J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 223 uitvoeringbesluiten 205 gearchiveerde versies
Erratum Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1969/11/28/1969112813/justel

Titel
28 NOVEMBER 1969. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-01-1984 en tekstbijwerking tot 11-06-2019)

Publicatie : 05-12-1969 nummer :   1969112813 bladzijde : 11753
Dossiernummer : 1969-11-28/01
Inwerkingtreding : 01-01-1970

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1, 1bis, 1ter
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
Art. 2
Afdeling 1. - Bepalingen betreffende personen die in de private sector tewerkgesteld worden.
Art. 3, 3bis, 4-5, 5bis, 6, 6bis, 7-8, 8bis, 8ter, 8quater
Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de personen die in de openbare sector tewerkgesteld worden.
Art. 9-12, 12bis, 13, 13bis, 14-15
Afdeling 2bis. - (Bepaling betreffende de geneesheren in opleiding tot geneesheer-specialist en de geneesheren in opleiding tot huisarts.) <KB 2007-06-03/32, art. 1, 136; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
Art. 15bis
Afdeling 3. Uitsluitingen.
Art. 16, 16bis, 17, 17bis, 17ter, 17quater, 17quinquies, 17sexies, 18
HOOFDSTUK II. - Berekening van de bijdragen.
Afdeling I. - Algemene regeling.
Art. 19, 19bis, 19ter, 19quater, 20-24
Afdeling 2. - Bijzondere regelingen voor bepaalde werknemerscategorieën.
Art. 25-27, 27bis, 28-31, 31bis, 31ter, 32, 32bis
HOOFDSTUK III. - Aangifte en betaling van de bijdragen.
Afdeling 1. - Algemene regeling.
Art. 33-34, 34bis, 34ter, 35, 35bis
Afdeling 2. Bijzondere regelingen.
Art. 36-40, 40bis, 41, 41bis, 42, 42bis, 43
Afdeling 3.
Art. 43bis, 43ter, 43quater, 43quinquies, 43sexies, 43septies
Afdeling 4. Minnelijke invordering. <Ingevoegd bij KB 2007-07-13/62, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Onderafdeling 1. - Voorwaarden. <Ingevoegd bij KB 2007-07-13/62, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 43octies, 43nonies
Onderafdeling 2. - Modaliteiten. <Ingevoegd bij KB 2007-07-13/62, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 43decies
Afdeling 5. - [1 Ambtshalve afhouding]1
Art. 43undecies, 43duodecies
HOOFDSTUK IV. - (Sociale secretariaten van werkgevers). <KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998>
Afdeling 1. - (Erkenning). <KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998>
Art. 44-47
Afdeling 2. - (Verplichtingen). <KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998>
Art. 48-49
Afdeling 3. - (Rechten). <KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-11-1998>
Art. 50-53
Afdeling 4. [1 - Kwaliteitsbarometer.]1
Art. 53, 53/1, 53/2, 53/3
HOOFDSTUK V. Burgerlijke sancties.
Art. 54, 54bis, 54ter, 55-56
HOOFDSTUK VI. Inrichting en werking van de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid.
Art. 57-61, 61bis, 62
HOOFDSTUK VIbis. (ingevoegd) <KB 13-01-1971, art. 3> Toezicht.
Art. 62bis
HOOFDSTUK VII. Slotbepalingen.
Art. 63-66

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "de wet" de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

  Art. 1bis.[1 Voor de toepassing van de wet en van dit besluit wordt verstaan onder leerling, elke persoon die in het kader van een alternerende opleiding door een overeenkomst verbonden is met een werkgever, met uitzondering van de leerovereenkomst, bedoeld in artikel 3, 6°, en van de arbeidsovereenkomst.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder alternerende opleiding, elke situatie die beantwoordt aan alle volgende voorwaarden samen :
   1° de opleiding bestaat uit een deel dat uitgevoerd wordt op de werkvloer en een deel dat uitgevoerd wordt binnen of op initiatief en onder de verantwoordelijkheid van een onderwijs- of opleidingsinstelling; deze twee onderdelen beogen samen de uitvoering van één enkel opleidingsplan, zijn daarom op elkaar afgestemd en wisselen elkaar geregeld af;
   2° de opleiding leidt tot een beroepskwalificatie;
   3° het deel dat uitgevoerd wordt op de werkvloer voorziet op jaarbasis een gemiddelde arbeidsduur van minstens 20 uren per week, zonder rekening te houden met de feest- en vakantiedagen;
   4° het deel dat uitgevoerd wordt binnen of op initiatief en onder de verantwoordelijkheid van een onderwijs- of opleidingsinstelling, omvat op jaarbasis :
   - minstens 240 lesuren voor de jongeren die onderworpen zijn aan de deeltijdse leerplicht in toepassing van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht;
   - minstens 150 lesuren voor de jongeren die niet onderworpen zijn aan de leerplicht in toepassing van voornoemde wet van 29 juni 1983,
   waarbij het aantal uren berekend kan worden naar rato van de totale duur van de opleiding;
   de lesuren waarvoor de leerling eventueel van een vrijstelling geniet, toegekend door de voormelde onderwijs- of opleidingsinstelling, zijn begrepen in de 240 of 150 uren;
   5° de beide delen van de opleiding worden uitgevoerd in het kader van en worden gedekt door één enkele overeenkomst waarbij de werkgever en de leerling betrokken partij zijn;
   de opleiding kan worden uitgevoerd in het kader van meerdere opeenvolgende overeenkomsten op voorwaarde dat (1) de minima van de opleidingsuren binnen de onderwijs- of opleidingsinstelling het aantal bedoeld in punt 4 bereiken en dat (2) het volledige traject, bestaand uit verschillende opeenvolgende overeenkomsten, gegarandeerd en gecontroleerd wordt door de operator die verantwoordelijk is voor de opleiding;
   6° de in 5° bedoelde overeenkomst voorziet een financiële bezoldiging voor de leerling die ten laste is van de werkgever en die beschouwd moet worden als een loon voor de toepassing van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-06-29/21, art. 1, 176; Inwerkingtreding : 01-07-2015. Zie ook art. 3>

  Art. 1ter. [1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "provinciaal of plaatselijk bestuur", het bestuur bedoeld in artikel 1, § 1, vierde lid, van de wet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-03-15/07, art. 1, 189; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.

  Art. 2. De toepassing van de wet wordt verruimd en beperkt overeenkomstig het bepaalde in (de afdelingen 1, 2 en 2bis) van dit hoofdstuk. Dienovereenkomstig wordt eveneens verruimd of beperkt het toepassingsgebied van alle of de in de betrokken artikelen aangewezen regelen die in artikel 5 van de wet zijn opgesomd. <KB 18-3-1983, art. 1>

  Afdeling 1. - Bepalingen betreffende personen die in de private sector tewerkgesteld worden.

  Art. 3.De toepassing van de wet wordt verruimd tot:
  1° de personen die, in hoedanigheid van lasthebbers en tegen een ander loon dan kost en inwoning, hun voornaamste bedrijvigheid wijden aan het dagelijks beheers of aan de dagelijkse leiding van verenigingen en organisaties die geen industriële of handelsverrichtingen uitvoeren en die er niet naar streven hun leden een materieel voordeel te verschaffen, alsmede tot die verenigingen en organisaties. Bedoeld worden inzonderheid de ziekenfondsen , verbonden en landsbonden die erkend en gemachtigd zijn voor het verlenen van prestaties van vrijwillige en verplichte verzekering in geval van ziekte of invaliditeit en de organisaties van werkgevers, van werknemers en van zelfstandigen, de coöperatieve vennootschappen die voldoen aan de voorwaarden bepaald bij artikel 5 van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de coöperatie en haar uitvoeringsbesluiten en de verenigingen zonder winstoogmerk;
  2° (...); <W 2002-12-24/31, art. 171, 112; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  3° de personen die, in hoedanigheid van interimarissen , bij derden aan het werk gesteld worden alsook tot de personen die hen aan het werk gesteld hebben en hen bezoldigden;
  4° (de personen die, op een door hen gekozen plaats in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte produkten bewerken die een of verschillende handelaars hun hebben toevertrouwd en die alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen, alsmede tot die handelaars.) <KB 15-06-1970, art. 1. 1°>
  5° de personen die vervoer van (...) goederen verrichten dat hun door een onderneming opgedragen wordt, door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer, alsmede tot die ondernemer. <KB 15-06-1970>
  5°bis (de personen die vervoer van personen, verrichten dat hun wordt toevertrouwd door een onderneming, door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door een ondernemer, of aan wie een onderneming diensten verleent in verband met het hun opgedragen vervoer, alsmede tot die ondernemers.) <KB 15-06-1970, art. 1, 3°>
  (Het eerste lid is niet van toepassing op de taxibestuurders bedoeld in 5°ter.) <KB 2001-12-13/52, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 01-04-2002>
  (5°ter. De taxibestuurders en de ondernemers die hen tewerkstellen, behalve indien het gaat om :
  1° taxibestuurders die houder zijn van een door de bevoegde overheid afgeleverde exploitatievergunning voor een taxidienst en die eigenaar zijn van het voertuig of de voertuigen waarmee ze handel drijven, of die er over beschikken ingevolge een afbetalingsovereenkomst die niet gefinancierd is of waarvan de financiering niet gewaarborgd is door de ondernemer;
  2° taxibestuurders die mandatarissen zijn van de vennootschap, zoals bedoeld in artikel 3, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, die met het voertuig handel drijft en die over de exploitatievergunning beschikt;
  Voor de toepassing van het eerste lid, wordt onder " taxibestuurders " verstaan de bestuurders van voertuigen behorend tot een taxidienst zoals bepaald door de bevoegde overheid.) <KB 2001-12-13/52, art. 2, 103; Inwerkingtreding : 01-04-2002>
  6° [1 ...]1
  7°[1 ...]1
  8° (de studenten die tewerkgesteld zijn in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, bedoeld bij (titel VIi) van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en die niet krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten). <KB 23-04-1979, art. 10> <KB 1998-06-02/47, art. 1, 075; Inwerkingtreding : 01-03-1997>
  9° (de natuurlijke personen die instaan voor de opvang van kinderen in een woning voor de opvang in gezinsverband en die aangesloten zijn bij een dienst waarmee zij niet zijn verbonden door een arbeidsovereenkomst, dienst die daartoe werd erkend door de terzake bevoegde instelling krachtens ofwel het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 29 maart 1993 houdende algemene reglementering inzake opvangvoorzieningen gesubsidieerd door de "Office de la Naissance et de l'Enfance" (Dienst voor Geboorte en Kinderwelzijn), ofwel het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen, ofwel het besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 24 juni 1999 betreffende de opvang van jonge kinderen. Voormelde erkende opvangdienst wordt als hun werkgever beschouwd.) <KB 2003-03-18/32, art. 1, 113; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (10°[2 de personen die, in de zin van artikel 16 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, zoals van kracht op 31 maart 2016, of in de zin van artikel 19/2 van het voormeld decreet, arbeid verrichten als persoonlijke assistent ten voordele van een familielid dat tot de tweede graad verwant is of van een persoon die deel uitmaakt van hun gezin en geniet van een persoonlijke-assistentiebudget, evenals de personen die houder zijn van het persoonlijke-assistentiebudget die hen bezoldigen;]2
  [3 11° De personen die, in het kader van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap, arbeid verrichten op basis van een overeenkomst waarbij wordt voorzien in het verlenen van zorg en ondersteuning in een één-op-één-relatie met de persoon met een handicap of aan verschillende personen met een handicap die op hetzelfde adres wonen en tot hetzelfde gezin behoren, ten voordele van een familielid dat tot de tweede graad verwant is of van een persoon die deel uitmaakt van hun gezin en geniet van een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning, evenals de personen die houder zijn van dit budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning die hen bezoldigen.]3
  ----------
  (1)<KB 2017-10-15/01, art. 1, 193; Inwerkingtreding : 01-10-2017>
  (2)<KB 2017-11-12/16, art. 1,1°, 194; Inwerkingtreding : 01-04-2016>
  (3)<KB 2017-11-12/16, art. 1,2°, 194; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 3bis.<KB 2003-03-26/61, art. 1, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003> De toepassing van de wet wordt verruimd tot de gerechtigden op een doctoraatsbeurs, die in toepassing van de fiscale wetgeving vrijgesteld is van belasting, en tot de gerechtigden op een postdoctoraatsbeurs, voor zover de doctoraats- of postdoctoraatsbeurs toegekend wordt door een door private personen ingerichte universitaire instelling, bedoeld bij artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden of bij artikel 3 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap; deze instelling wordt beschouwd als hun werkgever.
  Wat betreft de doctoraatsbeurs of de postdoctoraatsbeurs, die aan bovenvermelde voorwaarden voldoet, maar die toegekend wordt aan personen die niet onder toepassing vallen van Verordening 1408/71 van de Raad van de Europese Unie van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, of die niet onder toepassing vallen van een ander bi- of multilateraal verdrag inzake de sociale zekerheid afgesloten door het Koninkrijk België, wordt de toepassing van de wet beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging en uitkeringen [1 ...]1 en tot de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-28/13, art. 1, 173; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 4.[1 De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, wat de leerlingen betreft, en dit tot 31 december van het jaar waarin ze de leeftijd van achttien jaar bereiken.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-06-29/21, art. 2, 176; Inwerkingtreding : 01-07-2015. Zie ook art. 3>

  Art. 5.
  <Opgeheven bij KB 2014-07-13/04, art. 2, 172; Inwerkingtreding : 01-10-2014>

  Art. 5bis.<KB 1984-08-13/34, art. 2, 005> De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte- en invaliditeit, de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers [1 ...]1 en de regeling betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid, wat de werknemers betreft die tijdens de periode (die eindigt op 31 december van het jaar waarin zij de leeftijd van achttien jaar bereiken,) krachtens een arbeidsovereenkomst (...) tewerkgesteld zijn. <KB 2001-11-30/53, art. 1, 102; Inwerkingtreding : 01-04-2000> <KB 2003-05-16/41, art. 32, 117; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  ----------
  (1)<KB 2014-04-28/13, art. 2, 173; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 6.<KB 1985-08-12/41, art. 1, 012> De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, (sectoren van de geneeskundige verzorging en uitkeringen, tot de regeling van de werkloosheid,) [1 en tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers]1 wat betreft de betaalde sportbeoefenaars, bedoeld bij de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, alsmede wat de sportbeoefenaars betreft die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst en niet onder de toepassing vallen van voormelde wet van 24 februari 1978. <KB 1997-09-23/37, art. 1, 072; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  De regeling inzake jaarlijkse vakantie voor werknemers is niet van toepassing op de in dit artikel bedoelde sportbeoefenaars.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-28/13, art. 3, 173; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 6bis.<KB 1985-08-12/41, art. 2, 012> (De toepassing van de wet wordt beperkt) tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sectoren van de geneeskundige verzorging en uitkeringen, tot de regeling van de werkloosheid, [1 en tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers]1, wat de houders van een vergunning van beroepsrenner door de Belgische Wielrijdersbond afgeleverd betreft. <KB 1997-09-23/37, art. 2, 072; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  De Belgische Wielrijdersbond wordt, voor de toepassing van deze wet, geacht de werkgever te zijn van deze wielrenners. De last die voor de werkgever volgt uit de toepassing van deze wet op voormelde wielrenners mag rechtstreeks noch onrechtstreeks op deze wielrenners afgewenteld worden.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-28/13, art. 4, 173; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 7.§ 1. [1 De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en tot de regeling betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid voor werknemers wat betreft de private personen die een instelling voor niet-universitair onderwijs inrichten alsmede de leden van het personeel dat zij tewerkstellen en die de weddetoelage ten laste van een Gemeenschap of van andere publiekrechtelijke personen ontvangen.
   De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wanneer het genot van de weddetoelage aanspraak doet ontstaan op een pensioen ten laste van de Schatkist of wanneer belanghebbenden inzake pensioen op dezelfde wijze behandeld worden als de stagiairs van het Gemeenschapsonderwijs.]1
  § 2. [1 De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging voor de vastbenoemde of daarmee gelijkgestelde personeelsleden die bij of krachtens een decreet met behoud van hun rechtspositieregeling, met inbegrip van alle toekomstige wijzigingen, vanuit een hogeschool overgedragen zijn aan een universiteit.
   De in het eerste lid vermelde beperking geldt niet voor personeelsleden die door een universiteit overgenomen zijn met toepassing van de rechtspositieregeling van de universiteit.]1
  § 3. (De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging [2 ...]2, wat betreft de private personen die een instelling voor universitair onderwijs inrichten alsmede de leden van het academisch personeel die zij er tewerkstellen.
  Onder academisch personeel dient te worden verstaan :
  a) het vastbenoemd zelfstandig academisch personeel van de vrije universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap;
  b) het vastbenoemd academisch en wetenschappelijk personeel van de vrije universiteiten van de Franse Gemeenschap.) <KB 2002-07-07/34, art. 1, 107; Inwerkingtreding : 23-07-2002>
  ----------
  (1)<W 2012-04-22/24, art. 4, 155; Inwerkingtreding : 04-06-2012>
  (2)<KB 2014-04-28/13, art. 5, 173; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 8. De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en tot de regeling voor arbeidersvoorziening en werkloosheid, wat betreft de private personen die een dienst voor school- en beroepsorientering of een psycho-medisch-sociaal centrum inrichten alsmede de leden van hun personeel die een weddetoelage (van een Gemeenschap) ontvangen. <KB 1991-02-15/31, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte- en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wanneer belanghebbenden aanspraak maken op het pensioen, ingesteld bij de wet van 31 juli 1963 betreffende het pensioen van het personeel van de diensten voor scholen beroepsoriëntering en van de psycho-medisch-sociale centra, die een weddetoelage (van een Gemeenschap) ontvangen. <KB 1991-02-15/31, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>

  Art. 8bis.<KB 2007-04-21/44, art. 1, 133; Inwerkingtreding : 01-01-2007 ; Opheffing : 01-01-2010 in wat betreft art. 8bis, § 1, tweede lid, 4°, § 2, tweede lid en § 3, tweede lid> §1. De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de regeling van de werkloosheid, [8 en tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers]8, wat betreft de gelegenheidsarbeiders tewerkgesteld bij een werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf of het Paritair Comité voor de landbouw.
  In de zin van dit artikel wordt als gelegenheidsarbeider beschouwd :
  1° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf ressorteren, met uitzondering van de handarbeiders die tewerkgesteld zijn aan werken in de witloofteelt [4 of de champignonteelt]4: de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 65 dagen per kalenderjaar, tenzij de tewerkstelling bestaat uit het aanplanten en onderhouden van parken en tuinen;
  2° wat de handarbeiders betreft die ressorteren onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteren : de handarbeider tewerkgesteld aan werken op de eigen gronden van de werkgever of de gebruiker van diensten, gedurende maximaal 30 dagen per kalenderjaar;
  3° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid ressorteren : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 65 dagen per kalenderjaar bij een gebruiker die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, met uitsluiting van het aanplanten en onderhouden van parken en tuinen ressorteert en de handarbeider tewerkgesteld aan werken op de eigen gronden van de gebruiker die onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteert, gedurende maximaal 30 dagen per kalenderjaar;
  4° [5 wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn aan werken in de witloofteelt : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 100 dagen per kalenderjaar, met uitzondering van de werknemers die ressorteren onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid, wat de 35 laatste dagen van de 100 dagen betreft.]5
  [4 5° wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn in de champignonteelt : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 100 dagen per kalenderjaar, met uitzondering van de werknemers die ressorteren onder het paritair comité voor de uitzendarbeid, wat de 35 laatste dagen van de 100 dagen betreft.]4
  § 2. De beperking van de onderwerping bedoeld in § 1, eerste lid, wordt beperkt tot maximaal 65 dagen per handarbeider en per kalenderjaar.
  [1 Voor de gelegenheidsarbeiders in de champignonteelt moet de tewerkstelling plaatsvinden bij één of meerdere werkgevers gedurende de periode van intense activiteit, beperkt per kalenderjaar tot 156 dagen per werkgever.[4 Wanneer de voorwaarden vermeld in § 2bis vervuld zijn, wordt de tewerkstelling van de werknemer niet beperkt tot de periode van intense activiteit van 156 dagen per kalenderjaar.]4]1
  [6 In afwijking van het eerste lid kan, wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn aan werken in de witloofteelt, de beperking van de onderwerping bedoeld in § 1, eerste lid, verlengd worden met 35 extra dagen per handarbeider die geen uitzendarbeider is en per kalenderjaar, voorzover gelijktijdig aan de volgende voorwaarden is voldaan :
   a) de betrokken werkgever moet ten minste 3/4 van de omzet van het voorgaande kalenderjaar gerealiseerd hebben met de witloofteelt; dit moet op de volgende manier bewezen worden :
   - ten laatste op de veertiende dag die volgt op de door het Nationaal Instituut voor de Statistiek bepaalde datum voor het versturen van de vragenlijsten ingevuld in het kader van de landbouwtelling bedoeld bij het koninklijk besluit van 2 april 2001 betreffende de organisatie van een jaarlijkse landbouwtelling in de maand mei, uitgevoerd door het Nationaal Instituut voor de Statistiek, stuurt de werkgever een kopie van de ingevulde vragenlijst naar de voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf;
   - ten laatste op de veertiende dag die volgt op de ontvangst van het aanslagbiljet voor het lopende aanslagjaar (inkomsten van het vorige jaar), stuurt de werkgever een kopie van dit aanslagbiljet naar de voorzitter van het voornoemde Paritair Comité, met dien verstande dat wanneer het aanslagbiljet voor het aanslagjaar 2008 (inkomsten 2007) wordt opgestuurd na 2008, de mededelingsplicht van de kopie van dit aanslagbiljet blijft bestaan in hoofde van de werkgever;
   b) in afwachting dat dit dubbele bewijs geleverd wordt, stuurt de betrokken werkgever naar de identificatiedienst van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een verklaring op eer die bevestigt dat er aan de voorwaarde onder a) voldaan is, met in bijlage de volgende documenten :
   - een kopie van de vragenlijst ingevuld in het kader van de landbouwtelling van het vorige jaar;
   - een kopie van het laatste ontvangen aanslagbiljet;
   Een kopie van deze verklaring op eer en de bijlagen wordt naar de voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf gestuurd.
   c) de betrokken werkgever kan deze 35 extra dagen enkel gebruiken voor de witloofteelt, zelfs indien deze werkgever andere activiteiten heeft;
   d) de betrokken werkgever mag zich niet in één van de situaties bevinden bedoeld in artikel 38, § 3octies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. In dit laatste geval is de beperking van de onderwerping bedoeld in § 1, eerste lid, niet meer van toepassing.]6
  [4 § 2bis. In afwijking van het § 2, eerste lid, kan, wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn in de champignonteelt, de beperking van de onderwerping bedoeld in § 1, eerste lid, verlengd worden met 35 extra dagen per handarbeider die geen uitzendarbeider is en per kalenderjaar, voor zover gelijktijdig aan volgende voorwaarden is voldaan :
   1° de betrokken werkgever verbindt zich ertoe het werk in zijn onderneming met eigen personeel, ingeschreven en aangegeven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf uit te voeren.
   2° de betrokken werkgever kan deze 35 extra dagen enkel voor de champignonteelt gebruiken, zelfs indien hij andere activiteiten heeft, en mag de werknemer niet inzetten voor aanpassingen of herstellingen aan de infrastructuur van de onderneming.
   3° de betrokken werkgever toont ieder jaar een tewerkstellingsvolume aan, uitgedrukt in voltijdse equivalent, dat minstens gelijk is aan het gemiddelde van de vier multifunctionele-aangiften bij de Rijksdienst voor Sociale zekerheid voor het kalenderjaar 2011.
   4° Het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf bekijkt jaarlijks of er voldaan is aan de voorwaarden onder 1°, 2° en 3°, evenals aan het naleven van de sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten. Om na te gaan of de tewerkstellingsnorm bedoeld in 3° is nageleefd, vergelijkt het per werkgever het tewerkstellingsvolume van het afgelopen jaar met het tewerkstellingsvolume van het jaar 2011.
   5° de betrokken werkgever moet een schriftelijke aanvraag richten aan de voorzitter van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf, waarbij hij de cijfergegevens bedoeld onder 3° hierboven toevoegt en een verbintenis aangaat zoals vermeld onder 1°. Voor de ondernemingen waar een overlegorgaan bestaat, zoals een ondernemingsraad, een comité voor preventie en bescherming op het werk of een vakbondsafvaardiging, moet het akkoord van de werknemersvertegenwoordiging toegevoegd worden.
   In het geval bedoeld in het eerste lid, 4°, bezorgt de voorzitter van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf het jaarlijks evaluatieverslag van voornoemd comité uiterlijk tegen 30 april aan de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk.
   Het jaarlijkse evaluatieverslag vermeld in de tweede lid wordt door de Minister van Werk aan de Nationale Arbeidsraad bezorgd.
   De Minister van Sociale Zaken beschikt over een termijn van vijftien kalenderdagen om zich uit te spreken over het respecteren van de voorwaarden onder eerste lid 1°, 2° en 3° en van de sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten en over het geheel of gedeeltelijk invorderen van de vrijgestelde bijdragen voor het betrokken kwartaal. Deze termijn begint te lopen vanaf het bezorgen van het verslag door de voorzitter van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf. Indien de Minister van Sociale Zaken binnen deze termijn geen beslissing neemt, dan wordt de beslissing geacht positief te zijn.
   In het geval bedoeld in het eerste lid, 5°, moeten de schriftelijke aanvraag en verbintenis jaarlijks hernieuwd worden voor het daaropvolgende kalenderjaar, zodra de multifunctionele-aangiften van het lopende kalenderjaar gekend zijn.
   De voorzitter van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf bezorgt de lijst van de werkgevers die een dergelijke aanvraag en verbintenis hebben bezorgd, aan de leden van de werkgroep "champignonteelt" van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf. De lijst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf. De goedgekeurde lijst wordt aan de Rijksdienst voor Sociale zekerheid bezorgd.
   Het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf stelt een modeldocument op voor deze schriftelijke aanvraag en verbintenis.
   De individuele bedrijfsregeling wordt jaarlijks geëvalueerd in de daartoe opgerichte werkgroep "champignonteelt" van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf.]4
  § 3. In geval van werkzaamheden uitgevoerd bij werkgevers of gebruikers die zowel onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf als onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteren, is de toepassing van dit artikel beperkt tot 65 dagen per arbeider en per kalenderjaar. Wanneer de gelegenheidsarbeider bedoeld in § 1, tweede lid, eveneens een gelegenheidsactiviteit uitoefent in de zin van [3 artikel 31ter]3 van dit besluit, is de cumulatie van de verschillende gelegenheidsactiviteiten beperkt tot 65 dagen per kalenderjaar.
  [7 In afwijking van het vorige lid, wordt de cumulatie van de verschillende gelegenheidsactiviteiten gebracht op 100 dagen per kalenderjaar wanneer de gelegenheidsactiviteiten vanaf de 66e dag uitsluitend uitgeoefend worden in de witloofteelt.]7
  § 4. [1 De werkgever doet een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling overeenkomstig artikel 5bis of 6 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
   [2 Wordt niet als gelegenheidsarbeider in de zin van dit artikel beschouwd, de werknemer die in de loop van de 180 voorafgaande dagen in de land- of tuinbouwsector heeft gewerkt met toepassing van de wet in een andere hoedanigheid dan die van gelegenheidsarbeider zoals hier omschreven.]2
   Wanneer nagelaten is de gelegenheidsarbeiders in te schrijven in de ter zake opgelegde sociale documenten of wanneer de werkgever nalaat de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling dagelijks te doen overeenkomstig artikel 5bis, § 2 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, kunnen de betrokken werknemers voor het hele kalenderjaar waarin dit werd nagelaten, niet in de hoedanigheid van gelegenheidsarbeiders bij deze werkgever bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid worden aangegeven.
   Voor de werknemers die nog niet in het bezit zijn van het gelegenheidsformulier, vraagt de werkgever vóór de tewerkstelling van deze werknemers het formulier voor het vaststellen van het aantal dagen tewerkstelling respectievelijk in de tuinbouwsector of de landbouwsector bij de instelling aangeduid door de Ministers van Werk en van Sociale Zaken. Deze ministers bepalen het model, de voorwaarden voor het afleveren en het bijhouden van dit formulier; in geen enkel geval wordt een duplicaat afgeleverd.
   De werkgever parafeert eenmaal per week de aantekeningen van de werknemer. Indien de werkgever het gelegenheidsformulier niet parafeert, worden de aantekeningen van de werknemer als correct beschouwd tenzij het tegendeel wordt bewezen.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-30/15, art. 1, 153; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<KB 2013-07-04/11, art. 1, 159; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (3)<KB 2013-11-12/06, art. 1, 162; Inwerkingtreding : 01-10-2013>
  (4)<KB 2013-12-15/26, art. 1, 166; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (5)<KB 2014-01-20/07, art. 1, 169; Inwerkingtreding : 01-01-2012; Opheffing : 01-01-2014>
  (6)<KB 2014-01-20/07, art. 2, 169; Inwerkingtreding : 01-01-2012; Opheffing : 01-01-2014>
  (7)<KB 2014-01-20/07, art. 3, 169; Inwerkingtreding : 01-01-2012; Opheffing : 01-01-2014>
  (8)<KB 2014-04-28/13, art. 6, 173; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 8ter.<Ingevoegd bij KB 2003-03-18/32, art. 2; Inwerkingtreding : 01-04-2003> Voor de in artikel 3, 9° van dit besluit bedoelde werknemers wordt de toepassing van de wet beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de specifieke regeling inzake werkloosheid bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, q - van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, [1 en tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers]1.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-28/13, art. 7, 173; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 8quater. (opgeheven) <KB 2007-04-30/42, art. 2, 135; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de personen die in de openbare sector tewerkgesteld worden.

  Art. 9.§ 1. De toepassing van de wet wordt verruimd wat betreft de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers, tot het Rijk, (tot de Gemeenschappen, tot de Gewesten,) tot de provincies en tot de instellingen ondergeschikt aan de provincies alsmede tot de personen die in hun dienst zijn en zich in een statutaire toestand bevinden. <KB 1991-02-15/31, art. 3, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wanneer de personen bedoeld in het eerste lid hetzij in vast verband benoemd zijn, hetzij tewerkgesteld worden in uitvoering van een dienstneming of wederdienstneming bij het leger overeenkomstig de gecoördineerde dienstplichtwetten. Die personen zijn niet meer aan de wet onderworpen wanneer zij hun functies in dienst van het Rijk, (van een Gemeenschap of van een Gewest) in het buitenland uitoefenen en er hun administratieve verblijfplaats hebben. <KB 1991-02-15/31, art. 3, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  (De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector geneeskundige verzorging en de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers, wanneer de personen bedoeld in het eerste lid tewerkgesteld zijn bij wijze van mandaat in een managementfunctie of aangesteld zijn in een staffunctie.) <KB 2001-07-04/35, art. 1, 097; Inwerkingtreding : 12-07-2001>
  De stagiairs van de rijksbesturen, (van de Gemeenschappen en van de Gewesten) [1 en van de provincies en de instellingen ondergeschikt aan de provincies]1 zijn onderworpen aan de bepalingen van het tweede lid, behoudens tijdens de opzeggingstermijn wanneer zij wegens ongeschiktheid afgedankt zijn. <KB 1991-02-15/31, art. 3, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991> <KB 7-11-1973, art. 1>
  § 2. Wat betreft de personen die door het Rijk, (de Gemeenschappen, de Gewesten,) de provincies en de instellingen ondergeschikt aan de provincies krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst genomen worden, wordt in toepassing van de wet beperkt tot de regelingen opgesomd in §1, eerste lid. <KB 1991-02-15/31, art. 3, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  ----------
  (1)<KB 2014-01-13/06, art. 1, 168; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 10.§ 1. De toepassing van de wet wordt verruimd wat betreft de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte- en invaliditeit, de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers, de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers (...), tot de gemeenten, tot de instellingen aan de gemeenten ondergeschikt en tot de verenigingen van gemeenten alsmede de personen die in hun dienst zijn en zich in een statuaire toestand bevinden. <KB 1999-12-14/42, art. 1, 090; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
  De toepassing van de wet wordt echter beperkt, tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit , sector van de geneeskundige verzorging, wanneer de personen bedoeld in voorgaand lid in vast verband benoemd zijn.
  [1 De stagiairs van de gemeenten, de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten en de verenigingen van gemeenten zijn onderworpen aan de bepalingen van het tweede lid, behoudens tijdens de opzeggingstermijn wanneer zij wegens ongeschiktheid afgedankt zijn.]1
  § 2. Wat betreft de personen die door de gemeenten, de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten en de verenigingen van gemeenten krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst genomen worden, wordt de toepassing van de wet beperkt tot de regelingen opgesomd in §1, eerste lid.
  (lid opgeheven) <KB 1999-12-14/42, art. 1, 090; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
  ----------
  (1)<KB 2014-01-13/06, art. 2, 168; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 11.§ 1. De toepassing van de wet wordt verruimd tot de instellingen van (openbaar nut [1 , HR Rail,]1 [3 tot het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie]3 en de autonome overheidsbedrijven) alsmede tot de personen die, in hoedanigheid van lasthebber en tegen loon, hun voornaamste activiteit wijden aan het dagelijks beheer of de dagelijkse leiding (van die instellingen en bedrijven), voor zover op die personen geen statutaire pensioenregeling van toepassing is. <KB 1996-10-18/39, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 04-09-1992>
  (De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector geneeskundige verzorging en de regeling voor rust - en overlevingspensioenen voor werknemers, wanneer de personen bedoeld in het eerste lid tewerkgesteld zijn op basis van een mandaat in een managementfunctie in [3 het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie]3 een openbare instelling van sociale zekerheid [4 of in een van de volgende instellingen van openbaar nut:
   a. het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen;
   b. het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg;
   c. het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
   d. het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten;
   e. het Federaal Planbureau;
   f. de Centrale Dienst voor sociale en culturele actie van het Ministerie van Landsverdediging;
   g. het Nationaal Geografisch Instituut
   h. het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau; i.
   de Regie der gebouwen;
   j. het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers]4.) <KB 2006-06-02/44, art. 1, 128; Inwerkingtreding : 01-10-2003>
  § 2. [2 De toepassing van de wet wordt verruimd wat betreft de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers, tot de instellingen van openbaar nut en de autonome overheidsbedrijven, alsmede tot de personen die in hun dienst zijn en zich in een statutaire toestand bevinden.
   De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wat de personen betreft bedoeld bij voorgaand lid die aanspraak kunnen maken, hetzij op het rustpensioen voorzien bij de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, hetzij op een rustpensioen van een pensioenregeling vastgesteld door of krachtens een wet of een reglement anders dan de pensioenregeling voor werknemers. Dit lid is niet van toepassing op de personen in dienst van [3 HR Rail]3 die zich met deze laatste in een statutair verband bevinden.
   De toepassing van de wet wordt eveneens beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wat betreft de personen in dienst bij [3 HR Rail]3 die zich met deze in een statutair verband bevinden en op de tussenkomst van haar sociale werken aanspraak kunnen maken.]2
  § 3. (Wat betreft de personen die de instellingen van openbaar nut - met uitzondering van [1 HR Rail]1 de autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, van de Vlaamse Vervoermaatschappij en van de Société régionale wallonne de Transport - met een arbeidsovereenkomst in dienst nemen, is de toepassing van de wet beperkt tot de regelingen vermeld in § 2, eerste lid, eerste zin. [2 ...]2.) <KB 2002-12-02/32, art. 1, 110; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  ----------
  (1)<KB 2013-12-11/02, art. 62, 164; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<KB 2014-04-28/13, art. 8, 173; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (3)<KB 2017-10-09/03, art. 1,1°,2°, 192; Inwerkingtreding : 16-11-2006>
  (4)<KB 2017-10-09/03, art. 2, 192; Inwerkingtreding : 16-11-2006>

  Art. 12. § 1. Met afwijking van de artikelen 9,10 e n 11, wordt de toepassing van de wet beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en tot regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers, wat betreft (de Gemeenschappen), de provincies, de instellingen ondergeschikt aan de provincies , de gemeenten, de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de instellingen van openbaar nut alsmede de leden van het academisch en wetenschappelijk personeel die zij in hun instellingen voor universitair onderwijs tewerkstellen en de leden van het onderwijzend en bestuurlijk personeel die zij in hun andere onderwijsinstellingen tewerkstellen. <KB 1991-02-15/31, art. 4, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wanneer de betrokken personeelsleden, in hoofde van hun tewerkstelling, hetzij aanspraken laten gelden op een rustpensioen ten laste van de Schatkist of op een rustpensioen van een pensioenregeling, vastgesteld door of krachtens een wet of door een reglement, anders dan de pensioenregeling voor werknemers, hetzij de hoedanigheid van stagiair in (het Gemeenschapsonderwijs) hebben, hetzij inzake pensioen op dezelfde wijze worden behandeld als de stagiairs van (het Gemeenschapsonderwijs.) <KB 1991-02-15/31, art. 4, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder "onderwijzend en bestuurlijk personeel", het directie- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel, het paramedisch personeel en de andere leden van het administratief personeel.
  (§ 3. De toepassing van de wet wordt eveneens beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, voor het vastbenoemd zelfstandig academisch personeel en voor het vastbenoemd administratief en technisch personeel van de Universitaire Instelling Antwerpen (U.I.A.), het Limburgs Universitair Centrum (L.U.C.), de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen.) <KB 2002-07-07/34, art. 2, 107; Inwerkingtreding : 23-07-2002>

  Art. 12bis. <KB 1986-01-30/37, art. 1, 013> De werknemers die onderworpen zijn aan de maatschappelijke zekerheid der arbeiders krachtens de artikelen 9, 10, 11 en 12 en die deel uitmaken van het personeel van een ministerieel of provinciaal kabinet, blijven onderworpen aan de regeling die op grond van de voormelde bepalingen op hen van toepassing is in de administratie of in de dienst waartoe ze behoren. De Staat, (de Gemeenschap, het Gewest) of de Provincie wordt als hun werkgever beschouwd. <KB 1991-02-15/31, art. 5, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>

  Art. 13.De toepassing van de wet wordt verruimd wet betreft de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, tot het Rijk, (de Gemeenschappen, de Gewesten,) de provincies, de instellingen ondergeschikt aan de provincies, de gemeenten, de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de instellingen van openbaar nut alsmede tot de bedienaars van de eredienst (, de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad) [1 de aalmoezeniers, de consulenten van de eredienst en de moreel consulenten in de gevangenissen]1 die een wedde te hunnen laste ontvangen. Deze personen vallen niet meer onder toepassing van de wet wanneer zij door (hun respectieve representatieve organen) naar het buitenland gezonden worden om er een functie waar te nemen. <KB 1991-02-15/31, art. 6, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991> <W 2002-06-21/34, art. 65, 109; Inwerkingtreding : 01-11-2002>
  ----------
  (1)<KB 2019-05-17/28, art. 38, 206; Inwerkingtreding : 01-07-2019>

  Art. 13bis. <KB 30-12-1975, art. 1> Voor de toepassing van de artikelen 10, 12 en 13, worden met de gemeenten gelijkgesteld, de agglomeraties en de federaties van gemeenten, de openbare instellingen die afhangen van de agglomeraties en van de federaties van gemeenten, de Nederlandse Commissie voor de Cultuur, de Franse Commissie voor de Cultuur en de Verenigde Commissies voor de Cultuur van de Brusselse Agglomeratie.

  Art. 14. De toepassing van de wet wordt verruimd tot de wateringen en polders, alsmede tot hun ontvangersgriffiers , wachters en sluiswachters.

  Art. 15.(§ 1.) De toepassing van de wet wordt verruimd tot: <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  1° het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in de nijverheid en de landbouw alsmede tot de gerechtigden op een specialisatiebeurs, een onderzoekingsbeurs of een reisbeurs toegekend door dit Instituut, tenzij de wet op deze Gerechtigden van toepassing is ingevolge een andere beroepsactiviteit;
  2° Het Nationaal Fonds voor wetenschappelijk onderzoek alsmede tot zijn navorsingsstagiairs, zijn aspiranten en tot de gerechtigden op een bijzondere doctoraatsbeurs (of een postdoctoraatsbeurs) toegekend door dit Fonds; <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  3° (opgeheven) <KB 1991-02-15/31, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  4° (Het Interuniversitair College voor doctorale studies in de managementwetenschappen alsmede tot de gerechtigden op een doctoraatsbeurs (of een postdoctoraatsbeurs) toegekend door dit College). <KB 16-02-1971, art. 2> <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  (5° de gerechtigden van een onderzoeksmandaat toegekend door het Vlaams Instituut voor de bevordering van het wetenschappelijk-technologisch onderzoek in de industrie, alsmede tot dit Instituut.) <KB 1995-03-15/44, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 09-02-1991>
  (6° de gerechtigden op een doctoraatsbeurs die in toepassing van de fiscale wetgeving vrijgesteld is van belasting (of een postdoctoraatsbeurs) en die wordt toegekend door : <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  - het Algemeen Rijksarchief en het Rijksarchief in de provinciën;
  - de Koninklijke Bibliotheek van België;
  - [2 Koninklijk Belgisch Instituut voor Ruimte-Aëronomie]2;
  - het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen;
  - het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium;
  - het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België;
  - het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika;
  - de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis;
  - het Navorsings- en Studiecentrum voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog;
  - de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België;
  - de Koninklijke Sterrenwacht van België;
  - de Belgische Geologische Dienst;
  - het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek van Gembloux;
  - het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek van Gent;
  - het Centrum voor Landbouweconomie;
  - de Nationale Plantentuin van België;
  - [3 ...]3
  - [3 ...]3
  - het Koninklijk Museum van het Leger en van Krijgsgeschiedenis;
  - het Nationaal Instituut voor Criminalistiek;
  [3 - Sciensano]3
  deze instellingen worden beschouwd als hun werkgever;
  7° (de gerechtigden op een doctoraatsbeurs, die in toepassing van de fiscale wetgeving vrijgesteld is van belasting, en tot de gerechtigden op een postdoctoraatsbeurs, voor zover de doctoraats- of de postdoctoraatsbeurs toegekend wordt door een universitaire instelling van een Gemeenschap, bedoeld bij artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden of bij artikel 3 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap; deze instelling wordt beschouwd als hun werkgever.) <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  (§ 2. Wat betreft de specialisatiebeurs, de onderzoekingsbeurs, of de reisbeurs bedoeld in § 1, 1°, wat betreft het onderzoeksmandaat bedoeld in § 1, 5°, en wat betreft de doctoraatsbeurs of de postdoctoraatsbeurs bedoeld in § 1, die aan bovenvermelde voorwaarden voldoen, maar die toegekend worden aan personen die niet onder toepassing vallen van Verordening 1408/71 van de Raad van de Europese Unie van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, of die niet onder toepassing vallen van een bi- of multilateraal verdrag inzake de sociale zekerheid afgesloten door het Koninkrijk België, wordt de toepassing van de wet beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging en uitkeringen [1 ...]1 en tot de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers.) <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  ----------
  (1)<KB 2014-04-28/13, art. 9, 173; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<KB 2015-11-09/14, art. 2, 180; Inwerkingtreding : 25-11-2014>
  (3)<KB 2018-03-28/03, art. 38, 200; Inwerkingtreding : 01-04-2018>

  Afdeling 2bis. - (Bepaling betreffende de geneesheren in opleiding tot geneesheer-specialist en de geneesheren in opleiding tot huisarts.) <KB 2007-06-03/32, art. 1, 136; Inwerkingtreding : 01-07-2008>

  Art. 15bis.<KB 2007-06-03/32, art. 2, 136; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijke op : 01-07-2009>> De toepassing van de wet wordt verruimd wat betreft de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging en sector uitkeringen [2 ...]2 tot de volgende personen :
  1° de geneesheren in opleiding tot geneesheer-specialist, in het raam van de regelen bepaald ter uitvoering van artikel 153, § 4, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, alsmede tot de verplegingsinstellingen waar de opleiding wordt gevolgd;
  2° de geneesheren in opleiding tot huisarts, [1 alsmede tot de coördinatiecentra voor de opleiding in de huisartsgeneeskunde via dewelke deze geneesheren in opleiding tot huisarts hun opleiding volgen]1.
  [2 ...]2.
  ----------
  (1)<KB 2009-07-17/06, art. 1, 144; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<KB 2014-04-28/13, art. 10, 173; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 3. _ Uitsluitingen.

  Art. 16.<KB 1987-08-24/30, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 01-10-1987> Aan de toepassing van de wet worden onttrokken, de werknemers die occasionele arbeid verrichten, evenals de werkgevers uit hoofde van de tewerkstelling van die werknemers.
  [1 Wordt beschouwd als occasionele arbeid, de activiteit of activiteiten verricht ten behoeve van het huishouden van de werkgever of zijn gezin, met uitzondering van manuele huishoudelijke activiteiten, voor zover de werknemer deze occasionele activiteiten binnen deze huishouding niet beroepsmatig en geregeld ontplooit en voor zover de activiteiten niet meer dan acht uur per week bij één of meerdere werkgevers bedragen.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-07-13/04, art. 1, 172; Inwerkingtreding : 01-10-2014>

  Art. 16bis. <Ingevoegd bij KB 1999-06-13/53, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2000> Aan de toepassing van de wet worden onttrokken de werknemers die arbeidsprestaties verrichten in het kader van een PWA-arbeidsovereenkomst, bedoeld in de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst, evenals de werkgevers uit hoofde van hun tewerkstelling van die werknemers.

  Art. 17.<KB 1985-08-02/42, art. 1, 006> (§ 1. Aan de toepassing van de wet worden onttrokken voor zover de bedoelde betrekking in de loop van een kalenderjaar 25 arbeidsdagen niet overschrijdt bij één of meer werkgevers :) <KB 1987-11-19/31, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 01-10-1987>
  1° (het Rijk, de Gemeenschappen, de Gewesten, de bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid [3 ...]3 aangesloten provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, en de personen die zij tewerkstellen in een betrekking die arbeidsprestaties meebrengt, verricht) : <KB 1997-08-08/12, art. 1, 1°, 073; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  a) als verantwoordelijk leider, beheerder, huismeester, monitor of adjunct-monitor in de cyclussen voor vakantiesport tijdens de schoolvakanties, de vrije dagen of de gedeelten in het onderwijs, of als animator van socio-culturele en sportactiviteiten tijdens de vrije dagen of daggedeelten in het onderwijs.
  b) bij wijze van inleiding, aanschouwelijke voordracht of lezing, die plaats hebben na 16 u 30 of tijdens de vrije dagen of daggedeelten in het onderwijs.
  2° de [1 Vlaamse Radio- en Televisieomroep (VRT)]1, de "Radio-Télévision culturelle francaise" (R.T.B.F.) en de "Belgische Rundfunk- und Fernsehnzentrum (B.R.F.)" alsmede de personen die, in hun organiek personeelskader opgenomen, daarenboven in hoedanigheid van artiest tewerkgesteld worden;
  3° (het Rijk, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provinciale en plaatselijke besturen, evenals de werkgevers georganiseerd als vereniging zonder winstoogmerk of vennootschap met een sociaal oogmerk waarvan de statuten bepalen dat de vennoten geen vermogensvoordeel nastreven, die vakantiekolonies, speelpleinen en sportkampen inrichten en de personen die zij als beheerder, huismeester, monitor of bewaker, alléén tijdens de schoolvakanties tewerkstellen); <KB 1997-08-08/12, art. 1, 2°, 073; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  4° (de door de bevoegde overheden erkende organisaties die tot taak hebben socio-culturele vorming en/of sportinitiatie te verstrekken, en de personen die buiten hun werk- of schooluren of tijdens de schoolvakanties door deze organisaties worden tewerkgesteld als animator, leider of monitor;) <KB 2002-02-19/33, art. 2, 105; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  5° de inrichtende machten van scholen, gesubsidieerd (door een Gemeenschap), en de personen die zij tewerkstellen als animator van socio-culturele en sportactiviteiten tijdens de vrije dagen of daggedeelten in het onderwijs. <KB 1991-02-15/31, art. 8, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  (lid 2 en 3 opgeheven) <KB 1987-11-19/31, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 01-10-1987>
  (6° De inrichters van sportmanifestaties en de personen die zij uitsluitend op de dag van deze manifestaties tewerkstellen. Deze bepaling vindt geen toepassing op de sportbeoefenaars bedoeld in artikel 6 en 6bis.) <KB 1987-11-19/31, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 01-10-1987>
  § 2. [1 Dit artikel is alleen toepasselijk zo de werkgever vóór elke tewerkstelling ervan aangifte doet bij de [3 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]3.]1
  [1 Tweede lid opgeheven.]1
  [2 § 3. [3 De aangifte van tewerkstelling bedoeld in paragraaf 2, moet door de werkgever voorafgaand aan elke dag van tewerkstelling afzonderlijk gebeuren langs elektronische weg, onder de vorm en volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels]3.
   § 4. [3 ...]3;
   § 5. [3 ...]3.
   § 6. [3 ...]3.
   § 7. De werkgever dient de werknemer op de hoogte te stellen van de aangifte en de inhoud ervan. Dit kan gebeuren op welke wijze ook. De bewijslast berust bij de werkgever.
   § 8. [3 ...]3.
   § 9. [3 ...]3.]2
  ----------
  (1)<KB 2010-09-03/08, art. 1, 149; Inwerkingtreding : 08-10-2010>
  (2)<KB 2010-09-03/08, art. 2, 149; Inwerkingtreding : 08-10-2010>
  (3)<KB 2017-03-06/05, art. 1, 188; Inwerkingtreding : 31-03-2017>

  Art. 17bis.[1 § 1. [4 Aan de toepassing van de wet worden onttrokken, de studenten die tewerkgesteld zijn in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, bedoeld bij titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedurende 475 aangegeven uren studentenarbeid per kalenderjaar gedurende de periodes van niet verplichte aanwezigheid in de onderwijsinstellingen en op voorwaarde dat hun werkgevers hen hebben aangegeven overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.]4
   § 2. Worden eveneens aan de toepassing van de wet onttrokken, de studenten die de voorwaarden vervullen, bedoeld in § 1, en aan de toepassing van de wet onttrokken werden met toepassing van artikel 17.
   § 3. [4 Bij een overschrijding van het maximum aantal arbeidsuren, zoals gespecifieerd in § 1, zijn de student en de werkgever bij wie hij tewerkgesteld is op het moment van de overschrijding, onderworpen aan de wet vanaf het 476e uur van tewerkstelling voor zover de werkgever de student correct heeft aangegeven overeenkomstig artikel 7 van het voornoemde besluit van 5 november 2002.]4]1
  ----------
  (1)<KB 2011-09-12/19, art. 1, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (4)<KB 2016-12-13/02, art. 1, 185; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 17ter. <KB 1994-04-11/44, art. 1, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1994> (§ 1. Aan de toepassing van de wet worden onttrokken de werknemers die tewerkgesteld zijn bij :
  1° het aanleggen van hopplanten en het plukken van hop,
  2° het plukken van tabak,
  3° het kuisen en sorteren van teenwilgen,
  en die manuele en occasionele arbeid verrichten voor zover deze tewerkstelling in de loop van een kalenderjaar vijfentwintig arbeidsdagen niet overschrijdt en deze werknemers niet aan de wet onderworpen zijn of geweest zijn om reden van een activiteit in dezelfde sectoren in de loop van datzelfde kalenderjaar, evenals de werkgevers uit hoofde van de tewerkstelling van die werknemers.
  De periodes waarin de tewerkstelling zonder onderwerping aan de wet zoals bedoeld in vorig lid kan gebeuren, worden voor ieder van de betrokken sectoren als volgt vastgesteld :
  - aanleggen en plukken van hop : respectievelijk vanaf 1 april tot 1 juni en vanaf 25 augustus tot 10 oktober, voor zover deze tewerkstelling in de loop van de eerstgenoemde periode acht arbeidsdagen niet overschrijdt;
  - plukken van tabak : vanaf 10 juli tot 10 september;
  - kuisen en sorteren van teenwilgen : vanaf 1 januari tot 28 februari en vanaf 5 november tot 31 december.) <KB 1999-02-15/37, art. 1, 080; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
  § 2. Van 1 januari 1994 tot 30 juni 1994 worden eveneens onttrokken aan de toepassing van de wet, de werknemers die tewerkgesteld worden bij een werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf en dit in het kader van een seizoen- of gelegenheidsgebonden piekperiode die vijfentwintig dagen per jaar niet mag overschrijden, evenals hun werkgever.
  Deze onttrekking aan onderwerping geldt uitsluitend voor het seizoen- of gelegenheidspersoneel dat niet als regelmatig werknemer in de land- of tuinbouwsector tewerkgesteld is en voor zover de tewerkstelling bij één of meerdere werkgevers die ressorteren onder het Paritair Comité voor het tuinbedrijf per kalenderjaar niet meer bedraagt dan vijfentwintig arbeidsdagen.
  De werkgever die zich op deze onttrekking beroept, moet de bij hem in dit verband tewerkgestelde werknemers vermelden in het enig sociaal document in het tuinbouwbedrijf, bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 1991 tot instelling van een enig sociaal document in het tuinbouwbedrijf.
  Op eenvoudige aanvraag van de Rijksdienst voor sociale zekerheid aan de werkgever moeten, desgevallend schriftelijk, de gegevens vermeld in het enig sociaal document hem medegedeeld worden.
  De werkgever die het enig sociaal document niet of niet volledig bijhoudt voor de bij hem in het raam van dit artikel tewerkgestelde werknemers, verliest het voordeel van de onttrekking.

  Art. 17quater.<Ingevoegd bij KB 1991-01-31/31, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 01-01-1991> [1 § 1.]1 [1 Aan de toepassing van de wet worden onttrokken de vrijwillige brandweerlieden en de vrijwillige ambulanciers, voor zover de vergoeding die zij voor hun activiteiten als vrijwillige brandweerlieden en/of als vrijwillige ambulanciers ontvangen, het bedrag van (785,95 EUR) per kwartaal niet overschrijdt, evenals de organisatie uit hoofde van de tewerkstelling van die personen.]1
  [1 § 2.]1 Worden eveneens aan de toepassing van de wet onttrokken de vrijwilligers van de civiele bescherming en de FOD Binnenlandse Zaken uit hoofde van de tewerkstelling van die personen, voor zover de vergoeding die zij voor hun activiteiten ontvangen, het bedrag van (785,95 EUR) per kwartaal niet overschrijdt. Daartoe wordt het bedrag gekoppeld (aan spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)). <KB 2001-12-11/45, art. 2, 101; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 § 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
   1° vrijwillige brandweerlieden: de brandweerlieden zoals bedoeld bij artikel 103, eerste lid, 2° en tweede lid van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;
   2° vrijwillige ambulanciers: de vrijwillige ambulanciers zoals bedoeld bij artikel 103, eerste lid, 4° en tweede lid van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid evenals de vrijwillige hulpverleners-ambulanciers die in het bezit zijn van het brevet bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 13 februari 1998 betreffende de opleidings- en vervolmakingscentra voor hulpverleners-ambulanciers;
   3° de organisatie: de hulpverleningszone of de ambulancediensten erkend krachtens artikel 3bis van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening;
   4° vrijwilligers van de civiele bescherming: de personeelsleden van de civiele bescherming zoals bedoeld in artikel 19 van het koninklijk besluit van 11 maart 1954 houdende statuut van het korps burgerlijke bescherming.]1
  [1 § 4. De uitzonderlijke prestaties zoals bedoeld in kolom 1 en punt 6 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 10 juni 2014 tot bepaling van de opdrachten en taken van civiele veiligheid uitgevoerd door de hulpverleningszones en de operationele eenheden van de civiele bescherming en tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 februari 2006 betreffende de nood- en interventieplannen, verricht door de vrijwillige brandweerlieden, alsook de uitzonderlijke prestaties zoals bedoeld in kolom 2 en de punten 5 en 6 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 10 juni 2014 verricht door de vrijwilligers van de civiele bescherming, en de prestaties van dringende geneeskundige hulpverlening in de zin van artikel 1 van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening, verricht door de vrijwillige ambulanciers, de vrijwillige brandweerlieden, of de vrijwilligers van de civiele bescherming, worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van voormeld maximumbedrag. Voor deze prestaties zijn de vrijwillige brandweerlieden, de vrijwilligers van de civiele bescherming en de vrijwillige ambulanciers altijd onttrokken aan de toepassing van de wet, evenals de organisatie of de FOD Binnenlandse Zaken uit hoofde van de tewerkstelling van die personen.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-12-17/16, art. 1, 195; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 17quinquies. (Opgeheven) <KB 2007-05-09/45, art. 1, 137; Inwerkingtreding : 01-08-2006>

  Art. 17sexies.<ingevoegd bij KB 2005-07-03/49, art. 1 ; Inwerkingtreding : 01-07-2004> § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
  1° persoon : de persoon die artistieke prestaties levert en/of artistieke werken produceert in de zin van [1 artikel 1bis, § 1 van de wet]1;
  2° opdrachtgever : diegene die opdracht geeft aan een persoon tot het leveren van een artistieke prestatie of het produceren van een artistiek werk in de zin van [1 artikel 1bis, § 1 van de wet]1;
  Wordt ook als opdrachtgever beschouwd, diegene bij wie de persoon ter beschikking wordt gesteld.
  3° artistieke prestaties en/of artistieke werken : de artistieke prestaties en/of artistieke werken zoals bedoeld in [1 artikel 1bis, § 1 van de wet]1.
  § 2. Worden onttrokken aan de toepassing van de wet, de persoon die een forfaitaire onkostenvergoeding ontvangt zoals bepaald in § 3, evenals de opdrachtgever die een beroep doet op deze persoon.
  § 3. Voor zover de voorwaarden bepaald bij of krachtens dit artikel tegelijkertijd vervuld zijn, worden als forfaitaire onkostenvergoedingen beschouwd in de zin van artikel 1bis, § 3, tweede lid van de wet, de vergoedingen toegekend aan de personen voor het leveren van de artistieke prestaties of voor het produceren van de artistieke werken op voorwaarde dat deze onkostenvergoedingen geen 100 euro per dag en 2.000 euro per kalenderjaar overschrijden. Daarenboven mag het aantal dagen gedurende dewelke de persoon van de toepassing van dit artikel kan genieten geen 30 dagen per kalenderjaar noch 7 opeenvolgende dagen bij dezelfde opdrachtgever overschrijden.
  Indien, in de loop van dezelfde dag, de persoon voor meerdere opdrachtgevers artistieke prestaties levert of artistieke werken produceert, mogen de hem toegekende vergoedingen noch 100 euro per opdrachtgever overschrijden noch 100 euro vermenigvuldigd met het aantal opdrachtgevers die op hem een beroep hebben gedaan voor die dag.
  De voorwaarden die tegelijkertijd moeten vervuld worden, zijn :
  1°. de persoon moet in het bezit zijn van een " kunstenaarskaart " [3 en een overzicht van zijn prestaties]3.
  [3 De minister bevoegd voor Sociale Zaken kan bij ministerieel besluit het model, de drager, de modaliteiten van bijhouden en bewaren, de inlichtingen die op het prestatieoverzicht moeten worden vermeld en de termijn waarbinnen die inlichtingen erop vermeld moeten zijn, vastleggen.]3.
  [3 ...]3;
  [5 1°bis In afwijking van 1° moet de persoon zijn kunstenaarskaart ontvangen hebben en zijn prestaties in het platform Artist@Work ingevoerd hebben wanneer de aanvraag tot een kaart in dit platform werd ingediend.
   De minister bevoegd voor Sociale Zaken kan bij ministerieel besluit de informatie vaststellen die in het platform moet worden opgenomen en de termijn waarin deze informatie in het platform moet staan;]5
  2° De persoon mag voor dezelfde dag het voordeel van dit artikel niet cumuleren met het voordeel van artikel 17quinquies van dit besluit;
  3° Voor artistieke prestaties en/of artistieke werken mag de persoon voor hetzelfde kalenderjaar het voordeel van dit artikel niet cumuleren met het voordeel van artikel 17quinquies van dit besluit.
  § 4. Kan geen beroep doen op de bepalingen van dit artikel de persoon die op het ogenblik van het leveren van een artistieke prestatie en/of het produceren van een artistiek werk door een arbeidsovereenkomst, een aannemingsovereenkomst of een statutaire aanstelling gebonden is aan dezelfde opdrachtgever, tenzij de voormelde persoon en de opdrachtgever bewijzen dat de prestaties van de verschillende activiteiten van een andere aard zijn.
  § 5. De in § 3, eerste lid van dit artikel bepaalde bedraggen zijn gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2003 (112,47). Op 1 januari van elk jaar worden de bedraggen aangepast overeenkomstig de volgende formule : het basisbedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar tijdens hetwelk het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2003.
  Uiterlijk in de loop van de maand december van elk jaar worden de bedragen toepasselijk tijdens het volgende kalenderjaar in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De inningorganismen van de socialezekerheidsbijdragen vermelden eveneens deze informatie op hun website.
  § 6. Voor alle artistieke prestaties geleverd en/of alle artistieke werken geproduceerd tijdens het kalenderjaar voor rekening van de opdrachtgever die een hoger bedrag toegekend heeft dan het maximumbedrag per dag bepaald in § 3 van dit artikel, worden de persoon en de opdrachtgever onderworpen aan de wet, en dit voor alle vergoedingen die door deze opdrachtgever aan de betrokken persoon zijn betaald in de loop van het kalenderjaar.
  § 7. In geval van overschrijding van het maximumbedrag per kalenderjaar of van het maximumaantal dagen zoals bepaald in § 3 van dit artikel, zijn de persoon en de opdrachtgever bij wie het in § 3 bedoelde maximumbedrag per kalenderjaar of het in § 3 bedoelde maximumaantal toegelaten dagen zijn overschreden, evenals de opdrachtgevers die, na het overschrijden van dit maximumbedrag of maximumaantal, een beroep doen op deze personen, aan de wet onderworpen, en dit voor alle door hen betaalde vergoedingen aan deze personen in de loop van het kalenderjaar.
  [5 Bij het ontbreken van de kaart en/of het prestatieoverzicht of in geval van onvolledige of valse vermeldingen daarop, of wanneer de aanvraag in het platform Artist@Work werd ingediend, de prestaties niet of valselijk in dit platform werden vermeld, kunnen noch de kunstenaar, noch de opdrachtgever aanspraak maken op deze regeling tijdens gans het lopend kalenderjaar. In dit geval zijn de kunstenaar en de opdrachtgever onderworpen aan alle takken voorzien in artikel 21, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, aangezien de opdrachtgever als de werkgever wordt beschouwd.]5
  § 8. Bij niet-naleving van het cumulverbod bepaald in § 3, derde lid, 2°, 3° van dit artikel, zijn de persoon en zijn opdrachtgever voor de betrokken artistieke prestatie of het betrokken artistiek werk onderworpen aan de wet.
  ----------
  (1)<KB 2014-03-26/14, art. 5, 170; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<KB 2014-03-26/14, art. 6, 170; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<KB 2015-09-27/11, art. 1, 177; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (4)<KB 2015-09-27/11, art. 2, 177; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (5)<KB 2019-05-02/01, art. 3, 204; Inwerkingtreding : 06-05-2019>

  Art. 18.
  <Opgeheven bij KB 2014-07-13/04, art. 2, 172; Inwerkingtreding : 01-10-2014>

  HOOFDSTUK II. - Berekening van de bijdragen.

  Afdeling I. - Algemene regeling.

  Art. 19.§ 1. [Met afwijking van artikel 2, derde lid, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, wordt het gedeelte van het vakantiegeld dat overeenstemt met het normaal loon voor de vakantiedagen als loon beschouwd.] <KB 10-07-1973, art. 1>
  [Het gedeelte van het vakantiegeld dat betaald wordt door de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie of door een bijzonder vakantiefonds, en dat aanleiding geeft tot de inning van bijdragen bij toepassing van het voorgaande lid , wordt forfaitair vastgesteld op 8 pct. van de andere sommen en voordelen die het loon vormen. Het wordt elk kwartaal aangegeven, samen met deze sommen en voordelen.] <KB 28-03-1975, art. 1>
  [Wat de hoofdarbeiders betreft voor wie de aftrek werd verricht, bedoeld bij de artikelen 48, 49, 57 of 58 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie der loonarbeiders, zijnde verschuldigd op het bedrag van het normaal loon voor de vakantiedagen, berekend overeenkomstig de artikelen 38, 39, 53 of 53bis van hetzelfde besluit [, verminderd met het bedrag waarop reeds bijdragen zijn betaald bij toepassing van het voorgaand lid].] <KB 29-09-1978, art. 1> <KB 2001-08-10/68, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  [Met afwijking van artikel 2, derde lid, 3°, van voornoemde wet van 12 april 1965, worden eveneens als loon beschouwd, de als aanvulling bij het wettelijk dubbel vakantiegeld uitbetaalde bedragen, met uitzondering van de aanvullende bedragen die bepaald zijn bij nationale collectieve arbeidsovereenkomsten die voor 31 december 1974 in paritair comité zijn gesloten, en de bedragen voorzien bij de collectieve arbeidsovereenkomsten nrs. 52, 54 en 59, respectievelijk gesloten op 3 maart 1992, op 23 februari 1993 en op 20 december 1994 in de Nationale Arbeidsraad en die voorzien in de toekenning in 1992, 1993 en 1994, 1995 en 1996, van een aanvullende vergoeding gelijk aan het dubbel vakantiegeld voor de derde dag van de vierde vakantieweek, betaald door de werkgevers waarop de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomsten toepasselijk zijn of betaald door de instellingen van openbaar nut aan hun personeel dat onderworpen is aan de wetten op de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971. [Deze uitzondering geldt eveneens voor de aanvullende vergoeding gelijk aan het dubbel vakantiegeld voor de derde dag van de vierde vakantieweek, toegekend in 1997 en 1998.]] <KB 1995-03-15/37, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 01-01-1995> <KB 1997-01-27/34, art. 13, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  [4 Met afwijking van artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, wordt als loon beschouwd, de vergoeding die rechtstreeks of onrechtstreeks door de werkgever in deze arbeidsovereenkomst, wordt betaald, aan de werknemer in deze arbeidsovereenkomst, ingevolge een binnen een termijn van 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomst op grond waarvan de vroegere werknemer zich ertoe verbindt om geen personeel of zelfstandige medecontractanten af te werven van zijn vroegere werkgever hetzij in eigen naam en voor eigen rekening hetzij in naam en voor rekening van één of meerdere derden, en/of zich ertoe verbindt om geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen als dewelke hij uitoefende bij zijn vroegere werkgever, hetzij door zelf een onderneming uit te baten, hetzij door in dienst te treden van een concurrerende werkgever.]4
  § 2. Met afwijking van voornoemd artikel 2, eerste lid, worden niet als loon aangemerkt :
  1° [de sluitingsvergoeding ten belope van een bedrag toegekend aan de werknemer per jaar anciënniteit in de onderneming en het totaal bedrag vermeld in artikel 23 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, die wordt uitgekeerd aan werknemers in geval van sluiting van de onderneming die hen tewerkstelt onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3, van voormelde wet van 26 juni 2002 en de sluitingsvergoeding die aan werknemers wordt toegekend in geval van de stopzetting van de activiteiten van de natuurlijke persoon of van de vereniging die hen tewerkstelt, voor zover de natuurlijke persoon of de onderneming aan de voorwaarden voldoet bedoeld in artikel 3 van voornoemde wet van 26 juni 2002, ten belope van dezelfde bedragen als bedoeld in artikel 23 van bovenvermelde wet van 26 juni 2002;] <KB 2007-07-13/34, art. 1, 138; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  2° [5 de aan de werknemers verschuldigde vergoedingen, wanneer de werkgever zijn wettelijke, contractuele of statutaire verplichtingen niet nakomt, met uitzondering nochtans van de vergoedingen, verschuldigd naar aanleiding van :
   a) de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever;
   b) de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor personeelsafgevaardigden;
   c) de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor syndicale afgevaardigden;
   d) de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in gemeenschappelijk akkoord;]5
  3° [6 ...]6
  4° de bedragen die gelden als terugbetaling van de kosten die de werknemer heeft verricht om zich van zijn woonplaats naar zijn werkplaats te begeven, alsook de kosten die ten laste van zijn werkgever vallen;
  [Wordt gelijkgesteld met een terugbetaling van de kosten, in de zin van het eerste lid, de mobiliteitsvergoeding die wordt betaald aan de werknemers bij toepassing van een forfaitaire regeling van terugbetaling van verplaatsingskosten, in gebruik in bedrijfstakken waar de werkplaats niet vast bepaald is, in zoverre volgende voorwaarden vervuld zijn :
  a) de forfaitaire regeling van terugbetaling moet zijn ingesteld voor 1 januari 1980 zijn toegepast zonder onderbreking;
  (NOTA : het arrest nr. 103.050, uitgesproken door de Raad van State op 31 januari 2002 (VIIde Kamer) vernietigt het a) van het onderhavig besluit, zie B.S. 11-04-2002, p. 14916)
  b) de forfaitaire regeling van terugbetaling en die vergoedingen die zij vaststelt moeten worden omschreven bij collectieve arbeidsovereenkomsten, gesloten in de schoot van een paritair orgaan en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit;
  c) het bedrag van de vergoeding mag de som van [1 0,1316 euro]1 per kilometer afstand tussen de woonplaats en de werkplaats, te berekenen op de afstand heen en terug, niet overschrijden;] <KB 1995-07-19/32, art. 1, 063; Inwerkingtreding : 01-07-1992> <KB 2000-07-20/68, art. 1, 095; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2006-09-27/34, art. 1, 132; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [10 De vergoeding of het voordeel voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling die wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsvergoeding bedoeld in artikel 3, eerste lid, 2°, van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 9, § 3, van voormelde wet van 30 maart 2018;]10
  [12 De vergoeding of het voordeel voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling die wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsbudget bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 10, § 3, van de voormelde wet van 17 maart 2019;]12
  5° de voordelen toegekend in de vorm van arbeidsgereedschap of werkkleding;
  6° de bedragen die de werkgever aan de werknemer betaalt ten einde zich te kwijten van zijn verplichting om arbeidsgereedschap of werkkleding te bezorgen of om te zorgen voor kost en inwoning, wanneer de werknemer ver van zijn woning tewerkgesteld is;
  7° de bedragen die aan de werknemers worden toegekend wegens hun aansluiting bij een vakorganisatie ten belope van het bedrag door de Minister van Sociale Voorzorg bepaald;
  8° [de voordelen die door een Fonds voor bestaanszekerheid aan de werknemers worden toegekend in de vorm van zegels en die bepaald zijn bij regelingen welke vóór 1 januari 1970 werden ingevoerd;] <KB 24-10-1973, art. 1>
  [9° de vergoedingen voor het toezicht in het kleuter- en lager onderwijs of voor de begeleiding van leerlingen in het leerlingenvervoer, toegekend aan leden van het onderwijzend of ander personeel die het bedoelde toezicht of de begeleiding bij wijze van bijkomende prestatie verrichten;] <KB 1985-08-12/42, art. 1, 008>
  [10° de vergoeding voor de periode van arbeidsongeschiktheid met gewaarborgd loon tweede week, alsook de vergoeding verschuldigd voor de periode van arbeidsongeschiktheid met aanvulling of voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis en de gelijkaardige voordelen betaald door een bestuur aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;] <KB 2001-06-10/60, art. 2, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [11° het verschaffen van eetmalen beneden de kostprijs in het bedrijfsrestaurant;] <KB 1987-12-11/49, art. 1, 021; volgens art. 3 : " Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1988 behoudens voor de werkgevers en werknemers die gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst waarin een maaltijdcheque ten voordele van de werknemers is voorzien. In dit geval zijn de bepalingen van dit besluit van toepassing bij het verstrijken van bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst en uiterlijk op 1 januari 1989. ">
  [12° het forfaitair loon gelijk aan de werkloosheidsuitkering vermeerderd met de aanvullende werkloosheidsuitkering die door het Fonds voor Bestaanszekerheid voor de Arbeiders van de Bouwnijverheid wordt uitbetaald voor de dagen inhaalrust bouwbedrijf, met een maximum van 12 dagen per kalenderjaar;] <KB 2001-06-10/60, art. 2, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [13° de vergoeding overeenstemmend met het loon voor de feestdag of vervangingsdag tijdens een periode van tijdelijke werkloosheid;] <KB 2001-06-10/60, art. 2, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  14° [de volgende geschenken :
  a) de geschenken in natura, in speciën of in de vorm van betaalbons, geschenkcheques genaamd, als ze een totaal bedrag van [9 40]9 EUR per jaar per werknemer en [9 40]9 EUR per jaar voor elk kind ten laste van deze werknemer niet overschrijden en toegekend worden naar aanleiding van het Sinterklaasfeest, Kerstmis of Nieuwjaar;
  b) de geschenken in speciën of in de vorm van geschenkcheques die aan de werknemer worden overhandigd wanneer hij een eervolle onderscheiding ontvangt als ze een totaal bedrag van [9 120]9 EUR per jaar per werknemer niet overschrijden;
  c) de geschenken in speciën of in de vorm van geschenkcheques die aan een werknemer worden overhandigd ter gelegenheid van zijn pensionering als ze een bedrag van [9 40]9 EUR niet overschrijden per volledig dienstjaar dat de werknemer bij de betrokken werkgever in dienst is en met een totaal bedrag van tenminste [9 120]9 EUR en maximum [9 1000]9 EUR;
  d) de geschenken in natura, in speciën of in de vorm van betaalbons die aan een werknemer worden overhandigd ter gelegenheid van zijn huwelijk of van het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning, voor zover het toegekend bedrag geen [9 245]9 EUR per werknemer overschrijdt.
  De in voorgaande lid bedoelde geschenkcheques mogen enkel worden ingeruild bij de ondernemingen die vooraf een akkoord hebben gesloten met de emittenten van die betaalbons, moeten een beperkte looptijd hebben en mogen aan de begunstigde niet in speciën worden uitbetaald;] <KB 2007-07-13/58, art. 1, 140; Inwerkingtreding : 01-10-2007>
  [15° het voordeel bedoeld in artikel 38, § 3quater, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;] <KB 1996-12-20/31, art. 1, 067; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  [2 16° de kilometervergoeding toegekend door de werkgever aan de werknemer voor verplaatsingen [8 met behulp van een vervoermiddel bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, a) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992)]8 tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling, voor een bedrag van maximaal "0,145 euro". Dit bedrag wordt aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast. De aanpassing gebeurt met behulp van de coëfficiënt [3 vermeld in artikel 178, § 3, 2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992]3. Na de toepassing van de coëfficiënt wordt dit bedrag afgerond tot de hogere of lagere cent naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 bereikt.]2
  [10 De kilometervergoeding bedoeld in het eerste lid die wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsvergoeding bedoeld in artikel 3, eerste lid, 2°, van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 9, § 3, van de voormelde wet van 30 maart 2018;]10
  [12 De kilometervergoeding bedoeld in het eerste lid die wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsbudget bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget, wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 10, § 3, van de voormelde wet van 17 maart 2019;]12
  [17° de bijzondere forfaitaire vergoeding die is vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst en bedoeld is voor de werknemers van de inrichtingen en diensten welke ressorteren onder het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen, voorzover zij erkend en gesubsidieerd worden door de Gemeenschap of het Gewest waarvan zij afhangen, bestaande uit de kampvergoeding voor vakantieverblijven die door de genoemde inrichtingen en diensten georganiseerd worden. Die vergoeding wordt gedurende maximaal dertig dagen per jaar toegekend aan het begeleidende personeel tot dekking van hun bijkomende werkelijke lasten of kosten. Ze bedraagt maximaal [28,48 EUR] per dag. <KB 2001-12-11/45, art. 3, 101; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Het bedrag waarin dit nummer voorziet, wordt [aan spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)] gekoppeld en varieert zoals bepaald bij de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de algemene schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld;] <KB 1999-10-05/32, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-07-1998> <KB 2001-12-11/45, art. 3, 101; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [18° het voordeel opgeleverd door opties op aandelen, zoals bepaald bij artikel 42 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen. Indien de prijs van de uitoefening van de optie lager is dan de op het ogenblik van het aanbod geldende waarde van de aandelen waarop de optie betrekking heeft, wordt dat verschil toch als loon aangemerkt voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen.
  Het zeker voordeel bedoeld in artikel 43, § 8, van de voornoemde wet wordt toch als loon aangemerkt voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen;] <KB 1999-10-05/33, art. 1, 089; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  [19° de vermindering, ten laste van de werkgever, van de normale prijs van de gefabriceerde of verkochte producten, of diensten geleverd door de werkgever, op voorwaarde dat de hoeveelheid van de aan elke werknemer verkochte producten of geleverde diensten het normale verbruik van het gezin van de werknemer niet overschrijdt. De werkgever moet kunnen aantonen dat hij zijn werknemers op deze voorwaarde heeft gewezen.
  Onder normale prijs wordt de prijs verstaan die de werknemer als particuliere consument had moeten betalen, indien hij niet zou tewerkgesteld zijn door de werkgever die het product fabriceert of verkoopt of de dienst levert.
  Levert de werkgever niet rechtstreeks producten of diensten aan de particuliere klant, dan is de normale prijs die welke een particuliere klant met een vergelijkbaar profiel als de werknemer in de detailhandel moet betalen.
  De werkgever moet de nodige elementen kunnen voorleggen om de normale prijs te staven.
  Is de prijsvermindering groter dan 30 % van het bedrag van de normale prijs, dan wordt het bedrag van de vermindering dat 30 % van de normale prijs overschrijdt, als loon beschouwd.
  Is de prijs die de werknemer na aftrek van de prijsvermindering betaalt, lager dan de kostprijs van het product of de dienst, dan wordt het verschil tussen de prijs betaald door de werknemer en de kostprijs als loon beschouwd, ook als de korting minder bedraagt dan 30 % van de normale prijs.
  De werkgever moet de nodige elementen kunnen voorleggen om de kostprijs te staven.] <KB 2002-02-28/35, art. 1, 104; Inwerkingtreding : 01-04-2002>
  [20° de tussenkomsten van de werkgever ten beloop van maximum 60 % van de aankoopprijs (exclusief BTW) die door de werknemers wordt betaald voor de aankoop van een geheel van persoonlijke computer. Randapparatuur en printer, internetaansluiting en internetabonnement, alsook de voor de bedrijfsvoering dienstige software in het kader van een door de werkgever georganiseerd plan, zonder dat die werkgever op enig ogenblik zelf eigenaar van de voormelde elementen mag zijn, in zover zij niet meer bedragen dan 1.250 euro per aanbod en als de in het koninklijk besluit van 25 maart 2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van artikel 396 van de programmawet van 24 december 2002 voorwaarden vervuld zijn.] <KB 2004-04-27/31, art. 1, 120; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [ [21°)] de stortingen bedoeld in artikel 38, § 3ter, eerste lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, verricht door de werkgevers met het oog op de toekenning aan hun personeelsleden of aan hun rechtverkrijgende(n) van buitenwettelijke voordelen inzake ouderdom of vroegtijdig overlijden, de premies voor aanvullende hospitalisatieverzekering zoals bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 april 1993 betreffende de bijdrage op de premies terzake van een aanvullende verzekering voor hospitalisatie, die door de werkgever in het voordeel van zijn personeel worden ten laste genomen, alsmede de premies voor aanvullende voordelen in geval van arbeidsongeschiktheid.] <KB 2004-04-27/30, art. 1, 119; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <Erratum, zie B.S. 14-06-2004, p. 44243>
  [7 22° de vergoedingen toegekend in het kader van maatregelen tot verlichting van de werklast aan werknemers die de leeftijd van minstens 58 jaar bereikt hebben, voor zover volgende voorwaarden vervuld zijn :
   a) de vergoeding is vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de schoot van een paritair orgaan en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit, en wordt betaald door een Fonds voor Bestaanszekerheid of door de werkgever. Bij gebrek aan een dergelijke overeenkomst mag de toekenning geregeld worden op het niveau van de onderneming door een collectieve arbeidsovereenkomst of een wijziging van het arbeidsreglement [11 of op het niveau van de werknemer door een individuele schriftelijke overeenkomst]11;
   b) deze collectieve arbeidsovereenkomst [11 , wijziging van het arbeidsreglement of individuele schriftelijke overeenkomst]11 is, voor de werkgevers en werknemers die vallen onder het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 104 van 27 juni 2012 over de uitvoering van een werkgelegenheidsplan oudere werknemers in de onderneming, genomen in toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 104;
   c) [11 deze collectieve arbeidsovereenkomst of wijziging van het arbeidsreglement bepaalt uitdrukkelijk welke maatregelen in het kader van de omschakeling van ploegen- en nachtarbeid of van de verlichting van de werklast het voorwerp kunnen uitmaken van het toekennen van deze vergoeding. De individuele schriftelijke overeenkomst bepaalt eveneens uitdrukkelijk welke maatregel het voorwerp uitmaakt van het toekennen van deze vergoeding. Deze maatregelen moeten een vermindering van het inkomen van de werknemer tot gevolg hebben en de werknemer moet een betrekking behouden met minstens een effectieve tewerkstellingsbreuk van 4/5de;]11
   d) de vergoeding voor de werknemer die overgaat van een voltijdse naar een 4/5de tewerkstelling, is enkel vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen indien de werknemer de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt;
   e) het bedrag van de vergoeding mag niet hoger zijn dan het loonverlies dat de werknemer heeft geleden ingevolge de maatregelen in het kader van de verlichting van de werklast en niet tot gevolg hebben dat het nettoloon van de werknemer hoger is dan voor de verlichting van de werklast;
   f) deze vergoeding wordt geïndexeerd volgens het algemeen geldende indexeringsmechanisme dat binnen die onderneming van toepassing is. Het aldus berekende bedrag wordt op de hogere euro afgerond;]7
  [8 23° het voordeel bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, b) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992).]8
  [10 Het voordeel bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, b) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) dat wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsvergoeding bedoeld in artikel 3, eerste lid, 2°, van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 9, § 3, van voormelde wet van 30 maart 2018;]10
  [12 Het voordeel bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, b) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) dat wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsbudget bedoeld in artikel 3, § 1, 2° van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 10, § 3, van de voormelde wet van 17 maart 2019.]12
  ----------
  (1)<KB 2009-02-13/35, art. 1, 142; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (2)<KB 2010-02-03/11, art. 1, 146; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (3)<KB 2010-06-17/11, art. 1, 148; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (4)<KB 2013-09-24/02, art. 1, 160; Inwerkingtreding : 01-10-2013>
  (5)<KB 2013-12-21/30, art. 1, 167; Inwerkingtreding : 01-10-2013>
  (6)<KB 2013-12-21/30, art. 2, 167; Inwerkingtreding : 01-10-2013>
  (7)<KB 2018-01-09/11, art. 1, 196; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (8)<KB 2018-02-07/06, art. 1, 197; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (9)<KB 2018-07-03/02, art. 1, 201; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (10)<KB 2018-11-16/04, art. 1, 202; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (11)<KB 2018-12-12/05, art. 1, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  (12)<KB 2019-05-02/05, art. 1, 205; Inwerkingtreding : 01-03-2019>

  Art. 19bis.[1 § 1. Het voordeel toegekend onder de vorm van een maaltijdcheque wordt als loon beschouwd.
   Indien een maaltijdcheque werd of wordt verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel of een aanvulling hierbij, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid, is § 2 niet toepasselijk. § 2 is echter wel toepasselijk op maaltijdcheques die worden verleend ter vervanging of ter omzetting van ecocheques die niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid zijn.
   Onverminderd § 2 worden de maaltijdcheques voor dagen waarvoor de werknemer het voordeel van artikel 19, § 2, 11° geniet, als loon beschouwd, tenzij die maaltijdcheques integraal worden aangewend om dat voordeel te verwerven.
   Een maaltijdcheque mag niet gecumuleerd worden met een onkostenvergoeding voor een zelfde maaltijd voor dezelfde dag.
   § 2. Opdat zij niet als loon worden beschouwd, moeten elektronische maaltijdcheques terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen :
   1° de toekenning van de maaltijdcheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak. Kan dergelijke overeenkomst niet worden gesloten bij gebrek aan een syndicale delegatie of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat deze door zulke overeenkomst wordt beoogd, dan mag de toekenning geregeld worden door een individuele overeenkomst. Deze overeenkomst moet schriftelijk zijn en het bedrag van de maaltijdcheque mag niet hoger zijn dan dat toegekend bij collectieve arbeidsovereenkomst in dezelfde onderneming, die de hoogste nominale waarde van de maaltijdcheque bepaalt.
   Al de maaltijdcheques toegekend zonder collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst, of ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst die niet conform is met de voorwaarden vastgesteld bij deze paragraaf, worden als loon beschouwd;
   2° het aantal toegekende maaltijdcheques moet gelijk zijn aan het aantal dagen waarop de werknemer normale werkelijke arbeid, meerprestaties zonder inhaalrust, meerprestaties mits inhaalrust en andere meerprestaties mits inhaalrust verricht. Ondernemingen waarin gelijktijdig, hetzij voor prestaties van voltijdse werknemers, hetzij voor prestaties van deeltijdse werknemers, hetzij voor beide, verschillende arbeidsregelingen van toepassing zijn en die inzake meerprestaties verplicht zijn om artikel 26bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 toe te passen, kunnen dit aantal dagen berekenen door het aantal uren normale werkelijke arbeid, meerprestaties zonder inhaalrust, meerprestaties mits inhaalrust en andere meerprestaties mits inhaalrust die de werknemer tijdens het kwartaal heeft gepresteerd, te delen door het normale aantal uren per dag van de maatpersoon. Indien deze bewerking een decimaal getal oplevert, wordt het afgerond op de hogere eenheid. Indien het aldus verkregen getal groter is dan het maximum aantal werkbare dagen van de maatpersoon in het kwartaal, wordt het tot dit laatste beperkt. Ondernemingen die deze berekeningswijze willen toepassen moeten dat vaststellen bij collectieve arbeidsovereenkomst of, voor de ondernemingen die noch een ondernemingsraad noch een comité voor preventie en bescherming op het werk noch een syndicale delegatie hebben opgericht, in het arbeidsreglement; deze collectieve arbeidsovereenkomst of dit arbeidsreglement bepaalt tevens het normale aantal uren per dag van de maatpersoon en de wijze waarop het maximum aantal werkbare dagen van de maatpersoon in het kwartaal wordt berekend.
   De elektronische maaltijdcheques worden iedere maand, in één of meer keren, gecrediteerd op de maaltijdchequerekening van de werknemer in functie van het aantal dagen van die maand waarop de werknemer vermoedelijk prestaties zal verrichten, zoals bedoeld in het voorgaand lid. De elektronische maaltijdcheques worden geacht te zijn toegekend aan de werknemer op het moment waarop diens maaltijdchequerekening wordt gecrediteerd. Uiterlijk de laatste dag van de eerste maand die volgt op het kwartaal wordt het aantal cheques in overeenstemming gebracht met het aantal dagen waarop de werknemer tijdens het kwartaal prestaties heeft verricht zoals bepaald in het voorgaande lid.
   De maaltijdchequerekening is een databank waarop voor een werknemer een aantal elektronische maaltijdcheques zullen worden opgeslagen en die beheerd wordt door een uitgever erkend volgens de modaliteiten voorzien in het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en erkenningsprocedure voor uitgevers van maaltijdcheques in een elektronische vorm tot uitvoering van de artikelen 183 tot 185 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen.
   De maaltijdcheques die het aantal dagen normale werkelijke arbeid, meerprestaties zonder inhaalrust, meerprestaties mits inhaalrust en andere meerprestaties mits inhaalrust van de werknemer overschrijden worden als loon beschouwd; indien de werknemer minder cheques ontvangt dan het totaal van deze dagen, wordt het bedrag van de werkgeverstussenkomst in de te weinig ontvangen cheques als loon beschouwd. De vaststelling van het aantal maaltijdcheques dat te veel of te weinig werd toegekend, gebeurt op basis van de toestand bij het verstrijken van de eerste maand die volgt op het kwartaal waarop de maaltijdcheques betrekking hebben;
   3° de maaltijdcheque wordt op naam van de werknemer afgeleverd; deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de toekenning ervan en de daarop betrekking hebbende gegevens (aantal maaltijdcheques, brutobedrag van de maaltijdcheques verminderd met het persoonlijk aandeel van de werknemer) voorkomen op de individuele rekening van de werknemer, overeenkomstig de reglementering betreffende het bijhouden van de sociale documenten.
   Al de maaltijdcheques toegekend zonder dat deze voorwaarde vervuld is worden als loon beschouwd;
   4° de elektronische maaltijdcheque heeft een geldigheidsduur van twaalf maanden, te rekenen vanaf het ogenblik dat de maaltijdcheque op de maaltijdchequerekening wordt geplaatst. Hij mag enkel worden gebruikt ter betaling van een eetmaal of voor de aankoop van verbuiksklare voeding.
   5° de tussenkomst van de werkgever in het bedrag van de maaltijdcheque mag ten hoogste [2 6,91 euro]1 per maaltijdcheque bedragen.
   Al de maaltijdcheques met een werkgeverstussenkomst van meer dan [2 6,91 euro]2 worden als loon beschouwd;
   6° de tussenkomst van de werknemer bedraagt ten minste het bedrag van de raming van de tweede maaltijd, bedoeld in artikel 20, tweede lid.
   Al de maaltijdcheques met een tussenkomst van de werknemer die minder bedraagt dan dit bedrag worden als loon beschouwd.
   7° Het aantal elektronische maaltijdcheques en het brutobedrag ervan, verminderd met het persoonlijk aandeel van de werknemer, worden vermeld op de afrekening, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.
   8° Vóór het gebruik van de elektronische maaltijdcheques kan de werknemer het saldo en de geldigheidsduur nagaan van de maaltijdcheques die hem werden toegekend en die nog niet gebruikt werden.
   9° De elektronische maaltijdcheques kunnen enkel ter beschikking gesteld worden door een uitgever gezamenlijk erkend door de Minister bevoegd voor Sociale zaken, de Minister bevoegd voor Werk, de Minister bevoegd voor Zelfstandigen en de Minister bevoegd voor Economische zaken, zoals bepaald in bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010.
   10° Het gebruik van de elektronische maaltijdcheques mag geen kosten voor de werknemer teweegbrengen, behalve in geval van diefstal of verlies onder de voorwaarden vast te stellen bij collectieve arbeidsovereenkomst op sectoraal of ondernemingsvlak, of in het arbeidsreglement wanneer de toekenning van de elektronische maaltijdcheques geregeld is door een individuele schriftelijke overeenkomst. In ieder geval kan de kost van de vervangende drager in geval van diefstal of verlies de nominale waarde van één elektronische maaltijdcheque niet overschrijden.
   Elektronische maaltijdcheques, uitgegeven door een uitgever wiens erkenning werd ingetrokken of vervallen is overeenkomstig de bepalingen van bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010, blijven geldig tot de vervaldag van hun geldigheidsduur.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-06-29/17, art. 1, 178; Inwerkingtreding : 01-01-2016. Zie ook art. 2>
  (2)<KB 2015-05-26/07, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 19ter.<Ingevoegd bij KB 2006-06-30/30, art. 1; Inwerkingtreding : 01-07-2006> § 1. Het voordeel toegekend onder de vorm van een sport/cultuurcheque wordt als loon beschouwd.
  Indien een sport/cultuurcheque werd of wordt verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of van enig ander voordeel of van een aanvulling bij het voorgaande, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid, is § 2 niet van toepassing.
  § 2. Opdat zij niet als loon worden beschouwd, moeten sport/cultuurcheques terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen :
  1° de toekenning van de sport/cultuurcheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak of in een geschreven individuele overeenkomst voorzover de werkgever de cheques aan het geheel van werknemers of aan een categorie van werknemers toekent. Indien de werkgever niet valt onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten, dan moet de toekenning geregeld worden door, naargelang het geval, een protocolakkoord afgesloten op het niveau van het bevoegde Onderhandelingscomité of door de regeling vastgesteld door het paritair comité bedoeld hetzij in artikel 30 hetzij in artikel 31 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven [1 door de Nationale Paritaire Commissie bedoeld in Art. 115 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen,]1 of door schriftelijke individuele overeenkomst;
  2° de sport/cultuurcheque wordt op naam van de werknemer afgeleverd; deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de toekenning ervan en de daarop betrekking hebbende gegevens (aantal sport/cultuurcheques, bedrag van de sport/cultuurcheque) voorkomen op de individuele rekening van de werknemer, overeenkomstig de reglementering betreffende het bijhouden van de sociale documenten;
  3° op de sport/cultuurcheque staat duidelijk vermeld dat zijn geldigheid tot 15 maanden beperkt is, van 1 juli van dat jaar tot 30 september van het volgende jaar en dat hij slechts aanvaard mag worden door de culturele operatoren die culturele activiteiten organiseren die behoren tot de in artikel 4 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bedoelde aangelegenheden en die zijn erkend, goedgekeurd of gesubsidieerd door de bevoegde overheid, of door sportverenigingen voor wie een federatie, erkend of gesubsidieerd door de gemeenschappen, bestaat of behoren tot een van de nationale hockey, boks, voetbal en golffederaties. De bevoegde autoriteiten kunnen een lijst opstellen met de operatoren die onder het toepassingsgebied van dit artikel vallen. Deze lijst wordt overgemaakt aan de uitgevers van de cheque.
  Alle sport/cultuurcheques waar deze informatie niet op voorkomt, worden als loon beschouwd;
  4° het totale bedrag van de sport/cultuurcheques door de werkgever toegekend mag per werknemer niet groter zijn dan 100 euro per jaar;
  5°de sport/cultuurcheques kunnen geheel noch gedeeltelijk voor geld omgeruild worden.
  ----------
  (1)<KB 2013-12-11/02, art. 63, 164; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 19quater.[1 § 1. Het voordeel toegekend onder de vorm van een ecocheque wordt als loon beschouwd.
   Indien een ecocheque werd of wordt verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of van enig ander voordeel of van een aanvulling bij het voorgaande, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid, is § 2 niet van toepassing. [2 § 2 is echter wel toepasselijk op ecocheques die worden verleend ter vervanging of ter omzetting van maaltijdcheques die niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid zijn.]2
   § 2. Opdat zij niet als loon worden beschouwd, moeten ecocheques [3 afgeleverd op papieren drager of in een elektronische vorm]3 terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen :
   1° De toekenning van de ecocheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak. Kan dergelijke overeenkomst niet worden gesloten bij gebrek aan een syndicale delegatie of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat deze door zulke overeenkomst wordt beoogd, dan mag de toekenning geregeld worden door een individuele overeenkomst. Deze overeenkomst moet schriftelijk zijn en het bedrag van de ecocheque mag niet hoger zijn dan dat voorzien bij collectieve arbeidsovereenkomst in dezelfde onderneming;
   Alle ecocheques toegekend zonder collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst, of ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst die niet conform is met de voorwaarden vastgesteld bij deze paragraaf, worden als loon beschouwd;
   2° De collectieve arbeidsovereenkomst of individuele overeenkomst bepaalt de hoogste nominale waarde van de echocheque, met een maximum van 10 euro per ecocheque, evenals de frequentie van toekenning ervan gedurende een kalenderjaar;
  [3 De ecocheques in elektronische vorm worden geacht te zijn toegekend aan de werknemer op het moment waarop diens ecochequerekening wordt gecrediteerd. De ecochequerekening is een databank waarop voor een werknemer een aantal elektronische ecocheques zullen worden opgeslagen en die beheerd wordt door een uitgever erkend volgens de modaliteiten voorzien in het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en erkenningsprocedure voor uitgevers van maaltijd- of ecocheques in een elektronische vorm tot uitvoering van de artikelen 183 tot 185 van de wet van 30 december 2009.]3
   3° De ecocheque wordt op naam van de werknemer afgeleverd; deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de toekenning ervan en de daarop betrekking hebbende gegevens (aantal ecocheques, bedrag van de ecocheque) voorkomen op de individuele rekening van de werknemer, overeenkomstig de reglementering betreffende het bijhouden van de sociale documenten.
   Alle ecocheques toegekend zonder dat deze voorwaarde vervuld is worden als loon beschouwd;
   4° Op de ecocheque [3 op papieren drager]3 staat duidelijk vermeld dat zijn geldigheid tot 24 maanden beperkt is, vanaf de datum van zijn terbeschikkingstelling aan de werknemer en dat hij slechts mag aangewend worden voor de aankoop van producten en diensten met een ecologisch karakter die zijn opgenomen in de lijst bij de collectieve arbeidsovereenkomst n° 98 gesloten in de Nationale Arbeidsraad.
   Alle ecocheques [3 op papieren drager]3 waar deze informatie niet op voorkomt, worden als loon beschouwd;
  [3 Indien de ecocheque een elektronische vorm heeft, is de geldigheidsduur ook beperkt tot 24 maanden te rekenen vanaf het ogenblik dat de elektronische ecocheque op de ecochequerekening wordt geplaatst en mag hij enkel worden gebruikt voor de aankoop van producten en diensten met een ecologisch karakter die zijn opgenomen in de lijst bij de collectieve arbeidsovereenkomst n° 98 gesloten in de Nationale Arbeidsraad.]3
   5° De ecocheques kunnen geheel noch gedeeltelijk voor geld omgeruild worden;
   6° Het totale bedrag van de door de werkgever toegekende ecocheques mag niet meer bedragen dan 125 euro per werknemer voor het jaar 2009 en 250 euro per werknemer voor de daarop volgende jaren. Vanaf het jaar 2011, kan de koning het bedrag van 250 euro aanpassen op basis van een unaniem advies van de Nationale Arbeidsraad.]1
  [3 § 3. Onverminderd de in § 2 opgesomde voorwaarden, dient de ecocheque in een elektronische vorm gelijktijdig aan de volgende voorwaarden te voldoen opdat hij niet als loon zou worden beschouwd:
   1° Het aantal ecocheques in een elektronische vorm en het brutobedrag ervan worden vermeld op de afrekening, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers;
   2° Vóór het gebruik van de ecocheques in een elektronische vorm kan de werknemer het saldo en de geldigheidsduur nagaan van de ecocheques die hem werden toegekend en die nog niet gebruikt werden.
   3° De keuze voor ecocheques in een elektronische vorm wordt geregeld via een collectieve arbeidsovereenkomst op ondernemingsvlak, eventueel binnen het kader van een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst. Kan een dergelijke overeenkomst niet worden gesloten bij gebrek aan een vakbondsafvaardiging of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat deze door zulke overeenkomst wordt beoogd, dan wordt de keuze voor ecocheques in een elektronische vorm geregeld door een individuele schriftelijke overeenkomst.
   Voor de werknemers die ressorteren onder het paritair comité voor de uitzendarbeid kan de keuze geregeld worden binnen het kader van een voorafgaande sectorale collectieve arbeidsovereenkomst.
   4° De ecocheques in een elektronische vorm kunnen enkel ter beschikking gesteld worden door een uitgever gezamenlijk erkend door de minister bevoegd voor sociale zaken, de minister bevoegd voor werk, de minister bevoegd voor zelfstandigen en de minister bevoegd voor economische zaken, zoals bepaald in bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010.
   5° Het gebruik van de ecocheques in een elektronische vorm mag geen kosten voor de werknemer teweegbrengen, behalve in geval van diefstal of verlies onder de voorwaarden vast te stellen bij collectieve arbeidsovereenkomst op sectoraal of ondernemingsvlak, of in het arbeidsreglement wanneer de keuze voor ecocheques in een elektronische vorm geregeld is door een individuele schriftelijke overeenkomst. In ieder geval kan de kost van de vervangende drager in geval van diefstal of verlies de nominale waarde van één maaltijdcheque niet overschrijden indien in de onderneming zowel elektronische maaltijdcheques als elektronische ecocheques worden toegekend. Indien in de onderneming echter enkel elektronische ecocheques worden toegekend, mag de kost van de vervangende drager niet meer bedragen dan 5 euro.
   Alle ecocheques in een elektronische vorm die niet voldoen aan alle in deze paragraaf opgesomde voorwaarden worden als loon beschouwd.
   Ecocheques in een elektronische vorm, uitgegeven door een uitgever wiens erkenning werd ingetrokken of vervallen is overeenkomstig de bepalingen van bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010, blijven geldig tot de vervaldag van hun geldigheidsduur.]3
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-04-14/40, art. 1, 143; Inwerkingtreding : 01-03-2009>
  (2)<KB 2012-01-20/06, art. 2, 154; Inwerkingtreding : 01-10-2011>
  (3)<KB 2015-12-16/16, art. 1, 181; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 20.<KB 2004-04-27/31, art. 1, 120; Inwerkingtreding : 01-01-2003> § 1. De voordelen in natura worden geschat tegen een in euro uitgedrukt bedrag dat met hun courante waarde overeenstemt.
  § 2. Er wordt evenwel afgeweken van § 1 voor de hiernavolgende voordelen in natura :
  1° kost en, wanneer de werknemer niet over een huis of verschillende woonvertrekken beschikt, inwoning worden als volgt geschat :
  Eerste maaltijd (ontbijt) : 0,55 euro;
  Tweede maaltijd (hoofdmaaltijd) : 1,09 euro;
  Derde maaltijd (avondmaal) : 0,84 euro;
  Inwoning (per dag) : 0,74 euro.
  2° [1 het voordeel van het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gestelde vaste of mobiele PC, tablet, vaste of mobiele internetaansluiting, mobiele telefoon of vast of mobiel telefoonabonnement wordt forfaitair vastgesteld op :
   a) 72 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gestelde vaste of mobiele PC;
   b) 36 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gestelde tablet of een mobiele telefoon;
   c) 60 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gestelde vaste of mobiele internetaansluiting; indien er meerdere abonnementen zijn, wordt dit bedrag slechts éénmaal in rekening gebracht;
   d) 48 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gesteld vast of mobiel telefoonabonnement.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-02-07/07, art. 1, 198; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 21. <KB 2001-06-10/60, art. 4, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Het loon is gekoppeld aan de periode waarop het betrekking heeft. De sommen die betaald worden bij het verstrijken van een semester of van een jaar en waarvan het bedrag geen 20 pct. van de andere lonen voor dat semester of dat jaar te boven gaat, worden evenwel gekoppeld aan het kwartaal gedurende welke zij betaald worden of aan het laatste kwartaal waarin arbeidsdagen voorkomen.
  De door artikel 19, § 2, 2°, als loon beschouwde vergoedingen worden gekoppeld aan de door deze vergoedingen gedekte periode. De vergoeding bedoeld bij artikel 19, § 2, 2°, c), wordt geacht een periode te dekken die ingaat onmiddellijk na het verstrijken van de opzeggingstermijn of van de periode die wordt gedekt door de vergoeding bedoeld bij artikel 19, § 2, 2°, a). De vergoeding bedoeld bij artikel 19, § 2, 2°, d), wordt, vanaf de datum van de beëindiging van de dienstbetrekking geacht een periode te dekken gelijk aan het quotiënt van de deling met als deeltal het totaal bedrag van de vergoeding betaald door de werkgever en als deler het normaal bedrag van het loon van de laatste volledige maand waarin arbeidsdagen voorkomen.
  Het in artikel 19, § 1, tweede lid, bedoelde percentage wordt, hetzij elk kwartaal, hetzij op het ogenblik dat de vergoeding is verschuldigd, gevoegd bij de bedragen en voordelen die het loon uitmaken.
  Het loon voor de prestaties bedoeld in de artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels is gekoppeld aan de dag waarop de inhaalrust genomen wordt.

  Art. 22. Wanneer de loongrenzen vastgesteld bij artikel 15 van de wet verhoogd of verlaagd worden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 16 van bedoelde wet, en dat de verhoogde of verminderde bedragen niet deelbaar zijn door 25, worden die bedragen, in geval van verhoging, gebracht tot de onmiddellijk hogere bedragen die deelbaar zijn door 25, of in geval van vermindering, teruggebracht tot de onmiddellijk lager gelegen bedragen die deelbaar zijn door 25.

  Art. 23. § 1. De bij artikel 15 van de wet vastgestelde maandgrenzen zijn van toepassing wanneer het loon per maand of per periode van verschillende maanden aan de werknemer wordt uitbetaald.
  Wanneer het loon aan de werknemer normaal per periode van minder dan één maand wordt uitbetaald, worden die grenzen door kwartaalgrenzen vervangen. De maandgrenzen blijven nochtans van toepassing wanneer de werknemer normaal, in de loop van de maand vooruitbetalingen overeenkomstig artikel 9 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers ontvangt en dat zijn definitief loon eens per maand wordt vastgesteld.
  § 2. (...) <KB 2001-06-10/60, art. 5, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>

  Art. 24. <KB 2001-06-10/60, art. 6, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003> 1° Voor de toepassing van dit besluit worden als arbeidsdagen in aanmerking genomen :
  a) de dagen of uren normale werkelijke arbeid;
  b) de dagen of uren waarop geen arbeid wordt verricht maar waarvoor de werknemer zijn recht op loon behoudt en waarop sociale zekerheidsbijdragen worden ingehouden;
  c) de dagen inhaalrust, andere dan inhaalrust bouwbedrijf;
  d) de dagen en uren wettelijke vakantie voor de handarbeiders; die dagen worden in aanmerking genomen ten belope van het aantal dagen van gewone activiteit.
  Voor de voltijdse werknemers wordt het aantal in aanmerking te nemen dagen bekomen volgens de volgende formule :
  A/B x C, waarbij
  * A overeenstemt met het aantal dagen zoals bepaald in 1°;
  * B overeenstemt met het aantal dagen van tewerkstelling voorzien in de vaste arbeidsregeling of, indien het geen vast aantal dagen per week betreft, met het maximaal aantal dagen tewerkstelling van de maatpersoon per kwartaal;
  * C overeenstemt met het maximaal aantal in aanmerking te nemen dagen voor een tewerkstelling in een vijfdagenweek per kwartaal.
  Indien het bekomen resultaat een breuk bevat, dan wordt het resultaat naar de hogere eenheid afgerond.
  (Deze formule is niet van toepassing op artikel 17bis van dit besluit.) <KB 2005-11-10/48, art. 2, 126; Inwerkingtreding : 01-07-2005>
  2° Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder " kwartaal " de periode gedekt door de uitbetalingen waarvan de sluitingsdag in eenzelfde kalenderkwartaal is gelegen. Wanneer de laatste dag van deze periode onmiddellijk wordt gevolgd door een of meer normale rustdagen, wordt de rustdag die geen zondag is, mede in aanmerking genomen.
  (In afwijking van het voorgaande eindigt het vierde kwartaal van elk jaar op 31 december van dat jaar en begint het eerste kwartaal van elk jaar op 1 januari van dat jaar.) <KB 2001-06-10/61, art. 1, 099; Inwerkingtreding : 01-01-2003>

  Afdeling 2. - Bijzondere regelingen voor bepaalde werknemerscategorieën.

  Art. 25.<KB 2007-04-30/42, art. 1, 135; Inwerkingtreding : 01-04-2007> § 1. Wat de handarbeiders betreft die één van de functies bepaald door de Minister van Sociale Zaken uitoefenen en wier loon geheel of gedeeltelijk uit fooien of bedieningsgeld bestaat, worden de bijdragen, in de gevallen voorzien in lid 2 van deze paragraaf, berekend op grond van een bedrag dat verkregen wordt door de forfaitaire daglonen te vermenigvuldigen met het aantal arbeidsdagen van het kwartaal, opgesomd in artikel 24, 1°, a, b en c.
  De Minister van Sociale Zaken bepaalt de paritaire comités en subcomités in welke de forfaitaire daglonen van toepassing zijn evenals de uitgeoefende functies waarop deze forfaitaire daglonen kunnen toegepast worden.
  De forfaitaire daglonen worden per functie door de Minister van Sociale Zaken vastgesteld.
  Deze forfaitaire daglonen zijn van toepassing wanneer de arbeidsregeling van de werknemer minder dan 6 dagen per week bedraagt in de loop van het kwartaal.
  Wanneer de arbeidsregeling van de werknemer zes dagen per week bedraagt in de loop van het kwartaal, worden de forfaitaire daglonen verminderd met 16,7 %.
  Wat de werknemers betreft wier loon geheel of gedeeltelijk uit fooien of bedieningsgeld bestaat en die één van de functies bepaald door de Minister van Sociale Zaken niet uitoefenen of die één van de functies bepaald door de Minister van Sociale Zaken uitoefenen bij een werkgever die niet onder een paritair comité of subcomité bepaald door de Minister van Sociale Zaken ressorteert, worden de bijdragen berekend op de werkelijke lonen, zonder dat deze lager mogen zijn dan het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen of dan het toepasselijke conventionele sectorloon.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [2 ...]2
  § 4. [2 ...]2
  § 5. Wanneer de werknemer gedeeltelijk met fooien en bedieningsgeld wordt betaald en het loon van het kwartaal dat niet uit fooien en bedieningsgeld bestaat, met uitzondering van de eindejaarspremie, meer bedraagt dan het overeenkomstig de eerste paragraaf vastgestelde bedrag, worden de bijdragen uitsluitend berekend op het gedeelte dat niet uit fooien of bedieningsgeld bestaat overeenkomstig het bepaalde in afdeling 1.
  De bijdragen worden steeds op de eindejaarspremie berekend, ongeacht of deze rechtstreeks door de werkgever of door een derdebetaler wordt betaald.
  ----------
  (1)<KB 2016-07-15/03, art. 2, 184; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<KB 2018-03-18/08, art. 1, 199; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 26. § 1. Wat betreft de werknemers die door een arbeidsovereenkomst voor zeevissers zijn verbonden, worden de bijdragen berekend op grond van een bedrag dat verkregen wordt door de forfaitaire daglonen, vastgesteld door de Minister van Sociale Voorzorg, te vermenigvuldigen met het aantal arbeidsdagen van het kwartaal opgesomd (bij artikel 24, 1°, a, b, en c), ongeacht of die werknemers een vast loon verdienen dan wel geheel of gedeeltelijk met een deel in de opbrengst worden betaald. <KB 2001-06-10/60, art. 8, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 2. Voor de toepassing van artikel 24, 1°, a) worden als (dagen normale werkelijke arbeid) beschouwd de arbeidsdagen en gedeelten ervan die in de haven worden doorgebracht en de vaartdagen. <KB 2001-06-10/60, art. 8, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  Als vaartdag wordt beschouwd, de aanwezigheid op zee van ten minste vier uur in de loop van een kalenderdag.
  De zeevaart die twee opeenvolgende kalenderdagen bestrijkt zonder op elk dezer afzonderlijk vier uur te bereiken, wordt nochtans voor één vaartdag aangerekend indien deze in totaal ten minste vier uur bereikt.
  (Het uitvaren van een vissersschip voor een duur van meer dan 4 uur, die 24 uur niet overschrijdt, wordt als één vaartdag beschouwd. Indien het uitvaren van een vissersschip een duur van 24 uur of een veelvoud van 24 uur overschrijdt, wordt de duur van die overschrijding in aanmerking genomen als een nieuwe vaartdag.) <KB 2007-12-20/28, art. 1, 141; Inwerkingtreding : 03-03-2008>

  Art. 27.Wat betreft de werknemers die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst [1 ...]1 en die tewerkgesteld zijn aan boord van een schip geëxploiteerd door een werkgever die gewoonlijk voor rekening van derden één of verschillende voor de vaart bestemde schepen exploiteert, worden de bijdragen berekend overeenkomstig de bepalingen van de eerste afdeling van dit hoofdstuk, behalve wat de afwijkingen betreft bepaald bij het tweede [1 ...]1 lid.
  [1 ...]1
  De bij artikel 17, §2, 1° van de wet bepaalde bijdragen worden, met uitzondering van de onder littera f) bepaalde bijdragen, op de 22/25sten van het loon berekend [1 ...]1.
  ----------
  (1)<KB 2016-07-04/04, art. 1, 183; Inwerkingtreding : 30-09-2016>

  Art. 27bis. <Ingevoegd bij KB 2003-03-18/32, art. 3; Inwerkingtreding : 01-04-2003> § 1. Voor de in artikel 3, 9° van dit besluit bedoelde werknemers worden de bijdragen betaald op basis van een fictief forfaitair uurloon "L", per maand berekend en gelijk aan driemaal het G.G.M.M.I. van de maand, gedeeld door 494.
  Het bedrag van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen is het bedrag bedoeld in artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 gesloten in de Nationale Arbeidsraad houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988.
  § 2. Het aantal uren waarop bijdragen verschuldigd zijn staat in strikte verhouding tot de werkelijk gedane opvang, uitgedrukt in opvangdagen, waarbij een opvangdag overeenstemt met de opvang van een niet-gehandicapt kind gedurende 1 dag. Het globaal aantal opvangdagen in een bepaalde periode wordt uitgedrukt door T.
  Het aantal uren waarop bijdragen verschuldigd zijn wordt bekomen door T te vermenigvuldigen met de eenheidstijd E : aantal uren = T*E.
  E wordt dermate vastgelegd dat de driemaandelijkse maximumprestatie van een onthaalouder aanleiding geeft tot een aangifte van 494 uren overeenstemmend met 65 dagen. Zonder onderscheid tussen de Gemeenschappen bekomt men de absolute maximumprestatie door 65 dagen te vermenigvuldigen met het maximum aantal kinderen waarvoor een onthaalouder kan worden erkend, namelijk 4. Het resultaat van deze vermenigvuldiging, met name (65*4) = 260 opvangdagen per kwartaal, wat overeenstemt met 494 uren. E = 494/260 = 1,9 uur.
  § 3. Voor de toepassing van artikel 24, 1°, wordt verondersteld dat een werktijdregeling van 5 dagen per week voor deze werknemers geldt en dat zij, ongeacht hun prestaties, aangegeven zijn als deeltijdse werknemers met een referentiepersoon, voltijdse onthaalouder, van wie wordt verondersteld dat zijn prestaties 38 uren per week bedragen.
  De fictieve uren die overeenstemmen met maximum 20 (onbezoldigde) vakantiedagen per jaar en met de wettelijke feestdagen zonder opvang van kinderen worden door de werkgever door middel van een specifieke code aangegeven als gelijkgestelde prestaties van de onthaalouder.
  De fictieve uren die overeenstemmen met de andere dagen waarop de onthaalouder beslist geen kinderen op te vangen, worden door de werkgever aangegeven als verlof zonder wedde.
  Voor de gelijkgestelde dagen en voor de dagen verlof zonder wedde wordt het aantal opvangdagen dat overeenstemt met deze dagen en dat als basis dient voor de berekening van het aantal aan te geven fictieve uren, bekomen door het aantal van deze dagen te vermenigvuldigen met het gemiddeld aantal ingeschreven kinderen in de maand waarin deze dagen vallen. Het aantal aan te geven fictieve uren is gelijk aan het berekend aantal opvangdagen, vermenigvuldigd met de eenheidstijd E.
  De fictieve uren die overeenstemmen met voorziene maar niet geleverde prestaties, te wijten aan de afwezigheid van kinderen die normaal door de werknemer worden opgevangen maar die afwezig zijn om redenen buiten zijn wil worden door de werkgever als gelijkgestelde prestaties aangegeven door middel van een specifieke code.

  Art. 28. Wat betreft de leerlingen bedoeld bij artikel 4, mag het dagloon, dat in aanmerking dient genomen voor de berekening van de bijdragen, niet lager zijn dan het totaal bedrag van de voordelen in natura die forfaitair worden vastgesteld bij artikel 20.
  Voor de leerlingen wier (contractueel gemiddelde wekelijkse arbeidsduur) op een bestendige wijze verdeeld is over vijf dagen, wordt het minimum dagloon bedoeld bij het vorig lid verhoogd met 20 pct. <KB 2001-06-10/60, art. 9, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  De bijdragen zijn verschuldigd voor de dagen waarop de leerling ertoe gehouden is lessen te volgen krachtens zijn overeenkomst en voor de arbeidsdagen bedoeld (bij artikel 24, 1°, a, b, en c). <KB 2001-06-10/60, art. 9, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>

  Art. 29. Voor elk der feestdagen die de Rijksverlofkas voor de diamantnijverheid betaalt aan de werknemers van de diamantnijverheid, is het loon gelijk aan het quotiënt der deling van het totaal loon dat de werknemer verdiend heeft gedurende de kalendermaand waarin de feestdag begrepen is door het aantal dagen waarin de werknemer in dezelfde kalendermaand gewerkt heeft.
  Ingeval er in de bewuste kalendermaand geen arbeidsprestaties werden geleverd, wordt deze bewerking op de vorige kalendermaand toegepast.

  Art. 30.<KB 1990-11-19/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-01-1991> § 1. Wat betreft de werknemers voor wie de toepassing van de wet zich beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wordt er voor de berekening van de bijdragen mede rekening gehouden met om even welke toelage, premies en vergoedingen waarop de belanghebbenden gerechtigd zijn.
  § 2. Voor de berekening van de bijdragen zijn nochtans uitgesloten :
  1° de vergoedingen voor het verplicht dragen van werkelijke lasten welke niet kunnen worden beschouwd als normaal en met het ambt onafscheidelijk verbonden;
  2° de haard- of standplaatstoelage;
  3° (de bedragen en voordelen bedoeld bij de artikelen 19, § 2, en 19bis, § 2, 2° tot 6° en § 3;) <KB 1999-03-23/40, art. 1, 082; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
  4° de toelagen, premies en vergoedingen andere dan deze voorzien in deze paragraaf waarvan de toekenningsmodaliteiten uiterlijk op 1 augustus 1990 werden vastgesteld in wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen en waarop geen sociale bijdragen werden afgehouden op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, alsook de verhogingen van deze toelagen, premies en vergoedingen voor zover ze voortvloeien uit de koppeling aan het indexcijfer der konsumptieprijzen;
  [1 5° de premie voor operationaliteit en onregelmatige prestaties voorzien in artikel 25 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de hulpverleningszones.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-12-19/79, art. 1, 174; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 31. <W 2007-05-15/63, art. 2, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2008> De bijdragen verschuldigd voor de werknemers als bedoeld in de artikelen 6 en 6bis worden berekend op het maximaal bedrag dat in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de werkloosheidsuitkering, zoals bepaald in artikel 111 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
  Indien het werkelijk uitbetaalde loon lager is dan voornoemde bedragen, worden de bijdragen berekend op het bedrag van het werkelijk uitbetaalde loon.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Nationale Arbeidsraad, wijzigingen aanbrengen aan de berekeningen van de bijdragen vermeld in dit artikel.

  Art. 31bis.<KB 2007-04-30/42, art. 4, 135; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. De bijdragen verschuldigd voor de gelegenheidsarbeiders bedoeld in artikel 8bis worden berekend op een forfaitair dagloon, zoals hierna bepaald :
  1° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteren, bedraagt het forfaitair dagloon 14,20 EUR;
  2° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf ressorteren, bedraagt het forfaitair dagloon 13,86 EUR;
  In afwijking van het vorige lid worden, voor handarbeiders die werken in de witloofteelt, de verschuldigde bijdragen berekend op een forfaitair dagloon dat respectievelijk 13,86 EUR bedraagt voor de eerste 65 dagen van tewerkstelling en 17,33 EUR voor de 35 extra dagen bedoeld in artikel 8bis, § 2, tweede lid.
  [4 Dit forfaitair dagloon wordt aangepast overeenkomstig de bepalingen van artikel 32bis, §§ 1 en 2.]4
  [1 Onverminderd de toepassing van burgerlijke of strafsancties, worden de voor de gelegenheidswerkers verschuldigde bijdragen berekend op de werkelijke lonen wanneer de werkgever nalaat de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling te doen overeenkomstig artikel 5bis, § 2 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling.]1
  § 2. [2 ...]2
  § 3. De regelgeving vervat [2 in paragraaf 1]2 en in artikel 8bis valt onder de toepassing van de de minimis-steun zoals vervat in de Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de minimis-steun en de eventuele latere wijzigingen van deze verordening.
  Het totaalbedrag van de de minimis-steun die is verleend aan één onderneming mag niet hoger zijn dan 200.000 euro over een periode van drie jaar. De relevante periode van drie jaar is van verschuivende aard, zodat bij elke toepassing van de regeling het totaalbedrag van de de minimis-steun die gedurende de voorgaande drie jaar is verleend, in aanmerking moet worden genomen.
  De toekenning van de regeling [2 vervat in de paragrafen 1 en 3]2 en in artikel 8bis is verbonden aan de voorwaarde dat de onderneming de verbintenis aangaat dat ze het plafond vermeld in de Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de minimis-steun, niet zal overschrijden.
  § 4. Voor de toepassing van de vorige paragrafen wordt de werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid gelijkgesteld met een werkgever die ressorteert onder [2 ...]2 het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf of het Paritair Comité voor de landbouw wanneer de tewerkstelling plaats heeft bij een gebruiker die ressorteert onder bovengenoemde Paritaire Comités, behalve wat de werkgever betreft die werknemers tewerkstelt die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf ressorteren, in het werk van de witloofteelt, voor wat betreft de 35 laatste dagen van de 100 dagen bedoeld in artikel 8bis, tweede lid, 4°.
  ----------
  (1)<KB 2011-11-30/15, art. 2, 153; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<KB 2013-11-12/06, art. 3, 162; Inwerkingtreding : 01-10-2013>
  (3)<KB 2016-07-15/03, art. 3, 184; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (4)<KB 2018-03-18/08, art. 2, 199; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 31ter.[1 Een werknemer die wordt tewerkgesteld bij een werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf of onder het paritair comité voor de uitzendarbeid indien de gebruiker ressorteert onder het paritair comité voor het Hotelbedrijf wordt, voor de toepassing van dit artikel, beschouwd als een gelegenheidswerknemer indien de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk sluiten van maximaal 2 opeenvolgende dagen.
   Voor de werknemer die in bovenvermeld statuut zijn eerste 50 dagen per jaar presteert en voor de werkgever of, indien de werkgever ressorteert onder het paritair comité voor de uitzendarbeid, de gebruiker die dat jaar zijn eerste [3 200 dagen]3 gebruik maakt van gelegenheidswerknemers in deze sector, worden de bijdragen verschuldigd voor deze gelegenheidswerknemers ten aanzien van wie de werkgever gebruik maakt van artikel 5bis, § 3, 1° of 2°, van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, hierna gelegenheidswerknemers genoemd, berekend op een forfait van [2 ...]2 7,5 euro per begonnen uur [2 zonder meer te kunnen bedragen dan zes maal dit uurforfait of zes maal dit uurforfait per dagblok]2.
   [4 Het bedrag in het vorige lid wordt aangepast overeenkomstig de bepalingen van artikel 32bis, §§ 1 en 2.]4
   De werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf dient, uitgezonderd indien hij een aangifte doet bedoeld in artikel 5bis, § 3, 1° van het voornoemde koninklijk besluit van 5 november 2002, een register voor werktijdregeling, bedoeld in artikel 4, § 3 van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, bij te houden waarin de gelegenheidswerknemers worden vermeld.
   Onverminderd de bepalingen van het tweede lid van dit artikel, wanneer de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling gedaan is voor een dagblok, overeenkomstig artikel 5bis, § 3, 2° van het voornoemde koninklijk besluit van 5 november 2002, terwijl het register voor werktijdregeling, bedoeld in artikel 4, § 3, van voornoemd koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978, aangeeft, dat de werknemer meer uren heeft gepresteerd alsook wanneer de effectieve prestaties het aantal aangegeven uren overschrijden, worden de bijdragen verschuldigd voor de gelegenheidswerknemers berekend op het forfaitair dagblok van 45 euro, [4 ...]4 aangepast overeenkomstig de bepalingen van [4 artikel 32bis, §§ 1 en 2]4.
   De voor de gelegenheidswerknemers verschuldigde bijdragen worden berekend op de werkelijke lonen, zonder dat deze lager kunnen zijn dan de forfaitaire daglonen bedoeld in artikel 25 voor de functie die de werknemer bekleedt, wanneer het bovengenoemde artikel op hem van toepassing zou zijn geweest :
   1° wanneer de werkgever die er niet van vrijgesteld is, bij toepassing van het vierde lid, niet in het bezit is van het register voor werktijdregeling bedoeld in artikel 4, § 3, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 of het niet dagelijks bijhoudt;
   2° wanneer de werkgever nalaat dagelijks de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling te doen overeenkomstig artikel 5bis, § 3, van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling. "
   De voor de gelegenheidswerknemer verschuldigde bijdragen worden berekend op het loon waarop de gelegenheidswerknemer recht zou hebben gehad indien hij was aangegeven conform artikel 25, onder de functie "Oberkelner(in) restaurant", met referentienummer 211B, zoals voorzien in artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 april 2007 houdende uitvoering van artikel 25, § 1, eerste en tweede lid van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, indien het aan de werknemer toegekende contingent van 50 dagen, of het aan de werkgever toegekende contingent van [3 200 dagen]3 wordt overschreden.]1
  ----------
  (1)<Hersteld bij KB 2013-11-12/06, art. 4, 162; Inwerkingtreding : 01-10-2013>
  (2)<KB 2014-05-27/13, art. 1, 171; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<KB 2015-10-23/08, art. 1, 179; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (4)<KB 2018-03-18/08, art. 3, 199; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 32.<KB 2007-04-21/44, art. 3, 133; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. De forfaitaire daglonen bedoeld [1 in artikel 26, § 1]1, worden gekoppeld aan de schommelingen van het prijsindexcijfer bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. Deze koppeling zal gebeuren overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van de wet met dien verstande dat voor de toepassing van dit artikel 16, door indexcijfer der consumptieprijzen moet verstaan worden, het prijsindexcijfer zoals hiervoor omschreven.
  De eurogedeelten worden afgerond naar de hogere cent wanneer de derde decimaal gelijk is aan of hoger is dan vijf en naar de lagere cent wanneer de derde decimaal lager is dan vijf.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [2 ...]2
  § 4. [2 ...]2
  ----------
  (1)<KB 2016-07-15/03, art. 4, 184; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<KB 2018-03-18/08, art. 4, 199; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 32bis.<KB 2007-04-30/42, art. 9, 135; Inwerkingtreding : 01-04-2007> § 1. [2 Op de eerste dag van elk kwartaal worden de forfaitaire daglonen, waarop de socialezekerheidsbijdragen worden berekend, aangepast aan de evolutie van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen in de zin van artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 gesloten op 2 mei 1988 in de Nationale Arbeidsraad houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988.]2
  [2 Wanneer een verhoging van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen in de loop van een kwartaal wordt vastgesteld, worden de forfaitaire daglonen aangepast met ingang van de eerste dag van het kwartaal dat volgt op deze verhoging; indien de verhoging van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen samenvalt met het begin van een kwartaal, worden de forfaitaire daglonen aangepast met ingang van dat kwartaal.]2
  § 2. [2 Op 1 januari van alle oneven jaren vergelijkt de minister bevoegd voor Sociale Zaken de evolutie van de forfaitaire daglonen, zoals aangepast overeenkomstig de bepaling van § 1, met de evolutie van de conventionele lonen van toepassing in de sector waartoe de werkgever behoort en past hij de forfaitaire daglonen aan, rekening houdend met de evolutie van deze conventionele lonen, evenwel zonder dat de forfaitaire daglonen kunnen dalen. De aanpassing wordt gedaan bij ministeriëel besluit dat een tabel bevat met de forfaitaire daglonen per functie en per leeftijdscategorie. De aldus herberekende en kenbaar gemaakte forfaits gelden vanaf de eerste dag van het kwartaal dat volgt op de publicatie in het Belgisch Staatsblad.
   De lonen die van toepassing waren op 1 januari 2017, gelden als basis voor de vergelijking en aanpassing bedoeld in het vorige lid.]2
  § 3. [1 [2 De §§ 1 en 2 hebben]2 betrekking]1 op de volgende Paritaire Comités :
  1° het Paritair Comité voor het hotelbedrijf;
  2° het Paritair Comité voor de landbouw;
  3° het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf.
  ----------
  (1)<KB 2016-07-15/03, art. 5, 184; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<KB 2018-03-18/08, art. 5, 199; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  HOOFDSTUK III. - Aangifte en betaling van de bijdragen.

  Afdeling 1. - Algemene regeling.

  Art. 33.(§ 1. De Rijksdienst voor sociale zekerheid kent aan iedere bijdrageplichtige werkgever een inschrijvingsnummer toe dat hem wordt meegedeeld binnen acht dagen volgend op de verzending van de ter post aangetekende aanvraag.) <KB 1990-03-12/32, art. 2, 030; Inwerkingtreding : 01-04-1990>
  (§ 2.) De werkgever bezorgt het in artikel 21 van de wet bedoelde aangifteformulier aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid uiterlijk de laatste dag van de maand na elk kalenderkwartaal, waarop de aangifte betrekking heeft. <KB 1990-03-12/32, art. 2, 030; Inwerkingtreding : 01-04-1990>
  De erkende sociale secretariaten van werkgevers beschikken over een termijn van [1 veertien]1 werkdagen te rekenen van het verstrijken van de in het eerste lid bepaalde termijn om de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid de aangiften van hun aangeslotenen te doen geworden. (De Centrale Dienst der vaste uitgaven van het Ministerie van Financiën beschikt over eenzelfde termijn van [1 veertien]1 werkdagen om de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid de aangifte betreffende het door zijn bemiddeling betaalde overheidspersoneel, te doen geworden.) <KB 5-02-1979, art. 1>
  De werkgever moet (vijf jaar) lang een afschrift van zijn aangiften bewaren. <KB 1996-12-20/31, art. 2, 067; Inwerkingtreding : 01-07-1996>
  (De werkgever moet de Rijksdienst voor sociale zekerheid inlichten overeenkomstig artikel 21bis van de wet uiterlijk de laatste dag van de maand volgend op het volledig kalenderkwartaal tijdens hetwelk hij geen onderworpen personeel heeft tewerkgesteld.) <KB 2000-07-20/47, art. 1, 093; Inwerkingtreding : 01-10-2000>
  ----------
  (1)<KB 2012-07-02/01, art. 1, 156; Inwerkingtreding : 01-06-2012>

  Art. 34.Het bedrag van de bijdragen is door de werkgever aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid verschuldigd op de navolgende vier data van elk jaar: 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december.
  [1 [4 De werkgever die voor een welbepaald kwartaal (K-2) bijdragen, gelijk aan of meer dan 4.000 euro, heeft aangegeven, moet voor het kwartaal (K) een voorschot storten, en dit uiterlijk de 5e van de maand volgend op elk van de maanden van dat laatste kwartaal.]4 Voor het eerste, tweede en derde kwartaal van het kalenderjaar, is het eerste, het tweede en het derde verschuldigde voorschot gelijk aan respectievelijk, 30, 30 en 25 pct. van het bedrag van de bijdragen verschuldigd voor het overeenstemmende kwartaal van het vorige kalenderjaar. Voor het vierde kwartaal van het kalenderjaar, is het eerste, het tweede en het derde te betalen voorschot gelijk aan respectievelijk, 30, 35 en 15 pct. van het bedrag van de bijdragen verschuldigd voor het overeenstemmende kwartaal van het vorige kalenderjaar. [3 [4 Als de bedoelde werkgever geen bijdragen verschuldigd was voor het kwartaal K-4 en de berekeningsbasis voor de procentuele bijdragen dus niet voorhanden is, of de werkgever geen enkele bijdrage verschuldigd was voor het kwartaal K-2, of de betrokken werkgever geen enkele bijdrage verschuldigd was voor de kwartalen K-2 en K-4,]4 is hij gehouden een voorschot te storten van 450 euro, ten laatste de 5e van elke maand, vanaf de derde werknemer die hij tewerkstelt op het einde van de voorlaatste maand. Deze som van 450 euro]3 is nochtans niet verschuldigd door de werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het bouwbedrijf voor de werknemers voor wie de inlichtingen bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels moeten worden meegedeeld. Wanneer het bedrag van de percentages berekend ten aanzien van de verschuldigde bijdrage van het overeenstemmende kwartaal van het vorige kalenderjaar, het bedrag van de percentages van de vermoedelijke bijdragen van het lopende kwartaal overschrijdt, kan de werkgever het voorschot tot laatstgenoemd bedrag verminderen, onverminderd de toepassing van de bij artikel 54bis bepaalde vaste vergoeding wanneer het aldus betaalde voorschot ontoereikend is.]1
  (Uiterlijk op 30 juni van ieder jaar kan de Minister van Sociale Zaken de bedragen van [1 [5 4.000,00]5 euro]1 en [3 450 euro]3, bedoeld bij het vorige lid, aanpassen. De nieuwe, aldus vastgestelde bedragen, worden in aanmerking genomen voor de betaling van de maandelijkse voorschotten verschuldigd vanaf het eerste kwartaal van het volgende jaar.) [5 Het bedrag van de voorschotten bedoeld in de voorgaande leden wordt door de Rijksdienst voor sociale zekerheid berekend en aan de werkgever of aan zijn erkend sociaal secretariaat medegedeeld.]5 <KB 1994-07-25/39, art. 1, 056; Inwerkingtreding : 01-10-1994>
  (Vierde lid opgeheven) <KB 2005-10-14/39, art. 1, 125; Inwerkingtreding : 01-10-2005>
  (lid opgeheven) <KB 1993-01-25/31, art. 1, 048; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  De bijdragen die voor het verstreken kwartaal verschuldigd zijn, alsook het saldo van die bijdragen, wanneer het een bij het tweede lid beoogde werkgever betreft, dienen door de werkgever, uiterlijk de laatste dag van de maand na dit kwartaal, te worden betaald.
  De erkende sociale secretariaten van werkgevers beschikken over een termijn van zes werkdagen, te rekenen van het verstrijken van de bij het tweede lid beoogde termijnen, en van [2 veertien]2 werkdagen, te rekenen van het verstrijken van [1 de bij het vierde lid beoogde termijnen, om de Rijksdienst]1 voor maatschappelijke zekerheid de bijdragen te doen geworden die zij binnen die termijnen van hun aangeslotenen hebben bekomen.
  ----------
  (1)<KB 2010-01-22/02, art. 1, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<KB 2012-07-02/01, art. 2, 156; Inwerkingtreding : 01-06-2012>
  (3)<KB 2013-03-20/06, art. 1, 158; Inwerkingtreding : 01-04-2013>
  (4)<KB 2013-12-08/09, art. 1, 165; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (5)<KB 2016-02-22/08, art. 1, 182; Inwerkingtreding : 01-04-2016>

  Art. 34bis.[1 § 1. In afwijking van artikel 34, is de werkgever, die ressorteert onder het Paritair Comité voor het bouwbedrijf en die geen bijdragen verschuldigd was voor het kwartaal (K - 4) en/of (K - 2), ertoe gehouden uiterlijk de 5e van iedere maand een voorschot van 700,00 euro te storten, vanaf de derde arbeider die hij tewerkstelt op het einde [2 van de voorlaatste maand en voor dewelke de som van 450 euro]2, bedoeld in artikel 34, tweede lid, niet verschuldigd is.
   Uiterlijk op 30 juni van ieder jaar kan de Minister van Sociale Zaken, na advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, het bedrag van 700,00 euro, bedoeld bij het vorige lid, aanpassen, zonder daarin verder te gaan dan wat de indexeringsregels toestaan. Het nieuwe, aldus vastgestelde bedrag, wordt in aanmerking genomen voor de betaling van de maandelijkse voorschotten verschuldigd vanaf het eerste kwartaal van het volgende jaar.
   § 2. De werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, die procentuele voorschotten verschuldigd is in toepassing van artikel 34, is bovenop deze procentuele voorschotten gehouden een maandelijks forfaitair voorschot te betalen van 700,00 euro per bijkomende arbeider, vanaf de derde arbeider, indien de stijging van het arbeiderspersoneel tussen het kwartaal (K - 4) en het kwartaal K minstens drie arbeiders bedraagt.
   Uiterlijk op 30 juni van ieder jaar kan de Minister van Sociale Zaken, na advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, het bedrag van 700,00 euro, bedoeld bij het vorige lid, aanpassen, zonder daarin verder te gaan dan wat de indexeringsregels toestaan. Het nieuwe, aldus vastgestelde bedrag, wordt in aanmerking genomen voor de betaling van de maandelijkse voorschotten verschuldigd vanaf het eerste kwartaal van het volgende jaar.
  [3 § 2/1. Het bedrag van de voorschotten bedoeld in de voorgaande paragrafen wordt door de Rijksdienst voor sociale zekerheid berekend en aan de werkgever of aan zijn erkend sociaal secretariaat medegedeeld.]3
   § 3. Indien betalingen worden ontvangen zowel in het kader van procentuele als van forfaitaire voorschotten, worden deze prioritair toegerekend op de procentuele voorschotten.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-01-22/02, art. 2, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<KB 2013-03-20/06, art. 2, 158; Inwerkingtreding : 01-04-2013>
  (3)<KB 2016-02-22/08, art. 2, 182; Inwerkingtreding : 01-04-2016>

  Art. 34ter. [1 § 1. In afwijking van artikel 34 is het provinciaal of plaatselijk bestuur aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het bedrag van de bijdragen verschuldigd op de vervaldatum vermeld in de maandelijkse factuur.
   Het provinciaal of plaatselijk bestuur is nochtans verplicht, bij wijze van maandelijks voorschot op de som van de bijdragen voor het kwartaal, op de vervaldatum vermeld in de maandelijkse factuur een som te betalen die gelijk is aan een derde van het bedrag van de bijdragen betreffende het overeenstemmende kwartaal van het vorige jaar. Voor een aangesloten provinciaal of plaatselijk bestuur dat een eerste maal bijdragen verschuldigd is voor een kwartaal mag de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dit maandelijks voorschot vaststellen voor een jaar, op basis van de geraamde bijdragen voor het lopende jaar
   In al de gevallen mag het bedrag van de voorschotten worden gewijzigd in de loop van het jaar, ofwel op initiatief van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ofwel op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van het provinciaal of plaatselijk bestuur.
   Het bedrag van het nieuwe voorschot wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan het provinciaal of plaatselijk bestuur ten laatste 30 dagen vóór de vervaldatum van het volgende voorschot betekend.
   § 2. De bijdragen verschuldigd door een provinciaal of plaatselijk bestuur naar aanleiding van regularisaties, dienen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gestort te worden, op de vervaldatum vermeld in de maandelijkse factuur.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-03-15/07, art. 2, 189; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 35.De door de werkgevers verschuldigde bedragen worden op de postrekening van de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid gestort.
  [1 In afwijking van het vorige lid worden de door de provinciale en plaatselijke besturen verschuldigde bedragen gestort op de rekening van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bij Belfius Bank.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-03-15/07, art. 3, 189; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 35bis. <KB 15-06-1970, art. 6> Met afwijking van de artikelen 33, eerste lid, en 34, eerste en derde lid, moeten de bijdragen die op het bedrag van (de door artikel 19, § 2, 2°, als loon beschouwde vergoedingen) van de dienstbetrekking verschuldigd zijn, ten laatste aangegeven en betaald worden, de laatste dag van de maand volgend op het kwartaal gedurende welke deze vergoedingen verschuldigd zijn indien ze op een toekomstige periode betrekking hebben, of in de maand die volgt op deze gedurende welke het recht van de werknemer op deze vergoedingen werd erkend door de werkgever of door een in kracht van gewijsde gegane beslissing , indien ze een periode dekken die geheel of gedeeltelijk voorbij is. <KB 1984-01-20/31, art. 3, 002>
  Met afwijking van de artikelen 33, tweede lid, en 34, vierde lid, nemen de termijnen van twintig en van zes dagen waarover de erkende sociale secretariaten van werkgevers beschikken om de bijdrage die op deze vergoedingen verschuldigd zijn, aan te geven en te betalen, een aanvang vanaf het verstrijken van de termijnen vastgesteld in het eerste lid.
  De bijdragepercentages en loongrenzen welke op het bedrag van deze vergoedingen toepasselijk zijn, zijn deze in voege op het ogenblik dat de werkgever, een einde stelde aan de dienstbetrekking van de werknemer, schuldeiser van de vergoeding.
  (§ 2. Met afwijking van de artikelen 33, § 2, eerste lid, en 34, eerste en derde lid, moeten de bijdragen die op loonachterstallen verschuldigd zijn, ten laatste aangegeven en betaald worden in de maand die volgt op deze gedurende welke het recht van de werknemer op deze achterstallen werd erkend door de werkgever of door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing.
  Met afwijking van de artikelen 33, § 2, tweede lid, en 34, vierde lid, neemt de termijn van twintig dagen waarover de erkende sociale secretariaten van werkgevers beschikken om de bijdragen die op deze achterstallen verschuldigd zijn, aan te geven en te betalen een aanvang vanaf het verstrijken van de termijn vastgesteld in het eerste lid.
  Op die achterstallen worden de bijdragepercentages en, in voorkomend geval, de loongrenzen toegepast die golden voor de kwartalen waarop de achterstallen betrekking hebben.) <KB 1991-08-05/59, art. 1, 041; Inwerkingtreding : 05-10-1991>

  Afdeling 2. _ Bijzondere regelingen.

  Art. 36.[1 § 1.]1 Wanneer een gedeelte van het loon door tussenkomst van een derde aan een werknemer wordt uitbetaald, treedt deze derde in de plaats van de werkgever voor de vervulling van alle verplichtingen betreffende dit loon welke op die werkgever rusten in toepassing van dit besluit. Deze bepaling vindt geen toepassing op het gedeelte van het loon dat bestaat uit fooien en bedieningsgeld, en op het loon voor de wettelijke feestdagen dat de Rijksverlofkas voor de diamantnijverheid betaalt aan de werknemers van de ' diamantnijverheid.
  Voor de berekening van de bijdragen, wordt dit loon beperkt overeenkomstig het bepaalde bij het tweede hoofdstuk zonder dat er met het rechtstreeks door de werkgever toegekende loon rekening wordt gehouden.
  De derde wordt van zijn verplichtingen die uit de voorgaande bepalingen voortvloeien ontlast, op voorwaarde dat hij aan de werkgever alle inlichtingen verschaft, welke vereist zijn om hem deze loonaangifte mogelijk te maken binnen de reglementaire termijn, en dat hij het bedrag v n de op dat loon verrichte inhoudingen doorgeeft, van zodra zij gedaan zijn.
  (Zo de derde geen gebruik maakt van deze mogelijkheid tot ontlasting deelt hij aan de werkgever, onmiddellijk na de uitbetaling, het brutobedrag mee van het gedeelte van de lonen die door zijn tussenkomst werden betaald.) <KB 1994-03-31/30, art. 5, 0053; Inwerkingtreding : 01-04-1994>
  [1 § 2. § 1 is niet van toepassing op de personen bedoeld bij artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-26/14, art. 7, 170; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 37. (Opgeheven) <KB 2001-06-10/61, art. 2, 099; Inwerkingtreding : 01-01-2003>

  Art. 38. Wanneer een weddetoelage of een aanvulling bij de weddetoelage rechtstreeks door een publiekrechtelijke persoon uitgekeerd wordt aan de werknemers beoogd bij de artikelen 7, §§1 en 2, 8, en 12, treedt die persoon in de plaats van de werkgever voor de vervulling van alle verplichtingen betreffende deze weddetoelage of deze aanvulling bij de weddetoelage welke op die man werkgever rusten in toepassing van dit besluit.
  Deze in de plaatsstelling wordt beperkt tot de verplichting de bijdragen te betalen, ten opzichte van de werknemers die beoogd worden bij de artikelen 7, §1, eerste lid, en 12, §1, eerste lid en niet in vast verband benoemd zijn of gelijkgesteld zijn met de stagiairs (van het Gemeenschapsonderwijs.) <KB 1991-02-15/31, art. 9, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>

  Art. 39. De werkgevers van huisarbeiders en van de in artikel 3, 4°, beoogde personen moeten aangifte doen van de helpers die zij tewerkstellen.
  De huisarbeiders en de bij artikel 3, 4° beoogde personen zijn verplicht aan hun werkgever, bij elke loonuitbetaling, de personen kenbaar te maken die hen bij de uitvoering van hun arbeid hebben geholpen en het deel van het gezamelijk loon dat aan ieder van hen toekomt mede te delen. De werkgever houdt rekening met de aldus gedane verklaring voor de berekening van het bedrag van de bijdragen op de respectieve aandelen van het loon van de werknemer en van zijn helpers.

  Art. 40. § 1. De inhoudingen op het loon van de gedeeltelijk met fooien of bedieningsgeld betaalde werknemers, worden gedaan bij elke uitbetaling op het loon dat niet bestaat uit fooien of bedieningsgeld; in voorkomend geval, word het bedrag ervan aangevuld zoals bij §2 is bepaald.
  § 2. Wanneer het werknemers betreft die geheel bij fooien of bedieningsgeld worden beloond, geschiedt de betaling van de bijdrage van de werknemer als volgt:
  1° Indien de fooien of het bedieningsgeld door tussenkomst van de werkgever worden betaald, wordt de verschuldigde bijdrage ingehouden op het deel van de fooien of van het bedieningsgeld die aan elke werknemer worden betaald. Die inhouding geschiedt ter gelegenheid van elke verdeling van de fooien of van het bedieningsgeld.
  2° Indien de fooien of het bedieningsgeld rechtstreeks door de klant aan de werknemer worden betaald, moet de verschuldigde bijdrage vooraf door de werknemer aan de werkgever worden overhandigd, hetzij wekelijks, wanneer het werknemers betreft die op bestendige wijze bij een werkgever zijn tewerkgesteld, hetzij dagelijks wanneer het werknemers betreft die tussenpozen worden tewerkgesteld.
  § 3. Wanneer de arbeidsovereenkomst van een met fooien of bedieningsgeld betaalde werknemer wordt beëindigd, betaalt de werkgever het gedeelte van de vooraf ontvangen bijdragen dat het definitief verschuldigd bedrag zou overschrijden, terug.

  Art. 40bis. <ingevoegd bij W 2005-07-03/46, art. 43 ; ED 01-01-2007> De Rijksdienst kan aan zijn schuldenaars op minnelijke wijze afbetalingstermijnen toestaan, volgens de voorwaarden en modaliteiten vastgelegd door de Koning na het advies van de Beheerscomité, vooraleer tot een dagvaarding voor de rechter over te gaan of door middel van een dwangbevel tewerk te gaan.

  Art. 41.
  <Opgeheven bij KB 2016-07-04/04, art. 2, 183; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 41bis. [1 De sociale rechten van de gelegenheidswerknemers, bedoeld in artikel 31ter, lid 2, van werkgevers die behoren tot het paritair comité voor het Hotelbedrijf of tot het paritair comité voor de uitzendarbeid, indien de gebruiker ressorteert onder het paritair comité voor het Hotelbedrijf, die gelegenheidswerknemers, worden berekend op het forfaitaire loon voor prestaties die niet bestendig over zes dagen per week verdeeld zijn ongeacht het aantal dagen per week van het arbeidsstelsel waarop de gelegenheidswerknemer recht zou hebben gehad indien hij was aangegeven conform artikel 25, onder de functie "Kelner(in)", met referentienummer 206C, zoals voorzien in artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 april 2007 houdende uitvoering van artikel 25, § 1, eerste en tweede lid van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
   Voor de berekening van de sociale rechten wordt dit forfaitaire loon aan de hand van de gepresteerde uren geproratiseerd op basis van 7,6 uren per dag.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-11-12/06, art. 5, 162; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 42. <KB 15-01-1971, art. 6> De bijdragen die verschuldigd zijn voor de leerlingen, wier leerovereenkomst onder het toezicht van het Nationaal Paritair Comité voor de diamantnijverheid en -handel is afgesloten, worden aangegeven en betaald aan de Rijksverlofkas voor de diamantnijverheid, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 januari 1971, tot vaststelling van bijzondere modaliteiten van toepassing voor de werkgevers en handarbeiders van de diamantnijverheid en -handel, van de wetgeving betreffende het jaarlijks verlof der loonarbeiders.

  Art. 42bis. <Ingevoegd bij KB 2003-03-18/32, art. 4; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De persoonlijke bijdragen van de werknemers bedoeld in artikel 3, 9°, worden door de erkende dienst ingehouden op de vergoedingen waarop ze recht hebben ten laste van de Gemeenschap waarin ze werken overeenkomstig ofwel het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 29 maart 1993 houdende algemene reglementering inzake opvangvoorzieningen gesubsidieerd door de "Office de la Naissance et de l'Enfance" (Dienst voor Geboorte en Kinderwelzijn), ofwel het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen, ofwel het besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 24 juni 1999 betreffende de opvang van jonge kinderen.

  Art. 43. (De bijdragen van de bij (artikel 6bis) beoogde werknemers worden per kwartaal voorafgaandelijk door de werknemers aan de werkgever overhandigd.) <KB 30-06-1972, art. 1> <KB 1985-08-12/41, art. 6, 012>
  In voorkomend geval, betaalt de werkgever de niet verschuldigde bijdragen terug.

  Afdeling 3.
  <Opgeheven bij W 2016-12-01/22, art. 6, 190; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 43bis.
  <Opgeheven bij W 2016-12-01/22, art. 6, 190; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 43ter.
  <Opgeheven bij W 2016-12-01/22, art. 6, 190; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 43quater.
  <Opgeheven bij W 2016-12-01/22, art. 6, 190; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 43quinquies.
  <Opgeheven bij W 2016-12-01/22, art. 6, 190; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 43sexies.
  <Opgeheven bij W 2016-12-01/22, art. 6, 190; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 43septies. (opgeheven) <KB 20-03-1979>

  Afdeling 4. Minnelijke invordering. <Ingevoegd bij KB 2007-07-13/62, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Onderafdeling 1. - Voorwaarden. <Ingevoegd bij KB 2007-07-13/62, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 43octies.[1 De Rijksdienst kan een of meer afbetalingsplan(nen) verlenen, bestaande uit minnelijke afbetalingstermijnen verleend aan werkgevers-schuldenaars die hiertoe een aanvraag doen, voor zover deze betrekking heeft op de totale vervallen schuld op de datum waarop het verzoek wordt ingediend, of op een te vervallen schuld waarvan de RSZ het bedrag in bijdragen kent.
   Overeenkomstig artikel 40bis van de wet van 27 juni 1969 en in afwijking van het eerste lid, zijn de vervallen schulden die reeds het voorwerp uitmaken van rechtsvervolgingen of invordering door middel van dwangbevel door de Rijksdienst echter uitgesloten uit de mogelijkheid om een afbetalingsplan te verkrijgen.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-12-01/28, art. 1, 186; Inwerkingtreding : 01-11-2016>

  Art. 43nonies.
  <Opgeheven bij KB 2016-12-01/28, art. 2, 186; Inwerkingtreding : 01-11-2016>

  Onderafdeling 2. - Modaliteiten. <Ingevoegd bij KB 2007-07-13/62, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 43decies.[1 § 1. Het afbetalingsplan bedoeld in artikel 43octies overschrijdt niet twaalf maandelijkse afbetalingen.
   Ze kunnen nochtans worden uitgebreid tot vierentwintig maandelijkse afbetalingen wanneer de werkgever aantoont met behulp van alle elementen en/of documenten gevraagd door de Rijksdienst dat het toestaan van een termijn van meer dan twaalf maandelijke afbetalingen het enige middel is om zijn schuld te kunnen aanzuiveren met betrekking tot van de levensvatbaarheid van de onderneming.
   In de hypothese bedoeld in het tweede lid, maakt het verzoek van de werkgever het voorwerp uit van een diepgaande financiële analyse op basis van boekhoudkundige en financiële documenten van de onderneming alsook op basis van enig ander bewijsstuk met betrekking tot de levensvatbaarheid van deze werkgever.
   § 2. De Rijksdienst berekent de maandelijkse betalingen op een schuld die bepaald is rekening houdend met de toepasselijke burgerrechtelijke sancties en een berekening van de interesten, op een hele euro naar boven afgerond, waarbij wordt vooruitgelopen op de in het afbetalingsplan voorziene vereffening van de bijdrageschuld.
   Het plan voorziet steeds in een eerste onmiddellijke betaling, ten laatste binnen de tien dagen na de vermoedelijke datum van ontvangst van het afbetalingsplan.
   Het toezicht op de naleving van het afbetalingsplan door de werkgever vindt een keer per maand plaats en houdt rekening met overeengekomen vervaldata.
   § 3. Het afbetalingsplan wordt verzonden bij aangetekende brief en heeft uitwerking de derde werkdag na de datum van verzending, tenzij de geadresseerde het bewijs levert van het feit dat hij de aangetekende brief na deze termijn van 3 dagen heeft ontvangen in welk geval deze nieuwe datum in aanmerking wordt genomen.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-12-01/28, art. 3, 186; Inwerkingtreding : 01-11-2016>

  Afdeling 5. - [1 Ambtshalve afhouding]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-03-15/07, art. 4, 189; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 43undecies. [1 Onverminderd het koninklijk besluit nr. 201 van 25 juli 1983 houdende maatregelen om op correcte wijze de inning te verzekeren van de bedrijfsvoorheffing, is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gemachtigd om ambtshalve bij Belfius Bank, Bank BNP Paribas Fortis, Bpost bank en de Nationale Bank van België het opeisbaar bedrag van zijn schuldvordering ten opzichte van de provinciale en plaatselijke besturen geheel of ten dele af te houden.
   Alvorens de afhouding ambtshalve te verrichten, maant de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het provinciaal of plaatselijk bestuur per aangetekende brief aan, om uiterlijk de 10e dag na ontvangst van de aanmaning ofwel zijn schuld te voldoen, ofwel zijn bezwaar te doen kennen in verband met de gegrondheid van de vordering.
   Het bezwaar dient bij aangetekende brief ingediend te worden bij de administrateur-generaal van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
   Binnen de 60 dagen na ontvangst ervan beslist het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid over de ontvankelijkheid en gegrondheid van het bezwaar.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-03-15/07, art. 5, 189; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 43duodecies. [1 duodecies. De afhouding gebeurt van ambtswege, zonder formaliteiten, op eenvoudig verzoek van de administrateur-generaal van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, van zijn adjunct of van de persoon die hij aanwijst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-03-15/07, art. 6, 189; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  HOOFDSTUK IV. - (Sociale secretariaten van werkgevers). <KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998>

  Afdeling 1. - (Erkenning). <KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998>

  Art. 44.<KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998> § 1. [1 Om te worden erkend, wat aan het sociaal secretariaat het exclusieve recht verleent de sociale bijdragen van zijn leden te innen met het oog op doorstorting, uitsluitend op girale wijze, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid met toepassing van artikel 27, § § 1 en 2 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der werknemers, moet het sociaal secretariaat:]1
  1° opgericht zijn in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 [1 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen]1 en uitsluitend tot doel hebben in naam en voor rekening van zijn aangeslotenen de wettelijke en reglementaire formaliteiten te vervullen waartoe deze in hun hoedanigheid van werkgevers gehouden zijn, alsmede het verlenen van de nodige informatie en bijstand ter zake;
  2° (onder de stichtende leden een representatieve werkgeversorganisatie tellen die een niet winstgevend doel nastreeft; onder representatieve werkgeversorganisatie wordt verstaan de interprofessionele of professionele organisaties van werkgevers bedoeld in artikel 3, van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, alsmede de interprofessionele organisaties die werkzaam zijn op gewestelijk of gemeenschapsniveau en die vertegenwoordigd zijn in de Sociaal-economische Raad van Vlaanderen, de Economische en Sociale Raad van het Waalse Gewest, de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  Deze representatieve werkgeversorganisatie moet in de Raad van bestuur van het sociaal secretariaat ten minste twee vertegenwoordigers tellen;) <KB 1999-02-02/40, art. 1, 081; Inwerkingtreding : 01-10-1998>
  3° ofwel ten minste driehonderd aangesloten werkgevers groeperen ofwel minste honderd aangesloten werkgevers groeperen die samen ten minste vijfduizend werknemers in dienst hebben.
  § 2. De sociale secretariaten die op het ogenblik van de inwerkingtreding van onderhavig besluit sedert ten minste 10 jaar een erkenning hebben bekomen, worden geacht onder de stichtende leden een interprofessionele of professionele organisatie te tellen in de zin van § 1, 2°.
  ----------
  (1)<KB 2017-02-02/12, art. 1, 187; Inwerkingtreding : 20-02-2017>

  Art. 45.<KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998> [2 De aanvraag om erkenning wordt gericht tot de Minister van Sociale Zaken, die erover beslist, op grond van een verslag van de Algemene Directie van de Inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]2. Het vermelde verslag bevat onder andere een advies betreffende de erkenning van het betrokken sociaal secretariaat.
  Bij de aanvraag worden de volgende stukken in twee exemplaren gevoegd : de statuten van de vereniging, de samenstelling van de raad van bestuur en de lijst van de aangesloten werkgevers, waarbij voor ieder van hen het stamnummer bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt aangegeven, het adres van de werkgever, en het aantal werknemers dat hij gewoonlijk tewerkstelt.
  ----------
  (1)<KB 2017-02-02/12, art. 2, 187; Inwerkingtreding : 20-02-2017>
  (2)<KB 2017-06-22/02, art. 9, 191; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 46.
  <Opgeheven bij KB 2017-02-02/12, art. 3, 187; Inwerkingtreding : 20-02-2017>

  Art. 47. <KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998> De ministeriële besluiten waarbij de erkenning wordt verleend of ingetrokken, worden bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Het Belgisch Staatsblad maakt eveneens, in de loop van het vierde kwartaal van elk jaar, de volledige lijst van de erkende sociale secretariaten bekend.

  Afdeling 2. - (Verplichtingen). <KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998>

  Art. 48.<KB 2006-07-01/70, art. 48, 130; Inwerkingtreding : 01-01-2006> § 1. Het erkend sociaal secretariaat is ertoe gehouden :
  1° de representatieve werkgeversorganisatie die als stichtend lid is opgetreden krachtens artikel 44, § 1, 2°, of in voorkomend geval de professionele of interprofessionele organisatie van werkgevers die is opgetreden als stichtend lid van een sociaal secretariaat bedoeld bij artikel 44, § 2 die ophoudt lid te zijn van het erkend sociaal secretariaat als stichtende werkgeversorganisatie, te vervangen door een andere vereniging die aan de vereiste voorwaarden voldoet en vertegenwoordigd moet worden in de raad van bestuur van het sociaal secretariaat door ten minste twee vertegenwoordigers;
  2° bij de Nationale Bank van België of bij de Deposito- en Consignatiekas een waarborg te storten ten belope van een bedrag van :
  - 37 184,03 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal minder dan 3 000 werknemers tewerkstellen;
  - 49 578,70 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal van 3 000 tot 4 999 werknemers tewerkstellen;
  - 74 368,06 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal van 5 000 tot 9 999 werknemers tewerkstellen;
  - 99 157,41 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal van 10 000 tot 14 999 werknemers tewerkstellen;
  - 123 946,76 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal van 15 000 tot 19 999 werknemers tewerkstellen;
  - 185 920,14 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal ten minste 20 000 werknemers tewerkstellen.
  Het bedrag van de waarborgsom moet elk jaar op 1 januari aangepast worden in functie van het aantal werknemers door de aangesloten werkgevers tewerkgesteld op 30 juni van het vorige jaar.
  De waarborgsom moet in Belgische waarden gevestigd worden. Deze waarden worden gewaardeerd volgens de prijscourant die op last van de regering wordt uitgegeven. De te hanteren prijscourant is deze welke werd bekendgemaakt in de maand december voorafgaand aan de aanpassingsdatum.
  De waarborgsom is bestemd tot gehele of gedeeltelijke dekking van de schuldvorderingen welke bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers zouden kunnen laten gelden uit hoofde van de schade die zij hebben geleden als gevolg van het niet overdragen of betalen, door deze instelling, van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verschuldigde bedragen. Zij mag enkel daartoe worden aangewend op vertoon van een door de [1 Minister tot wiens bevoegdheid de sociale zaken behoren]1 verleende machtiging of van de expeditie van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest;
  3° [1 voor ieder van de aangesloten werkgevers, op een plaats in België, een volledig dossier betreffende de toepassing van de sociale wetten samen te stellen en bij te houden voor het geheel van het personeel van de aangesloten werkgevers en dat toelaat de juistheid van de aangiften na te gaan en waarvan de ambtenaren en beambten beoogd bij artikel 31 van de wet inzage kunnen nemen; de inhoud van dit dossier wordt bekendgemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten;]1
  4° zich verzekeren van de medewerking van een erkende bedrijfsrevisor die onafhankelijk handelt ten aanzien van het sociaal secretariaat en van diens organen; deze bedrijfsrevisor oefent toezicht uit op de goede afhandeling van alle financiële verrichtingen van het sociaal secretariaat [1 zoals omschreven door § 2, lid 2 van dit artikel]1;
  5° de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kennis te geven van het deel van zijn boekhoudkundig plan dat betrekking heeft op de boeking van de verrichtingen in het raam van de sociale zekerheidswetgeving.
  6° zich [1 binnen een redelijke termijn na de bekendmaking]1 te schikken naar de onderrichtingen van de betrokken administraties, waarbij deze hun betrekkingen met het sociaal secretariaat en het beheer van de lopende rekeningen van de werkgevers bepalen;
  7° op alle akten, rekeningen, aankondigingen, publicaties en andere afgeleverde stukken zijn sociale benaming te vermelden voorafgegaan of gevolgd door de aanduiding [1 "Vereniging zonder winstoogmerk - Sociaal Secretariaat of afgekort VZW - Sociaal Secretariaat"]1, alsmede het erkenningsnummer en de datum van het ministerieel besluit dat de erkenning verleent;
  8° [1 zich te schikken naar de onderrichtingen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de sociale secretariaten aangaande de producten die toegelaten zijn voor de tijdelijke belegging van de sociale bijdragen. Het sociaal secretariaat bezorgt elk kwartaal een rapportering aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en aan de bedrijfsrevisor over de belegging van derdengelden. De modaliteiten van de rapportering worden bekendgemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten;]1
  9° [1 [2 de Algemene Directie van de Inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]2 [2 ...]2 kennis te geven van het einde van het mandaat van de werkgever, ongeacht de redendaarvan, overeenkomstig artikel 31ter, § 3, 4°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, na de kennisname door het sociaal secretariaat van de beëindiging van het mandaat en uiterlijk 15 dagen voor het effectieve einde van hetmandaat, voor zover de opzegging aan hem betekend werd;]1
  10° op aanvraag, aan de RSZ-inspectie [2 ...]2 de volledige jaarrekening voor te leggen.
  § 2. De erkende sociale secretariaten zijn verplicht een boekhouding te voeren en een jaarrekening op te stellen volgens de principes van de wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen van 17 juli 1975. De rekeningenklassen 1 tot 7 geven de gewone bedrijfsvoering van het [1 ...]1 sociaal secretariaat weer met balans en resultaatrekening.
  De erkende sociale secretariaten zijn verplicht hun rekeningsstelsel zo in te delen dat het deel van hun rekeningsstelsel dat betrekking heeft op de boeking van de verrichtingen van hun aangesloten leden ten opzichte van de Overheid ten allen tijde kan gecontroleerd worden door de bevoegde ambtenaren. Met dit doel moeten de volgende rekeningen worden opgemaakt :
  KLASSE 4 REKENINGEN VORDERINGEN SCHULDEN OP TEN HOOGSTE 1 JAAR
  400. Aangeslotenen
  460. Goedgekeurde betalingen
  461. Voorziene betalingen RSZ
  462. Voorziene betalingen BV
  463. Voorziene betalingen Sociale Fondsen
  4800. Toe te wijzen stortingen
  KLASSE 5 FINANCIELE REKENINGEN
  52 Termijnrekeningen op ten hoogste één maand
  55 Kredietinstellingen
  KLASSE 7 OPBRENGSTREKENINGEN
  700. Beheersbijdragen
  KLASSE 9 ORDERREKENINGEN
  9010. Aangeslotenen : gefactureerde bedragen
  931. RSZ-bijdragen
  932. Bedrijfsvoorheffing
  934. Sociale Fondsen
  939 Beheersbijdragen
  9100. Stortingen aangeslotenen
  9210. Aangeslotenen : toe te wijzen stortingen.
  ----------
  (1)<KB 2017-02-02/12, art. 4, 187; Inwerkingtreding : 20-02-2017>
  (2)<KB 2017-06-22/02, art. 9, 191; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 49.<KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998> Binnen acht dagen na de publikatie in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad worden wijzigingen in de statuten van het sociaal secretariaat en in de samenstelling van de Raad van Bestuur, met de vermelding van de hoedanigheid van de vertegenwoordigers van de professionele of interprofessionele organisatie, in tweevoud meegedeeld aan de [1 Minister die Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft]1 die een exemplaar aan de [2 inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stuurt]2.
  ----------
  (1)<KB 2017-02-02/12, art. 5, 187; Inwerkingtreding : 20-02-2017>
  (2)<KB 2018-03-18/08, art. 6, 199; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Afdeling 3. - (Rechten). <KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-11-1998>

  Art. 50.
  <Opgeheven bij KB 2017-02-02/12, art. 6, 187; Inwerkingtreding : 20-02-2017>

  Art. 51.<KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998> De [1 instellingen van sociale zekerheid" en de eerste zin wordt aangevuld met de woorden "in functie van de bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid geregistreerde procuratie]1 moeten de door de werkgevers in te vullen stukken enkel opsturen aan de werkgevers zelf of aan het sociaal secretariaat waarbij zij zijn aangesloten. Die behoorlijk ingevulde documenten moeten na ondertekening door de werkgever of door het erkend sociaal secretariaat waarbij hij is aangesloten, aan de voormelde instellingen teruggestuurd worden.
  ----------
  (1)<KB 2017-02-02/12, art. 7, 187; Inwerkingtreding : 20-02-2017>

  Art. 52.
  <Opgeheven bij KB 2017-02-02/12, art. 8, 187; Inwerkingtreding : 20-02-2017>

  Art. 53. (Impliciet opgeheven) <KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998>

  Afdeling 4. [1 - Kwaliteitsbarometer.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-02-02/12, art. 9, 187; Inwerkingtreding : 20-02-2017>
  

  Art. 53. [1 In het kader van deze afdeling wordt verstaan onder:
   1° Sociaal secretariaat: de mandataris zoals bedoeld in artikel 31ter, § 2, 2° van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
   2° Sociale dienstverrichter: de mandataris zoals bedoeld in artikel 31ter, § 2, 1° van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
   3° Zetel van een erkend sociaal secretariaat: de maatschappelijke zetel van de VZW die de erkenning als sociaal secretariaat heeft bekomen, zoals vermeld in de statuten van de vereniging;
   4° Bijkantoor van een sociaal secretariaat: een bedrijfszetel, die niet de maatschappelijke zetel is en geen afzonderlijke juridische entiteit vormt, maar door het sociaal secretariaat voor zijn aangesloten leden werd aangeduid en als dusdanig meegedeeld aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid
   5° Dimona: het elektronisch bericht, waarin iedere aanwerving en iedere uitdiensttreding van een werknemer onmiddellijk wordt gemeld aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, zoals omschreven in het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
   6° DMFA: de aangifte bedoeld in artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
   7° Kwaliteitsbarometer: de barometer zoals bedoeld in artikel 27 bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-02-02/12, art. 9, 187; Inwerkingtreding : 20-02-2017>
  

  Art. 53/1. [1 § 1. De kwaliteitsbarometer is opgebouwd rond zes objectieve controledomeinen, die moeten worden uitgevoerd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en die elk toegespitst zijn op een specifiek luik van de werking van een sociaal secretariaat.
   Voor elk van deze controledomeinen wordt een score toegekend per hoofdkantoor van elk erkend sociaal secretariaat. De uitgevoerde controles kunnen evenwel betrekking hebben op werkgevers die zijn aangesloten of bij het hoofdkantoor of bij een bijkantoor.
   Op basis van deze resultaten kan een evaluatie van het erkend sociaal secretariaat in zijn geheel worden gemaakt.
   § 2. Volgende controledomeinen vormen samen de kwaliteitsbarometer:
   1° stilzwijgerscontroles: in deze controles wordt nagegaan, vanaf de opstelling van de definitieve lijst van stilzwijgers, voor welke actieve werkgevers geen, een onjuiste/onvolledige of een laattijdige DMFA werd verstuurd door het erkend sociaal secretariaat en wordt gezocht naar de redenen waarom.
   De verschillende redenen van niet-, onjuiste/onvolledige of laattijdige aangifte worden omschreven als S-indicatoren. Aan deze indicatoren wordt een gewicht toegekend in overeenstemming met hun belangrijkheid.
   De S-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.
   2° technische controles: deze controles dienen om na te gaan, aan de hand van statistische steekproeven, of het sociaal secretariaat de gegevens betreffende de bezoldiging en de arbeidstijd, die door de werkgever werden meegedeeld, in de Dimona en de DMFA correct heeft verwerkt.
   De onjuistheden die ten gevolge van de technische controles kunnen worden vastgesteld, worden aangeduid als T-indicatoren, waaraan een weging wordt toegekend, naargelang de ernst van de vastgestelde fout.
   De T-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.
   3° financiële controles: bij deze controles wordt nagegaan of alle door de werkgevers aan het erkend sociaal secretariaat gestorte bijdragen volgens de voorschriften zijn gestort en of zij door het erkend sociaal secretariaat worden doorgestort naar de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid volgens de wettelijke voorschriften en de instructies aan de sociale secretariaten.
   De resultaten van deze controles worden voorgesteld door verschillende F-indicatoren, naargelang het probleem betrekking heeft op de doorstorting door de werkgever aan het sociaal secretariaat of op de doorstorting (provisies of saldi) van het sociaal secretariaat naar de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
   De F-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.
   4° systeemcontroles op prioritaire anomalieën in de DmfA: deze controles brengen in kaart in hoeverre het erkend sociaal secretariaat inspanningen levert om de via systeemcontroles vastgestelde anomalieën in de DmfA-gegevens binnen een redelijke termijn te verbeteren.
   Anomalieën zijn prioritair indien ze een rechtstreekse invloed hebben op de rechten van de sociaal verzekerden.
   Systeemcontroles zijn controles die automatisch worden uitgevoerd op basis van vergelijking van ingevoerde gegevens en /of externe databanken, met als doel vergissingen of fouten in de aangifte aan het licht te brengen.
   Op basis van deze controles wordt enerzijds de evolutie van het aantal anomalieën geregistreerd. Een procentuele daling van het aantal anomalieën ten opzichte van het voorgaand kwartaal levert aldus een goede score op.
   Anderzijds registreren zij hoe lang elke individuele anomalie blijft bestaan. Hoe langer een anomalie onopgelost blijft, hoe slechter het sociaal secretariaat op dit punt zal scoren.
   Deze scores worden weergegeven als AP-indicatoren.
   De AP-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.
   5° systeemcontroles op niet-prioritaire anomalieën in de DmfA: deze controles brengen in kaart in hoeverre het erkend sociaal secretariaat inspanningen levert om de via systeemcontroles vastgestelde anomalieën in de DmfA-gegevens binnen een redelijke termijn te verbeteren.
   Anomalieën zijn niet-prioritair indien ze geen rechtstreekse invloed hebben op de rechten van de sociaal verzekerden.
   Systeemcontroles zijn controles die automatisch worden uitgevoerd op basis van vergelijking van ingevoerde gegevens en/of externe databanken, met als doel vergissingen en/of fouten in de aangifte aan het licht te brengen.
   Deze controles registreren enerzijds het aantal anomalieën. Een procentuele daling van het aantal anomalieën ten opzichte van het voorgaand kwartaal levert aldus een goede score op.
   Anderzijds registreren zij hoe lang elke individuele anomalie blijft bestaan. Hoe langer een anomalie onopgelost blijft, hoe slechter het sociaal secretariaat op dit punt zal scoren.
   Deze scores worden weergegeven als ANP-indicatoren.
   De ANP-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.
   6° crosscontroles: deze controles laten toe in te schatten in welke mate het sociaal secretariaat inspanningen levert tot het nemen van maatregelen teneinde de coherentie tot stand te brengen tussen de aangiften.
   De anomalieën worden automatisch door het systeem geïdentificeerd, dat de gegevens van het personeelsbestand, gevoed door DIMONA, vergelijkt met de gegevens van de DMFA.
   Deze controles registreren enerzijds het volume van de anomalieën op jaarbasis. De graad van verbetering ten opzichte van een voorgaand jaar bepaalt aldus de score.
   Anderzijds registreren zij hoe lang elke individuele anomalie blijft bestaan. Hoe langer een anomalie onopgelost blijft, hoe slechter het sociaal secretariaat op dit punt zal scoren.
   Deze scores wordt weergegeven als C-indicatoren.
   De C-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-02-02/12, art. 9, 187; Inwerkingtreding : 20-02-2017>
  

  Art. 53/2. [1 § 1. De resultaten van de kwaliteitsbarometer worden berekend en gefaseerd medegedeeld aan de erkende sociale secretariaten.
   § 2. Het nazicht van de verschillende controledomeinen gebeurt op een continue basis door middel van deelcontroles via de interne diensten van de Rijksdienst, voor zover het de domeinen prioritaire anomalieën, niet-prioritaire anomalieën en crosscontroles betreft. Het nazicht gebeurt op de zetel of de bijkantoren van de erkende sociale secretariaten voor zover het de domeinen stilzwijgerscontroles en technische controles betreft. Het nazicht gebeurt op de zetel van het erkend sociaal secretariaat voor zover het domein van de financiële controles betreft.
   § 3. Na afloop van alle uitgevoerde deelcontroles met betrekking tot een controledomein deelt de Rijksdienst aan het betrokken sociaal secretariaat het resultaat mee onder de vorm van een ontwerp-verslag, dat onderzocht kan worden in overleg tussen het sociaal secretariaat en de directie van de inspectie van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Dit ontwerpverslag bevat de aanmerkingen met betrekking tot de vastgestelde onregelmatigheden en de score voor dat controledomein.
   Voor de controledomeinen waarvoor een resultaat per kwartaal kan worden berekend wordt het ontwerpverslag opgemaakt na afloop van het kwartaal en nadat alle resultaten voor dat kwartaal bekend en verwerkt zijn.
   Voor de controledomeinen waarvoor het resultaat niet op kwartaalbasis kan worden berekend, wordt het ontwerpverslag opgemaakt nadat alle resultaten voor dat controledomein bekend en verwerkt zijn.
   Het betrokken sociaal secretariaat beschikt over een termijn van 15 werkdagen om te reageren vanaf de dag van ontvangst van een ontwerp-verslag. De Rijksdienst dient een gemotiveerd antwoord te geven op de door het sociaal secretariaat aangehaalde argumenten binnen een termijn van 15 werkdagen vanaf de dag van ontvangst van de reactie van het sociaal secretariaat. Als het resultaat niet door het sociaal secretariaat wordt betwist binnen een termijn van 15 werkdagen of na het gemotiveerd antwoord van de Rijksdienst op de door het sociaal secretariaat aangehaalde argumenten, stuurt de Rijksdienst het definitief verslag naar het betrokken sociaal secretariaat.
   § 4. Nadat de resultaten van alle controledomeinen voor de 4 kwartalen van een jaar bekend zijn, volgt mededeling van het globale eindresultaat in de vorm van een jaarverslag.
   Het betrokken sociaal secretariaat beschikt over een termijn van 15 werkdagen om te reageren vanaf de dag van ontvangst van het ontwerp-verslag. De Rijksdienst dient een gemotiveerd antwoord te geven op de door het sociaal secretariaat aangehaalde argumenten binnen een termijn van 15 werkdagen vanaf de dag van ontvangst van de reactie van het sociaal secretariaat. Als het resultaat niet door het sociaal secretariaat wordt betwist binnen een termijn van 15 werkdagen of na het gemotiveerd antwoord van de Rijksdienst op de door het sociaal secretariaat aangehaalde argumenten, stuurt de Rijksdienst het definitief verslag naar het betrokken sociaal secretariaat.
   Op basis van dit jaarverslag kan de Rijksdienst een positief verbeteringstraject overeenkomen of aanbevelingen en bijkomende richtlijnen formuleren.
   Wanneer de jaarverslagen zijn opgemaakt, wordt door de Rijksdienst in overleg met de Unie van Sociale Secretariaten een globaal evaluatieverslag over alle erkende sociale secretariaten opgemaakt, dat wordt besproken op een jaarlijkse vergadering tussen de Rijksdienst en de erkende sociale secretariaten. Op deze vergadering gebeurt een evaluatie en kunnen voorstellen tot bijsturing van de kwaliteitsbarometer worden geformuleerd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-02-02/12, art. 9, 187; Inwerkingtreding : 20-02-2017>
  

  Art. 53/3. [1 De artikelen 48, § 1, 3°, 53, 53/1 en 53/2 van dit besluit zijn, met uitzondering van wat is bepaald in artikel 53/1, § 2, 3°, ook van toepassing op de sociale dienstverrichters zoals bepaald in artikel 31ter, § 2, 1°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-02-02/12, art. 9, 187; Inwerkingtreding : 20-02-2017>
  

  HOOFDSTUK V. _ Burgerlijke sancties.

  Art. 54.Op de bijdragen die niet betaald zijn binnen de termijnen [2 bepaald in de artikelen 34, vijfde en zesde lid, 34ter, 35bis en 41, § 1, derde lid]2, is de werkgever een bijdrageopslag van 10 pct. van hun bedrag verschuldigd, alsmede (een verwijlintrest van 7 pct. per jaar), te rekenen van het verstrijken van deze termijnen tot op de dag waarop de betaling plaats heeft. <KB 15-06-1970, art. 54, 1°> <KB 1996-12-05/35, art. 1, 068; Inwerkingtreding : 01-09-1996> <KB 2000-07-18/40, art. 1, 092; Inwerkingtreding : 01-10-2000>
  (Tweede lid opgeheven) <KB 2006-06-22/50, art. 3, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (Derde lid opgeheven) <KB 2006-06-22/50, art. 3, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (De bijdragen die de erkende sociale secretariaten van werkgevers van hun aangeslotenen binnen de termijnen bepaald bij [1 artikel 34, 2e en 4e lid]1, hebben ontvangen, en die niet worden doorgestort binnen de termijnen bepaald bij [1 artikel 34, 5e lid]1, geven in hoofde van de erkende sociale secretariaten aanleiding tot de aanrekening van een verwijlintrest van 25 pct. per jaar, te rekenen van het verstrijken van die termijnen tot op de dag van de betaling.) <KB 1994-03-29/32, art. 1, 054; Inwerkingtreding : 1994-07-01>
  (Vijfde lid opgeheven) <KB 2006-06-22/50, art. 3, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  ----------
  (1)<KB 2012-07-02/01, art. 3, 156; Inwerkingtreding : 01-06-2012>
  (2)<KB 2017-03-15/07, art. 7, 189; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 54bis.<Inséré par KB 2000-07-18/40, art. 2; Inwerkingtreding : 01-10-2000> [1 De werkgever die voor een kwartaal voorschotten in de zin van artikel 34, tweede lid, verschuldigd is en die zijn verplichtingen ter zake niet nakomt, is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een vaste vergoeding verschuldigd naar verhouding van de "schijf" van aangegeven bijdragen voor het betrokken kwartaal.]1 Deze sanctie wordt als volgt toegepast :
  

  
[ Bedrag van de aangegeven bijdragenSancties
  
0 tot 18 592,03 EUR123,95 EUR
18 592,04 tot 24 789,37 EUR185,92 EUR
24 789,38 tot 37 184,04 EUR247,89 EUR
37 184,05 tot 49 578,72 EUR371,84 EUR
49 578,73 tot 61 973,40 EUR495,79 EUR
61 973,41 tot 74 368,07 EUR619,73 EUR
74 368,08 ot 99 157,42 EUR743,68 EUR
99 157,43 tot 123 946,78 EUR991,57 EUR
123 946,79 tot 198 314,84 EUR1 239,47 EUR
198 314,85 tot 247 893,54 EUR1 983,15 EUR
247 893,55 tot 495 787,06 EUR2 478,94 EUR
495 787,07 tot 743 680,59 EUR4 957,87 EUR
743 680,60 tot 991 574,11 EUR7 436,81
991 574,12 tot 1 239 467,62 EUR9 915,74 EUR
+ de 1 239 467,62 EUR12 394,68 EUR]
<KB 2001-12-11/44, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002>


  ----------
  (1)<KB 2010-01-22/02, art. 3, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  Art. 54ter.<Ingevoegd bij KB 2006-06-22/50, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2006> § 1. Onverminderd de burgerlijke sancties bedoeld in de artikelen 54 en 54bis, is [1 of de curator]1 bij gebrek aan aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte een forfaitaire vergoeding van 50 euro verschuldigd voor de ambtshalve opmaak door de ambtenaren bedoeld in artikel 31 van de wet of de ambtshalve rechtzetting van de kwartaalaangifte door de ambtenaren bedoeld in artikel 31 van de wet of door de binnendiensten van de Rijksdienst. Deze forfaitaire vergoeding wordt vermeerderd met een vergoeding van 4 euro per ontbrekende tewerkstellingslijn of per tewerkstellingslijn waarvoor het in aanmerking te nemen loon is gewijzigd.
  Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 55 wordt verstaan onder :
  1° onvolledige aangifte : een aangifte waarvoor, zes maanden na het einde van het betrokken kwartaal, één of meerdere tewerkstellingslijnen ontbreken en waarvoor het aantal natuurlijke personen waarvoor deze tewerkstellingslijnen ontbreken ten minste 5 % vertegenwoordigt van het totaal aantal natuurlijke personen vermeld in de aangifte;
  2° onjuiste aangifte : een aangifte waarvoor zes maanden na het einde van het betrokken kwartaal elementen ontbreken van het loon dat in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, waarbij deze ontbrekende elementen van het in aanmerking te nemen loon minstens 5 % vertegenwoordigen van de totale loonmassa vermeld in de aangifte;
  3° " ambtshalve " : elke opmaak of rechtzetting die niet worden uitgevoerd door, op het initiatief van of op vraag van de werkgever of zijn lasthebber [1 , of, in geval van faillissement, op het initiatief van of op vraag van de curator.]1.
  § 2. Wanneer de kwartaalaangifte en de vereiste bijlagen niet binnen de termijn bedoeld in het artikel 33 of in artikel 35bis worden ingediend bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, is de werkgever [1 of de curator]1 een forfaitaire vergoeding van 495,79 euro verschuldigd, vermeerderd met 247,89 euro per schijf van 24.789,35 euro aan bijdragen boven 49.578,70 euro.
  [2 ...]2
  Dezelfde bedragen zijn van toepassing als de Rijksdienst voor sociale zekerheid vaststelt dat de werkgever of zijn mandataris [1 of de curator die in de hoedanigheid van werkgever de activiteiten voortzet]1 gewoonlijk een onvolledige of onjuiste aangifte overmaakt. Hij zal de werkgever of zijn mandataris [1 of de curator die in de hoedanigheid van werkgever de activiteiten voortzet]1 per aangetekende brief verwittigen en zal vervolgens de forfaitaire vergoeding toepassen voor het of de volgende kwartalen als de werkgever of zijn mandataris [1 of de curator die in de hoedanigheid van werkgever de activiteiten voortzet]1 in dezelfde fout vervalt.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-21/19, art. 1, 147; Inwerkingtreding : 01-04-2010>
  (2)<KB 2018-03-18/08, art. 7, 199; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 55.§ 1. (De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid mag, onder de voorwaarden bepaald door zijn beheerscomité, en goedgekeurd door de Minister van Sociale Voorzorg, afzien van de toepassing van de bijdrageopslagen en de verwijlintresten, bedoeld bij artikel 54, eerste lid, wanneer de bijdragen betaald werden vóór het einde van [5 de tweede maand die volgt op het kwartaal waarop ze betrekking hebben]5.
  Onder dezelfde voorwaarden kan hij afzien van de toepassing van de vergoeding, bedoeld (bij artikel 54ter, § 2), wanneer de kwartaalaangifte en haar bijlagen ingediend werden vóór het einde van [5 de tweede maand die volgt op het kwartaal waarop ze betrekking hebben]5. (Onder dezelfde voorwaarden kan hij afzien van de vaste vergoeding, bedoeld in artikel 54bis.) <KB 2000-07-18/40, art. 3, 1°, 092; Inwerkingtreding : 01-10-2000> <KB 2006-06-22/50, art. 2, 1°, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (Hij mag afzien van de betaling van de burgerlijke sancties bedoeld bij de voorgaande leden en bij artikel 54, vijfde lid, wanneer de werkgever [2 of de curator]2 aantoont dat hij wegens behoorlijk bewezen overmacht, onmogelijk zijn verplichtingen heeft kunnen nakomen binnen de vastgestelde termijn.)) <KB 23-01-1974, art. 1> <KB 1999-07-01/47, art. 3, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 2. Wanneer de werkgever [2 of de curator]2 het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, kan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid het bedrag van de bijdrageopslagen (en/of de vaste vergoeding bedoeld in artikel 54bis) met ten hoogste 50 pct. en het bedrag van de nog verschuldigde verwijlintresten met ten hoogste 25 pct. verminderen. Dit kan hij nochtans enkel nadat de werkgever [2 of de curator]21 alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald [1 behalve wanneer de vrij te stellen periode bijdragen betreft die vervallen in de drie eerste kwartalen 2009 en die het voorwerp uitmaken van betalingstermijnen toegestaan bij toepassing van artikel 43octies en volgende van dit besluit.]1 <KB 2000-07-18/40, art. 3, 2°, 092; Inwerkingtreding : 01-10-2000>
  (Insgelijks, indien de werkgever [2 of de curator]2 het bewijs levert van uitzonderlijke omstandigheden, dat het laattijdig indienen van de aangifte of het indienen van een onvolledige of onjuiste aangifte rechtvaardigt, kan de Rijksdienst voor sociale zekerheid het bedrag van de forfaitaire vergoedingen bedoeld in artikel 54ter met ten hoogste 50 p.c. verminderen. De uitoefening van deze mogelijkheid is weliswaar onderworpen aan het indienen en voorafgaande betaling door de werkgever [2 of de curator]2 van alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen.) <KB 2006-06-22/50, art. 2, 2°, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  [3 Insgelijks, indien de werkgever of de curator het bewijs levert van uitzonderlijke omstandigheden die het niet indienen van de aangifte of het indienen van een onvolledige of onjuiste aangifte voor één of meerdere voertuigen onderworpen aan de solidariteitsbijdrage rechtvaardigen, kan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het bedrag van de forfaitaire vergoeding bedoeld in artikel 38, § 3quater, 10°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers met ten hoogste 50 p.c. verminderen. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan van deze mogelijkheid slechts gebruik maken indien de werkgever of de curator vooraf alle vervallen socialezekerheidsbijdragen heeft betaald en een aangifte daartoe heeft ingediend.]3
  § 3. [1 De vermindering met 50 pct. van het bedrag van de bijdrageopslagen en/of de vaste vergoeding bedoeld in artikel 54bis en van het bedrag van de nog verschuldigde verwijlinteresten met 25 pct., voor zover deze betrekking hebben op de bijdragen vervallen tijdens de drie eerste kwartalen 2009, kunnen door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op respectievelijk 100 pct. en 50 pct. worden gebracht:]1
  1° wanneer de werkgever [2 of de curator]2, ter verantwoording, het bewijs levert dat op het ogenblik dat de schuld eisbaar werd, hij een vaste en eisbare schuldvordering bezat ten opzichte van het Rijk, een provincie of provinciale openbare instelling, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een gemeentelijke of intercommunale openbare instelling of een instelling van openbaar nut beoogd bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut of een maatschappij beoogd bij artikel 24 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 88 van 11 november 1967;
  2° wanneer zijn beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende billijkheidsredenen (of wegens dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang) bij wijze van uitzondering, verantwoord is. <KB 5-11-1971, art. 1>
  [1 Wanneer de Rijksdienst het bedrag van de verschuldigde verwijlintresten vermindert, wordt rekening gehouden met de Euribor-rentevoet 1 jaar opdat, na toepassing van de vrijstelling, de nog verschuldigde verwijlintresten altijd hoger zouden liggen dan de rentevoet.]1
  [5 § 3/1. De vermindering met 50 pct. van het bedrag van de bijdrageopslagen en van de vaste vergoeding bedoeld in artikel 54bis kan door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 100 pct. worden gebracht wanneer de werkgever, die zijn bijdragen niet gewoonlijk buiten de termijnen vastgesteld bij de artikelen 34, 35bis, § 1, eerste lid, en 41, § 1, lid 3 van genoemd koninklijk besluit van 28 november 1969 betaald heeft en die door het niet-betalen binnen de vastgestelde termijn van de voor bedoeld kwartaal aangegeven bijdragen de regelmatige financiering van de sociale zekerheidsregeling niet schaadt, voor een gegeven kwartaal (K), de bijdragen die betrekking hebben op dit kwartaal (K) heeft betaald voor het einde van de derde maand die volgt op het kwartaal en die de bijdragen voor het volgend kwartaal (K+1) heeft betaald binnen de termijnen vastgesteld bij de artikelen 34, 35bis, § 1, eerste lid en 41, § 1, derde lid.]5
  (§ 4. De voornoemde vermindering met 50 p.c. van het bedrag van de forfaitaire vergoedingen bedoeld in artikel 54ter kan door de Rijksdienst voor sociale zekerheid op 100 p.c. worden gebracht wanner zijn Beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende redenen van billijkheid, bij wijze van uitzondering, verantwoord is.) <KB 2006-06-22/50, art. 2, 3°, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  [4 § 5. De voornoemde vermindering met 50 p.c. van het bedrag van de forfaitaire vergoeding bedoeld in artikel 38, § 3quater, 10°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers kan door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 100 p.c. worden gebracht wanneer zijn Beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende redenen van billijkheid, bij wijze van uitzondering, verantwoord is.]4
  ----------
  (1)<KB 2009-02-13/35, art. 3, 142; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (2)<KB 2010-02-21/19, art. 2, 147; Inwerkingtreding : 01-04-2010>
  (3)<KB 2011-10-25/06, art. 1, 152; Inwerkingtreding : 23-11-2011>
  (4)<KB 2011-10-25/06, art. 2, 152; Inwerkingtreding : 23-11-2011>
  (5)<KB 2013-12-04/06, art. 1, 163; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 56. (opgeheven) <KB 23-01-1974, art. 2>

  HOOFDSTUK VI. _ Inrichting en werking van de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid.

  Art. 57. Het beheerscomité van de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid is samengesteld uit:
  1° één voorzitter;
  2° vijf leden die de representatieve werkgeversorganisaties vertegenwoordigen;
  3° vijf leden die de representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigen.

  Art. 58. De ministeriële besluiten en beslissingen genomen in uitvoering van onderhavig besluit, worden genomen op advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid.

  Art. 59. <KB 30-09-1974, art. 1> De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid is verplicht, om het kwartaal aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, bij wijze van voorschot, op het deel dat hem in de bij artikel 19 van de wet bepaalde verdeling toekomt, te betalen:
  1° het gezamelijk bedrag van het eerste provisioneel vierde betreffende elk kwartaal, dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 34 werd betaald;
  2° 30 pct. van het gezamelijk bedrag van het tweede provisioneel vierde betreffende elk kwartaal, dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 34 werd betaald.

  Art. 60. Wanneer de bij artikel 17, §1, van de wet bepaalde werknemersbijdrage geheel of gedeeltelijk ingehouden werd op een gezamelijk loonbedrag dat één of verschillende toepasselijke grenzen overschrijdt, betaalt de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid op vraag van de werknemer, het bedrag van de inhoudingen terug welke werden verricht op het loongedeelte dat deze grenzen overschrijdt.

  Art. 61. Wanneer de invordering van de hem verschuldigde bedragen al te onzeker of te bezwarend blijkt te zijn in verhouding tot het bedrag van de in te vorderen sommen, kan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid van de invordering van die bedragen door een gedwongen tenuitvoerlegging afzien, binnen de perken van een reglement dat door zijn beheerscomité is vastgesteld en dat door een Minister van Sociale Voorzorg is goedgekeurd.

  Art. 61bis. <Ingevoegd bij KB 1990-03-12/32, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 01-04-1990> De sommen geïnd met toepassing van artikel 22bis, tweede lid, van de wet, worden door de Rijksdienst voor sociale zekerheid verdeeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van de wet.

  Art. 62. Met afwijking van artikel 38 van het koninklijk besluit van 7 april 1954 houdende algemeen reglement op de begroting en de comptabiliteit der instellingen van openbaar nut, beoogd bij de wet van 16 maart 1954, m g de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid de bescheiden tot staving van zijn boekingen vernietigen, na goedkeuring door het Rekenhof van de rekeningen van het dienstjaar waarop die bescheiden betrekking hebben , en na verloop van volgende termijnen:
  1° voor de bescheiden tot staving van de op de rekening van de werkgever geboekte betalingen: vijftien jaar na de laatste dag van het kwartaal tijdens hetwelk die betalingën werden verricht ;
  2° voor de bescheiden tot staving van de op de rekeningen van de werkgevers geboekte debet- en creditposten die geen betalingen zijn: vijf jaar na de laatste dag van het kwartaal waarop de bescheiden betrekking hebben; wanneer de betrokken debet- en creditposten evenwel aanleiding hebben gegeven tot een gerechtelijk geschil, gaat die termijn in de laatste dag van het kwartaal tijdens hetwelk de laatste in uitvoering van de gerechtelijke uitspraak verschuldigde betaling werd verricht;
  3° voor alle andere bewijsstukken van boekingen: vijf jaar na het verstrijken van het dienstjaar waarop die bescheiden betrekking hebben.

  HOOFDSTUK VIbis. _ (ingevoegd) <KB 13-01-1971, art. 3> Toezicht.

  Art. 62bis.<KB 1993-06-02/38, art. 2, 051; Inwerkingtreding : 01-07-1993> De inspecteurs en de adjunct-inspecteurs [1 ...]1 van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zijn belast met het toezicht op de toepassing van de wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan.
  ----------
  (1)<KB 2018-03-18/08, art. 8, 199; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  HOOFDSTUK VII. _ Slotbepalingen.

  Art. 63. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 46, 2°, wordt de erkenning die vóór de inwerkingtreding van dit besluit aan de sociale secretariaten van werkgevers is toegekend gehandhaafd tot het einde van het jaar na dat waarin dit besluit in werking treedt.
  (Zij behouden hun erkenning, na deze datum, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden bepaald bij de artikelen 44 tot 50, nochtans zal aan de voorwaarden vermeld in artikel 44, 2°, geacht worden te zijn voldaan, wanneer zij onder de leden van hun raad van beheer een vertegenwoordiger van een vereniging, bedoeld in die bepaling, tellen.) <KB 13-01-1971, art. 4>

  Art. 64. <Opheffingsbepaling.>

  Art. 65. Treden in werking op 1 januari 1970:
  1° de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  2° de wet van 7 november 1969 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving op de houders van een vergunning van "beroepsrenner", in zover zij betrekking heeft op de sociale zekerheidswetgeving;
  3° het onderhavig besluit.

  Art. 66. Onze Minister van Sociale Voorzorg is belast met de uitvoering van dit besluit.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Gelet op de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
   Gelet op de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, inzonderheid op artikel 31, gewijzigd bij de besluitwet van 28 februari 1947, de wet van 27 maart 1951 en het koninklijk besluit nr. 68 van 10 november 1967;
   Gelet op de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 7, gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 december 1957;
   Gelet op de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, inzonderheid op artikel 2;
   Gelet op de wet van 7 november 1969 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving op de houders van een vergunning van "beroepsrenner".
   Gelet op het advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid;
   Gelet op het advies van de Nationale arbeidsraad;
   Gelet op het advies van de raad van beheer van de Bijzondere Verrekenkas voor gezinsvergoedingen der ondernemingen voor binnenscheepvaart;
   Gelet op het advies van de werkgevers- en werknemersorganisaties, die verzocht zijn kandidaten voor het beheerscomité van de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid voor te dragen;
   Gelet op het advies van de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Voorzorg en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
Erratum Tekst Begin

originele versie
1969112812
PUBLICATIE :
1970-12-22
bladzijde : 0

ERRATUM



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-05-2019 GEPUBL. OP 11-06-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 13)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-05-2019 GEPUBL. OP 09-05-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-05-2019 GEPUBL. OP 06-05-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 17sexies)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-12-2018 GEPUBL. OP 21-12-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-11-2018 GEPUBL. OP 29-11-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-07-2018 GEPUBL. OP 06-07-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-03-2018 GEPUBL. OP 03-04-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 15)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-03-2018 GEPUBL. OP 29-03-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 25; 31bis; 31ter; 32; 32bis; 49; 54ter; 62bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-02-2018 GEPUBL. OP 27-02-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 20)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-02-2018 GEPUBL. OP 27-02-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-01-2018 GEPUBL. OP 25-01-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-12-2017 GEPUBL. OP 28-12-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 17quater)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-11-2017 GEPUBL. OP 05-12-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-10-2017 GEPUBL. OP 19-10-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-10-2017 GEPUBL. OP 18-10-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 11)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-06-2017 GEPUBL. OP 30-06-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 45; 48)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-03-2017 GEPUBL. OP 27-03-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 1ter; 34ter; 35; 43undecies; 43duodecies; 54)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-03-2017 GEPUBL. OP 21-03-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 17)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-02-2017 GEPUBL. OP 20-02-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 44; 45; 46; 48; 49; 50; 51; 52; 53; 53/1; 53/2; 53/3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-12-2016 GEPUBL. OP 06-01-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 43octies; 43nonies; 43decies)
  • originele versie
  • WET VAN 01-12-2016 GEPUBL. OP 29-12-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 43bis-43sexies)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-12-2016 GEPUBL. OP 19-12-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 17bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-07-2016 GEPUBL. OP 26-07-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 17bis; 25; 31bis; 32; 32bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-07-2016 GEPUBL. OP 18-07-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 27; 41)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-02-2016 GEPUBL. OP 29-02-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 34; 34bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-12-2015 GEPUBL. OP 24-12-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 19quater)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-11-2015 GEPUBL. OP 26-11-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 15)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-10-2015 GEPUBL. OP 06-11-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 31ter)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-09-2015 GEPUBL. OP 07-10-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 17sexies)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-05-2015 GEPUBL. OP 08-06-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 19bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-12-2014 GEPUBL. OP 21-01-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 30)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-06-2014 GEPUBL. OP 08-08-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 1bis; 4)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-07-2014 GEPUBL. OP 28-07-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 16; 5; 18)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-06-2014 GEPUBL. OP 24-07-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 19bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-05-2014 GEPUBL. OP 23-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 31ter)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-04-2014 GEPUBL. OP 04-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 3bis; 5bis; 6; 6bis; 7; 8bis; 8ter; 11; 15; 15bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-03-2014 GEPUBL. OP 17-04-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 17sexies; 36)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-01-2014 GEPUBL. OP 05-02-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 8bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-01-2014 GEPUBL. OP 28-01-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 9; 10)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-12-2013 GEPUBL. OP 31-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-12-2013 GEPUBL. OP 23-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 8bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-12-2013 GEPUBL. OP 20-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 34)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-2013 GEPUBL. OP 16-12-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 11; 19ter)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-12-2013 GEPUBL. OP 13-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 55)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-11-2013 GEPUBL. OP 27-11-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 8bis; 17bis; 31bis; 31ter; 41bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-09-2013 GEPUBL. OP 27-09-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • WET VAN 14-04-2013 GEPUBL. OP 01-08-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 19bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-07-2013 GEPUBL. OP 18-07-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 8bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-03-2013 GEPUBL. OP 27-03-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 34; 34bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-02-2013 GEPUBL. OP 18-02-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 4)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-07-2012 GEPUBL. OP 05-07-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 33; 34; 54)
  • originele versie
  • WET VAN 22-04-2012 GEPUBL. OP 25-05-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-01-2012 GEPUBL. OP 10-02-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 19bis; 19quater)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-11-2011 GEPUBL. OP 15-12-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 8bis; 31bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-10-2011 GEPUBL. OP 23-11-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 55)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-09-2011 GEPUBL. OP 30-09-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 17bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-10-2010 GEPUBL. OP 23-11-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 19bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-09-2010 GEPUBL. OP 28-09-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 17)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-06-2010 GEPUBL. OP 19-07-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-02-2010 GEPUBL. OP 16-03-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 54ter; 55)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-02-2010 GEPUBL. OP 03-03-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-01-2010 GEPUBL. OP 28-01-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 34; 34bis; 54bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-07-2009 GEPUBL. OP 30-07-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 15bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-04-2009 GEPUBL. OP 20-05-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 19QUATER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-02-2009 GEPUBL. OP 12-03-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 19BIS; 55)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-07-2008 GEPUBL. OP 04-07-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 15BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-12-2007 GEPUBL. OP 22-02-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 26)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-07-2007 GEPUBL. OP 10-09-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 43OCTIES-43DECIES)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-07-2007 GEPUBL. OP 04-09-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • WET VAN 15-05-2007 GEPUBL. OP 30-08-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 31)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-07-2007 GEPUBL. OP 27-07-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-05-2007 GEPUBL. OP 22-06-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 17QUINQUIES)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-06-2007 GEPUBL. OP 12-06-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 15BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-04-2007 GEPUBL. OP 05-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 25; 8QUAT; 31BIS; 32; 32BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-04-2007 GEPUBL. OP 18-05-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-04-2007 GEPUBL. OP 30-04-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 8BIS; 31BIS; 32; 32BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-09-2006 GEPUBL. OP 10-10-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2006 GEPUBL. OP 23-08-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-07-2006 GEPUBL. OP 08-08-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 48)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-06-2006 GEPUBL. OP 24-07-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 54TER; 55; 54)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-06-2006 GEPUBL. OP 03-07-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 19TER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-11-2005 GEPUBL. OP 08-12-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 8QUATER; 31TER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-11-2005 GEPUBL. OP 30-11-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 17BIS; 24)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-10-2005 GEPUBL. OP 09-11-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 34; 34BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-10-2005 GEPUBL. OP 04-11-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 8BIS; 8QUATER; 31BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-07-2005 GEPUBL. OP 19-07-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 17SEXIES)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-02-2005 GEPUBL. OP 07-03-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 31BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-12-2004 GEPUBL. OP 31-12-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 8BIS; 31BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-06-2004 GEPUBL. OP 02-07-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 19BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-04-2004 GEPUBL. OP 30-04-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 20)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-04-2004 GEPUBL. OP 30-04-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-07-2003 GEPUBL. OP 01-12-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • VARIA VAN 23-10-2003 GEPUBL. OP 23-10-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 17QUI)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-05-2003 GEPUBL. OP 11-06-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 8QUATER; 31TER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-05-2003 GEPUBL. OP 06-06-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 5BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-03-2003 GEPUBL. OP 30-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 25)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-03-2003 GEPUBL. OP 28-04-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 3BIS; 15)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-03-2003 GEPUBL. OP 02-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 25)
  • originele versie
  • WET VAN 24-02-2003 GEPUBL. OP 02-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 8BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-03-2003 GEPUBL. OP 27-03-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 8TER; 27BIS; 42BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 8TER; 27BIS; 42BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-02-2003 GEPUBL. OP 06-03-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 19BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-12-2002 GEPUBL. OP 31-12-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 17BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 24-12-2002 GEPUBL. OP 31-12-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-12-2002 GEPUBL. OP 13-12-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 11)
  • originele versie
  • WET VAN 21-06-2002 GEPUBL. OP 22-10-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 13)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-08-2002 GEPUBL. OP 31-08-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 31)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-07-2002 GEPUBL. OP 23-07-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 12)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-05-2002 GEPUBL. OP 31-05-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 17BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-02-2002 GEPUBL. OP 28-03-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 11; 17)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-02-2002 GEPUBL. OP 22-03-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-12-2001 GEPUBL. OP 08-02-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-11-2001 GEPUBL. OP 29-01-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 5BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-2001 GEPUBL. OP 22-12-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 54BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-2001 GEPUBL. OP 22-12-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 17QUA; 19; 32)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-11-2001 GEPUBL. OP 28-11-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 17QUINQUIES)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-08-2001 GEPUBL. OP 21-09-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-06-2001 GEPUBL. OP 31-07-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 24; 37)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-06-2001 GEPUBL. OP 31-07-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 19BIS; 21; 23; 24; 25; 26; 28)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-07-2001 GEPUBL. OP 12-07-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 9)
  • originele versie
  • MINISTERIEEL BESLUIT VAN 03-04-2001 GEPUBL. OP 25-04-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 31)
  • originele versie
  • WET VAN 12-08-2000 GEPUBL. OP 31-08-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 8BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-07-2000 GEPUBL. OP 24-08-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 54; 54BIS; 55)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-07-2000 GEPUBL. OP 18-07-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 8BIS; 31BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-12-1999 GEPUBL. OP 12-04-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 10)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-10-1999 GEPUBL. OP 28-10-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-10-1999 GEPUBL. OP 28-10-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-06-1999 GEPUBL. OP 28-10-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 54)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-07-1999 GEPUBL. OP 07-10-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 33; 54; 55)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-06-1999 GEPUBL. OP 29-07-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-06-1999 GEPUBL. OP 03-07-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 16BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-06-1999 GEPUBL. OP 30-06-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 17BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-04-1999 GEPUBL. OP 30-06-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 4)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-03-1999 GEPUBL. OP 16-04-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 30)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-02-1999 GEPUBL. OP 13-04-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 44)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-02-1999 GEPUBL. OP 16-03-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 17TER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-01-1999 GEPUBL. OP 06-02-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-12-1998 GEPUBL. OP 31-12-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 11)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-1998 GEPUBL. OP 24-12-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 34; 34BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-1998 GEPUBL. OP 05-08-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 44; 45; 46; 47; 48; 49; 50; 51; 52)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-06-1991 GEPUBL. OP 20-07-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 17BIS)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-04-1991 GEPUBL. OP 08-05-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 17)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-02-1991 GEPUBL. OP 04-04-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 11)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-02-1991 GEPUBL. OP 07-03-1991
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8; 9; 12bis; 13; 15; 17; 38)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 223 uitvoeringbesluiten 205 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie