J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 293 uitvoeringbesluiten 278 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1996/07/03/1996022344/justel

Titel
3 JULI 1996. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
(NOTA : art. 212 en 237ter gewijzigd in de toekomst door KB 2019-05-17/09, art. 1 en art. 6, 279; Inwerkingtreding : 01-01-2020)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-07-1996 en tekstbijwerking tot 29-05-2019)

Bron : SOCIALE VOORZORG.VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU
Publicatie : 31-07-1996 nummer :   1996022344 bladzijde : 20285
Dossiernummer : 1996-07-03/37
Inwerkingtreding : 10-08-1996

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Het Algemeen comité.
Art. 1-4
TITEL II. - Verzekering voor geneeskundige verzorging.
HOOFDSTUK I. - Organen.
Afdeling I. - De Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging.
Art. 5-9
Afdeling II. - Het Verzekeringscomité.
Art. 10
Afdeling IIbis. - (Wetenschappelijk raad). <Ingevoegd bij KB 1998-10-14/32, art. 1; Inwerkingtreding : 04-11-1998>
Art. 10bis, 10ter, 10quater, 10quinquies, 10sexies, 10septies, 10octies, 10octies/1, 10octies/2, 10nonies, 10nonies/1
Afdeling III. - Overeenkomstencommissies.
A. Overeenkomsten met de apothekers.
Art. 11
B. (Overeenkomsten met de rust- en verzorgingstehuizen, de rustoorden voor bejaarden en de centra voor dagverzorging). <KB 1999-06-13/63, art. 1; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
Art. 12
C. Overeenkomsten met psychiatrische verzorgingstehuizen.
Art. 13
D. Overeenkomsten met de verplegingsinrichtingen.
Art. 14
E. Overeenkomsten met de vertegenwoordigers van initiatieven van beschut wonen ten behoeve van psychiatrische patiënten.
Art. 15
F. Overeenkomsten met de vroedvrouwen.
Art. 16
G. Overeenkomsten met de verpleegkundigen.
Art. 17
H. Overeenkomsten met de kinesitherapeuten.
Art. 18
Hbis. <Ingevoegd bij KB 1996-10-18/38, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 28-11-1996> Overeenkomsten met de logopedisten.
Art. 18bis
I. Overeenkomsten met de opticiens.
Art. 19
J. Overeenkomsten met de orthopedisten.
Art. 20
K. Overeenkomsten met de [1 audiciens]1.
Art. 21
L. Overeenkomsten met de bandagisten
Art. 22
M. Overeenkomsten met de verstrekkers van implantaten.
Art. 23
N. Gemene bepalingen.
Art. 24-28
Afdeling IV. - Nationale commissies [1 artsen-ziekenfondsen]1 en tandheelkundigen-ziekenfondsen.
A. Nationale commissie [1 artsen-ziekenfondsen]1.
Art. 29
B. Nationale commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen.
Art. 30
C. Gemene bepalingen ter zake van de Nationale commissies [1 artsen-ziekenfondsen]1 en tandheelkundigen-ziekenfondsen.
Art. 31
Afdeling V. - [1 Commissie, belast met de toepassing van de reglementering betreffende de forfaitaire betaling van sommige verstrekkingen en met het sluiten van de akkoorden betreffende het forfait.]1
Art. 32-40
Afdeling VI. - Commissie voor begrotingscontrole.
Art. 41-46
Afdeling VII. - Technische raden.
A. Technische farmaceutische raad.
Art. 47
B. Technische raad voor kinesitherapie.
Art. 48
C. Technische raad voor ziekenhuisverpleging.
Art. 49
D. Technische Raad voor diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen. <KB 2002-10-24/47, art. 1, 081; Inwerkingtreding : 01-12-2002>
Art. 50
E.
Art. 51
(F. De Technische raad voor bandagen, orthesen en prothesen.) <ingevoegd bij KB 1997-03-19/32, art. 1, Inwerkingtreding : 18-04-1997> <KB 2002-12-10/32, art. 15, 085; Inwerkingtreding : 18-04-1997>
Art. 51bis
G. Technische raad voor rolstoelen. <Ingevoegd bij KB 2003-12-22/38, art. 1; Inwerkingtreding : 30-12-2003>
Art. 51ter
H. Technische Raad voor radio-isotopen <Ingevoegd bij KB 2006-12-28/56, art. 1; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
Art. 51quater
(I. Gemene bepalingen ter zake van de Technische farmaceutische raad, de Technische raad voor kinesitherapie, de Technische raad voor ziekenhuisverpleging, de Technische raad voor diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen, [1 ...]1, de Technische raad voor bandagen, orthesen en prothesen, de Technische raad voor rolstoelen en de Technische Raad voor radio-isotopen.) <KB 2006-12-28/56, art. 2, 138; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
Art. 52-59
Afdeling VIII. - Technische geneeskundige en tandheelkundige raden.
A. Technische geneeskundige raad.
Art. 60
B. Technische tandheelkundige raad.
Art. 61
C. Gemene bepalingen ter zake van de Technische geneeskundige en tandheelkundige raden.
Art. 62-63
Afdeling IX. - Profielencommissies.
Art. 64-68
Afdeling X. - Erkenningsgraden.
A. Erkenningsraad voor kinesitherapeuten. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>
Art. 69-77
B. Erkenningsraad voor orthopedisten.
Art. 78-80, 80bis, 81
C. Erkenningsraad voor bandagisten.
Art. 82-84, 84bis, 85, 85bis, 86
Cbis. Erkenningsvoorwaarden met betrekking tot werkplaatsen waarin verschillende disciplines worden beoefend door orthopedisten en bandagisten. <ingevoegd bij KB 2004-09-13/43 art. 7; Inwerkingtreding : 01-11-2004>
Art. 86bis
D. Erkenningsraad voor verstrekkers van implantaten.
Art. 87-89
E.
Art. 90-93
F. Erkenningsraad voor opticiens.
Art. 94-98
Fbis.
Art. 98bis, 98ter, 98quater
G. Gemene bepalingen ter zake van de erkenningsraden.
Art. 99-106, 106bis
Afdeling XI. - College van [1 artsen-directeurs]1.
Art. 107-110, 110bis, 111-113
Afdeling XII. - Raad voor advies inzake revalidatie.
Art. 114-119
Afdeling XIII. - (Het Nationaal college van adviserend [1 artsen]1 en de lokale colleges). <KB 2003-04-04/93, art. 1, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Art. 120-122
Afdeling XIV. [1 Accreditering.]1
Onderafdeling 1. [1 Accreditering van de artsen.]1
A. [1 Accrediteringsorganen voor artsen.]1
Art. 122bis, 122ter, 122quater, 122quinquies, 122sexies, 122septies, 122octies
B. [1 Voorwaarden en procedures voor de individuele accreditering van de arts.]1
Art. 122octies/1, 122octies/2, 122octies/3, 122octies/4, 122octies/5, 122octies/6, 122octies/7, 122octies/8
Onderafdeling 2. [1 Accrediteringsorganen voor tandheelkundigen.]1
Art. 122octiessemel, 122octiesbis, 122octiester, 122octiesquater
Afdeling XV. <Ingevoegd bij KB 2001-12-21/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2002> - Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen.
Art. 122nonies, 122decies, 122undecies, 122duodecies, 122terdecies, 122quaterdecies, 122quinquies-decies
Afdeling XVbis. - [1 Commissie voor advies in geval van tijdelijke tegemoetkoming voor het gebruik van een geneesmiddel]1
Art. 122quinquies-decies/1. [1 § 1. De aanwijzing van de leden van de Commissie voor advies in geval van tijdelijke tegemoetkoming voor het gebruik van een geneesmiddel gebeurt als volgt :
Art. 122quinquies-decies/2. [1 § 1. De Commissie wordt voorgezeten door [3 de voorzitter van de Colleges van artsen voor de weesgeneesmiddelen en de farmaceutische specialiteiten die in het kader van een zeldzame ziekte vergoedbaar is]3.
Art. 122quinquies-decies/3. [1 § 1. Het secretariaat van de Commissie wordt waargenomen door de personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging die zijn aangewezen door de leidend ambtenaar van de voormelde dienst en door de personeelsleden van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten die daartoe zijn aangewezen door de minister bevoegd voor Volksgezondheid of zijn afgevaardigde.
Afdeling XVI. - Commissie Tegemoetkoming Implantaten en Invasieve Medische Hulpmiddelen. <Ingevoegd bij KB 2008-02-10/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2008>
Art. 122sexdecies, 122septdecies, 122octodecies, 122novodecies, 122vicies, 122unvicies, 122duovicies
HOOFDSTUK II. - Toepassingsfeer.
Afdeling I. - Personen ten laste van rechthebbenden.
Art. 123-127
Afdeling II. - Wezen.
Art. 128
Afdeling III. - (Gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 12° tot 15° en 22° van de gecoördineerde wet) <KB 2007-08-03/36, art. 1, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Art. 128bis, 128ter, 128quater, 128quinquies, 128sexies
HOOFDSTUK III. - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.
Afdeling I. - <KB 1997-12-29/30, art. 11, Inwerkingtreding : 01-01-1998> Nadere regelen inzake de opening van het recht op geneeskundige verstrekkingen.
Art. 129
Afdeling II. - <KB 1997-12-29/30, art. 13, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> Wachttijd voor het recht op geneeskundige verstrekkingen.
Art. 130
Afdeling III. <KB 1997-12-29/30, art. 15, Inwerkingtreding : 01-01-1998> Nadere regelen inzake het behoud van het recht op de geneeskundige verstrekkingen.
Art. 131
Afdeling IV. - (Persoonlijke bijdrage van de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 12°, 14°, 15°, 21° en 22° van de gecoördineerde wet.) <KB 2008-07-01/34, art. 11; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Art. 132-136, 136bis
Afdeling IVbis. - Bijdragen die door de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis en 11°quater van de gecoördineerde wet, zijn verschuldigd. <Ingevoegd bij KB 2008-07-01/34, art. 14; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Art. 136ter, 136quater
Afdeling V. - Tegemoetkoming in de revalidatiekosten.
Art. 137-144
Afdeling VI. - Tegemoetkoming in de reiskosten betreffende de revalidatie.
Art. 145
Afdeling VII. - Tegemoetkoming in de herscholingskosten.
Art. 146
Afdeling VIII. - De tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven.
Art. 147-148, 148bis, 149-153, 153bis
Afdeling IX. - Bijzondere regels met betrekking tot de verzekeringstegemoetkoming voor verstrekkingen van klinische biologie aan in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.
Art. 154
Afdeling X. - Bijzondere regels met betrekking tot de verzekeringstegemoetkoming voor verstrekkingen van klinische biologie aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.
Art. 155
HOOFDSTUK IV. - Inschrijving van de paramedische medewerkers.
Afdeling I. - (Inschrijving van de verpleegkundigen). <KB 2001-04-19/50, art. 5; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
Art. 156-158
Afdeling II. - (Mededeling van de lijsten van de kinesitherapeuten, de verpleegkundigen en de paramedische medewerkers aan de verzekeringsinstellingen.) <KB 2001-04-19/50, art. 8; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
Art. 159
HOOFDSTUK IVbis. - <Ingevoegd bij KB 1998-02-22/44, art. 52; Inwerkingtreding : 13-03-1998> Betalingsverplichting bij gebruik van de sociale identiteitskaart.
Art. 159bis, 159ter
HOOFDSTUK V. - Openbaarmaking van de verzekeringsreglementering, van de lijsten van erkende personen en van personen en van verplegingsinrichtingen die tot een overeenkomst of tot een akkoord zijn toegetreden.
Art. 160
HOOFDSTUK VI. - (Kennisgevingen en vermeldingen in toepassing van het handvest van de sociaal verzekerde). <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Art. 160bis, 160ter, 160quater, 160quinquies, 160sexies
TITEL III. - Uitkerings- en moederschapsverzekering.
HOOFDSTUK I. - Organen.
Afdeling I. - Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
Art. 161-166
Afdeling Ibis.
Art. 166bis, 166ter, 166quater, 166quinqies, 166sexies
Afdeling II. - Geneeskundige raad voor invaliditeit.
A. [1 Samenstelling van de Geneeskundige raad voor invaliditeit]1
Art. 167
B. Hoge commissie.
Art. 168-169
C. [1 De afdelingen van de Hoge commissie]1
Art. 170
D. [1 De bevoegdheid van de [2 artsen]2 van de Dienst voor uitkeringen leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, van de Hoge commissie en van de afdelingen van de Hoge commissie]1
Art. 171-176
E. [1 Tussenkomsten van de adviserend [2 artsen]2, van de [2 artsen]2 van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit en van de [2 artsen-inspecteurs]2 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle met betrekking tot de staat van invaliditeit]1
Art. 177
F. [1 Gemene bepalingen ter zake van de [2 artsen]2 van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, van de afdelingen van de Hoge commissie en van de Hoge commissie van de Geneeskundige raad voor invaliditeit]1
Art. 178-187
G. [1 Kennisgevingen]1
Art. 188-189, 189/1, 190-192
Afdeling III. - Technische ziekenfondsraad.
Art. 193-198
Afdeling IV. [1 - Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid.]1
Art. 198bis, 198ter, 198quater, 198quinquies, 198sexies, 198septies
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied.
In het kader van de uitkeringsverzekering geldende omschrijving van seizoenarbeiders, arbeiders bij tussenpozen en deeltijdse werknemers.
Art. 199-202
HOOFDSTUK III. - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.
Afdeling I. - Wachttijd voor het recht op uitkeringen.
Art. 203, 203/1, 204
Afdeling II. - Vrijstelling en vermindering van wachttijd voor het recht op uitkeringen.
Art. 205, 205/1
Afdeling III. - Regelen inzake wachttijd in geval van overgang van één sector van de verzekering voor uitkeringen naar een andere.
Art. 206, 206/1
Afdeling IV. [1 Afdeling IV. - Behoud van de rechten met toepassing van de artikelen 116/3 en 130 van de gecoördineerde wet]1
Art. 207, 207/1
Afdeling IVbis. <Ingevoegd bij KB 2001-06-10/60, art. 39; Inwerkingtreding : 01-01-2003> - Gemeenschappelijke bepaling voor de afdelingen I tot IV en het artikel 224, § 1.
Art. 207/2
Afdeling V. - Rechten van de gerechtigden die aanspraak hebben op een invaliditeitspensioen krachtens de wetgeving op de rustpensioenregeling voor mijnwerkers, over de laatste zes maanden van de primaire arbeidsongeschiktheid.
Art. 208-210
Afdeling VI. - Hoegrootheid van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, maximum- en minimumbedrag van de invaliditeitsuitkering.
Art. 211-215
Afdeling VIbis. (Ingevoegd bij KB 1998-07-10/36, art. 2, Inwerkingtreding : 01-10-1998) De forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden.
Art. 215bis, 215ter
Afdeling VIter. - [1 Beroepsherscholing.]1
Art. 215quater, 215quinquies, 215sexies, 215septies
Afdeling VIquater. [1 - Re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie.]1
Art. 215octies, 215novies, 215decies, 215undecies, 215duodecies, 215terdecies, 215quaterdecies, 215quinquiesdecies, 215sexiesdecies
Afdeling VII. - (Bedragen en toekenningsvoorwaarden van de moederschapsuitkering gedurende de periode van moederschapsbescherming bedoeld in de artikelen 114 en 115 van de gecoördineerde wet.) <KB 1997-04-13/51, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
Art. 216-219
Afdeling VIIbis. - <ingevoegd bij KB 1997-04-13/51, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996> Bedragen en toekenningsvoorwaarden van de moederschapsuitkering gedurende de periode van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet.
Art. 219bis, 219ter
Afdeling VIII. - De verlenging van de nabevallingsrust.
Art. 220
Afdeling IX. - [1 Omgezet moederschapsverlof in geval van overlijden of hospitalisatie van de moeder]1
Art. 221-223
Afdeling IXbis. - <ingevoegd bij KB 2002-06-11/34, art. 1; Inwerkingtreding : 01-07-2002> Over het vaderschapsverlof [1 of geboorteverlof]1.
Art. 223bis
Afdeling IXter. - <ingevoegd bij KB 2002-06-11/34, art. 2; Inwerkingtreding : 01-07-2002 > Over het adoptieverlof.
Art. 223ter
Afdeling IXquater. - Borstvoedingspauzes. <ingevoegd bij KB 2002-11-05/44, art. 1; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
Art. 223quater
Afdeling IXquinquies. [1 - Over het pleegouderverlof.]1
Art. 223quinquies
Afdeling X. - Regelmatig werknemer.
Art. 224
Afdeling XI. - Werknemer met persoon ten laste.
Art. 225
Afdeling XII. - Werknemer zonder persoon ten laste aan wie een hogere uitkering kan worden toegekend wegens verlies van enig inkomen.
Art. 226, 226bis
Afdeling XIII. - Weerslag van de plaatsing in een gezin op de hoedanigheid van werknemer met persoon ten laste.
Art. 227
Afdeling XIV. - Weigering van de uitkeringen.
Art. 228
Afdeling XV. - Vermindering van de uitkeringen.
Art. 229-236
Afdeling XVbis. <Ingevoegd bij KB 1999-02-28/38, art. 1; Inwerkingtreding : 23-03-1999> - Verzaking aan het recht op uitkeringen.
Art. 236bis
Afdeling XVI. <KB 2001-06-14/37, art. 8, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002> - Aanpassing van het bedrag van de uitkeringen en van het maximumbedrag van het loon, bedoeld in artikel 212.
Art. 237
Afdeling XVIbis- Aanpassing van het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen aan de herwaarderingscoëfficiënt. <ingevoegd bij KB 2005-07-03/70, art. 1 ; Inwerkingtreding : 30-09-2005>
Art. 237bis, 237bis/1, 237ter, 237quater
Afdeling XVIter. [1 - Toekenning van een inhaalpremie.]1
Art. 237quinquies
Afdeling XVII.
Art. 238
Afdeling XVIII. - Bijzondere voorwaarden inzake verkrijgen van het recht op de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid.
Art. 239-243
Afdeling XIX. - Monetaire beschikkingen inzake cumulatie van uitkeringen met door het buitenland verschuldigde uitkeringen.
Art. 244-245
HOOFDSTUK IV. - (Kennisgeving of mededeling van de beslissingen genomen in uitvoering van het handvest van de sociaal verzekerde.) <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Afdeling 1. - (Beslissingen van geneeskundige aard.) <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Art. 245bis, 245ter, 245quater
Afdeling 2. - (Beslissingen van bestuurlijke aard.) <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Art. 245quinquies, 245sexies, 245septies, 245octies, 245nonies
HOOFDSTUK V. [1 - Bepalingen genomen in uitvoering van artikel 101 van de gecoördineerde wet]1
Art. 245decies, 245undecies
TITEL IV. - Gemeenschappelijke bepalingen.
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
Afdeling I. - Gecontroleerde werkloosheid.
Art. 246
Afdeling II. - Voorgezette verzekering.
Art. 247-251
HOOFDSTUK II. - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.
Afdeling I. - Regelen ter zake van inschrijving en aansluiting bij een verzekeringsinstelling.
Art. 252-254
Afdeling II. - Mutaties.
Art. 255-275
Afdeling III. - Bijdragebescheiden en documenten aan de hand waarvan de hoedanigheid van gerechtigde wordt vastgesteld.
Art. 276-283
Afdeling IV. - Afgifte van de bijdragebescheiden.
Art. 284-285
Afdeling V. - Minimumwaarde van de bijdragebescheiden voor de sector geneeskundige verzorging en de sector uitkeringen.
Art. 286-293
Afdeling Vbis. - (Ingevoegd bij <KB 1998-11-18/34, art. 1, Inwerkingtreding : 01-01-1999>) Maatregelen betreffende de EURO.
Art. 293bis
Afdeling VI. - Buitenlandse verleende prestaties.
Art. 294
Afdeling VII. - Toekenning van prestaties in geval van door een andere wetgeving gedekte schade.
Art. 295
HOOFDSTUK III. - (Kennisgeving en mededeling van beslissingen in toepassing van het handvest van de sociaal verzekerde.) <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Art. 295bis, 295ter, 295quater
TITEL IVbis. [1 - Het Fonds voor de medische ongevallen.]1
Art. 295quinquies/1, 295quinquies/2, 295quinquies/3, 295quinquies/4
TITEL V. - Controle en Geschillen.
HOOFDSTUK I. - Geneeskundige controle.
Afdeling I. - Comité van de (Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle). <KB 2004-05-18/34, art. 1, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Art. 296-299
Afdeling II. - Geschillen tussen de adviserend [1 artsen]1 en de [1 artsen-inspecteurs]1.
Art. 300-303
Afdeling III. - Commissies van beroep.
Art. 304-310
Afdeling IIIbis- Kamers van beroep. <Ingevoegd bij KB 2004-05-18/34, art. 8 ; Inwerkingtreding : 18-06-2004>
Art. 310bis, 310ter, 310quater, 310quinquies, 310sexies, 310septies, 310octies, 310novies, 310decies
Afdeling IV. - Openbaarmaking van de beslissingen tot verbod van verzekeringstegemoetkoming.
Art. 311
HOOFDSTUK II. - Administratieve controle.
Afdeling I. - Comité van de Dienst voor administratieve controle.
Art. 312-316
Afdeling II. - Straffen die toepasselijk zijn op de verzekeringsinstellingen en op de tariferingsdiensten.
Art. 317-321
Afdeling III. - Terugvordering van de ten onrechte betaalde prestaties.
Art. 322-327
Afdeling IV. - Schorsing, wegens overmacht, van de verjaring van de vorderingen tot betaling van prestaties.
Art. 328-329
Afdeling V. [1 - Bewaring van gegevens door de verzekeringsinstellingen..]1
Art. 329bis, 329ter, 329quater
HOOFDSTUK III. - Beëdiging.
Art. 330
TITEL VI. - Financiën en statistische bepalingen.
HOOFDSTUK I. - Ontvangstenbescheiden.
Art. 331-334
HOOFDSTUK II. - Uitgavenbescheiden.
Art. 335-340
HOOFDSTUK III. - Vermindering van de op de uitgavenbescheiden vermelde bedragen.
Art. 341
HOOFDSTUK IV- Verzamelbescheiden en financiële bescheiden.
Art. 342-344
HOOFDSTUK V. - Getalsterktestaten.
Art. 345
HOOFDSTUK VI. - Statistische tabellen.
Art. 346-351, 351bis, 352-353
HOOFDSTUK VII. - Bijzondere bepalingen ter zake van de internationale verdragen.
Art. 354-356
BIJLAGE. Bijlage I van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Het Algemeen comité.

  Artikel 1. Het Algemeen comité is samengesteld uit:
  1° één voorzitter,
  2° twee ondervoorzitters, die benoemd worden uit de in 3°, 4° en 5° hierna bedoelde leden,
  3° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties en door de representatieve organisaties van de zelfstandigen
  4° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties,
  5° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen.
  Indien de voorzitter niet uit de leden bedoeld in het eerste lid, 3°, 4° en 5° wordt benoemd, is hij niet stemgerechtigd.
  De voorzitter, de ondervoorzitters en de leden worden benoemd voor een termijn van zes jaar. Hun mandaat kan worden hernieuwd.
  Er wordt onverwijld in de vervanging voorzien van elk lid dat voor de normale verstrijkingsdatum van zijn mandaat ophoudt lid te zijn van het Algemeen comité. Het nieuwe lid dat hiertoe wordt aangesteld, voltooit het mandaat van degene die hij vervangt.
  Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.

  Art. 2. Het Algemeen comité wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van de Minister die de Sociale zaken onder zijn bevoegdheid heeft, hierna de Minister genoemd, hetzij op vraag van ten minste drie leden, welke schriftelijk wordt geformuleerd en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
  Wanneer het Algemeen comité in vergadering wordt bijeengeroepen op verzoek van de Minister, heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.

  Art. 3. Het Algemeen comité houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig is.
  De beslissingen worden genomen bij gewone meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel afgewezen.

  Art. 4. De voorzitter en de ondervoorzitters van het Algemeen comité zijn gemachtigd om, de ene of de andere, samen met de Administrateurgeneraal van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, hierna het Instituut genoemd, of zijn plaatsvervanger, de akten te ondertekenen welke het Instituut verbinden buiten die welke betrekking hebben op het dagelijks beheer of uitgaan van bijzondere lasthebbers.

  TITEL II. - Verzekering voor geneeskundige verzorging.

  HOOFDSTUK I. - Organen.

  Afdeling I. - De Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging.

  Art. 5.§ 1. De Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging is samengesteld uit:
  1° een voorzitter;
  2° twee ondervoorzitters te benoemen uit de leden bedoeld in 3°, 4°, 5° en 6°, overeenkomstig de regelen inzake voordracht bepaald in het huishoudelijk reglement van de Algemene raad;
  3° vijf (werkende en vijf plaatsvervangende) leden, die de overheid vertegenwoordigen, benoemd overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, eerste lid, a), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, hierna gecoördineerde wet genoemd; <KB 2005-01-12/35, art. 1, 115; Inwerkingtreding : 04-02-2005>
  4° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit de kandidaten, voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties en de representatieve organisaties van de zelfstandigen in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten;
  5° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit de kandidaten, voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten;
  6° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten;
  7° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, (waarvan respectievelijk twee [1 artsen-specialisten]1 en twee algemeen geneeskundigen), drie vertegenwoordigers van de beheerders van de verplegingsinrichtingen en een verpleegkundige, benoemd uit de kandidaten, in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten voorgedragen door de beroepsorganisaties op lijsten is, opgemaakt door de organisaties die vertegenwoordigd zijn in de commissies bedoeld in de afdelingen III en IV van dit hoofdstuk. <KB 1997-09-23/35, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  § 2. (De voorzitter, de ondervoorzitters en de leden, bedoeld in § 1, 4°, 5°, 6° en 7° worden benoemd voor een termijn van vier jaar. Hun mandaat is hernieuwbaar.) <KB 2002-12-10/32, art. 1, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
  § 3. (...) <KB 2002-12-10/32, art. 1, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
  § 4. Er wordt onverwijld in de vervanging voorzien van elk lid dat vóór zijn mandaat ophoudt lid te zijn van de Algemene raad. Het nieuwe lid dat hiertoe wordt aangesteld, voltooit het mandaat van degene die hij vervangt.
  § 5. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 6. De Algemene raad wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt geformuleerd en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
  Wanneer de Algemene raad in vergadering wordt bijeengeroepen op verzoek van de Minister heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.

  Art. 7. De Algemene raad is rechtsgeldig samengesteld indien ten minste de helft van de leden van elke groep aanwezig is.
  Behoudens voor de toepassing van de beschikkingen van artikel 16, § 3, van de gecoördineerde wet, worden de beslissingen genomen bij gewone meerderheid der leden welke aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.

  Art. 8. De voorzitter en de ondervoorzitters van de Algemene raad zijn gemachtigd om, de ene of de andere, samen met de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging of zijn plaatsvervanger, de akten te doen ondertekenen welke worden genomen op grond van artikel 16, § 1, 1°, 3°, 4°, 7° en 9° van de gecoördineerde wet.

  Art. 9. Binnen drie maanden na de mededeling van de verslagen, bedoeld in artikel 16, § 1, 6° van de gecoördineerde wet, brengt de Algemene raad aan de Minister, verslag uit over de maatregelen welke de Algemene raad besloten heeft te nemen of welke hij aan de Minister voorstelt.

  Afdeling II. - Het Verzekeringscomité.

  Art. 10.§ 1. Het Verzekeringscomité is samengesteld uit:
  1° een voorzitter;
  2° twee ondervoorzitters;
  3° [3 tweeëntwintig]3 werkende en [3 tweeëntwintig]3 plaatsvervangende leden, benoemd uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen. [3 Om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te leggen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid]3;
  4° acht werkende en acht plaatsvervangende leden waarvan respectievelijk zeven [2 artsen]2 en een tandheelkundige, benoemd uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties (onder de werkende leden die de [2 artsen]2 vertegenwoordigen zijn er vier algemeen geneeskundigen en drie [2 artsen-specialisten]2 en onder de plaatsvervangende leden die de [2 artsen]2 vertegenwoordigen zijn er drie algemeen geneeskundigen en vier [2 artsen-specialisten]2); <KB 1997-09-23/35, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  5° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, apothekers, benoemd uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties.
  Tot de werkende of plaatsvervangende leden, dienen verplichtend een officina-apotheker, een ziekenhuisapotheker en een apotheker-bioloog te behoren;
  6° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden benoemd uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen, door de representatieve beroepsorganisaties van de beheerders van de verplegingsinrichtingen diensten en instellingen bedoeld in artikel 34, [3 ...]3 13° [3 ...]3, van de gecoördineerde wet, en van de inrichtingen voor revalidatie en herscholing [3 die behoren tot de bevoegdheid van de federale overheid]3;
  7° [3 zeven]3 werkende en [3 zeven]3 plaatsvervangende leden waarvan respectievelijk een verpleegkundige, een kinesitherapeut, een logopedist, een opticien, een verstrekker van prothesen en toestellen, een verstrekker van implantaten [3 een gehoorprothesist, een ergotherapeut, een orthoptist, een podoloog, een vroedvrouw, een diëtist]3, benoemd uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties. [3 Tot de werkende leden dienen verplichtend een verpleegkundige, een kinesitherapeut, een vroedvrouw, een verstrekker van implantaten en paramedische medewerkers te behoren en tot de plaatsvervangende leden dienen verplichtend een verpleegkundige, een verstrekker van implantaten en paramedische medewerkers te behoren]3;
  8° zes werkende en zes plaatsvervangende leden waarvan respectievelijk drie leden worden benoemd uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties en de vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de zelfstandigen en drie leden die worden gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de werknemersorganisaties; zij hebben raadgevende stem.
  § 2. De leden bedoeld in § 1, 4°, 5°, 6° en 7°, worden voorgedragen in dubbel aantal van dat der te begeven mandaten, op lijsten die worden opgemaakt door de beroepsorganisaties, vertegenwoordigd in de commissies die worden belast met het sluiten van de overeenkomsten en akkoorden, bedoeld in de afdelingen III en IV van dit hoofdstuk. Bij ontstentenis van zodanige organisaties worden de leden door Ons aangeduid uit de zorgverleners met de vereiste beroepskwalificatie.
  § 3. Een plaatsvervangend lid heeft slechts zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
  § 4. De voorzitter is stemgerechtigd indien hij is benoemd uit de leden bedoeld in § 1, 3° tot 7°.
  § 5. De twee ondervoorzitters worden benoemd uit de leden bedoeld in § 1, 3° tot 7°, overeenkomstig de regelen inzake voordracht bepaald in het huishoudelijk reglement van het Verzekeringscomité.
  § 6. Het Verzekeringscomité wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op schriftelijke aanvraag van ten minste drie leden, waarin het onderwerp van de vergadering wordt vermeld, de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
  Wanneer het Verzekeringscomité in vergadering wordt bijeengeroepen op verzoek van de Minister, heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.
  § 7. Het Verzekeringscomité houdt rechtsgeldig zitting indien ten minste de helft van de leden van de groep, samengesteld uit de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen en van de groep, samengesteld uit de zorgverleners, aanwezig is.
  (De beslissingen worden genomen met twee derde van de stemmen van de aanwezige stemgerechtigde leden, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen.
  Indien dat quorum niet wordt bereikt maar de meerderheid van de aanwezige stemgerechtigde leden wordt behaald, legt de voorzitter dezelfde voorstellen op de volgende vergadering ter stemming voor.
  Indien opnieuw de meerderheid bedoeld in het vorige lid wordt behaald, zijn de beslissingen genomen.) <KB 2000-01-14/34, art. 1, 045; Inwerkingtreding : 15-02-2000>
  [1 § 7bis. Wanneer het Verzekeringscomité de bevoegdheden uitoefent bepaald in de artikelen 39 of 22 van de wet en de betrokken maatregel de uitvoering betreft van een bepaling opgenomen in een overeenkomst of een akkoord, beoogd in hoofdstuk V van de wet, worden de beslissingen genomen met een meerderheid van tweederde van de stemmen van de aanwezige stemgerechtigde leden van de groep, samengesteld uit de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen enerzijds en van de groep samengesteld uit de zorgverleners anderzijds. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen.
   Indien die meerderheid niet wordt bereikt maar dat enerzijds de meerderheid wordt gehaald van de aanwezige stemgerechtigde leden van de groep, samengesteld uit de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen, en anderzijds de meerderheid wordt gehaald van de stemmen van de aanwezige stemgerechtigde leden van de groep, samengesteld uit de zorgverleners, legt de voorzitter dezelfde voorstellen op de volgende vergadering ter stemming voor.
   Indien opnieuw de meerderheden bedoeld in het vorige lid worden behaald, is de beslissing genomen.]1
  § 8. Indien aan het Verzekeringscomité een voorstel of een advies wordt voorgelegd door een overeenkomsten- of akkoordencommissie bedoeld in artikel 26 van de gecoördineerde wet en het Comité oordeelt hieraan een wijziging te moeten aanbrengen, wordt het voorstel of het advies aan de overeenkomsten- of akkoordencommissie voor een nieuw onderzoek teruggestuurd, en dit vóór er enige definitieve beslissing wordt genomen.
  § 9. De voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de Verzekeringscomité worden benoemd voor een termijn van (vier jaar). Hun mandaat kan worden hernieuwd. <KB 2002-12-10/32, art. 2, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
  § 10. Er wordt onverwijld in de vervanging voorzien van elk lid dat vóór de normale verstrijkingsdatum van zijn mandaat ophoudt lid te zijn van het Verzekeringscomité. Het nieuwe lid dat hiertoe wordt aangesteld, voltooit het mandaat van degene die hij vervangt.
  ----------
  (1)<KB 2017-09-10/02, art. 1, 256; Inwerkingtreding : 29-09-2017>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>
  (3)<KB 2018-11-21/11, art. 1, 272; Inwerkingtreding : 04-12-2018>

  Afdeling IIbis. - (Wetenschappelijk raad). <Ingevoegd bij KB 1998-10-14/32, art. 1; Inwerkingtreding : 04-11-1998>

  Art. 10bis.<Ingevoegd bij KB 1998-10-14/32, art. 1; Inwerkingtreding : 04-11-1998> De Wetenschappelijke raad bedoeld in artikel 19 van de gecoördineerde wet omvat volgende afdelingen :
  1° een afdeling "Comité voor de Evaluatie van de medische praktijk inzake geneesmiddelen";
  2° [1 ...]1.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-11/09, art. 1, 172; Inwerkingtreding : 08-03-2010>

  Art. 10ter.[1 De leden van de afdelingen van de Wetenschappelijke raad, de voorzitter van de wetenschappelijke afdeling van het Observatorium voor de chronische ziekten en de leden van de afdelingen van het Observatorium worden benoemd voor een termijn van vier jaar. De voorzitter van de raadgevende afdeling van het Observatorium voor de chronische ziekten wordt benoemd voor een termijn van twee jaar.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-02-11/09, art. 2, 172; Inwerkingtreding : 08-03-2010>

  Art. 10quater.<Ingevoegd bij KB 1998-10-14/32, art. 1; Inwerkingtreding : 04-11-1998> Het secretariaat van de afdelingen van de Wetenschappelijke Raad [1 en de afdelingen van het Observatorium voor de chronische ziekten]1 wordt waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van genoemde dienst.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-11/09, art. 3, 172; Inwerkingtreding : 08-03-2010>

  Art. 10quinquies.<Ingevoegd bij KB 1998-10-14/32, art. 1; Inwerkingtreding : 04-11-1998> De afdelingen van de Wetenschappelijke raad [1 en de afdelingen van het Observatorium voor de chronische ziekten]1 maken hun huishoudelijk reglement op en leggen het ter goedkeuring voor aan het Verzekeringscomité.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-11/09, art. 4, 172; Inwerkingtreding : 08-03-2010>

  Art. 10sexies.<Ingevoegd bij KB 1998-10-14/32, art. 1; Inwerkingtreding : 04-11-1998> Het Comité bedoeld in artikel 10bis, 1°, heeft volgende opdrachten :
  a) het uitbrengen van een advies over de registratie, de inzameling en het gebruik van statistische gegevens betreffende het voorschrijven van terugbetaalbare farmaceutische specialiteiten; in het bijzonder zal het Comité een advies uitbrengen over de door Ons bepaalde voorwaarden waarin de verzekeringsinstellingen de gegevens die de patiënt kunnen identificeren ontvangen en anoniem maken. [1 ...]1
  b) het vaststellen en toepassen van een methodologie voor de evaluatie van de aldus ingezamelde gegevens, meer bepaald om elke voorschrijvende arts de gegevens te bezorgen die hem toelaten zijn voorschrijfgedrag op nuttige wijze te situeren ten aanzien van het voorschrijfgedrag van zijn collega's;
  c) het regelmatig organiseren, minstens twee maal per jaar, van consensusvergaderingen die bedoeld zijn om de medische praktijk inzake geneesmiddelen in een bepaalde sector te evalueren en om aanbevelingen te formuleren ten behoeve van alle voorschrijvende artsen;
  d) formuleren van richtlijnen betreffende de organisatie van een peer review, zowel op lokaal vlak als tussen artsen die dezelfde soort geneesmiddelen voorschrijven;
  e) mededelen, in de vorm die het Comité bepaalt, van een jaarlijks activiteitenrapport aan de Ministers die respectievelijk de Sociale Zaken, en de Volksgezondheid onder hun bevoegdheid hebben, de Algemene raad, het Verzekeringscomité, alsmede aan de Geneesmiddelencommissie. Dit rapport kan voorstellen bevatten betreffende terugbetalingsmodaliteiten, alsmede betreffende de voorwaarden voor de tussenkomst van de adviserend [3 artsen]3 van de verzekeringsinstellingen.
  (f) het definiëren van de indicatoren en de drempels zoals bedoeld in artikel 73, §§ 2 en 3, van dezelfde wet.) <KB 2005-12-21/43, art. 1, 2°, 123 ; Inwerkingtreding : 05-02-2006>
  [2 g) belast zijn met de begeleiding van het farmacotherapeutisch overleg bedoeld in artikel 36decies van de Wet.]2
  ----------
  (1)<KB 2009-04-02/04, art. 1, 161; Inwerkingtreding : 27-04-2009>
  (2)<KB 2015-04-03/12, art. 11, 227; Inwerkingtreding : 20-04-2015>
  (3)<KB 2018-06-27/06, art. 14, 267; Inwerkingtreding : 12-06-2017>

  Art. 10septies.<Ingevoegd bij KB 1998-10-14/32, art. 1; Inwerkingtreding : 04-11-1998> Het Comité bedoeld in artikel 10bis, 1° is samengesteld uit :
  1° één voorzitter, gekozen uit de leden;
  2° zeven leden, artsen, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de Belgische universiteiten; elke universiteit heeft recht op één mandaat;
  3° negen leden, artsen of apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen;
  4° elf leden, artsen, (waarvan zes huisartsen ), die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het [1 artsenkorps]1; <KB 2005-12-21/43, art. 2, 123 ; Inwerkingtreding : 05-02-2006>
  5° vier leden artsen, voorgedragen door de wetenschappelijke verenigingen, waaronder twee huisartsen en twee specialisten;
  6° vier leden, apothekers, voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van officina-apothekers en van ziekenhuisapothekers;
  7° twee leden, tandartsen, voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de tandheelkundigen.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 10octies.[1 De raadgevende afdeling van het Observatorium voor de chronische ziekten is samengesteld uit :
   1° een voorzitter, alternerend te benoemen uit de leden bedoeld in 2° en 3°;
   2° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
   3° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve organisaties van verenigingen voor hulp aan chronisch zieken, waaronder zes werkende en zes plaatsvervangende leden voorgedragen door de VZW Vlaams Patiëntenplatform, vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden voorgedragen door de VZW Ligue des Usagers des Services de Santé en een werkend en een plaatsvervangend lid voorgedragen door de VZW Patienten Rat & Treff;
   4° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Sociale zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
   5° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
   De leden duiden de personen aan welke hen bij de uitoefening van hun mandaat kunnen begeleiden, rekening houdend met de aard van de behandelde materie.
   Er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van ieder lid dat voor de normale afloopdatum van zijn mandaat geen deel meer uitmaakt van de raadgevende afdeling. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
   Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-02-11/09, art. 5, 172; Inwerkingtreding : 08-03-2010>

  Art. 10octies/1. [1 De raadgevende afdeling van het Observatorium voor de chronische ziekten wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op vraag van ten minste drie leden, welke schriftelijk wordt geformuleerd en het onderwerp van de vergadering vermeldt. De bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering. Wanneer de afdeling wordt bijeengeroepen op verzoek van de Minister, heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-02-11/09, art. 6, 172; Inwerkingtreding : 08-03-2010>

  Art. 10octies/2. [1 De raadgevende afdeling van het Observatorium voor de chronische ziekten houdt rechtsgeldig zitting indien ten minste de helft van de leden van elke groep aanwezig is.
   De beslissingen worden genomen bij gewone meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
   Ingeval de leden bij een stemming niet in gelijk aantal in elk van beide groepen bedoeld in artikel 10octies, eerste lid, 2° en 3°, aanwezig zijn, onthouden het of de jongste leden van de overtallige partij zich om de pariteit te herstellen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-02-11/09, art. 7, 172; Inwerkingtreding : 08-03-2010>

  Art. 10nonies.<Ingevoegd bij KB 1998-10-14/32, art. 1; Inwerkingtreding : 04-11-1998> [1 De wetenschappelijke afdeling van het Observatorium voor de chronische ziekten ]1 is samengesteld uit :
  1° een voorzitter;
  2° zeven leden, artsen, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de Belgische universiteiten; elke universiteit heeft recht op één mandaat;
  3° negen leden die de zorgverleners vertegenwoordigen, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de in het Verzekeringscomité vertegenwoordigde representatieve beroepsorganisaties, waarvan vier [2 artsen]2, twee huisartsen en twee specialisten, [1 twee apothekers]1 en drie vertegenwoordigers van de paramedisch medewerkers;
  4° negen leden, gekozen uit de kandidaten die door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat;
  5° twee leden, respectievelijk aangewezen door de Ministers die de Sociale zaken en de Volksgezondheid onder hun bevoegdheid hebben.
  De leden duiden de personen aan welke hun bij de uitoefening van hun mandaat kunnen vervangen, rekening houdend met de aard van de behandelde materie.
  [1 6° zeven leden, huisartsen, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de Belgische universiteiten, elke universiteit heeft recht op één mandaat;
   7° twee leden, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de rust- en verzorgingstehuizen, de rustoorden voor bejaarden en de centra voor dagverzorging;
   8° vier leden, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de verpleegkundigen.]1
  Op voorstel of na advies van het Comité kan de Minister die de Sociale zaken in zijn bevoegdheid heeft werkgroepen oprichten belast met het formuleren van voorstellen met betrekking tot een specifieke aandoening of een groep van specifieke aandoeningen. Aan deze werkgroepen kunnen ook vertegenwoordigers van de gemeenschappen of gewesten deelnemen.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-11/09, art. 8, 172; Inwerkingtreding : 08-03-2010>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 10nonies/1. [1 De afdelingen van het Observatorium voor de chronische ziekten beraadslagen gezamenlijk voor het opstellen van het verslag bedoeld in artikel 19 van de wet. Ze beraadslagen tevens gezamenlijk, hetzij op verzoek van de voorzitter van een van de afdelingen, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op schriftelijk verzoek van minstens drie leden van een van de afdelingen. De bijeenroeping gebeurt door de voorzitter en vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering. Wanneer de afdelingen in gezamenlijke vergadering worden bijeengeroepen op verzoek van de Minister, heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.
   Het voorzitterschap van de gezamenlijke vergaderingen wordt telkens voor een periode van twee jaar afwisselend waargenomen door de voorzitter van elke afdeling. De gezamenlijke vergaderingen zijn rechtsgeldig indien is voldaan aan de aanwezigheidsquorums die gelden voor elk van de twee afdelingen. De beslissingen worden genomen bij gewone meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-02-11/09, art. 9, 172; Inwerkingtreding : 08-03-2010>

  Afdeling III. - Overeenkomstencommissies.

  A. Overeenkomsten met de apothekers.

  Art. 11. De commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van apothekers (en door deze van de ziekenhuisapothekers); <KB 2003-11-30/42, art. 1, 102; Inwerkingtreding : 28-12-2003>
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste slechts op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.

  B. (Overeenkomsten met de rust- en verzorgingstehuizen, de rustoorden voor bejaarden en de centra voor dagverzorging). <KB 1999-06-13/63, art. 1; Inwerkingtreding : 30-07-1999>

  Art. 12. De commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve organisaties (van de rust- en verzorgingstehuizen, van de rustoorden voor bejaarden en van de centra voor dagverzorging, bedoeld) in artikel 34, 11° en 12° van de gecoördineerde wet; <KB 1999-06-13/63, art. 2, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elkeen heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.

  C. Overeenkomsten met psychiatrische verzorgingstehuizen.

  Art. 13. De commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve organisaties van de psychiatrische verzorgingstehuizen,
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de representativiteit van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elkeen heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.

  D. Overeenkomsten met de verplegingsinrichtingen.

  Art. 14.De commissie is samengesteld uit:
  1° [1 negen werkende en negen plaatsvervangende leden]1, aangewezen door de representatieve verenigingen van verplegingsinrichtingen;
  2° [1 negen werkende en negen plaatsvervangende leden]1, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
  ----------
  (1)<KB 2017-05-23/11, art. 4, 253; Inwerkingtreding : 26-06-2017>

  E. Overeenkomsten met de vertegenwoordigers van initiatieven van beschut wonen ten behoeve van psychiatrische patiënten.

  Art. 15. De commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve organisaties van de initiatieven van beschut wonen ten behoeve van psychiatrische patiënten;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de representativiteit van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elkeen heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.

  F. Overeenkomsten met de vroedvrouwen.

  Art. 16. De commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van vroedvrouwen;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.

  G. Overeenkomsten met de verpleegkundigen.

  Art. 17. De commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van verpleegkundigen;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.

  H. Overeenkomsten met de kinesitherapeuten.

  Art. 18. De commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van kinesitherapeuten;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.

  Hbis. <Ingevoegd bij KB 1996-10-18/38, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 28-11-1996> Overeenkomsten met de logopedisten.

  Art. 18bis. <ingevoegd bij KB 1996-10-18/38, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 28-11-1996> De Commissie is samengesteld uit :
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van logopedisten;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.

  I. Overeenkomsten met de opticiens.

  Art. 19. De commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van opticiens;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.

  J. Overeenkomsten met de orthopedisten.

  Art. 20. De commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van orthopedisten;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.

  K. Overeenkomsten met de [1 audiciens]1.
  ----------
  (1)<KB 2014-06-29/25, art. 9, 223; Inwerkingtreding : 24-08-2014>

  Art. 21.De commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van [1 audiciens]1;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
  ----------
  (1)<KB 2014-06-29/25, art. 10, 223; Inwerkingtreding : 24-08-2014>

  L. Overeenkomsten met de bandagisten

  Art. 22. De commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van bandagisten;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.

  M. Overeenkomsten met de verstrekkers van implantaten.

  Art. 23. De commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van verstrekkers van implantaten;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.

  N. Gemene bepalingen.

  Art. 24. Er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van ieder lid dat geen deel meer uitmaakt van een commissie.

  Art. 25. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.

  Art. 26. De commissies worden in vergadering bijeengeroepen door hun voorzitter, hetzij op deze initiatief, hetzij op verzoek van het Verzekeringscomité, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.

  Art. 27. Een commissie houdt deugdelijk zitting indien ten minste vijf leden van elke groep aanwezig zijn.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. De uiteindelijke sluiting van de overeenkomst is slechts verworven indien ze door ten minste zes leden van elke van beide groepen is goedgekeurd; onthoudingen zijn niet toegelaten.
  Ingeval de leden bij een stemming niet in gelijk aantal in elk van beide groepen aanwezig zijn, onthouden het of de jongste leden van de overtallige partij zich om de pariteit te herstellen.

  Art. 28. De tekst van elke gesloten overeenkomst wordt het Verzekeringscomité binnen de drie dagen medegedeeld door de voorzitter die daarvoor, op de eerstvolgende vergadering van het Verzekeringscomité, verslag uitbrengt.
  Dit geldt ook voor de in artikel 26, tweede lid, van de gecoördineerde wet bedoelde voorstellen, voor zover er geen bevoegde technische raad voorhanden is; indien een bevoegde technische raad bestaat, moeten deze voorstellen binnen de drie dagen, aan bedoelde technische raad worden medegedeeld door de voorzitter, die daarover op de eerstvolgende vergadering van voornoemd technische raad verslag uitbrengt.

  Afdeling IV. - Nationale commissies [1 artsen-ziekenfondsen]1 en tandheelkundigen-ziekenfondsen.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  A. Nationale commissie [1 artsen-ziekenfondsen]1.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 29.<KB 1997-09-23/35, art. 3, 013; Inwerkingtreding : 06-07-1998> De Nationale commissie [1 artsen-ziekenfondsen]1 is samengesteld uit :
  1° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, algemeen geneeskundigen, (...), (...), (aangewezen) door de representatieve organisaties van het [1 artsenkorps]1; <KB 2003-10-30/30, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003> <KB 2003-10-30/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
  2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, [1 artsen-specialisten]1, (...), (...), (aangewezen) door de representatieve organisaties van het [1 artsenkorps]1; <KB 2003-10-30/30, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003> <KB 2003-10-30/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
  3° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden, (...), (...), (aangewezen) door de verzekeringsinstellingen. <KB 2003-10-30/30, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003> <KB 2003-10-30/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
  (Om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft tenminste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.) <KB 2005-01-12/35, art. 2, 115; Inwerkingtreding : 04-02-2005>
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  B. Nationale commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen.

  Art. 30. De Nationale commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen is samengesteld uit:
  1° tien werkende en tien plaatsvervangende leden, (...), (...), (aangewezen) door de representatieve organisaties van de tandheelkundigen; <KB 2003-10-30/30, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003> <KB 2003-10-30/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
  2° tien werkende en tien plaatsvervangende leden, (...), (...), (aangewezen) door de verzekeringsinstellingen. <KB 2003-10-30/30, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003> <KB 2003-10-30/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
  (Om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.) <KB 2005-01-12/35, art. 3, 115; Inwerkingtreding : 04-02-2005>

  C. Gemene bepalingen ter zake van de Nationale commissies [1 artsen-ziekenfondsen]1 en tandheelkundigen-ziekenfondsen.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 31.(De leden van de Nationale commissies [1 artsen-ziekenfondsen]1 en tandheelkundigen-ziekenfondsen worden (aangewezen op grond van de resultaten van de verkiezingen die georganiseerd worden ter uitvoering van artikel 211 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994).) <KB 2002-12-10/32, art. 4, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002> <KB 2003-10-30/30, art. 3, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn commissie. Het nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Afdeling V. - [1 Commissie, belast met de toepassing van de reglementering betreffende de forfaitaire betaling van sommige verstrekkingen en met het sluiten van de akkoorden betreffende het forfait.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-23/02, art. 1, 200; Inwerkingtreding : 01-05-2013>

  Art. 32. [1 § 1. Wanneer de Commissie belast met de toepassing van de reglementering betreffende de forfaitaire betaling van sommige verstrekkingen en met het sluiten van de akkoorden betreffende het forfait, het advies geeft zoals bedoeld in artikel 52, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wet of wanneer ze belast is met de toepassing van de reglementering betreffende de forfaitaire betaling van sommige verstrekkingen, bestaat ze uit :
  1° negen leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; voor het vaststellen van de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, waarbij iedere verzekeringsinstelling recht heeft op ten minste één mandaat;
  2° negen leden, aangewezen door de representatieve organisaties van de medische huizen, evenredig met het aantal rechthebbenden, ingeschreven in de medische huizen die ze vertegenwoordigen; een organisatie is representatief wanneer de medische huizen die ze vertegenwoordigt, ten minste 10 % ingeschreven rechthebbenden telt ten opzichte van het totaal aantal rechthebbenden dat op 30 juni van het vorige jaar in het forfaitair systeem is ingeschreven. Elke organisatie die aantoont dat ze het vereiste percentage bereikt, kan haar vertegenwoordiging in de Commissie aanvragen door middel van een schriftelijk verzoek gericht aan de voorzitter vóór 15 januari. Elk jaar verdeelt de voorzitter de zetels met toepassing van dit punt, en dit voor de eerste vergadering van het jaar.
  In deze afdeling wordt onder " medisch huis " verstaan een zorgverlener of een groep van zorgverleners die geneeskundige verstrekkingen verlenen die betaald worden volgens de regels vastgesteld in uitvoering van artikel 52, § 1, van de gecoördineerde wet
  § 2. Wanneer de Commissie belast is met het sluiten van de akkoorden betreffende het forfait, bestaat ze uit :
  1° één vertegenwoordiger per verzekeringsinstelling onder de leden, bedoeld in § 1, 1° ;
  2° de zorgverleners die zijn bedoeld in het akkoord of hun vertegenwoordiger als het om een rechtspersoon gaat.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-23/02, art. 1, 200; Inwerkingtreding : 01-05-2013>

  Art. 33. [1 Als het gaat om het advies bedoeld in artikel 52, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wet of de toepassing van de reglementering betreffende de forfaitaire betaling van sommige verstrekkingen, houdt de Commissie deugdelijk zitting als ten minste 6 leden, bedoeld in artikel 32, § 1, 1° en 6 leden, bedoeld in artikel 32, § 1, 2°, aanwezig zijn.
  De Commissie vergadert na oproep door de voorzitter. In de oproeping staat het onderwerp van de vergadering.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-23/02, art. 1, 200; Inwerkingtreding : 01-05-2013>

  Art. 34. [1 Elk lid woont de vergaderingen bij, behalve in geval van gewettigde afwezigheid. Als het verhinderd is, mag het lid de voorzitter verwittigen en hem de naam van zijn gelegenheidsvervanger meedelen.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-23/02, art. 1, 200; Inwerkingtreding : 01-05-2013>

  Art. 35. [1 Om haar opdracht uit te voeren, kan de Commissie, samengesteld overeenkomstig artikel 32, § 1, een beroep doen op deskundigen van wie ze de taak vaststelt. Ze kan voor de voorbereiding van haar werkzaamheden eveneens een technische commissie instellen die moet bestaan uit ten minste drie personen, die zijn aangewezen onder de leden, bedoeld in artikel 32, § 1, 1°, en ten minste drie personen die zijn aangewezen onder de leden, bedoeld in artikel 32, § 1, 2°.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-23/02, art. 1, 200; Inwerkingtreding : 01-05-2013>

  Art. 36. [1 De beslissingen aangaande het advies bedoeld in artikel 52, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wet of de toepassing van de reglementering betreffende de forfaitaire betaling van sommige verstrekkingen moeten worden goedgekeurd door een twee-derde meerderheid van de leden, bedoeld in artikel 32, § 1, 1°, en door een twee-derde meerderheid van de leden, bedoeld in artikel 32, § 1, 2°.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-23/02, art. 1, 200; Inwerkingtreding : 01-05-2013>

  Art. 37. [1 § 1. Het verzoek tot het sluiten van een akkoord wordt schriftelijk aan de voorzitter van de Commissie bezorgd.
  § 2. Het door de aanvrager goedgekeurd ontwerp-akkoord wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de overeenkomstig artikel 32, § 2, samengestelde Commissie.
  Het ontwerp-akkoord wordt schriftelijk of per e-mail voorgelegd aan de leden bedoeld in artikel 32, § 2, 1°.
  De datum waarop het ontwerp-akkoord wordt overgemaakt aan de leden bedoeld in artikel 32, § 2, 1°, wordt meegedeeld aan de aanvrager en aan de overeenkomstig artikel 32, § 1, samengestelde Commissie.
  § 3. De beslissingen ter voorbereiding van het sluiten van de akkoorden moeten de goedkeuring krijgen, eensdeels van de in artikel 32, § 2, 2°, bedoelde personen, en anderdeels van een twee derde meerderheid van de leden, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen, bedoeld in artikel 32, § 2, 1°.
  De leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen worden geacht het akkoord goed te keuren indien zij binnen de tien dagen na de ontvangst van het ontwerp-akkoord geen bezwaar overmaken aan de voorzitter van de Commissie of aan een andere door de Leidend ambtenaar aangeduide medewerker van de Dienst voor geneeskundige verzorging.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-23/02, art. 1, 200; Inwerkingtreding : 01-05-2013>

  Art. 38. [1 Indien het akkoord wordt goedgekeurd door een twee-derde meerderheid van de leden, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen, bedoeld in artikel 32, § 2, 1°, wordt het in naam van de verzekeringsinstellingen getekend door de leidend ambtenaar van de dienst voor geneeskundige verzorging en door de personen bedoeld in artikel 32, § 2, 2°.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-23/02, art. 1, 200; Inwerkingtreding : 01-05-2013>

  Art. 39. [1 Indien het akkoord niet wordt goedgekeurd door een twee-derde meerderheid van de leden, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen, bedoeld in artikel 32, § 2, 1°, wordt het ontwerp-akkoord voorgelegd aan de Commissie zoals bedoeld in artikel 32, § 1.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-23/02, art. 1, 200; Inwerkingtreding : 01-05-2013>

  Art. 40. [1 De tekst van het akkoord wordt binnen de vijftien dagen aan het Verzekeringscomité meegedeeld door de voorzitter van de Commissie, aan wie hij verslag uitbrengt op de eerstvolgende vergadering.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-04-23/02, art. 1, 200; Inwerkingtreding : 01-05-2013>

  Afdeling VI. - Commissie voor begrotingscontrole.

  Art. 41. De leden van de Commissie voor begrotingscontrole worden benoemd voor (vier jaar). Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd. <KB 2002-12-10/32, art. 5, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
  Er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van de commissie. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
  Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.

  Art. 42. Het voorzitterschap van de commissie wordt bekleed door de in artikel 190 van de gecoördineerde wet bedoelde begrotings- en financieel adviseur.
  Indien deze niet is aangewezen of indien hij is verhinderd, wordt het voorzitterschap van de commissie waargenomen door het oudste lid in jaren van de onder artikel 17, tweede lid, 5°, van de gecoördineerde wet bedoelde leden.

  Art. 43. De commissie wordt in vergadering bijeengeroepen door de voorzitter, hetzij op dezes initiatief, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op verzoek van de Algemene raad, hetzij op verzoek van het Verzekeringscomité, hetzij op vraag van ten minste drie leden; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.

  Art. 44. De commissie houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van de leden aanwezig is.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van hen die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen.

  Art. 45. De commissie stelt haar huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de Algemene raad.

  Art. 46. De functies van secretaris en adjunct-secretaris van de commissie worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van genoemde dienst.

  Afdeling VII. - Technische raden.

  A. Technische farmaceutische raad.

  Art. 47.De krachtens artikel 27 van de gecoördineerde wet ingestelde Technische farmaceutische raad is samengesteld uit:
  1° de voorzitter;
  2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; elke verzekeringsinstelling heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
  3° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het apothekerskorps;
  4° één werkend en één plaatsvervangend lid, apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers;
  5° één werkend en één plaatsvervangend lid, doctors in de geneeskunde of artsen, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door representatieve organisaties van (de [1 artsen]1 gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1); (het plaatsvervangend lid is een algemeen geneeskundige indien het effectief lid een [1 arts-specialist]1 is en het plaatsvervangend lid is een [1 arts-specialist]1 indien het werkend lid een algemeen geneeskundige is). <KB 1997-09-23/35, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <KB 2008-12-15/36, art. 1, 157; Inwerkingtreding : 01-02-2009>
  6° één werkend en één plaatsvervangend lid, apothekers, aangewezen door de Minister;
  7° één werkend en één plaatsvervangend lid, apothekers, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  B. Technische raad voor kinesitherapie.

  Art. 48. De Technische Raad voor kinesitherapie, die is opgericht krachtens artikel 27 van de gecoördineerde wet, is samengesteld uit:
  1° de voorzitter;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, kinesitherapeuten, doctors in de geneeskunde of artsen, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
  3° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, kinesitherapeuten, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de kinesitherapeuten; elke beroepsorganisatie draagt daarbij ten minste één werkend lid voor dat de kinesitherapie onderwijst;
  4° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, kinesitherapeuten, gekozen omwille van hun deskundigheid op het vlak van de kinesitherapie;
  5° één werkend en één plaatsvervangend lid, kinesitherapeuten, doctors in de geneeskunde of artsen, aangewezen door de Minister;
  6° eén werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.

  C. Technische raad voor ziekenhuisverpleging.

  Art. 49. De krachtens artikel 27 van de gecoördineerde wet ingestelde Technische raad voor ziekenhuisverpleging is samengesteld uit:
  1° de voorzitter;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen, om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
  3° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de verpleeginrichtingen; ten minste één van die kandidaten moet een universitair ziekenhuis vertegenwoordigen;
  4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers;
  5° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister;
  6° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.

  D. Technische Raad voor diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen. <KB 2002-10-24/47, art. 1, 081; Inwerkingtreding : 01-12-2002>

  Art. 50.<KB 2002-10-24/47, art. 1, 081; Inwerkingtreding : 01-12-2002> § 1. De krachtens artikel 27 van de gecoördineerde wet ingestelde Technische Raad voor diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen is samengesteld uit :
  1° de voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter;
  2° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, artsen of apothekers, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectievelijke ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
  3° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de faculteiten der geneeskunde van de Belgische universiteiten; elke universiteit draagt vier kandidaten voor; elke universiteit heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
  (4° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, apothekers, waarvan twee gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen van het apothekerskorps op een dubbele lijst en twee gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers op een dubbele lijst;) <KB 2003-07-11/56, art. 1, 096; Inwerkingtreding : 20-08-2003>
  5° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het [1 artsenkorps]1;
  6° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van verpleegkundigen;
  7° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
  8° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
  9° een vertegenwoordiger van de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. De functie wordt waargenomen door een personeelslid van de dienst voor geneeskundige controle, aangewezen door de leidend ambtenaar van de genoemde dienst.
  § 2. De onder § 1, 7°, 8° en 9° vermelde leden zijn niet stemgerechtigd.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  E.
  <Opgeheven bij KB 2014-06-25/03, art. 181, 1°, 218; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 51.
  <Opgeheven bij KB 2014-06-25/03, art. 181, 2°, 218; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  (F. De Technische raad voor bandagen, orthesen en prothesen.) <ingevoegd bij KB 1997-03-19/32, art. 1, Inwerkingtreding : 18-04-1997> <KB 2002-12-10/32, art. 15, 085; Inwerkingtreding : 18-04-1997>

  Art. 51bis.<ingevoegd bij KB 1997-03-19/32, art. 1, Inwerkingtreding : 18-04-1997> § 1. Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging en de Overeenkomstencommissies bandagisten - verzekeringsinstellingen eensdeels en orthopedisten - verzekeringsinstellingen anderdeels, wordt een Technische raad voor bandagen, orthesen en prothesen ingesteld, die is samengesteld uit :
  1° de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
  3° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen van bandagisten, orthopedisten en orthesisten-schoentechnici, waarvan minstens één werkend en één plaatsvervangend lid werkzaam als officina-apotheker en één werkend en één plaatsvervangend lid werkzaam als ziekenhuisapotheker;
  4° vier werkende en vier plaatsvervangende leden die een bijzondere bevoegdheid hebben inzake technologie en vervaardiging van de produkten, gekozen uit de kandidaten die door de verzekeringsinstellingen worden voorgedragen;
  5° vier werkende en vier plaatsvervangende leden die een bijzondere bevoegdheid hebben inzake technologie en vervaardiging van de produkten, gekozen uit de kandidaten die door de onder 3° bedoelde beroepsverenigingen worden voorgedragen;
  6° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, bevoegd voor het voorschrijven van de verstrekkingen bedoeld in de artikelen 27, 28, § 8, en 29 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gekozen uit de kandidaten die door de representatieve beroepsverenigingen van de [1 artsen]1 worden voorgedragen;
  7° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister van Sociale Zaken;
  8° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
  9° één afgevaardigde van de Minister van Economische Zaken;
  10° één afgevaardigde van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
  § 2. De onder § 1, 7° tot 10°, vermelde leden zijn niet stemgerechtigd.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  G. Technische raad voor rolstoelen. <Ingevoegd bij KB 2003-12-22/38, art. 1; Inwerkingtreding : 30-12-2003>

  Art. 51ter.<Ingevoegd bij KB 2003-12-22/38, art. 1; Inwerkingtreding : 30-12-2003> § 1. Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging wordt een Technische raad voor rolstoelen ingesteld, die is samengesteld uit :
  1° de voorzitter;
  2° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, die een bijzondere bekwaamheid hebben inzake technologie en vervaardiging van producten, door de Minister gekozen onder de kandidaten met een academisch mandaat in een Belgische universiteit, die lesgeven in een school waar een hogeschoolopleiding tot gegradueerde in orthopedie wordt gegeven of die een functie uitoefenen in een inrichting voor revalidatie en herscholing;
  3° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, die een bijzondere bekwaming hebben inzake technologie en vervaardiging van producten, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; elke verzekeringsinstelling heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
  4° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsverenigingen van bandagisten;
  5° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, bevoegd voor het voorschrijven van de verstrekkingen bedoeld in artikel 28, § 8, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, aangewezen door de representatieve beroepsverenigingen van de [1 artsen]1;
  6° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, die een bijzondere bekwaming hebben inzake technologie en vervaardiging van producten, aangewezen door " l'Agence wallonne pour l'intégration des personnes handicapées ", de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ", het Vlaams fonds voor sociale integratie van personen met een handicap en de " Service bruxellois francophone des personnes handicapées "; elk fonds heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
  7° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsverenigingen van de industrie;
  8° twee werkende en twee plaatsvervangende leden aangewezen door de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap.
  § 2. De onder § 1, 7° en 8°, vermelde leden zijn niet stemgerechtigd.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  H. Technische Raad voor radio-isotopen <Ingevoegd bij KB 2006-12-28/56, art. 1; Inwerkingtreding : 01-02-2007>

  Art. 51quater.<Ingevoegd bij KB 2006-12-28/56, art. 1; Inwerkingtreding : 01-02-2007> § 1. De krachtens artikel 27 van de gecoördineerde wet ingestelde Technische Raad voor radio-isotopen is samengesteld uit :
  1° de voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter;
  2° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, artsen of apothekers, gekozen uit de kandidaten van wie er dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten zijn, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; elke verzekeringsinstelling heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
  3° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, [2 artsen-specialisten]2 in de radiotherapie, [2 artsen-specialisten]2 in de nucleaire geneeskunde of ziekenhuisapothekers erkend overeenkomstig de bepalingen van artikel 47 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, gekozen uit de kandidaten van wie er dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten zijn, worden voorgedragen door de faculteiten geneeskunde van de Belgische universiteiten; elke universiteit heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid. Minstens één van deze vertegenwoordigers moet een ziekenhuisapotheker zijn;
  4° (zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten van wie er dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten zijn, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de [2 artsen]2;) <KB 2008-07-10/31, art. 1, 152; Inwerkingtreding : 01-08-2008>
  5° (opgeheven) <KB 2008-07-10/31, art. 1, 152; Inwerkingtreding : 01-08-2008>
  6° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten van wie er dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten zijn, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van ziekenhuisapothekers;
  7° één werkend en één plaatsvervangend lid, gekozen uit de kandidaten van wie er dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten zijn, worden voorgedragen door het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
  8° één werkend en één plaatsvervangend lid die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de Nationale confederatie van ziekenhuizen;
  9° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
  10° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
  11° één vertegenwoordiger van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. De functie wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, aangewezen door de leidend ambtenaar van de genoemde Dienst;
  [1 12° één werkend en één plaatsvervangend lid voorgedragen door de Minister bevoegd voor Begroting;
   13° één werkend en één plaatsvervangend lid die worden aangewezen door de minister bevoegd voor Volksgezondheid binnen het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, opgericht bij de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten.]1
  § 2. De onder § 1, 7°, 8°, 9°, 10° [1 11°, 12° en 13°]1 vermelde leden zijn niet stemgerechtigd.
  ----------
  (1)<KB 2015-09-27/18, art. 1, 233; Inwerkingtreding : 26-10-2015>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  (I. Gemene bepalingen ter zake van de Technische farmaceutische raad, de Technische raad voor kinesitherapie, de Technische raad voor ziekenhuisverpleging, de Technische raad voor diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen, [1 ...]1, de Technische raad voor bandagen, orthesen en prothesen, de Technische raad voor rolstoelen en de Technische Raad voor radio-isotopen.) <KB 2006-12-28/56, art. 2, 138; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  ----------
  (1)<KB 2014-06-25/03, art. 182, 218; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 52. <KB 2002-12-10/32, art. 6, 084; Inwerkingtreding : 01-12-2002> De leden van de bij de Dienst voor geneeskundige verzorging ingestelde technische raden worden benoemd voor een termijn van zes jaar. Hun mandaat kan om de drie jaar per helft worden hernieuwd.
  Nochtans worden, in afwijking van de bepalingen van het eerste lid, de leden van de Technisch farmaceutische raad, de Technische raad voor kinesitherapie, de Technische raad voor diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen en de Technische raad voor bandagen, orthesen en prothesen, benoemd voor een termijn van vier jaar.
  Het mandaat van de uittredende leden is hernieuwbaar. Binnen de drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn raad. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.

  Art. 53. Een plaatsvervangend lid heeft alleen zitting bij afwezigheid van een werkend lid. Het kan nochtans zonder stemgerechtigd te zijn, de vergaderingen bijwonen om redenen van deskundigheid Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen decor een plaatsvervangend voorzitter die door de Koning wordt aangewezen op voordracht van het Verzekeringscomité. De plaatsvervangend voorzitter mag altijd de vergaderingen bijwonen waarin de voorzitter zitting heeft.

  Art. 54. De voorzitters en de plaatsvervangende voorzitters hebben geen stemrecht, alleen de leden van de technische raden zijn stemgerechtigd behoudens zij die door de Ministers die de Sociale voorzorg respectief de Volksgezondheid onder hun bevoegdheid hebben, zijn aangewezen. (...). <KB 2001-12-21/33, art. 3, 070; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 55. De technische raden houden deugdelijk zitting indien ten minste de helft van hun leden aanwezig is.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij stemmenstaking is het voorstel afgewezen.
  Wanneer een probleem met de nomenclatuur op initiatief van de beroepsorganisaties onderzocht is, moet de uitslag van de daarover uitgebrachte stemming medegedeeld worden aan het Verzekeringscomité, welk ook die uitslag zij, en die mededeling moet het oorspronkelijke voorstel van de beroepsorganisaties vermelden.

  Art. 56. De voorstellen of adviezen van de technische raden worden door de voorzitter medegedeeld aan de overeenkomstige akkoorden of overeenkomstencommissie.

  Art. 57. De technische raden worden in vergadering bijeengeroepen door hun voorzitter, hetzij op dezes initiatief, hetzij op verzoek van het Verzekeringscomité, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.

  Art. 58. De functies van secretaris en adjunct-secretaris van de technische raden worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van genoemde dienst.

  Art. 59. Elk van die technische raden maakt zijn huishoudelijk reglement op dat de Koning ter goedkeuring wordt voorgelegd.

  Afdeling VIII. - Technische geneeskundige en tandheelkundige raden.

  A. Technische geneeskundige raad.

  Art. 60.De Technische geneeskundige raad is samengesteld uit:
  1° de voorzitter;
  2° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de faculteiten der geneeskunde van de Belgische universiteiten voorgedragen worden; elke universiteit heeft recht op één mandaat van werkend lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid;
  3° elf werkende en elf plaatsvervangende leden, (waarvan zeven [1 artsen-specialisten]1 en vier algemeen geneeskundigen) gekozen uit de kandidaten die door de representatieve beroepsorganisaties van het [1 artsenkorps]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  4° negen werkende en negen plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden, om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
  Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter, doctor in de geneeskunde of arts, lid van het Verzekeringscomité, die door de Koning wordt benoemd op voordracht van de Technische geneeskundige raad.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  B. Technische tandheelkundige raad.

  Art. 61. De Technische tandheelkundige raad is samengesteld uit:
  1° de voorzitter;
  2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de faculteiten der geneeskunde van de Belgische universiteiten voorgedragen worden; elke universiteit heeft recht op één mandaat van werkend lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid;
  3° tien werkende en tien plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de representatieve beroepsorganisaties van de tandheelkundigen voorgedragen worden;
  4° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden, om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
  Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter, tandheelkundige, lid van het Verzekeringscomité, die door de Koning wordt benoemd op voordracht van de Technische tandheelkundige raad.

  C. Gemene bepalingen ter zake van de Technische geneeskundige en tandheelkundige raden.

  Art. 62. <KB 2002-12-10/32, art. 7, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002> De leden van de Technische geneeskundige en tandheelkundige raden worden benoemd voor vier jaar.
  Binnen de drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn raad. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.

  Art. 63. De Technische geneeskundige en tandheelkundige raden worden in vergadering bijeengeroepen door hun voorzitter, hetzij op dezes initiatief, hetzij op verzoek van het Verzekeringscomité, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.

  Afdeling IX. - Profielencommissies.

  Art. 64.Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging worden profielencommissies ingesteld voor:
  1° de verstrekkingen van de kinesitherapeuten;
  2° de verstrekkingen van de verpleegkundigen;
  3° de verstrekkingen van de tandheelkundigen;
  4° de verstrekkingen en de voorschriften van de algemeen geneeskundigen;
  5° de verstrekkingen en de voorschriften van de [1 artsen-specialisten]1, andere dan die bedoeld onder 6°;
  6° de verstrekkingen van de [1 artsen]1, specialist voor klinische biologie, voor nucleaire geneeskunde of voor pathologische anatomie de apothekers-biologen en de licentiaten in de wetenschappen die door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft zijn erkend om verstrekkingen inzake klinische biologie te verrichten;
  7° de verstrekkingen die in een ziekenhuis worden verricht en de verpleegdagen.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 65.§ 1. De Profielencommissie voor de verstrekkingen van de kinesitherapeuten is samengesteld uit:
  1° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de kinesitherapeuten voorgedragen worden;
  2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden (waarvan één algemeen geneeskundige en één [1 arts-specialist]1) gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
  4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
  De vier werkende en de vier plaatsvervangende leden vermeld onder 3° en 4°, moeten, respectievelijk, twee [1 artsen]1 en twee kinesitherapeuten zijn.
  § 2. De Profielencommissie voor de verstrekkingen van de verpleegkundigen is samengesteld uit:
  1° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de verpleegkundigen voorgedragen worden;
  2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, (waarvan één algemeen geneeskundige en één [1 arts-specialist]1) gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat Der toe te wijzen mandaten door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
  4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisatie, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
  De vier werkende en de vier plaatsvervangende leden, vermeld onder 3° en 4°, moeten, respectievelijk, twee [1 artsen]1 en twee verpleegkundigen zijn.
  § 3. De Profielencommissie voor de verstrekkingen van de tandheelkundigen is samengesteld uit:
  1° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de tandheelkundigen voorgedragen worden;
  2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
  3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisatie voorgedragen worden.
  Alle werkende en plaatsvervangende leden moeten tandheelkundigen zijn.
  § 4. De Profielencommissie voor de verstrekkingen en de voorschriften van de algemeen geneeskundigen is samengesteld uit:
  1° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, (algemeen geneeskundigen) gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  2° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
  3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
  Alle werkende en plaatsvervangende leden moeten [1 artsen]1 zijn.
  § 5. De Profielencommissie voor de verstrekkingen en de voorschriften van de [1 artsen-specialisten]1, andere dan die bedoeld onder § 6, is samengesteld uit:
  1° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, ([1 artsen-specialisten]1) gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  2° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstelling voorgedragen worden;
  3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden;
  Alle werkende en plaatsvervangende leden moeten [1 artsen]1 zijn.
  § 6. De Profielencommissie voor de verstrekkingen van de [1 artsen]1, specialist voor klinische biologie, voor nucleaire geneeskunde of voor pathologische anatomie, de apothekers-biologen en de licentiaten in de wetenschappen die door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft zijn erkend om verstrekkingen inzake klinische biologie te verrichten, is samengesteld uit:
  1° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de apothekersbiologen voorgedragen worden;
  2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, ([1 artsen-specialistenten]1 die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
  4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
  De vier werkende en de vier plaatsvervangende leden, vermeld onder 3° en 4°, moeten, respectievelijk, twee [1 artsen]1 en twee apothekers-biologen zijn.
  § 7. De Profielencommissie voor de verstrekkingen die in een ziekenhuis worden verricht en de verpleegdagen is samengesteld uit:
  1° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve verenigingen van de ziekenhuizen voorgedragen worden;
  2° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, [1 artsen-specialisten]1 gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  3° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
  4° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
  Indien een probleem in verband met de paramedici besproken wordt in deze profielencommissie, kan de voorzitter te allen tijde beroep doen op de vertegenwoordiger van de betrokken discipline die zitting heeft in het Verzekeringscomité.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 66.De [1 arts-directeur-generaal]1 van de Dienst voor geneeskundige controle en de directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige verzorging of hun afgevaardigde, nemen ambtshalve, zonder stemrecht, deel aan de vergaderingen van de profielencommissies.
  De secretaris-generaal van het Ministerie van Volksgezondheid of zijn afgevaardigde, neemt ambtshalve, zonder stemrecht, deel aan de vergaderingen van de Profielencommissie voor de verstrekkingen die in de ziekenhuizen worden verricht en voor de verpleegdagen.
  Het secretariaat van de verschillende profielencommissies wordt waargenomen door de Dienst voor geneeskundige verzorging.
  Tijdens de vergaderingen van de commissies kan elk lid zich laten bijstaan door een raadgever; deze moet niet nominatief worden aangewezen en heeft geen stemrecht.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 67. § 1. (De leden van de profielencommissies worden benoemd voor vier jaar.) <KB 2002-12-10/32, art. 8, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
  Het mandaat loopt om de drie jaar af voor de helft van de leden. Wanneer het mandaat voor het eerst wordt hernieuwd, worden de uittredende leden bij loting aangewezen.
  Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
  Binnen drie maanden wordt voorzien in de vervanging van ieder lid dat vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat geen deel meer uitmaakt van de profielencommissie. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
  Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
  § 2. Elke profielencommissie heeft twee voorzitters: één van de Franse taalrol en één van de Nederlandse taalrol. De ene voorzitter behoort tot de groep die is samengesteld uit de vertegenwoordigers van de zorgverleners, de andere behoort tot de groep die de verzekeringsinstellingen en de sociale partners vertegenwoordigt.
  De Koning wijst onder de leden van elke profielencommissie, op haar voordracht, de voorzitters aan.
  De voorzitters zitten om beurt de vergaderingen voor, te beginnen met de oudste. Voor het gedeelte van de besprekingen dat wordt bijgewoond door de zorgverlener wiens dossier wordt behandeld, wordt de vergadering evenwel voorgezeten door de voorzitter van dezelfde taalrol als die van bedoelde zorgverlener of, bij zijn afwezigheid, door het oudste lid van dezelfde taalrol als die van deze zorgverlener.
  Bij afwezigheid van de twee voorzitters wordt de vergadering voorgezeten door het oudste lid.
  § 3. Elke profielencommissie wordt samengeroepen door de persoon die, overeenkomstig § 2, geroepen is om de vergadering voor te zitten, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van ten minste drie leden, dat schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt, hetzij op verzoek van het Verzekeringscomité. De oproeping die in alle gevallen de agenda van de vergadering vermeldt, wordt aan de leden gestuurd door het secretariaat van de commissie.
  § 4. Elke profielencommissie houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van haar leden aanwezig is.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
  § 5. Elke profielencommissie is ertoe gehouden het Verzekeringscomité jaarlijks een verslag over haar activiteiten te bezorgen.

  Art. 68. De profielencommissies hebben tot opdracht de evaluatie van de individuele profielen. Te dien einde is de commissie bevoegd om:
  1° kennis te nemen van de statistische tabellen per zorgverlener, per voorschrijver of per ziekenhuis;
  2° de betrouwbaarheid van deze gegevens te onderzoeken, eventueel door betrokkenen schriftelijk te ondervragen of mondeling na oproeping;
  3° indien dit nodig wordt geacht, deze gegevens over te maken aan de bevoegde instanties;
  4° een preventieve en educatieve actie te voeren ten aanzien van de zorgverleners en/of de voorschrijvers die aanleiding geven tot aanzienlijke uitgaven.

  Afdeling X. - Erkenningsgraden.

  A. Erkenningsraad voor kinesitherapeuten. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>

  Art. 69. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>

  Art. 70. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>

  Art. 71. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>

  Art. 72. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>

  Art. 73. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>

  Art. 74. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>

  Art. 75. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>

  Art. 76. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>

  Art. 77. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>

  B. Erkenningsraad voor orthopedisten.

  Art. 78. De Erkenningsraad voor orthopedisten is samengesteld uit:
  1° de voorzitter;
  2° Zes werkende en zes plaatsvervangende leden, door de Minister gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van orthopedisten;
  3° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister;
  4° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.

  Art. 79. De Erkenningsraad voor orthopedisten heeft tot taak (de personen te erkennen) die hij als bevoegd erkent om de rechthebbenden van de verzekering de prothesen en orthopedische toestellen te verstrekken welke luidens de vorenbedoelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen, in de bevoegdheid vallen van de orthopedisten. <KB 2001-04-19/50, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
  De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de Erkenningsraad.

  Art. 80.(§ 1. Voor de verstrekkingen inzake orthopedie en orthopedische zolen, bedoeld in artikel 29 van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, kunnen worden erkend de personen die :
  a) Ofwel een theoretische en praktische opleiding van orthopedist hebben gevolgd gedurende minstens vijf jaar;
  b) Ofwel houders zijn van een bachelordiploma in de orthopedie en gedurende minstens twee jaar hun praktische opleiding hebben vervolledigd in die materie in een werkplaats beantwoordend aan de normen vastgesteld krachtens artikel 80bis.
  De zorgverleners met een erkenning voor de verstrekkingen inzake orthopedie en orthopedische zolen kunnen voor de prothesen worden erkend op voorwaarde dat in hun opleiding die materie wordt behandeld.
  § 2. Voor de verstrekkingen betreffende de prothesen, bedoeld in artikel 29 van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, kunnen worden erkend de personen die :
  a) Ofwel een theoretische en praktische opleiding van prothesist hebben gevolgd gedurende minstens vijf jaar;
  b) Ofwel houders zijn van een bachelordiploma in de orthopedie en gedurende minstens twee jaar hun praktische opleiding hebben vervolledigd in die materie in een werkplaats beantwoordend aan de normen vastgesteld krachtens artikel 80bis.
  De zorgverleners met een erkenning voor de prothesen kunnen voor de orthopedie en de orthopedische zolen worden erkend op voorwaarde dat in hun opleiding die materie wordt behandeld.
  § 3. Voor de verstrekkingen inzake orthopedische schoenen en zolen, bedoeld in artikel 29 van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, kunnen worden erkend de personen die :
  a) Ofwel een theoretische en praktische opleiding van orthopedist hebben gevolgd gedurende minstens vijf en een half jaar;
  b) Ofwel houders zijn van een getuigschrift, afgeleverd door de Middenstand, en gedurende minstens vijf en een half jaar een praktische opleiding in die materie hebben gevolgd;
  c) ofwel houders zijn van een bachelordiploma in de orthopedie en gedurende minstens twee jaar hun praktische opleiding hebben vervolledigd in die materie in een werkplaats beantwoordend aan de normen vastgesteld krachtens artikel 80bis.
  De kandidaten voor de erkenningen vermeld in de §§ 1 tot 3 moeten slagen voor een technisch bevoegdheidsexamen dat door de Raad wordt georganiseerd; het examenprogramma wordt door Ons vastgesteld na advies van de Raad.) <KB 2006-08-05/64, art. 1, 132; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
  (§ 4. Om te kunnen worden erkend, verbinden voormelde personen zich met een verklaring op erewoord ertoe :
  1° a) de artikelen enkel te verstrekken op voorschrift van een [1 arts]1, rekening houdende met de doelstellingen van dat voorschrift en in overeenstemming daarmee;
  b) de termijnen te respecteren inzake de geldigheid van het voorschrift en de aflevering van de producten vastgesteld in de nomenclatuur;
  2° a) artikelen te verstrekken welke overeenstemmen met de minimummaatstaven inzake fabricage, omschreven in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen;
  b) de handgemaakte toestellen ten minste eenmaal aan te passen vóór het af te leveren artikel wordt afgewerkt;
  c) zowel de handgemaakte artikelen als de andere artikelen bij de levering bij de patiënt aan te leggen en indien nodig technisch aan te passen;
  d) alle aanwijzingen betreffende het aanbrengen, het gebruik en het onderhoud van het artikel te verstrekken;
  e) de levering zelf uit te voeren;
  3° te beschikken over de voor de vervaardiging van maatwerk en voor het passen nodige installatie en het gereedschap;
  4° de artikelen noch te koop aan te bieden, noch te verstrekken op markten, beurzen of andere openbare plaatsen, noch door venten, noch door toedoen van personen die niet ingeschreven zijn op de lijsten van de erkende orthopedisten die worden aangelegd door de Erkenningsraad voor orthopedisten;
  5° zijn beroep uit te oefenen in de zetel(s) van de onderneming die is (zijn) opgetekend door de Erkenningsraad.
  Nochtans, wanneer de rechthebbende die een geneeskundig voorschrift heeft en zich niet of zeer moeilijk kan verplaatsen, de orthopedist oproept, mag deze zich naar diens woonplaats begeven.) <KB 2004-09-13/43 art. 1, 112; Inwerkingtreding : 01-11-2004>
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 80bis. <ingevoegd bij KB 2004-09-13/43 art. 2; Inwerkingtreding : 01-11-2004> Enkel de personen die beschikken over de installatie en het gereedschap voorzien in artikel 80, § 4, 3°, in een werkplaats beantwoordend aan de normen bepaald door een verordening van het Verzekeringscomité, hebben het recht om maatwerk te vervaardigen.

  Art. 81. De erkenning blijft behouden voor de personen die op 1 september 1983 als orthopedist zijn erkend.
  Die erkenning geldt evenwel slechts voor de verstrekkingen waarvoor die personen als bevoegd zijn erkend.
  Die personen kunnen een verruiming van hun bevoegdheid bekomen als zij, na een passende theoretische en praktische opleiding te hebben gevolgd een technisch bevoegdheidsexamen afleggen waarvan het programma door Ons wordt bepaald na advies van de Raad.

  C. Erkenningsraad voor bandagisten.

  Art. 82. De Erkenningsraad voor bandagisten is samengesteld uit:
  1° de voorzitter;
  2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden door de Minister gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve organisaties van bandagisten;
  3° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangeprezen door de Minister;
  4° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid hoeft.

  Art. 83. De Erkenningsraad voor bandagisten heeft tot taak (de personen te erkennen) die hij als bevoegd erkent om de rechthebbenden van de verzekering de banden te verstrekken welke luidens de vorenbedoelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen in de bevoegdheid vallen van de bandagisten; <KB 2001-04-19/50, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
  De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de erkenningsraad.

  Art. 84.§ 1. (Voor de verstrekkingen betreffende de bandagisterie, bedoeld in artikel 27 a) van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, kunnen worden erkend de personen die :
  a) Ofwel een theoretische en praktische opleiding van bandagist hebben gevolgd gedurende minstens drie en een half jaar;
  b) Ofwel houders zijn van een bachelordiploma in de orthopedie en gedurende minstens twee jaar een praktische opleiding in die materie hebben vervolledigd in een werkplaats beantwoordend aan de normen vastgesteld krachtens artikel 84bis.
  De kandidaten voor voormelde erkenning moeten slagen voor een technisch bevoegdheidsexamen dat door de Raad wordt georganiseerd; het examenprogramma wordt door Ons vastgesteld.) <KB 2006-08-05/64, art. 2, 132; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
  § 2. Voor de verstrekkingen betreffende de toerusting voor kunstaars, het ambulant urinaal en de tracheacanule, kunnen (worden erkend), de apothekers die gedurende zes maanden een passende opleiding hebben ontvangen. De apothekers, houders van het diploma van ziekenhuisapotheker, uitgereikt door een door het Rijk erkende universiteit, worden evenwel bevoegd erkend voor die verstrekkingen. <KB 2001-04-19/50, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
  (§ 3. Om te kunnen worden erkend, verbinden voormelde personen zich met een verklaring op erewoord ertoe :
  1° a) de artikelen enkel te verstrekken op voorschrift van een [1 arts]1, rekening houdende met de doelstellingen van dat voorschrift en in overeenstemming daarmee;
  b) de termijnen te respecteren inzake de geldigheid van het voorschrift en de aflevering van de producten vastgesteld in de nomenclatuur;
  2° a) artikelen te verstrekken welke overeenstemmen met de minimummaatstaven inzake fabricage, omschreven in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen;
  b) de op maat gemaakte toestellen ten minste éénmaal aan te passen vóór het af te leveren artikel wordt afgewerkt;
  c) zowel de op maat gemaakte artikelen als de andere artikelen bij de levering bij de patiënt aan te leggen;
  d) alle aanwijzingen betreffende het aanbrengen, het gebruik en het onderhoud van het artikel te verstrekken;
  e) de levering zelf uit te voeren;
  3° te beschikken over de voor het vervaardigen naar maat en voor het passen nodige installatie en het gereedschap;
  4° de artikelen noch te koop aan te bieden, noch te verstrekken op markten, beurzen of andere openbare plaatsen, noch door venten, noch door toedoen van personen die niet ingeschreven zijn op de lijsten van de erkende bandagisten die door de Erkenningsraad voor bandagisten worden aangelegd, voor de levering van de in artikel 27, § 1, van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen vermelde verstrekkingen;
  5° zijn beroep uit te oefenen in de zetel(s) van de onderneming die is (zijn) opgetekend door de Erkenningsraad.
  Nochtans, wanneer de rechthebbende, die een geneeskundig voorschrift heeft en zich niet of zeer moeilijk kan verplaatsen, de bandagist oproept, mag deze zich naar diens woonplaats begeven.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 84bis. <ingevoegd bij KB 2004-09-13/43 art. 4; Inwerkingtreding : 01-11-2004> Enkel de personen die beschikken over de installatie en het gereedschap voorzien in artikel 84, § 3, 3°, in een werkplaats beantwoordend aan de normen bepaald door een verordening van het Verzekeringscomité, hebben het recht om maatwerk te vervaardigen.

  Art. 85.§ 1. (Voor de verstrekkingen betreffende de wagentjes, bedoeld in artikel 28, § 8 van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen kunnen worden erkend de personen die :
  a) ofwel een passende theoretische en praktische opleiding hebben gevolgd gedurende minstens twee jaar;
  b) ofwel houders zijn van een bachelordiploma in de orthopedie en gedurende minstens twee jaar een praktische opleiding in die materie hebben vervolledigd in een werkplaats beantwoordend aan de normen vastgesteld krachtens artikel 85bis.
  De kandidaten voor de vermelde erkenning moeten slagen voor een technisch bevoegdheidsexamen dat door de Raad wordt georganiseerd; het examenprogramma wordt door Ons vastgesteld.) <KB 2006-08-05/64, art. 3, 132; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
  (§ 2. Om te kunnen worden erkend, verbinden voormelde personen zich met een verklaring op erewoord ertoe :
  1° a) de artikelen enkel te verstrekken op voorschrift van een [1 arts]1, rekening houdende met de doelstellingen van dat voorschrift en in overeenstemming daarmee;
  b) de termijnen te respecteren inzake de geldigheid van het voorschrift en de aflevering van de producten vastgesteld in de nomenclatuur;
  2° a) artikelen te verstrekken welke overeenstemmen met de minimummaatstaven inzake fabricage omschreven in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen;
  b) op basis van zijn vaststellingen, nadat hij de rechthebbende heeft gezien, zijn bestek op te maken en de verstrekking(en) en het eventueel toebehoren te motiveren;
  c) de artikelen bij aflevering aan de rechthebbende aan te passen;
  d) alle aanwijzingen betreffende het aanbrengen, het gebruik en het onderhoud van het artikel te verstrekken;
  e) de aflevering aan de rechthebbende zelf uit te voeren en de documenten mede te ondertekenen;
  f) de rechthebbende te informeren dat indien de levering op zijn vraag geschiedt vóór de kennisgeving van de negatieve beslissing van de adviserend [1 arts]1, de kostprijs van de leveringen en het eventuele toebehoren te zijnen laste valt;
  3° te beschikken over de nodige installatie en het gereedschap om de verstrekkingen aan te passen en kleine herstellingen uit te voeren
  4° de artikelen noch te koop aan te bieden, noch te verstrekken op markten, beurzen of andere openbare plaatsen, noch door venten, noch door toedoen van personen die niet ingeschreven zijn op de lijsten van de erkende bandagisten die door de Erkenningsraad voor bandagisten worden aangelegd, voor de levering van de in artikel 28, § 8, 1°, van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen vermelde verstrekkingen. ".
  5° zijn beroep uit te oefenen in de zetel(s) van de onderneming die is (zijn) opgetekend door de Erkenningsraad.
  Nochtans, wanneer de rechthebbende, die een geneeskundig voorschrift heeft en zich niet of zeer moeilijk kan verplaatsen, de bandagist oproept, mag deze zich naar diens woonplaats begeven.) <KB 2004-09-13/43 art. 5, 112; Inwerkingtreding : 01-11-2004>
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 85bis. <ingevoegd bij KB 2004-09-13/43 art. 6; Inwerkingtreding : 01-11-2004> Enkel de personen die beschikken over de installatie en het gereedschap voorzien in artikel 85, § 2, 3°, in een werkplaats beantwoordend aan de normen bepaald door een verordening van het Verzekeringscomité, hebben het recht om maatwerk te vervaardigen.

  Art. 86. De erkenning blijft behouden voor de personen die op 1 september 1983 als bandagist zijn erkend.
  Die erkenning geldt evenwel slechts voor de verstrekkingen waarvoor die personen als bevoegd zijn erkend.
  Die personen kunnen verruiming van hun bevoegdheid bekomen als zij, na een passende theoretische en praktische opleiding te hebben gevolgd, een technisch bevoegdheidsexamen afleggen waarvan het programma door Ons wordt bepaald na advies van de Raad.

  Cbis. Erkenningsvoorwaarden met betrekking tot werkplaatsen waarin verschillende disciplines worden beoefend door orthopedisten en bandagisten. <ingevoegd bij KB 2004-09-13/43 art. 7; Inwerkingtreding : 01-11-2004>

  Art. 86bis. <ingevoegd bij KB 2004-09-13/43 art. 7; Inwerkingtreding : 01-11-2004> Wanneer in een onderneming verschillende disciplines worden beoefend, is het voldoende dat die onderneming beschikt over één werkplaats. De werkplaats waar de volgende verstrekkingen worden uitgevoerd moet beantwoorden aan de volgende normen :
  1° voor de verstrekkingen van de artikelen 27, § 1, en 28, § 8, 1°, van de vorenbedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen : normen bedoeld in de artikelen 84bis en 85bis ;
  2° voor de verstrekkingen van de artikelen 27, § 1, en 29, § 1, van de vorenbedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen : normen bedoeld in de artikelen 80bis en 84bis;
  3° voor de verstrekkingen van de artikelen 28, § 8, 1°, en 29, § 1, van de vorenbedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen : normen bedoeld in de artikelen 80bis en 85bis ;
  4° voor de verstrekkingen van de artikelen 27, § 1, 28, § 8, 1°, en 29, § 1, van de vorenbedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen : normen bedoeld in de artikelen 80bis, 84bis en 85bis.

  D. Erkenningsraad voor verstrekkers van implantaten.

  Art. 87. De Erkenningsraad voor verstrekkers van implantaten is samengesteld uit:
  1° de voorzitter;
  2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, door de Minister gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van de personen die erkend zijn voor het verstrekken van implantaten;
  3° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister;
  4° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.

  Art. 88. De Erkenningsraad voor verstrekkers van implantaten heeft tot taak (de pesonen te erkennen) die hij als bevoegd erkend om aan de rechthebbende van de verzekering de implantaten te leveren welke zijn opgenomen in de lijst met vergoedbare apparaten. <KB 2001-04-19/50, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
  De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de erkenningsraad.

  Art. 89. § 1. Worden als bevoegd erkend de apothekers, houders van het diploma van ziekenhuisapotheker, afgeleverd door een door het Rijk erkende universiteit.
  § 2. Kunnen (worden erkend), de personen die gedurende ten minste één jaar een passende theoretische en praktische opleiding hebben genoten en voldoen aan een door de Raad georganiseerd technisch bevoegdheidsexamen; het programma van dat examen wordt door Ons bepaald na advies van de Raad. <KB 2001-04-19/50, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
  § 3. Overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 6 juni 1960 betreffende de fabricatie, de bereiding en distributie in het groot en de terhandstelling van geneesmiddelen, worden de officina-apothekers van ambtswege erkend voor de aflevering van artikelen die in steriele vorm worden verstrekt.
  § 4. De erkenning kan worden beperkt tot het afleveren van bepaalde vestrekkingen. Die vermelding komt voor op het erkenningsgetuigschrift.

  E.
  <Opgeheven bij KB 2014-06-29/25, art. 11, 223; Inwerkingtreding : 24-08-2014>

  Art. 90.
  <Opgeheven bij KB 2014-06-29/25, art. 11, 223; Inwerkingtreding : 24-08-2014>

  Art. 91.
  <Opgeheven bij KB 2014-06-29/25, art. 11, 223; Inwerkingtreding : 24-08-2014>

  Art. 92.
  <Opgeheven bij KB 2014-06-29/25, art. 11, 223; Inwerkingtreding : 24-08-2014>

  Art. 93. (Opgeheven) <KB 2006-09-28/45, art. 2, 133; Inwerkingtreding : 01-11-2006>

  F. Erkenningsraad voor opticiens.

  Art. 94. De erkenningsraad voor opticiens is samengesteld uit: 1° De erkenningsgraad voor opticiens is samengesteld uit:
  1° de voorzitter;
  2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, door de Minister gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van opticiens;
  3° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister;
  4° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.

  Art. 95. De Erkenningsraad voor opticiens heeft tot taak (de personen te erkennen) die hij als bevoegd erkent om de rechthebbenden van de verzekering de brillen en oogprothesen te verstrekken welke luidens de vorenbedoelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen, in de bevoegdheid vallen van de opticiens. <KB 2001-04-19/50, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
  De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de erkenningsraad.

  Art. 96.§ 1. [1 Worden als bevoegd erkend de personen welke houder zijn van één van de akten bedoeld in artikel 18, 1° en 2° en in artikel 26bis, § 2, van het koninklijk besluit van 21 december 2006 betreffende de beroepsbekwaamheid voor de uitoefening van zelfstandige activiteiten op het gebied van lichaamsverzorging, van opticien, dentaaltechnicus en begrafenisondernemer.]1
  § 2. [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2011-12-05/24, art. 1, 188; Inwerkingtreding : 01-03-2012>

  Art. 97. Kunnen (worden erkend) de personen die sedert ten minste drie jaar het beroep van opticien uitoefenen hetzij als ondernemingshoofd, hetzij als technicus in dienst bij een opticien. <KB 2001-04-19/50, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
  De Raad beoordeelt de omstandigheden van de beroepsopleiding en de beroepsbekwaamheid van de kandidaten en legt hun, in voorkomend geval, een technisch bevoegdheidsexamen op dat hij inricht; het programma van dat examen wordt door de Koning bepaald na advies van de erkenningsraad.

  Art. 98. De personen die niet voldoen aan de in artikel 97, eerste lid, gestelde voorwaarden, kunnen eveneens (worden erkend) mits zij sedert ten minste één jaar hun beroep uitoefenen als ondernemingshoofd of als technicus in dienst bij een opticien of mits zij, als apotheker, sedert ten minste drie jaar brillen en ook oogprothesen afleveren en zij, in elk geval, voldoen aan een door de Raad ingericht technisch bevoegdheidsexamen; het programma van dat examen wordt door de Koning bepaald na advies van de erkenningsraad. <KB 2001-04-19/50, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>

  Fbis.
  <Opgeheven bij KB 2014-06-29/25, art. 12, 223; Inwerkingtreding : 24-08-2014>

  Art. 98bis.
  <Opgeheven bij KB 2014-06-29/25, art. 12, 223; Inwerkingtreding : 24-08-2014>

  Art. 98ter.
  <Opgeheven bij KB 2014-06-29/25, art. 12, 223; Inwerkingtreding : 24-08-2014>

  Art. 98quater.
  <Opgeheven bij KB 2014-06-29/25, art. 12, 223; Inwerkingtreding : 24-08-2014>

  G. Gemene bepalingen ter zake van de erkenningsraden.

  Art. 99. (§ 1.) De leden van de erkenningsraden worden benoemd voor zes jaar. Hun mandaat kan om de drie jaar per helft worden hernieuwd. <KB 2002-12-10/32, art. 9, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
  Het mandaat der leden van genoemde raden werd evenwel voor het eerst hernieuwd op 1 januari 1967 en de uittredende leden werden bij loting aangewezen.
  Het mandaat der uittredende leden kan worden hernieuwd.
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn raad. Het aldus aangewezen nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
  (§ 2. Nochtans worden de leden van de erkenningsraad voor kinesitherapeuten benoemd voor vier jaar.
  Het mandaat van de uittredende leden is hernieuwbaar.
  Binnen de drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn raad. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.) <KB 2002-12-10/32, art. 9, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>

  Art. 100. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
  Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter die door de Koning wordt benoemd onder de in artikel 215, § 3, van de gecoördineerde wet gestelde voorwaarden.

  Art. 101. Alle leden van de erkenningsraden zijn stemgerechtigd.

  Art. 102. De erkenningsraden worden door hun voorzitter in vergadering bijeengeroepen.
  Een raad houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig is.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen, er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij stemmenstaking is het voorstel afgewezen.

  Art. 103. De functies van secretaris en adjunct-secretaris van de erkenningsraden worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van genoemde dienst.

  Art. 104. De erkenning wordt behouden door de personen die daarom verzoeken en die, op 31 december 1963, erkend zijn bij toepassing van de bepalingen van het organiek koninklijk besluit van 22 september 1955 van de ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  Die erkenning heeft evenwel slechts betrekking op de verstrekkingen waarvoor die personen als bevoegd erkend waren hetzij bij toepassing van de voorheen geldende tarieven voor geneeskundige verzorging, hetzij volgens de vermelding op het erkenningsgetuigschrift.
  Die personen kunnen evenwel verzoeken dat een uitbreiding van hun bevoegdheid wordt erkend; daartoe moeten zij een technisch examen afleggen waarvan het programma door de Koning wordt bepaald na advies van de erkenningsraad.

  Art. 105. Ieder erkend persoon behoort de doktersvoorschriften stipt in acht te nemen.

  Art. 106. (opgeheven) <KB 2001-04-19/50, art. 4, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>

  Art. 106bis. <Ingevoegd bij KB 1996-10-30/33, art. 2, Inwerkingtreding : 03-12-1996> Elk van die Erkenningsraden maakt zijn huishoudelijk reglement dat het Verzekeringscomité ter goedkeuring wordt voorgelegd.

  Afdeling XI. - College van [1 artsen-directeurs]1.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 107.Het krachtens artikel 23 van de gecoördineerde wet ingestelde College van [1 artsen-directeurs]1 is samengesteld uit:
  1° een voorzitter, (...); <KB 1998-06-02/46, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 17-07-1998>
  2° (twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden), doctors in de geneeskunde of artsen, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid; elke verzekeringsinstelling draagt onder haar kandidaten de [1 arts]1 voor die met haar geneeskundige directie is belast; <KB 1998-06-02/46, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 17-07-1998>
  3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, doctors in de geneeskunde of artsen, ambtenaren van de Dienst voor geneeskundige verzorging.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 108.De leden van het College van [1 artsen-directeurs]1 worden door de Koning benoemd voor zes jaar.
  Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van het College van [1 artsen-directeurs]1. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooid het mandaat van het lid dat hij vervangt.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 109. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
  Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter die door de Koning wordt benoemd onder de in artikel 23, § 5, van de gecoördineerde wet gestelde voorwaarden.

  Art. 110.Het College van [1 artsen-directeurs]1 houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig is.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 110bis.<ingevoegd bij AR 2000-02-14/37, art. 1, 048; Inwerkingtreding : 2000-04-01> De opdrachten van het College van [2 artsen-directeurs]2 die betrekking (heb ben op) tegemoetkomingen door de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging ten voordele van individuele rechthebbenden voor de verstrekkingen voorzien in de artikelen 23, § 1, [1 ...]1 en 25, § 2, van de gecoördineerde wet worden eveneens geldig uitgevoerd door een afzonderlijk optredend lid van het College op voorwaarde dat deze beslissingsbevoegdheid niet uitgeoefend wordt door een lid dat tewerkgesteld is bij de verzekeringsinstelling waarbij de belanghebbende rechthebbende aangesloten of ingeschreven is. Het College waakt, door de procedure voorzien in zijn huishoudelijk reglement, over de eenvormigheid van de aldus genomen beslissingen. <Erratum, zie B.St. 08.04.2000, p. 11088>
  ----------
  (1)<KB 2009-03-30/16, art. 2, 163; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 111.Het College van [1 artsen-directeurs]1 wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van het Verzekeringscomité, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 112.De functies van secretaris en adjunct-secretaris van het College van [1 artsen-directeurs]1 worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van bedoelde dienst.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 113.Het College van [1 artsen-directeurs]1 maakt zijn huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan het Verzekeringscomité.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Afdeling XII. - Raad voor advies inzake revalidatie.

  Art. 114.De in artikel 24, § 4, van de gecoördineerde wet bedoelde Raad voor advies inzake revalidatie wordt in vergadering bijeengeroepen door de voorzitter hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op verzoek van het Verzekeringscomité, hetzij op verzoek van het College van [1 artsen-directeurs]1, hetzij op schriftelijk verzoek van ten minste drie leden; de bijeenroeping vermeldt het onderwerp van de vergadering.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 115.De voorzitter maakt de adviezen van de Raad voor advies inzake revalidatie over aan het Verzekeringscomité, na ze te hebben meegedeeld aan het College van [1 artsen-directeursgen]1 bijvoegt.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 116. (De leden van de Raad voor advies inzake revalidatie worden benoemd voor vier jaar. Het mandaat van de uittredende leden is hernieuwbaar.) <KB 2002-12-10/32, art. 10, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat geen deel meer uitmaakt van de raad. Het nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
  Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.

  Art. 117. De Raad van advies inzake revalidatie houdt op geldige wijze zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig is. De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij stemmenstaking is het voorstel afgewezen.

  Art. 118. De functies van secretaris en adjunct-secretaris van de Raad voor advies inzake revalidatie worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van deze dienst.

  Art. 119. De Raad voor advies inzake revalidatie maakt zijn huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan het Verzekeringscomité.

  Afdeling XIII. - (Het Nationaal college van adviserend [1 artsen]1 en de lokale colleges). <KB 2003-04-04/93, art. 1, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 120.<KB 1997-08-29/41, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997> Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging wordt een Nationaal college van adviserend [1 artsen]1 ingesteld. Dit college heeft tot opdracht :
  1° een huishoudelijk reglement op te maken;
  2° (de opvolging verzekeren van de in artikel 153 van dit besluit en van de in artikel 8, § 7, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, bedoelde beslissingen van de adviserend [1 artsen]1 en van de door hen vastgestelde onregelmatigheden.) <KB 2003-04-04/93, art. 2, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  Daartoe bezorgen de adviserend [1 artsen]1 elk kwartaal aan het college, via hun medische directie en volgens de door dit college vastgestelde modaliteiten, de statistische informatie betreffende hun beslissingen en vaststellingen van onregelmatigheden.
  Het college verricht het lichamelijk onderzoek bij de rechthebbenden als het dat nodig acht en wijzigt eventueel de door de adviserend [1 arts]1 genomen beslissing. De beslissing van het college kan geen terugwerkende kracht hebben. Zij blijft geldig voor een periode van maximum één jaar.
  Van die beslissing wordt kennis gegeven aan de rechthebbende, aan de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten of ingeschreven, aan de inrichting waar hij is opgenomen of aan de verpleegkundige (associatie, groepspraktijk, dienst voor thuisverpleging) die instaat voor de in het kader van de thuisverpleging vereiste zorg. <KB 2003-04-04/93, art. 2, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  Het college kan, als het dat nuttig acht, nagaan of in een bepaalde inrichting de reglementaire normen inzake de aanwezigheid van het personeel die zijn vastgesteld krachtens artikel 37, § 12, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, worden nageleefd, alsook of de door (de in hetzelfde artikel bedoelde tegemoetkoming) gedekte verzorging daadwerkelijk wordt verleend. Daartoe kan het aan het genoemde personeel en aan de directie van de inrichting alle informatie vragen die het nuttig acht voor de uitvoering van deze opdracht; <KB 2003-04-04/93, art. 1, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  3° de in artikel 34, 11° en 12°, van de in de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 bedoelde diensten en instellingen, met name aan de hand van statistische gegevens die het op zijn verzoek door bedoelde diensten of instellingen zijn bezorgd, te controleren op de wijze waarop ze de wettelijke en reglementaire bepalingen met betrekking tot de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen naleven.
  Op verzoek van de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging, gelast het Nationaal college van adviserend [1 artsen]1 sommige van zijn leden een enquête ter plaatse te verrichten om na te gaan of de afhankelijkheidscategorieën waarin de gehuisveste rechthebbenden zijn ondergebracht, de in de artikelen 150 en 151 gestelde voorwaarden vervullen en of de inrichting de in artikel 152, § 4, vastgestelde voorschriften toepast. Het Nationaal college brengt, binnen zestig dagen na de voormelde aanvraag, van die enquête verslag uit bij de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging;
  4° het (de vastgestelde onregelmatigheden rapporteren) aan de betrokken organen, namelijk de Dienst voor administratieve controle voor de aanwezigheid van het personeel, de Dienst voor geneeskundige controle voor de daadwerkelijke uitvoering van de verstrekkingen en (de Dienst voor geneeskundige verzorging voor de andere vastgestelde onregelmatigheden). Deze onregelmatigheden worden door het college ingezameld volgens de bepalingen zoals vermeld in punt 2°; <KB 2003-04-04/93, art. 2, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  5° het bezorgen, via de medische directies, van bijkomende informatie aan adviserend [1 artsen]1 om te komen tot meer gerichte controles;
  6° de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging jaarlijks verslag uit te brengen van zijn activiteiten.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 121.Het Nationaal college van adviserend [1 artsen]1 is samengesteld uit (dertien werkende en dertien plaatsvervangende leden), adviserend [1 artsen]1, gekozen uit kandidaten die in dubbel aantal van dat van de toe te wijzen mandaten door de verzekeringsinstellingen worden voorgedragen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt er rekening gehouden met haar respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid. <KB 1997-08-29/41, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>
  De leden worden door de Koning benoemd.
  Het college stelt onder zijn leden een voorzitter aan.
  De leden van het Nationaal college van adviserend [1 artsen]1 worden benoemd voor zes jaar. Het mandaat loopt om de drie jaar af voor de helft van de leden. Het mandaat van de helft van de leden werd voor het eerst hernieuwd op 1 januari 1986 en de uittredende leden werden bij loting aangewezen.
  Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van het Nationaal college van adviserend [1 artsen]1. het aldus aangestelde lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 122.(§ 1.) Het Nationaal college van adviserend [2 artsen]2 houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van de leden aanwezig is. <KB 2003-04-04/93, art. 3, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  Alle leden van het Nationaal college zijn stemgerechtigd. De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
  (Derde lid opgeheven) <KB 2003-04-04/93, art. 3, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  De functies van secretaris en adjunct-secretaris van het Nationaal college van adviserend [2 artsen]2 worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van bedoelde dienst.
  (§ 2. Voor de uitvoering van de in artikel 120, 2°, 3° en 4° bedoelde opdrachten, richt het Nationaal college afdelingen op die zijn samengesteld uit :
  1° ten minste twee van zijn leden;
  2° adviserend [2 artsen]2 - leden of niet-leden - en/of verpleegkundigen [1 en/of kinesitherapeuten]1 die, overeenkomstig [1 artikel 153, §§ 3 en 4]1, van de gecoördineerde wet, door de adviserend [2 artsen-directeurs]2 gemandateerd zijn, ervoor zorgend dat ten minste drie verschillende verzekeringsinstellingen in de afdeling vertegenwoordigd zijn.
  § 3. Voor de uitvoering van de in artikel 120, 2°, 3° en 4° bedoelde opdrachten kan het Nationaal college een beroep doen op onder zijn toezicht geplaatste lokale colleges die zijn samengesteld uit :
  1° een adviserend [2 arts]2, provinciaal verantwoordelijk, die, op voordracht van de verzekeringsinstellingen, door het Nationaal college wordt aangewezen. Het Nationaal college kan per provincie meerdere verantwoordelijken aanwijzen die, ofwel om beurt, ofwel op grond van een geografische spreiding, die taken op zich nemen;
  2° ten minste drie adviserend [2 artsen]2 en/of verpleegkundigen [1 en/of kinesitherapeuten]1, door die adviserend [2 artsen]2 gemandateerd overeenkomstig [1 artikel 153, §§ 3 en 4]1, van de gecoördineerde wet, die voorkomen op een lijst die, op voorstel van de verzekeringsinstellingen, door het Nationaal college is opgemaakt.
  In elk lokaal college zijn ten minste drie verzekeringsinstellingen vertegenwoordigd.
  § 4. (Het lichamelijk onderzoek van elke rechthebbende wordt uitgevoerd door ten minste twee leden van de afdelingen van het Nationaal College of van de lokale colleges die hun beslissingen bij consensus nemen. Indien die twee leden het niet eens zijn, wordt de rechthebbende opnieuw onderzocht door alle leden van de afdeling of van het lokale college. De genomen beslissingen worden met een aangetekende brief van ofwel een adviserend [2 arts]2, lid van het Nationaal College, ofwel de adviserend [2 arts]2, provinciaal verantwoordelijke, aan de zorgverlener meegedeeld. Ze delen ze mee aan het secretariaat van het Nationaal College dat ze voor uitvoering doorstuurt naar de verschillende verzekeringsinstellingen.) <KB 2005-02-28/38, art. 1, 116; Inwerkingtreding : 23-03-2005>
  § 5. De procedures die door die afdelingen en lokale colleges voor de uitvoering van hun opdrachten moeten worden gevolgd, worden door het Nationaal college gedetailleerd vastgesteld in zijn huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 120, 1°.) <KB 2003-04-04/93, art. 3, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  ----------
  (1)<KB 2015-03-24/05, art. 1, 226; Inwerkingtreding : 23-04-2015>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Afdeling XIV. [1 Accreditering.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-09-19/11, art. 1, 258; Inwerkingtreding : 01-12-2017>

  Onderafdeling 1. [1 Accreditering van de artsen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-09-19/11, art. 2, 258; Inwerkingtreding : 01-12-2017>
  

  A. [1 Accrediteringsorganen voor artsen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-09-19/11, art. 2, 258; Inwerkingtreding : 01-12-2017>
  

  Art. 122bis. <Ingevoegd bij KB 2001-07-13/71, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2001> Bij de dienst voor geneeskundige verzorging worden ingesteld :
  - een Nationale raad voor kwaliteitspromotie;
  - een Accrediteringsstuurgroep;
  - een Technische accrediteringsraad;
  - een Paritair comité voor elk specialisme van de geneeskunde;
  - een Commissie van beroep.
  1. De Nationale raad voor kwaliteitspromotie.

  Art. 122ter.<Ingevoegd bij KB 2001-07-13/71, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2001> § 1. De Nationale raad voor kwaliteitspromotie is samengesteld uit de volgende vier groepen :
  1° 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden erkende huisartsen en 6 werkende en 6 plaatsvervangende [1 artsen-specialisten]1;
  2° 7 werkende en 7 plaatsvervangende leden die de universiteiten vertegenwoordigen en 7 werkende en 7 plaatsvervangende leden die de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen vertegenwoordigen;
  3° 12 werkende en 12 plaatsvervangende leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen;
  4° 3 werkende en 3 plaatsvervangende leden die de Minister bevoegd voor sociale zaken vertegenwoordigen en 3 werkende en 3 plaatsvervangende leden die de Minister bevoegd voor volksgezondheid vertegenwoordigen.
  De groepen bedoeld onder 2° en 3° bevatten enkel [1 artsen]1 als leden.
  § 2. De leden van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie worden benoemd door de Koning :
  1° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op de voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van [1 artsen]1;
  2° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op de voordracht van respectievelijk de universiteiten en de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen : waar het gaat om de universiteiten heeft elke universiteit die een volledige opleidingscyclus heeft voor het bekomen van het diploma van doctor in de geneeskunde, recht op één werkend lid en één plaatsvervangend lid.
  3° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op de voordracht van de verzekeringsinstellingen : iedere verzekeringsinstelling heeft minstens één werkend en één plaatsvervangend lid;
  4° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 4°, op de voordracht van respectievelijk de Minister bevoegd voor sociale zaken en de Minister bevoegd voor volksgezondheid.
  De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.
  § 3. De leden van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie kiezen onder de leden van de groep bedoeld in § 1, 1° een voorzitter, en drie ondervoorzitters onder de leden van de drie groepen bedoeld in § 1, 2°, 3° en 4°. Ingeval de voorzitter verhinderd is wordt de zitting afwisselend voorgezeten door één van de drie ondervoorzitters.
  § 4. De Nationale raad voor kwaliteitspromotie :
  1° beheert het evaluatiesysteem "peer review", zijnde een systeem van kritisch onderzoek door artsen van de kwaliteit van hun zorgverstrekking en inzonderheid, wanneer objectieve of op wetenschappelijke consensus gebaseerde criteria van een aanvaardbare en adequate praktijkvoering bestaan, een evaluatie van de performantie ervan met betrekking tot deze criteria, en bepaalt daartoe de onderwerpen en neemt de initiatieven voor de permanente ontwikkeling van de kwaliteit, op basis van informatie, voorstellen aanbevelingen en stimulansen;
  2° ontwikkelt aanbevelingen voor het correct gebruik van het globaal medisch dossier;
  3° ontwikkelt aanbevelingen ter bevordering van het teamwerk en van diverse samenwerkingsverbanden;
  (3°bis stelt de aanbevelingen vast van goede medische praktijk, bedoeld in artikel 73, § 3, van de gecoördineerde wet, evenals de indicatoren bedoeld in artikel 73, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, en verstrekt feedbackgegevens aan [1 artsen]1 en aan lokale kwaliteitsgroepen;) <KB 2004-12-20/33, art. 1, 114; Inwerkingtreding : 30-12-2004>
  4° neemt kennis van de werkzaamheden van de Accrediteringsstuurgroep bedoeld in artikel 122quater;
  5° geeft kennis van zijn werkzaamheden aan de Accrediteringsstuurgroep.
  De Nationale raad voor kwaliteitspromotie vervult de opdrachten bedoeld in 4° en 5° met het oog op de inhoudelijke coördinatie van werkzaamheden.
  § 5. De Nationale raad voor kwaliteitspromotie stelt zijn huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
  1° de Nationale raad voor kwaliteitspromotie houdt op geldige wijze zitting indien de helft van de stemgerechtigde leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn;
  2° de beslissingen van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie zijn aangenomen indien ze door de meerderheid van de aanwezige leden van (drie van de vier groepen bedoeld in § 1) worden goedgekeurd; alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen zijn stemgerechtigd; <KB 2004-12-20/33, art. 1, 114; Inwerkingtreding : 30-12-2004>
  3° de Nationale raad voor kwaliteitspromotie bevat een werkgroep huisartsgeneeskunde. De Nationale raad voor kwaliteitspromotie kan andere werkgroepen instellen;
  4° bij het uitoefenen van zijn opdracht bedoeld in § 4, 1°, kan de Nationale raad voor kwaliteitspromotie op conceptueel en implementeringsvlak een beroep doen op de instanties die hij daartoe aanwijst, met inbegrip van de paritaire comités bedoeld in de artikelen 122sexies en 122septies;
  5° de voorzitter roept de Nationale raad voor kwaliteitspromotie zonder uitstel bijeen indien tenminste drie leden schriftelijk vragen een bepaald onderwerp op de agenda te plaatsen.
  § 6. De instantie die het secretariaat waarneemt informeert tegelijkertijd de Minister bevoegd voor sociale zaken en de Minister bevoegd voor volksgezondheid, omtrent de stand van zaken en de vordering van de werkzaamheden van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie. Werkdocumenten, adviezen op eigen initiatief of op vraag van één of beide ministers worden telkens aan beide bovengenoemde ministers overgemaakt.
  2. De Accrediteringsstuurgroep.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 122quater.<Ingevoegd bij KB 2001-07-13/71, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2001> § 1. De Accrediteringsstuurgroep is samengesteld uit de volgende drie groepen :
  1° 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden erkende huisartsen en 6 werkende en 6 plaatsvervangende [2 artsen-specialisten]2;
  2° 7 werkende en 7 plaatsvervangende leden die de universiteiten vertegenwoordigen en 7 werkende en 7 plaatsvervangende leden die de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen vertegenwoordigen;
  3° 12 werkende en 12 plaatsvervangende leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen.
  Een [2 arts]2, die het Ministerie van Volksgezondheid vertegenwoordigt, maakt met raadgevende stem deel uit van de Accrediteringsstuurgroep.
  § 2. De leden van de Accrediteringsstuurgroep worden benoemd door de Koning :
  1° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van [2 artsen]2;
  2° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op voordracht van respectievelijk de universiteiten en de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen : waar het gaat om de universiteiten heeft elke universiteit die een volledige opleidingscyclus heeft voor het bekomen van het diploma van doctor in de geneeskunde, recht op één werkend lid en één plaatsvervangend lid;
  3° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op voordracht van de verzekeringsinstellingen: om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen.
  De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.
  § 3. De Accrediteringsstuurgroep omvat een afdeling voor huisartsgeneeskunde en een voor gespecialiseerde geneeskunde, waarbij een minimumaantal zelfde leden van de Stuurgroep zowel in de ene als in de andere afdeling zitting hebben.
  De afdelingen kunnen samen vergaderen als de Accrediteringsstuurgroep van oordeel is dat zijn opdrachten zo beter kunnen worden uitgevoerd.
  § 4. De Accrediteringsstuurgroep kiest onder zijn leden een voorzitter en een medevoorzitter voor elk van de twee afdelingen waarin is voorzien in § 3. De oudste voorzitter in jaren van de twee afdelingen zit de Accrediteringsstuurgroep voor.
  § 5. De Accrediteringsstuurgroep :
  1° beheert de uitvoering van de accrediteringsvoorwaarden en procedures;
  2° beheert het systeem van continue opleiding;
  3° erkent de programma's van continue opleiding die hem door de paritaire comités worden voorgelegd of beslist, in voorkomend geval over de waardering en de erkenning van de programma's indien een paritair comité geen voorstellen doet of geen beslissing kan nemen zoals bedoeld in artikel 122septies, § 6, 2°;
  4° superviseert en coördineert de werking van de paritaire comités met betrekking tot de continue opleiding;
  5° geeft kennis van zijn werkzaamheden aan de Nationale raad voor kwaliteitspromotie;
  6° neemt kennis van de werkzaamheden van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie zoals bedoeld in artikel 122ter, § 4;
  7° beslist over de accreditering van individuele [2 artsen]2.
  De opdrachten bedoeld in 5° en 6° worden vervuld met het oog op de inhoudelijke coördinatie van de werkzaamheden, inzonderheid wat betreft het beheer van het systeem van continue opleiding bedoeld in 2°.
  § 6. De Accrediteringsstuurgroep stelt zijn huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
  1° [1 de Accrediteringsstuurgroep houdt op geldige wijze zitting indien de helft van de stemgerechtigde leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn; indien deze aanwezigheidsvereiste niet voor elke groep is vervuld worden de geagendeerde punten verdaagd tot de volgende vergadering, waar er kan worden beslist zonder dat aan de aanwezigheidsvereiste is voldaan;]1
  2° de beslissingen van de Accrediteringsstuurgroep zijn aangenomen indien ze door de meerderheid van de aanwezige leden van elke groep worden goedgekeurd; alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen zijn stemgerechtigd;
  3° de Accrediteringsstuurgroep kan werkgroepen instellen.
  3. De Technische accrediteringsraad.
  ----------
  (1)<KB 2013-04-25/05, art. 1, 201; Inwerkingtreding : 20-05-2013>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 122quinquies. <Ingevoegd bij KB 2001-07-13/71, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2001> § 1. De Technische accrediteringsraad is samengesteld uit leden van de Accrediteringsstuurgroep en telt telkens vier werkende en vier plaatsvervangende leden aangesteld door elke groep bedoeld in artikel 122quater, § 1.
  § 2. De leden van de Technische accrediteringsraad kiezen onderling bij meerderheid van stemmen een voorzitter, een ondervoorzitter en een secretaris, met inachtname van de voorwaarde dat elk van de drie samenstellende groepen is vertegenwoordigd.
  § 3. De Technische accrediteringsraad geeft adviezen en werkt voorstellen uit over elke vraag die de Accrediteringsstuurgroep hem voorlegt in verband met zijn opdrachten bedoeld in artikel 122quater, § 5.
  § 4. De Technische accrediteringsraad maakt zijn huishoudelijk reglement op grond van de volgende werkingsregels :
  1° de Technische accrediteringsraad houdt op geldige wijze zitting indien ten minste de helft van de effectieve of plaatsvervangende leden aanwezig is en tenminste elke groep vertegenwoordigd is. De werkzaamheden worden geleid door de voorzitter of, als de voorzitter verhinderd is, door de ondervoorzitter. Als de voorzitter en de ondervoorzitter afwezig zijn wordt de vergadering voorgezeten door het oudste lid in leeftijd;
  2° uitsluitend een werkend lid is stemgerechtigd en een plaatsvervangend lid is stemgerechtigd indien het werkend lid dat hij vervangt niet aanwezig is. De beslissingen worden in principe genomen via consensus. Indien er geen consensus wordt bereikt, worden de meningen per groep genotuleerd;
  3° de Technische accrediteringsraad kan op unaniem voorstel van de voorzitter, de ondervoorzitter en de secretaris of op voorstel van de meerderheid van de leden met instemming van de voorzitter, de ondervoorzitter en de secretaris, en met het oog op de behandeling van bijzondere technische problemen ieder persoon van wie hij oordeelt dat hij hem kan voorlichten, voor de vergadering oproepen;
  4° de Technische accrediteringsraad kan in zijn schoot werkgroepen instellen die hij belast met een voorafgaand onderzoek van een probleem. In de werkgroep zijn de drie groepen vertegenwoordigd. Elke werkgroep wordt voorgezeten door een lid van de Technische accrediteringsraad dat is aangeduid door de voorzitter, de ondervoorzitter en de secretaris. Elke werkgroep mag de deskundigen horen die het nodig acht mits instemming van de Technische accrediteringsraad.
  4. De paritaire comités.

  Art. 122sexies. <Ingevoegd bij KB 2001-07-13/71, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2001> Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging worden paritaire comités ingesteld voor :
  - huisartsgeneeskunde;
  - anesthesiologie-reanimatie;
  - heelkunde;
  - neurochirurgie;
  - plastische heelkunde;
  - gynaecologie en verloskunde;
  - oftalmologie;
  - otorhinolaryngologie;
  - urologie;
  - orthopedie;
  - stomatologie;
  - dermato-venerologie;
  - inwendige geneeskunde;
  - pneumologie;
  - gastro-enterologie;
  - kindergeneeskunde;
  - cardiologie;
  - neurologie;
  - psychiatrie;
  - reumatologie;
  - fysische geneeskunde;
  - klinische biologie;
  - röntgendiagnose;
  - radiotherapie;
  - nucleaire geneeskunde;
  - pathologische anatomie.
  (- urgentiegeneeskunde en acute geneeskunde;
  - geriatrie;
  - medische oncologie.) <KB 2008-08-21/37, art. 1, 154; Inwerkingtreding : 15-09-2008>

  Art. 122septies.<Ingevoegd bij KB 2001-07-13/71, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2001> § 1. Het paritair comité voor de huisartsgeneeskunde is samengesteld uit de volgende twee groepen :
  1° vierentwintig leden die de representatieve beroepsorganisaties van [2 artsen]2 vertegenwoordigen;
  2° vierentwintig leden die de universiteiten, de wetenschappelijke verenigingen en de kringen voor continue opleiding vertegenwoordigen.
  Alle andere paritaire comités zijn samengesteld uit de volgende twee groepen :
  1° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden die de representatieve beroepsorganisaties van [2 artsen]2 vertegenwoordigen;
  2° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden die de universiteiten, de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen en de kringen voor continue opleiding vertegenwoordigen.
  De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.
  § 2. Het Paritair comité voor de huisartsgeneeskunde bevat enkel erkende huisartsen als leden; de andere paritaire comités bevatten enkel [2 artsen-specialisten]2 als leden.
  § 3. De leden van de paritaire comités worden benoemd door de Koning :
  1° wat betreft de leden bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, en § 1, tweede lid, 1°, op de voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van [2 artsen]2;
  2° wat betreft de leden bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, en § 1, tweede lid, 2°, op de voordracht van de universiteiten, de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen en de kringen voor continue opleiding.
  § 4. De leden van elk paritair comité kiezen onder de leden van de groepen bedoeld in § 1 een voorzitter, een ondervoorzitter en een secretaris.
  § 5. De paritaire comités, elk wat betreft hun specialisme :
  1° leggen de opgemaakte of aanvaarde programma's van continue opleiding, samen met de waardebepaling ervan, ter erkenning voor aan de Accrediteringsstuurgroep bedoeld in artikel 122quater;
  2° houden toezicht op de uitvoering van de continue opleiding, onder supervisie van de Accrediteringsstuurgroep;
  3° voeren desgevallend de opdracht uit inzake het evaluatiesysteem "peer review", zoals omschreven in artikel 122ter, § 4, 1°, onder de supervisie van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie.
  § 6. De paritaire comités stellen wat betreft hun opdracht bedoeld in § 5, 1° en 2°, hun huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
  1° [1 de paritaire comités houden op geldige wijze zitting indien de helft van de stemgerechtigde leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn; indien deze aanwezigheidsvereiste niet voor elke groep is vervuld worden de geagendeerde punten verdaagd tot de volgende vergadering, waar er kan worden beslist zonder dat aan de aanwezigheidsvereiste is voldaan;]1
  2° de beslissingen van de paritaire comités zijn aangenomen indien ze door de meerderheid van de aanwezige leden van elke groep worden goedgekeurd; in de paritaire comités bedoeld in § 1, tweede lid, zijn alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen stemgerechtigd;
  3° elk paritair comité kan werkgroepen oprichten, eventueel opgesplitst per regio, en de leden ervan aanstellen : de samenstelling van elke werkgroep is een emanatie van het paritair comité dat hem opricht.
  5. De Commissie van beroep.
  ----------
  (1)<KB 2013-04-25/05, art. 2, 201; Inwerkingtreding : 20-05-2013>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 122octies.<Ingevoegd bij KB 2001-07-13/71, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2001> § 1. De Commissie van beroep is samengesteld uit de volgende groepen :
  1° 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden die de representatieve beroepsorganisaties van [1 artsen]1 vertegenwoordigen;
  2° 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden die de universiteiten en de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen vertegenwoordigen;
  3° 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen;
  De groep bedoeld in 1° telt twee werkende en twee plaatsvervangende leden erkende huisartsen en twee werkende en twee plaatsvervangende leden [1 artsen-specialisten]1.
  De leden van de Commissie van beroep mogen geen lid zijn van de Nationale commissie [1 artsen-ziekenfondsen]1 of van de Accrediteringsstuurgroep.
  De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.
  § 2. De leden van de Commissie van beroep worden benoemd door de Koning:
  1° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van [1 artsen]1;
  2° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op voordracht van de universiteiten en de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen;
  3° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op voordracht van de verzekeringsinstellingen.
  § 3. De Commissie van beroep kiest een voorzitter onder de leden van een van de groepen bedoeld in § 1 en twee ondervoorzitters onder de leden van de twee andere groepen bedoeld in dezelfde bepaling. Ingeval de voorzitter verhinderd is wordt de zitting afwisselend voorgezeten door één van de twee ondervoorzitters.
  § 4. De Commissie van beroep onderzoekt en beslist over het beroep dat bij haar kan worden ingesteld door individuele [1 artsen]1 tegen de hen betreffende beslissingen getroffen door de Accrediteringsstuurgroep in uitvoering van zijn opdracht bedoeld in artikel 122quater, § 5, 7°.
  § 5. De Commissie van beroep stelt haar huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
  1° het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid bij de Commissie van beroep ingediend met een per post aangetekende brief binnen zestig dagen te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van de beslissing van de Accrediteringsstuurgroep. Indien de termijn verstrijkt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, wordt hij verlengd tot de volgende werkdag;
  2° het beroepschrift bevat :
  - alle motieven en alle stukken die worden aangevoerd tegen de beslissing;
  - een kopie van de kennisgeving van de beslissing;
  3° de Commissie van beroep vergadert geldig indien vier werkende of plaatsvervangende leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn;
  indien de aanwezigheidsvereiste bedoeld in de eerste alinea niet is vervuld, worden de geagendeerde punten verdaagd tot de volgende vergadering;
  alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen zijn stemgerechtigd;
  4° de hele procedure voor de Commissie van beroep verloopt schriftelijk. Ter zitting onderzoekt de Commissie van Beroep alle stukken. Ze beraadslaagt met gesloten deuren en haar beraadslagingen zijn geheim;
  5° over elke ontvankelijk beroepschrift wordt gestemd. Een beroepschrift kan enkel gegrond worden verklaard door een meerderheid van de leden van de Commissie van beroep. In alle andere gevallen is het beroepschrift ongegrond.
  B. Accrediteringsorganen voor tandheelkundigen <Ingevoegd bij KB 2007-12-20/45, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  B. [1 Voorwaarden en procedures voor de individuele accreditering van de arts.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-09-19/11, art. 3, 258; Inwerkingtreding : 01-12-2017>
  

  Art. 122octies/1. [1 § 1. Teneinde voor accreditering in aanmerking te komen dient elke arts :
   1) zijn hoofdactiviteit in België uit te oefenen;
   2) erkend te zijn als huisarts of arts-specialist;
   3) een navorming volgen;
   4) zijn volledige medewerking te verlenen aan initiatieven tot kwaliteitsevaluatie georganiseerd voor de betrokken discipline door de ambtsgenoten en minimaal te zijn ingeschreven in een lokale kwaliteitsgroep bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut van ziekte- en invaliditeitsverzekering;
   5) tijdens het voorgaande kalenderjaar een activiteitsdrempel te hebben bereikt, zoals vastgesteld door de minister op voorstel van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen. Deze voorwaarde geldt niet voor artsen tijdens de eerste vier praktijkjaren;
   6) De continuïteit van de verzorging te verzekeren overeenkomstig de bepalingen van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015.
   Daarenboven dient elke huisarts
   7) een medisch dossier per patiënt bij te houden en alle gegevens van dat dossier die nuttig zijn voor het vaststellen van de diagnose en van de behandeling, met toestemming van de patiënt uit te wisselen met elke andere arts die door de patiënt wordt geraadpleegd en/of die hem verzorgt.
   Daarenboven dient elke arts-specialist
   8) met toestemming van de patiënt alle nuttige medische gegevens inzake diagnose en behandeling per patiëntendossier aan de huisarts die door de patiënt wordt geraadpleegd en/of die hem verzorgt, mee te delen en met hem uit te wisselen.
   § 2 . De in § 1 voorgeschreven voorwaarden blijven van toepassing gedurende periodes van accreditering. Een arts die niet meer aan deze voorwaarden voldoet, verliest met ingang van de maand volgend op de maand waarin de niet meer aan de voorwaarden is voldaan de accreditering en het recht daarop.
   § 3. De modaliteiten tot vaststelling en verificatie van de in § 1 voorgeschreven voorwaarden worden vastgelegd door de minister op voorstel van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-09-19/11, art. 4, 258; Inwerkingtreding : 01-12-2017>
  

  Art. 122octies/2. [1 De arts dient de aanvraag tot accreditering in bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut van ziekte- en invaliditeitsverzekering, Afdeling relaties met de artsen, overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd door de minister op voorstel van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen.
   Elke aanvraag wordt voorzien van de nodige bewijsstukken, overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd door de minister op voorstel van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen.
   Middels deze aanvraag verbindt de arts zich ertoe te voldoen en te blijven voldoen aan de voorwaarden opgesomd in artikel122octies/1 § 1. Daarenboven verbindt de arts zich ertoe te voldoen aan de navormingsvoorwaarden voorgeschreven in artikel122octies/4.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-09-19/11, art. 4, 258; Inwerkingtreding : 01-12-2017>
  

  Art. 122octies/3. [1 Een accreditering kan worden toegekend voor een periode van één of meerdere accrediteringsjaren. Deze accrediteringsjaren vangen steeds aan op de eerste dag van een maand.
   Elke accrediteringsperiode is opgebouwd uit één of meerdere referentieperiodes van 12 maanden. Deze referentieperiodes vangen aan 2 maanden voor het begin van de accrediteringsjaren voornoemd in het eerste lid en eindigen 2 maanden voor het einde van de accrediteringsjaren voornoemd in het eerste lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-09-19/11, art. 4, 258; Inwerkingtreding : 01-12-2017>
  

  Art. 122octies/4. [1 Tijdens elke referentieperiode rust op de arts de verplichting zich bij te scholen. De modaliteiten en voorwaarden van deze navorming worden vastgelegd door de minister op voorstel van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen. De navorming omvat ten minste de verplichting tot het verwerven van 20 credit points waaronder 3 credit points in het deelgebied ethiek en economie en 2 deelnames aan de vergaderingen van de lokale evaluatiegroep van de medische kwaliteit waarbij men is ingeschreven per referentieperiode van 12 maanden zoals bepaald in artikel122 octies/3.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-09-19/11, art. 4, 258; Inwerkingtreding : 01-12-2017>
  

  Art. 122octies/5. [1 § 1. Artsen kunnen een accrediteringsaanvraag voor de aanvang van hun activiteitindienen vanaf de dag dat hun erkenning tot huisarts of arts-specialist bij de bevoegde overheid is aangevraagd en tot drie maanden na de dag waarop deze erkenning is uitgevaardigd.
   De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag.
   De artsen, die op het moment van hun erkenning of binnen de drie maanden na hun erkenning een opleiding volgen die bij hun specialisme aansluit, of naar het buitenland vertrekken om er geneeskunde te beoefenen kunnen aan het einde van die bijkomende opleiding of van die beroepsactiviteit in het buitenland de accreditering voor de aanvang van hun activiteitbekomen indien zij uiterlijk binnen de drie maanden na aanvang van hun activiteit in de verplichte ziekteverzekering een bewijs indienen van hun periode van bijkomende opleiding respectievelijk hun activiteit in het buitenland en tevens de voormelde startersaanvraag indienen.
   De periode van de accreditering voor de aanvang van hun activiteit bedraagt één accrediteringsjaar en vangt aan op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de Dienst zowel de aanvraag tot accreditering als het erkenningsbesluit heeft ontvangen.
   In de gevallen bepaald in § 1 lid 3 vangt de accreditering voor de aanvang van hun activiteitmits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de ontvangst van de conforme aanvraag.
   § 2. Artsen die zich niet bevinden in de aanvangsperiode van hun activiteit in de zin van paragraaf 1 worden beschouwd als gevestigde artsen.
   Gevestigde artsen kunnen een eerste accreditering verkrijgen mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/1 § 1 en gedurende de periode van twaalf maanden die aan de aanvraag vooraf gaat een navorming werd gevolgd gelijk aan deze als gespecificeerd in artikel122octies/4.
   De accreditering voor gevestigde artsen wordt toegekend voor een periode van drie accrediteringsjaren en vangt mits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de Dienst een conforme aanvraag heeft ontvangen.
   § 3. De verlenging van een bestaande accreditering kan worden verkregen op voorwaarde dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/1 § 1 en gedurende de referentieperiode(n) van de te verlengen accrediteringsperiode werd voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/4.
   Een aanvraag tot verlenging moet ten laatste 2 maanden vóór het verstrijken van de lopende accrediteringsperiode worden ingediend.
   De verlenging wordt toegekend voor een periode van drie accrediteringsjaren en vangt mits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de Dienst een conforme aanvraag heeft ontvangen en ten vroegste na afloop van de voorafgaande accrediteringsperiode.
   § 4. Een hernieuwing van accreditering kan worden toegekend aan artsen aan welke voorheen een accreditering werd toegekend welke reeds is afgelopen of welke aflopen zal in een periode minder dan 2 maanden na de indiening van de aanvraag, mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/1 § 1 en mits gedurende de referentieperiode(n) van de af te lopen of afgelopen accrediteringsperiode werd voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/4.
   De hernieuwing wordt toegekend voor een periode van drie accrediteringsjaren en vangt mits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de Dienst een conforme aanvraag heeft ontvangen en ten vroegste na afloop van de voorafgaande accrediteringsperiode.
   In uitzondering op lid 1 kan een hernieuwing worden toegekend indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/4 gedurende de referentieperiode(n) van de af te lopen of afgelopen accrediteringsperiode mits de arts niet in een periode verkeert waarin deze van het recht op accreditering vervallen is verklaard overeenkomstig artikel122octies/7 en mits deze in de periode van twaalf maanden die aan de aanvraag vooraf gaat een navorming heeft gevolgd gelijk aan deze als gespecificeerd in artikel.122octies/4.
   In dergelijk geval wordt de hernieuwing toegekend voor een periode van één accrediteringsjaar en vangt mits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de Dienst een conforme aanvraag heeft ontvangen en ten vroegste na afloop van de voorafgaande accrediteringsperiode.
   Elk beroep voorgelegd aan het orgaan gepreciseerd in artikel122octies wordt beschouwd als een aanvraag tot een hernieuwing van accreditering waarvan de modaliteiten inclusief de eventuele periode van accreditering naar redelijkheid en billijkheid wordt vastgesteld door dit orgaan.
   § 5. Artsen die die al op pensioen gesteld zijn of een aanvraag tot oppensioenstelling hebben ingediend, kunnen een aanvraag tot verlenging of hernieuwing van hun accreditering indienen binnen het kader van een einde loopbaanregime.
   De verlenging of de hernieuwing van een accreditering, bedoeld in het eerste lid kan worden verkregen mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/1 § 1 behoudens de voorwaarde inzake activiteitsdrempel en gedurende de referentieperiode(n) van de afgelopen of af te lopen te verlengen accrediteringsperiode wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/4.
   In uitzondering op het voorgaande lid kan een hernieuwing worden toegekend indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/4 gedurende de referentieperiode(n) van de af te lopen of afgelopen accrediteringsperiode mits de arts niet in een periode verkeert waarin deze van het recht op accreditering vervallen is verklaard overeenkomstig artikel122octies/7 en mits deze in de periode van twaalf maanden die aan de aanvraag vooraf gaat een navorming heeft gevolgd gelijk aan deze als gespecificeerd in artikel122octies/4.
   De aanvraag tot verlenging binnen het kader van een einde loopbaanregime moet ten laatste 2 maanden vóór het verstrijken van de lopende accrediteringsperiode worden ingediend en kan worden herhaald.
   De verlenging of hernieuwing bedoeld in het eerste lid wordt toegekend voor een periode van één accrediteringsjaar en vangt mits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de Dienst een conforme aanvraag heeft ontvangen en ten vroegste na afloop van de voorafgaande accrediteringsperiode.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-09-19/11, art. 4, 258; Inwerkingtreding : 01-12-2017>
  

  Art. 122octies/6. [1 De perioden gedefinieerd overeenkomstig artikel122octies/5 en/of de voorwaarden gepreciseerd in de artikelen 122octies/1 en 122octies/4 kunnen worden geschorst door een of meerdere periode(n) van gevallen van overmacht, exclusieve beroepsactiviteit in het in het buitenland of bijkomende opleiding in het buitenland en andere schorsende omstandigheden overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten vastgelegd door de minister op voorstel van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen.
   De arts die zich op schorsende omstandigheden wenst te beroepen dient op straffe van verval de Dienst hiervan voorafgaandelijk op de hoogte te stellen voor zover deze omstandigheden voorzienbaar zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-09-19/11, art. 4, 258; Inwerkingtreding : 01-12-2017>
  

  Art. 122octies/7. [1 Artsen waarvan wordt vastgesteld dat zij tijdens hun laatst toegekende accrediteringsperiode niet hebben voldaan aan de voorwaarden als neergelegd in artikel122octies/1 § 1 en artikel122octies/4 kunnen van het recht om voor accreditering in aanmerking te komen worden vervallen verklaard voor zoveel perioden van twaalf maanden als het aantal accrediteringsjaren waarin niet aan deze voorwaarden werd voldaan.
   Deze vervallenverklaring neemt een aanvang op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de laatst toegekende accrediteringsperiode een eind heeft genomen en kan retroactief worden vastgesteld zonder afbreuk te doen aan verworven rechten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-09-19/11, art. 4, 258; Inwerkingtreding : 01-12-2017>
  

  Art. 122octies/8. [1 De beslissingen van de Accrediteringsstuurgroep betreffende de individuele accreditering van de artsen zijn gemotiveerd. Zij kunnen namelijk een volledig of gedeeltelijke accreditering omvatten, een schorsing, een weigering of een vervallenverklaring. Zij kunnen gepaard gaan met voorwaarden, in het bijzonder de voorwaarde dat de arts de onverschuldigde uitbetaalde accrediteringsforfaits terugbetaalt. Het Rijksinstituut voor ziekte en invaliditeitsverzekering is belast met de recuperatie van de onverschuldigde bedragen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-09-19/11, art. 4, 258; Inwerkingtreding : 01-12-2017>
  

  Onderafdeling 2. [1 Accrediteringsorganen voor tandheelkundigen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-09-19/11, art. 3, 258; Inwerkingtreding : 01-12-2017>
  

  Art. 122octiessemel. <Ingevoegd bij KB 2007-12-20/45, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2008> Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging worden ingesteld :
  - een Stuurgroep kwaliteitspromotie tandheelkunde;
  - een Evaluatiecommissie tandheelkunde;
  - een Commissie van beroep tandheelkunde.
  1. De Stuurgroep kwaliteitspromotie tandheelkunde

  Art. 122octiesbis.<Ingevoegd bij KB 2007-12-20/45 art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2008> § 1. De Stuurgroep kwaliteitspromotie tandheelkunde, hierna Stuurgroep genoemd, is samengesteld uit :
  1° 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen;
  2° 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen;
  3° 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de universiteiten.
  De leden bedoeld onder 1° en 3° zijn tandheelkundigen.
  Een vertegenwoordiger van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid maakt met raadgevende stem deel uit van de Stuurgroep.
  § 2. De leden van de Stuurgroep worden benoemd door de Koning :
  1° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op de voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen;
  2° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op de voordracht van de verzekeringsinstellingen : om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen;
  3° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op de voordracht van de universiteiten die een volledige opleidingscyclus hebben voor het bekomen van het diploma van tandarts.
  De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.
  § 3. De leden van de Stuurgroep kiezen onder de leden van de groep bedoeld in § 1, 1° een voorzitter en onder zijn leden bedoeld in § 1, 2° en 3° telkens een ondervoorzitter. Ingeval de voorzitter verhinderd is wordt de zitting afwisselend voorgezeten door één van de twee ondervoorzitters.
  § 4. De Stuurgroep :
  1° beheert de uitvoering van de accrediteringsvoorwaarden en procedures op basis van de volgende principes :
  a) bijscholing. Om te worden geaccrediteerd en te blijven moet jaarlijks een minimum hoeveelheid bijscholing worden gevolgd. Deze bijscholing verloopt in cycli van 5 jaar. Alle bijscholingsactiviteiten worden ingedeeld in deelgebieden die het volledige domein van de tandheelkunde bestrijken. Deze worden door de Stuurgroep vastgelegd en moeten in de loop van de vijfjarencyclus worden doorlopen. De hoeveelheid bijscholing en de waardering ervan wordt bepaald door middel van een puntensysteem (accrediteringseenheden);
  b) intercollegiale evaluatie van de praktijk of peer review. Het beroep organiseert debatontmoetingen met als doel het verbeteren van de kwaliteit van de zorgverlening aan de patiënt, door uitwisseling van praktische kennis en ervaring onder collegae. Om te worden geaccrediteerd en te blijven volgen de tandheelkundigen jaarlijks minstens 2 sessies;
  c) dataregistratie. Om te worden geaccrediteerd en te blijven, moet de tandheelkundige bereid zijn om mee te werken aan dataregistratie met betrekking tot de tandheelkundige praktijk. Deze dataregistratie bestaat uit een gerichte, en dus in de tijd beperkte gegevensinzameling waarbij per onderwerp slechts een beperkt aantal geaccrediteerde tandheelkundigen wordt betrokken. Die gegevens hebben tot doel instrumenten aan te reiken voor het bepalen van het concrete beleid inzake mondverzorging in de Nationale commissie tandheelkundigen ziekenfondsen en in de Technische tandheelkundige raad.
  De verwerking van de gegevens en de analyse van de resultaten worden verricht onder de verantwoordelijkheid van het RIZIV;
  d) drempelactiviteit. Om te worden geaccrediteerd en te blijven, dient de tandheelkundige in de loop van een kalenderjaar minimum 300 prestaties te hebben verricht in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging. Voor tandheelkundigen die pas afgestudeerd zijn gelden bijzondere voorwaarden betreffende de drempelactiviteit;
  e) praktijkregister. Indien de accreditering voor de eerste maal gebeurt of de praktijkgegevens zijn veranderd dient de tandheelkundige een aantal gegevens over zijn praktijk mee te delen. Enkel de tandheelkundigen die werken in één of meerdere praktijken die wettelijk in orde zijn komen in aanmerking voor accreditering;
  [1 f) Voldoen aan de algemene voorwaarden inzake de uitoefening van de tandheelkunde in België. Om te worden geaccrediteerd en te blijven, dient de tandheelkundige te beantwoorden aan de algemene voorwaarden inzake de uitoefening van de tandheelkunde in België als vastgelegd in het koninklijk besluit van 1 juni 1934 houdende reglement op de beoefening der tandheelkunde en het ministerieel besluit van 29 maart 2002 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van beoefenaars van de tandheelkunde houders van de bijzondere beroepstitel van algemeen tandarts, met daaronder uitdrukkelijk inbegrepen de verplichting tot deelname aan de toediening van gezondheidszorgen in het kader van een wachtdienst die beantwoordt aan de bepalingen van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967. De verificatie geschiedt uitsluitend op basis van de in deze bepaling bedoelde gegevens voor alle tandheelkundigen, die door de FOD Volksgezondheid aan het RIZIV worden gecommuniceerd.
   g) Stralingsbescherming. Om te worden geaccrediteerd en te blijven, dient de tandheelkundige te voldoen aan de regelgeving inzake de bescherming tegen de gevaren van ioniserende stralingen, opgenomen in het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. De verificatie geschiedt uitsluitend op basis van de in deze bepaling bedoelde gegevens voor alle tandheelkundigen, die door het Federaal agentschap voor nucleaire controle aan het RIZIV worden gecommuniceerd.]1
  2° erkent, op advies van de Evaluatiecommissie tandheelkunde, de organisatoren van bijscholingsactiviteiten. Om te worden erkend en erkend te blijven dient de organisator van bijscholingsactiviteiten aan de volgende voorwaarden te voldoen :
  a) de organisator van bijscholingsactiviteiten mag " niet commercieel " zijn. Dit betekent dat de cursussen niet mogen worden georganiseerd voor commerciële doeleinden. De Stuurgroep waakt over de naleving van deze voorwaarde aan de hand van specifieke criteria die door de Stuurgroep worden bepaald in het Werkingsreglement betreffende de organisatoren van bijscholingsactiviteiten en peer review-sessies;
  b) de organisator staat in voor de evaluatie van de bijscholingsactiviteit en voor de registratie van de deelnemers op de wijze zoals bepaald door de Stuurgroep in het Werkingsreglement betreffende de organisatoren van bijscholingsactiviteiten en peer review-sessies;
  c) elke organisator aanvaardt het Werkingsreglement betreffende de organisatoren van bijscholingsactiviteiten en peer review-sessies;
  d) de erkenning als organisator vervalt automatisch indien een organisator gedurende een kalenderjaar geen enkele activiteit in het kader van de accreditering organiseert;
  3° erkent de organisatoren van peer review-sessies. Om te worden erkend en erkend te blijven dient de organisator van peer review-sessies aan de volgende voorwaarden te voldoen :
  a) de organisator is een tandheelkundige die het tweede jaar voor zijn aanvraag geaccrediteerd was;
  b) de organisator staat, voor minstens een periode van 1 jaar, in voor de administratie en organisatie van peer review-sessies, op de wijze zoals bepaald door de Stuurgroep in het Werkingsreglement betreffende de organisatoren van bijscholingsactiviteiten en peer review-sessies;
  c) elke organisator aanvaardt het Werkingsreglement betreffende de organisatoren van bijscholingsactiviteiten en peer review-sessies;
  4° bewaakt op permanente wijze de naleving van de vastgelegde voorwaarden voor een organisator van bijscholingsactiviteiten, zoals bepaald in 2° en voor een organisator van peer review-sessies, zoals bepaald in 3°. Het niet naleven van deze voorwaarden kan door de Stuurgroep gesanctioneerd worden met ofwel een waarschuwing ofwel een schorsing als organisator van minimum 6 maanden en maximum 5 jaar. In geval van een schorsing beslist de Stuurgroep over de lengte en inwerkingtreding van de schorsing.
  Indien de Stuurgroep beslist tot verdere gevolggeving brengt hij de betrokken organisator hiervan op de hoogte door middel van een aangetekende brief. Deze brief omvat een uittreksel van het goedgekeurde verslag van de betreffende vergadering, een overzicht van de mogelijke sancties en de vraag om schriftelijk te reageren binnen een door de Stuurgroep te bepalen termijn.
  Na ontvangst van het schriftelijk verweer van de betrokken organisator of indien de betrokken organisator heeft nagelaten te reageren binnen de door de Stuurgroep bepaalde termijn, beslist de Stuurgroep over het al dan niet sanctioneren van de organisator en in geval van sanctionering over de aard en de inwerkingtreding van de sanctie.
  De Stuurgroep brengt haar beslissing per aangetekende brief ter kennis van de organisator. De kennisgeving bevat een uittreksel van het goedgekeurde verslag van de betreffende vergaderingen, een expliciete vermelding van de uitgesproken sanctie alsmede de inwerkingtreding van deze sanctie en de mogelijkheid tot het indienen van een verzoekschrift bij de Raad van State;
  5° bepaalt de voorwaarden waaraan de bijscholingsactiviteiten dienen te voldoen en erkent de bijscholingsactiviteiten op gemotiveerd advies van de Evaluatiecommissie tandheelkunde.
  Binnenlandse bijscholingsactiviteiten kunnen door de Stuurgroep erkend worden. Dit gebeurt per voorafgaandelijke aanvraag door de organisator via een formulier waarvan het model wordt vastgelegd door de Stuurgroep.
  Buitenlandse bijscholingsactiviteiten kunnen door de Stuurgroep erkend worden. Dit gebeurt per voorafgaandelijke aanvraag door de tandheelkundige, via een formulier waarvan het model wordt vastgelegd door de Stuurgroep en het opmaken nadien van een persoonlijk verslag van de desbetreffende activiteit;
  6° accrediteert de aanvragende tandheelkundigen voor wie is vastgesteld dat zij aan de gestelde voorwaarden voldoen.
  Hiertoe dient de tandheelkundige [2 op straffe van verval]2 vóór 31 maart van elk jaar zijn individueel aanwezigheidsblad op te sturen naar de Stuurgroep kwaliteitspromotie tandheelkunde, Tervurenlaan 211, 1150 Brussel.
  Na het ontvangen van het individueel aanwezigheidsblad zal de Stuurgroep beslissen over de individuele accreditering.
  Indien de Stuurgroep de accreditering niet toekent en de tandheelkundige niet akkoord kan gaan met deze beslissing, kan hij hiertegen volgens de procedure voorzien in art. 122octies quater, § 5, beroep aantekenen bij de Commissie van Beroep.
  7° kan voorstellen overmaken aan de Nationale commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen betreffende het definiëren van de inhoud en de aanwending van een tandheelkundig dossier.
  § 5. De Stuurgroep stelt zijn huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
  1° de Stuurgroep houdt op geldige wijze zitting indien de helft van de stemgerechtigde leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn.
  Indien de aanwezigheidsvereiste, bedoeld in de vorige alinea, niet voor elke groep is vervuld worden de geagendeerde punten verdaagd tot de volgende vergadering, waar er overeenkomstig § 5, 2°, alinea 3 kan beslist worden zonder dat aan de aanwezigheidsvereiste is voldaan;
  2° de beslissingen in de Stuurgroep zijn verworven indien ze door de meerderheid van de aanwezige leden van elke groep worden goedgekeurd. Alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen en met hun instemming, zijn stemgerechtigd;
  Indien een voorstel de meerderheid, bedoeld in de vorige alinea, niet behaalt, wordt een nieuw voorstel ter stemming voorgelegd.
  In de situatie bedoeld in § 5, 1°, alinea 2 zijn de beslissingen verworven indien ze worden goedgekeurd door de meerderheid van de aanwezige leden van elke groep die aan de aanwezigheidsvereiste, bedoeld in § 5, 1°, alinea 1, voldoet.
  2. De Evaluatiecommissie tandheelkunde
  ----------
  (1)<KB 2015-04-28/08, art. 1, 228; Inwerkingtreding : 01-06-2015>
  (2)<KB 2017-02-20/07, art. 1, 249; Inwerkingtreding : 01-05-2017>

  Art. 122octiester. <Ingevoegd bij KB 2007-12-20/45, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2008> § 1. De Evaluatiecommissie tandheelkunde is samengesteld uit :
  1° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen;
  2° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen;
  3° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de universiteiten.
  De leden bedoeld onder 1° en 3° zijn tandheelkundigen.
  § 2. De leden van de Evaluatiecommissie tandheelkunde worden aangesteld door de Stuurgroep :
  1° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op de voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen die vertegenwoordigd zijn in de Stuurgroep;
  2° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op de voordracht van de verzekeringsinstellingen die vertegenwoordigd zijn in de Stuurgroep;
  3° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op de voordracht van de universiteit die zij vertegenwoordigen.
  § 3. De leden van de Evaluatiecommissie tandheelkunde kiezen onder de leden van de groep bedoeld in § 1, 3° een voorzitter en een ondervoorzitter.
  § 4. De Evaluatiecommissie tandheelkunde :
  1° adviseert de Stuurgroep over de erkenning van de organisator van een bijscholingsactiviteit volgens de voorwaarden bepaald door de Stuurgroep zoals voorzien in art. 122octies bis, § 4, 2°;
  2° adviseert de Stuurgroep over de erkenning van elke bijscholingsactiviteit waarvoor een organisator accrediteringseenheden aanvraagt, volgens de voorwaarden bepaald door de Stuurgroep zoals voorzien in art. 122octies bis, § 4, 4°;
  § 5. De adviezen van de Evaluatiecommissie tandheelkunde worden overgemaakt aan de Stuurgroep :
  1° als eensluidend advies indien :
  a) er een unaniem advies is van de 3 fracties van de Evaluatiecommissie tandheelkunde;
  b) er een unaniem advies is van twee van de drie fracties, waaronder de universiteiten.
  2° als verdeeld advies in de andere gevallen.
  De Stuurgroep zal het verdeeld advies bespreken en eventueel voor een tweede behandeling terugsturen naar de Evaluatiecommissie.
  3. De Commissie van beroep tandheelkunde

  Art. 122octiesquater. <Ingevoegd bij KB 2007-12-20/45, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2008> § 1. De Commissie van beroep tandheelkunde is samengesteld uit :
  1° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen;
  2° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen;
  3° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de universiteiten.
  De leden van de Commissie van beroep mogen geen lid zijn van de Stuurgroep Kwaliteitspromotie, noch van de Evaluatiecommissie tandheelkunde.
  De leden bedoeld onder 1° en 3° zijn tandheelkundigen.
  § 2. De leden van de Commissie van beroep tandheelkunde worden benoemd door de Koning :
  1° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op de voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen die vertegenwoordigd zijn in de Stuurgroep;
  2° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op de voordracht van de verzekeringsinstellingen die vertegenwoordigd zijn in de Stuurgroep;
  3° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op de voordracht van de universiteit die zij vertegenwoordigen.
  § 3. De leden van de Commissie van beroep tandheelkunde kiezen een voorzitter onder de leden van de groepen bedoeld in § 1 en twee ondervoorzitters onder de leden van de twee andere groepen bedoeld in dezelfde bepaling. Ingeval de voorzitter verhinderd is wordt de zitting afwisselend voorgezeten door één van de twee ondervoorzitters.
  § 4. De Commissie van beroep tandheelkunde onderzoekt en beslist over het beroep dat bij haar kan worden ingesteld door de tandheelkundigen tegen de hen betreffende beslissingen inzake hun individuele accreditering, getroffen door de Stuurgroep, in uitvoering van zijn opdracht bedoeld in art. 122octies bis, § 4.
  § 5. De Commissie van beroep tandheelkunde stelt haar huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
  1° het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid bij de Commissie van beroep tandheelkunde ingediend met een per post aangetekende brief binnen dertig dagen te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van de beslissing van de Stuurgroep. Indien de termijn verstrijkt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, wordt hij verlengd tot de volgende werkdag;
  2° het beroepschrift bevat :
  a) alle motieven en alle stukken die worden aangevoerd tegen de beslissing;
  b) een kopie van de kennisgeving van de beslissing;
  3° de Commissie van beroep tandheelkunde vergadert geldig indien twee werkende of plaatsvervangende leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn;
  Indien de aanwezigheidsvereiste bedoeld in de vorige alinea niet is vervuld, worden de geagendeerde punten verdaagd tot de volgende vergadering;
  Alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen zijn stemgerechtigd;
  4° ter zitting onderzoekt de Commissie van beroep tandheelkunde alle stukken. Ze beraadslaagt met gesloten deuren en haar beraadslagingen zijn geheim;
  5° over elk ontvankelijk beroepsschrift wordt gestemd. Een beroepsschrift kan enkel gegrond worden verklaard door een meerderheid van de leden van de Commissie van beroep tandheelkunde. In alle andere gevallen is het beroepsschrift ongegrond;
  6° elke beslissing wordt gemotiveerd;
  7° de Voorzitter van de Commissie van beroep tandheelkunde waakt erover dat binnen de negentig dagen na indiening van het beroepschrift een beslissing wordt geveld.

  Afdeling XV. <Ingevoegd bij KB 2001-12-21/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2002> - Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen.

  Art. 122nonies.<Ingevoegd bij KB 2001-12-21/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. De Commissie wordt als volgt samengesteld :
  [1 1° een voorzitter;
   2° twee ondervoorzitters, behorend tot een verschillende taalrol, aangewezen onder de leden bedoeld onder 3° hieronder;]1
  [1 3°]1 zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, [3 artsen]3, apothekers of personen met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie, door de Minister voorgedragen onder de kandidaten met een academisch mandaat aan de Belgische universiteiten;
  [1 4°]1 acht werkende en acht plaatsvervangende leden, [3 artsen]3, apothekers of personen met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie, gekozen onder de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen op een dubbele lijst. Om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te leggen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
  [1 5°]1 drie werkende en drie plaatsvervangende leden, apothekers, waarvan twee gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen van het apothekerskorps op een dubbele lijst en één gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers op een dubbele lijst;
  [1 6°]1 vier werkende en vier plaatsvervangende leden, [3 artsen]3, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het [3 artsenkorps]3 op een dubbele lijst;
  [1 7°]1 (drie) werkende en (drie) plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de geneesmiddelenindustrie op een dubbele lijst; <KB 2007-06-03/58, art. 1, 143; Inwerkingtreding : 21-06-2007>
  [1 8°]1 één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
  [1 9°]1 één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
  [1 10°]1 één werkend en één plaatsvervangend lid voorgedragen door de Minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
  ([1 11°]1 een werkend en een plaatsvervangend lid, vertegenwoordiger van de Dienst voor geneeskundige controle van het Instituut. De functie wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor geneeskundige controle, voorgedragen door de leidend ambtenaar van deze Dienst.) <Erratum, B.S. 08-02-2002, p. 4314>
  § 2. De leden worden benoemd door de Koning. De voorzitter en [1 de ondervoorzitters]1 worden door de Minister aangewezen [1 ...]1.
  [2 De voorzitter is stemgerechtigd.]2
  § 3. (De leden van de Commissie worden benoemd voor een hernieuwbare periode van vier jaar.
  Het mandaat neemt een einde wanneer zij de volle leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt hebben [1 en geen beroepsactiviteit meer uitoefenen]1.
  Het werkend lid dat zijn mandaat beëindigt of verliest wordt vervangen door zijn plaatsvervanger voor de duur van het mandaat en er wordt onmiddellijk voorzien in de vervanging van deze plaatsvervanger voor de duur van dit mandaat.) <KB 2002-12-10/32, art. 11, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
  (§ 4. Een plaatsvervangend lid kan zonder stemgerechtigd te zijn, de vergaderingen bijwonen, indien het effectieve lid waarvoor de betrokkene als plaatsvervanger kan optreden ook op de vergadering aanwezig is.) <Erratum, B.S. 08-02-2002, p. 4314>
  § 5. Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door [1 één van de ondervoorzitters]1. (Bij afwezigheid van beiden wordt de vergadering voorgezeten door een door de voorzitter [1 ...]1 aangeduid lid.) <KB 2007-03-01/40, art. 1, 141; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
  Het lid dat de zittingen niet geregeld bijwoont, verliest zijn mandaat. Dit is het geval wanneer een lid minder dan de helft der zittingen per jaar bijwoont, onder naleving van de voorwaarden bepaald in het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 122duodecies in verband met de aanwezigheid van effectieve en plaatsvervangende leden.
  § 6. De Commissie richt in haar midden een bureau op dat belast wordt met de organisatie van de werkzaamheden van de Commissie en het verzorgen van de betrekkingen tussen de deskundigen en de Commissie. [1 Het bureau bestaat uit de voorzitter, de ondervoorzitters en een lid van de Commissie, aangewezen door de Minister onder de stemgerechtigde leden van de Commissie]1.
  (§ 7. In de Commissie wordt een permanente werkgroep opgericht voor de forfaitarisering van de verzekeringstegemoetkoming in de ziekenhuizen, die advies moet geven over de aanpassing of het behoud van de lijst met de ATC-codes in bijlage IV van het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten. Deze adviezen worden uitgebracht bij eenvoudige meerderheid van de stemmen en worden overgemaakt aan de Commissie, die geacht wordt deze aan te nemen behoudens in geval van gemotiveerde verwerping of aanpassing, aangenomen bij tweederde meerderheid van de stemmen.
  De leden van de permanente werkgroep worden aangeduid door de Minister op voorstel van de Commissie en zijn gekozen onder de leden van deze laatste of daarbuiten, volgens de volgende verdeling:
  a) stemgerechtigde leden:
  1° twee leden met een academisch mandaat aan de Belgische universiteiten en die een gespecialiseerde kennis van farmacologie kunnen aantonen;
  2° drie ziekenhuisapothekers;
  3° drie [3 ziekenhuisartsen]3;
  4° acht vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen;
  b) lid met raadgevende stem: één vertegenwoordiger van de geneesmiddelenindustrie.
  Het voorzitterschap van de werkgroep wordt waargenomen door één van de leden van de werkgroep die is aangewezen door de Minister, en het secretariaat wordt verzekerd door één of verschillende ambtenaren van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut.
  ----------
  (1)<KB 2009-12-17/03, art. 1, 169; Inwerkingtreding : 24-12-2009>
  (2)<KB 2018-02-01/23, art. 1, 264; Inwerkingtreding : 01-10-2017>
  (3)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 122decies. <Ingevoegd bij KB 2001-12-21/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. Het secretariaat van de Commissie wordt verzekerd door de ambtenaren die zijn aangesteld binnen de beheerseenheid voor de farmaceutische verstrekkingen van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut.
  § 2. Het secretariaat bereidt de agenda van de vergaderingen voor, notuleert de voorstellen zoals die zijn aanvaard en goedgekeurd door de Commissie en verzekert de uitwisseling van informatie voorzien bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten.
  In samenwerking met het bureau verzekert het de werking van de Commissie en waakt over het in acht nemen van de termijnen die haar zijn opgelegd.

  Art. 122undecies. <Ingevoegd bij KB 2001-12-21/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De vergaderingen van de Commissie worden bijeengeroepen door de voorzitter, op diens initiatief of op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval de agenda van de vergadering.

  Art. 122duodecies. <Ingevoegd bij KB 2001-12-21/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De Commissie stelt een huishoudelijk reglement op. Dit reglement wordt, na advies van het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Instituut, ter goedkeuring voorgelegd aan de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 122terdecies.<Ingevoegd bij KB 2001-12-21/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De Commissie beraadslaagt geldig wanneer ten minste [1 achttien]1 stemgerechtigde leden aanwezig zijn.
  [2 De voorstellen en adviezen worden aangenomen met een twee derde meerderheid onder de aanwezige stemgerechtigde leden, met uitzondering van de voorstellen inzake de vaststelling van de meerwaardeklasse van een aanvraag, zoals bedoeld in artikel 6, 2e lid van het KB van 1 februari 2018 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, die aangenomen worden met een gewone meerderheid onder de aanwezige stemgerechtigde leden.]2
  [3 De aanwezige stemgerechtigde leden kunnen zich niet onthouden van de stemming over voorstellen inzake de vaststelling van de meerwaardeklasse van een aanvraag, zoals bedoeld in artikel 6, 2e lid van het KB van 1 februari 2018 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, wanneer deze ter stemming worden voorgelegd. In de andere gevallen wordt er geen rekening gehouden met de onthoudingen.]3
  ----------
  (1)<KB 2018-06-22/02, art. 35, 265; Inwerkingtreding : 01-07-2018>
  (2)<KB 2018-06-22/02, art. 36, 265; Inwerkingtreding : 01-07-2018>
  (3)<KB 2018-06-22/02, art. 37, 265; Inwerkingtreding : 01-07-2018>

  Art. 122quaterdecies. <Ingevoegd bij KB 2001-12-21/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. De Commissie kan beroep doen op deskundigen om de elementen van wetenschappelijke, klinische, epidemiologische en gezondheidseconomische bewijselementen welke deel uitmaken van de te behandelen dossiers kritisch te beoordelen naar kwaliteit en volledigheid. De deskundigen bezitten een bijzondere bekwaamheid inzake wetenschappelijke, klinische en/of gezondheidseconomische evaluatie van geneesmiddelen.
  Deze deskundigen zijn al dan niet personeelsleden van het Instituut. De deskundigen die geen personeelsleden zijn van het Instituut worden, hetzij op vertoon van honorariumstaten, hetzij forfaitair, vergoed voor de werkzaamheden en rapporten die hen zijn opgedragen. Het bedrag van de vergoedingen wordt jaarlijks vastgesteld door het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Instituut, op voorstel van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen.
  § 2. De deskundigen zijn ertoe gehouden de vastgestelde termijnen na te leven om hun beoordelingsrapport in te dienen en deel te nemen aan de vergaderingen waarvoor ze, in voorkomend geval, zouden worden opgeroepen. Bij niet naleving van deze bepaling worden de deskundigen niet vergoed, ook niet voor eventueel reeds uitgevoerde prestaties.
  Wanneer zij worden opgeroepen voor de vergaderingen van de Commissie of van werkgroepen van de Commissie, nemen de deskundigen met raadgevende stem deel aan de werkzaamheden.

  Art. 122quinquies-decies. <Ingevoegd bij KB 2001-12-21/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. De leden van de Commissie, het secretariaat en de deskundigen behandelen alle inlichtingen waarvan ze naar aanleiding van hun opdracht kennis zouden krijgen, vertrouwelijk. Zij zijn gebonden door het beroepsgeheim voor alle informatie waarvan zij tijdens hun mandaat kennis nemen.
  § 2. De leden van de Commissie en de deskundigen maken aan het secretariaat een schriftelijke belangenverklaring over die de directe of indirecte belangen of banden aangeeft die zij kunnen hebben ten opzichte van farmaceutische industrie. Zij verbinden zich ertoe iedere wijziging in deze belangen of banden onmiddellijk mee te delen. Deze verklaringen worden jaarlijks hernieuwd en voorgelegd aan het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Instituut. Het model van deze belangenverklaring volgt als bijlage bij dit besluit.
  Het bureau oordeelt over eventuele belangenconflicten en beslist of de leden van de Commissie die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier al dan niet kunnen deelnemen aan de beraadslagingen en/of aan de stemming en of de deskundigen die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier kunnen belast worden met het evalueren van een dossier.
  De leden van de Commissie en de deskundigen verliezen hun mandaat indien wordt vastgesteld door het secretariaat dat zij een onjuiste verklaring hebben afgelegd. Zij worden vooraf gehoord door de Commissie.

  Afdeling XVbis. - [1 Commissie voor advies in geval van tijdelijke tegemoetkoming voor het gebruik van een geneesmiddel]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-05-12/16, art. 18, 216; Inwerkingtreding : 01-12-2014. Is van toepassing op de individuele aanvragen die vanaf 01-12-2014 worden ingediend>

   Art. 122quinquies-decies/1. [1 § 1. De aanwijzing van de leden van de Commissie voor advies in geval van tijdelijke tegemoetkoming voor het gebruik van een geneesmiddel gebeurt als volgt :
   1° de twee leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen bedoeld in artikel 25octies/1, § 2, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wet worden aangewezen door de minister bevoegd voor Sociale Zaken op voorstel van het College van [2 artsen-directeurs]2;
   2° de twee leden bedoeld in artikel 25octies/1, § 2, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet worden aangewezen door de minister bevoegd voor Volksgezondheid binnen het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, opgericht bij de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten;
   3° de twee leden bedoeld in artikel 25octies/1, § 2, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet worden aangewezen door de minister bevoegd voor Sociale Zaken op voorstel van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen, waarvan het ene onder de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen die in die Commissie zetelen en het andere hetzij de voorzitter van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen of aangewezen onder de deskundigen die werken in een universitaire instelling;
   4° de twee personeelsleden van het Instituut die respectievelijk werken bij de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen en bij het Bijzonder Solidariteitsfonds, bedoeld in artikel 25octies/1, § 2, eerste lid, 6°, van de gecoördineerde wet, worden aangewezen door de minister bevoegd voor Sociale Zaken;
   5° het personeelslid van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, bedoeld in artikel 25octies/1, § 2, eerste lid, 7°, van de gecoördineerde wet, wordt aangewezen door de minister bevoegd voor Volksgezondheid;
   6° de vertegenwoordiger van de representatieve beroepsorganisaties van de geneesmiddelenindustrie wordt aangewezen in onderling akkoord door de minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor Volksgezondheid op voorstel van de representatieve beroepsorganisaties van de geneesmiddelenindustrie.
   De overheid die de leden bedoeld in 1°, tot 6°, aanwijst, wijst voor elke post een werkend lid en een plaatsvervangend lid aan.
   § 2. Zodra het wordt ingelicht dat een aanvraag voor een cohorte zou kunnen worden ingediend stelt het secretariaat van de Commissie een lijst op van drie deskundigen ad hoc, die wordt goedgekeurd door de voorzitter van de commissie.
   De deskundigen ad hoc worden gekozen op grond van hun economische of medische competenties.
   Als de aanvraag effectief wordt ingediend vraagt het secretariaat aan de deskundigen die zijn opgenomen op de lijst of ze aanvaarden om deel te nemen aan de werkzaamheden van de commissie.
   De deskundigen die aanvaarden om deel te nemen aan de werkzaamheden van de commissie hebben een raadgevende stem.
   De deskundigen zijn ertoe gehouden de vastgestelde termijnen na te leven om hun rapport in te dienen en deel te nemen aan de vergaderingen waarvoor ze, in voorkomend geval, zouden worden opgeroepen. Bij niet naleving van deze bepaling en behoudens overmacht worden de deskundigen niet vergoed, ook niet voor eventueel reeds uitgevoerde prestaties.
   § 3. De leden van de Commissie en de deskundigen ad hoc maken aan het secretariaat een schriftelijke belangenverklaring over die de directe of indirecte belangen of banden aangeeft die zij kunnen hebben ten opzichte van de geneesmiddelenindustrie. Zij verbinden zich ertoe iedere wijziging in deze belangen of banden onmiddellijk mee te delen. Deze verklaringen worden jaarlijks hernieuwd.
   De leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging oordeelt over eventuele belangenconflicten en beslist of de leden van de Commissie die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier al dan niet kunnen deelnemen aan de beraadslagingen en/of aan de stemming en of de deskundigen die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier kunnen belast worden met het evalueren van een dossier.
   De overheid die het lid heeft aangewezen kan het ontheffen als wordt vastgesteld dat het een onjuiste verklaring heeft afgeleverd of dat zijn belangen niet verzoenbaar zijn met de uitoefening van de functie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-05-12/16, art. 18, 216; Inwerkingtreding : 01-12-2014. Is van toepassing op de individuele aanvragen die vanaf 01-12-2014 worden ingediend>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

   Art. 122quinquies-decies/2. [1 § 1. De Commissie wordt voorgezeten door [3 de voorzitter van de Colleges van artsen voor de weesgeneesmiddelen en de farmaceutische specialiteiten die in het kader van een zeldzame ziekte vergoedbaar is]3.
   In geval de voorzitter van het College van [2 artsen]2 voor weesgeneesmiddelen bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 juli 2004 betreffende de vergoeding van weesgeneesmiddelen verhinderd is, wordt het voorzitterschap waargenomen door de voorzitter van de Commissie voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik, opgericht krachtens de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen.
   In geval beiden verhinderd zijn wordt de vergadering voorgezeten door het oudste aanwezige stemgerechtigde lid.
   § 2. De werkende en plaatsvervangende leden, bedoeld in § 1 van artikel 122quinquies-decies/1, worden aangewezen voor een periode van 6 jaar. De mandaten zijn hernieuwbaar.
   § 3. Een plaatsvervangend lid heeft alleen maar zitting in geval van de afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
   § 4. Het werkend lid dat zijn mandaat beëindigt of verliest, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger die een nieuw mandaat aanvangt.
   Er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van deze plaatsvervanger voor de duur van dit mandaat.
   § 5. De Commissie beraadslaagt geldig als meer dan de helft van de stemgerechtigde leden aanwezig is.
   De voorstellen zijn aangenomen door de Commissie als meer dan de helft van haar leden akkoord is met het voorstel.
   § 6. De Commissie stelt haar huishoudelijk reglement op.Dit reglement wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor Volksgezondheid en wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-05-12/16, art. 18, 216; Inwerkingtreding : 01-12-2014. Is van toepassing op de individuele aanvragen die vanaf 01-12-2014 worden ingediend>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>
  (3)<KB 2018-12-06/12, art. 11, 274; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

   Art. 122quinquies-decies/3. [1 § 1. Het secretariaat van de Commissie wordt waargenomen door de personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging die zijn aangewezen door de leidend ambtenaar van de voormelde dienst en door de personeelsleden van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten die daartoe zijn aangewezen door de minister bevoegd voor Volksgezondheid of zijn afgevaardigde.
   § 2. Het secretariaat bereidt de agenda van de vergaderingen voor, notuleert de voorstellen zoals die zijn aanvaard en goedgekeurd door de Commissie.
   Het secretariaat verzekert de werking van de Commissie en waakt over het in acht nemen van de termijnen die haar zijn opgelegd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-05-12/16, art. 18, 216; Inwerkingtreding : 01-12-2014. Is van toepassing op de individuele aanvragen die vanaf 01-12-2014 worden ingediend>

  Afdeling XVI. - Commissie Tegemoetkoming Implantaten en Invasieve Medische Hulpmiddelen. <Ingevoegd bij KB 2008-02-10/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2008>

  Art. 122sexdecies.<Ingevoegd bij KB 2008-02-10/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2008> § 1. De Commissie Tegemoetkoming Implantaten en Invasieve Medische Hulpmiddelen, hierna de Commissie genoemd, is samengesteld als volgt :
  1° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, [2 artsen-specialisten]2, apothekers die houder zijn van het diploma van ziekenhuisapotheker, personen gespecialiseerd voor biomedische ingenieurstechniek op het gebied van implanteerbare en invasieve medische hulpmiddelen of met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie. De leden worden gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de Belgische universiteiten waarbij onder zowel de werkende als de plaatsvervangende leden minimum drie [2 artsen]2 gespecialiseerd in een heelkundige discipline, minimum één apotheker, houder van het diploma van ziekenhuisapotheker en minimum één persoon, gespecialiseerd voor biomedische ingenieurstechniek op het gebied van implanteerbare en invasieve medische hulpmiddelen, zijn. De overige van zowel de werkende als de plaatsvervangende leden zijn [2 arts-specialist]2 of apotheker, houder van het diploma van ziekenhuisapotheker of persoon gespecialiseerd voor biomedische ingenieurstechniek op het gebied van implanteerbare en invasieve medische hulpmiddelen of met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie. Elke universiteit draagt één kandidaat werkend lid en één kandidaat plaatsvervangend lid voor. Elke universiteit heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en minstens één mandaat van plaatsvervangend lid;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, [2 artsen]2, apothekers of personen met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie of in de biomedische wetenschappen/ ingenieurstechniek op het gebied van implanteerbare en invasieve medische hulpmiddelen, gekozen onder de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen op een dubbele lijst;
  3° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, apothekers, houders van het diploma van ziekenhuisapotheker, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers op een dubbele lijst;
  4° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, [2 artsen-specialisten]2, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het [2 artsenkorps]2 op een dubbele lijst;
  5° twee werkende en twee plaatsvervangende leden benoemd uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisbeheerders op een dubbele lijst;
  6° één werkend en één plaatsvervangende lid, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de fabrikanten, invoerders en verdelers van implantaten en invasieve medische hulpmiddelen op een dubbele lijst;
  7° één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
  8° één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
  9° één werkend en één plaatsvervangend lid voorgedragen door de Minister die de Begroting onder zijn bevoegdheid heeft;
  10° één werkend en één plaatsvervangend lid, vertegenwoordiger van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Instituut. De functie wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, voorgedragen door de leidend ambtenaar van deze Dienst.
  § 2. De onder § 1, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° en 10° vermelde leden zijn niet stemgerechtigd.
  § 3. [1 De ondervoorzitter wordt aangesteld door de Minister, onder de leden bedoeld in § 1, 1°.]1
  § 4. De leden van de Commissie worden benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar. Hun mandaat wordt om de drie jaar per helft hernieuwd. Het mandaat van de leden van de Commissie wordt voor het eerst drie jaar na de datum waarop de mandaten de eerste keer werden toegekend, hernieuwd; de aftredende leden worden bij loting aangewezen. Het werkend lid dat zijn mandaat beëindigt of verliest, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger voor de duur van dit mandaat en er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van deze plaatsvervanger voor de duur van dit mandaat.
  § 5. Een plaatsvervangend lid, behorende tot de onder § 1, 1°, 2°, 3° en 4° vermelde leden, kan zonder stemgerechtigd te zijn, de vergaderingen bijwonen, indien het effectieve lid waarvoor de betrokkene als plaatsvervanger kan optreden ook op de vergadering aanwezig is.
  § 6. Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door de ondervoorzitter. Bij afwezigheid van beiden wordt de vergadering voorgezeten door het oudste aanwezige stemgerechtigde lid.
  Het lid dat de zittingen niet geregeld bijwoont, verliest zijn mandaat. Dit is het geval wanneer een lid minder dan de helft der zittingen per jaar bijwoont, onder naleving van de voorwaarden bepaald in het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 122novodecies in verband met de aanwezigheid van effectieve en plaatsvervangende leden.
  ----------
  (1)<KB 2012-11-10/24, art. 1, 195; Inwerkingtreding : 22-12-2012>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 122septdecies. <Ingevoegd bij KB 2008-02-10/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2008> § 1. Het secretariaat van de Commissie wordt verzekerd door de ambtenaren die zijn aangesteld binnen de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut.
  § 2. Het secretariaat bereidt de agenda van de vergaderingen voor, notuleert de voorstellen zoals die zijn aanvaard en goedgekeurd door de Commissie.
  Het secretariaat verzekert de werking van de Commissie en waakt over het in acht nemen van de termijnen die haar zijn opgelegd.

  Art. 122octodecies. <Ingevoegd bij KB 2008-02-10/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2008> De vergaderingen van de Commissie worden bijeengeroepen door de voorzitter, op diens initiatief of op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval de agenda van de vergadering.

  Art. 122novodecies. <Ingevoegd bij KB 2008-02-10/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2008> De Commissie stelt een huishoudelijk reglement op. Dit reglement wordt, na advies van het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Instituut, ter goedkeuring voorgelegd aan de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 122vicies. <Ingevoegd bij KB 2008-02-10/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2008> De Commissie beraadslaagt geldig wanneer ten minste twaalf stemgerechtigde leden aanwezig zijn, waarvan minstens vier leden van de deskundigen werkzaam bij een universitaire instelling, zoals bedoeld in art. 122sexdecies, § 1, 1°, en minstens vier leden van de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen, zoals bedoeld in art. 122sexdecies, § 1, 2°.
  De voorstellen en adviezen worden aangenomen met een twee derde meerderheid onder de aanwezige stemgerechtigde leden. Er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen.

  Art. 122unvicies.<Ingevoegd bij KB 2008-02-10/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2008> § 1. De Commissie kan beroep doen op deskundigen om de elementen van wetenschappelijke, klinische, epidemiologische en gezondheidseconomische bewijselementen welke deel uitmaken van de te behandelen dossiers kritisch te beoordelen naar kwaliteit en volledigheid. De deskundigen bezitten een bijzondere bekwaamheid inzake wetenschappelijke, klinische en/of gezondheidseconomische evaluatie van implantaten en invasieve medische hulpmiddelen.
  [1 Deze deskundigen zullen eventueel personeelsleden van het Instituut zijn. De deskundigen die geen deel uitmaken van het personeel van het Instituut worden voor de werkzaamheden en verslagen die van hen gevraagd worden op basis van vertoon van een honorariumstaat of op forfaitaire basis vergoed.]1 Het bedrag van de vergoedingen wordt jaarlijks vastgesteld door het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Instituut, op voorstel van de Commissie Tegemoetkoming Implantaten en Invasieve Medische Hulpmiddelen.
  § 2. De deskundigen zijn ertoe gehouden de vastgestelde termijnen na te leven om hun rapport in te dienen en deel te nemen aan de vergaderingen waarvoor ze, in voorkomend geval, zouden worden opgeroepen. Bij niet naleving van deze bepaling worden de deskundigen niet vergoed, ook niet voor eventueel reeds uitgevoerde prestaties.
  Wanneer zij worden opgeroepen voor de vergaderingen van de Commissie of van werkgroepen van de Commissie, nemen de deskundigen met raadgevende stem deel aan de werkzaamheden.
  ----------
  (1)<KB 2014-06-25/03, art. 183, 218; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 122duovicies. <Ingevoegd bij KB 2008-02-10/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2008> § 1. De leden van de Commissie en het secretariaat behandelen alle inlichtingen waarvan ze naar aanleiding van hun opdracht kennis zouden krijgen, vertrouwelijk.
  § 2. De leden van de Commissie maken aan het secretariaat een schriftelijke belangenverklaring over die de directe of indirecte belangen of banden aangeeft die zij kunnen hebben ten opzichte van de industrie van implanteerbare en invasieve medische hulpmiddelen. Zij verbinden zich ertoe iedere wijziging in deze belangen of banden onmiddellijk mee te delen. Deze verklaringen worden jaarlijks hernieuwd en voorgelegd aan het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Instituut.
  De leidend ambtenaar van Dienst voor geneeskundige verzorging oordeelt over eventuele belangenconflicten en beslist of de leden van de Commissie die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier al dan niet kunnen deelnemen aan de beraadslagingen en/of aan de stemming en of de deskundigen die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier kunnen belast worden met het evalueren van een dossier.
  De leden van de Commissie verliezen hun mandaat indien wordt vastgesteld door het secretariaat dat zij een onjuiste verklaring hebben afgelegd. Zij worden vooraf gehoord door de Commissie.

  HOOFDSTUK II. - Toepassingsfeer.

  Afdeling I. - Personen ten laste van rechthebbenden.

  Art. 123. De hoedanigheid van persoon ten laste van een gerechtigde of van een werknemer als bedoeld in artikel 32 van de gecoördineerde wet, wordt toegewezen aan de personen en onder de voorwaarden bepaald in dit artikel en in de artikelen 124, 125 en 127:
  1. De echtgenoot of echtgenote van de vrouwelijke of mannelijke gerechtigde of van de werknemer of werkneemster.
  De niet uit de echt, doch feitelijk gescheiden, of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of echtgenote kan persoon ten laste zijn in een van de volgende gevallen:
  a) hij of zij staat in voor het onderhoud van ten minste één als persoon ten laste beschouwd kind. De hoedanigheid van persoon ten laste van dit kind wordt beoordeeld als bedoeld in punt 3 alsof de feitelijk gescheiden of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of echtgenote zelf gerechtigde was;
  b) (hij of zij alimentatiegeld heeft verkregen, hetzij bij rechterlijke beslissing, hetzij, ingeval van procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed met onderlinge toestemming, bij notariële akte of onderhandse akte neergelegd bij de griffie van de rechtbank) <KB 1997-12-29/30, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  c) hij of zij is gemachtigd sommen te innen, door derden aan zijn echtgenote of haar echtgenoot verschuldigd krachtens artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek;
  d) hij of zij geniet een krachtens een wetsbepaling aan de gescheiden echtgenoot of echtgenote toegekend pensioen.
  2. (De persoon die samenwoont met de gerechtigde of met de werknemer of werkneemster, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 19° van de gecoördineerde wet.
  Zijn of haar inschrijving is niet mogelijk wanneer de echtgenoot of echtgenote van de gerechtigde of van de in het eerste lid bedoelde werknemer, zelf de hoedanigheid van persoon ten laste heeft of wanneer de echtgenoot of echtgenote, zelf gerechtigde, onder hetzelfde dak woont als de gerechtigde. "
  3. De hierna opgesomde kinderen, jonger dan 25 jaar :
  a) de kinderen en geadopteerde kinderen van de gerechtigde of werknemer en zij in wier geboorteakte dezes naam is vermeld;
  b) de kinderen en geadopteerde kinderen van de echtgenoot van de gerechtigde en zij in wier geboorteakte de naam van die echtgenoot is vermeld wanneer de echtgenoot voor hun onderhoud instaat;
  c) de kinderen en geadopteerde kinderen van de in punt twee of vier bedoelde persoon ten laste van de gerechtigde en zij in wier geboorteakte de naam van die persoon is vermeld wanneer die persoon voor hun onderhoud instaat;
  d) de kleinkinderen en achterkleinkinderen van de gerechtigde of werknemer, van zijn echtgenoot of echtgenote of van de in punt 2 en 4 bedoelde persoon, wanneer die gerechtigde of werknemer voor het onderhoud van die kinderen instaat;
  e) de kinderen, de kleinkinderen en achterkleinkinderen van de echtgenoot of echtgenote van de gerechtigde of werknemer of die van de in punt 2 en 4 bedoelde persoon, als bedoeld in de bepalingen onder b), c) en d) voor wier onderhoud die gerechtigde of werknemer instaat na het overlijden van die echtgenoot of echtgenote of van die persoon;
  f) de kinderen, die hun hoofdverblijfplaats in België hebben en niet geviseerd zijn onder de punten a) tot en met e), voor wie de gerechtigde, de echtgenoot van de gerechtigde of de in punt 2 of 4 bedoelde persoon ten laste van de gerechtigde instaat voor het onderhoud in de plaats van de vader, moeder of andere persoon die zulks normaal zou moeten doen. (Het bewijs van de verblijfplaats in België volgt uit de informatie die is bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, en die is verkregen bij het Rijksregister of uit alle bewijsmiddelen, afgeleverd door een Belgische overheid en als dusdanig erkend door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle.) <KB 2003-02-26/37, art. 1, 089; Inwerkingtreding : 05-04-2003>
  4. De ascendenten van de gerechtigde of werknemer, of van zijn echtgenoot en, eventueel, hun stiefvaders en stiefmoeders.) <KB 1997-12-29/30, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  (Voor de toepassing van dit artikel wordt geacht in te staan voor het onderhoud van het kind, de persoon die met het kind samenwoont. Het bewijs van dat samenwonen volgt uit de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en die is verkregen bij het Rijksregister. (Wat betreft de kinderen die niet zijn ingeschreven in het Rijksregister, volgt het bewijs van het samenwonen uit alle bewijsmiddelen als dusdanig erkend door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle.)) <KB 2008-07-01/34, art. 1, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008> <KB 2008-11-12/40, art. 1, 155; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Art. 124.§ 1. Als persoon ten laste kan evenwel niet worden beschouwd:
  1° (De persoon die beschikt over een inkomen, pensioen, rente, tegemoetkoming of uitkering krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving, voor zover het globaal bedrag van deze inkomens over een kalanderkwartaal hoger is dan 1762,82 euro.
  Dit bedrag is gebonden aan de spilindex 103,14, van toepassing op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) en wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige sociale bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer worden gekoppeld.
  Onder inkomens moeten de inkomens worden verstaan, voortvloeiend uit een beroepsbezigheid, die al naargelang het geval wordt bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, 2° of 4°, of in artikel 228, § 2, 3° en 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zelfs indien ze door een tussenpersoon wordt uitgeoefend, en iedere gelijkaardige bezigheid die wordt uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie.
  Voor de toepassing van deze bepaling moet rekening worden gehouden met een twaalfde van het bedrag van de jaarlijks uitbetaalde voordelen, zoals de premies, de aandelen in de winst, de dertiende maand, de gratificaties, het dubbel vakantiegeld of de bedragen aan de werknemers betaald ter aanvulling van het dubbel vakantiegeld, alsmede het vakantiegeld of het aanvullend vakantiegeld uitbetaald aan de rechthebbenden op een rust- of overlevingspensioen. Het maandbedrag van het inkomen van niet in loondienst werkenden dat is bedoeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt fictief vastgesteld op een twaalfde van 100/80 van het verschil tussen de brutowinst of -baten en de desbetreffende bedrijfslasten. Het maandbedrag van het inkomen gevormd door uitkeringen of tegemoetkomingen als hiervoor bedoeld, die zijn uitgedrukt in een dagbedrag en waarop de rechthebbende aanspraak heeft over alle uitkeringsdagen van een bepaalde maand, wordt geacht overeen te stemmen met vorenbedoeld dagbedrag, vermenigvuldigd met 26; ingeval het gaat om uitkeringen wegens een tijdelijke arbeidsongeschiktheid, verleend krachtens de bepalingen van de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen of van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, dient het voormelde dagbedrag vermenigvuldigd te worden met 30.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, noch met de vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen toegekend krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 die is gesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 mei 1990.
  De werkloze levert het bewijs dat hij een anciënniteitstoeslag geniet, met een verklaring opgesteld door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen; het genot van een vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen bewijst hij met een verklaring opgesteld door de werkgever belast met de uitbetaling van deze vergoeding.
  Evenmin wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de forfaitaire uitkeringstoeslag toegekend aan een werkloze die in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap tewerkgesteld is krachtens artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
  Er wordt evenmin rekening gehouden met een tegemoetkoming die wordt toegekend om het verlies of vermindering van zelfredzaamheid op te vangen.) <KB 2005-09-17/40, art. 1, 120 ; Inwerkingtreding : 01-07-2005 ; zie ook art. 2>
  (Er wordt evenmin rekening gehouden met :
  het beroepsinkomen uit de zelfstandige activiteit van de echtgenote van wie de meewerkende echtgenoot, in plaats van voornoemde echtgenote, aan het sociaal statuut van de zelfstandigen is onderworpen, met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
  het deel van het beroepsinkomen dat met toepassing van artikel 86 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wordt toegekend aan de meewerkende echtgenoot van de gerechtigde zelfstandige, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°bis van de gecoördineerde wet;
  de uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid die worden toegekend aan de meewerkende echtgenoot van de gerechtigde zelfstandige die enkel onderworpen is aan de sectoren der uitkerings- en moederschapsverzekering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, overeenkomstig artikel 7bis, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.) <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  Van deze uitsluiting wordt afgeweken ten voordele van:
  - de in artikel 123, 3, bedoelde kinderen;
  - (...) <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  - de personen die op 31 maart 1983 de volgende voorwaarden vervullen:
  a) ingeschreven zijn als persoon ten laste;
  b) de leeftijd van 60 of 65 jaar hebben bereikt naargelang het om een vrouw of een man gaat;
  c) rechthebbende zijn op een tegemoetkoming van minder-valide, toegekend krachtens de wet van 27 juni 1969 betreffende de toekenning aan een tegemoetkoming aan de minder-validen, op grond van een ongeschiktheidsgraad van ten minste 70 pct., het vervullen van die voorwaarde wordt bewezen door een getuigschrift dat is afgeleverd door de Dienst voor minder-validen van het Ministerie van Sociale zaken.
  Wordt niet als een vervangingsinkomen beschouwd het deel van het rustpensioen dat wettelijk aan de echtgenoot wordt toegekend in geval van feitelijke scheiding ten gevolge van een beschermingsmaatregel voordien in artikel 2 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.
  2° (de persoon die de hoedanigheid heeft van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° tot 16° (en 21°) van de gecoördineerde wet en zonder betaling van een persoonlijke bijdrage kan aanspraak maken op geneeskundige verstrekkingen. <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  De in artikel 32, eerste lid, 13°, 15° en 20° bedoelde gerechtigden, die zonder bijdragebetaling recht hebben op geneeskundige verstrekkingen, kunnen evenwel verkiezen zich als persoon ten laste in te schrijven, mits vervulling van de daartoe gestelde voorwaarden, en, voor wat de in artikel 32, eerste lid, 20° bedoelde wezen betreft, onder de voorwaarden omschreven in artikel 123, 3, d), e) en f). [3 ...]3 <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  De gerechtigden die in deze hoedanigheid recht hebben op verzekeringstegemoetkomingen, maar overeenkomstig de twee voorgaande leden de mogelijkheid hebben te worden beschouwd als persoon ten laste, kunnen van deze mogelijkheid slechts gebruik maken vanaf de datum waarop het recht, dat zij als gerechtigde laten gelden, verder zou kunnen worden verlengd overeenkomstig artikel 123 van de gecoördineerde wet.) <KB 1997-12-29/30, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  3° de persoon die aanspraak kan maken op geneeskundige verstrekkingen krachtens zijn tewerkstelling in een nationale internationale of supranationale publiekrechtelijke instelling die zelf een regeling voor verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen organiseert waarbij haar personeel verplicht is aangesloten alsook de personen te zijnen laste, tenzij zij aanspraak kunnen maken op een bij deze afdeling bedoelde hoedanigheid van persoon ten laste (...); <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (4° opgeheven) <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  [1 4° de persoon die een zelfstandige activiteit heeft waarvan de beëindiging niet aan de verzekeringsinstelling meegedeeld werd door de Vrije Sociale Verzekeringskas voor zelfstandigen of door de Nationale Hulpkas en die indien hij in orde zou zijn met zijn bijdrageplicht krachtens het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende de inrichting van het sociaal statuut van der zelfstandigen, recht zou hebben op geneeskundige verstrekkingen zonder betaling van een aanvullende bijdrage.
   De meewerkende echtgenoten die onder de toepassing van artikel 7bis, § 3 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen vallen en de personen die genieten van de toepassing van artikel 37, § 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen kunnen evenwel verkiezen zich als persoon ten laste in te schrijven.]1
  § 2. De personen ten laste, in de zin van artikel 123, van een gerechtigde of van een werknemer, moeten deel uitmaken van zijn gezin, zij voldoen enkel aan deze verwaande wanneer zij dezelfde hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, hebben als de gerechtigde.
  Op die regel wordt een uitzondering gemaakt voor de in artikel 123, 1, bedoelde gescheiden echtgenoot of echtgenote en voor de kinderen die bij toepassing van artikel (123, 3,) ten laste zijn van de gerechtigde of werknemer. (Op die regel wordt tevens een uitzondering gemaakt voor de in artikel 123, 1, bedoelde echtgenoot of echtgenote, die een andere hoofdverblijfplaats heeft omdat in hoofde van deze echtgenoot of echtgenote of in hoofde van de gerechtigde krachtens een reglementaire bepaling een verplichting geldt de hoofdverblijfplaats op een bepaalde plaats te vestigen.) <KB 1997-12-29/30, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2003-04-08/65, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  De hoedanigheid van persoon ten laste wordt niet verloren wanneer die persoon tijdelijk niet langer deel uitmaakt van het gezin van de gerechtigde of werknemer.
  Het niet langer deel uitmaken van het gezin van de gerechtigde of de werknemer wordt geacht tijdelijk te zijn:
  - wanneer het ten hoogste drie maanden duurt;
  - voor de gehele duur van de opneming ter verpleging in een verplegingsinrichting die erkend is met toepassing van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987;
  - (voor de gehele duur van het verblijf in een dienst of inrichting of in een rustoord voor bejaarden zoals bedoeld in artikel 34, 12° van de voormelde gecoördineerde wet en voor de duur van het verblijf in een psychiatrisch verzorgingstehuis, bedoeld in artikel 34, 11° van de gecoördineerde wet;) <KB 1997-12-29/30, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  - voor de gehele duur van het verblijf in een rust- en verzorgingstehuis dat erkend is met toepassing van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende andere vormen van verzorging.
  (lid opgeheven) <KB 1997-12-29/30, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  § 3. (Het bewijs van het in § 2 bedoeld samenwonen, volgt uit de informatie die is bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, en die bij het Rijksregister is verkregen.
  [2 In afwijking op het vorige lid, mag de huwelijksakte evenwel als bewijs van het samenwonen van de echtgenoten dienen, in afwachting van de aanpassing van de vorenbedoelde gegevens van het Rijksregister ten gevolge van de samenwoning, en voor zover de echtgenoten dit daadwerkelijk aangevraagd hebben aan hun gemeentelijke overheid.]2
  ----------
  (1)<KB 2014-02-21/06, art. 1, 211; Inwerkingtreding : 15-03-2014>
  (2)<KB 2014-05-22/31, art. 1, 217; Inwerkingtreding : 10-07-2014>
  (3)<KB 2018-07-30/20, art. 1, 273; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 125. <KB 2008-07-01/34, art. 3, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008> Bij betwisting tussen gerechtigden omtrent de vraag bij wie een kind als persoon ten laste moet worden ingeschreven, wordt het kind, overeenkomstig artikel 126 van de gecoördineerde wet bij voorrang ingeschreven als persoon ten laste van de oudste gerechtigde.
  Bij gerechtigden die niet onder hetzelfde dak wonen, wordt het kind bij voorkeur ingeschreven als persoon ten laste ten aanzien van de gerechtigde die met hem samenwoont.

  Art. 126. <KB 2008-07-01/34, art. 4, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008> § 1. De rechthebbende die op 1 januari 2008 zijn hoedanigheid van persoon ten laste behoudt, blijft ingeschreven als persoon ten laste van de persoon bij wie hij op 31 december 2007 was ingeschreven, behalve indien de inschrijving ten laste van een andere gerechtigde schriftelijk aan de verzekeringsinstelling van die andere gerechtigde wordt aangevraagd.
  § 2. Wanneer een kind ten laste van verschillende gerechtigden in de hoedanigheid van kind kan worden ingeschreven, zal het verzoek om hem ten laste van een andere gerechtigde in te schrijven, pas uitwerking hebben op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin dat verzoek werd ingediend bij de verzekeringsinstelling van die andere gerechtigde.
  In geval van wijziging van de situatie van het kind tijdens de periode tussen de indiening van het voormelde verzoek en 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin het verzoek werd ingediend, zal het verzoek echter onmiddellijk uitwerking hebben met inachtneming van de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn.

  Art. 127. <KB 1997-12-29/30, art. 4, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> De personen ten laste die hun hoedanigheid verliezen, kunnen verder geneeskundige verstrekkingen genieten tot 31 december van het jaar dat volgt op datgene waarin zij hun hoedanigheid verloren.
  Voor de in artikel 205, §1, 3° bedoelde personen ten laste die deze hoedanigheid verliezen, kan de in het eerste lid bedoelde periode desgevallend verlengd worden tot het einde van de aldaar vastgestelde tijdvakken.
  De in het eerste lid bedoelde periode kan eveneens verlengd worden voor de niet in artikel 205, §1, 3° bedoelde personen ten laste die hun hoedanigheid van persoon ten laste verliezen, voor het tijdvak van ten hoogste zes maanden dat ligt tussen de beëindiging of onderbreking van de studies en het verkrijgen van de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 32, eerste lid, 1°, 13°, 14° of 15° van de gecoördineerde wet.
  Het behoud van het genot op verstrekkingen zoals dit in deze bepaling is voorzien, wordt slechts toegekend voor zover niet uit hoofde van een hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° tot en met 12°, 16° (20° en 21°) van de voormelde gecoördineerde wet, of uit hoofde van de hoedanigheid van persoon ten laste recht op verstrekkingen kan bestaan. (...) <KB 1999-03-16/31, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 01-04-1999> <KB 2008-07-01/34, art. 5, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Afdeling II. - Wezen.

  Art. 128. (Onder kinderen van gerechtigden als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 20°, van de gecoördineerde wet worden verstaan de kinderen of geadopteerde kinderen van een gerechtigde of van de persoon in wier geboorteakte de naam van een gerechtigde is vermeld en van wie die gerechtigde bij zijn overlijden de overlevende van hun vader en moeder of hun enige natuurlijke ouder was.) <KB 1997-12-29/30, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Deze bepaling geldt zelfs wanneer de kinderen op het tijdstip van dat overlijden, persoon ten laste van en andere gerechtigde zouden geweest zijn.

  Afdeling III. - (Gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 12° tot 15° en 22° van de gecoördineerde wet) <KB 2007-08-03/36, art. 1, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Art. 128bis. <ingevoegd bij KB 1997-12-29/30, art. 7, Inwerkingtreding : 01-01-1998> Onder gerechtigden als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 12° van de gecoördineerde wet worden verstaan de personen bedoeld in artikel 2, §1, 1°, 2°, 3°, 2) en 4° van het decreet van 4 augustus 1959 op de verzekering voor gezondheidszorg van de administratieve en militaire ambtenaren en gewezen ambtenaren, van de beroepsmagistraten, van de ambtenaren en gewezen ambtenaren van de rechterlijke orde en van de gerechtelijke politie bij de parketten, die zich op 31 december 1993 nog effektief op de verplichtingen van de Staat voortvloeiend uit artikel 37, derde lid, van de wet van 28 december 1973 betreffende de budgettaire voorstellen 1973-1974 kan beroepen en dit bewijst aan de hand van een attest, conform het model in bijlage II bij dit besluit, verstrekt door de administratie van pensioenen van het Ministerie van Financiën.

  Art. 128ter.<ingevoegd bij KB 1997-12-29/30, art. 8, Inwerkingtreding : 01-01-1998> Onder gerechtigden als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 13° van de gecoördineerde wet worden verstaan, de personen die hun hoofdverblijfplaats in België hebben en :
  - ofwel, de leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben en vóór de leeftijd van vijfenzestig jaar ongeschikt zijn erkend door een [1 arts-inspecteur]1 van de Dienst voor geneeskundige controle, tot het verrichten van arbeid ter verkrijging van inkomen voor een vermoedelijke duur van tenminste één jaar, wegens letsels of functionele stoornissen die leiden tot een onvermogen tot verdienen van twee derden of meer dan twee derden van wat een persoon van dezelfde stand en opleiding kan verdienen door zijn werkzaamheid.
  De [1 arts-inspecteur]1 stelt de duur van de arbeidsongeschiktheid vast en geeft aan de belanghebbende kennis van zijn beslissing binnen de maand volgend op de datum van het onderzoek.
  De [1 arts-inspecteur]1 gaat tot een nieuw onderzoek over binnen dertig dagen voor het einde van de vroeger erkende periode van arbeidsongeschiktheid.
  Worden geacht verder arbeidsongeschikt te zijn, de personen waarvan de arbeidsongeschiktheid erkend werd tot de leeftijd van vijfenzestig jaar.
  De arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op schriftelijke aanvraag, gericht aan de Leidend ambtenaar van de dienst voor geneeskundige controle, door de betrokkene of door de persoon die wettelijk gemachtigd is voor hem op te treden.
  - ofwel, de in toepassing van artikel 2, §1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen (aan personen met een handicap) vereiste ongeschiktheidserkenning bezitten om het recht op de in die bepaling bedoelde inkomensvervangende tegemoetkoming te genieten of de in toepassing van het voormelde artikel 2, §2 of § 3 vereiste vermindering van de zelfredzaamheid bezitten om het recht op de in die bepalingen bedoelde integratietegemoetkoming of tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden te genieten; <KB 2008-07-01/34, art. 6, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  - (ofwel, de leeftijd van 15 jaar hebben bereikt, en die op grond van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %, de medische voorwaarden vervullen om het recht te openen op kinderbijslag waarvan het bedrag is verhoogd overeenkomstig artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslagen voor loonarbeiders) (of in artikel 20 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.) <KB 2006-08-05/47, art. 1, 131; Inwerkingtreding : 01-05-2003> <KB 2008-07-01/34, art. 6, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 128quater. <ingevoegd bij KB 1997-12-29/30, art. 9, Inwerkingtreding : 01-01-1998> Om te worden beschouwd als studenten die onderwijs van het derde niveau volgen in een instelling voor dagonderwijs, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 14° van de gecoordineerde wet, dienen de betrokken studenten ingeschreven te zijn en leergangen te volgen in een in België gevestigde onderwijsinstelling, (die voorkomt op een lijst die wordt opgemaakt door de Dienst voor administratieve controle, die daartoe samenwerkt met de voor dat onderwijs bevoegde overheden). De hier bedoelde studenten behouden hun hoedanigheid bij afloop van een schooljaar, tot het begin van het volgende schooljaar. <KB 2003-04-08/66, art. 1, 093; Inwerkingtreding : 15-05-2003>
  De voormelde onderwijsinstellingen leveren aan de studenten, ter gelegenheid van hun inschrijving, een schriftelijke verwittiging af waarvan het model wordt opgemaakt door de Dienst voor administratieve controle en waarin de betrokken studenten erop worden gewezen dat zij als student die onderwijs van het derde niveau volgt, de hoedanigheid van gerechtigde kunnen bezitten en als dusdanig, mits betaling van een bijdrage en vervulling van andere toekenningsvoorwaarden, gesteld door de gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten, het recht op verzekeringstegemoetkomingen kunnen laten gelden.

  Art. 128quinquies. <ingevoegd bij KB 1997-12-29/30, art. 10, Inwerkingtreding : 01-01-1998> § 1. De hierna opgesomde personen zijn niet uitgesloten uit het toepassingsgebied van artikel 32, eerste lid, 15° van de gecoördineerde wet :
  - de vreemdelingen die, van rechtswege, toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk;
  - de vreemdelingen die gemachtigd zijn tot verblijf voor een onbepaalde duur of die gevestigd zijn in het Rijk;
  - de kandidaat vluchtelingen waarvan de aanvraag ontvankelijk werd verklaard door de Dienst vreemdelingenzaken of door het Commisariaat generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.
  - de personen die, in afwachting van hun inschrijving in het Rijksregister van de natuurlijke personen, aantonen dat zij de verklaring hebben verricht, bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 met betrekking tot de bevolkingsregisters en de vreemdelingenregisters, door middel van een getuigschrift van de gemeentelijke overheid of door middel van elk ander bewijsmiddel dat als dusdanig erkend wordt door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle;
  (- de kinderen die op het moment van de aankomst in België de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt en de personen die hen begeleiden van wie wordt aangetoond dat ze tot het Belgisch grondgebied zijn toegelaten vanaf 14 januari 2009, voor de duur van de zorgen in het kader van de door de Belgische Regering georganiseerde evacuatieoperatie van kinderen die gewond werden in de gevechten van Gaza. De betrokken zorgen worden integraal door de verzekering ten laste genomen.) <KB 2009-01-26/30, art. 1, 158; Inwerkingtreding : 14-01-2009>
  § 2. (opgeheven) <KB 2008-07-01/34, art. 7, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Art. 128sexies. <Ingevoegd bij KB 2007-08-03/36, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-2008> Voor de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 22°, van de gecoördineerde wet, worden de tussenkomsten van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn in de kosten van geneeskundige verzorging hierbij niet beschouwd als een regeling van verzekering voor geneeskundige verzorging. Een materiële tenlasteneming door het Federaal Agentschap voor opvang van asielzoekers of een instelling van de gemeenschappen, zoals nader omschreven door de Dienst voor administratieve controle, wordt evenmin als een regeling van verzekering voor geneeskundige verzorging beschouwd.
  De Dienst voor administratieve controle stelt de bewijsmiddelen vast voor de hoedanigheid van gerechtigde en voor de situaties die hen toelaten deze hoedanigheid te verwerven.

  HOOFDSTUK III. - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.

  Afdeling I. - <KB 1997-12-29/30, art. 11, Inwerkingtreding : 01-01-1998> Nadere regelen inzake de opening van het recht op geneeskundige verstrekkingen.

  Art. 129. <KB 1997-12-29/30, art. 12, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> Het recht op geneeskundige verstrekkingen, zoals omschreven in titel III van de gecoördineerde wet, wordt voor de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, (1° tot 16°, 20°, 21° en 22°) en 20° van de voormelde gecoördineerde wet geopend op de datum waarop de inschrijving of de aansluiting in de hoedanigheid van gerechtigde bij een verzekeringsinstelling uitwerking heeft, zoals bedoeld in artikel 252, en wordt behouden tot 31 december van het kalenderjaar dat volgt op dat waarin het recht wordt geopend. <KB 2007-08-03/36, art. 3, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008> <KB 2008-07-01/34, art. 8, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  Ingeval de inschrijving of aansluiting moet worden beschouwd als een herinschrijving of heraansluiting zoals bedoeld in artikel 252, laatste lid, gaat het voormelde recht in op de datum waarop de herinschrijving of heraansluiting uitwerking heeft, behalve indien het gaat om een gerechtigde die ertoe gehouden is de wachttijd, bepaald in artikel 130 te vervullen. In dat laatste geval wordt het recht op prestaties slechts geopend op de dag na de vervulling van de wachttijd en wordt het behouden tot 31 december van het kalenderjaar dat volgt op dat waarin het recht wordt geopend. De bijdrageverplichtingen in verband met de wachttijd moeten zijn vervuld, uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op dat waarin het recht op tegemoetkomingen, na vervulling van de wachttijd, kan worden geopend. Indien de wachttijd niet werd vervuld, en het recht op tegemoetkomingen niet kan worden toegekend voor de zoëven vermelde periode van opening van recht, kan het recht op tegemoetkomingen voor het daaropvolgende jaar slechts worden toegekend onder de voorwaarden, vermeld in artikel 131.
  (De gerechtigden van wie het recht in 2007 werd geopend overeenkomstig artikel 26 van het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, hebben recht op de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging voor alle verstrekkingen die in artikel 34 zijn opgesomd.) <KB 2008-07-01/34, art. 8, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Afdeling II. - <KB 1997-12-29/30, art. 13, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> Wachttijd voor het recht op geneeskundige verstrekkingen.

  Art. 130.<KB 1997-12-29/30, art. 14, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> § 1. De gerechtigden waarvan de inschrijving of aansluiting moet worden beschouwd als een herinschrijving of heraansluiting zoals bedoeld in artikel 252, laatste lid en waarvan de geldigheid van de vorige inschrijving vervallen is omwille van de niet-nakoming van de persoonlijke bijdrageverplichtingen die gesteld worden in verband met het recht op tegemoetkomingen, moeten een wachttijd van zes maanden volbrengen die aanvangt op de datum waarop de herinschrijving of heraansluiting uitwerking heeft.
  Binnen de maand die volgt op het einde van de wachttijd worden voor de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wet, de gegevens overgemaakt bedoeld in artikel 277, weliswaar beperkt tot de duur van de wachttijd, volgens de procedure vermeld in laatstgenoemd artikel.
  Binnen de maand die volgt op het einde van de wachttijd wordt voor de gerechtigden die niet zijn bedoeld in het vorige lid een document afgegeven door de instanties of de personen die voor de betrokken gerechtigden de bijdragebescheiden bedoeld in artikel 276, §1, afleveren en dat dezelfde gegevens bevat als deze bijdragebescheiden, weliswaar beperkt tot de duur van de wachttijd.
  De gerechtigde levert het in het vorige lid bedoeld document of de papieren bijdragebon die hij desgevallend in toepassing van artikel 277, §1, ontvangt, in bij zijn verzekeringsinstelling binnen de twee maanden na het einde van de wachttijd.
  De verzekeringsinstelling gaat na of op basis van de hiervoor vermelde gegevens of documenten, de minimumwaarde, gesteld voor het tijdvak van de wachttijd, bereikt wordt in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging, en desgevallend, van de uitkeringsverzekering; zij vordert eventueel een aanvullende bijdrage, volgens de regels vermeld in artikel 290. Zij gaat hierbij uit van de helft van het jaarlijks minimumloon, alsmede van de noemer 120.
  De wachttijd is vervuld indien de minimumwaarde bereikt wordt in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging. [2 De wachttijd wordt geschorst gedurende het tijdvak dat de gerechtigde overeenkomstig artikel 19 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering geplaatst is in een verzorgingsinstelling, met uitzondering van de inrichtingen zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) en c) van dezelfde wet.]2
  (lid 7 opgeheven) <KB 2008-07-01/34, art. 9, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  § 2. De bepalingen van §1 zijn evenwel niet van toepassing op :
  1. de personen die in de zes maanden voorafgaand aan hun heraansluiting of herinschrijving tegemoetkomingen voor geneeskundige verzorging ten laste van een Belgische overheid konden genieten;
  2. de personen die in de zes maanden voorafgaand aan hun heraansluiting of herinschrijving rechthebbende waren in een stelsel van verzekering voor geneeskundige verzorging georganiseerd door een land van de Europese Economische Ruimte of van een staat waarmee België een akkoord inzake sociale zekerheid heeft gesloten in verband met de samentelling van de verzekeringstijdvakken;
  3. de personen die in België hun hoofdverblijfplaats hebben en die, in de zes maanden voor afgaand aan hun heraansluiting of herinschrijving, onder de toepassing vallen van een statuut van een instelling van internationaal of Europees recht, gevestigd in België, of waarbij ze in België tewerkgesteld waren, dat een tegemoetkoming voorziet in de kosten van gezondheidszorgen;
  4. de personen die zich in de loop van de zes maanden voorafgaand aan hun heraansluiting of herinschrijving in het buitenland bevonden voor het vervullen van een zending in opdracht van hun werkgever of geestelijke overheid;
  5. [1 de gerechtigden voor wie erkend wordt dat zij zich in een behartigenswaardige toestand bevinden die als dusdanig wordt erkend door de verzekeringsinstelling en vervolgens door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle, de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 13° van de gecoördineerde wet, kinderen met een handicap waarvan de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % is vastgesteld door een arts van de Directie-generaal Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, alsmede de personen die aantonen dat zij één van de volgende voordelen genieten :
   a) het leefloon ingesteld bij de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
   b) steun die geheel of gedeeltelijk door de federale overheid wordt ten laste genomen op grond van de artikelen 4 en 5 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
   c) de inkomensgarantie voor ouderen ingesteld bij de wet van 22 maart 2001;
   d) het gewaarborgd inkomen voor bejaarden ingesteld bij de wet van 1 april 1969, alsook het behoud van het recht op de rentebijslag;
   e) een tegemoetkoming die wordt toegekend aan een persoon met een handicap krachtens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;]1
  6. [3 de personen die de hoedanigheid van gerechtigde hebben als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 7° tot 11°sexies, 16° en 20° van de voormelde gecoördineerde wet.]3
  [1 Voor de toepassing van de punten 5 en 6 moet de persoon het voordeel genieten of zich in de toestand bevinden op de datum van de aanvraag tot herinschrijving of binnen de zes maanden te rekenen van de datum waarop de herinschrijving uitwerking heeft.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-05-15/24, art. 1, 215; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<KB 2018-01-26/12, art. 1, 262; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (3)<KB 2019-05-02/08, art. 1, 278; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Afdeling III. <KB 1997-12-29/30, art. 15, Inwerkingtreding : 01-01-1998> Nadere regelen inzake het behoud van het recht op de geneeskundige verstrekkingen.

  Art. 131. <KB 1997-12-29/30, art. 16, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> (§ 1.) Eens het voormelde recht op geneeskundige verstrekkingen is ingegaan op de wijze, omschreven in artikel 129, is de verdere toekenning van het recht, die onderworpen is aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 123 van de gecoördineerde wet, tevens onderworpen aan de voorwaarde dat de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, (1° tot 16°, 20°, 21° en 22°) van de gecoördineerde wet nog bestond in het laatste kwartaal van het refertejaar of in de loop van het daaropvolgende kalenderjaar. <KB 1999-03-16/31, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 01-04-1999> <KB 2007-08-03/36, art. 4, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008> <KB 2008-07-01/34, art. 10, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  De voormelde toekenning van recht kan slechts gebeuren, indien de bijdrageverplichtingen in verband met het refertejaar werden nagekomen, en zulks uiterlijk op 31 december van het jaar waarvoor dit recht kan worden toegekend.
  (In afwijking van het eerste lid wordt het recht op geneeskundige verzorging verlengd vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal in de loop waarvan opnieuw een hoedanigheid van gerechtigde wordt verworven voor zover die hoedanigheid tijdens de geldigheidsduur van een reeds bestaande inschrijving werd verworven en voor zover de bijdrageplicht met betrekking tot het refertejaar werd vervuld. Dat recht wordt aldus verlengd tot het einde van het lopende jaar.) <KB 2008-07-01/34, art. 10, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (§ 2. Het recht kan eveneens worden verlengd voor 2008 indien er tijdens het laatste kwartaal van 2006 of in de loop van 2007 een hoedanigheid van gerechtigde bestond krachtens het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, en indien de bijdrageplicht voor 2006, opgelegd bij hetzelfde besluit, voor de verlenging van het recht werd vervuld.) <KB 2008-07-01/34, art. 10, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (§ 3. Evenzo kan het recht ook voor 2009 worden verlengd indien tijdens het laatste kwartaal van 2007 of in de loop van 2008 een hoedanigheid van gerechtigde bestond krachtens het voormelde koninklijk besluit van 29 december 1997 en indien de bijdrageplicht voor 2007, opgelegd bij hetzelfde besluit, voor de verlenging van het recht werd vervuld.) <KB 2008-07-01/34, art. 10, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Afdeling IV. - (Persoonlijke bijdrage van de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 12°, 14°, 15°, 21° en 22° van de gecoördineerde wet.) <KB 2008-07-01/34, art. 11; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Art. 132. (opgeheven) <KB 2008-07-01/34, art. 12, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Art. 133. <KB 1997-12-29/30, art. 19, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> De in artikel 32, eerste lid, 14° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde is een trimestriële bijdrage verschuldigd van (43,11 EUR). <KB 2001-12-11/45, art. 13, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Deze bijdrage is verschuldigd voor elk kwartaal waarin de voormelde hoedanigheid van gerechtigde bestaat en zulks vanaf het kwartaal waarin de voormelde hoedanigheid van gerechtigde werd verworven.
  (Het bedrag van deze bijdrage is gekoppeld aan het indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen bereikt op 31 oktober 1999.) Het bedrag wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen. (...). <KB 2001-12-11/45, art. 13, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 134.<KB 2000-09-03/46, art. 1, 052; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De in artikel 32, eerste lid, 15° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde is een trimestriële bijdrage verschuldigd van (508,53 EUR). <KB 2001-12-11/45, art. 14, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Deze bijdrage is verschuldigd voor elk kwartaal waarin de voormelde hoedanigheid bestaat en zulks vanaf het kwartaal waarin de voormelde hoedanigheid werd verworven.
  [1 Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt verminderd tot 254,26 EUR wanneer de gerechtigde het bewijs levert dat het totaal jaarlijks bedrag van de inkomsten van zijn gezin, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het koninklijk besluit van 15 januari 2014 betreffende de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, lager is dan 25.285,14 EUR.]1
  Het zoëven genoemde bedrag van (25 285,14 EUR), (dat gekoppeld is aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)), wordt aangepast aan de evolutie van de spilindex van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als de inkomensgrenzen van de rechthebbenden op de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, van de publieke en private sector, zoals voorzien in het voormelde koninklijk besluit [1 ...]1. <KB 2001-12-11/45, art. 14, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2001-12-11/45, art. 14, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002 <KB 2007-06-14/44, art. 1, 2°, 145; Inwerkingtreding : 01-04-2007>>
  Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt verminderd tot (43,11 EUR) wanneer de gerechtigde het bewijs levert dat het totaal jaarlijks bedrag van de inkomsten van zijn gezin, vastgesteld [1 overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2014, lager is dan het bedrag bedoeld in artikel 21 van hetzelfde besluit]1. <KB 2001-12-11/45, art. 14, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2007-06-14/44, art. 1, 3°, 145; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  (De gerechtigde, bedoeld in het voormelde artikel 32, eerste lid, 15° is vrijgesteld van bijdragebetaling indien hij het bewijs levert dat het totaal jaarlijks bedrag van de inkomsten van zijn gezin, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in [1 artikel 27 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2014]1, lager is dan het bedrag bedoeld in artikel 17), niet hoger is dan het bedrag (voor een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste, zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 3°) van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Dit bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig de nadere regels die van toepassing zijn in het kader van de voornoemde wet van 26 mei 2002.) <KB 2003-04-08/65, art. 3, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <KB 2007-06-14/44, art. 1, 4°, 145; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  Het in het derde, vijfde en zesde lid bedoelde bewijs wordt geleverd door ondertekening van een verklaring op erewoord, zoals opgenomen in [1 bijlage 2 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2014]1; de juistheid van de verklaring wordt nagegaan door de Dienst voor administratieve controle, volgens de modaliteiten die deze Dienst bepaalt. De in de zoëven genoemde leden bedoelde gerechtigden zijn ertoe gehouden binnen de dertig dagen hun verzekeringsinstelling op de hoogte te brengen van elke wijziging die een verhoging van de inkomens tot gevolg heeft, met uitzondering van een wijziging in de informatiegegevens, bedoeld bij artikel 3, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, voor zover ze die wijziging aan het bevoegde gemeentebestuur hebben meegedeeld. De verzekeringsinstelling zal bestendig rekening houden met elke wijziging in de samenstelling van het gezin van de voormelde gerechtigden. Aan de hand van de aldus bekomen gegevens, zal de toegekende vermindering van het bijdragebedrag opnieuw worden onderzocht en eventueel worden ingetrokken de eerste dag van het tweede kwartaal na dat waarin één van de wijzigingen heeft plaatsgehad. <KB 2007-06-14/44, art. 1, 5°, 145; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  [1 Hetgeen is bepaald in de artikelen 21 en 25 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2014]1 in verband met de verhoging van het grensbedrag en de inkomens waarmee rekening moet worden gehouden is eveneens van toepassing op de vaststelling van de grensbedragen en de inkomens waarmee voor de toepassing van dit artikel rekening moet worden gehouden. <KB 2007-06-14/44, art. 1, 6°, 145; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  [1 De in artikel 32, eerste lid, 15° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde, die recht heeft op de verhoogde verzekeringstegemoetkoming bedoeld in artikel 37, § 19, van de wet, is vrijgesteld van bijdragebetaling. De voormelde gerechtigde geniet deze vrijstelling van bijdragebetaling zolang hij van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming geniet.]1 [2 De bijdragebetaling wordt geschorst voor de gerechtigde die, overeenkomstig artikel 19 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering, geplaatst is in een verzorgingsinstelling, met uitzondering van de inrichtingen zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) en c) van dezelfde wet.]2
  (Het bedrag van de in dit artikel bepaalde bijdragen is gekoppeld aan het indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen bereikt op 31 oktober 1999.) Het wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen. <KB 2001-12-11/45, art. 14, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/E3, art. 1, 219; Inwerkingtreding : 28-07-2014. Is van toepassing op de trimestriële bijdragen die verschuldigd zijn vanaf de eerste dag van het trimester na afloop van een termijn van 30 dagen te rekenen van de dag volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad>
  (2)<KB 2018-01-26/12, art. 2, 262; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 135. <KB 1997-12-29/30, art. 21, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> Een inhouding van (29,33 EUR) per trimester wordt gedaan op het pensioen van de in artikel 32, eerste lid, 12° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden. Deze inhouding wordt verricht door het Ministerie van Financiën en de opbrengst ervan wordt overgemaakt aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. De voormelde gerechtigden, die geen dusdanig pensioen genieten, zijn ertoe gehouden aan hun ziekenfonds of de Gewestelijke dienst een trimestriële bijdrage van (29,33 EUR) te betalen. <KB 2001-12-11/45, art. 15, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (Het bedrag van de inhouding of bijdrage bedoeld in het eerste lid is gekoppeld aan het indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen bereikt op 31 oktober 1999.) Het wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen. (...). <KB 2001-12-11/45, art. 15, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 136. <Hersteld bij KB 2007-08-03/36, art. 6, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008> De persoon die de hoedanigheid heeft van gerechtigde, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 22° van de gecoördineerde wet, kan aanspraak maken op geneeskundige verstrekkingen zonder betaling van een persoonlijke bijdrage.

  Art. 136bis. <Ingevoegd bij KB 2008-07-01/34, art. 13; Inwerkingtreding : 01-01-2008> De gerechtigde, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 21°, van de gecoördineerde wet is een driemaandelijkse bijdrage van 65,12 euro verschuldigd. Dat bedrag wordt verlaagd tot 18,62 euro voor de gerechtigden die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Dat bedrag is van toepassing vanaf het kwartaal waarin zij die leeftijd hebben bereikt.
  Die bedragen zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen 104,06 (basis 1996 = 100) bereikt op 31 oktober 1999. Die bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid die het indexcijfer van de consumptieprijzen heeft bereikt op 31 oktober van het voorgaande jaar.
  Worden echter vrijgesteld van de betaling van elke bijdrage, de voormelde gerechtigden die recht hebben op een van de voordelen die zijn gespecificeerd in artikel 37, § 19, 1°, 2° of 3°, van de gecoördineerde wet. De voormelde gerechtigden zijn vrijgesteld van de betaling van bijdragen onder dezelfde voorwaarden en voor dezelfde periode als die welke, overeenkomstig de artikelen 6 tot 9 van het besluit van 1 april 2007 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, §§ 1 en 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. en tot invoering van het OMNIO-statuut, van toepassing zijn voor de toekenning van het recht op een verhoogde verzekeringstegemoetkoming in geval van recht op een van de voormelde voordelen.
  Die bijdrage is verschuldigd voor elk kwartaal tijdens hetwelk de voornoemde hoedanigheid van gerechtigde bestaat en vanaf het kwartaal in de loop waarvan die hoedanigheid is verworven. De bijdrage is evenwel niet verschuldigd gedurende de periode tijdens welke de gerechtigde door de geestelijke overheid waarvan hij afhangt, naar het buitenland wordt gestuurd.

  Afdeling IVbis. - Bijdragen die door de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis en 11°quater van de gecoördineerde wet, zijn verschuldigd. <Ingevoegd bij KB 2008-07-01/34, art. 14; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Art. 136ter. <Ingevoegd bij KB 2008-07-01/34, art. 14; Inwerkingtreding : 01-01-2008> De gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis, van de gecoördineerde wet, moet naast de vervulling van de bijdrageplicht met het oog op de vrijwaring van zijn pensioenrechten voor de betreffende periode, het bewijs leveren van de betaling van een jaarlijkse bijdrage die wordt berekend als volgt :
  - 7,66 pct. op het deel van het referte-inkomen in de zin van artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat niet hoger is dan het bedrag dat in artikel 12, § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde besluit is opgenomen, met dien verstande dat dit inkomen geacht wordt het bedrag, bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit te bereiken indien het referte-inkomen dat bedrag niet bereikt; en
  - 4,94 pct. op het deel van het voormelde referte-inkomen, bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, van het voormelde koninklijk besluit nr. 38.
  Voor de berekening van die bijdrage worden de bedragen, bedoeld in artikel 12 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 geïndexeerd overeenkomstig artikel 14 van hetzelfde besluit.

  Art. 136quater. <Ingevoegd bij KB 2008-07-01/34, art. 14; Inwerkingtreding : 01-01-2008> De gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 11°quater van de gecoördineerde wet moet, naast de vervulling van de bijdrageplicht met het oog op de vrijwaring van zijn pensioenrechten voor de betreffende periode, het bewijs leveren van de betaling van een jaarlijkse bijdrage die wordt berekend als volgt :
  - 7,66 pct. op het bedrag, bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit nr. 38.
  Voor de berekening van die bijdrage worden de bedragen, bedoeld in artikel 12 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38, geïndexeerd overeenkomstig artikel 14 van hetzelfde besluit.

  Afdeling V. - Tegemoetkoming in de revalidatiekosten.

  Art. 137.De verstrekkingen inzake revalidatie zijn, onder de voorwaarden die zijn omschreven in de door het College van [1 artsen-directeurs]1 of door de adviserend [1 arts]1 aangenomen revalidatieprogramma's, die waarin is voorzien in de overeenkomsten bedoeld bij artikel 22, 6°, van de gecoördineerde wet en onder de voorwaarden die daarin zijn bedongen of de verstrekkingen waarin is voorzien in de nomenclatuur van de revalidatieverstrekkingen, opgemaakt bij toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 138.[1 De tegemoetkoming in de kosten voor de revalidatieverstrekkingen is afhankelijk van de voorafgaande toestemming van :
   1° het College van [2 artsen-directeurs]2 :
   a) voor de verstrekkingen verleend in het buitenland en die voorzien zijn :
   - in de nomenclatuur opgemaakt in toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid van de gecoördineerde wet;
   - in de overeenkomsten bedoeld in artikel 22, 6°, van de gecoördineerde wet;
   b) voor de verstrekkingen verleend in België en die voorzien zijn :
   - in de nomenclatuur opgemaakt in toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid van de gecoördineerde wet indien de tegemoetkoming expliciet afhankelijk wordt gesteld van de voorafgaande toestemming van het College van [2 artsen-directeurs]2;
   - in de overeenkomsten betreffende implanteerbare hartdefibrillatoren, opgemaakt in uitvoering van artikel 22, 6°, van de gecoördineerde wet;
   2° de adviserend [2 arts]2 voor de verstrekkingen verleend in België en die voorzien zijn :
   a) in de nomenclatuur welke is opgemaakt bij toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de verstrekkingen, bedoeld in het punt 1°, b), eerste lid, van dit artikel;
   b) in de overeenkomsten die zijn bedoeld in artikel 22, 6° van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de verstrekkingen bedoeld in het punt 1°, b), tweede lid, van dit artikel.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-12-01/03, art. 1, 246; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 139.De aanvragen om tegemoetkoming worden ingediend door de rechthebbende van de verzekering voor geneeskundige verzorging, bij de adviserend [4 arts]4 van de mutualiteit, de gewestelijke dienst of de [2 [3 Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail]3]2 waarbij het is aangesloten of ingeschreven.
  De aanvragen moeten worden opgemaakt aan de hand van een formulier conform het door het Verzekeringscomité goedgekeurd model.
  [1 De aanvragen om tegemoetkoming betreffende de revalidatie-overeenkomst inzake implanteerbare hartdefibrillatoren worden ingediend door de toegetreden verplegingsinrichtingen volgens de procedure vastgesteld door het Verzekeringscomité en opgenomen in de betreffende overeenkomst.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-02-01/06, art. 2, 239; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<KB 2004-10-18/32, art. 38; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (3)<KB 2013-12-11/02, art. 61, 257; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (4)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 140.§ 1. De adviserend [2 arts]2 maakt de aanvragen betreffende de in artikel 138, 1°, bedoelde verstrekkingen, samen met zijn advies door toedoen van de [2 arts-directeur]2 van de verzekeringsinstelling, onverwijld over aan het College van [2 artsen-directeurs]2 [1 , met uitzondering van de aanvragen betreffende de revalidatie-overeenkomst inzake implanteerbare hartdefibrillatoren waarvoor de aanvraag door de toegetreden verplegingsinrichtingen bij het College van [2 artsen-directeurs]2 en de adviserend [2 arts]2 wordt ingediend volgens de procedure vastgesteld door het Verzekeringscomité en opgenomen in de betreffende overeenkomst]1.
  § 2. Aangaande de verstrekkingen bedoeld in artikel 138, 2° geeft de adviserend [2 arts]2 kennis van zijn beslissing aan de rechthebbende en, in voorkomend geval, aan de zorgverlener.
  Elke beslissing tot weigering wordt gemotiveerd.
  ----------
  (1)<KB 2016-02-01/06, art. 3, 239; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 141.Het College van [2 artsen-directeurs]2 onderzoekt, op verslag van de Dienst voor geneeskundige verzorging, de door de adviserend [2 arts]2 toegestuurde aanvragen. De beslissingen worden door de voorzitter meegedeeld aan de medische directie van de betrokken verzekeringsinstellingen die op haar beurt de betrokkene en, in voorkomend gevalt het revalidatiecentrum ervan kennis geeft. [1 Voor de revalidatie-overeenkomst inzake implanteerbare hartdefibrillatoren wordt de beslissing enkel meegedeeld aan de medische directie van de betrokken verzekeringsinstellingen en aan de betrokken verplegingsinrichtingen.]1
  Elke beslissing tot weigering wordt gemotiveerd.
  ----------
  (1)<KB 2016-02-01/06, art. 4, 239; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 142.§ 1. In geval van akkoord, stelt het College van [2 artsen-directeurs]2 of de adviserend [2 arts]2 voor elk geval een revalidatieprogramma vast dat met name de aard, het aantal, het ritme en de duur van de toegestane verstrekkingen omvat alsmede de naam van de inrichting en de andere voorwaarden inzake plaats.
  § 2. Het College van [2 artsen-directeurs]2 of de adviserend [2 arts]2 stelt, voor elk afzonderlijk geval, de datum vast vanaf welke de tegemoetkoming wordt toegekend.
  Behoudens andersluidende bepalingen wordt de tegemoetkoming geweigerd voor de verstrekkingen die zijn verricht langer dan dertig dagen vóór de datum waarop de aanvraag door de adviserend [2 arts]2 is ontvangen.
  § 3. De verzekeringsinstelling wordt belast met de betaling van de tegemoetkoming in de kosten voor de door het College van [2 artsen-directeurs]2 of de adviserend [2 arts]2 goedgekeurde verstrekkingen.
  § 4. [1 ...]1.
  ----------
  (1)<KB 2016-12-01/03, art. 2, 246; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 143.Het College van [1 artsen-directeurs]1 kan enquêtes bevelen door verpleegkundigen of alle andere bevoegde personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging en de adviserend [1 arts]1 om elke bijkomende inlichting verzoeken.
  Met het oog op het toekennen van de prestaties bedoeld in artikel 138, 1°, van onderhavig besluit kan het College van [1 artsen-directeurs]1 bovendien de adviserend [1 arts]1 opdragen de gerechtigde medisch te onderzoeken.
  De adviserend [1 arts]1 kan te allen tijde een enquête bevelen door de sociale dienst van de verzekeringsinstelling of de rechthebbende medisch onderzoeken.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 144. De aanvragen tot verlenging van een revalidatieprogramma worden ingediend en behandeld overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.

  Afdeling VI. - Tegemoetkoming in de reiskosten betreffende de revalidatie.

  Art. 145.§ 1. De Minister stelt de voorwaarden en de modaliteiten vast volgens welke een tegemoetkoming kan worden verleend in de reiskosten die overeenkomstig de door het College van [3 artsen-directeurs]3 of de adviserend [3 arts]3 genomen beslissingen worden aangegaan.
  § 2. De rechthebbende die meent te kunnen aanspraak maken op de tegemoetkoming in de reiskosten welke hij heeft om verstrekkingen voor functioneel revalidatie te bekomen dient daartoe een aanvraag in bij de adviserend [3 arts]3 van de mutualiteit, de gewestelijke dienst of de [1 [2 Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail]2]1 waarbij hij is aangesloten of ingeschreven.
  De aanvraag wordt ingediend samen met de aanvraag bedoeld in artikel 139.
  § 3. De adviserend [3 arts]3 maakt de aanvragen betreffende de reiskosten gemaakt in verband met in artikel 138, 1°, bedoelde verstrekkingen, samen met zijn advies door toedoen van de [3 arts-directeur]3 van de verzekeringsinstelling, onverwijld over aan het College van [3 artsen-directeurs]3.
  § 4. Aangaande de reiskosten gemaakt in verband met verstrekkingen bedoeld in artikel 138, 2°, geeft de adviserend [3 arts]3 kennis van zijn beslissing aan de rechthebbende.
  Elke beslissing tot weigering wordt gemotiveerd.
  § 5. Het College van [3 artsen-directeurs]3 onderzoekt, op verslag van de Dienst voor geneeskundige verzorging, de aanvragen bedoeld in § 3. De beslissingen worden door de voorzitter meegedeeld aan de medische directie van de betrokken verzekeringsinstellingen die op haar beurt de betrokkene ervan kennis geeft.
  Elke beslissing tot weigering wordt gemotiveerd.
  § 6. De verzekeringsinstelling wordt belast met de eventuele betaling van de tegemoetkoming.
  ----------
  (1)<KB 2004-10-18/32, art. 38; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (2)<KB 2013-12-11/02, art. 61, 257; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Afdeling VII. - Tegemoetkoming in de herscholingskosten.

  Art. 146.
  <Opgeheven bij KB 2009-03-30/16, art. 1, 163; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Afdeling VIII. - De tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven.

  Art. 147.§ 1. De verstrekkingen, bedoeld in artikel 34, 11°, van de gecoördineerde wet, omvatten:
  1° de verzorging verleend door verpleegkundigen;
  [2 2° in de rust- en verzorgingstehuizen en centra voor dagverzorging : de kinesitherapieverstrekkingen en de logopedieverstrekkingen verleend door de daartoe bevoegde zorgverstrekkers;]2
  [1 3° in de psychiatrische verzorgingstehuizen : de kinesitherapieverstrekkingen en de logopedieverstrekkingen verleend door de daartoe bevoegde zorgverstrekkers, met uitzondering van de kinesitherapieverstrekkingen die niet in de psychiatrische behandeling kaderen en die door een behandelende [5 arts]5, andere dan de [5 arts-specialist]5 in de neuropsychiatrie of in de psychiatrie, worden voorgeschreven;]1
  4° de bijstand in de handelingen van het dagelijks leven en elke handeling tot reactivatie [...] en sociale reïntegratie, inclusief de ergotherapie; <KB 2002-03-11/44, art. 1, 079; Inwerkingtreding : 01-08-2002>
  5° [in de rust- en verzorgingstehuizen en in de centra voor dagverzorging [3 de producten en het materiaal ter preventie van nosocomiale ziekten, alsook de volgende producten ]3 :
  - de ontsmettingsmiddelen (uitgezonderd de ontsmettingsmiddelen voor gynaecologie, voor mond- en oogverzorging) die niet terugbetaalbaar zijn ter uitvoering van Bijlage I, hoofdstuk I tot en met IV, van het koninklijk besluit van 17 maart 1997 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen tegemoetkomt in de kosten van magistrale bereidingen en daarmee gelijkgestelde producten;
  - de niet-geïmpregneerde verbanden;
  - de steriele kompressen die niet terugbetaalbaar zijn ter uitvoering van Bijlage I, hoofdstuk V, van het voornoemde koninklijk besluit van 17 maart 1997;
  - het onderhuids en/of intramusculair injectiemateriaal (uitgezonderd insulinespuiten).
  Een gedetailleerde lijst van deze producten wordt opgesteld door het Verzekeringscomité, op voorstel van de in artikel 12 bedoelde overeenkomstencommissie;] <KB 2002-03-11/44, art. 1, 079; Inwerkingtreding : 01-08-2002>
  6° de geneeskundige verstrekkingen verleend door psychiaters en neuropsychiaters in psychiatrische verzorgingstehuizen [alsmede het bedrag C2A zoals voorzien in artikel 2, 3), b), van het koninklijk besluit van 10 december 1990 houdende vaststelling van de regels voor het bepalen van de opnemingsprijs voor personen die worden opgenomen in psychiatrische verzorgingstehuizen]. <KB 2003-11-18/31, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 29-12-2003>
  [7° in de rust- en verzorgingstehuizen, de taken van de coördinerend en adviserend [5 arts]5, gedefinieerd in de bijlage 1, punt B, 3, h), bij het koninklijk besluit van [3 21 september 2004]3 houdende vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis of als centrum voor dagverzorging;] <KB 2001-11-22/35, art. 1, 067; Inwerkingtreding : 01-10-2000>
  [8° de opleiding en de sensibilisering van het personeel voor de palliatieve verzorging [3 en de aanvullende opleiding van het personeel op het vlak van dementie]3 in de rust- en verzorgingstehuizen.] <KB 2001-11-22/35, art. 1, 068; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
  [9° in de rust- en verzorgingstehuizen [3 en in de psychiatrische verzorgingstehuizen]3, een partiële tegemoetkoming in de beheerskosten en de kosten voor de gegevensoverdracht;
  10° het functiecomplement voor de hoofdverpleegkundige in het rust- en verzorgingstehuis [3 en het functiecomplement voor de hoofdverpleegkundige en de hoofdparamedicus met minstens 18 jaar anciënniteit in de rust- en verzorgingstehuizen en in de psychiatrische verzorgingstehuizen]3;
  11° in de rust- en verzorgingstehuizen : een tegemoetkoming om het gebruik van bijkomende zorgmiddelen te stimuleren;
  12° in de rust- en verzorgingstehuizen die zijn opgenomen in bijlage 3 bij het protocol van 24 mei 2004, gesloten tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikel 128, 130 en 135 van de Grondwet, betreffende het gezondheidsbeleid t.a.v. patiënten in een persisterende vegetatieve status : vanaf 1 juli 2004, een tegemoetkoming om de investeringen in zwaar verzorgingsmateriaal te financieren. De lijst met dat verzorgingsmateriaal is opgesteld door het Verzekeringscomité, op voorstel van de in artikel 12 bedoelde overeenkomstencommissie;] <KB 2005-02-28/38, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [3 13° in de rust- en verzorgingstehuizen waarin gemiddeld 25 patiënten verblijven die in de in artikel 150 bedoelde afhankelijkheidscategorie C zijn gerangschikt wegens hun psychische afhankelijkheid (categorie Cd) : de financiering van een referentiepersoon voor dementie;
   14° [4 ...]4]3
  § 2. De verstrekkingen, bedoeld in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet, omvatten:
  1° de verzorging verleend door verpleegkundigen;
  2° de logopedieverstrekkingen verleend door de daartoe bevoegde zorgverleners;
  3° de bijstand in de handelingen van het dagelijks leven en elke handeling tot reactivatie [...] en sociale reïntegratie, inclusief de ergotherapie; <KB 2002-03-11/44, art. 1, 079; Inwerkingtreding : 01-08-2002>
  4° [[3 de producten en het materiaal ter preventie van nosocomiale ziekten, alsook de volgende producten]3 :
  - de ontsmettingsmiddelen (uitgezonderd de ontsmettingsmiddelen voor gynaecologie, voor mond- en oogverzorging) die niet terugbetaalbaar zijn ter uitvoering van Bijlage I, hoofdstuk I tot en met IV, van het voornoemde koninklijk besluit van 17 maart 1997;
  - de niet-geïmpregneerde verbanden;
  - de steriele kompressen die niet terugbetaalbaar zijn ter uitvoering van Bijlage I, hoofdstuk V, van het voornoemde koninklijk besluit van 17 maart 1997;
  - het onderhuids en/of intramusculair injectiemateriaal (uitgezonderd insulinespuiten).
  Een gedetailleerde lijst van deze produkten wordt opgesteld door het Verzekeringscomité, op voorstel van de in artikel 12 bedoelde overeenkomstencommissie.] <KB 2002-03-11/44, art. 1, 079; Inwerkingtreding : 01-08-2002>
  [5° de opleiding en de sensibilisering van het personeel voor de palliatieve verzorging in de inrichtingen met een afdeling die een bijzondere erkenning als "rust- en verzorgingstehuis" heeft en in de inrichtingen die, ten opzichte van het totaal aantal erkende bedden, 40 % of meer patiënten tellen die in de in artikel 150 bedoelde afhankelijkheidscategorieën B of C zijn gerangschikt en waar bovendien ten minste 25 patiënten verblijven die in de in artikel 150 bedoelde afhankelijkheidscategorieën B of C zijn gerangschikt [3 en de aanvullende opleiding van het personeel op het vlak van dementie in de inrichtingen met een afdeling die een bijzondere erkenning als " rust- en verzorgingstehuis " heeft en in de inrichtingen waarin gemiddeld 15 patiënten verblijven die in de in artikel 150 bedoelde afhankelijkheidscategorie C zijn gerangschikt wegens hun psychische afhankelijkheid (categorie Cd)]3.] <KB 2001-11-22/35, art. 1, 068; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
  [6° een partiële tegemoetkoming in de beheerskosten en de kosten voor de gegevensoverdracht;
  7° een tegemoetkoming om het gebruik van bijkomende zorgmiddelen te stimuleren;] <KB 2005-02-28/38, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [3 8° het functiecomplement voor de hoofdparamedici en de coördinerend verpleegkundigen met minstens 18 jaar anciënniteit;
   9° een bijkomende financiering voor het kortverblijf;
   10° de financiering van een referentiepersoon voor dementie in de inrichtingen waarin gemiddeld 25 patiënten verblijven die in de in artikel 150 bedoelde afhankelijkheidscategorie C zijn gerangschikt wegens hun psychische afhankelijkheid (categorie Cd);
   11° [4 ...]4 ]3
  § 3. De tussenkomst van de verzekering voor geneeskundige verzorging voor de in artikel 34, 11° en 12°, van de gecoördineerde wet bedoelde verstrekkingen, bestaat uit een dagelijkse tegemoetkoming die tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt genoemd.
  ----------
  (1)<KB 2009-05-19/12, art. 1, 164; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<KB 2009-08-31/03, art. 1, 167; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (3)<KB 2011-10-17/06, art. 1, 186; Inwerkingtreding : 01-04-2008>
  (4)<KB 2013-01-09/04, art. 1, 197; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (5)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 148.De tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 147, § 3, wat de rust- en verzorgingstehuizen betreft wordt toegekend (aan de inrichting voor de rechthebbende die): <KB 1999-06-13/63, art. 4, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
  1° geen dagelijks medisch toezicht en geen permanente specialistische medische verzorging meer behoeft, maar anderzijds in sterke mate aangewezen is én op verzorging én op bijstand van derde personen bij de essentiële handelingen van het dagelijks leven;
  2° verzorgd wordt door een dienst of is opgenomen in een instelling die erkend is met toepassing van artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging en die een overeenkomst bedoeld bij artikel 47 van dé gecoördineerde wet heeft gesloten;
  Tot de door de Koning in uitvoering van artikel 5, § 4, eerste lid, van de vorenbedoelde wet van 27 juni 1978 bepaalde datum moeten de instellingen, met uitzondering van de instellingen, die hiervan door het uitvoeringsbesluit worden vrijgesteld, bovendien het in artikel 5, § 4 tweede lid, van dezelfde wet bedoeld bewijs leveren;
  3° beantwoordt aan de criteria van een van de hierna vermelde afhankelijkheidscategorieën;
  - categorie B: daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die:
  - fysisch afhankelijk zijn:
  zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden en zij zijn afhankelijk (voor transfer en verplaatsingen) en/of naar het toilet te gaan; <KB 2004-10-13/31, art. 1, 113; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  - psychisch afhankelijk zijn:
  zij zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, én zij zijn afhankelijk om zich te wassen en/of te kleden.
  [1 - categorie C : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die :
   - fysisch afhankelijk zijn : zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk voor transfer en verplaatsingen en naar het toilet te gaan, én zij zijn afhankelijk wegens incontinentie en/of om te eten;
   - psychisch afhankelijk zijn (categorie Cd) :
   zij zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, en zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk wegens incontinentie, én zij zijn afhankelijk voor transfer en verplaatsingen en/of om naar het toilet te gaan en/of om te eten,
   of het gaat om rechthebbenden waarvoor op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag, de diagnose van dementie is vastgesteld of bevestigd én die afhankelijk zijn om zich te wassen en te kleden, én afhankelijk zijn wegens incontinentie, én afhankelijk zijn voor transfer en verplaatsingen en/of om naar het toilet te gaan en/of om te eten.]1
  [1 - categorie D : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt waarvoor op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag, de diagnose van dementie is vastgesteld of bevestigd.]1
  (De tegemoetkoming bedoeld in artikel 147, § 3 wordt ook toegekend aan de rust- en verzorgingstehuizen die zijn opgenomen in bijlage 3 bij het protocol van 24 mei 2004, gesloten tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikel 128, 130 en 135 van de Grondwet, betreffende het gezondheidsbeleid t.a.v. patiënten in een persisterende vegetatieve status, voor de rechthebbende die, ten gevolge van een acute hersenbeschadiging (ernstig schedeltrauma, hartstilstand, aderbloeding...), gevolgd door een coma, waarbij de ontwaaktechnieken de situatie niet hebben kunnen verbeteren, tot de afhankelijkheidscategorie " Cc " behoort, dit wil zeggen die :
  - ofwel een persisterende neurovegetatieve status behoudt, namelijk :
  1. getuigt van geen enkele vorm van bewustzijn van zichzelf of de omgeving en is niet in staat met anderen te communiceren;
  2. geeft geen enkele volgehouden, repliceerbare, gerichte en vrijwillige respons op stimulatie van het gezichtsvermogen, het gehoor, de tastzin of pijnprikkels;
  3. geeft geen enkel teken van welke vorm van taalvermogen dan ook, noch wat het begripsvermogen noch wat de spreekvaardigheid betreft;
  4. kan soms spontaan de ogen openen, oogbewegingen maken, zonder daarom personen of voorwerpen met de ogen te volgen;
  5. kan een slaap-waakritme hebben en ontwaakt dus mogelijkerwijs met tussenpozen (zonder bij bewustzijn te komen);
  6. de hypothalamische en trunculaire functies zijn nog voldoende intact om te kunnen overleven met medische en verpleegkundige verzorging;
  7. vertoont geen emotionele reactie op verbale aanmaningen;
  8. vertoont urinaire en fecale incontinentie;
  9. vertoont tamelijk intacte schedel- en ruggenmergreflexen,
  en dat sinds minstens drie maanden;
  - ofwel een minimaal responsieve status (MRS) behoudt, die verschilt van de neurovegetatieve status omdat de patiënt zich in een bepaald opzicht van zichzelf en de omgeving bewust is. Soms is hij/zij in staat een gerichte beweging te maken of te reageren op bepaalde stimuli door te huilen of te lachen, met ja of nee via bewegingen of articulatie. De constante aanwezigheid van een van die tekens volstaat om de patiënt als MRS te categoriseren. De afhankelijkheid blijft totaal, met hersenschorsgebreken die niet kunnen worden onderzocht en verregaande sensorische en motorische gebreken.) <KB 2005-02-28/38, art. 3, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  ----------
  (1)<KB 2012-12-05/06, art. 1, 196; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 148bis.<Ingevoegd bij KB 1999-06-13/63, art. 5; Inwerkingtreding : 30-07-1999> Wat de centra voor dagverzorging betreft, wordt de tegemoetkoming bedoeld in artikel 147, § 3, toegekend aan de inrichting voor de rechthebbende die :
  1° voor sommige handelingen van het dagelijks leven afhankelijk is van zowel de verzorging als van de bijstand door derden;
  2° gedurende ten minste zes uur per dag is opgenomen in een inrichting die door de bevoegde overheid is erkend en die een overeenkomst als bedoeld in artikel 47 van de gecoördineerde wet heeft gesloten;
  3° beantwoordt aan de hierna vermelde afhankelijkheidscriteria :
  - ofwel is hij fysiek afhankelijk : hij is afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én is afhankelijk (voor transfer en verplaatsingen) en/of naar het toilet te gaan [2 (categorie F)]2; <KB 2004-10-13/31, art. 2, 113; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  - [2 ofwel is hij psychisch afhankelijk : hij is gedesoriënteerd in tijd en ruimte én is afhankelijk om zich te wassen en/of te kleden (categorie Fd);]2
  [2 ofwel gaat het om een rechthebbende waarvoor op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie dat werd uitgevoerd door een [3 arts-specialist]3 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag, de diagnose voor dementie werd vastgesteld (categorie D).]2
  [1 De tegemoetkoming bedoeld in artikel 147, § 3 wordt ook toegekend aan de centra voor dagverzorging voor de rechthebbende, zonder leeftijdsbeperking, die :
   1° zich in een vergevorderde of terminale fase van een ernstige, progressieve en levensbedreigende ziekte bevindt, ongeacht zijn of haar levensverwachting;
   2° met ernstige fysieke, psychische, sociale en geestelijke noden die een belangrijke tijdsintensieve en volgehouden inzet vergen en die reguliere thuiszorg rechtvaardigen;
   3° die thuis verblijft en de intentie heeft om verder thuis te verblijven;
   4° die, gemotiveerd door zijn irreversibele aandoening(en) tijdens de laatste 3 maanden het voorwerp heeft uitgemaakt van :
   - minstens één ziekenhuisverblijf (klassieke hospitalisatie of daghospitalisatie);
   - verzorging door een dienst voor thuisverpleging, door een kinésitherapeut, en/of een tenlasteneming door een multidisciplinaire begeleidingsequipe;
   5° die naar het centrum verwezen wordt door de behandelend arts;
   of die voldoen aan de voorwarden bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 2 december 1999 tot vaststelling van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor geneesmiddelen, verzorgingsmiddelen en hulpmiddelen voor palliatieve thuispatiënten, bedoeld in artikel 34, 14°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-10-17/06, art. 2, 186; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<KB 2013-01-09/04, art. 2, 197; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (3)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 149. De tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 147, § 3, wat de psychiatrische verzorgingstehuizen betreft wordt toegekend (aan de inrichting voor de rechthebbende die) : <KB 1999-06-13/63, art. 6, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
  1° in sterke mate aangewezen is én op verzorging, én op bijstand van derde personen bij de essentiële handelingen van het dagelijks leven;
  2° voldoet aan één van de volgende criteria voor opname in een psychiatrisch verzorgingstehuis:
  - hetzij psychiatrische patiënt zijn met een langdurig gestabiliseerde psychiatrische stoornis met dien verstande dat hij:
  - geen ziekenhuisbehandeling vergt;
  - niet in aanmerking komt voor opname in een rust- en verzorgingstehuis omwille van zijn psychiatrische toestand;
  - niet in aanmerking komt voor beschut wonen;
  - geen nood heeft aan een ononderbroken psychiatrisch toezicht;
  - nood heeft aan een continue begeleiding;
  - hetzij mentaal gehandicapt zijn met dien verstande dat hij:
  - geen ziekenhuisbehandeling vergt;
  - niet in aanmerking komt voor beschut wonen;
  - niet in aanmerking komt voor opname in een medisch pedagogische instelling;
  - geen nood heeft aan een ononderbroken psychiatrisch toezicht;
  - nood heeft aan een continue begeleiding;
  3° verzorgd wordt door een dienst of opgenomen is in een instelling die erkend is met toepassing van artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging en die een overeenkomst bedoeld bij artikel 47 van de gecoördineerde wet heeft gesloten.
  Tot de door de Koning in uitvoering van artikel 5, § 4, eerste lid, van de vorenbedoelde wet van 27 juni 1978 bepaalde datum moeten de instellingen, met uitzondering van de instellingen die hiervan door het uitvoeringsbesluit worden vrijgesteld, bovendien het artikel 5, § 4, tweede lid, van dezelfde wet bedoeld bewijs leveren.

  Art. 150.De tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet wat de inrichtingen betreft zoals bedoeld in artikel 147, § 3, wordt toegekend (aan de inrichting (,die een overeenkomst bedoeld bij artikel 47 van de gecoördineerde wet heeft gesloten,) voor de rechthebbende die) beantwoordt aan de criteria van één van de hiernavermelde categorieën van zorgenbehoevendheid: <KB 1999-06-13/63, art. 7, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999> <KB 2006-09-28/58, art. 1, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  - categorie O: daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die fysisch volledig onafhankelijk zijn en niet dement zijn;
  - categorie A: daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die:
  - fysisch afhankelijk zijn: zij zijn afhankelijk om zich te wassen en/of te kleden;
  - psychisch afhankelijk zijn: zij zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, én zijn fysisch volledig onafhankelijk;
  - categorie B: daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die:
  - fysisch afhankelijk zijn: (zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk (voor transfer en verplaatsingen) en/of naar het toilet te gaan); <KB 2003-07-09/32, art. 1, 095; Inwerkingtreding : 01-07-2003> <KB 2004-10-13/31, art. 3, 113; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  - psychisch afhankelijk zijn: zij zijn gedesoriënteerd in tijd én ruimte, én zij zijn afhankelijk om zich te wassen en/of te kleden;
  - [1 - categorie C : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die :
   - fysisch afhankelijk zijn : zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk voor transfer en verplaatsingen en naar het toilet te gaan, én zij zijn afhankelijk wegens incontinentie en/of om te eten;
   - psychisch afhankelijk zijn (categorie Cd) :
   zij zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, én zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk wegens incontinentie, én zij zijn afhankelijk voor transfer en verplaatsingen en/of om naar het toilet te gaan en/of om te eten,
   of het gaat om rechthebbenden waarvoor op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag, de diagnose van dementie is vastgesteld of bevestigd, én die afhankelijk zijn om zich te wassen en te kleden, én afhankelijk zijn wegens incontinentie, én afhankelijk zijn voor transfer en verplaatsingen en/of om naar het toilet te gaan en/of om te eten.]1
  [1 - categorie D : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt waarvoor op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag, de diagnose van dementie is vastgesteld of bevestigd.]1
  ----------
  (1)<KB 2012-12-05/06, art. 2, 196; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 151. § 1. (Voor de toepassing van de in artikelen 148, 148bis en 150, bedoelde bepalingen wordt een rechthebbende als fysisch afhankelijk beschouwd als hij "3" of "4" scoort voor een of meerdere van de hierna vermelde criteria :
  a) Zich wassen :
  (1) Kan zichzelf helemaal wassen zonder enige hulp;
  (2) Heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te wassen boven of onder de gordel;
  (3) Heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te wassen zowel boven als onder de gordel;
  (4) Moet volledig worden geholpen om zich te wassen zowel boven als onder de gordel.
  b) Zich kleden :
  (1) Kan zich helemaal aan- en uitkleden zonder enige hulp;
  (2) Heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te kleden boven of onder de gordel (zonder rekening te houden met de veters);
  (3) Heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te kleden zowel boven als onder de gordel;
  (4) Moet volledig worden geholpen om zich te kleden zowel boven als onder de gordel.
  c) Transfer en verplaatsingen :
  (1) Is zelfstandig voor de transfer en kan zich volledig zelfstandig verplaatsen zonder mechanisch(e) hulpmiddel(en) of hulp van derden;
  (2) Is zelfstandig voor de transfer en voor zijn verplaatsingen, mits het gebruik van mechanisch(e) hulpmiddel(en) (kruk(ken), rolstoel ...);
  (3) Heeft volstrekte hulp van derden nodig voor minstens één van de transfers en/of zijn verplaatsingen;
  (4) Is bedlegerig of zit in een rolstoel en is volledig afhankelijk van anderen om zich te verplaatsen.
  d) (Toiletbezoek :
  (1) kan alleen naar het toilet gaan, zich kleden en zich reinigen;
  (2) heeft hulp nodig voor één van de drie items : zich verplaatsen of zich kleden of zich reinigen;
  (3) heeft hulp nodig voor twee van de drie items : zich verplaatsen en/of zich kleden en/of zich reinigen;
  (4) heeft hulp nodig voor de drie items : zich verplaatsen en zich kleden en zich reinigen.) <KB 2006-09-28/58, art. 2, § 1, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  e) Continentie :
  (1) Is continent voor urine en faeces;
  (2) Is accidenteel incontinent voor urine of faeces (inclusief blaassonde of kunstaars);
  (3) Is incontinent voor urine (inclusief mictietraining) of voor faeces;
  (4) Is incontinent voor urine en faeces.
  f) Eten :
  (1) Kan alleen eten en drinken;
  (2) Heeft vooraf hulp nodig om te eten of te drinken;
  (3) Heeft gedeeltelijk hulp nodig tijdens het eten of drinken;
  (4) De patiënt is volledig afhankelijk om te eten of te drinken.) <KB 2004-10-13/31, art. 4, 113; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  § 2. Voor de toepassing (van de in artikelen 148, 148bis en 150) bedoelde bepalingen wordt een rechthebbende als psychisch afhankelijk beschouwd (als hij "3", of "4") scoort voor het desbetreffende criterium, zoals hierna vermeld: <KB 1999-06-13/63, art. 8, § 2, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999> <KB 2006-09-28/58, art. 2, § 2, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  a) Oriëntatie in de tijd:
  (1) geen probleem;
  (2) nu en dan, zelden probleem;
  (3) bijna elke dag probleem;
  (4) volledig gedesoriënteerd of onmogelijk te evalueren.) <KB 2006-09-28/58, art. 2, § 2, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  b) Oriëntatie van plaats:
  (1) geen probleem;
  (2) nu en dan, zelden probleem;
  (3) bijna elke dag probleem;
  (4) volledig gedesoriënteerd of onmogelijk te evalueren.) <KB 2006-09-28/58, art. 2, § 2, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 152.§ 1. Van de rechthebbende die is opgenomen in een psychiatrisch verzorgingstehuis, wordt de aanvraag tot het verkrijgen van een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, binnen (zeven dagen) na de datum van de opneming door de dienst of instelling die instaat voor de verzorging, ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag. <KB 1999-06-13/63, art. 9, § 1, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
  Die aanvraag dient vergezeld te zijn van een geneeskundig getuigschrift, opgemaakt door de behandelend [2 arts]2, waaruit blijkt dat de rechthebbende voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 149, en van een getuigschrift van een in artikel 34, 11°, van de gecoördineerde wet bedoelde dienst of instelling waaruit blijkt dat deze instaat voor de verzorging van de rechthebbenden.
  De aanvraag wordt ingediend aan de hand van een formulier dat is opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van de overeenkomstencommissie, bedoeld in artikel 13.
  § 2. (...) <KB 2003-04-04/93, art. 4, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  § 3. Voor de rechthebbenden opgenomen in een rust- en verzorgingstehuis of in een inrichting zoals bedoeld in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet, (...) wordt, binnen de zeven dagen volgend op de datum van opneming, de aanvraag tot verkrijgen van een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven door de dienst of instelling die instaat voor zijn verzorging ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag. <KB 1999-06-13/63, art. 9, § 3, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999> <KB 2003-04-04/93, art. 4, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  (De aanvraag dient vergezeld te zijn van een evaluatieschaal ingevuld door de verpleegkundige die de mogelijkheid heeft gehad om de rechthebbende te observeren bij het uitoefenen van de handelingen van het dagelijks leven, of door de behandelend [2 arts]2. [1 De aanvraag voor een tegemoetkoming voor een rechthebbende die is geklasseerd in de categorie D kan pas ingediend worden op voorwaarde dat in het verzorgingsdossier zoals bedoeld in § 4 de datum is vermeld waarop de diagnose van dementie is gesteld.]1) <KB 2005-04-07/51, art. 1, 118; Inwerkingtreding : 09-05-2005>
  Van het vertrek van de rechthebbende uit de inrichting of zijn overlijden wordt binnen de zeven dagen door de inrichting kennis gegeven aan de verzekeringsinstelling.
  (Lid 4 opgeheven° <KB 2006-09-28/58, art. 3, 1°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  De in het eerste lid bedoelde aanvraag en de in het derde lid bedoelde kennisgeving worden ingediend aan de hand van een formulier dat door het Verzekeringscomité wordt opgemaakt op het voorstel van de in artikel 12 bedoelde overeenkomstencommissie.
  De in het tweede lid bedoelde evaluatieschaal (wordt ingediend) aan de hand van een formulier dat is opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van het nationaal college, bedoeld in artikel 120. <KB 2005-04-07/51, art. 1, 118; Inwerkingtreding : 09-05-2005>
  (Voor de rechthebbende die tot de afhankelijkheidscategorie Cc, bedoeld in artikel 148, laatste lid, behoort, dient de aanvraag bedoeld in het eerste lid enkel vergezeld te gaan van een medisch verslag, dat wordt opgemaakt door een van de deskundige ziekenhuiscentra die zijn opgenomen in bijlage 2 bij het voormelde protocol van 24 mei 2004, en waaruit blijkt dat de rechthebbende voldoet aan de criteria van die afhankelijkheidscategorie. Voor de reeds in een rust- en verzorgingstehuis opgenomen rechthebbende kan dit rapport opgesteld worden door de [2 arts]2 van het expertisecentrum, op basis van een door de behandelend [2 arts]2 opgesteld gedocumenteerd medisch verslag.
  In afwijking van artikel 153, § 2, mag voor de rechthebbende die tot de afhankelijkheidscategorie Cc behoort de aanvraag bedoeld in het eerste lid, en het medisch verslag dat daarbij gaat, binnen 15 dagen na de dag van opname worden ingediend. Bovendien moet het medisch verslag enkel bij de eerste opname van de rechthebbende die tot de afhankelijkheidscategorie Cc behoort aan de adviserend [2 arts]2 worden bezorgd, en moet het niet worden ingediend bij een nieuwe opname nadat hij meer dan een maand ervoor de inrichting heeft verlaten (...), indien de rechthebbende nog steeds tot dezelfde categorie behoort.) <KB 2005-02-28/38, art. 4, 116; Inwerkingtreding : 23-03-2005> <KB 2006-09-28/58, art. 3, 2°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 4. De diensten of inrichtingen (andere dan een centrum voor dagverzorging) die rechthebbenden huisvesten die zijn gerangschikt [1 in de afhankelijkheidscategorieën A, B, C, Cd, Cc en D]1 moeten een verzorgingsdossier per rechthebbende bijhouden. <KB 1999-06-13/63, art. 9, § 4, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
  De individueel verzorgingsdossier dient minstens de volgende gegevens te bevatten:
  a) het plan inzake verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, dat wordt opgemaakt door de persoon die in de inrichting verantwoordelijk is voor de verzorging, en die de bijdrage van de verschillende categorieën van personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming, omschrijft. Dat plan wordt op zijn minst één keer per maand gevalueerd en aangepast in functie van de ontwikkeling van de zorgafhankelijkheid;
  b) in geval het gaat om rechthebbenden die gedesoriënteerd zijn in tijd en ruimte, een preciese opsomming van de verwarrende gedragsstoornissen inzonderheid:
  1. uitdrukkingsmoeilijkheden;
  2. verbaal storend gedrag;
  3. onwelvoeglijk gedrag;
  4. rusteloos gedrag;
  5. destructief gedrag;
  6. verstoord nachtelijk gedrag;
  c) voor de technische handelingen die worden verricht door het verpleegkundig en paramedisch personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming: de geneeskundige voorschriften, de aard en de frequentie van de technische handelingen en de identiteit van degene die ze heeft toegediend.
  [1 d) als de rechthebbende in de categorie D geklasseerd is : de datum van het gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie.]1
  ----------
  (1)<KB 2012-12-05/06, art. 3, 196; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 153.§ 1. Als het gaat om een rechthebbende die is opgenomen in een psychiatrisch verzorgingstehuis, gaat de adviserend [2 arts]2 na of hij de in artikel 149 vermelde voorwaarden vervult. Daartoe kan hij de rechthebbende onderwerpen aan een lichamelijk onderzoek en de behandelende [2 arts]2 vragen hem alle medische informatie te verstrekken die hij nodig acht.
  (De adviserend [2 arts]2 geeft de dienst die de verzorging aan de rechthebbende heeft verleend of de instelling waarin de rechthebbende is opgenomen, uiterlijk de vijftiende dag na ontvangst van de aanvraag kennis van zijn beslissing. Hij zendt tezelfdertijd een afschrift van die kennisgeving aan de rechthebbende en aan de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven.) <KB 1999-06-13/63, art. 10, § 1, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
  Ingeval hij de aanvraag goedkeurt, stelt de adviserend [2 arts]2 de periode vast waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend. Die periode gaat ten vroegste in op de dag van de opneming als de aanvraag binnen ((zeven dagen)) na de dag van de opneming is ingediend. In voorkomend geval kan een verlenging van die periode worden aangevraagd door de dienst of de instelling die instaat voor de verzorging van de rechthebbende, volgens de in artikel 152 beschreven procedure. <KB 1999-06-13/63, art. 10, § 2, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
  § 2. (Als het gaat om een rechthebbende die is opgenomen in een rust- en verzorgingstehuis of in een in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet bedoelde inrichting, wordt de in artikel 152, § 3, bedoelde aanvraag geacht te zijn goedgekeurd als de verzekeringsinstelling de inrichting waar de rechthebbende is opgenomen, een betalingsverbintenis betekent of, als ze die inrichting, uiterlijk de vijftiende dag na de ontvangst van de aanvraag, geen kennis heeft gegeven van een gemotiveerde beslissing tot weigering of van een verzoek om aanvullende inlichtingen.
  (De stilzwijgende of uitdrukkelijke goedkeuring van bovenvermelde aanvraag gaat ten vroegste in op de dag van opname, indien de aanvraag wordt ingediend binnen de zeven dagen die volgen op de dag van opname, of de dag van de indiening van de aanvraag in het andere geval. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag.
  Een aanvraag tot herziening van de afhankelijkheidscategorie, die is vastgesteld op basis van de aanvraag van de inrichting, of van de in het zesde lid bedoelde beslissing van de adviserend [2 arts]2, of van de beslissing genomen door een afdeling van het Nationaal college of door een lokaal college, bedoeld in artikel 122, §§ 2 en 3, kan volgens de in artikel 152, § 3 beschreven procedure worden ingediend als de situatie van de rechthebbende zo evolueert dat een andere afhankelijkheidscategorie in overweging zou kunnen worden genomen. Als die aanvraag tot herziening wordt ingediend wegens een verergering van de afhankelijkheidsgraad, moet ze altijd berusten op een medische of verpleegkundige indicatie die gestaafd is met een omstandig verslag waarvan het model wordt opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van het Nationaal college bedoeld in artikel 120, dat onder gesloten omslag aan de adviserend [2 arts]2 moet worden toegestuurd. Dat verslag is getekend :
  - door een [2 arts]2 als de aanvraag tot herziening ingediend wordt binnen de zes maanden volgend op de in het zesde lid bedoelde beslissing van de adviserend [2 arts]2, of een beslissing tot aanpassing genomen door een afdeling van het Nationaal college of een lokaal college bedoeld in artikel 122, §§ 2 en 3;
  - door een [2 arts]2 of door een verpleegkundige die de mogelijkheid gehad heeft de rechthebbende te observeren in de uitvoering van de handelingen van het dagelijks leven, indien de aanvraag tot herziening wordt ingediend na een vorige aanvraag of meer dan zes maanden na een van de voormelde beslissingen.
  De aanvraag tot herziening wordt ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven, binnen de zeven dagen na de dag vanaf welke de herziening wordt aangevraagd. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag.
  In geval van wederopneming in de inrichting van een rechthebbende na een afwezigheid van niet meer dan dertig dagen, moet de in artikel 152, § 3 bedoelde aanvraag niet vergezeld gaan van de evaluatieschaal bedoeld in hetzelfde artikel, en moet deze niet gevolgd worden door een nieuwe betalingsverbintenis van de verzekeringsinstelling, voor zover de rechthebbende in dezelfde afhankelijkheidscategorie als voor zijn vertrek blijft ingedeeld.) <KB 2006-09-28/58, art. 4, 1°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  De adviserend [2 arts]2 kan op elk moment de afhankelijkheidscategorie die is vastgesteld op basis van de (in het eerste en derde lid) bedoelde aanvragen, wijzigen, hetzij na een lichamelijk onderzoek, hetzij op basis van een verslag, daartoe opgemaakt na een onderzoek ter plaatse door een paramedisch medewerker, tenminste verpleegkundige, die door hem wordt gemandateerd overeenkomstig artikel 153, vierde lid, van de gecoördineerde wet. Die beslissing moet gemotiveerd zijn en treedt in werking op de datum aangegeven door de adviserend [2 arts]2 in de kennisgeving van die beslissing aan de inrichting waar de rechthebbende is opgenomen. Deze datum kan niet voorafgaan aan de datum van verzending van deze kennisgeving. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van verzending van de kennisgeving. <KB 2006-09-28/58, art. 4, 2°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  De adviserend [2 arts]2 en de door hem gemandateerde paramedisch medewerker, ten minste verpleegkundige, kunnen, voor de uitvoering van hun opdracht, het in artikel 152, § 4, bedoelde individueel verzorgingsdossier van de rechthebbende raadplegen. De adviserend [2 arts]2 kan eveneens de behandelend [2 arts]2 vragen hem alle medische informatie te verstrekken die hij nodig acht.) <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  [1 Indien het gaat om een rechthebbende die is geklasseerd in de categorie D, en telkens als hij enkel op basis van de fysieke criteria in de evaluatieschaal van categorie zou wijzigen, dient de inrichting een aangepaste evaluatieschaal aan de verzekeringsinstelling over te maken. Het meedelen van deze informatie aan de verzekeringsinstelling doet geen afbreuk aan het feit dat de rechthebbende, op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, geklasseerd blijft in de categorie D, tenzij het gaat om een rechthebbende die daardoor geklasseerd wordt in de categorie Cd.]1
  § 3. (Indien de dienst of inrichting, andere dan een centrum voor dagverzorging, zoals bedoeld in artikel 34, 11° en 12°, van de gecoördineerde wet die instaat voor de verzorging van de rechthebbende, erkend wordt met terugwerkende kracht, (kan de verzekeringsinstelling), voor zover de in artikel 152 bedoelde aanvraag werd ingediend binnen de dertig dagen na de datum waarop de dienst of instelling zijn toetreding tot de in artikel 47 van de gecoördineerde wet bedoelde overeenkomst ondertekend heeft, afwijkend van de bepalingen van §§ 1 en 2), de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend met terugwerkende kracht laten ingaan op een datum die evenwel niet mag voorafgaan aan de datum waarop de toetreding van de dienst of instelling tot de vorenbedoelde overeenkomst van kracht wordt. <KB 1999-06-13/63, art. 10, § 5, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999> <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  (In afwijking van de bepalingen van de §§ 1 en 2 kan de adviserend [2 arts]2 de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven is toegekend, met terugwerkende kracht doen ingaan als de erkenning van de inrichting wordt gewijzigd, of in geval van wijziging van de verzekerbaarheid van de rechthebbende, of als de inrichting, door overmacht, haar aanvraag niet binnen de voorgeschreven termijnen heeft kunnen indienen, voorzover de inrichting voldoende bewijzen aanvoert om haar aanvraag tot afwijking te ondersteunen. De personeelsproblemen of de organisatorische problemen van de inrichting kunnen niet als gevallen van overmacht worden aangemerkt, als die problemen niet voortvloeien uit uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden.) <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  (§ 4. De adviserend [2 artsen]2 brengen ter uitvoering van hun opdracht waarin voorzien is in dit artikel, verslag uit bij hun medische directie en vermelden daarbij met name hoe ze hun beslissing hebben genomen (...), welke scores zijn opgegeven in de evaluatieschalen die bij de aanvragen tot tegemoetkoming zijn gevoegd en, in geval van wijziging, op welke scores hun eigen beslissing stoelt. Daarbij dienen desgevallend de onregelmatigheden te worden vermeld die zij hebben vastgesteld in verband met : <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  - het feit dat de verzorging die gedekt is door de forfaitaire tegemoetkoming, met name die welke is vermeld in het in artikel 152, § 4, bedoeld individueel verzorgingsdossier van de rechthebbende, niet daadwerkelijk is verleend of dat de continuïteit van de verzorging niet voldoende gewaarborgd is;
  - de overevaluatie van de scores in verscheidene evaluatieschalen die bij de aanvragen tot tegemoetkoming zijn gevoegd.) <KB 1997-08-29/41, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>
  ----------
  (1)<KB 2012-12-05/06, art. 4, 196; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 153bis.<Ingevoegd bij KB 1999-06-13/63, art. 11; Inwerkingtreding : 30-07-1999> § 1. Voor de rechthebbende opgenomen in een centrum voor dagverzorging en die beantwoordt aan de afhankelijkheidscriteria, bedoeld in artikel 148bis, wordt binnen zeven dagen volgend op de datum van opneming, door de instelling die instaat voor de verzorging, de aanvraag tot verkrijgen van een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, bedoeld in artikel 147, § 3, ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag.
  De aanvraag dient vergezeld te zijn van een evaluatieschaal die moet worden ingevuld door een verpleegkundige die de mogelijkheid heeft gehad om de rechthebbende te observeren bij het uitoefenen van de handelingen van het dagelijks leven, of door de behandelend [2 arts]2. [1 De aanvraag voor een rechthebbende die is geklasseerd in de categorie D kan pas ingediend worden op voorwaarde dat in het verzorgingsdossier zoals bedoeld in § 5 de datum is vermeld waarop de zoals bedoeld in artikel 148bis, 3°, derde streep, diagnose is gesteld.]1
  De in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt ingediend aan de hand van een formulier dat door het Verzekeringscomité wordt opgemaakt op voorstel van de in artikel 12 bedoelde Overeenkomstencommissie.
  De in het tweede lid bedoelde evaluatieschaal wordt ingediend aan de hand van een formulier dat is opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van het Nationaal College, bedoeld in artikel 120.
  § 2. De adviserend [2 arts]2 gaat na of de rechthebbende die is opgenomen in een centrum voor dagverzorging de in artikel 148bis vermelde voorwaarden vervult. Daartoe kan hij de rechthebbende onderwerpen aan een lichamelijk onderzoek en de behandelende [2 arts]2 vragen hem alle medische informatie te verstrekken die hij nodig acht en kan hij het aanwezigheidsregister van de inrichting, zoals bedoeld in § 4, raadplegen, alsook het in § 5 bedoelde individueel verzorgingsdossier van de rechthebbende.
  (De in § 1 bedoelde aanvraag wordt geacht te zijn goedgekeurd als de verzekeringsinstelling de inrichting waar de rechthebbende is opgenomen een betalingsverbintenis betekent of, als ze die inrichting, uiterlijk de vijftiende dag na de ontvangst van de aanvraag, geen kennis heeft gegeven van een gemotiveerde beslissing tot weigering of een verzoek om aanvullende inlichtingen.) <KB 2003-04-04/93, art. 6, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  (Ingeval de in § 1 bedoelde aanvraag stilzwijgend of uitdrukkelijk wordt goedgekeurd,) mag de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend niet langer dan 1 jaar duren. Die periode gaat ten vroegste in de dag van de opneming als de aanvraag binnen zeven dagen na de dag van de opneming is ingediend of de dag van ontvangst van de aanvraag in het tegenovergestelde geval. In voorkomend geval kan een verlenging van die periode worden aangevraagd door de instelling die instaat voor de verzorging van de rechthebbende, volgens de in § 1 beschreven procedure. <KB 2003-04-04/93, art. 6, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  De adviserend [2 arts]2 kan te allen tijde (de stilzwijgende of uitdrukkelijke goedkeuring) van de bovenvermelde aanvraag herroepen. Die beslissing moet worden gemotiveerd en mag geen terugwerkende kracht hebben. <KB 2003-04-04/93, art. 6, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  [1 Indien het gaat om een rechthebbende die is geklasseerd in de categorie D, en telkens als hij enkel op basis van de fysieke criteria in de evaluatieschaal van categorie zou wijzigen, dient de instelling een aangepaste evaluatieschaal aan de verzekeringsinstelling over te maken. Het meedelen van deze informatie aan de verzekeringsinstelling doet geen afbreuk aan het feit dat de rechthebbende, op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie dat werd uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, geklasseerd kan blijven in de categorie D.]1
  § 3. (Een patiënt die verblijft in een rust- en verzorgingstehuis of in een instelling, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 12°, van de gecoördineerde wet, en die al dan niet een tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging geniet, kan geen aanspraak maken op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 147, § 3, in een centrum voor dagverzorging Evenzeer is het uitgesloten dat een rechthebbende, die is opgenomen in een centrum voor dagverzorging en die een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven verkrijgt, enige andere tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging kan genieten voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 11° en 12° van de gecoördineerde wet. Daarentegen vormt het verkrijgen van de tegemoetkoming geen beletsel voor de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de kosten van de verstrekkingen bedoeld in (artikel 34, eerste lid, 1°, b) en c), 7°bis en 13° van dezelfde wet), op voorwaarde dat die verstrekkingen plaatshebben buiten de uren tijdens welke de rechthebbende in een centrum voor dagverzorging is opgenomen.) <KB 2002-03-11/44, art. 3, 079; Inwerkingtreding : 01-08-2002> <KB 2003-04-04/93, art. 6, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  § 4. De centra voor dagverzorging moeten een aanwezigheidsregister bijhouden waarin voor elke dag waarop het centrum open is, de naam van de opgenomen rechthebbenden, alsook het uur van hun aankomst en vertrek is vermeld. Dit register moet elke dag om 13 uur worden afgesloten wat het aantal rechthebbenden en hun uur van aankomst betreft, en moet worden vervolledigd aan het eind van de dag met het uur van vertrek.
  In die aanwezigheidsregisters mogen geen losse bladen, blanco stukken, doorhalingen of verbeteringen voorkomen. Zij moeten op elk ogenblik kunnen worden geraadpleegd, hetzij door de adviserend [2 artsen]2 of door de door hen met toepassing van artikel 153, vierde lid van de gecoördineerde wet, gemandateerde paramedische medewerkers hetzij door de ambtenaren van het R.I.Z.I.V., en moeten in de inrichting worden bewaard gedurende een periode van vijf jaar na de afsluiting ervan.
  § 5. De centra voor dagverzorging moeten een verzorgingsdossier per rechthebbende bijhouden.
  Dat individueel verzorgingsdossier moet ten minste de volgende gegevens bevatten :
  a) het plan inzake verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, dat wordt opgemaakt door de persoon die in de inrichting verantwoordelijk is voor de verzorging, en die de bijdrage van de verschillende categorieën van personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming, omschrijft. In geval het gaat om een rechthebbende die wordt verzorgd in het kader van de thuisverpleging, moet dit plan worden opgemaakt na raadpleging van de verpleegkundige die de rechthebbende thuis verzorgt. Dat plan wordt regelmatig geëvalueerd en aangepast op grond van de zorgafhankelijkheid op zijn minst bij elke aanvraag tot verlenging van de periode bedoeld in § 2, derde lid;
  b) voor de technische handelingen die worden verricht door het verpleegkundig en paramedisch personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming : de geneeskundige voorschriften, de aard en de frequentie van de technische handelingen en de identiteit van degene die ze heeft toegediend;
  [1 c) als de rechthebbende in de categorie D geklasseerd is : de datum van het gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie dat werd uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie.]1
  § 6. Indien het centrum voor dagverzorging dat instaat voor de verzorging van de rechthebbende, met terugwerkende kracht wordt erkend, (kan de verzekeringsinstelling), voor zover de bedoelde aanvraag in § 1 werd ingediend binnen dertig dagen na de datum waarop de instelling haar toetreding tot de in artikel 47 van de gecoördineerde wet bedoelde overeenkomst ondertekend heeft, afwijkend van de bepalingen van § 2, de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend met terugwerkende kracht laten ingaan op een datum die evenwel niet mag voorafgaan aan de datum waarop de toetreding van de instelling tot de voormelde overeenkomst van kracht wordt. <KB 2003-04-04/93, art. 6, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  ----------
  (1)<KB 2013-01-09/04, art. 3, 197; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Afdeling IX. - Bijzondere regels met betrekking tot de verzekeringstegemoetkoming voor verstrekkingen van klinische biologie aan in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.

  Art. 154. De verstrekkingen van klinische biologie, bedoeld in de artikelen 3, 18, § 2, e) en 24 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen met uitzondering van de verstrekkingen nrs. 591091-591102, 591113-591124, 591135-591146 (...), worden voor drie vierde vergoed op basis van een forfaitair honorarium, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van titel III, hoofdstuk V, afdeling VII en XI van de gecoördineerde wet. De forfaitaire honoraria komen in de plaats van 75 pct. van de honoraria zoals die voor de betreffende verstrekkingen zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 50 van de gecoördineerde wet. <KB 2000-03-21/39, art. 1, 049; Inwerkingtreding : 01-05-2000>

  Afdeling X. - Bijzondere regels met betrekking tot de verzekeringstegemoetkoming voor verstrekkingen van klinische biologie aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.

  Art. 155. Behalve de verstrekkingen die als uitzondering worden vermeld in het koninklijk besluit van 31 januari 1977 tot bepaling van de verstrekkingen van klinische biologie bedoeld in artikel 63 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wanneer die verstrekkingen worden uitgevoerd in een laboratorium dat niet is erkend krachtens het koninklijk besluit van 29 mei 1989 betreffende erkenning van laboratoria inzake klinische biologie door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, worden de verstrekkingen inzake klinische biologie, bedoeld in de artikelen 3, § 1, A, II, B en C, I, 18, § 2, B, e) en 24, § 1, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, voor (75) pct. vergoed op basis van forfaitaire honoraria, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 60, § 2, van de gecoördineerde wet. De forfaitaire honoraria komen in de plaats van (75) pct. van de honoraria zoals die voor de betreffende verstrekkingen zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 50 van de gecoördineerde wet. <KB 2000-03-21/39, art. 2, 049; Inwerkingtreding : 01-05-2000>

  HOOFDSTUK IV. - Inschrijving van de paramedische medewerkers.

  Afdeling I. - (Inschrijving van de verpleegkundigen). <KB 2001-04-19/50, art. 5; Inwerkingtreding : 10-01-2000>

  Art. 156. (De houders van een diploma van verpleegkundige, verzorgster of ziekenoppasster moeten de Dienst voor geneeskundige verzorging van het R.I.Z.I.V. om hun inschrijving verzoeken op de in artikel 127, § 1, b, van de gecoördineerde wet bedoelde lijst.) <KB 2001-04-19/50, art. 6; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
  Zij voegen bij hun aanvraag het met het origineel eensluidend gewaarmerkt afschrift van hun diploma.

  Art. 157. De houders van een der in artikel 156 genoemde diploma's die op 31 december 1963 erkend zijn bij toepassing van de bepalingen van het organiek koninklijk besluit van 22 september 1955 van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, zijn vrijgesteld van de in artikel 156 voorgeschreven formaliteit.

  Art. 158. <KB 2001-04-19/50, art. 7, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000> De Dienst voor geneeskundige verzorging legt de lijst aan van de verpleegkundigen die hij inschrijft onder de in de artikelen 156 en 157 bepaalde voorwaarden.

  Afdeling II. - (Mededeling van de lijsten van de kinesitherapeuten, de verpleegkundigen en de paramedische medewerkers aan de verzekeringsinstellingen.) <KB 2001-04-19/50, art. 8; Inwerkingtreding : 10-01-2000>

  Art. 159. (De Dienst voor geneeskundige verzorging deelt onverwijld de lijst van de verpleegkundigen alsmede de lijsten bedoel in artikel 215, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, mee, aan de Verzekeringsinstellingen.) <KB 2001-04-19/50, art. 9, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
  Die lijsten bevatten de nieuwe inschrijvingen en al de wijzigingen in de vorige lijsten.

  HOOFDSTUK IVbis. - <Ingevoegd bij KB 1998-02-22/44, art. 52; Inwerkingtreding : 13-03-1998> Betalingsverplichting bij gebruik van de sociale identiteitskaart.

  Art. 159bis.
  <Opgeheven bij KB 2015-09-18/02, art. 13, 232; Inwerkingtreding : 01-10-2015>

  Art. 159ter.
  <Opgeheven bij KB 2014-02-26/01, art. 9, 212; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  HOOFDSTUK V. - Openbaarmaking van de verzekeringsreglementering, van de lijsten van erkende personen en van personen en van verplegingsinrichtingen die tot een overeenkomst of tot een akkoord zijn toegetreden.

  Art. 160.De verzekeringsinstellingen zijn ertoe gehouden:
  1° in hun plaatselijke, gewestelijke en landelijke zetel ter beschikking van de rechthebbende te houden:
  a) een bijgewerkt exemplaar van de gecoördineerde wet, van de uitvoeringsbesluiten en -verordeningen van die gecoördineerde wet en van de omzendbrieven die uitgaan van het Instituut;
  b) een volledig en bijgewerkt exemplaar van de in artikel 22, 7°, van de gecoördineerde wet bedoelde lijst;
  c) een volledig en bijgewerkt exemplaar van de lijst van personen en van verplegingsinrichtingen die tot een overeenkomst zijn toegetreden, benevens een lijst van de [1 artsen]1 en tandheelkundigen die geacht worden tot het akkoord dat hen betreft te zijn toegetreden.
  Vorenbedoelde documentatie moet ter beschikking staan tijdens de uren dat de lokalen open zijn derwijze dat ze gemakkelijk kan geraadpleegd worden; dat ze voorhanden is, moet in de lokalen welke voor het publiek toegankelijk zijn worden medegedeeld met een goed leesbaar bericht dat op een in het oog vallende plaats is uitgehangen;
  2° aan de (in artikel 32) van de gecoördineerde wet bedoelde rechthebbenden, behoudens aan de onder (17°) van artikel 32, eerste lid, bedoelde, ten minste eens per jaar een uittreksel uit de onder 1°, c) hiervoren vermelde lijsten te bezorgen. In dat uittreksel moet ten minste voorkomen, eensdeels de naam van de personen die een activiteitscentrum hebben in de gemeente van het domicilie van de rechthebbende of in de aangrenzende gemeenten en anderdeels de benaming van de verplegingsinrichtingen die gelegen zijn in het administratieve arrondissement van de gemeente van de rechthebbende. <KB 1997-12-29/30, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 16, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  Dat uittreksel moet binnen twee maanden na de mededeling van de lijsten door de Dienst voor geneeskundige verzorging aan de verzekeringsinstellingen, medegedeeld worden hetzij door individuele afgifte of toezending, hetzij door publikatie in een ziekenfondstijdschrift dat vorengenoemde rechthebbenden wordt toegezonden.
  In beide gevallen bevat de mededeling de aanbeveling om bedoeld uittreksel zorgvuldig te bewaren, alsmede de vermelding dat de volledige lijsten voor het ganse land in de lokalen van de verzekeringsinstelling kunnen geraadpleegd worden.
  Elke in artikel 311 bedoelde beslissing betreffende een van de personen of inrichtingen die op het aan de rechthebbende gezonden uittreksel voorkomen, wordt deze medegedeeld binnen vijftien dagen nadat de inlichting door de (Dienst voor geneeskundige controle) is medegedeeld. <KB 1997-08-08/90, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 21-10-1997>
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  HOOFDSTUK VI. - (Kennisgevingen en vermeldingen in toepassing van het handvest van de sociaal verzekerde). <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 160bis. <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 160ter is de kennisgeving, bedoeld in artikel 7 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde, niet vereist voor de beslissingen tot toekenning van tegemoetkomingen inzake geneeskundige verzorging. Deze beslissingen worden eveneens vrijgesteld van de verplichtingen van artikel 14.
  (Van de betaling van de tegemoetkomingen voor geneeskundige verzorging aan de loketten van de verzekeringsinstellingen wordt een kwijtschrift afgeleverd dat de vermeldingen bevat vastgesteld door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, na advies van het Comité van de Dienst voor administratieve controle.
  Van de betaling van de tegemoetkomingen voor geneeskundige verzorging die via bank- of postrekening worden gedaan wordt eenmaal per kwartaal een kwijtschrift aan de rechthebbende toegezonden per gewone brief dat de vermeldingen bevat vastgesteld door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, na advies van het Comité van de Dienst voor administratieve controle.) <KB 1997-11-24/43, art. 1; Inwerkingtreding : 23-12-1997>

  Art. 160ter.<Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1997> De beslissingen tot toekenning van tegemoetkomingen inzake geneeskundige verzorging genomen door het College van [1 artsen-directeurs]1, door de Technische tandheelkundige raad of door het Nationaal College van adviserend [1 artsen]1 worden door de verzekeringsinstelling ter kennis gebracht van de betrokkene per gewone brief. Deze beslissingen worden gemotiveerd en bevatten de vermeldingen bedoeld in artikel 14, 5° en 6°, van de voormelde wet van 11 april 1995.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art 160quater. <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Voor de beslissing aangaande de opening van het recht op tegemoetkomingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging of de verlenging van dit recht, zoals bedoeld in de artikelen 122 en 123 van de gecoördineerde wet is de kennisgeving bedoeld in artikel 7 van de wet van 11 april 1995 niet vereist. De beslissing wordt aan de rechthebbende meegedeeld door het toezenden per gewone brief van de verzekeringskaart bedoeld in artikel 253 samen met uitleg over de vermeldingen die op de kaart voorkomen. De mededeling bevat eveneens de vermeldingen bedoeld in artikel 14, 5° en 6°, van de voormelde wet van 11 april 1995.

  Art. 160quinquies. <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1997> De beslissingen tot weigering of gedeeltelijke weigering van een tegemoetkoming inzake geneeskundige verzorging, gesteund op een door de gecoördineerde wet of haar uitvoeringsbesluiten uitdrukkelijk vereiste medische beoordeling, ingevolge een schriftelijke aanvraag ondertekend door de rechthebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger, worden aan de betrokkene ter kennis gebracht bij een gewone brief die de vermeldingen bevat bedoeld in artikel 14 van de voormelde wet van 11 april 1995.
  Van de andere beslissingen tot weigering van een tegemoetkoming inzake geneeskundige verzorging, ingevolge een schriftelijke aanvraag ondertekend door de rechthebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger, moet geen kennis worden gegeven zoals bedoeld bij artikel 7 van de voormelde wet van 11 april 1995. Ze worden evenwel aan de betrokkene meegedeeld bij gewone brief die de mogelijkheid vermeldt dat de betrokkene een herziening kan vragen binnen de termijn van twee jaar, overeenkomstig artikel 174 van de gecoördineerde wet, evenals de mogelijkheid om binnen dezelfde termijn beroep in te stellen bij het bevoegde rechtscollege in geval van onenigheid met zijn ziekenfonds. Daarnaast worden in de beslissing eveneens de vermeldingen van artikel 14, 5° en 6°, van de voormelde wet van 11 april 1995 opgenomen.

  Art. 160sexies. <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Het betalingsformulier bij een betaling via financiële weg vermeldt minimaal een identificatiekenmerk van de verrichting.

  TITEL III. - Uitkerings- en moederschapsverzekering.

  HOOFDSTUK I. - Organen.

  Afdeling I. - Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.

  Art. 161. Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen is samengesteld uit:
  1° een voorzitter en twee ondervoorzitters, die de Koning benoemt uit de 2°, 3° en 4° hierna bedoelde leden;
  2° zeven werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties;
  3° zeven werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties;
  4° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen. Elke verzekeringsinstelling heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
  De leden van het Beheerscomité worden benoemd voor zes jaar. Het mandaat loopt om de drie jaar af voor de helft van de leden van elk der vertegenwoordigde groepen.
  Het mandaat van de leden werd evenwel voor het eerst hernieuwd op 1 januari 1967 en de uittredende leden werden bij loting aangewezen.
  Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
  Binnen de drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van Beheerscomité. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
  Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.

  Art. 162. Het Beheerscomité wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter hetzij op dezes initiatief, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
  Wanneer het Beheerscomité in vergadering wordt bijeengeroepen op verzoek van de Minister, heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.

  Art. 163. Het Beheerscomité houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig is.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij stemmenstaking is het voorstel afgewezen.
  Wanneer de leden die eensdeels de werknemers en anderdeels de werkgevers vertegenwoordigen, bij een stemming over de in artikel 80, 2°, van de gecoördineerde wet bedoelde zaken niet in gelijk aantal aanwezig zijn, onthouden het of de jongste leden van de overtallige partij zich om de pariteit te herstellen.
  Wanneer een voorstel met betrekking tot een der in het vorige lid bedoelde zaken wordt afgewezen tegen het eenparig advies van de vertegenwoordigers, hetzij van de werknemers, hetzij van de werkgevers, kan de groep die voor het voorstel is, vragen dat het de Minister wordt voorgelegd; die vraag kan tijdens de vergadering, en in de notulen opgetekend, of schriftelijk binnen acht dagen na de vergadering gedaan worden. Ze wordt door de voorzitter geadresseerd aan de Minister.
  De Minister beslist en geeft kennis van zijn beslissing binnen dertig dagen na de tot hem gerichte vraag, zoniet is de afwijzing van het voorstel definitief.

  Art. 164. De voorzitter en de ondervoorzitter van het Beheerscomité zijn gemachtigd om, de ene of de andere, samen met de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen of zijn plaatsvervanger, de akten te ondertekenen welke, wat de Dienst voor uitkeringen betreft, het Instituut verbinden buiten deze welke betrekking hebben op het dagelijks beheer of uitgaan van bijzondere lasthebbers.

  Art. 165. Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen brengt binnen drie maanden na de mededeling van de in de artikelen 141, § 1, eerste lid, 13°, a) en 161, eerste lid, 3°, b), van de gecoördineerde wet bedoelde verslagen, bij de Minister verslag uit over de maatregelen waartoe het besloten heeft of welke het hem voorstelt ingevolge de bevindingen van de Dienst voor geneeskundige controle en van de Dienst voor administratieve controle.

  Art. 166. Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen geeft binnen drie maanden na het opmaken van zijn jaarverslag, de Minister kennis van de maatregelen welke het voorstelt of heeft vastgesteld uitgaande van de elementen van dat verslag.

  Afdeling Ibis.
  <Opgeheven bij KB 2018-06-29/03, art. 3, 266; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 166bis.
  <Opgeheven bij KB 2018-06-29/03, art. 3, 266; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 166ter.
  <Opgeheven bij KB 2018-06-29/03, art. 3, 266; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 166quater.
  <Opgeheven bij KB 2018-06-29/03, art. 3, 266; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 166quinqies.
  <Opgeheven bij KB 2018-06-29/03, art. 3, 266; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 166sexies.
  <Opgeheven bij KB 2018-06-29/03, art. 3, 266; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Afdeling II. - Geneeskundige raad voor invaliditeit.

  A. [1 Samenstelling van de Geneeskundige raad voor invaliditeit]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 1, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>

  Art. 167.[1 De Geneeskundige raad voor invaliditeit omvat een Hoge commissie en twee afdelingen van de Hoge commissie.
   De Hoge commissie en de twee afdelingen hebben hun zetel te Brussel.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 2, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>

  B. Hoge commissie.

  Art. 168.[1 De Hoge commissie is samengesteld uit :
   1° negen werkende leden [2 en twaalf plaatsvervangende leden]2, doctors in de geneeskunde, vertegenwoordigers van de Dienst voor uitkeringen;
   2° negen werkende leden en achttien plaatsvervangende leden, adviserend [3 artsen]3, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat van de toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen worden voorgedragen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt er rekening gehouden met haar respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid;
   De Koning wijst onder de leden van de Hoge commissie, op haar voordracht, de voorzitter aan.
   De Leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen woont de zittingen van de Hoge commissie bij en heeft raadgevende stem.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 4, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<KB 2017-03-05/05, art. 1, 250; Inwerkingtreding : 01-03-2017>
  (3)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 169. Alle leden van de Hoge commissie zijn stemgerechtigd. Wanneer de voorzitter van de Hoge commissie verhinderd is, wijzen de aanwezige leden uit hun midden een voorzitter van de vergadering aan.

  C. [1 De afdelingen van de Hoge commissie]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 5, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>

  Art. 170.[1 Elke afdeling van de Hoge commissie is samengesteld uit :
   1° de adviserend [2 arts]2 van de verzekeringsinstelling die het voorstel bedoeld in artikel 171 heeft opgemaakt.
   Bij verhindering van de adviserend [2 arts]2 bedoeld in het eerste lid, 1°, moet de verzekeringsinstelling een andere adviserend [2 arts]2 in haar instelling aanwijzen om hem te vervangen.
   2° de [2 arts]2 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, die het voorstel van de adviserend [2 arts]2 van de verzekeringsinstelling, bedoeld in artikel 171, heeft onderzocht.
   Bij verhindering van de [2 arts]2 bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt die vervangen door een andere [2 arts]2 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 7, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  D. [1 De bevoegdheid van de [2 artsen]2 van de Dienst voor uitkeringen leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, van de Hoge commissie en van de afdelingen van de Hoge commissie]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 8, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 171.[1 De [3 arts]3 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, spreekt zich uit over het voorstel van de adviserend [3 arts]3, dat tot doel heeft :
   1° de staat van invaliditeit van de gerechtigden, in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet, vast te stellen en de duur ervan te bepalen, onverminderd de toepassing van artikel 94, tweede lid, van de gecoördineerde wet;
   2° [2 ...]2;
   3° de staat van arbeidsongeschiktheid al dan niet te erkennen van gerechtigden die een werkzaamheid hebben verricht zonder de in artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet bedoelde toelating en die zich tijdens het in artikel 101, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet bedoelde medisch onderzoek in een tijdvak van invaliditeit bevinden.
   Als de [3 arts]3 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, instemt met het voorstel van de adviserend [3 arts]3 bedoeld in het eerste lid, neemt hij de beslissing over de staat van invaliditeit of de erkenning van de behoefte aan andermans hulp en brengt die ter kennis van de gerechtigde, onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten die door de Hoge commissie zijn vastgesteld.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 10, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<KB 2017-01-31/08, art. 1, 248; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (3)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 172.[1 De afdeling van de Hoge commissie komt bijeen op verzoek van de [2 arts]2 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, als die een afwijkend advies uitbrengt over het voorstel van de adviserend [2 arts]2 van de verzekeringsinstelling, bedoeld in artikel 171.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 11, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 173.[1 De afdeling van de Hoge commissie heeft als opdracht om zich in het geval, bedoeld in artikel 172, uit te spreken :
   1° over de staat van invaliditeit van de gerechtigden in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet en de duur ervan te bepalen, onverminderd de toepassing van artikel 94, tweede lid, van de gecoördineerde wet;
   2° [2 ...]2;
   3° over de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van gerechtigden die een werkzaamheid hebben verricht zonder de in artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet bedoelde toelating en die zich tijdens het in artikel 101, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet bedoelde medisch onderzoek in een tijdvak van invaliditeit bevinden.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 12, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<KB 2017-01-31/08, art. 2, 248; Inwerkingtreding : 31-12-2015>

  Art. 174.[1 De beslissingen van de afdeling van de Hoge commissie worden met eenparigheid van stemmen genomen.
   Als er geen eenparigheid wordt bereikt, zendt de afdeling van de Hoge commissie het dossier, aangevuld met een gemotiveerd verslag, aan de Hoge commissie, die bij gewone meerderheid beslist.
   In geval van verdeeld advies, kan de afdeling van de Hoge commissie vragen dat er wordt overgegaan tot een lichamelijk onderzoek van de gerechtigde door een andere [2 arts]2 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.
   In dat geval onderzoekt die andere [2 arts]2 de gerechtigde en stelt een omstandig verslag op, dat hij aan de Hoge commissie zendt, die bij gewone meerderheid beslist.
   Het lichamelijk onderzoek van de gerechtigden die niet gedomicilieerd zijn op het grondgebied van het tweetalige Brussels Hoofdstedelijk Gewest, kan in een van de provinciale zetels van het RIZIV worden verricht, afhankelijk van de woonplaats van die gerechtigden of van de mogelijkheid voor laatstgenoemden om zich te verplaatsen.
   Indien de gezondheidstoestand van de gerechtigde het vereist, kan het lichamelijk onderzoek ook bij hem thuis worden uitgevoerd.
   Wanneer er wordt overgegaan tot een lichamelijk onderzoek overeenkomstig het derde lid, wordt de staat van arbeidsongeschiktheid geacht te zijn erkend tot het ogenblik waarop een beslissing wordt genomen waarin met de uitslag van dat onderzoek wordt rekening gehouden.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 13, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 175.[1 § 1 De Hoge commissie heeft als opdracht :
   1° haar huishoudelijk reglement, alsmede dat van haar afdelingen, op te maken;
   2° volgens de bij haar huishoudelijk reglement bepaalde modaliteiten een aanwezigheidsrol van haar werkende en plaatsvervangende leden op te maken;
   3° te waken over de goede werking van de afdelingen van de Hoge commissie; ter vervulling van die opdracht, kan zij één of meer van haar leden afvaardigen om de zittingen van de afdelingen van de Hoge commissie bij te wonen en om over haar bedrijvigheid verslag uit te brengen;
   4° overeenkomstig artikel 82, eerste lid, 5°, van de gecoördineerde wet, een onderzoek te voeren naar de gegevens over de arbeidsongeschiktheid die door de verzekeringsinstellingen zijn doorgegeven volgens de modaliteiten en binnen de termijn bepaald door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen;
   5° in geval van verdeeld advies van de afdeling van de Hoge commissie, uitspraak te doen over de staat van invaliditeit van de gerechtigden in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet, en de duur ervan te bepalen, onverminderd de toepassing van artikel 94, tweede lid, van de gecoördineerde wet;
   6° [2 ...]2;
   7° in geval van verdeeld advies van de afdeling van de Hoge commissie, uitspraak te doen over de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van gerechtigden die een werkzaamheid hebben verricht zonder de in artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet bedoelde toelating en die zich tijdens het in artikel 101, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet bedoelde medisch onderzoek in een tijdvak van invaliditeit bevinden;
   8° op voorstel van de adviserend [3 arts]3 de tenlasteneming door de uitkeringsverzekering van de programma's van beroepsherscholing, bedoeld in artikel 215quater, ten gunste van de rechthebbenden van de uitkeringsverzekering toe te staan;
   9° op voorstel van de adviserend [3 arts]3, onder de in artikel 215quinquies bepaalde voorwaarden, de tenlasteneming door de uitkeringsverzekering toe te staan van de kosten die samenhangen met de effectieve integratie van de rechthebbende na een programma van beroepsherscholing;
   10° een kwaliteitscontrole van de voorstellen van de adviserend [3 arts]3 uit te voeren en de dossiers van de gerechtigden waarvoor zij na een dergelijke controle oordeelt dat een nieuw onderzoek van het dossier noodzakelijk is, aan de bevoegde afdeling van de Hoge commissie te verzenden;
   11° de adviserend [3 arts]3 te verzoeken elk verslag dat ze nuttig acht dringend op te maken en haar toe te sturen;
   12° overeenkomstig artikel 82 van de gecoördineerde wet te adviseren over de kwesties met betrekking tot het tijdvak van invaliditeit, welke haar hetzij door de Minister, hetzij door het Beheerscomité of door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, hetzij door de verzekeringsinstellingen worden voorgelegd; dit advies moet worden uitgebracht binnen de maand na de datum waarop het wordt ingewonnen;
   13° samen te werken met het in artikel 23 van de gecoördineerde wet bedoelde College van [3 artsen-directeurs]3, door het ervan in kennis te stellen welke gerechtigden in aanmerking kunnen komen voor revalidatie en het alle inlichtingen te verschaffen die het ter uitoefening van zijn opdracht aanvraagt;
   14° het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen elk kwartaal verslag uit te brengen over de werking van de Geneeskundige raad voor invaliditeit;
   15° het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen jaarlijks verslag uit te brengen over haar werkzaamheden bedoeld in 8° en 9°.
   § 2. De Hoge commissie kan in het kader van haar in § 1, 5°, 6°, 7°, 8° en 9° bedoelde opdrachten vragen dat er wordt overgegaan tot een lichamelijk onderzoek van de gerechtigde door een andere [3 arts]3 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, voor zover dat onderzoek niet is aangevraagd door de afdeling van de Hoge commissie in toepassing van artikel 174, derde lid.
   In dat geval onderzoekt die andere [3 arts]3 de gerechtigde en maakt een omstandig verslag op dat hij aan de Hoge commissie zendt, die bij gewone meerderheid beslist.
   Het lichamelijk onderzoek van de gerechtigden die niet gedomicilieerd zijn op het grondgebied van het tweetalige Brussels Hoofdstedelijk Gewest kan in een van de provinciale zetels van het RIZIV worden verricht, afhankelijk van de woonplaats van die gerechtigden of van de mogelijkheid van laatstgenoemden om zich te verplaatsen.
   Indien de gezondheidstoestand van de gerechtigde het vereist, kan het lichamelijk onderzoek ook bij hem thuis worden uitgevoerd.
   Wanneer er wordt overgegaan tot een lichamelijk onderzoek overeenkomstig § 2, eerste lid, wordt de staat van arbeidsongeschiktheid geacht te zijn erkend tot het ogenblik waarop een beslissing wordt genomen waarin met de uitslag van dat onderzoek wordt rekening gehouden.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 14, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<KB 2017-01-31/08, art. 3, 248; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (3)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 176.[1 De [2 arts]2 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, de afdeling van de Hoge commissie evenals de Hoge commissie, kunnen op elk ogenblik en buiten de situaties bedoeld in artikel 174, derde lid en artikel 175, § 2, eerste lid, vragen dat er wordt overgegaan tot een lichamelijk onderzoek van de gerechtigde door een andere [2 arts]2 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, als de elementen die in het medisch dossier voorkomen, het rechtvaardigen.
   In dat geval onderzoekt die andere [2 arts]2 de gerechtigde en stelt een omstandig verslag op, dat hij aan de Hoge commissie zendt, die bij gewone meerderheid beslist.
   Het lichamelijk onderzoek van de gerechtigden die niet gedomicilieerd zijn op het grondgebied van het tweetalige Brussels Hoofdstedelijk Gewest, kan in een van de provinciale zetels van het RIZIV worden verricht, afhankelijk van de woonplaats van die gerechtigden of van de mogelijkheid voor laatstgenoemden om zich te verplaatsen.
   Indien de gezondheidstoestand van de gerechtigde het vereist, kan het lichamelijk onderzoek ook bij hem thuis worden uitgevoerd.
   Wanneer er wordt overgegaan tot een lichamelijk onderzoek overeenkomstig het eerste lid, wordt de staat van arbeidsongeschiktheid geacht te zijn erkend tot het ogenblik waarop een beslissing wordt genomen waarin met de uitslag van dat onderzoek wordt rekening gehouden.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 15, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  E. [1 Tussenkomsten van de adviserend [2 artsen]2, van de [2 artsen]2 van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit en van de [2 artsen-inspecteurs]2 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle met betrekking tot de staat van invaliditeit]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 16, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 177.[1 § 1. 1° [2 Tussen de eerste dag en de laatste dag van de voorlaatste maand vóór de aanvangsdatum van het tijdvak van invaliditeit]2 deelt de adviserend [3 arts]3 ten behoeve van de Geneeskundige raad voor invaliditeit een voorstel mee waarin alle gegevens voorkomen met betrekking tot de erkenning van de staat van invaliditeit in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet.
   De beslissingen worden op grond van dit voorstel uiterlijk binnen de laatste 30 dagen van het tijdvak van primaire ongeschiktheid genomen.
   2° [2 Tussen de eerste dag en de laatste dag van de voorlaatste maand vóór het verstrijken van elk tijdvak waarvoor de Geneeskundige raad voor invaliditeit]2 of de [3 arts]3 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, de staat van invaliditeit heeft vastgesteld, deelt de adviserend [3 arts]3 ten behoeve van de Geneeskundige raad voor invaliditeit een voorstel mee waarin een omstandig verslag voorkomt over de vraag of het aangewezen is, voor een nieuw tijdvak de staat van invaliditeit in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet vast te stellen.
   De beslissingen worden op grond van dit voorstel genomen uiterlijk binnen de laatste 30 dagen voor het verstrijken van het tijdvak waarvoor de staat van invaliditeit werd erkend.
   3° Wanneer ofwel de [3 arts-inspecteur]3 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, ofwel de adviserend [3 arts]3 het einde van de staat van invaliditeit vaststelt, bericht deze laatste zulks onmiddellijk aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit.
   4° Afgezien van de onder 1° tot 3° bepaalde verslagen, neemt de adviserend [3 arts]3 in bijkomende verslagen, die hij aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit meedeelt zodra zij zijn opgemaakt, alle opmerkingen op waardoor de prognose kan gewijzigd worden die hij in zijn vorig verslag had opgenomen met betrekking tot de evolutie van de staat van invaliditeit van een gerechtigde.
   Voorts stelt de adviserend [3 arts]3 elk verslag op dat door de Geneeskundige raad voor invaliditeit of door één van haar leden nuttig wordt geacht en zendt haar dit dringend door.
   5° Ingeval de staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw optreedt binnen drie maanden na het einde van een tijdvak van invaliditeit, kan de staat van invaliditeit door de adviserend [3 arts]3 voor ten hoogste dertig dagen te rekenen van de dag waarop die staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw is opgetreden, worden erkend.
   Indien de adviserend [3 arts]3 oordeelt dat de staat van invaliditeit moet worden erkend voor een periode die dertig dagen niet overschrijdt te rekenen van de dag waarop die staat opnieuw optreedt, stelt zijn beslissing tezelfdertijd het einde van de staat van invaliditeit vast bij het verstrijken van het erkende tijdvak.
   Indien de adviserend [3 arts]3 oordeelt dat de periode van arbeidsongeschiktheid dertig dagen kan overschrijden, deelt hij ten behoeve van de Geneeskundige raad voor invaliditeit een voorstel mee dat de staat van invaliditeit voor een nieuw tijdvak vaststelt.
   Indien de adviserend [3 arts]3 beslist het wederoptreden van de staat van arbeidsongeschiktheid te ontkennen, bericht hij dit onmiddellijk aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit.
   Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de [3 arts-inspecteur]3 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of op de [3 arts]3 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, die de gerechtigde op aanvraag van de adviserend [3 arts]3 onderzoekt. Deze laatste is ermede belast de voor de Geneeskundige raad voor invaliditeit bestemde documenten mee te delen.
   6° De adviserend [3 arts]3 deelt de Geneeskundige raad voor invaliditeit onmiddellijk de namen mede van de gerechtigden in staat van invaliditeit wanneer deze spontaan de arbeid hebben hervat.
   Zo ook deelt de verzekeringsinstelling onmiddellijk aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit elke gebeurtenis mede die de administratieve toestand van de gerechtigde wijzigt.
   7° [2 ...]2.
   § 2. De voorstellen en de beslissingen, bedoeld in § 1, vergezeld van de gegevens waarop ze zijn gebaseerd, worden door de adviserend [3 artsen]3 aan de medische directie van hun verzekeringsinstelling meegedeeld die ze vervolgens langs elektronische weg in het beheersysteem van de gegevens over de arbeidsongeschiktheid aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit zendt.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 18, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<KB 2017-01-31/08, art. 4, 248; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (3)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  F. [1 Gemene bepalingen ter zake van de [2 artsen]2 van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, van de afdelingen van de Hoge commissie en van de Hoge commissie van de Geneeskundige raad voor invaliditeit]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 19, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 10, 267; Inwerkingtreding : 12-06-2017>

  Art. 178.Het secretariaat van de Hoge commissie [1 en van de afdelingen van de Hoge commissie]1, wordt waargenomen door personeelsleden die worden aangewezen door de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 21, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>

  Art. 179.[1 Als een lid van de Hoge commissie verhinderd is om zitting te houden, moet het de nodige schikkingen treffen om in zijn vervanging door een plaatsvervangend lid van dezelfde commissie te voorzien.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 22, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>

  Art. 180.[1 Een plaatsvervangend lid houdt enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
   Het plaatsvervangend lid kan echter wel de zittingen van de Hoge commissie bijwonen, zonder stemgerechtigd te zijn, in geval van aanwezigheid van het werkend lid.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 23, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>

  Art. 181.De Hoge commissie [1 houdt]1 geldig zitting, indien ten minste de helft van de leden aanwezig is.
  De beslissingen worden bij eenvoudige meerderheid genomen. Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter beslissend.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 24, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>

  Art. 182.[1 De afdelingen van de Hoge commissie houden geldig zitting als hun twee leden bedoeld in artikel 170 aanwezig zijn.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 25, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>

  Art. 183.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-25/67, art. 26, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>

  Art. 184.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-25/67, art. 27, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>

  Art. 185.[1 De beslissingen van de Hoge commissie, van de afdelingen van de Hoge commissie en van de [2 arts]2 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, worden gemotiveerd.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 28, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 186.Ter vervulling van de opdrachten die zij moeten volbrengen kunnen de leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit van de verzekeringsinstellingen en van hun adviserend [1 artsen]1 alsook van de erkende controlediensten, bedoeld in artikel 91 van de gecoördineerde wet, alle door hen nuttig geachte inlichtingen eisen.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 187.De leden van de Hoge commissie [1 ...]1 worden benoemd voor zes jaar.
  Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat niet langer deel uitmaakt van de Hoge commissie [1 ...]1.
  Het aldus aangewezen nieuw lid voleindigt het mandaat van het lid dat het vervangt.
  De bepalingen van dit artikel gelden niet voor de leden bedoeld in de artikelen [1 168, 1° en 170, 2°]1.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 29, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>

  G. [1 Kennisgevingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-04-25/67, art. 30, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  

  Art. 188.[1 De beslissing van de [2 arts]2 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, tot vaststelling van de staat van invaliditeit wordt aan de verzekeringsinstelling meegedeeld. Die beslissing wordt eveneens binnen twee werkdagen na de dag van de beslissing ter kennis van de verzekerde gebracht.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 32, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 189.[1 De beslissing van de afdeling van de Hoge commissie tot vaststelling van de staat van invaliditeit wordt aan de verzekeringsinstelling meegedeeld. Die beslissing wordt eveneens binnen twee werkdagen na de dag van de beslissing ter kennis van de verzekerde gebracht.
   De beslissing van de afdeling van de Hoge commissie tot vaststelling van het einde van de staat van invaliditeit wordt aan de verzekeringsinstelling meegedeeld. De beslissing wordt eveneens binnen twee werkdagen na de dag van de beslissing ter kennis van de gerechtigde gebracht.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 33, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>

  Art. 189/1. [1 De beslissing van de Hoge commissie tot vaststelling van de staat van invaliditeit wordt aan de verzekeringsinstelling meegedeeld. Die beslissing wordt eveneens binnen twee werkdagen na de dag van de beslissing ter kennis van de verzekerde gebracht.
   De beslissing van de Hoge commissie tot vaststelling van het einde van de staat van invaliditeit wordt aan de verzekeringsinstelling meegedeeld. De beslissing wordt eveneens binnen twee werkdagen na de dag van de beslissing ter kennis van de gerechtigde gebracht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-04-25/67, art. 34, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  

  Art. 190.[1 De beslissing van de adviserend [2 arts]2, van de [2 arts-inspecteur]2 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of van de [2 arts]2 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, tot vaststelling van het einde van de staat van invaliditeit of die tot ontkenning van het wederoptreden van de staat van arbeidsongeschiktheid binnen drie maanden na het einde van een invaliditeitsperiode, wordt aan de verzekeringsinstelling meegedeeld.
   Die beslissing wordt eveneens ter kennis van de gerechtigde gebracht :
   1° wanneer het een vaststelling van het einde van de staat van invaliditeit betreft : binnen twee werkdagen na de dag van de beslissing;
   2° wanneer het gaat om een beslissing bedoeld in artikel 177, § 1, 5°, vierde lid : binnen vijf werkdagen na de dag van de ontvangst van het getuigschrift of van de aangifte van arbeidsongeschiktheid of van de kennisgeving van arbeidsongeschiktheid, afgeleverd door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 35, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 191.[1 De in de artikelen 188, 189, 189/1 en 190 bedoelde kennisgevingen aan de gerechtigden worden bij gewone brief gedaan als het gaat om beslissingen tot erkenning van de staat van invaliditeit die in het kader van de artikelen 100 en 101 van de gecoördineerde wet zijn genomen. Als het gaat om beslissingen tot beëindiging van de erkenning van de staat van invaliditeit, gebeuren zij bij een ter post aangetekende brief en worden zij geacht te zijn genomen de eerste dag na de afgifte ter post; zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen worden evenwel niet meegeteld.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 36, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>

  Art. 192.[1 De onder punt G. bedoelde kennisgevingen van de beslissingen van de Hoge commissie, van een afdeling van de Hoge commissie, van de [2 arts]2 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, van de adviserend [2 arts]2 en van de [2 arts-inspecteur]2 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, moeten plaatsvinden onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten vastgesteld door de Hoge commissie.
   De modellen van de kennisgevingen die voor de gerechtigden zijn bestemd en die betrekking hebben op de beslissingen waarbij hun staat van invaliditeit wordt ontkend of tot de vaststelling van het einde van die staat, bevatten de nodige inlichtingen om nuttig een beroep te doen op de in artikel 167 van de gecoördineerde wet bepaalde rechtscolleges.
   De beslissingen worden langs elektronische weg aan de verzekeringsinstelling meegedeeld via het beheersysteem van de gegevens over de arbeidsongeschiktheid.
   Indien die beslissingen niet langs elektronische weg aan de verzekeringsinstelling kunnen worden verzonden, worden zij op papier meegedeeld.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/67, art. 37, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Afdeling III. - Technische ziekenfondsraad.

  Art. 193. De krachtens artikel 83 van de gecoördineerde wet bij de Dienst voor uitkeringen ingestelde Technische ziekenfondsraad is samengesteld:
  1. uit drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties;
  2. uit drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties;
  3. uit acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
  De voorzitter wordt door de Koning benoemd uit de leden van de raad.
  De leidend ambtenaren van de Dienst voor uitkeringen, van de Dienst voor geneeskundige controle en van de Dienst voor administratieve controle wonen rechtens de vergaderingen van de raad bij.
  De voorzitter kan ieder ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen of van de Algemene diensten, wiens aanwezigheid nuttig wordt geacht, ter vergadering oproepen om er voortdurend of bij gelegenheid zitting te hebben.
  Het secretariaat van de raad wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor uitkeringen, aangewezen door de leidend ambtenaar van genoemde dienst.

  Art. 194. De leden van de raad worden benoemd voor zes jaar. Hun mandaat kan om de drie jaar per helft worden hernieuwd.
  Het mandaat der leden van de Technische ziekenfondsraad werd evenwel voor het eerst hernieuwd op 1 januari 1967 en de uittredende leden werden bij loting aangewezen.
  Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van de Technische ziekenfondsraad. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.

  Art. 195. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
  Wanneer de voorzitter verhinderd is wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter die door de Koning wordt benoemd uit de leden van de raad.

  Art. 196. De raad wordt in vergadering bijeengeroepen, hetzij op dezes initiatief, hetzij op verzoek van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
  De raad houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig is.

  Art. 197. De door de Technische ziekenfondsraad uitgebrachte adviezen worden door zijn voorzitter medegedeeld aan het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.

  Art. 198. De raad stelt zijn huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.

  Afdeling IV. [1 - Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-10-09/08, art. 1, 271; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 198bis.[1 Het krachtens artikel 85 van de gecoördineerde wet bij de Dienst voor uitkeringen ingestelde Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid is samengesteld :
   1° uit vier werkende en vier plaatsvervangende deskundigen werkzaam aan een universitaire instelling met een deskundigheid inzake de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid, waarvan minstens de helft geneesheren zijn;
   2° uit vier werkende en vier plaatsvervangende deskundigen werkzaam aan een universitaire instelling met een deskundigheid die verband houdt met de opdrachten van het Kenniscentrum;
   3° uit negen werkende en negen plaatsvervangende leden, geneesheren gekozen uit kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, waarbij elke verzekeringsinstelling recht heeft op ten minste één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
   4° uit zes werkende en zes plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de Dienst voor uitkeringen, waarvan minstens de helft geneesheren zijn;
   5° uit drie werkende en drie plaatsvervangende leden gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werkgevers;
   6° uit drie werkende en drie plaatsvervangende leden gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werknemers.
   Voor wat betreft de taken bepaald in artikel 85, eerste lid, 1° tot en met 2°, hebben de leden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werkgevers en de leden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werknemers een raadgevende stem.
   Voor wat betreft de taken bepaald in artikel 85, eerste lid, 3° tot en met 4°, zijn de leden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werkgevers en de leden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werknemers stemgerechtigd.
   De voorzitter wordt door de Koning benoemd uit de leden van het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid.
   De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen woont rechtens de vergaderingen van het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid bij.
   Het secretariaat van het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor uitkeringen aangeduid door de leidend ambtenaar van deze Dienst.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-10-09/08, art. 2, 271; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 198ter.(Ingevoegd bij <KB 1999-04-27/33, art. 1, Inwerkingtreding : 21-06-1999>) De leden van [1 het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1 worden benoemd voor zes jaar.
  Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van [1 het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1. Het aldus benoemd nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
  ----------
  (1)<KB 2018-10-09/08, art. 3, 271; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 198quater.(Ingevoegd bij <KB 1999-04-27/33, art. 1, Inwerkingtreding : 21-06-1999>) Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
  Wanneer de voorzitter verhindert is, wordt hij vervangen door een ondervoorzitter, die door de Koning wordt benoemd uit de leden van [1 het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1.
  [1 Het plaatsvervangend lid kan echter wel de zittingen van het Kenniscentrum bijwonen, zonder stemgerechtigd te zijn, in geval van aanwezigheid van het werkend lid.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-10-09/08, art. 4, 271; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 198quinquies.(Ingevoegd bij <KB 1999-04-27/33, art. 1, Inwerkingtreding : 21-06-1999>) [1 Het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1 wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van het Beheerscomité van de Dienst voor Uitkeringen, hetzij op vraag van de geneeskundige Raad voor invaliditeit, welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
  [1 Het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1 houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van de leden, bedoeld in [1 artikel 198bis, eerste lid, 1° tot en met 6°]1, aanwezig zijn.
  ----------
  (1)<KB 2018-10-09/08, art. 5, 271; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 198sexies.(Ingevoegd bij <KB 1999-04-27/33, art. 1, Inwerkingtreding : 21-06-1999>) De adviezen die door [1 het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1 worden uitgebracht, in het raam van de hem in artikel 85, eerste lid, 1° en 3° van de gecoördineerde wet toevertrouwde taken, worden door zijn voorzitter meegedeeld aan het Beheerscomité van de Dienst voor Uitkeringen en aan de geneeskundige Raad voor invaliditeit.
  De adviezen die door [1 het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1 worden uitgebracht, in het raam van de hem in artikel 85, eerste lid, 2° van de gecoördineerde wet toevertrouwde taken, worden aan de geneeskundige Raad voor invaliditeit meegedeeld.
  [1 De adviezen die door het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid worden uitgebracht, in het raam van de hem in artikel 85, eerste lid, 4°, van de gecoördineerde wet toevertrouwde taken, worden aan het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen meegedeeld.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-10-09/08, art. 6, 271; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 198septies.(Ingevoegd bij <KB 1999-04-27/33, art. 1, Inwerkingtreding : 21-06-1999>) [1 Het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1 stelt zijn huishoudelijk reglement op.
  ----------
  (1)<KB 2018-10-09/08, art. 7, 271; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied.

  In het kader van de uitkeringsverzekering geldende omschrijving van seizoenarbeiders, arbeiders bij tussenpozen en deeltijdse werknemers.

  Art. 199. Onder seizoenarbeiders wordt verstaan, de werknemers die arbeidstijdvakken vervullen waarvan de duur beperkt is hetzij wegens de seizoengebonden aard van het werk, hetzij omdat de ondernemingen die hen in dienst nemen, op bepaalde tijden van het jaar ertoe genoopt zijn hulppersoneel aan te werven.

  Art. 200. Onder arbeiders bij tussenpozen wordt verstaan:
  1° de tijdelijke werknemers en de uitzendkrachten zoals die begrippen zijn omschreven in de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers;
  2° de huisarbeiders als bedoeld in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juni 1970.

  Art. 201. (Opgeheven) <KB 2001-06-10/60, art. 33, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>

  Art. 202. Voor de toepassing van de gecoördineerde wet worden als seizoenarbeiders, als arbeiders bij tussenpozen of als deeltijdse werknemers beschouwd (de werknemers bedoeld in de artikelen 199 en 200 van dit besluit en in artikel 10 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels) die, buiten de in die artikelen bedoelde arbeidstijdvakken, enerzijds noch onderworpen zijn aan de verplichte uitkeringsverzekering krachtens de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, noch onder toepassing vallen van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der mijnwerkers en ermede gelijkgestelden, en anderzijds niet voldoen aan de voorwaarden om recht te hebben op werkloosheidsuitkeringen of die uitkeringen vrijwillig verzaken. <KB 2001-06-10/60, art. 34, 063; Inwerkingtreding : onbepaald>

  HOOFDSTUK III. - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.

  Afdeling I. - Wachttijd voor het recht op uitkeringen.

  Art. 203.Voor de toepassing van artikel 128, § 1, van de gecoördineerde wet moeten de gerechtigden in een tijdvak van [4 twaalf]4 maanden minimum [4 honderdtachtig]4 arbeidsdagen aantonen (...). <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (In afwijking van artikel 9, 2° van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, worden de werknemers tewerkgesteld in uitvoering van een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten op basis van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 42, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 2 juni 1987 betreffende de invoering van nieuwe arbeidsregelingen in de ondernemingen en die een loon ontvangen dat gelijk is aan of hoger is dan het bedrag van het gewaarborgd gemiddelde minimum maandinkomen, geacht voltijdse prestaties te leveren.) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [4 In afwijking van de bepalingen van het eerste lid volbrengen de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers hun wachttijd, indien zij over een periode van twaalf maanden achthonderd arbeidsuren presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal zesendertig maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun wachttijd te vervullen binnen twaalf maanden.]4
  Worden voor de toepassing van hetzelfde artikel met arbeidsdagen gelijkgesteld:
  1. de dagen inactiviteit die voortvloeien uit een arbeidsongeval of een beroepsziekte waarmede een arbeidsongeschiktheid gemoeid is, zoals deze is omschreven in artikel 100 van de gecoördineerde wet;
  2. de dagen waarover de gerechtigde uitkeringen wegens volledige arbeidsongeschiktheid geniet krachtens de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 of krachtens de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten;
  (3. de dagen wettelijke vakantie;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [3 3bis. de dagen aanvullende vakantie; ]3
  4. de in artikel 246 omschreven dagen gecontroleerde werkloosheid;
  5. De dagen waarop de werkloze huishoudelijke arbeid verricht, door toedoen van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, om een einde te maken aan zijn werkloosheid;
  (6. de dagen van staking;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (7. de dagen lock-out;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  8. de dagen waarop geen arbeid werd verricht en waarover de werkgever loon moet betalen;
  (9. de dagen inhaalrust;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (10. de dagen afwezigheid zonder behoud van loon ingevolge profylactisch verlof;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (10bis. de dagen volledige werkverwijdering als maatregel van moederschapsbescherming;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (11. de dagen functie van rechter in sociale zaken;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  12. de dagen gedurende welke het lid van het onderwijzend personeel of ermee gelijkgesteld, die tijdelijk aangeworven is, geacht wordt niet van zijn wedde verstoken te zijn daar zijn maandwedde gelijk was aan het tiende van de jaarwedde die hem zou toegekend zijn indien hij vast aangeworven was;
  (13. de dagen verlof om dwingende redenen zonder behoud van loon. De gelijkstelling blijft evenwel beperkt tot maximaal tien dagen per jaar, ongeacht of zij nu ineens dan wel met gedeelten worden toegekend;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (14. de vakantiedagen en wettelijke feestdagen van de onthaalouders zonder opvang van kinderen, bedoeld in artikel 27bis, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;) <KB 2004-04-25/61, art. 1, 107; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  [1 15. de dagen verlof voor pleegzorgen, bedoeld in artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]1
  [2 16. de dagen gedekt door de ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]2
  Voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers worden de in het vorig lid vermelde inactiviteitsperiodes, voor zover zij samenvallen met dagen of periodes waarop de betrokken werknemers normaal zouden hebben gewerkt, meegerekend ten belope van het aantal arbeidsuren dat zij tijdens deze periodes zouden gepresteerd hebben.
  (Voor de voltijdse werknemers wordt het aantal in aanmerking te nemen dagen bekomen volgens de volgende formule :
  A/B x C, waarbij
  *A overeenstemt met het aantal dagen zoals bepaald in de vorige leden voor de beschouwde tijdvakken;
  *B overeenstemt met het aantal dagen tewerkstelling voorzien in de vaste arbeidsregeling of, indien het geen vast aantal dagen per week betreft, het maximaal aantal dagen tewerkstelling van de maatpersoon voor het beschouwde tijdvak;
  *C overeenstemt met het maximaal aantal in aanmerking te nemen dagen voor een tewerkstelling in een zesdagenweek voor het beschouwde tijdvak.
  Indien het bekomen resultaat een breuk bevat, dan wordt het resultaat naar de hogere eenheid afgerond.) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (Als de arbeidstijdgegevens als bedoeld in dit artikel op globale wijze per kwartaal worden meegedeeld aan de dienst bevoegd voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en als de arbeidsprestaties niet gesitueerd kunnen worden in een kwartaal, worden de arbeidsprestaties die gelegen zijn in het kwartaal waarin de referteperiode aanvangt en die deze periode voorafgaan, geacht gelegen te zijn in deze referteperiode.) <KB 2001-06-10/61, art. 7, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  ----------
  (1)<KB 2010-10-15/04, art. 1, 177; Inwerkingtreding : 23-11-2008>
  (2)<KB 2014-05-22/39, art. 1, 220; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<KB 2015-12-06/13, art. 1, 237; Inwerkingtreding : 01-04-2012>
  (4)<KB 2017-04-27/02, art. 1, 252; Inwerkingtreding : 01-05-2017>

  Art. 203/1. [1 Voor de toepassing van artikel 116/1, § 1, van de gecoördineerde wet moeten de gerechtigden in een tijdvak van zes maanden minimum honderdtwintig arbeidsdagen aantonen.
   In afwijking van de bepalingen van het eerste lid volbrengen de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers hun wachttijd, indien zij over een periode van zes maanden vierhonderd arbeidsuren presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal achttien maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun wachttijd te vervullen binnen zes maanden.
   De bepalingen van artikel 203, tweede lid en vierde tot zevende lid gelden eveneens voor de toepassing van artikel 116/1, § 1, van de gecoördineerde wet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-04-27/02, art. 2, 252; Inwerkingtreding : 01-05-2017>
  

  Art. 204.[1 § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 131 van de gecoördineerde wet behouden de gerechtigden bedoeld in artikel 128, § 1, en de gerechtigden bedoeld in artikel 128, § 2, tweede lid van de gecoördineerde wet die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 207, het recht om prestaties te genieten tot het einde van het kwartaal waarin zij de wachttijd hebben volbracht.
   § 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 131 van de gecoördineerde wet behouden de gerechtigden bedoeld in de artikelen 116/1, § 1 en 116/1, § 2, tweede lid van de gecoördineerde wet die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 207/1, het recht om prestaties te genieten tot het einde van het kwartaal na dat waarin zij de wachttijd hebben volbracht.
   § 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 131 van de gecoördineerde wet behouden de gerechtigden die zijn vrijgesteld van wachttijd overeenkomstig artikel 116/1, § 2, eerste lid of artikel 128, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wet, het recht om prestaties te genieten tot het einde van het tijdvak dat aanvangt de dag waarop zij de hoedanigheid van gerechtigde hebben verkregen en eindigt op het einde van het daaropvolgende kwartaal.
   Zij behouden dit recht :
   1° gedurende het eerste kwartaal volgend op het in het eerste lid bedoelde tijdvak, op voorwaarde dat zij over het kwartaal waarin zij de hoedanigheid van gerechtigde hebben verkregen, voldoen aan de voorwaarden inzake bijdragen, gesteld in afdeling V van hoofdstuk II van titel IV;
   2° gedurende het tweede kwartaal volgend op het in het eerste lid bedoeld tijdvak, op voorwaarde dat ze, over ditzelfde tijdvak voldoen aan de voorwaarden inzake bijdragen, gesteld in afdeling V van hoofdstuk II van titel IV. ]1
  ----------
  (1)<KB 2017-04-27/02, art. 3, 252; Inwerkingtreding : 01-05-2017>

  Afdeling II. - Vrijstelling en vermindering van wachttijd voor het recht op uitkeringen.

  Art. 205.§ 1. Zijn van de wachttijd vrijgesteld wat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen [2 ...]2 betreft:
  1° de bij de volgende wet en koninklijke besluiten bedoelde personen onder de daarin vastgestelde voorwaarden:
  a) wet van 28 juni 1960 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de personen die bij het leger tijdelijke diensten volbracht hebben;
  b) koninklijk besluit van 28 november 1956 tot vaststelling, voor de aan de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering onderworpen gewezen personeelsleden van de Belgische Spoorwegen of voor hun weduwen, van de voorwaarden van toekenning der verstrekkingen;
  c) koninklijk besluit van 11 januari 1958 waarbij voor de oud-leden van de Hulp- en voorzorgskas voor zeevarenden onder Belgische vlag, of hun weduwen, onderworpen aan de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de voorwaarden tot toekenning van de verstrekkingen worden bepaald;
  d) koninklijk besluit van 15 april 1958 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verstrekkingen der ziekte- en invaliditeitsverzekering worden toegekend aan de vluchtelingen van Hongaarse nationaliteit;
  e) koninklijk besluit van 6 augustus 1962 waarbij sommige categorieën van personen die hun beroepsbedrijvigheid hetzij in Congo, hetzij in Ruanda-Urundi, hebben uitgeoefend, worden vrijgesteld van de voorwaarden van toelating tot de werkloosheidsverzekering en de ziekte- en invaliditeitsverzekering;
  (f) wet van 6 februari 2003 betreffende het vrijwillig ontslag vergezeld van een geïndividualiseerd beroepsomschakelingsprogramma ten behoeve van bepaalde militairen en houdende sociale bepalingen;) <KB 2003-10-03/31, art. 7, 098; Inwerkingtreding : 14-10-2003>
  2° de persoon die, binnen de dertig dagen na het einde (van het vervullen van militieverplichtingen) de hoedanigheid krijgt of opnieuw verkrijgt van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet; <KB 2003-03-12/42, art. 20, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  3° [1 de jongeren die aan de volgende voorwaarden voldoen :
   1. a) hetzij studies van de hogere secundaire cyclus, of het derde jaar van studies van het secundair technisch, kunst- of beroepsonderwijs voleindigd hebben in een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap;
   b) hetzij voor de studies bedoeld in a) een diploma of studiegetuigschrift voor de bevoegde examencommissie van een Gemeenschap hebben behaald;
   c) [4 hetzij een alternerende opleiding voleindigd hebben;]4
   d) hetzij voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, f), g), h) of j) van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
   2. de hoedanigheid hebben verkregen van gerechtigde als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c) van de gecoördineerde wet, uiterlijk de dag na het tijdvak van dertien maanden na het beëindigen van de bovenvermelde studies [5 , alternerende opleiding]5 of leertijd of het behalen van een diploma of studiegetuigschrift voor de bevoegde examencommissie van een Gemeenschap.
   Indien de jongere andere studies aanvat nadat hij studies van de hogere secundaire cyclus of het derde jaar van studies van het secundair technisch, kunst- of beroepsonderwijs heeft beëindigd, gaat de in het eerste lid, 2, vastgestelde termijn in, de dag na het einde van de laatst voltooide studies of de dag na het stopzetten van de studies indien daaraan voortijdig een einde werd gemaakt.
   De in het eerste lid, 2, bedoelde termijn wordt verlengd met :
   a) de duur van de periodes als bedoeld in artikel 36, § 2, 2°, c), d) en e) van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
   b) de duur van de periode waarin de betrokkene door het vervullen van militieverplichtingen niet in staat is geweest om de hoedanigheid van gerechtigde te verkrijgen als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c) van de gecoördineerde wet;
   c) de duur van de periode waarin de betrokkene arbeidsongeschikt is, zich bevindt in een tijdvak van facultatieve moederschapsrust of in [3 omgezet moederschapsverlof]3, als bedoeld in de gecoördineerde wet;
   d) de duur van de periode waarin de betrokkene zich bevindt in een tijdvak van moederschapsbescherming als bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet.]1
  [6 e) de duur van de periode waarin de betrokkene in toepassing van artikel 36, § 1/1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering vóór de leeftijd van 21 jaar niet in staat is geweest om de hoedanigheid van gerechtigde te verkrijgen als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, c) van de gecoördineerde wet.]6
  4° (de persoon die binnen dertig dagen na het einde van een periode van voorlopige hechtenis of van vrijheidsberoving de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1° van de gecoördineerde wet opnieuw verkrijgt of arbeidsongeschikt wordt in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, voorzover hij de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bedoelde wachttijd vervuld had of daarvan was vrijgesteld en hij bij de aanvang van de periode van voorlopige hechtenis of van vrijheidsberoving voldeed aan de toekenningsvoorwaarden voor het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen;) <KB 2003-03-12/42, art. 20, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  5° de persoon die gedurende een tijdvak van [10 twaalf]10 maanden ononderbroken heeft deelgenomen aan de verzekering waarin is voorzien bij de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid, de bij de artikelen 17 en 19 van dezelfde wet bepaalde bijdragen heeft gestort en binnen dertig dagen na het einde hetzij van zijn deelneming aan die verzekering, hetzij aan een tijdvak tijdens hetwelk hij de in die wet bepaalde verstrekkingen inzake verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen heeft genoten de hoedanigheid van gerechtigde verkrijgt als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c), van de gecoördineerde wet.
  Indien de persoon gedurende een tijdvak van minder dan [10 twaalf]10 maanden ononderbroken heeft deelgenomen aan de verzekering waarin is voorzien bij de wet van 17 juli 1963, wordt het tijdvak dat gedekt is door de krachtens die wet gestorte bijdragen, gelijkgesteld met een tijdvak dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bedoelde wachttijd. Die samentelling mag evenwel slechts geschieden indien niet meer dan dertig dagen zijn verstreken tussen het einde van de deelneming aan de wetgeving waarin hij is voorzien bij de wet van 17 juli 1963, en het verkrijgen van de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c), van de gecoördineerde wet.
  (6° de persoon die, binnen het tijdvak van dertig dagen volgend op de datum waarop zijn vrijwillig ontslag als vastbenoemd ambtenaar ingaat, de hoedanigheid van gerechtigde verkrijgt als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c) van de gecoördineerde wet, voorzover hij voor een ononderbroken periode van minstens [10 twaalf]10 maanden tewerkgesteld is geweest als vastbenoemd ambtenaar. Indien hij voor een periode van minder dan [10 twaalf]10 maanden tewerkgesteld is geweest in die hoedanigheid, wordt dat tijdvak gelijkgesteld met een tijdvak dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bedoelde wachttijd.) <KB 2003-02-26/39, art. 1, 091; Inwerkingtreding : 12-04-2003>
  [7 7° de persoon die binnen het tijdvak van dertig dagen vanaf de aanvang van zijn verlof zonder wedde om persoonlijke redenen als vastbenoemd ambtenaar, de hoedanigheid van gerechtigde verkrijgt als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, in zoverre hij al voor een ononderbroken periode van minstens [10 twaalf]10 maanden tewerkgesteld is geweest als vastbenoemd ambtenaar. Indien hij voor een periode van minder dan [10 twaalf]10 maanden ononderbroken tewerkgesteld is geweest in die hoedanigheid, wordt dat tijdvak gelijkgesteld met een tijdvak dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bedoelde wachttijd.]7
  § 2. (...) <KB 2000-02-04/33, art. 1, C), 046; Inwerkingtreding : 21-03-2000>
  § 3. [8 ...]8.
  [9 § 3/1. Van wachttijd vrijgesteld wat het recht op de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid betreft, is de persoon die na het einde van de maximale periode die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een overgangsuitkering voorzien in de pensioenwetgeving, de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1° of 4° van de gecoördineerde wet bezit en dit uiterlijk de eerste werkdag na het einde van de voormelde maximale periode.]9
  § 4. [10 ...]10
  § 5. [10 Voor de toekenning van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, wordt de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bepaalde wachttijd verminderd tot twee maanden die ten minste dertig arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen omvatten, ten gunste van de gerechtigde die, na zich niet langer in één van de toestanden te bevinden als bedoeld in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet, na de hiervoor beoogde wachttijd te hebben volbracht of daarvan te zijn vrijgesteld, opnieuw onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders voor zover de onderbreking, die niet mag verdeeld zijn :
   1° tot doel heeft, op grond van een geschreven verklaring van de gerechtigde, hem toe te laten zich te wijden aan de opvoeding van een kind dat met hem onder hetzelfde dak woont en persoon ten laste is hetzij van de gerechtigde zelf, hetzij van de persoon waarbij de gerechtigde gedurende de hierboven vermelde onderbreking als persoon ten laste was ingeschreven met toepassing van de bepalingen van artikel 123, 1 en 2;
   2° in de periode valt van drie jaar volgend op de geboortedatum van het kind.
   De periode van drie jaar wordt verdubbeld wanneer het een kind betreft dat de bijkomende bijslag voor mindervalide kinderen geniet met toepassing van de wetgeving betreffende de kinderbijslag voor werknemers of van die betreffende de kinderbijslag voor zelfstandigen.
   Wanneer een nieuwe geboorte zich voordoet vóór het einde van de onderbreking, kan deze worden verlengd, zonder respectievelijk de drie of de zes jaar volgend op de datum van deze nieuwe geboorte te mogen overschrijden.
   De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers vervullen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van twee maanden honderddrieëndertig arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal zes maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun verminderde wachttijd in twee maanden te volbrengen.]10
  § 6. (Voor de persoon die de hoedanigheid had van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet tot ten minste de dertigste dag voor het vervullen van militieverplichtingen en die, ten laatste binnen de dertig dagen na het einde van het vervullen van militieverplichtingen zich bevindt in staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, wordt de wachttijd als vervuld beschouwd.
  Wanneer de in het vorige lid bedoelde persoon, binnen de dertig dagen nadat hij huiswaarts of met onbepaald verlof werd gezonden, zich bevindt in een staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet ter wille van een ongeval overkomen of een aandoening opgedaan tijdens het vervullen van zijn militieverplichtingen, wordt de wachttijd als vervuld beschouwd. Dit geldt ook wanneer die persoon, tijdens het vervullen van zijn militieverplichtingen, om gezondheidsredenen afwezig is uit zijn dienst, in zoverre zijn afwezigheid niet aangerekend wordt op de duur van zijn militieverplichtingen.) <KB 2003-03-12/42, art. 20, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 7. (opgeheven) <KB 2003-03-12/42, art. 20, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  ----------
  (1)<KB 2013-01-29/12, art. 1, 198; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<KB 2013-11-22/24, art. 1, 209; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (3)<KB 2015-06-11/14, art. 1, 231; Inwerkingtreding : 28-07-2014>
  (4)<KB 2016-04-21/25, art. 1,1°, 242; Inwerkingtreding : 01-07-2015 (KB 2016-05-26/16, art. 1)>
  (5)<KB 2016-04-21/25, art. 1,2°, 242; Inwerkingtreding : 01-07-2015 (KB 2016-05-26/16, art. 1)>
  (6)<KB 2016-04-21/25, art. 1,3°, 242; Inwerkingtreding : 01-09-2015 (KB 2016-05-26/16, art. 1)>
  (7)<KB 2016-10-28/11, art. 1, 244; Inwerkingtreding : 21-05-2015>
  (8)<KB 2017-01-31/07, art. 1, 1°, 247; Inwerkingtreding : 31-01-2016>
  (9)<KB 2017-01-31/07, art. 1, 2°, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (10)<KB 2017-04-27/02, art. 4, 252; Inwerkingtreding : 01-05-2017>

  Art. 205/1. [1 § 1. Voor de vrijstelling van wachttijd wat het recht op moederschapsuitkeringen bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet betreft, zijn de bepalingen van artikel 205, § 1, § 3/1 en § 6 onder dezelfde voorwaarden van toepassing. Indien de vroegere vervulling van een wachttijd vereist is of overeenkomstig artikel 205, § 1, 5°, 6° en 7° een bepaald tijdvak met het vervullen van de wachttijd wordt gelijkgesteld, wordt met de duur van de wachttijd bedoeld in artikel 116/1 van de gecoördineerde wet rekening gehouden.
   § 2. Voor de toekenning van de in artikel 113 van de gecoördineerde wet bedoelde moederschapsuitkering, wordt de in artikel 116/1 van de gecoördineerde wet bepaalde wachttijd in de situatie bedoeld in artikel 205, § 5 en onder de voorwaarden die er worden bepaald, verminderd tot een maand die ten minste twintig arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen omvat.
   De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers vervullen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van één maand zevenzestig arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal drie maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun verminderde wachttijd in één maand te volbrengen.
   § 3. Voor de toekenning van de in artikel 113 van de gecoördineerde wet bedoelde moederschapsuitkering wordt de in artikel 116/1 van de gecoördineerde wet bepaalde wachttijd verminderd tot drie maanden die ten minste zestig arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen omvatten, voor de gerechtigde die, wanneer hij zich niet langer in één van de toestanden bevindt bedoeld in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet, na de hiervoor bedoelde wachttijd te hebben volbracht of daarvan te zijn vrijgesteld, opnieuw onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders indien hij intussen als vrijwillig verzekerde voortdurend effectief lid of persoon ten laste is geweest van een ziekenfonds voor de verstrekkingen inzake moederschap.
   De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers volbrengen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van drie maanden tweehonderd arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal negen maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun verminderde wachttijd in drie maanden te volbrengen. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-04-27/02, art. 5, 252; Inwerkingtreding : 01-05-2017>
  

  Afdeling III. - Regelen inzake wachttijd in geval van overgang van één sector van de verzekering voor uitkeringen naar een andere.

  Art. 206.Voor de toekenning van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid [1 ...]1, wordt de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bepaalde wachttijd verminderd tot [2 zes]2 maanden die ten minste [2 negentig]2 (arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen) omvatten, ten gunste van de persoon die de hoedanigheid verkrijgt van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet, op voorwaarde dat hij genoemde hoedanigheid verkrijgt uiterlijk de dertigste dag nadat hij de hoedanigheid van gerechtigde beoogd in artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering voor arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen verloor en hij de in die regeling voorgeschreven wachttijd heeft volbracht of ervan was vrijgesteld. <KB 2001-06-10/60, art. 37, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers volbrengen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van [2 zes]2 maanden, [2 vierhonderd]2 (arbeidsuren of gelijkgestelde uren) presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal [2 achttien]2 maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun verminderde wachttijd in [2 zes]2 maanden te volbrengen. <KB 2001-06-10/60, art. 37, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  ----------
  (1)<KB 2013-11-22/24, art. 2, 209; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (2)<KB 2017-04-27/02, art. 6, 252; Inwerkingtreding : 01-05-2017>

  Art. 206/1. [1 Voor de toekenning van de in artikel 113 van de gecoördineerde wet bedoelde moederschapsuitkering, wordt de in artikel 116/1 van de gecoördineerde wet bepaalde wachttijd in de situatie bedoeld in artikel 206 en onder de voorwaarden die er worden bepaald, verminderd tot drie maanden die ten minste zestig arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen omvatten.
   De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers volbrengen de verminderde wachttijd indien zij gedurende een periode van drie maanden, tweehonderd arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal negen maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun verminderde wachttijd in drie maanden te volbrengen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-04-27/02, art. 7, 252; Inwerkingtreding : 01-05-2017>
  

  Afdeling IV. [1 Afdeling IV. - Behoud van de rechten met toepassing van de artikelen 116/3 en 130 van de gecoördineerde wet]1
  ----------
  (1)<KB 2017-04-27/02, art. 8, 252; Inwerkingtreding : 01-05-2017>

  Art. 207.<KB 2001-06-10/61, art. 8, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2003> [1 Voor de toepassing van artikel 130, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wet moeten de gerechtigden op één of andere wijze voor het tweede en derde kwartaal voorafgaandelijk het kwartaal waarin zij een beroep op prestaties doen de hoedanigheid van gerechtigde bedoeld in artikel 86, § 1 van de gecoördineerde wet gedurende honderdtwintig werkdagen behouden.]1
  [1 In afwijking van het eerste lid, behouden de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op voorwaarde dat zij voor het tweede en derde kwartaal vóór dat waarin ze om prestaties vragen enerzijds vierhonderd arbeidsuren of gelijkgestelde uren zoals bedoeld in artikel 203, vierde lid aantonen en anderzijds voldaan hebben aan de voorwaarden bepaald in artikel 130, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet.]1
  De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die niet voldoen aan deze voorwaarden behouden evenwel het recht op uitkeringen voor zover er zich tijdens de drie kwartalen vóór dat waarin ze om deze prestaties vragen geen doorlopende onderbreking van meer dan dertig dagen heeft voorgedaan in hun hoedanigheid van gerechtigde, zoals deze is omschreven in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet en voor zover zij voldaan hebben aan de voorwaarden bepaald in artikel 130, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet. Indien de arbeidstijdgegevens op globale wijze per kwartaal worden meegedeeld aan de dienst bevoegd voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en indien de arbeidsprestaties niet gesitueerd kunnen worden in een kwartaal, worden deze arbeidsprestaties beschouwd niet gescheiden te zijn door een periode van meer dan dertig dagen.
  Nochtans geniet de seizoenarbeider, de arbeider bij tussenpozen of de deeltijdse werknemer die op het einde van een kwartaal in het genot is van uitkeringen, verder prestaties tot op het einde van de lopende arbeidsongeschiktheid.
  ----------
  (1)<KB 2017-04-27/02, art. 9, 252; Inwerkingtreding : 01-05-2017>

  Art. 207/1. [1 De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers behouden het recht op moederschapsuitkeringen bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet op voorwaarde dat zij voor het tweede en derde kwartaal vóór dat waarin ze om prestaties vragen enerzijds het in artikel 203/1, tweede lid, bepaalde aantal arbeidsuren of gelijkgestelde uren hebben gepresteerd, en anderzijds voldaan hebben aan de voorwaarden bepaald in artikel 116/3, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet.
   De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die niet voldoen aan deze voorwaarden behouden echter het recht op moederschapsuitkeringen bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet voor zover er zich tijdens de drie kwartalen vóór dat waarin ze om deze prestaties vragen geen doorlopende onderbreking van meer dan dertig dagen heeft voorgedaan in hun hoedanigheid van gerechtigde, zoals deze is omschreven in artikel 112 van de gecoördineerde wet en voor zover zij voldaan hebben aan de voorwaarden bepaald in artikel 116/3, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet. Indien de arbeidstijdgegevens op globale wijze per kwartaal worden meegedeeld aan de dienst bevoegd voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en indien de arbeidsprestaties niet gesitueerd kunnen worden in een kwartaal, worden deze arbeidsprestaties beschouwd niet gescheiden te zijn door een periode van meer dan dertig dagen.
   Nochtans geniet de seizoenarbeider, de arbeider bij tussenpozen of de deeltijdse werknemer die op het einde van een kwartaal in het genot is van uitkeringen, verder prestaties tot op het einde van de lopende periode van moederschapsbescherming. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-04-27/02, art. 10, 252; Inwerkingtreding : 01-05-2017>
  

  Afdeling IVbis. <Ingevoegd bij KB 2001-06-10/60, art. 39; Inwerkingtreding : 01-01-2003> - Gemeenschappelijke bepaling voor de afdelingen I tot IV en het artikel 224, § 1.

  Art. 207/2..[1 Voor de toepassing van de artikelen 203, 203/1, 205, § 5, 205/1, § 2 en § 3, 206, 206/1, 207, 207/1 en 224, § 1, wordt verstaan onder arbeidsdagen en arbeidsuren, de dagen en uren normale werkelijke arbeid en meerprestaties zonder inhaalrust. ]1
  ----------
  (1)<KB 2017-04-27/02, art. 11, 252; Inwerkingtreding : 01-05-2017>

  Afdeling V. - Rechten van de gerechtigden die aanspraak hebben op een invaliditeitspensioen krachtens de wetgeving op de rustpensioenregeling voor mijnwerkers, over de laatste zes maanden van de primaire arbeidsongeschiktheid.

  Art. 208. Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 87, vierde lid, van de gecoördineerde wet loopt het recht op de primaire ongeschiktheidsuitkering af op het einde van de kalendermaand vóór die waarin de zesde maand arbeidsongeschiktheid eindigt indien deze uiterlijk de 15e van de maand afloopt en op het einde van de maand waarin de eerste zes maanden arbeidsongeschiktheid eindigen indien deze na de 15e van de maand aflopen.

  Art. 209.De mijnwerker die na het in artikel 208 vastgestelde tijdvak, arbeidsongeschikt is, kan, onder voorbehoud van terugvordering hetzij te zijnen laste, hetzij ten laste van de Voorzorgskas welke het hierna bedoelde pensioen verschuldigd is, primaire ongeschiktheidsuitkeringen genieten op voorwaarde dat hij bij de ter zake bijgevoegde instantie een aanvraag om een invaliditeitspensioen als mijnwerker heeft ingediend en dat hij de verbintenis aangaat het bedrag van de voorgeschoten uitkeringen aan de verzekeringsinstelling terug te betalen ten belope van het bedrag van het verkregen pensioen. Wanneer bedoelde instantie het pensioen heeft geweigerd, stelt zij de verzekeringsinstelling daarvan in kennis; de primaire ongeschiktheidsuitkering wordt slechts verder toegekend wanneer de staat van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet door de adviserend [1 arts]1 erkend is.
  Het eerste lid is daarenboven reeds bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid van toepassing op de mijnwerker die, hoewel hij aan de arbeid was, vorenbedoeld pensioen genoot waarvan het bedrag was verminderd bij toepassing van de bepalingen tot regeling van de cumulatie van een dergelijk pensioen met een loon of een bezoldiging.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 210. De mijnwerker die bij afloop van het in artikel 208 bepaalde tijdvak recht heeft op een invaliditeitspensioen krachtens de wetgeving op de rustpensioenregeling voor mijnwerkers, heeft, totdat het in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet bepaalde éénjarige tijdvak afloopt, aanspraak op het verschil tussen het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering en het bedrag van het in werkdagen gewaardeerde invaliditeitspensioen dat hem als mijnwerker wordt toegekend.
  De mijnwerkers die zijn aanvraag om invaliditeitspensioen als mijnwerker niet heeft ingediend vóór het einde van de zesde maand van zijn arbeidsongeschiktheid, ontvangt het in het vorig lid bedoelde verschil pas met ingang van de datum waarop zijn pensioen ingaat.

  Afdeling VI. - Hoegrootheid van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, maximum- en minimumbedrag van de invaliditeitsuitkering.

  Art. 211.<KB 1997-04-13/50, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 15-11-1996> § 1. [1 De hoegrootheid van de primaire ongeschiktheidsuitkering wordt vastgesteld op 60 pct. van het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet.]1
  § 2. (Voor de in artikel 86, § 1, 1°, c ), van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde, evenals voor de gerechtigde die voormelde hoedanigheid behoudt krachtens artikel 131 van dezelfde wet, [2 wordt het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering gedurende de eerste zes maanden arbeidsongeschiktheid gealigneerd op het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop zij aanspraak zouden maken indien zij zich niet in staat van arbeidsongeschiktheid bevonden, behalve als het bedrag van de werkloosheidsuitkering hoger is dan het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering]2.
  Voor het bepalen van de in het eerste lid genoemde periode van zes maanden wordt rekening gehouden met de duur van de periode van moederschapsbescherming die onmiddellijk voorafgaat aan de periode van arbeidsongeschiktheid.
  De maatregel tot alignering van het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op het bedrag van de in het eerste lid bedoelde werkloosheidsuitkering, is evenwel niet van toepassing op de tijdelijke werkloze. Voor de toepassing van deze bepaling worden met tijdelijke werklozen gelijkgesteld, de werknemers bedoeld in artikel 28, § 3, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en de werknemers die halftijds werken in het kader van het koninklijk besluit van 30 juli 1994 betreffende het halftijds brugpensioen.) <KB 2003-02-19/40, art. 1, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  ----------
  (1)<KB 2009-02-12/43, art. 1, 160; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (2)<KB 2016-05-29/01, art. 1, 243; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 212.Het maximumbedrag van het loon bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet wordt vastgelegd op (93,5067 EUR) per dag. <KB 2001-06-14/37, art. 9, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (Lid 2 opgeheven) <KB 2001-06-14/37, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2005, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 95,3768 EUR.) <KB 2005-03-04/39, art. 1, 117; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2007, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 96,3306 euro.) <KB 2007-06-05/44, art. 1, 144; Inwerkingtreding : 09-07-2008>
  [1 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2009, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 97,1012 euro.]1
  [2 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2011, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 97,7809 EUR.]2
  [3 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 april 2013, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 99,7365 euro.]3
  [4 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 april 2015, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 100,9832 euro.]4
  [5 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2018, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 101,7911 euro.]5
  ----------
  (1)<KB 2009-02-12/43, art. 2, 160; Inwerkingtreding : 22-03-2009>
  (2)<KB 2011-03-22/09, art. 1, 181; Inwerkingtreding : 29-04-2011>
  (3)<KB 2013-05-21/13, art. 1, 203; Inwerkingtreding : 01-04-2013>
  (4)<KB 2015-04-28/17, art. 1, 230; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (5)<KB 2018-01-14/02, art. 1, 261; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 213.De hoegrootheid van de invaliditeitsuitkering wordt vastgesteld op 65 pct. van het in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet bedoelde gederfde loon. Voor de gerechtigden, wier arbeidsongeschiktheid is ingegaan vóór 1 januari 1975, wordt dit loon verhoogd met een bedrag van 29,42 frank, gekoppeld aan het indexcijfer 114,20. Voor de gerechtigde wier arbeidsongeschiktheid van 1 januari 1975 af en uiterlijk op 31 december 1976 is ingegaan, wordt dit loon verhoogd met een bedrag van 15,13 frank gekoppeld aan het indexcijfer 114,20.
  Voor de gerechtigden die niet worden beschouwd als werknemers met persoon ten laste, wordt deze hoegrootheid herleid tot [1 55]1 of 40 pct. van hetzelfde loon, naargelang het al dan niet in artikel 226 bedoelde gerechtigden betreft. <KB 2007-06-05/44, art. 2, 144; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  [2 Derde lid opgeheven]2
  (Voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid vóór 1 oktober 1974 is aangevangen, wordt het maximumbedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 juli 1984 vastgesteld op 38,3895 EUR voor de gerechtigde die beschouwd wordt als werknemer met persoon ten laste en op 25,6917 EUR voor de gerechtigde die niet beschouwd wordt als werknemer met persoon ten laste. Voor de gerechtigden wier arbeidsongeschiktheid ten vroegste op 1 januari 1974 en ten laatste op 30 september 1974 is aangevangen en wier ongeschiktheid op 1 juli 1984 nog altijd voortduurt, is het bedrag van het gederfde loon dat in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van de vanaf laatstgenoemde datum te verlenen uitkering gelijk aan het bedrag van het werkelijk loon (zoals bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet), zij het beperkt tot het maximumbedrag waarop de bijdragen voor de uitkeringsverzekering werden geheven. Dat maximumbedrag wordt met 10,24 pct. verhoogd vooraleer het eerste lid wordt toegepast.) <KB 2001-06-14/37, art. 2, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2001-06-10/62, art. 4, 065; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  ----------
  (1)<KB 2009-02-12/43, art. 3,1°, 160; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
  (2)<KB 2009-02-12/43, art. 3,2°, 160; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  Art. 214.(§ 1. Het minimum dagbedrag van de uitkering toe te kennen aan de gerechtigden die de hoedanigheid hebben van regelmatig werknemer, wordt als volgt vastgesteld :
  1° voor de gerechtigden die worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste, is het minimum dagbedrag gelijk aan het in werkdagen gewaardeerde bedrag van het minimum gewaarborgde gezinsrustpensioen voor een werknemer met een volledige loopbaan, toegekend krachtens artikel 152, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 [2 en artikel 8, eerste lid, van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel]2;
  2° voor de gerechtigden die niet worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste, is het minimum dagbedrag :
  a) voor de in artikel 226 of 226bis bedoelde gerechtigden, gelijk aan het in werkdagen gewaardeerde bedrag van het minimum gewaarborgde rustpensioen voor een werknemer met een volledige loopbaan, die niet bedoeld wordt onder 1°, dat krachtens [2 de voormelde artikelen 152, eerste lid en 8, eerste lid worden toegekend]2;
  b) voor de niet in artikel 226 of 226bis bedoelde gerechtigden, gelijk aan [4 29,8258]4 euro.
  Dit minimum dagbedrag wordt pas toegekend vanaf de datum waarop de in artikel 224 bedoelde gerechtigde die geen personen ten laste heeft, de leeftijd van 21 jaar bereikt.) <KB 2007-06-05/44, art. 3, 144; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 2. (Het minimumdagbedrag van de (uitkering) toegekend aan niet-regelmatige werknemers is gelijk aan het in werkdagen gewaardeerde bedrag van het leefloon dat wordt toegekend krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. <KB 2003-02-19/40, art. 2, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  Voor de gerechtigden met persoon ten laste, als bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet, stemt dat bedrag overeen met het bedrag dat wordt toegekend aan [3 een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste]3.
  Voor de gerechtigden die geen persoon ten laste hebben, stemt dat bedrag overeen met het bedrag dat wordt toegekend aan een alleenstaande persoon.) <KB 2002-11-11/32, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  (Deze bedragen mogen met ingang van 1 juli 2001 tot 30 september 2004 niet lager zijn dan 28,3957 EUR voor de gerechtigde die beschouwd wordt als werknemer met persoon ten laste, en dan 21,2970 EUR voor de gerechtigde die niet beschouwd wordt als werknemer met persoon ten laste. Met ingang van 1 oktober 2004 tot 30 september 2006 mogen deze bedragen niet lager zijn dan 28,6797 EUR, respectievelijk 21,5100 EUR. Met ingang van 1 oktober 2006 (tot 31 maart 2007) mogen deze bedragen niet lager zijn dan 28,9665 EUR, respectievelijk 21,7251 EUR. (...). De voormelde bedragen worden gekoppeld aan het indexcijfer 103,14.) <W 2004-07-06/31, art. 1, 111; Inwerkingtreding : 01-10-2004> <KB 2007-06-05/44, art. 3, 144; Inwerkingtreding : 09-07-2008> <KB 2007-06-05/44, art. 3, 144; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  Onder niet-regelmatige werknemers dient verstaan te worden de gerechtigden aan wie de hoedanigheid van regelmatig werknemer niet kan worden toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 224.
  (§ 3. De voormelde minimumbedragen worden toegekend vanaf de eerste dag van de zevende maand van het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid, alsook tijdens het tijdvak van invaliditeit.
  Om de eerste dag van de zevende maand van de arbeidsongeschiktheid te bepalen, wordt rekening gehouden met de periode van moederschapsbescherming die onmiddellijk voorafgaat aan de periode van arbeidsongeschiktheid, indien de periode van moederschapsbescherming een vorige periode van arbeidsongeschiktheid heeft geschorst.) <KB 2003-02-19/40, art. 2, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  ----------
  (1)<KB 2015-04-28/17, art. 2, 230; Inwerkingtreding : 01-09-2015>
  (2)<KB 2018-01-14/02, art. 2, 261; Inwerkingtreding : 01-09-2017>
  (3)<KB 2018-10-07/03, art. 1, 270; Inwerkingtreding : 01-07-2018>
  (4)<KB 2019-05-17/09, art. 2, 279; Inwerkingtreding : 01-07-2019>

  Art. 215. Voor de gerechtigden die tussen 2 april 1964 en 30 juni 1970 arbeidsongeschikt werden en wier arbeidsongeschiktheid op 1 juli 1971 voortduurt, is het bedrag van het gederfde loon dat in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van de uitkering te verlenen van deze laatste datum af, gelijk aan het bedrag van het werkelijke loon (zoals bedoeld in artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet), evenwel beperkt tot het maximumbedrag op hetwelk de bijdragen voor de verzekering voor geneeskundige verzorging werden ingehouden en zonder dat het maandbedrag van het loon 14.300 frank mag overschrijden tijdens het eerste kwartaal 1970 en 14.575 frank tijdens het tweede kwartaal 1970. <KB 2001-06-10/62, art. 5, 065; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  Vóór toepassing van de artikelen 93, vijfde lid, 98 en 99, van de gecoördineerde wet wordt het dagbedrag van de invaliditeitsuitkering verhoogd met 25 pct. voor de gerechtigden wier arbeidsongeschiktheid is aangevangen vóór 2 april 1964.

  Afdeling VIbis. (Ingevoegd bij KB 1998-07-10/36, art. 2, Inwerkingtreding : 01-10-1998) De forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden.

  Art. 215bis.<KB 2007-01-29/46, art. 2, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. De arbeidsongeschikt erkende gerechtigde die niet ter verpleging opgenomen is, [1 noch in een rust- of verzorgingstehuis, een psychiatrisch verzorgingstehuis of een rustoord voor bejaarden verblijft]1, noch in voorlopige hechtenis is, noch van zijn vrijheid beroofd is, [4 en voor wie andermans hulp door de adviserend [6 arts]6 als onontbeerlijk is erkend]4, doordat hij ten gevolge van zijn lichamelijke of geestestoestand de gewone handelingen van het dagelijks leven niet alleen kan verrichten, kan, vanaf de vierde maand van arbeidsongeschiktheid, aanspraak maken op een forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden.
  De graad van de behoefte aan andermans hulp wordt bepaald door het totale aantal punten, toegekend volgens de handleiding die voor het ramen van de graad van zelfredzaamheid wordt gebruikt in de wetgeving betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de mindervaliden. De gerechtigde moet in het totaal minstens 11 punten behalen.
  De behoefte aan andermans hulp kan slechts worden erkend, als zij noodzakelijk wordt geacht voor een onafgebroken periode van ten minste drie maanden.
  [4 De beslissing tot erkenning van de behoefte aan andermans hulp wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de gerechtigde in de zetel van de verzekeringsinstelling geborgen. Deze beslissing tot erkenning wordt door de verzekeringsinstelling meegedeeld aan het RIZIV.]4
  [1 Opname ter verpleging van de gerechtigde of zijn opname in een rust- of verzorgingstehuis, in een psychiatrisch verzorgingstehuis of in een rustoord voor bejaarden, schorst de uitwerking van de erkenning van de behoefte aan andermans hulp vanaf de eerste dag van de derde maand tot het einde van deze opnames, behalve indien de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen niet tegemoetkomt in de verpleegdagprijs, noch de in artikel 147, § 3, bedoelde tegemoetkoming verleent.]1
  Ingeval de gerechtigde in voorlopige hechtenis is of van zijn vrijheid beroofd is, wordt de uitwerking van de erkenning van de behoefte aan andermans hulp geschorst vanaf de eerste dag van de voorlopige hechtenis of de vrijheidsberoving.
  [1 Indien de gerechtigde niet meer ter verpleging opgenomen is, niet meer in een rust- of verzorgingstehuis, in een psychiatrisch verzorgingstehuis of een rustoord voor bejaarden verblijft, niet meer in voorlopige hechtenis is of niet meer van zijn vrijheid beroofd is gedurende een periode van minder dan dertig dagen, dan wordt die periode geacht de voortzetting te zijn van de vorige.]1
  § 2. Het dagbedrag van de forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden bedraagt [7 16,7110]7 euro.
  [5 § 2/1. Een éénmalige inhaaltegemoetkoming voor hulp van derden wordt toegekend aan de gerechtigde die voor de periode vanaf 1 mei 2017 tot en met 30 september 2017 voor minstens één vergoedbare dag aanspraak kon maken op de forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden overeenkomstig § 1.
   Deze inhaaltegemoetkoming wordt betaald in oktober 2017 en is gelijk aan 5 % van het dagbedrag van elke forfaitaire tegemoetkoming die voor de periode vanaf 1 mei 2017 tot en met 30 september 2017 daadwerkelijk is betaald.]5
  § 3. [2 De invalide gerechtigde die op 31 december 2006 aanspraak kon maken op uitkeringen als gerechtigde met gezinslast op basis van de erkenning van de behoefte aan andermans hulp, behoudt deze hoedanigheid voor de periode tijdens dewelke de behoefte aan andermans hulp verder erkend wordt, indien het verschil tussen het bedrag van zijn uitkering als gerechtigde met gezinslast en het bedrag van zijn uitkering als gerechtigde zonder gezinslast hoger is dan 10,4466 euro, hoger is dan 12,8122 euro voor de periode van 1 september 2011 tot 31 maart 2013, [5 hoger is dan 15,1573 euro voor de periode van 1 april 2013 tot 30 september 2017, en hoger is dan 15,9152 euro vanaf 1 oktober 2017]5.]2
  [5 § 4. Een éénmalige inhaaltegemoetkoming voor hulp van derden wordt toegekend aan de gerechtigde die overeenkomstig § 3 voor de periode vanaf 1 mei 2017 tot en met 30 september 2017 voor minstens één vergoedbare dag de uitkering als gerechtigde met gezinslast heeft ontvangen, voor zover het dagbedrag van deze uitkering als gerechtigde met gezinslast lager is dan het dagbedrag van de uitkering als gerechtigde zonder gezinslast, die hij had ontvangen als de garantiemaatregel bedoeld in § 3 niet van toepassing was geweest, verhoogd met 15,9152 euro.
   Deze inhaaltegemoetkoming wordt betaald in oktober 2017 en is gelijk aan het verschil tussen, enerzijds, het dagbedrag van elke uitkering als gerechtigde zonder gezinslast die hij voor de periode vanaf 1 mei 2017 tot en met 30 september 2017 had ontvangen als de garantiemaatregel bedoeld in § 3 niet van toepassing was geweest, verhoogd met 15,9152 euro, en, anderzijds, het dagbedrag van elke uitkering als gerechtigde met gezinslast die voor de voormelde periode daadwerkelijk is betaald.]5
  ----------
  (1)<KB 2009-01-13/32, art. 1, 159; Inwerkingtreding : 27-02-2009>
  (2)<KB 2013-05-21/13, art. 3, 203; Inwerkingtreding : 01-04-2013>
  (3)<KB 2014-04-25/67, art. 38, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (4)<KB 2017-01-31/08, art. 5, 248; Inwerkingtreding : 31-12-2015>
  (5)<KB 2018-01-14/02, art. 3, 261; Inwerkingtreding : 01-10-2017>
  (6)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>
  (7)<KB 2019-05-17/09, art. 3, 279; Inwerkingtreding : 01-08-2019>

  Art. 215ter. (opgeheven) <KB 2007-01-29/46, art. 3, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Afdeling VIter. - [1 Beroepsherscholing.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij KB 2009-03-30/16, art. 4, 163; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 215quater.[1 De tegemoetkomingen inzake beroepsherscholing, bedoeld in artikel 109bis, tweede lid, van de gecoördineerde wet, omvatten alle voorzieningen of diensten, die erop gericht zijn geheel of gedeeltelijk de initiële arbeidsgeschiktheid van de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde te herstellen of de potentiële arbeidsgeschiktheid van deze gerechtigde te valoriseren, met het oog op de volledige integratie van de betrokkene in een arbeidsomgeving.
  Zij omvatten met name elk onderzoek, zoals een loopbaanoriëntatie-onderzoek dat moet toelaten te bepalen of een beroepsherscholingsprogramma mogelijk en nuttig is, en elke opleiding, begeleiding of scholing die rechtstreeks bijdraagt tot de integratie, bedoeld in het eerste lid.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij KB 2009-03-30/16, art. 4, 163; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 215quinquies.[1 De kosten die verbonden zijn aan de effectieve integratie van een gerechtigde na een programma van beroepsherscholing, bedoeld in artikel 109bis, derde lid, van de gecoördineerde wet, moeten rechtstreeks bijdragen tot de integratie van de betrokkene. Deze kosten moeten bovendien in verhouding zijn met het te bereiken doel.
  De tenlasteneming van deze kosten kan maximaal toegestaan worden voor een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de maand volgend op de maand van afronding van het voormeld programma.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij KB 2009-03-30/16, art. 4, 163; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 215sexies.[1 De gerechtigde die een programma van beroepsherscholing volgt, kan aanspraak maken op een premie van [2 vijf euro]2 per effectief gevolgd uur van opleiding, begeleiding of scholing.
  De gerechtigde die een programma van beroepsherscholing met succes heeft doorlopen, kan aanspraak maken op een forfaitaire tegemoetkoming van [2 500]2 euro.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij KB 2009-03-30/16, art. 4, 163; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<W 2012-03-29/08, art. 47, 189; Inwerkingtreding : 01-09-2011>

  Art. 215septies.[1 Voor de evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel 100, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet, wordt rekening gehouden met de tijdens het programma van beroepsherscholing verworven beroepscompetenties na afloop van een periode van zes maanden die aanvangt bij het verstrijken van de maand waarin voormeld programma werd doorlopen.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij KB 2009-03-30/16, art. 4, 163; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Afdeling VIquater. [1 - Re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-11-08/01, art. 1, 245; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  

  Art. 215octies.
  <Opgeheven bij KB 2018-06-27/06, art. 1, 267; Inwerkingtreding : 12-06-2017>

  Art. 215novies. [1 Het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie bedoeld in deze afdeling beoogt de sociaalprofessionele re-integratie te bevorderen van de gerechtigde die niet meer tewerkgesteld is of niet meer tewerkgesteld kan worden door zijn werkgever, door hem te begeleiden naar een functie bij een andere werkgever of in een andere bedrijfstak.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-11-08/01, art. 1, 245; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  

  Art. 215decies.[1 § 1. Ten laatste twee maanden na de aangifte van de arbeidsongeschiktheid maakt de adviserend [3 arts]3, op basis van het medisch dossier van de gerechtigde, een eerste inschatting van diens restcapaciteiten op.
   § 2. Wanneer de gerechtigde op het ogenblik van de in de vorige paragraaf bedoelde inschatting verbonden is door een arbeidsovereenkomst, plaatst de adviserend [3 arts]3 de gerechtigde in één van de volgende vier categorieën :
   1° categorie 1 : er kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de gerechtigde uiterlijk tegen het einde van de zesde maand van de arbeidsongeschiktheid spontaan het overeengekomen werk opnieuw kan uitoefenen;
   2° categorie 2 : een werkhervatting lijkt om medische redenen niet tot de mogelijkheden te behoren;
   3° categorie 3 : een werkhervatting is voorlopig niet aan de orde omdat de prioriteit dient uit te gaan naar de medische diagnose of de medische behandeling;
   4° categorie 4 : een werkhervatting lijkt mogelijk te zijn door het aanbieden van (tijdelijk of definitief) aangepast werk of ander werk.
   § 3. Wanneer de gerechtigde op het ogenblik van de in de eerste paragraaf bedoelde inschatting niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst, plaatst de adviserend [3 arts]3 de gerechtigde in één van de volgende vier categorieën :
   1° categorie 1 : er kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de gerechtigde uiterlijk tegen het einde van de zesde maand van de arbeidsongeschiktheid een beroep op de reguliere arbeidsmarkt kan opnemen;
   2° categorie 2 : het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt lijkt om medische redenen niet tot de mogelijkheden te behoren;
   3° categorie 3 : het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt is voorlopig niet aan de orde omdat de prioriteit dient uit te gaan naar de medische diagnose of de medische behandeling;
   4° categorie 4 : het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt lijkt mogelijk te zijn desgevallend na herscholing of een beroepsopleiding.
   § 4. De adviserend [3 arts]3 gaat niet tot de in de eerste paragraaf bedoelde inschatting over als de gerechtigde al aan de [3 preventieadviseur-arbeidsarts]3 verzocht heeft om een re-integratietraject zoals bedoeld [2 in hoofdstuk VI van boek I, titel 4 van de codex over het welzijn op het werk]2 op te starten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-11-08/01, art. 1, 245; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 2, 267; Inwerkingtreding : 12-06-2017>
  (3)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 215undecies.[1 § 1. In de volgende gevallen verwijst de adviserend [3 arts]3 de gerechtigde door naar de [3 preventieadviseur-arbeidsarts]3 met het oog op het opstarten van een re-integratietraject zoals bedoeld [2 in hoofdstuk VI van boek I, titel 4 van de codex over het welzijn op het werk]2 :
   1° de gerechtigde is, op het moment van de in artikel 215decies, § 2, bedoelde inschatting, geplaatst in categorie 1, de gerechtigde is nog altijd arbeidsongeschikt na zes maanden, de gerechtigde is nog steeds verbonden door een arbeidsovereenkomst en de adviserend [3 arts]3 maakt, op basis van het medisch dossier van de gerechtigde, een nieuwe inschatting dat een werkhervatting mogelijk lijkt te zijn door het aanbieden van (tijdelijk of definitief) aangepast werk of ander werk;
   2° de gerechtigde is, op het moment van de in artikel 215decies, § 2, bedoelde inschatting, geplaatst in categorie 3, de adviserend [3 arts]3 herbekijkt om de twee maanden de situatie van de gerechtigde, bij dergelijke herevaluatie is gebleken dat voor de gerechtigde een werkhervatting mogelijk lijkt te zijn door het aanbieden van (tijdelijk of definitief) aangepast werk of ander werk en de gerechtigde is nog steeds verbonden door een arbeidsovereenkomst;
   3° de gerechtigde wordt overeenkomstig artikel 215decies, § 2, in categorie 4 geplaatst.
   § 2. Zodra de adviserend [3 arts]3 een kopie krijgt van het re-integratieplan overeenkomstig [2 artikel I.4-74, § 2, tweede lid, van de codex over het welzijn op het werk]2, gaat hij na of het uitvoeren van het re-integratieplan een einde maakt aan de staat van arbeidsongeschiktheid zoals bepaald in artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet.
   Indien het re-integratieplan bestaat uit een toegelaten arbeid bij de desbetreffende werkgever zoals bepaald in artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet, is de gerechtigde er niet toe gehouden om de toelating van de adviserend [3 arts]3 aan te vragen, maar gaat de adviserend [3 arts]3 zelf na of het re-integratieplan overeenstemt met de voorwaarden voor een toegelaten arbeid. In voorkomend geval attesteert de adviserend [3 arts]3 de modaliteiten van zijn toelating.
   De adviserend [3 arts]3 deelt zo spoedig mogelijk zijn bevindingen met betrekking tot de staat van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet of zijn beslissing in verband met de toegelaten arbeid in de zin van artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet aan de [3 preventieadviseur-arbeidsarts]3 mee.
   Als de adviserend [3 arts]3 geen reactie geeft binnen de drie weken na ontvangst van de kopie van het re-integratieplan, wordt er verondersteld dat het uitvoeren van het re-integratieplan geen einde zal maken aan de staat van arbeidsongeschiktheid zoals bepaald in artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet en dat de beslissing van de adviserend [3 arts]3 in verband met de toegelaten arbeid in de zin van artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet positief is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-11-08/01, art. 1, 245; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 3, 267; Inwerkingtreding : 12-06-2017>
  (3)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 215duodecies.[1 In de volgende gevallen start de adviserend [3 arts]3 zelf zonder verwijl een re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie op :
   1° de gerechtigde is, op het moment van de in artikel 215decies, § 2, bedoelde inschatting, geplaatst in categorie 1, de gerechtigde is nog altijd arbeidsongeschikt na zes maanden, de gerechtigde is niet meer verbonden door een arbeidsovereenkomst en de adviserend [3 arts]3 maakt, op basis van het medisch dossier van de gerechtigde, een nieuwe inschatting dat het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt mogelijk lijkt te zijn desgevallend na herscholing of een beroepsopleiding;
   2° de gerechtigde is, op het moment van de in artikel 215decies, § 3, bedoelde inschatting, geplaatst in categorie 1, de gerechtigde is nog altijd arbeidsongeschikt na zes maanden en de adviserend [3 arts]3 maakt, op basis van het medisch dossier van de gerechtigde, een nieuwe inschatting dat het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt mogelijk lijkt te zijn desgevallend na herscholing of een beroepsopleiding;
   3° de gerechtigde is, op het moment van de in artikel 215decies, § 3, bedoelde inschatting, geplaatst in categorie 3, de adviserend [3 arts]3 herbekijkt om de twee maanden de situatie van de gerechtigde en bij dergelijke herevaluatie is gebleken dat voor de gerechtigde het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt mogelijk lijkt te zijn desgevallend na herscholing of een beroepsopleiding;
   4° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 215decies, § 3, in categorie 4 geplaatst;
   5° het re-integratietraject van de werknemer die definitief ongeschikt is om het overeengekomen werk uit te voeren is beëindigd zoals bedoeld in [2 artikel I.4-76, § 1, van de codex over het welzijn op het werk]2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-11-08/01, art. 1, 245; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 4, 267; Inwerkingtreding : 12-06-2017>
  (3)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 215terdecies.[1 In het kader van het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie roept de adviserend [2 arts]2 de gerechtigde op voor een medisch-sociaal onderzoek.
   Het medisch-sociaal onderzoek vindt plaats binnen de maand nadat de adviserend [2 arts]2 het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie heeft opgestart zoals bedoeld in artikel 215duodecies.
   Het medisch-sociaal onderzoek moet de restcapaciteiten van de gerechtigde en diens mogelijkheden voor wedertewerkstelling nader bepalen.
   Tijdens het medisch-sociaal onderzoek vraagt de adviserend [2 arts]2 eveneens naar de inzichten van de gerechtigde omtrent de inhoud van het aanbod van re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie dat hem betreft.
   De adviserend [2 arts]2 deelt de bevindingen van het medisch-sociaal onderzoek mee aan de behandelend [2 arts]2 van de gerechtigde.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-11-08/01, art. 1, 245; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 215quaterdecies.[1 Binnen een termijn van vier weken na het in artikel 215terdecies bedoelde medisch-sociaal onderzoek, eenmalig verlengbaar met een minimumduur van twee weken en een maximumduur van vier weken, stelt de adviserend [2 arts]2 een aanbod van re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie op.
   Voordat het aanbod van re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie wordt opgesteld, overlegt de adviserend [2 arts]2 met de behandelend [2 arts]2 van de gerechtigde. In voorkomend geval wordt de begeleider van de diensten en instellingen van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelnemen aan de socioprofessionele re-integratie geraadpleegd.
   Van de in het eerste lid bedoelde verplichting om een aanbod van re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie op te maken, kan de adviserend [2 arts]2 alleen om gegronde medische redenen afwijken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-11-08/01, art. 1, 245; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 215quinquiesdecies.[1 De adviserend [2 arts]2 brengt het aanbod van re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie zo spoedig mogelijk ter kennis van de gerechtigde. Bij die gelegenheid nodigt de adviserend [2 arts]2 de gerechtigde schriftelijk uit voor een gesprek. Dit gesprek vindt plaats binnen de twee weken te rekenen vanaf de uitnodiging, tenzij de gerechtigde zich om een geldige reden niet kan aanbieden. In dat geval laat de gerechtigde aan de adviserend [2 arts]2 weten op welke datum, die binnen een termijn van maximaal vier weken na de uitnodiging moet liggen, het gesprek wel kan plaatsvinden. De adviserend [2 arts]2 stuurt dan een nieuwe schriftelijke uitnodiging naar de gerechtigde.
   Tijdens de in het vorige lid bedoelde gesprek informeert de adviserend [2 arts]2 de gerechtigde over de inhoud, de draagwijdte en de gevolgen van het re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie. Als de gerechtigde akkoord gaat met de inhoud van het re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie, wordt deze inhoud opgenomen in een overeenkomst die door de gerechtigde en de adviserend [2 arts]2 wordt ondertekend.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-11-08/01, art. 1, 245; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 215sexiesdecies.[1 De adviserend [2 arts]2 volgt het re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie elke drie maanden op, tenzij de elementen van het dossier een opvolging op een latere datum rechtvaardigen.
   De adviserend [2 arts]2 verricht deze opvolging in samenwerking met de gerechtigde en, in voorkomend geval, met de begeleider van de diensten en instellingen van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelnemen aan de sociaalprofessionele re-integratie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-11-08/01, art. 1, 245; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Afdeling VII. - (Bedragen en toekenningsvoorwaarden van de moederschapsuitkering gedurende de periode van moederschapsbescherming bedoeld in de artikelen 114 en 115 van de gecoördineerde wet.) <KB 1997-04-13/51, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>

  Art. 216. Het bedrag van de moederschapsuitkering wordt vastgesteld op 79,5 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid van de gecoördineerde wet, tijdens de dertig eerste dagen van de periode van (moederschapsbescherming), als bepaald in de artikelen 114 en 115 van de gecoördineerde wet, en op 75 pct. van het gederfde loon, vanaf de eenendertigste dag van deze periode. <KB 1997-04-13/51, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
  Tijdens de dertig eerste dagen evenwel van de periode van moederschapsrust genieten de gerechtigden, bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) en b), van de gecoördineerde wet, een moederschapsuitkering, gelijk aan 82 pct. van voornoemd gederfd loon, zonder toepassing van de loonsbeperking, bepaald in voornoemd artikel 113, derde lid.

  Art. 217. De gerechtigden in gecontroleerde volledige werkloosheid die worden bedoeld in artikel 113, laatste lid, van de gecoördineerde wet, alsook de gerechtigden die voornoemde hoedanigheid krachtens artikel 131 van de gecoördineerde wet behouden, hebben recht op een basisuitkering, gelijk aan 60 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet; het bedrag van deze uitkering (is echter gelijk aan) dat van de werkloosheidsuitkering waarop voornoemde gerechtigden aanspraak hadden kunnen maken als zij niet in (in een periode van moederschapsbescherming bedoeld in de artikelen 114 en 115 van de gecoördineerde wet) waren geweest. <KB 1997-04-13/51, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996> <KB 2003-02-19/40, art. 3, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  De (aligneringsmaatregel) van het vorige lid houdt op van toepassing te zijn zodra een periode van zes maanden verstreken is, waarbij rekening gehouden wordt met de duur van de periode van (moederschapsbescherming) en de periode van arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voordien. <KB 1997-04-13/51, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996> <KB 2003-02-19/40, art. 3, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  De gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, hebben bovendien recht op een aanvullende uitkering, gelijk aan 19,5 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet, gedurende de dertig eerste dagen van de periode van (moederschapsbescherming), en gelijk aan 15 pct. van het gederfde loon vanaf de eenendertigste dag van deze periode. <KB 1997-04-13/51, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>

  Art. 218.[1 De werkneemster die, overeenkomstig artikel 114, tweede lid van de gecoördineerde wet, de nabevallingsrust verlengt met de periode waarin zij één of meerdere van haar activiteiten heeft voortgezet tijdens de periode van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 219ter, § 2, vanaf de zesde week of de achtste week in geval van de geboorte van een meerling, tot en met de tweede week voorafgaand aan de bevalling, kan slechts aanspraak maken op een moederschapsuitkering tijdens de voormelde verlenging van de nabevallingsrust waarin ze één of meerdere van haar andere activiteiten heeft hervat, in functie van de bovenvermelde activiteit of activiteiten die recht geven op de verlenging van de nabevallingsrust.
   Het eerste lid is eveneens van toepassing op de berekening van de moederschapsuitkering tijdens de nabevallingsrust die wordt verlengd met de periode waarin de werkneemster één of meerdere van haar activiteiten heeft hervat tijdens haar arbeidsongeschiktheid onder de voorwaarden bepaald in artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet vanaf de zesde week of de achtste week in geval van de geboorte van een meerling, tot en met de tweede week voorafgaand aan de bevalling.]1
  ----------
  (1)<Hersteld bij KB 2014-07-09/01, art. 1, 221; Inwerkingtreding : 16-06-2014>

  Art. 219.[1 Voor zover zij ook betrekking op de moederschapsverzekering hebben en hiervan niet afgeweken wordt door deze afdeling en de afdelingen I, II, III, IV, IVbis en VIIbis, zijn de bepalingen van onderhavig besluit die op de uitkeringsverzekering betrekking hebben, van toepassing op de moederschapsverzekering. ]1
  ----------
  (1)<KB 2017-04-27/02, art. 12, 252; Inwerkingtreding : 01-05-2017>

  Afdeling VIIbis. - <ingevoegd bij KB 1997-04-13/51, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996> Bedragen en toekenningsvoorwaarden van de moederschapsuitkering gedurende de periode van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet.

  Art. 219bis.[1 § 1. De zwangere gerechtigde, voor wie de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is geschorst of die van arbeid is vrijgesteld krachtens de artikelen 42, § 1 eerste lid, 3° of 43, § 1, tweede lid, 2° van de arbeidswet van 16 maart 1971 kan aanspraak maken op een moederschapsuitkering waarvan het bedrag vastgesteld is op 78,237 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet. Deze uitkering wordt toegekend tot de zesde week die voorafgaat aan de vermoedelijke datum van de bevalling of tot de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt voorzien.
   Wanneer de zwangere gerechtigde de zelfstandige activiteit verderzet die zij uitoefende onmiddellijk vóór het voormelde tijdvak van moederschapsbescherming, overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld in artikel 219ter, § 5, tweede lid, wordt het bedrag van de moederschapsuitkering vastgesteld op 60 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet vanaf de zesde week die voorafgaat aan de vermoedelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt voorzien. Deze uitkering wordt verminderd met 10 pct., overeenkomstig artikel 219ter, § 5, derde lid.
   § 2. De bevallen gerechtigde, of de gerechtigde die borstvoeding geeft, voor wie de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is geschorst of die van arbeid is vrijgesteld krachtens de artikelen 42, § 1 eerste lid, 3°, 43, § 1, tweede lid, 2° en 43bis, tweede lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 kan aanspraak maken op een moederschapsuitkering, waarvan het bedrag vastgesteld is op 60 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet.
   Het tijdvak waarover de gerechtigde die borstvoeding geeft, aanspraak kan maken op de bovenvermelde moederschapsuitkering, mag een periode van vijf maanden vanaf de dag van de bevalling niet overschrijden.
   § 3. De aligneringsmaatregel bepaald in artikel 217 is eveneens van toepassing op de deeltijdse werkneemsters met behoud van rechten, die een inkomensgarantieuitkering ontvangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-04-18/05, art. 1, 174; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  Art. 219ter.<ingevoegd bij KB 1997-04-13/51, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996> § 1. [2 De zwangere of bevallen gerechtigde of de gerechtigde die borstvoeding geeft, die onder een maatregel valt als bedoeld in de artikelen 42, § 1, eerste lid, 1° of 2° of 43, § 1, tweede lid, 1°, van de voormelde wet van 16 maart 1971 en van wie het loon, ontvangen na de aanpassing van de arbeidsomstandigheden of de risicogebonden werktijden of na de verandering van arbeidsplaats, lager ligt dan het loon uit haar gewone activiteit, kan aanspraak maken op een moederschapsuitkering waarvan het bedrag wordt vastgesteld op 60 % van het verschil, tussen, enerzijds, het gederfde loon bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet, zonder echter de toepassing van het maximumbedrag bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet, dat zij verdiende vóór de aanpassing van de arbeidsomstandigheden of de risicogebonden werktijden of vóór de verandering van arbeidsplaats en, anderzijds, het bedrag van het in werkdagen gewaardeerde beroepsinkomen, dat de gerechtigde ontvangt, hetzij na de aanpassing van de arbeidsomstandigheden of de risicogebonden werktijden, hetzij na de verandering van de arbeidsplaats. Het maximumbedrag tot beloop waarvan dat verschil in aanmerking wordt genomen, is het bedrag dat is vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet.
   Onder "beroepsinkomen" als bedoeld in het eerste lid, moet worden verstaan de bezoldigingen en andere voordelen die kunnen in aanmerking genomen worden om het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet te bepalen, evenals het gewaarborgd loon tweede week en de vergoeding bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 12bis en nr. 13bis. Elke uitkering, vergoeding of rente die haar wegens het derven van dat inkomen wordt verleend, wordt eveneens in aanmerking genomen.]2
  [3 In afwijking van de voorgaande leden worden de uitkeringen geweigerd voor de dagen gedekt door vakantiegeld.]3
  § 2. De zwangere of bevallen gerechtigde, of de gerechtigde die borstvoeding geeft, die meerdere activiteiten in loondienst uitoefent en voor wie de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of de vrijstelling van arbeid krachtens de artikelen 42, § 1, eerste lid, 3°, 43, § 1, tweede lid, 2°, of 43bis, tweede lid, van de voormelde wet van 16 maart 1971 slechts betrekking heeft op één of meerdere maar niet op al die activiteiten, heeft aanspraak op een moederschapsuitkering waarvan het bedrag wordt vastgesteld op 60 pct. van het gederfd loon, bedoeld in artikel 113, derde lid van de gecoördineerde wet, dat voortvloeit uit de activiteit of activiteiten die de gerechtigde onderbroken heeft.
  [2 ...]2
  (Lid 3 opgeheven) <KB 2006-02-02/38, art. 1, 4°, 125 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  § 3. De (aligneringsmaatregel) bepaald in artikel 217 is eveneens van toepassing voor de deeltijdse werkneemsters met behoud van rechten, die een inkomensgarantieuitkering ontvangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. <KB 2003-07-11/66, art. 3, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 4. (...) <KB 2006-02-02/38, art. 1, 5°, 125 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  § 5. (De moederschapsuitkeringen bedoeld in deze afdeling zijn niet verschuldigd aan de zwangere of bevallen gerechtigden, of de gerechtigden die borstvoeding geven, die een activiteit aanvangen of verder zetten die niet onderworpen is aan de bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971.
  In afwijking van de bepalingen van het eerste lid mogen de moederschapsuitkeringen echter toegekend worden aan de gerechtigde die tijdens het tijdvak van moederschapsbescherming als bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet, de zelfstandige activiteit verder zet die zij uitoefende onmiddellijk voorafgaand aan het bedoelde tijdvak van moederschapsbescherming. Hiertoe moet zij de voorafgaandelijke toestemming vragen aan de adviserend [4 arts]4 van haar verzekeringsinstelling [1 ...]1. Bovendien moet zij een geneeskundig attest voorleggen waaruit blijkt dat deze activiteit geen risico inhoudt voor haar gezondheid of deze van haar kind. Zij mag deze activiteit niet uitoefenen op de dagen of uren waarop zij normaal gewerkt zou hebben, indien er geen maatregel inzake moederschapsbescherming was genomen.
  [1 De toelating van de adviserend [4 arts]4 geeft de aard, het volume en de voorwaarden van de zelfstandige activiteit nader op. Deze toelating wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling opgenomen. De toelating wordt ter kennis van de gerechtigde gebracht.]1
  In dat geval wordt het bedrag van de moederschapsuitkering, waarop betrokkene aanspraak kan maken met toepassing van artikel 219bis of 219ter, verminderd met 10 pct.) <KB 2000-02-04/34, art. 1, 047; Inwerkingtreding : 2000-04-01>
  ----------
  (1)<KB 2013-03-12/12, art. 2, 199; Inwerkingtreding : 12-04-2013>
  (2)<KB 2018-02-04/01, art. 1, 263; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (3)<KB 2018-06-27/06, art. 5, 267; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (4)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Afdeling VIII. - De verlenging van de nabevallingsrust.

  Art. 220.<KB 2001-06-10/60, art. 40, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Voor het verlengen van de nabevallingsrust met toepassing van artikel 114, tweede lid, van de gecoördineerde wet, wordt gelijkgesteld met een periode tijdens welke de gerechtigde is blijven doorwerken :
  1° [2 de perioden wettelijke vakantie, waaronder begrepen de periode gedekt door de uitgestelde bezoldiging verleend aan de tijdelijke of interim leerkrachten na het einde van de arbeidsovereenkomst of van de tijdelijke aanwijzing, de perioden vakantie krachtens een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, de perioden bijkomende vakantie en de perioden aanvullende vakantie;]2
  2° de periode functie van rechter in sociale zaken;
  3° de dagen kort verzuim;
  4° de dagen dwingende redenen met behoud van loon en de dagen verlof om dwingende redenen zonder behoud van loon;
  5° de dagen afwezigheid met gewaarborgd dagloon;
  6° de perioden technische stoornis in de onderneming, tijdelijke werkloosheid ingevolge technische stoornis, tijdelijke werkloosheid ingevolge slecht weer en tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische redenen;
  7° de periode sluiting van de onderneming ter bescherming van het leefmilieu;
  8° de feestdagen tijdens de arbeidsovereenkomst, de vervangingsdagen van een feestdag en de feestdagen of vervangingsdagen tijdens een periode van tijdelijke werkloosheid;
  9° voor de gerechtigde die afwisselend volgens de vijfdagen- en de zesdagenweekregeling arbeidt, de dag in de week van de vijfdaagse arbeidsregeling waarop er normaal zou zijn gearbeid indien die dag in een week van zesdaagse arbeidsregeling was gevallen;
  10° de dagen inhaalrust;
  (11° de vakantiedagen en wettelijke feestdagen van de onthaalouders zonder opvang van kinderen, bedoeld in artikel 203, vierde lid, 14;) <KB 2004-04-25/61, art. 2, 107; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  [1 12° De perioden waarin de werkneemster één of meerdere activiteiten tijdens een periode van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet heeft uitgeoefend of één of meerdere activiteiten tijdens haar arbeidsongeschiktheid onder de voorwaarden bedoeld in artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet heeft hervat.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-07-09/01, art. 2, 221; Inwerkingtreding : 16-06-2014>
  (2)<KB 2015-12-06/13, art. 2, 237; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Afdeling IX. - [1 Omgezet moederschapsverlof in geval van overlijden of hospitalisatie van de moeder]1
  ----------
  (1)<KB 2015-06-11/14, art. 2, 231; Inwerkingtreding : 28-07-2014>

  Art. 221.[1 § 1. In geval van overlijden van de moeder, kan de gerechtigde, overeenkomstig artikel 114, zevende lid, van de gecoördineerde wet, aanspraak maken op omgezet moederschapsverlof, waarvan de duur het deel van de nabevallingsrust bedoeld in artikel 114, tweede tot en met vijfde lid, van de gecoördineerde wet, nog niet opgenomen door de moeder bij haar overlijden, niet mag overschrijden.
   § 2. De gerechtigde die aanspraak wenst te maken op omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1, moet een aanvraag hiertoe indienen bij de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten. Bij deze aanvraag moet een verklaring van de verplegingsinstelling, die vermeldt dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft, gevoegd worden.
   § 3. De gerechtigde heeft aanspraak op een uitkering over elke werkdag van het tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 en over iedere dag van datzelfde tijdvak, die krachtens een verordening van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen met een werkdag wordt gelijkgesteld. Het bedrag van deze uitkering wordt bepaald op basis van het loon van de voornoemde gerechtigde, overeenkomstig de bepalingen van artikel 113 van de gecoördineerde wet en van de artikelen 216 tot 219, in functie van de hoedanigheid van voornoemde gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet en rekening houdend met de reeds verstreken duur van de moederschapsrust.]1Art. 222.[1 § 1. In geval van opname van de moeder in een ziekenhuis kan de gerechtigde overeenkomstig artikel 114, zevende lid van de gecoördineerde wet, aanspraak maken op omgezet moederschapsverlof dat ten vroegste een aanvang neemt vanaf de achtste dag te rekenen vanaf de geboorte van het kind, op voorwaarde dat de opname van de moeder in het ziekenhuis meer dan zeven dagen bedraagt en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
   Het omgezet moederschapsverlof verstrijkt op het moment dat de opname van de moeder in het ziekenhuis een einde neemt en uiterlijk bij het verstrijken van de periode die overeenstemt met de moederschapsrust die door de moeder op het ogenblik van haar opname in het ziekenhuis nog niet was opgenomen.
   § 2. De gerechtigde die aanspraak wenst te maken op omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1, moet een aanvraag hiertoe indienen bij de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten. Bij deze aanvraag moet een verklaring van de verplegingsinrichting gevoegd worden die de datum vermeldt waarop de opname van de moeder in het ziekenhuis is aangevangen, en die bevestigt dat de opname van de moeder in het ziekenhuis meer bedraagt dan zeven dagen en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
   § 3. De gerechtigde heeft over elke werkdag van het tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 en over iedere dag van datzelfde tijdvak die krachtens een verordening van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen met een werkdag wordt gelijkgesteld, aanspraak op een uitkering waarvan de hoegrootheid wordt vastgesteld op 60 pct. van het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet.
   Voor de gerechtigde in gecontroleerde volledige werkloosheid, bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, c), van de gecoördineerde wet, evenals voor de gerechtigde die voornoemde hoedanigheid behoudt krachtens artikel 131 van dezelfde wet, is het bedrag van de uitkering gelijk aan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij zich niet in een tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 had bevonden.
   Voor de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde mag het bedrag van de uitkering niet lager zijn dan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij zich niet in een tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 had bevonden.
   § 4. De moeder van het kind behoudt gedurende het omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 een uitkering die berekend wordt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 216 tot 219.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-06-11/14, art. 2, 231; Inwerkingtreding : 28-07-2014>

  Art. 223.[1 De verzekeringsinstelling die belast is met de uitbetaling aan de gerechtigde van de uitkering, bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet, in geval van toepassing van artikel 114, zevende lid, van de gecoördineerde wet, is de verzekeringsinstelling waarbij deze gerechtigde is aangesloten.
   Deze instelling vraagt bij de verzekeringsinstelling van aansluiting van de moeder alle gegevens op die moeten toelaten het overblijvende gedeelte van het tijdvak van nabevallingsrust te bepalen, te rekenen vanaf het overlijden of de opname van de moeder in het ziekenhuis.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-06-11/14, art. 2, 231; Inwerkingtreding : 28-07-2014>

  Afdeling IXbis. - <ingevoegd bij KB 2002-06-11/34, art. 1; Inwerkingtreding : 01-07-2002> Over het vaderschapsverlof [1 of geboorteverlof]1.
  ----------
  (1)<KB 2015-06-11/14, art. 3, 231; Inwerkingtreding : 06-07-2015>

  Art. 223bis.<ingevoegd bij KB 2002-06-11/34, art. 1; Inwerkingtreding : 01-07-2002> § 1. De werknemer, als bedoeld in artikel 86, § 1, 1° a) , van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de werknemer die een vergoeding geniet wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst, als bedoeld in voormeld artikel, heeft recht op een uitkering gedurende de laatste zeven dagen van het vaderschapsverlof [1 of geboorteverlof]1, bedoeld in artikel 30, § 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [1 ...]1.
  De in het vorige lid bedoelde uitkering wordt toegekend voor de dagen van vaderschapsverlof [1 of geboorteverlof]1 die samenvallen met dagen tijdens dewelke de werknemer normaal gewerkt zou hebben, volgens zijn arbeidsregeling. Het uitkeringspercentage wordt vastgesteld op 82 % van het gederfde loon, (bepaald overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 waarin, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip "gemiddeld dagloon" wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht, en op basis van de modaliteiten vastgelegd door het reglement bedoeld in artikel 80, 5°, van de gecoördineerde wet). Het maximumbedrag ten belope waarvan dit loon in aanmerking wordt genomen, is het bedrag vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet. <KB 2003-03-12/42, art. 22, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 2. De uitkering voor vaderschapsverlof [1 of geboorteverlof]1 wordt toegekend onder dezelfde voorwaarden als deze, vastgesteld voor de toekenning van de moederschapsuitkering.
  § 3. (opgeheven) <KB 2003-03-12/42, art. 22, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 4. De dagen gedekt door een uitkering toegekend tijdens het vaderschapsverlof [1 of geboorteverlof]1, worden gelijkgesteld met arbeidsdagen voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit.
  ----------
  (1)<KB 2015-06-11/14, art. 4, 231; Inwerkingtreding : 06-07-2015>

  Afdeling IXter. - <ingevoegd bij KB 2002-06-11/34, art. 2; Inwerkingtreding : 01-07-2002 > Over het adoptieverlof.

  Art. 223ter.<ingevoegd bij KB 2002-06-11/34, art. 2; Inwerkingtreding : 01-07-2002 > § 1. (De werknemer, als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de werknemer die een vergoeding geniet wegens verbreking vande arbeidsovereenkomst, bedoeld in voormeld artikel, heeft recht op een uitkering voor de werkdagen van het adoptieverlof, bedoeld in artikel 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [1 ...]1.) <KB 2005-11-25/37, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  (...). Het uitkeringspercentage wordt vastgesteld op 82 % van het gederfde loon, (bepaald overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 waarin, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip "gemiddeld dagloon" wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht, en op basis van de modaliteiten vastgelegd door het reglement bedoeld in [1 artikel 80, § 1, 5°]1, van de gecoördineerde wet). Het maximumbedrag ten belope waarvan dit loon in aanmerking wordt genomen, is het bedrag vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet. <KB 2003-03-12/42, art. 23, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <KB 2005-11-25/37, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  § 2. De uitkering voor adoptieverlof wordt toegekend onder dezelfde voorwaarden als deze, vastgesteld voor de toekenning van de moederschapsuitkering.
  § 3. (opgeheven) <KB 2003-03-12/42, art. 23, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 4. De dagen gedekt door een uitkering toegekend tijdens het adoptieverlof, worden gelijkgesteld met arbeidsdagen voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit.
  ----------
  (1)<KB 2019-03-23/07, art. 1, 275; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Afdeling IXquater. - Borstvoedingspauzes. <ingevoegd bij KB 2002-11-05/44, art. 1; Inwerkingtreding : 01-07-2002>

  Art. 223quater.<ingevoegd bij KB 2002-11-05/44, art. 1; Inwerkingtreding : 01-07-2002> De werkneemster bedoeld in [1 artikel 116/5]1 van de gecoördineerde wet heeft recht op een uitkering voor borstvoedingspauze, gelijk aan 82 pct. van het brutobedrag van het gederfde loon dat verschuldigd zou zijn geweest voor de uren of halve uren van borstvoedingspauze, zonder dat de beperking van het loon, bepaald in artikel 87, eerste lid, van dezelfde wet, toegepast moet worden.
  ----------
  (1)<KB 2017-04-27/02, art. 13, 252; Inwerkingtreding : 01-05-2017>

  Afdeling IXquinquies. [1 - Over het pleegouderverlof.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2019-03-23/07, art. 2, 275; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 223quinquies. [1 § 1. De werknemer, als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de werknemer die een vergoeding geniet wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst bedoeld in voormeld artikel, heeft recht op een uitkering voor de werkdagen van het pleegouderverlof bedoeld in artikel 30sexies van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
   Het uitkeringspercentage wordt vastgesteld op 82 % van het gederfde loon, bepaald overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 waarin, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip "gemiddeld dagloon" wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht, en op basis van de modaliteiten vastgelegd door de verordening bedoeld in artikel 80, § 1, 5°, van de gecoördineerde wet. Het maximumbedrag ten belope waarvan dit loon in aanmerking wordt genomen, is het bedrag vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet.
   § 2. De uitkering voor pleegouderverlof wordt toegekend onder dezelfde voorwaarden als deze vastgesteld voor de toekenning van de moederschapsuitkering.
   § 3. De dagen gedekt door een uitkering toegekend tijdens het pleegouderverlof, worden gelijkgesteld met arbeidsdagen voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2019-03-23/07, art. 2, 275; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling X. - Regelmatig werknemer.

  Art. 224.§ 1. Om als regelmatig werknemer als bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet te worden beschouwd, moet een in artikel 86, § 1, 1° of 2°, van de gecoördineerde wet bedoelde werknemer gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid (...), sedert ten minste zes maanden de hoedanigheid van uitkeringsgerechtigde hebben. <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (De gerechtigde moet daarenboven honderd twintig arbeidsdagen of met toepassing van artikel 203, vierde lid, gelijkgestelde dagen aantonen.) De dagen opgesomd in artikel 203, vierde lid, 4, worden echter niet meegerekend voor de toepassing van deze bepaling. <KB 2001-06-10/60, art. 41, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  In afwijking van de bepalingen van het voorgaande lid, moet de seizoenarbeider, de arbeider bij tussenpozen of de deeltijdse werknemer in totaal vierhonderd (...) arbeidsuren of daarmee met toepassing van artikel 203, vierde lid gelijkgestelde uren tellen. De met toepassing van artikel 203, vierde lid, 4, gelijkgestelde uren mogen echter niet in aanmerking genomen worden voor de toepassing van deze bepaling; <KB 2001-06-10/60, art. 41, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  2° over het tijdvak dat ingaat vanaf de datum dat hij gerechtigde is geworden en loopt tot daags vóór de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid, aan een aantal arbeidsdagen of hiermee gelijkgestelde dagen komen van in totaal ten minste driekwart van het aantal werkdagen van het beschouwde tijdvak. Onder met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen worden de dagen verstaan die zijn bedoeld in de artikelen 86, § 1, 1°, b), 100, 114, (114bis) en 128 van de gecoördineerde wet. <KB 1997-04-13/51, art. 10, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
  Onder werkdagen worden alle dagen van het jaar verstaan, behalve de zondagen. Indien de werknemer de hoedanigheid van uitkeringsgerechtigde heeft sedert de eerste januari van het kalenderjaar vóór dat waarin de arbeidsongeschiktheid is aangevangen, wordt het refertetijdvak evenwel beperkt tot dat kalenderjaar.
  Onder kalenderjaar als bedoeld in deze bepaling moet het refertejaar worden verstaan zoals het is bepaald in artikel 277.
  Wanneer de werknemer de in artikel 86, § 1, 1° of 2°, van de gecoördineerde wet bedoelde hoedanigheid van gerechtigde verliest gedurende een periode van minder dan drie maanden, onderbreekt die periode het refertetijdvak niet.
  (Voor de toepassing van deze bepaling wordt rekening gehouden met het aantal werkdagen en gelijkgestelde dagen, zoals bepaald conform de bepalingen van artikel 203, zesde lid.) <KB 2001-06-10/60, art. 41, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, van punt 2°, moet de seizoenarbeider, de arbeider bij tussenpozen of de dee1tijdse werknemer over het hiervoren omschreven refertetijdvak een aantal arbeidsuren of hiermee gelijkgestelde uren tellen dat overeenstemt met ten minste 28 arbeidsuren per week of bij gebreke hiervan, een aantal arbeidsuren gelijk aan ten minste driekwart van het aantal arbeidsuren, gepresteerd door (de maatpersoon). Voor die werknemers worden de periodes van inactiviteit, bedoeld in het eerste lid, van punt 2°, voor zover ze samenvallen met periodes tijdens welke de betrokken werknemers normaal wel zouden hebben gewerkt, meegerekend voor het aantal arbeidsuren dat ze tijdens die periodes zouden hebben gepresteerd; <KB 2001-06-10/60, art. 41, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  3° (...) <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  4° (de gerechtigden) moeten over het totale aantal werkdagen van het onder 2° bedoelde refertetijdvak doen blijken van een gemiddeld dagloon van ten minste (21,42 EUR) als zij 21 jaar of ouder zijn, van ten minste (16,06 EUR) als zij 18 tot 20 jaar zijn en van ten minste (10,71 EUR) als zij jonger dan 18 jaar zijn. Daartoe wordt voor de met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen een fictief loon toegepast, gelijk aan het gederfde loon, zoals dit is bepaald in artikel 87 van de gecoördineerde wet, dat als basis heeft gediend voor de berekening van de uitkering. <KB 2001-06-14/37, art. 9, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  De werknemers wier bijdragen krachtens de wetgeving betreffende de sociale zekerheid op forfaitaire loonbedragen worden berekend, worden geacht te hebben voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden inzake dagloon.
  Voor de seizoenarbeiders, de arbeiders met tussenpozen en de deeltijdse werknemers voor de met arbeidsuren gelijkgestelde uren een fictief loon toegepast, dat eveneens wordt bepaald op basis van het gederfde loon dat in aanmerking genomen wordt voor het berekenen van de uitkering.
  § 2. (Het tijdvak van het vervullen van militieverplichtingen), de in artikel 247 bedoelde tijdvakken van voortgezette verzekering, het tijdvak tijdens hetwelk de werknemer een uitkering heeft ontvangen voor de volledige onderbreking van zijn beroepsloopbaan, evenals de tijdvakken tijdens welke de gerechtigde de arbeid heeft onderbroken om zich aan de opvoeding van zijn kind te wijden onder de voorwaarden vastgesteld in artikel 205, § 5 [1 of 205/1, § 2]1, worden geneutraliseerd voor de toepassing van de bepalingen van § 1. <KB 2003-03-12/42, art. 24, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  Het tijdvak tijdens hetwelk de werknemer een uitkering ontvangt voor de gedeeltelijke onderbreking van zijn beroepsloopbaan, wordt geneutraliseerd voor de toepassing van de bepalingen van § 1, bij het verstrijken van het tijdvak waarvoor de gerechtigde de voornoemde uitkering ontvangt.
  Het voorgaand lid is evenwel alleen van toepassing indien de overeengekomen vermindering van de prestaties het tijdvak waarvoor de gerechtigde de voornoemde uitkering ontvangt, niet overschrijdt.) <KB 2002-07-10/35, art. 1, 080; Inwerkingtreding : 09-08-2002>
  § 3. De bedragen van het gemiddeld dagloon, die zijn bedoeld in § 1, worden ieder jaar in de loop van de maand december geherwaardeerd met een percentage dat gelijk is aan de verhouding tussen het op 1 januari van het lopende jaar geldende minimumbedrag van de (uitkering) voor een regelmatig werknemer met personen ten laste en hetzelfde bedrag op 1 januari van het vorige jaar. <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  De aldus geherwaardeerde bedragen worden voor de toepassing van § 1 in aanmerking genomen vanaf de 1e januari na die herwaardering.
  In geval van toepassing van § 2 zijn de in § 1 bedoelde gemiddelde dagloonbedragen ter staving van de werkdagen in het refertetijdvak voor een geneutraliseerd tijdvak van zes maanden of meer, evenwel die welke overeenkomstig deze paragraaf zijn vastgesteld voor het jaar na dat waarin het geneutraliseerde tijdvak een aanvang heeft genomen.
  (§ 4. De gerechtigde die voldeed aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de hoedanigheid van regelmatig werknemer, behoudt die hoedanigheid als hij opnieuw arbeidsongeschikt wordt binnen twaalf maanden na het einde van het tijdvak van arbeidsongeschiktheid waarover hem de hoedanigheid van regelmatig werknemer was verleend.) <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  ----------
  (1)<KB 2017-04-27/02, art. 14, 252; Inwerkingtreding : 01-05-2017>

  Afdeling XI. - Werknemer met persoon ten laste.

  Art. 225.§ 1. (Worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste in de zin van artikel 93 van de gecoördineerde wet :
  1° de gerechtigde die samenwoont met zijn echtgenoot;
  2° de gerechtigde die samenwoont met een persoon waarmee hij een feitelijk gezin vormt; die persoon mag evenwel geen bloed- of aanverwant zijn van de gerechtigde tot de derde graad, noch een kind dat recht geeft op gezinsbijslagen of dat ten laste is van een ouder die een onderhoudsplicht heeft;
  3° de gerechtigde die samenwoont met één of meer kinderen bedoeld in artikel 123, 3, behoudens de leeftijdsvoorwaarde voorzien in deze bepaling; wanneer een kind kan worden ingeschreven ten laste van verscheidene gerechtigden, wordt de volgorde van inschrijving toegepast bepaald in artikel 125, § 1, derde tot vijfde lid en § 2;
  4° de gerechtigde die samenwoont met één of meerdere bloed- of aanverwanten tot de derde graad;
  (5° de gerechtigde die alimentatiegeld betaalt, (op grond van een rechterlijke beslissing of een notariële akte, of op grond van een) onderhandse akte neergelegd bij de griffie van de rechtbank ingeval van procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed met onderlinge toestemming, en de gerechtigde wiens echtgenoot een deel van zijn uitkeringen ontvangt als sommen verschuldigd door derden, met toepassing van artikel 221 of 223 van het Burgerlijk Wetboek; deze bepaling is evenwel slechts van toepassing voor de gerechtigde die zich in de situatie bevindt bedoeld in artikel 226 en op voorwaarde dat het bedrag van het alimentatiegeld of van de toegekende sommen ten minste (111,55 EUR) per maand bedraagt;) <KB 1999-04-19/33, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <KB 2001-06-14/37, art. 9, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2002-04-25/38, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 27-05-2002>
  6° (opgeheven) <KB 2007-01-29/46, art. 4, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (tweede tot zevende lid opgeheven) <KB 2007-01-29/46, art. 4, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2007; om deze wijziging uit te voeren heeft men verondersteld dat punt 6° van lid 1 uit een enig lid bestaat; noteer evenwel dat in het KB 2003-03-12/42, art. 25, 3°, sprake is van lid 7 van voornoemd punt 6°>
  De personen bedoeld in het eerste lid, 1° tot 4° kunnen slechts als persoon ten laste worden beschouwd als zij geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen en niet werkelijk in het genot zijn van een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering krachtens een Belgische of een vreemde wetgeving.) (Zij moeten bovendien financieel ten laste zijn van de gerechtigde zelf en niet van een andere persoon die deel uitmaakt van hetzelfde gezin.) <KB 1998-07-05/34, art. 1, 1°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 1999-10-25/35, art. 1, 042; Inwerkingtreding : 05-12-1999>
  § 2. ( (De bij § 1, 3° en 4°, bedoelde gerechtigde) die tevens samenwoont met andere dan in die paragraaf opgesomde personen, behoudt slechts de hoedanigheid van werknemer met persoon ten laste wanneer deze andere personen geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen en niet werkelijk in het genot zijn van een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering krachtens een Belgische of vreemde wetgeving. Voor de toepassing van deze bepaling worden de bloed- of aanverwanten tot de derde graad van de echtgenoot van de gerechtigde of van de persoon, bedoeld in § 1, 2°, gelijkgesteld met bloed- of aanverwanten van de gerechtigde.) <KB 1998-07-05/34, art. 1, 2°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 1999-04-19/33, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  De in § 1, 3° en 4°, bedoelde gerechtigde die tevens samenwoont met een in § 1, 1° of 2°, opgesomde persoon, kan uitsluitend de hoedanigheid van werknemer met persoon ten laste verkrijgen op de in § 1, 1° of 2°, bepaalde wijze.
  (De voorwaarde van samenwoning is niet vereist gedurende het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde bedoeld in § 1, 1° tot 4°, gehospitaliseerd wordt of verblijft in een instelling of een dienst als bedoeld in artikel 34, 11° en 18°, van de gecoördineerde wet, (in voorlopige hechtenis is of van zijn vrijheid beroofd is), onverminderd de andere te vervullen voorwaarden voor het toekennen van de hoedanigheid van werknemer met persoon ten laste.) <KB 1996-11-25/37, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 23-02-1997> <KB 2003-03-12/42, art. 25, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 3. Onder beroepsactiviteit als bedoeld in de §§ 1 en 2 dient te worden verstaan iedere bezigheid die, naargelang van het geval, een inkomen als bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, 2° of 4°, of in artikel 228, § 2, 3° en 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kan opleveren, zelfs indien ze door een tussenpersoon wordt uitgeoefend, en iedere gelijkaardige bezigheid die wordt uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie. (Nochtans wordt met dit inkomen, alsook met de hiervoren bedoelde pensioenen, renten, tegemoetkomingen en uitkeringen, slechts rekening gehouden indien het totale bedrag ervan meer is dan ([4 707,07]4 euro) per maand; dit bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 van kracht op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) en wordt aan de schommelingen van het prijsindexcijfer aangepast overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 237.) <KB 2003-02-19/39, art. 1, 086; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-06-05/44, art. 4, 144; Inwerkingtreding : 09-07-2008>
  Voor de toepassing van deze bepaling moet rekening worden gehouden met een twaalfde van het bedrag van de jaarlijks uitbetaalde voordelen, zoals de premies, de aandelen in de winst, de dertiende maand, de gratificaties, het dubbel vakantiegeld of de bedragen aan de werknemers betaald ter aanvulling van het dubbel vakantiegeld, alsmede het vakantiegeld of het aanvullend vakantiegeld uitbetaald aan de rechthebbenden op een rust- of overlevingspensioen. Het maandbedrag van het inkomen van niet in loondienst werkenden dat is bedoeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt fictief vastgesteld op een twaalfde van 100/80 van het verschil tussen de brutowinst of -baten en de desbetreffende bedrijfslasten. Het maandbedrag van het inkomen gevormd door uitkeringen of tegemoetkomingen als hiervoren bedoeld, die zijn uitgedrukt in een dagbedrag en waarop de rechthebbende aanspraak heeft over alle uitkeringsdagen van een bepaalde maand, wordt geacht overeen te stemmen met vorenbedoeld dagbedrag, vermenigvuldigd met 26; ingeval het gaat om uitkeringen wegens een tijdelijke arbeidsongeschiktheid, verleend krachtens de bepalingen van de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen of van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, dient het voormelde dagbedrag vermenigvuldigd te worden met 30.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, noch met de vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen toegekend krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 die is gesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 mei 1990.
  De werkloze levert het bewijs dat hij een anciënniteitstoeslag geniet, met een verklaring opgesteld door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen; het genot van een vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen bewijst hij met een verklaring opgesteld door de werkgever belast met de uitbetaling van deze vergoeding.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt evenmin rekening gehouden met de forfaitaire uitkeringstoeslag toegekend aan een werkloze die in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap tewerkgesteld is krachtens artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering [9 en met de vergoeding per wijk-werkcheque, verkregen voor prestaties die geleverd zijn in het kader van het wijk-werken bedoeld in artikel 34 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 juli 2017 betreffende wijk-werken en diverse bepalingen in het kader van de zesde staatshervorming]9.
  (Voor de toepassing van dit artikel wordt evenmin rekening gehouden met een tegemoetkoming die wordt toegekend om het verlies of vermindering van zelfredzaamheid op te vangen.) <KB 2000-11-10/35, art. 1, 054; Inwerkingtreding : 08-12-2000>
  [5 Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de verhoging vanaf 1 september 2011 van het dagbedrag van de minimumuitkering bedoeld in artikel 214, § 1, eerste lid, 2°, b), ingevoerd bij het koninklijk besluit van 6 juli 2011.]5
  § 4. Het bewijs van elke in § 1 bedoelde toestand moet worden geleverd met een officieel getuigschrift dat in het dossier van de gerechtigde voorkomt, bij de uitbetaling van de invaliditeitsuitkeringen als gerechtigde met persoon ten laste.
  Dit bewijs volgt, wat de voorwaarde van samenwonen betreft, uit het informatiegegeven bedoeld bij artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, verkregen bij het Rijksregister, behoudens de gevallen waarin uit andere, hiertoe overgelegde bewijsstukken blijkt dat de in aanmerking te nemen toestand niet of niet langer overeenstemt met voornoemd informatiegegeven van het Rijksregister.
  (Lid 3 opgeheven) <KB 1998-07-05/34, art. 1, 3°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  (§ 5. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, tweede lid, overschrijden, enkel omwille van de verhoging van het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen ingevolge het koninklijk besluit van 23 december 2005 tot wijziging, wat de hoogte van de invaliditeitsuitkeringen betreft, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast van 1 januari 2006 tot [2 31 december 2011]2 , op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt gedurende deze overgangsperiode.) <KB 2006-05-19/42, art. 1, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (§ 6. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel omwille van de verhoging vanaf 1 juli 2008 van de minimumpensioenen voor werknemers door het koninklijk besluit van 12 juni 2008 tot verhoging van het gewaarborgd minimumbedrag van het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, of enkel omwille van de verhoging vanaf 1 juli 2008 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen door de programmawet van 8 juni 2008, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.) <KB 2008-08-12/49, art. 1, 153; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  [1 § 7. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel ingevolge de toepassing van een revalorisatiemaatregel genomen in uitvoering van Titel II, Hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, of Titel V, Hoofdstuk I van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]1
  [3 § 8. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 augustus 2010 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 2010 tot wijziging van het artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]3
  [6 § 9. De gerechtigde die wordt beschouwd als werknemer met persoon ten laste die samenwoont met een persoon bedoeld in § 1 en § 2 die een minimumpensioen van zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 april 2015, ingevolge de wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij het koninklijk besluit van 27 maart 2015, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]6
  [7 § 10. De gerechtigde die wordt beschouwd als werknemer met persoon ten laste die samenwoont met een persoon bedoeld in § 1 en § 2 die een minimumpensioen als zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 augustus 2016 [ingevolge de invoeging van artikel 131bis, § 1octies], van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij de programmawet van 19 december 2014, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]7
  [8 § 11. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel ingevolge de toekenning van een inhaalpremie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk III van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel, of de verhoging van sommige minimumpensioenen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk IV van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]8
  ----------
  (1)<KB 2010-01-31/01, art. 1, 170; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (2)<KB 2011-04-14/07, art. 1, 182; Inwerkingtreding : 01-01-2011>
  (3)<KB 2011-04-28/48, art. 1, 184; Inwerkingtreding : 01-08-2010>
  (4)<KB 2011-07-06/10, art. 3, 185; Inwerkingtreding : 01-09-2011>
  (5)<KB 2012-10-15/02, art. 1, 193; Inwerkingtreding : 01-09-2011>
  (6)<KB 2016-04-21/15, art. 1, 241; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (7)<KB 2017-06-12/05, art. 1, 254; Inwerkingtreding : 01-08-2016> (ERRATUM, zie B.St. 23-03-2018, p. 29201)
  (8)<KB 2017-09-05/02, art. 1, 255; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (9)<KB 2018-06-27/06, art. 6, 267; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Afdeling XII. - Werknemer zonder persoon ten laste aan wie een hogere uitkering kan worden toegekend wegens verlies van enig inkomen.

  Art. 226. Wordt beschouwd als werknemer zonder persoon ten laste aan wie een hogere uitkering kan worden toegekend wegens verlies van enig inkomen, zoals bedoeld in artikel 93, zesde lid, van de gecoördineerde wet, de gerechtigde die bewijst dat hij, hetzij alleen woont, hetzij uitsluitend samenwoont met personen die geen inkomen genieten en niet beschouwd worden als personen ten laste.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt als inkomen beschouwd elk inkomen in de zin van artikel 225, § 3, zonder rekening te houden met de in dat artikel vermelde grenzen.
  Het bewijs van de in het eerste lid beoogde toestand dient te worden geleverd overeenkomstig de bepalingen van artikel 225, § 4.

  Art. 226bis.<Ingevoegd bij W 2004-07-06/31, art. 2; Inwerkingtreding : 01-07-2004> [2 § 1.]1 Wordt gelijkgesteld met de werknemer, bedoeld in artikel 226, de gerechtigde die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1, 1° tot 4°, en § 2, [6 die hetzij enkel een beroepsinkomen, hetzij een beroepsinkomen en een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering krachtens een Belgische of vreemde wetgeving ontvangt, waarvan het totale maandelijkse bedrag]6 hoger is dan het in artikel 225, § 3, bedoelde drempelbedrag, maar lager dan het bedrag van het gemiddeld minimummaandinkomen bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988.
  [1 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de toepassing van een revalorisatiemaatregel genomen in uitvoering van Titel II, Hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, of Titel V, Hoofdstuk I van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]1
  [3 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 augustus 2010 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 2010 tot wijziging van het artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]3
  [5 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen van zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 april 2015, ingevolge de wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij het koninklijk besluit van 27 maart 2015, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]5
  [6 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen als zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 augustus 2016 ingevolge de invoeging van artikel 131bis, § 1octies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij de programmawet van 19 december 2014, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]6
  [7 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde maandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de toekenning van een inhaalpremie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk III van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel, of de verhoging van sommige minimumpensioenen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk IV van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]7
  [8 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 juli 2018 van het leefloon toegekend aan een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 juni 2018 tot wijziging van de koninklijke besluiten van 3 september 2004 tot verhoging van de bedragen van het leefloon en tot verhoging van de toelage verleend aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als tegemoetkoming in de personeelskosten zoals bedoeld in artikel 40 van de wet betreffende het recht op de maatschappelijke integratie, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]8
  [2 § 2. Wordt eveneens gelijkgesteld met de werknemer, bedoeld in artikel 226, de gerechtigde die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1, 1° tot 4°, en § 2, die een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering ontvangt krachtens een Belgische of vreemde wetgeving, waarvan het maandelijkse bedrag hoger is dan het in artikel 225, § 3, bedoelde drempelbedrag zonder evenwel [4 778,1788]4 EUR per maand te overschrijden; dit laatste bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 van kracht op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) en wordt aan de schommelingen van het prijsindexcijfer aangepast overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 237.
   Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de toepassing van een revalorisatiemaatregel genomen in uitvoering van Titel II, Hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, of Titel V, Hoofdstuk I, van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]2
  [3 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt, enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 augustus 2010 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 2010 tot wijziging van het artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]3
  [5 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen van zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 april 2015, ingevolge de wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij het koninklijk besluit van 27 maart 2015, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]5
  [6 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen als zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 augustus 2016 ingevolge de invoeging van artikel 131bis, § 1octies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij de programmawet van 19 december 2014, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]6
  [7 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de toekenning van een inhaalpremie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk III van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel, of de verhoging van sommige minimumpensioenen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk IV van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]7
  ----------
  (1)<KB 2010-01-31/01, art. 2, 170; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (2)<KB 2010-02-22/08, art. 1, 173; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (3)<KB 2011-04-28/48, art. 2, 184; Inwerkingtreding : 01-08-2010>
  (4)<KB 2011-07-06/10, art. 4, 185; Inwerkingtreding : 01-09-2011>
  (5)<KB 2016-04-21/15, art. 2, 241; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (6)<KB 2017-06-12/05, art. 2, 254; Inwerkingtreding : 01-08-2016>
  (7)<KB 2017-09-05/02, art. 2, 255; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (8)<KB 2018-10-07/03, art. 2, 270; Inwerkingtreding : 01-07-2018>

  Afdeling XIII. - Weerslag van de plaatsing in een gezin op de hoedanigheid van werknemer met persoon ten laste.

  Art. 227. <KB 1999-10-25/35, art. 2, 042; Inwerkingtreding : 05-12-1999> In afwijking op artikel 225, § 2, eerste lid en artikel 226, eerste lid, behoudt de bij artikel 225, § 1, 1° tot 5°, bedoelde gerechtigde en de bij artikel 226 bedoelde gerechtigde zijn hoedanigheid wanneer hij samenwoont met personen die hem toevertrouwd worden in het kader van een gereglementeerde vorm van gezinsplaatsing. De voormelde gerechtigde behoudt tevens zijn hoedanigheid wanneer hijzelf het voorwerp uitmaakt van zulke vorm van gezinsplaatsing.

  Afdeling XIV. - Weigering van de uitkeringen.

  Art. 228.<KB 2003-03-12/42, art. 26, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003> § 1. Onder loon, als bedoeld in artikel 103, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet, wordt verstaan het forfaitaire loon dat ten laste komt van het Fonds voor bestaanszekerheid van de bouwvakkers en wordt verleend voor de dagen inhaalrust bouwbedrijf.
  [2 § 1/1. Onder loon, als bedoeld in artikel 103, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet, wordt beschouwd, de vergoeding die rechtstreeks of onrechtstreeks door de werkgever in de arbeidsovereenkomst, wordt betaald, aan de werknemer in de arbeidsovereenkomst, ingevolge een binnen een termijn van twaalf maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomst op grond waarvan de vroegere werknemer zich ertoe verbindt om geen personeel of zelfstandige medecontractanten af te werven van zijn vroegere werkgever, hetzij in eigen naam en voor eigen rekening, hetzij in naam en voor rekening van één of meerdere derden, en/of zich ertoe verbindt om geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen als dewelke hij uitoefende bij zijn vroegere werkgever, hetzij door zelf een onderneming uit te baten, hetzij door in dienst te treden van een concurrerende werkgever.]2
  § 2. Onder periode gedekt door een loon of een vakantiegeld als bedoeld bij artikel 103, § 1, 1° of 2°, van de gecoördineerde wet, wordt verstaan :
  1° de dagen wettelijke vakantie [1 , met uitzondering van de dagen aanvullende vakantie,]1 die samenvallen met een tijdvak van arbeidsongeschiktheid, op voorwaarde dat de arbeidsongeschiktheid is aangevangen tijdens de vakantieperiode;
  2° de dagen wettelijke vakantie [1 , met uitzondering van de dagen aanvullende vakantie,]1 die de gerechtigde wegens zijn arbeidsongeschiktheid niet kan nemen vóór het einde van het vakantiejaar;
  3° de vakantiedagen krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de bijkomende vakantiedagen die samenvallen met een tijdvak van arbeidsongeschiktheid of die de gerechtigde wegens zijn arbeidsongeschiktheid niet kon opnemen vóór het einde van het vakantiejaar en die aanleiding hebben gegeven tot de uitbetaling van een vakantiegeld of een loon.
  Op schriftelijke aanvraag van de gerechtigden worden de vakantiedagen aangerekend op het tijdvak begrepen tussen de datum van die aanvraag en het einde van het vakantiejaar.
  De aanvraag tot aanrekening is slechts geldig indien ze slaat op een periode waarover werkelijk uitkeringen worden verleend.
  Bij ontstentenis van een schriftelijke aanvraag van de gerechtigden worden die dagen evenwel aangerekend in de maand december van het vakantiejaar of in de laatste, werkelijk vergoede periode in het vakantiejaar indien de aanrekening niet kan gebeuren tijdens de maand december van dat jaar.
  In afwijking van het tweede tot het vierde lid worden de vakantiedagen van de bedienden steeds aangerekend in de maand december van het vakantiejaar of in de laatste, werkelijk vergoede periode in het vakantiejaar indien de aanrekening niet kan gebeuren tijdens de maand december van dat jaar.
  Indien de arbeidsongeschiktheid een einde neemt vóór 1 januari van het jaar dat volgt op het vakantiejaar, worden de uitkeringen, ingehouden ingevolge de aanvraag tot aanrekening van de gerechtigde, hem uitbetaald, ten belope van het aantal vakantiedagen die nog werkelijk kunnen worden genomen tot 31 december van het vakantiejaar.
  (In geval van een deeltijds uitgeoefende activiteit, wordt de periode gedekt door vakantiegeld bepaald in functie van het aantal vakantiedagen en in functie van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur, waarbij de periode gedekt door de dagen wettelijke vakantie geen 4 weken mag overschrijden.) <KB 2007-01-29/47, art. 1, 140; Inwerkingtreding : 03-03-2007>
  ----------
  (1)<KB 2015-12-06/13, art. 3, 237; Inwerkingtreding : 01-04-2012>
  (2)<KB 2017-03-30/05, art. 1, 251; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Afdeling XV. - Vermindering van de uitkeringen.

  Art. 229. De gerechtigde die met uitwerking na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, een gewone, bijzondere of aanvullende tegemoetkoming geniet als bepaald in de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen, kan respectievelijk aanspraak maken, naargelang hij personen ten laste heeft of niet, op een bedrag gelijk aan het verschil tussen 150 of 125 pct. van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, vastgesteld voor de gerechtigde met personen ten laste, en het bedrag van de gewone, bijzondere of aanvullende tegemoetkoming als bepaald in de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen, in werkdagen gewaardeerd, zonder het dagbedrag van de uitkering te mogen overschrijden dat hem zou toegekend worden indien er geen cumulatie was.
  Voor de toepassing van dit besluit wordt geen rekening gehouden met het bedrag van de tegemoetkoming voor hulp van derden, beoogd bij artikel 2, § 4, van de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen.
  De gerechtigde, die een tegemoetkoming geniet krachtens het koninklijk besluit van 24 december 1974 betreffende de gewone en de bijzondere tegemoetkomingen aan de minder-validen, heeft evenwel aanspraak op de onverminderde uitkering wegens arbeidsongeschiktheid.

  Art. 230.§ 1. [6 De gerechtigde die een beroepsinkomen geniet dat voortvloeit uit een toegelaten arbeid onder de in § 2 bepaalde voorwaarden waardoor hij op enerlei wijze valt onder het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, evenals uit elke gelijkaardige bezigheid uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie, kan aanspraak maken op :
   1° hetzij een bedrag gelijk aan het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, zolang de tewerkstellingsbreuk van die toegelaten arbeid geen 20 % overschrijdt;
   2° hetzij een bedrag gelijk aan het verschil tussen, enerzijds, het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie en, anderzijds, de vermenigvuldiging van hetzelfde dagbedrag met het gedeelte van de tewerkstellingsbreuk van die toegelaten arbeid dat 20 % overschrijdt.
   Voor de toepassing van het vorige lid, wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
   Onder "tewerkstellingsbreuk" bedoeld in het eerste lid wordt verstaan, de verhouding tussen het gemiddeld aantal uren per week gedurende dewelke de werknemer geacht wordt de toegelaten arbeid te verrichten en het gemiddeld aantal uren per week gedurende dewelke de maatpersoon geacht wordt deze arbeid te verrichten.
   Onder "beroepsinkomen" bedoeld in eerste lid wordt verstaan, elk inkomen als bedoeld in artikel 17, § 1, 5° of artikel 23, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat een gerechtigde zich door een persoonlijke activiteit verschaft, evenals elke uitkering, vergoeding of rente die hem wegens het derven van dat inkomen wordt verleend. De premies en gelijkaardige voordelen die worden toegekend onafhankelijk van het aantal effectief gewerkte dagen tijdens het kwartaal van hun aangifte aan de inningsinstelling van de sociale zekerheidsbijdragen, worden evenwel niet in aanmerking genomen.
   In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, kan de gerechtigde die, onder de in § 2 bepaalde voorwaarden, een activiteit van onthaalouder, zoals bedoeld in artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hervat, aanspraak maken op :
   1° het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 25 %, gedurende het eerste jaar van uitoefening van deze activiteit;
   2° het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 50 %, vanaf het tweede jaar van uitoefening van deze activiteit.
   Voor de toepassing van deze paragraaf worden nochtans niet in aanmerking genomen de inkomsten die voortvloeien uit een tewerkstelling uitgeoefend, buiten het normale arbeidscircuit, in een onderneming die onder het paritair comité 327 voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de "maatwerkbedrijven" valt.
   De voordelen toegekend door de instellingen die als opdracht de sociale en beroepsreclassering van de mindervaliden hebben, of door de contracterende ondernemingen of openbare instellingen, overeenkomstig het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 13 december 2016 tot oprichting van een "Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Selbstbestimmtes Leben", het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 17 januari 2014 "relatif à l'inclusion de la personne handicapée", en het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid van 29 september 2011, en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden niet in aanmerking genomen voor de beperking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid. De gerechtigde vraagt aan de betrokken instelling, onderneming of openbare instelling een verklaring die vaststelt dat de voordelen toegekend worden in overeenstemming met het betrokken decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Deze verklaring wordt bij het dossier van de gerechtigde gevoegd.]6
  [6 § 1bis. De uitkeringen, in voorkomend geval verminderd overeenkomstig de bepalingen van § 1, worden geweigerd voor de dagen gedekt door vakantiegeld die de gerechtigde voor het einde van het vakantiejaar niet heeft opgenomen.]6
  [6 § 1ter. De gerechtigde die een beroepsinkomen geniet dat voortvloeit uit een toegelaten activiteit onder de in § 2 bepaalde voorwaarden die niet wordt bedoeld in § 1, kan aanspraak maken op een bedrag gelijk aan het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 10 % zodra het tijdvak dat is gedekt door de toelating van de adviserend arts, een duur van zes maanden bereikt en dit tot en met 31 december van het derde jaar volgend op het jaar waarin de toegelaten activiteit een aanvang nam.
   Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als "beroepsinkomen" beschouwd, elk inkomen bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, artikel 23, § 1, 1°, 2° en 4° of artikel 90, eerste lid, 1° tot 2° en 12°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat een gerechtigde zich door een persoonlijke activiteit verschaft, evenals elke uitkering, vergoeding of rente die hem wegens het derven van dat inkomen wordt verleend.
   Na het verstrijken van de periode bedoeld in het eerste lid wordt de betaling van de uitkeringen volledig geschorst als het bedrag van het verworven beroepsinkomen uit de toegelaten activiteit het drempelbedrag van 18.562,28 euro met ten minste 15 % overschrijdt. Als het voormelde drempelbedrag met minder dan 15 % wordt overschreden, wordt het bedrag van de uitkering voor het betrokken kalenderjaar geschorst naar rata van een percentage van het bedrag van de uitkering dat gelijk is aan het percentage waarmee dit drempelbedrag wordt overschreden.
   Voor de toepassing van het tweede lid wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
   Voor de toepassing van het tweede lid worden de inkomsten uit het derde volledige kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin dat lid van toepassing is, in aanmerking genomen; de referentieperiode wordt op dezelfde manier vastgesteld voor de daaropvolgende jaren.
   Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder "het bedrag van het verworven beroepsinkomen uit de toegelaten activiteit" verstaan het netto belastbaar inkomen dat voortvloeit uit de toegelaten activiteit en dat in aanmerking genomen werd door het Bestuur der Directe Belastingen voor de vaststelling van de aanslag betreffende het betrokken jaar.
   Het drempelbedrag bedoeld in het tweede lid is van toepassing op het beroepsinkomen verworven in 2018. Voor de toepassing van de cumulatieregel op de inkomsten verworven tijdens de daaropvolgende kalenderjaren wordt er rekening gehouden met het op 1 januari van de referentieperiode geïndexeerde drempelbedrag overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
   Als er tussen twee periodes gedekt door een toelating geen tijdvak ligt dat minstens gelijk is aan een volledig kalenderkwartaal, wordt de tweede periode geacht de onmiddellijke voortzetting te zijn van de eerste periode voor de eventuele vermindering van de uitkering overeenkomstig de vorige leden.
   Voor de toepassing van deze paragraaf worden nochtans niet in aanmerking genomen, de inkomsten die voortvloeien uit:
   1° een mandaat van gemeenteraadslid;
   2° een mandaat van lid van de raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met uitsluiting van het mandaat van voorzitter van die raad;
   3° een ambt van rechter in sociale zaken, van rechter in handelszaken of van raadsheer in sociale zaken.]6
  § 2. [3 Om de toelating te bekomen tot de uitoefening van een beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid, moet de gerechtigde elke hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid uiterlijk op de eerste werkdag die onmiddellijk aan die hervatting voorafgaat bij zijn verzekeringsinstelling aangeven en binnen dezelfde termijn bij de adviserend [7 arts]7 van zijn verzekeringsinstelling een aanvraag tot toelating indienen om die activiteit tijdens de ongeschiktheid uit te oefenen. De aangifte van de hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid, evenals de aanvraag tot toelating aan de adviserend [7 arts]7 worden door de gerechtigde via éénzelfde door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen goedgekeurd formulier bij zijn verzekeringsinstelling ingediend.
   De adviserend [7 arts]7 van de verzekeringsinstelling moet zijn beslissing nemen uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de eerste dag van de hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid. Hij kan de toelating verlenen om tijdens de ongeschiktheid een beroepsactiviteit uit te oefenen voor zover die verenigbaar is met de betrokken aandoening.
   Het formulier met de toelating wordt uiterlijk binnen zeven kalenderdagen vanaf de beslissing aan de gerechtigde als kennisgeving over de post toegestuurd. Als de adviserend [7 arts]7 met het oog op het nemen van zijn beslissing een geneeskundig onderzoek heeft uitgevoerd, kan het formulier met de toelating na afloop van het geneeskundig onderzoek aan de gerechtigde worden overhandigd.
   Die toelating waarin de aard, het volume en de voorwaarden tot uitoefening van die activiteit nader zijn opgegeven, wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling geborgen. De verzekeringsinstelling draagt de gegevens met betrekking tot die toelating via een elektronisch bericht naar het RIZIV over.]3
  [6 Elke toelating wordt toegekend en, in voorkomend geval, hernieuwd voor een beperkte duur die geen twee jaar overschrijdt.]6
  [3 § 2bis. Wanneer de gerechtigde de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteit laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, worden de overeenkomstig § 1 berekende uitkeringen toegekend met een vermindering van 10 pct. die op het dagbedrag van de uitkering wordt toegepast tot en met de dag waarop het in § 2, eerste lid bedoelde formulier is verzonden, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of dit formulier aan de verzekeringsinstelling is bezorgd.
   De uitkeringen worden zonder vermindering toegekend vanaf de eerste werkdag die volgt op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde formaliteiten zijn vervuld.
   Als de gerechtigde de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 101 van de gecoördineerde wet van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend [7 arts]7 uitwerking heeft.
   § 2ter. De gerechtigde aan wie een beslissing tot weigering van de toekenning van de toelating om een activiteit te hervatten ter kennis wordt gebracht of een beslissing ter kennis wordt gebracht die een einde aan de arbeidsongeschiktheid maakt omdat hij, van een geneeskundig oogpunt uit, geen vermindering van minstens 50 pct. van zijn vermogen behoudt, geniet tijdens de periode die de ingangsdatum van de bovenbedoelde beslissingen voorafgaat, uitkeringen die zijn berekend overeenkomstig de bepalingen van § 1 of § 2bis als hij de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteiten laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de werkhervatting heeft vervuld.
   Als de gerechtigde de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 101 van de gecoördineerde wet van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend [7 arts]7 uitwerking heeft.]3
  ----------
  (1)<KB 2009-07-17/09, art. 1, 166; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (2)<KB 2011-12-28/32, art. 2, 187; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (3)<KB 2013-03-12/12, art. 3, 199; Inwerkingtreding : 12-04-2013>
  (4)<KB 2013-11-22/24, art. 3, 209; Inwerkingtreding : 31-12-2011>
  (5)<KB 2015-12-06/13, art. 4, 237; Inwerkingtreding : 01-04-2012>
  (6)<KB 2018-02-04/01, art. 2, 263; Inwerkingtreding : 01-04-2018>
  (7)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 231. (Opgeheven) <KB 2006-02-02/38, art. 3, 125 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Art. 232. <Ingevoegd bij KB 2003-02-19/40, art. 5, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2003> De gerechtigde die een uitkering geniet wegens gedeeltelijke beroepsloopbaanonderbreking die ingaat na de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid, kan aanspraak maken op een bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en dat van voormelde uitkering, in werkdagen gewaardeerd.

  Art. 233.[1 § 1. De toekenning van de uitkering wordt geschorst tijdens een periode waarin de gerechtigde het voorwerp vormt van een maatregel van hechtenis of gevangenzetting in uitvoering van een strafrechtelijke veroordeling waardoor hij daadwerkelijk in de gevangenis verblijft.
   De schorsing van de toekenning van de uitkering geldt ook tijdens het tijdvak waarin de gerechtigde zich in uitvoering van een beslissing van de bevoegde instantie buiten de gevangenis bevindt wegens de toepassing van één van de volgende strafuitvoeringsmodaliteiten:
   1° de uitgaansvergunning bedoeld in artikel 4 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten;
   2° het penitentiair verlof bedoeld in artikel 6 van de voormelde wet van 17 mei 2006;
   3° de beperkte detentie bedoeld in artikel 21 van de voormelde wet van 17 mei 2006.
   § 2. De verzekeringsinstelling van de gerechtigde verkrijgt op elektronische wijze de gegevens in de databank van de Federale Overheidsdienst Justitie die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de vorige paragraaf. In afwachting van deze elektronische gegevensuitwisseling gebeurt de noodzakelijke gegevensuitwisseling via een papieren attest.
   § 3. De toekenning van de uitkering wordt beperkt tot de helft voor de geïnterneerde gerechtigde die geen persoon ten laste heeft en die in een door de bevoegde instantie aangewezen inrichting verblijft onder het statuut van een plaatsing. De volledige uitkering wordt evenwel aan deze gerechtigde toegekend als hij vanwege de bevoegde instantie de toelating heeft verkregen om de inrichting te verlaten voor een ononderbroken periode van ten minste zeven dagen, vanaf de eerste dag van deze periode.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-01-19/03, art. 1, 238; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 234.
  <Opgeheven bij KB 2009-03-30/16, art. 5 163; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 235. § 1. Onverminderd de bepalingen van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen, kan de gerechtigde, die uit welke hoofde ook aanspraken kan doen gelden op een ouderdoms-, een rust-, een anciënniteitspensioen of op eender welk als dergelijk pensioen geldend voordeel, toegekend hetzij door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, hetzij door een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut, respectievelijk aanspraak maken, naargelang hij personen ten laste heeft of niet, op een bedrag gelijk aan het verschil tussen 150 of 125 pct. van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, vastgesteld voor de gerechtigde met personen ten laste, en het bedrag van het pensioen of van het als dusdanig geldend voordeel in werkdagen gewaardeerd zonder het dagbedrag van de uitkering te mogen overschrijden dat hem zou toegekend worden indien er geen cumulatie was.
  § 2. (Onverminderd de bepalingen van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen, kan de gerechtigde, die, enerzijds, in het genot is van een ouderdoms-, een rust-, een anciënniteitspensioen of eender welk als dergelijk geldend voordeel, toegekend hetzij door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, hetzij door een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut, en, anderzijds, een tegemoetkoming bedoeld in artikel 229, eerste lid, respectievelijk aanspraak maken, naargelang hij personen ten laste heeft of niet, op een bedrag gelijk aan het verschil tussen 170 of 145 pct. van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, vastgesteld voor de gerechtigde met personen ten laste, en het bedrag van het pensioen of als dergelijk pensioen geldend voordeel, toegekend in één der hierboven bedoelde toestanden, en de tegemoetkoming bedoeld in artikel 229, eerste lid, samen in werkdagen gewaardeerd, zonder het dagbedrag van de uitkering te mogen overschrijden dat hem zou toegekend worden indien er geen cumulatie was.
  Voor de toepassing van het vorig lid wordt geen rekening gehouden met de tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 229, derde lid.) <KB 2006-02-02/38, art. 4, 125 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Art. 236.Om het pensioen, de tegemoetkoming of het inkomen, bedoeld in de artikelen 210, [1 [2 219ter, § 1, 229]2]1, 232 en 235, in werkdagen te waarderen, moet het bedrag daarvan per week, per maand, per kwartaal of per jaar gedeeld worden door respectievelijk 6, 26, 78 of 312.
  ----------
  (1)<KB 2018-02-04/01, art. 3,1°, 263; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (2)<KB 2018-02-04/01, art. 3,2°, 263; Inwerkingtreding : 01-04-2018>

  Afdeling XVbis. <Ingevoegd bij KB 1999-02-28/38, art. 1; Inwerkingtreding : 23-03-1999> - Verzaking aan het recht op uitkeringen.

  Art. 236bis. <Ingevoegd bij KB 1999-02-28/38, art. 1; Inwerkingtreding : 23-03-1999> Een gerechtigde kan het recht op uitkeringen verzaken. Hiertoe moet hij een aanvraag richten aan zijn verzekeringsinstelling, waarin hij de periode opgeeft van verzaking. De aanvraag moet slaan op een periode van minimum één maand (...). De aanvraag moet gebeuren bij aangetekende brief en heeft ten vroegste uitwerking vanaf de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de aanvraag bij de verzekeringsinstelling is toegekomen, waarbij de poststempel bewijskracht heeft. (...). <KB 2002-04-15/33, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 13-05-2002>
  (De verzaking kan evenwel toegestaan worden voor een periode voorafgaand aan de in het eerste lid bedoelde datum :
  a) wanneer een andere prestatie met terugwerkende kracht wordt toegekend,
  b) of mits de goedkeuring van de Leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, wanneer bijzondere elementen dit verantwoorden.) <KB 2002-04-15/33, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 13-05-2002>
  De verzaking dient te slaan op het volledig bedrag van de uitkeringen. De verzaking kan echter geen afbreuk doen aan de rechten die derden kunnen laten gelden op het geheel of op een gedeelte van de uitkeringen.
  Onder dezelfde voorwaarden, als bedoeld (in de voorgaande leden,) kan de gerechtigde de verzaking aan de uitkeringen, die werd toegestaan, beëindigen. <KB 2002-04-15/33, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 13-05-2002>

  Afdeling XVI. <KB 2001-06-14/37, art. 8, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002> - Aanpassing van het bedrag van de uitkeringen en van het maximumbedrag van het loon, bedoeld in artikel 212.

  Art. 237. <KB 2001-06-14/37, art. 8, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Onverminderd de afwijkingen voorzien in bijzondere bepalingen worden het bedrag bedoeld in artikel 212 en het bedrag van de uitkeringen en de forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden bedoeld in dit hoofdstuk gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14, van kracht op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100), overeenkomstig de bepalingen van artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 betreffende de uniformering van de spilindexen in de sociale materies ter gelegenheid van de invoering van de euro.
  Deze bedragen worden verhoogd of verminderd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1bis en 4 van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
  De verhoging of de vermindering wordt doorgevoerd met ingang van de maand bepaald in artikel 6, 3° van de voormelde wet van 2 augustus 1971.
  De verhoging of vermindering van de bedragen bedoeld in de voorgaande leden wordt slechts toegepast voor de gerechtigden voor wie de aanvang van het refertetijdvak voor de berekening van de uitkeringen gesitueerd is vóór de datum waarop de verhoging of vermindering wordt doorgevoerd.

  Afdeling XVIbis- Aanpassing van het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen aan de herwaarderingscoëfficiënt. <ingevoegd bij KB 2005-07-03/70, art. 1 ; Inwerkingtreding : 30-09-2005>

  Art. 237bis.<ingevoegd bij KB 2005-07-03/70, art. 1 ; Inwerkingtreding : 30-09-2005> Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 augustus 1997, wordt met ingang van 1 september 2005 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct.
  Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1997 tot 31 augustus 1999, wordt met ingang van 1 september 2006 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct.
  (Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1999 tot 31 augustus 2001, wordt met ingang van 1 september 2007 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
  Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 augustus 1987, wordt met ingang van 1 september 2007 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
  Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1987 tot 31 augustus 1993, wordt met ingang van 1 september 2008 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.) <KB 2007-06-05/44, art. 5, 144; Inwerkingtreding : 09-07-2008>
  [1 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1993 tot 31 december 2002, wordt met ingang van 1 september 2009 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
   Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 2002 tot 31 december 2002, wordt met ingang van 1 september 2009 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
   Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen vóór 1 januari 2008, wordt met ingang van 1 september 2009 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,8 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]1
  [2 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 december 2009, wordt met ingang van 1 augustus 2019 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,7 pct. en wordt met ingang van 1 januari 2020 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,0993 pct. Deze herwaarderingen zijn evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]2
  ----------
  (1)<KB 2009-02-12/43, art. 5, 160; Inwerkingtreding : 22-03-2009>
  (2)<KB 2019-05-17/09, art. 4, 279; Inwerkingtreding : 01-08-2019>

  Art. 237bis/1. [1 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid de duur van vijf jaar bereikt uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar, wordt verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. vanaf 1 september van dat jaar. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
   In afwijking van het vorige lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2020 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering evenwel vanaf 1 januari 2020 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2019-05-17/09, art. 5, 279; Inwerkingtreding : 01-09-2019>
  

  Art. 237ter.[1 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid de duur bereikt van zes jaar uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar, wordt verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. vanaf 1 september van dat jaar. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]1
  [2 Voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2016 de duur van zes jaar bereikt, wordt het bedrag van de invaliditeitsuitkering evenwel vanaf 1 januari 2016 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]2
  [3 Voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2018 de duur van zes jaar bereikt, wordt het bedrag van de invaliditeitsuitkering evenwel vanaf 1 januari 2018 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]3
  ----------
  (1)<KB 2009-02-12/43, art. 6, 160; Inwerkingtreding : 01-09-2009>
  (2)<KB 2015-04-28/17, art. 3, 230; Inwerkingtreding : 23-05-2015>
  (3)<KB 2018-01-14/02, art. 4, 261; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 237quater. <Ingevoegd bij KB 2007-06-05/44, art. 7; Inwerkingtreding : 01-09-2009> Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid de duur bereikt van vijftien jaar uiterlijk op 31 augustus van het betrokken jaar, wordt verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. vanaf 1 september van dat jaar. Indien de duur van 15 jaar arbeidsongeschiktheid bereikt wordt na 31 augustus, wordt de herwaarderingscoëfficiënt toegepast vanaf 1 september van het volgende jaar. Zij is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214. (NOTA : Artikel 237quater is niet van toepassing in 2009 en 2010; KB 2009-02-12/43, art. 7, 160)

  Afdeling XVIter. [1 - Toekenning van een inhaalpremie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-06-02/05, art. 1, 175; Inwerkingtreding : 01-05-2010>

  Art. 237quinquies.[1 § 1. Een jaarlijkse inhaalpremie wordt toegekend aan de invalide gerechtigden, die, op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de toekenning, minstens één jaar arbeidsongeschikt zijn erkend en in de maand mei van het jaar van de toekenning nog minstens één kalenderdag invalide zijn erkend. Deze inhaalpremie wordt betaald samen met de uitkeringen van de maand mei.
   Voor het jaar 2019 is het bedrag van de inhaalpremie die wordt verleend aan de invalide gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan :
   1° 269,1993 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste;
   2° 247,7738 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december niet werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste.
   Vanaf het jaar 2020 is het bedrag van de inhaalpremie die wordt verleend aan de invalide gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan :
   1° 304,9085 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste;
   2° 262,0575 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december niet werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste.
   Deze bedragen worden aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer overeenkomstig de bepalingen van artikel 237.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt een jaarlijkse inhaalpremie toegekend aan de invalide gerechtigden, die, op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de toekenning, minstens twee jaar arbeidsongeschikt zijn erkend en in de maand mei van het jaar van de toekenning nog minstens één kalenderdag invalide zijn erkend. Deze inhaalpremie wordt betaald samen met de uitkeringen van de maand mei.
   Voor het jaar 2019 is het bedrag van de inhaalpremie die wordt verleend aan de invalide gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan :
   1° 472,1870 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste;
   2° 421,9513 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december niet werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste.
   Vanaf het jaar 2020 is het bedrag van de inhaalpremie die wordt verleend aan de invalide gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan :
   1° 511,4671 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste;
   2° 450,5186 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december niet werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste.
   Deze bedragen worden aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer overeenkomstig de bepalingen van artikel 237.]1
  ----------
  (1)<KB 2019-05-02/04, art. 1, 277; Inwerkingtreding : 01-05-2019>

  Afdeling XVII.
  <Opgeheven bij KB 2013-11-22/24, art. 4, 209; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 238.
  <Opgeheven bij KB 2013-11-22/24, art. 4, 209; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Afdeling XVIII. - Bijzondere voorwaarden inzake verkrijgen van het recht op de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid.

  Art. 239.§ 1. Worden geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid als bedoeld bij artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet te bereiken:
  (nummering 1° afgeschaft) de gerechtigde wie het verboden is naar zijn werk te gaan gedurende de hierna vermelde periode omdat hij in contact is gekomen met iemand die aangetast is door één van de volgende besmettelijke ziekten: <KB 1997-04-13/51, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>

  
Difterie (met mogelijke verlenging indien de betrokkene kiemdrager is)7 dagen
Epidemische encephalitis17 dagen
Typhus en paratyphus12 dagen
Meningitis cerebrospinalis9 dagen
Malleus12 dagen
Poliomyelitis17 dagen
Roodvonk10 dagen
Pokken18 dagen


  Deze perioden gaan in op de dag dat de gerechtigde met de zieke in contact is gekomen en niet op de dag waarop de kennisgeving van arbeidsonderbreking werd verzonden of afgegeven.
  2° (opgeheven) <KB 1997-04-13/51, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
  § 2. [1 Worden geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te behouden, de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden tijdens de periode waarover zij een programma van revalidatie volgen, goedgekeurd door het College van [2 artsen-directeurs]2, of een programma van beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-30/16, art. 6, 163; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 240. (opgeheven) <KB 1997-04-13/51, art. 13, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>

  Art. 241. De gerechtigde kan aanspraak maken op de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, wanneer hij recht heeft op één van de in artikel 103, § 1, van de gecoördineerde wet opgesomde verdelen of in afwachting dat hij één van die voordelen ontvangt, op voorwaarde dat hij zijn verzekeringsinstelling inlicht over:
  1° elk gegeven waardoor zijn recht kan worden uitgemaakt;
  2° elke ingestelde vordering of andere procedure ter verkrijging van het voordeel.

  Art. 242.§ 1. De gerechtigde die door meer dan één werkgever is tewerkgesteld en die, uit hoofde van één of meer, maar niet van alle tewerkstellingen, zich in één van de in artikel 103, § 1, van de gecoördineerde wet bedoelde tijdvakken bevindt, kan slechts aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van één tewerkstelling die geen aanleiding geeft tot het toekennen van een loon of een geldelijk voordeel, als bedoeld in hetzelfde artikel 103, § 1, van de gecoördineerde wet.
  Voor de toepassing van deze paragraaf dient het in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, bedoelde tijdvak voor hetwelk de gerechtigde aanspraak heeft op een vergoeding verschuldigd wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met een periode van tewerkstelling te worden gelijkgesteld.
  § 2. [2 De vrijwillig deeltijds werknemer bedoeld in artikel 104, § 1bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en de deeltijds werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 131bis van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, die zich uit hoofde van hun werkzaamheid bevinden in een tijdvak als bedoeld in artikel 103, § 1, 2° of 3°, van de gecoördineerde wet, kunnen gedurende dat tijdvak slechts aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in functie van het bedrag van de inkomensgarantie-uitkering die niet werd verleend door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen gelet op hun arbeidsongeschiktheid.
   De gerechtigden bedoeld in het eerste lid kunnen tijdens de tijdvakken van verlof, bedoeld in de [3 artikelen 223bis, 223ter en 223quinquies]3, waarover zij het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden, enkel aanspraak maken op een uitkering berekend op het loon voortvloeiend uit hun activiteit.
   De gerechtigden bedoeld in het eerste lid kunnen aanspraak maken op een uitkering voor borstvoedingspauze enkel berekend op het loon voortvloeiend uit hun activiteit voor de periode waarin zij het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden.]2
  [1 § 3. De werkneemster die gebruikt maakt van de mogelijkheid om een deel van het tijdvak van moederschapsrust om te zetten in verlofdagen onder de voorwaarden bepaald in artikel 39, derde lid van de arbeidswet van 16 maart 1971, kan aanspraak maken op een moederschapsuitkering voor de verlofdagen van postnatale rust genomen onder de voormelde voorwaarden. Het bedrag van de uitkeringen mag evenwel het bedrag niet overschrijden dat zou zijn toegekend indien de werkneemster geen gebruik had gemaakt van deze mogelijkheid.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-08-21/09, art. 1, 168; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  (2)<KB 2015-02-22/12, art. 1, 225; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (3)<KB 2019-03-23/07, art. 3, 275; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 243. De gerechtigde die zijn arbeidsprestaties heeft gehalveerd en werkloosheidsuitkeringen geniet overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 juli 1994 betreffende het halftijds brugpensioen, kan aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die berekend wordt in functie van zijn deeltijdse activiteit, gedurende de periode tijdens dewelke hij krachtens artikel 10, derde lid, van vorengenoemd koninklijk besluit van 30 juli 1994, het recht op werkloosheidsuitkeringen behoudt zonder dat hij het gewaarborgd loon geniet, als bedoeld in artikel 52, § 1 of § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

  Afdeling XIX. - Monetaire beschikkingen inzake cumulatie van uitkeringen met door het buitenland verschuldigde uitkeringen.

  Art. 244.<KB 2001-12-13/30, art. 1, 069; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. Indien, bij toepassing van artikel 136, § 2, van de gecoördineerde wet en van de artikelen 230 en 235, het bedrag van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid kan worden gewijzigd omdat de rechthebbende een krachtens een buitenlandse wettelijke regeling toegekende uitkering geniet of een beroepsinkomen verkregen door de uitoefening van een door de adviserend [1 arts]1 toegelaten activiteit op het grondgebied van een ander land, wordt het bedrag van die uitkering of van dat inkomen voor de berekening van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid omgerekend in euro tegen de gemiddelde maandkoers die door de Europese Centrale Bank is opgegeven.
  De wisselkoersen die door de Europese Centrale Bank zijn opgegeven, worden door het Instituut bekendgemaakt vóór het begin van de eerste dag van het tijdvak waarover zij van toepassing zijn.
  De referentieperiode is :
  1° de maand januari voor de omrekeningskoersen die met ingang van 1 april daaropvolgend moeten worden toegepast;
  2° de maand april voor de omrekeningskoersen die met ingang van 1 juli daaropvolgend moeten worden toegepast;
  3° de maand juli voor de omrekeningskoersen die met ingang van 1 oktober daaropvolgend moeten worden toegepast;
  4° de maand oktober voor de omrekeningskoersen die met ingang van 1 januari daaropvolgend moeten worden toegepast.
  Bij de berekening van het bedrag van de uitkering moet de volgende wisselkoers in aanmerking worden genomen :
  1° voor de toepassing van artikel 136, § 2, van de gecoördineerde wet en van artikel 235, de wisselkoers die gelding heeft over het tijdvak waarin de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid gelegen is of, in voorkomend geval, de datum van ingang van de buitenlandse uitkering indien deze na de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid is toegekend;
  2° voor de toepassing van artikel 230 de wisselkoers die gelding heeft over het tijdvak waarin de datum van de arbeidshervatting gelegen is.
  § 2. Ingeval artikel 136, § 2, van de gecoördineerde wet of artikel 235 van toepassing zijn wordt de in § 1 bedoelde berekening herzien :
  1° Wanneer de wijze van vaststelling of de regels voor de berekening van de buitenlandse uitkering wijzigingen ondergaan of wanneer met toepassing van artikel 225 of artikel 226 de hoegrootheid van de uitkering wijzigt. Bij de herziening wordt de wisselkoers in aanmerking genomen die geldt over het tijdvak waarin bovenvermelde wijziging is opgetreden.
  2° Wanneer het bedrag van de omrekeningskoers met 10 % verandert ten overstaan van de omrekeningskoers die bij de eerste of een vorige berekening in aanmerking is genomen. De herziening geschiedt op verzoek van de rechthebbende en heeft uitwerking vanaf de eerste dag van het tijdvak waarin de wijziging van de wisselkoers met 10 % wordt bereikt.
  Een aanvraag om herziening is niet ontvankelijk wanneer de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid werd berekend met toepassing van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.
  § 3. Ingeval artikel 230 van toepassing is wordt de in § 1 bedoelde berekening herzien wanneer het bedrag van het beroepsinkomen verandert ten overstaan van het bedrag dat bij de eerste of een vorige berekening in aanmerking werd genomen.
  Bij de herziening wordt de wisselkoers in aanmerking genomen die geldt over het tijdvak waarin bovenvermelde wijziging is opgetreden.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 245. <KB 2001-12-13/30, art. 2, 069; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Wanneer de van een buitenlandse instelling ontvangen achterstallen, uitgedrukt of omgerekend in euro, het bedrag van de voorschotten of provisionele uitkeringen niet dekken, wordt het verschil niet teruggevorderd wanneer dit verschil te wijten is hetzij aan de wisselkoers die werd gebruikt om het bedrag van de door de buitenlandse instelling verschuldigde sommen te berekenen of aan de wisselkoers toepasselijk op het ogenblik van de storting van bovengenoemde achterstallen, hetzij aan de conjuncturele aanpassing van de uitkeringen.

  HOOFDSTUK IV. - (Kennisgeving of mededeling van de beslissingen genomen in uitvoering van het handvest van de sociaal verzekerde.) <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Afdeling 1. - (Beslissingen van geneeskundige aard.) <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 245bis. <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Elke geneeskundige beslissing genomen in het kader van de toepassing van de artikelen 100 tot 102 van de gecoördineerde wet, evenals elke geneeskundige beslissing genomen (krachtens artikel 215bis, § 1), wordt aan de gerechtigde of aan zijn vertegenwoordiger betekend per aangetekende brief, die de vermeldingen bevat bedoeld in artikel 14 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde. <KB 2007-01-29/46, art. 5, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Van de beslissing kan eveneens kennis worden gegeven door de overhandiging aan de betrokkene, met bewijs van ontvangst, van het document dat de inhoud ervan uiteenzet en de vermeldingen bevat bedoeld in artikel 14 van de voormelde wet van 11 april 1995. In geval van weigering, door de betrokkene of door de persoon die hem vertegenwoordigt, om het ontvangstbewijs te tekenen, wordt de beslissing per aangetekende zending verstuurd, binnen de termijn bepaald in het volgende lid.
  Van de beslissing wordt kennis gegeven binnen de termijn van zeven kalenderdagen volgend op de datum van ontvangst van elk document betreffende de toepassing van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, dat door de gerechtigde of door elke daartoe gemachtigde persoon wordt verstuurd of overhandigd. Die termijn wordt op een maand gebracht, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag of van het document, voor alle beslissingen betreffende de toepassing van de artikelen 100, § 2, 101 en 102, van de gecoördineerde wet. In alle andere gevallen wordt van de beslissing kennis gegeven binnen de termijn van zeven kalenderdagen na de datum waarop de beslissing genomen werd.

  Art. 245ter. <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> De beslissing die een einde stelt aan de arbeidsongeschiktheid, omdat de gerechtigde niet meer de vereiste graad van vermindering van het vermogen tot verdienen heeft, kan ten vroegste uitwerking hebben vanaf de dag na de datum van verzending of overhandiging van de beslissing aan de gerechtigde of zijn vertegenwoordiger. Die beperking is niet van toepassing op de beslissingen die het einde van de arbeidsongeschiktheid vaststellen ingevolge de hervatting van het werk of van de gecontroleerde werkloosheid of ingevolge iedere andere administratieve reden.

  Art. 245quater. <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> In afwijking van de bepalingen van artikel 245bis, wordt de beslissing tot erkenning van de arbeidsongeschiktheid of van de op geneeskundig vlak vereiste ongeschiktheidsgraad, genomen in het kader van de artikelen 100 tot 102 van de gecoördineerde wet, alsmede de beslissing genomen (krachtens artikel 215bis, § 1), die geen enkel element bevat dat door de gerechtigde kan worden betwist, aan deze laatste of aan de persoon die hem vertegenwoordigt medegedeeld per gewone brief of door het overhandigen van een geschreven document binnen de termijn bedoeld in artikel 245bis, derde lid; het document bezorgd aan de betrokkene bevat de vermeldingen bepaald in artikel 14, 5° en 6°, van de bovenbedoelde wet van 11 april 1995. <KB 2007-01-29/46, art. 6, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Afdeling 2. - (Beslissingen van bestuurlijke aard.) <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 245quinquies. <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Elke beslissing van bestuurlijke aard inzake het recht op uitkeringen wordt medegedeeld aan de gerechtigde of aan de persoon die hem vertegenwoordigt per gewone brief, binnen de termijn van zeven kalenderdagen na de datum waarop de beslissing werd genomen, en bevat de vermeldingen bedoeld in artikel 14, 5° en 6°, van de voormelde wet van 11 april 1995.
  De mededeling van een beslissing overeenkomstig deze afdeling vormt geen kennisgeving als bedoeld in artikel 7 van de voormelde wet van 11 april 1995.

  Art. 245sexies. <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Indien de administratieve beslissing een berekening van uitkeringen inhoudt, wordt deze opgenomen in een verklarende nota die per gewone brief naar de rechthebbende gestuurd wordt, bij de eerste uitbetaling van de uitkeringen en later bij elke wijziging van de berekeningswijze, behoudens de aanpassingen die voortvloeien uit de loutere indexering van het bedrag van de uitkering en of de veranderingen van de berekeningswijze die al het voorwerp uitmaakten van een vorige mededeling.

  Art. 245septies. <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Elke betaling van uitkeringen moet bovendien het voorwerp uitmaken van een betalingsformulier dat met name het uitkeringsbedrag, in voorkomend geval geïndexeerd, het aantal vergoede dagen en de betrokken periode vermeldt.

  Art. 245octies. <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Wanneer een beslissing van bestuurlijke aard een weigering van prestaties inhoudt, of afwijkt van wat door de gerechtigde gevraagd werd of een vermindering van uitkeringen inhoudt, die voordien niet van toepassing was, bevat zij, naast de vermeldingen bedoeld in artikel 14, 5° en 6°, van de voormelde wet van 11 april 1995, de mogelijkheid voor de gerechtigde om aan zijn ziekenfonds een herziening of regularisatie te vragen binnen de termijn van twee jaar, overeenkomstig artikel 174 van de gecoördineerde wet, evenals de mogelijkheid om binnen dezelfde termijn beroep in te stellen bij het bevoegde rechtscollege in geval van onenigheid met zijn ziekenfonds.

  Art 245nonies. <Ingevoegd bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> In afwijking van de bepalingen van artikel 245quinquies worden de volgende beslissingen aan de gerechtigde of aan zijn vertegenwoordiger ter kennis gebracht met een ter post aangetekende brief, die de vermeldingen bevat bedoeld in artikel 14 van de voormelde wet van 11 april 1995 binnen de maand na de datum waarop de beslissing werd genomen :
  - de negatieve beslissingen, genomen door het ziekenfonds, op advies van de Leidend ambtenaar, in uitvoering van artikel 88, derde lid, van de gecoördineerde wet;
  - de beslissingen genomen door het Beheerscomité in toepassing van de artikelen 101 en 102 van de gecoördineerde wet en van artikel 22 van de voormelde wet van 11 april 1995.

  HOOFDSTUK V. [1 - Bepalingen genomen in uitvoering van artikel 101 van de gecoördineerde wet]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-12-12/02, art. 1, 178; Inwerkingtreding : 31-12-2010>

  Art. 245decies. [1 Het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 101, § 1, van de gecoördineerde wet, wordt uitgevoerd binnen een termijn van dertig werkdagen te rekenen vanaf de vaststelling van de niet toegelaten activiteit door de verzekeringsinstelling of van de mededeling ervan aan de verzekeringsinstelling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-12-12/02, art. 1, 178; Inwerkingtreding : 31-12-2010>

  Art. 245undecies.[1 Indien op de datum van het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 101, § 1, van de gecoördineerde wet, wordt vastgesteld dat de gerechtigde niet meer voldoet aan de voorwaarden om arbeidsongeschikt te worden erkend, wordt de beslissing van einde van erkenning betekend aan de gerechtigde binnen de termijn bedoeld in artikel 17 van de Verordening van 16 april 1997 tot uitvoering van artikel 80, 5°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, indien de gerechtigde zich in een tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid bevindt en binnen de termijn bedoeld in de artikelen 189, tweede lid, [2 189/1, tweede lid]2 en 190, tweede lid, 1°, indien de gerechtigde zich in een tijdvak van invaliditeit bevindt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-12-12/02, art. 1, 178; Inwerkingtreding : 31-12-2010>
  (2)<KB 2014-04-25/67, art. 39, 235; Inwerkingtreding : 31-12-2015>

  TITEL IV. - Gemeenschappelijke bepalingen.

  HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.

  Afdeling I. - Gecontroleerde werkloosheid.

  Art. 246.Onder gecontroleerde werkloosheid, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet wordt verstaan, elke werkloosheidsdag, dat de werknemer zijn verplichtingen inzake werklozencontrole heeft vervuld of daarvan regelmatig was vrijgesteld en waarover in uitvoering van de reglementering inzake werkloosheid:
  1° een werkloosheidsuitkering werd uitbetaald;
  2° (Het recht op een werkloosheiduitkering voor een beperkte duur werd ontzegd wegens een administratieve sanctie, opgelegd met toepassing van de artikelen 70 of 153 tot 156 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering; in geval van toepassing van voormeld artikel 70 is de duur beperkt tot een tijdvak van drie maanden;) <KB 2006-02-13/45, art. 1, 127; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  3° het recht op werkloosheidsuitkering voor een beperkte duur werd geweigerd of ontzegd met toepassing van de artikelen 52 tot 54 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991, omdat de werknemer werkloos is of wordt wegens omstandigheden die afhankelijk zijn van zijn wil;
  4° [2 het recht op een werkloosheidsuitkering voor een beperkte duur werd ontzegd met toepassing van artikel 56, § 2, van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991, omdat de werkloze voor zijn wedertewerkstelling voorwaarden stelt die niet gerechtvaardigd zijn, of met toepassing van artikel 59quater/3 of artikel 59quinquies van hetzelfde besluit, omdat de werkloze geen voldoende inspanningen heeft geleverd om zich te integreren in de arbeidsmarkt; in geval van toepassing van voornoemd artikel 59quater/3 is de duur beperkt tot een tijdvak van zes maanden;]2
  5° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werknemer zich niet als werkzoekende had laten inschrijven, terwijl hij daarvan niet regelmatig was vrijgesteld;
  6° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd:
  a) met toepassing van artikel 55, 1°, van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991;
  b) met toepassing van [1 artikel 104, § 1bis of]1 artikel 131bis, van hetzelfde besluit, wegens deeltijdse arbeid;
  7° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werknemer de aanvraag om uitkeringen of het administratief dossier buiten de reglementaire termijnen heeft ingediend;
  8° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werknemer op zondag, een wettelijke feestdag of een gewone dag inactiviteit gearbeid heeft;
  9° het recht op werkloosheidsuitkering aan de huisarbeider met toepassing van artikel 75 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 werd ontzegd, behoudens het geval, bepaald in het tweede lid, 1°, van genoemd artikel 75;
  10° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werkloze die op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent of die met een zelfstandige samenwoont, nagelaten heeft hiervan aangifte te doen, zoals bepaald in artikel 48, respectievelijk artikel 50 van het koninklijk besluit van 25 november 1991;
  11° de gerechtigde vrijwillig heeft verzaakt aan het op werkloosheidsuitkeringen onder de voorwaarden van artikel 42, § 2, 9°, van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991;
  [3 12° het recht op een werkloosheidsuitkering werd ontzegd, met toepassing van artikel 48bis, § 2, zesde tot twaalfde lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991.]3
  Onder gecontroleerde werkloosheid, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3° van de gecoördineerde wet, wordt eveneens verstaan, de periode gedurende welke de in artikel 32, eerste lid, 1°, van die gecoördineerde wet bedoelde werknemer (een onderbrekingsuitkering geniet in geval van volledige beroepsloopbaanonderbreking) waarvoor hem een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering wordt uitgereikt als bedoeld in artikel 281, § 3; voor de werknemer die voor de onderbreking van zijn beroepsloopbaan niet beschouwd werd als een in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet bedoelde uitkeringsgerechtigde, blijft de werkingssfeer van deze bepaling evenwel beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging. Die gelijkstelling wordt bovendien niet in aanmerking genomen voor het verlengen van de nabevallingsrust met toepassing van artikel 114, tweede lid, van de gecoördineerde wet. <KB 2001-06-10/60, art. 43, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (Onder gecontroleerde werkloosheid bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3 °, van de gecoördineerde wet, wordt eveneens verstaan, de periode gedurende dewelke de in artikel 32, eerste lid, 1° van die gecoördineerde wet bedoelde werknemer, zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken in toepassing van artikel 14, 1°, van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de land-, de lucht-, de zeemacht en de medisch dienst en der reserveofficieren van alle krijgsmachtdelen en van de medische dienst, artikel 16, 1°, van de wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst en artikel 10, 1°, van de wet van 12 juli 1973 houdende statuut van de vrijwilligers van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst en een onderbrekingstoelage geniet waarvoor hem een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering wordt uitgereikt als bedoeld in artikel 281, § 4; de werkingssfeer van deze bepaling blijft evenwel beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging.) <KB 1998-04-16/49, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 20-08-1997>
  Onder gecontroleerde werkloosheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet wordt eveneens verstaan de periode gedurende welke de zelfstandige die zijn activiteit definitief heeft stopgezet, geen aanspraak heeft op werkloosheidsuitkeringen, in toepassing van artikel 44 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 en van artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1983 tot instelling van een tegemoetkoming in de achtergestelde leningen toegekend door het Participatiefonds dat bij de Nationale Kas voor Beroepskrediet is opgericht, aan de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen die zich als zelfstandige wensen te vestigen of een onderneming wensen op te richten.
  Onder gecontroleerde werkloosheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet wordt eveneens verstaan het tijdvak tijdens hetwelk het statuut van deeltijds werknemer met behoud van rechten wordt verleend aan de gerechtigde overeenkomstig het bepaalde in artikel 29, § 2, van het voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991.
  (Onder gecontroleerde werkloosheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet wordt eveneens verstaan de dagen overeenstemmend met het aantal opvanguitkeringen, waarop de onthaalouder voor een betrokken maand aanspraak heeft, overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 maart 2003 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, q, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de onthaalouders.) <KB 2004-04-25/61, art. 3, 107; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  ----------
  (1)<KB 2015-02-22/12, art. 2, 225; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (2)<KB 2015-10-23/12, art. 1, 234; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (3)<KB 2015-11-30/05, art. 1, 236; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Afdeling II. - Voorgezette verzekering.

  Art. 247.§ 1. Wordt beschouwd in een behartigenswaardige maatschappelijke toestand te verkeren als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°, van de gecoördineerde wet en kan, indien hij aan de in artikel 121 of artikel 128 van de gecoördineerde wet gestelde voorwaarden heeft voldaan, in voortgezette verzekering treden tijdens de hierna vastgestelde tijdvakken:
  (1° de werkloze gerechtigde wie werkloosheidsuitkeringen ontzegd zijn met toepassing van de volgende artikelen van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering :
  a) de artikelen 30 tot 34, 37, 38 en 85, omdat hij de gestelde toelaatbaarheidsvoorwaarden niet vervult;
  b) artikel 44, omdat hij niet zonder arbeid en zonder loon is;
  c) de artikelen 52, § 3, 52bis, § 2, 56, § 1, eerste lid, en 155, tweede lid;
  d) (artikel 81, omdat de duur van zijn werkloosheid het in deze bepaling gestelde maximum overschrijdt, of artikel 59sexies, omdat de werkloze geen voldoende inspanningen heeft geleverd om zich te integreren in de arbeidsmarkt;) <KB 2006-02-13/45, art. 2, 127; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  e) artikel 71, omdat hij de verplichtingen inzake controle niet vervult.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet korter mag zijn dan één maand en niet langer dan twaalf maanden; in de gevallen bedoeld onder punten b) en e) kan de voortgezette verzekering niet toegestaan worden, wanneer de uitgeoefende activiteit van bedrieglijke aard is, gelet op de verplichtingen opgelegd door de sociale wetgeving;) <KB 2001-07-10/34, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
  (2° de werkloze gerechtigde die voldoet aan de voorwaarden om recht te hebben op werkloosheidsuitkeringen, doch daarvan vrijwillig afziet, zonder dat hij evenwel de voorwaarden vervult, bepaald in artikel 246, eerste lid, 11°
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welk niet korter mag zijn dan één maand en niet langer dan drie maanden;) <KB 2001-07-10/34, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
  3° (...) <KB 2001-07-10/34, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
  4° [1 de gerechtigde die na afloop van de termijn van zes maanden, als bedoeld in artikel 215septies, niet langer arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet en die een beroep uitoefent waardoor hij onderworpen wordt aan het sociaal statuut der zelfstandigen of die een beroep uitoefent waarop geen verzekeringsplicht staat krachtens één der wetgevingen inzake sociale zekerheid.
   De voortgezette verzekering kan worden toegestaan voor een periode van twee jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn van zes maanden, als bedoeld in het vorige lid; dit tijdvak kan worden hernieuwd;]1
  5° (de gerechtigde in verlof zonder wedde.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan drie maanden per kalenderjaar;) <KB 2003-02-19/39, art. 2, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  6° de gerechtigde die haar kind zoogt.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een tijdvak van maximaal vijf maand vanaf de dag van de bevalling;
  7° (de gerechtigde die verkeert in een periode van voorlopige hechtenis of vrijheidsberoving. Indien hij echter bij de aanvang van de periode van voorlopige hechtenis of van vrijheidsberoving in staat van arbeidsongeschiktheid is als bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet gaat het tijdvak van voortgezette verzekering pas in de dag dat die staat van arbeidsongeschiktheid afloopt.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan de periode van voorlopige hechtenis of vrijheidsberoving.) <KB 2003-03-12/42, art. 28, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  8° de gerechtigde die tijdelijk of definitief niet meer arbeidt in de loop van een periode van vijf jaar welke afloopt op het einde van de maand waarin hij de in artikel 108, 1°, van de gecoördineerde wet bedoelde leeftijd bereikt.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke afloopt op het einde van de maand waarin de gerechtigde de in genoemd artikel vastgestelde leeftijd bereikt wanneer het gaat om een definitieve stopzetting en voor de duur aangegeven door de gerechtigde bij zijn aanvraag om in voortgezette verzekering te treden, wanneer het gaat om een tijdelijke stopzetting;
  9° de gerechtigde man of vrouw die de arbeid verzaakt opdat zijn gerechtigde echtgenote of haar gerechtigde - echtgenoot het maximale bedrag van haar of zijn ouderdomspensioen zou kunnen genieten.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke afloopt op het einde van de maand waarin de gerechtigde 65 of 60 jaar wordt naargelang het een man of een vrouw betreft;
  10° de gerechtigde die na zijn normale legerdienst bij tuchtmaatregel onder de wapens gehouden of teruggeroepen wordt.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet korter noch langer mag zijn dan die van het behoud of van de terugroeping onder de wapens;
  11° de gerechtigde die in het buitenland tijdelijk hetzelfde beroep uitoefent als hetgeen hij in België uitoefende, wanneer hij niet verzekeringsplichtig is krachtens de wetgeving inzake de sociale zekerheid van zijn nieuwe arbeidsplaats.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan die van de tewerkstelling in het buitenland;
  12° (de gerechtigde in tijdelijke werkloosheid ingevolge staking of lock-out en die bij ontstentenis van een toelating van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, geen aanspraak heeft op werkloosheidsuitkeringen.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan die van de staking of het lock-out;) <KB 2003-02-19/39, art. 2, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  13° de gerechtigde die wegens een geval van overmacht de arbeid verzuimt.
  De Dienst voor administratieve controle doet op verzoek van de verzekeringsinstelling uitspraak over de gevallen van overmacht die zij erkent.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur welke door die Dienst wordt vastgesteld;
  14° de gerechtigde die krachtens het koninklijk besluit van 11 maart 1954, houdende statuut van het Korps voor burgerlijke bescherming, de cursussen volgt van de School voor burgerlijke bescherming.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet langer mag zijn dan deze van de zittijd waaraan de gerechtigde deelneemt;
  15° de gerechtigde die een pensioen geniet ten laste van een openbaar bestuur of een pensioen waarvan de betaling door de Belgische Staat is gewaarborgd en die tijdelijk niet meer arbeidt ingevolge een erkende arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet waarover uitkeringen worden ontzegd krachtens artikel 108, 3°, van de gecoördineerde wet.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van de arbeidsongeschiktheid;
  16° de gerechtigde die generlei arbeid ter verkrijging van inkomen verricht en regelmatig leergangen van het hoger middelbaar vak- of technisch onderwijs volgt, op voorwaarde dat die leergangen gegeven worden gedurende de dag, de vakantie, de zondagen en de feestdagen daargelaten.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet langer mag zijn dan die waarover de gerechtigde de leergangen volgt;
  17° de gerechtigde die de leergangen van een erkende school voor gezinshelp(st)ers volgt. De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet langer mag zijn dan die waarover de gerechtigde de leergangen volgt;
  18° de gerechtigde die, nadat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voort arbeidt of die na die leeftijd de arbeid hervat, wanneer hij de arbeid tijdelijk onderbreekt en geen pensioen aanvraagt.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke door de gerechtigde bij zijn aanvraag wordt opgeheven; zij eindigt evenwel zodra het pensioen ingaat;
  19° de gerechtigde die wegens lichamelijke ongeschiktheid voortijdig gepensioneerd is, wanneer hij niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 100, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet, waar het de arbeidsongeschiktheidsgraad beoogt, gedurende een tijdvak dat niet verder mag gaan dan de pensioengerechtigde leeftijd, krachtens de wetgeving inzake de rust- en overlevingspensioenen van de arbeiders en de bedienden.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan vanaf de dag waarop de gerechtigde niet langer dan 66 pct. arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 100, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet;
  20° de gerechtigde waarvan de onderwerping voor het stelsel van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, beperkt is tot de geneeskundige verzorging en die:
  a) geen arbeidsplaats moet verrichten, hetzij op grond van persoonlijke aangelegenheden, hetzij ingevolge tuchtmaatregelen.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke gelijk is aan die van het tijdvak waarin de gerechtigde geen arbeidsprestaties moet verrichten;
  b) zijn ambt in het buitenland uitoefent en aldaar zijn administratieve standplaats heeft.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van het tijdvak waarin de gerechtigde zijn ambt in het buitenland uitoefent en aldaar zijn administratieve standplaats heeft;
  c) door [2 het Bestuur van de medische expertise]2 definitief arbeidsongeschikt wordt geacht voor zover hij niet werkongeschikt is in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, en niet het vereist aantal jaren dienst om een vervroegd pensioen te genieten.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van het tijdvak dat afloopt op de pensioengerechtigde leeftijd krachtens het administratief en geldelijk statuut dat op hem toepasselijk is;
  21° de gerechtigde die ophoudt tewerkgesteld te zijn volgens een arbeidsovereenkomst voor dienstboden hoofdzakelijk bestaande uit huishoudelijke arbeid van lichamelijke aard voor de behoefde van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar;
  22° de gerechtigde die als mijnwerker wegens sluiting van een kolenmijn is ontslagen en die de wachtvergoeding voor bejaarde werknemers uit de kolenindustrie geniet in toepassing van artikel 56, § 2 van het Verdrag van Parijs tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van het tijdvak tijdens hetwelk de wachtvergoeding wordt toegekend.
  § 2. Het tijdvak van voortgezette verzekering loopt af hetzij op het einde van de periode waarover het is toegestaan, hetzij op de datum waarop de toestand een einde neemt op grond waarvan het is toegestaan, hetzij, alleen in de onder § 1, 2° en 4°, bedoelde gevallen, zodra de gerechtigde in staat van arbeidsongeschiktheid is als bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet.
  ----------
  (1)<KB 2009-03-30/16, art. 7, 163; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<KB 2013-12-01/08, art. 36, 208; Inwerkingtreding : 23-12-2013>

  Art. 248.Om tot de voortgezette verzekering te worden toegelaten moet de gerechtigde een aanvraag indienen bij zijn verzekeringsinstelling en haar de volgende bewijsstukken afgeven:
  a) voor de in artikel 247, § 1, 2° en 3°, bedoelde toestanden, een verklaring uitgereikt door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening met nadere opgave van de reden waarom en het tijdvak waarover de werkloosheidsuitkeringen zijn ontzegd.
  Voor de in artikel 247, § 1, 3°, bedoelde toestand mag die verklaring vervangen worden door een verklaring van zijn laatste werkgever;
  b) [1 voor de in artikel 247, § 1, 4°, bedoelde toestand, een bewijs van hervatting van een in dat artikel bedoeld beroep;]1
  c) voor de in artikel 247, § 1, 5°, 20° en 21°, bedoelde toestanden, een verklaring uitgereikt door de werkgever of desgevallend door de geestelijke overheid hetzij met opgave van de juiste periode van de schorsing van de overeenkomst of de tewerkstelling of van het tijdvak dat de gerechtigde zijn ambt in het buitenland uitoefent, hetzij met vermelding van de datum van de beslissing van [2 het Bestuur van de medische expertise]2 volgens welke geen vervroegd pensioen kan worden toegekend, hetzij met opgave van de datum van stopzetting van de huishoudelijke arbeid;
  d) voor de in artikel 247, § 1, 6°, 8°, 9° en 18°, bedoelde toestanden, een verklaring op erewoord van de gerechtigde;
  e) voor de in artikel 247, § 1, 11° bedoelde toestand, een verklaring van de werkgever;
  f) voor de in artikel 247, § 1, 7°, bedoelde toestand, een verklaring van de Directeur van de inrichting met opgave van de periode van detinering of internering;
  g) voor de in artikel 247, § 1, 10°, bedoelde toestand, een verklaring van de militaire overheid met opgave van de periode van behoud of terugroeping onder de wapens;
  h) voor de in artikel 247, § 1, 12°, bedoelde toestand, een verklaring uitgereikt door een vakorganisatie of door de werkgever. In dit laatste geval moet die verklaring medeondertekend zijn door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening;
  i) voor de in artikel 247, § 1, 14°, 16° en 17°, bedoelde toestanden, een verklaring uitgereikt door de directeur van de school met opgave van de periode tijdens welke de gerechtigde de leergangen heeft gevolgd;
  j) voor de in artikel 247, § 1, 19°, bedoelde toestand, een verklaring uitgereikt door de adviserend [3 arts]3 van het ziekenfonds waarbij de gerechtigde is aangesloten of ingeschreven;
  k) voor de in artikel 247, § 1, 22°, bedoelde toestand, een verklaring uitgereikt door de diensten van de Administratie van het mijnwezen van het Ministerie van Economische Zaken.
  In de in artikel 247, § 1, 13°, bedoelde toestand, wordt de voortgezette verzekering toegestaan op grond van de kennisgeving van de Dienst voor administratieve controle aan de verzekeringsinstelling.
  In de in artikel 247, § 1, 15°, bedoelde toestand, wordt de voortgezette verzekering toegestaan op grond van de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid;
  ----------
  (1)<KB 2009-03-30/16, art. 8, 163; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<KB 2013-12-01/08, art. 37, 208; Inwerkingtreding : 23-12-2013>
  (3)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 249. Op basis van de in artikel 248 bepaalde stukken, maakt de verzekeringsinstelling een getuigschrift van voortgezette verzekering op en vordert zij van de gerechtigde de desbetreffende bijlage.
  De getuigschriften van voortgezette verzekering welke bij toepassing van artikel 247 een minimumduur moeten bevatten, mogen worden vernieuwd; de duur van de samengevoegde tijdvakken mag evenwel het maximumtijdvak niet overschrijden dat is vastgesteld in de bepaling van artikel 247 krachtens welke het of de getuigschriften worden uitgereikt.

  Art. 250. § 1. Voor ieder tijdvak van voortgezette verzekering moet de gerechtigde een bijdrage betalen, die per werkdag als volgt wordt vastgesteld:

  
21 jaar en meer18 tot 21 jaar14 tot 18 jaar
[1,24 EUR0,94 EUR0,62 EUR]
<KB 2001-12-11/45, art. 16, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>


  Worden als werkdagen beschouwd, alle dagen van het jaar behoudens de zondagen.
  Voor ieder tijdvak van voortgezette verzekering of ieder gedeelte van zulk tijdvak, dat een volledige kalendermaand beslaat, wordt de bijdrage als volgt vastgesteld:

  
21 jaar en meer18 tot 21 jaar14 tot 18 jaar
[31,00 EUR][23,50 EUR][15,50 EUR]
<KB 2001-12-11/44 , art. 6, 072; Inwerkingtreding : 01-01-2002>


  § 2. Nochtans wordt de gerechtigde die voor het kalenderjaar bijdragebescheiden heeft afgegeven, waarvan de waarde het in artikel 286 bepaalde jaarlijkse minimum bereikt, voor dat kalenderjaar van de betaling van voornoemde bijdrage vrijgesteld.
  § 3. De in § 1 bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan het (indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen, bereikt op 31 oktober 1999). Ze worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen. <KB 2001-12-11/45, art. 16, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 251. (opgeheven) <KB 1997-12-29/30, art. 24, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>

  HOOFDSTUK II. - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.

  Afdeling I. - Regelen ter zake van inschrijving en aansluiting bij een verzekeringsinstelling.

  Art. 252.<KB 1997-12-29/30, art. 25, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> Om een verzekeringsinstelling te kiezen, geven de in artikel 32, eerste lid, (1° tot 16°, 18°, 20° tot 22°) van de gecoördineerde wet vermelde rechthebbenden, aan een ziekenfonds, aan een Gewestelijke dienst van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering of aan de [2 [3 Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail]3]2 een aanvraag om inschrijving naar model in bijlage II bij dit besluit af welke een bulletin bevat met de samenstelling van het gezin. De authenticiteit van de daarop vermelde inlichtingen wordt nagegaan door de afgevaardigde van de verzekeringsinstelling. <KB 2007-08-03/36, art. 7, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008> <KB 2008-07-01/34, art. 17, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  De verzekeringsinstelling moet de rechthebbende ontvangst berichten van elke aanvraag om inschrijving en hem binnen één maand kennis geven van haar afwijzing of haar aanvaarding. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 255 tot 274, moet de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering iedere rechthebbende inschrijven die erom verzoekt.
  De rechthebbenden van de sociale werken van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen die geen andere hoedanigheid kunnen inroepen, zijn van rechtswege ingeschreven bij de [2 Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding]2.
  De rechthebbenden die echter nog een andere hoedanigheid hebben, kiezen bij welke verzekeringsinstelling zij willen ingeschreven of aangesloten worden.
  (Zo de verzekeringsinstelling aanvaardt, heeft de inschrijving van de gerechtigde uitwerking op de eerste dag van het kwartaal waarin de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid van de gecoördineerde wet verworven werd, en heeft de inschrijving van de persoon ten laste uitwerking op de dag dat de hoedanigheid van persoon ten laste verworven werd.) De aanvaarding heeft evenwel slechts uitwerking op voorwaarde dat de gerechtigde één der in artikel 276, §2, bedoelde documenten afgeeft of op voorwaarde dat de in die dokumenten bedoelde gegevens op electronische wijze aan de verzekeringsinstelling werden meegedeeld; de persoon ten laste dient te voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 123 tot 126. <KB 2003-04-08/65, art. 4, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  In afwijking op het vorige lid, heeft de inschrijving van de in (artikel 32, eerste lid, 12°, 14°, 15°, 21° en 22°) van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden, echter slechts uitwerking vanaf de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag om inschrijving wordt gedaan. De Leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle of een door hem gedelegeerde ambtenaar kan op voorstel van de verzekeringsinstelling en voor de behartigenswaardige gevallen welke door hem en door die instelling als zodanig worden erkend, beslissen dat de gerechtigde zich met terugwerkende kracht mag laten inschrijven of zich met terugwerkende kracht mag laten aansluiten, en de datum bepalen waarop die inschrijving of aansluiting uitwerking heeft. Eveneens in afwijking op het vorige lid, heeft de inschrijving van de in artikel 32, eerste lid, 13° van de voormelde gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde, ten vroegste uitwerking op de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag ingediend werd bedoeld bij artikel 128ter, bedoeld bij artikel 8, §1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, of bedoeld bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies, 62, §3 en 63 van de samengeordende wetten op de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen. <KB 2008-07-01/34, art. 17, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  De inschrijving van de in (artikel 32, eerste lid, 12°, 14°, 15° en 21°) bedoelde gerechtigden, is slechts geldig, indien uiterlijk op de laatste dag van het kwartaal, volgend op het kwartaal waarin de inschrijving werd gevraagd, het bedrag van een trimestriële bijdrage wordt betaald. [4 De inschrijving van de gerechtigde die overeenkomstig artikel 19 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering geplaatst is in een verzorgingsinstelling, met uitzondering van de inrichtingen zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) en c) van dezelfde wet, heeft uitwerking vanaf de dag van de plaatsing.]4 <KB 2008-07-01/34, art. 17, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  [1 In afwijking van het vijfde lid heeft, voor de sector geneeskundige verzorging, de inschrijving van de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° bis, van de gecoördineerde wet, uitwerking vanaf de eerste dag van het kwartaal waarin de hoedanigheid werd verworven, onder de opschortende voorwaarde van hetzij de betaling van de eerste sociale kwartaalbijdrage die verschuldigd is krachtens artikel 13bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, hetzij de verkrijging van een vrijstelling van bijdrage voor die eerste sociale kwartaalbijdrage, in toepassing van artikel 17 van hetzelfde besluit.]1
  Zowel voor de inschrijving als voor de latere wijzigingen in de samenstelling van het gezin is de gerechtigde verplicht de bewijzen te leveren op grond waarvan kan worden verantwoord dat de personen ten laste voldoen aan de in de artikelen 123 en 124 gestelde voorwaarden. Ingeval van wijzigingen in de samenstelling van het gezin is de gerechtigde evenwel vrijgesteld van het voorleggen van het attest uitgaande van de gemeente.
  De overgelegde bewijsstukken worden bewaard in het dossier voorgeschreven in artikel 254.
  (Een rechthebbende mag slechts aangesloten zijn bij één ziekenfonds of ingeschreven zijn bij één gewestelijke dienst van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering of bij de Kas der Geneeskundige Verzorging van de NMBS Holding.) <KB 2008-07-01/34, art. 17, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  De Dienst voor administratieve controle kan, in geval van dubbele inschrijving, hetzij uit eigen beweging, hetzij op verzoek van een verzekeringsinstelling, uitspraak doen over de regelmatigheid van de inschrijving.
  De in dit artikel bedoelde inschrijving of aansluiting blijft behouden voor een termijn die loopt tot het einde van het tweede jaar dat verstreken is na het laatste jaar waarover de gerechtigde nog recht op geneeskundige verstrekkingen had. Tijdens de geldigheidsduur van de inschrijving of aansluiting, heeft het verwerven van een andere hoedanigheid van gerechtigde, geen nieuwe inschrijving of aansluiting tot gevolg.
  Ingeval de gerechtigde een aanvraag om inschrijving indient nadat de geldigheid van de vorige inschrijving is vervallen, in toepassing van het vorige lid, zal deze nieuwe inschrijving, indien ze wordt aanvaard, beschouwd worden als een herinschrijving of heraansluiting. De herinschrijving of heraansluiting kan ten vroegste uitwerking hebben op de dag na de einddatum van de geldigheid van de vorige inschrijving. Op de herinschrijving of heraansluiting zijn voor het overige dezelfde regels van toepassing, als die welke gelden voor de inschrijving of aansluiting.
  ----------
  (1)<KB 2016-03-13/11, art. 1, 240; Inwerkingtreding : 01-04-2016>
  (2)<KB 2004-10-18/32, art. 38; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (3)<KB 2013-12-11/02, art. 61, 257; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (4)<KB 2018-01-26/12, art. 3, 262; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 253.
  <Opgeheven bij KB 2014-02-26/01, art. 10, 212; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 254.De verzekeringsinstelling legt op naam van ieder gerechtigde een dossier aan dat de aanvraag om inschrijving bevat alsook een kaart met volgende gegevens:
  1. inschrijvingsdatum en -nummer van de gerechtigde, zijn identiteit en die van de personen te zijnen laste en hun adres alsmede hun identificatienummer in het Rijksregister;
  2. elke wijziging van aantal en hoedanigheid van de personen ten laste;
  3. de aard van de bijdragebescheiden, het type van gegevensoverdracht en de gegevens die erop voorkomen die de verzekerbaarheid aanbelangen.
  4. bedrag en aard van de persoonlijke en aanvullende bijdragen, datum van de betaling ervan en tijdvak waarop zij betrekking hebben;
  5. een opgave van de sancties die de gerechtigde en de personen te zijnen laste hebben opgelopen.
  Dat dossier bevat ook alle bescheiden betreffende de hoedanigheid van rechthebbende van de gerechtigheid en van de personen ten zijnen laste. Het dossier wordt bewaard in het ziekenfonds of in de gewestelijke dienst.
  Alle geneeskundige inlichtingen met betrekking tot de gerechtigde en personen te zijnen laste worden door de adviserend [1 arts]1 in een bijzonder dossier bewaard.
  De verzekeringsinstelling moet uiterlijk op (1 december) van elk jaar, aan de gerechtigden die niet voldoen aan de bepalingen om vanaf (1 januari) verder recht te hebben op de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging, een formulier richten waarop melding wordt gemaakt van de ontbrekende bijdragebescheiden en/of de achterstallige persoonlijke bijdragen. <KB 1997-12-29/30, art. 26, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Een kopie van dit formulier wordt bewaard in het dossier van de gerechtigde.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Afdeling II. - Mutaties.

  Art. 255.De individuele mutatie bestaat in het overgaan van een gerechtigde naar een andere verzekeringsinstelling dan die waarbij hij was ingeschreven.
  [1 Ze mag geschieden de eerste dag van elk kalenderkwartaal.]1
  [1 De overgang van een verzekeringsinstelling naar een andere verzekeringsinstelling dient plaats te vinden onder de in de artikelen 257 tot 274 gestelde voorwaarden.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-07-19/44, art. 1, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 256.Artikel 255, eerste lid, is niet van toepassing op de gerechtigden die de hoedanigheid van rechthebbende van de sociale werken van [1 NMBS holding]1 verkrijgen of verliezen en die in deze hoedanigheid moeten ingeschreven worden of ingeschreven zijn bij de [2 Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding]2. In deze gevallen geldt de inschrijving bij de verzekeringsinstelling vanaf de datum waarop de voornoemde gerechtigden hun nieuwe hoedanigheid bekomen.
  De nodige inlichtingen voor de samenstelling van het dossier dienen nochtans aan de nieuwe verzekeringsinstelling te worden toegezonden overeenkomstig artikel 261, tweede lid.
  ----------
  (1)<KB 2013-07-19/44, art. 2, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<KB 2004-10-18/32, art. 38; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Art. 257.[1 De gerechtigde die naar een andere verzekeringsinstelling wenst over te gaan, moet daartoe een aanvraag om mutatie indienen bij de verzekeringsinstelling waarbij hij wenst zich te laten inschrijven of aansluiten. Daarvoor vult hij een formulier aanvraag om mutatie in dat hem door de nieuwe verzekeringsinstelling wordt uitgereikt.
   De verzekerde moet op duidelijke en ondubbelzinnige wijze worden geïnformeerd dat hij de aanvraag om mutatie kan intrekken bij zijn vroegere verzekeringsinstelling tot op de laatste werkdag voor de mutatiedatum.
   De intrekking van de aanvraag om mutatie van de verzekerde wordt binnen de 10 werkdagen door de vroegere verzekeringsinstelling medegedeeld aan de nieuwe verzekeringsinstelling en wordt tevens meegedeeld aan de Dienst voor administratieve controle.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-07-19/44, art. 3, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 258.De nieuwe verzekeringsinstelling verzendt de aanvraag om mutatie aan de vroegere verzekeringsinstelling uiterlijk de 5e van de maand voor die met ingang waarvan de mutatie wordt aangevraagd. Is de 5e een zaterdag, een zondag of een feestdag, dan moet het formulier de eerste daaropvolgende werkdag verzonden worden.
  [1 De aanvragen om mutatie worden ofwel ter post aangetekend gezonden, ofwel met een elektronische aangetekende zending overeenkomstig artikel 4/2 van de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid.]1
  [1 De gegevens in verband met de voormelde aanvragen om mutatie worden tevens aan de Dienst voor administratieve controle overgemaakt.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-07-19/44, art. 4, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 259.[1 De vroegere verzekeringsinstelling mag de aanvraag om mutatie weigeren in de gevallen a) tot en met e). Deze laatste is verplicht om de aanvraag om mutatie te weigeren in de gevallen bedoeld onder f) tot en met h) :
   a) indien op de datum tegen welke de mutatie wordt gevraagd, geen twaalf maanden verlopen zijn sedert de datum van de inschrijving of aansluiting als gerechtigde bij de verzekeringsinstelling die hij wenst te verlaten waarbij de inschrijvingsdatum of aansluitingsdatum wordt vastgesteld met toepassing van artikel 252 of artikel 255, tweede lid;
   b) indien de gerechtigde op de datum tegen welke de mutatie wordt gevraagd, een sanctie ondergaat overeenkomstig artikel 168quinquies, § 2, van de voormelde gecoördineerde wet of indien vóór die datum te zijnen opzichte een sanctie is getroffen welke pas na die datum zal kunnen worden toegepast.
   Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de sancties waarvoor bij de uitspraak uitstel is verleend;
   c) indien op de aanvraag om mutatie één van volgende inlichtingen ontbreekt : naam, voornaam, identificatienummer sociale zekerheid of bij gebreke hieraan de geboortedatum, benaming van de nieuwe verzekeringsinstelling en mutatiedatum;
   d) indien de aanvraag om mutatie niet is gezonden binnen de in artikel 258 gestelde termijn;
   e) indien de gerechtigde op de datum waarvoor de mutatie werd gevraagd, bij zijn vroegere verzekeringsinstelling een schuld heeft voortvloeiend uit de bepalingen van de voormelde gecoördineerde wet.
   Het bedrag van de schuld en de omschrijving ervan, wordt vermeld op de in artikel 260 bedoelde kennisgeving.
   De mutatie moet evenwel worden toegestaan indien de nieuwe verzekeringsinstelling het volle verschuldigde bedrag aan de vroegere verzekeringsinstelling betaalt uiterlijk de dag van de mutatie en binnen een termijn van twintig werkdagen te rekenen vanaf de mutatiedatum aan de vroegere verzekeringsinstelling het bewijs levert dat de verzekerde het bedrag terugbetaald heeft;
   f) indien de gerechtigde bij verscheidene verzekeringsinstellingen tegen dezelfde datum om mutatie heeft gevraagd;
   g) indien de verzekeringsinstelling vaststelt dat de aanvraag om mutatie niet door de betrokken gerechtigde ondertekend is.
   De aanvraag om mutatie dient evenwel niet geweigerd te worden indien de gerechtigde van de aanvraag deze schriftelijk bevestigt;
   h) indien de persoon die de aanvraag om mutatie heeft aangevraagd ingeschreven is als persoon ten laste bij de vroegere verzekeringsinstelling.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-07-19/44, art. 5, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 260.[1 In de bij artikel 259, onder a) tot h) bedoelde gevallen moet de gerechtigde en de nieuwe verzekeringsinstelling van de gemotiveerde afwijzing kennis worden gegeven binnen een termijn van twintig dagen vanaf de eerste werkdag na de in artikel 258 vastgestelde datum. Die termijn wordt evenwel gerekend vanaf de datum van kennisgeving van de aanvraag om mutatie ingeval het formulier aanvraag om mutatie aan de vroegere verzekeringsinstelling wordt verzonden na de in artikel 258 vastgestelde datum.
   De gemotiveerde beslissing tot afwijzing bedoeld in het vorige lid kan ten vroegste gegeven worden vanaf de mutatiedatum.
   De beslissing tot afwijzing van de aanvraag om mutatie wordt tevens aan de Dienst voor administratieve controle overgemaakt.
   Verzuimt de vroegere verzekeringsinstelling binnen de vastgestelde termijn kennis te geven van de afwijzing, dan wordt de aanvraag om mutatie beschouwd te zijn ingewilligd.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-07-19/44, art. 6, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 261.Wordt de [1 aanvraag om mutatie]1 ingewilligd, dan wordt hiervan aan de nieuwe verzekeringsinstelling kennis gegeven binnen dezelfde termijn als die welke is bepaald in artikel 260, eerste lid.
  Die kennisgeving geschiedt door toezending van de inlichtingen die nodig zijn voor het aanleggen van het in artikel 254 bedoelde dossier, en met name van het deugdelijk ingevulde formulier dat is bedoeld in artikel 264, samen met de bijlagen erbij.
  ----------
  (1)<KB 2013-07-19/44, art. 7, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 262.
  <Opgeheven bij KB 2013-07-19/44, art. 13, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 263.[1 Bij inwilliging van de aanvraag om mutatie zal de nieuwe verzekeringsinstelling de sociale identiteitskaart actualiseren overeenkomstig artikel 253.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-07-19/44, art. 8, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 264.[1 Voor de ingewilligde mutaties, tekent de vroegere verzekeringsinstelling op het formulier " aanvraag om mutatie " alle gevraagde inlichtingen op met betrekking tot de toestand van de gerechtigde ten aanzien van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen met inbegrip van de vermelding van een sanctie met uitstel welke tegen hem is uitgesproken.
   Het aldus ingevulde en ondertekende formulier wordt binnen de in artikel 260, eerste lid, bepaalde termijn aan de nieuwe verzekeringsinstelling gezonden.
   De gegevens in verband met de ingewilligde mutaties worden tevens aan de Dienst voor administratieve controle overgemaakt.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-07-19/44, art. 9, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 265.
  <Opgeheven bij KB 2013-07-19/44, art. 13, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 266.
  <Opgeheven bij KB 2013-07-19/44, art. 13, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 267.
  <Opgeheven bij KB 2013-07-19/44, art. 13, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 268.[1 Wanneer een verzekeringsinstelling kennis heeft van een mogelijke onregelmatige mutatie, waaronder elke mutatie moet worden verstaan die niet geschied lijkt te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling, deelt ze zulks mede aan de Dienst voor administratieve controle, die bevoegd is om zich uit te spreken over de onregelmatigheid van de mutatie.]1
  Wordt die mededeling gedaan binnen de termijn van een jaar na de datum van de onregelmatige mutatie, dan stelt de Dienst voor administratieve controle de rechthebbende en de twee betrokken verzekeringsinstellingen [1 ofwel ter post aangetekend, ofwel met een elektronische aangetekende zending overeenkomstig artikel 4/2 van de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid,]1 ervan in kennis dat de [1 aansluiting of inschrijving]1 bij de nieuwe verzekeringsinstelling niet geldig is.
  De storting van de bijdragen met betrekking tot de in artikel 276 bedoelde bescheiden welke de rechthebbende heeft afgegeven bij de nieuwe verzekeringsinstelling waarbij hij zich onregelmatig had ingeschreven, alsmede de persoonlijke bijdragen welke hij haar heeft betaald, blijven ten bate van die instelling. De gedurende het tijdvak van onregelmatige inschrijving toegekende prestaties blijven ten laste van de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend. Alle verbintenissen van die instelling met betrekking tot prestaties welke nog niet zijn uitgevoerd op de datum van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving, zijn nietig.
  Alle na de datum van de kennisgeving in artikel 276 bedoelde afgegeven bescheiden en betaalde persoonlijke bijdragen worden overgedragen aan de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende regelmatig ingschreven blijft. De na die datum toegekend prestaties blijven ten laste van de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend.
  ----------
  (1)<KB 2013-07-19/44, art. 10, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 269.[1 De bewijslast van de verzending van die bescheiden of gegevens, die overeenkomstig deze afdeling door de verzekeringsinstelling moeten worden verzonden, wordt gedragen door de verzekeringsinstelling die met die verzending gelast is.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-07-19/44, art. 11, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 270.
  <Opgeheven bij KB 2013-07-19/44, art. 13, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 271.In geval van mutatie komen de geneeskundige verstrekkingen waarvoor de adviserend [1 arts]1 vooraf toestemming heeft verleend, doch welke op de datum van de mutatie nog niet zijn verricht, voor rekening van de nieuwe verzekeringsinstelling die geen nieuwe voorafgaande toestemming mag eisen.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 272. De overgang van een gerechtigde van een ziekenfonds naar een andere van dezelfde landsbond of van een gewestelijke dienst naar een andere, valt niet onder toepassing van het bepaalde in de artikelen 255 tot 271, doch alle inlichtingen vereist voor het aanleggen van het in artikel 254 bedoelde dossier moeten aan het nieuwe ziekenfonds of aan de nieuwe gewestelijke dienst worden verstrekt.

  Art. 273. De bepalingen betreffende de individuele mutaties zijn eveneens van toepassing op de rechthebbende op een pensioen of een rente krachtens een buitenlandse wetgeving, op de seizoenarbeiders en de grensarbeiders die hun hoofdverblijfplaats in België hebben en in het buitenland arbeiden en die krachtens het bepaalde in een verdrag of verordening inzake sociale zekerheid recht hebben op geneeskundige verstrekkingen.

  Art. 274.[1 De Dienst voor administratieve controle bepaalt op welke wijze en tijdstippen de gegevensuitwisselingen verlopen die voortvloeien uit de bepalingen van deze afdeling.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-07-19/44, art. 12, 204; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 275. In geval van gezamenlijke mutatie, ontbinding of samensmelting van ziekenfondsen in toepassing van de bepalingen van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, mogen hun aangeslotenen individueel om hun inschrijving bij een andere verzekeringsinstelling verzoeken waarbij de in de artikelen 255 tot 274 gestelde voorwaarden niet in acht moeten worden genomen. De inlichtingen nodig voor het aanleggen van het in artikel 254 bedoelde dossier, moeten evenwel door de vroegere verzekeringsinstelling aan de nieuwe worden verstrekt.

  Afdeling III. - Bijdragebescheiden en documenten aan de hand waarvan de hoedanigheid van gerechtigde wordt vastgesteld.

  Art. 276.§ 1. Worden voor de toepassing van de gecoördineerde wet als bijdragebescheiden beschouwd:
  1. de bijdragebon en het bewijs van leerovereenkomst voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst;
  2. de bijdragebon "arbeidsongeval";
  3. de bijdragebon "beroepsziekte";
  4. het bewijs van werkloosheid;
  5. het bewijs van huishoudelijke arbeid;
  6. de in artikel 248 bedoelde bewijsstukken op voorwaarde dat de bijdrage met betrekking tot de periode van voortgezette verzekering betaald is;
  7. het bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering;
  [2 8. het bewijs van rechthebbende op een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]2
  De in artikel 282 bedoelde bewijzen van sociaal verzekerde milicien en van sociaal verzekerde gewetensbezwaarde worden met een bijdragebescheid gelijkgesteld.
  De in artikel 282 bedoelde verklaring dat betrokkene een volle wees is en recht geeft op kinderbijslag en de verklaring dat betrokkene een volle wees is die recht heeft op de inkomensvervangende tegemoetkoming wordt gelijkgesteld met een bijdragebescheid.
  Dit geldt eveneens voor de in artikel 282 bedoelde verklaring waarop de behandelende [4 arts]4 de vermoedelijke bevallingsdatum vermeldt voor de in artikel 32, eerste lid, 4°, van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde alsmede voor het in artikel (130), § 1, bedoelde document met betrekking tot de wachttijd. <KB 1997-12-29/30, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  (De documenten bedoeld in §§ 3 tot 8 worden gelijkgesteld met de bijdragebescheiden.) <KB 2008-07-01/34, art. 19, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  § 2. De hoedanigheid van gerechtigheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, 3°, 5° en 6° van de gecoördineerde wet wordt vastgesteld aan de hand van de in § 1 bedoelde bijdragebescheiden.
  De in artikel 32, eerste lid, 7°, 8° en 9 van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden bewijzen hun hoedanigheid van gerechtigde door een bewijs van rechthebbende op de in die bepalingen bedoelde voordelen. Het bewijs wordt opgemaakt door de instantie belast met de uitbetaling van die voordelen.
  De personen die voor het eerst de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, 3°, (16° en 20°) van de gecoördineerde wet verkrijgen (met uitzondering van de personen bedoeld in §§ 5 of 6,) en in voorkomend geval in die hoedanigheid bijdragebescheiden ontvangen die jaarlijks worden opgemaakt, alsmede de personen die voor het eerst de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet verkrijgen, doen van hun hoedanigheid van gerechtigde blijken door overlegging van één van de volgende documenten: <KB 1997-12-29/30, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 19, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  - voor de in artikel 32, eerste lid, 1°, bedoelde gerechtigden alsmede voor diegenen bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, een verklaring van de werkgever dat de gerechtigde een werknemer is, onderworpen aan één of beide sectoren van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen krachtens de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of een werknemer onderworpen aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers of ermee gelijkgestelden;
  - voor de in artikel 32, eerste lid, 3°, bedoelde gerechtigden, alsmede voor diegenen bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, c), van de gecoördineerde wet, een verklaring uitgaande van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, dat de gerechtigde zich in gecontroleerde werkloosheid bevindt;
  - voor de in artikel 32, eerste lid, (16°), van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden, (met uitzondering van de personen bedoeld in §§ 5 of 6,) een uittreksel van de overlijdensakte of een attest dat betrokkene gerechtigd is op een overlevingspensioen opgemaakt door de instantie belast met de uitbetaling van het overlevingspensioen; voor de hier bedoelde gerechtigde die zich in die hoedanigheid bij een andere verzekeringsinstelling aansluit, een verklaring van de vroegere verzekeringsinstelling omtrent de laatste hoedanigheid van de overleden echtgenoot of echtgenote; <KB 1997-12-29/30, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 19, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  - voor de in artikel 32, eerste lid, (20°), van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden, een verklaring afgeleverd door de instantie die de kinderbijslag uitbetaalt, dat betrokkenen een volle wees is en recht geeft op kinderbijslag of een attest afgeleverd door het Ministerie van Sociale zaken dat betrokkene een minder-valide volle wees is die in het genot is van een inkomensvervangende tegemoetkoming als bedoeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming (aan personen met een handicap). <KB 1997-12-29/30, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 19, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (Op voorstel van de Dienst voor administratieve controle stelt de Minister die de Sociale Voorzorg onder zijn bevoegdheid heeft, de modaliteiten vast waaronder de hoedanigheid van gerechtigde, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 12° tot 15° van de gecoördineerde wet, en zoals nader omschreven in de artikelen 128bis tot 128quinquies, moet bewezen worden.) <KB 1997-12-29/30, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  [5 § 2/1. De personen die voor het eerst de hoedanigheid van gerechtigde, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 11°quinquies, en 11°sexies van de gecoördineerde wet, verkrijgen, bewijzen hun hoedanigheid van gerechtigde door een attest dat uitgereikt wordt door de Overzeese Sociale Zekerheid van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
   Voor de wezen die genieten van de uitgestelde verzekering voor geneeskundige verzorging van de overzeese sociale zekerheid, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 11°sexies van de gecoördineerde wet, wordt de hoedanigheid van gerechtigde met betrekking tot elk verstreken kalenderjaar bewezen door een attest dat uitgereikt wordt door de Overzeese Sociale Zekerheid van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.]5
  (§ 3. Voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°bis, van de gecoördineerde wet, wordt de hoedanigheid van gerechtigde bewezen door de mededeling aan hun verzekeringsinstelling van de gegevens betreffende de vervulling van de bijdrageplicht met betrekking tot elk verstreken kalenderjaar door de Vrije Sociale Verzekeringskas of door de Nationale Hulpkas waarbij zij met toepassing van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 zijn aangesloten.
  De personen die voor het eerst de voormelde hoedanigheid van gerechtigde verkrijgen, bewijzen hun hoedanigheid van gerechtigde door middel van de gegevens die worden meegedeeld door de voormelde kassen binnen de maand na de aansluiting en waaruit blijkt dat deze personen met toepassing van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 onderworpen zijn aan de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit. [3 Voor de sector geneeskundige verzorging worden die gegevens echter meegedeeld door de voornoemde kassen binnen de maand die volgt op hetzij de betaling van de eerste sociale kwartaalbijdrage die verschuldigd is krachtens artikel 13bis van het koninklijk besluit nr.38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, hetzij de verkrijging van een vrijstelling van bijdrage voor die eerste sociale kwartaalbijdrage, in toepassing van artikel 17 van hetzelfde besluit, en er blijkt uit dat deze personen met toepassing van hetzelfde besluit onderworpen zijn aan de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, en dat ze de eerste sociale kwartaalbijdrage die verschuldigd is hebben betaald of daarvan werden vrijgesteld.]3
  Ingeval de gerechtigde zijn zelfstandige activiteit beëindigt, delen de voormelde kassen dit feit en de gegevens betreffende de vervulling van de bijdrageplicht mee aan de verzekeringsinstelling binnen de maand na het laatste kwartaal waarin het voormelde koninklijk besluit nr. 38 op hem van toepassing was.
  Wanneer een gerechtigde met toepassing van artikel 22 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 volledige vrijstelling van bijdragebetaling heeft gekregen, wordt dit gegeven vermeld als één van de gegevens die door de Sociale Verzekeringskassen worden meegedeeld.
  § 4. De bepalingen van § 3 zijn van toepassing op de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis, 6°ter en 11°quater van de gecoördineerde wet. De personen die de bepalingen van artikel 32, eerste lid, 6°ter genieten, worden echter geacht hun bijdrageplicht te hebben vervuld tijdens de daarin vastgestelde periode.
  § 5. [1 De gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 11° bis en 11° ter van de gecoördineerde wet, en de personen die gerechtigden zijn krachtens artikel 32, eerste lid, 16°, omdat zij weduwen of weduwnaars zijn van een zelfstandige, bewijzen hun hoedanigheid van gerechtigde door een verklaring die hun wordt afgeleverd door het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen.]1
  § 6. Voor de zelfstandigen die onder de voorwaarden, vastgesteld krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen van zelfstandigen, hun beroepsbezigheid hebben onderbroken wegens ziekte of invaliditeit en die in die hoedanigheid hun rechten vrijwaren met toepassing van dezelfde wetgeving, wordt de hoedanigheid van gerechtigde bewezen door de mededeling van het bezit ervan door het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen aan hun verzekeringsinstelling.
   [1 Voor de zelfstandigen die genieten van een gelijkstelling krachtens artikel 37bis van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, wordt de hoedanigheid van gerechtigde bewezen door de mededeling van het bezit ervan door het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen aan hun verzekeringsinstelling.]1.
  § 7. [1
  ]1.
  § 8. De gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 21°, van de gecoördineerde wet, bewijzen dat ze de hoedanigheid van gerechtigde bezitten door de afgifte van een getuigschrift dat hun door hun geestelijke overheid wordt bezorgd.
  Dat getuigschrift wordt door de gerechtigde aan zijn verzekeringsinstelling bezorgd.
  De persoon die de voormelde hoedanigheid van gerechtigde niet meer bezit, bezorgt aan de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten of ingeschreven, een document dat het verlies van die hoedanigheid bevestigt en dat wordt afgeleverd door de geestelijke overheid waarvan hij afhing.
  § 9. De Ministers, bevoegd voor het sociaal statuut van de zelfstandigen en sociale zaken, stellen gezamenlijk de wijze vast waarop de gegevens, bedoeld in §§ 3 tot 6, worden opgemaakt en overgezonden, en stellen eveneens de termijn vast voor de overzending van deze gegevens. Ingeval de zelfstandigen, bedoeld in §§ 3 tot 6, niet zijn aangesloten bij een verzekeringsinstelling of indien de gegevensoverdracht buiten de gerechtigde om niet mogelijk blijkt, worden de gegevens, bedoeld in de voormelde bepalingen, aan de betrokken zelfstandigen bezorgd, die ze binnen één maand na ontvangst ervan aan de verzekeringsinstelling bezorgen waarbij ze zich aansluiten.) <KB 2008-07-01/34, art. 19, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  ----------
  (1)<KB 2012-09-06/01, art. 1, 190; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<KB 2014-05-22/39, art. 2, 220; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<KB 2016-03-13/11, art. 2, 240; Inwerkingtreding : 01-04-2016>
  (4)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>
  (5)<KB 2019-05-02/08, art. 2, 278; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 277.§ 1. (1° De Rijksdienst voor sociale zekerheid en de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten delen voor elk refertejaar voor de bij hen aangesloten werkgevers aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens van de werknemer en de verzekerbaarheidsgegevens, bedoeld bij § 3, 1°, mede.
  2° De Rijksdienst voor sociale zekerheid deelt voor elk refertejaar aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens mede van de persoon aan wie een vergoeding, bijslag, rente of kapitaal verschuldigd is krachtens de wetgeving betreffende de vergoeding van de schade voortspruitende uit arbeidsongevallen en die onder toepassing valt van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, evenals de verzekerbaarheidsgegevens bedoeld bij § 3, 2°.
  3° De Rijksdienst voor sociale zekerheid deelt voor elk refertejaar aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens mede van de persoon aan wie een vergoeding, tegemoetkoming of rente verschuldigd is krachtens de wetgeving op schadeloosstelling inzake beroepsziekten en die onder toepassing valt van het koninklijk besluit van 18 januari 1964 tot regeling van de wijze van inning en verdeling van de sociale verzekeringsbijdragen verschuldigd door de door beroepsziekten getroffenen die gerechtigd zijn op de wet van 24 december 1963 betreffende de schadeloosstelling voor en de voorkoming van beroepsziekten, evenals de verzekerbaarheidsgegevens bedoeld bij § 3, 2°.
  Indien de elektronische gegevensoverdracht bedoeld in de punten 1° tot 3° niet mogelijk blijkt of indien de werknemer, het slachtoffer van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte niet aangesloten of ingeschreven is bij een verzekeringsinstelling, stuurt de Rijksdienst voor sociale zekerheid of de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten binnen de twee weken nadat de onmogelijkheid werd vastgesteld om de bijdragebon op electronische wijze te versturen, een papieren bijdragebon hetzij aan de werkgever, [1 hetzij aan Fedris,]1 hetzij aan de verzekeringsonderneming gemachtigd inzake de arbeidsongevallen die op hun beurt de bijdragebon binnen de twee weken aan de werknemer, het slachtoffer van het arbeidsongeval of aan het slachtoffer van de beroepsziekte bezorgen.) <KB 1998-06-04/38, art. 1, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  § 2. (Opgeheven) <KB 2001-07-10/35, art. 1, 062; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  § 3. (1° De bijdragebon bedoeld in § 1, 1° vermeldt voor elk kwartaal van het refertejaar het loon waarop de bijdrage voor de uitkeringsverzekering en/of de bijdrage voor de geneeskundige verzorgingsverzekering wordt ingehouden, alsook het tijdvak waarop dit loon betrekking heeft zoals die begrippen respectievelijk in de reglementering inzake sociale zekerheid voor werknemers en in de reglementering inzake sociale zekerheid voor mijnwerkers en ermee gelijkgestelden omschreven zijn. Voor het opmaken van de bijdragebon wordt het loon beperkt tot de uitkomst van de vermenigvuldiging van het maximum dagloon met het aantal arbeidsdagen. Het maximum dagloon is vastgesteld op (143,43 EUR) voor de voltijds tewerkgestelde werknemers die volgens de vijfdagenweekregeling zijn tewerkgesteld en op (119,52 EUR) voor de voltijdse werknemers tewerkgesteld in een andere regeling, de deeltijds tewerkgestelden, de seizoenarbeiders en de arbeiders bij tussenpozen; die bedragen zijn gekoppeld (aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)) en worden vanaf 1987 jaarlijks op 1 januari aangepast aan het spilindexcijfer dat is bereikt op 1 juli van het voorgaande jaar. <KB 2001-12-11/45, art. 17, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  De bijdragebon vermeldt voor elk kwartaal van het refertejaar eveneens het aantal arbeidsdagen, zoals omschreven in artikel 203 en het aantal dagen gedekt door de vergoeding betaald tijdens de tweede week van het gewaarborgd loon; voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers vermeldt de bijdragebon voor elk kwartaal bovendien het aantal arbeidsuren.
  De bijdragebon vermeldt eveneens voor de vier kwartalen, van het refertejaar de totale som van het loon, het totale aantal arbeidsdagen, het totale aantal dagen gedekt door de vergoeding betaald tijdens de tweede week van het gewaarborgd loon en, in voorkomend geval, het totale aantal arbeidsuren.
  Het bewijs van leerovereenkomst voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst wordt door de werkgever uitgereikt binnen de twee maanden na het einde van het refertejaar of binnen de twee maanden na het einde van de leerovereenkomst. Dit bewijs vermeldt, voor elk kwartaal van het refertejaar het aantal arbeidsdagen en -uren. Het vermeldt tevens het totale aantal arbeidsdagen en -uren voor de vier kwartalen samen van het refertejaar.
  2° De bijdragebon bedoeld in § 1, 2° en 3° vermeldt met name, voor elk kwartaal van het kalenderjaar, de aard van de schadeloosstelling, het bedrag van die schadeloosstelling waarop de bijdrage voor geneeskundige verzorging en uitkeringen moet worden ingehouden, het tijdvak waarop ze betrekking heeft, alsmede de graad van ongeschiktheid.
  Die bijdragebon vermeldt tevens het bedrag van de schadeloosstelling voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.) <KB 1998-06-04/38, art. 1, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  ----------
  (1)<KB 2018-09-06/13, art. 44, 269; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 278. (...) (Opgeheven) <KB 2001-07-10/35, art. 1, 062; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  (Indien de procedure voorzien bij artikel 277, § 1, niet kan worden toegepast, maakt de Dienst voor administratieve controle, op verzoek van de verzekeringsinstellingen en op voorwaarde dat voldoende bewijsmateriaal wordt voorgelegd, de ontbrekende gegevens over aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid of aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, die deze gegevens volgens de in artikel 277, § 1, bepaalde procedure aan de verzekeringsinstellingen overzenden.) <KB 1997-06-12/36, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  (De Dienst voor administratieve controle kan daarenboven aan de verzekeringsinstelling een verklaring sturen die geldt als voorlopige bijdragebon. Aan de hand van deze verklaring en rekening houdend met de andere verzekerbaarheidsgegevens, mag de verzekeringsinstelling aan de betrokken werknemer een voorlopige verzekerbaarheid toekennen waarvan de geldigheidsduur bepaald is door de Dienst voor administratieve controle.) <KB 2001-07-10/35, art. 2, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (lid 4 opgeheven) <KB 1998-06-04/38, art. 2, 2°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>

  Art. 279. (Opgeheven) <KB 1998-06-04/38, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>

  Art. 280. (Opgeheven) <KB 1998-06-04/38, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>

  Art. 281.§ 1. De Rijksdienst voor arbeidsvoorziening deelt voor elk refertejaar aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens van de werklozen en de verzekerbaarheidsgegevens mee bedoeld in derde en vierde lid.
  Wanneer het electronisch doorsturen van de gegevens onmogelijk blijkt of wanneer de werkloze niet bij een verzekeringsinstelling aangesloten of ingeschreven is, bezorgt de met de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen belaste instelling binnen twee weken na de vaststelling van de onmogelijkheid om de gegevens inzake de werkloosheid langs electronische weg door te sturen, een papieren bewijs van werkloosheid aan de werkloze.
  Het bewijs van werkloosheid vermeldt met name voor elk kwartaal van het kalenderjaar het aantal dagen gecontroleerde werkloosheid, het aantal wettelijke vakantiedagen en het tijdvak waarop die dagen betrekking hebben.
  Dat bewijs vermeldt tevens het aantal dagen gecontroleerde werkloosheid en het aantal wettelijke vakantiedagen voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.
  § 2. Aan de werkloze die een einde maakt aan zijn werkloosheid en door toedoen van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening huishoudelijke arbeid aanvaardt, reikt die dienst binnen de twee maanden na het einde van elk kalenderjaar, eventueel via de werkgever, het bewijs van huishoudelijke arbeid uit.
  Dat bewijs vermeldt met name, voor elk kwartaal van het kalenderjaar, het aantal dagen huishoudelijke arbeid en het tijdvak waarop die dagen betrekking hebben.
  Dat bewijs vermeldt tevens het aantal dagen huishoudelijke arbeid voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.
  § 3. (Voor de werknemers die een onderbrekingsuitkering genieten bedoeld bij artikel 6 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, of bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 februari 1991 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan in de besturen en de andere diensten van de ministeries, of bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psychomedisch-sociale centra, of bij artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 27 november 1985 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan voor de leden van het administratief, gespecialiseerd, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de universitaire instellingen, deelt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor elk refertejaar aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens van de betrokken werknemers en het tijdvak waarvoor zij een onderbrekingsuitkering genoten hebben, mee.
  Wanneer het electronisch doorsturen van de gegevens onmogelijk blijkt of wanneer de werknemer die een onderbrekingsuitkering geniet niet bij een verzekeringsinstelling aangesloten of ingeschreven is, bezorgt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening binnen twee weken na de vaststelling van de onmogelijkheid om de gegevens inzake de loopbaanonderbreking langs electronische weg door te sturen, een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering aan de werknemer.
  Dit bewijs vermeldt voor het kalenderjaar het tijdvak waarover de werknemer de in het 1e lid bedoelde onderbrekingsuitkering ontvangen heeft.) <KB 1997-06-12/36, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  (§ 4. Aan de militair die een onderbrekingsuitkering geniet, bedoeld bij artikel 3, § 3bis, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, reikt het Ministerie van Landsverdediging binnen twee maanden na het einde van elk kalenderjaar gedurende hetwelk hij een onderbrekingsuitkering heeft genoten, een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering uit.
  Dat bewijs vermeldt, voor het kalenderjaar, het tijdvak waarover de werknemer de in het eerste lid bedoelde onderbrekingsuitkering heeft genoten.) <KB 1998-04-16/49, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 20-08-1997>
  [1 § 5. Voor de werknemers die een ontslagcompensatievergoeding genieten, als bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, deelt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens van de betrokken werknemers mee, evenals het tijdvak waarover zij de ontslagcompensatievergoeding genieten en het bedrag van die vergoeding.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-05-22/39, art. 3, 220; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 282.(vier leden opgeheven) <KB 1997-12-29/30, art. 28, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  De instantie die de kinderbijslag uitbetaalt reikt de volle wees binnen de twee maanden na het einde van elk kalenderjaar een verklaring uit dat de gerechtigde een volle wees is die gerechtigd is op kinderbijslag. De verklaring vermeldt de periode uit het beschouwde kalenderjaar waarvoor de kinderbijslag werd betaald.
  De minder-valide volle wees die een inkomensvervangende tegemoetkoming geniet in toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, wordt gelijkgesteld met de volle wees die kinderbijslag geniet.
  Het Ministerie van Sociale zaken reikt de hiervoor bedoelde mindervalide volle wees. binnen de tabee maanden na het einde van elk kalenderjaar een verklaring uit dat de gerechtigde een volle wees is die gerechtigd is op een inkomensvervangende tegemoetkoming.
  Die verklaring vermeldt de periode uit het beschouwde kalenderjaar waarover de inkomensvervangende tegemoetkoming werd verleend.
  Die verklaringen moeten bij de verzekeringsinstelling worden afgegeven binnen de drie maanden na het kalenderjaar waarop ze betrekking hebben.
  De in artikel 32, eerste lid, 4°, van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde is ertoe gehouden ten bewijze van haar toestand een verklaring over te leggen waarop haar behandelende [1 arts]1 de vermoedelijke bevallingsdatum vermeldt. Deze verklaring moet bij de verzekeringsinstelling worden afgegeven binnen de dertig dagen na de aanvangsdatum van de in het voormelde artikel 32, eerste lid, 4°, bedoelde rust wegens zwangerschap.
  ----------
  (1)<KB 2018-06-27/06, art. 7, 267; Inwerkingtreding : 19-07-2018>

  Art. 283. Bij de aanvang van elk in artikel 32, eerste lid, 6°, van de gecoördineerde wet bedoeld tijdvak van voortgezette verzekering, maakt de verzekeringsinstelling een getuigschrift van voortgezette verzekering op, op basis van de door de betrokkene overgelegde bewijzen tot staving dat hij in de in artikel 247 gestelde voorwaarden verkeert.

  Afdeling IV. - Afgifte van de bijdragebescheiden.

  Art. 284.<KB 1998-06-04/38, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998> In afwijking van het tweede en derde lid moeten de bijdragebescheiden bedoeld bij artikel 276, § 1, 1 tot en met 5 en 7, door de gerechtigden aan hun verzekeringsinstelling worden afgegeven binnen de dertig dagen na uitreiking van die documenten.
  De verzekerbaarheidsgegevens afgeleid uit de driemaandelijkse aangiften van de werkgevers, [1 van Fedris en van]1 de verzekeringsonderneming gemachtigd inzake de arbeidsongevallen [1 ...]1 aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid en de driemaandelijkse aangiften van de werkgevers aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en de verzekerbaarheidsgegevens bedoeld in artikel 281, § 1 en § 3, worden elektronisch naar de verzekeringsinstellingen doorgestuurd, door de voormelde instellingen uiterlijk op 20 maart van het jaar na dat waarop de gegevens betrekking hebben.
  De werknemers die een papieren bijdragebon hebben ontvangen van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening of de met de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen belaste instellingen, moeten dit bijdrage- bescheid binnen de maand na ontvangst aan hun verzekeringsinstelling afgeven.
  ----------
  (1)<KB 2018-09-06/13, art. 45, 269; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 285. Onverminderd de bepalingen van artikel 284 is de verzekeringsinstelling gehouden tot aanvaarding van de buiten de in bedoeld artikel gestelde termijn overgelegde bijdragebescheiden.

  Afdeling V. - Minimumwaarde van de bijdragebescheiden voor de sector geneeskundige verzorging en de sector uitkeringen.

  Art. 286.(De minimumwaarde welke de bijdragebescheiden moeten bereiken is gelijk aan het produkt van de vermenigvuldiging van de hierna vastgestelde jaarlijkse lonen met de som van de hoegrootheden der bijdragen voor sociale zekerheid, bestemd voor de sector geneeskundige verzorging en, desgevallend, voor de sector uitkeringen van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, respectievelijk voor de handarbeiders, de hoofdarbeiders en de mijnwerkers :
  21 jaar en ouder...
  vier maal het bedrag van het gemiddeld minimum maandinkomen dat wordt gewaarborgd door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 die is gesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988;
  jonger dan 21 jaar...
  drie vierden van het bedrag dat in aanmerking moet worden genomen voor de leeftijdsschijf boven de 21 jaar.) <KB 1997-12-29/30, art. 30, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  De minimumwaarde die de gerechtigde dient te bewijzen is deze voor de leeftijdscategorie waartoe hij behoort bij het begin van het kalenderjaar of deze waaraan hij beantwoordt op het ogenblik van zijn inschrijving. De aanpassing van het gewaarborgd gemiddelde minimum maandinkomen aan het prijsindexcijfer in de loop van een kalenderjaar heeft, voor het bepalen van de minimumwaarde die moet bewezen worden, slechts uitwerking op 1 januari die volgt op de toepassing ervan.
  Nochtans worden voor de minder-validen die in de beschutte werkplaatsen zijn tewerkgesteld de in aanmerking te nemen jaarlijkse lonen aldus vastgesteld :

  
21 jaar en ouder80 400
19 en 20 jaar64 800
17 en 18 jaar48 000
jonger dan 17 jaar40 800


  De minimumwaarde die moet bereikt worden voor het tijdvak bedoeld bij [1 artikel 116/1, § 1, of artikel 121, § 2,]