J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 541 uitvoeringbesluiten 37 gearchiveerde versies
Erratum Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1971/03/16/1971031602/justel

Titel
16 MAART 1971. - Arbeidswet
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-01-1985 en tekstbijwerking tot 15-03-2017)

Bron : TEWERKSTELLING EN ARBEID
Publicatie : 30-03-1971 nummer :   1971031602 bladzijde : 3931
Dossiernummer : 1971-03-16/02
Inwerkingtreding : 09-04-1971

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
Art. 1-3, 3bis, 3ter, 3quater, 4-5
HOOFDSTUK II. - Verbod om arbeid te verrichten.
Afdeling 1. <L 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> Kinderarbeid.
Onderafdeling 1. - Definities.
Art. 6
Onderafdeling 2. - Verbod van kinderarbeid.
Art. 7.1
Onderafdeling 3. - Individuele afwijking.
Art. 7.2-7.11
Onderafdeling 4. - Loon.
Art. 7.12-7.14
Afdeling 2. Verbod om bepaalde arbeid te verrichten.
Art. 8-10, 10bis
HOOFDSTUK III. - Arbeids- en rusttijden.
Afdeling 1. - Zondagsrust.
Art. 11-18
Afdeling 2. - Arbeidsduur.
Art. 19, 19bis, 20, 20bis, 20ter, 21-25, 25bis, 26, 26bis, 26ter, 27-29
Afdeling 3. - Arbeidstijdregeling voor jeugdige werknemers.
Art. 30-34, 34bis, 34ter
Afdeling 4. - <W 1997-02-17/47, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 08-04-1998> Nachtarbeid.
Onderafdeling 1. - <W 1997-02-17/47, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 08-04-1998> Het verbod op nachtarbeid.
Art. 35
Onderafdeling 2. - <W 1997-02-17/47, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 08-04-1998> Afwijkingen op het verbod op nachtarbeid.
Art. 36-37
Onderafdeling 3. - Het invoeren van een arbeidsregeling met nachtprestaties.
Art. 38
Afdeling V. - <Ingevoegd bij W 1997-02-17/47, art. 3; Inwerkingtreding : 08-04-1998> Het naleven van de uurroosters
Art. 38bis
Afdeling VI. - <Ingevoegd bij W 1997-02-17/47, art. 6; Inwerkingtreding : 08-04-1998> Rusttijden.
Art. 38ter
Afdeling 7. - (Pauzes). <Ingevoegd bij W 1998-12-04/31, art. 9; Inwerkingtreding : 27-12-1998>
Art. 38quater
HOOFDSTUK IV. - Moederschapsbescherming.
Art. 39, 39bis, 40-41, 41bis, 42-43, 43bis, 44-45
HOOFDSTUK V. - Algemene bepalingen.
Afdeling 1. - Schorsing van de toepassing van de wet.
Art. 46
Afdeling 2. - Advies.
Art. 47
Afdeling 3. - Toezicht.
Art. 48-52
Afdeling 4. Strafbepalingen.
Art. 53, 53bis, 54-59
HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen.
Art. 60-66

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.

  Artikel 1. Deze wet is van toepassing op de werknemers en op de werkgevers.
  Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld met:
  1° werknemers: de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon;
  2° werkgevers: de personen die de onder 1°, genoemde personen tewerkstellen;
  3° een bedrijfstak: de groepen van werkgevers en met werkgevers gelijkgestelde personen, die buiten het bedrijfsleven een gelijke of verwante activiteit uitoefenen;
  4° een bedrijf: de inrichtingen van de werkgevers en met werkgevers gelijkgestelde personen, die een activiteit buiten het bedrijfsleven uitoefenen.

  Art. 2. <W 1992-08-05/42, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder " jeugdige werknemers " : minderjarige werknemers die 15 jaar of ouder zijn en die niet meer onderworpen zijn aan de voltijdse leerplicht.
  De Koning kan nochtans de bepalingen van deze wet die de jeugdige werknemers betreffen, zo nodig onder door Hem te stellen voorwaarden, toepasselijk maken op de werknemers tussen 18 en 21 jaar.

  Art. 3. § 1. De bepalingen van hoofdstuk III, (afdelingen 1 en 2 en 4 tot7), zijn niet van toepassing op: <W 1998-12-04/31, art. 2, 1°, 019; Inwerkingtreding : 27-12-1998>
  1° de personen tewerkgesteld door het Rijk, de provinciën, de gemeenten, de openbare instellingen die er onder ressorteren en de instellingen van openbaar nut, behoudens indien zij tewerkgesteld zijn door instellingen die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen of door instellingen die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verlenen;
  2° (Opgeheven) <W 1996-12-06/30, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 03-01-1997>;
  3° de personen die werkzaam zijn in een familieonderneming waar gewoonlijk alleen bloedverwanten, aanverwanten of pleegkinderen arbeid verrichten onder het uitsluitend gezag van de vader, de moeder of de voogd;
  4° (...); <W 2005-07-20/41, art. 93, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2005>
  5° het varend personeel van de visserijbedrijven (...); <W 2006-07-20/39, art. 249, 026; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
  6° (...) <W 2002-08-02/45, art. 92, 022 Inwerkingtreding : 29-08-2002>
  § 2. De bepalingen van hoofdstuk III, afdeling 1, die de zondagsrust betreffen, zijn bovendien niet van toepassing op:
  1° het varend personeel tewerkgesteld aan werken van vervoer te water, met uitzondering van de werknemers die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst voor binnenschippers;
  2° de werknemers tewerkgesteld in onderwijsinstellingen.
  § 3. De bepalingen van hoofdstuk III, (afdelingen 2 en 4 tot 7), zijn bovendien niet van toepassing op: <W 1998-12-04/31, art. 2, 2°, 019; Inwerkingtreding : 27-12-1998>
  1° de door de Koning aangewezen werknemers die een leidende functie uitoefenen of een vertrouwenspost bekleden;
  2° de werknemers verbonden door een arbeidsovereenkomst voor dienstboden;
  3° de handelsvertegenwoordigers.

  Art. 3bis. <Ingevoegd bij W 1996-12-06/30, art. 6; Inwerkingtreding : 03-01-1997> De bepalingen van hoofdstuk III, (afdelingen I en II en 4 tot 7), zijn niet van toepassing op de huisarbeiders. <W 1998-12-04/31, art. 3, 019; Inwerkingtreding : 27-12-1998>
  De Koning kan, op voorstel van het bevoegd paritair orgaan, en onder de door Hem bepaalde voorwaarden en modaliteiten, de in het eerste lid bedoelde bepalingen geheel of gedeeltelijk toepasselijk verklaren op de huisarbeiders.
  Bij ontstentenis van het in het tweede lid bedoeld voorstel en na advies van de Nationale Arbeidsraad, kan de Koning, onder de door Hem bepaalde voorwaarden en modaliteiten, de in het eerste lid bedoelde bepalingen geheel of gedeeltelijk toepasselijk verklaren op de huisarbeiders.

  Art. 3ter.<W 2002-08-02/45, art. 93, 022 Inwerkingtreding : 29-08-2002> De bepalingen van hoofdstuk III, afdelingen I en II en IV tot VII zijn niet van toepassing op de artsen, veeartsen, tandartsen, geneesheren-specialisten in opleiding en op de studenten stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van de beroepen van arts, veearts en tandarts.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2010-12-12/05, art. 12, 031; Inwerkingtreding : 01-02-2011>

  Art. 3quater. <Ingevoegd bij W 2006-07-20/39, art. 250; Inwerkingtreding : 07-08-2006> De bepalingen van hoofdstuk III, afdelingen 1 en 2 en 4 tot 7 zijn niet van toepassing op het varend personeel tewerkgesteld aan werken van vervoer in de lucht.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en volgens de voorwaarden en nadere regelen die Hij bepaalt, de in het eerste lid bedoelde bepalingen geheel of gedeeltelijk van toepassing verklaren op het varend personeel tewerkgesteld aan werken van vervoer in de lucht. De Koning kan eveneens specifieke bepalingen voor deze categorie van werknemers invoeren.

  Art. 4. De Koning kan op voorstel van de bevoegde paritaire comités en na advies van de Nationale Arbeidsraad, de in artikel 3 genoemde bepalingen zo nodig onder door Hem te stellen voorwaarden, geheel of gedeeltelijk toepasselijk verklaren op de in dit artikel genoemde werknemers of niet toepasselijk verklaren op de werknemers die onder die bepaling vallen.
  Wanneer de Nationale Arbeidsraad de functie vervult die door het eerste lid aan de paritaire comités is opgedragen, beraadslaagt en beslist hij alleen dan geldig wanneer ten minste de helft van de leden die de werkgevers vertegenwoordigen en de helft van de leden die de werknemers vertegenwoordigen aanwezig zijn. Alleen de vertegenwoordigers van de werkgevers en de vertegenwoordigers van de werknemers hebben beslissende stem. Het voorstel moet bovendien worden genomen met eenparigheid van stemmen.

  Art. 5. De nietigheid van de dienstbetrekking kan niet worden ingeroepen:
  1° tegen jeugdige werknemers;
  2° tegen andere dan jeugdige werknemers, wanneer arbeid wordt verricht:
  a) ingevolge een dienstbetrekking nietig wegens inbreuk op de bepalingen die de regelen van de arbeidsverhoudingen tot voorwerp hebben;
  b) in speelzalen.

  HOOFDSTUK II. - Verbod om arbeid te verrichten.

  Afdeling 1. <L 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> _ Kinderarbeid.

  Onderafdeling 1. - Definities.

  Art. 6. <W 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  " kinderen " : minderjarigen beneden 15 jaar of die nog onderworpen zijn aan de voltijdse leerplicht.

  Onderafdeling 2. - Verbod van kinderarbeid.

  Art. 7.1. 1. <W 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> Het is verboden kinderen arbeid te doen of laten verrichten of enige werkzaamheid buiten het kader van hun opvoeding of vorming te doen of laten uitvoeren.
  2. Het is in ieder geval verboden kinderen enige werkzaamheid te doen of laten uitvoeren die een nadelige invloed kan hebben op de ontwikkeling van het kind op pedagogisch, intellectueel of sociaal vlak, zijn fysieke, psychische of morele integriteit in gevaar brengt of die schadelijk is voor enig aspect van zijn welzijn.

  Onderafdeling 3. - Individuele afwijking.

  Art. 7.2. 1. <W 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> Individuele afwijkingen van het verbod van het doen of laten uitvoeren van werkzaamheden door kinderen kunnen enkel worden toegestaan voor de medewerking van kinderen :
  1.1. als acteur, figurant, zanger, muzikant of danser aan uitvoeringen van culturele, wetenschappelijke, opvoedkundige of artistieke aard, zoals onder andere :
  a) toneel, opera, operette, ballet of circus;
  b) dans-, muziek- of zangwedstrijden of enige andere podiumwedstrijd of -activiteit;
  1.2. als acteur, figurant, zanger, muzikant of model aan beeld- of klankregistraties of rechtstreekse uitzendingen voor radio of televisie, al dan niet voor reclamedoeleinden;
  1.3. als figurant of model aan fotosessies, al dan niet voor reclamedoeleinden;
  1.4. als model of figurant aan modeshows en voorstellingen van collecties klederen.
  2. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de opsomming van de gevallen waarin individuele afwijkingen kunnen worden toegestaan beperken of uitbreiden.

  Art. 7.3. 1. <W 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> De bij artikel 7.2 bedoelde individuele afwijkingen kunnen enkel worden toegestaan op voorwaarde dat :
  1.1. de persoon die de individuele afwijking aanvraagt zich ertoe verbindt erop toe te zien dat het uitvoeren van de bij artikel 7.2 bedoelde werkzaamheid, waarvoor de afwijking aangevraagd wordt, geen nadelige invloed heeft op de ontwikkeling van het kind op pedagogisch, intellectueel en sociaal vlak, zijn fysieke, psychische en morele integriteit niet in gevaar brengt en niet schadelijk is voor enig aspect van zijn welzijn;
  1.2. de vader, moeder of de voogd, voorafgaand hun schriftelijke toelating geven voor het uitvoeren van deze werkzaamheid;
  1.3. de in 1.1 bedoelde aanvrager zich ertoe verbindt de bijkomende algemene voorwaarden die de Koning kan bepalen voor het uitvoeren van deze werkzaamheid, na te leven;
  1.4. de in 1.1 bedoelde aanvrager zich ertoe verbindt de bijkomende bijzondere voorwaarden die in de individuele afwijking kunnen bepaald worden voor het uitvoeren van deze werkzaamheid, na te leven.
  2. Deze individuele afwijkingen worden maar toegestaan voor een bepaalde tijd en voor een bepaalde werkzaamheid.

  Art. 7.4. 1. <W 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> Binnen de grenzen bepaald door deze afdeling stelt de Koning de voorwaarden en nadere regelen vast voor het uitvoeren van de werkzaamheden waarvoor een individuele afwijking bedoeld bij artikel 7.2 kan toegestaan worden, onder andere inzake het aanvangs- en einduur, de duur en de frequentie van deze werkzaamheden, alsmede inzake de rusttijden.
  2. Voor werkzaamheden van een kind tot en met 6 jaar kunnen enkel individuele afwijkingen toegestaan worden wanneer deze werkzaamheden uitgevoerd worden tussen 8 en 19 uur.
  3. Voor werkzaamheden van een kind van 7 tot en met 11 jaar kunnen enkel individuele afwijkingen toegestaan worden wanneer deze werkzaamheden uitgevoerd worden tussen 8 en 22 uur.
  4. Voor werkzaamheden van een kind van 12 tot 15 jaar of dat nog onderworpen is aan de voltijdse leerplicht kunnen enkel individuele afwijkingen toegestaan worden wanneer deze werkzaamheden uitgevoerd worden tussen 8 en 23 uur.

  Art. 7.5. <W 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> De Koning stelt de nadere procedureregelen vast tot het verkrijgen van de in artikel 7.2 bedoelde individuele afwijking.
  Hij wijst de ambtenaren aan die deze individuele afwijkingen kunnen toestaan.

  Art. 7.6. <W 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> Een individuele afwijking kan enkel toegestaan worden wanneer een schriftelijke aanvraag daartoe werd ingediend.
  De aanvraag tot het bekomen van een individuele afwijking kan enkel ingediend worden door een natuurlijke persoon die in België zijn woonplaats heeft en die de verantwoordelijkheid heeft voor het organiseren van een activiteit in het kader waarvan het kind een in artikel 7.2 bedoelde werkzaaheid zal uitvoeren.

  Art. 7.7. 1. <W 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> Een individuele afwijking kan enkel toegestaan worden nadat de schriftelijke aanvraag aan een onderzoek werd onderworpen.
  2. De individuele afwijking kan enkel schriftelijk worden toegestaan.
  3. Bij het Mininisterie van Tewerkstelling en Arbeid wordt een Adviesraad Kinderarbeid opgericht.
  De Koning bepaalt de samenstelling en de werkwijze van deze Raad.
  4. De Adviesraad Kinderarbeid heeft tot opdracht :
  4.1. aan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en aan de bevoegde ambtenaren, hetzij uit eigen beweging, hetzij op hun aanvraag, advies uit te brengen of voorstellen te doen inzake de algemene vraagstukken betreffende de kinderarbeid in de vorm van verslagen die de verschillende in zijn midden uiteengezette standpunten weergeven;
  4.2. op vraag van de bevoegde ambtenaar hem van advies te dienen bij het onderzoek van de aanvraag en de opvolging van de naleving van de toegestane individuele afwijking;
  4.3. de documentatie in verband met kinderarbeid te verzamelen;
  4.4. het onderzoek op het gebied van de kinderarbeid te coördineren, op te volgen en te evalueren;
  4.5. een jaarverslag op te stellen over zijn activiteiten en over de toepassing van de wetgeving op de kinderarbeid. Dit jaarverslag moet aan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en aan de Nationale Arbeidsraad worden toegezonden.
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de opdrachten van deze Adviesraad uitbreiden.
  5. Bij het onderzoek van de aanvraag en de opvolging van de naleving van de toegestane individuele afwijking kan de bevoegde ambtenaar zich laten bijstaan door één of meer deskundigen of door de Adviesraad Kinderarbeid.

  Art. 7.8. 1. <W 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> In de individuele afwijking bepaalt de bevoegde ambtenaar bijkomende bijzondere voorwaarden voor het uitvoeren van de werkzaamheden bedoeld bij artikel 7.2.
  2. Deze bijkomende bijzondere voorwaarden hebben onder meer betrekking op :
  2.1. het geheel van de voorwaarden in verband met het aanvangs- en het einduur, de duur en de frequentie van de werkzaamheden waarvoor een individuele afwijking kan worden toegestaan, met inbegrip van de voorbereidingen en de wacht- en rusttijden, alsmede in verband met de reistijden;
  2.2. de begeleiding en de opvang van het kind tijdens deze werkzaamheden, met inbegrip van de voorbereidingen en de wacht- en rusttijden, alsmede tijdens de reistijden;
  2.3. het schoolverzuim; een individuele afwijking kan enkel worden toegestaan indien een dergelijk verzuim onontbeerlijk is om de betrokken werkzaamheid te kunnen uitvoeren en nadat daaromtrent het advies van het betrokken schoolhoofd werd ingewonnen;
  2.4. de verplichting om het kind een deskundigenonderzoek te laten ondergaan of een begeleiding te voorzien door een deskundige, inzonderheid wanneer de kans op het creëren van een zogenaamde kindster reëel is;
  2.5. het sluiten van de nodige verzekeringen;
  2.6. de maatregelen die de aanvrager moet treffen om te voorkomen dat het uitvoeren van de werkzaamheid waarvoor de individuele afwijking wordt toegestaan een nadelige invloed heeft op de ontwikkeling van het kind op pedagogisch, intellectueel en sociaal vlak, zijn fysieke, psychische en morele integriteit in gevaar brengt of schadelijk is voor enig aspect van zijn welzijn;
  2.7. de vaststelling van het feit of het kind al dan niet instemt met het uitvoeren van de werkzaamheid waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid.

  Art. 7.9. <W 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> Het is verboden het kind een werkzaamheid bedoeld in artikel 7.2 te doen of laten uitvoeren vooraleer de aanvrager van de bevoegde ambtenaar daartoe een schriftelijke individuele afwijking heeft bekomen.
  De bevoegde ambtenaar moet antwoorden binnen een termijn van hoogstens één maand, te rekenen van de indiening van de geldige aanvraag.

  Art. 7.10. <W 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> De schriftelijke individuele afwijking die de aanvrager ontvangen heeft van de bevoegde ambtenaar moet, op het ogenblik en de plaats waar het kind de werkzaamheid uitvoert, door de aanvrager of de persoon die hij daartoe aangewezen heeft aan de officieren van gerechtelijke politie of aan de bij artikel 49 bedoelde personen vertoond worden op hun verzoek.

  Art. 7.11. <W 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> Het is verboden als tussenpersoon of bemiddelaar, al dan niet tegen vergoeding, voorstellen te doen, rechtshandelingen te stellen of reclame te maken ten einde werkzaamheden bedoeld bij artikel 7.2, waarvoor geen individuele afwijking gevraagd wordt, te bevorderen of mee helpen tot stand te brengen.

  Onderafdeling 4. - Loon.

  Art. 7.12. 1. <W 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> Met loon wordt gelijkgesteld :
  1.1. het geld of de in geld waardeerbare voordelen waarop het kind recht heeft of dat het kind ontvangt overeenkomstig de bepalingen van artikel 7.13.1 ingevolge het uitvoeren van een werkzaamheid bedoeld bij artikel 7.2 waarvoor een individuele afwijking werd toegestaan;
  1.2. het geld of de in geld waardeerbare voordelen dat het kind, zijn vader, moeder of voogd ontvangt in strijd met de bepalingen van artikel 7.13.1 ingevolge het uitvoeren van een werkzaamheid bedoeld bij artikel 7.2 waarvoor een individuele afwijking werd toegestaan;
  1.3. het geld of de in geld waardeerbare voordelen waarop het kind recht heeft of dat het kind, zijn vader, moeder of voogd ontvangt ingevolge het verrichten van arbeid door het kind, verboden op grond van artikel 7.1 of ingevolge het uitvoeren van een werkzaamheid door het kind waarvoor geen individuele afwijking, zoals bedoeld bij artikel 7.2 werd toegestaan.
  2. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 7.13 en 7.14 is de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers van overeenkomstige toepassing op het in 1 bedoelde loon van het kind.

  Art. 7.13. 1. <W 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> Het loon in geld van het kind, bedoeld bij artikel 7.12 moet door de bij artikel 7.6 bedoelde aanvrager van de individuele afwijking, gestort worden op een geïndividualiseerde spaarrekening op naam van het kind bij een financiële instelling. De intrest wordt gekapitaliseerd. Elke andere betalingswijze is nietig.
  2. Dit loon moet uiterlijk uitbetaald worden op de vierde werkdag van de maand volgend op de maand waarin de werkzaamheid door het kind werd uitgevoerd.
  3. Over deze geïndividualiseerde spaarrekening, zowel wat de hoofdsom als de intresten betreft, mag niet worden beschikt door een ander persoon dan de titularis.
  Onverminderd het bepaalde in de wet van 30 april 1958 betreffende de handelingsbekwaamheid van de minderjarige voor sommige spaarverrichtingen, kan de Koning de gevallen, de voorwaarden en nadere regelen bepalen waaronder de vader, de moeder of de voogd geld kunnen afhalen van deze geïndividualiseerde spaarrekening, enkel in het belang van het kind.

  Art. 7.14. <W 1992-08-05/42, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993> Buiten het loon in geld of de in geld waardeerbare voordelen bedoeld bij artikel 7.12, mogen naar aanleiding van het uitvoeren van een werkzaamheid door het kind, enkel de gebruikelijke geschenken worden gegeven, mits deze aan de leeftijd, de ontwikkeling en de vorming van het kind zijn aangepast.

  Afdeling 2. _ Verbod om bepaalde arbeid te verrichten.

  Art. 8.[1 De jeugdige werknemers mogen geen ondergrondse arbeid verrichten in mijnen, groeven en graverijen.]1
  De Koning kan het verrichten van ondergrondse arbeid die niet in de mijnen, graverijen en groeven wordt verricht, aan jeugdige werknemers verbieden, of afhankelijk maken van de inachtneming van bepaalde beschermingsmaatregelen.
  ----------
  (1)<W 2010-04-28/01, art. 115, 029; Inwerkingtreding : 20-05-2010>

  Art. 9. Jeugdige werknemers mogen geen arbeid verrichten die hun krachten te boven gaat, hun gezondheid bedreigt of hun zedelijkheid in gevaar brengt. De Koning kan bepalen welke arbeid in elk geval als zodanig moet worden aangemerkt.

  Art. 10.De Koning kan het verrichten van gevaarlijke of ongezonde arbeid aan [1 ...]1 jeugdige werknemers verbieden of afhankelijk maken van de inachtneming van bepaalde beschermingsmaatregelen.
  ----------
  (1)<W 2010-04-28/01, art. 116, 029; Inwerkingtreding : 20-05-2010>

  Art. 10bis. <W 24-02-1978, art. 12> De personen die de leeftijdsgrens, bepaald in of in uitvoering van artikel 6 van de wet van 24 februari 1978, betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars niet bereikt hebben, mogen niet worden tewerkgesteld krachtens een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.

  HOOFDSTUK III. - Arbeids- en rusttijden.

   Afdeling 1. - Zondagsrust.

  Art. 11. Het is verboden werknemers 's zondags tewerk te stellen.

  Art. 12. Volgende werkzaamheden mogen 's zondags worden uitgevoerd in zoverre de normale exploitatie van het bedrijf het niet mogelijk maakt ze op een andere dag van de week uit te voeren :
  1° toezicht op de bedrijfsruimte;
  2° schoonmaken, herstellen en onderhouden, in zover deze werkzaamheden voor de regelmatige voortzetting van het bedrijf nodig zijn, alsmede de werkzaamheden buiten de produktie, die nodig zijn voor de regelmatige hervatting van het bedrijf de volgende dag;
  3° arbeid verricht om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval;
  4° dringende arbeid aan machines of materieel en arbeid die door een onvoorziene noodzakelijkheid wordt vereist;
  5° arbeid om beschadiging van grondstoffen of voortbrengselen te voorkomen.
  De werkzaamheden bedoeld in het eerste lid mogen zowel door de werknemers van het bedrijf als door andere werknemers worden uitgevoerd.
  De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan die van de artikelen 76 en 77 van de wetten op de mijnen, groeven en graverijen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 15 september 1919.

  Art. 13. De werknemers mogen 's zondags tewerkgesteld worden in de bedrijven of voor het uitvoeren van werken aangewezen door de Koning.

  Art. 14. § 1.In de andere kleinhandelszaken dan die waarin de zondagsarbeid toegelaten werd in uitvoering van artikel 13, mogen de werknemers 's zondags van 8 uur 's morgens tot 's middags worden tewerkgesteld.
  Nochtans kan de Koning in bepaalde gemeenten :
  1° deze tewerkstelling op zondag verbieden of de duur ervan beperken;
  2° deze tewerkstelling op zondag gedurende ten hoogste zes weken per jaar toelaten op andere uren of gedurende een groter aantal uren dan bepaald in het eerste lid, wanneer bijzondere omstandigheden dit vorderen.
  § 2. In badplaatsen, luchtkuuroorden en toeristische centra mogen de werknemers 's zondags tewerkgesteld worden in kleinhandelszaken en kapperssalons.
  De Koning bepaalt :
  1° wat moet worden verstaan onder badplaatsen, luchtkuuroorden en toeristische centra;
  2° de voorwaarden waaronder en de grenzen waarbinnen de werknemers 's zondags mogen tewerkgesteld worden.

  Art. 15. De Koning kan toestaan dat de werknemers twaalf maal per jaar 's zondags tewerkgesteld worden, zonder dat evenwel meer dan vier opeenvolgende weken van dit recht mag gebruik worden gemaakt :
  1° in bedrijven die gedurende slechts een gedeelte van het jaar werken of waarin gedurende zekere seizoenen van het jaar intenser wordt gewerkt;
  2° in bedrijven die in openlucht worden uitgeoefend en waarin de arbeid kan worden belemmerd door ongunstig weder.
  De werkgever die zondagsarbeid met toepassing van het eerste lid doet verrichten, brengt dit binnen vierentwintig uur ter kennis van de door de Koning aangewezen ambtenaar.

  Art. 16. De werknemers die zondagsarbeid verrichten met toepassing van de artikelen 12, 13, 14 en 15, hebben recht op inhaalrust in de loop van de zes dagen die op de bewuste zondag volgen.
  De rusttijd bedraagt een volle dag, indien de zondagsarbeid langer dan vier uren heeft geduurd en ten minste een halve dag indien hij niet langer dan vier uren heeft geduurd; in dit laatste geval moet de inhaalrust worden verleend vóór of na 13 uur en op die dag mag niet langer dan vijf uur arbeid worden verricht.
  De Koning kan een andere regeling voor inhaalrust voorschrijven. Hij mag evenwel de in het tweede lid bepaalde duur van de inhaalrust niet wijzigen, tenzij om deze vast te stellen op de werkelijke duur van de verrichte zondagsarbeid.

  Art. 17. <W 1987-03-17/33, art. 19, 002; Inwerkingtreding : 01-07-1987> De werknemers die (arbeid verrichten in opeenvolgende ploegen) kunnen op zondag worden tewerkgesteld op voorwaarde dat hun arbeid een keer per week wordt onderbroken gedurende een periode van vierentwintig opeenvolgende uren waarvan er ten minste achttien op de zondag vallen. <W 1997-02-17/47, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 08-04-1998>

  Art. 18. De rusttijdregeling wordt bij verordening vastgesteld :
  1° voor de door het Rijk beheerde bedrijven;
  2° voor de spoor- en buurtspoorwegbedrijven; deze verordeningen behoeven goedkeuring van de Minister tot wiens bevoegdheid het Verkeerswezen behoort.

  Afdeling 2. - Arbeidsduur.

  Art. 19. De arbeidsduur van de werknemers mag niet meer belopen dan acht uren per dag of 40 uren per week.
  Onder arbeidsduur wordt verstaan : de tijd gedurende welke het personeel ter beschikking is van de werkgever.
  Op verzoek van het bevoegde Paritair Comité, kan de Koning de tijd bepalen gedurende welke het personeel ter beschikking van de werkgever is, ten aanzien van :
  1° de vervoerondernemingen;
  2° de werknemers tewerkgesteld aan vervoerwerken;
  3° de werknemers tewerkgesteld aan werken die hoofdzakelijk bij tussenpozen worden verricht.
  Ten aanzien van de werknemers van de zeevaartondernemingen en van de ondernemingen van vervoer langs de binnenwateren, kan de Koning, op voorstel van het bevoegde Paritair Comité, de modaliteiten van toepassing in het bepaalde in het eerste lid bepalen.
  De arbeidsduur van de werknemers tewerkgesteld in de mijnen, groeven en graverijen, bevat de tijd die normaal nodig is om af te dalen naar de plaats van het werk en om ervan terug naar boven te komen of om ervan terug af te dalen.

  Art. 19bis. <W 1985-01-22/30, art. 145, 002> De tijd, door een jeugdige werknemer die nog onderworpen is aan de deeltijdse leerplicht zoals bedoeld bij artikel 1, § 1, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht besteed aan het volgen van onderwijs met beperkt leerplan of aan een voor de vervulling van de leerplicht erkende vorming, wordt als arbeidsduur beschouwd.

  Art. 20. § 1. De dagelijkse grens van de arbeidsduur kan op negen uren worden gebracht wanneer de arbeidstijdregeling per week een halve, een hele of meer dan een rustdag behalve de zondag, omvat.
  § 2. Ze kan op tien uren worden gebracht voor de werknemers die wegens de afstand van de werkplaats niet elke dag naar hun woon- of verblijfplaats kunnen terugkeren.
  Onder werknemers die niet elke dag naar hun woon- of verblijfplaats kunnen terugkeren, wordt verstaan degenen die gedurende meer dan veertien uren moeten van huis zijn.
  De berekening van de uren afwezigheid geschiedt vanaf de woon- of verblijfplaats op basis van de dienstregelingen der gemeenschappelijke vervoermiddelen die de werknemer ter beschikking staan.
  De Koning kan de dagelijkse grens waarvan sprake in het eerste lid van deze paragraaf wijzigen. Hij kan eveneens de erin bepaalde regeling uitbreiden tot alle werknemers van een werf of van een werkplaats wanneer de meerderheid van de aldaar tewerkgestelde werknemers niet elke dag naar hun woon- of verblijfplaats kunnen terugkeren.

  Art. 20bis.<W 1985-01-22/30, art. 76, 002> (§ 1. [1 De grenzen vastgesteld bij artikel 19 kunnen worden overschreden door middel van het arbeidsreglement of een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.]1
  Het arbeidsreglement en, in voorkomend geval, de collectieve arbeidsovereenkomst vermelden ten minste :
  1° [1 De gemiddelde wekelijkse arbeidsduur alsmede het aantal arbeidsuren dat moet worden gepresteerd over de referteperiode waarvan de duur een kalenderjaar bedraagt, tenzij een andere periode van twaalf opeenvolgende maanden wordt vastgesteld. Van deze referteperiode van een kalenderjaar of van een andere vastgestelde periode van twaalf opeenvolgende maanden, kan niet worden afgeweken, noch bij arbeidsreglement, noch bij collectieve arbeidsovereenkomst;]1
  2° het aantal uren dat beneden of boven de dagelijkse grens van de arbeid, zoals vastgesteld in het uurrooster vermeld in het arbeidsreglement, mag worden gepresteerd, zonder dat de uren die meer of minder worden gepresteerd twee uren mogen overschrijden en zonder dat de dagelijkse arbeidsduur negen uren mag overschrijden;
  3° het aantal uren dat beneden of boven de wekelijkse grens van de arbeid, zoals vastgesteld in het uurrooster vermeld in het arbeidsreglement, mag worden gepresteerd, zonder dat de uren die meer of minder worden gepresteerd vijf uren mogen overschrijden en zonder dat de wekelijkse arbeidsduur vijfenveertig uren mag overschrijden.
  De nieuwe uurroosters die voortvloeien uit de toepassing van het eerste lid moeten het voorwerp uitmaken van een aanpassing van het arbeidsreglement overeenkomstig de beginselen van het tweede lid volgens de bepalingen van artikel 6, 1°, van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.) <W 1994-12-21/31, art. 78, 011; Inwerkingtreding : 02-01-1995>
  § 2. De rustdagen bepaald bij de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen en de periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomsten voorzien in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten komen als arbeidsduur in aanmerking voor de berekening van de arbeidsduur die over een jaar moet worden nageleefd.
  § 3. Bij de berekening van de jaarlijkse arbeidsduur wordt geen rekening gehouden met de overschrijdingen van de bij artikel 19 vastgestelde grenzen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 26, § 1, 1° en 2°.
  (§ 4. Het aantal arbeidsuren dat over een jaar moet worden gepresteerd kan ten belope van 65 uren per kalenderjaar worden overschreden in geval van toepassing van de artikelen 25 en 26, § 1, 3°.
  Deze overschrijding kan enkel toegestaan worden door een in het paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst, wanneer het niet mogelijk is om over te gaan tot bijkomende aanwervingen.) <W 1993-06-10/32, art. 10, 009; Inwerkingtreding : 10-07-1993>
  ----------
  (1)<W 2017-03-05/03, art. 2, 038; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 20ter. [1 § 1. Een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, of het arbeidsreglement kan de invoering toelaten van een glijdend uurrooster dat de overschrijding van de bij artikel 19 vastgestelde grenzen toestaat.
   Het glijdend uurrooster bevat vaste periodes waarbinnen de werknemer verplicht aanwezig en ter beschikking van de werkgever moet zijn in de zin van artikel 19 en variabele periodes waarbinnen de werknemer zelf het begin en het einde van zijn werkdag en van zijn pauzes kiest, zonder afbreuk te doen aan een effectieve arbeidsorganisatie.
   § 2. De collectieve arbeidsovereenkomst of, in voorkomend geval, het arbeidsreglement vermelden minstens :
   1° de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur die moet worden nageleefd binnen de referteperiode die drie kalendermaanden bedraagt tenzij de collectieve arbeidsovereenkomst of het arbeidsreglement een andere duur bepaalt zonder evenwel een jaar te mogen overschrijden;
   2° de uren van verplichte aanwezigheid van de werknemer in de onderneming, hierna genoemd de stamtijd;
   3° de uren van de variabele periodes, hierna genoemd glijtijd, waarbinnen de werknemer zelf zijn aankomst, vertrek en pauzes bepaalt. De dagelijkse arbeidsduur kan negen uur niet overschrijden;
   4° het aantal uren dat kan worden gepresteerd onder of boven de grens van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur vastgelegd in de onderneming zonder dat de wekelijkse arbeidsduur 45 uren mag overschrijden;
   5° het aantal uren dat meer of minder werd gepresteerd dan de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur en dat op het einde van de referteperiode het voorwerp kan uitmaken van een overdracht, zonder dat dit aantal hoger mag zijn dan twaalf uren.
   De twaalf uren bedoeld in de bepaling onder 5° kunnen worden verhoogd bij collectieve arbeidsovereenkomst.
   § 3. De rustdagen bepaald bij de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen en de periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst bepaald in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gelden als arbeidsduur voor de berekening van de arbeidsduur die moet worden gerespecteerd binnen de referteperiode; deze dagen worden gelijkgesteld rekening houdend met de gemiddelde dagelijkse arbeidsduur vermeld in het arbeidsreglement;
   § 4. De grenzen vastgesteld in § 2, 3° en 4°, kunnen worden overschreden in geval van toepassing van de artikelen 25, 25bis en 26.
   Als de werknemer op het einde van de referteperiode meer of minder uren heeft gepresteerd dan de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur als gevolg van het zich voordoen van een geval van overmacht die de werknemer verhindert om tijdens een deel van de referteperiode te werken, zal de recuperatie van deze uren kunnen gebeuren binnen de drie maanden die volgen op het einde van de referteperiode.
   § 5. Bij de toepassing van een glijdend uurrooster voorziet de werkgever in een systeem van tijdsopvolging dat voor elke betrokken werknemer volgende gegevens bevat :
   - de identiteit van de werknemer;
   - per dag de duur van zijn arbeidsprestaties;
   - en wanneer het een deeltijdse werknemer met een vast werkrooster betreft, het begin en einde van zijn prestaties alsook zijn rustpauzes.
   Het systeem van tijdsopvolging houdt deze gegevens bij gedurende de lopende referteperiode en kan worden geconsulteerd door elke werknemer die wordt tewerkgesteld op basis van een glijdend rooster, evenals door de ambtenaar aangewezen door de Koning.
   De gegevens die opgetekend worden door het systeem van tijdsopvolging moeten bewaard worden gedurende een periode van vijf jaar na afloop van de dag waarop de gegevens betrekking hebben.
   De werkgever zorgt ervoor dat de werknemer kennis kan nemen van het precieze aantal uren dat hij binnen de referteperiode bedoeld in § 2, 1°, op basis van een glijdend rooster, meer of minder heeft gepresteerd dan de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van het glijdend rooster.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-03-05/03, art. 68, 038; Inwerkingtreding : 01-02-2017>
  

  Art. 21. <W 1989-12-22/31, art. 189, 006; Inwerkingtreding : 09-01-1990> De duur van elke werkperiode mag niet korter zijn dan drie uren. Deze duur kan gewijzigd worden door de Koning of door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
  Onverminderd de bepalingen van het eerste lid, kan de Koning voorwaarden stellen aan de verdeling van prestaties in verschillende werkperiodes tijdens eenzelfde dag.

  Art. 22. <KBN225 07-12-1983, art. 1> De bij (de artikelen 19 en 20 en de krachtens artikel 20bis) bepaalde grenzen mogen worden overschreden : <W 1985-01-22/30, art. 77, 002>
  1° wanneer (arbeid in opeenvolgende ploegen wordt verricht); <W 1997-02-17/47, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 08-04-1997>
  2° voor het uitvoeren van werken die wegens hun aard niet mogen worden onderbroken;
  3° voor het uitvoeren van werken van inventarissen en balansen op voorwaarde dat deze grenzen niet gedurende méér dan zeven dagen per werknemer en per kalenderjaar worden overschreden.

  Art. 23. <KBN225 07-12-1983, art. 2> De Koning kan toestaan dat de bij (de artikelen 19 en 20 en de krachtens artikel 20bis) vastgestelde grenzen overschreden worden in de bedrijfstakken, de categorieën van ondernemingen of de takken van ondernemingen waar deze grenzen niet kunnen worden toegepast. <W 1985-01-22/30, art. 78, 002>

  Art. 24. § 1. (De Koning kan toestaan dat de bij (de artikelen 19 en 20, en de krachtens artikel 20bis) vastgestelde grenzen overschreden worden : <W 1985-01-22/30, art. 79, 002>
  1° voor de werknemers die voorbereidend werk of nawerk verrichten, dat noodzakelijk buiten de voor bedrijfsarbeid vastgestelde tijd moet worden uitgevoerd; de Koning bepaalt wat onder voorbereidend werk en nawerk wordt verstaan;
  2° voor de werknemers tewerkgesteld aan werken van vervoer, laden en lossen.) <KBN225 07-12-1983, art. 3>
  § 2. De Koning kan hogere grenzen dan die bepaald bij (de artikelen 19 en 20, en de krachtens artikelen 20bis) vaststellen voor de werknemers die tewerkgesteld zijn in bedrijfstakken waarin : <W 1985-01-22/30,art. 79, 002>
  1° de tijd nodig voor het verrichten van de arbeid, wegens de aard van het werk, niet nauwkeurig kan worden bepaald;
  2° de verwerkte stoffen zeer snel kunnen ontaarden.

  Art. 25. <KBN225 07-12-1983, art. 4> Om het hoofd te bieden aan een buitengewone vermeerdering van werk mogen de grenzen, vastgesteld bij of krachtens de bepalingen van deze afdeling, overschreden worden ingevolge een toelating verleend door de door de Koning aangewezen ambtenaar, mits akkoord van de vakbondsafvaardiging van de onderneming wanneer er een bestaat.

  Art. 25bis. [1 § 1. Op initiatief van de werknemer en met zijn akkoord kunnen de grenzen vastgesteld door of krachtens deze afdeling worden overschreden met maximum 100 uren per kalenderjaar. Deze overschrijding is slechts mogelijk in de mate dat de werkgever deze uren wenst te laten presteren.
   Bij een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan dat aantal uren worden verhoogd tot maximum 360 uren.
   § 2. Het akkoord van de werknemer wordt schriftelijk vastgesteld voor een hernieuwbare periode van zes maanden. Het akkoord moet uitdrukkelijk en voorafgaandelijk aan de betrokken periode worden gesloten.
   Bij collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair orgaan, die uiterlijk op 31 januari 2017 werd neergelegd op de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, kan worden afgeweken van de voorwaarden bepaald bij deze paragraaf.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-03-05/03, art. 4, 038; Inwerkingtreding : 01-02-2017>
  

  Art. 26. <KBN225 07-12-1983,art. 5> § 1. De grenzen vastgesteld bij of krachtens de bepalingen van deze afdeling mogen door de werknemers van de onderneming overschreden worden voor het verrichten van :
  1° arbeid om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval;
  2° dringende arbeid aan machines of materieel voor zover de uitvoering ervan buiten de arbeidsuren onontbeerlijk is om een ernstige belemmering van de normale werking van het bedrijf te voorkomen;
  3° arbeid die door een onvoorziene noodzakelijkheid wordt vereist mits het voorafgaande akkoord van de vakbondsafvaardiging van de onderneming of indien men in de onmogelijkheid is om het akkoord te vragen, mits mededeling achteraf; de door de Koning aangewezen ambtenaar wordt in beide gevallen op de hoogte gebracht.
  § 2. De grenzen vastgesteld bij of krachtens de bepalingen van deze afdeling mogen worden overschreden voor de uitvoering voor rekening van een derde van :
  1° arbeid om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval;
  2° dringende arbeid aan machines of materieel.
  § 3. De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan die van de artikelen 76 en 77 van de wetten op de mijnen, groeven en graverijen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 15 september 1919.

  Art. 26bis.<KBN 07-12-1983, art. 6> (§ 1. De overschrijdingen bedoeld in de artikelen 22, 1° en 2°, 23, 24, 25, en 26, § 1, 3°, en § 2, zijn enkel toegelaten op voorwaarde dat gedurende een periode van een trimester, gemiddeld niet langer dan 40 uren per week wordt gewerkt.
  Die bepaling is eveneens van toepassing op de overschrijdingen begaan in strijd met de bepalingen van deze wet of van andere wetsbepalingen.
  De referteperiode van een trimester kan worden verlengd tot ten hoogste een jaar :
  - door de Koning;
  - door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
  - of bij ontstentenis, door het arbeidsreglement (....) <W 1996-07-26/32, art. 38, 015; Inwerkingtreding : onbepaald>
  (Ze kan echter enkel worden verlengd door de Koning of door een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst indien ze toepasselijk is op nachtarbeiders. Voor de toepassing van dit lid dient onder nachtarbeider te worden verstaan, diegene die gewoonlijk tewerkgesteld wordt in een arbeidsregeling bedoeld in artikel 38, § 4.) <W 1998-12-04/31, art. 5, 1°, 019; Inwerkingtreding : 27-12-1998>
  In geval van toepassing van de door artikel 20bis bepaalde afwijking, is de periode bedoeld in het eerste lid, voor de toepassing van de artikelen 25 en 26, dezelfde als de periode vastgesteld door de collectieve arbeidsovereenkomst of het arbeidsreglement.
  Om dit gemiddelde te berekenen, wordt geen rekening gehouden met de overschrijdingen van de in de artikelen 19 en 20 vastgestelde grenzen die voortvloeien uit de toepassing [2 van de artikelen 25bis en]2 26, § 1, 1° en 2°.
  De rustdagen bepaald bij de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen, alsmede door of krachtens een collectieve arbeidsovereenkomst, de periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst bepaald in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de rustdagen toegekend met toepassing van artikel 29, § 4, van deze wet, gelden als arbeidsduur voor de berekening van de gemiddelde arbeidsduur, bedoeld in het eerste lid.
  [1 Achtste lid opgeheven.]1
  Onder trimester in de zin van dit artikel wordt verstaan de periode gedekt door de uitbetalingen waarvan de sluitingsdag in eenzelfde kalenderkwartaal is gelegen.) <W 1994-12-21/31, art. 79, 011; Inwerkingtreding : 02-01-1995>
  [1 § 1bis. [2 In de loop van de in paragraaf 1 bedoelde referteperiode mag op geen enkel ogenblik de totale duur van de verrichte arbeid de toegelaten gemiddelde arbeidsduur over dezelfde referteperiode, vermenigvuldigd met het aantal weken of delen van een week die reeds in deze referteperiode verlopen zijn, overschrijden met meer dan 143 uren.
   Een collectieve arbeidsovereenkomst die door de Koning algemeen verbindend verklaard is, kan die grens van 143 uren verhogen.
   De in de betrokken referteperiode met toepassing van artikel 25bis gepresteerde overuren worden meegeteld in de totale duur van de verrichte arbeid bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van de eerste 25 gepresteerde uren. Dit aantal van 25 uren kan verhoogd worden tot maximum 60 uren bij een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst.]2]1
  § 2. De bij artikel 22, 3°, bedoelde overschrijdingen zijn enkel toegelaten op voorwaarde dat de inhaalrust die overeenstemt met de overschrijdingen van de bij artikel 19 vastgestelde grens van de wekelijkse arbeidsduur, toegekend worden binnen dertien weken die volgen op die overschrijdingen.
  § 2bis. [1 Op vraag van de werknemer worden 91 uren per kalenderjaar, gepresteerd overeenkomstig artikel 25 of artikel 26, § 1, 3°, niet aangerekend bij de berekening van het gemiddelde bedoeld in paragraaf 1 en niet in aanmerking genomen voor de naleving van de grens bedoeld bij paragraaf 1bis.
   De werknemer moet deze vraag gesteld hebben nog voor de betaalperiode gedurende welke de prestaties werden verricht, verlopen is.
   Deze 91 uren kunnen worden verhoogd tot 130 uren of tot 143 uren volgens de procedures vastgesteld door de Koning. In het kader van deze procedures kan de Koning toelaten om af te wijken van de artikelen 11 en 12 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen. Bij de toepassing van deze procedures, zal bijzondere aandacht besteed worden aan de werkgelegenheid, de gezondheid en veiligheid van de werknemers en de kwaliteit van de arbeid.]1
  § 3. (In geval van toepassing van de artikelen 25 en 26, § 2, en voor zover er niet gelijktijdig gebruik wordt gemaakt van de afwijking bedoeld bij artikel 20bis, mag het gemiddelde over de bij paragraaf 1 bepaalde periode overschreden worden ten belope van 65 uren of met een bij de Koning vastgesteld hoger aantal uren, op voorwaarde dat de inhaalrust toegekend wordt binnen drie maanden of binnen een door de Koning vastgestelde langere periode, volgend op de bij § 1 bedoelde periode waarin de overschrijding is gebeurd). <W 1985-01-22/30, art. 80, 002>
  [1 Ingeval een hoger maximum dan 65 uren werd vastgesteld op grond van het vorige lid, kan de Koning de grens vastgesteld in paragraaf 1bis verhogen.]1
  De inhaalrust moet worden toegekend naar rata van een volledige rustdag per overschrijding die de bij artikel 19 vastgestelde dagelijkse arbeidsduur bereikt. Zij moet samenvallen met een dag waarop de werknemer normaal zou hebben gewerkt indien hij in toepassing van dit artikel geen inhaalrust had genoten en telt als arbeidstijd voor de berekening van het bij § 1 bedoelde gemiddelde.
  In de gevallen waarin zij niet binnen de bij het eerste lid bedoelde periode kan worden toegekend (wegens het bepaalde in het derde lid), wordt de inhaalrust toegekend binnen drie maanden die volgen op het einde van de periode waarin de inhaalrust niet kon worden toegekend. Indien de duur van deze laatste periode evenwel zes maanden overschrijdt, wordt de inhaalrust niet meer toegekend. <W 2005-07-03/46, art. 16, 024; Inwerkingtreding : 19-07-2005>
  ----------
  (1)<W 2013-08-17/26, art. 3, 035; Inwerkingtreding : 01-10-2013 (zie KB 2013-09-11/02, art. 8). Overgangsbepalingen: art. 4>
  (2)<W 2017-03-05/03, art. 5, 038; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 26ter. (opgeheven) <W 1996-07-26/32, art. 39, 015; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 27.<W 1998-12-04/31, art. 6, 019; Inwerkingtreding : 27-12-1998> § 1. Behoudens in de bij de artikelen 22, 2°, en 26, § 1, 1° en 2°, en § 2 bedoelde gevallen mag de arbeidsduur nooit meer dan elf uren per dag noch vijftig uren per week overschrijden, zelfs niet bij de gelijktijdige toepassing van verschillende bepalingen.
  § 2. Wanneer arbeid wordt verricht in toepassing van artikel 22, 2°, is de arbeidsduur evenwel steeds begrensd tot twaalf uren per dag en tot vijftig uren per week. De wekelijkse arbeidsduur kan op zesenvijftig uren worden gebracht wanneer de dagelijkse arbeidsduur acht uren niet overschrijdt. Deze dagelijkse en wekelijkse grenzen kunnen worden overschreden in geval van toepassing van artikel 26, § 1, 1° en 2°, en § 2.
  § 3. De Koning kan de overschrijving van de in §§ 1 en 2 voorziene grens van vijftig uren toestaan in de bedrijfstakken, de categorieën van ondernemingen of de takken van ondernemingen waarin deze grens niet kan worden toegepast, behoudens wanneer de werknemer tewerkgesteld wordt in het kader van een arbeidsregeling bedoeld in artikel 38, § 4.
  § 4. De afwijkingen bedoeld in de artikelen 22, 1° en 2°, 23 en 24 zijn niet van toepassing op de nachtarbeiders wanneer hun werk bijzondere risico's met zich meebrengt of belangrijke lichamelijke of geestelijke spanningen. Voor de toepassing van dit lid dient onder nachtarbeider te worden verstaan, diegene die gewoonlijk tewerkgesteld wordt in een arbeidsregeling bedoeld in artikel 38, § 4.
  Deze bijzondere risico's of belangrijke lichamelijke of geestelijke spanningen worden gedefinieerd door een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst of bij ontstentenis van een dergelijke collectieve arbeidsovereenkomst, door de Koning. Deze collectieve arbeidsovereenkomst of, bij ontstentenis ervan, de Koning, kan bepaalde van deze afwijkingen geheel of gedeeltelijk toepasselijk verklaren op de nachtarbeiders, bedoeld in het eerste lid.
  [1 § 5. De toepassing van de toegestane afwijkingen door deze wet doet geen afbreuk aan de bepalingen van de richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd.]1
  ----------
  (1)<W 2017-03-05/03, art. 6, 038; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 28. § 1. De maximumgrenzen van de arbeidsduur bepaald door of krachtens de bepalingen van deze afdeling, mogen worden ingekort ingevolge een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst.
  § 2. In de bedrijven of bedrijfstakken waar ongezonde, gevaarlijke of lastige arbeid wordt verricht, kan de Koning de arbeidsduur, zo nodig geleidelijk, onder bepaalde voorwaarden of voor bepaalde categorieën van werknemers, tot (minder dan 40 uren) per week verminderen. <W 20-07-1978, art. 1>
  § 3. De verkortingen van de arbeidsduur die uit de toepassing van deze wet voortvloeien, mogen in geen geval loonsverlaging tot gevolg hebben.
  (§ 4. Voor de toepassing van de artikelen 26bis en 29 wordt rekening gehouden met de arbeidsduur zoals vastgesteld bij de collectieve arbeidsovereenkomst (gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités) die in de onderneming van toepassing is zelfs indien deze niet bij koninklijk besluit algemeen verbindend werd verklaard.) <KBN225 7-12-1983, art. 8> <W 1985-01-22/30, art. 82, 002>

  Art. 29.<KBN225 07-12-1983, art. 9> § 1. Overwerk wordt betaald tegen een bedrag dat ten minste 50 pct. hoger is dan het gewone loon. Deze vermeerdering bedraagt 100 pct. voor overwerk op zondag of op de rustdagen toegekend krachtens de wetgeving op de betaalde feestdagen.
  § 2. (Voor de toepassing van dit artikel wordt als overwerk aangemerkt, arbeid verricht boven 9 uren per dag of 40 uren per week of boven de lagere grenzen vastgesteld overeenkomstig artikel 28.
  In afwijking van het eerste lid wordt de arbeid verricht met naleving van de voorwaarden en de grenzen die van toepassing zijn op een arbeidsregeling bedoeld bij de artikelen 20, 20bis, [1 20ter,]1 22, 1° en 2°, en 23, niet als overwerk aangemerkt.) <W 1985-01-22/30,art. 83, 002>
  (§ 3. De Koning kan sommige prestaties van deeltijds tewerkgestelde werknemers, die de bij de vorige paragraaf vastgestelde grenzen niet bereiken, met overwerk gelijkstellen.) <W 1989-12-22/31, art. 183, 006; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  (§ 4. Een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités kan toelaten dat de krachtens § 1 verschuldigde toeslag in bijkomende inhaalrust wordt omgezet.
  In het kader van dergelijke overeenkomst geeft elk uur overwerk, dat met een toeslag van 50 % moet worden betaald, recht op ten minste een half uur inhaalrust, terwijl elk uur overwerk, dat met een toeslag van 100 % wordt betaald, recht geeft op ten minste één uur inhaalrust.) <W 1993-06-10/32, art. 12, 009; Inwerkingtreding : 10-07-1993>
  ----------
  (1)<W 2017-03-05/03, art. 69, 038; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Afdeling 3. - Arbeidstijdregeling voor jeugdige werknemers.

  Art. 30. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
  1° feestdagen : de feestdagen vastgesteld met toepassing van de wetgeving op de betaalde feestdagen;
  2° overwerk : arbeid verricht boven het aantal arbeidsuren bepaald door of krachtens artikel 31, alsmede de arbeid die als overwerk wordt aangemerkt overeenkomstig artikel 29, § 2, ongeacht of de jeugdige werknemer al dan niet onder de toepassing van afdeling II valt.
  (3° Arbeidsduur : de tijd gedurende welke de jeugdige werknemer ter beschikking is van één of meer werkgevers.) <W 1995-03-21/32, art. 6, 012; Inwerkingtreding : 01-05-1995>

  Art. 31. <W 1995-03-21/32, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-05-1995> De arbeidsduur voor jeugdige werknemers mag niet meer bedragen dan acht uren per dag en veertig uren per week. De Koning kan op eensluidend advies van het paritair orgaan bedoeld in artikel 47, een hogere dagelijkse en wekelijkse grens vaststellen tot een maximum van tien uren per dag en vijftig uren per week bij toepassing van artikel 26.

  Art. 32. § 1. (Buiten de zondagsrust moet aan jeugdige werknemers een bijkomende rustdag worden toegekend, onmiddellijk volgend op of voorafgaand aan de zondag.
  Jeugdige werknemers mogen alleen arbeid op zondagen, bijkomende rustdagen en feestdagen en overwerk verrichten in de gevallen respectievelijk bedoeld in de artikelen 12, 3° en 4°, en 26.) <W 1995-03-21/32, art. 8, 012; Inwerkingtreding : 01-05-1995>
  De werkgever die arbeid met toepassing van deze paragraaf doet verrichten, brengt dit binnen drie dagen schriftelijk ter kennis van de door de Koning aangewezen ambtenaar.
  § 2. Bovendien kan de Koning, binnen de grenzen bepaald door of krachtens afdeling I en de wetgeving op de betaalde feestdagen, toestaan dat arbeid op zon- en feestdag, zo nodig onder door Hem te stellen voorwaarden, wordt verricht in bepaalde bedrijfstakken, bedrijven of beroepen, voor het uitvoeren van bepaalde werken of voor bepaalde categorieën van jeugdige werknemers.
  § 3. In geen geval mogen jeugdige werknemers meer dan één zondag op twee arbeid verrichten, behalve met voorafgaande toelating van de in § 1, tweede lid, bedoelde ambtenaar.

  Art. 33. § 1. Jeugdige werknemers die overwerk verrichten, hebben recht op inhaalrust, waarvan de duur gelijk is aan die van het verrichte overwerk. De inhaalrust wordt op de arbeidsduur aangerekend.
  Behoudens afwijking toegestaan door de in artikel 32, § 1, tweede lid, bedoelde ambtenaar wordt de inhaalrust ineens genomen vóór het einde van de week welke volgt op die waarin het overwerk is verricht.
  § 2. (Wanneer jeugdige werknemers op zondagen of op bijkomende rustdagen tewerkgesteld worden, mag de inhaalrust niet minder bedragen dan zesendertig opeenvolgende uren.
  Jeugdige werknemers die arbeid op zondagen, bijkomende rustdagen of feestdagen verrichten, hebben recht op inhaalrust overeenkomstig het bepaalde respectievelijk in artikel 16 van deze wet wat betreft de zondagsrust en in de artikelen 11 en 12 van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen.) <W 1995-03-21/32, art. 9, 012; Inwerkingtreding : 01-05-1995>

  Art. 34. Jeugdige werknemers mogen niet meer dan vier en een half uur ononderbroken arbeid verrichten.
  Wanneer de arbeidstijd op een dag meer dan vier en een half uur bedraagt, wordt een half uur rust gegeven. Bedraagt hij meer dan zes uur, dan duurt de rusttijd een uur, waarvan een half uur ineens moet worden genomen.
  De Koning kan bijzondere regelingen ten aanzien van de voorgeschreven rust treffen, zonder de duur ervan te verminderen. Hij kan niettemin, met instemming van het bevoegde paritair comité, de rusttijd van een uur tot een half uur verminderen, wanneer zulks om technische redenen noodzakelijk is, inzonderheid wanneer ploegenarbeid wordt verricht.

  Art. 34bis. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/47, art. 4; Inwerkingtreding : 08-04-1998> § 1. Jeugdige werknemers mogen geen nachtarbeid verrichten.
  Jeugdige werknemers ouder dan zestien jaar mogen evenwel in de bij artikel 26 bedoelde gevallen tot 23 uur worden tewerkgesteld. De werkgever die in toepassing van deze afwijking nachtarbeid doet verrichten, brengt dit binnen drie dagen schriftelijk ter kennis van de door de Koning aangewezen ambtenaar.
  De Koning kan, zo nodig en onder de door Hem vast te stellen voorwaarden, toelaten dat er 's nachts wordt gewerkt in bepaalde bedrijfstakken, bedrijven of beroepen voor het uitvoeren van bepaalde werken of voor bepaalde categorieën van jeugdige werknemers.
  De Koning mag deze bevoegdheid enkel uitoefenen voor de jeugdige werknemers ouder dan 16 jaar, tenzij voor een werkzaamheid bedoeld bij hoofdstuk II, afdeling I, onderafdeling 3.
  § 2. Onder nachtarbeid wordt verstaan de arbeid verricht tussen 20 en 6 uur.
  Deze tijdsgrenzen worden vastgesteld op hetzij 22 en 6 uur, hetzij 23 en 7 uur voor de jeugdige werknemers ouder dan 16 jaar die :
  1° arbeid verrichten die wegens de aard niet mag worden onderbroken;
  2° arbeid in opeenvolgende ploegen verrichten.
  § 3. Voor jeugdige werknemers en in geval van toepassing van § 1, derde lid, blijft nachtarbeid verboden tussen middernacht en vier uur.

  Art. 34ter. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/47, art. 5; Inwerkingtreding : 08-04-1998> De tijd tussen de beëindiging en de hervatting van de arbeid moet uit ten minste twaalf opeenvolgende uren rust bestaan.

  Afdeling 4. - <W 1997-02-17/47, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 08-04-1998> Nachtarbeid.

  Onderafdeling 1. - <W 1997-02-17/47, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 08-04-1998> Het verbod op nachtarbeid.

  Art. 35. <W 1997-02-17/47, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 08-04-1997> § 1. De werknemers (...), mogen geen nachtarbeid verrichten. <W 1998-12-04/31, art. 7, 019; Inwerkingtreding : 27-12-1998>
  § 2. Onder nachtarbeid wordt verstaan de arbeid verricht tussen 20 en 6 uur.

  Onderafdeling 2. - <W 1997-02-17/47, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 08-04-1998> Afwijkingen op het verbod op nachtarbeid.

  Art. 36.<W 1997-02-17/47, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 08-04-1998> In afwijking van artikel 35 mag er nachtarbeid worden verricht voor zover de aard van de werken of de activiteit dit rechtvaardigt :
  1° in hotels, motels, kampeerterreinen, restaurants, restauratiebedrijven, in de traiteurszaken, in de verbruikszalen en drankslijterijen;
  2° in ondernemingen van openbare vertoningen en vermakelijkheden;
  3° in dagbladondernemingen;
  4° in agentschappen voor inlichtingen en reisagentschappen;
  5° in ondernemingen voor scheepsherstellingen en -onderhoud;
  6° in ondernemingen die brandstof en olie voor autovoertuigen in 't klein verkopen, doch enkel wat de werknemers betreft die met de verkoop zijn belast;
  7° in ondernemingen die autoparkeerterreinen exploiteren;
  8° in ondernemingen voor productie, verwerking of overbrenging van gas, electriciteit, stoom of kernenergie en in de ondernemingen voor watervoorziening;
  9° in instellingen of door personen die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verlenen;
  10° voor het uitvoeren van landbouwarbeid;
  11° voor het uitvoeren van werken die wegens de aard niet mogen worden onderbroken;
  12° voor het uitvoeren van werken van vervoer, laden en lossen;
  13° in apotheken;
  14° in fotografie- en filmbedrijven, alsook in de bedrijven voor radio- en televisiedistributie en voor radio- en televisie-uitzendingen;
  15° in ondernemingen voor verdeling van petroleumproducten aan particulieren;
  16° voor het uitvoeren van werken van inventarissen en balansen op voorwaarde dat er per werknemer en per kalenderjaar niet meer dan zeven nachten wordt gewerkt;
  17° in artisanale brood- en banketbakkerijen;
  18° in opvoedings- en huisvestingsinrichtingen;
  19° voor het uitvoeren van toezichtswerkzaamheden en bewaking die niet op een ander ogenblik kunnen worden verricht;
  20° voor het schoonmaken, herstellen en onderhouden in zover deze werkzaamheden voor de regelmatige voortzetting van het bedrijf nodig zijn;
  21° in de gevallen bedoeld bij artikel 26 van deze wet;
  [1 22° voor het uitvoeren van alle logistieke en ondersteunende diensten verbonden aan de elektronische handel.]1
  ----------
  (1)<W 2017-03-05/03, art. 79, 038; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 37. <W 1997-02-17/47, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 08-04-1998> § 1. De Koning kan, zo nodig en onder de door Hem te stellen voorwaarden, nachtarbeid toestaan in sommige bedrijfstakken, ondernemingen of beroepen of voor het uitvoeren van sommige werken.
  § 2. Indien de Koning de bevoegdheid die Hem krachtens § 1 is toegekend niet heeft uitgeoefend binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit artikel, zal na verloop van deze termijn de procedure van artikel 38 kunnen worden toegepast om in de volgende gevallen een arbeidsregeling met nachtprestaties in te voeren :
  1° voor het uitvoeren van arbeid in opeenvolgende ploegen;
  2° voor het uitvoeren van werken waarvoor een permanentie noodzakelijk wordt geacht;
  3° in bedrijven waar de verwerkte stoffen zeer snel kunnen ontaarden.

  Onderafdeling 3. - Het invoeren van een arbeidsregeling met nachtprestaties.

  Art. 38. <W 1997-02-17/47, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 08-04-1998> § 1. Is er een vakbondsafvaardiging, dan kan een arbeidsregeling met nachtprestaties maar worden ingevoerd voor de werknemers waarvoor zij bevoegd is en mits er tussen de werkgever en alle organisaties die in deze vakbondsafvaardiging vertegenwoordigd zijn een collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesloten in de zin van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
  In afwijking van de artikelen 11 en 12 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen worden de bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst die het arbeidsreglement wijzigen, ingevoerd zodra deze collectieve arbeidsovereenkomst werd neergelegd op de griffie van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.
  § 2. In de ondernemingen waar geen vakbondsafvaardiging bestaat wordt een arbeidsregeling met nachtprestaties ingevoerd volgens de bepalingen van de artikelen 11 en 12 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.
  § 3. Alvorens de procedures te beginnen bepaald in de §§ 1 en 2, is de werkgever ertoe gehouden de werknemersvertegenwoordigers te raadplegen betreffende de noodzakelijke aanpassingen van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers tewerkgesteld in arbeidsregelingen bedoeld in § 4.
  De Koning bepaalt over welke onderwerpen deze raadplegingen tenminste moeten gaan.
  Deze raadplegingen gebeuren in de ondernemingsraad, of bij ontstentenis daarvan, met de vakbondsafvaardiging. Bij ontstentenis van ondernemingsraad en van vakbondsafvaardiging, hebben zij plaats met het personeel.
  Het verslag van deze raadplegingen wordt overgemaakt aan het bevoegde paritair comité. De Koning bepaalt hiertoe de modaliteiten.
  § 4. De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder een arbeidsregeling met nachtprestaties.
  § 5. Een arbeidsregeling met nachtprestaties, ingevoerd overeenkomstig de bepalingen van de §§ 1 en 2, of van de wet van 17 maart 1987 betreffende de invoering van nieuwe arbeidsregelingen in de ondernemingen kan maar worden toegepast indien de werkgever de bepalingen respecteert van de collectieve arbeidsovereenkomsten, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de begeleidingsmaatregelen voor ploegenarbeid met nachtprestaties alsook voor andere vormen van arbeid met nachtprestaties en van de collectieve arbeidsovereenkomsten die in uitvoering van deze overeenkomsten zijn gesloten.
  § 6. De Koning kan een andere procedure vastleggen voor de werkgevers die niet vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. Deze procedure laat toe de vermeldingen die zijn opgenomen in het arbeidsreglement te wijzigen zo deze werkgevers onderworpen zijn aan de bepalingen van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.
  Hij kan voor de werkgevers die niet vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités eveneens voorwaarden vastleggen die gelijkwaardig zijn aan deze die zijn vastgelegd door de bepalingen van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de begeleidingsmaatregelen voor ploegenarbeid met nachtprestaties alsook voor andere vormen van arbeid met nachtprestaties.

  Afdeling V. - <Ingevoegd bij W 1997-02-17/47, art. 3; Inwerkingtreding : 08-04-1998> Het naleven van de uurroosters

  Art. 38bis.<Ingevoegd bij W 1997-02-17/47, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 08-04-1998> Het is verboden arbeid te doen of te laten verrichten buiten de arbeidstijd vastgesteld in het arbeidsreglement of in het bericht bedoeld in artikel 14, 1°, van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen bij toepassing van artikel 25 van deze wet [2 of buiten de stamtijd en glijtijd in geval van toepassing van artikel 20ter]2.
  Het eerste lid is niet van toepassing :
  1° in geval van arbeid om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval;
  2° in geval van dringende arbeid aan machines of materieel voor zover de uitvoering ervan buiten de normale arbeidsuren onontbeerlijk is;
  3° in geval van arbeid die door een onvoorziene noodzakelijkheid wordt vereist, mits de bij artikel 26, § 1, 3°, bedoelde procedure wordt gerespecteerd;
  4° voor het uitvoeren van werken van inventarissen en balansen op voorwaarde dat er per werknemer en per kalenderjaar niet meer dan zeven dagen wordt gewerkt;
  5° in ondernemingen voor scheepsherstellingen en -onderhoud;
  6° voor het uitvoeren van werken van vervoer, laden en lossen;
  7° in geval van toepassing van de afwijking bedoeld bij artikel 24, § 2, van deze wet;
  [1 8° in geval van de overschrijding van de grenzen van de arbeidsduur in toepassing van artikel 25bis.]1
  ----------
  (1)<W 2017-03-05/03, art. 7, 038; Inwerkingtreding : 01-02-2017>
  (2)<W 2017-03-05/03, art. 70, 038; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Afdeling VI. - <Ingevoegd bij W 1997-02-17/47, art. 6; Inwerkingtreding : 08-04-1998> Rusttijden.

  Art. 38ter. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/47, art. 6; Inwerkingtreding : 08-04-1998> § 1. De werknemers (...) hebben in elk tijdvak van vierentwintig uur tussen de beëindiging en de hervatting van de arbeid recht op ten minste elf opeenvolgende uren rust. <W 1998-12-04/31, art. 8, 1°, 019; Inwerkingtreding : 27-12-1998>
  § 2. Van het in § 1 bepaalde recht kan worden afgeweken :
  1° in de gevallen bedoeld bij artikel 26;
  2° voor werkzaamheden die gekenmerkt worden door opgesplitste werkperiodes;
  3° in geval van continu-arbeid of van arbeid in opeenvolgende ploegen en uitsluitend in het geval van wisseling van ploegen; het is evenwel verboden om een werknemer in twee opeenvolgende ploegen tewerk te stellen;
  4° in de gevallen bedoeld bij een bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst.
  (§ 3. De duur van de rusttijd toegekend krachtens § 1 komt bovenop de zondagsrust bedoeld in artikel 11 of bovenop de inhaalrust bedoeld in artikel 16 zodanig dat de werknemer geniet van een werkonderbreking van vijfendertig opeenvolgende uren.
  Er kan worden afgeweken van hetgeen bepaald is door het eerste lid, in de gevallen bedoeld in § 2.
  In afwijking van het eerste lid kunnen de werknemers tewerkgesteld aan werken van vervoer, hetzij een werkonderbreking overeenkomstig het eerste lid, hetzij een werkonderbreking van zeventig opeenvolgende uren gedurende een periode van twee weken genieten. Deze periode van twee weken kan bij een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst worden verlengd, op voorwaarde dat de werkonderbreking in dezelfde verhouding wordt verlengd.) <W 1998-12-04/31, art. 8, 2°, 019; Inwerkingtreding : 27-12-1998>

  Afdeling 7. - (Pauzes). <Ingevoegd bij W 1998-12-04/31, art. 9; Inwerkingtreding : 27-12-1998>

  Art. 38quater. <Ingevoegd bij W 1998-12-04/31, art. 9; Inwerkingtreding : 27-12-1998> § 1. De werknemers mogen niet zonder onderbreking werken gedurende meer dan zes uren.
  De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan de toepassing van artikel 34.
  § 2. Wanneer de arbeidstijd zes uren overschrijdt, wordt aan de werknemer een pauze toegekend. De duur en de nadere regelen voor toekenning van deze pauze worden vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités of door de Koning voor de werkgevers die niet onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
  § 3. Bij ontstentenis van een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in toepassing van § 2 of van een koninklijk besluit, wordt aan de werknemer minstens een kwartier pauze toegekend ten laatste op het ogenblik waarop de duur der prestaties 6 uren bereikt.
  § 4. Er kan worden afgeweken van de verplichtingen opgelegd door de bepalingen van dit artikel in geval van arbeid om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval.

  HOOFDSTUK IV. - Moederschapsbescherming.

  Art. 39.<W 2004-07-09/30, art. 289, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2004; zie ook W 2004-07-09/30, art. 290> Op verzoek van de werkneemster moet de werkgever haar verlof geven ten vroegste vanaf de zesde week vóór de vermoedelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week vóór deze datum wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. De werkneemster bezorgt hem ten laatste zeven weken vóór de vermoedelijke datum van de bevalling of negen weken vóór deze datum wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht, een geneeskundig voorschrift waaruit deze datum blijkt. Zo de bevalling eerst plaats heeft na de door de geneesheer voorziene datum, wordt het verlof tot de werkelijke datum van de bevalling verlengd.
  [1 De werkneemster mag geen arbeid verrichten vanaf de zevende dag die de vermoedelijke datum van de bevalling voorafgaat tot het verstrijken van een periode van negen weken die begint te lopen op de dag van de bevalling. De periode van negen weken begint te lopen de dag na de dag van de bevalling wanneer de werkneemster de arbeid nog heeft aangevat op de dag van de bevalling.]1
  Op haar verzoek wordt de arbeidsonderbreking na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder gearbeid heeft vanaf de zesde week vóór de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat. [4 De Koning kan de periodes bepalen die met periodes van arbeid kunnen worden gelijkgesteld met het oog op de verlenging van de arbeidsonderbreking.]4 (Wanneer de werkneemster de arbeidsonderbreking na de negende week met ten minste twee weken kan verlengen, kunnen de laatste twee weken van de postnatale rustperiode op haar verzoek worden omgezet in verlofdagen van postnatale rust. De werkgever moet deze periode, in functie van het aantal dagen voorzien in het werkrooster van de werkneemster, omzetten in verlofdagen van postnatale rust. De werkneemster moet deze verlofdagen van postnatale rust opnemen volgens een planning die door haar wordt vastgesteld, binnen acht weken te rekenen vanaf het einde van de ononderbroken periode van postnatale rust. De Koning kan de nadere regels van de wijze waarop de werkneemster haar werkgever verwittigt van de omzetting en de planning bepalen en kan andere wijzen van omzetting uitwerken.) <W 2008-12-22/32, art. 129, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2009; zie ook art. 132>
  (Op vraag van de werkneemster wordt de periode van arbeidsonderbreking na de negende week verlengd met één week, wanneer de werkneemster ongeschikt is geweest om haar arbeid te verrichten wegens ziekte of ongeval gedurende de ganse periode vanaf de zesde week voorafgaand aan de werkelijke datum van de bevalling, of de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht.) <W 2006-07-20/39, art. 271, 1°, 026; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  Ingeval van geboorte van een meerling, wordt op verzoek van de werkneemster de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, eventueel verlengd overeenkomstig het bepaalde (in het derde en het vierde lid), verlengd met een periode van (maximaal) twee weken. <W 2006-07-20/39, art. 271, 2°, 026; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de werkneemster de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verplegingsinrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt de werkneemster aan haar werkgever :
  a) bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;
  b) in voorkomend geval een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit het bepaalde in dit lid waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname.
  [2 [4 De Koning bepaalt de duur alsmede de voorwaarden en de nadere regels waaronder, in geval van overlijden of hospitalisatie van de moeder, de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of de afwezigheden bedoeld in dit artikel, worden omgezet in een verlof voor de werknemer die de vader is of die voldoet aan de in artikel 30, § 2, eerste tot vijfde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalde voorwaarden. De Koning kan in geval van omzetting van het moederschapsverlof een andere werknemer gelijkstellen met de werknemer die de vader is.]4 ]2
  [3 [4 Vanaf het ogenblik dat de werknemer zijn werkgever in kennis stelt van de omzetting van het moeder-schapsverlof, mag hij niet door de werkgever worden ontslagen totdat een periode van een maand is verstreken die ingaat op het einde van het verlof, behalve om redenen die vreemd zijn aan dit verlof.]4
   De werkgever draagt de bewijslast van deze redenen.
   Indien de reden die wordt aangehaald ter staving van het ontslag, niet beantwoordt aan de voorschriften vermeld in het achtste lid of bij ontstentenis van een reden, zal de werkgever aan de werknemer een forfaitaire vergoeding betalen welke gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden, onverminderd de vergoedingen, aan de werknemer verschuldigd in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst.
   De Koning bepaalt de gevallen waarin de in het vorige lid bedoelde vergoeding niet verschuldigd is.]3
  ----------
  (1)<W 2009-05-06/03, art. 53, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2009>
  (2)<W 2011-04-13/09, art. 4, 032; Inwerkingtreding : 20-05-2011>
  (3)<W 2011-06-11/16, art. 2, 033; Inwerkingtreding : 30-07-2011>
  (4)<W 2014-04-25/77, art. 12, 036; Inwerkingtreding : 16-06-2014>

  Art. 39bis. <ingevoegd bij W 1995-04-03/44, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 10-05-1995> De zwangere werkneemster, die de werkgever heeft op de hoogte gebracht van haar toestand heeft het recht om van het werk afwezig te zijn, met behoud van haar normaal loon, gedurende de tijd die nodig is om zwangerschapsonderzoeken te kunnen ondergaan, wanneer deze niet kunnen plaatsvinden buiten de arbeidsuren. Om gerechtigd te zijn op het loon, moet de werkneemster de werkgever vooraf op de hoogte stellen van haar afwezigheid.
  Indien een collectieve arbeidsovereenkomst of het arbeidsreglement zulks voorschrijft, of bij ontstentenis van zodanig voorschrift, op verzoek van de werkgever, legt de werkneemster aan deze laatste een geneeskundig getuigschrift voor dat haar afwezigheid rechtvaardigt.

  Art. 40. (Behalve om redenen die vreemd zijn aan de lichamelijke toestand als gevolg van de zwangerschap of van de bevalling, mag een werkgever die een zwangere werkneemster tewerkstelt, geen handeling stellen die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking vanaf het ogenblik waarop hij werd ingelicht omtrent de zwangerschap tot een maand na het einde van de postnatale rustperiode, de periode van acht weken gedurende dewelke de werkneemster in voorkomend geval haar verlofdagen van postnatale rust moet opnemen inbegrepen.) <W 2008-12-22/32, art. 130, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2009; zie ook art. 132>
  De werkgever dient te bewijzen dat zulke redenen voorhanden zijn. (Op verzoek van de werkneemster stelt de werkgever haar er schriftelijk van in kennis.) <W 1995-04-03/44, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 10-05-1995>
  (Zo de ingeroepen reden tot staving van het ontslag niet beantwoordt aan het bepaalde in het eerste lid of bij ontstentenis van reden, zal de werkgever aan de werkneemster een forfaitaire vergoeding betalen welke gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden, onverminderd de vergoedingen aan de werkneemster verschuldigd in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst.) <W 1995-04-03/45, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 20-05-1995>

  Art. 41. <W 1995-04-03/44, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 15-05-1995> Voor alle werkzaamheden waarbij zich een specifiek risico kan voordoen van blootstelling aan agentia, procédés of arbeidsomstandigheden, inzonderheid deze waarvan de lijst is vastgesteld door de Koning, evalueert de werkgever de aard, de mate en de duur van deze blootstelling ten einde ieder risico voor de veiligheid of de gezondheid, alsmede iedere terugslag op de zwangerschap of de lactatie van de werkneemster alsmede de gezondheid van het kind te beoordelen en teneinde vast te stellen welke algemene maatregelen moeten worden genomen.
  De diensten waaraan met toepassing van de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen opdrachten inzake arbeidsveiligheid en -gezondheid zijn toevertrouwd worden betrokken bij de in het eerste lid bedoelde evaluatie.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels volgens welke de in dit artikel bedoelde evaluatie gebeurt.

  Art. 41bis. <ingevoegd bij W 1995-04-03/44, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 15-05-1995> De bepalingen van de artikelen 42, 43 en 44 zijn van toepassing op de zwangere werkneemsters, van zodra zij hun werkgever op de hoogte hebben gebracht van hun toestand.
  De bepalingen van de artikelen 42, 43, 43bis en 44 zijn van toepassing op de werkneemsters tijdens de lactatie, van zodra zij hun werkgever op de hoogte hebben gebracht van hun toestand.

  Art. 42. <W 1995-04-03/44, art. 5, 014; Inwerkingtreding : 15-05-1995> § 1. Wanneer er met toepassing van artikel 41 een risico is vastgesteld, neemt de werkgever, rekening houdend met het resultaat van de evaluatie één van de volgende maatregelen aangepast aan het geval van de betrokken werkneemster zodat de blootstelling van de werkneemster aan dit risico wordt vermeden :
  1° een tijdelijke aanpassing van de arbeidsomstandigheden of van de risicogebonden werktijden van de betrokken werkneemster;
  2° indien een aanpassing van de arbeidsomstandigheden of van de risicogebonden werktijden technisch of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijze niet kan worden verlangd, zorgt de werkgever ervoor dat de betrokken werkneemster andere in haar toestand toelaatbare arbeid kan verrichten;
  3° indien overplaatsing technisch of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd, wordt de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van de betrokken werkneemster geschorst of wordt de persoon wiens rechtspositie eenvoudig door de overheid is geregeld vrijgesteld van arbeid.
  Voor risico's waaraan elke blootstelling moet worden verboden en waarvan de lijst is vastgesteld door de Koning, moet de werkgever één van de in het eerste lid bedoelde maatregelen onmiddellijk toepassen.
  Eén van de in het eerste lid bedoelde maatregelen wordt eveneens toegepast wanneer de werkneemster een gevaar of aandoening aanvoert die met haar toestand verband houdt en aan het verrichten van arbeid kan te wijten zijn, op voorwaarde dat de arbeidsgeneesheer tot wie zij zich richt een risico bedoeld in dit artikel vaststelt.
  Onverminderd de bepalingen van artikel 43bis, moet de werkneemster zodra de periode waarvoor één van de in het eerste lid bedoelde maatregelen van toepassing is verstreken is, onder dezelfde voorwaarden als tevoren worden te werk gesteld.
  § 2. De in § 1 bedoelde maatregelen worden voorgesteld door de arbeidsgeneesheer of door een andere geneesheer in de ondernemingen waarin geen beroep op een arbeidsgeneesheer moet worden gedaan. De kosten zijn ten laste van de werkgever.
  § 3. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels betreffende de toepassing van de in dit artikel bedoelde maatregelen.
  Hij bepaalt tevens de voorwaarden en de nadere regels volgens welke de werkneemster de verklaring tot ongeschiktheid van de geneesheer kan betwisten.

  Art. 43. <W 1995-04-03/44, art. 6, 014; Inwerkingtreding : 15-05-1995> § 1. De werkneemsters mogen niet verplicht worden nachtarbeid te verrichten :
  1° gedurende een periode van acht weken vóór de vermoedelijke datum van de bevalling;
  2° op voorlegging van een geneeskundig getuigschrift waarin de noodzaak daarvan in verband met de veiligheid of de gezondheid van de werkneemster of de gezondheid van het kind wordt bevestigd :
  a) gedurende andere periodes tijdens de zwangerschap;
  b) gedurende een periode van maximum vier werken die onmiddellijk volgt na de beëindiging van het verlof bedoeld in artikel 39, tweede lid.
  In de gevallen bedoeld in het eerste lid neemt de werkgever één van de volgende maatregelen :
  1° overplaatsing naar werk overdag;
  2° wanneer overplaatsing naar werk overdag technisch of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd, wordt de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van de betrokken werkneemster geschorst of wordt de persoon wiens rechtspositie eenzijdig door de overheid is geregeld vrijgesteld van arbeid.
  In afwijking van het tweede lid, 2°, wordt aan de werkneemster evenwel het verlof bedoeld in artikel 39, eerste lid, toegekend vanaf de zevende week, vóór de vermoedelijke datum van de bevalling.
  Onverminderd de bepalingen van artikel 43bis moet de werkneemster zodra de periode waarvoor één van de in deze paragraaf bedoelde maatregelen van toepassing is verstreken is, onder dezelfde voorwaarden als tevoren worden tewerkgesteld.
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder nachtarbeid verstaan, de arbeid die hoofdzakelijk wordt verricht tussen 20 en 6 uur.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels betreffende de toepassing van deze paragraaf.
  § 2. De bepalingen van § 1 doen geen afbreuk aan de toepassing van gelijkwaardige of strengere waarborgen, bepaald bij een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst.

  Art. 43bis. <ingevoegd bij W 1995-04-03/44, art. 7, 014; Inwerkingtreding : 15-05-1995> De werkneemsters voor wie één van de in de artikelen 42 of 43 bedoelde maatregelen genomen werden en die bevallen zijn moeten zo vlug mogelijk en uiterlijk acht dagen na het hervatten van het werk, een geneeskundig onderzoek ondergaan.
  Naar aanleiding van dit geneeskundig onderzoek kan de geneesheer voorstellen dat één van de in de artikelen 42 of 43 bedoelde maatregelen wordt toegepast, wanneer hij vaststelt dat er nog steeds een risico is voor de veiligheid of de gezondheid van de betrokken werkneemster.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels, voor de toepassing van dit artikel.

  Art. 44. Zwangere werkneemsters mogen geen overwerk in de zin van artikel 29, § 2, verrichten.
  De Koning kan de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling 2, die de arbeidsduur betreffen, toepasselijk verklaren op de zwangere werkneemsters die niet onder die bepalingen vallen.

  Art. 45. (opgeheven) <W 1995-04-03/44, art. 8, 014; Inwerkingtreding : 15-05-1995>

  HOOFDSTUK V. - Algemene bepalingen.

  Afdeling 1. - Schorsing van de toepassing van de wet.

  Art. 46. De Koning kan de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling 2, die de arbeidsduur betreffen, alsmede van artikel 37, geheel of gedeeltelijk schorsen:
  1° in geval van oorlog of bij gebeurtenissen die een gevaar opleveren voor 's lands veiligheid;
  2° om economische redenen van nationale aard, op eensluidend advies van de Nationale Arbeidsraad.

  Afdeling 2. - Advies.

  Art. 47. Ter uitvoering van de Hem door deze wet toegekende bevoegdheden, met uitzondering van die bepaald in artikel 46, wint de Koning het advies in van het bevoegde paritair comité. Dit advies kan echter gegeven worden door de Nationale Arbeidsraad wanneer de verordening behoort tot de bevoegdheid van verschillende paritaire comités. Bij ontstentenis van dergelijke comités wordt het advies gegeven door de Nationale Arbeidsraad.
  (In afwijking van het eerste lid, neemt de Koning de maatregelen bedoeld in de artikelen 41 tot 43bis na het inwinnen van het advies van de Hoge Raad voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen.) <W 1995-04-03/44, art. 9, 014; Inwerkingtreding : 15-05-1995>
  Het geraadpleegde orgaan deelt zijn advies mede binnen twee maanden nadat hem het verzoek is gedaan; zoniet, wordt er niet op gewacht.

  Afdeling 3. - Toezicht.

  Art. 48. De werkgevers, met uitzondering van de bij artikel 2, tweede lid, 2°, bedoelde personen, moeten zich gedragen naar de bepalingen van de besluiten, genomen ter uitvoering van de wet van 26 januari 1951, betreffende de vereenvoudiging van de documenten waarvan het bijhouden door de sociale wetgeving opgelegd is.
  De Koning kan de bepalingen van voormelde wet van 26 januari 1951 en van de uitvoeringsbesluiten ervan van toepassing maken op de bij artikel 1, tweede lid, 2°, bedoelde personen.

  Art. 49.[1 De inbreuken op de bepalingen van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
   De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 [2 en 43 tot 49]2 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 54, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (2)<W 2016-02-29/09, art. 79, 037; Inwerkingtreding : 01-05-2016>

  Art. 50. (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 210, 006; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 51. (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 210, 006; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 52. (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 210, 006; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Afdeling 4. _ Strafbepalingen.

  Art. 53.
  <Opgeheven bij W 2010-06-06/06, art. 109,23°,a, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 53bis.
  <Opgeheven bij W 2010-06-06/06, art. 109,23°,b, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 54.
  <Opgeheven bij W 2010-06-06/06, art. 109,23°,b, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 55. (opgeheven) <W 1992-08-05/42, art. 5, 008; Inwerkingtreding : 01-02-1993>

  Art. 56.
  <Opgeheven bij W 2010-06-06/06, art. 109,23°,c, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 57.
  <Opgeheven bij W 2010-06-06/06, art. 109,23°,c, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 58.
  <Opgeheven bij W 2010-06-06/06, art. 109,23°,d, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 59.
  <Opgeheven bij W 2010-06-06/06, art. 109,23°,e, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen.

  Art. 60. <wijzigingsbepaling>

  Art. 61. <wijzigingsbepaling>

  Art. 62. Totdat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de politierechtbanken in werking treden, wordt de bevoegdheid, aan de rechter in de politierechtbank verleend door artikel 50, 1°, uitgeoefend door de vrederechter.

  Art. 63. De Koning kan de bestaande wetsbepalingen wijzigen om de tekst ervan in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze wet.

  Art. 64. Opgeheven worden:
  1° de wetten op de kinderarbeid, gecoördineerd op 28 februari 1919 en gewijzigd bij de wetten van 14 juni 1921, 15 juli 1957 en bij de koninklijke besluiten van 16 februari 1952, 15 januari 1954 en bij het koninklijk besluit nr 40, van 24 oktober 1967;
  2° de wet van 9 juli 1936 tot invoering van de veertigurige arbeidsweek in de bedrijven of bedrijfstakken waarin onder ongezonde, gevaarlijke of lastige voorwaarden gearbeid wordt, gewijzigd bij koninklijk besluit van 15 januari 1954 en bij de wet van 15 juli 1964;
  3° de wet van 6 juli 1964 op de zondagsrust, gewijzigd bij de wet van 28 juni 1966;
  4° de wet van 15 juli 1964 betreffende de arbeidsduur in de openbare en particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven, gewijzigd bij de wet van 5 december 1968;
  5° het koninklijk besluit nr 40 van 24 oktober 1967 betreffende de vrouwenarbeid.

  Art. 65. De besluiten genomen ter uitvoering van de door artikel 64 opgeheven wetten en besluiten blijven van kracht totdat zij uitdrukkelijk worden opgeheven of totdat hun geldigheidsduur verstrijkt.
  De besluiten genomen ter uitvoering van de door artikel 64, 1°, opgeheven wetten op de kinderarbeid, gecoördineerd op 28 februari 1919, houden echter in elk geval op uitwerking te hebben een jaar na de laatste dag van de maand waarin deze wet is bekendgemaakt.

  Art. 66.Zolang de Koning geen besluiten genomen heeft ter uitvoering van artikel 13, mogen de werknemers 's zondags tewerkgesteld worden in de volgende bedrijven en instellingen of voor het uitvoeren van de volgende werkzaamheden:
  1° hotels, motels, kampeerterreinen, spijshuizen, restauratiebedrijven, traiteurszaken, verbruikszalen en drankslijterijen;
  2° ondernemingen van openbare vertoningen en vermakelijkheden;
  3° dagbladondernemingen;
  4° agentschappen voor inlichtingen en reisagentschappen;
  5° ondernemingen voor scheepsherstelling en -onderhoud;
  6° ondernemingen die brandstof of olie voor autovoertuigen in 't klein verkopen, doch enkel wat de werknemers betreft, die met de verkoop zijn belast;
  7° ondernemingen die autoparkeerterreinen exploiteren;
  8° ondernemingen voor produktie, verwerking of overbrenging van gas, elektriciteit, stoom of kernenergie en de ondernemingen voor watervoorziening;
  9° instellingen en diensten die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verlenen;
  10° dringende of onontbeerlijke landbouwarbeid;
  11° bedrijven waarin de arbeid wegens de aard niet kan worden onderbroken of uitgesteld;
  12° ondernemingen van vervoer te land en in de lucht, alsmede van het visserijbedrijf;
  13° apotheken, drogisterijen en winkels van genees- of heelkundige toestellen;
  14° fotografiebedrijven, alleen wat de filmoperateurs betreft, die de particulieren op de openbare weg fotograferen;
  15° filmbedrijven die het filmjournaal verzorgen, wat de werknemers betreft die belast zijn met de werken inherent aan de filmpers;
  16° bedrijven waar films vervaardigd worden voor de bioscoop en de televisie, wat het arbeidspersoneel betreft dat belast is met werken aan de verlichting, de machinerie, de bouw en afbraak van decors;
  17° bedrijven voor radio- en televisiedistributie;
  18° voedingsmiddelenbedrijven waarvan de produkten voor dadelijk verbruik bestemd zijn;
  19° bedrijven waarin eetwaren of levensmiddelen in 't klein worden verkocht;
  20° tabakswinkels en winkels van natuurlijke bloemen;
  21° openbare badinrichtingen;
  22° [1 ondernemingen voor het verhuren van vervoermiddelen;]1
  23° bureaus voor arbeidsbemiddeling;
  24° ondernemingen die zich in de spoorwegstations, in de luchthavens en in de havenstations met wisselverrichtingen bezighouden;
  25° depanneren van motorvoertuigen en van distributieautomaten;
  26° deelneming aan manifestaties van alle aard, onder meer aan salons, tentoonstellingen, musea, jaarbeurzen, nijverheids- en landbouwtentoonstellingen, markten, braderijen, optochten en sportmanifestaties;
  27° laden, lossen en verhalen in havens, losplaatsen en spoorwegstations;
  28° werk van de jacht- en visserijopzieners;
  29° [1 ...]1.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/01, art. 21, 034; Inwerkingtreding : 11-08-2013>
  
Erratum Tekst Begin

BEELD
1971031605
PUBLICATIE :
1971-10-12
bladzijde : 0

ERRATUM



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 05-03-2017 GEPUBL. OP 15-03-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 20bis; 25bis; 26bis; 27; 38bis; 20ter; 29; 38bis; 36 )
  • BEELD
  • WET VAN 29-02-2016 GEPUBL. OP 21-04-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 49)
  • BEELD
  • WET VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 06-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 39)
  • BEELD
  • WET VAN 17-08-2013 GEPUBL. OP 29-08-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 26bis)
  • BEELD
  • WET VAN 30-07-2013 GEPUBL. OP 01-08-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 66)
  • BEELD
  • WET VAN 11-06-2011 GEPUBL. OP 20-07-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 39)
  • BEELD
  • WET VAN 13-04-2011 GEPUBL. OP 10-05-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 39)
  • BEELD
  • WET VAN 12-12-2010 GEPUBL. OP 22-12-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 3ter)
  • BEELD
  • WET VAN 06-06-2010 GEPUBL. OP 01-07-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 49)
    (GEWIJZIGDE ART. : 53; 53bis; 54; 56; 57; 58; 59)
  • BEELD
  • WET VAN 28-04-2010 GEPUBL. OP 10-05-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 8; 10)
  • BEELD
  • WET VAN 06-05-2009 GEPUBL. OP 19-05-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 39)
  • BEELD
  • WET VAN 22-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 39; 40)
  • BEELD
  • WET VAN 20-07-2006 GEPUBL. OP 28-07-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 3QUA; 39)
  • BEELD
  • WET VAN 20-07-2005 GEPUBL. OP 29-07-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • BEELD
  • WET VAN 03-07-2005 GEPUBL. OP 19-07-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 26BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 09-07-2004 GEPUBL. OP 15-07-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 39)
  • BEELD
  • WET VAN 02-08-2002 GEPUBL. OP 29-08-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 3TER)
  • BEELD
  • WET VAN 25-01-1999 GEPUBL. OP 06-02-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 39)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-1998 GEPUBL. OP 17-12-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 26BIS; 28; 29)
  • BEELD
  • WET VAN 04-12-1998 GEPUBL. OP 17-12-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 3BIS; 3TER; 26BIS; 27; 35)
    (GEWIJZIGDE ART. : 38TER; 38QUA)
  • BEELD
  • WET VAN 13-02-1998 GEPUBL. OP 19-02-1998
    (GEWIJZIGD ART. : 58)
  • 1997012098; 1997-04-08
  • WET VAN 17-02-1997 GEPUBL. OP 08-04-1997
    (GEWIJZIGDE ART. : 35-38; 38BIS; 34BIS; 34TER; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 38BIS; 38TER; 17; NL.22)
  • WET VAN 06-12-1996 GEPUBL. OP 24-12-1996
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 3BIS; 37)
  • WET VAN 26-07-1996 GEPUBL. OP 01-08-1996
    (GEWIJZIGDE ART. : 20BIS; 26BIS; 26TER)
  • WET VAN 03-04-1995 GEPUBL. OP 10-05-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 41; 41BIS; 42; 43; 43BIS; 45; 47) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • WET VAN 03-04-1995 GEPUBL. OP 10-05-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 39BIS; 40)
    (GEWIJZIGD ART. : 53)
  • WET VAN 03-04-1995 GEPUBL. OP 10-05-1995
    (GEWIJZIGD ART. : 40)
  • WET VAN 21-03-1995 GEPUBL. OP 21-04-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 30; 31; 32; 33; 35; 36)
  • WET VAN 21-12-1994 GEPUBL. OP 23-12-1994
    (GEWIJZIGDE ART. : 20BIS; 26BIS)
  • WET VAN 23-03-1994 GEPUBL. OP 30-03-1994
    (GEWIJZIGD ART. : 59)
  • WET VAN 10-06-1993 GEPUBL. OP 30-06-1993
    (GEWIJZIGDE ART. : 20BIS; 26BIS; 29)
  • WET VAN 05-08-1992 GEPUBL. OP 28-08-1992
    (GEWIJZIGDE ART. : 6; 7; 53; 53BIS; 54; 55; 2)
  • WET VAN 29-12-1990 GEPUBL. OP 09-01-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 39)
  • WET VAN 22-12-1989 GEPUBL. OP 30-12-1989
    (GEWIJZIGDE ART. : 21; 29; 39; 49; 50; 51; 52)
  • WET VAN 17-03-1987 GEPUBL. OP 12-06-1987
  • WET VAN 04-02-1987 GEPUBL. OP 21-03-1987
  • WET VAN 17-05-1985 GEPUBL. OP 11-07-1985
  • WET VAN 22-01-1985 GEPUBL. OP 24-01-1985

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 1969-1970. KAMER. Parl. besch. - Wetsontwerp, nr 556-1. - Amendementen nrs 556-2, 556-3, 556-4, 556-5, 556-6 en 556-7. - Verslag, nr 556-8. Parl. Hand. - 24 en 25-6-1970. SENAAT. Parl. besch. - Ontwerp, nr 592. Zitting 1970-1971. SENAAT. Parl. besch. - Verslag, nr 272. Parl. Hand. - 10 en 11-3-1971. |

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 541 uitvoeringbesluiten 37 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie