J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
14 SEPTEMBER 1963. - Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen.

Bron :
BUITENLANDSE ZAKEN.BUITENLANDSE HANDEL
Publicatie : 30-10-1970 nummer :   1963091451 bladzijde : 10951
Dossiernummer : 1963-09-14/30
Inwerkingtreding : 04-11-1970

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Werkingssfeer van het Verdrag.
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - Rechtsmacht.
Art. 3-4
HOOFDSTUK III. - Bevoegdheden van de gezagvoerder van het luchtvaartuig.
Art. 5-10
HOOFDSTUK IV. - Onwettige overmeestering van luchtvaartuigen.
Art. 11
HOOFDSTUK V. - Bevoegdheden en verplichtingen van Staten.
Art. 12-15
HOOFDSTUK VI. - Verdere bepalingen.
Art. 16-18
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.
Art. 19-26
Bijlagen.
Art. N1, N2

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Werkingssfeer van het Verdrag.

  Artikel 1. 1. Dit Verdrag is van toepassing op :
  a) strafbare feiten;
  b) handelingen die, al dan niet strafbare feiten zijnde, de veiligheid van het vliegtuig of van de personen of goederen aan boord daarvan in gevaar brengen of kunnen brengen of die de goede orde en discipline aan boord in gevaar brengen.
  2. Onder voorbehoud van de bepalingen van hoofdstuk III heeft dit Verdrag betrekking op strafbare feiten of handelingen begaan door een persoon aan boord van een luchtvaartuig dat ingeschreven is in een Verdragsluitende Staat, terwijl dat luchtvaartuig zich in de lucht bevindt of op de volle zee of in een gebied dat niet tot het grondgebied van een Staat behoort.
  3. In dit Verdrag wordt een luchtvaartuig geacht in vlucht te zijn vanaf het ogenblik waarop motorvermogen wordt aangewend om op te stijgen tot het ogenblik waarop de uitloop na de landing is geŽindigd.
  4. Dit Verdrag is niet van toepassing op luchtvaartuigen gebruikt door de strijdkrachten, de douane of de politie.

  Art. 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 4 en behalve wanneer de veiligheid van het luchtvaartuig of van personen of goederen aan boord dit vereist, wordt geen bepaling van dit Verdrag zo uitgelegd dat zij een optreden rechtvaardigt of vereist ten aanzien van overtredingen van strafrechtelijke bepalingen van politieke aard of gebaseerd op onderscheid met betrekking tot ras of godsdienst.

  HOOFDSTUK II. - Rechtsmacht.

  Art. 3. 1. De Staat waar het luchtvaartuig is ingeschreven is bevoegd kennis te nemen van strafbare feiten en handelingen die aan boord zijn begaan.
  2. Iedere Verdragsluitende Staat neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn bevoegdheid tot kennisneming van strafbare feiten, aan boord van een in die Staat ingeschreven luchtvaartuig begaan, te kunnen uitoefenen.
  3. Dit Verdrag sluit geen enkele bevoegdheid in strafzaken uit, die wordt uitgeoefend volgens de nationale wet.

  Art. 4. Een Verdragsluitende Staat die niet de Staat van inschrijving is, mag een zich in de lucht bevindend luchtvaartuig niets in de weg leggen teneinde zijn rechtsmacht in strafzaken uit te oefenen ten aanzien van een aan boord begaan strafbaar feit, behalve in de volgende gevallen :
  a) wanneer het strafbare feit uitwerking heeft op het grondgebied van de betrokken Staat;
  b) wanneer het strafbare feit is begaan door of tegen een onderdaan of ingezetene van de betrokken Staat;
  c) wanneer het strafbare feit is gericht tegen de veiligheid van de betrokken Staat;
  d) wanneer het strafbare feit bestaat uit een inbreuk op in de betrokken Staat van kracht zijnde wettelijke voorschriften inzake het vliegen of manoeuvreren van luchtvaartuigen;
  e) wanneer de uitoefening van rechtsmacht nodig is om het nakomen van verplichtingen van de betrokken Staat krachtens een multilaterale internationale overeenkomst te verzekeren.

  HOOFDSTUK III. - Bevoegdheden van de gezagvoerder van het luchtvaartuig.

  Art. 5. 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op strafbare feiten en handelingen die begaan zijn of op het punt staan begaan te worden door een persoon aan boord van een luchtvaartuig dat zich bevindt in het luchtruim boven de Staat van inschrijving of boven de volle zee of een gebied dat niet tot het grondgebied van een Staat behoort tenzij het laatste punt van vertrek of het punt van de eerstvolgende voorgenomen landing in een andere Staat ligt dan de Staat van inschrijving, of het luchtvaartuig vervolgens vliegt in het luchtruim van een andere Staat dan de Staat van inschrijving met die persoon nog aan boord.
  2. Niettegenstaande het bepaalde in artikel 1, derde lid, wordt in dit hoofdstuk een luchtvaartuig geacht zijn vlucht te hebben aangevangen op het moment waarop alle buitendeuren, na het instappen, zijn gesloten tot het moment dat een dier deuren wordt geopend voor het uitstappen. In het geval van een noodlanding blijven de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing ten aanzien van strafbare feiten en handelingen aan boord begaan totdat de bevoegde autoriteiten van een Staat de verantwoordelijkheid voor het luchtvaartuig en voor de personen en goederen aan boord overnemen.

  Art. 6. 1. De gezagvoerder van het luchtvaartuig mag, indien hij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat een persoon aan boord van het luchtvaartuig een strafbaar feit of een handeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, heeft begaan of op het punt staat te begaan, ten aanzien van die persoon alle redelijke maatregelen nemen, vrijheidsbeperking daaronder begrepen, die nodig zijn om :
  a) de veiligheid van het luchtvaartuig of van de zich aan boord bevindende personen of goederen te waarborgen;
  b) de goede orde en discipline aan boord te handhaven; of
  c) hem in staat te stellen de betrokken persoon aan de bevoegde autoriteiten over te dragen of hem het luchtvaartuig te doen verlaten, krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk.
  2. De gezagvoerder van het luchtvaartuig mag de hulp van andere leden der bemanning vorderen of hen tot het verlenen daarvan machtigen en hij mag de bijstand van passagiers verzoeken of hen tot het verlenen daarvan machtigen, doch niet vorderen, om een persoon in zijn vrijheid te beperken wanneer hij tot het nemen van vrijheid beperkende maatregelen ten aanzien van die persoon gerechtigd is. Ieder lid van de bemanning en ieder passagier mag ook zonder zodanige machtiging redelijke voorzorgsmaatregelen nemen indien hij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat zulk een optreden onmiddellijk noodzakelijk is voor de veiligheid van het luchtvaartuig of van de personen en goederen aan boord.

  Art. 7. 1. Vrijheid beperkende maatregelen genomen ten aanzien van een persoon overeenkomstig de bepalingen van artikel 6 worden beŽindigd zodra het luchtvaartuig is geland, tenzij;
  a) de landing heeft plaats gevonden op het grondgebied van een Staat die niet partij is bij dit Verdrag en de autoriteiten van die Staat niet toestaan dat die persoon het luchtvaartuig verlaat, of genoemde maatregelen zijn genomen overeenkomstig artikel 6, lid 1, c), teneinde hem aan de bevoegde autoriteiten te kunnen overdragen;
  b) het luchtvaartuig een noodlanding maakt en de gezagvoerder de betrokken persoon niet aan de bevoegde autoriteiten kan overdragen;
  c) de betrokken persoon erin toestemt, met beperking van zijn vrijheid verder te worden vervoerd.
  2. Indien een luchtvaartuig landt op het grondgebied van een Staat met aan boord een persoon die overeenkomstig de bepalingen van artikel 6 aan een vrijheid beperkende maatregel is onderworpen, dient de gezagvoerder de autoriteiten van die Staat onverwijld, zo mogelijk vůůr de landing, mede te delen dat er zich iemand aan boord bevindt, die aan een vrijheidbeperkende maatregel is onderworpen, onder vermelding van de reden.

  Art. 8. 1. De gezagvoerder van een luchtvaartuig mag, voor zover dit nodig is in verband met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onder a) of b), op het grondgebied van enige Staat waar het luchtvaartuig landt ieder persoon het luchtvaartuig doen verlaten van wie hij redelijkerwijs mag aannemen dat deze aan boord van het luchtvaartuig een handeling heeft begaan of op het punt staat te begaan, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b).
  2. Indien de gezagvoerder van een luchtvaartuig in een Staat, krachtens dit artikel, een persoon het luchtvaartuig doet verlaten doet hij daarvan mededeling aan de autoriteiten van die Staat, onder vermelding van de reden.

  Art. 9. 1. De gezagvoerder van een luchtvaartuig kan iedere persoon van wie hij redelijker wijs mag aannemen dat hij aan boord van het luchtvaartuig een handeling heeft begaan die naar zijn mening volgens het strafrecht van de Staat waar het luchtvaartuig is ingeschreven een ernstig misdrijf is, overdragen aan de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staat op welks grondgebied het luchtvaartuig landt.
  2. Indien een luchtvaartuig landt op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat met aan boord een persoon die de gezagvoerder voornemens is, overeenkomstig het voorgaande lid over te dragen, dient de gezagvoerder de autoriteiten van die Staat onverwijld, zo mogelijk vůůr de landing, mededeling te doen van zijn voornemen die persoon over te dragen, onder vermelding van de reden.
  3. De gezagvoerder van een luchtvaartuig dient de autoriteiten aan wie een verdachte overeenkomstig het bepaalde in dit artikel wordt overgedragen die bewijzen en inlichtingen te verschaffen waarover hij, krachtens de wetten van de Staat waar het luchtvaartuig is ingeschreven, wettig beschikt.

  Art. 10. Voor maatregelen, genomen overeenkomstig dit Verdrag, wordt noch de gezagvoerder van het luchtvaartuig, noch enig ander lid van de bemanning, passagier, eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig, noch de persoon voor wiens rekening de vlucht werd uitgevoerd, aansprakelijk gesteld in enig geding naar aanleiding van de behandeling ondergaan door de persoon tegen wie de maatregelen waren gericht.

  HOOFDSTUK IV. - Onwettige overmeestering van luchtvaartuigen.

  Art. 11. 1. Indien een persoon aan boord met geweld of onder bedreiging met geweld een luchtvaartuig tijdens de vlucht wederrechtelijk hindert, overmeestert of op andere onrechtmatige wijze onder zijn macht brengt, of wanneer zulks op het punt staat te geschieden, nemen de Verdragsluitende Staten alle passende maatregelen om aan de wettige gezagvoerder wederom het gezag over het luchtvaartuig te geven of om ervoor te zorgen dat hij het gezag over het luchtvaartuig behoudt.
  2. In de gevallen bedoeld in het voorgaande lid staat de Verdragsluitende Staat op welks grondgebied het luchtvaartuig landt de passagiers en de bemanning toe, hun reis zo spoedig mogelijk voort te zetten, en geeft hij het luchtvaartuig en zijn lading terug aan de rechthebbenden.

  HOOFDSTUK V. - Bevoegdheden en verplichtingen van Staten.

  Art. 12. Iedere Verdragsluitende Staat geeft de gezagvoerder van een in een andere Verdragsluitende Staat ingeschreven luchtvaartuig toestemming een persoon krachtens artikel 8, eerste lid, het luchtvaartuig te doen verlaten.

  Art. 13. 1. Iedere Verdragsluitende Staat neemt iedere persoon over die door de gezagvoerder van een luchtvaartuig krachtens artikel 9, eerste lid, wordt overgedragen.
  2. Indien een Verdragsluitende Staat ervan overtuigd is dat de omstandigheden zulks wettigen gaat die Staat over tot inhechtenisneming of neemt andere maatregelen teneinde de aanwezigheid van een persoon, verdacht van een handeling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, en van enig persoon die hij heeft overgenomen, te verzekeren. De inhechtenisneming en de andere maatregelen dienen in overeenstemming te zijn met de wet van de betrokken Staat, doch mogen niet langer duren dan redelijkerwijs noodzakelijk is voor het instellen van een strafvervolging of uitleveringsprocedure.
  3. Een ieder die ingevolge het voorgaande lid in hechtenis is genomen wordt in de gelegenheid gesteld onmiddellijk in verbinding te treden met de dichtstbijzijnde bevoegde vertegenwoordiger van de Staat waarvan hij onderdaan is.
  4. Iedere Verdragsluitende Staat aan wie een persoon krachtens artikel 9, eerste lid, is overgedragen of op welks grondgebied een luchtvaartuig landt nadat een handeling, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, is begaan, stelt terstond een voorlopig onderzoek in naar de feiten.
  5. Wanneer een Staat, krachtens het bepaalde in dit artikel iemand in hechtenis heeft genomen, verwittigd hij onmiddellijk de Staat waar het vliegtuig is ingeschreven en de Staat waarvan de in hechtenis genomen persoon onderdaan is en, indien hij dit nodig oordeelt, iedere andere belanghebbende Staat van het feit dat de betrokken persoon in hechtenis is genomen en van de omstandigheden die zijn hechtenis rechtvaardigen. De Staat die het voorlopig onderzoek bedoeld in het vierde lid van dit artikel instelt, deelt zijn bevindingen onverwijld mede aan genoemde Staten en geeft tevens aan of hij voornemens is zijn rechtsmacht uit te oefenen.

  Art. 14. 1. Wanneer iemand krachtens de bepalingen van artikel 8, eerste lid, het luchtvaartuig heeft moeten verlaten of krachtens de bepalingen van artikel 9, eerste lid, is overgedragen of het luchtvaartuig heeft verlaten na een handeling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, te hebben begaan en wanneer deze persoon zijn reis niet kan of niet wenst voort te zetten en de Staat waar het luchtvaartuig is geland weigert hem toe te laten, kan deze Staat, indien betrokkene geen onderdaan of ingezetene van die Staat is, hem terugzenden naar het grondgebied van de Staat waarvan hij onderdaan of ingezetene is of naar het grondgebied van de Staat waar hij zijn luchtreis aanving.
  2. Nocht het van boord gaan, noch het overdragen, noch het in hechtenis nemen of andere maatregelen bedoeld in artikel 13, tweede lid, noch het terugzenden van betrokkene wordt beschouwd als toelating tot het grondgebied van de betrokken Verdragsluitende Staat in de zin van de wet van die Staat inzake het binnenkomen of het toelaten van personen en de bepalingen van dit Verdrag laten de wetten van de Verdragsluitende Staten inzake de verwijdering van personen van hun grondgebied onverlet.

  Art. 15. 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 14 staat het iemand die krachtens de bepalingen van artikel 8, eerste lid, het luchtvaartuig heeft moeten verlaten of krachtens de bepalingen van artikel 9, eerste lid, is overgedragen of het luchtvaartuig heeft verlaten na een handeling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, te hebben begaan en die zijn reis wenst voort te zetten, vrij om zo spoedig mogelijk door te reizen naar een bestemming van zijn keuze, tenzij zijn aanwezigheid wordt vereist door de wet van de Staat waar het vliegtuig is geland voor het instellen van een uitleveringsprocedure of strafvervolging.
  2. Onverminderd zijn wetten inzake het binnenkomen van en toelaten tot, en uitlevering en uitwijzing uit zijn grondgebied verleent een Verdragsluitende Staat op welks grondgebied een persoon krachtens de bepalingen van artikel 8, eerste lid, het luchtvaartuig heeft moeten verlaten of krachtens de bepalingen van artikel 9, eerste lid, is overgedragen of het luchtvaartuig heeft verlaten onder de verdenking van een handeling te hebben begaan als bedoeld in artikel 11, eerste lid, deze persoon een behandeling die wat zijn bescherming en beveiliging betreft niet minder gunstig is dan die welke aan onderdanen van die Verdragsluitende Staat onder soortgelijke omstandigheden wordt verleend.

  HOOFDSTUK VI. - Verdere bepalingen.

  Art. 16. 1. Wat uitlevering betreft worden misdrijven en overtredingen aan boord van in een Verdragsluitende Staat ingeschreven luchtvaartuigen beschouwd alsof zij niet alleen waren gepleegd op de plaats waar dit het geval was doch ook op het grondgebied van de Staat waar het vliegtuig is ingeschreven.
  2. Onverminderd het bepaalde in het voorgaande lid mag geen bepaling van dit Verdrag zo worden uitgelegd dat zij de verplichting schept om een verzoek om uitlevering in te willigen.

  Art. 17. Wanneer de Verdragsluitende Staten een maatregel ter opsporing of aanhouding nemen of op andere wijze rechtsmacht uitoefenen in verband met een misdrijf of overtreding aan boord van een luchtvaartuig, nemen zij de veiligheid en andere belangen van de luchtvaart behoorlijk in acht en gaan zodanig te werk dat onnodig oponthoud van het luchtvaartuig, de passagiers, de bemanning of de lading wordt vermeden.

  Art. 18. Indien Verdragsluitende Staten voor het luchtvervoer gemeenschappelijke exploitatieorganisaties of internationale exploitatie-organisaties oprichten, die gebruik maken van luchtvaartuigen die niet in een bepaalde Staat zijn ingeschreven, wijzen deze Staten, al naar de omstandigheden een Staat uit hun midden aan die, wat dit Verdrag betreft, als de Staat van inschrijving zal worden beschouwd en doen daarvan mededeling aan de Internationale Burgerlijke Luchtvaartorganisatie, die op haar beurt alle Staten die partij zijn bij dit Verdrag kennis geeft van deze mededeling.

  HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.

  Art. 19. Tot aan de datum waarop dit Verdrag overeenkomstig de bepalingen van artikel 21 in werking treedt, staat het open voor ondertekening namens iedere Staat die op die datum lid is van de Verenigde Naties of van een der Gespecialiseerde Organisaties.

  Art. 20. 1. Dit Verdrag dient door de ondertekenende Staten overeenkomstig hun grondwettelijke voorschriften te worden bekrachtigd.
  2. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Internationale Burgerlijke Luchtvaartorganisatie.

  Art. 21. 1. Zodra twaalf der ondertekenende Staten hun akten van bekrachtiging hebben nedergelegd, treedt dit Verdrag tussen hen in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging van de twaalfde akte van bekrachtiging. Voor iedere Staat die het Verdrag daarna bekrachtigt treedt het Verdrag in werking op de negentigste dag na de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging.
  2. Zodra dit Verdrag in werking is getreden, wordt het door de Internationale Burgerlijke Luchtvaartorganisatie geregistreerd bij de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties.

  Art. 22. 1. Nadat dit Verdrag in werking is getreden, staat het open ter toetreding door iedere Staat die lid is van de Verenigde Naties of van een der Gespecialiseerde Organisaties.
  2. De toetreding geschiedt door het nederleggen van een akte van toetreding bij de Internationale Burgerlijke Luchtvaartorganisatie en gaat in op de negentigste dag van die nederlegging.

  Art. 23. 1. Iedere Verdragsluitende Staat kan dit Verdrag opzeggen door een tot de Internationale Burgerlijke Luchtvaartorganisatie gerichte mededeling.
  2. De opzegging wordt van kracht zes maanden na ontvangst van de desbetreffende mededeling door de Internationale Burgerlijke Luchtvaartorganisatie.

  Art. 24. 1. Ieder geschil tussen twee of meer Verdragsluitende Staten inzake de uitleg of toepassing van dit Verdrag, dat niet door onderhandelingen kan worden beslecht, wordt op verzoek van een der partijen onderworpen aan arbitrage. Indien partijen er binnen zes maanden na het verzoek om arbitrage niet in zijn geslaagd overeenstemming te bereiken over de vorm van deze arbitrage, kan ieder der betrokken partijen het geschil voorleggen aan het Internationale Gerechtshof, door middel van een verzoek overeenkomstig het Statuut van het Hof.
  2. Iedere Staat kan op het tijdstip van ondertekening of bekrachtiging of toetreding verklaren dat hij zich niet gebonden acht door het voorgaande lid. De andere Verdragsluitende Staten zijn door het voorgaande lid niet gebonden tegenover een Verdragsluitende Staat die zulk een voorbehoud heeft gemaakt.
  3. Een Verdragsluitende Staat die een voorbehoud heeft gemaakt als bedoeld in het voorgaande lid, kan dit voorbehoud te allen tijde intrekken door daarvan mededeling te doen aan de Internationale Burgerlijke Luchtvaartorganisatie.

  Art. 25. Met uitzondering van het bepaalde in artikel 24 mogen ten aanzien van dit Verdrag geen voorbehouden worden gemaakt.

  Art. 26. De Internationale Burgerlijke Luchtvaartorganisatie doet aan alle Staten die lid zijn van de Verenigde Naties of van een der Gespecialiseerde Organisaties mededeling van :
  a) iedere ondertekening van het Verdrag, alsmede van de datum van die ondertekening;
  b) de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging of toetreding, alsmede van de datum van de nederlegging;
  c) de datum waarop dit Verdrag krachtens de bepalingen van artikel 21, eerste lid, in werking treedt;
  d) de ontvangst van iedere mededeling van opzegging, alsmede van de datum van ontvangst;
  e) de ontvangst van iedere verklaring of mededeling krachtens artikel 24, alsmede van de datum van ontvangst.
  Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
  Gedaan te Tokio, de veertiende spetember 1963, in drie authentieke teksten in de Franse, de Engelse en de Spaanse taal.

  Bijlagen.

  Art. N1. Dit Verdrag wordt nedergelegd bij de Internationale Burgerlijke Luchtvaartorganisatie, waar het overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 voor ondertekening openstaat, en genoemde organisatie zendt gewaarmerkte afschriften van dit Verdrag aan alle Staten die lid zijn van de Verenigde Naties of van een der Gespecialiseerde Organisaties.

  Art. N2. Namens de volgende Staten werd dit Verdrag ondertekend :
  Kongo (Brazaville), Verenigde Staten van Amerika, Guatemala, Indonesie, Italie, Japan, Liberia, Panama, Philippijnen, China, Opper-Volta, Bondsrepubliek Duitsland, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannie en Noord-Ierland, Heilige Stoel, Zweden, Zuid-Slavie, Senegal, Portugal, Venezuela, Spanje, Ierland, Canada, Nigeria, Pakistan, Korea, Denemarken, Noorwegen, Saoedi Arabie, Nederland, Israel, Columbia, Belgie (M. A.X. Pirson, Permanent Vertegenwoordiger bij de O.A.C.I.), Mexico, Brazilie, Niger, Barbados, Ecuador, Frankrijk, Griekenland, Finland en Zwitserland.

                           Lijst der gebonden Staten.
  STATEN                   DATUM VAN         DATUM VAN      ZIE CN-nummer
                         BEKRACHTIGING   B   INWERKING
                          TOETREDING     T    TREDING
  ---------------------------------------------------------------------------
  Duitsland (Bondsrep.)   16.12.1969     B   16.03.1970
  Saoedi-Arabie           21.11.1969     B   19.02.1970
  Australie               22.06.1970     T   20.09.1970
  Belgie                  06.08.1970     B   04.11.1970
  Bolivia                 05.07.1979     T   03.10.1979   %%1963-09-14/31%%
  Brazilie                14.01.1970     B   14.04.1970
  Canada                  07.11.1969     B   05.02.1970
  China                   28.02.1966     B   04.12.1969
  Ivoorkust               03.06.1970     T   01.09.1970
  Denemarken              17.01.1967     B   04.12.1969
  El Salvador             13.02.1980     T   13.05.1980   %%1963-09-14/31%%
  Ver. Arabische          16.04.1981     T   15.07.1981   %%1963-09-14/31%%
   Emiraten
  Ecuador                 03.12.1969     B   03.03.1970
  Spanje                  01.10.1969     B   30.12.1969
  Ver. Staten van         05.09.1969     B   04.12.1969
   Amerika
  Ethiopie                27.03.1979     T   25.06.1979   %%1963-09-14/31%%
  Gabon                   14.01.1970     T   14.04.1970
  Opper-Volta             06.06.1969     B   04.12.1969
  Ijsland                 16.03.1970     T   14.06.1970
  Israel                  19.09.1969     B   18.12.1969
  Italie                  18.10.1968     B   04.12.1969
  Japan                   26.05.1970     B   24.08.1970
  Kenia                   22.06.1970     T   20.09.1970
  Koeweit                 27.11.1979     T   25.02.1980   %%1963-09-14/31%%
  Madagascar              02.12.1969     B   02.03.1970
  Mexico                  18.03.1969     B   04.12.1969
  Niger                   27.06.1969     B   04.12.1969
  Nigeria                 07.04.1970     B   06.07.1970
  Noorwegen               17.01.1967     B   04.12.1969
  Nederland (1)           14.11.1969     B   12.02.1970
  Suriname (1)            10.09.1979                      %%1963-09-14/31%%
   (Opvolging)
  Philippijnen            26.11.1965     B   04.12.1969
  Portugal                25.11.1964     B   04.12.1969
  Katar                   06.08.1981     T   05.12.1981   %%1963-09-14/31%%
  Syrische Arabische      31.07.1980     T   29.10.1980   %%1963-09-14/31%%
   Rep.
  Verenigd-Koninkrijk     29.11.1968     B   04.12.1969
   (2) 
  Vietnam                 10.10.1979     T   08.01.1980   %%1963-09-14/31%%
  Zweden                  17.01.1967     B   04.12.1969
  (1) Verklaring : " Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, kan de
      Overeenkomst ten aanzien van Suriname en/of de Nederlandse Antillen
      slechts in werking treden op de negentigste dag van de datum waarop de
      Regering van het Koninkrijk der Nederlanden de Organisatie van de
      Internationale Burgerlijke Luchtvaart ervan in kennis heeft gesteld
      dat in Suriname en op de Nederlandse Antillen de nodige maatregelen
      werden getroffen om aan de bepalingen van voornoemde Overeenkomst
      uitwerking te geven ".
  (2) Verklaring : " ... de bepalingen van de Overeenkomst zijn niet van
      toepassing ten aanzien van Zuid-Rhodesia tenzij de Regering van het
      Verenigd Koninkrijk de Organisatie van de Internationale Burgerlijke
      Luchtvaart ervan in kennis stelt dat zij in staat is na te gaan dat de
      door de Overeenkomst opgelegde verplichtingen volledig kunnen worden
      uitgevoerd wat dat grondgebied betreft ".


Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Staten die partij zijn bij dit Verdrag.
   Zijn als volgt overeengekomen :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Franstalige versie