J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 1 gearchiveerde versie
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
12 OKTOBER 1929. - Internationaal Verdrag tot het brengen van eenheid in eenige bepalingen inzake het internationaal luchtvervoer, geteekend te Warschau op 12 October 1929.
(NOTA : Vertaling.)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-01-1987 en tekstbijwerking tot 14-10-2003).

Publicatie : 24-09-1936 nummer :   1929101250 bladzijde : 5999
Dossiernummer : 1929-10-12/30
Inwerkingtreding : 04-10-1936

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Onderwerp. - Definities.
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - Vervoerbewijzen.
Afdeling 1. - Reisbiljet.
Art. 3
Afdeling 2. - Bagagebiljet.
Art. 4
Afdeling 3. - Documenten betreffende goederen. <V 1975-09-25/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003>
Art. 5-16
HOOFDSTUK III. - Aansprakelijkheid van den vervoerder.
Art. 17-25, 25A, 26-30, 30A
HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende gecombineerd vervoer.
Art. 31
HOOFDSTUK V. - Algemeene bepalingen en slotbepalingen.
Art. 32-40, 40A, 41
ADDITIONEEL PROTOCOL
Art. N1-N5

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Onderwerp. - Definities.

  Artikel 1. 1. Dit Verdrag is toepasselijk op alle internationaal vervoer van personen, bagage of goederen, dat met luchtvaartuigen tegen betaling plaats heeft. Het is eveneens toepasselijk op het kosteloos vervoer met luchtvaartuigen, door een luchtvervoeronderneming bewerkstelligd.
  2. (Onder internationaal vervoer in de zin van dit Verdrag wordt verstaan alle vervoer, waarbij volgens de overeenkomst tussen partijen de plaats van vertrek en de plaats van bestemming, zij er al dan niet onderbreking van het vervoer of overlading, zijn gelegen hetzij op het grondgebied van twee Hoge Verdragsluitende Partijen, hetzij op het grondgebied van een enkele Hoge Verdragsluitende Partij indien een tussenlanding wordt voorzien binnen het grondgebied van een andere Staat, zelfs indien deze Staat geen Hoge Verdragsluitende Partij is. Het vervoer, zonder een zodanige tussenlanding, tussen twee punten binnen het grondgebied van een enkele Hoge Verdragsluitende Partij, wordt niet beschouwd als internationaal in de zin van dit Verdrag.
  3. Het vervoer, te bewerkstelligen door verschillende opeenvolgende luchtvervoerders, wordt voor de toepassing van dit Verdrag geacht een enkel vervoer te vormen, wanneer het door de partijen als een enkele handeling is beschouwd, of het nu in de vorm van een enkele overeenkomst, dan wel in de vorm van een reeks van overeenkomsten is gesloten, en het verliest zijn internationaal karakter niet door de omstandigheid, dat een enkele overeenkomst of een reeks van overeenkomsten ten volle moet worden uitgevoerd binnen het grondgebied van dezelfde Staat.) <Prot. 28-09-1955, art. 1>

  Art. 2. 1. Het Verdrag is op vervoer, bewerkstelligd door den Staat of door andere openbare lichamen, van toepassing onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 1.
  2. (Bij het vervoer van postzendingen is de vervoerder slechts aansprakelijk tegenover de betrokken postadministratie overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op de verhouding tussen de vervoerders en de postadministraties.) <V 1975-09-25/31, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003>
  (3. Behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel zijn de bepalingen van dit Verdrag niet van toepassing op het vervoer van postzendingen.) <V 1975-09-25/31, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003>

  HOOFDSTUK II. - Vervoerbewijzen.

  Afdeling 1. - Reisbiljet.

  Art. 3. <Prot. 28-09-1955, art. 3> 1. Bij het vervoer van reizigers moet een reisbiljet worden uitgereikt bevattende :
  a) de aanduiding van de plaatsen van vertrek en van bestemming;
  b) indien de plaatsen van vertrek en van bestemming binnen het grondgebied van een enkele Hoge Verdragsluitende Partij zijn gelegen, terwijl een of meer tussenlandingen worden voorzien binnen het grondgebied van een andere Staat, de aanduiding van ťťn van de plaatsen van tussenlanding;
  c) een mededeling, welke aangeeft, dat, indien reizigers een reis ondernemen met een eindbestemming of een tussenlanding in een ander land dan het land van vertrek, hun vervoer onder de bepalingen kan vallen van het Verdrag van Warschau, hetwelk in het algemeen de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van dood of lichamelijk letsel, alsmede in geval van verlies of beschadiging van bagage.
  2. Het reisbiljet vormt, behoudens tegenbewijs, het bewijs van het sluiten van en de voorwaarden van de vervoersovereenkomst. Het ontbreken van het reisbiljet, een onnauwkeurigheid daarin of het verlies daarvan heeft invloed noch op het bestaan, noch op de geldigheid van de vervoersovereenkomst, welke desondanks zal zijn onderworpen aan de bepalingen van dit Verdrag. Indien evenwel de reizigers met toestemming van de vervoerder aan boord gaat, zonder dat een reisbiljet is uitgereikt, of indien het reisbiljet niet de in lid 1, c) van dit artikel vereiste mededeling bevat, heeft de vervoerder niet het recht zich te beroepen op de bepalingen van artikel 22.

  Afdeling 2. - Bagagebiljet.

  Art. 4. <Prot. 28-09-1955, art. 4> 1. Bij het vervoer van aangegeven bagage moet een bagagebiljet worden uitgereikt, dat tenzij het is gecombineerd met of opgenomen in een met de bepalingen van artikel 3, lid 1, overeenstemmend reisbiljet, dient te bevatten :
  a) de aanduiding van de plaatsen van vertrek en van bestemming;
  b) indien de plaatsen van vertrek en van bestemming binnen het grondgebied van een enkele Hoge Verdragsluitende Partij zijn gelegen, terwijl een of meer tussenlandingen worden voorzien binnen het grondgebied van een andere Staat, een aanduiding van ťťn van de plaatsen van tussenlanding.
  c) een mededeling, welke aangeeft, dat, indien het vervoer een eindbestemming of een tussenlanding medebrengt in een ander land dan het land van vertrek, dit vervoer onder de bepalingen kan vallen van het Verdrag van Warschau, hetwelk in het algemeen de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van verlies of beschadiging van bagage beperkt.
  2. Het bagagebiljet vormt, behoudens tegenbewijs, het bewijs van het aangeven van de bagage en van de voorwaarden van de vervoersovereenkomst. Het ontbreken van het bagagebiljet, een onnauwkeurigheid daarin of het verlies daarvan heeft invloed noch op het bestaan, noch op de geldigheid van de vervoersovereenkomst, welke desondanks zal zijn onderworpen aan de bepalingen van dit Verdrag. Indien evenwel de vervoerder de bagage aanneemt zonder dat een bagagebiljet is uitgereikt, of indien het bagagebiljet, ingeval het is niet gecombineerd met of opgenomen in een met de bepalingen van artikel 3, lid 1 c), overeenstemmend reisbiljet, niet de in het lid 1, c) van dit artikel vereiste mededeling bevat, heeft de vervoerder niet het recht zich te beroepen op de bepalingen van artikel 22, lid 2.

  Afdeling 3. - Documenten betreffende goederen. <V 1975-09-25/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003>

  Art. 5. <V 1975-09-25/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> 1. Bij het vervoer van goederen moet een luchtvrachtbrief worden uitgereikt.
  2. De uitreiking van een luchtvrachtbrief kan, met toestemming van de afzender, vervangen worden door het gebruik van ieder ander middel waardoor de gegevens betreffende het te verrichten vervoer worden vastgelegd. Indien van zodanig ander middel gebruik wordt gemaakt, reikt de vervoerder aan de afzender, op diens verzoek, een ontvangstbewijs voor de goederen uit, dat identificatie van de zending mogelijk maakt en toegang geeft tot de door die andere middelen vastgelegde gegevens.
  3. De onmogelijkheid om op de plaatsen van doorvoer en bestemming gebruik te maken van de andere middelen, waardoor de gegevens betreffende het vervoer kunnen worden vastgelegd, zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel, geeft de vervoerder niet het recht te weigeren de goederen ten vervoer aan te nemen.

  Art. 6. <V 1975-09-25/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> 1. De luchtvrachtbrief wordt door de afzender opgemaakt in drie oorspronkelijke exemplaren.
  2. Het eerste exemplaar bevat de vermelding " voor de vervoerder "; het wordt getekend door de afzender. Het tweede exemplaar bevat de vermelding " voor de geadresseerde "; het wordt getekend door de afzender en de vervoerder. Het derde exemplaar wordt getekend door de vervoerder en door hem, na ontvangst van de goederen, aan de afzender overhandigd.
  3. De handtekening van de vervoerder en van de afzender kunnen worden gedrukt of vervangen door een stempel.
  4. Indien, op verzoek van de afzender, de vervoerder de luchtvrachtbrief opmaakt, wordt hij, behoudens tegenbewijs, geacht namens de afzender te handelen.

  Art. 7. <V 1975-09-25/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> Wanneer er meerdere colli zijn :
  a) heeft de vervoerder van goederen het recht van de afzender te verlangen dat hij aparte luchtvrachtbrieven opmaakt;
  b) heeft de afzender het recht van de vervoerder te verlangen dat hij aparte ontvangstbewijzen uitreikt, wanneer gebruik wordt gemaakt van de andere middelen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

  Art. 8. <V 1975-09-25/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> De luchtvrachtbrief en het ontvangstbewijs voor de goederen moeten bevatten :
  a) de aanduiding van de plaatsen van vertrek en van bestemming;
  b) indien de plaatsen van vertrek en van bestemming zijn gelegen binnen het grondgebied van eenzelfde Hoge Verdragsluitende Partij, terwijl een of meer tussenlandingen worden voorzien binnen het grondgebied van een andere Staat, de aanduiding van ťťn van de plaatsen van tussenlanding;
  c) de vermelding van het gewicht van de zending.

  Art. 9. <V 1975-09-25/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> Niet-inachtneming van het bepaalde in de artikelen 5 tot en met 8 doet niet af aan het bestaan of de geldigheid van de vervoerovereenkomst, die desondanks onderworpen zal zijn aan de regels van dit Verdrag, met inbegrip van die betreffende de beperking van de aansprakelijkheid.

  Art. 10. <V 1975-09-25/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> 1. De afzender is verantwoordelijk voor de juistheid van de bijzonderheden en verklaringen betreffende de goederen die door of namens hem in de luchtvrachtbrief zijn opgenomen, of die door of namens hem aan de vervoerder zijn verstrekt voor opneming in het ontvangstbewijs voor de goederen of in de gegevens, vastgelegd door de andere middelen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.
  2. De afzender is aansprakelijk voor alle schade die door de vervoerder of door enige andere persoon jegens wie de vervoerder aansprakelijk is, wordt geleden als gevolg van de onnauwkeurigheid, onjuistheid of onvolledigheid van de bijzonderheden en verklaringen die door of namens de afzender zijn verstrekt.
  3. Behoudens het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel is de vervoerder aansprakelijk voor alle schade die door de afzender of enige andere persoon jegens wie de afzender aansprakelijk is, wordt geleden als gevolg van de onnauwkeurigheid, onjuistheid of onvolledigheid van de bijzonderheden en verklaringen die door of namens de vervoerder zijn opgenomen in het ontvangstbewijs voor de goederen of in de gegevens, vastgelegd door de andere middelen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

  Art. 11. <V 1975-09-25/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> 1. De luchtvrachtbrief en het ontvangstbewijs voor de goederen strekken, behoudens tegenbewijs, tot bewijs van het sluiten van de overeenkomst, van de ontvangst van de goederen en de vervoervoorwaarden die erin worden vermeld.
  2. De opgaven in de luchtvrachtbrief en in het ontvangstbewijs voor de goederen betreffende het gewicht, de afmetingen en de verpakking van de goederen, alsmede betreffende het aantal colli, hebben kracht van bewijs, behoudens tegenbewijs; die betreffende de hoeveelheid, de omvang en de toestand van de goederen leveren slechts bewijs op jegens de vervoerder voorzover zij door hem in tegenwoordigheid van de afzender zijn geverifieerd en daarvan melding is gemaakt in de luchtvrachtbrief, of indien het opgaven betreft die betrekking hebben op de uiterlijke staat van de goederen.

  Art. 12. <V 1975-09-25/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> 1. Onder voorwaarde dat hij al de uit de vervoerovereenkomst voortvloeiende verplichtingen nakomt, heeft de afzender het recht over de goederen te beschikken, hetzij door deze op de luchthaven van vertrek of van bestemming terug te nemen, hetzij door deze tijdens de reis bij een landing op te houden, hetzij door deze op de plaats van bestemming of tijdens de reis te doen afleveren aan een ander dan de oorspronkelijk aangewezen geadresseerde, hetzij door terugzending te vragen naar de luchthaven van vertrek, voor zover de uitoefening van dat recht geen nadeel toebrengt aan de vervoerder of aan de andere afzenders en met de verplichting de daaruit voortvloeiende kosten te vergoeden.
  2. Indien uitvoering van de opdrachten van de afzender onmogelijk is, moet de vervoerder hem daarvan onmiddellijk in kennis stellen.
  3. Indien de vervoerder de opdrachten van de afzender betreffende de beschikking over de goederen uitvoert zonder overlegging te vorderen van het aan deze uitgereikte exemplaar van de luchtvrachtbrief of ontvangstbewijs voor de goederen, is hij, behoudens zijn recht van verhaal op de afzender, aansprakelijk voor de schade die daardoor veroorzaakt mocht worden aan de regelmatige houder van de luchtvrachtbrief of van het ontvangstbewijs voor de goederen.
  4. Het recht van de afzender eindigt op het moment waarop dat van de geadresseerde begint overeenkomstig artikel 13. Indien evenwel de geadresseerde de goederen weigert of indien hij niet kan worden bereikt, herkrijgt de afzender zijn beschikkingsrecht.

  Art. 13. <V 1975-09-25/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> 1. Tenzij de afzender het hem ingevolge artikel 12 toekomende recht heeft uitgeoefend, heeft de geadresseerde het recht, na aankomst van de goederen op de plaats van bestemming, van de vervoerder aflevering van de goederen te vorderen tegen betaling van de verschuldigde bedragen en onder naleving van de vervoervoorwaarden.
  2. Tenzij anders is bedongen, moet de vervoerder de geadresseerde onmiddellijk in kennis stellen van de aankomst van de goederen.
  3. Indien het verlies van de goederen door de vervoerder wordt erkend, of indien de goederen niet zijn aangekomen na afloop van een termijn van zeven dagen nadat zij hadden moeten aankomen, is de geadresseerde gerechtigd de rechten die uit de vervoerovereenkomst voortvloeien jegens de vervoerder geldend te maken.

  Art. 14. <V 1975-09-25/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> De afzender en de geadresseerde kunnen alle rechten doen gelden die hun onderscheidenlijk in de artikelen 12 en 13 zijn toegekend, ieder op zijn eigen naam, onverschillig of zij handelen in hun eigen belang of dat van een ander, onder voorwaarde dat zij de door de vervoerovereenkomst opgelegde verplichtingen nakomen.

  Art. 15. <V 1975-09-25/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> 1. De artikelen 12, 13 en 14 laten de verhouding tussen de afzender en de geadresseerde onderling en de verhouding tussen derden die hun rechten ontlenen aan de afzender of de geadresseerde, onverlet.
  2. Van de artikelen 12, 13 en 14 kan alleen worden afgeweken door een uitdrukkelijke bepaling in de luchtvrachtbrief of in het ontvangstbewijs voor de goederen.

  Art. 16. <V 1975-09-25/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> 1. De afzender is verplicht de inlichtingen en documenten te verschaffen die, vůůr de aflevering van de goederen aan de geadresseerde, nodig zijn om aan de formaliteiten inzake douane, plaatselijke rechten of politie te voldoen. De afzender is aansprakelijk jegens de vervoerder voor alle schade die het gevolg is van het ontbreken, de onvolledigheid of onnauwkeurigheid van die inlichtingen en documenten, behoudens in geval van schuld aan de zijde van de vervoerder of diens ondergeschikte
  2. De vervoerder is niet gehouden te onderzoeken of die inlichtingen en documenten juist of voldoende zijn.

  HOOFDSTUK III. - Aansprakelijkheid van den vervoerder.

  Art. 17. De vervoerder is aansprakelijk voor schade, ontstaan in geval van dood, verwonding of eenig ander lichamelijk letsel door een reiziger geleden, wanneer het ongeval, dat de schade veroorzaakte, plaats heeft gehad aan boord van het luchtvaartuig of tijdens eenige handeling verband houdende met het aan boord gaan en het verlaten van het luchtvaartuig.

  Art. 18. <V 1975-09-25/31, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> 1. De vervoerder is aansprakelijk voor de schade die wordt geleden in geval van vernieling, verlies of beschadiging van aangegeven bagage, indien de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt, plaats heeft gehad tijdens het luchtvervoer.
  2. De vervoerder is aansprakelijk voor de schade die wordt geleden in geval van vernieling, verlies of beschadiging van goederen, op grond van het enkele feit dat de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt, heeft plaats gehad tijdens het luchtvervoer.
  3. De vervoerder is evenwel niet aansprakelijk indien hij bewijst dat de vernieling, het verlies of de beschadiging van de goederen enkel en alleen het gevolg is van een of meer van de volgende omstandigheden :
  a) de aard of een eigen gebrek van de goederen;
  b) gebrekkige verpakking van de goederen door een ander dan de vervoerder of diens ondergeschikten;
  c) een oorlogshandeling of een gewapend conflict;
  d) een overheidsdaad, verricht in verband met de invoer, uitvoer of doorvoer van de goederen.
  4. Het luchtvervoer, bedoeld in de voorgaande leden, omvat het tijdvak gedurende hetwelk de bagage of de goederen zich onder de hoede van de vervoerder bevinden, hetzij op een luchthaven, hetzij aan boord van een luchtvaartuig of waar dan ook in geval van landing buiten een luchthaven.
  5. Het tijdvak van het luchtvervoer omvat niet enig vervoer over land, zee of binnenwateren, bewerkstelligd buiten een luchthaven. Indien dergelijk vervoer evenwel plaatsvindt ter uitvoering van een luchtvervoerovereenkomst met het oog op de inlading, aflevering of overlading, wordt elke schade, behoudens tegenbewijs, geacht het gevolg te zijn van een gebeurtenis die heeft plaatsgehad tijdens het luchtvervoer.

  Art. 19. De vervoerder is aansprakelijk voor de schade, voortspruitende uit vertraging in het luchtvervoer van reizigers, bagage of goederen.

  Art. 20. <V 1975-09-25/31, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> Bij het vervoer van reizigers en bagage alsmede in geval van schade als gevolg van vertraging bij het vervoer van goederen is de vervoerder niet aansprakelijk, indien hij bewijst dat hij en zijn ondergeschikten alle nodige maatregelen genomen hebben om de schade te vermijden, of dat het hun onmogelijk was zodanige maatregelen te nemen.

  Art. 21. <V 1975-09-25/31, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> 1. Indien de vervoerder bij het vervoer van reizigers en bagage bewijst dat de schade is veroorzaakt door de schuld van de getroffen persoon, dan wel dat zodanige schuld tot de schade heeft bijgedragen, kan het gerecht de vervoerder geheel of gedeeltelijk ontheffen van zijn aansprakelijkheid overeenkomstig de bepalingen van zijn eigen wet.
  2. Indien de vervoerder bij het vervoer van goederen bewijst dat de schade is veroorzaakt door de schuld van de persoon die vergoeding vordert of van iemand aan wie deze zijn rechten ontleent, dan wel dat zodanige schuld tot de schade heeft bijgedragen, is hij geheel of gedeeltelijk ontheven van zijn aansprakelijkheid jegens die persoon voorzover die schuld de schade heeft veroorzaakt of daartoe heeft bijgedragen.

  Art. 22. <Prot. 28-09-1955, art. 11> 1. Bij het vervoer van personen is de aansprakelijkheid van de vervoerder jegens elke reiziger beperkt tot het bedrag van tweehonderdvijftigduizend frank. In het geval dat volgens de wet van de rechter, voor wie de vordering wordt aanhangig gemaakt, de schadeloosstelling kan worden bepaald in de vorm van een rente, mag de hoofdsom van de rente die grens niet te boven gaan. Evenwel kan de reiziger door een bijzondere overeenkomst met de vervoerder een hogere grens voor de aansprakelijkheid bepalen.
  2. a) Bij het vervoer van aangegeven bagage (...) is de aansprakelijkheid van de vervoerder beperkt tot het bedrag van tweehonderd vijftig frank per kilogram, behoudens bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering, gedaan door de afzender bij de afgifte van de colli aan de vervoerder en tegen betaling van een eventueel verhoogd tarief. In dat geval is de vervoerder verplicht te betalen tot het bedrag van de opgegeven som, tenzij hij bewijst, dat deze het werkelijk belang van de afzender bij de aflevering te boven gaat. <V 1975-09-25/31, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003>
  (b) Bij het vervoer van goederen is de aansprakelijkheid van de vervoerder beperkt tot het bedrag van 17 bijzondere trekkingsrechten per kilogram, behoudens bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering, gedaan door de afzender bij de afgifte van het collo aan de vervoerder en tegen betaling van een eventueel verhoogd tarief. In dat geval is de vervoerder verplicht te betalen tot het bedrag van de opgegeven som, tenzij hij bewijst dat deze het werkelijke belang van de afzender bij de aflevering te boven gaat.) <V 1975-09-25/31, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003>
  c) (vroegere b)) Bij verlies, beschadiging of vertraging van een gedeelte van de aangegeven bagage of van de goederen of van enig daarin opgenomen voorwerp, wordt ter bepaling van de aansprakelijkheidsgrens van de vervoerder alleen in aanmerking genomen het totale gewicht van het betrokken collo of van de betrokken colli. Indien evenwel het verlies, de beschadiging of de vertraging van een gedeelte van de aangegeven bagage of van de goederen of van enig daarin opgenomen voorwerp de waarde van andere colli, gedekt door hetzelfde bagagebiljet of dezelfde luchtvrachtbrief, beÔnvloedt, wordt het totale gewicht van deze colli in aanmerking genomen ter bepaling van de aansprakelijkheidsgrens. <V 1975-09-25/31, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003>
  3. Voor wat betreft de voorwerpen, welke de reiziger bij zich houdt, is de aansprakelijkheid van de vervoerder beperkt tot vijfduizend frank per reiziger.
  4. De in dit artikel vastgestelde grenzen beletten de rechter niet om volgens zijn wet daarenboven nog het geheel of een gedeelte van de gerechtskosten en van de overige proceskosten, welke door de eiser zijn gemaakt, toe te wijzen. De voorgaande bepaling is niet van toepassing, indien het bedrag van de toegewezen schadevergoeding, hierbij niet inbegrepen gerechts- en andere proceskosten, niet het bedrag te boven gaat, hetwelk de vervoerder schriftelijk aan de eiser heeft aangeboden binnen een termijn van zes maanden, gerekend vanaf de datum van het voorval, hetwelk de schade veroorzaakte, of vůůr de aanvang van het proces, indien dit na die termijn aanhangig is gemaakt.
  5. De in dit artikel in frank aangegeven bedragen worden geacht betrekking te hebben op een munteenheid gesteld op vijfenzestig en een half milligram goud van een gehalte van negenhonderd duizendste fijn. Deze bedragen kunnen in elke nationale munt in ronde cijfers worden omgezet. De omzetting van deze bedragen in niet op goud berustende nationale munt, zal in geval van een proces geschieden, overeenkomstig de goudwaarde van zodanige munt op de datum van het vonnis. "
  (6) De in dit artikel in bijzondere trekkingsrechten uitgedrukte bedragen worden geacht betrekking te hebben op het bijzondere trekkingsrecht zoals dit is omschreven door het Internationaal Muntfonds. De omrekening van de bedragen in de nationale munteenheden geschiedt, in geval van een gerechtelijke procedure, volgens de waarde van zodanige munteenheden, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, op de datum van het vonnis. De waarde van de nationale munteenheid, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, van een Hoge Verdragsluitende Partij die lid is van het Internationaal Muntfonds wordt berekend overeenkomstig de waarderingsmethode die door het Internationaal Muntfonds op de datum van het vonnis wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties. De waarde van de nationale munteenheid, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten van een Hoge Verdragsluitende Partij die geen lid is van het Internationaal Muntfonds wordt berekend op een door die Hoge Verdragsluitende Partij vastgestelde wijze.
  Niettemin kunnen Staten, die geen lid zijn van het Internationaal Muntfonds en waarvan de wet de toepassing van het bepaalde in artikel 22, tweede lid, letter b), niet toelaat, op het tijdstip van bekrachtiging of toetreding of op enig tijdstip nadien, verklaren dat de aansprakelijkheidgrens van de vervoerder in gerechtelijke procedures op hun grondgebied wordt vastgesteld op een bedrag van 250 monetaire eenheden per kilogram. Deze monetaire eenheid komt overeen met vijfenzestig en een half milligram goud van een gehalte van negenhonderd duizendste fijn. Dit bedrag kan in de betrokken nationale munteenheid in ronde cijfers worden omgerekend. De omrekening van dit bedrag in de nationale munteenheid geschiedt volgens de wet van de betrokken Staat.) <V 1975-09-25/31, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003>

  Art. 23. Elk beding, strekkende om den vervoerder te ontheffen van zijne aansprakelijkheid of om een lagere grens vast te stellen dan die, welke in dit Verdrag is bepaald, is nietig en van onwaarde, maar de nietigheid van dat beding heeft niet de nietigheid ten gevolge van de overeenkomst, welke onderworpen blijft aan de bepalingen van dit Verdrag.
  2. (Lit 1 van dit artikel is niet van toepassing op bepalingen betreffende verlies of schade tengevolge van de aard of eigen gebrek van de vervoerde goederen.) <Prot. 28-09-1955, art. 12>

  Art. 24. <V 1975-09-25/31, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> 1. Bij het vervoer van reizigers en bagage kan elke rechtsvordering tot schadevergoeding, op welke grond dan ook, slechts worden ingesteld onder de voorwaarden en binnen de grenzen bedoeld in dit Verdrag, zonder dat hiermede iets bepaald is omtrent de personen die een vordering kunnen instellen of omtrent hun onderscheiden rechten.
  2. Bij het vervoer van goederen kan elke rechtsvordering tot schadevergoeding, op welke grond dan ook, hetzij krachtens dit Verdrag, hetzij op grond van een overeenkomst, een onrechtmatige daad of anderszins, slechts worden ingesteld onder de voorwaarden en binnen de grenzen bedoeld in dit Verdrag, zonder dat hiermede iets bepaald is omtrent de personen die een vordering kunnen instellen of omtrent hun onderscheiden rechten. De bedoelde aansprakelijkheidsgrenzen vormen uiterste grenzen en mogen niet worden overschreden, ongeacht de omstandigheden die tot de aansprakelijkheid hebben geleid.

  Art. 25. <V 1975-09-25/31, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> Bij het vervoer van reizigers en bagage zijn de in artikel 22 bedoelde aansprakelijkheidsgrenzen niet van toepassing indien wordt bewezen dat de schade het gevolg is van een handelen of nalaten van de vervoerder of diens ondergeschikten, gedaan hetzij met het opzet schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien; in geval van een handelen of nalaten van ondergeschikten dient tevens te worden bewezen, dat zij hebben gehandeld in de uitoefening van hun dienstbetrekking.

  Art. 25A. <Prot. 28-09-1955, art. 13> 1. Indien een geding wordt aanhangig gemaakt tegen een ondergeschikte van de vervoerder op grond van schade, als bedoeld in dit Verdrag, zal deze ondergeschikte, indien hij bewijst, dat hij in de uitoefening van zijn dienstbetrekking heeft gehandeld, zich kunnen beroepen op de aansprakelijkheidsgrenzen, waarop de vervoerder zelf zich krachtens artikel 22 kan beroepen.
  2. Het totale bedrag van de schadevergoeding, welke in dat geval van de vervoerder en van zijn ondergeschikten kan worden verkregen, mag de genoemde grenzen niet overschrijden.
  3. (Bij het vervoer van reizigers en bagage zijn de bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel niet van toepassing, indien wordt bewezen dat de schade het gevolg is van een handelen of nalaten van de ondergeschikte, gedaan hetzij met de opzet schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.) <V 1975-09-25/31, art. 10, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003>

  Art. 26. 1. De aanneming door den geadresseerde, zonder protest, van de bagage en de goederen vestigt, behoudens tegenbewijs, het vermoeden, dat de goederen in goeden staat en in overeenstemming met het vervoerbewijs zijn afgeleverd.
  2. In geval van beschadiging moet de geadresseerde protest doen aan de vervoerder onmiddellijk na ontdekking van de beschadiging en uiterlijk binnen een termijn van zeven dagen voor de bagage en veertien dagen voor de goederen, te rekenen van de aanneming. In geval van vertraging moet het protest worden gedaan uiterlijk binnen eenentwintig dagen te rekenen van de dag, waarop de bagage of de goederen te zijner beschikking zijn gesteld.
  3. Elk protest moet worden ingebracht door middel van een op het vervoerbewijs gesteld voorbehoud of door een ander geschrift, verzonden binnen den voor dat protest aangegeven termijn.
  4. Bij gebreke van protest binnen de voorgeschreven termijnen is elke rechtsvordering tegen den vervoerder niet ontvankelijk, tenzij in geval van bedrog van dezen.

  Art. 27. In geval van overlijden van den schuldenaar wordt de rechtsvordering terzake van de aansprakelijkheid binnen de door dit Verdrag aangegeven grenzen ingesteld tegen diens rechtverkrijgenden.

  Art. 28. 1. De rechtsvordering terzake van de aansprakelijkheid moet ter keuze van den eischer worden ingesteld binnen het gebied van een der Hooge Verdragsluitende Partijen, hetzij vůůr den rechter van de woonplaats van den vervoerder, van den hoofdzetel van diens onderneming of van de plaats, waar hij een bureau heeft, door welks zorg de overeenkomst is gesloten, hetzij voor den rechter van de plaats van bestemming.
  2. De rechtspleging wordt beheerscht door de wet van den rechter, voor wien de vordering is aanhangig gemaakt.

  Art. 29. 1. De rechtsvordering terzake van de aansprakelijkheid moet, op straffe van verval, worden ingesteld binnen een termijn van twee jaar, te rekenen van de aankomst ter bestemming, of van den dag, waarop het luchtvaartuig had moeten aankomen, of van de onderbreking van het vervoer.
  2. De wijze van de berekening van den termijn wordt beheerscht door de wet van den rechter, voor wien de vordering is aanhangig gemaakt.

  Art. 30. 1. In de gevallen dat het vervoer beheerscht wordt door het gestelde in het derde lid van artikel 1, en dat het bewerkstelligd moet worden achtereenvolgens door verschillende vervoerders, is elke vervoerder, die reizigers, bagage of goederen aanneemt, onderworpen aan de in dit Verdrag gestelde bepalingen, en wordt hij geacht een der partijen te zijn, die de vervoerovereenkomst hebben gesloten, voor zoover die overeenkomst betrekking heeft op het deel van het vervoer, dat onder zijn toezicht is bewerkstelligd.
  2. In geval van zoodanig vervoer hebben de reiziger of zijn rechtverkrijgenden enkel verhaal op den vervoerder, die het vervoer heeft bewerkstelligd gedurende hetwelk het ongeval of de vertraging plaats vond, behalve in het geval, dat de eerste vervoerder bij uitdrukkelijk beding de aansprakelijkheid voor de geheele reis op zich heeft genomen.
  3. Indien het bagage of goederen betreft, heeft de afzender verhaal op den eersten vervoerder, en de geadresseerde, die recht op afgifte heeft, heeft verhaal tegen den laatsten vervoerder, en beiden kunnen daarenboven den vervoerder aanspreken, die het vervoer heeft bewerkstelligd, gedurende hetwelk de vernieling, het verlies, de beschadiging of de vertraging plaats had. Deze vervoerders zijn hoofdelijk aansprakelijk tegenover den afzender en den geadresseerde.

  Art. 30A. <Ingevoegd bij V 1975-09-25/31, art. 11; Inwerkingtreding : 17-06-2003> Dit Verdrag laat de vraag onverlet of degene die op grond van de bepalingen daarvan aansprakelijk is, verhaal heeft op een ander.

  HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende gecombineerd vervoer.

  Art. 31. 1. In geval van gecombineerd vervoer, dat plaats heeft gedeeltelijk door de lucht en gedeeltelijk met eenig ander middel van vervoer, zijn de bepalingen van dit Verdrag enkel toepasselijk op het luchtvervoer, en dat slechts indien dit aan de voorwaarden van artikel 1 beantwoordt.
  2. Geen bepaling van dit Verdrag belet partijen om in geval van gecombineerd vervoer in het luchtvervoerbewijs voorwaarden op te nemen betreffende andere wijzen van vervoer, op voorwaarde, dat de bepalingen van dit Verdrag voor wat betreft het luchtvervoer worden in acht genomen.

  HOOFDSTUK V. - Algemeene bepalingen en slotbepalingen.

  Art. 32. Nietig zijn alle bedingen in de vervoerovereenkomst en alle bijzondere overeenkomsten, getroffen vůůr het ontstaan van de schade, waarbij de partijen van de bepalingen van dit Verdrag zouden afwijken, hetzij door aanwijzing van een wet, die zou moeten worden toegepast, hetzij door een wijziging van de voorschriften betreffende de bevoegdheid des rechters. Echter zijn ten aanzien van het vervoer van goederen bedingen betreffende arbitrage toegelaten binnen de grenzen van dit Verdrag, wanneer de arbitrage plaats moet hebben binnen het rechtsgebied van de rechters, bedoeld in artikel 28, eerste lid.

  Art. 33. <V 1975-09-25/31, art. 12, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> Behoudens het bepaalde in artikel 5, derde lid, kan niets in dit Verdrag een vervoerder beletten te weigeren een vervoerovereenkomst te sluiten of regelingen te treffen die niet in tegenspraak zijn met de bepalingen van dit Verdrag.

  Art. 34. <V 1975-09-25/31, art. 13, 002; Inwerkingtreding : 17-06-2003> De bepalingen van de artikelen 3 tot en met 8 betreffende vervoersdocumenten zijn niet van toepassing op vervoer dat in bijzondere omstandigheden buiten ieder normale uitoefening van het luchtvaartbedrijf plaatsheeft.

  Art. 35. Wanneer in dit Verdrag sprake is van dagen, worden kalenderdagen en niet werkdagen bedoeld.

  Art. 36. Dit Verdrag is gesteld in de Fransche taal in ťťn enkel exemplaar, dat zal blijven berusten in de archieven van het Poolsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken, en waarvan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift door de Poolsche Regeering zal worden overgelegd aan de Regeering van elke der Hooge Verdragsluitende Partijen.

  Art. 37. 1. Dit Verdrag zal bekrachtigd worden. De bekrachtigingsoorkonden zullen worden nedergelegd in de archieven van het Poolsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken, dat van die nederlegging kennis zal geven aan de Regeering van elke der Hooge Verdragsluitende Partijen.
  2. Zoodra dit Verdrag zal zijn bekrachtigd door vijf der Hooge Verdragsluitende Partijen, zal het tusschen deze van kracht worden op den negentigsten dag na de nederlegging van de vijfde bekrachtiging. Daarna zal het van kracht worden tusschen de Hooge Verdragsluitende Partijen, die het bekrachtigd hebben, en de Hooge Verdragsluitende Partij, die haar oorkonde van bekrachtiging zal neerleggen, op den negentigsten dag na die nederlegging.
  3. Door de zorg van de Regeering van de Poolsche Republiek zal aan de Regeering van elke der Hooge Verdragsluitende Partijen de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag alsook de datum van de nederlegging van elke bekrachtigingsoorkonde worden medegedeeld.

  Art. 38. 1. De toetreding tot dit Verdrag blijft, na zijn inwerkingtreding, voor alle Staten openstaan.
  2. De toetreding heeft plaats door eene kennisgeving, gericht tot de Regeering der Poolsche Republiek, die daarvan mededeeling doet aan de Regeering van elke der Hooge Verdragsluitende Partijen.
  3. De toetreding wordt van kracht van af den negentigsten dag na de aan de Regeering van de Poolsche Republiek gedane kennisgeving.

  Art. 39. 1. Elke der Hooge Verdragsluitende Partijen kan dit Verdrag opzeggen door eene kennisgeving, gedaan aan de Regeering der Poolsche Republiek, die daarvan onmiddellijk mededeeling zal doen aan de Regeering van elke der Hooge Verdragsluitende Partijen.
  2. De opzegging wordt van kracht zes maanden na de kennisgeving van de opzegging en enkel ten aanzien van de Partij, die daartoe is overgegaan.

  Art. 40. 1. De Hooge Verdragsluitende Partijen kunnen ten tijde van de onderteekening van de nederlegging van de bekrachtigingsoorkonde of van haar toetreding, verklaren, dat het aanvaarden van dit Verdrag niet geldt ten aanzien van het geheel of van een gedeelte van hare koloniŽn, protectoraten of mandaatsgebieden, of eenig ander gebied, onderworpen aan hare souvereiniteit of aan haar gezag, of ten aanzien van eenig ander gebied onder suzereiniteit.
  2. Dientengevolge kunnen Zij later, aldus los van haar oorspronkelijke verklaring, afzonderlijk toetreden voor het geheel of voor een gedeelte van hare koloniŽn, protectoraten, mandaatsgebied of eenig ander gebied, onderworpen aan hare souvereiniteit of aan haar gezag, of voor eenig gebied onder suzereiniteit.
  3. Zij kunnen eveneens, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, hetzelve opzeggen afzonderlijk of voor het geheel of voor een gedeelte van hare koloniŽn, protectoraten, mandaatsgebieden, of eenig ander gebied, onderworpen aan hare souvereiniteit of aan haar gezag, of voor eenig ander gebied onder suzereiniteit.

  Art. 40A. <Prot. 28-09-1955, art. 17> 1. In artikel 37, lid 2, en in artikel 40, lid 1, heeft de uitdrukking Hoge Verdragsluitende Partij de betekenis van Staat. In alle andere gevallen heeft de uitdrukking Hoge Verdragsluitende Partij de betekenis van een Staat, welks bekrachtiging of toetreding tot het Verdrag van kracht is geworden en welks opzegging daarvan nog niet van kracht is geworden.
  2. Voor de toepassing van het Verdrag heeft het woord grond gebied niet alleen de betekenis van het grondgebied van het moederland van een Staat, maar ook van alle andere gebieden voor welker buitenlandse betrekkingen die Staat verantwoordelijk is.

  Art. 41. Elke der Hooge Verdragsluitende Partijen heeft de bevoegdheid, maar zulks niet eerder dan twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag, het bijeenkomen van een nieuwe Internationale Conferentie uit te lokken, met het doel de verbeteringen na te gaan, welke in dit Verdrag zouden kunnen worden aangebracht. Zij zal zich te dien einde wenden tot de Regeering der Fransche Republiek, die de maatregelen zal treffen noodig om die Conferentie voor te bereiden.
  Dit Verdrag, gesloten te Warschau, op den 12n October 1929, blijft open voor onderteekening tot den 31n Januari 1930.

  ADDITIONEEL PROTOCOL

  Art. N1. Ad Artikel 2. De Hooge Verdragsluitende Partijen behouden zich het recht voor ten tijde van de bekrachtiging of van de toetreding te verklaren, dat artikel 2, 1e lid, van dit Verdrag niet van toepassing zal zijn op het internationale luchtvervoer, bewerkstelligd rechtstreeks door den Staat, zijne koloniŽn, protectoraten, mandaatsgebieden of eenig ander gebied onder zijne souvereiniteit, zijne suzereiniteit of zijn gezag.

  Art. N2. De akte van de bekrachtiging door BelgiŽ van de Overeenkomst en het Additioneel Protocol werd den 13n Juli 1936 op het Ministerie van Buitenlandsche Zaken van Polen neergelegd. Laatstgenoemde akten zullen dus den 90n dag na dezen datum voor BelgiŽ in werking treden.

  Art. N3. Lijst der Staten die de Overeenkomst tot het brengen van een eenheid in eenige bepalingen inzake het internationaal luchtvervoer, geteekend te Warschau op 12 oktober 1929, bekrachtigd hebben.

        Staten          Datum van de       De akte van        Zie CN-nummer
                         neerlegging      bekrachtiging
                        der akten van        omvat
                        bekrachtiging
  ---------------------------------------------------------------------------
  Belgie                 13.07.1936    Over. en add. prot.
  Brazilie               02.05.1931    Over., add. prot.
                                        en slotprot.
  Commonwealth           01.08.1935    Over. en add. prot.
   Australie
  Denemarken             03.07.1937    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/45%%
  Duitsland              30.09.1933    Over. en add. prot.
  Frankrijk              15.11.1932    Over. en add. prot.
                                        (2)
  Griekenland            11.01.1938    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/47%%
  Groot-Brittannie       14.02.1933    Over. en add. prot.
                                        (3)
  Italie                 14.02.1933    Over. (4) en         %%1929-04-12/46%%
                                       add. prot.
  Ivoorkust              07.02.1962    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/51%%
  Joegoslavie            27.05.1931    Over., add. prot.
                                        en slotprot.
  Japan                  20.05.1953    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/33%%
  Kongo (Brazzaville)    05.01.1962    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/51%%
  Letland                15.11.1932    Over. en add. prot.
  Libanon                10.02.1962    Over. en add. prot   %%1929-04-12/51%%
  Nederland              01.07.1933    Over. en add. prot.
  Niger                  20.02.1962    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/51%%
  Noord-Ierland          14.02.1933    Over. en add. prot.
                                        (3)
  Noorwegen              03.07.1937    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/45%%
  Polen                  15.11.1932    Over. en add. prot.
  Roemenie               08.07.1931    Over. en add. prot.
  Spanje                 31.03.1930    Over. en add. prot.
                                        (1)
  Tsjechoslovakije       17.11.1934    Over. en add. prot.
  Unie van Zuid-Afrika   22.12.1954    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/37%%
  U.S.S.R.               20.08.1934    Over. en add. prot.
  Zwitserland            09.05.1934    Over. en add. prot.



  Art. N4. Lijst der Staten die tot gezegde Overeenkomst toegetreden zijn.

        Staten          Datum van de      De toetreding       Zie CN-nummer
                        kennisgeving         betreft
                            der
                        toetreding
  ---------------------------------------------------------------------------
  Afghanistan
  Antigua                03.12.1934    Over. en add. prot.
  Bahamas                03.12.1934    Over. en add. prot.
  Barbados               03.12.1934    Over. en add. prot.
  Basutoland             02.09.1952    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/59%%
  Bechuanaland           02.09.1952    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/59%%
  Bermuda-eilanden       03.12.1934    Over. en add. prot.
  Birma                  24.02.1938    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/48%%
  Brits-Guyana           03.12.1934    Over. en add. prot.
  Brits-Honduras         03.12.1934    Over. en add. prot.
  Brits-Indie            20.11.1934    Over. en add. prot.
  Bulgarije              25.06.1949    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/42%%
  Canada                 10.06.1947    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/40%%
  Ceylon                 03.12.1934    Over. en add. prot.
  Columbia
  Cyprus                 03.12.1934    Over. en add. prot.
  Dominica               03.12.1934    Over. en add. prot.
  Dominikaanse Rep.      25.02.1975    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/56%%
  Egypte                 06.09.1955    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/32%%
  Falkland-eilanden      03.12.1934    Over. en add. prot.
  Fidji                  03.12.1934    Over. en add. prot.
  Finland                03.07.1937    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/45%%
  Gabon
  Gambia                 03.12.1934    Over. en add. prot.
  Gibraltar              03.12.1934    Over. en add. prot.
  Gilbert en Ellice      03.12.1934    Over. en add. prot.
   eilanden
  Goudkust               03.12.1934    Over. en add. prot.
  Grenada                03.12.1934    Over. en add. prot.
  Hongarije              29.05.1936    Over. en add. prot.
  Hong-Kong              03.12.1934    Over. en add. prot.
  Ijsland                21.08.1948    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/41%%
  Jamaica                03.12.1934    Over. en add. prot.
  Kenia                  03.12.1934    Over. en add. prot.
  Kolonie Aden           24.02.1938    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/48%%
  Kongo (Leopoldstad)    27.07.1962    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/43%%
  Libie                  16.05.1969    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/52%%
  Liechtenstein          09.05.1934    Over. en add. prot.
  Malta                  03.12.1934    Over. en add. prot.
  Marokko                05.01.1958    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/31%%
  Mauritius              03.12.1934    Over. en add. prot.
  Mexico                 14.02.1933    Over. en add. prot.
  Montserrat             03.12.1934    Over. en add. prot.
  New-Foundland          06.04.1939    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/50%%
  Nieuw-Zeeland          06.04.1937    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/44%%
  Nigeria                03.12.1934    Over. en add. prot.
  Noord-Rhodesia         03.12.1934    Over. en add. prot.
  Nyassaland             03.12.1934    Over. en add. prot.
  Oeganda                03.12.1934    Over. en add. prot.
  Pakistan                                                  %%1929-04-12/36%%
  Palestina              03.12.1934    Over. en add. prot.
  Philippijnen           09.11.1950    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/35%%
  Protectoraat Aden      14.09.1938    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/49%%
  Salomons-eilanden      03.12.1934    Over. en add. prot.
  Santa-Lucia            03.12.1934    Over. en add. prot.
  Saoedi-Arabie
  Seychellen             03.12.1934    Over. en add. prot.
  Sierra leone           03.12.1934    Over. en add. prot.
  St-Christofer          03.12.1934    Over. en add. prot.
  St-Helena en           03.12.1934    Over. en add. prot.
   Ascension
  St-Vincent             03.12.1934    Over. en add. prot.
  Somaliland             03.12.1934    Over. en add. prot.
  Straits Settlements    03.12.1934    Over. en add. prot.
  Tanganjika             03.12.1934    Over. en add. prot.
  Tanzania
  Transjordanie          17.12.1937    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/46%%
  Trinidad en Tobago     03.12.1934    Over. en add. prot.
  U.S.A.                 31.07.1934    Over. en add. prot.
                                        (5)
                         15.11.1965    Opzegging            %%1929-04-12/58%%
  Virginische eilanden   03.12.1934    Over. en add. prot.
  Vrije Stad Dantzig     18.03.1935    Over. en add. prot.
  Vrijstaat Ierland      20.09.1935    Over. en add. prot.
  Zanzibar               03.12.1934    Over. en add. prot.
  Zuid-Rhodesia          03.01.1935    Over. en add. prot.
  Zwaziland              02.09.1952    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/59%%
  Zweden                 03.07.1937    Over. en add. prot.  %%1929-04-12/45%%


  (1) De Spaansche Regeering heeft bevestigd dat hare koloniŽn en de Spaansche zone van het protectoraat Marokko eveneens partij zijn bij gezegde Overeenkomst.
  (2) De Fransche Regeering maakt geen voorbehoud wat betreft de toepassing der Overeenkomst op de Fransche koloniŽn, protectoraten en landen onder Fransch mandaat.
  (3) Met de volgende verklaring :
  " Overeenkomstig de bepalingen van artikel 40 der Overeenkomst tot het brengen van eenheid in eenige bepalingen inzake het Internationaal luchtvervoer, verklaar ik, bij het nederleggen der bekrachtiging van Zijne Majesteit den Koning van Groot-BrittanniŽ, Ierland en de Britsche Overzeesche Dominions, Keizer van IndiŽ, met de betrekking tot het Vereenigd Koninkrijk Groot-BrittanniŽ en Noord-Ierland, dat de aanneming door Zijne Majesteit van de onderhavige Overeenkomst met betrekking tot het Vereenigd Koninkrijk, niet toepasselijk is op Zijne koloniŽn, protectoraten, mandaat gebieden of eenig ander grondgebied onder Zijne soevereiniteit of macht, of eenig grondgebied onder Zijne suzereiniteit. "
  (4) De Italiaansche Regeering heeft verklaard dat de Overeenkomst zich uitstrekt zoowel tot de Italiaansche eilanden der Egeesche Zee als tot de Italiaansche koloniŽn.
  (5) Met het voorbehoud voorzien in het Additioneel Protocol.
  De Overeenkomst is voor BraziliŽ, Spanje, Frankrijk, Letland, Polen, RoemeniŽ en JoegoslaviŽ den dertienden Februari 1933 in werking getreden. Voor de Staten die hunne akten van bekrachtiging hebben neergelegd of van hunne toetreding hebben kennis gegeven na den 15n November 1932 is de Overeenkomst in werking getreden den 90n dag na dien dezer nederleggingen of dezer kennisgevingen van toetreding.
  De Overeenkomst werd tot nog toe door geen der Hooge Verdragsluitende Partijen opgezegd.

  Art. N5. Lijst van de landen die gebonden zijn aan het Protocol, ondertekend te 's-Gravenhage op 28 september 1955.

  STATEN                  BEKRACHTIGING  (B)  INWERKING-     ZIE CN-NUMMER
                           TOETREDING    (T)   TREDING
  ---------------------------------------------------------------------------
  Afghanistan              20.02.1969    (T)  21.05.1969   %%1955-09-28/36%%
  Algerije                 02.06.1964    (T)  31.08.1964
  Australie                23.06.1959    (B)  01.08.1963
  Belgie                   27.08.1963    (B)  25.11.1963
  Bondsrep. Duitsland      27.10.1960    (B)  01.08.1963
  Cameroen                 23.06.1959    (B)  01.08.1963
  Canada                   18.04.1964    (B)  17.07.1964
  Columbia                 15.08.1966    (T)  13.11.1966   %%1955-09-28/34%%
  Congo (Brazzaville)      23.06.1959    (B)  01.08.1963
  Cuba                     30.08.1965    (T)  28.11.1965   %%1955-09-28/30%%
  Dahomey                  23.06.1959    (B)  01.08.1963
  Denemarken               03.05.1963    (B)  01.08.1963
  Egypte                   26.04.1956    (B)  01.08.1963
  Filippijnen              30.11.1966    (B)  28.02.1967   %%1955-09-28/34%%
  Frankrijk                19.05.1959    (B)  01.08.1963
  Gabon                    15.02.1969    (T)  16.05.1969   %%1955-09-28/36%%
  Griekenland              23.06.1965    (T)  21.09.1965   %%1955-09-28/31%%
  Hongarije                04.10.1957    (B)  01.08.1963
  Ierland                  12.10.1959    (B)  01.08.1963
  Ijsland                  03.05.1963    (B)  01.08.1963
  India                    14.02.1973    (T)  15.05.1973   %%1955-09-28/38%%
  Italie                   04.05.1963    (B)  02.08.1963
  Ivoorkust                23.06.1959    (B)  01.08.1963
  Jordanie                 15.11.1973    (T)  13.02.1974   %%1955-09-28/37%%
  Laos                     09.05.1956    (B)  01.08.1963
  Liechtenstein            03.01.1966    (B)  03.04.1966   %%1955-09-28/32%%
  Luxemburg                13.02.1957    (B)  01.08.1963
  Malgache                 23.06.1959    (B)  01.08.1963
  Mali                     30.12.1963    (B)  29.03.1964
  Mexico                   24.05.1957    (B)  01.08.1963
  Nederland                21.09.1960    (B)  01.08.1963
  Nepal                    12.02.1966    (T)  13.05.1966   %%1955-09-28/33%%
  Nieuw-Zeeland            16.03.1967    (B)  14.06.1967   %%1955-09-28/35%%
  Niger                    23.06.1959    (B)  01.08.1963
  Noord-Ierland            03.03.1967    (B)  01.06.1967   %%1955-09-28/35%%
  Noorwegen                03.05.1963    (B)  01.08.1963
  Oekraine                 23.06.1960    (B)  01.08.1963
  Ouganda                  24.07.1963    (T)  22.10.1963
  Pakistan                 16.01.1961    (B)  01.08.1963
  Polen                    23.04.1956    (B)  01.08.1963
  Portugal                 16.09.1963    (B)  15.12.1963
  Roemenie                 03.12.1958    (B)  01.08.1963
  Salvador                 17.09.1956    (B)  01.08.1963
  Saoedi-Arabie            27.01.1969    (T)  27.04.1969   %%1955-09-28/36%%
  Spanje                   06.12.1965    (T)  06.03.1965   %%1955-09-28/32%%
  Syrisch Arab. Rep.       13.04.1964
   (bevestiging)
  Tsjechoslowakije         23.11.1957    (B)  01.08.1963
  U.S.S.R.                 25.03.1957    (B)  01.08.1963
  Venezuela                26.08.1960    (B)  01.08.1963
  Verenigd Koninkrijk      03.03.1967    (B)  01.06.1967   %%1955-09-28/35%%
  West-Somoa               16.10.1963
   (bevestiging)
  Witrusland               17.01.1961    (B)  01.08.1963
  Zuidslavie               16.04.1959    (B)  01.08.1963
  Zweden                   03.05.1963    (B)  01.08.1963
  Zwitserland              19.10.1962    (B)  01.08.1963


Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De President van het Duitsche Rijk; de Bondspresident der Oostenrijksche Republiek; Zijne Majesteit de Koning der Belgen; de President der Vereenigde Staten van BraziliŽ; Zijne Majesteit de Koning der Bulgaren; de President van de Nationalistische Regeering der Chineesche Republiek; Zijne Majesteit de Koning van Denemarken en Ijsland; Zijne Majesteit de Koning van Egypte; Zijne Majesteit de Koning van Spanje; het Staatshoofd der Estlandsche Republiek; de President der Finlandsche Republiek; de President der Fransche Republiek; Zijne Majesteit de Koning van Groot-BrittanniŽ, van Ierland en van de Britsche overzeesche Grondgebieden, Keizer van IndiŽ; de President der Helleensche Republiek; Zijne Doorluchtige Hoogheid de Regent van het Koninkrijk Hongarije; Zijne Majesteit de Koning van ItaliŽ; Zijne Majesteit de Keizer van Japan; de President der Lettische Republiek; Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg; de President der Vereenigde Staten van Mexico; Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; de President der Poolsche Republiek; Zijne Majesteit de Koning van RoemeniŽ; Zijne Majesteit de Koning van Zweden; de Zwitsersche Bondsraad; de President der Tsjechoslowaksche Republiek; het Uitvoerend Centraal Comitť van de Unie der Socialistische Sovjet-Republieken; de President der Vereenigde Staten van Venezuela; Zijne Majesteit de Koning van JoegoslaviŽ,
   Hebbende het nut erkend eener eenvormige regeling der voorwaarden van het internationaal luchtvervoer, wat betreft de voor dit vervoer gebruikte bescheiden alsmede de aansprakelijkheid van den vervoerder,
   Hebben te dien einde hunne respectieve Gevolmachtigden benoemd, dewelke, behoorlijk gemachtigd, het navolgend Verdrag gesloten en onderteekend hebben :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • VERDRAG VAN 25-09-1975 GEPUBL. OP 14-10-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 5-16; 18; 20; 21; 22; 24; 25; 25A)
    (GEWIJZIGDE ART. : 30; 33; 34)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie