeroepen om de bestreden beslissing te rechtvaardigen, ongegrond zijn en niet in verhouding zijn, eisen dat de overheid een veiligheidsattest toekent.
  Wanneer het beroep volgt op het uitblijven van een beslissing van de overheid binnen de termijn bepaald overeenkomstig artikel 22quater van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, kan het beroepsorgaan, als het, na de eiser of zijn advocaat gehoord te hebben, van oordeel is dat niets er zich tegen verzet, eisen dat de overheid een veiligheidsattest toekent.

  Art. 12.<ingevoegd bij W 2005-05-03/32, art. 12 ; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14> § 1. [1 Eenieder die een legitiem belang heeft, kan bij het beroepsorgaan beroep aantekenen tegen een beslissing bedoeld in artikel 22bis, tweede lid, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.]1
  § 2. [1 Nadat de overheid zich heeft uitgesproken over het aanvraagdossier conform artikel 22quinquies, § 4, van de in § 1 bedoelde wet, kan eenieder die een legitiem belang heeft, vanuit de uitoefening van een beroep, een functie, een opdracht of mandaat, de toegang tot lokalen, gebouwen of terreinen, of het bezit van een vergunning, een licentie of een toelating, binnen acht dagen na kennisname ervan, bij het beroepsorgaan beroep aantekenen tegen deze belissing van de overheid.]1
  § 3. Het beroepsorgaan onderzoekt op basis van het administratief dossier en van de met redenen omklede beslissing van de betrokken overheid of de veiligheidsverificaties gerechtvaardigd zijn vanuit de eisen van de wet betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. Indien hij hierom verzoekt, hoort het beroepsorgaan de persoon of de overheid die het beroep aantekende. Het beroepsorgaan kan beslissen de betrokken persoon, de publieke of administratieve overheid en de in artikel 22ter van de wet betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen te horen.
  § 4. Het beroepsorgaan beraadslaagt bij meerderheid van stemmen binnen 15 dagen nadat het beroep aanhangig is gemaakt.
  § 5. De beslissing van het beroepsorgaan wordt overeenkomstig artikel 9, derde lid, met redenen omkleed en, naar gelang het geval, ter kennis gebracht van :
  1° de overheid bedoeld in artikel 22ter van de wet betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;
  2° [1 de overheden bedoeld in de artikelen 22bis, 22quinquies en 22quinquies/1 van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;]1
  3° de organisatoren van het evenement of van de verantwoordelijken van de lokalen, gebouwen of terreinen bedoeld in artikel 22bis van de wet betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;
  4° [1 de betrokken personen, binnen de termijn bepaald door de Koning, door de overheden bedoeld in de artikelen 22bis, 22quinquies en 22quinquies/1 van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen op dezelfde wijze als die waarop hen de beslissing om tot een veiligheidsverificatie over te gaan, ter kennis werd gebracht.]1
  § 6. De beslissingen van het beroepsorgaan zijn vanaf hun kennisgeving rechtstreeks uitvoerbaar. Er is geen beroep mogelijk.
  § 7. De procedure voor het beroepsorgaan heeft geen schorsende werking.
  § 8. De voor het beroepsorgaan te volgen rechtspleging wordt vastgesteld bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad.
  ----------
  (1)<W 2018-09-13/10, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 05-10-2018>

  Art. 13. <ingevoegd bij W 2005-05-03/32, art. 13 ; Inwerkingtreding : 07-06-2005. Zie ook haar art. 14> Het beroepsorgaan stelt jaarlijks een activiteitenverslag op en zendt dit over aan de voorzitters van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat evenals aan de bevoegde ministers.

  Art. 14. (oud art. 11) Deze wet treedt in werking op dezelfde dag als artikel 22 van de wet van 11 december 1998, betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 11 december 1998.
ALBERT
Van Koningswege :
De vice-eerste minister, Minister van Landsverdediging, belast met Energie,
J.-P. PONCELET
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

originele versie
1999007137
PUBLICATIE :
1999-06-24
bladzijde : 23817

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 13-09-2018 GEPUBL. OP 05-10-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 4; 12)
  • originele versie
  • WET VAN 21-04-2016 GEPUBL. OP 29-04-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 9)
  • originele versie
  • WET VAN 04-02-2010 GEPUBL. OP 10-03-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 5)
  • originele versie
  • WET VAN 03-05-2005 GEPUBL. OP 27-05-2005
    (GEWIJZIGD ART. : OPSCHRIFT)
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 4; 5; 6; 7; 9; 9BIS; 11; 12; 13)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 1996-1997. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp van wet, nrs. 1194/1 en 1194/7. - Amendementen, nr. 1194/2 tot 1194/4. - Verslag, nr. 1194/5. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. - Vergadering van 2 juni 1998. - Aanneming. - Vergadering van 3 juni 1998. Zitting 1997-1998. Senaat. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp van wet overgezonden door de Senaat, nrs. 1012/1 en 1012/6. - Amendementen, nrs. 1012/2 en 1012/5. Verslag, nr. 1012/3. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. - Vergadering van 19 en 26 november 1998. - Aanneming. - Vergadering van 26 november 1998.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 4 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie