J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 7 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1991/05/03/1991014110/justel

Titel
3 MEI 1991. - Koninklijk besluit houdende regeling van de beveiliging van de burgerluchtvaart. Zie wijziging(en)

Bron :
VERKEERSWEZEN
Publicatie : 28-05-1991 nummer :   1991014110 bladzijde : 11636
Dossiernummer : 1991-05-03/33
Inwerkingtreding :
28-05-1991
01-01-1993 (ART. 27,L1)     (ART. 28(A56))     (ART. 30 - ART. 31(A56))
01-01-1996 (ART. 21 - ART. 26(A55))


Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1990014342        1990014146        1990014097        1970021303       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Definities.
Art. 1
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied.
Art. 2
HOOFDSTUK III. - Luchtvaartterreinen en hun aanhorigheden.
Art. 3-19
HOOFDSTUK IV. - Luchthavengebouwen voor passagiers.
Art. 20-35
HOOFDSTUK V. - De luchtvaartmaatschappijen met een Belgische machtiging, exploitatievergunning of thuishaven.
Art. 36-49
HOOFDSTUK VI. - Incidenten inzake de beveiliging.
Art. 50-52
HOOFDSTUK VII. - Algemene bepalingen.
Art. 53-54
HOOFDSTUK VIII. - Overgangs- en slotbepalingen.
Art. 55-59

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Definities.

  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder :
  Luchtvaartterrein : Bepaald gebied op het land of op het water (eventueel gebouwen, installaties en materieel omvattend), dat bestemd is om geheel of gedeeltelijk te worden gebruikt voor de aankomst, het vertrek en de verplaatsingen op de grond van luchtvaartuigen.
  Luchtzijde : Bewegingsterrein van een luchtvaartterrein en het geheel of een gedeelte van de aangrenzende terreinen en gebouwen waartoe de toegang gekontroleerd is.
  Veiligheidskontrole : Maatregelen waardoor het binnenbrengen kan voorkomen worden van wapens of goederen die kunnen gebruikt worden om wederrechtelijke daden te stellen.
  Toegangskontrole : Controle bij wijze van identificatiebadges, toegangsbewijzen, magneetkaarten of andere electronisch gecodeerde kaarten.
  Beveiliging : Geheel van maatregelen evenals menselijke en materiële middelen bestemd om de burgerlijke luchtvaart te beveiligen tegen wederrechtelijke daden.
  Transferpassagiers : Passagiers met direkte aansluitingen tussen twee verschillende vluchten.
  Transitpassagiers : Passagiers die van een luchtvaartterrein vertrekken met dezelfde vlucht als deze waarop zij aangekomen zijn.
  Steriele zone : Zone van de luchtzijde van een luchthavengebouw voor passagiers, enkel toegankelijk voor vertrekkende, transfer- en transitpassagiers en personen met een toelating, die allen een veiligheidskontrole ondergaan hebben.
  Platform : Bepaald gebied van een luchtvaartterrein, niet toegankelijk voor het publiek en bestemd voor de luchtvaartuigen tijdens het in- of ontschepen van passagiers, het laden of lossen van post of vracht, het tanken van brandstof, het parkeren of het verrichten van onderhoudswerkzaamheden.
  Chek-in : Procedure bestaande uit het zich melden bij een balie van een luchtvaartmaatschappij of van een afhandelingsmaatschappij teneinde toegelaten te worden tot een bepaalde vlucht.
  Handbagage : Alle voorwerpen in het persoonlijk bezit van passagiers, bestemd om meegenomen te worden in de passagiersruimte van een luchtvaartuig.
  Bagage : Alle voorwerpen van passagiers, andere dan handbagage.
  Beveiligingsprogramma : Maatregelen aangenomen teneinde de burgerlijke luchtvaart te beveiligen tegen wederrechterlijke daden.

  HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied.

  Art. 2. Dit besluit is van toepassing op de luchtvaartterreinen en hun aanhorigheden van Antwerpen-Deurne, Brussel-Nationaal, Charleroi-Gosselies, Luik-Bierset, (Oostende en Wevelgem) evenals op de luchtvaartnavigatiehulpmiddelen gelegen buiten deze luchtvaartterreinen. <KB 1994-03-17/47, art. 1; 002; Inwerkingtreding : 24-06-1994>
  Dit besluit is voor de luchtvaartmaatschappijen, die houder zijn van een machtiging tot exploitatie van geregelde luchtvaartdiensten of van een exptatievergunning voor niet geregeld luchtvervoer, afgeleverd door de Belgische luchtvaartoverheid, of die een Belgisch luchtvaartterrein als thuishaven hebben, van toepassing op het grondgebied van het Koninkrijk, op de buitenlandse luchtvaartterreinen en op de luchtvaartuigen in vlucht van de voormelde maatschappijen.

  HOOFDSTUK III. - Luchtvaartterreinen en hun aanhorigheden.

  Art. 3. De luchtzijde van de luchtvaartterreinen en hun aanhorigheden dient volledig afgesloten te zijn. De toegangen tot de luchtzijde van de luchtvaartterreinen en hun aanhorigheden dienen tot het strikte minimum beperkt te worden en zijn voorzien van een veiligheids- of toegangskontrole.
  Op voorstel van het betreffend plaatselijk veiligheidscomité, wordt voor iedere toegang tot de luchtzijde door de directeur-generaal van het Bestuur der Luchtvaart een instantie of een onderneming aangesteld belast met de toegangs- of veiligheidskontrole. Alle personen die zich naar de luchtzijde begeven worden door deze instantie of onderneming onderworpen aan de kontrole bedoeld onder het eerste lid. Dit geldt eveneens voor de goederen die door deze personen naar de luchtzijde overgebracht worden.

  Art. 4. De plannen tot beveiliging van de luchtzijde van de luchtvaartterreinen en hun aanhorigheden worden goedgekeurd door de directeur-generaal van het Bestuur der Luchtvaart na advies van het betreffend plaatselijk veiligheidscomité. Hetzelfde geldt voor de inrichting van voorzieningen op de luchtvaartterreinen die een invloed kunnen hebben op de beveiliging van de luchtvaart.

  Art. 5. De plannen tot beveiliging van de luchtvaartinfrastructuur gelegen buiten de luchtzijde van de luchtvaartterreinen, zoals verkeersleidingscentra, communicatie- en navigatiehulpmiddelen, worden goedgekeurd door de directeur-generaal van het Bestuur der Luchtvaart.

  Art. 6. Behoudens afwijkingen toegestaan door de Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het Bestuur der Luchtvaart dienen de personeelsleden werkzaam op de luchtvaartterreinen en hun aanhorigheden houder te zijn van een luchthavenidentificatiebadge die ze tijdens de hele duur van hun aanwezigheid op de luchtvaartterreinen en hun aanhorigheden op een zichtbare plaats van hun kleding dienen te dragen. De identificatiebadges dienen bij het einde van de tewerkstelling van deze personeelsleden op het betrokken luchtvaartterrein door dezen onmiddellijk ingeleverd te worden bij de overeenkomstig artikel 9 aangewezen instantie. De betrokken werkgevers lichten de aangewezen instantie onmiddellijk in over de aanvang en het einde van de tewerkstelling van hun personeelsleden op het betrokken luchtvaartterrein. De luchthavenidentificatiebadge dient door de houder op eenvoudig verzoek van de aangewezen instantie aan deze overgemaakt te worden.

  Art. 7. Met uitzondering van de personeelsleden bedoeld in artikel 6, van de passagiers in het bezit van een geldig luchtvervoerbewijs en van de leden van het vliegend personeel van buitenlandse luchtvaartmaatschappijen, die in het bezit zijn van een geldige vergunning van piloot of van boordwerktuigkundige of van een bewijs van bemanningslid en wiens aanwezigheid langs de luchtzijde om dienstredenen vereist is, worden tot de luchtzijde van de luchtvaartterreinen en hun aanhorigheden slechts personen toegelaten die in het bezit zijn van een tijdelijke luchthavenidentificatiebadge. De betreffende personen dienen deze badge tijdens de hele duur van hun aanwezigheid op de luchtzijde op een zichtbare plaats van hun kleding te dragen. De tijdelijke luchthavenidentificatiebadges dienen, bij het verlaten van de luchtzijde, door de houders terug overgemaakt te worden aan de overeenkomstig artikel 9 aangewezen instantie.

  Art. 8. Behoudens afwijkingen toegestaan door de Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het Bestuur der Luchtvaart, moeten voertuigen, die zich naar de luchtzijde van luchtvaartterreinen en hun aanhorigheden begeven, voorzien zijn van een toegangsbewijs tot de luchtzijde.

  Art. 9. De bij de artikelen 6, 7 en 8 bedoelde luchthavenidentificatiebadges en toegangsbewijzen worden uitgereikt door de door de directeur-generaal van het Bestuur van Luchtvaart aangewezen instantie overeenkomstig zijn voorschriften.

  Art. 10. Behoudens afwijkingen toegestaan door de Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart mogen personen die zich naar de luchtzijde van luchtvaartterreinen en hun aanhorigheden begeven niet in het bezit zijn van wapens of explosieven of van voorwerpen die als dusdanig kunnen aangewend worden, met inbegrip van namaakwapens. De Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart kan de lijst vaststellen van deze voorwerpen.

  Art. 11. De Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart kan beperkingen opleggen inzake de inhoud en het volume van de handbagage en de bagage van passagiers vertrekkend met vluchten uitgevoerd door luchtvaartmaatschappijen vanaf de luchtvaartterreinen bedoeld bij artikel 2, eerste lid.

  Art. 12. Zowel aan de buiten- als de binnenkant van ieder stuk handbagage en bagage dienen de naam en het volledig adres van de eigenaar aangebracht. Het is verboden handbagage of bagage onbeheerd achter te laten op de luchtvaartterreinen en hun aanhorigheden bedoeld bij artikel 2, eerste lid.

  Art. 13. De Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart kan inzake het vervoer van bagage, vracht, catering en post beveiligingsmaatregelen opleggen, die moeten genomen worden door de luchtvaartmaatschappijen voor vluchten vertrekkend van op de in artikel 2, eerste lid, bedoelde luchtvaartterreinen.

  Art. 14. De Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart kan voor de passagiers en bemanningsleden afkomstig van vluchten van buitenlandse luchtvaartmaatschappijen, die bij hun inscheping niet het voorwerp uitgemaakt hebben van een veiligheidskontrole uitgevoerd overeenkomstig de door hem goedgekeurde normen, bij hun ontscheping op de luchtvaartterreinen bedoeld bij artikel 2, eerste lid, bijkomende beveiligingsmaatregelen opleggen.

  Art. 15. Op vluchten van luchtvaartmaatschappijen vertrekkend van op de in artikel 2, eerste lid, bedoelde luchtvaartterreinen mag geen bagage vervoerd worden van passagiers die zich niet aan boord van de luchtvaartuigen bevinden, tenzij de van de passagiers gescheiden bagage het voorwerp heeft uitgemaakt van een andere veiligheidskontrole uitgevoerd overeenkomstig de normen goedgekeurd door de Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart.

  Art. 16. De luchtvaartmaatschappijen staan in voor de toegangskontrole van alle personen tot hun in dienst zijnde luchtvaartuigen. De luchtvaartmaatschappjen dienen de toegangsdeuren af te sluiten van de luchtvaartuigen die niet in dienst of onbewaakt zijn, en gestationeerd zijn op de luchtvaartterreinen bedoeld in artikel 2, eerste lid. Zij dienen er tevens de loopbruggen van terug te trekken. Telkenmale de luchtvaartuigen terug in dienst genomen worden moeten de luchtvaartmaatschappijen nagaan of zich geen onbevoegde personen of goederen, die de beveiliging van de vlucht in het gedrang kunnen brengen, aan boord bevinden.

  Art. 17. De bevoegde nationale overheid waaronder de luchtvaartmaatschappij ressorteert die bijkomende beveiligingsmaatregelen wenst, dient daartoe een gemotiveerd verzoekschrift te richten tot de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart, hetzij rechtstreeks, hetzij via diplomatieke weg, zoals desgevallend voorzien in het betreffende luchtvaartakkoord. De Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart bepaalt de wijze waarop en de voorwaarden waaronder luchtvaartmaatschappijen zelf beveiligingsmaatregelen nemen op de in artikel 2, eerste lid, bedoelde luchtvaartterreinen en hun aanhorigheden.

  Art. 18. De Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart bepaalt de voorwaarden inzake geschiktheid en vorming waaraan de personeelsleden belast met de veiligheids- of toegangskontrole dienen te voldoen. Hij bepaalt tevens de wijze waarop op dit personeel toezicht wordt uitgeoefend.

  Art. 19. De directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart wijst de leden van het personeel tewerkgesteld op luchtvaartterreinen en hun aanhorigheden aan die, gelet op de aard van hun functie, een bijzondere vorming inzake luchtvaartbeveiliging, georganiseerd door het nationaal comité voor de veiligheid van de burgerlijke luchtvaart, dienen te volgen. Hij bepaalt de inhoud en de modaliteiten van deze vorming evenals van de eventuele bekwaamheidsproeven georganiseerd door dit comité.

  HOOFDSTUK IV. - Luchthavengebouwen voor passagiers.

  Art. 20. De toegangen tot de luchtzijde van het luchthavengebouw voor passagiers worden tot het strikte minimum beperkt en zijn voorzien van een veiligheids- of toegangskontrole. Behoudens afwijkingen toegestaan door de Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart, moeten alle personen die zich naar de steriele zone begeven, het voorwerp uitmaken van een veiligheidskontrole.

  Art. 21. De lokalisatie van de veiligheidskontrole in het luchthavengebouw voor passagiers wordt zodanig gekozen dat deze, eventueel door het gebruik van scheidingswanden, buiten het gezichtsveld valt van het niet-reizende publiek.

  Art. 22. Het luchthavengebouw voor passagiers wordt op dusdanige wijze ingericht dat geen vermenging of contact mogelijk is tussen verstrekkende passagiers die de veiligheidskontrole ondergaan hebben en aankomende passagiers.
  Transferpassagiers en transitpassagiers ondergaan bij hun ontscheping op één van de luchtvaartterreinen bedoeld in artikel 2, eerste lid, een veiligheidskontrole vooraleer zich te begeven in de steriele zone.

  Art. 23. In de steriele zone mogen zich enkel voorzieningen strikt vereist voor de inschepingsverrichtingen, sanitaire installaties, zetels voor passagiers en de andere strikt noodzakelijke, niet commerciële nutsvoorzieningen bevinden.
  Deze voorzieningen maken een gemakkelijke kontrole inzake beveiliging mogelijk.
  De steriele zone wordt zodanig ingericht dat deze uitsluitend toegankelijk is voor vertrekkenden, transfer- of transitpassagiers en luchthavenpersoneel wier aanwezigheid in deze zone onmisbaar is met het oog op de inschepingsverrichtingen of werkzaamheden voorzien bij artikel 26.

  Art. 24. Ondoorzichtige of kogelvrije wanden dienen de steriele zone te scheiden van de ruimten die toegankelijk zijn voor personen die geen veiligheidskontrole hebben ondergaan.
  De steriele zone dient zowel langs de zijde van het platform als van het luchthavengebouw afgesloten te kunnen worden.

  Art. 25. De voorwerpen die in een steriele zone binnengebracht worden, maken het voorwerp uit van een veiligheidskontrole.
  De steriele zone wordt afgesloten telkenmale deze niet in gebruik is voor vertrekkende vluchten. Bij iedere openstelling na een periode van niet-gebruik wordt deze zone doorzocht op verdachte voorwerpen.

  Art. 26. Tijdens inschepingsverrichtingen worden alleen hoogdringende herstellings- of onderhoudswerkzaamheden in de steriele zone uitgevoerd. Na iedere onderhouds- of herstellingswerkzaamheid wordt deze zone op verdachte voorwerpen doorzocht.

  Art. 27. De check-in zone en andere voor de passagiers voorbehouden zones worden zodanig gebouwd dat deze niet overschouwd kunnen worden, tenzij door kogelvrij glas of een beveiligingsnet, vanuit plaatsen die toegankelijk zijn zonder veiligheids- of toegangskontrole.
  De balies van de luchtvaartmaatschappijen worden zodanig opgevat dat labels, inschepingskaarten en ander inschepingsmateriaal zich buiten handbereik van de passagiers bevinden. Deze documenten en dit materiaal worden buiten perioden van ingebruikstelling achter slot opgeborgen.

  Art. 28. Voldoende beveiligde ruimte wordt voorzien voor het inchecken van passagiers voor vluchten met grote risico's. Deze ruimte wordt zodanig opgevat dat passagiers van verschillende vluchten in totaal gescheiden ruimten worden gecontroleerd. De ruimten bieden de mogelijkheid de passagiers individueel te ondervragen en tevens handbagage en de bagage bestemd voor het vrachtruim van het vliegtuig manueel te doorzoeken in aanwezigheid van de betreffende passagiers.

  Art. 29. Indien in het luchthavengebouw een aparte toegang tot het platform voor bemanningsleden voorzien is, wordt bij deze toegang een toegangs- of veiligheidskontrole voorzien.

  Art. 30. Indien in het luchthavengebouw ruimten met zicht op het platform, toegankelijk voor personen die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een toegangs- of veiligheidskontrole voorzien worden, dan worden deze ruimten afgesloten met veiligheidsglas, kogelvrij glas of een andere veiligheidsvoorziening, goedgekeurd door de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart. Indien deze afsluiting uit vensters bestaat, die kunnen geopend worden, moeten deze laatsten vergrendeld zijn.

  Art. 31. De lokalisatie van eventuele bagagekluizen wordt zodanig gekozen dat de risico's voor het publiek bij een eventuele ontploffing in deze kluizen tot een minimum beperkt worden.
  Indien deze kluizen zich in het luchthavengebouw bevinden, omvat hun opbouw een luchtkanaal dat zodanig opgevat is dat de vernietigende kracht van een eventuele explosie afgewend wordt van de zones, toegankelijk voor personen en de wezenlijke installaties van het luchtvaartterrein niet kan raken.

  Art. 32. De nodige ruimte voor het onderbrengen van een coördinatiecentrum voor de veiligheids- en hulpdiensten wordt in het luchthavengebouw voor passagiers ter beschikking gesteld.

  Art. 33. De nodige lokalen voor het onderbrengen van de veiligheidsdiensten van de overheid worden ter beschikking gesteld. Deze lokalen worden voorzien in de gebouwen waar deze diensten hun voornaamste activiteiten uitoefenen.

  Art. 34. Er wordt voldoende ruimte ter beschikking gesteld van de luchtvaartmaatschappijen om deze toe te laten de vereiste procedures na te leven teneinde na te gaan of alle eigenaars van door dezen ingeschreven bagage zich ook aan boord bevinden.

  Art. 35. De plannen van nieuwe luchthavengebouwen voor passagiers worden, wat de beveiligingsvoorzieningen betreft, goedgekeurd door de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart, na advies van het betreffend plaatselijk veiligheidscomité.
  Hetzelfde geldt voor de plannen tot wijziging aan bestaande gebouwen of voor de inrichting in het luchthavengebouw van voorzieningen die een invloed kunnen hebben op de beveiliging.

  HOOFDSTUK V. - De luchtvaartmaatschappijen met een Belgische machtiging, exploitatievergunning of thuishaven.

  Art. 36. De luchtvaartmaatschappijen bedoeld bij artikel 2, lid 2, moeten de beveiligingsvoorschriften naleven opgenomen in hun beveiligingsprogramma's. Deze verplichting geldt eveneens voor het personeel dat voor hun rekening werkt; dit personeel omvat onder meer de aangestelden van de luchtvaartmaatschappijen, hun veiligheidspersoneel, de bemanningsleden, het passagepersoneel en het personeel belast met het onderhoud en de afhandeling. De beveiligingsprogramma's dienen evenals iedere latere wijziging ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart, die desgevallend zelf wijzigingen aan de programma's kan opleggen. De programma's worden ter beschikking gesteld van alle betrokken personen en voortdurend bijgehouden. De directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart kan bijkomende beveiligingsprogramma's opleggen aan voormelde luchtvaartmaatschappijen, geldend op buitenlandse luchthavens.

  Art. 37. De luchtvaartmaatschappijen bedoeld bij artikel 2, lid 2, mogen slechts passagiers en hun handbagage aan boord van een luchtvaartuig vervoeren voor zover deze het voorwerp hebben uitgemaakt van een veiligheidskontrole, uitgevoerd overeenkomstig de normen goedgekeurd door de Minister belast me het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart.

  Art. 38. De luchtvaartmaatschappijen bedoeld bij artikel 2, lid 2, mogen geen bagage vervoeren van passagiers die zich niet aan boord van het luchtvaartuig bevinden tenzij de van de passagiers gescheiden bagage het voorwerp heeft uitgemaakt van een andere veiligheidskontrole uitgevoerd overeenkomstig de normen goedgekeurd door de Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart.

  Art. 39. De Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart bepaalt de door de luchtvaartmaatschappijen bedoeld bij artikel 2, te nemen beveiligingsmaatregelen voor de bagage, de catering, de vracht en de post die door hen vervoerd wordt.

  Art. 40. De luchtvaartmaatschappijen bedoeld bij artikel 2, lid 2, staan in voor de toegangskontrole van alle personen tot hun in dienst zijnde luchtvaartuigen. Zij dienen de toegangsdeuren af te sluiten van de luchtvaartuigen die niet in dienst of onbewaakt zijn. Zij dienen er tevens de loopbruggen van terug te trekken. Telkenmale de luchtvaartuigen terug in dienst genomen worden dienen de luchtvaartmaatschappijen na te gaan of zich geen onbevoegde personen of goederen, die de beveiliging van de vluchten in het gedrang kunnen brengen, aan boord bevinden.

  Art. 41. De Minister belast met het bestuur der luchtvaart of directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart bepaalt de beveiligingsvoorschriften geldend aan boord van de luchtvaartuigen in vlucht van de luchtvaartmaatschappijen bedoeld bij artikel 2, lid 2. Hij bepaalt tevens de voorwaarden waaronder passagiers met bijzondere veiligheidsrisico's aan boord van voormelde luchtvaartuigen vervoerd worden.

  Art. 42. Behoudens afwijkingen toegestaan door de Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart mogen bemanningsleden of passagiers, in de passagiersruimte, aan boord van luchtvaartuigen van luchtvaartmaatschappijen bedoeld bij artikel 2, lid 2, niet in het bezit zijn van wapens, explosieven of goederen die als dusdanig kunnen aangewend worden, met inbegrip van namaakwapens. De Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart kan de lijst van deze voorwerpen vaststellen.

  Art. 43. Bemanningsleden of passagiers mogen zich niet in dronken toestand aan boord van luchtvaartuigen van luchtvaartmaatschappijen bedoeld bij artikel 2, lid 2, bevinden.

  Art. 44. De Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart kan, indien de omstandigheden dit vereisen, bijkomende beveiligingsmaatregelen opleggen aan de luchtvaartmaatschappijen bedoeld bij artikel 2, lid 2. Desgevallend kan hij hen, om veiligheidsredenen, het gebruik van bepaalde routes of bepaalde luchthavens verbieden.

  Art. 45. De Minister belast met het bestuur der luchtvaart bepaalt de documenten inzake de beveiliging van de vluchten die zich aan boord van de luchtvaartuigen van de luchtvaartmaatschappijen bedoeld bij artikel 2, lid 2, moeten bevinden.

  Art. 46. De luchtvaartmaatschappijen bedoeld bij artikel 2, lid 2, maken van alle door hen uitgewerkte beveiligingsinstructies bestemd voor hun personeel een afschrift over aan de veiligheidsverantwoordelijke van het bestuur der luchtvaart.

  Art. 47. De luchtvaartmaatschappijen bedoeld bij artikel 2, lid 2, wijzen voor ieder door hen regelmatig aangedaan luchtvaartterrein een ter plaatse verblijvende veiligheidsverantwoordelijke aan. Deze maakt, op de door de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart vastgestelde tijdstippen een evaluatierapport, inzake de beveiligingsmaatregelen geldend voor de betreffende maatschappij op het betreffende luchtvaartterrein over de veiligheidsverantwoordelijke van het bestuur der luchtvaart. Dit rapport wordt opgesteld overeenkomstig de voorschriften van de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart. Deze veiligheidsverantwoordelijken, dienen een vorming luchtvaartbeveiliging, georganiseerd door het bestuur der luchtvaart in het kader van het Nationaal Comité voor de veiligheid van de burgerlijke luchtvaart, te volgen, overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld door de directeur-generaal van dit bestuur.

  Art. 48. De leden van het stuur- en cabinepersoneel van luchtvaartuigen met een hoogst toegelaten totaal gewicht van 5 700 kg of meer, geëxploiteerd door de luchtvaartmaatschappijen, bedoeld bij artikel 2, lid 2, vóór hun indiensttreding de basisopleiding terrorisme- en criminaliteitsbestrijding, georganiseerd door het bestuur der luchtvaart, gevolgd hebben. Vervolgens dienen zij om de vier jaar de bijscholingscursussen terrorisme- en criminaliteitsbestrijding te volgen die door dat bestuur in het kader van het Nationaal Comité voor de veiligheid van de burgerlijke luchtvaart worden georganiseerd.
  De leden van het stuur- en cabinepersoneel die in dienst zijn bij het van kracht worden van dit besluit, moeten de in het eerste lid bedoelde basisopleiding vóór 31 december 1992 gevolgd hebben.

  Art. 49. De Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart bepaalt de overige leden van het personeel bedoeld in artikel 36 die, gelet op de aard van hun functie, een bijzondere vorming inzake luchtvaartbeveiliging, georganiseerd door het bestuur der luchtvaart in het kader van het Nationaal Comité voor de veiligheid van de burgerlijke luchtvaart dienen te volgen. Hij bepaalt de inhoud en de modaliteiten van deze vorming.

  HOOFDSTUK VI. - Incidenten inzake de beveiliging.

  Art. 50. De luchtvaartmaatschappijen lichten de politiediensten van de betreffende luchthaven en de veiligheidsdienst van het bestuur der luchtvaart onverwijld in over iedere dreiging, bommelding of kaping die vluchten van deze maatschappijen naar of van een Belgische luchthaven betreft of kan betreffen.

  Art. 51. De luchtvaartmaatschappijen bedoeld bij artikel 2, lid 2, lichten de veiligheidsdienst van het bestuur der luchtvaart onverwijld in over ieder incident dat de beveiliging van de vlucht in het gedrang brengt of had kunnen brengen en over iedere dreiging, bommelding, poging tot kaping of kaping, evenals van de desgevallend door hen getroffen maatregelen. De betrokken gezagvoerder brengt eveneens ten spoedigste, in principe binnen de tien dagen, schriftelijk verslag uit bij de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart op het daartoe voorziene formulier. De directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart bepaalt de procedures van toepassing in geval van bommelding of kaping.

  Art. 52. De lokale luchthavenautoriteiten van de luchtvaartterreinen bedoeld bij artikel 2, eerste lid, lichten de veiligheidsdienst van het bestuur der luchtvaart onverwijld in over ieder incident op deze luchthavens dat de beveiliging van de luchtvaart in het gedrang brengt of had kunnen brengen evenals over iedere dreiging of bommelding.

  HOOFDSTUK VII. - Algemene bepalingen.

  Art. 53. De bij dit besluit voorziene inspecties en veiligheids- of toegangskontroles worden uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften en onder de voorwaarden opgelegd door de Minister belast met het bestuur der luchtvaart of de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart. De uitrustingen dienen te voldoen aan de door hem goedgekeurde normen.

  Art. 54. De Minister belast met het bestuur der luchtvaart wijst de ambtenaren van het bestuur der luchtvaart aan die onder het rechtstreeks gezag van de directeur-generaal van het bestuur der luchtvaart toezicht uitoefenen op de naleving van de luchtvaartbeveiligingsvoorschriften. Daartoe hebben zij vrije toegang tot de plaatsen waar deze voorschriften gelden evenals tot de vluchten uitgevoerd door de luchtvaartmaatschappijen bedoeld bij artikel 2, lid 2, waarvoor door deze laatsten geen kosten kunnen aangerekend worden.

  HOOFDSTUK VIII. - Overgangs- en slotbepalingen.

  Art. 55. De bepalingen van de artikelen 21 tot en met 26 zijn op de vóór 1 januari 1989 bestaande luchthavengebouwen voor passagiers of gedeelten van deze gebouwen maar van toepassing vanaf 1 januari 1996.

  Art. 56. De bepalingen van de artikelen 27, eerste lid, 28, 30 en 31 zijn op de luchthavengebouwen voor passagiers van de luchtvaartterreinen van Antwerpen-Deurne, Charleroi-Gosselies, Luik-Bierset en Oostende maar van toepassing vanaf 1 januari 1993.

  Art. 57. 1° <Opheffingsbepaling van de §§ 3.3.1. en 3.3.2. alsook de afdeling 7.8. van de bijlage van MB 1970-02-13/30>
  2° <Opheffingsbepaling van MB 1990-03-21/30>
  3° <Opheffingsbepaling van MB 1990-06-01/30>
  4° <Opheffingsbepaling van MB 1990-12-06/40>

  Art. 58. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

  Art. 59. Onze Minister van Verkeerswezen is belast met de uitvoering van dit besluit.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Gelet op het Verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart, ondertekend te Chicago op 7 december 1944 en goedgekeurd door de wet van 30 april 1947, inzonderheid op bijlage 17;
   Gelet op de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling der luchtvaart, inzonderheid op artikel 5;
   Gelet op het ministerieel besluit van 13 februari 1970 houdende reglement waarbij de technische maatregelen worden vastgesteld die moeten genomen worden voor de exploitatie van vliegtuigen in het handelsluchtvervoer met een hoogst toegelaten totaalgewicht van 5 700 kg en meer, inzonderheid op de § 3.3.1., de § 3.3.2. en de afdeling 7.8. van de bijlage bij dit besluit, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 26 maart 1990;
   Overwegende dat de Executieven bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn, overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, § 3, 4° en § 4, 3° en 4° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1988;
   .....
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid,
   Overwegende dat er enerzijds een dreiging met terroristische aanslagen bestaat tegen de burgerlijke luchtvaart, terwijl anderzijds overeenkomstig de normen en aanbevelingen van de internationale burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en van de Europese commissie voor de burgerluchtvaart (CEAC), onmiddellijk gepast sanctioneerbare voorschriften dienen te worden opgelegd voor de beveiliging van de luchtvaart;
   Op de voordracht van Onze Minister van Verkeerswezen,
   .....

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-03-1994 GEPUBL. OP 24-06-1994
    (GEWIJZIGD ART. : 2)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 7 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie