J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 33 uitvoeringbesluiten 9 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1965/02/19/1965021902/justel

Titel
19 FEBRUARI 1965. - Wet betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 08-03-2001 en tekstbijwerking tot 09-02-2017) Zie wijziging(en)

Publicatie : 26-02-1965 nummer :   1965021902 bladzijde : 2007
Dossiernummer : 1965-02-19/30
Inwerkingtreding : 08-03-1965

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1
Art. 1 VLAAMS GEWEST
Art. 1 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 1 WAALS GEWEST
Art. 2
Art. 2 VLAAMS GEWEST
Art. 2 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 2 WAALS GEWEST
Art. 3
Art. 3 VLAAMS GEWEST
Art. 3 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 3 WAALS GEWEST
Art. 3 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 4-6
Art. 6 VLAAMS GEWEST
Art. 6 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 6 WAALS GEWEST
Art. 6 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 7
Art. 7 VLAAMS GEWEST
Art. 7 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 7 WAALS GEWEST
Art. 7 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 8
Art. 8 VLAAMS GEWEST
Art. 8 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 8 WAALS GEWEST
Art. 8 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 9
Art. 9 VLAAMS GEWEST
Art. 9 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 9 WAALS GEWEST
Art. 9 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 10
Art. 10 VLAAMS GEWEST
Art. 10 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 10 WAALS GEWEST
Art. 10 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 11
Art. 11 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 11 WAALS GEWEST
Art. 11 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 12
Art. 12 VLAAMS GEWEST
Art. 12 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 12/1 WAALS GEWEST
Art. 12/1 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 13
Art. 13 VLAAMS GEWEST
Art. 13 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 13/1 VLAAMS GEWEST.
Art. 13/1 WAALS GEWEST
Art. 13/1 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 13/2 VLAAMS GEWEST
Art. 13/2 BRUSSELS-HOOFDSTEDELIJK-GEWEST
Art. 13/3 VLAAMS GEWEST
Art. 14
Art. 14 VLAAMS GEWEST
Art. 14 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 14 WAALS GEWEST
Art. 14 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 15
Art. 15 VLAAMS GEWEST
Art. 15/1 VLAAMS GEWEST
Art. 15/2 VLAAMS GEWEST
Art. 16

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. (Elke vreemdeling die op het grondgebied van het Koninkrijk een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent hetzij als fysiek persoon hetzij binnen een vereniging of een vennootschap naar rechte of in feite, moet in het bezit zijn van een beroepskaart.) <W 2001-02-02/36, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
  (Voor toepassing van deze wet wordt als een zelfstandige activiteit beschouwd, de activiteit die niet onder de toepassing valt van de regeling betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit.) <W 10-01-1977, art. 1>

  Art. 1_VLAAMS_GEWEST.
   (Elke vreemdeling die op het grondgebied van het[1 Vlaamse Gewest]1 een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent hetzij als fysiek persoon hetzij binnen een vereniging of een vennootschap naar rechte of in feite, moet in het bezit zijn van een beroepskaart.) <W 2001-02-02/36, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
  (Voor toepassing van deze wet wordt als een zelfstandige activiteit beschouwd, de activiteit die niet onder de toepassing valt van de regeling betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit.) <W 10-01-1977, art. 1>
  

  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/67, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   (Elke vreemdeling die [1 in het Duitse taalgebied]1 een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent hetzij als fysiek persoon hetzij binnen een vereniging of een vennootschap naar rechte of in feite, moet in het bezit zijn van een beroepskaart.) <W 2001-02-02/36, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
  (Voor toepassing van deze wet wordt als een zelfstandige activiteit beschouwd, de activiteit die niet onder de toepassing valt van de regeling betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit.) <W 10-01-1977, art. 1>
  

  ----------
  (1)<DDG 2016-04-25/10, art. 7, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 1_WAALS_GEWEST.
   (Elke vreemdeling die op het grondgebied [1 van het Franse taalgebied]1 een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent hetzij als fysiek persoon hetzij binnen een vereniging of een vennootschap naar rechte of in feite, moet in het bezit zijn van een beroepskaart.) <W 2001-02-02/36, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
  (Voor toepassing van deze wet wordt als een zelfstandige activiteit beschouwd, de activiteit die niet onder de toepassing valt van de regeling betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit.) <W 10-01-1977, art. 1>
  

  ----------
  (1)<DWG 2016-04-28/08, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2016 (overgangsbepalingen art. 76)>
  

  Art. 2. <W 2001-02-02/36, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001> De Koning kan bepaalde categorieën van vreemdelingen die Hij vaststelt, vrijstellen van de verplichting bepaald in artikel 1, hetzij wegens de aard van het beroep, hetzij wegens de aard van het recht tot verblijf, hetzij wegens de uitvoering van internationale verdragen of wegens het bestaan van een maatregel van wederkerigheid, hetzij wegens de hoedanigheid van vluchteling of staatloze van buitenlandse onderdanen die de toelating hebben verkregen om in het Rijk te verbleven of er zich te vestigen.
  Deze vrijstellingen worden verleend bij in de Ministerraad overlegd besluit.

  Art. 2_VLAAMS_GEWEST.[1 De Vlaamse Regering kan bepaalde categorieën van vreemdelingen vrijstellen van de verplichting, vermeld in artikel 1, vanwege de aard van het beroep, of om andere redenen, met uitzondering van de redenen die betrekking hebben op de specifieke verblijfssituatie van de vreemdeling. ]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/67, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <W 2001-02-02/36, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001> [2 De Regering]2 kan bepaalde categorieën van vreemdelingen die [2 zij]2 vaststelt, vrijstellen van de verplichting bepaald in artikel 1, hetzij wegens de aard van het beroep, hetzij wegens de aard van het recht tot verblijf, hetzij wegens de uitvoering van internationale verdragen of wegens het bestaan van een maatregel van wederkerigheid, hetzij wegens de hoedanigheid van vluchteling of staatloze van buitenlandse onderdanen die de toelating hebben verkregen om in het Rijk te verbleven of er zich te vestigen.
  [1 ...]1

  ----------
  (1)<DDG 2016-04-25/10, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DDG 2016-04-25/10, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 2_WAALS_GEWEST.
  [1 De Regering kan bepaalde categorieën van vreemdelingen van de bij artikel 1 bepaalde verplichting vrijstellen vanwege de aard van hun beroep of vanwege alle andere bijzondere toestanden die zij bepaalt, met uitzonderingen van die betreffende het verblijf van de vreemdelingen.]1

  ----------
  (1)<DWG 2016-04-28/08, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2016 (overgangsbepalingen art. 76)>
  

  Art. 3.§ 1. (De beroepskaart wordt (toegekend) door (de afgevaardigde ambtenaar die door de Minister van Middenstand is aangewezen). Zij is persoonlijk en onoverdraagbaar; zij bepaalt nauwkeurig de activiteit (...) door de titularis uitgeoefend of uit te oefenen en, eventueel, de voorwaarden waaraan deze uitoefening onderworpen is.) <W 28-06-1984, art. 1> <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001> <W 2006-05-01/75, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 21-09-2006> <W 2007-03-01/37, art. 21, 1°, 004; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  (De Koning kan aan de ondernemingsloketten de bevoegdheid toekennen om de beroepskaart af te geven die door de daartoe afgevaardigde ambtenaar bedoeld in het eerste lid, werd toegekend. Hij zal de vergoeding van de ondernemingsloketten voor hun tussenkomst bepalen.) <W 2007-03-01/37, art. 21, 2°, 004; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  § 2. De geldigheidsduur van de beroepskaart mag vijf jaar niet te boven gaan. Indien hij minder dan vijf jaar bedraagt, kan hij tot dit maximum verlengd worden. Bij het verstrijken van haar geldigheidsduur kan de beroepskaart hernieuwd worden.
  § 3. (De Koning stelt de voorwaarden vast waaronder de aanvragen om verkrijging, verlenging of vernieuwing van de beroepskaarten ontvankelijk zijn. Hij bepaalt de formaliteiten en de taksen waaraan het indienen, afgeven, verlengen en vernieuwen van deze aanvragen zijn onderworpen.) <W 28-06-1984, art. 2>
  

  Art. 3_VLAAMS_GEWEST.
   § 1. (De beroepskaart wordt (toegekend) door de [1 door de Vlaamse Regering aangewezen dienst]1. Zij is persoonlijk en onoverdraagbaar; zij bepaalt nauwkeurig de activiteit (...) door de titularis uitgeoefend of uit te oefenen en, eventueel, de voorwaarden waaraan deze uitoefening onderworpen is.) <W 28-06-1984, art. 1> <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001> <W 2006-05-01/75, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 21-09-2006> <W 2007-03-01/37, art. 21, 1°, 004; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  ([1 De Vlaamse Regering]1 kan aan de ondernemingsloketten de bevoegdheid toekennen om de beroepskaart af te geven die door de daartoe [1 aangewezen dienst]1 bedoeld in het eerste lid, werd toegekend. [1 De Vlaamse Regering]1zal de vergoeding van de ondernemingsloketten voor hun tussenkomst bepalen.) <W 2007-03-01/37, art. 21, 2°, 004; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  § 2. De geldigheidsduur van de beroepskaart mag vijf jaar niet te boven gaan. Indien hij minder dan vijf jaar bedraagt, kan hij tot dit maximum verlengd worden. Bij het verstrijken van haar geldigheidsduur kan de beroepskaart hernieuwd worden.
  § 3. ([1 De Vlaamse Regering]1 stelt de voorwaarden vast waaronder de aanvragen om verkrijging, verlenging of vernieuwing van de beroepskaarten ontvankelijk zijn. [1 De Vlaamse Regering]1bepaalt de formaliteiten en de taksen waaraan het indienen, afgeven, verlengen en vernieuwen van deze aanvragen zijn onderworpen.) <W 28-06-1984, art. 2>
  
  

  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/67, art. 5, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   § 1. (De beroepskaart wordt (toegekend) [1 door de Regering]1. Zij is persoonlijk en onoverdraagbaar; zij bepaalt nauwkeurig de activiteit (...) door de titularis uitgeoefend of uit te oefenen en, eventueel, de voorwaarden waaraan deze uitoefening onderworpen is.) <W 28-06-1984, art. 1> <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001> <W 2006-05-01/75, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 21-09-2006> <W 2007-03-01/37, art. 21, 1°, 004; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  ([2 De Regering]2 kan aan de ondernemingsloketten de bevoegdheid toekennen om de beroepskaart af te geven die [1 door haar]1, werd toegekend. [2 Zij]2 zal de vergoeding van de ondernemingsloketten voor hun tussenkomst bepalen.) <W 2007-03-01/37, art. 21, 2°, 004; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  § 2. De geldigheidsduur van de beroepskaart mag vijf jaar niet te boven gaan. Indien hij minder dan vijf jaar bedraagt, kan hij tot dit maximum verlengd worden. Bij het verstrijken van haar geldigheidsduur kan de beroepskaart hernieuwd worden.
  § 3. ([2 De Regering]2 stelt de voorwaarden vast waaronder de aanvragen om verkrijging, verlenging of vernieuwing van de beroepskaarten ontvankelijk zijn. [2 Zij]2 bepaalt de formaliteiten en de taksen waaraan het indienen, afgeven, verlengen en vernieuwen van deze aanvragen zijn onderworpen.) <W 28-06-1984, art. 2>
  [1 Een aanvraag om verkrijging, verlenging of vernieuwing van een beroepskaart voldoet niet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden in het bijzonder indien:
   1° de aanvraag onvolledige of onjuiste gegevens bevat of bevat heeft of niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in de wet of in de uitvoeringsbesluiten ervan;
   2° de zelfstandige beroepsactiviteit indruist tegen de openbare orde, tegen de openbare veiligheid of tegen de wetten, decreten en verordeningen of tegen internationale overeenkomsten en verdragen inzake indienstneming en tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
   3° dat noodzakelijk is om redenen van openbare orde of openbare veiligheid die op het persoonlijke gedrag van de aanvrager berusten;
   4° de aanvraag indruist tegen het sociaal statuut van de zelfstandigen of uit de aanvraagsituatie kan worden opgemaakt dat de aanvrager daarna in het kader van een niet-zelfstandige beroepsactiviteit tewerkgesteld zal worden;
   5° de aanvrager of de rechtspersoon waaraan hij eventueel deelneemt, niet voldoet of niet zal voldoen aan de voorwaarden voor de toegang tot het beroep of tot de activiteit;
   6° het gaat om een economisch project waarbij het inkomen uit de zelfstandige beroepsactiviteit de aanvrager niet in staat stelt om in zijn levensonderhoud of in dat van zijn gezin te voorzien;
   7° de voorwaarde vermeld in artikel 4, § 1, niet wordt nageleefd.]1
  
  

  ----------
  (1)<DDG 2016-04-25/10, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DDG 2016-04-25/10, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 3_WAALS_GEWEST.
   § 1. (De beroepskaart wordt (toegekend) door (de afgevaardigde ambtenaar die door [1 de Regering]1 is aangewezen). Zij is persoonlijk en onoverdraagbaar; zij bepaalt nauwkeurig de activiteit (...) door de titularis uitgeoefend of uit te oefenen en, eventueel, de voorwaarden waaraan deze uitoefening onderworpen is.) <W 28-06-1984, art. 1> <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001> <W 2006-05-01/75, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 21-09-2006> <W 2007-03-01/37, art. 21, 1°, 004; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  (De Koning kan aan de ondernemingsloketten de bevoegdheid toekennen om de beroepskaart af te geven die door de daartoe afgevaardigde ambtenaar bedoeld in het eerste lid, werd toegekend. Hij zal de vergoeding van de ondernemingsloketten voor hun tussenkomst bepalen.) <W 2007-03-01/37, art. 21, 2°, 004; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  § 2. De geldigheidsduur van de beroepskaart mag vijf jaar niet te boven gaan. Indien hij minder dan vijf jaar bedraagt, kan hij tot dit maximum verlengd worden. Bij het verstrijken van haar geldigheidsduur kan de beroepskaart hernieuwd worden.
  § 3. (De Koning stelt de voorwaarden vast waaronder de aanvragen om verkrijging, verlenging of vernieuwing van de beroepskaarten ontvankelijk zijn. Hij bepaalt de formaliteiten en de taksen waaraan het indienen, afgeven, verlengen en vernieuwen van deze aanvragen zijn onderworpen.) <W 28-06-1984, art. 2>
  
  

  ----------
  (1)<DWG 2016-04-28/08, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2016 (overgangsbepalingen art. 76)>
  

  Art. 3_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   § 1. (De beroepskaart wordt (toegekend) door (de afgevaardigde ambtenaar die door de Minister [1 van Werkgelegenheid]1 is aangewezen). Zij is persoonlijk en onoverdraagbaar; zij bepaalt nauwkeurig de activiteit (...) door de titularis uitgeoefend of uit te oefenen en, eventueel, de voorwaarden waaraan deze uitoefening onderworpen is.) <W 28-06-1984, art. 1> <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001> <W 2006-05-01/75, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 21-09-2006> <W 2007-03-01/37, art. 21, 1°, 004; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  (De Koning kan aan de ondernemingsloketten de bevoegdheid toekennen om de beroepskaart af te geven die door de daartoe afgevaardigde ambtenaar bedoeld in het eerste lid, werd toegekend. Hij zal de vergoeding van de ondernemingsloketten voor hun tussenkomst bepalen.) <W 2007-03-01/37, art. 21, 2°, 004; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  § 2. De geldigheidsduur van de beroepskaart mag vijf jaar niet te boven gaan. Indien hij minder dan vijf jaar bedraagt, kan hij tot dit maximum verlengd worden. Bij het verstrijken van haar geldigheidsduur kan de beroepskaart hernieuwd worden.
  § 3. (De Koning stelt de voorwaarden vast waaronder de aanvragen om verkrijging, verlenging of vernieuwing van de beroepskaarten ontvankelijk zijn. Hij bepaalt de formaliteiten en de taksen waaraan het indienen, afgeven, verlengen en vernieuwen van deze aanvragen zijn onderworpen.) <W 28-06-1984, art. 2>

  ----------
  (1)<ORD 2015-07-02/09, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 20-07-2015>

  Art. 4. § 1. De beroepskaart mag slechts worden afgegeven aan de vreemdeling die vergunning verkregen heeft om in België te verblijven of er zich te vestigen.
  § 2. Indien het recht tot verblijf of vestiging van de vreemdeling onderworpen is aan een vergunning, moet hij zijn aanvraag om een beroepskaart tegelijk met de aanvraag om de vergunning indienen.
  § 3. De intrekking van de verblijfs- of vestigingsvergunning maakt van rechtswege een einde aan de geldigheid van de beroepskaart.

  Art. 5. § 1. De vreemdeling die voornemens is van (...) activiteit te veranderen of die wenst een wijziging te bekomen aan de voorwaarden vermeld op zijn beroepskaart, moet daartoe een aanvraag indienen; hij wordt gelijkgesteld met deze welke het afgeven van dergelijke kaart aanvraagt. <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001>
  § 2. (De vreemdeling aan wie een beroepskaart werd geweigerd, mag voor dezelfde activiteit slechts na verloop van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van het indienen van de vorige aanvraag, een nieuwe aanvraag indienen, behalve wanneer deze werd verworpen wegens onontvankelijkheid of wanneer de betrokkene een nieuw feit kan doen gelden.) <W 28-06-1984, art. 3>

  Art. 6.<W 2006-05-01/75, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 21-09-2006> De afgevaardigde ambtenaar die door de Minister van Middenstand aangewezen is oordeelt of de aanvraag om verkrijging, verlenging of vernieuwing van een beroepskaart voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden.
  De vreemdeling van wie de beroepskaart door de afgevaardigde ambtenaar geweigerd wordt, kan beroep bij de Minister van Middenstand aantekenen binnen een termijn van dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de kennisneming van de beslissing van weigering.
  De Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen brengt binnen vier maanden te rekenen vanaf de indiening van het beroep bij de Minister van Middenstand een advies uit. De aanvrager dient gehoord of ten minste door de Raad opgeroepen te worden.
  De Minister van Middenstand neemt en betekent zijn beslissing aan de aanvrager binnen twee maanden te rekenen vanaf de ontvangst van het advies van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen.
  Bij gebrek aan een beslissing binnen de toegestane termijn, wordt de beslissing geacht in overeenstemming te zijn met het advies van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen. In dit geval betekent de afgevaardigde ambtenaar onverwijld aan de aanvrager het advies van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen.
  Bij gebrek aan een advies van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen binnen de in het derde lid bedoelde termijn, neemt en betekent de Minister van Middenstand zijn beslissing aan de aanvrager zonder op dit advies te wachten, en dit, binnen de in het vierde lid bedoelde termijn.
  Bij gebrek aan een beslissing binnen de toegestane termijn, wordt de beslissing ongunstig geacht. In dit geval betekent de afgevaardigde ambtenaar onverwijld aan de aanvrager de impliciete beslissing van de minister van Middenstand.
  

  Art. 6_VLAAMS_GEWEST.
   <W 2006-05-01/75, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 21-09-2006> [1 De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst]1 is oordeelt of de aanvraag om verkrijging, verlenging of vernieuwing van een beroepskaart voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden.
  De vreemdeling van wie de beroepskaart door de [1 aangewezen dienst]1 geweigerd wordt, kan beroep bij de [1 Vlaamse Regering]1 aantekenen binnen een termijn van dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de kennisneming van de beslissing van weigering.
  De Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen brengt binnen vier maanden te rekenen vanaf de indiening van het beroep bij de [1 Vlaamse Regering]1 een advies uit. De aanvrager dient gehoord of ten minste door de Raad opgeroepen te worden.
  De [1 Vlaamse Regering]1 neemt en betekent [1 haar]1 beslissing aan de aanvrager binnen twee maanden te rekenen vanaf de ontvangst van het advies van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen.
  Bij gebrek aan een beslissing binnen de toegestane termijn, wordt de beslissing geacht in overeenstemming te zijn met het advies van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen. In dit geval betekent de [1 aangewezen dienst]1 onverwijld aan de aanvrager het advies van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen.
  Bij gebrek aan een advies van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen binnen de in het derde lid bedoelde termijn, neemt en betekent de [1 Vlaamse Regering]1 [1 haar]1 beslissing aan de aanvrager zonder op dit advies te wachten, en dit, binnen de in het vierde lid bedoelde termijn.
  Bij gebrek aan een beslissing binnen de toegestane termijn, wordt de beslissing ongunstig geacht. In dit geval betekent de [1 aangewezen dienst]1 onverwijld aan de aanvrager de impliciete beslissing van de [1 Vlaamse Regering]1.
  

  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/67, art. 6, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 6_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <W 2006-05-01/75, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 21-09-2006> [1 De Regering beoordeelt:
   1° of de aanvraag om verkrijging, verlenging of vernieuwing van een beroepskaart voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden;
   2° of, in het bijzonder met betrekking tot de bevordering van de werkgelegenheid, het inwilligen van de aanvraag een duurzame economische meerwaarde voor de Duitstalige Gemeenschap biedt. Hierbij kan zij zich laten adviseren door externe deskundigen in economische kwesties.
   De Regering kan de aanvraag eventueel onder voorwaarden inwilligen.]1
  De vreemdeling van wie de beroepskaart [1 ...]1 geweigerd wordt, kan beroep [1 bij de Regering]1 aantekenen binnen een termijn van dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de kennisneming van de beslissing van weigering.
  [1 ...]1
  [1 Binnen twee maanden te rekenen vanaf de ontvangst van het beroep neemt de Regering een beslissing en brengt die ter kennis van de aanvrager.]1
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  
  

  ----------
  (1)<DDG 2016-04-25/10, art. 10, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 6_WAALS_GEWEST.
  [1 De afgevaardigde ambtenaar, die door de Regering aangewezen is, oordeelt of de aanvraag om verkrijging, verlenging of vernieuwing van een beroepskaart voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden.
   De vreemdeling wiens beroepskaart door de door de Regering aangewezen afgevaardigde ambtenaar geweigerd wordt, kan beroep aantekenen bij de bevoegde autoriteit aangewezen door de Regering. De kennisgeving van de weigering vermeldt de mogelijke beroepswegen, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de in acht te nemen vorm- en termijnvereisten.]1

  ----------
  (1)<DWG 2016-04-28/08, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 21-05-2016 (overgangsbepalingen art. 76)>
  

  Art. 6_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 De afgevaardigde ambtenaar die door de Minister van Werkgelegenheid aangewezen is, oordeelt of de aanvraag om verkrijging, verlenging of hernieuwing van een beroepskaart voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden.
   De vreemdeling van wie de beroepskaart door de afgevaardigde ambtenaar geweigerd wordt, kan bij de Minister van Werkgelegenheid beroep indienen. De betekening van de weigering vermeldt de mogelijke rechtsmiddelen, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te eerbiedigen vormvereisten en termijnen.]1

  ----------
  (1)<ORD 2015-07-02/09, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 20-07-2015>

  Art. 7.De Minister van Middenstand kan voor de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen dagen de vreemdeling houder van een beroepskaart :
  1° die ze geleend of afgestaan heeft;
  2° of die in het Rijk beroep gedaan heeft op de diensten van een of meerdere vreemdelingen die geen houder zijn van de beroepskaart, van de leurkaart of van de arbeidsvergunning en niet van het bezit daarvan zijn vrijgesteld;
  3° of die een zelfstandige (...) activiteit uitoefent, verschillend van die welke gespecifieerd is op zijn beroepskaart of die zich niet gedraagt naar de voorwaarden waaraan de aflevering van deze kaart ondergeschikt gesteld is; <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001>
  4° of die de wettelijke voorschriften en reglementen overtreedt welke de door hem uitgeoefende activiteit beheersen, of die niet voldoet aan zijn belastingverplichtingen of aan de verplichtingen door de sociale wetgeving opgelegd;
  5° of die een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen welke in kracht van gewijsde is gegaan, al of niet in verband met de uitoefening van zijn (...) bedrijvigheid. <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001>
  De Raad spreekt zich uit over de feiten die aan de vreemdeling worden ten laste gelegd en, al naar de zwaarte ervan :
  richt hij een waarschuwing tot de vreemdeling;
  of gelast hem zijn bedrijvigheid te staken, of beveelt de sluiting van de door hem geëxploiteerde zaak, vanaf de datum en voor de duur die hij bepaalt;
  of beslist de beroepskaart definitief in te trekken.
  

  Art. 7_VLAAMS_GEWEST.
   De [1 door de Vlaamse Regering aangewezen dienst]1 kan voor de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen dagen de vreemdeling houder van een beroepskaart :
  1° die ze geleend of afgestaan heeft;
  2° of die in het Rijk beroep gedaan heeft op de diensten van een of meerdere vreemdelingen die geen houder zijn van de beroepskaart, van de leurkaart of van de arbeidsvergunning en niet van het bezit daarvan zijn vrijgesteld;
  3° of die een zelfstandige (...) activiteit uitoefent, verschillend van die welke gespecifieerd is op zijn beroepskaart of die zich niet gedraagt naar de voorwaarden waaraan de aflevering van deze kaart ondergeschikt gesteld is; <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001>
  4° of die de wettelijke voorschriften en reglementen overtreedt welke de door hem uitgeoefende activiteit beheersen, of die niet voldoet aan zijn belastingverplichtingen of aan de verplichtingen door de sociale wetgeving opgelegd;
  5° of die een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen welke in kracht van gewijsde is gegaan, al of niet in verband met de uitoefening van zijn (...) bedrijvigheid. <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001>
  De Raad spreekt zich uit over de feiten die aan de vreemdeling worden ten laste gelegd en, al naar de zwaarte ervan :
  richt hij een waarschuwing tot de vreemdeling;
  of gelast hem zijn bedrijvigheid te staken, of beveelt de sluiting van de door hem geëxploiteerde zaak, vanaf de datum en voor de duur die hij bepaalt;
  of beslist de beroepskaart definitief in te trekken.
  
  

  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/67, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 7_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   [1 De Regering kan de beroepskaart intrekken van een houder:]1
  1° die ze geleend of afgestaan heeft;
  2° of die in het Rijk beroep gedaan heeft op de diensten van een of meerdere vreemdelingen die geen houder zijn van de beroepskaart, van de leurkaart of van de arbeidsvergunning en niet van het bezit daarvan zijn vrijgesteld;
  3° of die een zelfstandige (...) activiteit uitoefent, verschillend van die welke gespecifieerd is op zijn beroepskaart of die zich niet gedraagt naar de voorwaarden waaraan de aflevering van deze kaart ondergeschikt gesteld is; <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001>
  4° of die de wettelijke voorschriften en reglementen overtreedt welke de door hem uitgeoefende activiteit beheersen, of die niet voldoet aan zijn belastingverplichtingen of aan de verplichtingen door de sociale wetgeving opgelegd;
  5° of die een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen welke in kracht van gewijsde is gegaan, al of niet in verband met de uitoefening van zijn (...) bedrijvigheid. <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001>
  [1 De vreemdeling van wie de beroepskaart ingetrokken werd, kan binnen een termijn van dertig kalenderdagen die ingaat bij kennisneming van de intrekkingsbeslissing, beroep instellen bij de Regering.
   Binnen twee maanden te rekenen vanaf de ontvangst van het beroep neemt de Regering een beslissing en brengt die ter kennis van de aanvrager.]1
  
  

  ----------
  (1)<DDG 2016-04-25/10, art. 11, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 7_WAALS_GEWEST.
   [1 De door de Regering aangewezen afgevaardigde ambtenaar kan de beroepskaart van de houder intrekken :]1
  1° die ze geleend of afgestaan heeft;
  2° of die in het Rijk beroep gedaan heeft op de diensten van een of meerdere vreemdelingen die geen houder zijn van de beroepskaart, van de leurkaart of van de arbeidsvergunning en niet van het bezit daarvan zijn vrijgesteld;
  3° of die een zelfstandige (...) activiteit uitoefent, verschillend van die welke gespecifieerd is op zijn beroepskaart of die zich niet gedraagt naar de voorwaarden waaraan de aflevering van deze kaart ondergeschikt gesteld is; <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001>
  4° of die de wettelijke voorschriften en reglementen overtreedt welke de door hem uitgeoefende activiteit beheersen, of die niet voldoet aan zijn belastingverplichtingen of aan de verplichtingen door de sociale wetgeving opgelegd;
  5° of die een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen welke in kracht van gewijsde is gegaan, al of niet in verband met de uitoefening van zijn (...) bedrijvigheid. <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001>
  [1 De vreemdeling wiens beroepskaart door de door de Regering aangewezen afgevaardigde ambtenaar ingetrokken wordt, kan beroep aantekenen bij de bevoegde autoriteit aangewezen door de Regering. De kennisgeving van de intrekking vermeldt de mogelijke beroepswegen, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de in acht te nemen vorm- en termijnvereisten.]1
  
  

  ----------
  (1)<DWG 2016-04-28/08, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 21-05-2016 (overgangsbepalingen art. 76)>
  

  Art. 7_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 De afgevaardigde ambtenaar die door de Minister van Werkgelegenheid aangewezen is kan de beroepskaart intrekken jegens de houder :]1
  1° die ze geleend of afgestaan heeft;
  2° of die in het Rijk beroep gedaan heeft op de diensten van een of meerdere vreemdelingen die geen houder zijn van de beroepskaart, van de leurkaart of van de arbeidsvergunning en niet van het bezit daarvan zijn vrijgesteld;
  3° of die een zelfstandige (...) activiteit uitoefent, verschillend van die welke gespecifieerd is op zijn beroepskaart of die zich niet gedraagt naar de voorwaarden waaraan de aflevering van deze kaart ondergeschikt gesteld is; <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001>
  4° of die de wettelijke voorschriften en reglementen overtreedt welke de door hem uitgeoefende activiteit beheersen, of die niet voldoet aan zijn belastingverplichtingen of aan de verplichtingen door de sociale wetgeving opgelegd;
  5° of die een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen welke in kracht van gewijsde is gegaan, al of niet in verband met de uitoefening van zijn (...) bedrijvigheid. <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001>
  [1 De vreemdeling van wie de beroepskaart door de afgevaardigde ambtenaar ingetrokken wordt, kan bij de Minister van Werkgelegenheid beroep indienen. De betekening van de intrekking vermeldt de mogelijke rechtsmiddelen, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te eerbiedigen vormvereisten en termijnen.]1

  ----------
  (1)<ORD 2015-07-02/09, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 20-07-2015>

  Art. 8.§ 1. (De Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen is samengesteld uit een voorzitter, ondervoorzitters, en gewone en plaatsvervangende leden, door de Koning voor de duur van zes jaar benoemd op voorstel van de Minister van Middenstand.) <W 28-06-1984, art. 5>
  § 2. De Raad is onderverdeeld in kamers, die door de voorzitter of een ondervoorzitter worden voorgezeten, en uit drie leden ten minste bestaan.
  § 3. De Minister van Middenstand kan een commissaris bij ieder der kamers van de Raad afvaardigen.
  

  Art. 8_VLAAMS_GEWEST.
   § 1. (De Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen is samengesteld uit een voorzitter, ondervoorzitters, en gewone en plaatsvervangende leden, [1 door de Vlaamse Regering voor de duur van zes jaar benoemd]1.) <W 28-06-1984, art. 5>
  § 2. [1 De Raad wordt voorgezeten door de voorzitter of een ondervoorzitter, en bestaat uit ten minste drie leden.]1
  § 3. [1 De Vlaamse Regering kan een commissaris bij de Raad afvaardigen.]1
  
  

  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/67, art. 8, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 8_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <Opgeheven bij DDG 2016-04-25/10, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  
  

  

  Art. 8_WAALS_GEWEST.
  [1 Indien de vreemdeling al in België verblijft, moet zijn verblijf wettig zijn om het beroep als bedoeld in de artikelen 6 en 7 te kunnen indienen.
   Het beroep wordt bij ter post aangetekende en ondertekende brief ingesteld binnen dertig dagen na kennisgeving van de aangetekende brief waarbij de beslissing tot weigering of intrekking wordt betekend. De poststempel geldt als bewijs.
   De dag waarop de termijn als bedoeld in het tweede lid verstrijkt, wordt in de termijn meegerekend. Wanneer deze dag evenwel een zaterdag, een zondag of een wettelijk verlofdag is, wordt de vervaldatum verschoven naar de eerstvolgende werkdag.
   Het beroep moet met redenen omkleed zijn.
   De voorschriften uit de voorgaande leden zijn voorzien op straffe van nietigheid.
   Zolang het beroep bij de door de Regering aangewezen bevoegde autoriteit hangende is, wordt elke na instelling van het beroep ingediende aanvraag als bedoeld in de artikelen 6 en 7 voor dezelfde zelfstandige beroepsactiviteit, onontvankelijk verklaard.
   De Regering kan regels inzake de beroepsprocedure bepalen.]1

  ----------
  (1)<DWG 2016-04-28/08, art. 10, 006; Inwerkingtreding : 21-05-2016 (overgangsbepalingen art. 76)>
  

  Art. 8_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 Indien de vreemdeling reeds in België verblijft, moet dit verblijf wettig zijn om het beroep als bedoeld in de artikelen 6 en 7 te kunnen indienen.
   Het wordt in elk geval ingesteld bij ter post aangetekende en ondertekende brief binnen dertig dagen na kennisgeving van de aangetekende brief waarbij de beslissing tot weigering of intrekking wordt betekend. De poststempel geldt als bewijs.
   De dag waarop de termijn als bedoeld in het tweede lid verstrijkt, wordt in de termijn meegerekend. Indien deze dag echter op een zaterdag, een zondag of een feestdag valt, wordt hij naar de eerstvolgende werkdag verschoven.
   Het beroep moet met redenen omkleed zijn en opgesteld in één van de twee officiële talen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
   De voorschriften uit de voorgaande leden zijn voorzien op straffe van nietigheid.
   Zolang het bij de Minister hangende is, wordt elke na instelling van het beroep ingediende aanvraag als bedoeld in artikel 3, § 3, voor dezelfde zelfstandige beroepsactiviteit, onontvankelijk verklaard.
   De Brusselse Hoofdstedelijke Regering kan nadere regels van de beroepsprocedure bepalen.]1

  ----------
  (1)<ORD 2015-07-02/09, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 20-07-2015>

  Art. 9.§ 1. (De voorzitter en de ondervoorzitters van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen worden gekozen onder de magistraten in werkelijke dienst of de eremagistraten en onder de advocaten die sedert ten minste tien jaar op het tableau van de Orde zijn ingeschreven.) <W 28-06-1984, art. 6>
  § 2. De leden worden gekozen onder de rijksambtenaren van het eerste niveau, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 20 juli 1964 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de ambtenaren in de rijksbesturen kunnen titularis zijn.
  § 3. Buiten de terugbetaling van de reis- en verblijfkosten, zal er aan de voorzitter en de ondervoorzitters van de Raad een zitpenning toegekend worden, waarvan het bedrag door de Koning zal bepaald worden op voorstel van de Minister van Middenstand.
  

  Art. 9_VLAAMS_GEWEST.
   § 1. (De voorzitter en de ondervoorzitters van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen worden gekozen onder de magistraten in werkelijke dienst of de eremagistraten en onder de advocaten die sedert ten minste tien jaar op het tableau van de Orde zijn ingeschreven.) <W 28-06-1984, art. 6>
  § 2. De leden worden gekozen onder de rijksambtenaren van het eerste niveau, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 20 juli 1964 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de ambtenaren in de rijksbesturen kunnen titularis zijn [1 , of onder Vlaamse ambtenaren niveau A, overeenkomstig titel 2 van deel VI van het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid]1.
  § 3. Buiten de terugbetaling van de reis- en verblijfkosten, zal er aan de voorzitter en de ondervoorzitters van de Raad een zitpenning toegekend worden, [1 "waarvan het bedrag door de Vlaamse Regering bepaald wordt]1.
  
  

  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/67, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 9_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <Opgeheven bij DDG 2016-04-25/10, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  
  

  

  Art. 9_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2016-04-28/08, art. 11, 006; Inwerkingtreding : 21-05-2016 (overgangsbepalingen art. 76)>
  

  

  Art. 9_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [Opgeheven] <ORD 2015-07-02/09, art. 6, 005; Inwerkingtreding : 20-07-2015>


  Art. 10.§ 1. De Koning regelt de organisatie en de te volgen procedure van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake vreemdelingen.
  § 2. De vreemdeling mag zich voor de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen alleen laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat.
  

  Art. 10_VLAAMS_GEWEST.
   § 1. De [1 Vlaamse Regering]1 regelt de organisatie en de te volgen procedure van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake vreemdelingen.
  § 2. De vreemdeling mag zich voor de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen alleen laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat.
  
  

  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/67, art. 10, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 10_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <Opgeheven bij DDG 2016-04-25/10, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  

  Art. 10_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2016-04-28/08, art. 11, 006; Inwerkingtreding : 21-05-2016 (overgangsbepalingen art. 76)>
  


  Art. 10_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [Opgeheven] <ORD 2015-07-02/09, art. 6, 005; Inwerkingtreding : 20-07-2015>

  Art. 11.§ 1. De vreemdeling kan verzet aantekenen tegen een uitspraak bij verstek tegen zijn persoon door de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen, mits dit verzet te betekenen binnen de vijftien dagen te rekenen vanaf de verzending van de kennisgeving der uitspraak.
  Laattijdig aangetekend verzet wordt onontvankelijk verklaard tenzij wanneer de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen de opposant van de niet-ontvankelijkheid ontslaat.
  Het verzet moet per ter post aangetekend schrijven gericht worden aan de voorzitter van de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen.
  De uitspraak geveld ingevolge het verzet wordt in elk geval tegensprekelijk geacht.
  § 2. De uitspraken geveld door de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen kunnen worden voorgelegd aan de Raad van State.
  Wanneer de uitspraak vernietigd wordt, is de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen gehouden zich overeenkomstig de beslissing van de Raad van State te gedragen op het punt dat door deze in rechte beoordeeld werd.
  § 3. De Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen kan zijn uitspraak echter herzien indien de vreemdeling zich beroept op nieuwe feiten die hij vóór de uitspraak niet kon bewijzen of kennen en die invloed hadden kunnen hebben op de gevelde beslissing. De raad beslist of nieuwe feiten voorhanden zijn, eer hij zijn uitspraak herziet.
  

  Art. 11_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <Opgeheven bij DDG 2016-04-25/10, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  
  

  

  Art. 11_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2016-04-28/08, art. 11, 006; Inwerkingtreding : 21-05-2016 (overgangsbepalingen art. 76)>
  


  Art. 11_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [Opgeheven] <ORD 2015-07-02/09, art. 6, 005; Inwerkingtreding : 20-07-2015>

  Art. 12. Onverminderd de bevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie, wordt overtreding van deze wet en van de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, opgespoord door de ambtenaren die de Koning aanwijst. Processen-verbaal, door deze ambtenaar opgemaakt, hebben bewijskracht tot het tegenbewijs is geleverd. Een afschrift daarvan wordt binnen vijf dagen na de vaststelling aan de overtreders betekend.
  Deze ambtenaren mogen dag en nacht alle industriële, commerciële en landbouwinrichtingen betreden, waarvan zij op goede grond kunnen aannemen dat de bedoelde overtredingen er gepleegd zijn, met uitzondering echter van de tot woning dienende vertrekken.
  Zij mogen ook, tussen 9 en 21 uur en op elk uur indien het een activiteit betreft die 's nachts wordt uitgeoefend, de lokalen of omheinde erven betreden die in hetzelfde gebouw waar de bedoelde activiteit wordt uitgeoefend, gelegen of daarmee verbonden zijn.
  Indien er voldoende aanwijzingen voorhanden zijn om aan te nemen dat overtredingen gepleegd worden in tot woning dienende vertrekken, kunnen twee ambtenaren, met verlof van de (rechter in de politierechtbank) tussen 9 en 21 uur een huiszoeking verrichten. <W 10-01-1977, art. 2>
  Zij kunnen zich ook alle inlichtingen en bescheiden doen verstrekken die zij voor het volbrengen van hun opdracht nodig achten, en overgaan tot alle nuttige vaststellingen, eventueel met de medewerking van deskundigen, die de Minister van Middenstand aanwijst.
  Ten slotte kunnen zij overgaan tot het terugvorderen, tegen ontvangstbewijs, van de beroepskaarten waarvoor redenen bestaan om aan te nemen dat zij nagemaakt of vervalst werden.

  Art. 12_VLAAMS_GEWEST. [1 Het toezicht en de controle op de uitvoering van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan verlopen conform het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/67, art. 11, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 12_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   Onverminderd de bevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie, wordt overtreding van deze wet en van de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, opgespoord door de ambtenaren die [2 de Regering]2 aanwijst. Processen-verbaal, door deze ambtenaar opgemaakt, hebben bewijskracht tot het tegenbewijs is geleverd. Een afschrift daarvan wordt binnen [1 15]1 dagen na de vaststelling aan de overtreders betekend.
  Deze ambtenaren mogen dag en nacht alle industriële, commerciële en landbouwinrichtingen betreden, waarvan zij op goede grond kunnen aannemen dat de bedoelde overtredingen er gepleegd zijn, met uitzondering echter van de tot woning dienende vertrekken.
  Zij mogen ook, tussen 9 en 21 uur en op elk uur indien het een activiteit betreft die 's nachts wordt uitgeoefend, de lokalen of omheinde erven betreden die in hetzelfde gebouw waar de bedoelde activiteit wordt uitgeoefend, gelegen of daarmee verbonden zijn.
  Indien er voldoende aanwijzingen voorhanden zijn om aan te nemen dat overtredingen gepleegd worden in tot woning dienende vertrekken, kunnen twee ambtenaren, met verlof van de (rechter in de politierechtbank) tussen 9 en 21 uur een huiszoeking verrichten. <W 10-01-1977, art. 2>
  Zij kunnen zich ook alle inlichtingen en bescheiden doen verstrekken die zij voor het volbrengen van hun opdracht nodig achten, en overgaan tot alle nuttige vaststellingen, eventueel met de medewerking van deskundigen, die de Minister van Middenstand aanwijst.
  Ten slotte kunnen zij overgaan tot het terugvorderen, tegen ontvangstbewijs, van de beroepskaarten waarvoor redenen bestaan om aan te nemen dat zij nagemaakt of vervalst werden.

  ----------
  (1)<DDG 2016-04-25/10, art. 13, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DDG 2016-04-25/10, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 12/1_WAALS_GEWEST.
  [1 De controle en het toezicht op de naleving van deze wet en van de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen worden uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 5 februari 1998 houdende toezicht en controle op de naleving van de wetgeving betreffende het tewerkstellingsbeleid.
   De sociale inspecteurs bedoeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 5 februari 1998 houdende toezicht en controle op de naleving van de wetgeving betreffende het tewerkstellingsbeleid kunnen overgaan tot de invordering, tegen ontvangstbewijs, van de beroepskaarten die zijn ingetrokken of waarvoor redenen bestaan om aan te nemen dat zij nagemaakt of vervalst werden.
   Zij kunnen tevens de vreemdeling gelasten de bedrijvigheid te staken, of de sluiting van de door hem geëxploiteerde zaak bevelen, vanaf de datum en voor de duur die zij bepalen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2016-04-28/08, art. 12, 006; Inwerkingtreding : 21-05-2016 (overgangsbepalingen art. 76)>

  Art. 12/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.[1 De door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aangewezen ambtenaren controleren de uitvoering van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen, en houden toezicht op de naleving ervan.
   Deze ambtenaren oefenen die controle of dit toezicht uit in overeenstemming met de bepalingen van de ordonnantie van 30 april 2009 betreffende het toezicht op de reglementeringen inzake werkgelegenheid die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren en de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze reglementeringen.
   Zij kunnen overgaan tot het terugvorderen, tegen ontvangstbewijs, van de beroepskaarten die ingetrokken zijn of waarvoor redenen bestaan om aan te nemen dat zij nagemaakt of vervalst werden.
   Zij kunnen tevens de vreemdeling gelasten de bedrijvigheid te staken, of de sluiting van de door hem geëxploiteerde zaak bevelen, vanaf de datum en voor de duur die zij bepalen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2015-07-09/17, art. 19, 008; Inwerkingtreding : 01-08-2016 (BESL 2016-06-09/15, art. 42, 1°)>

  Art. 13. Met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 26 tot 1 000 F, of met één van deze straffen alleen wordt gestraft :
  1° de vreemdeling die onderworpen aan de verplichtingen vermeld in artikel 1 van onderhavige wet, een zelfstandige (...) activiteit uitoefent zonder in het bezit te zijn van een beroepskaart; <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001>
  2° de vreemdeling die een zelfstandige (...) activiteit uitoefent welke hem door de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen verboden werd of die een bevel tot sluiting uitgesproken door genoemde Raad overtreedt; <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001>
  3° de vreemdeling die door het aanwenden van listige kunstgrepen een beroepskaart bedriegelijk verkrijgt of onder zich heeft;
  4° hij die de uitvoering van de taak van de in artikel 12 bedoelde ambtenaren en beambten belemmert;
  5° hij die wetens en willens onjuiste inlichtingen verstrekt of onjuiste documenten heeft bezorgd aan de ambtenaren en agenten belast met dit toezicht, of aan de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen.
  Bij herhaling zullen de straffen verdubbeld worden.

  Art. 13_VLAAMS_GEWEST.
   [1 Sans préjudice de l'application des articles 269 à 274 inclus du Code pénal, est puni d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de 250 à 2500 euros ou de l'une de ces peines seulement, l'étranger qui, en contravention avec la présente loi et avec ses arrêtés d'exécution :
   1° exerce une activité indépendante sans être titulaire d'une carte professionnelle ;
   2° exerce une activité indépendante sans respecter les limites ou les conditions de la carte professionnelle ;
   3° exerce une activité indépendante bien qu'il ait été enjoint de cesser son activité ou de fermer l'établissement exploité.]1

  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/67, art. 12, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 13_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   Met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 26 tot 1 000 F, of met één van deze straffen alleen wordt gestraft :
  1° de vreemdeling die onderworpen aan de verplichtingen vermeld in artikel 1 van onderhavige wet, een zelfstandige (...) activiteit uitoefent zonder in het bezit te zijn van een beroepskaart; <W 2001-02-02/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-03-2001>
  2° [1 ...]1
  3° de vreemdeling die door het aanwenden van listige kunstgrepen een beroepskaart bedriegelijk verkrijgt of onder zich heeft;
  4° hij die de uitvoering van de taak van de in artikel 12 bedoelde ambtenaren en beambten belemmert;
  5° hij die wetens en willens onjuiste inlichtingen verstrekt of onjuiste documenten heeft bezorgd aan de ambtenaren en agenten belast met dit toezicht [1 ...]1.
  Bij herhaling zullen de straffen verdubbeld worden.

  ----------
  (1)<DDG 2016-04-25/10, art. 14, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 13/1_VLAAMS_GEWEST.[1 Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek worden de volgende personen gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen :
   1° een vreemdeling die in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan een zelfstandige activiteit uitoefent zonder toegelaten of gemachtigd te zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België;
   2° een vreemdeling die door listige kunstgrepen aan te wenden een beroepskaart onrechtmatig verkrijgt of in zijn bezit heeft;
   3° eenieder die wetens en willens onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd of onjuiste documenten heeft bezorgd, om een beroepskaart ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
   4° eenieder die wetens en willens heeft nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken, om een beroepskaart ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2016-12-23/67, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 13/1_WAALS_GEWEST.
  [1 § 1. Wordt bestraft hetzij met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en een strafrechtelijke geldboete van 26 tot 1.000 euro of met één van die straffen alleen, hetzij met een administratieve geldboete van 50 tot 500 euro :
   1° de vreemdeling die, onderworpen aan de verplichting bedoeld in artikel 1 van deze wet, een zelfstandige activiteit uitoefent zonder in het bezit te zijn van een beroepskaart;
   2° de vreemdeling die een zelfstandige activiteit uitoefent niettegenstaande de staking van de bedrijvigheid werd gelast of de sluiting van de geëxploiteerde zaak werd bevolen;
   3° de vreemdeling die door het aanwenden van listige kunstgrepen een beroepskaart bedrieglijk verkrijgt;
   4° hij die wetens en willens onjuiste inlichtingen verstrekt of onjuiste documenten heeft bezorgd aan de ambtenaren en agenten belast met het toezicht.
   § 2. Bij herhaling in de loop van het jaar na een veroordeling wegens een overtreding kan de straf op het dubbele van het maximum gebracht worden.
   § 3. De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdécimes op de strafrechtelijke geldboeten zijn ook toepasselijk op de administratieve geldboeten bedoeld in dit artikel.
   De bevoegde administratie vermeldt in haar beslissing de vermenigvuldiging krachtens voornoemde wet van 5 maart 1952 alsook het getal dat uit de verhoging resulteert.]1

  ----------
  (1)<DWG 2016-04-28/08, art. 13, 006; Inwerkingtreding : 21-05-2016 (overgangsbepalingen art. 76)>
  

  Art. 13/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1Wordt bestraft hetzij met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en een strafrechtelijke geldboete van 26 tot 1.000 euro of een van die straffen alleen, hetzij met een administratieve geldboete van 50 tot 500 euro :
   1° de vreemdeling die onderworpen aan de verplichtingen vermeld in artikel 1 van onderhavige wet, een zelfstandige activiteit uitoefent zonder in het bezit te zijn van een beroepskaart;
   2° de vreemdeling die een zelfstandige activiteit uitoefent niettegenstaande de staking van de bedrijvigheid werd gelast of de sluiting van de geëxploiteerde zaak werd bevolen;
   3° de vreemdeling die door het aanwenden van listige kunstgrepen een beroepskaart bedrieglijk verkrijgt;
   4° hij die wetens en willens onjuiste inlichtingen verstrekt of onjuiste documenten heeft bezorgd aan de ambtenaren en agenten belast met het toezicht.
   Bij herhaling worden de strafrechtelijke sancties verdubbeld.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2015-07-02/09, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 20-07-2015>

  Art. 13/2_VLAAMS_GEWEST. [1 In geval van herhaling binnen vijf jaar kan de maximale straf, vermeld in artikel 13 en 13/1, op het dubbele van het maximum worden gebracht. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2016-12-23/67, art. 14, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 13/2_BRUSSELS-HOOFDSTEDELIJK-GEWEST.
  [1De bepalingen van de ordonnantie van 13 juli 2015 houdende geharmoniseerde regels betreffende de administratieve geldboeten bepaald bij de wetgeving op het vlak van werkgelegenheid en economie zijn van toepassing op de administratieve geldboeten bepaald door deze wet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2015-07-09/04, art. 32, 009; Inwerkingtreding : 01-09-2016 (BESL 2016-07-14/05, art. 10,1°)>

  Art. 13/3_VLAAMS_GEWEST.[1 § 1. Voor de inbreuken, vermeld in artikel 13 en 13/1, kan de rechter de veroordeelde het verbod opleggen om gedurende een periode van één maand tot drie jaar, zelf of via een tussenpersoon, de onderneming of inrichting waar de inbreuk is begaan, geheel of gedeeltelijk uit te baten of er onder gelijk welke hoedanigheid in dienst te worden genomen.
   Voor de inbreuken, vermeld in artikel 13 en 13/1, kan de rechter bovendien, als hij zijn beslissing met redenen omkleedt, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van de onderneming of inrichting waar de inbreuken zijn begaan, voor de duur van één maand tot drie jaar.
   § 2. De duur van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van paragraaf 1, gaat in vanaf de dag waarop de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of waarop zijn straf verjaard is, en, bij voorwaardelijke vrijlating, vanaf de dag van de invrijheidstelling, als die laatste niet ingetrokken wordt.
   De gevolgen van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van paragraaf 1 zullen evenwel een aanvang nemen zodra de veroordeling op tegenspraak of bij verstek definitief is.
   § 3. De rechter kan de straffen, vermeld in paragraaf 1, alleen opleggen als dat noodzakelijk is om de inbreuken te doen stoppen of om te voorkomen dat ze zich herhalen, op voorwaarde dat de veroordeling tot die straffen in verhouding staat tot het geheel van de betrokken sociaal-economische belangen.
   De straffen, vermeld in paragraaf 1, doen geen afbreuk aan de rechten van derden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2016-12-23/67, art. 15, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
   Art. 14.Hoven en rechtbanken spreken de verbeurdverklaring van de beroepskaart uit als de vreemdeling wegens namaken of vervalsen ervan of wegens de inbreuken vermeld in artikel 13, 2° tot 5°, is veroordeeld.
  Zij zullen eveneens de sluiting kunnen bevelen van de onderneming die door de vreemdeling die zich aan namaak of vervalsing van de beroepskaart of aan één der inbreuken vermeld in artikel 13, schuldig gemaakt heeft.
  

  Art. 14_VLAAMS_GEWEST.
   Hoven en rechtbanken spreken de verbeurdverklaring van de beroepskaart uit als de vreemdeling wegens namaken of vervalsen ervan of wegens de inbreuken [1 , vermeld in artikel 13, 2° en 3°, en artikel 13/1, 2° tot en met 4°]1, is veroordeeld.
  [1 ...]1
  

  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/67, art. 16, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 14_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   Hoven en rechtbanken spreken de verbeurdverklaring van de beroepskaart uit als de vreemdeling wegens namaken of vervalsen ervan of wegens de inbreuken vermeld in artikel 13, [1 3° tot 5°]1, is veroordeeld.
  Zij zullen eveneens de sluiting kunnen bevelen van de onderneming die door de vreemdeling die zich aan namaak of vervalsing van de beroepskaart of aan één der inbreuken vermeld in artikel 13, schuldig gemaakt heeft.
  
  

  ----------
  (1)<DDG 2016-04-25/10, art. 15, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 14_WAALS_GEWEST.
   Hoven en rechtbanken spreken de verbeurdverklaring van de beroepskaart uit als de vreemdeling wegens namaken of vervalsen ervan of wegens de inbreuken vermeld in artikel 13, 2° tot 5°, is veroordeeld [1 of in artikel 13/1., eerste lid, 2° tot 4°]1.
  Zij zullen eveneens de sluiting kunnen bevelen van de onderneming die door de vreemdeling die zich aan namaak of vervalsing van de beroepskaart of aan één der inbreuken vermeld in artikel 13, schuldig gemaakt heeft [1 of in artikel 13/1., eerste lid, 2° tot 4°]1.
  
  

  ----------
  (1)<DWG 2016-04-28/08, art. 14, 006; Inwerkingtreding : 21-05-2016 (overgangsbepalingen art. 76)>
  

  Art. 14_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   Hoven en rechtbanken spreken de verbeurdverklaring van de beroepskaart uit als de vreemdeling wegens namaken of vervalsen ervan of wegens de inbreuken vermeld in artikel 13, 2° tot 5° [1 of artikel 13/1, eerste lid, 2° tot 4°]1, is veroordeeld.
  Zij zullen eveneens de sluiting kunnen bevelen van de onderneming die door de vreemdeling die zich aan namaak of vervalsing van de beroepskaart of aan één der inbreuken vermeld in artikel 13 [1 of artikel 13/1]1, schuldig gemaakt heeft.

  ----------
  (1)<ORD 2015-07-02/09, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 20-07-2015>

  Art. 15. De bepalingen van hoofdstuk VII van boek I van het Wetboek van strafrecht, evenals deze van artikel 85 van gezegd Wetboek, zijn toepasselijk op de inbreuken voorzien in deze wet.

  Art. 15_VLAAMS_GEWEST. [1 Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V, maar met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken, vermeld in deze wet. In geval van herhaling is artikel 85 van het Strafwetboek niet van toepassing. ]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/67, art. 17, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 15/1_VLAAMS_GEWEST. [1 De rechtsvorderingen die ontstaan uit de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, verjaren na verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2016-12-23/67, art. 18, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 15/2_VLAAMS_GEWEST. [1 Behalve in geval van dringende noodzakelijkheid wint de Vlaamse Regering, ter uitvoering van de aan haar toegekende bevoegdheden, het advies in van de Adviescommissie voor Economische Migratie, bedoeld in artikel 19 van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2016-12-23/67, art. 19, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 16. Het koninklijk besluit nr. 62 van 16 november 1939 tot reglementering van de beroepsactiviteit der vreemdelingen, bevestigd bij de wet van 16 juni 1947 en gewijzigd bij het besluit van de Regent van 26 juni 1947 houdende het Wetboek der zegelrechten, wordt opgeheven.
  Gezegd koninklijk besluit blijft nochtans van toepassing op de aanvragen vóór de inwerkingtreding van deze wet ingediend en de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen zal overeenkomstig de bepalingen van dat koninklijk besluit de vóór de inwerkingtreding van de wet begane inbreuken op de reglementering beoordelen, zonder dat, in een van beide gevallen, de minder gunstige bepalingen van het opgeheven koninklijk besluit mogen worden toegepast op de vreemdeling.
  De Raad zal inzonderheid de vreemdeling niet meer kunnen opleggen het land te verlaten en de bevelen welke in die zin in het verleden werden uitgesproken, zullen in de toekomst geen uitwerking hebben.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   ...

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 28-02-2019 GEPUBL. OP 03-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 12/1; 13/1)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 23-12-2016 GEPUBL. OP 09-02-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 3; 6; 7; 8; 9; 10; 12; 13; 13/1; 13/2; 13/3; 14; 15; 15/1; 15/2)
  • originele versie
  • DECREET DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 25-04-2016 GEPUBL. OP 14-06-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 12; 1; 2; 3; 6; 7; 8; 9; 10; 11; 12; 13; 14)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 28-04-2016 GEPUBL. OP 11-05-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 3; 6; 7; 8; 9-11; 12/1; 13/1; 14)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 09-07-2015 GEPUBL. OP 02-09-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 12/1)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 09-07-2015 GEPUBL. OP 17-07-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 13/2)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 02-07-2015 GEPUBL. OP 10-07-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 6; 7; 8; 9-11; 13/1; 14; )
  • originele versie
  • WET VAN 01-03-2007 GEPUBL. OP 14-03-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • WET VAN 01-05-2006 GEPUBL. OP 05-07-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 6)
  • originele versie
  • WET VAN 02-02-2001 GEPUBL. OP 08-03-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 3; 5; 7; 13)
  • WET VAN 28-06-1984 GEPUBL. OP 01-08-1984

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 1963-1964. SENAAT. Parl. besch. - Wetsontwerp, nr. 334. Zitting 1964-1965. SENAAT. Parl. besch. - Verslag, nr. 41. Parl. Hand. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 23-12-1964. KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS. Parl. besch. - Wetsontwerp, nr. 924-1. - Verslag, nr. 924-2. Parl. Hand. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 11-2-1965.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 33 uitvoeringbesluiten 9 gearchiveerde versies
    Franstalige versie