J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Verslag aan de Koning Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 982 uitvoeringbesluiten 8 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1958/01/07/1958010703/justel

Titel
7 JANUARI 1958. - Wet betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-1989 en tekstbijwerking tot 09-05-2014)

Publicatie : 07-02-1958 nummer :   1958010703 bladzijde : 748
Dossiernummer : 1958-01-07/01
Inwerkingtreding : 01-01-1958

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen.
Art. 1, 1/1, 2-5, 5bis
HOOFDSTUK II. Inning en invordering der bijdragen.
Art. 6-8
HOOFDSTUK III. Toekenning en uitkering der prestaties.
Art. 9-11
HOOFDSTUK IV. Controle.
Art. 12-13, 13bis, 14
HOOFDSTUK V. - Sancties.
Art. 15-16, 16bis, 17-19, 19bis, 19ter, 19quater, 20
HOOFDSTUK VI. Verjaring.
Art. 21
HOOFDSTUK VII. Rechtsmacht.
Art. 22, 22bis
HOOFDSTUK VIII. Overgangsbepalingen.
Art. 23-25

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. _ Algemene bepalingen.

  Artikel 1. (De Koning kan, in de vormen bepaald bij de (wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités) collectieve arbeidsovereenkomsten algemeen verbindend verklaren waarbij deze comités Fondsen voor bestaanszekerheid oprichten met het oog op: <KB 1-03-1971, art. 10, 1°>
  1° het financieren, toekennen en uitkeren van sociale voordelen aan bepaalde personen;
  2° het financieren en organiseren van de vakopleiding van de werknemers en van de jongeren;
  3° het financieren en verzekeren van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers in het algemeen.) <W 18-12-1968, art. 1>
  De aard, de omvang en de toekenningsvoorwaarden van deze voordelen worden in dezelfde vormen bepaald.
  Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bepaling van artikel 5 van de besluitwet van 25 februari 1947 betreffende het toekennen van loon aan de werknemers voor een bepaald aantal feestdagen per jaar, gewijzigd bij de wet van 30 december 1950.

  Art. 1/1. [1 Als het Fonds voor bestaanszekerheid de opdracht van inrichter heeft in de zin van artikel 3, § 1, 5°, a), van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige voordelen inzake sociale zekerheid, dan verstaat men voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, in voorkomend geval, onder de formulering "paritaire comité" de formulering "paritaire comités.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/01, art. 22, 009; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Art. 2. De Fondsen voor bestaanszekerheid genieten rechtspersoonlijkheid.
  Hun statuten worden door de paritaire comités vastgesteld en bindend verklaard in de bij artikel 1 bepaalde vormen.
  De benaming "Fonds voor bestaanszekerheid" mag uitsluitend gebruikt worden door de bij toepassing van deze wet ingestelde lichamen.

  Art. 3. De Fondsen voor bestaanszekerheid worden paritair beheerd door vertegenwoordigers van de werkgevers en van de werknemers.

  Art. 4. De statuten der Fondsen voor bestaanszekerheid moeten vermelden:
  1° (de benaming en het adres van de zetel van het Fonds;) <W 2007-04-25/38, art. 65, 006; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  2° Het doel waarvoor het ingesteld is;
  3° De personen die de door het Fonds verleende voordelen kunnen genieten, de aard dezer voordelen en de modaliteiten van toekenning en van uitkering;
  4° De categorieén van werkgevers die de bijdragen, bestemd voor de financiering van de voordelen, moeten betalen;
  5° Het bedrag of de wijze van vaststelling dezer bijdragen en de wijze van inning;
  6° De wijze van benoeming en de bevoegdheden van de beheerders;
  7° De wijze van vaststelling van de balans en van de rekeningen;
  8° De wijze en het tijdstip waarop het beheersorgaan van het Fonds aan het paritair comité verslag doet over het vervullen van zijn opdracht;
  9° De wijze van ontbinding, van vereffening en aanwending van het vermogen.

  Art. 5. Het beheersorgaan bepaalt elk jaar het deel van de ontvangsten dat mag worden aangewend om de bestuurskosten van de Fondsen te dekken.
  Het beheersorgaan bepaalt de kosten die als bestuurskosten mogen worden aangerekend. Zij omvatten inzonderheid :
  1° De kosten van inning en invordering der bijdragen;
  2° De kosten van uitkering der prestaties;
  3° De kosten van de bij artikel 13 ingestelde controle.

  Art. 5bis. <ingevoegd bij W 2008-06-08/31, art. 65; Inwerkingtreding : 26-06-2008> De Fondsen voor bestaanszekerheid waarborgen dat de voordelen die zij toekennen kosteloos zijn voor de rechthebbenden.
  Geen enkele kost mag op enigerwijze ten laste van de rechthebbende worden gelegd.

  HOOFDSTUK II. _ Inning en invordering der bijdragen.

  Art. 6. Wanneer de statuten voorschrijven dat het Fonds zelf de inning en de invordering der bijdragen verzekert, bepalen zij de termijn binnen welke de betrokken werkgevers de verschuldigde bijdrage moeten betalen.
  De statuten kunnen eveneens de bijslag en de rente bepalen,verschuldigd door de werkgevers die de termijn niet in acht nemen. De bijslagen en de rentevoet mogen niet hoger zijn dan het percentage vastgesteld voor de bijdragen voor sociale zekerheid bij toepassing van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

  Art. 7. <W 18-12-1968, art. 2> De statuten kunnen bepalen dat de bijdragen worden geïnd of ingevorderd door een van de instellingen belast met de inning van de bijdragen voor sociale zekerheid. In voorkomend geval worden de voorwaarden van deze tussenkomst vooraf door het paritair comité in gemeen overleg met bedoelde instelling bepaald.
  In dat geval zijn de wijzen van berekening, van inning en van invordering van deze bijdragen dezelfde als deze van de sociale zekerheidsbijdragen met wier inning de instelling is belast. Het is eveneens zo wat betreft de bijdrageopslagen en de verwijlinteresten.

  Art. 8.(Opgeheven) <W 18-12-1968, art. 7, 2°>.

  HOOFDSTUK III. _ Toekenning en uitkering der prestaties.

  Art. 9. De statuten kunnen bepalen dat de prestaties uitgekeerd worden door één of meer lichamen belast met het uitkeren van de prestaties van sociale zekerheid.
  In dat geval worden de voorwaarden van tussenkomst van deze lichamen bepaald in gemeen overleg met het Fonds.

  Art. 10. De bepalingen van artikel 8 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders zijn van toepassing op de prestaties van de bestaanszekerheid.

  Art. 11. De uitkering van de prestaties mag in geen geval afhankelijk gesteld worden van de betaling, door één of meer werkgevers, van de bij artikel 4 bepaalde bijdragen.

  HOOFDSTUK IV. _ Controle.

  Art. 12. (Onverminderd de toepassing van de artikelen 52 en 53 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités) wordt op het beheer van elk Fonds een controle uitgeoefend door een revisor of een accountant. Deze revisor of accountant wordt aangewezen door het bevoegd paritair comité. Ingeval het paritair comité het niet eens wordt over een bepaalde naam, stelt het twee namen voor aan de Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg, die beslist. <KB 1-03-1971, art. 10, 2°.>.
  Deze revisor of accountant heeft een onbeperkt recht van toezicht en onderzoek over al de boekhoudkundige verrichtingen van het Fonds, doch mag zich nooit met het beheer inlaten.
  Hij kan ter plaatse inzage nemen van de boeken, de briefwisseling, de notulen en om het even welke geschriften van het Fonds.
  De revisor of accountant deelt aan het beheersorgaan van het Fonds geregeld de uitslag van zijn onderzoek mede en doet alle aanbevelingen die hij nuttig acht.

  Art. 13. De revisor of accountant brengt minstens éénmaal per jaar verslag uit over zijn opdracht aan het bevoegd paritair comité, dat er een afschrift van overmaakt aan de Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg.
  Dit verslag wordt samen met het jaarverslag van het Fonds openbaar gemaakt.

  Art. 13bis. <Ingevoegd bij W 1998-02-13/32, art. 73; Inwerkingtreding : 01-03-1998> De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, en na advies van de Nationale Arbeidsraad, de maatregelen inzake controle op de fondsen voor bestaanszekerheid bepalen alsmede de sancties in geval van niet-naleving van deze controlemaatregelen.

  Art. 14. Bij verstoring van het financieel evenwicht,waardoor het bestaan van het Fonds of het uitkeren der prestaties in gevaar gebracht wordt,verzoekt de Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg,na verslag van de revisor of accountant,het bevoegd paritair comité de nodige maatregelen te treffen. Het verzoek van de Minister moet met redenen omkleed zijn.
  Indien het paritair comité deze maatregelen niet treft binnen de door de Minister vastgestelde termijn, worden ze door de Koning ambtshalve vastgesteld.
  De aldus door de Koning ambtshalve vastgestelde maatregelen blijven van toepassing tot de Koning (een collectieve arbeidsovereenkomst daaromtrent, in het paritair comité gesloten, algemeen verbindend heeft verklaard) <KB 1-03-1971, art. 10, 3°>.

  HOOFDSTUK V. - Sancties.

  Art. 15.[1 De inbreuken op de bepalingen van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
   De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 41, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Art. 16.[1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 14°, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Art. 16bis.[1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 14°, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Art. 17.[1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 14°, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Art. 18.[1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 14°, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Art. 19.[1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 14°, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Art. 19bis.[1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 14°, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Art. 19ter.[1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 14°, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Art. 19quater.[1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 14°, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Art. 20. Onverminderd de eventuele strafvervolging, kan van het voordeel der prestaties, uitgekeerd door het Fonds voor bestaanszekerheid, worden uitgesloten voor ten hoogste dertien weken, of zesentwintig weken in geval van herhaling,ieder die deze prestaties ten onrechte verkregen heeft of getracht heeft te verkrijgen,hetzij op grond van een onjuiste,onvolledige of laattijdige aangifte,hetzij door na te laten een aangifte te doen waartoe hij verplicht is, hetzij door een onjuist of vervalst bescheid over te leggen.

  HOOFDSTUK VI. _ Verjaring.

  Art. 21. Verjaart na drie jaar:
  1° Vanaf de datum waarop de bijdrage eisbaar wordt, vordering tegen een werkgever wegens het niet-betalen van deze bijdrage;
  2° Vanaf de datum waarop de prestatie moest worden uitgekeerd, de vordering van een gerechtigde tegen het Fonds voor bestaanszekerheid.

  HOOFDSTUK VII. _ Rechtsmacht.

  Art. 22. <W 10-10-1967, art. 3, art. 75.> De arbeidsrechtbank doet uitspraak over de geschillen omtrent rechten die uit deze wet voortvloeien, en past, op verzoek van de fondsen voor bestaanszekerheid, de in artikel 20 van deze wet bepaalde sanctie toe.

  Art. 22bis. <W 15-07-1970, art. 68> De betwistingen omtrent de betaling der bijdragen die aan de fondsen voor bestaanszekerheid verschuldigd zijn, vallen binnen de bevoegdheid van de arbeidsrechtbanken. Deze doen uitspraak in laatste aanleg tot een bedrag ten belope van 3.600 frank.

  HOOFDSTUK VIII. _ Overgangsbepalingen.

  Art. 23. De Fondsen voor bestaanszekerheid, welke beoogd zijn bij artikel 2 van de wet van 28 juli 1953, gewijzigd bij de wet van 23 mei 1956 en van 29 december 1956, en die welke na de inwerkingtreding van evengenoemde wet ingesteld zijn bij beslissing van een paritair comité, bindend verklaard in de vormen voorgeschreven bij de besluitwet van 9 juni 1945 tot vaststelling van het statuut der paritaire comités, blijven bestaan en vallen onder de toepassing van deze wet.
  De betrokken paritaire comités zijn verplicht de bepalingen waaronder deze Fondsen vallen, in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze wet. Zo deze paritaire comités verzuimen, binnen één jaar na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, nieuwe statutaire bepalingen vast te stellen, worden deze ambtshalve door de Koning vastgesteld.
  De aldus door de koning ambtshalve vastgestelde bepalingen blijven van toepassing tot de nieuwe statutaire bepalingen, vastgesteld door het paritair comité, in de vormen bepaald bij de besluitwet van 9 juni 1945 (of de wet van 5 december 1968), bindend verklaard worden. <KB 1-03-1971, art. 10, 4°. >.
  (Wat betreft het Fonds voor bestaanszekerheid voor de arbeiders uit de kolenhandel van Antwerpen en omliggende, blijven de modaliteiten tot vaststelling en inning van de bijdragen die vóór 1 januari 1953 bestonden, van toepassing. De Koning kan de collectieve arbeidsovereenkomsten van het Paritair Comité voor de kolenhandel van Antwerpen en omliggende, waarbij het bedrag van de bijdragen wordt gewijzigd, algemeen verbindend verklaren.) <W 18-12-1968, art. 5>.

  Art. 24. De wet van 28 juli 1953, gewijzigd bij de wet van 23 mei 1956 en van 29 december 1956, heeft geen uitwerking meer vanaf de datum waarop deze wet in werking treedt, behalve wat betreft:
  1° De Fondsen voor bestaanszekerheid die hun statuten moeten regulariseren overeenkomstig artikel 23, lid 1, en waarvoor de wet van 28 juli 1953 geacht wordt verlengd te zijn tot de gewijzigde statuten bekendgemaakt worden;
  2° De bepalingen die het voorwerp uitmaken van artikel 2 van voormelde wet van 28 juli 1953 blijven van kracht.

  Art. 25. Deze wet treedt in werking op 1 januari 1958.
  Evenwel blijven de tegenstrijdige bepalingen van de statuten van de Fondsen, bedoeld in artikel 23, lid 1, van toepassing tot zij in overeenstemming gebracht zijn met de bepalingen van deze wet.

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 05-05-2014 GEPUBL. OP 09-05-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 1/1)
  • BEELD
  • WET VAN 06-06-2010 GEPUBL. OP 01-07-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 15)
    (GEWIJZIGDE ART. : 16; 16bis; 17; 18; 19; 19bis; 19ter; 19quater)
  • BEELD
  • WET VAN 08-06-2008 GEPUBL. OP 16-06-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 5BIS; 16)
  • BEELD
  • WET VAN 25-04-2007 GEPUBL. OP 08-05-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 4)
  • BEELD
  • WET VAN 13-02-1998 GEPUBL. OP 19-02-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 13BIS; 19)
  • WET VAN 23-03-1994 GEPUBL. OP 30-03-1994
    (GEWIJZIGD ART. : 19BIS)
  • WET VAN 08-07-1991 GEPUBL. OP 22-10-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 19BIS)
  • WET VAN 22-12-1989 GEPUBL. OP 30-12-1989
    (GEWIJZIGD ART. : 19QUA)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       Gewijzigd bij: W. 10 oktober 1967 (B.S. 31 oktober 1967); W. 18 december 1968 (B.S. 30 januari 1969); K.B. 1 maart 1971 (B.S. 11 maart 1971).

    Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       ZITTIJD 1952-1953. Senaat. Parlementaire bescheiden. _ Wetsontwerp nr. 318 van 2 juni 1953. Verslag nr. 412 van 1 juli 1953. _ Amendementen nr. 421 van 2 juli 1953 en nr. 439 van 7 juli 1953. Parlementaire Handelingen. _ Bespreking. Vergadering van 2 juli 1953. _ Aanneming. Vergadering van 7 juli 1953. ZITTIJD 1955-1956. Senaat. Parlementaire bescheiden. _ Amendement voorgedragen door de Regering nr. 111 van 11 februari 1956. _ Verslag nr. 315 van 21 juni 1956. Parlementaire Handelingen. _ Bespreking. Vergadering van 26 juni 1956. _ Aanneming. Vergadering van 27 juni 1956. Kamer der Volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. _ Wetsontwerp overgemaakt door de Senaat nr. 568/1 van 27 juni 1956. ZITTIJD 1956-1957. Kamer der Volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. _ Amendement nr. 568/2 van 6 februari 1957. _ Verslag nr. 568/3 van 21 februari 1957. _ Amendementen nr. 568/4 van 27 februari 1957 en nr. 568/5 van 21 maart 1957. _ Aanvullend verslag nr. 568/6 van 28 maart 1957. Amendement nr. 568/7 van 3 april 1957. Parlementaire Handelingen. _ Bespreking. Vergaderingen van 26 maart 1957 en 4 april 1957. _ Aanneming. Vergadering van 4 april 1957. Senaat. Parlementaire bescheiden. _ Geamendeerd wetsontwerp overgemaakt door de Kamer van Volksvertegenwoordigers nr. 237 van 4 april 1957. ZITTIJD 1957-1958. Senaat. Parlementaire bescheiden. _ Verslag nr. 78 van 12 december 1957. Parlementaire Handelingen. _ Bespreking en aanneming. Vergadering van 17 december 1957. Kamer der volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. _ Opnieuw gewijzigd wetsontwerp overgemaakt door de Senaat nr. 568/8 van 17 december 1957. _ Verslag nr. 568/9 van 18 december 1957. Parlementaire Handelingen. _ Bespreking en aanneming. Vergadering van 19 december 1957. Het K.B. van 7 januari 1958 werd gewijzigd bij: W. 10 oktober 1967 (B.S. 31 oktober 1967); W. 18 december 1968 (B.S. 30 januari 1969); K.B. 1 maart 1971 (B.S. 11 maart 1971). GEWONE ZITTIJDEN 1963-1964 en 1964-1965. Senaat. Parlementaire bescheiden. _ Wetsontwerp nr. 60 van 10 december 1963. _ Verslag nr. 170 van 9 maart 1965,van de heer De Baeck. _ Amendementen nr. 170, 271, 272, 279, 280, 320, 321, 322, 323, 324, 325, 326, 327, 333, 335, 336, 338, 339, 340, 343, 344, 345, 346 en 362. Parlementaire handelingen. _ Bespreking : vergadering van 6 april 1965. _ Aanneming: vergadering van 7 april 1965. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. _ Wetsontwerp nr. 1040 van 7 april 1965. _ Amendementen nr. 59-2 tot 59-57. GEWONE ZITTIJD 1966-1967. Verslag nr. 59-49 van 1 juni 1967 van de heer Hermans en errata nr. 59-49. _ Tekst aangenomen door de Commissie van Justitie van 1 juni 1967, nr. 59-50. Parlementaire handelingen. _ Bespreking : vergaderingen van 21 en 22 juni 1967. _ Aanneming : vergadering van 22 juni 1967. Senaat. Parlementaire bescheiden. _ Wetsontwerp nr. 323 van 22 juni 1967. _ Verslag nr. 328 van 26 juni 1967 van de heer De Baeck
    . _ Amendementen nr. 335, 336 en 340. Parlementaire handelingen. _ Bespreking : vergaderingen van 27 en 29 juni 1967. _ Aanneming : vergadering van 29 juni 1967. ZITTING 1965-1966. Kamer van Volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. _ Wetsontwerp, nr. 263/ 1. ZITTING 1966-1967. Kamer van Volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. Amendement, nr. 263/2. _ Verslag, nr. 263/3. _ Amendement, nr. 263/4. Parlementaire Handelingen. _ Vergaderingen van 7 en 8 juni 1967. Senaat. Parlementaire bescheiden. _ Wetsontwerp, nr. 287. ZITTING 1968-1969. Senaat. Parlementaire bescheiden. _ Verslag, nr. 51. Parlementaire Handelingen. _ Vergadering van 18 december 1968.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Verslag aan de Koning Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 982 uitvoeringbesluiten 8 gearchiveerde versies
    Franstalige versie