J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Erratum Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1973/03/13/1973031309/justel

Titel
13 MAART 1973. - Wet tot wijziging van de wet van 20 april 1874 op de voorlopige hechtenis en tot aanvulling van artikel 447 van het Wetboek van Strafvordering.

Publicatie : 10-04-1973 nummer :   1973031309 bladzijde : 04314
Dossiernummer : 1973-03-13/31
Inwerkingtreding : 20-04-1973

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-6
Overgangsbepaling.
Art. 7

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. In artikel 1 van de wet van 20 april 1874 op de voorlopige hechtenis wordt een vierde lid ingevoerd, dat als volgt luidt :
  " De beslissing van de onderzoeksrechter is niet vatbaar voor hoger beroep. Dit geldt eveneens voor de beslissing waarbij de onderzoeksrechter weigert gevolg te geven aan de vordering van de procureur des Konings tot aanhouding van een verdachte. "

  Art. 2. Artikel 2 van dezelfde wet wordt door de volgende bepaling vervangen :
  " Artikel 2. In het geval van het tweede lid van het vorige artikel omschrijft het bevel tot aanhouding nauwkeurig de ernstige en uitzonderlijke omstandigheden die de openbare veiligheid raken en waarop de aanhouding gegrond is, onder vermelding van de gegevens eigen aan de zaak of de persoonlijkheid van de verdachte. "

  Art. 3. Artikel 5, eerste lid, van dezelfde wet wordt door de volgende bepaling vervangen :
  " Indien de raadkamer binnen een maand te rekenen van de ondervraging niet heeft beslist over de tenlastelegging, wordt de verdachte in vrijheid gesteld, tenzij de raadkamer, de procureur des Konings en de verdachte of zijn raadsman gehoord, bij een met redenen omklede eenparige beschikking verklaart dat de hechtenis wegens ernstige en uitzonderlijke omstandigheden die de openbare veiligheid raken moet worden gehandhaafd. De beschikking omschrijft nauwkeurig die omstandigheden onder vermelding van de gegevens eigen aan de zaak of de persoonlijkheid van de verdachte. "

  Art. 4. De artikelen 6 en 19 van dezelfde wet worden door de volgende bepalingen vervangen :
  " Artikel 6. De onderzoeksrechter kan in de loop van het onderzoek de opheffing van het bevel tot aanhouding voorstellen. De griffier geeft onverwijld aan de verdachte of aan zijn raadsman schriftelijk kennis van dat voorstel en van de datum ervan.
  Bij overeenkomstige conclusie van de procureur des Konings wordt de verdachte in vrijheid gesteld.
  Heeft de procureur des Konings geen conclusie genomen binnen vierentwintig uur na de kennisgeving van het voorstel van de onderzoeksrechter, dan verleent deze opheffing van het bevel tot aanhouding.
  Stemt de conclusie van de procureur des Konings niet met het voorstel overeen, dan wordt de verdachte in vrijheid gesteld, tenzij de raadkamer, op verslag van de onderzoeksrechter, de procureur des Konings en de verdachte of zijn raadsman gehoord, bij een overeenkomstig artikel 5 met redenen omklede beschikking verklaart dat de hechtenis wegens ernstige en uitzonderlijke omstandigheden in verband met de openbare veiligheid moet worden gehandhaafd. De raadkamer beslist binnen vijf dagen te rekenen van de mededeling van het voorstel van de onderzoeksrechter aan de procureur des Konings. Ingeval de raadkamer beslist dat het bevel tot aanhouding niet wordt opgeheven, dan gaat de termijn van een maand bepaald in artikel 5, tweede lid, in met de dag waarop die beslissing is genomen.
  Het voorgaande lid vindt geen toepassing wanneer het voorstel van de onderzoeksrechter gedaan wordt voor de in artikel 4 bedoelde verschijning van de verdachte voor de raadkamer of wanneer voor de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep van de procureur des Konings of van de verdachte aanhangig is tegen een beschikking door de raadkamer gegeven met toepassing van de artikelen 4 of 5.
  In al de gevallen waarin bij toepassing van de voorafgaande bepalingen opheffing van een bevel tot aanhouding wordt verleend, is de verdachte verplicht om bij alle proceshandelingen te verschijnen zodra zulks van hem gevorderd wordt.
  Artikel 19. De verdachte en het openbaar ministerie kunnen voor de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep instellen tegen de beschikkingen van de raadkamer gegeven in de gevallen bedoeld in de artikelen 4, 5, 6, vierde lid, en 8 alsook tegen de beslissing van de correctionele rechtbank gewezen overeenkomstig artikel 7. "

  Art. 5. De artikelen 27, 28 en 29, luidend als volgt, worden toegevoegd aan de wet van 20 april 1874 op de voorlopige hechtenis :
  " Artikel 27. § 1. Een recht op vergoeding wordt toegekend aan elke persoon die beroofd werd van zijn vrijheid in omstandigheden die strijdig zijn met de bepalingen van artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 18 mei 1955.
  § 2. De vordering wordt ingesteld bij de gewone gerechten, in de vormen bepaald door het Gerechtelijk Wetboek, en gericht tegen de Belgische Staat in de persoon van de Minister van Justitie.
  Artikel 28, § 1. Mag aanspraak maken op een vergoeding, elke persoon die in voorlopige hechtenis werd genomen gedurende meer dan acht dagen, zonder dat deze hechtenis of de handhaving ervan te wijten is aan zijn persoonlijke gedraging :
  a) indien hij bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing rechtstreeks of onrechtstreeks buiten de zaak is gesteld;
  b) indien hij, na een beschikking of een arrest van buitenvervolgingstelling te hebben bekomen, het bewijs levert dat er gegevens in feite of in rechte aanwezig zijn waaruit zijn onschuld blijkt;
  c) indien hij aangehouden werd of in hechtenis gebleven is nadat de strafvordering was verjaard;
  d) indien hij een beschikking of een arrest van buitenvervolgingstelling heeft bekomen waarbij uitdrukkelijk is vastgesteld dat het feit dat tot de voorlopige hechtenis aanleiding heeft gegeven, geen misdrijf is.
  § 2. Het bedrag van deze vergoeding wordt vastgesteld naar billijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en privaat belang.
  § 3. Indien betrokkene geen vordering tot schadevergoeding voor de gewone gerechten kan instellen, moet de vergoeding worden gevraagd bij een verzoekschrift gericht aan de Minister van Justitie, die binnen zes maanden beslist.
  De vergoeding wordt door de Minister van Justitie ten laste van de Schatkist toegekend indien de voorwaarden, bepaald in § 1 vervuld zijn.
  Indien de vergoeding geweigerd wordt, indien het bedrag ervan onvoldoende geacht wordt of indien de Minister van Justitie niet binnen zes maanden na het verzoek beslist, kan de betrokkene zich wenden tot de commissie, ingesteld overeenkomstig § 4.
  In geval van gerechtelijke vervolgingen wegens een van de misdrijven omschreven in de artikelen 147, 155 en 156 van het Strafwetboek en die bedreven zijn ten nadele van de betrokkene, begint de termijn van zes maanden, waarvan sprake in het vorige lid, slechts te lopen vanaf de dag waarop uitspraak is gedaan over de strafvordering door een in kracht van gewijsde gegane beslissing.
  § 4. Er wordt een commissie ingesteld die uitspraak doet over de beroepen tegen de beslissingen door de Minister van Justitie genomen of over de ingediende aanvragen wanneer de Minister geen uitspraak gedaan heeft in de voorwaarden, bepaald in § 3.
  Deze commissie bestaat uit de eerste voorzitter van het Hof van cassatie, de eerste voorzitter van de Raad van State, de deken van de Nationale Orde van advocaten, of, bij verhindering; de voorzitter van het Hof van cassatie, de voorzitter van de Raad van State, de vice-deken van de Nationale Orde van advocaten.
  Het ambt van secretaris wordt uitgeoefend door een of meer leden van de griffie van het Hof van cassatie, aangewezen door de eerste voorzitter.
  De Koning regelt de werking van de commissie.
  § 5. De beroepen en de verzoeken bestaan uit een verzoekschrift in twee exemplaren, getekend door de partij of zijn advocaat en neergelegd ter griffie van het Hof van cassatie, binnen de zestig dagen na de beslissing van de Minister of na het verloop van de termijn waarin hij uitspraak had moeten doen.
  De Koning regelt de procedure voor de commissie, die zitting houdt met gesloten deuren.
  Zij doet uitspraak op het ter zitting door de procureur-generaal bij het Hof van cassatie gegeven advies, na de partijen in hun middelen te hebben gehoord.
  Haar beslissingen worden in openbare zitting gewezen. Deze zijn niet vatbaar voor enig verhaal.
  Op verzoek van de belanghebbenden wordt de beslissing van de commissie bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, zonder dat dit uittreksel het bedrag van de toegekende vergoeding mag vermelden. De kosten van de bekendmaking komen ten laste van de Schatkist.
  Artikel 29. Bij overlijden van personen die volgens de artikelen 27 en 28 gerechtigd zijn op een vergoeding of daarop aanspraak kunnen maken, kunnen de vergoedingen aan hun rechtverkrijgenden worden toegekend. "

  Art. 6. Artikel 447 van het Wetboek van strafvordering wordt met het hierna volgende lid aangevuld :
  " Indien de in de leden 3 en 4 bedoelde vergoeding geweigerd wordt, indien het bedrag ervan onvoldoende wordt geacht, of indien de regering niet binnen zes maanden heeft beslist op het door de veroordeelde of zijn rechtverkrijgenden te dien einde ingediend verzoekschrift, kunnen dezen zich binnen zestig dagen na de beslissing van de regering, of na het verstrijken van de termijn waarbinnen moest worden beslist, wenden tot de commissie ingesteld overeenkomstig artikel 28, § 4, van de wet van 20 april 1874 op de voorlopige hechtenis. "

  Overgangsbepaling.

  Art. 7. De artikelen 27, 28 en 29 van de wet van 20 april 1874 op de voorlopige hechtenis, vinden alleen toepassing op de personen die, onder de voorwaarden gesteld in deze artikelen, zijn aangehouden of gevangen gehouden krachtens een na de inwerkingtreding van deze wet genomen maatregel of gegeven bevel.
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Brussel, 13 maart 1973.
  BOUDEWIJN
  Van Koningswege :
  De Minister van Justitie,
  H. VANDERPOORTEN
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  H. VANDERPOORTEN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   BOUDEWIJN, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet,
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

originele versie
1973031324
PUBLICATIE :
1973-04-25

ERRATA



Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
   Gewone zittijd 1968-1969. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp nr. 472-1, van 10 september 1969. - Verslag, nr. 472-6, van 5 november 1970, door de heer Jeunehomme. - Amendementen, nrs. 472-2, van 14 oktober 1969; 472-3, van 4 november 1969; 472-4, van 12 november 1969; 472-5, van 14 januari 1970; 472-7, van 5 november 1970. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 26 november 1970. Gewone zittijd 1971-1972. Senaat. Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp, nr. 87, van 26 november 1970. Verslag, nr. 392, van 4 mei 1972, door de heer Vanderpoorten. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergadering van 15 juni 1972. - Aanneming, Vergadering van 20 juni 1972. Gewone zittijd 1971-1972. Kamer van Volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp, nr 312-2, van 21 juni 1972. - Verslag, nr. 312-3, van 1 maart 1973, door de heren Jeunehomme en Van Lidth de Jeude. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 8 maart 1973.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Erratum Franstalige versie