J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 1 gearchiveerde versie
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
23 SEPTEMBER 1971. - Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart. (Vertaling)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-04-1993 en tekstbijwerking tot 11-12-1999)

Publicatie : 01-09-1976 nummer :   1971092350 bladzijde : 10859
Dossiernummer : 1971-09-23/34
Inwerkingtreding : 12-09-1976

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-16
Bijlage.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. 1. Aan een strafbaar feit maakt zich schuldig hij die wederrechtelijk en opzettelijk :
  a) een daad van geweld begaat tegen een persoon aan boord van een luchtvaartuig tijdens de vlucht, indien deze daad naar haar aard de veiligheid van dat luchtvaartuig in gevaar kan brengen;
  b) een luchtvaartuig in bedrijf vernielt of daaraan schade toebrengt die het ongeschikt voor een vlucht maakt of van zodanige aard is dat zijn veiligheid tijdens de vlucht in gevaar wordt gebracht;
  c) in een luchtvaartuig in bedrijf, op welke wijze dan ook, een voorwerp of substantie plaatst of doet plaatsen, waarvan waarschijnlijk is dat deze dit luchtvaartuig zal vernielen of er schade aan zal toebrengen, die het ongeschikt voor een vlucht maakt of van zodanige aard is dat zijn veiligheid tijdens de vlucht in gevaar wordt gebracht; of
  d) hulpmiddelen ten behoeve van de luchtvaart vernielt of beschadigt, dan wel hun werking hindert, indien een van deze gedragingen van zodanige aard is dat daardoor de veiligheid van luchtvaartuigen tijdens de vlucht in gevaar wordt gebracht;
  e) gegevens doorgeeft waarvan hij weet dat zij onjuist zijn, daardoor de veiligheid van een luchtvaartuig tijdens de vlucht in gevaar brengend.
  (1bis. Aan een strafbaar feit maakt zich schuldig hij die wederrechtelijk en opzettelijk, met gebruikmaking van welk voorwerp, welke substantie of welk wapen dan ook :
  a) een daad van geweld begaat tegen een persoon op een luchthaven voor de internaitonale burgerluchtvaart, die ernstig letsel of de dood veroorzaakt of kan veroorzaken; of
  b) de voorzieningen van een luchthaven voor de internationale burgerluchtvaart of aldaar geplaatste luchtvaartuigen die niet in bedrijf zijn, vernielt of daaraan ernstige schade toebrengt of de diensten van de luchthaven verstoort,
  indien een zodanige daad de veiligheid op die luchthaven in gevaar brengt of kan brengen.) <V 1988-02-24/31, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 20-05-1999>
  2. Aan een strafbaar feit maakt zich eveneens schuldig hij die :
  a) een poging doet een der in het eerste lid (of eerste lid bis) van dit artikel genoemde strafbare feiten te plegen; of <V 1988-02-24/31, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 20-05-1999>
  b) medeplichtige is van een persoon die een zodanig feit pleegt of poogt te plegen.

  Art. 2. In dit Verdrag :
  a) wordt een luchtvaartuig geacht in vlucht te zijn van het moment af waarop alle buitendeuren, na het instappen, zijn gesloten tot het moment waarop een der deuren wordt geopend voor het uitstappen. In geval van een noodlanding wordt de vlucht geacht voort te duren totdat de bevoegde autoriteiten de verantwoordelijkheid voor het luchtvaartuig en voor de personen en goederen aan boord overnemen;
  b) wordt een luchtvaartuig geacht in gebruik te zijn van het begin van het aan de vlucht voorafgaande gereedmaken van het luchtvaartuig door grondpersoneel of door de bemanning voor een bepaalde vlucht tot vierentwintig uur na een landing; de periode van gebruik strekt zich in elk geval uit tot de gehele periode tijdens welke het luchtvaartuig in vlucht is zoals omschreven onder letter a van dit artikel.

  Art. 3. Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich ertoe zware straffen te stellen op de in artikel 1 genoemde strafbare feiten.

  Art. 4. 1. Dit Verdrag is niet van toepassing op luchtvaartuigen gebruikt door de strijdkrachten, de douane of de politie.
  2. In de gevallen bedoeld onder letters a, b, c en e van het eerste lid van artikel 1 is dit Verdrag, ongeacht of het luchtvaartuig een internationale dan wel een binnenlandse vlucht uitvoert, slechts van toepassing indien :
  a) de feitelijke of voorgenomen plaats van opstijgen of van landing van het luchtvaartuig gelegen is buiten het grondgebied van de Staat waar dat luchtvaartuig is ingeschreven; of
  b) het strafbare feit wordt gepleegd op het grondgebied van een andere Staat dan de Staat waar het luchtvaartuig is ingeschreven.
  3. Onverminderd het tweede lid van dit artikel is dit Verdrag, in de gevallen als bedoeld onder letters a, b, c en e van het eerste lid van artikel 1, eveneens van toepassing indien de dader of de vermoedelijke dader wordt aangetroffen op het grondgebied van een andere Staat dan de Staat waar het luchtvaartuig is ingeschreven.
  4. Ten aanzien van de Staten genoemd in artikel 9 en in de gevallen genoemd onder de letters a, b, c en e van het eerste lid van artikel 1 is dit Verdrag niet van toepassing indien de plaatsen waarnaar onder letter a van het tweede lid van dit artikel wordt verwezen zijn gelegen op het grondgebied van eenzelfde Staat wanneer die Staat een van de Staten is waarnaar in artikel 9 wordt verwezen, tenzij het strafbare feit is gepleegd of de dader of de vermoedelijke dader wordt aangetroffen op het grondgebied van een Staat niet zijnde die Staat.
  5. In de gevallen als bedoeld onder letter d van het eerste lid van artikel 1 is dit Verdrag slechts van toepassing indien de hulpmiddelen ten behoeve van de luchtvaart worden gebruikt voor de internationale luchtvaart.
  6. Het bepaalde in het tweede, derde, vierde en vijfde lid van dit artikel is eveneens van toepassing in de gevallen bedoeld in het tweede lid van artikel 1.

  Art. 5. 1. Elke Verdragsluitende Staat neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn bevoegdheid vast te leggen tot kennisneming van de strafbare feiten in de volgende gevallen :
  a) indien het strafbare feit is gepleegd op het grondgebied van die Staat;
  b) indien het strafbare feit is gepleegd tegen of aan boord van een luchtvaartuig dat in die Staat is ingeschreven;
  c) indien het luchtvaartuig aan boord waarvan het strafbare feit is gepleegd op zijn grondgebied landt met de vermoedelijke dader nog aan boord;
  d) indien het strafbare feit is gepleegd tegen of aan boord van een luchtvaartuig dat zonder bemanning is verhuurd aan een huurder die de hoofdzetel van zijn bedrijf, of, indien de huurder niet een zodanige zetel heeft, zijn vaste verblijfplaats heeft in die Staat.
  2. Elke Verdragsluitende Staat neemt eveneens de maatregelen die nodig zijn om zijn bevoegdheid tot kennisneming vast te leggen van de strafbare feiten genoemd in artikel 1, eerste lid, letters a, b en c, en in artikel 1, tweede lid voor zover dat lid op deze strafbare feiten betrekking heeft, in het geval waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en deze Staat hem niet ingevolge artikel 8 uitlevert aan een van de Staten genoemd in het eerste lid van dit artikel.
  (2bis. Elke Verdragsluitende Staat neemt eveneens de maatregelen die nodig zijn om zijn bevoegdheid tot kennisneming vast te leggen van de strafbare feiten genoemd in artikel 1, eerste lid bis en in artikel 1, tweede lid, voor zover dat lid op deze strafbare feiten betrekking heeft, in het geval waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en deze Staat hem niet ingevolge artikel 8 uitlevert aan de Staat genoemd in het eerste lid, letter (a), van dit artikel.) <V 1988-02-24/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 20-05-1999>
  3. Dit Verdrag sluit geen enkele bevoegdheid in strafzaken uit, die wordt uitgeoefend krachtens de nationale wet.

  Art. 6. 1. Een Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de dader of de vermoedelijke dader zich bevindt neemt deze, indien hij ervan overtuigd is dat de omstandigheden zulks wettigen, in hechtenis of neemt andere maatregelen ter verzekering van diens aanwezigheid. De inhechtenisneming en andere maatregelen dienen in overeenstemming te zijn met de wet van de betrokken Staat, doch mogen niet langer duren dan noodzakelijk is voor het instellen van een strafvervolging of uitleveringsprocedure.
  2. Deze Staat stelt terstond een voorlopig onderzoek in naar de feiten.
  3. Eenieder die ingevolge het eerste lid van dit artikel in hechtenis is genomen, wordt de gelegenheid gegeven zich onmiddellijk in verbinding te stellen met de dichtstbijzijnde daarvoor in aanmerking komende vertegenwoordiger van de Staat waarvan hij onderdaan is.
  4. Wanneer een Staat krachtens het bepaalde in dit artikel een persoon in hechtenis heeft genomen, verwittigt hij onmiddellijk de Staten bedoeld in artikel 5, eerste lid, de Staat waarvan de in hechtenis genomen persoon onderdaan is en, indien hij dit nodig oordeelt, iedere andere belanghebbende Staat van het feit dat de betrokken persoon in hechtenis is genomen en van de omstandigheden die zijn hechtenis rechtvaardigen. De Staat die het voorlopig onderzoek bedoeld in het tweede lid van dit artikel instelt, deelt zijn bevindingen onverwijld mede aan genoemde Staten en geeft tevens aan of hij voornemens is zijn rechtsmacht uit te oefenen.

  Art. 7. De Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de vermoedelijke dader wordt aangetroffen is, indien hij hem niet uitlevert, ongeacht of het strafbare feit gepleegd is op zijn grondgebied, in alle gevallen verplicht de zaak voor vervolging aan zijn bevoegde autoriteiten over te dragen. Deze autoriteiten nemen hun beslissing op dezelfde wijze als in geval van een gewoon strafbaar feit van ernstige aard krachtens de wet van die Staat.

  Art. 8. 1. De strafbare feiten worden geacht in elk tussen de Verdragsluitende Staten bestaand uitleveringsverdrag te zijn begrepen als uitleveringsdelicten. De Verdragsluitende Staten verplichten zich ertoe de strafbare feiten op te nemen als uitleveringsdelicten in ieder uitleveringsverdrag dat tussen hen wordt gesloten.
  2. Indien een Verdragsluitende Staat, welke uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Verdragsluitende Staat waarmede hij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan hij, indien hij dat verkiest, dit Verdrag beschouwen als de wettelijke basis voor uitlevering wegens strafbare feiten. De uitlevering is onderworpen aan de overige voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Staat voorziet.
  3. De Verdragsluitende Staten, welke uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, erkennen de strafbare feiten onderling als uitleveringsdelicten, onderworpen aan de voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Staat voorziet.
  4. Voor uitlevering tussen Verdragsluitende Staten wordt elk van de strafbare feiten beschouwd als niet alleen begaan op de plaats waar het is gepleegd, maar ook op het grondgebied van de Staten die overeenkomstig het eerste lid, letters b, c en d, van artikel 5 rechtsmacht dienen uit te oefenen.

  Art. 9. De Verdragsluitende Staten die voor het luchtvervoer gemeenschappelijke exploitatie-organisaties of internationale exploitatie-organisaties oprichten die gebruik maken van luchtvaartuigen die onderworpen zijn aan gemeenschappelijke of internationale inschrijving, wijzen op passende wijze voor elk luchtvaartuig een Staat uit hun middelen aan die rechtsmacht bezit en voor de toepassing van dit Verdrag de bevoegdheden heeft van de Staat waar dat luchtvaartuig staat ingeschreven. Zij doen daarvan mededeling aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, die alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag kennis geeft van deze mededeling.

  Art. 10. 1. De Verdragsluitende Staten streven er naar, overeenkomstig het internationale en het nationale recht alle redelijke maatregelen te nemen om de in artikel 1 genoemde strafbare feiten te voorkomen.
  2. Wanneer ten gevolge van het plegen van een van de strafbare feiten genoemd in artikel 1 een vlucht is vertraagd of onderbroken stelt iedere Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan het luchtvaartuig, de passagiers of bemanning zich bevinden, alles in het werk om de passagiers en de bemanning hun reis zo spoedig mogelijk te kunnen laten voortzetten. Hij geeft onverwijld het luchtvaartuig en zijn lading terug aan de rechthebbenden.

  Art. 11. 1. De Verdragsluitende Staten verlenen elkander de ruimst mogelijke rechtshulp in elke strafzaak wegens de strafbare feiten. In alle gevallen is op de uitvoering van het verzoek om rechtshulp de wet van de aangezochte Staat van toepassing.
  2. Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel laat verplichtingen uit hoofde van een ander bilateraal of multilateraal verdrag, dat, geheel of gedeeltelijk, hulp in strafzaken regelt, of zal regelen, onverlet.

  Art. 12. Een Verdragsluitende Staat die reden heeft te veronderstellen dat een van de strafbare feiten genoemd in artikel 1 zal worden gepleegd, brengt, overeenkomstig zijn nationale wet, alle desbetreffende in zijn bezit zijnde gegevens ter kennis van die Staten die naar hij meent de in artikel 5, eerste lid, genoemde Staten zijn.

  Art. 13. Elke Verdragsluitende Staat doet overeenkomstig zijn nationale wetgeving de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie zo spoedig mogelijk mededeling van elke ter zake doende informatie betreffende :
  a) het strafbare feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd;
  b) de maatregelen die ingevolge artikel 10, tweede lid, zijn genomen;
  c) de maatregelen genomen ten aanzien van de dader of de vermoedelijke dader, en in het bijzonder de resultaten van elke uitleveringsprocedure of elke andere gerechtelijke procedure.

  Art. 14. 1. Elk geschil tussen Verdragsluitende Staten inzake de uitleg of toepassing van dit Verdrag dat niet door onderhandelingen kan worden beslecht, wordt op verzoek van een der Partijen onderworpen aan arbitrage. Indien Partijen er binnen zes maanden na het verzoek om arbitrage niet in zijn geslaagd overeenstemming te bereiken over de vorm van deze arbitrage, kan ieder der betrokken Partijen het geschil voorleggen aan het Internationale Gerechtshof, door middel van een verzoek overeenkomstig het Statuut van het Hof.
  2. Elke Staat kan op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging of toetreding verklaren dat hij zich niet gebonden acht door het voorgaande lid. De andere Verdragsluitende Staten zijn door het voorgaande lid niet gebonden tegenover een Verdragsluitende Staat die zulk een voorbehoud heeft gemaakt.
  3. Een Verdragsluitende Staat die een voorbehoud heeft gemaakt als bedoeld in het voorgaande lid, kan dit voorbehoud te allen tijde intrekken door daarvan mededeling te doen aan de Depotregeringen.

  Art. 15. 1. Dit Verdrag staat open voor ondertekening te Montreal op 23 september 1971 door Staten die hebben deelgenomen aan de Internationale Conferentie inzake het Luchtrecht, gehouden te Montreal van 8 tot 23 september 1971 (hierna te noemen de Conferentie van Montreal). Na 10 oktober 1971 staat het Verdrag open voor ondertekening door alle Staten te Londen, Moskou en Washington. Elke Staat die dit Verdrag niet voor de datum van inwerkingtreding overeenkomstig het derde lid van dit artikel ondertekent, kan te allen tijde tot het Verdrag toetreden.
  2. Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd door de ondertekenende Staten. De akten van bekrachtiging en de akten van toetreding worden nedergelegd bij de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-BrittanniŽ en Noord-Ierland, de Regering van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, die hierbij worden aangewezen als Depotregeringen.
  3. Dit Verdrag treedt in werking dertig dagen na de datum van nederlegging van de akten van bekrachtiging door tien Staten die dit Verdrag hebben ondertekend en hebben deelgenomen aan de Conferentie van Montreal.
  4. Voor andere Staten zal dit Verdrag in werking treden op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag overeenkomstig het derde lid van dit artikel, of, zo dat tijdstip later valt, dertig dagen na de datum van nederlegging van hun akte van bekrachtiging of van toetreding.
  5. De Depotregeringen doen alle ondertekenende en toetredende Staten onverwijld mededeling van de datum van elke ondertekening, de datum van nederlegging van elke akte van bekrachtiging of van toetreding, de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag en van andere kennisgevingen.
  6. Terstond nadat dit Verdrag in werking is getreden, wordt het geregistreerd door de Depotregeringen ingevolge artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties en ingevolge artikel 83 van het Verdrag inzake de Burgerluchtvaart (Chicago, 1944).

  Art. 16. 1. Elke Verdragsluitende Staat kan dit Verdrag opzeggen door middel van een aan de Depotregeringen gerichte schriftelijke kennisgeving.
  2. De opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum waarop de kennisgeving is ontvangen door de Depotregeringen.

  Bijlage.

  Art. N. De bekrachtigingsoorkonden van BelgiŽ werden op 13 augustus 1976 neergelegd.
  Dit Verdrag zal voor BelgiŽ in werking treden op 12 september 1976.
  De lijst der gebonden Staten zal later bekendgemaakt worden. <Zie CN : 1971-09-23/35>

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,
   Overwegende dat wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart de veiligheid van personen en goederen in gevaar brengen, de exploitatie van luchtdiensten ernstig aantasten en het vertrouwen dat de volkeren der wereld stellen in de veiligheid der burgerluchtvaart ondermijnen,
   Overwegende dat zodanige gedragingen hen ernstig verontrusten,
   Overwegende dat, ten einde zodanige gedragingen te voorkomen, er dringende behoefte bestaat aan passende maatregelen ter bestraffing van de daders;
   .....

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • VERDRAG VAN 24-02-1988 GEPUBL. OP 11-12-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 5)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie