J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Inhoudstafel 17 uitvoeringbesluiten 75 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1804/03/21/1804032150/justel

Titel
21 MAART 1804. - BURGERLIJKE WETBOEK. - INLEIDENDE TITEL EN BOEK I : Personen (art. 1-515).
(NOTA : artikelen gewijzigd in de toekomst door W 2017-06-25/03, art. 2-6; Inwerkingtreding : 01-01-2018)
(NOTA : artikelen gewijzigd door W 2017-07-06/24, art. 2-10 en 12; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2020)
(NOTA : art. gewijzigd in de toekomst door W 2017-07-31/25, art. 2-9; Inwerkingtreding : 01-09-2018)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-01-1995 en tekstbijwerking tot 24-07-2017) Zie wijziging(en)

Publicatie : 03-09-1807 nummer :   1804032150 bladzijde : 0
Dossiernummer : 1804-03-21/30
Inwerkingtreding : 13-09-1807

Inhoudstafel Tekst Begin
INLEIDENDE TITEL. - BEKENDMAKING, GEVOLGEN EN TOEPASSING VAN DE WETTEN IN HET ALGEMEEN.
Art. 1-6
BOEK I. - PERSONEN.
TITEL I. - GENOT EN VERLIES VAN DE BURGERLIJKE RECHTEN.
HOOFDSTUK I. - GENOT VAN DE BURGERLIJKE RECHTEN.
Art. 7-16
HOOFDSTUK II. - VERLIES VAN DE BURGERLIJKE RECHTEN.
AFDELING I. - VERLIES VAN DE BURGERLIJKE RECHTEN DOOR VERLIES VAN DE STAAT VAN BELG.
Art. 17-21
AFDELING II. - VERLIES VAN DE BURGERLIJKE RECHTEN TEN GEVOLGE VAN RECHTERLIJKE VEROORDELINGEN.
Art. 22-33
TITEL II. - AKTEN VAN DE BURGERLIJKE STAND.
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 34-44, 44bis, 45-54
HOOFDSTUK II. - AKTEN VAN GEBOORTE.
Art. 55-57, 57bis, 58-62, 62bis, 62ter
HOOFDSTUK III. - (Akten van aangifte en akten van huwelijk.) <W 1999-05-04/63, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
Art. 63-72, 72bis, 72ter, 73-76
HOOFDSTUK IV. - AKTEN VAN OVERLIJDEN.
Art. 77-80, 80bis, 81-87
HOOFDSTUK V. - AKTEN VAN DE BURGERLIJKE STAND BETREFFENDE MILITAIREN BUITEN HET GRONDGEBIED VAN HET RIJK.
Art. 88-98
HOOFDSTUK VI. - VERBETERING VAN DE AKTEN VAN DE BURGERLIJKE STAND.
Art. 99-101
TITEL III. - WOONPLAATS.
Art. 102-111
TITEL IV. - AFWEZIGEN.
HOOFDSTUK I. - (AFWEZIGHEID). <W 2007-05-09/44, art. 2, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Afdeling I. - Vermoeden van afwezigheid <Ingevoegd bij W 2007-05-09/44, art. 3; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Art. 112-117
Afdeling II. - Verklaring van afwezigheid <Ingevoegd bij W 2007-05-09/44, art. 11; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Art. 118-124
Afdeling III. - Gevolgen van de afwezigheid of van het vermoeden van afwezigheid voor de minderjarige kinderen <Ingevoegd bij W 2007-05-09/44, art. 20; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Art. 125
HOOFDSTUK lI. - Gerechtelijke verklaring van overlijden <W 2007-05-09/44, art. 22, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Art. 126-142
TITEL V. - HET HUWELIJK.
HOOFDSTUK I. - HOEDANIGHEDEN EN VOORWAARDEN VEREIST OM EEN HUWELIJK TE MOGEN AANGAAN.
Art. 143-145, 145/1, 146, 146bis, 146ter, 147-155, 155bis, 156-160, 160bis, 161-164
HOOFDSTUK II. - FORMALITEITEN BETREFFENDE DE VOLTREKKING VAN HET HUWELIJK.
Art. 165-170, 170bis, 170ter, 171
HOOFDSTUK III. <Opgeheven bij W 2009-02-19/36, art.4, 044; Inwerkingtreding : 21-03-2009>
Art. 172-179
HOOFDSTUK IV. - VORDERINGEN TOT NIETIGVERKLARING VAN HET HUWELIJK.
Art. 180-193, 193bis, 193ter, 194-202
HOOFDSTUK V. - VERPLICHTINGEN DIE UIT HET HUWELIJK (OF DE AFSTAMMING) ONTSTAAN. <W 31-03-1987, art. 31>
Art. 203, 203bis, 203ter, 203quater, 204-205, 205bis, 206-211
HOOFDSTUK VI. - WEDERZIJDSE RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN ECHTGENOTEN.
Art. 212-226, 226bis, 226ter, 226quater, 226quinquies, 226sexies, 226septies
HOOFDSTUK VII. - ONTBINDING VAN HET HUWELIJK.
Art. 227
HOOFDSTUK VIII. - TWEEDE HUWELIJK.
Art. 228
TITEL VI. - ECHTSCHEIDING.
HOOFDSTUK I. - GRONDEN TOT ECHTSCHEIDING.
Art. 229-233
HOOFDSTUK II. - ECHTSCHEIDING OP GROND VAN BEPAALDE FEITEN.
AFDELING I. - VORM VAN DE ECHTSCHEIDING OP GROND VAN BEPAALDE FEITEN.
Art. 234-266, 266bis
AFDELING II. - VOORLOPIGE MAATREGELEN WAARTOE DE EIS TOT ECHTSCHEIDING OP GROND VAN BEPAALDE FEITEN AANLEIDING KAN GEVEN.
Art. 267-271
AFDELING III. - GRONDEN VAN NIET-ONTVANKELIJKHEID TEGEN DE VORDERING TOT ECHTSCHEIDING OP GROND VAN BEPAALDE FEITEN.
Art. 272-274
HOOFDSTUK III. - ECHTSCHEIDING DOOR ONDERLINGE TOESTEMMING.
Art. 275-294, 294bis
HOOFDSTUK IV. - GEVOLGEN VAN ECHTSCHEIDING.
Art. 295-301, 301bis, 302-307, 307bis
HOOFDSTUK V. - SCHEIDING VAN TAFEL EN BED.
Art. 308-310, 310bis, 311, 311bis, 311ter, 311quater
TITEL VII. - (...) AFSTAMMING.
HOOFDSTUK 1. - VASTSTELLING VAN DE AFSTAMMING VAN MOEDERSZIJDE.
Art. 312-314
HOOFDSTUK 2. - VASTSTELLING VAN DE AFSTAMMING VAN VADERSZIJDE.
AFDELING 1. - VERMOEDEN VAN VADERSCHAP.
Art. 315-316, 316bis, 317-318
AFDELING 2. - ERKENNING.
Art. 319, 319bis, 320-321
AFDELING 3. - ONDERZOEK NAAR HET VADERSCHAP.
Art. 322-325
HOOFDSTUK 2/1. [1 - VASTSTELLING VAN DE AFSTAMMING VAN MEEMOEDERSZIJDE.]1
AFDELING 1. [1 - ALGEMENE BEPALINGEN.]1
Art. 325/1
AFDELING 2. [1 - VERMOEDEN VAN MEEMOEDERSCHAP.]1
Art. 325/2, 325/3
AFDELING 3. [1 - ERKENNING.]1
Art. 325/4, 325/5, 325/6, 325/7
AFDELING 4. [1 - ONDERZOEK NAAR HET MEEMOEDERSCHAP.]1
Art. 325/8, 325/9, 325/10
HOOFDSTUK 3. - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN NOPENS DE WIJZE WAAROP DE AFSTAMMING WORDT VASTGESTELD.
AFDELING 1. - HET TIJDSTIP VAN DE VERWEKKING.
Art. 326
AFDELING 2. - DE ERKENNING.
Art. 327-328, 328bis, 329, 329bis, 330
HOOFDSTUK 4. - VORDERINGEN MET BETREKKING TOT DE AFSTAMMING.
AFDELING 1. - ALGEMEEN.
Art. 331, 331bis, 331ter, 331quater, 331quinquies, 331sexies, 331septies, 331octies, 331nonies, 331decies
AFDELING 2. - DE VORDERINGEN IN HET BIJZONDER.
Art. 332, 332bis, 332ter, 332quater, 332quinquies
AFDELING 3. - BEKENDMAKING VAN DE RECHTERLIJKE BESLISSING IN DE REGISTERS VAN DE BURGERLIJKE STAND.
Art. 333
HOOFDSTUK 5. - GEVOLGEN VAN DE AFSTAMMING.
Art. 334, 334bis, 334ter, 335, 335bis, 335ter, 335quater
HOOFDSTUK 6. - VORDERING TOT UITKERING VOOR LEVENSONDERHOUD, OPVOEDING EN PASSENDE OPLEIDING.
Art. 336-338, 338bis, 339, 339bis, 340-342
TITEL VIII. - Adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
HOOFDSTUK I. - Intern recht. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Afdeling 1. - Algemene bepaling. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 343
Afdeling 2. - Bepalingen gemeenschappelijk aan beide vormen van adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
§ 1. Voorwaarden voor adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
A. Grondvoorwaarden. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 344-1-344-3
B. Leeftijd. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 345
C. Geschiktheid. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 346-1-346-2
D. Nieuwe adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 347-1-347-3
E. Toestemmingen. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 348-1-348-5, 348-5/1, 348-6-348-11
§ 2. Gevolgen van de adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 349-1-349-3
§ 3. Vaststelling van de afstamming van de geadopteerde na de adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 350
§ 4. Herziening van de adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 351
§ 5. Tussenpersonen. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 352
Afdeling 3. - Bepalingen eigen aan iedere vorm van adoptie <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-59-2005>
§ 1. Gewone adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
A. Gevolgen. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 353-1-353-4, 353-4bis, 353-5-353-18
B. Herroeping. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 354-1-354-3
§ 2. Volle adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
A. Leeftijdsvoorwaarde. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 355
B. Gevolgen. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 356-1-356-4
HOOFDSTUK II. - Internationaal recht. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Afdeling 1. - Bijzondere bepalingen van internationaal privaatrecht. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 357-359-6
Afdeling 2. - Totstandkoming van een adoptie die de interlandelijke overbrenging van een kind onderstelt. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
§ 1. Definities. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 360-1-360-2
§ 2. Het kind heeft zijn gewone verblijfplaats in een andere Staat. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 361-1-361-6
§ 3. Het kind heeft zijn gewone verblijfplaats in België. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 362-1-362-4
§ 4. Beschermingsmaatregelen. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 363-1-363-6
Afdeling 3. - Uitwerking van buitenlandse beslissingen inzake adoptie in België <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
§ 1. Erkenning van adopties beheerst door het Verdrag. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 364-1-364-3
§ 2. Erkenning van adopties die niet door het Verdrag zijn beheerst. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 365-1-365-5
§ 2/1. [1 Afwijkende bepaling inzake erkenning van de adopties in het hoger belang van het kind.]1
Art. 365-6
§ 3. Erkenning van buitenlandse beslissingen van herroeping, herziening en nietigverklaring van een adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 366-1-366-3
§ 4. Registratie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 367-1-367-3
HOOFDSTUK III. - Administratieve formaliteiten. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 368-1-370
TITEL VIIIbis. - VERLATING VAN EEN MINDERJARIGE. (opgeheven) <W 1999-05-07/58, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 09-07-1999>
Art. 370bis, 370ter, 370quater
TITEL IX. [1 - Ouderlijk gezag en pleegzorg.]1
HOOFDSTUK I. [1 - Ouderlijk gezag.]1
Art. 371-374, 374/1, 374/2, 375, 375bis, 376-387, 387bis, 387ter
HOOFDSTUK II. [1 - Pleegzorg.]1
Art. 387quater, 387quinquies, 387sexies, 387septies, 387octies, 387novies, 387decies, 387undecies, 387duodecies, 387terdecies, 387quaterdecies
TITEL X. - MINDERJARIGHEID, VOOGDIJ EN ONTVOOGDING.
HOOFDSTUK I. - MINDERJARIGHEID.
Art. 388
HOOFDSTUK II. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> - VOOGDIJ.
Afdeling I. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> - Ontstaan van de voogdij.
Art. 389
Afdeling II. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> - Organisatie van de voogdij.
Art. 390-401
Afdeling III. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> - Toeziende voogd.
Art. 402-404
Afdeling IV. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> - Werking van de voogdij.
Art. 405-412
Afdeling V. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> - Voogdijrekeningen en voogdijverslag.
Art. 413-420
HOOFDSTUK IIbis. - PLEEGVOOGDIJ.
Art. 475bis, 475ter, 475quater, 475quinquies, 475sexies, 475septies
HOOFDSTUK III. - ONTVOOGDING.
Art. 476-487
HOOFDSTUK IV.
Art. 487bis, 487ter, 487quater, 487quinquies, 487sexies, 487septies, 487octies
TITEL XI. - [1 Meerderjarigheid en beschermde personen]1
HOOFDSTUK I. - MEERDERJARIGHEID.
Art. 488
HOOFDSTUK Ibis. - VOORLOPIG BEWIND OVER DE GOEDEREN TOEBEHOREND AAN EEN MEERDERJARIGE. <W 18-07-1991, art. 2>
Art. 488bis
HOOFDSTUK II. - [1 Beschermde personen]1
Afdeling 1. - [1 Toepassingsgebied]1
Art. 488/1, 488/2
Afdeling 2. - [1 Buitengerechtelijke bescherming]1
Art. 489-490, 490/1, 490/2
Afdeling 3. - [1 Rechterlijke bescherming]1
Onderafdeling 1. [1 Definities]1
Art. 491
Onderafdeling 2. - [1 De onbekwaamheid]1
Art. 492, 492/1, 492/2, 492/3, 492/4, 492/5
Onderafdeling 3. - [1 Sanctionering]1
Art. 493, 493/1, 493/2, 493/3
HOOFDSTUK II/1. [1 Het bewind]1
Afdeling 1. [1 Definities]1
Art. 494
Afdeling 2. [1 Ontstaan van het bewind]1
Art. 495
Afdeling 3. [1 Organisatie van het bewind]1
Art. 496, 496/1, 496/2, 496/3, 496/4, 496/5, 496/6, 496/7
Afdeling 4. [1 De werking van het bewind]1
Onderafdeling 1. [1 Algemene bepalingen]1
Art. 497, 497/1, 497/2, 497/3, 497/4, 497/5, 497/6, 497/7, 497/8
Onderafdeling 2. - [1 Bijstand]1
Art. 498, 498/1, 498/2, 498/3, 498/4
Onderafdeling 3. - [1 Vertegenwoordiging en beheer]1
Art. 499, 499/1, 499/2, 499/3, 499/4, 499/5, 499/6, 499/7, 499/8, 499/9, 499/10, 499/11, 499/12, 499/13, 499/14, 499/15, 499/16, 499/17, 499/18, 499/19, 499/20, 499/21, 499/22
Onderafdeling 4. - [1 Het bewind uitgeoefend door de ouders]1
Art. 500, 500/1, 500/2, 500/3, 500/4
Onderafdeling 5. [1 Vertrouwenspersoon]1
Art. 501, 501/1, 501/2
Afdeling 5. [1 De beëindiging van het bewind]1
Art. 502-512
HOOFDSTUK III.
Art. 513-515

Tekst Inhoudstafel Begin
INLEIDENDE TITEL. - BEKENDMAKING, GEVOLGEN EN TOEPASSING VAN DE WETTEN IN HET ALGEMEEN.

  Artikel 1. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 2. De wet beschikt alleen voor het toekomende; zij heeft geen terugwerkende kracht.

  Art. 3. (Opgeheven) <W 2004-07-16/31, art. 139, 020; Inwerkingtreding : 01-10-2004>

  Art. 4. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 2>

  Art. 5. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 2>

  Art. 6. Aan de wetten die de openbare orde en de goede zeden betreffen, kan door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk worden gedaan.

  BOEK I. - PERSONEN.

  TITEL I. - GENOT EN VERLIES VAN DE BURGERLIJKE RECHTEN.

  HOOFDSTUK I. - GENOT VAN DE BURGERLIJKE RECHTEN.

  Art. 7. De uitoefening van de burgerlijke rechten is onafhankelijk van de hoedanigheid van staatsburger, die alleen overeenkomstig de Grondwet wordt verkregen en behouden.

  Art. 8. Ieder Belg heeft het genot van de burgerlijke rechten.

  Art. 9. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 10. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 11. <W 15-12-1980, art. 84> Een vreemdeling heeft in België het genot van alle aan de Belgen verleende burgerlijke rechten behoudens de uitzonderingen door de wet gesteld.
  Een vreemdeling die gemachtigd is zich in het Rijk te vestigen en die in het bevolkingsregister is ingeschreven, heeft het genot van alle aan de Belgen verleende burgerlijke rechten zolang hij in België verblijf houdt.

  Art. 12. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 13. (Opgeheven) <W 15-12-1980, art. 93>

  Art. 14. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 15. (Opgeheven) <W 2004-07-16/31, art. 139, 020; Inwerkingtreding : 01-10-2004>

  Art. 16. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 2>

  HOOFDSTUK II. - VERLIES VAN DE BURGERLIJKE RECHTEN.

  AFDELING I. - VERLIES VAN DE BURGERLIJKE RECHTEN DOOR VERLIES VAN DE STAAT VAN BELG.

  Art. 17. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 18. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 19. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 20. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 21. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  AFDELING II. - VERLIES VAN DE BURGERLIJKE RECHTEN TEN GEVOLGE VAN RECHTERLIJKE VEROORDELINGEN.

  Art. 22. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 23. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 24. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 25. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 26. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 27. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 28. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 29. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 30. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 31. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 32. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 33. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  TITEL II. - AKTEN VAN DE BURGERLIJKE STAND.

  HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 34.[1 De akten van de burgerlijke stand vermelden het jaar en de dag dat zij zijn opgemaakt alsook de voornamen, de naam en de geboortedatum van alle betrokken personen.
   De Koning kan modellen van akten vaststellen en, voor zover nodig, vermeldingen aan de akten toevoegen.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 98, 062; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 35. De ambtenaren van de burgerlijke stand mogen in de akten die zij opmaken, niets invoegen, noch als aantekening, noch als vermelding, buiten hetgeen door de verschijnende partijen moet worden verklaard.

  Art. 36. In de gevallen waarin de belanghebbende partijen niet gehouden zijn in persoon te verschijnen, kunnen zij zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, voorzien van een bijzondere en authentieke volmacht.

  Art. 37. <W 19-01-1990, art. 3> De getuigen die bij de akten van de burgerlijke stand worden voorgebracht, moeten ten minste achttien jaar oud zijn. Zij worden gekozen door de belanghebbende personen.

  Art. 38.De ambtenaar van de burgerlijke stand leest de akten voor aan de verschijnende partijen of aan hun gemachtigde [1 ...]1.
  [2 ...]2
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 15, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 99, 062; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 39.Deze akten worden getekend door de ambtenaar van de burgerlijke stand [1 en door de verschijnende partijen]1; of er wordt melding gemaakt van de oorzaak die de verschijnende partijen en de getuigen belet te tekenen.
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 16, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 40. De akten van de burgerlijke stand worden, in iedere gemeente, ingeschreven in een of meer in dubbel gehouden registers.

  Art. 41.
  <Opgeheven bij W 2010-03-10/03, art. 2, 047; Inwerkingtreding : 09-04-2010>

  Art. 42.De akten worden achter elkaar [1 ...]1 in de registers ingeschreven. Doorhalingen en verwijzingen worden goedgekeurd en getekend op dezelfde manier als de akte zelf. [1 Niets wordt er bij afkorting ingeschreven. Data worden in cijfers uitgedrukt.]1
  [1 De Koning kan de voorwaarden bepalen waaraan de akten moeten voldoen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 17, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 43. De registers worden door de ambtenaar van de burgerlijke stand afgesloten op het einde van ieder jaar; en binnen een maand wordt het ene dubbel neergelegd in het archief van de gemeente, het andere op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg.

  Art. 44.De volmachten en de overige stukken die bij de akten van de burgerlijke stand gevoegd moeten blijven, worden [1 ...]1 op de griffie van de rechtbank neergelegd, samen met het dubbel van de registers, dat op dezelfde griffie neergelegd moet worden.
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 18, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 44bis. [1 De ambtenaren van de burgerlijke stand kunnen voor alle taken inzake het opstellen van akten van burgerlijke stand een speciale schriftelijke machtiging verlenen aan één of meer beambten van het gemeentebestuur.
   Vóór de handtekening van de beambten van het gemeentebestuur moet melding worden gemaakt van de ontvangen machtiging.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-01-14/16, art. 19, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 45.§ 1. Een ieder kan zich door de bewaarders van de registers van de burgerlijke stand uittreksels doen afgeven uit de akten die in deze registers zijn ingeschreven. In die uittreksels wordt geen melding gemaakt van de afstamming van de personen op wie de akten betrekking hebben.
  (Alleen de openbare overheden, de persoon op wie de akte betrekking heeft, zijn echtgenoot of overlevende echtgenoot, zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn bloedverwanten in de opgaande lijn of nederdalende lijn, zijn erfgenamen, hun notaris en hun advocaat kunnen een eensluidend afschrift verkrijgen van een akte van de burgerlijke stand die minder dan honderd jaar oud is, dan wel een uittreksel uit de akte met de afstamming van de personen op wie de akte betrekking heeft.
  De [1 familierechtbank]1 kan, op mondeling of schriftelijk verzoek van een ieder die doet blijken van een familiaal, wetenschappelijk of een ander wettig belang, zonder enige andere vorm van proces en zonder kosten, toestemming verlenen om bepaalde opzoekingen te laten verrichten of een eensluidend afschrift of een uittreksel te laten afgeven over de afstamming van de personen op wie de akte betrekking heeft.) <W 31-03-1987, art. 2>
  Het verzoek wordt gericht [1 aan de familierechtbank]1 van het arrondissement waar het register wordt bewaard; voor de registers gehouden door diplomatieke of consulaire ambtenaren of door legerofficieren die belast zijn met het opmaken van de akten van de burgerlijke stand betreffende militairen buiten het grondgebied van het Rijk, wordt het gericht [1 aan de familierechtbank]1 te Brussel.
  De in de registers ingeschreven akten, alsmede de eensluidend verklaarde en behoorlijk gezegelde afschriften daarvan, hebben bewijskracht zolang zij niet van valsheid zijn beticht.
  § 2. De eensluidende afschriften en de uittreksels vermelden de dagtekening van hun afgifte; zij worden kosteloos voorzien van het zegel van het gemeentebestuur of van het zegel van de rechtbank van eerste aanleg waarvan de griffie het afschrift of het uittreksel afgeeft.
  De eensluidende afschriften en de uittreksels die bestemd zijn om in het buitenland te dienen en waarvan de legalisatie vereist is, worden gelegaliseerd door de Minister van Buitenlandse Zaken of door de ambtenaar die hij daartoe machtigt.
  (De eensluidende afschriften en de uittreksels die bestemd zijn om in België of in het buitenland te dienen en die niet gelegaliseerd behoeven te worden, mogen worden afgegeven door de beambten van het gemeentebestuur die daartoe speciaal zijn gemachtigd door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Voor de handtekening van de beambten van het gemeentebestuur moet melding worden gemaakt van de ontvangen machtiging.) <W 23-06-1980, art. 1>
  ----------
  (1)<W 2014-05-12/02, art. 2, 064; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 46. Wanneer er geen registers hebben bestaan of de registers verloren zijn, wordt het bewijs daarvan toegelaten zowel door bescheiden als door getuigen, en in die gevallen kunnen het huwelijk, de geboorte en het overleden bewezen worden zowel door registers en papieren, afkomstig van de overleden ouders, als door getuigen.

  Art. 47. <Hersteld bij W 2007-05-09/42, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 25-06-2007> Het in kracht van gewijsde gegaan vonnis dat de ontbrekende akte van de burgerlijke stand vervangt maar de staat niet aanwijst, kan, voor elke verzoekende overheid, worden overgelegd door een ieder die aantoont dat hij nog steeds in de onmogelijkheid verkeert zich de betrokken akte van de burgerlijke stand te verschaffen, voor zover de juistheid van de gegevens die het bevat, niet wordt weerlegd.

  Art. 48. <Hersteld bij W 2004-07-16/31, art. 128, 020; Inwerkingtreding : 01-10-2004> § 1. Iedere Belg, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, kan verzoeken dat een in een vreemd land opgemaakte akte van de burgerlijke stand die op hem betrekking heeft, wordt overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente van zijn woonplaats of van zijn eerste vestiging bij de terugkeer op het grondgebied van het Rijk. Van deze overschrijving wordt melding gemaakt op de kant van de lopende registers, volgens de dagtekening van het feit waarop de akte betrekking heeft.
  Bij gebreke van een woonplaats of verblijfplaats in België, kan de overschrijving van een in het eerste lid bedoelde akte gebeuren in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente van de laatste woonplaats in België van betrokkene of van een van zijn ascendenten, of van de gemeente van zijn geboorteplaats, of bij gebreke hiervan, in de registers van de burgerlijke stand van Brussel.
  § 2. De procureur des Konings kan verzoeken dat een in een vreemd land opgemaakte akte van de burgerlijke stand betreffende een Belg, overeenkomstig § 1 wordt overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

  Art. 49. In alle gevallen waarin van een akte, de burgerlijke stand betreffende, melding gemaakt moet worden op de kant van een andere reeds ingeschreven akte, wordt zulks op verzoek van de belanghebbende partijen gedaan door de ambtenaar van de burgerlijke stand in de lopende registers of in de registers die in het archief van de gemeente zijn neergelegd, en door de griffier van de rechtbank van eerste aanleg in de registers die op de griffie berusten; te dien einde geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen drie dagen daarvan bericht aan de procureur des Konings bij dezelfde rechtbank en de procureur des Konings waakt ervoor dat de vermelding in beide registers op eenvormige wijze geschiedt.

  Art. 50.<W 2001-04-29/39, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> § 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand die de aangifte van geboorte van een kind ontvangt wiens afstamming ten aanzien van zijn ouders niet vaststaat of die in zijn registers het beschikkende gedeelte van een rechterlijke beslissing overschrijft waarbij een vordering betreffende de betwisting van de afstamming wordt toegewezen ten aanzien van de ouders of ten aanzien van de enige ouder met betrekking tot wie de afstamming vaststaat, is gehouden daarvan binnen drie dagen kennis te geven aan de vrederechter bedoeld in artikel 390.
  § 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand die een akte van overlijden opmaakt, is gehouden daarvan binnen drie dagen kennis te geven aan de vrederechter bedoeld in artikel 390. Hetzelfde geldt wanneer de overledene voogd of adoptieve ouder was van een minderjarige [1 ...]1.
  [1 De ambtenaar van de burgerlijke stand die een akte van overlijden opmaakt, is gehouden daarvan binnen drie dagen kennis te geven aan de in artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vrederechter, ingeval de overledene een persoon beschermd krachtens artikel 492/1 of zijn bewindvoerder was.]1
  De ambtenaar van de burgerlijke stand die in zijn registers [1 ...]1 het beschikkende gedeelte van een rechterlijke beslissing waarbij de adoptie van een minderjarig kind wordt herroepen zonder dat beslist wordt dat het weer onder het ouderlijk gezag van zijn ouders wordt geplaatst, is gehouden daarvan binnen drie dagen kennis te geven aan de vrederechter, bedoeld in artikel 390.
  § 3. De vervaldag is in de termijn begrepen.
  Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag uitgesteld tot de eerstvolgende werkdag.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 2, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 51. Ieder bewaarder van de registers is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de veranderingen die daarin aangebracht worden, behoudens zijn verhaal, indien daartoe grond bestaat, op hen die deze veranderingen hebben aangebracht.

  Art. 52.[1 Elke onrechtmatige verandering, elke valsheid in de akten van de burgerlijke stand, elke inschrijving elders dan in de daartoe bestemde registers, levert grond op tot toekenning van een schadevergoeding aan de partijen, onverminderd de in het Strafwetboek gestelde straffen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 20, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 53. De procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg is gehouden de staat van de registers na te zien, wanneer zij op de griffie neergelegd worden; hij maakt een beknopt proces-verbaal van het onderzoek op, klaagt de door de ambtenaren van de burgerlijke stand begane overtredingen of misdrijven aan en vordert tegen hen veroordeling tot geldboete.

  Art. 54.In alle gevallen waarin een [1 familierechtbank]1 beslist over akten betreffende de burgerlijke stand, kunnen de belanghebbende partijen tegen het vonnis opkomen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 2, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  HOOFDSTUK II. - AKTEN VAN GEBOORTE.

  Art. 55. <W 30-03-1984, art. 1> De aangifte van geboorte wordt gedaan aan plaatselijke ambtenaar van de burgerlijke stand binnen vijftien dagen na de bevalling. Is de laatste dag van die termijn een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag.

  Art. 56.<W 30-03-1984, art. 2> § 1. In geval van bevalling in ziekenhuizen, klinieken, kraaminrichtingen of andere verpleeginrichtingen, wordt de geboorte van het kind aangegeven [2 door de vader, de moeder of de meemoeder]2 of door beide ouders of, wanneer deze er zich van onthouden de aangifte te doen, door de persoon die de leiding van de inrichting uitoefent, of zijn afgevaardigde.
  De persoon die de leiding van de inrichting uitoefent of zijn afgevaardigde zijn gehouden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis te geven van de bevalling, uiterlijk de eerste daaropvolgende werkdag.
  § 2. In de andere gevallen wordt de geboorte van het kind aangegeven [2 door de vader, de moeder of de meemoeder]2 of door beide ouders of, wanneer deze er zich van onthouden de aangifte te doen, door de geneesheren, vroedvrouwen of andere personen die bij de bevalling tegenwoordig zijn geweest of door de persoon bij wie de bevalling heeft plaatsgehad.
  De geneesheer of, bij ontstentenis, de vroedvrouw of, bij ontstentenis, de andere personen die bij de bevalling tegenwoordig zijn geweest of bij wie de bevalling heeft plaatsgehad, zijn gehouden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis te geven van de bevalling, uiterlijk de eerste daaropvolgende werkdag.
  § 3. Indien de aangifte niet is geschied binnen de bij artikel 55 bepaalde termijn, geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand, binnen drie werkdagen volgend op het verstrijken van die termijn, daarvan mededeling aan de persoon die hem van de bevalling kennis heeft gegeven. Deze is gehouden de aangifte te doen binnen drie dagen na de ontvangst van de mededeling; is de derde dag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan kan de aangifte nog worden gedaan de eerste daaropvolgende werkdag.
  § 4. [1 De ambtenaar van de burgerlijke stand vergewist zich van de geboorte aan de hand van een verklaring van een geneesheer of vroedvrouw.]1
  § 5. In alle gevallen wordt de akte van geboorte zonder vertraging opgemaakt.
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 21, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  (2)<W 2014-05-05/08, art. 2, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 57.<W 30-03-1984, art. 3> De akte van geboorte vermeldt :
  1° de dag, het uur, de plaats van geboorte, alsmede het geslacht, de naam en de voornamen van het kind;
  (Voor kinderen van wie het geslacht onduidelijk is, kan de geslachtsvermelding door de vader of de moeder dan wel door beide ouders worden aangegeven binnen een termijn van drie maanden, mits een medische verantwoording wordt overgelegd.) <W 2007-05-15/55, art. 2, 039; Inwerkingtreding : 22-07-2007>
  2° het jaar, de dag, de plaats van geboorte, de naam, de voornamen en de woonplaats van de moeder en de vader, zo de afstamming langs vaderszijde vaststaat [1 of de meemoeder zo de afstamming langs [2 meemoederszijde]2 vaststaat]1;
  3° de naam, de voornamen en de woonplaats van de aangever.
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/08, art. 3, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<W 2014-12-18/01, art. 9, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 57bis. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 4>

  Art. 58. Ieder die een pasgeboren kind gevonden heeft, is gehouden het met de kleren en de andere bij het kind gevonden voorwerpen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand af te geven en alle omstandigheden mede te delen betreffende de tijd wanneer en de plaats waar het gevonden werd.
  Hiervan wordt een omstandig proces-verbaal opgemaakt, waarin bovendien vermeld worden de vermoedelijke leeftijd van het kind, zijn geslacht, de namen die aan het kind worden gegeven, en de burgerlijke overheid aan wie het wordt toevertrouwd. Dit proces-verbaal wordt in de registers ingeschreven.

  Art. 59. <W 31-03-1987, art. 5> Wordt een kind tijdens een zeereis geboren, dan begeeft de commandant van het schip zich persoonlijk en onverwijld naar het pasgeboren kind en ontvangt hij de aangifte van de moeder of van de vader, of van beide ouders, of, bij gebreke van dezen, van enige persoon die bij de bevalling tegenwoordig is geweest.
  De akte van geboorte wordt achteraan op de monsterrol bijgeschreven.

  Art. 60.<W 31-03-1987, art. 6.> In de eerste haven waar het schip binnenloopt, is de commandant gehouden om twee door hem ondertekende en voor echt verklaarde letterlijke afschriften van de door hem opgestelde akten van geboorte neer te leggen, [1 ...]1 in een Belgische haven, op het kantoor van de waterschout [1 ...]1.
  Een van die afschriften blijft op het kantoor van de waterschout [1 ...]1 berusten; het andere wordt gezonden aan de minister van verkeerswezen, die een door hem voor echt verklaard afschrift van elk van die akten doet toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats van het kind; een afschrift wordt dadelijk in de registers ingeschreven.
  ----------
  (1)<W 2013-12-21/50, art. 3, 060; Inwerkingtreding : 15-06-2014 (KB 2014-04-19/02, art. 1>

  Art. 61. <Hersteld bij W 2007-05-09/42, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 25-06-2007> § 1. Een ieder wiens adoptie in België is uitgesproken of erkend en die in de onmogelijkheid verkeert zich zijn akte van geboorte te verschaften, kan de akte van overschrijving van het beschikkend gedeelte van het vonnis van adoptie overleggen.
  § 2.Indien de gegevens in de akte van overschrijving niet voldoende zijn voor het doel waarvoor zij moeten worden gebruikt, gaat de verzoekende overheid onmiddellijk en zonder dat de termijn van het onderzoek drie maanden mag overschrijden, zelf over tot een onderzoek teneinde bijkomende gegevens te verkrijgen.
  Indien de verzoekende overheid evenwel niet in staat is die gegevens zelf te verkrijgen of de door haar verkregen gegevens onvoldoende zijn, stelt zij belanghebbende onmiddellijk en uiterlijk binnen dezelfde periode van drie maanden hiervan in kennis en kan zij hem verzoeken ieder ander bewijs tot staving van die gegevens over te leggen.

  Art. 62. <W 31-03-1987, art. 8> § 1. De akte van erkenning vermeldt :
  1. de voornamen, de naam, de plaats en datum van geboorte van het kind;
  2. de voornamen, de naam, de woonplaats, de plaats en datum van geboorte van degene die het kind erkent en van de ouder ten aanzien van wie de afstamming reeds voor de erkenning vaststond;
  3. in voorkomend geval, de toestemming van de personen bedoeld in (artikel 329bis), met vermelding van de voornamen, de naam, de woonplaats en de plaats en datum van geboorte van de wettelijke vertegenwoordiger van het kind indien hij in de erkenning heeft toegestemd. <W 2006-07-01/75, art. 2, A, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  Indien de in (artikel 329bis, § 3) bedoelde personen niet hebben toegestemd in de akte van erkenning maar er niet tegen zijn opgekomen binnen de in dat artikel gestelde termijn of indien hun verzoek tot nietigverklaring is afgewezen bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, wordt daarvan melding gemaakt op de kant van de akte van erkenning. <W 2006-07-01/75, art. 2, B), 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  § 2. Zodra de akte van erkenning van het kind is opgemaakt, wordt daarvan melding gemaakt op de kant van zijn akte van geboorte.
  § 3. De ambtenaar van de burgerlijke stand die een akte van erkenning opmaakt, is gehouden daarvan binnen drie dagen kennis te geven aan de echtgenoot van de erkenner. Paragraaf 3 van artikel 50 is van toepassing.

  Art. 62bis. <ingevoegd bij W 2007-05-10/55, art. 2; Inwerkingtreding : 01-09-2007> § 1. Elke Belg of elke in de bevolkingsregisters ingeschreven vreemdeling, die de voortdurende en onomkeerbare innerlijke overtuiging heeft tot het andere geslacht te behoren dan datgene dat is vermeld in de akte van geboorte, en die lichamelijk zodanig aan dat andere geslacht is aangepast als uit medisch oogpunt mogelijk en verantwoord is, kan van die overtuiging aangifte doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand.
  De niet-ontvoogde minderjarige transseksueel die aangifte doet van zijn overtuiging wordt bijgestaan door zijn moeder, zijn vader of zijn wettelijke vertegenwoordiger.
  De aangifte wordt gedaan bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar hij is ingeschreven in de bevolkingsregisters.
  De Belg die niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters doet aangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn geboorteplaats. Indien hij niet in België is geboren, doet hij aangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te Brussel.
  Bij de aangifte geeft de Belg die niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters de ambtenaar van de burgerlijke stand het adres mee waarop een weigering om de akte houdende vermelding van het nieuwe geslacht op te maken, kan worden meegedeeld.
  § 2. Bij de aangifte overhandigt de betrokkene aan de ambtenaar van de burgerlijke stand een verklaring van de psychiater en de chirurg, in de hoedanigheid van behandelende artsen, waaruit blijkt :
  1° dat de betrokkene de voortdurende en onomkeerbare innerlijke overtuiging heeft tot het andere geslacht te behoren dan datgene dat is vermeld in de akte van geboorte;
  2° dat de betrokkene een geslachtsaanpassing heeft ondergaan die hem zodanig in overeenstemming heeft gebracht met dat andere geslacht, waartoe betrokkene overtuigd is te behoren, als dit uit medisch oogpunt mogelijk en verantwoord is;
  3° dat de betrokkene niet meer in staat is om overeenkomstig het vroegere geslacht kinderen te verwekken.
  § 3. In voorkomend geval kan de ambtenaar van de burgerlijke stand om een voor eensluidend verklaarde vertaling van de verklaring van de behandelende artsen verzoeken.
  § 4. Na deze aangifte maakt de ambtenaar een akte houdende vermelding van het nieuwe geslacht op.
  De akte houdende vermelding van het nieuwe geslacht heeft uitwerking vanaf haar inschrijving in het register van de akten van geboorten.
  Deze inschrijving gebeurt wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand vaststelt dat geen verhaal tegen de akte houdende vermelding van het nieuwe geslacht werd aangetekend en ten vroegste 30 dagen na het verstrijken van de verhaaltermijn.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte houdende vermelding van het nieuwe geslacht opmaakt, is gehouden hiervan binnen drie dagen kennis te geven aan de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg.
  § 5. De ambtenaar van de burgerlijke stand vermeldt op de kant van de geboorteakte die betrekking heeft op de betrokkene het nieuwe geslacht of geeft kennis van de akte houdende vermelding van het nieuwe geslacht aan de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
  § 6. De ambtenaar van de burgerlijke stand die weigert een akte houdende vermelding van het nieuwe geslacht op te maken, brengt zijn met redenen omklede beslissing onverwijld ter kennis van de belanghebbende partij. Terzelfder tijd wordt een afschrift hiervan, samen met een afschrift van alle nuttige documenten, overgezonden aan de procureur des Konings van het gerechtelijke arrondissement waarin de weigering plaatsvond.
  § 7. Tegen de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand kan beroep ingesteld worden.
  De verhaalprocedure heeft als gevolg dat de ambtenaar van de burgerlijke stand, in afwachting van de rechterlijke uitspraak, de akte houdende vermelding van het nieuwe geslacht niet inschrijft in de registers.
  § 8. De akte houdende vermelding van het nieuwe geslacht laat de bestaande afstamming en de daaruit voortvloeiende rechten, bevoegdheden en verplichtingen onverlet. Alle vorderingen met betrekking tot deze afstamming en de daaruit voortvloeiende rechten, bevoegdheden en verplichtingen kunnen nog worden ingesteld na de opmaak van de akte houdende vermelding van het nieuwe geslacht.
  De bepalingen van boek I, titel VII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op de persoon van het mannelijk geslacht die aangifte deed volgens artikel 62bis en waarvoor een akte houdende vermelding van het nieuwe geslacht is opgesteld.

  Art. 62ter.<ingevoegd bij W 2007-05-10/55, art. 3; Inwerkingtreding : 01-09-2007> De akte houdende vermelding van het nieuwe geslacht vermeldt :
  1° de naam, de voornamen, de plaats en datum van geboorte en het nieuwe geslacht;
  2° de nieuwe afstammingsband met de moeder en de vader, zo de afstamming langs vaderszijde vaststaat [1 of de meemoeder zo de afstamming langs [2 meemoederszijde]2 vaststaat]1.
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/08, art. 4, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<W 2014-12-18/01, art. 10, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  HOOFDSTUK III. - (Akten van aangifte en akten van huwelijk.) <W 1999-05-04/63, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2000>

  Art. 63.<W 1999-05-04/63, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2000> § 1. Zij die een huwelijk willen aangaan, moeten daarvan onder voorlegging van de in artikel 64 bedoelde documenten, aangifte doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar een van de aanstaande echtgenoten zijn inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister heeft op de datum van de opmaak van de akte van aangifte.
  Indien geen van de aanstaande echtgenoten een inschrijving heeft in een van de in het eerste lid bedoelde registers, of indien de actuele verblijfplaats van één van hen of beiden om gegronde redenen niet met deze inschrijving overeenstemt, kan de aangifte gebeuren bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de actuele verblijfplaats van een van de aanstaande echtgenoten.
  Voor Belgen die in het buitenland verblijven en die niet zijn ingeschreven in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente, kan de aangifte gebeuren bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van de laatste inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van een van de aanstaande echtgenoten, of van de gemeente waar een bloedverwant tot en met de tweede graad van een van de aanstaande echtgenoten zijn inschrijving heeft op de datum van de opmaak van de akte, of van de geboorteplaats van een van de aanstaande echtgenoten. Bij ontstentenis hiervan kan de aangifte gebeuren bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van Brussel.
  § 2. De aangifte gebeurt door één der aanstaande echtgenoten of door beiden.
  [2 De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt van deze aangifte een akte op binnen een maand na de afgifte van het in artikel 64, § 1, eerste lid, bedoelde bericht van ontvangst, behalve indien hij twijfels heeft over de geldigheid of echtheid van de in artikel 64 bedoelde overgelegde documenten. In dat geval geeft hij hiervan kennis aan de aanstaande echtgenoten en spreekt hij zich ten laatste drie maanden na de afgifte van het in artikel 64, § 1, eerste lid, bedoelde bericht van ontvangst uit over de geldigheid of echtheid van de overgelegde documenten en over het opmaken van de akte. Indien hij binnen deze termijn geen beslissing heeft genomen, dient de ambtenaar van de burgerlijke stand onverwijld de akte op te maken.]2
  Zij wordt ingeschreven in een enkel register [1 ...]1 dat op het einde van ieder jaar wordt neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg.
  § 3. Indien één van de aanstaande echtgenoten of beiden op de dag van de opmaak van de akte hun inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister of hun actuele verblijfplaats niet hebben binnen de gemeente, zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte heeft opgemaakt, onmiddellijk een afschrift van de akte aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van inschrijving in een van deze registers of van de actuele verblijfplaats in België van deze aanstaande echtgenoot of echtgenoten.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand die de in vorig lid bedoelde kennisgeving heeft ontvangen gaat na of er geen huwelijksbeletselen zijn. In voorkomend geval meldt hij dit binnen de tien dagen na de ontvangst van de kennisgeving aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte van aangifte heeft opgemaakt.
  § 4. Wanneer de belanghebbende partijen in gebreke blijven de in artikel 64 bedoelde documenten over te leggen [2 of indien hij de geldigheid of echtheid van deze documenten niet erkent]2, weigert de ambtenaar van de burgerlijke stand over te gaan tot de opmaak van de akte.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand brengt zijn met redenen omklede beslissing zonder verwijl ter kennis van de belanghebbende partijen. Tezelfdertijd wordt een afschrift hiervan, samen met een kopie van alle nuttige documenten, overgemaakt aan de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de weigering plaatsvond.
  Indien één van de aanstaande echtgenoten of beiden op de dag van de weigering van de opmaak van de akte hun inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister of hun actuele verblijfplaats niet hebben binnen de gemeente, zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand die weigert de akte op te maken een kennisgeving hiervan aan de ambtenaar van de burgerlijke stand aan wie het in § 3 bedoelde afschrift van de akte van aangifte had moeten worden overgemaakt.
  Door de belanghebbende partijen kan tegen de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de maand na de kennisgeving van zijn beslissing, beroep worden ingesteld bij de [3 familierechtbank]3.
  ----------
  (1)<W 2010-03-10/03, art. 3, 047; Inwerkingtreding : 09-04-2010>
  (2)<W 2013-06-02/08, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 03-10-2013. Overgangsbepaling : art. 24>
  (3)<W 2014-05-12/02, art. 3, 064; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 64.<W 1999-05-04/63, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2000> § 1. Bij de aangifte van het huwelijk worden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand [2 tegen bericht van ontvangst, dat wordt afgeleverd na ontvangst van alle documenten,]2 voor ieder der aanstaande echtgenoten de volgende documenten voorgelegd :
  1° een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte van geboorte;
  2° een bewijs van identiteit;
  3° een bewijs van nationaliteit;
  4° (een bewijs van de ongehuwde staat of van de ontbinding of nietigverklaring van het laatste voor een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk en in voorkomend geval een bewijs van de ontbinding of de nietigverklaring van de huwelijken gesloten voor een buitenlandse overheid, tenzij ze een voor een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk voorafgaan;) <W 2005-12-03/33, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-02-2006>
  5° een bewijs van de inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister en/of een bewijs van de actuele verblijfplaats (evenals in voorkomend geval een bewijs van de gewone verblijfplaats in België sinds meer dan drie maanden); <W 2004-07-16/31, art. 129, 020; Inwerkingtreding : 01-10-2004>
  6° in voorkomend geval, een gelegaliseerd schriftelijk bewijs uitgaande van de bij de aangifte van het huwelijk afwezige aanstaande echtgenoot, waaruit diens instemming met de aangifte blijkt;
  7° ieder ander authentiek stuk waaruit blijkt dat in hoofde van de betrokkene is voldaan aan de door de wet gestelde voorwaarden om een huwelijk te mogen aangaan.
  § 2. Indien de overgelegde documenten in een vreemde taal zijn opgemaakt, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand om een voor eensluidend verklaarde vertaling ervan verzoeken.
  (§ 3. Indien de aanstaande echtgenoot in België is geboren en voor zover het huwelijk in België wordt voltrokken, vraagt de ambtenaar van de burgerlijke stand het eensluidend verklaard afschrift van de akte van geboorte op aan de houder van het register.
  Hetzelfde geldt wanneer de akte van geboorte in België is overgeschreven en de ambtenaar van de burgerlijke stand de plaats van de overschrijving ervan kent.
  Eenzelfde regeling is onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de andere akten van de burgerlijke stand die in België zijn opgemaakt of overgeschreven en waarvan, in voorkomend geval, de voorlegging wordt vereist.
  De aanstaande echtgenoot kan evenwel, om persoonlijke redenen, verkiezen om zelf het eensluidend verklaard afschrift van de akte voor te leggen.
  (§ 4. De aanstaande echtgenoot, indien deze op de datum van het verzoek tot opmaak van de akte van aangifte ingeschreven is in het bevolkings- of vreemdelingenregister en voor zover het huwelijk in België wordt voltrokken, wordt bovendien vrijgesteld van de voorlegging van het bewijs van nationaliteit, van ongehuwde staat en van inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister. De ambtenaar van de burgerlijke stand voegt een uittreksel uit het Rijksregister bij het dossier.
  Niettemin kan de ambtenaar van de burgerlijke stand, indien hij zich onvoldoende ingelicht acht, belanghebbende om de voorlegging van ieder ander bewijs tot staving van die gegevens verzoeken.)) <W 2005-12-03/33, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-02-2006> <Erratum, zie B.St. 23-01-2006, p. 3673>
  [1 § 5. Bij de aangifte van het huwelijk brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand de toekomstige echtgenoten op de hoogte van de mogelijkheid een beroep te doen op ten hoogste vier getuigen.]1
  ----------
  (1)<W 2010-04-06/35, art. 2, 050; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
  (2)<W 2013-06-02/08, art. 3, 059; Inwerkingtreding : 03-10-2013. Overgangsbepaling : art. 24>

  Art. 65. (Opgeheven) <W 26-12-1891, art. 10>

  Art. 66.
  <Opgeheven bij W 2009-02-19/36, art. 2, 044; Inwerkingtreding : 21-03-2009>

  Art. 67.
  <Opgeheven bij W 2009-02-19/36, art. 2, 044; Inwerkingtreding : 21-03-2009>

  Art. 68.<Opgeheven bij W 2009-02-19/36, art. 2, 044; Inwerkingtreding : 21-03-2009>

  Art. 69. (opgeheven) <W 1999-05-04/63, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2000>

  Art. 70. <W 2007-05-09/42, art. 4, 035; Inwerkingtreding : 25-06-2007> Onverminderd artikel 61 kan de echtgenoot, in geval van onmogelijkheid of zware moeilijkheden om zich de akte van geboorte te verschaften, deze vervangen door een akte van bekendheid, afgegeven door de vrederechter van zijn geboorteplaats of door die van zijn woonplaats. In geval van geboorte in het buitenland evenwel dient de echtgenoot die in de onmogelijkheid verkeert zich de akte van geboorte te verschaffen, een gelijkwaardig document over te leggen, afgegeven door de diplomatieke of consulaire overheden van het land van geboorte. In geval van onmogelijkheid of zware moeilijkheden om zich voornoemd document te verschaften, kan hij de akte van geboorte vervangen door een akte van bekendheid afgegeven door de vrederechter van zijn woonplaats.

  Art. 71.<W 07-01-1908, art. 1> In de akte van bekendheid verklaren twee getuigen [1 ...]1 de voornamen, de naam, het beroep en de woonplaats van de aanstaande echtgenoot, en die van zijn ouders, indien deze bekend zijn; de plaats en, zo mogelijk, het tijdstip van zijn geboorte en de redenen die beletten de akte ervan over te leggen. De getuigen tekenen met de vrederechter de akte van bekendheid en, indien er zijn die niet in staat zijn te tekenen of niet kunnen tekenen, wordt dit vermeld.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 100, 062; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 72.(De vrederechter bedoeld in artikel 70 maakt de akte van bekendheid onmiddellijk over aan) de [1 familierechtbank]1 van de plaats waar het huwelijk moet worden voltrokken. De rechtbank, de procureur des Konings gehoord, verleent of weigert haar homologatie naargelang zij oordeelt dat de verklaringen van de getuigen en de redenen die het overleggen van de akte van geboorte beletten, al dan niet voldoende zijn. <W 2007-05-09/42, art. 5, 035; Inwerkingtreding : 25-06-2007>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 3, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 72bis.<Ingevoegd bij W 07-01-1908, art. 2> Indien een van de aanstaande echtgenoten in de onmogelijkheid verkeert zich zodanige akte van bekendheid te verschaffen, kan die akte, met verlof van de [1 familierechtbank]1, op verzoekschrift verleend, het openbaar ministerie gehoord, vervangen worden door een beëdigde verklaring van de aanstaande echtgenoot zelf. Deze verklaring wordt in de akte van huwelijk vermeld.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 4, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 72ter. <Ingevoegd bij W 2007-05-09/42, art. 6; Inwerkingtreding : 25-06-2007> Een ieder die reeds een akte van bekendheid heeft verkregen of aan wie de rechtbank krachtens de vorige artikelen reeds verlof heeft verleend een beëdigde verklaring af te leggen, en die aantoont dat hij nog steeds in de onmogelijkheid verkeert de akte van geboorte over te leggen, kan deze vervangen door de akte van bekendheid of door het verlof, voor zover de juistheid van de gegevens die zij bevat, niet wordt weerlegd.

  Art. 73. (Opgeheven) <W 19-01-1990, art. 4>

  Art. 74. (Opgeheven) <W 26-12-1891, art. 10>

  Art. 75.<W 07-01-1908, art. 1> Op de door de partijen aangewezen dag na verloop van de termijn (zoals bedoeld in artikel 165), doet de ambtenaar van de burgerlijke stand in het gemeentehuis, [2 eventueel in tegenwoordigheid van ten hoogste vier getuigen, [3 ...]3 ]2 aan de partijen voorlezing van de hierboven vermelde stukken betreffende hun staat en de formaliteiten van het huwelijk, alsook van hoofdstuk VI van de titel. Het huwelijk, betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen der echtgenoten. Hij ontvangt van elke partij, de ene na de andere, de verklaring dat zij elkaar willen aannemen tot echtgenoten; hij verklaart in naam van de wet dat zij door de echt verbonden zijn en maakt daarvan dadelijk een akte op. <W 1999-05-04/63, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  [1 In afwijking van het eerste lid, kan de gemeenteraad op het grondgebied van de gemeente andere openbare plaatsen met een neutraal karakter, waarvan de gemeente het uitsluitend gebruiksrecht heeft, aanwijzen om huwelijken te voltrekken.
   Indien in de betrokken gemeente binnengemeentelijke territoriale organen werden opgericht, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de districtsraad.]1
  ----------
  (1)<W 2009-07-12/22, art. 2, 045; Inwerkingtreding : 03-09-2009>
  (2)<W 2010-04-06/35, art. 3, 050; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
  (3)<W 2013-01-14/16, art. 22, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 76.De akte van huwelijk vermeldt :
  1° (De voornamen, de naam, de woonplaats en, indien zij bekend zijn, de datum en de plaats van geboorte van de echtgenoten); <W 31-03-1987, art. 10>
  2° Of zij meerderjarig of minderjarig zijn;
  3° (De voornamen de naam en de woonplaats van de ouders); <W 31-03-1987, art. 10>
  (4° Voor de minderjarigen, het vonnis of arrest dat toestemming verleent tot het huwelijk;) <W 19-01-1990, art. 5>
  5° (...) <W 15-01-1983, art. 1>
  6° (opgeheven); <W 1999-05-04/63, art. 10, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  7° [1 ...]1;
  8° De verklaring van de partijen dat zij elkaar aannemen tot echtgenoten en de uitspraak door de openbare ambtenaar dat zij door de echt verbonden zijn;
  9° [4 In voorkomend geval, de voornamen, de naam en de geboortedatum van de getuigen;]4
  (10° de datum van het huwelijkscontract, de naam en de standplaats van de notaris die het heeft opgemaakt en het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten (en, in internationale gevallen, de eventuele keuze door de echtgenoten gedaan van het nationaal recht dat op hun huwelijksvermogen van toepassing is); wanneer deze vermeldingen ontbreken, kunnen de van het wettelijk stelsel afwijkende bepalingen niet worden tegengeworpen aan derden die, onbekend met het huwelijkscontract, overeenkomsten met de echtgenoten hebben aangegaan.) <W 14-07-1976, art. IV, 1> <W 2004-07-16/31, art. 130, 020; Inwerkingtreding : 01-10-2004>
  (11° de door een echtgenoot ter gelegenheid van het huwelijk gekozen naam overeenkomstig het recht van de Staat waarvan hij de nationaliteit heeft.) <W 2004-12-27/30, art. 240, 021; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 76. De akte van huwelijk vermeldt :
  1° (De voornamen, de naam, de woonplaats en, indien zij bekend zijn, de datum en de plaats van geboorte van de echtgenoten); <W 31-03-1987, art. 10>
  2° Of zij meerderjarig of minderjarig zijn;
  3° (De voornamen de naam en de woonplaats van de ouders); <W 31-03-1987, art. 10>
  (4° Voor de minderjarigen, het vonnis of arrest dat toestemming verleent tot het huwelijk;) <W 19-01-1990, art. 5>
  5° (...) <W 15-01-1983, art. 1>
  6° (opgeheven); <W 1999-05-04/63, art. 10, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  7° [1 ...]1;
  8° De verklaring van de partijen dat zij elkaar aannemen tot echtgenoten en de uitspraak door de openbare ambtenaar dat zij door de echt verbonden zijn;
  9° [4 In voorkomend geval, de voornamen, de naam en de geboortedatum van de getuigen;]4
  10° [3 ...]3
  (11° de door een echtgenoot ter gelegenheid van het huwelijk gekozen naam overeenkomstig het recht van de Staat waarvan hij de nationaliteit heeft.) <W 2004-12-27/30, art. 240, 021; Inwerkingtreding : 10-01-2005>

  ----------
  (1)<W 2009-02-19/36, art. 2, 044; Inwerkingtreding : 21-03-2009>
  (2)<W 2010-04-06/35, art. 4, 050; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
  (3)<W 2013-01-14/16, art. 23, 058; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-09-2015>
  (4)<W 2014-04-25/23, art. 101, 062; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  HOOFDSTUK IV. - AKTEN VAN OVERLIJDEN.

  Art. 77.Geen teraardebestelling geschiedt zonder een (...) kosteloos afgegeven verlof van de ambtenaar van de burgerlijke stand, [1 die dit echter niet mag afgeven dan nadat hij zich van het overlijden heeft vergewist aan de hand van een overlijdensattest]1 , en eerst vierentwintig uren na het overlijden, behalve in de gevallen door politieverordeningen bepaald. <W.ZEG, art. 81>
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 24, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 78.<W 2006-05-23/43, art. 2, 028; Inwerkingtreding : 13-07-2006> De akte van overlijden wordt opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de persoon is overleden, zodra hem een overlijdensattest werd voorgelegd door een [1 ...]1 persoon die de inlichtingen kan meedelen welke vereist zijn voor het opmaken van de voornoemde akte.
  Het overlijdensattest wordt opgesteld door een geneesheer die het overlijden heeft vastgesteld.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 102, 062; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 79.[1 De akte van overlijden vermeldt :
   1° de voornamen, de naam, de woonplaats, de plaats en geboortedatum van de overledene;
   2° de voornamen en de naam van de echtgenoot, indien de overledene gehuwd dan wel weduwnaar of weduwe was;
   3° de voornamen, de naam, de woonplaats en de geboortedatum van de aangever.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 103, 062; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 80.[1 In geval van overlijden in ziekenhuizen, gevangenissen of in andere openbare inrichtingen zijn de oversten, bestuurders, beheerders en hoofden van die huizen gehouden daarvan binnen vierentwintig uren kennis te geven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Deze maakt van het overlijden een akte op overeenkomstig de artikelen 78 en 79.]1
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 25, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 80bis.(Ingevoegd bij <W 1999-04-27/41, art. 2, Inwerkingtreding : 04-07-1999>) Wanneer een kind is overleden op het ogenblik van de vaststelling van de geboorte door de ambtenaar van de burgerlijke stand of de [1 ...]1 geneesheer of [1 ...]1 vroedvrouw, maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van aangifte van een levenloos kind op.
  De akte van aangifte van een levenloos kind vermeldt :
  1° de dag, het uur, de plaats van de bevalling, alsmede het geslacht van het kind;
  2° [2 het jaar, de dag, de plaats van geboorte, de naam, de voornamen en de woonplaats van de moeder;]2
  [2 2° /1 het jaar, de dag, de plaats van geboorte, de naam, de voornamen en de woonplaats van de vader of de meemoeder, of de vader of de meemoeder die niet gehuwd is met de moeder en die het verwekt kind erkend heeft overeenkomstig artikel 328. Op zijn of haar vraag en mits toestemming van de moeder kunnen de naam, de voornamen en de woonplaats van de vader of de meemoeder die niet gehuwd is met de moeder en die het verwekt kind niet erkend heeft, tevens vermeld worden;]2
  3° de naam, de voornamen en de woonplaats van de aangever;
  4° de voornamen van het kind, indien om de vermelding ervan wordt verzocht.
  Deze akte wordt, op haar dagtekening, ingeschreven in het register van de akten van overlijden.
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 26, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  (2)<W 2014-05-05/08, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 81. Zijn er tekens of aanwijzingen van een gewelddadige dood of andere omstandigheden die zulks laten vermoeden, dan mag de teraardebestelling eerst geschieden nadat een officier van politie, bijgestaan door een doctor in de geneeskunde of de heelkunde, een proces-verbaal heeft opgemaakt van de staat van het lijk en van de daarop betrekking hebbende omstandigheden, alsook van de inlichtingen die hij heeft kunnen inwinnen omtrent de voornamen, de naam, de leeftijd, het beroep, de geboorteplaats en de woonplaats van de overledene.

  Art. 82.De officier van politie is gehouden dadelijk aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de persoon overleden is, alle in zijn proces-verbaal vermelde inlichtingen te doen toekomen, en de akte van overlijden wordt volgens die inlichtingen opgemaakt.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 27, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 83.
  <Opgeheven bij W 2013-01-14/16, art. 28, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 84.
  <Opgeheven bij W 2013-01-14/16, art. 29, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 85.
  <Opgeheven bij W 2013-01-14/16, art. 29, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 86. In geval van overlijden tijdens een zeereis wordt daarvan binnen vierentwintig uren een akte opgemaakt in tegenwoordigheid van twee getuigen, genomen uit de officieren van het schip of, bij gebreke van dezen, uit de bemanning. Op schepen van de Staat wordt de akte opgesteld door de officier van administratie bij de marine en op schepen toebehorend aan een koopman of reder, door de kapitein, gezagvoerder of schipper van het vaartuig. De akte van overlijden wordt achteraan op de monsterrol bijgeschreven.

  Art. 87. In de eerste haven waar het schip binnenloopt, hetzij om er tijdelijk aan te leggen, hetzij om enige andere reden dan om er opgelegd te worden, zijn de officieren van administratie bij de marine, de kapitein, gezagvoerder of schipper, die akten van overlijden hebben opgesteld, gehouden twee uitgiften daarvan neer te leggen, overeenkomstig artikel 60.
  Bij aankomst van het schip in de haven waar het zal worden opgelegd, wordt de monsterrol neergelegd op het kantoor van de (waterschout); deze doet een door hem getekende uitgifte van de akte van overlijden toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand der woonplaats van de overledene; deze uitgifte wordt dadelijk in de registers ingeschreven. <W 15-12-1949, art. 5>

  HOOFDSTUK V. - AKTEN VAN DE BURGERLIJKE STAND BETREFFENDE MILITAIREN BUITEN HET GRONDGEBIED VAN HET RIJK.

  Art. 88. De akten van de burgerlijke stand, buiten het grondgebied van het Rijk opgemaakt, betreffende militairen of betreffende andere personen in dienst bij het gevolg van het leger, worden opgemaakt in de vorm (en binnen de termijnen) bij de vorige bepalingen voorgeschreven, behoudens de in de volgende artikelen gestelde uitzonderingen. <W 31-03-1987, art. 12>

  Art. 89. De kwartiermeester in ieder korps van een of meer bataljons of eskadrons, en de bevelvoerende kapitein in de andere korpsen, verrichten de werkzaamheden van ambtenaar van de burgerlijke stand; voor de officieren zonder troepen en voor de personen in dienst bij het leger worden diezelfde werkzaamheden verricht door (de officier van administratie in de bataljons, en door de bevelvoerende officier van de compagnie of van de onafhankelijke eenheid in de compagnies of onafhankelijke eenheden.) <W 15-12-1949, art. 9>

  Art. 90. Er wordt bij ieder troepenkorps een register gehouden voor de akten van de burgerlijke stand betreffende de personen van dat korps, en een ander bij de staf van het leger of van een legerkorps voor de akten van de burgerlijke stand betreffende de officieren zonder troepen en de bedienden; deze registers worden op dezelfde wijze bewaard, als de andere registers van de korpsen en staven, en worden bij de terugkeer van de korpsen of van de legers op het grondgebied van het Rijk in het oorlogsarchief neergelegd.

  Art. 91. De registers worden in ieder korps per blad genummerd en geparafeerd door de bevelvoerende officier, en bij de staf door het hoofd van de generale staf.

  Art. 92. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 13>

  Art. 93. De officier die met het houden van het register van de burgerlijke stand belast is, moet binnen tien dagen na de inschrijving van een akte van geboorte in dat register een uittreksel ervan doen toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand der laatste woonplaats van de vader van het kind, of van de moeder indien de vader onbekend is.

  Art. 94. <W 1999-05-04/63, art. 11, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2000> De aangiften van een huwelijk betreffende militairen en betreffende personen in dienst bij het gevolg van het leger geschieden bij de officier die luidens artikel 89 de werkzaamheden van ambtenaar van de burgerlijke stand verricht.

  Art. 95. Onmiddellijk nadat de akte van huwelijksvoltrekking in het register is ingeschreven, doet de officier die met het houden van het register belast is, een uitgifte ervan toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de laatste woonplaats der echtgenoten.

  Art. 96. De akten van overlijden worden in ieder korps opgemaakt door de kwartiermeester; en voor de officieren zonder troepen en de bedienden, door (de officier van administratie in de bataljons, en door de bevelvoerende officier van de compagnie of van de onafhankelijke eenheid in de compagnies of onafhankelijke eenheden), op verklaring van drie getuigen; en het uittreksel uit die registers wordt binnen tien dagen gezonden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand der laatste woonplaats van de overledene. <W 15-12-1949, art. 10>

  Art. 97. In geval van overlijden in veldhospitalen of vaste militaire ziekenhuizen, wordt de akte daarvan opgemaakt door de bestuurder van die hospitalen en gezonden aan de kwartiermeester van het korps of aan (de officier van administratie in de bataljons, of aan de bevelvoerende officier van de compagnie of van de onafhankelijke eenheid in de compagnies of onafhankelijke eenheden) waarvan de overledene deel uitmaakte; die officieren doen een uitgifte ervan toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand der laatste woonplaats van de overledene. <W 15-12-1949, art. 10>

  Art. 98. De ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats der partijen, aan wie uit het leger een uitgifte van een akte van de burgerlijke stand is gezonden, is gehouden deze dadelijk in de registers in te schrijven.

  HOOFDSTUK VI. - VERBETERING VAN DE AKTEN VAN DE BURGERLIJKE STAND.

  Art. 99. <Hersteld bij W 2007-05-15/56, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 22-07-2007> Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand, op basis van andere authentieke akten of officiële attesten een materiële misslag vaststelt, kan hij na gunstig advies van de procureur des Konings deze materiële misslag in de rand van de akte van de burgerlijke stand, waarvan hij houder is, verbeteren door toevoeging van een randmelding, gedagtekend en ondertekend in rode inkt, met vermelding van de datum van het gunstig advies van de procureur des Konings.
  De procureur des Konings geeft zijn advies binnen zestig dagen na ontvangst van de aanvraag.
  Indien deze aanpassing, na gunstig advies van de procureur des Konings, de wijziging vergt van andere akten die betrekking hebben op dezelfde persoon, dient deze aanpassing ook te gebeuren.
  Indien deze aanpassing door een andere ambtenaar van de burgerlijke stand dient te gebeuren, moet de eerste betrokken ambtenaar van de burgerlijke stand de andere bevoegde ambtenaren hierover in kennis stellen door het toezenden van het gunstig advies van de procureur des Konings.
  Elke andere betrokken ambtenaar van de burgerlijke stand dient van de wijzigingen die hij doorvoert een afschrift, alsook het initiële advies van de procureur des Konings, te bezorgen aan de procureur des Konings van zijn ambtsgebied.

  Art. 100. <Hersteld bij W 2007-05-15/56, art. 3, 040; Inwerkingtreding : 22-07-2007> Materiële misslagen die door de ambtenaar van de burgerlijke stand kunnen worden verbeterd, overeenkomstig artikel 99, betreffen :
  - een tikfout in namen, voornamen en adressen;
  - een verkeerde datum van geboorte of overlijden in een akte als uit een geboorte- of overlijdensattest een andere datum blijkt;
  - een verkeerde huwelijksdatum;
  - een fout met betrekking tot de in de akte vermelde ambtenaar van de burgerlijke stand;
  - een verkeerde datum van opmaak van de akte;
  - een verkeerde burgerlijke staat als deze uit andere akten anders blijkt te zijn.

  Art. 101. <W 21-05-1951, art. 1> (Leden 1 en 2 opgeheven) <W 15-07-1970, art. 58> Wanneer verscheidene akten van de burgerlijke stand verbeterd worden door één enkel vonnis of arrest waarvan het beschikkende gedeelte door verschillende ambtenaren van de burgerlijke stand moet worden overgeschreven, dan worden de uitgiften van het beschikkende gedeelte afgegeven en overgeschreven bij uittreksel.

  TITEL III. - WOONPLAATS.

  Art. 102. De woonplaats van ieder Belg, wat betreft de uitoefening van zijn burgerlijke rechten, is daar waar hij zijn hoofdverblijf heeft.

  Art. 103. Verandering van woonplaats wordt teweeggebracht doordat men werkelijk gaat wonen in een andere plaats, met het voornemen om aldaar zijn hoofdverblijf te vestigen.

  Art. 104. Het voornemen wordt bewezen door een uitdrukkelijke verklaring, gedaan zowel bij het gemeentebestuur van de plaats die men verlaat, als bij dat van de plaats waar men zijn woonplaats heeft overgebracht.

  Art. 105. Bij gebreke van een uitdrukkelijke verklaring wordt het bewijs van het voornemen afgeleid uit de omstandigheden.

  Art. 106. De burger die tot een tijdelijk of herroepelijk openbaar ambt benoemd wordt, behoudt de woonplaats die hij tevoren had, indien hij het tegenovergestelde voornemen niet heeft te kennen gegeven.

  Art. 107. Het aanvaarden van een voor het leven verleend ambt heeft tot gevolg dat de woonplaats van de ambtenaar onmiddellijk wordt overgebracht naar de plaats waar hij zijn ambt moet uitoefenen.

  Art. 108. <W 1995-04-13/37, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> De niet-ontvoogde minderjarige heeft zijn woonplaats in de gezamenlijke verblijfplaats van zijn ouders of, indien die niet samenleven, in de verblijfplaats van één van beiden.
  Degene die onder voogdij is geplaatst, heeft zijn woonplaats bij zijn voogd.

  Art. 109. Meerderjarigen die gewoonlijk bij een ander dienen of werken, hebben dezelfde woonplaats als de persoon bij wie zij dienen of werken, indien zij met hem in hetzelfde huis wonen.

  Art. 110. De woonplaats bepaalt de plaats waar een erfenis openvalt.

  Art. 111. Wanneer de partijen of een van hen in een akte, met het oog op de uitvoering van die akte, woonplaats kiezen in een andere plaats dan de werkelijke woonplaats, kunnen de op die akte betrekking hebbende betekeningen, rechtsvorderingen en vervolgingen aan de overeengekomen woonplaats en voor de rechter van die woonplaats geschieden.

  TITEL IV. - AFWEZIGEN.

  HOOFDSTUK I. - (AFWEZIGHEID). <W 2007-05-09/44, art. 2, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Afdeling I. - Vermoeden van afwezigheid <Ingevoegd bij W 2007-05-09/44, art. 3; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 112.<W 2007-05-09/44, art. 4, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. Wanneer een persoon sinds meer dan drie maanden niet meer verschijnt in zijn woon- of verblijfplaats en men van hem gedurende ten minste drie maanden geen nieuws heeft ontvangen en daaruit onzekerheid voortvloeit over zijn leven of zijn dood, kan de [1 vrederechter]1, op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, het vermoeden van afwezigheid vaststellen.
  § 2. [1 ...]1.
  § 2. (vroeger § 3) [1 Het openbaar ministerie is ermee belast te waken over de belangen van de vermoedelijk afwezigen. Overeenkomstig de artikelen 766, tweede lid, en 767 van het Gerechtelijk Wetboek wordt het openbaar ministerie gehoord over zijn schriftelijk of mondeling advies of vorderingen met betrekking tot alle rechtsvorderingen die de afwezigen aangaan.]1.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 5, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 113.<W 2007-05-09/44, art. 5, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. [1 Wanneer hij]1 vaststelt dat er een vermoeden van afwezigheid is en de vermoedelijk afwezige geen algemeen gevolmachtigde heeft aangewezen om zijn goederen te beheren, wijst de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking een gerechtelijk bewindvoerder aan met inachtneming van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen.
  Binnen drie dagen na de uitspraak geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van de beschikking van de vrederechter aan de bewindvoerder. De gerechtelijk bewindvoerder laat binnen acht dagen na zijn aanwijzing schriftelijk weten of hij die aanvaardt.
  Wordt de aanwijzing, bedoeld in het vorige lid, niet aanvaard, dan stelt de vrederechter ambtshalve een andere gerechtelijk bewindvoerder aan.
  Na de aanvaarding door de gerechtelijk bewindvoerder wordt een afschrift van de beschikking van zijn aanwijzing medegedeeld aan de procureur des Konings.
  § 2. De vrederechter kan te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van iedere belanghebbende, van de procureur des Konings of van de gerechtelijk bewindvoerder, bij een met redenen omklede beschikking, een einde maken aan het mandaat van deze laatste, de bevoegdheden wijzigen die hem werden opgedragen of hem vervangen.
  De vrederechter kan daartoe eenieder horen die hij geschikt acht om hem in te lichten.
  § 3. Elke beslissing tot aanwijzing of tot vervanging van een gerechtelijk bewindvoerder, tot beëindiging van zijn mandaat of tot wijziging van zijn bevoegdheden, wordt, door toedoen van de griffier, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en in twee dagbladen verspreid in het gerechtelijk arrondissement van de laatste woonplaats in België van de vermoedelijk afwezige of, indien deze nooit een woonplaats in België heeft gehad, van het gerechtelijk arrondissement Brussel en in één nationaal verspreid dagblad in de taal van de procedure.
  De bekendmaking moet geschieden binnen vijftien dagen na de uitspraak; de ambtenaren aan wie het verzuim of de vertraging te wijten zou zijn, zijn aansprakelijk jegens de betrokkenen indien bewezen wordt dat de vertraging of het verzuim het gevolg is van collusie.
  Binnen dezelfde termijn wordt de beslissing door de griffier betekend aan de burgemeester van de woonplaats van de beschermde persoon teneinde te worden aangetekend in het bevolkingsregister.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 6, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 114.<W 2007-05-09/44, art. 6, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. Uiterlijk één maand na de aanvaarding van zijn aanwijzing stelt de gerechtelijk bewindvoerder een verslag op met betrekking tot de vermogenstoestand van de vermoedelijk afwezige en zendt dit over aan de vrederechter.
  De gerechtelijk bewindvoerder geeft jaarlijks rekenschap van zijn beheer aan de vrederechter door voorlegging van een schriftelijk verslag dat minstens de volgende gegevens vermeldt :
  1° de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de gerechtelijk bewindvoerder;
  2° de naam, de voornaam en de laatste bekende woonplaats van de vermoedelijk afwezige;
  3° een overzicht van de inkomsten en uitgaven tijdens de voorbije periode en een overzicht van de stand van het beheerde vermogen bij de aanvang en op het einde van deze periode.
  Indien hij zulks nodig acht, kan de vrederechter van de gerechtelijk bewindvoerder waarborgen eisen, hetzij bij zijn aanwijzing, hetzij gedurende de uitoefening van zijn mandaat.
  § 2. De schriftelijke verslagen opgemaakt met toepassing van § 1, worden op de griffie van het vredegerecht bewaard in een dossier op naam van de vermoedelijk afwezige.
  Het dossier omvat eveneens :
  1° een afschrift van het vonnis van de [1 vrederechter]1 tot vaststelling van het vermoeden van afwezigheid;
  2° een afschrift van de beschikking tot aanstelling van een gerechtelijk bewindvoerder;
  3° een afschrift van alle beschikkingen getroffen met toepassing van dit hoofdstuk;
  4° de door de vrederechter gevoerde briefwisseling met betrekking tot het gerechtelijk bewind.
  Aan het dossier wordt een inventaris van de stukken met vermelding van de datum van hun neerlegging toegevoegd.
  § 3. De vrederechter kan aan de gerechtelijk bewindvoerder, bij een met redenen omklede beslissing, na de overlegging door deze van het verslag bedoeld in § 1, een bezoldiging toekennen waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan drie procent van de inkomsten van de goederen van de vermoedelijk afwezige. Naast de bezoldiging worden de gemaakte kosten vergoed, na door de vrederechter behoorlijk te zijn nagezien. Hij kan hem nochtans, na overlegging van met redenen omklede staten, een bezoldiging toekennen in verhouding tot de vervulde buitengewone ambtsverrichtingen.
  Het is de gerechtelijk bewindvoerder verboden, buiten de in het eerste lid vermelde bezoldigingen, enige bezoldiging of voordeel, van welke aard ook of van wie ook, te ontvangen met betrekking tot het uitoefenen van het mandaat van gerechtelijk bewindvoerder.
  (Oud hoofdstuk II vervallen) <W 2007-05-09/44, art. 7, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 7, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 115. <W 2007-05-09/44, art. 8, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. De gerechtelijk bewindvoerder heeft tot taak de goederen van de vermoedelijk afwezige als een goede huisvader te beheren. Hij kan zich in zijn beheer laten bijstaan door een of meer personen die onder zijn verantwoordelijkheid optreden.
  § 2. Wanneer de belangen van de gerechtelijk bewindvoerder in strijd zijn met die van de vermoedelijk afwezige, kan hij slechts optreden krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter. Deze machtiging wordt verleend bij een met redenen omklede beschikking op verzoek van de gerechtelijk bewindvoerder. De artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
  § 3. Bij gebreke van aanwijzingen in de in artikel 113 bedoelde beschikking, vertegenwoordigt de gerechtelijk bewindvoerder de vermoedelijk afwezige in alle rechtshandelingen en procedures als eiser of als verweerder, behalve wanneer de echtgenoot van de vermoedelijk afwezige gemachtigd is om alleen te handelen overeenkomstig artikel 220, § 2, of artikel 1420.
  De gerechtelijk bewindvoerder kan slechts krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter :
  1° de vermoedelijke afwezige in rechte vertegenwoordigen als eiser bij de andere rechtsplegingen en handelingen dan die :
  - met betrekking tot huurcontracten;
  - met betrekking tot bewoning zonder akte of bewijs;
  - met betrekking tot sociale wetgeving ten gunste van de vermoedelijk afwezige;
  - met betrekking tot de burgerlijke partijstelling;
  - bedoeld in de artikelen 1187, tweede lid, 1193bis en 1225 van het Gerechtelijk Wetboek;
  2° de roerende en onroerende goederen van de vermoedelijk afwezige vervreemden;
  3° leningen aangaan en hypotheken toestaan alsook toestemming geven tot het doorhalen van een hypothecaire inschrijving, met of zonder kwijting, en tot de overschrijving van een bevel tot uitvoerend beslag zonder betaling;
  4° berusten in een vordering betreffende onroerende rechten;
  5° een nalatenschap, een algemeen legaat of een legaat onder algemene titel verwerpen of aanvaarden, wat slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving kan geschieden;
  6° een schenking of een legaat onder bijzondere titel aanvaarden;
  7° een pachtovereenkomst of een handelshuurovereenkomst sluiten alsook een handelshuurovereenkomst hernieuwen en een huurovereenkomst voor een duur van meer dan negen jaar sluiten;
  8° een dading aangaan of een arbitrageovereenkomst sluiten;
  9° een onroerend goed aankopen.
  De vrederechter wordt geadieerd bij eenzijdig verzoekschrift. Hij wint alle dienstige inlichtingen in; hij kan de mening vragen van eenieder die hij geschikt acht om hem in te lichten, onverminderd de artikelen 1186 en 1193bis van het Gerechtelijk Wetboek, inzake verkopingen van onroerende goederen.
  De artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
  Indien de vrederechter dat nuttig acht, wordt de handelszaak van de vermoedelijk afwezige voortgezet door zijn gerechtelijk bewindvoerder onder de door de vrederechter vastgestelde voorwaarden. Het bestuur ervan kan worden opgedragen aan een bijzondere bewindvoerder onder het toezicht van de gerechtelijk bewindvoerder. De bijzondere bewindvoerder wordt aangewezen door de rechtbank van koophandel op verzoek van de vrederechter.
  § 4. Onverminderd het eventueel bestaande huwelijksvermogensstelsel tussen de vermoedelijk afwezige en de gerechtelijk bewindvoerder, worden de gelden en de goederen van de vermoedelijk afwezige volledig en duidelijk afgescheiden van het persoonlijk vermogen van de bewindvoerder. De banktegoeden van de vermoedelijk afwezige worden op zijn naam ingeschreven.

  Art. 116. <W 2007-05-09/44, art. 9, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Is de vermoedelijk afwezige betrokken bij een verdeling of een erfenis, dan wordt hij vertegenwoordigd door de gerechtelijk bewindvoerder aangewezen overeenkomstig artikel 113.
  Is er geen bewindvoerder aangewezen en heeft de vermoedelijk afwezige geen algemeen gevolmachtigde aangewezen om zijn goederen te beheren, dan kan de vrederechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, een notaris aanwijzen om hem te vertegenwoordigen.
  Iedere verdeling waarbij de vermoedelijk afwezige betrokken is, geschiedt overeenkomstig artikel 1225 van het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 117.<W 2007-05-09/44, art. 10, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. Indien de vermoedelijk afwezige terugkeert, kan hij derdenverzet instellen tegen het vonnis waarbij de [1 vrederechter]1 het vermoeden van afwezigheid heeft vastgesteld.
  Indien de vermoedelijk afwezige terugkeert of indien men van hem nieuws ontvangt tijdens de periode van de vermoedelijke afwezigheid, maakt de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking een einde aan het mandaat van de gerechtelijk bewindvoerder, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de vermoedelijk afwezige, van de procureur des Konings of van iedere belanghebbende.
  De vermoedelijk afwezige krijgt de goederen terug die tijdens de periode van de vermoedelijke afwezigheid voor zijn rekening werden beheerd of verworven. De handelingen die de gerechtelijk bewindvoerder of de notaris bedoeld in artikel 116, tweede lid, op regelmatige wijze heeft verricht, kunnen hem worden tegengeworpen, behalve wanneer daarbij bedrog is gepleegd.
  § 2. Indien de vermoedelijk afwezige afwezig wordt verklaard, indien hij overleden is of indien hij gerechtelijk overleden wordt verklaard, maakt de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking een einde aan het mandaat van de gerechtelijk bewindvoerder, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de procureur des Konings of van iedere belanghebbende.
  § 3. Onverminderd de toepassing van de artikelen 1358 tot 1369 van het Gerechtelijk Wetboek, dient de gerechtelijk bewindvoerder binnen dertig dagen na de beschikking waarmee een eind wordt gemaakt aan zijn mandaat, zijn eindverslag in ter griffie van het vredegerecht.
  Indien de vermoedelijk afwezige gehuwd was op de dag van zijn verdwijnen en indien hij afwezig of gerechtelijk overleden wordt verklaard, maakt de gerechtelijk bewindvoerder een inventaris op van alle roerende en onroerende goederen die deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen dat toebehoort aan de vermoedelijk afwezige en aan zijn echtgenoot, en dient hij de inventaris binnen de in § 1 bedoelde termijn in ter griffie van het vredegerecht.
  Indien de vermoedelijk afwezige wettelijk samenwoonde op de dag van zijn verdwijning en indien hij afwezig of gerechtelijk overleden wordt verklaard, maakt de gerechtelijk bewindvoerder een inventaris op van alle roerende en onroerende goederen die geacht worden in onverdeeldheid te zijn op grond van artikel 1478 en dient hij die inventaris binnen de in het eerste lid bedoelde termijn in ter griffie van het vredegerecht. Hij handelt op dezelfde wijze ingeval de wettelijk samenwonende van de vermoedelijk afwezige na de vaststelling van het vermoeden van afwezigheid de wettelijke samenwoning overeenkomstig artikel 1476, § 2, tweede lid, beëindigt. De ambtenaar van de burgerlijke stand stelt de gerechtelijk bewindvoerder in kennis van de beslissing om de wettelijke samenwoning te beëindigen.
  Het eindverslag en, in voorkomend geval, de inventaris worden bij het dossier bedoeld in artikel 114, § 2, gevoegd.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 8, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Afdeling II. - Verklaring van afwezigheid <Ingevoegd bij W 2007-05-09/44, art. 11; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 118.<W 2007-05-09/44, art. 11, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. Wanneer er vijf jaar verlopen zijn sinds het vonnis waarbij het vermoeden van afwezigheid werd vastgesteld, of zeven jaar sinds men voor het laatst nieuws ontvangen heeft van de afwezige, kan de verklaring van afwezigheid worden uitgesproken door de [1 familierechtbank]1 op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings.
  § 2. De griffier moet, in voorkomend geval, een eensluidend verklaard afschrift van het vonnis houdende verklaring van afwezigheid ter kennis brengen van de in artikel [1 112, § 1]1, bedoelde vrederechter.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 9, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 119. <W 2007-05-09/44, art. 13, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Het in artikel 118 bedoelde verzoek wordt, door toedoen van de griffier, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, in twee dagbladen verspreid in het gerechtelijk arrondissement van de laatste woonplaats in België van de afwezige of, indien deze nooit een woonplaats in België heeft gehad, in het gerechtelijk arrondissement Brussel en in één nationaal verspreid dagblad in de taal van de procedure.
  De rechtbank kan alle andere maatregelen bevelen die zij nodig acht om dit verzoek bekend te maken.
  (Oud hoofdstuk III vervallen) <W 2007-05-09/44, art. 14, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  (Oude afdeling I vervallen) <W 2007-05-09/44, art. 14, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 120.<W 2007-05-09/44, art. 15, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> De [1 familierechtbank]1 mag een vonnis houdende verklaring van afwezigheid eerst wijzen een jaar na de laatste bekendmaking bepaald in artikel 119, eerste lid.
  Het vonnis houdende verklaring van afwezigheid wordt bij uittreksel bekendgemaakt op de wijze bepaald in artikel 119, binnen de termijn bepaald door de rechtbank.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 10, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 121. <W 2007-05-09/44, art. 16, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. Het beschikkend gedeelte van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid vermeldt de gegevens opgesomd in artikel 79; het stelt, in voorkomend geval, de onmogelijkheid vast om sommige van die gegevens te vermelden.
  Op verzoek van de procureur des Konings wordt het beschikkend gedeelte van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid die in kracht van gewijsde is gegaan, overgeschreven in de lopende registers van de burgerlijke stand van de laatste woonplaats in België van de afwezige. Heeft deze nooit een woonplaats in België gehad, dan geschiedt de overschrijving te Brussel.
  § 2. De beslissing houdende verklaring van afwezigheid die in kracht van gewijsde is gegaan, geldt als een akte van de burgerlijke stand.
  Zij heeft alle gevolgen van het overlijden vanaf de datum van de overschrijving.
  Deze akte kan worden verbeterd overeenkomstig artikel 101 van dit Wetboek en de artikelen 1383 tot 1385 van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid wanneer het bewijs wordt geleverd dat de afwezig verklaarde persoon nog in leven is.

  Art. 122.<W 2007-05-09/44, art. 17, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Indien de afwezige terugkeert, kan hij derdenverzet instellen tegen het vonnis van verklaring van afwezigheid uitgesproken door de [1 familierechtbank]1, waarna artikel 121, § 2, derde lid wordt toegepast.
  Indien het bewijs van het bestaan van de afwezige geleverd wordt na de dag waarop de beslissing houdende verklaring van afwezigheid in kracht van gewijsde is gegaan, wordt artikel 121, § 2, derde lid, toegepast.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 11, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 123. <W 2007-05-09/44, art. 18, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Het op grond van artikel 122 gewezen vonnis houdende verbetering wordt bij uittreksel bekendgemaakt op de bij artikel 119 bepaalde wijze en binnen de door de rechtbank bepaalde termijn.

  Art. 124.<W 2007-05-09/44, art. 19, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Indien de afwezige terugkeert of indien het bewijs van zijn bestaan geleverd wordt, krijgt de afwezige door het vonnis houdende verbetering zijn goederen en de goederen die hij tijdens zijn afwezigheid had moeten verkrijgen, terug in de staat waarin zij zich bevinden, alsook de prijs van de goederen die mochten zijn vervreemd, en de goederen die door wederbelegging mochten zijn verkregen.
  Zijn huwelijk en zijn huwelijksvermogensstelsel blijven ontbonden. Onverminderd de toepassing van de artikelen 1205 tot [1 1224/2]1 van het Gerechtelijk Wetboek, krijgt de afwezige zijn deel van de goederen van het gemeenschappelijk vermogen in de staat waarin zij zich bevinden, alsook de prijs van de goederen die mochten zijn vervreemd, op grond van de inventaris opgemaakt overeenkomstig artikel 117, § 3, tweede lid.
  Ingeval de afwezige wettelijk samenwoonde, krijgt hij zijn deel van de goederen die geacht worden in onverdeeldheid te zijn terug in de staat waarin zij zich bevinden, alsmede het deel van de prijs van de goederen die mochten zijn vervreemd op grond van de inventaris die werd opgesteld overeenkomstig artikel 117, § 3, derde lid.
  Er wordt een einde gemaakt aan de maatregelen ten aanzien van de minderjarige kinderen.
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 2, 054; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Afdeling III. - Gevolgen van de afwezigheid of van het vermoeden van afwezigheid voor de minderjarige kinderen <Ingevoegd bij W 2007-05-09/44, art. 20; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 125. <W 2007-05-09/44, art. 23, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Indien er minderjarige kinderen zijn, moet de griffier een eensluidend verklaard afschrift van elke beslissing gewezen op grond van de artikelen 112, 113, 117, 118 en 122 ter kennis brengen van de territoriaal bevoegde vrederechter. Deze laatste handelt overeenkomstig de regels voor de voogdij.

  HOOFDSTUK lI. - Gerechtelijke verklaring van overlijden <W 2007-05-09/44, art. 22, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 126.<W 2007-05-09/44, art. 23, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Bij ontstentenis van een akte van overlijden, kan de [1 familierechtbank]1, op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, die ambtshalve optreedt of op verzoek van de minister van Justitie, het overlijden verklaren van iedere persoon die in levensbedreigende omstandigheden verdween, indien zijn lichaam niet kon worden teruggevonden of niet kon worden geïdentificeerd, en zijn overlijden, gelet op de omstandigheden, als zeker kan worden beschouwd.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 12, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 127.<W 2007-05-09/44, art. 24, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Onverminderd de toepassing van artikel 1226 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de procureur des Konings het verzoek tot verklaring van overlijden van diverse personen instellen bij een enkel verzoekschrift en kan de [1 familierechtbank]1 in dat geval uitspraak doen bij een enkel vonnis.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 13, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 128. <W 2007-05-09/44, art. 25, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Is de verdwenen persoon betrokken bij een verdeling of een erfenis, dan gaat de rechtbank, overeenkomstig artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek, over tot het aanwijzen van de notaris die zijn belangen moet vertegenwoordigen tot het tijdstip waarop het vonnis houdende verklaring van overlijden wordt uitgesproken.

  Art. 129. <W 2007-05-09/44, art. 26, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> De rechtbank kan bepalen dat het verzoek in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. In dat geval bepaalt de rechtbank de termijn tijdens welke hij, na deze bekendmaking, zijn uitspraak over het verzoek zal opschorten.

  Art. 130.<W 2007-05-09/44, art. 27, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Binnen vijftien dagen na de uitspraak brengt de griffier het beschikkend gedeelte van het vonnis bij gerechtsbrief ter kennis van de partijen. De termijn van hoger beroep bedraagt twee maanden te rekenen van deze kennisgeving. Het hoger beroep wordt bij verzoekschrift bij [1 de familiekamer van]1 het hof van beroep ingesteld. Op straffe van nietigheid moet het binnen acht dagen na de datum waarop het verzoekschrift is ontvangen bij deurwaardersexploot of bij een ter post aangetekende brief ter kennis worden gebracht van de griffie van de [1 rechtbank van eerste aanleg]1 die de bestreden beslissing heeft gewezen. De griffier maakt van het beroep melding op de kant van de bestreden beslissing. De regels die gelden in eerste aanleg zijn van toepassing voor hoger beroep.
  De griffier van het hof van beroep geeft kennis van het arrest overeenkomstig de bepalingen die gelden in eerste aanleg. De termijn voor voorziening in cassatie bedraagt één maand vanaf deze kennisgeving.
  De termijn voor voorziening in cassatie en de voorziening tegen het arrest waarbij het overlijden wordt vastgesteld hebben schorsende kracht.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 14, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 131. <W 2007-05-09/44, art. 28, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> De gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden stelt de datum van het overlijden vast, rekening houdend met de vermoedens voortvloeiend uit de omstandigheden van de zaak; zo niet stelt ze die datum vast op de dag van de verdwijning. Deze datum mag niet onbepaald zijn.
  Het beschikkend gedeelte van de gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden bevat de in artikel 79 omschreven vermeldingen; het stelt in voorkomend geval de onmogelijkheid vast melding te maken van sommige ervan.

  Art. 132. <W 2007-05-09/44, art. 29, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Op verzoek van de procureur des Konings wordt het beschikkend gedeelte van de in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden overgeschreven in de lopende registers van de burgerlijke stand van de laatste woonplaats van de overledene in Belgie. Ingeval deze persoon nooit zijn woonplaats in België heeft gehad, geschiedt de overschrijving te Brussel.
  In geval van een collectief vonnis geschiedt de overschrijving overeenkomstig het eerste lid, bij uittreksels in de registers.
  Van de overschrijving wordt melding gemaakt in de tabellen van de registers van het jaar van overlijden.

  Art. 133. <W 2007-05-09/44, art. 30, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> De in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden geldt als akte van de burgerlijke stand.
  Zij heeft uitwerking op de datum van het overlijden dat erin wordt verklaard.
  De akte die deze beslissing vormt, kan worden verbeterd overeenkomstig de bepalingen van artikel 101 van dit Wetboek en de artikelen 1383 tot 1385 van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid wanneer het bewijs wordt geleverd dat de overleden verklaarde persoon nog in leven is.
  De vonnissen en arresten waarbij een verzoek tot verklaring van overlijden wordt afgewezen, beletten niet dat een soortgelijk verzoek later ontvankelijk zou zijn, ingeval het gegrond is op nieuw bewijsmateriaal.

  Art. 134. <W 2007-05-09/44, art. 31, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Indien de persoon die gerechtelijk overleden is verklaard terugkeert, worden de artikelen 123 en 124 toegepast.
  (Oude afdeling II vervallen) <W 2007-05-09/44, art. 32, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 135. <W 2007-05-09/44, art. 33, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007> De hoofdgriffiers van de hoven en rechtbanken stellen de minister van Buitenlandse Zaken onmiddellijk in kennis van enige krachtens dit hoofdstuk gevoerde rechtspleging.

  Art. 136. (Opgeheven) <W 2007-05-09/44, art. 34, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 137. (Opgeheven) <W 2007-05-09/44, art. 34, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 138. (Opgeheven) <W 2007-05-09/44, art. 34, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  (Oude afdeling III vervallen) <W 2007-05-09/44, art. 35, A, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 139. (Opgeheven) <W 2007-05-09/44, art. 34, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 140. (Opgeheven) <W 14-05-1981, Art. 1>
  (Oude afdeling IV vervallen) <W 2007-05-09/44, art. 35, B, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 141. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 16>

  Art. 142. (Opgeheven) <W 2007-05-09/44, art. 34, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  TITEL V. - HET HUWELIJK.

  HOOFDSTUK I. - HOEDANIGHEDEN EN VOORWAARDEN VEREIST OM EEN HUWELIJK TE MOGEN AANGAAN.

  Art. 143. <W 2003-02-13/36, art. 3, 015; Ed : 01-06-2003> Een huwelijk kan worden aangegaan door twee personen van verschillend of van hetzelfde geslacht.
  Indien het huwelijk werd aangegaan tussen personen van hetzelfde geslacht, is artikel 315 niet van toepassing.

  Art. 144. <W 19-01-1990, art. 7> Niemand mag een huwelijk aangaan voor hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  Art. 145.<W 19-01-1990, art. 8> Om gewichtige redenen kan de [1 familierechtbank]1 de in het vorige artikel vervatte verbodsbepaling opheffen. (De vordering wordt bij verzoekschrift ingediend, ofwel door beide ouders, ofwel door een van hen, ofwel door de voogd, ofwel door de minderjarige indien de ouders of de voogd niet in het huwelijk toestemmen.) <W 2001-04-29/39, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  De procedure wordt ingeleid tegen een bepaalde dag. De rechtbank doet uitspraak binnen vijftien dagen, de ouders (of de voogd), de minderjarige en de aanstaande echtgenoot opgeroepen en de procureur des Konings gehoord. <W 2001-04-29/39, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  Hoger beroep kan (binnen acht dagen na de kennisgeving per gerechtsbrief van het vonnis) worden ingesteld en [1 de familiekamer van het hof van beroep]1 doet uitspraak binnen vijftien dagen. (Het vonnis wordt eveneens door de griffier aan het bevoegde openbaar ministerie medegedeeld) Tegen het vonnis of arrest is geen verzet mogelijk. <W 2006-05-09/35, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 10-05-2007>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 15, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 145/1. [1 De persoon die krachtens artikel 492/1, § 1, derde lid, 2°, uitdrukkelijk onbekwaam werd verklaard om een huwelijk aan te gaan, kan, op zijn verzoek, door de in artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vrederechter alsnog worden gemachtigd een huwelijk aan te gaan.
   De vrederechter oordeelt over de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon.
   De artikelen 1241 en 1246 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
   Een eensluidend verklaard afschrift van de beschikking wordt eveneens overgezonden aan de in artikel 63 bedoelde ambtenaar van de burgerlijke stand.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 3, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 146. Er is geen huwelijk wanneer er geen toestemming is.

  Art. 146bis. <Ingevoegd bij W 1999-05-04/63, art. 12, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2000> Er is geen huwelijk wanneer, ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de echtgenoten kennelijk niet is gericht op het totstandbrengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde.

  Art. 146ter.<Ingevoegd bij W 2007-04-25/76, art. 3; Inwerkingtreding : 25-06-2007> Er is evenmin een huwelijk wanneer het wordt aangegaan zonder vrije toestemming [1 van beide echtgenoten of de toestemming]1 van minstens een van de echtgenoten werd gegeven onder geweld of bedreiging.
  ----------
  (1)<W 2013-06-02/08, art. 4, 059; Inwerkingtreding : 03-10-2013>

  Art. 147. Men mag geen tweede huwelijk aangaan voor de ontbinding van het eerste.

  Art. 148.<W 19-01-1990, art. 9> Zonder toestemming van zijn ouders mag een minderjarige geen huwelijk aangaan.
  Die toestemming wordt vastgesteld door de [2 familierechtbank]2 waarbij de vordering tot ontheffing van het leeftijd vereiste aanhangig is gemaakt.
  Ingeval de ouders weigeren hun toestemming te geven, kan de rechtbank toestemming tot het huwelijk verlenen als zij de weigering een misbruik acht te zijn.
  Ingeval één van de ouders zijn toestemming weigert te geven, kan de rechtbank toestemming tot het huwelijk verlenen indien de weigering niet gegrond wordt geacht. De ouder die niet verschijnt, wordt geacht niet in het huwelijk toe te stemmen.
  Ingeval één van de ouders in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven [1 of wilsonbekwaam is]1 en de andere ouder zijn toestemming weigert, kan de rechtbank toestemming tot het huwelijk verlenen als zij de weigering een misbruik acht te zijn.
  Ingeval beide ouders in de onmogelijkheid verkeren hun wil te kennen te geven [1 of wilsonbekwaam zijn]1 of ingeval zij niet verschijnen, kan de rechtbank toestemming tot het huwelijk verlenen.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 4, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 16, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 149. (Opgeheven) <W 19-01-1990, art. 10>

  Art. 150. (Opgeheven) <W 19-01-1990, art. 11>

  Art. 151. (Opgeheven) <W 19-01-1990, art. 12>

  Art. 152. (Opgeheven) <W 19-01-1990, art. 13>

  Art. 153. (Opgeheven) <W 19-01-1990, art. 14>

  Art. 154. (Opgeheven) <W 19-01-1990, art. 15>

  Art. 155. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 24>

  Art. 155bis. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 24>

  Art. 156. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 157. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 158. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 24>

  Art. 159. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 24>

  Art. 160. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 24>

  Art. 160bis. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 24>

  Art. 161. Het huwelijk is verboden tussen alle (...) bloedverwanten in de rechte opgaande en nederdalende lijn en de aanverwanten in dezelfde lijn. <W 31-03-1987, art. 25>

  Art. 162. In de zijlijn is het huwelijk verboden tussen (broers, tussen zusters of tussen broer en zuster) (...). <W 31-03-1987, art. 25> <W 2001-03-27/38, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 21-05-2001> <W 2003-02-13/36, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
  (Lid opgeheven) <W 2001-03-27/38, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 21-05-2001>

  Art. 163. <W 2003-02-13/36, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 01-06-2003> Het huwelijk is ook verboden tussen oom en nicht of neef, of tussen tante en nicht of neef.

  Art. 164. <W 2003-02-13/36, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-06-2003> Echter kan de Koning, om gewichtige redenen, (het in artikel 161 bedoelde verbod voor aanverwanten en) het in het vorige artikel bevatte verbod opheffen (...). <W 2005-02-13/31, art. 3, 022; Inwerkingtreding : 05-03-2005> <W 2007-05-15/48, art. 2, 037; Inwerkingtreding : 09-07-2007>

  HOOFDSTUK II. - FORMALITEITEN BETREFFENDE DE VOLTREKKING VAN HET HUWELIJK.

  Art. 165.<W 1999-05-04/63, art. 13, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2000> § 1. Het huwelijk mag niet worden voltrokken vóór de 14e dag na de datum van opmaak van de akte van aangifte van het huwelijk, zoals bedoeld in artikel 63.
  § 2. De procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waarin de verzoekers voornemens zijn te huwen, kan, om gewichtige redenen vrijstelling verlenen van de aangifte en van elke wachttijd, en een verlenging van de in § 3 bedoelde termijn van zes maanden toestaan.
  [2 ...]2.
  § 3. Indien het huwelijk niet is voltrokken binnen de zes maanden sinds het verstrijken van de in § 1 bedoelde termijn van 14 dagen, mag het niet meer worden voltrokken dan nadat een nieuwe aangifte van het huwelijk werd gedaan in de vorm zoals bepaald in artikel 63.
  [1 Ingeval de ambtenaar van de burgerlijke stand weigert het huwelijk te voltrekken, kan de rechter die zich uitspreekt over het beroep tegen deze weigering om een verlenging van deze termijn van zes maanden worden verzocht.]1
  ----------
  (1)<W 2009-02-19/36, art. 3, 044; Inwerkingtreding : 21-03-2009>
  (2)<W 2013-12-21/50, art. 7,7°, 060; Inwerkingtreding : 15-06-2014 (KB 2014-04-19/02, art. 1>

  Art. 166. <W 1999-05-04/63, art. 14, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2000> De voltrekking van het huwelijk geschiedt in het openbaar voor de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte van aangifte heeft opgemaakt.

  Art. 167.<W 1999-05-04/63, art. 15, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2000> De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert het huwelijk te voltrekken wanneer blijkt dat niet is voldaan aan de hoedanigheden en voorwaarden vereist om een huwelijk te mogen aangaan, of indien hij van oordeel is dat de voltrekking in strijd is met de beginselen van de openbare orde.
  Indien er een ernstig vermoeden bestaat dat niet is voldaan aan de in het vorige lid gestelde voorwaarden kan de ambtenaar van de burgerlijke stand de voltrekking van het huwelijk uitstellen, na eventueel het advies van de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de verzoekers voornemens zijn te huwen te hebben ingewonnen, gedurende ten hoogste twee maanden vanaf de door belanghebbende partijen vooropgestelde huwelijksdatum, teneinde bijkomend onderzoek te verrichten. [1 De procureur des Konings kan deze termijn verlengen met een periode van hoogstens drie maanden. In dat geval geeft hij daarvan kennis aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die de belanghebbende partijen ervan in kennis stelt.]1
  Indien hij binnen de in vorig lid gestelde termijn nog geen definitieve beslissing heeft genomen, dient de ambtenaar van de burgerlijke stand [1 onverwijld]1 het huwelijk te voltrekken, zelfs in die gevallen waar de in artikel 165, § 3 bedoelde termijn van zes maanden reeds is verstreken.
  In geval van een weigering zoals bedoeld in het eerste lid, brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn met redenen omklede beslissing zonder verwijl ter kennis van de belanghebbende partijen. Tezelfdertijd wordt een afschrift hiervan, samen met een kopie van alle nuttige documenten, overgezonden aan de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de weigering plaatsvond [1 en aan de Dienst Vreemdelingenzaken, in geval zijn beslissing gemotiveerd is op basis van artikel 146bis]1.
  Indien één van de aanstaande echtgenoten of beiden op de dag van de weigering hun inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister of hun actuele verblijfplaats niet hebben binnen de gemeente, wordt de weigeringsbeslissing tevens onmiddellijk ter kennis gebracht van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van inschrijving in een van deze registers of van de actuele verblijfplaats in België van deze aanstaande echtgenoot of echtgenoten.
  Tegen de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand om het huwelijk te voltrekken, kan door belanghebbende partijen binnen de maand (na de kennisgeving van zijn beslissing) beroep worden aangetekend bij de [2 familierechtbank]2. <W 2000-03-01/48, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 16-04-2000>
  ----------
  (1)<W 2013-06-02/08, art. 5, 059; Inwerkingtreding : 03-10-2013. Overgangsbepaling : art. 24>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 17, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 168. (Opgeheven) <W 26-12-1891, art. 10>

  Art. 169. (Opgeheven) <W 26-12-1891, art. 10>

  Art. 170. (Opgeheven) <W 2004-07-16/31, art. 139, 020; Inwerkingtreding : 01-10-2004>

  Art. 170bis.
  <Opgeheven bij W 2013-12-21/50, art. 7,8°, 060; Inwerkingtreding : 15-06-2014 (KB 2014-04-19/02, art. 1>

  Art. 170ter.(Opgeheven) <W 2004-07-16/31, art. 139, 020; Inwerkingtreding : 01-10-2004>

  Art. 171. (Opgeheven) <W 2004-07-16/31, art. 139, 020; Inwerkingtreding : 01-10-2004>

  HOOFDSTUK III. <Opgeheven bij W 2009-02-19/36, art.4, 044; Inwerkingtreding : 21-03-2009>

  Art. 172.
  <Opgeheven bij W 2009-02-19/36, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 21-03-2009>

  Art. 173.
  <Opgeheven bij W 2009-02-19/36, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 21-03-2009>

  Art. 174.
  <Opgeheven bij W 2009-02-19/36, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 21-03-2009>

  Art. 175.
  <Opgeheven bij W 2009-02-19/36, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 21-03-2009>

  Art. 176.
  <Opgeheven bij W 2009-02-19/36, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 21-03-2009>

  Art. 177.
  <Opgeheven bij W 2009-02-19/36, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 21-03-2009>

  Art. 178.
  <Opgeheven bij W 2009-02-19/36, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 21-03-2009>

  Art. 179.
  <Opgeheven bij W 2009-02-19/36, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 21-03-2009>

  HOOFDSTUK IV. - VORDERINGEN TOT NIETIGVERKLARING VAN HET HUWELIJK.

  Art. 180. (Eerste lid opgeheven) <W 2007-04-25/76, art. 4, 036; Inwerkingtreding : 25-06-2007>
  Wanneer er dwaling in de persoon heeft plaatsgehad, kan tegen het huwelijk alleen worden opgekomen door degene van de echtgenoten die in dwaling werd gebracht.

  Art. 181. In het geval van het vorige artikel is de vordering tot nietigverklaring niet meer ontvankelijk, wanneer de samenwoning is voortgezet gedurende zes maanden (nadat de dwaling door de echtgenoot is ontdekt). <W 2007-04-25/76, art. 5, 036; Inwerkingtreding : 25-06-2007>

  Art. 182. (Opgeheven) <W 19-01-1990, art. 21>

  Art. 183. (Opgeheven) <W 19-01-1990, art. 22>

  Art. 184.<W 31-03-1987, art. 26> Tegen elk huwelijk dat is aangegaan met overtreding van (de bepalingen van de artikelen 144, 146bis, 146ter, 147, 161, 162, 163, 341 of 353-13,) kan worden opgekomen door de echtgenoten zelf, door allen die daarbij belang hebben en door het openbaar ministerie. <W 2007-04-25/76, art. 6, 036; Inwerkingtreding : 25-06-2007>
  [1 De procureur des Konings vordert de nietigheid van een huwelijk dat is aangegaan met overtreding van de artikelen 146bis of 146ter.]1
  ----------
  (1)<W 2013-06-02/08, art. 6, 059; Inwerkingtreding : 03-10-2013>

  Art. 185.<W 19-01-1990, art. 23> Tegen een huwelijk dat is aangegaan door een minderjarige echtgenoot of door minderjarige echtgenoten die van de [1 familierechtbank]1 geen toestemming hebben gekregen om een huwelijk aan te gaan, kan evenwel niet meer worden opgekomen wanneer zes maanden verlopen zijn sinds die echtgenoot of de echtgenoten de leeftijd van achttien jaar bereikt hebben.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 18, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 186.[1 De persoon die krachtens artikel 492/1, § 1, derde lid, 3°, uitdrukkelijk onbekwaam werd verklaard om de nietigverklaring van het huwelijk te vorderen, kan, op zijn verzoek, door de in artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vrederechter, alsnog worden gemachtigd de vordering tot nietigverklaring van het huwelijk in te stellen.
   De vrederechter oordeelt over de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon.
   De artikelen 1241 en 1246 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 5, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 187. In alle gevallen waarin, overeenkomstig artikel 184, de vordering tot nietigverklaring kan worden ingesteld door allen die daarbij belang hebben, kan zulks niet geschieden door de bloedverwanten in de zijlijn of door de kinderen, (die niet uit dit huwelijk geboren zijn), zolang beide echtgenoten in leven zijn, doch eerst wanneer zij daarbij een reeds verkregen en dadelijk belang hebben. <W 31-03-1987, art. 27>

  Art. 188. De echtgenoot ten nadele van wie een tweede huwelijk is aangegaan, kan de nietigverklaring ervan vorderen zelfs tijdens het leven van de echtgenoot die met hem verbonden was.

  Art. 189. Indien de nieuwe echtgenoten de nietigheid van het eerste huwelijk inroepen, moet vooraf worden beslist of dat huwelijk geldig dan wel nietig is.

  Art. 190. In alle gevallen waarin artikel 184 toepasselijk is en met inachtneming van de in artikel 185 gestelde beperkingen, kan en moet de procureur des Konings de nietigverklaring van het huwelijk vorderen tijdens het leven van beide echtgenoten en hen doen veroordelen om van elkaar te scheiden.

  Art. 191. Tegen elk huwelijk dat niet in het openbaar is aangegaan en dat niet voor de bevoegde openbare ambtenaar is voltrokken (of waarvan geen aangifte is gedaan zoals bepaald in artikel 63), kan worden opgekomen door de echtgenoten zelf, door de ouders, door de grootouders en door allen die daarbij een reeds verkregen en dadelijk belang hebben, alsook door het openbaar ministerie. <W 1999-05-04/63, art. 18, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2000>

  Art. 192. <W 2000-03-01/48, art. 4, 008; Inwerkingtreding : 16-04-2000> Indien het huwelijk niet is voorafgegaan door de vereiste aangifte, of indien door de wet toegelaten vrijstellingen niet zijn verkregen, of indien de voorgeschreven termijnen bij de aangifte en de huwelijksvoltrekking niet in acht zijn genomen, wordt de openbare ambtenaar gestraft met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank en worden de gehuwden of degenen onder wier gezag zij gehandeld hebben, gestraft met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank.

  Art. 193. De in het vorige artikel bepaalde straffen worden opgelegd aan de daarin genoemde personen, wegens elke overtreding van de in (artikel 166) gestelde regels, ook al mochten die overtredingen niet voldoende geacht worden om de nietigheid van het huwelijk te doen uitspreken. <W 2000-03-01/48, art. 5, 008; Inwerkingtreding : 16-04-2000>

  Art. 193bis.<Ingevoegd bij W 14-11-1947, art. 1> Onverminderd de toepassing van de artikelen 184, 190 en 191 hiervoren en van [1 artikelen 138bis, § 1, en 139 van het Gerechtelijk Wetboek]1, kan het openbaar ministerie als tussenkomende partij optreden bij alle rechtsvorderingen tot nietigverklaring van een huwelijk.
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/09, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 18-07-2014>

  Art. 193ter. [1 Elk exploot van betekening van een vonnis of arrest dat een huwelijk nietig verklaart, wordt door de gerechtsdeurwaarder onmiddellijk in afschrift meegedeeld aan het openbaar ministerie en de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken.
   Wanneer de nietigheid van het huwelijk is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, stuurt de griffier, onverwijld, een uittreksel bevattende het beschikkende gedeelte en de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden van het vonnis of arrest aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het huwelijk voltrokken is of, wanneer het huwelijk niet in België voltrokken is, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van Brussel. Indien het gaat om de nietigverklaring van een huwelijk dat is aangegaan met overtreding van de artikelen 146bis of 146ter stuurt hij het uittreksel tegelijkertijd aan de Dienst Vreemdelingenzaken.
   De griffier brengt de partijen hiervan in kennis.
   De ambtenaar van de burgerlijke stand schrijft het beschikkende gedeelte onverwijld over in zijn registers; melding daarvan wordt gemaakt op de kant van de akte van huwelijk en van de akten van de burgerlijke stand die betrekking hebben op de kinderen, indien deze in België zijn opgemaakt of overgeschreven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-06-02/08, art. 7, 059; Inwerkingtreding : 03-10-2013>

  Art. 194. Niemand kan op de hoedanigheid van echtgenoot en op de burgerlijke gevolgen van het huwelijk aanspraak maken, indien hij niet een in het register van de burgerlijke stand ingeschreven akte van huwelijksvoltrekking overlegt; behoudens de gevallen genoemd in artikel 46, in de titel "Akten van de burgerlijke stand."

  Art. 195. Het bezit van staat kan degenen die beweren met elkaar gehuwd te zijn en zich tegenover elkaar op dat bezit beroepen, niet ontslaan van de verplichting om de akte van huwelijksvoltrekking, verleden ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand, over te leggen.

  Art. 196. Wanneer er bezit van staat aanwezig is en de akte van huwelijksvoltrekking, verleden ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand, wordt overgelegd, zijn de echtgenoten niet ontvankelijk om tegen elkaar de nietigverklaring van die akte te vorderen.

  Art. 197. Zijn er echter, in de gevallen van de artikelen 194 en 195, kinderen, geboren uit twee personen die openlijk als man en vrouw geleefd hebben en die beiden overleden zijn, dan kan de (afstamming) van de kinderen niet betwist worden alleen onder voorwendsel dat de akte van huwelijksvoltrekking niet overgelegd wordt, wanneer die wettigheid blijkt uit een bezit van staat dat door de akte van geboorte niet wordt tegengesproken. <W 31-03-1987, art. 28>

  Art. 198. Wanneer het bewijs van de wettelijke voltrekking van een huwelijk is verkregen ten gevolge van een strafrechtelijke procedure, verzekert de inschrijving van het vonnis in de registers van de burgerlijke stand aan het huwelijk, te rekenen van de dag van de voltrekking, alle burgerlijke gevolgen ten aanzien zowel van de echtgenoten als van de uit het huwelijk geboren kinderen.

  Art. 199. Zijn de echtgenoten of is een van hen overleden zonder het bedrog te hebben ontdekt, dan kan de strafvordering worden ingesteld door allen die er belang bij hebben het huwelijk geldig te doen verklaren, alsook door de procureur des Konings.

  Art. 200. Is de openbare ambtenaar reeds overleden wanneer het bedrog ontdekt wordt, dan wordt de rechtsvordering voor de burgerlijke rechtbank ingesteld tegen zijn erfgenamen door de procureur des Konings, in tegenwoordigheid van de belanghebbende partijen en op hun aangifte.

  Art. 201. <W 31-03-1987, art. 29> Het huwelijk dat nietig verklaard is, heeft niettemin gevolgen ten aanzien van de echtgenoten, wanneer het te goeder trouw is aangegaan.
  Is de goede trouw slechts bij een van beide echtgenoten aanwezig, dan heeft het huwelijk alleen gevolgen ten voordele van die echtgenoot.

  Art. 202. <W 31-03-1987, art. 30> Het heeft eveneens gevolgen ten voordele van de kinderen, ook al is geen van beide echtgenoten te goeder trouw geweest.

  HOOFDSTUK V. - VERPLICHTINGEN DIE UIT HET HUWELIJK (OF DE AFSTAMMING) ONTSTAAN. <W 31-03-1987, art. 31>

  Art. 203.[1 § 1. De ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen. Indien de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind.
   § 2. Met middelen wordt onder andere bedoeld alle beroepsinkomsten, roerende en onroerende inkomsten van de ouders, alsook alle voordelen en andere middelen die hun levensstandaard en deze van de kinderen waarborgen.
   § 3. De langstlevende echtgenoot is gehouden tot de verplichting gesteld in paragraaf 1 ten aanzien van de kinderen van de vooroverleden echtgenoot van wie hij niet de vader of de moeder is, binnen de grenzen van hetgeen hij heeft verkregen uit de nalatenschap van de vooroverledene en van de voordelen die deze hem mocht hebben verleend bij huwelijkscontract, door schenking of bij testament.]1
  [2 Deze verplichting vervalt ten aanzien van het kind dat onwaardig is om van de vooroverleden echtgenoot te erven. De rechter schort zijn uitspraak op tot de beslissing die tot onwaardigheid leidt in kracht van gewijsde is getreden. ]2
  ----------
  (1)<W 2010-03-19/05, art. 2, 048; Inwerkingtreding : 01-08-2010; zie ook art. 17>
  (2)<W 2012-12-10/14, art. 2, 057; Inwerkingtreding : 21-01-2013>

  Art. 203bis.[1 § 1. Elke ouder draagt bij in de kosten die voortvloeien uit de bij artikel 203, § 1, bepaalde verplichting, in verhouding tot zijn respectieve aandeel in de samengevoegde middelen.
   § 2. Onverminderd de rechten van het kind, kan elk van de ouders van de andere ouder diens bijdrage vorderen in de kosten voortvloeiende uit artikel 203, § 1.
   § 3. De kosten omvatten de gewone kosten en de buitengewone kosten.
   De gewone kosten zijn alle gebruikelijke kosten met betrekking tot het dagelijkse onderhoud van het kind.
   Onder buitengewone kosten wordt verstaan de uitzonderlijke, noodzakelijke of onvoorzienbare uitgaven die voortvloeien uit toevallige of ongewone gebeurtenissen en die het gebruikelijke budget voor het dagelijkse onderhoud van het kind dat desgevallend als basis diende voor de vaststelling van de onderhoudsbijdragen, overschrijden.
   § 4. Op vraag van één van de ouders kan de [3 familierechtbank]3 de partijen verplichten een rekening te openen bij een door de [2 Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten]2 op grond van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen vergunde instelling, die bestemd wordt tot de betaling van de bijdragen vastgesteld op grond van artikel 203, § 1.
   In dat geval bepaalt de [3 rechtbank]3 minstens :
   1° de bijdrage van elk der ouders in de kosten bedoeld in artikel 203, § 1, alsook de sociale voordelen die aan het kind toekomen die op deze rekening gestort dienen te worden;
   2° het maandelijks tijdstip waarop deze bijdragen en sociale voordelen gestort dienen te worden;
   3° de wijze waarop over de op deze rekening gestorte sommen kan worden beschikt;
   4° de kosten die betaald worden met deze gelden;
   5° de organisatie van het toezicht op de uitgaven;
   6° de manier waarop tekorten aangevuld zullen worden;
   7° de bestemming van de overschotten die op deze rekening gestort worden.
   Stortingen van bijdragen gedaan ter uitvoering van dit artikel, worden beschouwd als betalingen van onderhoudsbijdragen in het kader van de in artikel 203, § 1, gedefinieerde onderhoudsverplichting.]1
  ----------
  (1)<W 2010-03-19/05, art. 3, 048; Inwerkingtreding : 01-08-2010; zie ook art. 17>
  (2)<W 2011-03-03/01, art. 331; Inwerkingtreding : 01-04-2011>
  (3)<W 2013-07-30/23, art. 19, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 203ter.[1 Indien de schuldenaar een van de verplichtingen opgelegd bij de artikelen 203, 203bis, 205, 207, 336 of 353-14, van dit Wetboek of de krachtens artikel 1288, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek of de krachtens een notariële of gehomologeerde overeenkomst tussen partijen aangegane verbintenis niet nakomt, kan de schuldeiser, onverminderd het recht van derden, zich voor de vaststelling van het bedrag van de uitkering en voor de tenuitvoerlegging van het vonnis doen machtigen om, met uitsluiting van voornoemde schuldenaar, onder de voorwaarden en binnen de grenzen door het vonnis gesteld, de inkomsten van deze laatste of iedere andere hem door een derde verschuldigde geldsom te ontvangen.
   In alle geval staat de [2 familierechtbank]2 de machtiging toe indien de onderhoudsplichtige zich gedurende twee, al dan niet opeenvolgende, termijnen in de loop van twaalf maanden die aan het indienen van het verzoekschrift voorafgaan, geheel of ten dele onttrokken heeft aan zijn verplichting tot betaling van levensonderhoud uitgezonderd ingeval de [2 familierechtbank]2 anders oordeelt, wegens uitzonderlijke omstandigheden eigen aan de zaak.
   De rechtspleging en de bevoegdheden van de rechter worden geregeld volgens de artikelen 1253ter tot 1253quinquies van het Gerechtelijk Wetboek.
   Het vonnis kan worden tegengeworpen aan alle tegenwoordige of toekomstige derden-schuldenaars, na kennisgeving door de griffier bij gerechtsbrief op verzoek van de eiser.
   Wanneer het vonnis ophoudt gevolg te hebben, geeft de griffier daarvan bericht aan de derden-schuldenaars bij gerechtsbrief.
   De griffier vermeldt in zijn kennisgeving wat de derdeschuldenaar moet betalen of ophouden te betalen.]1
  ----------
  (1)<W 2010-03-19/05, art. 4, 048; Inwerkingtreding : 01-08-2010; zie ook art. 17>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 20, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 203quater.[1 § 1. De krachtens artikel 203, § 1, bepaalde onderhoudsbijdrage, vastgesteld hetzij bij vonnis overeenkomstig artikel 1321 van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij bij overeenkomst, wordt van rechtswege aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
   Deze basisbijdrage is gebonden aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand die voorafgaat aan de maand waarin het vonnis dat de bijdrage van elk van de ouders bepaalt, wordt uitgesproken, tenzij de [2 rechtbank]2 er anders over beslist. Om de twaalf maanden wordt het bedrag van de bijdrage van rechtswege aangepast in verhouding tot de verhoging of de verlaging van het indexcijfer van de consumptieprijzen van de overeenstemmende maand.
   Deze aanpassing wordt op de bijdrage toegepast vanaf de vervaldag die volgt op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het in aanmerking te nemen nieuwe indexcijfer.
   De [2 rechtbank]2 kan nochtans een andere formule toepassen voor de aanpassing van de onderhoudsbijdrage. De partijen kunnen eveneens bij overeenkomst afwijken van deze aanpassingsformule.
   § 2. In het belang van het kind, kan de [2 rechtbank]2 op vraag van één van de partijen beslissen dat de onderhoudsbijdrage van rechtswege verhoogd wordt in de door hem bepaalde omstandigheden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2010-03-19/05, art. 5, 048; Inwerkingtreding : 01-08-2010; zie ook art. 17>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 21, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 204. Het kind heeft tegen zijn ouders geen vordering tot het bekomen van een stand, hetzij als huwelijksuitzet, hetzij op een andere wijze.

  Art. 205. <W 14-05-1981, art. 3> De kinderen zijn levensonderhoud verschuldigd aan hun ouders en hun andere bloedverwanten in de opgaande lijn die behoeftig zijn.

  Art. 205bis.<Ingevoegd bij W 14-05-1981, art. 4> § 1. De nalatenschap van de eerststervende echtgenoot, al was hij gescheiden van tafel en bed, is levensonderhoud verschuldigd aan de langstlevende, indien deze ten tijde van het overlijden behoeftig is.
  § 2. Wanneer een echtgenoot, al was hij gescheiden van tafel en bed, vooroverleden is zonder nakomelingen achter te laten, is zijn nalatenschap aan zijn bloedverwanten in de opgaande lijn, die ten tijde van het overlijden behoeftig zijn, levensonderhoud verschuldigd ten belope van de erfrechten die zij verliezen ten gevolge van giften aan de langstlevende echtgenoot.
  § 3. De uitkering tot onderhoud is een last van de nalatenschap. Zij wordt opgebracht door alle erfgenamen en, zo nodig, door de bijzondere legatarissen, naar evenredigheid van hetgeen zij genieten.
  Indien echter de overledene verklaard heeft dat bepaalde legaten bij voorkeur boven de andere moeten worden voldaan, dragen die legaten in de uitkering tot onderhoud slechts bij voor zover de inkomsten van de andere daartoe niet voldoende zijn.
  § 4. Indien het levensonderhoud niet als kapitaal uit de nalatenschap wordt genomen, wordt aan de rechthebbende voldoende zekerheid verschaft om de uitkering van het onderhoud te waarborgen.
  § 5. De termijn waarbinnen de uitkering tot onderhoud gevorderd moet worden, is een jaar, te rekenen van het overlijden.
  [1 § 6. De nalatenschap is van de in §§ 1 en 2 bedoelde verplichting vrijgesteld indien de eiser onwaardig is om tot deze nalatenschap te komen, ongeacht of hij daadwerkelijk tot de nalatenschap geroepen is of niet. ]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-10/14, art. 3, 057; Inwerkingtreding : 21-01-2013>

  Art. 206. Schoonzonen en schoondochters zijn eveneens en in dezelfde omstandigheden levensonderhoud verschuldigd aan hun schoonouders, doch deze verplichting houdt op :
  1° wanneer (de schoonvader of de schoonmoeder) een tweede huwelijk aangaat; <W 2003-02-13/36, art. 9, 015; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
  2° wanneer degene van de echtgenoten die de aanverwantschap heeft doen ontstaan en de kinderen uit zijn huwelijk met de andere echtgenoot geboren, overleden zijn.

  Art. 207. De verplichtingen die uit deze bepalingen voortvloeien, zijn wederkerig.

  Art. 208. Levensonderhoud wordt slechts toegestaan naar verhouding van de behoeften van hem die het vordert en van het vermogen van hem die het verschuldigd is.

  Art. 209. Wanneer hij die het levensonderhoud verstrekt of hij die het geniet, tot zodanige staat komt dat de ene het niet meer kan verschaffen of de andere het niet meer nodig heeft, hetzij voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, kan ontheffing of vermindering ervan gevorderd worden.

  Art. 210.Wanneer de persoon die het levensonderhoud moet verstrekken, bewijst dat hij de uitkering tot onderhoud niet kan betalen, kan de [1 familierechtbank]1, met inachtneming van de omstandigheden der zaak, bevelen dat hij degene aan wie hij levensonderhoud verschuldigd is, bij zich zal in huis nemen en hem aldaar kost en onderhoud zal verschaffen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 22, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 211. De rechtbank beslist eveneens of de vader of de moeder die aanbiedt het kind waaraan levensonderhoud verschuldigd is, bij zich in huis te nemen en het aldaar kost en onderhoud te verschaffen, alsdan zal vrijgesteld zijn van de verplichting om de uitkering tot onderhoud te betalen.

  HOOFDSTUK VI. - WEDERZIJDSE RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN ECHTGENOTEN.

  Art. 212. <W 14-07-1976, art. 1> De rechten, verplichtingen en bevoegdheden van de echtgenoten worden geregeld door de bepalingen van dit hoofdstuk, die van toepassing zijn door het enkele feit van het huwelijk.
  Zij worden bovendien geregeld door de bepalingen betreffende het wettelijk stelsel of door die van hun huwelijkscontract, welke niet mogen afwijken van de bepalingen van dit hoofdstuk.
  Het huwelijk wijzigt de handelingsbekwaamheid van de echtgenoten niet, behoudens bij toepassing van artikel 476.

  Art. 213. <W 14-07-1976, art. 1> Echtgenoten zijn jegens elkaar tot samenwoning verplicht; zij zijn elkaar getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd.

  Art. 214.<W 14-07-1976, art. 1> De echtelijke verblijfplaats wordt door de echtgenoten in onderlinge overeenstemming vastgesteld. Bij gebreke van overeenstemming tussen de echtgenoten doet de [2 familierechtbank]2 uitspraak in het belang van het gezin.
  [1 Ingeval een der echtgenoten vermoedelijk afwezig is, of ingeval de vrederechter oordeelt dat een der echtgenoten in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven of wilsonbekwaam is, dan wordt de echtelijke verblijfplaats vastgesteld door de andere echtgenoot.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 6, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 23, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 215.<W 14-07-1976, art. 1> § 1. De ene echtgenoot kan zonder de instemming van de andere niet onder bezwarende titel of om niet onder de levenden beschikken over de rechten die hij bezit op het onroerend goed dat het gezin tot voornaamste woning dient, noch dat goed met hypotheek bezwaren.
  Hij kan zonder die instemming evenmin onder bezwarende titel of om niet onder de levenden beschikken over het huisraad dat aanwezig is in het goed dat het gezin tot voornaamste woning dient, noch dat huisraad in pand geven.
  Indien de echtgenoot wiens instemming vereist is, deze zonder gewichtige redenen weigert, kan de andere echtgenoot zich door de [1 familierechtbank]1, laten machtigen om de handelingen alleen te verrichten.
  § 2. Het recht op de huur van het onroerend goed dat een der echtgenoten gehuurd heeft, zelfs voor het huwelijk, en dat het gezin geheel of gedeeltelijk tot voornaamste woning dient, behoort aan beide echtgenoten gezamenlijk, niettegenstaande enige hiermede strijdige overeenkomst.
  De opzeggingen, kennisgevingen en exploten betreffende die huur moeten gezonden of betekend worden aan elk der echtgenoten afzonderlijk of uitgaan van beide echtgenoten gezamenlijk. (Elk van de echtgenoten kan evenwel de nietigheid van deze documenten, die aan de andere echtgenoot worden toegezonden of van deze laatste uitgaan, slechts inroepen indien de verhuurder kennis heeft van hun huwelijk.) <W 20-02-1991, art. 3>
  Elk geschil tussen de echtgenoten omtrent de uitoefening van dat recht wordt beslist door de [1 familierechtbank]1.
  De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op handelshuurovereenkomsten, noch op pachtcontracten.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 24, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 216.<W 14-07-1976, art. 1> § 1. Iedere echtgenoot heeft het recht een beroep uit te oefenen zonder de instemming van de andere echtgenoot.
  Indien deze evenwel oordeelt dat hieraan een ernstig nadeel verbonden is voor zijn zedelijke of stoffelijke belangen of voor die van de minderjarige kinderen, heeft hij het recht zich tot de [1 familierechtbank]1 te wenden.
  De rechtbank kan de uitoefening van het beroep afhankelijk stellen van een voorafgaande wijziging van het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten.
  Het bepaalde in de twee vorenstaande leden is niet van toepassing op de uitoefening van openbare mandaten.
  § 2. De ene echtgenoot mag in zijn beroepsbetrekkingen de naam van de andere alleen met diens instemming gebruiken.
  De instemming kan alleen om gewichtige redenen worden ingetrokken. Tegen intrekking kan de echtgenoot opkomen bij de [1 familierechtbank]1.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 25, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 217. <W 14-07-1976, art. 1> Iedere echtgenoot ontvangt zijn inkomsten alleen en besteedt ze bij voorrang aan zijn bijdrage in de lasten van het huwelijk.
  Hij kan het overschot besteden voor de aanschaf van goederen in zoverre dit verantwoord is voor de uitoefening van zijn beroep; die goederen staan uitsluitend onder zijn bestuur.
  Wat er daarna nog overblijft is onderworpen aan de regels van het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten.

  Art. 218. <W 14-07-1976, art. 1> Iedere echtgenoot kan, zonder de instemming van de andere, op zijn naam een depositorekening voor geld of effecten doen openen en een brandkast huren.
  Ten opzichte van de bewaarnemer of de verhuurder wordt alleen hij geacht het bestuur of de toegang te hebben.
  De bewaarnemer en de verhuurder moeten de andere echtgenoot in kennis stellen van de opening van de rekening of de huur van de brandkast.

  Art. 219. <W 14-07-1976, art. 1> Iedere echtgenoot kan tijdens het huwelijk aan de andere algemene of bijzondere last geven om hem te vertegenwoordigen in de uitoefening van de bevoegdheden die zijn huwelijksvermogensstelsel hem laat of toekent.
  Die lastgeving kan te allen tijde worden herroepen.

  Art. 220.<W 14-07-1976, art. 1> § 1. [1 Ingeval een der echtgenoten vermoedelijk afwezig is, of ingeval de rechtbank oordeelt, op grond van feiten vastgesteld in een met redenen omkleed proces-verbaal, dat een der echtgenoten in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven of wilsonbekwaam is, dan kan de andere echtgenoot zich door de [2 familierechtbank]2 laten machtigen om de in artikel 215, § 1, bedoelde handelingen alleen te verrichten.]1
  § 2. Indien de echtgenoot die in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven [1 of wilsonbekwaam is]1, geen lasthebber heeft aangesteld of geen wettelijke vertegenwoordiger heeft, kan de andere echtgenoot aan de [2 familierechtbank]2 vragen om in zijn plaats te worden gesteld voor de uitoefening van al zijn bevoegdheden of een gedeelte ervan.
  § 3. In de gevallen bepaald in § 1, kan de andere echtgenoot zich door de [3 familierechtbank]3 laten machtigen om de door derden verschuldigde geldsommen geheel of ten dele te ontvangen ten behoeve van de huishouding.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 7, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-05-12/02, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (3)<W 2013-07-30/23, art. 26, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014, zie W 2014-05-08/02, art. 40, 066; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  

  Art. 221.<W 14-07-1976, art. 1> Iedere echtgenoot draagt in de lasten van het huwelijk bij naar zijn vermogen.
  Wanneer een der echtgenoten deze verplichting niet nakomt, kan de andere, [1 zonder dat een fout moet worden bewezen en]1 onverminderd de rechten van derden, zich door de [1 familierechtbank]1 laten machtigen om, met uitsluiting van zijn echtgenoot, diens inkomsten of de inkomsten uit de goederen die hij krachtens hun huwelijksvermogensstelsel beheert, alsook alle andere hem door derden verschuldigde geldsommen te ontvangen onder de voorwaarden en binnen de perken die het vonnis bepaalt.
  [1 In geen geval wordt de overdracht van geldsommen toegestaan aan de echtgenoot die schuldig is bevonden aan een in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek bedoeld feit dat is gepleegd tegen de persoon van de verweerder, of aan een poging tot het plegen van een in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek bedoeld feit tegen diezelfde persoon.]1
  Het vonnis kan worden tegengeworpen aan alle tegenwoordige of toekomstige derden-schuldenaars, na kennisgeving door de griffier op verzoek van de eiser.
  Wanneer het vonnis ophoudt gevolg te hebben, geeft de griffier daarvan bericht aan de derden-schuldenaars.
  [1 ...]1.
  Wanneer naderhand een verzoekschrift tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed wordt ingediend, blijft de machtiging niettemin uitvoerbaar tot aan de beslissing van de rechtbank of van de voorzitter van de rechtbank in kort geding.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 27, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 222. <W 14-07-1976, art. 1> Iedere schuld die door een der echtgenoten wordt aangegaan ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen, verbindt de andere echtgenoot hoofdelijk.
  Deze is echter niet aansprakelijk voor schulden die, gelet op de bestaansmiddelen van het gezin, buitensporig zijn.

  Art. 223.[1 Indien een der echtgenoten grovelijk zijn plicht verzuimt, beveelt de familierechtbank, op verzoek van de andere echtgenoot, dringende maatregelen, volgens het bepaalde in de artikelen [2 1253ter/4 tot 1253ter/6]2 van het Gerechtelijk Wetboek.
   Hetzelfde geschiedt op verzoek van een der echtgenoten, indien de verstandhouding tussen hen ernstig verstoord is.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 28, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 41, 066; Inwerkingtreding : 01-09-2014
  

  Art. 224. <W 14-07-1976, art. 1> § 1. Op verzoek van de andere echtgenoot en onverminderd de toekenning van schadevergoeding, kunnen worden nietigverklaard :
  1. de handelingen door een der echtgenoten verricht met overtreding van de bepalingen van artikel 215;
  2. de handelingen door een der echtgenoten met overtreding van een krachtens artikel 223 gevraagd of verkregen verbod tot vervreemding of hypothekering verricht na de overschrijving van het desbetreffende verzoekschrift of vonnis;
  3. de schenkingen door een der echtgenoten, die de belangen van het gezin in gevaar brengen;
  4. de persoonlijke zekerheden door een der echtgenoten gesteld, die de belangen van het gezin in gevaar brengen.
  § 2. De vordering tot nietigverklaring of schadevergoeding moet op straffe van verval worden ingesteld binnen een jaar na de dag waarop de handeling ter kennis is gekomen van de echtgenoot-eiser.
  Indien de echtgenoot overlijdt voordat verval is ingetreden, beschikken zijn erfgenamen vanaf het overlijden over een nieuwe termijn van een jaar.

  Art. 225. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 1>

  Art. 226. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 1>

  Art. 226bis. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 1>

  Art. 226ter. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 1>

  Art. 226quater. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 1>

  Art. 226quinquies. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 1>

  Art. 226sexies. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 1>

  Art. 226septies. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 1>

  HOOFDSTUK VII. - ONTBINDING VAN HET HUWELIJK.

  Art. 227. Het huwelijk wordt ontbonden :
  1° door de dood van een van de echtgenoten;
  2° door echtscheiding (...) <W 15-12-1949, art. 28, 2°>

  HOOFDSTUK VIII. - TWEEDE HUWELIJK.

  Art. 228. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 35>

  TITEL VI. - ECHTSCHEIDING.

  HOOFDSTUK I. - GRONDEN TOT ECHTSCHEIDING.

  Art. 229. <W 2007-04-27/00, art. 2, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007> § 1. De echtscheiding wordt uitgesproken wanneer de rechter vaststelt dat het huwelijk onherstelbaar ontwricht is. Het huwelijk is onherstelbaar ontwricht wanneer de voortzetting van het samenleven tussen de echtgenoten en de hervatting ervan redelijkerwijs onmogelijk is geworden ingevolge die ontwrichting. Het bewijs van de onherstelbare ontwrichting kan met alle wettelijke middelen worden geleverd.
  § 2. De onherstelbare ontwrichting bestaat wanneer de aanvraag gezamenlijk wordt gedaan door de twee echtgenoten, na meer dan zes maanden feitelijk gescheiden te zijn of wanneer de aanvraag tot tweemaal toe werd gedaan overeenkomstig artikel 1255, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek.
  § 3. De onherstelbare ontwrichting bestaat ook wanneer de aanvraag wordt gedaan door één enkele echtgenoot na meer dan één jaar feitelijke scheiding of wanneer de aanvraag tot tweemaal toe werd gedaan overeenkomstig artikel 1255, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 230. <Hersteld bij W 2007-04-27/00, art. 3, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007> De echtgenoten kunnen ook door onderlinge toestemming uit de echt scheiden volgens de voorwaarden die vastgesteld zijn in deel IV, boek IV, hoofdstuk XI, afdeling 2, van het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 231.[1 De persoon die krachtens artikel 492/1 uitdrukkelijk onbekwaam werd verklaard om de echtscheiding te vorderen, kan, op zijn verzoek, door de in artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vrederechter, alsnog worden gemachtigd de vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting als bedoeld in artikel 229 in te stellen of een verzoek tot echtscheiding door onderlinge toestemming als bedoeld in artikel 230 in te dienen.
   De vrederechter oordeelt over de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon.
   De artikelen 1241 en 1246 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 8, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 232. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 4, 2°, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 233. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 4, 3°, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  HOOFDSTUK II. - ECHTSCHEIDING OP GROND VAN BEPAALDE FEITEN.

  AFDELING I. - VORM VAN DE ECHTSCHEIDING OP GROND VAN BEPAALDE FEITEN.

  Art. 234. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 235. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 236. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 237. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 238. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 239. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 240. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 241. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 242. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 243. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 244. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 245. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 246. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 247. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 248. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 249. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 250. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 251. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 252. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 253. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 254. (Opgeheven) <W 14-12-1935, art. 1>

  Art. 255. (Opgeheven) <W 14-12-1935, art. 1>

  Art. 256. (Opgeheven) <W 14-12-1935, art. 1>

  Art. 257. (Opgeheven) <W 14-12-1935, art. 1>

  Art. 258. (Opgeheven) <KB 239 07-02-1936, art. 5>

  Art. 259. (Opgeheven) <W 15-07-1970, art. 58>

  Art. 260. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 261. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 262. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 263. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 264. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 265. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 266. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 266bis. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  AFDELING II. - VOORLOPIGE MAATREGELEN WAARTOE DE EIS TOT ECHTSCHEIDING OP GROND VAN BEPAALDE FEITEN AANLEIDING KAN GEVEN.

  Art. 267. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 268. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 269. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 270. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 271. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  AFDELING III. - GRONDEN VAN NIET-ONTVANKELIJKHEID TEGEN DE VORDERING TOT ECHTSCHEIDING OP GROND VAN BEPAALDE FEITEN.

  Art. 272. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 273. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 274. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  HOOFDSTUK III. - ECHTSCHEIDING DOOR ONDERLINGE TOESTEMMING.

  Art. 275. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 4, 4°, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 276. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 4, 5°, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 277. (Opgeheven) <W 20-11-1969, art. 2>

  Art. 278. (Opgeheven) <W 20-07-1962, art. 5>

  Art. 279. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 280. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 281. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 282. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 283. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 284. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 285. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 286. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 287. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 288. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 289. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 290. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 291. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 292. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 293. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 294. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 294bis. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  HOOFDSTUK IV. - GEVOLGEN VAN ECHTSCHEIDING.

  Art. 295. <W 2007-05-10/61, art. 2, 042; Inwerkingtreding : 13-08-2007> Indien de gescheiden echtgenoten zich opnieuw verenigen door hun huwelijk andermaal te doen voltrekken, is artikel 1465 alleen van toepassing als er kinderen zijn die niet gemeenschappelijk zijn.

  Art. 296. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 37>

  Art. 297. (Opgeheven) <W 30-06-1956, art. 4>

  Art. 298. (Opgeheven) <W 15-05-1972, art. 1>

  Art. 299. <W 2007-04-27/00, art. 5, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007> Behoudens overeenkomst in tegenovergestelde zin verliezen de echtgenoten alle voordelen die ze elkaar bij huwelijksovereenkomst en sinds het aangaan van het huwelijk hebben toegekend.

  Art. 300. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 6, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 301.<W 2007-04-27/00, art. 7, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007> § 1. [5 De echtgenoten kunnen op elk ogenblik overeenkomen omtrent de eventuele uitkering tot levensonderhoud, het bedrag ervan en de nadere regels volgens welke het overeengekomen bedrag zal kunnen worden herzien.]5
  § 2. Bij gebrek aan overeenkomst zoals bedoeld in § 1, kan de [4 familierechtbank]4 in het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of bij een latere beslissing, op verzoek van de behoeftige echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toestaan ten laste van de andere echtgenoot.
  De rechtbank kan het verzoek om een uitkering weigeren indien de verweerder bewijst dat verzoeker een zware fout heeft begaan die de voortzetting van de samenleving onmogelijk heeft gemaakt.
  In geen geval wordt de uitkering tot levensonderhoud toegekend aan de echtgenoot die schuldig werd bevonden aan een in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek bedoeld feit dat is gepleegd tegen de persoon van de verweerder of aan een poging tot het plegen van een in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek bedoeld feit tegen diezelfde persoon.
  In afwijking van artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering kan de rechter in afwachting dat de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is getreden, aan de verzoeker een provisionele uitkering toekennen, hierbij rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak. Hij kan het toekennen van deze provisionele uitkering ondergeschikt maken aan het stellen van een waarborg die hij bepaalt en waarvoor hij de nadere regels vaststelt.
  § 3. De rechtbank legt het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken.
  De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna. De rechter kan indien nodig beslissen dat de uitkering degressief zal zijn en in welke mate.
  De onderhoudsuitkering mag niet hoger liggen dan een derde van het inkomen van de uitkeringsplichtige echtgenoot.
  § 4. De duur van de uitkering mag niet langer zijn dan die van het huwelijk.
  In geval van buitengewone omstandigheden, kan de rechtbank de termijn verlengen, indien de uitkeringsgerechtigde aantoont dat hij bij het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn, om redenen onafhankelijk van zijn wil, nog steeds in staat van behoefte verkeert. In dit geval beantwoordt het bedrag van de uitkering aan het bedrag dat noodzakelijk is om de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde te dekken.
  § 5. Indien de verweerder aantoont dat de staat van behoefte van verzoeker het gevolg is van een eenzijdig door deze laatste genomen beslissing en zonder dat de noden van de familie deze keuze gerechtvaardigd hebben, kan hij worden ontheven van het betalen van de uitkering of slechts verplicht worden tot het betalen van een verminderde uitkering.
  § 6. De rechtbank die de uitkering toekent, stelt vast dat deze van rechtswege aangepast wordt aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
  Het basisbedrag van de uitkering stemt overeen met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand gedurende welke het vonnis of het arrest dat de echtscheiding uitspreekt, kracht van gewijsde heeft verkregen, tenzij de rechtbank er anders over beslist. Om de twaalf maanden wordt het bedrag van de uitkering van rechtswege aangepast in verhouding tot de verhoging of de verlaging van het indexcijfer van de consumptieprijzen van de overeenstemmende maand.
  Deze wijzigingen worden op de uitkeringen toegepast vanaf de vervaldag die volgt op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het in aanmerking te nemen nieuwe indexcijfer.
  De rechtbank kan nochtans in bepaalde omstandigheden een ander systeem van aanpassing van de uitkering aan de kosten van levensonderhoud toepassen.
  § 7. [2 Uitgezonderd indien de partijen uitdrukkelijk het tegenovergestelde zijn overeengekomen, kan de rechtbank, op vordering van een van de partijen, de uitkering later verhogen, verminderen of afschaffen, indien, ingevolge nieuwe omstandigheden onafhankelijk van de wil van de partijen, het bedrag ervan niet meer is aangepast.]2
  Indien ten gevolge van de ontbinding van het huwelijk, de vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen of van de onverdeeldheid die tussen de echtgenoten bestond, aanleiding geeft tot een wijziging van hun financiële toestand, die een aanpassing rechtvaardigt van de uitkering tot levensonderhoud welke het voorwerp was van een vonnis of overeenkomst, gewezen of gesloten vóór de opmaak van de vereffeningsrekeningen, kan de rechtbank eveneens de uitkering aanpassen, [2 ...]2 .
  § 8. De uitkering kan op elk ogenblik worden vervangen door een kapitaal mits een door de rechtbank gehomologeerd akkoord tussen de partijen. Op verzoek van de uitkeringsplichtige, kan de rechtbank eveneens op elk ogenblik de omzetting in een kapitaal toestaan.
  § 9. De echtgenoten kunnen voor de ontbinding van het huwelijk geen afstand doen van de rechten op een uitkering tot levensonderhoud.
  Zij mogen in de loop van de procedure evenwel tot een vergelijk komen over het bedrag van die uitkering [5 ...]5.
  § 10. De uitkering is niet meer verschuldigd bij overlijden van de uitkeringsplichtige, maar de uitkeringsgerechtigde mag levensonderhoud vorderen ten laste van de nalatenschap volgens de in artikel[3 205bis, § 1 en §§ 3 tot 6]3, bepaalde voorwaarden.
  De uitkering eindigt in ieder geval definitief in geval van een nieuw huwelijk van de uitkeringsgerechtigde of op het ogenblik waarop deze laatste een verklaring van wettelijke samenwoning doet, tenzij de partijen anders overeenkomen.
  De rechter kan de onderhoudsverplichting beëindigen wanneer de uitkeringsgerechtigde samenleeft met een andere persoon als waren zij gehuwd.
  § 11. De rechtbank kan beslissen dat in geval de uitkeringsplichtige zijn verplichting tot betaling niet nakomt, het de uitkeringsgerechtigde toegestaan is diens inkomsten of diens goederen die hij overeenkomstig hun huwelijksvermogensstelsel beheert, alsmede alle andere bedragen die hem door derden verschuldigd zijn, in ontvangst te nemen.
  Deze beslissing kan worden tegengeworpen aan elke derde, huidige of toekomstige schuldenaar, op grond van de kennisgeving ervan die hen door de griffier gedaan wordt op verzoek van de eiser.
  § 12. [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2010-03-19/05, art. 6, 048; Inwerkingtreding : 01-08-2010; zie ook art. 17>
  (2)<W 2010-06-02/23, art. 2, 051; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
  (3)<W 2012-12-10/14, art. 4, 057; Inwerkingtreding : 21-01-2013>
  (4)<W 2013-07-30/23, art. 29, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (5)<W 2017-07-06/24, art. 63, 075; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 301bis. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 8, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 302.<W 1995-04-13/37, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> Na de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding worden het gezag over de persoon van het kind en het beheer van zijn goederen ofwel door beide ouders gezamenlijk uitgeoefend ofwel door degene aan wie ze werden toevertrouwd, hetzij bij (een overeenkomst tussen partijen die gehomologeerd werd zoals bepaald is in artikel 1256) van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij bij een beschikking van de [1 familierechtbank]1 overeenkomstig artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, onverminderd het bepaalde in artikel 387bis van dit Wetboek. <W 2007-04-27/00, art. 9, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 30, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 303. (opgeheven) <W 1995-04-13/37, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995>

  Art. 304. De ontbinding van het huwelijk door een in rechte (uitgesproken) echtscheiding ontneemt aan de kinderen uit dat huwelijk geen enkel voordeel dat hun door de wetten of door de huwelijksvoorwaarden van hun ouders was verzekerd; maar de rechten zullen aan de kinderen slechts op dezelfde wijze en in dezelfde omstandigheden toekomen als wanneer er geen echtscheiding geweest was. <W 2007-04-27/00, art. 10, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 305. (Opgeheven) <W 01-07-1972, art. 12>

  Art. 306. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 11, 1°, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 307. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 11, 2°, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 307bis. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 11, 1°, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  HOOFDSTUK V. - SCHEIDING VAN TAFEL EN BED.

  Art. 308. <W 2007-04-27/00, art. 12, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007> Na uitspraak van de scheiding van tafel en bed blijft de plicht van hulp bestaan.

  Art. 309. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

  Art. 310. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 310bis. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>

  Art. 311. Scheiding van tafel en bed heeft altijd scheiding van goederen ten gevolge.

  Art. 311bis.<W 2007-04-27/00, art. 13, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007> De artikelen 229, 299, [1 , 231]1 302 en 304 van hetzelfde Wetboek zijn van toepassing bij scheiding van tafel en bed.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 9, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 311ter. (Opgeheven) <W 20-07-1962, art. 25>

  Art. 311quater. (Opgeheven) <W 20-07-1962, art. 25>

  TITEL VII. - (...) AFSTAMMING.

  HOOFDSTUK 1. - VASTSTELLING VAN DE AFSTAMMING VAN MOEDERSZIJDE.

  Art. 312. <W 31-03-1987, art. 38> § 1. Het kind heeft als moeder de persoon die als zodanig in de akte van geboorte is vermeld.
  § 2. (Tenzij het kind het bezit van staat heeft ten aanzien van de moeder, kan de op deze wijze vastgelegde afstamming van moederszijde betwist worden door alle wettelijke middelen, binnen het jaar van de ontdekking van het leugenachtige karakter van de afstamming van moederszijde, door de vader, het kind, de vrouw ten opzichte van wie de afstamming is vastgesteld en door de persoon die het moederschap van het kind opeist.) <W 2006-12-27/32, art. 367, 031; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  § 3. (opgeheven) <W 2006-12-27/32, art. 367, 031; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 313. <W 31-03-1987, art. 38> § 1. Indien de naam van de moeder niet in de akte van geboorte is vermeld of bij ontstentenis van zulk een akte, kan zij het kind erkennen (onder de bij artikel 329bis bepaalde voorwaarden). <W 2006-07-01/75, art. 4, A, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  § 2. De erkenning is evenwel niet ontvankelijk indien daaruit blijkt dat tussen haar en de vader een huwelijksbeletsel bestaat waarvan de Koning geen ontheffing kan verlenen (tenzij het huwelijk waardoor dat beletsel is ontstaan, nietig werd verklaard of werd ontbonden door overlijden of door echtscheiding). <W 2006-07-01/75, art. 4, B, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  § 3. Indien de moeder gehuwd is en een kind erkent dat tijdens het huwelijk geboren is, moet de erkenning worden medegedeeld aan (de echtgenoot of de echtgenote). <W 2003-02-13/36, art. 10, 015; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
  Indien de akte is opgemaakt door een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand of een Belgische notaris, geeft deze kennis van de akte; indien zij niet is opgemaakt door een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand of door een Belgische notaris, wordt de akte betekend op verzoek van de moeder, het kind of diens wettelijke vertegenwoordiger.
  Totdat de kennisgeving of betekening heeft plaatsgehad kan de erkenning niet worden tegengeworpen (aan de echtgenoot of de echtgenote), aan de kinderen geboren uit diens huwelijk met degene die het kind erkent en aan de kinderen die door de beide echtgenoten geadopteerd zijn. <W 2003-02-13/36, art. 10, 015; Inwerkingtreding : 01-06-2003>

  Art. 314. <W 31-03-1987, art. 38> Bij gebreke van de akte van geboorte, van de vermelding van de naam van de moeder in die akte of wanneer het kind onder valse namen is ingeschreven en niet is erkend, kan de afstamming van moederszijde gerechtelijk worden vastgesteld (onder de bij artikel 332quinquies bepaalde voorwaarden). <W 2006-07-01/75, art. 5, A, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  De vordering is evenwel niet ontvankelijk indien daaruit blijkt dat tussen de moeder en de vader een huwelijksbeletsel bestaat waarvan de Koning geen ontheffing kan verlenen (tenzij het huwelijk waardoor dat beletsel is ontstaan, nietig werd verklaard of werd ontbonden door overlijden of door echtscheiding). <W 2006-07-01/75, art. 5, B, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  De eiser moet het bewijs leveren dat het kind hetzelfde is als dat van wie de vermeende moeder is bevallen.
  Hij kan zulks bewijzen door aan te tonen dat het ten aanzien van de vermeende moeder het bezit van staat heeft.
  Bij gebreke van bezit van staat kan het bewijs van de afstamming door alle wettelijke middelen worden geleverd. Het tegenbewijs kan eveneens door alle wettelijke middelen worden geleverd.

  HOOFDSTUK 2. - VASTSTELLING VAN DE AFSTAMMING VAN VADERSZIJDE.

  AFDELING 1. - VERMOEDEN VAN VADERSCHAP.

  Art. 315. <W 31-03-1987, art. 38> Het kind dat geboren is tijdens het huwelijk of binnen 300 dagen na de ontbinding of de nietigverklaring van het huwelijk, heeft de echtgenoot tot vader.

  Art. 316. <W 31-03-1987, art. 38> Deze regel geldt niet wanneer (uit een beslissing houdende vaststelling van het vermoeden van afwezigheid) blijkt dat het kind geboren is meer dan 300 dagen na de verdwijning van de echtgenoot, onverminderd de rechten van de te goeder trouw handelende derden. <W 2007-05-09/44, art. 36, 3°, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 316bis.<ingevoegd bij W 2006-07-01/75, art. 6; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Tenzij de echtgenoten op het tijdstip van de aangifte van de geboorte een gemeenschappelijke verklaring afgelegd hebben, is het in artikel 315 bedoelde vermoeden van vaderschap niet meer van toepassing :
  1° wanneer het kind geboren is meer dan 300 dagen nadat de [1 familierechtbank]1 de overeenkomst tussen de partijen heeft bekrachtigd in verband met de aan de echtgenoten gegeven machtiging om een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken overeenkomstig artikel (1256), van het Gerechtelijk Wetboek, of [1 na een beschikking genomen krachtens artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek]1 die de echtgenoten machtigt om een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken, of na neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1288bis van hetzelfde Wetboek; <W 2007-04-27/00, art. 14, 034; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  2° wanneer het kind geboren is meer dan 300 dagen na de datum waarop de echtgenoten, blijkens het bevolkingsregister, het vreemdelingenregister of het wachtregister, op verschillende adressen zijn ingeschreven, voor zover ze nadien niet opnieuw zijn ingeschreven op hetzelfde adres;
  3° wanneer het kind geboren is meer dan 300 dagen na een krachtens artikel 223 [1 ...]1 uitgesproken vonnis waarbij de echtgenoten gemachtigd worden een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken, en minder dan 180 dagen na de datum waarop deze maatregel verstreken is, of nadat de echtgenoten feitelijk zijn herenigd.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 31, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 317. <W 31-03-1987, art. 38> Het kind dat geboren is binnen 300 dagen na de ontbinding of de nietigverklaring van het huwelijk van zijn moeder en na een nieuw huwelijk van deze, heeft de nieuwe echtgenoot tot vader.
  Wordt dit vaderschap betwist, dan wordt de vorige echtgenoot geacht de vader te zijn, behalve wanneer ook zijn vaderschap wordt betwist of wanneer het vaderschap van een derde komt vast te staan.

  Art. 318.<W 2006-07-01/75, art. 7, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist [1 voor de familierechtbank]1 door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat [2 de man die het vaderschap van het kind opeist en de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist]2.
  (lid 2 geschrapt.) <W 2006-12-27/32, art. 368, 031; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  § 2. (De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte.) De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt (of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is) [2 De vordering van de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten heeft toegestemd in de verwekking en de verwekking hiervan het gevolg kan zijn.]2. <W 2006-12-27/32, art. 368, 031; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  Indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is, kan zijn vaderschap binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte, worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn.
  Het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 317 kan daarenboven worden betwist door de vorige echtgenoot.
  § 3. Onverminderd het bepaalde in §§ 1 en 2, wordt het vermoeden van vaderschap teniet gedaan indien door alle wettelijke middelen is bewezen dat de betrokkene niet de vader is.
  De betwisting van het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot wordt bovendien, behoudens tegenbewijs, gegrond verklaard :
  1° in de gevallen bedoeld in artikel 316bis ;
  2° wanneer de afstamming van moederszijde door erkenning of bij rechterlijke beslissing is vastgesteld;
  3° wanneer de vordering werd ingesteld vooraleer de afstamming van moederszijde is komen vast te staan.
  § 4. De vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap is niet ontvankelijk, als de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie of tot een andere daad die de voortplanting tot doel had, tenzij de verwekking van het kind hiervan niet het gevolg kan zijn.
  § 5. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader van het kind te zijn, is maar gegrond als diens vaderschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De [1 familierechtbank]1 gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen.
  [2 § 6. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, is maar gegrond als bewezen wordt dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet 6 van juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten heeft toegestemd in de medisch begeleide voortplanting en de verwekking van het kind hiervan het gevolg kan zijn. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van een afstammingsband ten opzichte van de verzoekster met zich. De familierechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies, §§ 1, 1/1, 2 en 4, is voldaan. Zo niet, wordt de vordering afgewezen.]2
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 32, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-12-18/01, art. 11, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  AFDELING 2. - ERKENNING.

  Art. 319.[1 Wanneer het vaderschap niet vaststaat krachtens de artikelen 315 of 317, noch het meemoederschap bedoeld in hoofdstuk 2/1, kan de vader het kind erkennen onder de bij artikel 329bis bepaalde voorwaarden.]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/08, art. 6, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 319bis. <W 2006-07-01/75, art. 9, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Wanneer de vader gehuwd is en een kind erkent dat is verwekt bij een vrouw van wie hij niet de echtgenoot is, moet die erkenning ter kennis van de echtgenoot of van de echtgenote worden gebracht.
  Te dien einde, indien de akte van erkenning is opgemaakt door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand of door een Belgische notaris, wordt een afschrift van de akte door hem verzonden bij een ter post aangetekende brief. Indien de akte niet is opgemaakt door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand of door een Belgische notaris, wordt ze betekend bij deurwaardersexploot op verzoek van de vader, het kind of diens wettelijke vertegenwoordiger.
  Totdat deze mededeling heeft plaatsgehad, kan de erkenning niet worden tegengeworpen aan de echtgenoot of de echtgenote, aan de kinderen geboren uit diens huwelijk met degene die het kind erkent en aan de kinderen die door de beide echtgenoten geadopteerd zijn.

  Art. 320. (Opgeheven) <W 2006-07-01/75, art. 23, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 321. <W 31-03-1987, art. 38> De vader kan het kind niet erkennen, wanneer uit die erkenning een huwelijksbeletsel zou blijken tussen hem en de moeder waarvoor de Koning geen ontheffing kan verlenen (tenzij het huwelijk waardoor dat beletsel is ontstaan, nietig werd verklaard of werd ontbonden door overlijden of door echtscheiding). <W 2006-07-01/75, art. 10, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  AFDELING 3. - ONDERZOEK NAAR HET VADERSCHAP.

  Art. 322.[2 Wanneer het vaderschap niet vaststaat krachtens de artikelen 315 of 317, noch op grond van een erkenning en wanneer het meemoederschap bedoeld in hoofdstuk 2/1 evenmin vaststaat, kan het bij vonnis, uitgesproken door de familierechtbank, worden vastgesteld onder de bij artikel 332quinquies bepaalde voorwaarden.]2
  (Indien de verweerder gehuwd is en het kind tijdens het huwelijk verwekt is bij een vrouw waarvan hij niet de echtgenoot is, moet het vonnis waarbij de afstamming wordt vastgesteld, aan de echtgenoot of de echtgenote worden betekend. Totdat die betekening heeft plaatsgehad, kan het vonnis niet worden tegengeworpen aan de echtgenoot of de echtgenote, noch aan de kinderen geboren uit het huwelijk met de verweerder of geadopteerd door beide echtgenoten.) <W 2003-02-13/36, art. 12, 015; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 33, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-05/08, art. 7, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 323. (Opgeheven) <W 2006-07-01/75, art. 24, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 324. <W 31-03-1987, art. 38> De afstamming wordt bewezen door het bezit van staat ten aanzien van de vermeende vader.
  Bij gebreke van bezit van staat wordt de afstamming van vaderszijde door alle wettelijke middelen bewezen.
  Behalve wanneer er twijfel over bestaat, wordt het vaderschap vermoed wanneer is komen vast te staan dat de verweerder gedurende het wettelijk tijdperk van de verwekking gemeenschap heeft gehad met de moeder.

  Art. 325. <W 31-03-1987, art. 38> Het onderzoek naar het vaderschap is onontvankelijk, wanneer uit het vonnis een huwelijksbeletsel tussen de vermeende vader en de moeder zou blijken waarvoor de Koning geen ontheffing kan verlenen (tenzij het huwelijk waardoor dat beletsel is ontstaan, nietig werd verklaard of werd ontbonden door overlijden of door echtscheiding). <W 2006-07-01/75, art. 11, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  HOOFDSTUK 2/1. [1 - VASTSTELLING VAN DE AFSTAMMING VAN MEEMOEDERSZIJDE.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/08, art. 8, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  AFDELING 1. [1 - ALGEMENE BEPALINGEN.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/08, art. 9, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 325/1. [1 Wanneer het vaderschap niet vaststaat krachtens hoofdstuk 2, kan het meemoederschap worden vastgesteld krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/08, art. 10, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  AFDELING 2. [1 - VERMOEDEN VAN MEEMOEDERSCHAP.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/08, art. 11, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 325/2. [1 Het kind dat geboren is tijdens het huwelijk of binnen driehonderd dagen na ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk, heeft de echtgenote tot meemoeder.
   De bepalingen van artikel 316 tot 317 zijn van overeenkomstige toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/08, art. 12, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 325/3. [1 § 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenote, kan het vermoeden van meemoederschap worden betwist voor de familierechtbank door de moeder, het kind, de meemoeder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist en de man die het vaderschap van het kind opeist.
   § 2. De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte.
   De vordering van de echtgenote moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij niet heeft toegestemd in de daad die de voortplanting tot doel had of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de verwekking van het kind niet het gevolg kan zijn van de daad die de voortplanting tot doel had en waarin zij heeft toegestemd.
   De vordering van de vrouw die het meemoederschap opeist, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij heeft toegestemd in de verwekking overeenkomstig de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten en de verwekking het gevolg kan zijn van die daad.
   De vordering van de man die het vaderschap van het kind opeist, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is.
   De vordering van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenote niet heeft toegestemd in de daad die de voortplanting tot doel had of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de verwekking van het kind niet het gevolg kan zijn van de daad die de voortplanting tot doel had waarin de echtgenote heeft toegestemd.
   Het meemoederschap dat vaststaat krachtens artikel 317 kan daarenboven worden betwist door de vorige echtgenoot of echtgenote.
   § 3. Onverminderd het bepaalde in §§ 1 en 2, wordt de vordering tot betwisting van het vermoeden van meemoederschap gegrond verklaard, tenzij door alle wettelijke middelen bewezen wordt dat de echtgenote voorafgaand aan de verwekking haar toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie of tot een andere daad die de voortplanting tot doel had, tenzij de verwekking van het kind hiervan niet het gevolg kan zijn.
   § 4. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de man die beweert de biologische vader van het kind te zijn, is bovendien maar gegrond als diens vaderschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De familierechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen.
   § 5. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, is bovendien maar gegrond als bewezen wordt dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten heeft toegestemd tot medisch begeleide voortplanting en de verwekking van het kind hiervan het gevolg kan zijn. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van een afstammingsband van de verzoeker met zich. De familierechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies, §§ 1, 1/1, 2 en 4, is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/08, art. 13, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  AFDELING 3. [1 - ERKENNING.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/08, art. 14, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 325/4. [1 Wanneer het meemoederschap niet vaststaat krachtens artikel 325/2, kan de meemoeder het kind erkennen onder de bij artikel 329bis bepaalde voorwaarden.
   In afwijking van artikel 329bis, § 2, derde lid, wordt het verzoek verworpen als vaststaat dat de verzoeker niet heeft toegestemd in de verwekking overeenkomstig de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten of de verwekking hiervan niet het gevolg kan zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/08, art. 15, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 325/5. [1 De meemoeder kan het kind niet erkennen, wanneer uit die erkenning een huwelijksbeletsel zou blijken tussen haar en de moeder waarvoor de Koning geen ontheffing kan verlenen tenzij het huwelijk waardoor dat beletsel is ontstaan, nietig werd verklaard of werd ontbonden door overlijden of door echtscheiding.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/08, art. 16, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 325/6. [1 Wanneer de meemoeder gehuwd is en een kind erkent van een persoon van wie zij niet de echtgenote is, moet die erkenning ter kennis van de echtgenoot of van de echtgenote worden gebracht.
   Te dien einde, indien de akte van erkenning is opgemaakt door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand of door een Belgische notaris, wordt een afschrift van de akte door hem verzonden bij een ter post aangetekende brief. Indien de akte niet is opgemaakt door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand of door een Belgische notaris, wordt ze betekend bij deurwaardersexploot op verzoek van de meemoeder, het kind of diens wettelijke vertegenwoordiger.
   Totdat deze mededeling heeft plaatsgehad, kan de erkenning niet worden tegengeworpen aan de echtgenoot of de echtgenote, aan de kinderen geboren uit diens huwelijk met degene die het kind erkent en aan de kinderen die door de beide echtgenoten geadopteerd zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/08, art. 17, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 325/7.[1 § 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het meemoederschap worden betwist voor de familierechtbank door de man die het vaderschap opeist, de moeder, het kind, de vrouw die het kind erkend heeft en de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist.
   De erkenner en zij die de voorafgaande, in artikel 329bis vereiste of bedoelde toestemmingen hebben gegeven, zijn echter alleen gerechtigd de erkenning te betwisten, indien zij bewijzen dat aan hun toestemming een gebrek kleefde.
   De erkenning kan niet worden betwist door hen die partij zijn geweest bij de beslissing waarbij de erkenning is toegestaan overeenkomstig artikel 329bis, of bij de beslissing waarbij de krachtens dat artikel gevorderde vernietiging is afgewezen
  [2 De vordering van de moeder en de persoon die het kind erkend heeft, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de verwekking van het kind niet het gevolg kan zijn van de daad waarin de persoon die het kind erkend heeft overeenkomstig de wet 6 van juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten heeft toegestemd.]2
   De vordering van de vrouw die het meemoederschap opeist, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij heeft toegestemd in de verwekking overeenkomstig de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten en de verwekking het gevolg kan zijn van die daad.
   De vordering van de man die het vaderschap van het kind opeist, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is.
   De vordering van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de verwekking niet het gevolg kan zijn van de daad waarin de erkenner overeenkomstig de wet van 7 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten heeft toegestemd.
   § 2. Onverminderd het bepaalde in § 1, wordt de erkenning tenietgedaan, indien door alle wettelijke middelen is bewezen dat de betrokkene niet heeft toegestemd in de verwekking overeenkomstig de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten of de verwekking hiervan niet het gevolg kan zijn.
   § 3. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader van het kind te zijn, is maar gegrond als diens vaderschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De familierechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen.
   § 4. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de vrouw die het meemoederschap opeist, is maar gegrond als bewezen wordt dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten heeft toegestemd tot medisch begeleide voortplanting en de verwekking van het kind hiervan het gevolg kan zijn. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De familierechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies, §§ 1, 1/1, 2 en 4, is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/08, art. 18, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<W 2014-12-18/01, art. 13, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  AFDELING 4. [1 - ONDERZOEK NAAR HET MEEMOEDERSCHAP.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/08, art. 19, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 325/8. [1 Wanneer het meemoederschap niet vaststaat krachtens artikel 325/2 noch op grond van een erkenning, kan het bij vonnis worden vastgesteld onder de bij artikel 332quinquies, §§ 1, 1/1, 2 en 4, bepaalde voorwaarden.
   Indien de verweerder gehuwd is en de vordering een kind betreft van een persoon van wie zij niet de echtgenote is, moet het vonnis uitgesproken door de familierechtbank waarbij de afstamming wordt vastgesteld, aan de echtgenoot of echtgenote worden betekend. Totdat die betekening heeft plaatsgehad, kan het vonnis niet worden tegengeworpen aan de echtgenoot of echtgenote, noch aan de kinderen geboren uit het huwelijk met de verweerder of geadopteerd door beide echtgenoten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/08, art. 20, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 325/9. [1 De afstamming wordt bewezen door het bezit van staat ten aanzien van de vermeende meemoeder.
   Bij gebreke van bezit van staat wordt de afstamming van meemoederszijde bewezen door de toestemming tot medisch begeleide voortplanting gegeven overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten als de verwekking van het kind hiervan het gevolg kan zijn.
   De rechtbank wijst de vordering hoe dan ook af indien het bewijs wordt geleverd dat degene wiens afstamming wordt onderzocht niet heeft toegestemd tot medisch begeleide voortplanting overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten of de verwekking van het kind hiervan niet het gevolg kan zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/08, art. 21, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 325/10. [1 Het onderzoek naar het meemoederschap is onontvankelijk, wanneer uit het vonnis een huwelijksbeletsel tussen de vermeende meemoeder en de moeder zou blijken waarvoor de Koning geen ontheffing kan verlenen tenzij het huwelijk waardoor dat beletsel is ontstaan, nietig werd verklaard of werd ontbonden door overlijden of door echtscheiding.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/08, art. 22, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  HOOFDSTUK 3. - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN NOPENS DE WIJZE WAAROP DE AFSTAMMING WORDT VASTGESTELD.

  AFDELING 1. - HET TIJDSTIP VAN DE VERWEKKING.

  Art. 326. <W 31-03-1987, art. 38> Het kind wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed te zijn verwekt in het tijdvak van de 300e tot en met de 180e dag voor de geboortedag en op het tijdstip dat voor hem het gunstigst is, gelet op het onderwerp van de vordering dat het heeft ingesteld of van het verweermiddel dat het heeft voorgedragen.

  AFDELING 2. - DE ERKENNING.

  Art. 327. <W 31-03-1987, art. 38> Indien de erkenning niet is geschied in de akte van geboorte, kan zij geschieden bij authentieke akte, met uitsluiting van het testament.

  Art. 328.[2 § 1. De erkenning kan geschieden door een ontvoogde minderjarige en door een niet-ontvoogde minderjarige met onderscheidingsvermogen.]2
  [1 [2 § 2.]2 De persoon die op grond van artikel 492/1, § 1, derde lid, 7°, uitdrukkelijk onbekwaam werd verklaard om een kind te erkennen, kan, op zijn verzoek, door de in artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vrederechter alsnog worden gemachtigd een kind te erkennen.
   De vrederechter oordeelt over de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon.
   De artikelen 1241 en 1246 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
   [2 § 3.]2 De erkenning kan geschieden ten gunste van een verwekt kind, dan wel van een overleden kind indien dit afstammelingen heeft nagelaten. Indien het kind overleden is zonder afstammelingen na te laten, kan de erkenning slechts geschieden binnen het jaar na zijn geboorte.]1
  [3 De erkenning ten gunste van een verwekt kind kan gebeuren op elk ogenblik van de zwangerschap op basis van een zwangerschapsattest opgesteld door een geneesheer of een vroedvrouw.]3
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 10, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 181, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (3)<W 2017-02-20/15, art. 2, 073; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Art. 328bis.[1 . De vorderingen die worden bedoeld in de artikelen 318 en 325/3 kunnen voor de geboorte ingesteld worden door de man die het vaderschap van het kind opeist en door de vrouw die het meemoederschap opeist.
   De vordering die wordt bedoeld in artikel 325/4 kan voor de geboorte ingesteld worden door de vrouw die het meemoederschap opeist.
   De vordering die wordt bedoeld in artikel 329bis kan voor de geboorte ingesteld worden door de man die het vaderschap van het kind opeist]1
  ----------
  (1)<W 2014-12-18/01, art. 14, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 329.[1 Ten aanzien van een kind kunnen niet meer dan twee afstammingsbanden uitwerking hebben.
   Zo een kind wordt erkend door meer dan een persoon van hetzelfde geslacht, heeft alleen de eerste erkenning gevolg zolang ze niet is vernietigd. Deze bepaling is niet van toepassing in geval van een erkenning door de meemoeder van een kind dat door de moeder erkend werd.
   Zo een kind wordt erkend door een vader en een meemoeder, heeft alleen de eerste erkenning gevolg zolang ze niet is vernietigd.]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/08, art. 24, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 329bis.<ingevoegd bij W 2006-07-01/75, art. 15; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. De erkenning van het meerderjarige of het ontvoogde minderjarige kind is alleen ontvankelijk zo het kind daarin vooraf toestemt.
  [1 § 1/1. De toestemming van het meerderjarige kind is niet vereist indien de rechtbank, op grond van feiten die vastgesteld zijn in een met redenen omkleed proces-verbaal, oordeelt dat het kind niet wilsbekwaam is. Hetzelfde geldt ingeval het kind, bij beschikking van de vrederechter krachtens artikel 492/1, onbekwaam wordt verklaard om met zijn erkenning in te stemmen. Het kind dat zijn mening zelfstandig kan uiten, wordt rechtstreeks door de rechter gehoord. Ingeval het kind niet zelf zijn mening kan uiten, vertolkt de vertrouwenspersoon de mening van het kind. De rechter hecht passend belang aan deze mening.]1
   § 2. Indien het kind minderjarig en niet ontvoogd is, is de erkenning alleen ontvankelijk mits de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat of, indien de erkenning voor de geboorte van het kind gebeurt, de moeder, vooraf daarin toestemt.
   Bovendien is de voorafgaande toestemming van het kind vereist, indien het de volle leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt. Deze toestemming is niet vereist [1 ...]1 indien de rechtbank, op grond van feiten die vastgesteld zijn in een met redenen omkleed proces-verbaal, oordeelt dat het kind geen onderscheidingsvermogen heeft.
   Bij gebreke van die toestemmingen dagvaardt degene die het kind wil erkennen de personen wier toestemming vereist is voor de rechtbank. De partijen worden in raadkamer gehoord. De rechtbank poogt ze te verzoenen. Indien de rechtbank de partijen tot verzoening brengt, ontvangt zij de nodige toestemmingen. Bij gebreke van verzoening wordt het verzoek verworpen als vaststaat dat de verzoeker niet de biologische vader of moeder is. Als het verzoek een kind betreft dat op het tijdstip van de indiening van het verzoek een jaar of ouder is, kan de rechtbank bovendien de erkenning weigeren als ze kennelijk strijdig is met de belangen van het kind.
   Indien tegen degene die het kind wil erkennen een strafvordering is ingesteld wegens een in artikel 375 van het Strafwetboek bedoeld feit dat gepleegd is op de persoon van de moeder tijdens de wettelijke periode van verwekking, kan de erkenning niet plaatsvinden en wordt de in het vierde lid bedoelde termijn van één jaar opgeschort tot de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is gegaan. Als degene die het kind wil erkennen op grond daarvan schuldig wordt verklaard, kan de erkenning niet plaatsvinden en wordt het verzoek om toestemming tot erkenning verworpen.
   § 3. Is het kind minderjarig en niet ontvoogd en heeft het geen bekende ouder, of is de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat overleden [1 , vermoedelijk afwezig, in de onmogelijkheid zijn wil te kennen te geven dan wel wilsonbekwaam]1, dan moet de ambtenaar van de burgerlijke stand een letterlijk afschrift van de erkenning ter kennis brengen van de wettelijke vertegenwoordiger van het kind en van het kind zelf, indien het de volle leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, tenzij dezen vooraf in de erkenning hebben toegestemd.
   Indien de erkenning niet ontvangen is door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand, moet zij op verzoek van de erkenner worden betekend aan de in het eerste lid bedoelde personen.
   Binnen zes maanden te rekenen van de betekening of de kennisgeving kunnen de personen aan wie zij is gedaan [2 , bij dagvaarding, gezamenlijk verzoekschrift of verzoekschrift op tegenspraak de vernietiging van de erkenning vorderen van de territoriaal bevoegde familierechtbank]2.
   De griffier stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ministeriële ambtenaar die de akte van erkenning heeft opgemaakt, onmiddellijk in kennis van die vordering.
   Nadat de partijen werden gehoord, doet de rechtbank uitspraak over de vordering tot nietigverklaring. Ze vernietigt de erkenning indien het bewijs wordt geleverd dat de verweerder niet de biologische vader of moeder is. Bovendien vernietigt ze de erkenning als die kennelijk strijdig is met de belangen van het kind, als dat kind op het tijdstip waarop de vordering wordt ingediend één jaar of ouder is.
   Het vierde lid van § 2 is van overeenkomstige toepassing. Totdat de termijn van zes maanden verstreken is of totdat de afwijzende beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, kan de erkenning niet worden tegengeworpen aan het kind en aan zijn wettelijke vertegenwoordiger die er zich niettemin op kunnen beroepen.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 11, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 34, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014, zie W 2014-05-08/02, art. 42, 066; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  

  Art. 330.<W 2006-07-01/75, art. 16, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het moederschap worden betwist [1 voor de familierechtbank]1 door de vader, het kind, de vrouw die het kind heeft erkend en de vrouw die het moederschap van het kind opeist. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het vaderschap worden betwist [1 voor de familierechtbank]1 door de moeder, het kind, de man die het kind heeft erkend [2 , de man die het vaderschap van het kind opeist en de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist]2.
  De erkenner en zij die de voorafgaande, in artikel 329bis vereiste of bedoelde toestemmingen hebben gegeven, zijn echter alleen gerechtigd de erkenning te betwisten, indien zij bewijzen dat aan hun toestemming een gebrek kleefde.
  De erkenning kan niet worden betwist door hen die partij zijn geweest bij de beslissing waarbij de erkenning is toegestaan overeenkomstig artikel 329bis, of bij de beslissing waarbij de krachtens dat artikel gevorderde vernietiging is afgewezen.
  De vordering van de vader, de moeder of de persoon die het kind erkend heeft, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de persoon die het kind erkend heeft, niet de vader of de moeder is; die van de persoon die [2 et vaderschap of moederschap]2 opeist moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij of zij de vader of de moeder van het kind is; die van het kind moet op zijn vroegst worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en moet uiterlijk worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt (of binnen een jaar na het ontdekken van het feit dat de persoon die het erkend heeft noch zijn vader, noch zijn moeder is). [2 De vordering van de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten heeft toegestemd in de verwekking en de verwekking hiervan het gevolg kan zijn.]2 <W 2006-12-27/32, art. 370, 031; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  § 2. Onverminderd het bepaalde in § 1, wordt de erkenning tenietgedaan, indien door alle wettelijke middelen is bewezen dat de betrokkene niet de vader of de moeder is.
  § 3. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader of moeder van het kind te zijn, is maar gegrond als diens vaderschap of moederschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De rechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen.
  [2 § 4. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, is maar gegrond als bewezen wordt dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet 6 van juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten heeft toegestemd in de medisch begeleide voortplanting en de verwekking van het kind hiervan het gevolg kan zijn. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van een afstammingsband ten opzichte van de verzoekster met zich. De familierechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies, §§ 1, 1/1, 2 en 4 is voldaan. Zo niet, wordt de vordering afgewezen.]2
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 35, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014, zie <W 2014-05-08/02, art. 43, 066; Inwerkingtreding : 01-09-2014>>
  (2)<W 2014-12-18/01, art. 15, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  HOOFDSTUK 4. - VORDERINGEN MET BETREKKING TOT DE AFSTAMMING.

  AFDELING 1. - ALGEMEEN.

  Art. 331.<W 31-03-1987, art. 38> § 1. [1 ...]1.
  § 2. Telkens als de afstamming wordt betwist, kunnen de strafrechtbanken en de andere gerechten eerst uitspraak doen nadat de beslissing van de [1 familierechtbank]1 omtrent de staat in kracht van gewijsde is getreden.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 36, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 331bis. <W 31-03-1987, art. 38> Rechtsvorderingen met betrekking tot de afstamming zijn niet ontvankelijk indien het kind niet levensvatbaar geboren is.

  Art. 331ter. <W 2006-07-01/75, art. 17, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Wanneer de wet geen kortere termijn stelt, verjaren de vorderingen betreffende de afstamming door verloop van dertig jaar te rekenen van de dag waarop het bezit van staat geëindigd is, of, bij gebreke van bezit van staat, vanaf de geboorte, of te rekenen van de dag waarop het kind in het bezit van staat is gekomen overeenkomstig de staat die hem werd betwist, waarbij artikel 2252 onverkort van toepassing blijft.
  Artikel 2253 is niet van toepassing.
  De in dit artikel bepaalde verjaringstermijn geldt niet voor de op artikel 329bis gegronde vorderingen.

  Art. 331quater. <W 31-03-1987, art. 38> Van het vorderingsrecht betreffende de afstamming kan niet worden afgezien.

  Art. 331quinquies. <W 31-03-1987, art. 38> Erfgenamen kunnen de reeds begonnen rechtsvordering voortzetten, tenzij de verzoeker er uitdrukkelijk afstand van heeft gedaan.

  Art. 331sexies.<W 2006-07-01/75, art. 18, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007> [1 § 1.]1 Onverminderd artikel 329bis, § 2, tweede lid, en § 3, eerste lid, [2 artikel 332quinquies en, wat betreft de meerderjarige, § 1/1 van die bepaling, worden de niet-ontvoogde minderjarige en de wilsonbekwame meerderjarige, in gedingen betreffende hun afstamming, als eiser of als verweerder, vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordiger, of wordt de wilsonbekwame meerderjarige, in voorkomend geval, bijgestaan door zijn bewindvoerder]2. [1 Bij gebreke van wettelijke vertegenwoordiger, of indien er tegenstrijdigheid van belangen is, wordt hij vertegenwoordigd]1, door een voogd ad hoc die aangewezen wordt [3 naargelang het geval, door de familierechtbank of door de vrederechter]3 op verzoek van elke belanghebbende of van de procureur des Konings.
  [1 § 2. [2 ...]2 ]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 12, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 182, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (3)<W 2017-07-06/24, art. 64, 075; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 331septies.<W 31-03-1987, art. 38> De [1 familierechtbanken]1 beslechten de geschillen betreffende de afstamming waarvoor de wet geen regeling getroffen heeft, door de meest waarschijnlijke afstamming met alle rechtsmiddelen vast te stellen.
  Zo de andere bewijsmiddelen onvoldoende zijn, wordt het bezit van staat in aanmerking genomen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 37, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 331octies. <W 31-03-1987, art. 38> De rechtbanken kunnen, zelfs ambtshalve, een bloedonderzoek of enig ander onderzoek volgens beproefde wetenschappelijke methode gelasten.

  Art. 331nonies.<W 31-03-1987, art. 38> Het bezit van staat moet voortdurend zijn.
  Het wordt bewezen door feiten die te samen of afzonderlijk de betrekking van afstamming aantonen.
  Die feiten zijn onder meer :
  - dat het kind altijd de naam heeft gedragen van degene van wie wordt gezegd dat het afstamt;
  - dat laatstgenoemde het als zijn kind heeft behandeld;
  - dat die persoon als vader of moeder in zijn onderhoud en opvoeding heeft voorzien;
  - dat het kind die persoon heeft behandeld [1 als zijn vader, moeder of meemoeder]1;
  - dat het kind wordt erkend door de familie en in de maatschappij;
  - dat de openbare overheid het als zodanig beschouwt.
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/08, art. 25, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 331decies.<W 31-03-1987, art. 38> Rechterlijke beslissingen inzake afstamming kunnen worden tegengeworpen zelfs aan personen die geen partij waren in het geding; dezen kunnen echter derdenverzet instellen.
  In afwijking van artikel 811 van het Gerechtelijk Wetboek kan de [1 familierechtbank]1, zelfs ambtshalve, gelasten dat alle belanghebbenden jegens wie zij oordeelt dat de beslissing mede moet gelden, in het geding worden geroepen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 38, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  AFDELING 2. - DE VORDERINGEN IN HET BIJZONDER.

  Art. 332. (Opgeheven) <W 2006-07-01/75, art. 24, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007>.

  Art. 332bis.[1 De vorderingen tot betwisting van staat moeten op zodanige wijze worden ingesteld dat het kind of zijn afstammelingen en degene van zijn ouders wiens vaderschap, meemoederschap of moederschap niet wordt betwist in het geding worden geroepen, alsook de persoon wiens vaderschap, meemoederschap of moederschap wordt betwist.]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/08, art. 26, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 332ter.<W 31-03-1987, art. 38> De rechtsvordering tot inroeping van staat kan worden ingesteld door het kind en door elk van zijn ouders persoonlijk.
  Na het overlijden van het kind, kan de vordering worden ingesteld door diens afstammelingen, die dat evenwel enkel kunnen doen voor de vijfentwintigste verjaardag van hun ouder.
  [1 De vordering moet op zodanige wijze worden ingesteld dat het kind of zijn afstammelingen en degene van de ouders wiens vaderschap, moederschap of meemoederschap vaststaat, alsook de persoon wiens vaderschap, moederschap of meemoederschap wordt onderzocht, in het geding worden geroepen.
   Indien de rechtsvordering tot onderzoek naar het moederschap tot gevolg kan hebben dat het vaderschap of het meemoederschap komt vast te staan op grond van de artikelen 315, 317 of 325/2, dan moet ze ook worden ingesteld tegen de echtgenoot of echtgenote en, in voorkomend geval, tegen de vorige echtgenoot of echtgenote van de vermeende moeder.]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/08, art. 27, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 332quater. <W 31-03-1987, art. 38> Indien een van de personen die krachtens de voorgaande artikelen moet worden gedagvaard overleden is, wordt de rechtsvordering tot betwisting van staat alleen ingesteld tegen de anderen en wordt de rechtsvordering tot inroeping van staat ingesteld tegen de anderen en de erfgenamen van de overledene.
  Indien allen die krachtens de voorafgaande bepalingen moeten worden gedagvaard overleden zijn, wordt de vordering ingesteld bij eenzijdig verzoekschrift en zijn de artikelen 1025 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing, met uitzondering van de artikelen 1029, tweede lid, en 1032.

  Art. 332quinquies.<W 2006-07-01/75, art. 20, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. De vorderingen tot onderzoek naar het moederschap of het vaderschap zijn onontvankelijk indien het meerderjarige of het ontvoogde minderjarige kind zich daartegen verzet.
  [1 § 1/1. Er wordt geen rekening gehouden met het verzet van het meerderjarige kind indien de rechtbank, op grond van feiten die vastgesteld zijn in een met redenen omkleed proces-verbaal, oordeelt dat het kind niet wilsbekwaam is. Hetzelfde geldt ingeval het kind, bij beschikking van de vrederechter krachtens artikel 492/1, onbekwaam wordt verklaard zich te verzetten tegen een rechtsvordering tot onderzoek naar het moederschap of het vaderschap. Het kind dat zijn mening zelfstandig kan uiten, wordt rechtstreeks door de rechter gehoord. Ingeval het kind zijn mening niet zelf kan uiten, vertolkt de vertrouwenspersoon de mening van het kind. De rechter hecht passend belang aan die mening. ]1
  § 2. Indien het verzet uitgaat van een minderjarig kind dat niet ontvoogd is en de volle leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, of van degene van de ouders van het kind ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, wijst de rechtbank, zonder afbreuk te doen aan § 3, de vordering slechts af indien ze betrekking heeft op een kind dat minstens één jaar oud is op het ogenblik van de indiening ervan, en de vaststelling van de afstamming kennelijk strijdig is met de belangen van het kind.
  [1 Er wordt geen rekening gehouden met het verzet van het minderjarige kind indien de rechtbank, op grond van feiten die vastgesteld zijn in een met redenen omkleed proces-verbaal, oordeelt dat het kind geen onderscheidingsvermogen heeft.]1
  § 3. De rechtbank wijst de vordering hoe dan ook af indien het bewijs wordt geleverd dat degene wiens afstamming wordt onderzocht niet de biologische vader of moeder van het kind is.
  § 4. Indien tegen de man die een vaderschapsonderzoek vordert een strafvordering is ingesteld wegens een in artikel 375 van het Strafwetboek bedoeld feit dat gepleegd is op de persoon van de moeder tijdens de wettelijke periode van verwekking, wordt op verzoek van een van de partijen de uitspraak verdaagd, tot wanneer de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is getreden. Indien de betrokkene hiervoor wordt veroordeeld, zal (de vordering tot onderzoek naar het vaderschap) op vraag van één van de partijen worden verworpen. <W 2006-12-27/32, art. 371, 031; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 13, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  AFDELING 3. - BEKENDMAKING VAN DE RECHTERLIJKE BESLISSING IN DE REGISTERS VAN DE BURGERLIJKE STAND.

  Art. 333. <W 31-03-1987, art. 38> § 1. Elk exploot van betekening van een vonnis of arrest waarbij een vordering betreffende de afstamming wordt toegewezen, moet in afschrift worden medegedeeld aan het openbaar ministerie.
  § 2. Na het verstrijken van de termijn van hoger beroep of van voorziening in cassatie of, in voorkomend geval, na de uitspraak van het arrest waarbij de voorziening wordt afgewezen, zendt het openbaar ministerie onverwijld het beschikkende gedeelte van elk vonnis of arrest waarbij een vordering betreffende de afstamming wordt toegewezen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de akte van geboorte van het kind is opgemaakt of overgeschreven.
  Indien de akte van geboorte niet in België is ingeschreven, wordt het beschikkende gedeelte gezonden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de verblijfplaats van het kind in België of, bij gebreke daarvan, aan die van het eerste district van Brussel.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand schrijft, binnen een maand, het beschikkende gedeelte over in zijn registers; melding daarvan wordt gemaakt op de kant van de akten betreffende de burgerlijke stand van het kind en van zijn afstammelingen.

  HOOFDSTUK 5. - GEVOLGEN VAN DE AFSTAMMING.

  Art. 334. <W 31-03-1987, art. 38> Ongeacht de wijze waarop de afstamming is vastgesteld, hebben de kinderen en hun afstammelingen dezelfde rechten en dezelfde verplichtingen ten opzichte van de ouders en hun bloed- en aanverwanten en hebben de ouders en hun bloed- en aanverwanten dezelfde rechten en dezelfde verplichtingen ten opzichte van de kinderen en hun afstammelingen.

  Art. 334bis. (Opgeheven) <W 2006-07-01/75, art. 24, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 334ter. <W 31-03-1987, art. 38> De erkenning waaruit blijkt dat een kind tijdens het huwelijk werd verwekt door een der echtgenoten en een andere persoon dan de echtgenoot, heeft tot gevolg dat degene die het kind erkent, alle voordelen verliest die de andere echtgenoot bij huwelijksovereenkomst heeft toegestaan in het vooruitzicht van een verdeling van het gemeenschappelijk vermogen, evenals de schenkingen welke in die overeenkomst vervat liggen, tenzij die echtgenoot bij een voor notaris verleden akte uitdrukkelijk zijn wil te kennen geeft de bepalingen van de huwelijksovereenkomst geheel of ten dele te handhaven.
  De herroeping van de voordelen en van de schenkingen doet geen afbreuk aan de rechten van derden te goeder trouw.
  In hetzelfde geval kan de echtgenoot degene die het kind erkent, geheel of ten dele van de erfopvolging uitsluiten, met uitzondering van het erfrecht dat hij krachtens artikel 915bis, § 2, bezit.
  In alle gevallen waarbij uit de vaststelling van de afstamming blijkt dat een kind tijdens het huwelijk werd verwekt door een der echtgenoten en een andere persoon dan de echtgenoot, gelden dezelfde gevolgen als die welke het eerste lid aan een vrijwillige erkenning verbindt en de echtgenoot kan het recht uitoefenen dat hem bij het derde lid wordt verleend.

  Art. 335.[1 § 1. Het kind wiens afstamming van vaderszijde en afstamming van moederszijde tegelijkertijd komen vast te staan draagt ofwel de naam van zijn vader, ofwel de naam van zijn moeder, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen.
   De ouders kiezen de naam van het kind op het ogenblik van de aangifte van de geboorte. De ambtenaar van de burgerlijke stand neemt akte van deze keuze. In geval van onenigheid of bij afwezigheid van keuze, draagt het kind de naam van de vader. [4 In geval van onenigheid draagt het kind de naam van de vader en de naam van de moeder naast elkaar in alfabetische volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. Wanneer de vader en de moeder, of een van hen, een dubbele naam dragen, kiest de betrokkene het deel van de naam dat aan het kind wordt doorgegeven. Bij afwezigheid van keuze wordt het deel van de dubbele naam dat wordt doorgegeven bepaald op basis van de alfabetische volgorde.]4
  [4 De weigering om een keuze te maken wordt beschouwd als een geval van onenigheid.
   Indien de ouders samen de geboorte van het kind aangeven, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand, overeenkomstig het tweede lid, de door de ouders gekozen naam of de onenigheid tussen de ouders, vast.
   Indien een ouder alleen de geboorte van het kind aangeeft, geeft deze de door de ouders gekozen naam of de onenigheid tussen de ouders aan de ambtenaar van de burgerlijke stand aan.]4
   § 2. Het kind wiens afstamming alleen van moederszijde vaststaat, draagt de naam van zijn moeder.
   Het kind wiens afstamming alleen van vaderszijde vaststaat, draagt de naam van zijn vader.
   § 3. Indien de afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde, blijft de naam van het kind onveranderd. Hetzelfde geldt indien de afstamming van moederszijde komt vast te staan na de afstamming van vaderszijde.
   Evenwel kunnen de ouders samen, of kan een van hen indien de andere overleden is, in een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte verklaren dat het kind ofwel de naam van de persoon ten aanzien van wie de afstamming als tweede komt vast te staan zal dragen, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen.
   Deze verklaring wordt afgelegd binnen een termijn van één jaar te rekenen van de dag van de erkenning of van de dag waarop een beslissing die de afstamming van vaderszijde of van moederszijde vaststelt in kracht van gewijsde is gegaan, en voor de meerderjarigheid of de ontvoogding van het kind. De termijn van één jaar begint te lopen op de dag die volgt op de in [3 de artikelen 313, § 3, tweede lid, 319bis, tweede lid, of 322, tweede lid,]3 bedoelde kennisgeving of betekening.
   Bij wijziging van de afstamming van vaderszijde of van moederszijde tijdens de minderjarigheid van het kind als gevolg van een vordering tot betwisting van de afstamming op grond van de [3 de artikelen 312, § 2, 318, §§ 5 en 6, of 330, §§ 3 en 4]3, neemt de rechter akte van de nieuwe naam van het kind die in voorkomend geval [3 door de ouders is gekozen, met inachtneming van de in § 1 of artikel 335ter bedoelde regels]3.
   Van de in het tweede lid bedoelde verklaring of van het beschikkend gedeelte van het in het vierde lid bedoelde vonnis wordt melding gemaakt op de kant van de akte van geboorte en van de andere akten betreffende het kind.
   § 4. Indien de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming geen verandering aan zijn naam aangebracht.]1
  
  (NOTA : bij arrest nr 2/2016 van 14-01-2016 gepubliceerd in het B.St. 14-03-2016, p. 16846-16851, heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel 335,§ 1, tweede lid, derde zin, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind aan de geadopteerde vernietigd. Hij handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling tot 31 december 2016.)
  ----------
  (1)<W 2014-05-08/10, art. 2, 068; Inwerkingtreding : 01-06-2014>
  (3)<W 2014-12-18/01, art. 2, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (4)<W 2016-12-25/13, art. 2, 072; Inwerkingtreding : 01-01-2017. Overgangsbepalingen : art. 4>

  Art. 335bis. [1 De overeenkomstig artikel 335, §§ 1 en 3, bepaalde naam geldt ook voor de andere kinderen wier afstamming later ten aanzien van dezelfde vader en moeder komt vast te staan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-08/10, art. 3, 068; Inwerkingtreding : 01-06-2014>

  Art. 335ter.[1 § 1. Het kind wiens afstamming van moederszijde en afstamming van meemoederszijde tegelijkertijd komen vast te staan draagt ofwel de naam van zijn moeder, ofwel de naam van zijn meemoeder, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen.
   De moeder en de meemoeder kiezen de naam van het kind op het ogenblik van de aangifte van de geboorte. De ambtenaar van de burgerlijke stand neemt akte van deze keuze. [2 In geval van onenigheid draagt het kind de naam van de moeder en de naam van de meemoeder naast elkaar in alfabetische volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. Wanneer de moeder en de meemoeder, of een van hen, een dubbele naam dragen, kiest de betrokkene het deel van de naam dat aan het kind wordt doorgegeven. Bij afwezigheid van keuze wordt het deel van de dubbele naam dat wordt doorgegeven bepaald op basis van de alfabetische volgorde.]2
  [2 De weigering om een keuze te maken wordt beschouwd als een geval van onenigheid.
   Indien de moeder en de meemoeder samen de geboorte van het kind aangeven, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand, overeenkomstig het tweede lid, de door de ouders gekozen naam of de onenigheid tussen de ouders, vast.
   Indien de moeder of de meemoeder alleen de geboorte van het kind aangeeft, geeft zij de door de ouders gekozen naam of de onenigheid tussen de ouders, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand aan.]2
   § 2. Indien de afstamming van meemoederszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde, blijft de naam van het kind onveranderd.
   Evenwel kunnen de moeder en meemoeder samen, of kan een van hen indien de andere overleden is, in een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte verklaren dat het kind ofwel de naam van de meemoeder zal dragen, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen.
   Deze verklaring wordt afgelegd binnen een termijn van één jaar te rekenen van de dag van de erkenning of van de dag waarop een beslissing die de afstamming van meemoederszijde vaststelt in kracht van gewijsde is gegaan, en voor de meerderjarigheid of de ontvoogding van het kind. De termijn van één jaar begint te lopen op de dag die volgt op de in de artikelen 325/6, tweede lid, en 325/8, tweede lid, bedoelde kennisgeving of betekening.
   Bij wijziging van de afstamming van meemoederszijde of van moederszijde tijdens de minderjarigheid van het kind als gevolg van een vordering tot betwisting van de afstamming op grond van de artikelen 312, § 2, 325/3, §§ 4 en 5, 325/7, §§ 3 en 4, of 330, §§ 3 en 4, neemt de rechter akte van de nieuwe naam van het kind die in voorkomend geval is gekozen door de ouders met inachtneming van de in paragraaf 1 of in artikel 335, § 1, vervatte regels.
   Van de in het tweede lid bedoelde verklaring of van het beschikkend gedeelte van het in het vierde lid bedoelde vonnis wordt melding gemaakt op de kant van de akte van geboorte en van de andere akten betreffende het kind.
   § 3. Indien de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming geen verandering aan zijn naam aangebracht.
   § 4. De overeenkomstig de paragrafen 1 en 2, bepaalde naam geldt ook voor de andere kinderen wier afstamming later ten aanzien van dezelfde moeder en meemoeder komt vast te staan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-12-18/01, art. 16, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2015> in plaats van de wijziging van art. 335 door <W 2014-05-05/08, art. 28, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<W 2016-12-25/13, art. 3, 072; Inwerkingtreding : 01-01-2017. Overgangsbepalingen : art. 4>

  Art. 335quater. [1 In afwijking van de artikelen 335, §§ 1 en 3, en 335ter, §§ 1 en 2, kunnen de vader en de moeder of de moeder en de meemoeder, naargelang het geval, de naam van het kind kiezen op het tijdstip van de verklaring van keuze van het toepasselijke recht, zoals bedoeld in artikel 39, § 1, tweede lid, van het Wetboek van internationaal privaatrecht. De ambtenaar van de burgerlijke stand neemt akte van deze keuze.
   Van de verklaring wordt melding gemaakt op de kant van de geboorteakte die wordt overgeschreven of ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en van alle opgemaakte en erkende hen betreffende akten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-07-06/24, art. 65, 075; Inwerkingtreding : 03-08-2017>
  

  HOOFDSTUK 6. - VORDERING TOT UITKERING VOOR LEVENSONDERHOUD, OPVOEDING EN PASSENDE OPLEIDING.

  Art. 336.[1 Het kind wiens afstamming van vaderszijde niet vaststaat, kan van degene die gedurende het wettelijke tijdvak van de verwekking met zijn moeder gemeenschap heeft gehad, een onderhoudsbijdrage vorderen op grond van artikel 203, § 1.]1
  ----------
  (1)<W 2010-03-19/05, art. 7, 048; Inwerkingtreding : 01-08-2010; zie ook art. 17>

  Art. 337. <W 31-03-1987, art. 38> § 1. De vordering komt aan het kind persoonlijk toe. (...). <W 2006-07-01/75, art. 22, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  § 2. De vordering gaat niet over op de erfgenamen van het kind. Deze kunnen echter de begonnen rechtsvordering voortzetten.
  § 3. Na het overlijden van de persoon die gedurende het wettelijk tijdvak van de verwekking met de moeder gemeenschap heeft gehad, kan de vordering worden voortgezet maar niet meer ingesteld tegen zijn erfgenamen.

  Art. 338.<W 31-03-1987, art. 38> § 1. De eiser biedt de [2 familierechtbank]2 een verzoekschrift aan, bevattende een beknopte opgave van de feiten en vergezeld van de bewijsstukken, zo die er zijn.
  [2 In voorkomend geval verwijst de rechtbank de vordering naar de kamer voor minnelijke schikking, overeenkomstig artikel 731, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.]2
  § 2. Indien de verweerder het bestaan heeft erkend van de gemeenschap die tot grondslag dient van de vordering en indien de partijen het eens zijn over het bedrag van de uitkering tot levensonderhoud, maakt de [2 rechtbank]2 daarvan proces-verbaal op.
  [2 ...]2.
  § 3. [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/35, art. 13, 053; Inwerkingtreding : 10-07-2010>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 39, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014, voir W 2014-05-08/02, art. 44, 066; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 338bis. <W 31-03-1987, art. 38> De vordering wordt afgewezen indien de verweerder door alle wettelijke middelen het bewijs levert dat hij de vader niet is.

  Art. 339.[1 De artikelen 203, 203bis en 203quater zijn van overeenkomstige toepassing.]1
  ----------
  (1)<W 2010-03-19/05, art. 8, 048; Inwerkingtreding : 01-08-2010; zie ook art. 17>

  Art. 339bis.<W 31-03-1987, art. 38> De last van de uitkering gaat over op de nalatenschap van de uitkeringsplichtige overeenkomstig artikel [1 205bis, §§ 3, 4 en 6 ]1.
  De uitkering kan worden gewijzigd overeenkomstig artikel 209.
  ----------
  (1)<W 2012-12-10/14, art. 5, 057; Inwerkingtreding : 21-01-2013>

  Art. 340. <W 31-03-1987, art. 38> De uitkering is niet meer verschuldigd zodra de afstamming van vaderszijde vaststaat ten aanzien van een ander dan de uitkeringsplichtige of indien het kind geadopteerd wordt.

  Art. 341. <W 31-03-1987, art. 38>. Een vonnis waarbij de verweerder krachtens artikel 336 wordt veroordeeld tot het betalen van een uitkering, heeft dezelfde gevolgen als de vaststelling van het vaderschap, wat de huwelijksbeletselen betreft.

  Art. 342. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 38>

  TITEL VIII. - Adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  HOOFDSTUK I. - Intern recht. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Afdeling 1. - Algemene bepaling. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 343.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> § 1. Er wordt verstaan onder :
  a) adoptant : een persoon, echtgenoten (...), of samenwonenden (...); <W 2006-05-18/44, art. 2, 1., 027; Inwerkingtreding : 30-06-2006>
  b) (samenwonenden : twee personen (...) die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd of twee personen (...) die op een permanente en affectieve wijze samenwonen sedert ten minste drie jaar op het tijdstip van de indiening van het verzoek om adoptie, voor zover zij niet door een band van bloedverwantschap [1 ...]1 zijn verbonden die leidt tot een huwelijksverbod waarvoor de Koning geen ontheffing kan verlenen;) <W 2004-12-27/30, art. 241, 021; Inwerkingtreding : 10-01-2005> <W 2006-05-18/44, art. 2, 2., 027; Inwerkingtreding : 30-06-2006>
  [2 b/1) voormalige partner : de voormalige echtgenoot of de voormalige wettelijk samenwonende, of een van de gescheiden personen die op een permanente en affectieve wijze hebben samengewoond gedurende ten minste drie jaar, voor zover zij niet door een band van bloedverwantschap zijn verbonden die leidt tot een huwelijksverbod waarvoor de Koning geen ontheffing kan verlenen;]2
  c) kind : een persoon van minder dan achttien jaar.
  § 2. Er bestaan twee vormen van adoptie : de gewone adoptie en de volle adoptie.
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/24, art. 2, 052; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
  (2)<W 2017-02-20/17, art. 2, 074; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Afdeling 2. - Bepalingen gemeenschappelijk aan beide vormen van adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  § 1. Voorwaarden voor adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  A. Grondvoorwaarden. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 344-1. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Adopties moeten steeds gegrond zijn op wettige redenen en ingeval zij betrekking hebben op een kind kunnen zij slechts plaatsvinden in het hoger belang van dat kind en met eerbied voor de fundamentele rechten die het op grond van het internationaal recht toekomen.

  Art. 344-2. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Een persoon van wie de afstamming van moederszijde vaststaat, kan niet door zijn moeder worden geadopteerd. Een persoon van wie de afstamming van vaderszijde vaststaat, kan niet door zijn vader worden geadopteerd.

  Art. 344-3. [1 Een persoon kan het kind van zijn voormalige partner adopteren voor zover de volgende voorwaarden vervuld zijn :
   1° het kind werd geadopteerd door de voormalige partner tijdens het huwelijk of een, adoptieve of andere, afstammingsband werd vastgesteld tussen het kind en de voormalige partner tijdens de wettelijke samenwoning of tijdens het samenleven bedoeld in artikel 343, § 1, b/1);
   2° het kind heeft slechts één vastgestelde afstammingsband; en
   3° die persoon onderhoudt met het kind een duurzame feitelijke relatie, zowel op affectief als op materieel vlak.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-02-20/17, art. 3, 074; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
  

  B. Leeftijd. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 345.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De adoptant of de adoptanten moeten de leeftijd van vijfentwintig jaar hebben bereikt en ten minste vijftien jaar ouder zijn dan de geadopteerde.
  Het volstaat evenwel de leeftijd van achttien jaar te hebben bereikt en ten minste tien jaar ouder te zijn dan de geadopteerde wanneer het gaat om een afstammeling in de eerste graad of om een geadopteerde van de echtgenoot [1 , van de samenwonende of van de voormalige partner]1, zelfs overleden, van de adoptant.
  Deze voorwaarden moeten vervuld zijn op het tijdstip van indiening van het verzoekschrift tot adoptie.
  ----------
  (1)<W 2017-02-20/17, art. 4, 074; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  C. Geschiktheid. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 346-1. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De adoptant of de adoptanten die een kind wensen te adopteren moeten bekwaam en geschikt zijn om te adopteren.
  Een persoon die daartoe over de vereiste sociaal-psychologische eigenschappen beschikt, is geschikt om te adopteren.

  Art. 346-2.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De geschiktheid wordt door de [2 familierechtbank]2 beoordeeld op grond van een door haar te bevelen maatschappelijk onderzoek. Vooraleer over hun geschiktheid wordt geoordeeld, moeten de persoon of de personen die een kind wensen te adopteren de voorbereiding hebben gevolgd die door de bevoegde gemeenschap wordt verstrekt, en die meer bepaald de informatie inhoudt over de stappen in de procedure, de juridische en de andere gevolgen van de adoptie, en over de mogelijkheid en het nut van nazorg na de adoptie. [1 De voorbereiding is niet verplicht voor de adoptant of de adoptanten die deze voorbereiding reeds hebben gevolgd bij een eerdere adoptie en van wie de geschiktheid om te adopteren door de [2 familierechtbank]2 is erkend.]1
  De rechtbank houdt inzonderheid rekening met de persoonlijke, familiale en medische toestand van de betrokkene, en met zijn beweegredenen.
  Het maatschappelijk onderzoek is echter niet verplicht wanneer de adoptant een kind wenst te adopteren :
  1° dat met hem, met zijn echtgenoot [3 , met de persoon met wie hij samenwoont of met zijn voormalige partner]3, zelfs overleden, verwant is tot in de derde graad; of
  2° met wie hij reeds het dagelijkse leven deelt of met wie hij reeds een sociale en affectieve band heeft.
  ----------
  (1)<W 2012-06-20/15, art. 2, 056; Inwerkingtreding : 20-08-2012>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 40, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (3)<W 2017-02-20/17, art. 5, 074; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  D. Nieuwe adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 347-1.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> [1 Een persoon die]1 reeds is geadopteerd, ongeacht of het daarbij gaat om een gewone dan wel om een volle adoptie, kan nogmaals worden geadopteerd, zowel bij wijze van een gewone als [1 , in geval van een kind,]1 van een volle adoptie, indien alle voorwaarden gesteld voor het totstandkomen van de nieuwe adoptie zijn vervuld en indien, ofwel :
  1° de vorige adoptant of adoptanten overleden zijn;
  2° de vorige adoptie herzien is of de vorige gewone adoptie ten aanzien van de adoptant of van de adoptanten herroepen is;
  3° zeer gewichtige redenen bestaan die vereisen dat op verzoek van het openbaar ministerie een nieuwe adoptie wordt uitgesproken.
  ----------
  (1)<W 2017-02-20/17, art. 6, 074; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Art. 347-2.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Een persoon die reeds door twee adoptanten geadopteerd is, ongeacht of het daarbij gaat om een gewone of om een volle adoptie, kan door de nieuwe echtgenoot [1 , de nieuwe samenwonende of de voormalige partner]1 nogmaals worden geadopteerd, zowel bij wijze van een gewone als van een volle adoptie, indien alle voorwaarden gesteld voor het totstandkomen van de nieuwe adoptie zijn vervuld en indien, ofwel :
  1° de andere vorige adoptant overleden is;
  2° de vorige gewone adoptie ten aanzien van de andere adoptant herroepen is;
  3° zeer gewichtige redenen bestaan die vereisen dat op verzoek van het openbaar ministerie een nieuwe adoptie wordt uitgesproken.
  ----------
  (1)<W 2017-02-20/17, art. 7, 074; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Art. 347-3. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Na de overschrijving van een vonnis waarbij de gewone adoptie van een kind wordt uitgesproken, kunnen de adoptant of de adoptanten een verzoekschrift indienen dat erop is gericht deze adoptie in een volle adoptie om te zetten. Deze omzetting wordt slechts toegestaan indien alle voorwaarden, inzonderheid deze betreffende de toestemming, gesteld voor het totstandkomen van de volle adoptie, zijn vervuld.

  E. Toestemmingen. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 348-1.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Eenieder die op het tijdstip van de uitspraak van het vonnis van adoptie, de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, moet in zijn adoptie toestemmen of daarin hebben toegestemd.
  [1 In afwijking van het eerste lid is de toestemming niet vereist indien de rechtbank, op grond van feiten die vastgesteld zijn in een met redenen omkleed proces-verbaal, oordeelt dat de meerderjarige persoon wilsonbekwaam is. Hetzelfde geldt ingeval de meerderjarige persoon, bij beschikking van de vrederechter krachtens artikel 492/1, onbekwaam wordt verklaard om met zijn adoptie in te stemmen. De meerderjarige persoon die zijn mening zelfstandig kan uiten wordt rechtstreeks door de rechter gehoord. Ingeval de meerderjarige persoon zijn mening niet zelf kan uiten, vertolkt de vertrouwenspersoon de mening van die meerderjarige persoon. De rechter hecht passend belang aan deze mening.
   De toestemming is evenmin vereist als de rechtbank, op grond van feiten die vastgesteld zijn in een met redenen omkleed proces-verbaal, oordeelt dat de minderjarige geen onderscheidingsvermogen heeft. ]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 14, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 348-2.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Wanneer de adoptant, een van de adoptanten of de geadopteerde gehuwd is en niet van tafel en bed is gescheiden of samenwoont op het tijdstip van verschijning voor de [2 familierechtbank]2 die over het verzoekschrift tot adoptie uitspraak moet doen, moet zijn echtgenoot of de persoon met wie hij samenwoont in de adoptie toestemmen, [1 behalve indien deze vermoedelijk afwezig is, geen gekende verblijfplaats heeft of ingeval de [2 familierechtbank]2 oordeelt, op grond van feiten vastgesteld in een met redenen omkleed proces-verbaal, dat hij in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven of wilsonbekwaam is]1).
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 15, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 42, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 348-3.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Wanneer de afstamming van een kind [1 ...]1 ten aanzien van zijn moeder en van zijn vader vaststaat, moeten beiden in de adoptie toestemmen. Indien echter een van hen [1 vermoedelijk afwezig is, geen gekende verblijfplaats heeft, in de onmogelijkheid verkeert om zijn wil te kennen te geven of wilsonbekwaam is]1, is de toestemming van de andere voldoende.
  Wanneer de afstamming van een kind [1 ...]1 slechts ten aanzien van een van zijn ouders vaststaat, dient enkel deze in de adoptie toe te stemmen.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 16, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 348-4.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Zowel de moeder als de vader kunnen hun toestemming slechts geven twee maanden na de geboorte van het kind.
  Zij worden over de adoptie en de gevolgen van hun toestemming geïnformeerd door de [1 familierechtbank]1 voor wie de toestemming dient te worden gegeven en door haar sociale dienst.
  Deze informatie heeft inzonderheid betrekking op de rechten, de bijstand en de voordelen waarop de families, de vaders en moeders, al dan niet alleenstaand, en hun kinderen bij wet of decreet aanspraak kunnen maken, alsook op de middelen waarop een beroep kan worden gedaan om sociale, financiële, psychologische of andere problemen die hun situatie meebrengt, op te lossen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 43, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 348-5.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Wanneer de afstamming van een kind of [1 ...]1 niet vaststaat of wanneer de vader en de moeder van een kind [1 ...]1, of de enige ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, overleden zijn, [1 vermoedelijk afwezig zijn, geen gekende verblijfplaats hebben of in de onmogelijkheid verkeren om hun wil te kennen te geven of wilsonbekwaam zijn]1, wordt de toestemming door de voogd gegeven. <W 2007-05-09/44, art. 36, 6°, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  In geval van adoptie door de voogd, wordt de toestemming gegeven door de toeziende voogd. Ingeval de belangen van de toeziende voogd tegenstrijdig zijn met die van de minderjarige, wordt de toestemming gegeven door een voogd ad hoc aangewezen door de rechtbank op verzoek van iedere betrokken persoon of van de procureur des Konings.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 17, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 348-5/1. [1 In afwijking van de artikelen 348-3 en 348-5 wordt, in geval van adoptie zoals bedoeld in artikel 361-5, de toestemming gegeven door een voogd ad hoc aangewezen door de rechtbank op verzoek van iedere betrokken persoon of van de procureur des Konings.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-07-06/24, art. 66, 075; Inwerkingtreding : 03-08-2017>
  

  Art. 348-6.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Voor de nieuwe adoptie van een kind [1 dat]1 voorheen op gewone wijze is geadopteerd, zijn vereist :
  1° de toestemming van de personen die in de vorige adoptie hebben toegestemd;
  2° de toestemming van de vorige adoptant of adoptanten, behalve indien de vorige adoptie ten aanzien van die persoon of personen herroepen of herzien is.
  [1 Indien een van die personen vermoedelijk afwezig is, geen gekende verblijfplaats heeft of in de onmogelijkheid verkeert om zijn wil te kennen te geven of wilsonbekwaam is]1, is zijn toestemming niet vereist. De toestemming van de oorspronkelijke vader of moeder, van de voogd en van de toeziende voogd, van de echtgenoot van de geadopteerde, of van de persoon met wie hij samenwoont, die vroeger onverantwoord geweigerd hebben in de adoptie toe te stemmen, evenals die van de vader en de moeder wanneer het kind door hen verlaten werd verklaard, is evenmin vereist.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 18, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 348-7.[1 Voor de nieuwe adoptie van een kind dat voorheen ten volle is geadopteerd, is de toestemming van de vorige adoptant of adoptanten vereist, behalve indien zij vermoedelijk afwezig zijn, geen gekende verblijfplaats hebben, in de onmogelijkheid verkeren hun wil te kennen te geven, wilsonbekwaam zijn, of indien de vorige adoptie ten aanzien van hen is herzien. ]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 19, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 348-8.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Eenieder van wie de toestemming in de adoptie vereist is, kan zulks doen door middel van ofwel :
  1° een persoonlijke verklaring gedaan voor de [1 familierechtbank]1 die het verzoekschrift tot adoptie behandelt en waarvan deze een proces-verbaal opstelt;
  2° een akte verleden ten overstaan van een notaris naar keuze of ten overstaan van de vrederechter van zijn woonplaats.
  Er moet nader worden bepaald dat de toestemming wordt gegeven voor een gewone adoptie of voor een volle adoptie.
  De intrekking van de toestemming is slechts mogelijk tot het tijdstip van de uitspraak van het vonnis en, ten laatste, zes maanden na de indiening van het verzoekschrift tot adoptie en dient te geschieden in dezelfde vorm als vereist is voor de toestemming in de adoptie.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 44, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 348-9. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Ieder lid van de oorspronkelijke familie van het kind van wie de toestemming vereist is, kan in de akte of in de verklaring houdende zijn toestemming nader bepalen dat :
  1° hij de identiteit van de adoptant of van de adoptanten niet wenst te kennen; in dat geval, wijst hij een persoon aan die hem in het kader van de procedure zal vertegenwoordigen; of dat
  2° hij later in de procedure niet wenst tussenbeide te komen; in dat geval, wijst hij eveneens een persoon aan die hem zal vertegenwoordigen.
  De persoon die gebruik maakt van een van de in het vorige lid bedoelde mogelijkheden doet keuze van woonplaats.

  Art. 348-10.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Eenieder van wie de toestemming vereist is en die niet in de adoptie wenst toe te stemmen, kan zijn weigering te kennen geven door middel van ofwel :
  1° een persoonlijke verklaring gedaan voor de [1 familierechtbank]1 die het verzoekschrift tot adoptie behandelt en waarvan deze een proces-verbaal opstelt;
  2° een akte verleden ten overstaan van een notaris naar keuze of ten overstaan van de vrederechter van zijn woonplaats.
  Niet-verschijning voor de rechtbank na door de griffier bij gerechtsbrief te zijn opgeroepen, wordt als weigering van de toestemming beschouwd.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 45, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 348-11.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Ingeval een persoon die overeenkomstig de artikelen 348-2 tot 348-7 in de adoptie moet toestemmen, dit weigert te doen, kan de adoptie op verzoek van de adoptant, van de adoptanten of van het openbaar ministerie toch worden uitgesproken indien de [1 familierechtbank]1 van oordeel is dat de toestemming op onverantwoorde wijze is geweigerd.
  [2 Wanneer evenwel de vader of de moeder van het kind weigert in de adoptie toe te stemmen, kan de rechtbank de adoptie pas uitspreken wanneer na een grondig maatschappelijk onderzoek gebleken is dat deze persoon zich niet meer om het kind heeft bekommerd of de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, behalve wanneer het gaat om een nieuwe adoptie of wanneer het gaat om de adoptie van het kind of van het adoptief kind van een echtgeno(o)t(e), van een samenwonende partner of van een voormalige partner ten aanzien van wie een gemeenschappelijk ouderlijk engagement bestaat.]2
  [2 Om het onverantwoorde karakter te beoordelen van de weigering om toestemming te verlenen, houdt de rechtbank rekening met het belang van het kind.]2
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 46, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2017-02-20/17, art. 8, 074; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  § 2. Gevolgen van de adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 349-1. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Een adoptie uitgesproken bij een beslissing overgeschreven overeenkomstig artikel 1231-19 van het Gerechtelijk Wetboek, heeft gevolgen vanaf de neerlegging van het verzoekschrift.

  Art. 349-2. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De adoptant of de adoptanten kunnen in de loop van de procedure aan de rechtbank vragen dat de voornamen van de geadopteerde worden gewijzigd. Indien de geadopteerde de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, moet hij in deze wijziging toestemmen.

  Art. 349-3. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Een adoptie kan niet bij wege van nietigheid worden bestreden.

  § 3. Vaststelling van de afstamming van de geadopteerde na de adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 350. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Vaststelling van de afstamming van de geadopteerde ten aanzien van de adoptant of van een van de adoptanten nadat het vonnis van adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, maakt vanaf dat tijdstip en voor de toekomst een einde aan de adoptie ten aanzien van die adoptant of van die adoptanten.
  Vaststelling van de afstamming van de geadopteerde ten aanzien van een andere persoon dan de adoptant of de adoptanten nadat het vonnis van adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, maakt daaraan geen einde. Indien het om een gewone adoptie gaat, heeft deze afstamming gevolgen voorzover deze niet strijdig zijn met die van de adoptie. Indien het een volle adoptie betreft, heeft die afstamming slechts de toepassing van de verbodsbepalingen inzake het huwelijk bedoeld in de artikelen 161 tot 164 tot gevolg.

  § 4. Herziening van de adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 351.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Uitsluitend wanneer er voldoende aanwijzingen zijn dat de adoptie is totstandgekomen ingevolge de ontvoering van, de verkoop van of de handel in kinderen, wordt de herziening van het vonnis waarbij deze adoptie is uitgesproken, ten aanzien van de adoptant of van de adoptanten gevorderd door het openbaar ministerie.
  De herziening kan eveneens worden gevorderd door een persoon die tot de derde graad deel uitmaakt van de biologische familie van het kind.
  Indien het bewijs van de feiten als bedoeld in het eerste lid is geleverd, verklaart de [1 familierechtbank]1 dat de adoptie geen gevolgen meer heeft vanaf de overschrijving van het beschikkend gedeelte van de beslissing houdende herziening in de registers van de burgerlijke stand.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 47, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  § 5. Tussenpersonen. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 352. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Niemand kan in het kader van een adoptie als tussenpersoon optreden zonder daartoe vooraf door de bevoegde gemeenschap te zijn erkend.

  Afdeling 3. - Bepalingen eigen aan iedere vorm van adoptie <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-59-2005>

  § 1. Gewone adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  A. Gevolgen. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 353-1.[1 De adoptie verleent aan de geadopteerde in plaats van zijn naam, die van zijn adoptant.
   In geval van gelijktijdige adoptie door twee echtgenoten of samenwonenden draagt de geadopteerde ofwel de naam van een van de adoptanten, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen.
   De partijen kunnen evenwel de rechtbank vragen dat de geadopteerde zijn naam behoudt, voorafgegaan of gevolgd door de naam van de adoptant, of in geval van gelijktijdige adoptie door twee echtgenoten of samenwonenden, door de naam van een van de adoptanten, die zij kiezen overeenkomstig het tweede lid. De samenstelling van de naam van de geadopteerde is beperkt tot één naam voor de geadopteerde en één naam voor de adoptant(en).
   Het vonnis maakt melding van de verklaring waarmee de adoptanten hun keuze te kennen geven.]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-08/10, art. 4, 068; Inwerkingtreding : 01-06-2014>

  Art. 353-2.[1 § 1. In geval van adoptie van het kind of adoptief kind [2 van een echtgenoot, van een samenwonende of van een voormalige partner]2, draagt de geadopteerde ofwel de naam [2 van de echtgenoot, van de samenwonende of van de voormalige partner]2, ofwel de naam van de adoptant, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen.
  [3 De partijen kunnen de rechtbank evenwel vragen dat de geadopteerde één van zijn namen behoudt, voorafgegaan of gevolgd door één naam van de adoptant of van de echtgenoot, van de samenwonende of van de voormalige partner. De samenstelling van de naam van de geadopteerde is beperkt tot één naam voor de geadopteerde en één naam voor de adoptant of voor de echtgenoot, voor de samenwonende of voor de voormalige partner.]3
   Indien de naam van de geadopteerde bij de vorige adoptie vervangen werd door die van de adoptant, kunnen de partijen de rechtbank vragen dat de geadopteerde zijn naam behoudt. De partijen kunnen de rechtbank ook verzoeken dat de nieuwe naam van de geadopteerde voortaan samengesteld wordt uit de naam die hij bij die vorige adoptie heeft gekregen, voorafgegaan of gevolgd door die van de nieuwe adoptant.
   Indien de naam van de geadopteerde bij de vorige adoptie overeenkomstig artikel 353-1, derde lid, samengesteld was uit de naam van de adoptant en de naam van de geadopteerde, kunnen de partijen de rechtbank vragen dat de geadopteerde zijn naam behoudt. De partijen kunnen de rechtbank ook verzoeken dat de nieuwe naam van de geadopteerde wordt samengesteld uit de naam van de geadopteerde en de naam van de adoptant, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen.
   Het vonnis maakt melding van de verklaring waarmee de adoptanten hun keuze te kennen geven.
   § 2. In geval van nieuwe adoptie zoals bedoeld in artikel 347-1, wordt de overdracht van de naam geregeld door artikel 353-1.]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-08/10, art. 5, 068; Inwerkingtreding : 01-06-2014>
  (2)<W 2017-02-20/17, art. 9, 074; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
  (3)<W 2017-07-06/24, art. 67, 075; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 353-3.<W 2006-05-18/44, art. 5, 027; Inwerkingtreding : 30-06-2006> Is de geadopteerde ouder dan achttien jaar, dan kunnen de partijen de rechtbank vragen dat de naam van de geadopteerde onveranderd blijft [1 ...]1 .
  ----------
  (1)<W 2014-05-08/10, art. 6, 068; Inwerkingtreding : 01-06-2014>

  Art. 353-4.
  <Opgeheven bij W 2014-05-08/10, art. 7, 068; Inwerkingtreding : 01-06-2014>

  Art. 353-4bis.[1 De door de adoptant of de adoptanten gekozen naam geldt ook voor de later door hen geadopteerde kinderen.
   Het eerste lid is evenwel niet van toepassing wanneer de adoptanten een naam aan een geadopteerd kind toekennen overeenkomstig de artikelen 353-1, derde lid, 353-2, § 1, tweede lid tot vierde lid, en 353-3.]1
  ----------
  (1)<W 2017-07-06/24, art. 68, 075; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 353-5.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Voor de verzoeken bedoeld in de artikelen [2 artikelen 353-1, derde lid, [3 353-2, § 1, tweede tot vierde lid]3, en 353-3]2 is de instemming vereist van de adoptant of van de adoptanten, van de geadopteerde ouder dan twaalf jaar en indien hij minder dan achttien jaar oud is, van de personen die krachtens de artikelen 348-3, 348-5, 348-6 of 348-7, moeten toestemmen in de adoptie.
  Bij gebreke van overeenstemming beslist de [1 familierechtbank]1 in het hoger belang van het kind en met eerbied voor de fundamentele rechten die het op grond van het internationaal recht toekomen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 48, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-08/10, art. 9, 068; Inwerkingtreding : 01-06-2014>
  (3)<W 2017-07-06/24, art. 69, 075; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 353-6.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De naamsverandering van de -geadopteerde als gevolg van de adoptie, geldt mede voor diens afstammelingen, zelfs geboren vóór de adoptie.
  De afstammelingen in de eerste graad ouder dan achttien jaar kunnen evenwel verklaren hun naam voor zichzelf en voor hun afstammelingen te behouden. Dit recht wordt uitgeoefend door hiertoe, binnen de vijftien dagen na de kennisgeving bedoeld in artikel 1231-4, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, een verzoekschrift te richten aan de [1 familierechtbank]1 die over de adoptie uitspraak moet doen. Akte van de wil de naam te behouden wordt verleend in het beschikkend gedeelte van het vonnis.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 49, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 353-7. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De adoptie heeft van rechtswege geen enkel adelrechtelijk gevolg.

  Art. 353-8.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De adoptant is ten aanzien van de geadopteerde bekleed met de rechten van het ouderlijk gezag, met inbegrip van het wettelijk genot, het recht om zijn ontvoogding te vorderen en toe te stemmen in zijn huwelijk.
  Wanneer de adoptant overlijdt [1 , vermoedelijk afwezig is, in de onmogelijkheid verkeert het ouderlijk gezag uit te oefenen gedurende de minderjarigheid van de geadopteerde of wilsonbekwaam is]1, wordt de voogdij geregeld overeenkomstig dit boek, titel X, hoofdstuk II.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 20, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 353-9.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Bij adoptie door echtgenoten of samenwonenden, of ingeval de geadopteerde het kind of het adoptief kind is van de echtgenoot van de adoptant [2 , van de persoon met wie de adoptant samenwoont of van de voormalige partner van de adoptant]2, wordt het ouderlijk gezag gezamenlijk door [2 beide echtgenoten, samenwonenden of voormalige partners]2 uitgeoefend. De bepalingen van dit boek, titel IX, zijn van overeenkomstige toepassing.
  Wanneer de beide adoptanten overlijden [1 afwezig zijn, in de onmogelijkheid verkeren het ouderlijk gezag uit te oefenen gedurende de minderjarigheid van de geadopteerde of wilsonbekwaam zijn]1, wordt de voogdij geregeld overeenkomstig dit boek, titel X, hoofdstuk II.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 21, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2017-02-20/17, art. 10, 074; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Art. 353-10.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Bij overlijden van de adoptant of van de adoptanten, kunnen de moeder en de vader van het geadopteerde kind gezamenlijk of alleen aan de [1 familierechtbank]1 vragen dat het kind opnieuw onder hun ouderlijk gezag wordt geplaatst. Wordt dit verzoek ingewilligd, dan neemt de voogdij waarin voorheen was voorzien een einde.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 50, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 353-11.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 22, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 353-12. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De band van verwantschap die uit de adoptie ontstaat, strekt zich uit tot de afstammelingen van de geadopteerde.

  Art. 353-13.[1 Het huwelijk is verboden :
   1° tussen de adoptant en de geadopteerde of zijn afstammelingen;
   2° tussen de geadopteerde en de vorige echtgenoot van de adoptant;
   3° tussen de adoptant en de vorige echtgenoot van de geadopteerde;
   4° tussen de adoptieve kinderen van een zelfde adoptant;
   5° tussen de geadopteerde en de kinderen van de adoptant.
   De Koning kan om gewichtige redenen ontheffing verlenen van de in het eerste lid, 2° tot 5°, vermelde verbodsbepalingen.]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/24, art. 3, 052; Inwerkingtreding : 01-07-2010>

  Art. 353-14.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De adoptant of de adoptanten zijn levensonderhoud verschuldigd aan de geadopteerde en aan diens afstammelingen indien zij behoeftig zijn. [1 Artikel 203, 203bis en 203quater zijn van overeenkomstige toepassing.]1
  De geadopteerde en zijn afstammelingen zijn levensonderhoud verschuldigd aan de adoptant of aan de adoptanten, indien zij behoeftig zijn : indien de geadopteerde zonder afstammelingen sterft, is zijn nalatenschap levensonderhoud verschuldigd aan de adoptant of aan de adoptanten ingeval deze personen ten tijde van het overlijden behoeftig zijn. Artikel [2 205bis, §§ 3 tot 6]2, is van toepassing op deze verplichting tot levensonderhoud.
  De verplichting tot uitkering van levensonderhoud blijft bestaan tussen de geadopteerde en zijn ouders. Deze laatsten zijn aan de' geadopteerde evenwel alleen levensonderhoud verplicht indien hij dit niet kan verkrijgen van de adoptant of adoptanten.
  Ingeval een persoon het kind of het adoptief kind van zijn echtgenoot [3 , van de persoon met wie hij samenwoont of van zijn voormalige partner]3, adopteert, zijn zowel de adoptant als zijn echtgenoot [3 , de persoon met wie hij samenwoont of zijn voormalige partner]3 hem overeenkomstig artikel 203 levensonderhoud verschuldigd. [1 Artikel 203bis en 203quater zijn van overeenkomstige toepassing.]1
  ----------
  (1)<W 2010-03-19/05, art. 9, 048; Inwerkingtreding : 01-08-2010; zie ook art. 17>
  (2)<W 2012-12-10/14, art. 6, 057; Inwerkingtreding : 21-01-2013>
  (3)<W 2017-02-20/17, art. 11, 074; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Art. 353-15. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De geadopteerde en zijn afstammelingen behouden al hun erfrecht in hun oorspronkelijke familie. Zij verkrijgen op de nalatenschap van de adoptant of adoptanten dezelfde rechten als een kind of zijn afstammelingen daarop zouden hebben maar verkrijgen geen enkel recht op de nalatenschap van de bloedverwanten van de adoptant of adoptanten.

  Art. 353-16. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> (Onder voorbehoud van de rechten van de overlevende echtgenoot op de gehele nalatenschap van een geadopteerde die zonder nakomelingen is overleden en de rechten die de langstlevende wettelijk samenwonende geniet, wordt de nalatenschap als volgt geregeld :) <W 2007-03-28/39, art. 2, 033; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  1° de artikelen 747 en 915 zijn niet van toepassing;
  2° bij gebreke van beschikkingen onder levenden of bij testament, keren de goederen die door de bloedverwanten in de opgaande lijn van de geadopteerde of door de adoptanten geschonken dan wel uit hun nalatenschap verkregen zijn en nog in natura aanwezig zijn in de nalatenschap van de geadopteerde, terug naar die bloedverwanten in de opgaande lijn of adoptanten of naar hun erfgenamen in de nederdalende lijn, onder verplichting om in de schulden bij te dragen en onder voorbehoud van de verkregen rechten van derden; wanneer de goederen verkocht zijn, wordt dit recht uitgeoefend op de prijs, indien deze nog niet is betaald of niet is vermengd met de massa;
  3° de overige goederen van de geadopteerde worden in twee gelijke helften verdeeld tussen de oorspronkelijke en de adoptieve familie.
  In de oorspronkelijke familie is deze nalatenschap onderworpen aan de regels van boek III, titel I. In de adoptieve familie komt zij uitsluitend toe aan de adoptant of bij helft aan ieder van de adoptanten of aan hun erfgenamen in de nederdalende lijn. Indien een van de adoptanten overleden is zonder erfgenamen in de nederdalende lijn, erven de andere adoptant of zijn erfgenamen in de nederdalende lijn de gehele nalatenschap. Indien in een van deze families niemand tot de helft van de nalatenschap geroepen is of de erfgenamen allen de nalatenschap verwerpen, vallen alle overige goederen van de geadopteerde aan de andere familie toe.

  Art. 353-17. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De artikelen 747 en 915 zijn ten aanzien van de oorspronkelijke familie van de geadopteerde niet van toepassing op de nalatenschap van zijn kinderen die na hem overleden zijn zonder nakomelingen. Het aandeel van de nalatenschap van de langstlevende van die kinderen, dat volgens artikel 746 wordt toegekend aan de bloedverwanten in de opgaande lijn van de geadopteerde, wordt verdeeld overeenkomstig artikel 353-16, eerste lid, 3°.

  Art. 353-18.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Wanneer overeenkomstig artikel 347-1, 3°, een gewone adoptie wordt uitgesproken na een vorige gewone adoptie, houden de gevolgen van de eerste adoptie, met uitzondering van de huwelijksbeletsels, van rechtswege op te gelden vanaf het tijdstip dat de gevolgen van de nieuwe adoptie van kracht worden. Wanneer overeenkomstig artikel 347-2, 3°, een nieuwe gewone adoptie wordt uitgesproken na een vorige gewone adoptie, geldt zulks ook ten aanzien van de vorige adoptant, zo deze niet de echtgenoot van de nieuwe adoptant is [1 , de persoon met wie deze laatste samenwoont of de voormalige partner]1.
  Wanneer overeenkomstig artikel 347-1, 1° of 3°, een gewone adoptie wordt uitgesproken na een vorige volle adoptie, blijven de gevolgen van de eerste adoptie slechts bestaan voor zover zij niet strijdig zijn met die van de nieuwe adoptie. Wanneer overeenkomstig artikel 347-2, 1° of 3°, een nieuwe gewone adoptie wordt uitgesproken na een vorige volle adoptie, geldt dit ook ten aanzien van de vorige adoptant, zo deze niet de echtgenoot van de nieuwe adoptant is of de persoon met wie deze laatste samenwoont.
  ----------
  (1)<W 2017-02-20/17, art. 12, 074; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  B. Herroeping. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 354-1.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De herroeping van de gewone adoptie kan om zeer gewichtige redenen worden uitgesproken op verzoek van de adoptant, van de adoptanten of van een van hen, van de geadopteerde of van de procureur des Konings.
  In geval van gewone adoptie door twee echtgenoten of samenwonenden kan de [1 familierechtbank]1 de herroeping uitspreken ten aanzien van slechts een van hen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 51, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 354-2.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Bij herroeping van de gewone adoptie van een kind ten aanzien van de adoptant of van de adopterende echtgenoten of samenwonenden, kunnen de vader en de moeder of een van hen vragen dat het kind opnieuw onder hun ouderlijk gezag wordt geplaatst. Bij gebreke van een dergelijk verzoek of indien het wordt afgewezen, wordt de voogdij geregeld overeenkomstig dit boek, titel X, hoofdstuk II. In dit geval stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand de bevoegde vrederechter onmiddellijk in kennis van de overschrijving van het vonnis waarbij de herroeping wordt uitgesproken.
  Niettemin kunnen de moeder en de vader van het kind of een van hen, de [1 familierechtbank]1 later verzoeken dat het kind opnieuw onder hun ouderlijk gezag wordt geplaatst. Indien de [1 familierechtbank]1 dit toestaat, houdt de voogdij bedoeld in het vorige lid op.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 52, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 354-3. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De herroeping uitgesproken bij beslissing overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand, maakt een einde aan de gevolgen van de adoptie vanaf deze overschrijving. De huwelijksbeletsels bedoeld in artikel 353-13 blijven van toepassing.

  § 2. Volle adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  A. Leeftijdsvoorwaarde. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 355. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Volle adoptie is slechts toegestaan ten aanzien van een persoon die bij de neerlegging van het verzoekschrift tot adoptie minder dan achttien jaar oud is.

  B. Gevolgen. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 356-1.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De volle adoptie verleent aan het kind en zijn afstammelingen een statuut met dezelfde rechten en verplichtingen, als ware het kind geboren uit de adoptant of uit de adoptanten.
  Ondervoorbehoud van de huwelijksbeletsels omschreven in de artikelen 161 tot 164, houdt het kind dat ten volle is geadopteerd, op tot zijn oorspronkelijke familie te behoren.
  Kinderen of adoptieve kinderen [1 van de echtgenoot van de adoptant, van de persoon met wie de adoptant samenwoont of van de voormalige partner van de adoptant]1, zelfs overleden, houden evenwel niet op te behoren tot de familie van [1 die echtgenoot, van de persoon met wie hij samenwoont of van de voormalige partner]1. Indien deze nog in leven is, wordt het ouderlijk gezag over de geadopteerde gezamenlijk uitgeoefend door de adoptant en [1 die echtgenoot, persoon met wie hij samenwoont of voormalige partner]1.
  ----------
  (1)<W 2017-02-20/17, art. 13, 074; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Art. 356-2.[1 Door de volle adoptie verkrijgt het kind in plaats van zijn naam, die van de adoptant.
   In geval van gelijktijdige volle adoptie door twee echtgenoten of samenwonenden, verklaren deze voor de rechtbank dat de geadopteerde ofwel de naam van een van de adoptanten zal dragen, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen.
   In geval van volle adoptie van het kind of van het adoptief kind [3 van een echtgenoot, van een samenwonende of van de voormalige partner]3, verklaren deze voor de rechtbank dat de geadopteerde ofwel de naam [3 van de echtgenoot, van de samenwonende of van de voormalige partner]3, ofwel de naam van de adoptant zal dragen, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen.
   Het vonnis maakt melding van de verklaring waarmee de adoptanten hun in het tweede en derde lid bedoelde keuze te kennen geven.
   [2 De door de adoptanten overeenkomstig het tweede en derde lid gekozen naam geldt ook voor de andere kinderen wier afstamming later ten aanzien van dezelfde ouders komt vast te staan.]2]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-08/10, art. 10, 068; Inwerkingtreding : 01-06-2014>
  (2)<W 2014-12-18/01, art. 3, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (3)<W 2017-02-20/17, art. 14, 074; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Art. 356-3.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Wanneer overeenkomstig artikel 347-1, 3°, een volle adoptie wordt uitgesproken, houden de gevolgen van de vorige adoptie van rechtswege op te gelden vanaf het tijdstip waarop deze van de nieuwe adoptie van kracht worden, met uitzondering van de huwelijksbeletsels.
  Wanneer overeenkomstig artikel 347-2, 3°, een nieuwe volle adoptie wordt uitgesproken, houden de gevolgen van de vorige adoptie van rechtswege op te gelden ten aanzien van de vorige adoptant die niet de echtgenoot is van de nieuwe adoptant [1 , de persoon met wie deze samenwoont of de voormalige partner]1, vanaf het tijdstip waarop de nieuwe adoptie van kracht wordt, met uitzondering van de huwelijksbeletsels.
  ----------
  (1)<W 2017-02-20/17, art. 15, 074; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Art. 356-4. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Volle adoptie is onherroepelijk.
  Herziening is mogelijk overeenkomstig artikel 351.

  HOOFDSTUK II. - Internationaal recht. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Afdeling 1. - Bijzondere bepalingen van internationaal privaatrecht. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 357. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Ongeacht het recht dat van toepassing is op de totstandkoming van de adoptie, moeten de voorwaarden voor adoptie gesteld in artikel 344-1 steeds vervuld zijn en moeten de adoptant of de adoptanten bekwaam en geschikt zijn om te adopteren.

  Art. 358. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Art. 348-1 is van toepassing, ongeacht het recht dat van toepassing is op de toestemming van de geadopteerde.
  Volle adoptie kan in België slechts plaatsvinden indien, ingeval zulks vereist is, het kind, zijn moeder, zijn vader of zijn wettelijke vertegenwoordiger hebben toegestemd in een adoptie die tot gevolg heeft dat de bestaande band van afstamming tussen het kind en zijn moeder en vader wordt verbroken.

  Art. 359-1. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, openbaar of particulier, die in het kader van een adoptie als tussenpersoon optreedt, dient te voldoen aan de voorwaarden die hem door het recht van de Staat onder wiens bevoegdheid hij valt worden opgelegd.

  Art. 359-2. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Wanneer de adoptie van een kind die in het buitenland heeft plaatsgevonden en in België is erkend, de bestaande band van afstamming niet verbreekt, kan zij in België in een volle adoptie worden omgezet indien de toestemmingen bedoeld in artikel 361-4, 1°, b) en c), zijn gegeven of worden gegeven met het oog op een adoptie met dergelijke gevolgen.

  Art. 359-3. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> (...) de bepalingen van deze afdeling die op adoptie van toepassing zijn, gelden voor de omzetting van een adoptie die niet voor gevolg heeft gehad de bestaande band van afstamming te verbreken in een volle adoptie. <W 2004-07-16/31, art. 131, 020; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 359-4. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Bij herroeping van een adoptie zijn de beschermingsmaatregelen bedoeld in artikel 363-4 van toepassing.

  Art. 359-5. (Opgeheven) <W 2004-07-16/31, art. 139, 020; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 359-6. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De nietigheid van een adoptie kan in België niet worden uitgesproken, zelfs niet indien het recht van de Staat waar zij is totstandgekomen dit toestaat.

  Afdeling 2. - Totstandkoming van een adoptie die de interlandelijke overbrenging van een kind onderstelt. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  § 1. Definities. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 360-1. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> In deze afdeling wordt verstaan onder :
  1° "het Verdrag" : het Verdrag inzake de internationale samenwerking en de bescherming van kinderen op het gebied van de interlandelijke adoptie, gedaan te 's Gravenhage op 29 mei 1993;
  2° "federale centrale autoriteit" : de autoriteit aangewezen door de Minister van Justitie om in België de opdrachten van een centrale autoriteit te verrichten zoals die in het Verdrag zijn omschreven en waarmee zij op grond van dit Wetboek wordt belast, alsook alle andere taken waarmee dit wetboek haar belast;
  3° "centrale autoriteit van de gemeenschap" : de autoriteit aangewezen door de bevoegde gemeenschap;
  4° "erkende adoptiedienst" : elke rechtspersoon die voldoet aan de voorwaarden gesteld om als tussenpersoon inzake adoptie te kunnen optreden en die door de bevoegde gemeenschap is erkend;
  5° "Staat van herkomst" : de Staat waar het kind op het tijdstip van de vaststelling van zijn adopteerbaarheid zijn gewone verblijfplaats heeft;
  6° "Staat van opvang" : de Staat naar welke het kind na zijn adoptie of met het oog op zijn adoptie in deze Staat werd, wordt of moet worden overgebracht;
  7° "bevoegde autoriteit van de Staat van herkomst" of "bevoegde autoriteit van de Staat van opvang" :
  a) indien het gaat om een door het Verdrag gebonden Staat, de centrale autoriteit van die Staat in de zin van het Verdrag;
  b) indien het gaat om een niet door het Verdrag gebonden Staat, iedere autoriteit die als dusdanig door het recht van die Staat werd erkend.

  Art. 360-2. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing wanneer het kind :
  1° vanuit de Staat van herkomst naar België werd, wordt of moet worden overgebracht, hetzij na zijn adoptie in deze Staat door een persoon of door personen met gewone verblijfplaats in België, hetzij met het oog op een dergelijke adoptie in België of in deze Staat, of
  2° in België zijn gewone verblijfplaats heeft en het naar een andere Staat werd, wordt of moet worden overgebracht, hetzij na zijn adoptie in België door een persoon of personen met gewone verblijfplaats in die andere Staat, hetzij met het oog op een dergelijke adoptie in België of in die andere Staat, of
  3° in België verblijft zonder gemachtigd te zijn er zich te vestigen of er langer dan drie maanden te verblijven, teneinde er te worden geadopteerd door een persoon of personen die er hun gewone verblijfplaats hebben.
  De adopties bedoeld in dit artikel worden "interlandelijke adopties" genoemd.

  § 2. Het kind heeft zijn gewone verblijfplaats in een andere Staat. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 361-1.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De persoon of de personen met gewone verblijfplaats in België die een kind wensen te adopteren dat zijn gewone verblijfplaats in een andere Staat heeft, moeten alvorens enige stappen met het oog op een adoptie te ondernemen, een vonnis verkrijgen waaruit blijkt dat zij bekwaam en geschikt zijn om een interlandelijke adoptie aan te gaan.
  Vooraleer hun geschiktheid wordt beoordeeld, moeten zij de voorbereiding hebben gevolgd die de bevoegde gemeenschap organiseert teneinde hen inzonderheid inlichtingen te verstrekken betreffende de verschillende stappen van de adoptieprocedure, de juridische gevolgen en de andere gevolgen van de adoptie alsook over de mogelijkheid en het nut van nazorg na de adoptie. [2 De voorbereiding is niet verplicht voor de adoptant of de adoptanten die deze voorbereiding reeds hebben gevolgd bij een eerdere adoptie en van wie de geschiktheid om te adopteren door de [3 familierechtbank]3 is erkend.]2
  Deze verplichting geldt voor alle adoptanten, zelfs voor diegenen die een kind wensen te adopteren dat met hen verwant is.
  [1 De voorbereiding moet niet worden hernieuwd in het kader van de procedure tot verlenging van de geschiktheid om te adopteren.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 62, 046; Inwerkingtreding : 16-01-2010>
  (2)<W 2012-06-20/15, art. 3, 056; Inwerkingtreding : 20-08-2012>
  (3)<W 2013-07-30/23, art. 53, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 361-2.[1 Wanneer het vonnis betreffende de geschiktheid van de adoptant of van de adoptanten, het vonnis tot verlenging van de geschiktheid om te adopteren en het verslag bedoeld in artikel 1231-32 of 1231-33/6 van het Gerechtelijk Wetboek door de griffier [2 van de rechtbank van eerste aanleg]2 in afschrift aan de federale centrale autoriteit is toegestuurd, bezorgt deze laatste ze onverwijld aan de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 63, 046; Inwerkingtreding : 16-01-2010>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 54, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 361-3. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De overbrenging van het kind naar België met het oog op een adoptie kan slechts plaatsvinden en de adoptie slechts uitgesproken worden wanneer aan volgende voorwaarden is voldaan :
  1° de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap heeft de stukken bedoeld in artikel 361-2 bezorgd aan de bevoegde autoriteit van de Staat van herkomst;
  2° de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap heeft van de bevoegde autoriteit van de Staat van herkomst ontvangen :
  a) een verslag dat gegevens bevat omtrent de identiteit van het kind, zijn adopteerbaarheid, zijn persoonlijke achtergrond, zijn gezinssituatie, zijn medisch verleden en dat van zijn familie, zijn sociaal milieu en de levensbeschouwelijke opvattingen ervan, alsmede zijn bijzondere behoeften; en
  b) de andere voor de adoptie vereiste stukken;
  3° de adoptant of de adoptanten hebben schriftelijk ermee ingestemd het kind met het oog op zijn adoptie ten laste te nemen;
  4° het bewijs werd geleverd dat de wet het kind toelaat of zal toelaten België binnen te komen en er permanent te verblijven;
  5° de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap en de bevoegde autoriteit van de Staat van herkomst van het kind hebben schriftelijk hun goedkeuring gehecht aan de beslissing om het aan de adoptant of aan de adoptanten toe te vertrouwen.

  Art. 361-4. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Behoudens indien de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap gelijkwaardige documenten aanvaardt of, ingeval het gaat om één of meerdere documenten bedoeld in 3° hieronder, indien deze autoriteit de overlegging ervan vrijstelt wanneer deze materieel onmogelijk blijkt, zijn de stukken bedoeld in artikel 361-3, eerste lid, 2°, b), de volgende :
  1° een voor eensluidend verklaard afschrift :
  a) van de akte van geboorte van het kind;
  b) van de akte houdende toestemming van het kind in de adoptie, wanneer zij vereist is;
  c) van de akten van toestemming van de andere personen, instellingen en autoriteiten van wie de toestemming tot de adoptie is vereist;
  2° een nationaliteitsbewijs en een attest waaruit de gewone verblijfplaats van het kind blijkt;
  3° een attest waarbij de bevoegde autoriteit van de Staat van herkomst :
  a) verklaart dat het kind adopteerbaar is;
  b) na de mogelijkheden tot plaatsing van het kind in de Staat van herkomst behoorlijk te hebben onderzocht, vaststelt dat de interlandelijke adoptie aan het hoger belang van het kind en de eerbied voor de fundamentele rechten die het op grond van het internationaal recht toekomen, beantwoordt;
  c) vaststelt en motiveert waarom de beslissing om het kind toe te vertrouwen aan de adoptant of de adoptanten, eveneens aan dit belang en deze eerbied beantwoordt;
  d) bevestigt dat de personen, instellingen en autoriteiten van wie de toestemming voor de adoptie is vereist, de nodige raadgevingen hebben ontvangen en dat zij behoorlijk zijn ingelicht over de gevolgen van die toestemming, inzonderheid met betrekking tot het handhaven of het verbreken van de bestaande rechtsbanden tussen het kind en zijn oorspronkelijke familie ingevolge een adoptie;
  e) bevestigt dat zij vrij hun toestemming hebben gegeven met inachtneming van de vereiste wettelijke vormen, dat zij niet tegen betaling of in ruil voor enige andere tegenprestatie werd verkregen, en niet werd ingetrokken;
  f) bevestigt dat de toestemmingen van de moeder en de vader, indien deze vereist zijn, gegeven werden na de geboorte van het kind;
  g) bevestigt dat het kind, rekening houdend met zijn leeftijd en maturiteit, de nodige raadgevingen heeft ontvangen en dat het behoorlijk is ingelicht over de gevolgen van de adoptie en van zijn toestemming in de adoptie indien deze vereist is, en dat zijn wensen en mening in aanmerking zijn genomen;
  h) bevestigt dat de toestemming van het kind in de adoptie, indien deze vereist is, vrij werd gegeven, met inachtneming van de vereiste wettelijke vormen, dat deze niet tegen betaling of in ruil voor enige tegenprestatie werd verkregen, en niet werd ingetrokken.

  Art. 361-5. <ingevoegd bij W 2005-12-06/30, art. 2; Inwerkingtreding : 26-12-2005>In afwijking van de artikelen 361-3 en 361-4 kan, ingeval het recht dat van toepassing is in de Staat van herkomst van het kind noch de adoptie noch de plaatsing met het oog op adoptie kent, de overbrenging van het kind naar België met het oog op adoptie slechts plaatsvinden en de adoptie slechts worden uitgesproken wanneer aan volgende voorwaarden is voldaan :
  1° de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap heeft van de bevoegde autoriteit van de Staat van herkomst van het kind een verslag ontvangen dat gegevens bevat over de identiteit van het kind, zijn persoonlijke achtergrond, zijn gezinssituatie, zijn medisch verleden en dat van zijn familie, zijn sociaal milieu en de levensbeschouwelijke opvattingen ervan, alsmede zijn bijzondere behoeften;
  2° de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap heeft van de adoptant of de adoptanten de volgende stukken ontvangen :
  a) een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte van geboorte van het kind;
  b) een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte houdende toestemming in zijn overbrenging naar het buitenland van het kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en waarin wordt bevestigd dat deze toestemming vrij werd gegeven met inachtneming van de vereiste wettelijke vormen, dat zij niet tegen betaling of in ruil voor enige andere tegenprestatie werd verkregen, en niet werd ingetrokken;
  c) hetzij een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte van overlijden van de ouders, hetzij een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing van verlatenverklaring van het kind en een bewijs van het plaatsen onder de voogdij van de openbare overheid;
  d) een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing van de bevoegde autoriteit van de Staat van herkomst houdende totstandkoming van een vorm van voogdij over het kind door de adoptant of de adoptanten, alsmede een voor echt verklaarde vertaling van deze beslissing door een beëdigd vertaler;
  e) een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing van de bevoegde autoriteit van de Staat van herkomst tot machtiging van de overbrenging van het kind naar het buitenland om zich aldaar permanent te vestigen, alsmede een voor echt verklaarde vertaling van deze beslissing door een beëdigd vertaler;
  f) een bewijs dat de wet het kind toelaat of zal toelaten België binnen te komen en er permanent te verblijven;
  g) een bewijs van de nationaliteit van het kind en van zijn gewone verblijfplaats.
  3° de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap is in het bezit gesteld van het vonnis betreffende de geschiktheid van de adoptant of de adoptanten en van het verslag van het openbaar ministerie, overeenkomstig artikel 1231-33 van het Gerechtelijk Wetboek;
  4° de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap en de bevoegde autoriteit van de Staat van herkomst van het kind hebben schriftelijk hun goedkeuring gehecht aan de beslissing om het aan de adoptant of aan de adoptanten toe te vertrouwen.

  Art. 361-6. <ingevoegd bij W 2005-12-06/30, art. 3; Inwerkingtreding : 26-12-2005> De centrale autoriteiten van de gemeenschappen delen onverwijld aan de federale centrale autoriteit de buitenlandse beslissingen mee bedoeld in de artikelen 361-3 en 361-5 op grond waarvan de overbrenging van het kind van de Staat van herkomst naar België toegelaten werd met het oog op adoptie.

  § 3. Het kind heeft zijn gewone verblijfplaats in België. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 362-1. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Wanneer de bevoegde autoriteit van een andere Staat aan de federale centrale autoriteit een verslag heeft toegestuurd over een persoon of personen die een kind wensen te adopteren dat zijn gewone verblijfplaats in België heeft, bezorgt zij het binnen veertien dagen aan de centrale autoriteit van de gemeenschap.

  Art. 362-2.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Een kind dat zijn gewone verblijfplaats in België heeft, kan slechts worden geadopteerd door een persoon of personen die hun gewone verblijfplaats in een andere Staat hebben indien de [1 familierechtbank]1 bij wie de procedure aanhangig is gemaakt volgens artikel 1231-34 van het Gerechtelijk Wetboek :
  1° op grond van een door haar bevolen maatschappelijk onderzoek en rekening houdend met de culturele en psychosociale elementen eigen aan het kind, heeft vastgesteld dat het kind interlandelijk adopteerbaar is;
  2° heeft vastgesteld dat, gelet op de mogelijkheden tot plaatsing van het kind in België, de interlandelijke adoptie aan het hoger belang van het kind en aan de eerbied voor de fundamentele rechten die het op grond van het internationaal recht toekomen, beantwoordt;
  3° zich ervan heeft vergewist dat de personen, instellingen en autoriteiten van wie de toestemming voor de adoptie is vereist, de nodige raadgevingen hebben ontvangen en dat zij behoorlijk zijn ingelicht over de gevolgen van die toestemming, inzonderheid met betrekking tot het handhaven of het verbreken van de bestaande rechtsbanden tussen het kind en zijn oorspronkelijke familie ingevolge een adoptie;
  4° zich ervan heeft vergewist dat de toestemming van de personen, instellingen en autoriteiten van wie de toestemming voor de adoptie is vereist, vrij en met inachtneming van de vereiste wettelijke vormen werd gegeven, dat zij niet is verkregen tegen betaling of in ruil voor enige tegenprestatie en niet is ingetrokken;
  5° zich ervan heeft vergewist dat de toestemmingen van de moeder en de vader, indien deze vereist zijn, gegeven werden na de geboorte van het kind;
  6° zich ervan heeft vergewist dat het kind rekening houdend met zijn leeftijd en maturiteit, de nodige raadgevingen heeft ontvangen en behoorlijk werd ingelicht over de gevolgen van de adoptie en van zijn toestemming in de adoptie, indien deze vereist is, en dat zijn wensen en mening in aanmerking zijn genomen;
  7° zich ervan heeft vergewist dat de toestemming van het kind in de adoptie, indien deze vereist is, vrij en met inachtneming van de vereiste wettelijke vormen werd gegeven, dat deze niet tegen betaling of in ruil voor enige tegenprestatie is verkregen en niet werd ingetrokken.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 55, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 362-3. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Bovendien kan de adoptie slechts plaatsvinden indien de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschappen :
  1° van de bevoegde autoriteit van de Staat van opvang het verslag bedoeld in artikel 362-1 heeft ontvangen dat gegevens bevat omtrent de identiteit van de adoptant of de adoptanten, hun wettelijke bekwaamheid en hun geschiktheid om te adopteren, hun persoonlijke achtergrond, hun gezinssituatie en hun gezondheidstoestand, hun sociaal milieu, hun beweegredenen, hun geschiktheid om een interlandelijke adoptie aan te gaan en omtrent de kinderen waarvoor zij de zorg op zich zouden kunnen nemen;
  2° van de federale centrale autoriteit het verslag heeft ontvangen bedoeld in artikel 1231-38 van het Gerechtelijk Wetboek;
  3° op grond van inzonderheid de verslagen bedoeld in 1° en 2°, en rekening houdend met de omstandigheden van de opvoeding van het kind en met zijn etnische, godsdienstige, levensbeschouwelijke en culturele achtergrond, heeft vastgesteld dat de beslissing om het kind toe te vertrouwen aan de adoptant of de adoptanten aan het hoger belang van het kind en aan de eerbied voor de fundamentele rechten die het op grond van het internationaal recht toekomen, beantwoordt;
  4° het in 2° bedoelde verslag heeft overgezonden aan de bevoegde autoriteit van de Staat van opvang, samen met het bewijs dat de vereiste toestemmingen zijn gegeven en met de redenen voor haar conclusie inzake de plaatsing.

  Art. 362-4. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De beslissing om een kind dat in België zijn gewone verblijfplaats heeft, toe te vertrouwen aan een adoptant of aan adoptanten die hun gewone verblijfplaats in een andere Staat hebben, kan slechts worden genomen en het kind kan met het oog op zijn adoptie in deze Staat, België slechts verlaten, indien de bepalingen van de artikelen 362-2 en 362-3 zijn nageleefd en wanneer daarenboven :
  1° de bevoegde autoriteit van de Staat van opvang schriftelijk heeft bevestigd dat de adoptant of de adoptanten bekwaam en geschikt zijn om te adopteren;
  2° de bevoegde autoriteit van de Staat van opvang schriftelijk heeft bevestigd dat het kind gemachtigd is het grondgebied van de Staat van opvang binnen te komen en aldaar permanent te verblijven;
  3° de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap zich ervan heeft vergewist dat de adoptant of de adoptanten ermee hebben ingestemd dat kind te adopteren;
  4° de bevoegde autoriteit van de Staat van opvang dit voornemen om te adopteren schriftelijk heeft goedgekeurd;
  5° de autoriteiten bedoeld in de punten 3° en 4° schriftelijk hebben aanvaard dat de adoptieprocedure wordt voortgezet.

  § 4. Beschermingsmaatregelen. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 363-1.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De adoptant of de adoptanten en de bloedverwanten van het kind of enig ander persoon die het onder zijn bewaring heeft of van wie de toestemming in de adoptie vereist is, mogen met elkaar niet in contact treden zolang de bepalingen van de artikelen 361-1 en 361-3, 1° tot 5°, of van de artikelen 362-2 tot 362-4 niet in acht zijn genomen, behalve indien de adoptie plaatsvindt tussen leden van een zelfde familie of indien is voldaan aan de voorwaarden gesteld door de bevoegde autoriteit van de Staat van herkomst van het kind [1 , en dat in dat laatste geval contact werd toegestaan door de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschappen in België]1.
  (In het geval bedoeld in artikel 361-5 mogen de adoptant of de adoptanten en de ouders van het kind of enig ander persoon die het onder zijn bewaring heeft of van wie de toestemming in de adoptie vereist is, met elkaar niet in contact treden zolang de bepalingen van de artikelen 361-1 en 361-5, 4°, niet in acht zijn genomen, behalve indien de adoptie plaatsvindt tussen leden van eenzelfde familie.) <W 2005-12-06/30, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 26-12-2005>
  ----------
  (1)<W 2017-07-06/24, art. 11, 075; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 363-2. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Elke autoriteit bevoegd inzake adoptie die vaststelt dat een van de bepalingen van het Verdrag of van de wet niet is nageleefd of kennelijk dreigt niet te worden nageleefd, stelt elke verdere beslissing of handeling uit en geeft daarvan onverwijld kennis aan de betrokkenen, aan de federale centrale autoriteit en aan de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap opdat zij ervoor zouden zorgen dat alle nuttige maatregelen worden genomen.

  Art. 363-3.<W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Wanneer de adoptant of een van de adoptanten bewust een bepaling van het Verdrag of van de wet heeft overtreden of tijdens de adoptieprocedure bedrog heeft gepleegd, weigert de [1 familierechtbank]1 de adoptie uit te spreken. Van deze regel kan slechts worden afgeweken indien behoorlijk vastgestelde redenen met betrekking tot de eerbied voor de rechten van het kind zulks vereisen.
  De griffier bezorgt de beslissing tot weigering aan de federale centrale autoriteit, welke de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap en, in voorkomend geval, de bevoegde autoriteiten van de Staat van herkomst hiervan in kennis stelt.
  De Belgische rechter weigert in eik geval de adoptie uit te spreken :
  1° wanneer wordt vastgesteld dat aan het verzoek tot adoptie een ontvoering van, een verkoop van of een handel in kinderen is voorafgegaan; of
  2° wanneer hij vaststelt dat de adoptie erop is gericht de wetsbepalingen inzake de nationaliteit of die betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen te omzeilen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 56, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 363-4. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Wanneer de adoptie moet plaatsvinden na de overbrenging van het vreemde kind naar België en blijkt dat het verdere verblijf van het kind in het opvanggezin niet langer aan zijn hoger belang en aan de eerbied voor de fundamentele rechten die het op grond van het internationaal recht toekomen, beantwoordt, nemen de bevoegde autoriteiten, in nauw overleg, de nodige maatregelen om het kind te beschermen, inzonderheid om :
  1° het kind weg te halen bij de personen die het wensten te adopteren en om er voorlopig zorg voor te dragen;
  2° in overleg met de bevoegde autoriteit van de Staat van herkomst van het kind, onverwijld te zorgen voor een nieuwe plaatsing van het kind met het oog op zijn adoptie of bij gebreke daarvan, voor een duurzame alternatieve opvang; in dat geval kan het kind slechts worden geadopteerd indien de bevoegde autoriteit van de Staat van herkomst op behoorlijke wijze is voorgelicht omtrent de nieuwe adoptieouders en indien de toestemmingen met het oog op die nieuwe adoptie zijn gegeven;
  3° in laatste instantie te zorgen voor de terugkeer van het kind naar de Staat van herkomst indien zijn hoger belang en de eerbied voor de fundamentele rechten die het op grond van het internationaal recht toekomen, zulks vereisen.
  Het kind wordt geraadpleegd overeenkomstig artikel 1231-11 van het Gerechtelijk Wetboek.
  Het eerste en tweede lid zijn eveneens van toepassing in geval van erkenning van een buitenlandse beslissing van herroeping of herziening van een adoptie.

  Art. 363-5. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De maatregelen bedoeld in het vorige artikel worden meer bepaald in de volgende gevallen getroffen :
  1° de adoptant of de adoptanten hebben zonder geldige reden verzuimd een verzoekschrift tot adoptie of tot erkenning van de adoptie in te dienen binnen zes maanden te rekenen van de aankomst van het kind in België of hebben duidelijk afgezien van hun voornemen om te adopteren;
  2° de bevoegde Belgische rechtbank heeft geweigerd de adoptie uit te spreken of te erkennen, en die beslissing is definitief geworden.

  Art. 363-6. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> In geval van repatriëring op grond van de artikelen 363-4 en 363-5 komen de kosten voor verblijf, verzorging, alsmede de reiskosten van het kind hoofdelijk ten laste van de adoptant of de adoptanten en, in voorkomend geval, van de erkende adoptiedienst die op hun verzoek is opgetreden en waarvan de aansprakelijkheid is vastgesteld, of van enig ander persoon die op onwettige wijze bij de adoptie als tussenpersoon is opgetreden.

  Afdeling 3. - Uitwerking van buitenlandse beslissingen inzake adoptie in België <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  § 1. Erkenning van adopties beheerst door het Verdrag. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 364-1. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Iedere adoptie die is tot stand gekomen in een andere Staat die door het Verdrag is gebonden, wordt in België van rechtswege erkend indien zij door de bevoegde autoriteit van die Staat in overeenstemming met het Verdrag is verklaard door het getuigschrift bedoeld in artikel 364-2. De erkenning kan slechts worden geweigerd wanneer de adoptie, rekening houdend met het hoger belang van het kind en met de fundamentele rechten die het op grond van het internationaal recht toekomen, kennelijk strijdig is met de openbare orde.
  Iedere door het Verdrag beheerste adoptie die heeft plaatsgevonden in een andere Staat welke door dit Verdrag is gebonden en die niet voldoet aan de hoger omschreven voorwaarden, wordt in België niet erkend.

  Art. 364-2. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Eenieder die zich in België wenst te beroepen op een adoptie die in het buitenland is totstandgekomen, legt de beslissing of de akte houdende adoptie voor samen met het getuigschrift waaruit blijkt dat zij in overeenstemming is met het Verdrag :
  1° indien de geadopteerde zijn gewone verblijfplaats heeft in een Staat waarmee België geen overeenkomst betreffende de opheffing van grenscontroles op personen heeft gesloten : aan de bevoegde Belgische diplomatieke of consulaire overheid of aan die van de Staat welke de belangen van België behartigt, en wel vooraleer het kind naar België wordt overgebracht; deze overheid onderzoekt de authenticiteit van de stukken en bezorgt hiervan een kopie aan de federale centrale autoriteit die nagaat of de adoptie niet kennelijk strijdig is met de openbare orde;
  2° in de andere gevallen : aan de federale centrale autoriteit; deze onderzoekt de authenticiteit van de stukken en gaat na of de adoptie niet kennelijk strijdig is met de openbare orde.
  Wanneer de voorwaarden in het geval omschreven in 1° zijn vervuld, stelt de bevoegde Belgische diplomatieke of consulaire overheid of die van de Staat welke de belangen van België behartigt, een paspoort op naam van het kind op indien het Belg is, of verleent aan het kind de machtiging om in België te verblijven. Zij stelt de federale centrale autoriteit daarvan in kennis.

  Art. 364-3. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De bepalingen van deze paragraaf zijn eveneens van toepassing op de erkenning van de door het Verdrag beheerste vreemde beslissingen van omzetting van adoptie.

  § 2. Erkenning van adopties die niet door het Verdrag zijn beheerst. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 365-1. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Rechterlijke beslissingen en openbare akten houdende totstandkoming van een adoptie in een andere Staat, worden in België erkend indien :
  1° de adoptie is tot stand gekomen door de autoriteit welke door het recht van die Staat als bevoegd wordt beschouwd, conform de geldende vormvereisten en procedures in die Staat;
  2° de beslissing houdende adoptie in die Staat als in kracht van gewijsde gegaan kan worden beschouwd;
  3° de artikelen 361-1 tot 361-4 in acht zijn genomen wanneer het kind van zijn Staat van herkomst naar België werd, wordt of moet worden overgebracht, na adoptie in die Staat door een persoon of personen die op dat tijdstip hun gewone verblijfplaats in België hadden. (De inachtneming van de in de artikelen 361-3 en 361-4 bedoelde voorwaarden wordt door de bevoegde gemeenschap bevestigd.) <W 2008-06-08/31, art. 73, 043; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 365-2. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Evenwel wordt de erkenning geweigerd wanneer de adoptanten bewust bedrog hebben gepleegd tijdens de procedure of indien de adoptie is totstandgekomen met het oog op het ontduiken van de wet. Van deze regel kan slechts worden afgeweken indien behoorlijk vastgestelde redenen met betrekking tot de eerbied voor de rechten van het kind dit vereisen.
  De erkenning wordt in elk geval geweigerd :
  1° indien de adoptie, rekening houdend met het hoger belang van het kind en met de fundamentele rechten die het op grond van het internationaal recht toekomen, kennelijk strijdig is met de openbare orde; of
  2° indien een kind dat in België zijn gewone verblijfplaats heeft, met het oog op zijn adoptie naar het buitenland is overgebracht met miskenning van de artikelen 362-2 tot 362-4; of
  3° indien de adoptie erop was gericht de wetsbepalingen inzake de nationaliteit of die betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen te omzeilen.

  Art. 365-3. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Eenieder die in België een buitenlandse adoptie die niet door het Verdrag is beheerst wenst te laten erkennen, zendt het verzoek tot erkenning :
  1° voor de overbrenging van het kind naar België indien de geadopteerde zijn gewone verblijfplaats heeft in een Staat waarmee België geen overeenkomst betreffende de opheffing van de grenscontroles op personen heeft gesloten :
  a) hetzij aan de bevoegde Belgische diplomatieke of consulaire overheid of aan die van de Staat welke de belangen van België behartigt, die het aan de federale centrale autoriteit bezorgt;
  b) hetzij rechtstreeks aan de federale centrale autoriteit;
  2° in de andere gevallen : aan de federale centrale autoriteit. De federale centrale autoriteit gaat na of is voldaan aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 365-1 en 365-2.
  Wanneer de voorwaarden in het geval omschreven in 1° zijn vervuld, stelt de bevoegde Belgische diplomatieke of consulaire overheid of die van de Staat welke de belangen van België behartigt, een paspoort op naam van het kind op indien het Belg is, of verleent aan het kind de machtiging om in België te verblijven.

  Art. 365-4. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Het verzoek bedoeld in het vorige artikel wordt in tweevoud opgesteld en bevat :
  1° een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing of van de akte houdende adoptie;
  2° een door een beëdigd vertaler voor echt verklaarde vertaling van de beslissing of van de akte houdende adoptie;
  3° een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte van geboorte van de geadopteerde;
  4° een authentiek stuk waarin de identiteit, de datum en plaats van geboorte, de nationaliteit en de gewone verblijfplaats van de adoptanten of van de adoptant zijn vermeld;
  5° een authentiek stuk waarin de nationaliteit en de gewone verblijfplaats van de geadopteerde zijn vermeld;
  6° een stuk waarin de identiteit is vermeld van de moeder en van de vader van het kind, ingeval deze gekend is en mag worden meegedeeld, of bij gebreke daarvan de identiteit en de hoedanigheid van de persoon die het kind tijdens de buitenlandse adoptieprocedure heeft vertegenwoordigd alsook, in voorkomend geval, het bewijs dat zij evenals het kind in de adoptie hebben toegestemd, tenzij zulks formeel blijkt uit de buitenlandse beslissing of akte;
  7° indien het kind zijn gewone verblijfplaats had in het buitenland en de adoptie daarna is totstandgekomen in een andere Staat dan die waar het gewoonlijk verbleef, een stuk uitgereikt door een autoriteit van de Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had, waaruit blijkt dat machtiging is verleend om het kind over te brengen met het oog op zijn adoptie, tenzij dit formeel blijkt uit de buitenlandse beslissing of akte;
  8° een afschrift van het vonnis betreffende de geschiktheid van de adoptanten, van het verslag opgesteld overeenkomstig artikel 1231-32 van het Gerechtelijk Wetboek en van de schriftelijke toestemming bedoeld in artikel 361-3, 5°, wanneer het kind van zijn Staat van herkomst naar België werd, wordt of moet worden overgebracht, na adoptie in die Staat door een persoon of personen die op dat tijdstip hun gewone verblijfplaats in België hadden;
  9° alle stukken waaruit blijkt dat de personen of openbare en particuliere instellingen die desgevallend in het kader van de adoptieprocedure als tussenpersoon zijn opgetreden, voldeden aan de voorwaarden die terzake worden gesteld door de wet van de andere Staat onder wiens bevoegdheid zij vallen.
  (10° een attest van goed gedrag en zeden, model 2.) <W 2005-12-06/30, art. 5, 024; Inwerkingtreding : 26-12-2005>
  Indien voornoemde stukken niet worden overgelegd, kan de federale centrale autoriteit een termijn bepalen waarbinnen dit moet geschieden. Met uitzondering van de stukken bedoeld in 1° en 2°, kan zij ook documenten aanvaarden welke met die stukken zijn gelijkgesteld. Indien zij van oordeel is voldoende te zijn ingelicht, kan zij vrijstelling verlenen van de overlegging van één of meer stukken bedoeld in (het eerste lid, 4°, 5°, 7° tot 10°), wanneer de overlegging ervan materieel onmogelijk blijkt. <W 2005-12-06/30, art. 5, 024; Inwerkingtreding : 26-12-2005>
  Wanneer het verzoek tot erkenning betrekking heeft op een adoptie die geen interlandelijke adoptie is in de zin van artikel 360-2, kan de federale centrale autoriteit, wanneer zij zich voldoende ingelicht acht, vrijstelling verlenen van de overlegging van een of meer stukken bedoeld (in het eerste lid, 3° tot 10°). <W 2005-12-06/30, art. 5, 024; Inwerkingtreding : 26-12-2005>

  Art. 365-5. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De bepalingen van hoofdstuk II, afdeling 3, § 2, zijn van toepassing op de erkenning van niet door het Verdrag beheerste vreemde beslissingen tot omzetting van adoptie.

  § 2/1. [1 Afwijkende bepaling inzake erkenning van de adopties in het hoger belang van het kind.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-04-11/13, art. 2, 055; Inwerkingtreding : 17-05-2012. Overgangsbepalingen: art. 3>

  Art. 365-6.[1 § 1. Wanneer de adoptie van een kind dat zijn gewone verblijfplaats in een andere Staat heeft, tot stand is gekomen vooraleer de adoptant of de adoptanten met gewone verblijfplaats in België de door de bevoegde gemeenschap georganiseerde voorbereiding gevolgd hebben en een vonnis hebben verkregen waaruit blijkt dat zij bekwaam en geschikt zijn om een interlandelijke adoptie aan te gaan overeenkomstig artikel 361-1, onderzoekt de federale centrale autoriteit het dossier.
   § 2. Bij wijze van afwijking en in zeer uitzonderlijke gevallen geeft de federale centrale autoriteit de adoptant of de adoptanten de toestemming om de in artikel 361-1 bedoelde procedure op te starten indien de volgende [2 vier]2 voorwaarden cumulatief vervuld zijn :
   1° de adoptie is niet tot stand gekomen met het oog op het ontduiken van de wet;
   2° het kind is tot in de vierde graad verwant met de adoptant, met zijn echtgenoot of met de persoon met wie hij samenwoont, zelfs overleden, of het kind heeft het dagelijkse leven op duurzame wijze gedeeld met de adoptant of de adoptanten met een relatie zoals geldt voor ouders alvorens de adoptant of de adoptanten enige stappen met het oog op de adoptie hebben ondernomen;
   3° behalve indien het gaat om een kind van de echtgenoot of de persoon met wie de adoptant samenwoont, heeft het kind geen andere duurzame oplossing van familiale opvang dan de interlandelijke adoptie, rekening houdend met zijn hoger belang en de rechten die hem zijn toegekend op grond van het internationale recht;
   4° de in de artikelen 364-1 tot 365-5 bedoelde erkenningsvoorwaarden kunnen in acht worden genomen;
   5° [2 ...]2
  [2 Ingeval de federale centrale autoriteit heeft kunnen controleren dat de in 1°, 2° en 4° bedoelde voorwaarden zijn vervuld, vraagt zij aan de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap, met het oogmerk te controleren of de in 3° bedoelde voorwaarde ook is vervuld, een met redenen omkleed advies met betrekking tot de opportuniteit om de regularisatie mogelijk te maken, gelet op het hoger belang van het kind en op de rechten die hem zijn toegekend op grond van het internationaal recht. Het advies van de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap heeft inzonderheid betrekking op de inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, op de adopteerbaarheid van het kind en op het bestaan voor het kind van een andere duurzame oplossing van familiale opvang dan interlandelijke adoptie.]2
   § 3. De artikelen 367-1 en 367-3, § 1 en § 3, eerste lid, zijn van toepassing.
   § 4. De centrale autoriteiten wisselen de verzamelde gegevens onderling uit.
   § 5. Wanneer de federale centrale autoriteit het afschrift van het vonnis ontvangt waaruit blijkt dat de adoptant(en) bekwaam en geschikt zijn om een interlandelijke adoptie aan te gaan, spreekt ze zich uit over het verzoek tot erkenning van de vreemde beslissing houdende adoptie overeenkomstig de artikelen 364-1 tot 365-4.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-04-11/13, art. 2, 055; Inwerkingtreding : 17-05-2012. Overgangsbepalingen: art. 3>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 155, 062; Inwerkingtreding : 15-05-2014>

  § 3. Erkenning van buitenlandse beslissingen van herroeping, herziening en nietigverklaring van een adoptie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 366-1. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Een vreemde beslissing van herroeping of herziening van adoptie wordt erkend in België wanneer :
  1° de beslissing is genomen door de autoriteit welke door het recht van die Staat als bevoegd wordt beschouwd, conform de geldende vormvereisten en procedures in die Staat;
  2° de beslissing in die Staat als in kracht van gewijsde gegaan kan worden beschouwd;
  De erkenning wordt evenwel geweigerd wanneer de verzoekers bewust bedrog hebben gepleegd tijdens de procedure of wanneer de beslissing het gevolg is van wetsontduiking. Van deze regel kan slechts worden afgeweken indien behoorlijk vastgestelde redenen met betrekking tot de eerbied van de rechten van het kind dit vereisen.
  De erkenning wordt in ieder geval geweigerd wanneer de beslissing kennelijk strijdig is met de openbare orde.

  Art. 366-2. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Eenieder die in België een vreemde beslissing van herroeping of herziening van een adoptie wenst te laten erkennen, richt zijn verzoek hiertoe tot de federale centrale autoriteit. Deze gaat na of is voldaan aan de door artikel 366-1 opgelegde voorwaarden.
  Het verzoek bedoeld in het vorige lid wordt in tweevoud opgesteld en bevat :
  1° een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing;
  2° een door een beëdigd vertaler voor echt verklaarde vertaling van de beslissing;
  3° een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte van geboorte van de geadopteerde;
  4° een authentiek stuk waarin de identiteit, de datum en plaats van geboorte, de nationaliteit en de gewone verblijfplaats van de adoptanten of van de adoptant zijn vermeld;
  5° een authentiek stuk waarin de nationaliteit en de gewone verblijfplaats van de geadopteerde zijn vermeld;
  6° een stuk waarin de identiteit is vermeld van de moeder en van de vader van het kind, ingeval deze gekend is en mag worden meegedeeld, of bij gebreke daarvan de identiteit en de hoedanigheid van de persoon die het kind tijdens de buitenlandse adoptieprocedure heeft vertegenwoordigd.
  Indien voornoemde stukken niet worden overgelegd, kan de federale centrale autoriteit een termijn bepalen waarbinnen dit moet geschieden. Zij kan ook documenten aanvaarden welke met die stukken zijn gelijkgesteld, behalve wat de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde stukken betreft. Indien zij van oordeel is voldoende te zijn ingelicht, kan zij vrijstelling verlenen van de overlegging van één of meerdere stukken bedoeld in het eerste lid, 4° tot 6°.

  Art. 366-3. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Onverminderd artikel 351 kan een vreemde beslissing tot nietigverklaring van een adoptie in België geen gevolgen hebben.

  § 4. Registratie. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 367-1. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Iedere beslissing van de federale centrale autoriteit inzake een verzoek houdende erkenning in België van een in deze afdeling bedoelde vreemde beslissing dient te worden gemotiveerd en overhandigd aan de verzoekers of wordt hen betekend bij ter post aangetekend schrijven. Wanneer de federale centrale autoriteit een vreemde beslissing houdende adoptie erkent, bepaalt zij in haar beslissing uitdrukkelijk of deze met een gewone dan wel met een volle adoptie overeenstemt.

  Art. 367-2. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Wanneer is voldaan aan de voorwaarden voor de erkenning in België van een in een andere Staat gewezen beslissing houdende totstandkoming, omzetting, herroeping of herziening van een adoptie, wordt die beslissing door de federale centrale autoriteit geregistreerd. Deze stelt de centrale autoriteiten van de gemeenschappen hiervan in kennis.
  De Koning bepaalt de nadere regels voor deze registratie en voor de afgifte van het bewijs ervan. Dit geschiedt zonder heffing van enige rechten of taksen.
  Onverminderd beroep tegen een beslissing die overeenkomstig deze afdeling door de federale centrale autoriteit is gewezen, wordt iedere op grond van het eerste lid geregistreerde beslissing, op eenvoudig vertoon van het bewijs van registratie, door iedere overheid of rechtsmacht, erkend, alsook door ieder ander persoon.

  Art. 367-3.<Ingevoegd bij W 2004-12-27/30, art. 243; Inwerkingtreding : 10-01-2005> § 1. De verzoekers kunnen beroep instellen bij de [1 familierechtbank]1 te Brussel binnen zestig dagen te rekenen van de overhandiging of de betekening van de beslissing van de federale centrale autoriteit.
  Iedere belanghebbende of het openbaar ministerie kan beroep instellen binnen de termijn van een jaar te rekenen van de datum van de beslissing tot weigering om de adoptie te erkennen of van de datum van de in artikel 367-2, bedoelde registratie.
  De vordering wordt ingesteld en behandeld overeenkomstig de in de artikelen 1034bis tot 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde procedure. De verzoeker moet woonplaats kiezen in het rechtsgebied van de [1 familierechtbank]1.
  De federale centrale autoriteit stelt de centrale autoriteiten van de gemeenschappen in kennis van het beroep.
  § 2. Wanneer het vonnis in kracht van gewijsde treedt, bezorgt de griffier binnen een maand een uittreksel dat het beschikkend gedeelte van het vonnis en de vermelding van de datum waarop het in kracht van gewijsde is getreden, bevat, bij een per post aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het beschikkend gedeelte van de vreemde beslissing is overgeschreven dan wel, bij gebreke daarvan, van de gewone verblijfplaats in België van de adoptant of de adoptanten of van één van hen, hetzij, bij gebreke daarvan, van de geadopteerde.
  Het ontvangstbewijs wordt door de griffier ter kennis gebracht van de partijen.
  Binnen een maand te rekenen van de kennisgeving aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, schrijft deze het beschikkend gedeelte over in zijn registers en maakt hij er in voorkomend geval melding van op de kant van de akte van overschrijving van het beschikkend gedeelte van de vreemde beslissing.
  Indien het een vonnis betreft waarbij een beslissing tot niet-erkenning teniet wordt gedaan, wacht de ambtenaar van de burgerlijke stand totdat de erkende en geregistreerde vreemde beslissing hem wordt toegezonden met het oog op de overschrijving ervan.
  Na de overschrijving stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand de procureur des Konings [1 bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel]1, onverwijld ervan in kennis.
  § 3. Wanneer het vonnis in kracht van gewijsde treedt, bezorgt de griffier onverwijld een uittreksel dat het beschikkend gedeelte van het vonnis en de vermelding van de datum waarop het in kracht van gewijsde is gegaan, bevat, bij per post aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de federale centrale autoriteit.
  Het ontvangstbewijs wordt door de griffier ter kennis gebracht van de andere partijen.
  Binnen vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving aan de federale centrale autoriteit registreert, wijzigt of vernietigt deze, naar gelang van het geval, de reeds ingeschreven beslissing. Zij stelt de centrale autoriteiten van de gemeenschappen ervan in kennis.
  Nadat de federale centrale autoriteit tot registratie is overgegaan, wordt aan de adoptanten een bewijs van registratie afgeleverd.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 57, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  HOOFDSTUK III. - Administratieve formaliteiten. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 368-1. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De ambtenaar van de burgerlijke stad van de gewone verblijfplaats in België van de adoptant, van de adoptanten of van een van hen, of bij gebreke daarvan, van de geadopteerde, is bevoegd om in zijn registers over te schrijven :
  1° het beschikkend gedeelte van iedere in België gewezen beslissing houdende uitspraak, omzetting, herroeping of herziening van een adoptie;
  2° het beschikkend gedeelte van iedere vreemde beslissing inzake adoptie die in België is erkend en geregistreerd;
  3° de akte van geboorte van de geadopteerde wanneer de adoptie in België is uitgesproken of erkend.
  Indien geen van de bij de adoptie betrokken partijen haar gewone verblijfplaats in België heeft, is de ambtenaar van de burgerlijke stand te Brussel bevoegd.
  Ieder ambtenaar van de burgerlijke stand die overeenkomstig dit artikel een overschrijving heeft verricht, of die in een akte of beslissing vermeld in zijn registers een kantmelding heeft gedaan van een akte of beslissing betreffende een adoptie, stelt de federale centrale autoriteit daarvan onverwijld in kennis. Deze brengt de centrale autoriteiten van de gemeenschappen hiervan in kennis.

  Art. 368-2. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Wanneer de beslissing waarbij een adoptie overeenkomstig het Verdrag wordt uitgesproken of omgezet in de registers van de burgerlijke stand wordt overgeschreven, stelt de federale centrale autoriteit op verzoek van iedere belanghebbende partij het in artikel 23 van het Verdrag bedoelde schriftelijke bewijsstuk op volgens het model bepaald door de Koning.

  Art. 368-3. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Ingeval de bevoegde autoriteit waarvoor het stuk is bestemd hierom verzoekt, moet een voor eensluidende verklaarde vertaling van dit stuk worden bezorgd. Behoudens vrijstelling zijn de kosten van vertaling ten laste van de adoptant of van de adoptanten.

  Art. 368-4. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Behoudens andersluidende bepalingen in internationale verdragen moeten de door een buitenlandse autoriteit uitgereikte stukken die in België moeten worden overgelegd met het oog op de totstandkoming, de erkenning, de omzetting, de herroeping of de herziening van een adoptie op verzoek van de adoptant, de adoptanten of een van hen, of van de geadopteerde behoorlijk worden gelegaliseerd.

  Art. 368-5. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De Belgische diplomatieke of consulaire overheden of deze van de Staat welke de belangen van België behartigt, bevoegd inzake notariaat en burgerlijke stand, ontvangen en reiken op het grondgebied van de Staat waar zij zijn geaccrediteerd, alle akten, volmachten, verklaringen en getuigschriften uit welke verband houden met die materies en betrekking hebben op een voornemen tot adoptie die in België moet tot stand komen of worden erkend of op een in België uitgesproken of erkende adoptie.

  Art. 368-6. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De bevoegde autoriteiten zorgen voor de bewaring van de gegevens waarover zij beschikken in verband met de herkomst van de geadopteerde, in het bijzonder deze betreffende de identiteit van zijn moeder en vader, en ook van de gegevens die nodig zijn voor het volgen van zijn gezondheidstoestand, over het medisch verleden van de geadopteerde en van zijn familie, met het oog op de totstandkoming van de adoptie en teneinde het de geadopteerde, indien hij dit wenst, later mogelijk te maken zijn herkomst te achterhalen.
  Zij waarborgen aan de geadopteerde of aan zijn vertegenwoordiger de toegang tot die gegevens in de mate toegestaan door de Belgische wet, waarbij passende begeleiding wordt verstrekt.
  Het verzamelen, bewaren en de toegang tot deze gegevens worden geregeld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

  Art. 368-7. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Onder voorbehoud van artikel 368-6 mogen de persoonlijke gegevens die overeenkomstig het Verdrag of de wet zijn verzameld of overgezonden, in het bijzonder de verslagen betreffende het kind, zijn oorspronkelijke familie en de adoptanten, niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan die waarvoor zij zijn verzameld of overgezonden.

  Art. 368-8. <W 2003-04-24/32, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Iedere Belgische overheid die met een vreemde overheid in contact wenst te treden in verband met een adoptie, moet zich daartoe tot de federale centrale autoriteit wenden.
  Iedere Belgische overheid die door een vreemde overheid wordt gecontacteerd in verband met een adoptie, stelt hiervan onverwijld de federale centrale autoriteit in kennis.

  Art. 369. (Opgeheven) <W 2003-04-24/32, art. 3, 017; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 370. (Opgeheven) <W 2003-04-24/32, art. 3, 017; Inwerkingtreding : onbepaald>

  TITEL VIIIbis. - VERLATING VAN EEN MINDERJARIGE. (opgeheven) <W 1999-05-07/58, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 09-07-1999>

  Art. 370bis. (opgeheven) <W 1999-05-07/58, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 09-07-1999>

  Art. 370ter. (opgeheven) <W 1999-05-07/58, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 09-07-1999>

  Art. 370quater. (opgeheven) <W 1999-05-07/58, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 09-07-1999>

  TITEL IX. [1 - Ouderlijk gezag en pleegzorg.]1
  ----------
  (1)<W 2017-03-19/08, art. 2, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017>

  HOOFDSTUK I. [1 - Ouderlijk gezag.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-03-19/08, art. 3, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017>
  

  Art. 371. <W 1995-04-13/37, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> Een kind en zijn ouders zijn op elke leeftijd aan elkaar respect verschuldigd.

  Art. 372. <W 1995-04-13/37, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> Een kind blijft onder het gezag van zijn ouders tot aan zijn meerderjarigheid of zijn ontvoogding.

  Art. 373.<W 1995-04-13/37, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> Wanneer de ouders samenleven, oefenen zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uit.
  Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met de andere ouder wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met gezag verband houdt behouden de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
  Bij gebreke van instemming kan één van beide ouders de zaak bij de [1 familierechtbank]1 aanhangig maken.
  De rechtbank kan één van de ouders toestemming verlenen alleen op te treden voor één of meer bepaalde handelingen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 58, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 374.<W 1995-04-13/37, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> (§ 1.) Wanneer de ouders niet samenleven, blijven zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en geldt het in artikel 373, tweede lid, bepaalde vermoeden. <W 2006-07-18/38, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 14-09-2006>
  Bij gebreke van overeenstemming over de organisatie van de huisvesting van het kind, over de belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding en zijn ontspanning en over de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes of wanneer deze overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind, kan de bevoegde [1 familierechtbank]1 de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders.
  Hij kan eveneens bepalen welke beslissingen met betrekking tot de opvoeding alleen met instemming van beide ouders kunnen worden genomen.
  Hij bepaalt de wijze waarop de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, persoonlijk contact met het kind onderhoudt. Dat persoonlijk contact kan enkel om bijzonder ernstige redenen worden geweigerd. De ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, behoudt het recht om toezicht te houden op de opvoeding van het kind. Hij kan bij de andere ouder of bij derden alle nuttige informatie hieromtrent inwinnen en zich in het belang van het kind tot de [1 familierechtbank]1 wenden.
  In elk geval bepaalt de rechter de wijze waarop het kind wordt gehuisvest en de plaats waar het in het bevolkingsregister wordt ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf.
  (§ 2. Ingeval de ouders niet samenleven en hun geschil [1 bij de familierechtbank]1 aanhangig wordt gemaakt, wordt het akkoord over de huisvesting van de kinderen door de rechtbank gehomologeerd, tenzij het akkoord kennelijk strijdig is met het belang van het kind.
  Bij gebrek aan akkoord, in geval van gezamenlijk ouderlijk gezag, onderzoekt de rechtbank op vraag van minstens één van de ouders bij voorrang de mogelijkheid om de huisvesting van het kind op een gelijkmatige manier tussen de ouders vast te leggen.
  Ingeval de rechtbank echter van oordeel is dat de gelijkmatig verdeelde huisvesting, niet de meest passende oplossing is, kan zij evenwel beslissen om een ongelijk verdeeld verblijf vast te leggen.
  De rechtbank oordeelt in ieder geval bij een met bijzondere redenen omkleed vonnis, en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak en het belang van de kinderen en de ouders.) <W 2006-07-18/38, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 14-09-2006>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 59, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 374/1. [1 De ouder aan wie het gezag over de persoon van het kind is toevertrouwd, ofwel luidens de in artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde overeenkomst die werd gehomologeerd met toepassing van artikel 1298 van hetzelfde Wetboek, ofwel ingevolge de overeenstemming tussen de ouders die werd bekrachtigd overeenkomstig artikel 1256 van hetzelfde Wetboek, ofwel bij beslissing van de voorzitter van de rechtbank rechtsprekend in kortgeding, overeenkomstig artikel 1280 van hetzelfde Wetboek, ofwel bij rechterlijke uitspraak met toepassing van de artikelen 223 of 374, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, mag de rechter verzoeken voor te schrijven dat op het op naam van het kind afgegeven identiteitsdocument en paspoort wordt vermeld dat het zonder de instemming van die ouder geen buitengrens mag overschrijden van de ruimte als bepaald in de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het tussen de regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen.
   Als het ouderlijk gezag gezamenlijk door de vader en de moeder van het kind wordt uitgeoefend, komt het recht om te verzoeken om de toevoeging van de in het eerste lid bedoelde vermelding toe aan die ouder over wie de rechter heeft bepaald dat het kind in het bevolkingsregister wordt ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf.
   Op verzoek van degene die het omgangsrecht heeft in de zin van artikel 5 van het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, opgemaakt te 's Gravenhage op 25 oktober 1980, kan de rechter beslissen dat op het identiteitsdocument en op het paspoort van het kind wordt vermeld dat ook de instemming van die persoon vereist is om de minderjarige een buitengrens te laten overschrijden.
   De rechter brengt de beslissing ter kennis van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het kind verblijft.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-22/38, art. 2, 069; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 374/2. [1 De bevoegdheid om een op artikel 374/1 gebaseerd verzoek te behandelen, berust bij de rechter bij wie een aan de gang zijnde echtscheidingsprocedure aanhangig is gemaakt, en in alle andere gevallen bij de bevoegde rechter.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-22/38, art. 3, 069; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 375.<W 31-03-1987, art. 42> [1 Indien de afstamming niet is vastgesteld ten aanzien van een van de ouders of indien een van beiden overleden of vermoedelijk afwezig is dan wel in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven of wilsonbekwaam is, oefent de andere dat gezag alleen uit. Tenzij deze onmogelijkheid voortvloeit uit een uitdrukkelijke beslissing genomen overeenkomstig artikel 492/1 of uit een vermoeden van afwezigheid, wordt ze vastgesteld door de rechtbank van eerste aanleg overeenkomstig artikel 1236bis van het Gerechtelijk Wetboek.]1
  (Als van beide ouders er geen overblijft die in staat is het ouderlijk gezag uit te oefenen, moet een voogdijregeling worden uitgewerkt.) <W 1995-04-13/37, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995>
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 23, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 375bis.<ingevoegd bij W 1995-04-13/37, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> De grootouders hebben het recht persoonlijk contact met het kind te onderhouden. Datzelfde recht kan aan ieder ander persoon worden toegekend, indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft.
  Bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen, wordt over de uitoefening van dat recht in het belang van het kind op verzoek van de partijen of van de procureur des Konings beslist door de [1 familierechtbank]1.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 60, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 376.<W 1995-04-13/37, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> Wanneer de ouders het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, beheren zij ook gezamenlijk zijn goederen en treden zij gezamenlijk als zijn vertegenwoordiger op.
  Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een daad van beheer van de goederen van het kind stelt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
  Oefenen de ouders het gezag over de persoon van het kind niet gezamenlijk uit, dan heeft alleen de ouder die dat gezag uitoefent, het recht om de goederen van het kind te beheren en het kind te vertegenwoordigen, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
  De andere ouder behoudt het recht om toezicht te houden op het beheer. Met dat doel kan hij bij degene die het gezag uitoefent of bij derden alle nuttige informatie inwinnen en zich in het belang van het kind tot de [1 familierechtbank]1 wenden.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 61, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 377. (opgeheven) <W 1995-04-13/37, art. 12, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995>

  Art. 378.<W 2001-04-29/39, art. 12, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> (§ 1.) Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 935, derde lid, is de machtiging van de vrederechter vereist om (de in artikel 410, § 1, 1° tot 6°, 8°, 9° en 11° tot 14° bepaalde handelingen) te verrichten waarvoor de voogd bijzondere machtiging van de vrederechter moet verkrijgen. <W 2003-02-13/54, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
  [1 De territoriale bevoegdheid van de vrederechter wordt geregeld overeenkomstig artikel 629quater van het Gerechtelijk Wetboek. Bij gebrek aan woonplaats of gewone woonplaats van de minderjarige is de bevoegde vrederechter :
   - die van de laatste gemeenschappelijke woonplaats in België van de ouders of in voorkomend geval, die van de laatste woonplaats in België van de ouder die het ouderlijk gezag alleen uitoefent, en bij ontstentenis daarvan,
   - die van de laatste gemeenschappelijke verblijfplaats in België van de ouders of in voorkomend geval, die van de laatste verblijfplaats in België van diegene die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.]1
  In het belang van de minderjarige kan de met toepassing van het vorige lid bevoegde vrederechter in een met redenen omklede beschikking beslissen om het dossier over te zenden aan de vrederechter van het kanton waar de minderjarige op duurzame wijze zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd.) <W 2003-02-13/54, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
  De vrederechter beslist over het door de partijen of door hun advocaat ondertekende verzoekschrift. Indien de zaak slechts door een van de ouders bij de rechtbank aanhangig wordt gemaakt, wordt de andere gehoord of ten minste bij gerechtsbrief opgeroepen. Door die oproeping wordt hij partij in het geding.
  (In geval van belangentegenstelling tussen de beide ouders, of wanneer één van hen verstek laat gaan, kan de vrederechter één van de ouders machtiging verlenen om alleen de handeling te verrichten waarvoor om de machtiging wordt verzocht.) <W 2003-02-13/54, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
  In geval van belangentegenstelling tussen het kind en zijn ouders wordt door de vrederechter hetzij op verzoek van enig belanghebbende, hetzij ambtshalve een voogd ad hoc aangewezen.
  (§ 2. De handelingen bedoeld in artikel 410, § 1, 7°, zijn niet onderworpen aan de machtiging bedoeld in § 1. In geval van belangentegenstelling tussen de minderjarige en zijn ouders wordt door de rechter bij wie de zaak aanhangig is, hetzij op verzoek van enig belanghebbende, hetzij ambtshalve, een voogd ad hoc aangewezen.) <W 2003-02-13/54, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 62, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 379.<W 31-03-1987, art. 46> De ouders die belast zijn met het beheer van de goederen van hun minderjarige kinderen, zijn rekening en verantwoording verschuldigd wat betreft de eigendom en de opbrengsten van de goederen waarvan ze niet het genot hebben, en wat betreft de eigendom alleen, van de goederen waarvan hun volgens de wet het genot toekomt.
  (Iedere rechterlijke beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over geldsommen die toekomen aan een minderjarige, beveelt ambtshalve dat voornoemde geldsommen worden geplaatst op een rekening die op zijn naam is geopend. Behoudens het recht op wettelijk genot, is de rekening onbeschikbaar tot het tijdstip van de meerderjarigheid van de minderjarige.
  Wanneer de beslissing bedoeld in het vorige lid in kracht van gewijsde is gegaan, geeft de griffier daarvan kennis door toezending van een afschrift bij een ter post aangetekende brief aan de schuldenaars, waarna deze laatsten zich slechts met nakoming van de beslissing van de [1 familierechtbank]1 rechtsgeldig kunnen bevrijden. Wanneer een voogdij is opengevallen, zendt hij eveneens een afschrift aan de griffier van het vredegerecht waarvan de voogdij afhangt.) <W 2003-02-13/54, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 63, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 380. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>

  Art. 381. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>

  Art. 382. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>

  Art. 383. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>

  Art. 384. <W 1995-04-13/37, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> De ouders hebben het genot van de goederen van hun kinderen tot aan hun meerderjarigheid of hun ontvoogding. Het genot wordt gekoppeld aan het beheer : het behoort toe , hetzij aan de beide ouders samen hetzij aan de ouder die belast is met het beheer van de goederen van het kind.

  Art. 385. (opgeheven) <W 1995-04-13/37, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995>

  Art. 386. <W 31-03-1987, art. 49> De lasten van dit genot zijn :
  1° Die waartoe vruchtgebruikers gehouden zijn;
  2° Levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding van de kinderen, overeenkomstig hun vermogen;
  3° De betaling van de rentetermijnen of interesten van de kapitalen;
  4° De begrafeniskosten en de kosten van de laatste ziekte.

  Art. 387.Het strekt zich niet uit tot de goederen welke de kinderen door afzonderlijke arbeid en nijverheid verwerven, noch tot die welke hun geschonken of vermaakt worden onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de ouders daarvan het genot niet zullen hebben.
  [1 In afwijking van het eerste lid heeft de ouder die ten aanzien van een van zijn kinderen onwaardig is, geen recht op het genot van de goederen van dat kind.]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-10/14, art. 7, 057; Inwerkingtreding : 21-01-2013>

  Art. 387bis.[1 In alle gevallen, en onverminderd de artikelen 584 en 1280 van het Gerechtelijk Wetboek [3 en artikel 7/1 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade]3, kan de familierechtbank in het belang van het kind, op verzoek van beide ouders of van één van hen, dan wel van de procureur des Konings, alle beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag opleggen of wijzigen, volgens het bepaalde in de artikelen [2 1253ter/4 tot 1253ter/6]1 van het Gerechtelijk Wetboek.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 64, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 46, 066; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (3)<W 2017-03-19/08, art. 4, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017>

  Art. 387ter.<Ingevoegd bij W 2006-07-18/38, art. 4; Inwerkingtreding : 14-09-2006> § 1. [1 Ingeval één van de ouders weigert de rechterlijke beslissingen met betrekking tot de verblijfsregeling van de kinderen of het recht op persoonlijk contact uit te voeren, kan de zaak opnieuw voor de reeds geadieerde familierechtbank worden gebracht [2 , overeenkomstig de in artikel 1253ter/7 van het Gerechtelijk Wetboek voorziene procedure]2
  De rechter doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken.
  [1 ...]1.
  Hij kan nieuwe beslissingen nemen met betrekking tot het ouderlijk gezag of de huisvesting van het kind.
  Onverminderd strafvervolging kan hij de partij die het slachtoffer is van de miskenning van de in het eerste lid bedoelde beslissing toestaan een beroep te doen op dwangmaatregelen. Hij bepaalt de aard van deze maatregelen en de nadere regels betreffende de uitoefening ervan, rekening houdend met het belang van het kind en wijst, indien hij zulks nodig acht, de personen aan die gemachtigd zijn de gerechtsdeurwaarder te vergezellen voor de tenuitvoerlegging van zijn beslissing.
  De rechter kan een dwangsom uitspreken om te waarborgen dat de te nemen beslissing zal worden nageleefd en, in die hypothese, stellen dat voor de tenuitvoerlegging van die dwangsom, artikel 1412 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is.
  De beslissing is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.
  § 2. Dit artikel is eveneens van toepassing wanneer de rechten van de partijen geregeld zijn door een overeenkomst zoals voorzien in artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek. In dit geval, en onverminderd § 3, wordt de zaak bij de [1 familierechtbank]1 aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift op tegenspraak.
  § 3. In geval van absolute noodzaak, en onverminderd de mogelijkheid om een beroep te doen op artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, kan bij eenzijdig verzoekschrift de toestemming worden gevraagd om een beroep te doen op de dwangmaatregelen als bedoeld in § 1. De artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. De verzoekende partij moet het verzoekschrift staven met alle dienstige stukken die aantonen dat de weigerende partij daadwerkelijk werd aangemaand haar verplichtingen na te komen en dat zij zich heeft verzet tegen de tenuitvoerlegging van de beslissing.
  De inschrijving van het verzoekschrift is kosteloos. Het verzoekschrift wordt gevoegd bij het dossier van de rechtspleging die aanleiding heeft gegeven tot de beslissing die niet werd nageleefd, tenzij de zaak inmiddels bij een andere rechter aanhangig is gemaakt.
  § 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de internationale bepalingen die België verbinden op het vlak van de internationale ontvoering van kinderen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 65, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 47, 066; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  

  HOOFDSTUK II. [1 - Pleegzorg.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-03-19/08, art. 5, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017>
  

  Art. 387quater. [1 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing bij een plaatsing van een minderjarig niet ontvoogd kind in het kader van pleegzorg overeenkomstig de toepasselijke regelgeving inzake jeugdbijstand en jeugdbescherming.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-03-19/08, art. 6, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017>
  

  Art. 387quinquies. [1 Gedurende de periode van plaatsing oefenen de pleegzorgers het verblijfsrecht en het recht om alle dagdagelijkse beslissingen over het kind te nemen uit.
   De ouders behouden de bevoegdheid om de belangrijke beslissingen te nemen omtrent de gezondheid, de opvoeding, de opleiding, de ontspanning en de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes van het kind.
   Deze laatste bevoegdheid komt evenwel toe aan de pleegzorgers in geval van dringende noodzakelijkheid. In dat geval, brengen ze hun beslissing onverwijld ter kennis van de ouders of, indien de ouders niet kunnen worden verwittigd, van het bevoegde orgaan voor pleegzorg.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-03-19/08, art. 7, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017>
  

  Art. 387sexies. [1 De ouders of de voogd en de pleegzorgers komen, met tussenkomst van het bevoegde orgaan voor pleegzorg, schriftelijk overeen op welke wijze de ouders of de voogd, hun recht op persoonlijk contact, bepaald in artikel 387undecies, kunnen uitoefenen, rekening houdend met de mogelijkheden en leefomstandigheden van de ouders.
   De overeenkomst kan ter homologatie worden voorgelegd aan de familierechtbank, overeenkomstig de artikelen 1253ter/4 en 1253ter/6 van het Gerechtelijk Wetboek. De homologatie kan slechts worden geweigerd indien ze in strijd is met het belang van het kind.
   Indien de ouders of de voogd en de pleegzorgers geen akkoord kunnen bereiken, doet de rechter uitspraak op verzoek van de meest gerede partij.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-03-19/08, art. 8, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017>
  

  Art. 387septies. [1 § 1. De ouders of de voogd en de pleegzorgers kunnen schriftelijk, met tussenkomst van het bevoegde orgaan voor pleegzorg, overeenkomen om ook de bevoegdheid om de belangrijke beslissingen te nemen omtrent de gezondheid, de opvoeding, de opleiding, de ontspanning en de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes van het kind, ook buiten het geval van dringende noodzakelijkheid volledig of gedeeltelijk te delegeren aan de pleegzorgers, met uitzondering van de rechten en plichten omtrent de staat van de persoon van het kind. Ook de rechten en plichten omtrent het beheer van de goederen van het kind kunnen bij overeenkomst aan de pleegzorgers worden gedelegeerd.
   De overeenkomst vermeldt uitdrukkelijk de rechten en plichten die ter uitoefening van het ouderlijk gezag worden gedelegeerd aan de pleegzorgers. De overeenkomst bepaalt de modaliteiten van uitoefening tussen de ouders en de pleegzorgers van de gedelegeerde bevoegdheden.
   § 2. De overeenkomst wordt ter homologatie voorgelegd aan de familierechtbank, overeenkomstig de artikelen 1253ter/4 en 1253ter/6 van het Gerechtelijk Wetboek. De homologatie kan slechts worden geweigerd indien ze in strijd is met het belang van het kind.
   De gehomologeerde overeenkomst kan geen afbreuk doen aan de door de bevoegde organen voor pleegzorg bepaalde duurtijd van de pleegzorg.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-03-19/08, art. 9, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017>
  

  Art. 387octies. [1 § 1. Bij gebrek aan een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 387septies en op voorwaarde dat het kind gedurende ten minste één jaar voorafgaand aan het verzoek voortdurend was geplaatst in het gezin van de pleegzorgers, kunnen de pleegzorgers de familierechtbank verzoeken om ook buiten het geval van dringende noodzakelijkheid, de bevoegdheid om de belangrijke beslissingen te nemen omtrent de gezondheid, de opvoeding, de opleiding, de ontspanning en de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes van het kind, volledig of gedeeltelijk, aan hen te delegeren, met uitzondering van de rechten en plichten omtrent de staat van de persoon van het kind. Ook de rechten en plichten omtrent het beheer van de goederen van het kind kunnen aan de pleegzorgers worden gedelegeerd.
   Het verzoek wordt ingesteld overeenkomstig de artikelen 1253ter/4 tot 1253ter/6 van het Gerechtelijk Wetboek.
   Het vonnis kan geen afbreuk doen aan de door de bevoegde organen voor pleegzorg bepaalde duurtijd van de pleegzorg.
   Zij stellen hun vordering al naar gelang het geval in tegen beide ouders, de enige ouder of de voogd van het kind.
   § 2. Het vonnis of arrest vermeldt uitdrukkelijk de rechten en plichten die ter uitoefening van het ouderlijk gezag worden gedelegeerd aan de pleegzorgers.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-03-19/08, art. 10, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017>
  

  Art. 387novies. [1 De pleegzorgers oefenen de overeenkomstig dit hoofdstuk aan hen gedelegeerde bevoegdheden over het kind gezamenlijk uit.
   Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke pleegzorger geacht te handelen met de andere pleegzorger wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met de aan hen gedelegeerde bevoegdheden verband houdt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
   Bij gebreke van instemming kan een van beide pleegzorgers de zaak bij de familierechtbank aanhangig maken overeenkomstig artikel 387duodecies.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-03-19/08, art. 11, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017>
  

  Art. 387decies. [1 Bij de uitoefening van de hun overeenkomstig dit hoofdstuk gedelegeerde rechten en plichten nemen de pleegzorgers zoveel mogelijk de door de ouders of de voogd gekozen beginselen zoals, in voorkomend geval, vastgelegd overeenkomstig de toepasselijke regelgeving inzake jeugdbescherming, in acht, in het bijzonder bij de bevoegdheden als bedoeld in artikel 374, § 1, tweede lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-03-19/08, art. 12, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017>
  

  Art. 387undecies. [1 De ouders of de voogd behouden het recht om toezicht uit te oefenen op de opvoeding van het kind, ongeacht of ze het ouderlijk gezag uitoefenen. Zij kunnen bij de pleegzorgers of bij derden alle nuttige informatie hieromtrent inwinnen en zich in het belang van het kind tot de familierechtbank wenden. De ouders of de voogd behouden eveneens het recht op persoonlijk contact met het kind. Dit persoonlijk contact kan enkel om bijzonder ernstige redenen worden geweigerd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-03-19/08, art. 13, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017>
  

  Art. 387duodecies. [1 De familierechtbank kan in het belang van het kind, op verzoek van beide ouders of van één van hen, de voogd, de pleegzorgers dan wel van de procureur des Konings alle beslissingen met betrekking tot het ouderlijk gezag opleggen, wijzigen of beëindigen, overeenkomstig de artikelen 1253ter/4 tot 1253ter/6 van het Gerechtelijk Wetboek.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-03-19/08, art. 14, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017>
  

  Art. 387terdecies. [1 De gedelegeerde rechten en plichten ter uitoefening van het ouderlijk gezag die overeenkomstig dit hoofdstuk werden toegekend aan de pleegzorgers doven van rechtswege uit:
   1° bij de meerderjarigheid van het kind;
   2° bij het overlijden van de pleegzorgers;
   3° bij het overlijden, de ontvoogding of de adoptie van het kind;
   4° indien er een einde komt aan de plaatsing overeenkomstig de toepasselijke regelgeving inzake jeugdbijstand en jeugdbescherming.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-03-19/08, art. 15, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017>
  

  Art. 387quaterdecies. [1 Voor de toepassing van artikel 375bis wordt de persoon bij wie een kind minstens één jaar voortdurend werd geplaatst, vermoed een bijzondere affectieve band te hebben met dit kind.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-03-19/08, art. 16, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017>
  

  TITEL X. - MINDERJARIGHEID, VOOGDIJ EN ONTVOOGDING.

  HOOFDSTUK I. - MINDERJARIGHEID.

  Art. 388. De minderjarige is de persoon van het mannelijke of vrouwelijke geslacht die de volle leeftijd van (achttien) jaren nog niet bereikt heeft. <W 19-01-1990, art. 1>

  HOOFDSTUK II. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> - VOOGDIJ.

  Afdeling I. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> - Ontstaan van de voogdij.

  Art. 389.[1 De voogdij over minderjarigen ontstaat indien beide ouders overleden zijn, wettelijk onbekend zijn, in de voortdurende onmogelijkheid zijn om het ouderlijk gezag uit te oefenen of wilsonbekwaam zijn.
   Tenzij deze onmogelijkheid voortvloeit uit een uitdrukkelijke beslissing genomen overeenkomstig artikel 492/1, uit een vermoeden van afwezigheid of uit een verklaring van afwezigheid, wordt ze vastgesteld door de [2 familierechtbank]2 overeenkomstig artikel 1236bis van het Gerechtelijk Wetboek.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 24, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-05-12/02, art. 12, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  

  Afdeling II. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> - Organisatie van de voogdij.

  Art. 390. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Behoudens hetgeen is bepaald in artikel 13, § 2, van de wet van 31 december 1851 met betrekking tot de consulaten en de consulaire rechtsmacht, behoren de organisatie van en het toezicht op de voogdij tot de bevoegdheid van de vrederechter van de woonplaats van de minderjarige als bepaald bij artikel 36 van het Gerechtelijk Wetboek of bij gebreke van woonplaats, tot de bevoegdheid van de vrederechter van de verblijfplaats van de minderjarige.
  De vrederechter van de plaats waar de voogdij is opengevallen is onveranderlijk.
  De vrederechter van de plaats waar de voogdij is opengevallen kan op verzoek van de voogd of ambtshalve evenwel bevelen dat de voogdij in het belang van het kind wordt overgebracht naar de woonplaats of de verblijfplaats van de voogd. De beslissing is bindend voor de rechter aan wie de zaak wordt overgedragen. Met uitzondering van het hoger beroep ingesteld door de procureur des Konings is zij niet vatbaar voor enig rechtsmiddel.

  Art. 391. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Wanneer de voogdij ontstaat of openvalt, beveelt de vrederechter op verzoek van iedere belanghebbende of zelfs ambtshalve de dringende maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de persoon van de minderjarige en voor de bewaring van zijn goederen.
  De aanwijzing van een voogd maakt geen einde aan deze maatregelen. Zij vervallen slechts indien de rechter ze intrekt of indien de eventueel door hem voorgeschreven termijn verstrijkt.
  De vrederechter wordt bij eenvoudige brief aangezocht.

  Art. 392. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> De ouder, die het laatst het ouderlijk gezag uitoefent, kan een voogd aanwijzen, hetzij bij testament, hetzij bij wege van een verklaring voor de vrederechter van zijn woonplaats of voor een notaris.
  Op voorwaarde dat de ouders gezamenlijk handelen, kunnen zij zulks ook doen bij een verklaring voor de vrederechter of voor een notaris. Zij kunnen hun keuze op ieder ogenblik wijzigen door het doen van een nieuwe verklaring.
  De verklaring blijft geldig na het overlijden van een van de ouders zolang de overlevende ouder deze niet heeft herroepen of geen voogd heeft aangewezen overeenkomstig het eerste lid.
  Elk van de ouders kan de verklaring herroepen. De herroeping geschiedt voor de vrederechter of voor de notaris die de verklaring heeft ontvangen. Wanneer de verklaring is afgelegd voor een notaris, geschiedt de herroeping voor dezelfde notaris of voor een andere notaris, die de notaris die de verklaring heeft ontvangen hiervan op de hoogte moet brengen. Van de herroeping wordt melding gemaakt op de verklaring.
  Indien de persoon die overeenkomstig het eerste en het tweede lid is aangewezen, de voogdij aanvaardt, homologeert de vrederechter de aanwijzing tenzij ernstige redenen met betrekking tot het belang van het kind, die nauwkeurig zijn omschreven in de gronden van de beschikking, uitsluiten dat de keuze van beide ouders of een van hen wordt gevolgd.

  Art. 393. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Indien de ouders geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid die hen in het voorgaande artikel wordt geboden of indien het niet mogelijk was hun keuze te volgen, kiest de vrederechter zodra hij kennis heeft van het ontstaan van de voogdij, een voogd die geschikt is om de minderjarige op te voeden en zijn goederen te beheren, bij voorkeur uit de naaste familieleden. Hij benoemt de voogd nadat hij zich verzekerd heeft van zijn aanvaarding.

  Art. 394. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Indien de minderjarige twaalf jaar oud is wordt hij door de vrederechter gehoord vooraleer deze een voogd benoemt of de aanwijzing van de voogd homologeert.
  Hij hoort eveneens de bloedverwanten in de opgaande lijn in de tweede graad, de meerderjarige broers en zusters van de minderjarige en de broers en zusters van de ouders van de minderjarige of doet hen ten minste oproepen.
  De vrederechter moet bovendien eenieder horen van wie de mening voor hem nuttig kan zijn.
  De oproepingen geschieden bij gerechtsbrief.

  Art. 395. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> § 1. Indien het belang van de minderjarige zulks wegens uitzonderlijke omstandigheden vereist, kan de vrederechter de voogdij splitsen door een voogd over de persoon en een voogd over de goederen te benoemen.
  Geschillen tussen de voornoemde voogden worden door hem op verzoek beslecht.
  § 2. Rechtshandelingen en beslissingen die zowel betrekking hebben op de persoon als op de goederen van de minderjarige, mogen alleen met instemming van beide voogden worden genomen.
  Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke voogd geacht te handelen met instemming van de andere voogd, wanneer hij alleen een handeling stelt die met de voogdij verband houdt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.

  Art. 396. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Niemand is verplicht een voogdij of een toeziende voogdij op zich te nemen.
  Indien de voogd wettige redenen aanvoert, kan de vrederechter hem in de loop van de voogdij ontlasten van zijn opdracht.
  Indien niemand aanvaardt de voogdij uit te oefenen, worden de artikelen 63 tot 68 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn toegepast. (Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn stelt binnen acht dagen volgend op de aanwijzing van de voogd en van de toeziende voogd de vrederechter in kennis van hun identiteit.) <W 2003-02-13/54, art. 4, 016; Inwerkingtreding : 04-04-2003>

  Art. 397. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Mogen geen voogd zijn :
  1° personen die niet de vrije beschikking over hun goederen hebben;
  2° personen ten aanzien van wie de jeugdrechtbank een van de maatregelen heeft bevolen die zijn bedoeld in de artikelen 29 tot 32 van (de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade). <W 2006-05-15/35, art. 23; 026; Inwerkingtreding : 16-10-2006>

  Art. 398. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Zijn uitgesloten van de voogdij of kunnen, indien zij de voogdij reeds uitoefenen, daaruit worden ontzet :
  1° personen van kennelijk wangedrag;
  2° personen van wie het beheer getuigt van onbekwaamheid of ontrouw;
  3° personen die zelf of van wie de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, de feitelijk samenwonende, een bloedverwant in de opgaande lijn of een bloedverwant in de nederdalende lijn tegen de minderjarige een rechtsgeding voeren waarbij de staat van de minderjarige, zijn vermogen of een aanzienlijk deel van zijn goederen zijn betrokken.

  Art. 399. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Wanneer grond bestaat om de voogd te ontzetten, spreekt de vrederechter op verzoek van de toeziende voogd, van het openbaar ministerie of zelfs ambtshalve de ontzetting uit.

  Art. 400. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> De voogdij is een persoonlijke opdracht die niet overgaat op de erfgenamen van de voogd.

  Art. 401. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Indien grond bestaat om de voogd te vervangen, wordt overeenkomstig artikel 393 een nieuwe voogd aangewezen, zulks onverminderd artikel 391.
  De nieuwe voogd vat zijn taak aan op het tijdstip dat de beschikking wordt gegeven.

  Afdeling III. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> - Toeziende voogd.

  Art. 402. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Bij elke voogdij is er een toeziende voogd die de vrederechter benoemt nadat hij zich verzekerd heeft van zijn aanvaarding.
  Indien de voogd een bloed- of aanverwant in een bepaalde lijn van de minderjarige is, wordt de toeziende voogd bij voorkeur uit de andere lijn gekozen.
  De artikelen 395, 396, eerste en tweede lid, 397, 398 en 399 zijn van toepassing op de toeziende voogd.
  De taken van de toeziende voogd eindigen op hetzelfde tijdstip als de voogdij.

  Art. 403. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> De toeziende voogd houdt toezicht op de voogd. Indien hij vaststelt dat de voogd tekort schiet in de opvoeding van de minderjarige of in het beheer van zijn goederen, moet hij de vrederechter daarvan onverwijld in kennis stellen.
  De voogd dient alle medewerking te verlenen teneinde de toeziende voogd in staat te stellen dit toezicht uit te oefenen.

  Art. 404. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> De toeziende voogd vertegenwoordigt de minderjarige wanneer de belangen van deze laatste tegengesteld zijn aan die van de voogd. Indien de belangen van de toeziende voogd eveneens in strijd zijn met de belangen van de minderjarige, benoemt de vrederechter op verzoek van iedere belanghebbende of zelfs ambtshalve een voogd ad hoc, en een toeziend voogd ad hoc.
  Bij het openvallen van de voogdij vervangt de toeziende voogd de voogd niet van rechtswege. In dat geval moet hij op straffe van vergoeding van de schade die daaruit voor de minderjarige zou kunnen voortvloeien, een nieuwe voogd doen benoemen.

  Afdeling IV. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> - Werking van de voogdij.

  Art. 405. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> § 1. De voogd draagt zorg voor de persoon van de minderjarige, die hij opvoedt overeenkomstig de beginselen waarvoor de ouders eventueel hebben gekozen, inzonderheid wat betreft de aangelegenheden bedoeld in artikel 374, tweede lid.
  Hij vertegenwoordigt de minderjarige in alle burgerlijke handelingen.
  Hij beheert de goederen van de minderjarige zoals een goede huisvader en is gehouden tot vergoeding van de schade die zou kunnen voortvloeien uit een slecht beheer.
  Hij kan zich in het beheer van de goederen van de minderjarige laten bijstaan door personen die onder zijn verantwoordelijkheid handelen, na uitdrukkelijke machtiging van de vrederechter.
  De voogd besteedt de inkomsten van de minderjarige aan diens onderhoud en verzorging en vordert de toepassing van de sociale wetgeving in het belang van de minderjarige.
  § 2. In geval van een ernstige betwisting tussen de minderjarige en de voogd of in voorkomend geval de toeziende voogd, kan de minderjarige, op eenvoudig mondeling of schriftelijk verzoek, zich tot de procureur des Konings richten indien hij twaalf jaar oud is in zaken betreffende zijn persoon en indien hij vijftien jaar oud is in zaken betreffende zijn goederen.
  De procureur des Konings wint alle nuttige inlichtingen in. Indien hij het verzoek gegrond acht, maakt hij de zaak bij verzoekschrift aanhangig bij de vrederechter opdat deze het geschil beslecht.
  De vrederechter beslist na de minderjarige, de voogd en de toeziende voogd te hebben gehoord.

  Art. 406. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> § 1. De voogd doet binnen een maand volgend op de kennisgeving van zijn benoeming een boedelbeschrijving met waardeschatting opstellen van zowel de onroerende als de roerende goederen in voorkomend geval nadat hij, bij verzegeling, eerst de ontzegeling heeft gevorderd.
  De boedelbeschrijving wordt opgemaakt met toepassing van de artikelen 1175 tot 1184 van het Gerechtelijk Wetboek, tenzij de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking beslist een onderhandse inventaris toe te laten. De vrederechter kan in deze beschikking bepalen aan welke vereisten deze onderhandse inventaris dient te voldoen.
  De vrederechter kan op verzoek van de voogd de termijn verlengen indien uitzonderlijke omstandigheden, die in de gronden van de beschikking zijn omschreven, zulks rechtvaardigen. Deze aldus verlengde termijn kan evenwel zes maanden niet te boven gaan.
   Indien binnen deze termijn geen boedelbeschrijving als bedoeld in het eerste lid werd opgesteld en medegedeeld aan de vrederechter, wijst de vrederechter een notaris aan die de boedelbeschrijving zal opmaken.
  De kosten zijn voor rekening van de voogd.
  § 2. De vrederechter beslist bij een met redenen omklede beschikking of een boedelbeschrijving moet worden opgesteld waarin een gedetailleerde lijst en een schatting zijn opgenomen dan wel of daarentegen een algemene beschrijving en schatting van de waarde van de roerende goederen voldoende zijn.
  De boedelbeschrijving geschiedt in ieder geval in aanwezigheid van de toeziende voogd.
  De boedelbeschrijving wordt na de afsluiting neergelegd in het procesdossier.
  indien de voogd schuldeiser is van de minderjarige, moet hij zulks op straffe van verval aan de vrederechter mededelen in antwoord op de vraag die deze laatste hem moet stellen. De verklaring wordt opgetekend in een proces-verbaal dat bij het procesdossier wordt gevoegd.

  Art. 407. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> § 1. Binnen een maand nadat de boedelbeschrijving bij het procesdossier is gevoegd, bepaalt de vrederechter, na de voogd, de toeziende voogd en de minderjarige, als laatstgenoemde vijftien jaar oud is, te hebben gehoord, bij een met redenen omklede beschikking :
  1° het bedrag waarover de voogd jaarlijks beschikt voor het onderhoud en de opvoeding van de minderjarige;
  2° het bedrag waarover de voogd jaarlijks beschikt voor het beheer van de goederen van de minderjarige;
  3° vanaf welk bedrag voor de voogd de verplichting begint om het saldo van de inkomsten boven de uitgaven te beleggen en de termijn na verloop waarvan de voogd, bij gebrek van belegging, van rechtswege rekening en verantwoording verschuldigd is voor de interest;
  4° de door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen erkende instelling waar de rekeningen worden geopend waarop de kapitaalstortingen plaatsvinden en de effecten alsmede de waardepapieren van de minderjarige worden gedeponeerd;
  5° de voorwaarden waaronder de gestorte kapitalen of neergelegde titels en waarden kunnen worden teruggenomen;
  6° het bedrag waarvoor, rekening houdend met de aard en de omvang van het vermogen van de minderjarige, een hypothecaire inschrijving moet worden genomen op de onroerende goederen van de voogd, het onroerend goed of de onroerende goederen waarop de griffier op kosten van de minderjarige de inschrijving neemt, of de waarborgen welke de voogd die geen onroerend goed bezit of vrijgesteld is van de hypothecaire inschrijving, in voorkomend geval moet bieden;
  7° de maatregelen die moeten worden genomen met het oog op de voortzetting, de verhuring, de overdracht of de beëindiging van de handelszaken en ondernemingen die de minderjarige heeft verkregen.
  § 2. De vrederechter kan gedurende de voogdij op verzoek van de voogd, van de toeziende voogd, van de procureur des Konings, van enige andere belanghebbende of zelfs ambtshalve, zijn vroegere beslissingen betreffende de in paragraaf 1 opgesomde aangelegenheden wijzigen na de voogd, de toeziende voogd en de minderjarige indien hij vijftien jaar oud is, te hebben gehoord.
  § 3. De vrederechter kan een in § 1, 4°, bedoelde instelling de opdracht toevertrouwen om bij haar gedeponeerde en aan de minderjarige toebehorende kapitalen, effecten en waardepapieren te beheren.
  De vrederechter bepaalt de voorwaarden van dit beheer.

  Art. 408. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Effecten aan toonder, alsook andere waardepapieren die aan de minderjarige behoren of die hem in de loop van de voogdij toekomen, worden gedeponeerd op de rekening die overeenkomstig artikel 407, § 1, 4°, op zijn naam is geopend.
  Onverminderd artikel 409, § 2, vierde lid, vernieuwt de voogd op de vervaldag zonder bijzondere machtiging de plaatsing van het nominaal kapitaal in gelijkaardige waarden.

  Art. 409. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> § 1. Het saldo van de inkomsten bedoeld in artikel 407, § 1, 3°, wordt belegd overeenkomstig de voorwaarden die de vrederechter vaststelt in de beschikking welke bij het ontstaan van de voogdij of tijdens de voogdij overeenkomstig artikel 407 wordt genomen.
  § 2. De voogd kan slechts met medeondertekening van de toeziende voogd kwijting geven van de kapitalen die de minderjarige in de loop van de voogdij ontvangt.
  Hij plaatst deze kapitalen overeenkomstig artikel 407, § 1, 4°, op de rekening die op naam van de minderjarige is geopend.
  Zulks moet geschieden binnen een termijn van 15 dagen te rekenen van de ontvangst van de kapitalen. Na het verstrijken van die termijn is de voogd van rechtswege de interesten verschuldigd.
  Na het advies van de voogd, van de toeziende voogd en van de minderjarige indien hij vijftien jaar oud is, te hebben ingewonnen, bepaalt de vrederechter op verzoek van de voogd de voorwaarden waaronder later een meer rendabele plaatsing kan geschieden.

  Art. 410.<W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> § 1. De vrederechter moet de voogd bijzondere machtiging verlenen om :
  1° de goederen van de minderjarige, met uitzondering van de vruchten en de onbruikbare voorwerpen, te vervreemden, tenzij het beheer is opgedragen aan een instelling bedoeld in artikel 407, § 1, 4°;
  2° een lening aan te gaan;
  3° de goederen van de minderjarige te hypothekeren of in pand te geven;
  4° een pachtcontract, een handelshuurovereenkomst of een gewone huurovereenkomst van meer dan negen jaar te sluiten alsook een handelshuurovereenkomst te hernieuwen;
  5° [2 een nalatenschap, een algemeen legaat of een legaat onder algemene titel te verwerpen of te aanvaarden, wat slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving kan geschieden; de vrederechter kan bij een met redenen omklede beschikking machtiging verlenen om een nalatenschap, een algemeen legaat of een legaat onder algemene titel zuiver te aanvaarden, rekening houdende met de aard en de omvang van het geërfde vermogen en voor zover de baten kennelijk de lasten van het geërfde vermogen overschrijden;]2
  6° een schenking of een legaat onder bijzondere titel te aanvaarden;
  7° de minderjarige in rechte te vertegenwoordigen als eiser bij de andere rechtsplegingen en handelingen dan die bedoeld in de artikelen 1150, 1180-1° en 1206 van het Gerechtelijk Wetboek; (Geen enkele machtiging is evenwel vereist in geval van burgerlijke partijstelling [1 ...]1;) <W 2003-02-13/54, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
  8° een overeenkomst van onverdeeldheid te sluiten;
  9° een onroerend goed aan te kopen;
  10° (opgeheven) <W 2003-02-13/54, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
  11° een dading aan te gaan of een arbitrage-overeenkomst te sluiten;
  12° een handelszaak voort te zetten die is verkregen door wettelijke erfopvolging of door erfopvolging krachtens uiterste wil. Het bestuur van de handelszaak mag worden opgedragen aan een bijzondere bewindvoerder onder het toezicht van de voogd. De vrederechter kan zijn toestemming te allen tijde intrekken;
  13° souvenirs en andere persoonlijke voorwerpen, zelfs als het om voorwerpen van geringe waarde gaat te vervreemden.
  (14° te beschikken over de goederen die onbeschikbaar zijn op grond van een beslissing genomen krachtens artikel 379, op grond van artikel 776 of overeenkomstig een beslissing van de familieraad genomen voor de inwerkingtreding van de wet van 29 april 2001 tot wijziging van verscheidene wetsbepalingen inzake de voogdij over minderjarigen.) <W 2003-02-13/54, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
  § 2. De verkoop van de roerende of onroerende goederen van de minderjarige gebeurt openbaar. Aan de voogd kan evenwel machtiging worden verleend om de roerende of onroerende goederen onderhands te verkopen.
  Deze machtiging wordt verleend indien het belang van de minderjarige zulks vereist. Er wordt uitdrukkelijk in vermeld waarom de onderhandse verkoop de belangen van de minderjarige dient. Onroerende goederen worden verkocht overeenkomstig het ontwerp van verkoopakte opgesteld door een notaris en goedgekeurd door de vrederechter.
  De vrederechter wint de nodige inlichtingen in. Hij kan inzonderheid het advies inwinnen van eenieder die hij daartoe geschikt acht.
  Souvenirs en andere persoonlijke voorwerpen kunnen niet worden vervreemd tenzij zulks volstrekt noodzakelijk is en worden ter beschikking van de minderjarige gehouden tot zijn meerderjarigheid.
  In elk geval wordt de minderjarige die over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt uitgenodigd om, indien hij dit wenst, gehoord te worden vooraleer machtiging kan worden verleend.
  ----------
  (1)<W 2010-04-18/06, art. 2, 049; Inwerkingtreding : 20-05-2010>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 70, 075; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

  Art. 411. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> De voogd en de toeziende voogd kunnen geen goederen van de minderjarige verkrijgen, noch rechtstreeks, noch door een tussenpersoon, behalve op grond van de wet van 16 mei 1900 tot wijziging van het erfstelsel voor de kleine nalatenschappen, van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit of in het kader van een gerechtelijke of minnelijke verdeling overeenkomstig artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij kunnen de goederen van de minderjarige slechts in huur nemen wanneer de vrederechter daartoe op schriftelijk verzoek machtiging verleent. In dat geval bepaalt de vrederechter in zijn beschikking de huurvoorwaarden, alsook de bijzondere waarborgen verbonden aan de aldus toegestane huur.

  Art. 412. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> De vrederechter kan alle maatregelen nemen om zich te informeren over de familiale, morele en materiële toestand van de minderjarige, alsook over diens leefomstandigheden.
  In het bijzonder kan hij de procureur des Konings verzoeken om, door de bemiddeling van de bevoegde sociale dienst, over al deze punten alle dienstige inlichtingen in te winnen.

  Afdeling V. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> - Voogdijrekeningen en voogdijverslag.

  Art. 413. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> De voogd legt jaarlijks de rekening inzake zijn beheer neer in het procesdossier. Deze rekening wordt eveneens overhandigd aan de toeziende voogd en aan de minderjarige indien hij vijftien jaar oud is. De vrederechter kan, ambtshalve of op verzoek van de toeziende voogd, de voogd oproepen teneinde in raadkamer toelichtingen te geven.
  De Koning bepaalt de inhoud en de vorm van de rekeningen inzake het beheer.

  Art. 414. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Indien de voogd moet worden vervangen, worden de voogdijrekeningen afgesloten op de dag van de beschikking waarbij de nieuwe voogd wordt benoemd, zulks onverminderd de toepassing van artikel 391.

  Art. 415. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Binnen een maand na beëindiging van de taken van de voogd wordt de definitieve voogdijrekening in aanwezigheid van de vrederechter en van de toeziende voogd met het oog op de goedkeuring ervan overhandigd aan de minderjarige die meerderjarig of ontvoogd is geworden, aan de nieuwe voogd of aan de titularis van het ouderlijk gezag, waarbij de kosten in voorkomend geval ten laste van de minderjarige of de voogd komen. De voogdijrekening wordt eveneens overhandigd aan de minderjarige die vijftien jaar oud is.
  Er wordt een proces-verbaal opgemaakt waarin bevonden wordt dat de rekening en verantwoording is gedaan, dat de rekening is goedgekeurd en dat de voogd kwijting is verleend.
  Elke goedkeuring van de voogdijrekening voorafgaand aan de datum van het proces-verbaal bedoeld in het tweede lid, is nietig.
  Bij betwisting wordt overeenkomstig de artikelen 1358 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek rekening en verantwoording voor de rechtbank gedaan.

  Art. 416. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Zolang de definitieve voogdijrekening niet is goedgekeurd, kunnen tussen de minderjarige en zijn vroegere voogd geen geldige overeenkomsten worden gesloten.
  Op voorlegging van een eensluidend afschrift van het overeenkomstig artikel 415 opgemaakte proces-verbaal verleent de nieuwe voogd of de minderjarige opheffing van de zekerheidstelling die de voogd inzake zijn beheer heeft gegeven.

  Art. 417. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> De goedkeuring van de rekening doet geenszins afbreuk aan de aansprakelijkheidsvorderingen die de minderjarige tegen de voogd en tegen de toeziende voogd kan instellen.

  Art. 418. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Het bedrag van het door de voogd verschuldigde saldo brengt van rechtswege intrest op zodra de rekening is goedgekeurd en ten laatste drie maanden na beëindiging van de voogdij. De intresten van het bedrag dat de minderjarige aan de voogd verschuldigd is, beginnen slechts te lopen op de dag dat tot betaling is aangemaand na goedkeuring van de rekening.

  Art. 419. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Vorderingen van de minderjarige tegen zijn voogd of zijn toeziende voogd betreffende feiten en rekeningen van de voogdij verjaren na 5 jaar te rekenen van de meerderjarigheid, zelfs indien de minderjarige ontvoogd is geworden.

  Art. 420. <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> De voogd brengt jaarlijks bij de vrederechter en de toeziende voogd verslag uit over de opvoeding en de opvang van de minderjarige, alsook over de maatregelen die hij heeft genomen voor de ontplooiing van de persoon van de minderjarige. Het verslag wordt bij het procesdossier gevoegd.
  (NOTA : art. 421 tot 426 opgeheven door <W 2001-04-29/39, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001>)
  (NOTA : art. 427 tot 475 opgeheven door <W 2001-04-29/39, art. 13, 012, Inwerkingtreding : 01-08-2001>)

  HOOFDSTUK IIbis. - PLEEGVOOGDIJ.

  Art. 475bis. <W 31-03-1987, art. 58> Wanneer iemand die ten minste 25 jaar oud is, zich verbindt om een niet ontvoogd minderjarig kind te onderhouden, op te voeden en in staat te stellen de kost te verdienen, kan hij zijn pleegvoogd worden, met instemming van degenen wier toestemming vereist is voor de adoptie van minderjarigen.
  Een echtgenoot kan slechts met toestemming van de andere echtgenoot pleegvoogd worden.

  Art. 475ter.<W 31-03-1987, art. 58> De overeenkomst waarbij de pleegvoogdij tot stand komt en, in voorkomend geval, de toestemming van de echtgenoot van de pleegvoogd worden vastgesteld bij authentieke akte opgemaakt door de vrederechter van de verblijfplaats van de minderjarige of door een notaris.
  Deze overeenkomst heeft eerst haar gevolgen nadat zij, op aanvraag van de pleegvoogd, bekrachtigd is door de [1 familierechtbank]1.
  De [1 familierechtbank]1 behandelt de aanvraag in raadkamer. De pleegvoogd en, in voorkomend geval, zijn echtgenoot, het kind indien het meer dan 15 jaar oud is, zijn voogd en toeziende voogd indien het reeds onder voogdij staat, alsmede degenen die overeenkomstig het vorige artikel hun instemming met de pleegvoogdij hebben betuigd, worden door de rechtbank gehoord, althans opgeroepen. (...). [1 De procureur des Konings wordt gehoord of brengt een schriftelijk advies uit.]1. <W 2001-04-29/39, art. 14, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 67, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 475quater. <W 31-03-1987, art. 58> De pleegvoogd beheert de goederen van zijn pleegkind, zonder het genot ervan te hebben en zonder de uitgaven voor onderhoud en opvoeding te mogen toerekenen op de inkomsten van de minderjarige.
   Hij oefent eveneens het recht van bewaring over het pleegkind uit, voor zover het zijn gewone verblijfplaats bij hem heeft.
  (Gedurende de pleegvoogdij hebben de ouders van het kind alsmede degenen die het hebben geadopteerd of ten volle geadopteerd, niet langer het genot van de goederen van de minderjarige.) <W 31-03-1987, art. 59>
  (Voor het overige wijkt de pleegvoogdij niet af van de regels betreffende de uitoefening van de rechten en verplichtingen die voortvloeien (uit het ouderlijk gezag) of de voogdij en met name van het recht om toe te stemmen in het huwelijk, de adoptie of de volle adoptie van de minderjarige en om zijn ontvoogding te vorderen.) <W 19-01-1990, art. 31> <W 2001-04-29/39, art. 15, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2001>

  Art. 475quinquies.<W 31-03-1987, art. 58> De pleegvoogdij neemt een einde bij de meerderjarigheid van het pleegkind. Indien het pleegkind evenwel op dat ogenblik niet in staat is om de kost te verdienen, kan de pleegvoogd door de [1 familierechtbank]1 worden veroordeeld om het schadeloos te stellen. Deze schadeloosstelling bestaat in hulpmiddelen die geschikt zijn om het pleegkind een beroep te verschaffen, onverminderd de overeenkomsten die met het oog op dit geval mochten zijn gesloten.
  De pleegvoogdij neemt ook een einde bij overlijden van de pleegvoogd. Indien het pleegkind op dat ogenblik behoeftig is, moet het uit de nalatenschap van de pleegvoogd middelen van bestaan verkrijgen, waarvan, zo daarin niet tevoren door een uitdrukkelijke overeenkomst is voorzien, het bedrag en de aard geregeld worden ofwel in der minne tussen de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige en de rechthebbenden op de nalatenschap van de pleegvoogd, ofwel door de [1 familierechtbank]1 in geval van geschil.
  De pleegvoogdij en de verplichtingen van de pleegvoogd of zijn nalatenschap nemen ook een einde wanneer het pleegkind komt te overlijden of wanneer het ontvoogd, geadopteerd of (ten volle geadopteerd) wordt. <W 31-03-1987, art. 60>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 68, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 475sexies.<W 2001-04-29/39, art. 16, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2001> De [1 familierechtbank]1 kan aan de pleegvoogdij een einde maken op verzoek :
  1° hetzij van de pleegvoogd;
  2° hetzij van degenen die overeenkomstig artikel 475bis met de pleegvoogdij hebben ingestemd of van degenen die het kind hebben erkend of gewettigd na de totstandkoming van de pleegvoogdij;
  3° hetzij van de procureur des Konings.
  De [1 familierechtbank]1 behandelt het verzoek op de wijze omschreven in artikel 475ter, derde lid.
  Indien zij aan de pleegvoogdij een einde maakt, kan zij desgevraagd, na het advies van de personen bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, te hebben ingewonnen en na de procureur des Konings te hebben gehoord, de verplichting van de pleegvoogd om het kind te onderhouden en het de mogelijkheid te bieden in zijn levensonderhoud te voorzien, beperken of opheffen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 69, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 475septies. <W 31-03-1987, art. 58> De pleegvoogd die het beheer over enig goed van zijn pleegkind heeft gehad, moet daarvan rekening en verantwoording doen (overeenkomstig de artikelen 413 tot 420). <W 2001-04-29/39, art. 13, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2001>

  HOOFDSTUK III. - ONTVOOGDING.

  Art. 476. Het huwelijk van de minderjarige heeft van rechtswege zijn ontvoogding ten gevolge.
  (Ieder van de echtgenoten is van rechtswege curator over zijn minderjarige echtgenoot. Wanneer beiden minderjarig zijn, wordt de curatele geregeld overeenkomstig artikel 480.) <W 30-04-1958, art. 4>

  Art. 477.<W 08-04-1965, art. 21, 1> De minderjarige die de volle leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt, kan door de [1 familierechtbank]1 worden ontvoogd op verzoek van zijn ouders of, wanneer dezen het niet eens zijn, op verzoek van een hunner.
  De vader of de moeder die geen verzoek heeft ingediend evenals, in voorkomend geval, degene aan wie de bewaring van het kind is toevertrouwd, moeten alleszins vooraf worden gehoord of opgeroepen.
  (De minderjarige wiens vader of moeder overleden is of wiens afstamming slechts ten aanzien van een van zijn ouders vaststaat en die de volle leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt, kan door de [1 familierechtbank]1 worden ontvoogd op verzoek van de enige ouder.) <W 31-03-1987, art. 61A>
  (Als die ouder een zodanig verzoek niet indient, kan de ontvoogding worden verzocht door de procureur des Konings.) <W 31-03-1987, art. 61B>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 70, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 478.<W 2001-04-29/39, art. 18, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2001> De minderjarige die geen ouders heeft en die vijftien jaar oud is, kan worden ontvoogd indien de voogd en de toeziende voogd hem daartoe geschikt oordelen.
  De voogd en de toeziende voogd dienen daartoe een verzoek in bij de [1 familierechtbank]1, die optreedt overeenkomstig artikel 477. Wanneer zij het niet eens zijn, wordt het verzoek door een van hen ingediend. In dat geval moet de [1 familierechtbank]1 degene die geen verzoek heeft ingediend, horen of oproepen.
  Op verzoek van het openbaar ministerie wordt een eensluidend verklaard afschrift van het overeenkomstig dit artikel uitgesproken vonnis overgezonden aan de vrederechter van de plaats waar de voogdij is opengevallen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 71, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 479.<W 2001-04-29/39, art. 19, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Wanneer de voogd niets heeft ondernomen om de minderjarige die voldoet aan de in artikel 478 gestelde voorwaarden te ontvoogden en wanneer een of meer bloedverwanten of aanverwanten tot in de vierde graad van deze minderjarige hem geschikt oordelen om te worden ontvoogd, kunnen zij de procureur des Konings verzoeken zich met het oog op de ontvoogding tot de [1 familierechtbank]1 te wenden.
  De minderjarige kan te dien einde eveneens een verzoek indienen bij de procureur des Konings.
  Artikel 478, derde lid, is van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 72, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 480.<W 10-03-1975, art. 2> Indien de ontvoogde minderjarige geen curator van rechtswege heeft, wordt hem een curator toegevoegd door de [1 familierechtbank]1, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van enige belanghebbende :
  De [1 familierechtbank]1 benoemt op verzoek een curator ad hoc. De verzoeker kan aan de rechtbank een of meer kandidaten voor die taak voorstellen.
  De voogdijrekening wordt gedaan aan de ontvoogde minderjarige, al naar het geval bijgestaan door de curator of door de curator ad hoc.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 73, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 481. De ontvoogde minderjarige mag verhuringen aangaan waarvan de duur negen jaren niet te boven gaat; hij neemt zijn inkomsten in ontvangst, geeft daarvan kwijting en verricht alle daden van louter beheer, zonder dat hij daartegen in zijn recht kan worden hersteld in de gevallen waarin de meerderjarige zelf dit niet zou kunnen.

  Art. 482. Hij mag geen onroerende rechtsvordering instellen, noch zich op zodanige rechtsvordering verdedigen, noch zelfs roerende kapitalen in ontvangst nemen en daarvan kwijting geven zonder de bijstand van zijn curator, die in het laatste geval op de belegging van het ontvangen kapitaal toeziet.

  Art. 483. <W 2001-04-29/39, art. 20, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2001> De ontvoogde minderjarige mag onder geen enkel voorwendsel leningen aangaan zonder machtiging van de vrederechter gegeven overeenkomstig artikel 410, § 1.

  Art. 484. Evenmin mag hij zijn onroerende goederen verkopen of vervreemden of enige daad verrichten buiten die van louter beheer, (zonder de regels betreffende de voogdij in acht te nemen). <W 2001-04-29/39, art. 21, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  Verbintenissen die hij door aankopen of op andere wijze mocht hebben aangegaan, kunnen verminderd worden, ingeval zij buitensporig zijn; de rechtbanken nemen hierbij in aanmerking het vermogen van de minderjarige, de goede of kwade trouw van de personen die met hem hebben gehandeld, het nut of de nutteloosheid van de uitgaven.

  Art. 485. <W 08-04-1965, art. 21, 4> Aan iedere ontvoogde minderjarige die er niet toe in staat blijkt zichzelf te leiden of wiens verbintenissen ingevolge het vorige artikel zijn verminderd, kan het voordeel van de ontvoogding ontnomen worden; de ontvoogding wordt ingetrokken met inachtneming van dezelfde vormen als bij het verlenen van de ontvoogding zijn nagekomen, de minderjarige gehoord of opgeroepen.
  De procureur des Konings kan eveneens de intrekking van de ontvoogding aanvragen, (...). <W 2001-04-29/39, art. 22, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2001>

  Art. 486. Vanaf de dag dat de ontvoogding is ingetrokken, komt de minderjarige terug onder voogdij en hij blijft onder voogdij totdat hij zijn meerderjarigheid zal hebben bereikt.

  Art. 487. (Opgeheven) <W 19-01-1990, art. 33>

  HOOFDSTUK IV.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 25, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 487bis.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 25, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 487ter.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 25, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 487quater.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 25, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 487quinquies.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 25, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 487sexies.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 25, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 487septies.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 25, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 487octies.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 25, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  TITEL XI. - [1 Meerderjarigheid en beschermde personen]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 26, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  HOOFDSTUK I. - MEERDERJARIGHEID.

  Art. 488. <W 19-01-1990, art. 2> De meerderjarigheid is vastgesteld op de volle leeftijd van achttien jaren; op die leeftijd is men bekwaam tot alle handelingen van het burgerlijk leven.

  HOOFDSTUK Ibis. - VOORLOPIG BEWIND OVER DE GOEDEREN TOEBEHOREND AAN EEN MEERDERJARIGE. <W 18-07-1991, art. 2>

  Art. 488bis.<Ingevoegd bij W 18-07-1991, art. 3 tot 13> A. De meerderjarige die, geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, wegens zijn gezondheidstoestand, niet in staat is zijn goederen te beheren, kan met het oog op de bescherming ervan, een voorlopige bewindvoerder toegevoegd worden, als hem nog geen wettelijke vertegenwoordiger werd toegevoegd.
  B. (§ 1. Op zijn verzoek, op verzoek van elke belanghebbende of van de procureur des Konings kan aan de te beschermen persoon een voorlopige bewindvoerder worden toegevoegd door de vrederechter van zijn verblijfplaats, of bij gebreke daarvan, van zijn woonplaats.
  De vrederechter kan die maatregel ambtshalve nemen, wanneer bij hem een verzoek werd ingediend als bedoeld in de artikelen 5, § 1, en 23 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke of wanneer bij hem een omstandig verslag wordt ingediend als bedoeld in artikelen 13, 14 en 25 van dezelfde wet. Artikel 7, § 1, van dezelfde wet is in dit geval eveneens van toepassing.
  § 2. Eenieder kan ten overstaan van de vrederechter van zijn verblijfplaats en subsidiair van zijn woonplaats of ten overstaan van een notaris een verklaring afleggen waarin hij zijn voorkeur te kennen geeft omtrent een aan te wijzen voorlopige bewindvoerder indien hijzelf niet meer in staat zou zijn om zijn goederen te beheren. Van deze verklaring wordt (een proces-verbaal of een authentieke akte) opgesteld. Het proces-verbaal wordt medeondertekend door de persoon die de verklaring heeft afgelegd. De vrederechter kan zich op verzoek en op kosten van de verzoeker naar diens verblijfplaats en in voorkomend geval, naar diens woonplaats begeven om een verklaring op te nemen. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
  Binnen vijftien dagen na het afleggen van voormelde verklaring laat de griffier of de notaris deze verklaring opnemen in een centraal register dat wordt bijgehouden door de Koninklijke Federatie van het Belgisch notariaat.
  De Koning bepaalt de nadere regels inzake oprichting, beheer en raadpleging van het centraal register. De Koning bepaalt welke autoriteiten gratis toegang hebben. (De Koning bepaalt het tarief van de kosten voor de opneming van de verklaringen.) <W 2003-12-22/42, art. 382, 019; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
  Vooraleer de vrederechter kennis neemt van een verzoekschrift, moet de griffier nagaan of in het tweede lid bedoeld register een verklaring werd opgenomen. In dat geval, laat hij door de notaris of de vrederechter, bij wie de verklaring werd afgelegd, een eensluidend verklaard uittreksel overzenden.
  Eenieder kan op ieder moment op dezelfde wijze als bepaald in het eerste en tweede lid de verklaring herroepen en desgevallend een nieuwe voorkeur uitdrukken. Er wordt voorts gehandeld zoals bepaald in de vorige leden. De vrederechter of notaris voor wie de herroeping plaatsheeft, stelt de vrederechter of notaris voor wie de oorspronkelijke verklaring werd afgelegd, hiervan in kennis. Deze laatste vermeldt de wijziging op de oorspronkelijke akte.
  De vrederechter kan om ernstige redenen, gemotiveerd afwijken van de in het eerste lid, uitgedrukte wil.
  § 3. De vader (en/of de moeder, de echtgenoot,) de wettelijk samenwonende, de persoon met wie de beschermde persoon een feitelijk gezin vormt, de vertrouwenspersoon of een lid van de naaste familie die als voorlopige bewindvoerder werd aangesteld, kan ten overstaan van de vrederechter een verklaring afleggen waarin de voorkeur te kennen wordt gegeven over de aan te wijzen voorlopige bewindvoerder indien het mandaat door hem of haar niet zelf verder kan worden uitgeoefend. Van deze verklaring wordt een proces-verbaal opgesteld, dat onmiddellijk bij het dossier bedoeld in artikel 488bis, c), § 4 wordt gevoegd. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
  Telkens wanneer de vrederechter een voorlopige bewindvoerder aanstelt ter vervanging of opvolging van de voorlopige bewindvoerder bedoeld in het voorgaande lid, moet hij vooraf nagaan of in het dossier een verklaring werd opgenomen. De vrederechter kan om een ernstige reden, bij gemotiveerde beschikking afwijken van de in het eerste lid bedoelde verklaring.
  § 4. De te beschermen persoon heeft het recht zich, voor de duur van het voorlopig bewind, te laten bijstaan door een door hemzelf of, als hij er zelf geen aanwijst en indien nodig, door de vrederechter aangewezen vertrouwenspersoon, zoals bedoeld in § 7, (en in de artikelen) 488bis, c), § 2 en § 3, 488bis, d), en 488bis, f), § 1 en § 5. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
  De aanwijzing gebeurt door een verzoek daartoe gericht aan de vrederechter door de te beschermen persoon of door een derde in het belang van de te beschermen persoon bij de aanvang of tijdens de duur van het voorlopig bewind.
  Indien de vertrouwenspersoon vaststelt dat de voorlopige bewindvoerder tekort schiet in de uitoefening van zijn taak, moet hij, als belanghebbende, de vrederechter verzoeken de beschikking te herzien, overeenkomstig artikel 488bis, d).
  § 5. Het verzoek tot aanwijzing van een voorlopige bewindvoerder vermeldt, op straffe van nietigheid :
  1. de dag, maand en het jaar;
  2. de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker, alsook de graad van verwantschap of de aard van de betrekkingen die er bestaan tussen de verzoeker en de te beschermen persoon;
  3. het voorwerp van de vordering en in het kort de gronden ervan;
  4. de naam, voornaam, de verblijf- of woonplaats van de te beschermen persoon en in voorkomend geval van zijn vader en/of zijn moeder, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt;
  5. de aanwijzing van de rechter die ervan kennis moet nemen.
  Het verzoekschrift moet worden ondertekend door de verzoeker of zijn advocaat en vergezeld zijn van een attest van verblijfplaats, of, bij ontstentenis, van woonplaats van de te beschermen persoon dat ten hoogste vijftien dagen oud is.
  Het verzoekschrift vermeldt bovendien en voor zover mogelijk :
  1. de plaats en datum van geboorte van de te beschermen persoon;
  2. de aard en de samenstelling van de te beheren goederen;
  3. de naam, de voornaam en de woonplaats van de meerderjarige familieleden in de dichtste graad, doch niet verder dan de tweede graad.
  Als het verzoekschrift onvolledig is, vraagt de vrederechter de verzoeker om het binnen acht dagen aan te vullen.
  Het verzoekschrift kan tevens suggesties vermelden betreffende de keuze van de aan te stellen voorlopige bewindvoerder, alsook betreffende de aard en de omvang van diens bevoegdheden.
  De artikelen 1034bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.
  § 6. Op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt, behoudens in spoedeisende gevallen, een omstandige geneeskundige verklaring bij het verzoekschrift gevoegd, die ten hoogste vijftien dagen oud is, en de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon beschrijft.
  De verklaring vermeldt of de te beschermen persoon zich kan verplaatsen, en in het bevestigend geval, indien zulks gelet op zijn toestand, aangewezen is. Tevens vermeldt deze verklaring (of de te beschermen persoon nog kennis kan nemen) van de rekenschap van het beheer. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
  Deze geneeskundige verklaring mag niet worden opgesteld door een geneesheer die een bloed- of aanverwant is van de te beschermen persoon of van de verzoeker, of op enigerlei wijze verbonden is aan de instelling waar de te beschermen persoon zich bevindt.
  Indien er om redenen van dringendheid geen geneeskundige verklaring bij het verzoekschrift is gevoegd, gaat de vrederechter na of het aangevoerde motief van dringendheid gerechtvaardigd is.
  In bevestigend geval, vraagt de vrederechter binnen acht dagen na de datum waarop het verzoekschrift is ontvangen dat de verzoeker een omstandige geneeskundige verklaring bezorgt, die voldoet aan de vereisten bepaald in het eerste tot derde lid.
  § 7. De vrederechter wint alle dienstige inlichtingen in; hij kan een geneesheer-deskundige aanstellen die advies moet uitbrengen over de gezondheidstoestand en de wilsafhankelijkheid van de te beschermen persoon.
  De te beschermen persoon en desgevallend, zijn vader en/of zijn moeder, de echtgenoot, de wettelijke samenwonende, voor zover (de te beschermen persoon met hen samenleeft,) of de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt, worden door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om door de vrederechter in raadkamer te worden gehoord, desgevallend in aanwezigheid van hun advocaten en de vertrouwenspersoon van de te beschermen persoon. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
  Bij de gerechtsbrief wordt een afschrift van het verzoekschrift en desgevallend een uittreksel van de verklaring bedoeld in artikel 488bis, b), § 2 gevoegd.
  In de gerechtsbrief wordt vermeld dat de te beschermen persoon het recht heeft een advocaat en een vertrouwenspersoon aan te wijzen.
  Daarenboven verwittigt de griffier bij gerechtsbrief de in het verzoekschrift vermelde familieleden dat er een verzoekschrift werd ingediend, van de plaats en het tijdstip van het verhoor van de te beschermen persoon.
  De personen die bij gerechtsbrief worden opgeroepen, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk worden aldus partij in het geding tenzij verzet hiertegen ter zitting. Van deze bepaling geeft de griffier kennis in de gerechtsbrief.
  Deze familieleden kunnen persoonlijk op de zitting verschijnen en vragen gehoord te worden. Zij kunnen hun opmerkingen ook schriftelijk vóór de dag van de zitting aan de vrederechter meedelen.Er wordt overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid gehandeld indien de vrederechter overweegt ambtshalve een maatregel te nemen. Deze laatste mag zich eveneens begeven naar de verblijfplaats van de persoon of naar de plaats waar hij zich bevindt. Hiervan wordt een proces-verbaal opgesteld.
  De vrederechter kan daarnaast eenieder horen die hij geschikt acht om hem in te lichten. De oproeping gebeurt door de griffier bij gerechtsbrief.) <W 2003-05-03/62, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003 behalve § 2 waarvan Inwerkingtreding : 03-01-2005>
  C. (§ 1. Bij gemotiveerde beschikking wijst de vrederechter een voorlopige bewindvoerder aan met inachtneming van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen, de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon en zijn gezinstoestand.
  Onverminderd de artikelen 488bis, b), §§ 2 en 3, kiest de vrederechter bij voorkeur als voorlopige bewindvoerder desgevallend zijn vader en/of zijn moeder, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie of in voorkomend geval, de vertrouwenspersoon van de te beschermen persoon. In voorkomend geval, houdt hij hierbij rekening met de suggesties die in het verzoekschrift worden vermeld.
  De voorlopige bewindvoerder mag niet gekozen worden onder de bestuurs- of personeelsleden van de instelling waarin de te beschermen persoon zich bevindt.
  De Koning kan de uitoefening van de functie van voorlopige bewindvoerder afhankelijk maken van bepaalde voorwaarden onder meer om het aantal personen te beperken waarvoor een voorlopige bewindvoerder de goederen dient te beheren.
  De aanwijzing geschiedt bij afzonderlijke beschikking wanneer bij de vrederechter een verzoekschrift ingediend is, bepaald in artikel 5, § 1, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke of wanneer bij hem een omstandig verslag wordt ingediend, als bedoeld in de artikelen 13 en 25, § 1, van dezelfde wet.
  Binnen drie dagen na de uitspraak geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van de beschikking aan de aangestelde voorlopige bewindvoerder. De voorlopige bewindvoerder laat binnen acht dagen na zijn aanwijzing schriftelijk weten of hij die aanvaardt. Dit stuk wordt gevoegd bij het dossier.
  Wordt de aanwijzing, bedoeld in het vorige lid, niet aanvaard, dan stelt de vrederechter ambtshalve een andere voorlopige bewindvoerder aan.
  Na de aanvaarding door de voorlopige bewindvoerder wordt een afschrift van de beschikking van aanwijzing van de voorlopige bewindvoerder medegedeeld aan de procureur des Konings.
  Binnen drie dagen na de ontvangst van de aanvaarding geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van de beschikking aan de verzoeker, aan de tussenkomende partijen, aan de te beschermen persoon en desgevallend aan de vertrouwenspersoon. Een niet ondertekend afschrift wordt, in voorkomend geval, bij gewone brief aan hun advocaten gezonden.
  Een uitgifte van de beslissing kan onderaan op een exemplaar van het verzoekschrift worden gesteld.
  § 2. Uiterlijk één maand na de aanvaarding van zijn aanwijzing moet de voorlopige bewindvoerder een verslag opstellen met betrekking tot de vermogenstoestand en de inkomstenbronnen van de beschermde persoon en dit overzenden aan de vrederechter, aan de beschermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon. Daarenboven kan de vrederechter hem ervan ontslaan om dit verslag aan de beschermde persoon over te zenden, voorzover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
  § 3. De voorlopige bewindvoerder geeft jaarlijks en binnen dertig dagen na het einde van zijn mandaat rekenschap aan de personen vermeld in § 2. In dit schriftelijk verslag worden minstens de volgende gegevens vermeld :
  1. de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de voorlopige bewindvoerder;
  2. de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de beschermde persoon en, in voorkomend geval, van zijn vertrouwenspersoon;
  3. een overzicht van de inkomsten en uitgaven tijdens de voorbije periode en een overzicht van de stand van het beheerde vermogen bij de aanvang en op het einde van deze periode;
  4. de data waarop de voorlopige bewindvoerder in de loop van het jaar persoonlijk contact heeft gehad met de beschermde persoon of diens vertrouwenspersoon;
  5. de materiële levensvoorwaarden en de leefsituatie van de beschermde persoon alsmede de wijze waarop de voorlopige bewindvoerder daarop heeft ingespeeld.
  In geval van overlijden van de beschermde persoon tijdens de duur van het voorlopig bewind legt de voorlopige bewindvoerder binnen dertig dagen zijn eindverslag neer ter griffie. Hiervan kan ter griffie kennis genomen worden door de erfgenamen van de beschermde persoon en de notaris die belast wordt met de aangifte en de verdeling van de nalatenschap. Dit geldt onverminderd de toepassing van artikel 1358 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
  Indien hij zulks nodig acht, kan de vrederechter van de voorlopige bewindvoerder waarborgen eisen, hetzij bij zijn aanwijzing, (hetzij gedurende de uitoefening) van zijn opdracht. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
  De voorlopige bewindvoerder brengt de beschermde persoon op de hoogte van de handelingen die hij verricht. In bijzondere omstandigheden kan de vrederechter hem vrijstellen van deze verplichting. In dit geval brengt de voorlopige bewindvoerder de vertrouwenspersoon van de beschermde persoon (op de hoogte) Bij ontstentenis van een vertrouwenspersoon, kan de vrederechter een andere persoon of instelling aanwijzen die door de voorlopige bewindvoerder op de hoogte moet worden gebracht. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
  § 4. De schriftelijke verslagen opgemaakt met toepassing van §§ 2 en 3, worden op de griffie van het vredegerecht bewaard in een dossier op naam van de beschermde persoon.
  Het dossier omvat eveneens :
  1. een afschrift van de oorspronkelijke beschikking tot aanstelling van een voorlopige bewindvoerder;
  2. de naam en het adres van de door de beschermde persoon aangewezen vertrouwenspersoon;
  3. de naam en het adres van de andere persoon of instelling die door de vrederechter werd aangewezen met toepassing van de bepalingen van § 3;
  4. een afschrift van alle beschikkingen getroffen met toepassing van de artikelen 488bis, d), tot 488bis, h);
  5. de door de vrederechter gevoerde briefwisseling met betrekking (tot het voorlopige bewind.)) <W 2003-05-03/62, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003> <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
  D. (De vrederechter kan te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de beschermde persoon of van elke belanghebbende evenals van de procureur des Konings of de voorlopige bewindvoerder, bij een gemotiveerde beschikking, een einde maken aan de opdracht van deze laatste, de bevoegdheden wijzigen die hem werden opgedragen of hem vervangen.
  De vorderingen vermeld in het voorgaande lid worden bij eenzijdig verzoekschrift ingediend en worden door de verzoeker of zijn advocaat ondertekend. De vrederechter kan verder eenieder horen die hij geschikt acht om hem in te lichten. De voorlopige bewindvoerder behoort in alle gevallen te worden gehoord of opgeroepen.
  De opdracht van de voorlopige bewindvoerder eindigt van rechtswege zodra de wettelijke vertegenwoordiger, benoemd in geval van onbekwaamverklaring of verklaring van verlengde minderjarigheid van de beschermde persoon, zijn taak aanvat, ingeval van aanstelling van een voorlopige bewindvoerder krachtens artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek [1 , in geval van toekenning van de definitieve invrijheidstelling aan de geïnterneerde persoon]1 en in geval van overlijden van de beschermde persoon. [1 Het openbaar ministerie geeft de vrederechter kennis van de definitieve invrijheidstelling van de geïnterneerde persoon.]1
  Door een aan de vrederechter en aan de voorlopige bewindvoerder gerichte gewone brief kan de beschermde persoon op elk ogenblik afzien van de bijstand van de door hem aangewezen vertrouwenspersoon of een andere vertrouwenspersoon aanwijzen. Er bestaat tevens de mogelijkheid dit mondeling te doen, waarvan akte wordt opgesteld door de rechter met bijstand van de griffier, waarvan afschrift gezonden wordt aan de voorlopige bewindvoerder. Deze melding wordt opgenomen in het dossier.
  De vrederechter kan, in het belang van de te beschermen persoon te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de voorlopige bewindvoerder of de procureur des Konings, bij een gemotiveerde beschikking beslissen dat de vertrouwenspersoon zijn functie niet meer kan uitoefenen.) <W 2003-05-03/62, art. 4, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
  E. § 1. Elke beslissing houdende aanwijzing van een voorlopige bewindvoerder of wijziging van diens bevoegdheden wordt, door toedoen van de griffier, bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad opgenomen.
  Hetzelfde geldt voor de beslissingen van opheffing of van vernietiging.
  De bekendmaking moet geschieden binnen vijftien dagen na de uitspraak; de ambtenaren aan wie het verzuim of de vertraging te wijten zou zijn, zijn aansprakelijk jegens de betrokkenen indien bewezen wordt dat de vertraging of het verzuim het gevolg is van collusie.
  (Binnen dezelfde termijn wordt de beslissing door de griffier betekend aan de burgemeester van de woonplaats van de beschermde persoon teneinde te worden aangetekend in het bevolkingsregister. De burgemeester verstrekt een uittreksel uit het bevolkingsregister met vermelding van de naam, het adres en de staat van bekwaamheid van een persoon aan de persoon zelf of aan elke derde die een belang aantoont.) <W 2003-05-03/62, art. 5, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
  § 2. Rekening houdend met de beperkte opdracht van de voorlopige bewindvoerder, kan de vrederechter bepalen dat de beslissingen bedoeld in § 1, door toedoen van de griffier, uitsluitend ter kennis zullen worden gebracht van de personen die hij aanwijst.
  § 3. De Koning kan andere maatregelen van openbaarmaking in het belang van derden voorschrijven.
  F. (§ 1. De voorlopige bewindvoerder heeft tot taak de goederen van de beschermde persoon als een goed huisvader te beheren of de beschermde persoon in dat beheer bij te staan.
  Bij de uitvoering van zijn opdracht pleegt hij op regelmatige tijdstippen overleg met de beschermde persoon of diens vertrouwenspersoon.
  Hij kan zich in zijn beheer laten bijstaan door een of meer personen die onder zijn verantwoordelijkheid optreden.
  Wanneer zijn belangen in strijd zijn met die van de beschermde persoon kan hij slechts optreden krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter.
  Deze machtiging wordt verleend bij gemotiveerde beschikking op verzoek van de voorlopige bewindvoerder. De procedure van artikel 488bis, b), § 7, tweede en derde lid, is van toepassing.
  § 2. De rechter bepaalt, met inachtneming van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen evenals met de gezondheidstoestand van de beschermde persoon, de omvang van de bevoegdheden van de voorlopige bewindvoerder.
  De vrederechter kan de handelingen of categorieën van handelingen aanwijzen die de beschermde persoon maar kan stellen met bijstand van zijn voorlopige bewindvoerder.
  § 3. Bij gebreke van aanwijzingen in de in artikel 488bis, c), bedoelde beschikking, vertegenwoordigt de voorlopige bewindvoerder de beschermde persoon in alle rechtshandelingen en procedures als eiser en als verweerder.
  Evenwel kan hij slechts krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter :
  a) de beschermde persoon in rechte vertegenwoordigen als eiser bij de andere rechtsplegingen en handelingen dan die bedoeld in de artikelen 1150, 1180-1°, 1187, tweede lid, en 1206, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek (en andere dan die met betrekking tot) huurcontracten, tot bewoning zonder akte of bewijs, tot sociale wetgeving ten gunste van de beschermde persoon en tot de burgerlijke partijstelling; <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
  b) de roerende en onroerende goederen van de beschermde persoon vervreemden;
  c) leningen aangaan en hypotheken toestaan alsook toestemming geven tot het doorhalen van een hypothecaire inschrijving, met of zonder kwijting, en van de overschrijving van een bevel tot uitvoerend beslag zonder betaling;
  d) berusten in een vordering betreffende onroerende rechten;
  e) (een nalatenschap, een algemeen legaat of een legaat onder algemene titel verwerpen of aanvaarden, wat slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving kan geschieden;) <KB 2005-06-15/35, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  f) (een schenking, of een legaat onder bijzondere titel aanvaarden;) <KB 2005-06-15/35, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  g) een pachtovereenkomst of een handelshuurovereenkomst sluiten alsook een handelshuurovereenkomst hernieuwen en een huurovereenkomst voor een duur van meer dan negen jaar sluiten;
  h) een dading aangaan;
  i) een onroerend goed aankopen.
  De vrederechter wordt geadieerd bij eenvoudig verzoekschrift. Hij wint alle dienstige inlichtingen in; hij kan onder meer de mening vragen van de beschermde persoon en van eenieder die hij geschikt acht om hem in te lichten, onverminderd de artikelen 1186 en 1193bis van het Gerechtelijk Wetboek, inzake verkopingen van onroerende goederen.
  Indien de vrederechter dat nuttig acht, wordt de handelszaak van de beschermde persoon voortgezet door zijn voorlopige bewindvoerder onder de door de vrederechter vastgestelde voorwaarden. Het bestuur ervan kan worden opgedragen aan een bijzondere bewindvoerder onder het toezicht van de voorlopige bewindvoerder. De bijzondere bewindvoerder wordt aangewezen door de rechtbank van koophandel op verzoek van de vrederechter.
  § 4. De woning van de beschermde persoon en het huisraad waarmeer deze woning gestoffeerd is, moeten zo lang mogelijk te zijner beschikking blijven.
  Als het, in het bijzonder bij langdurige opneming of verblijf, noodzakelijk wordt of in het belang is van de beschermde persoon dat over de rechten in verband (daarmee wordt beschikt,) moet daartoe de machtiging bedoeld in § 3 verleend worden door de vrederechter. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
  Deze machtiging wordt verleend krachtens de rechtspleging bepaald in artikel 488bis, f), § 3.
  Souvenirs (en andere persoonlijke voorwerpen) worden niet vervreemd, tenzij dit strikt noodzakelijk is, en moeten door toedoen van de voorlopige bewindvoerder ter beschikking gehouden worden van de beschermde persoon. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
  § 5. Binnen de perken van de inkomsten die hij ontvangt betaalt de voorlopige bewindvoerder de kosten van onderhoud en behandeling die ten laste zijn van de beschermde persoon en stelt hij hem, na daarover met hem of met de vertrouwenspersoon te hebben overlegd, de sommen ter beschikking die hij nodig acht voor de verbetering van diens lot, een en ander onverminderd hetgeen bij wet en verordening bepaald is omtrent de vergoeding van de kosten van onderhoud van de zieken, gehandicapten en bejaarden. (Bovendien moet hij de toepassing) van de sociale wetgeving vorderen in het belang van de beschermde persoon. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
  § 6. De gelden en de goederen van de beschermde persoon worden volledig en duidelijk afgescheiden van het persoonlijk vermogen van de voorlopig bewindvoerder. De banktegoeden van de beschermde persoon worden op zijn naam ingeschreven.) <W 2003-05-03/62, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
  G. (De verkoop van de roerende en onroerende goederen van de beschermde persoon vindt plaats overeenkomstig de bepalingen van de hoofdstukken IV en V van het vierde boek van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek.) <W 2003-05-03/62, art. 7, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
  H. (§ 1. De vrederechter kan aan de voorlopige bewindvoerder, bij een gemotiveerde beslissing, na de overlegging door de voorlopige bewindvoerder van het verslag bedoeld in artikel 488bis, c), § 3, een bezoldiging toekennen waarvan het bedrag niet hoger (mag zijn dan drie procent) van de inkomsten van de beschermde persoon. Naast de bezoldiging worden de gemaakte kosten vergoed, na door de vrederechter behoorlijk te zijn nagezien. Hij kan hem nochtans, na overlegging van met redenen omklede staten, een bezoldiging toekennen in verhouding tot de vervulde buitengewone ambtsverrichtingen. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
  Het is de voorlopige bewindvoerder verboden, buiten de in het eerste lid vermelde bezoldigingen, enige bezoldiging of voordeel, van welke aard ook of van wie ook, te ontvangen met betrekking tot het uitoefenen (van het gerechtelijk mandaat) van voorlopige bewindvoerder. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
  § 2. De beschermde persoon kan slechts geldig schenken onder levenden of een uiterste wilsbeschikking maken na machtiging, op zijn verzoek, door de vrederechter. De vrederechter oordeelt over de wilsgeschiktheid van de beschermde persoon.
  De vrederechter mag de machtiging om te schenken weigeren indien de beschermde persoon of zijn onderhoudsgerechtigden door de schenking behoeftig dreigen te worden.
  De bepalingen van de artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. In afwijking van artikel 1026, 5°, van hetzelfde Wetboek, volstaat de handtekening van de verzoeker.
  De vrederechter kan een geneesheer-deskundige aanstellen die advies moet uitbrengen over de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon.
  De vrederechter wint alle dienstige inlichtingen in (en kan eenieder) die hij geschikt acht om hem in te lichten, oproepen bij gerechtsbrief om door hem in raadkamer te worden gehoord. Hij roept in ieder geval de voorlopige bewindvoerder op in geval van schenking. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
  De procedure van artikel 488bis, b), § 6, is van overeenkomstige toepassing.
  § 3. Onverminderd § 2 is de beschermde persoon bekwaam om een huwelijkscontract aan te gaan en zijn huwelijksvermogensstelsel te wijzigen met bijstand van de voorlopige bewindvoerder, na machtiging door de vrederechter op basis van het door de notaris opgestelde ontwerp.
  In bijzondere gevallen kan de vrederechter de voorlopige bewindvoerder machtigen alleen op te treden.
  De rechtspleging van artikel 488bis, f), § 3, tweede lid, is van toepassing.) <W 2003-05-03/62, art. 8, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
  I. Alle handelingen die door de beschermde persoon zijn verricht in strijd met de bepalingen van artikel 488bis, f), zijn nietig. Deze nietigheid kan uitsluitend door de beschermde persoon of de voorlopige bewindvoerder worden ingeroepen.
  Het eerste lid is toepasselijk op de handelingen verricht na de indiening van het verzoekschrift tot aanstelling van een voorlopige bewindvoerder.
  J. De vordering tot nietigverklaring op grond van het voorgaand artikel verjaart door verloop van vijf jaren.
  Deze termijn loopt, tegen de beschermde persoon, vanaf het tijdstip waarop hij van de betwiste handeling kennis heeft gekregen, of vanaf de betekening die hem ervan is gedaan na afloop van de opdracht van de voorlopige bewindvoerder.
  Hij loopt, tegen zijn erfgenamen, vanaf het tijdstip waarop zij kennis ervan hebben gekregen of vanaf de betekening die hun ervan is gedaan na het overlijden van hun rechtsvoorganger.
  De verjaring die tegen deze laatste is beginnen lopen, loopt verder tegen de erfgenamen.
  De beschermde persoon of zijn erfgenamen kunnen echter, ook na verloop van die termijn, vergoeding voor geleden schade vorderen van een medecontractant die te kwader trouw was.
  K. Betekeningen en kennisgevingen aan personen aan wie een voorlopige bewindvoerder is toegevoegd, worden gedaan aan diens woonplaats of verblijfplaats.
  
  (NOTA : dit artikel 488bis, A tot 488bis, K worden opgeheven door W 2013-03-17/14, art. 27, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/11, art. 85, 070; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (zie art. 136. Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>

  HOOFDSTUK II. - [1 Beschermde personen]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 28, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Afdeling 1. - [1 Toepassingsgebied]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 29, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 488/1.[1 De meerderjarige die wegens zijn gezondheidstoestand geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, niet in staat is zonder bijstand of andere beschermingsmaatregel zijn belangen van vermogensrechtelijke of niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, kan onder bescherming worden geplaatst, indien en voor zover de bescherming van zijn belangen dit vereist.
   [2 Voor een minderjarige kan vanaf de volle leeftijd van zeventien jaar een verzoek tot plaatsing onder bescherming ingediend worden indien vaststaat dat hij bij zijn meerderjarigheid in de toestand zal verkeren als bedoeld in het eerste lid. De bescherming treedt in werking op het tijdstip waarop de beschermde persoon meerderjarig wordt.]2 ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 30, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 183, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 488/2. [1 Een beschermingsmaatregel over de goederen kan worden bevolen voor meerderjarige personen die zich in staat van verkwisting bevinden, indien en voor zover de bescherming van hun belangen dit vereist.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 31, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Afdeling 2. - [1 Buitengerechtelijke bescherming]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 32, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 489.[1 De bepalingen van deze afdeling zijn uitsluitend van toepassing op daden van vertegenwoordiging die betrekking hebben op de goederen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 33, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 490.[1 De bijzondere of algemene lastgeving verleend door een wilsbekwame meerderjarige of ontvoogde minderjarige persoon waarvoor geen enkele beschermingsmaatregel werd getroffen als bedoeld in artikel 492/1, en die in het bijzonder tot doel heeft om voor hem een buitenrechterlijke bescherming te regelen, wordt geregistreerd in het centraal register dat wordt bijgehouden door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat.
   Het verzoek tot registratie gebeurt door de neerlegging van een voor eensluidend verklaard afschrift van de overeenkomst ter griffie van het vredegerecht van de verblijfplaats van de lastgever en subsidiair van zijn woonplaats, of door tussenkomst van de notaris die de lastgevingsovereenkomst heeft opgesteld.
   In deze overeenkomst kunnen een aantal beginselen worden opgenomen die de lasthebber bij de uitoefening van zijn opdracht in acht moet nemen.
   Binnen vijftien dagen na het verzoek tot registratie van de lastgevingsovereenkomst laat de griffier of de notaris deze opnemen in het centraal register dat wordt bijgehouden door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat. De Koning bepaalt de nadere regels inzake oprichting, beheer en raadpleging van het centraal register. Hij bepaalt welke overheden gratis toegang hebben tot het centraal register en bepaalt het tarief van de kosten voor de registratie van de overeenkomsten.
   De lasthebber en de meerderjarige of ontvoogde minderjarige lastgever die wilsbekwaam is en voor wie geen beschermingsmaatregel werd getroffen als bedoeld in artikel 492/1 kunnen op ieder ogenblik hun beslissing om de overeenkomst te beëindigen schriftelijk ter kennis brengen van de in het tweede lid bedoelde griffie of notaris, met opgave van de redenen voor deze beslissing. De lastgever kan op dezelfde wijze ook de beginselen wijzigen die de lasthebber bij de uitoefening van zijn opdracht in acht moet nemen en die zijn opgenomen in die overeenkomst. De griffier of de notaris die in kennis is gesteld van de beslissing om de overeenkomst te beëindigen, brengt de griffier of notaris door wiens tussenkomst de overeenkomst werd geregistreerd hiervan op de hoogte. Deze laatste vermeldt de wijziging op de oorspronkelijke akte of op het afschrift. Er wordt voorts gehandeld overeenkomstig het vierde lid.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 34, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 490/1.[1 § 1. § 1. De in artikel 490 bedoelde bijzondere of algemene lastgeving eindigt niet van rechtswege wanneer de lastgever verkeert in de toestand als bedoeld in artikel 488/1 en 488/2.
   In afwijking van het eerste lid kunnen in dat geval niet als lasthebber optreden :
   1° de personen op wie een in afdeling 3 bedoelde rechterlijke beschermingsmaatregel van toepassing is;
   2° de personen die krachtens artikel 496/6 geen bewindvoerder mogen zijn.
   § 2. De vrederechter kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de lastgever, de lasthebber, iedere belanghebbende evenals de procureur des Konings, een beslissing treffen omtrent de uitvoering van de lastgeving. De artikelen 1241 [2 en 1246]2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
   Ingeval de vrederechter vaststelt dat de lastgever zich bevindt in de toestand als bedoeld in artikel 488/1 of 488/2, dat de lastgeving beantwoordt aan het belang van de lastgever en dat de lasthebber zijn opdracht heeft aanvaard, beveelt hij dat de lastgeving geheel of gedeeltelijk wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 490/2. De beslissing wordt bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de verzoeker, de lastgever en de lasthebber.
   In het tegenovergestelde geval kan de vrederechter, bij een met bijzondere redenen omklede beschikking, met toepassing van artikel 492/1 een rechterlijke beschermingsmaatregel bevelen die de lastgeving geheel of gedeeltelijk beëindigt, of daarbovenop komt. De bepalingen van deel IV, boek IV, hoofdstuk X, afdeling I van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
   § 3. [2 De lasthebber beoordeelt het tijdstip waarop de lastgever komt te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 488/1 of 488/2, in voorkomend geval, overeenkomstig hetgeen wordt bepaald in de lastgevingsovereenkomst bedoeld in artikel 490. Deze beoordeling is tegenstelbaar aan een derde te goeder trouw.]2
  De handelingen die de lasthebber in naam en voor rekening van de lastgever heeft verricht, kunnen, ingeval de lastgevingsovereenkomst niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in § 1, nietig worden verklaard in geval van benadeling, als de lasthebber wist of had moeten weten dat de lastgever zich op dat tijdstip kennelijk bevond in een toestand als bedoeld in artikel 488/1 of 488/2. De rechter beoordeelt de nietigheid van de handelingen, met inachtneming van de rechten van de derden die te goeder trouw zijn. De nietigheid doet geen afbreuk aan eventuele aansprakelijkheidsvorderingen die de lastgever tegen de lasthebber kan instellen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 35, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 184, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 490/2. [1 § 1. Behoudens andersluidende wettelijke bepaling is de in artikel 490 bedoelde lastgeving onderworpen aan de artikelen 1984 tot 2010.
   Bij de uitvoering van zijn opdracht neemt de lasthebber, voor zover mogelijk, de door de lastgever overeenkomstig artikel 490, derde lid, opgegeven beginselen in acht.
   De lasthebber pleegt bij de uitvoering van zijn opdracht op regelmatige tijdstippen overleg met de lastgever. Hij brengt de lastgever alsook, in voorkomend geval, de in de lastgevingsovereenkomst aangewezen derden op de hoogte van de handelingen die hij verricht.
   Wanneer de belangen van de lasthebber in strijd zijn met die van de lastgever, stelt de vrederechter, ambtshalve of op verzoek van de lastgever of iedere belanghebbende, een lasthebber ad hoc aan. De in artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde procedure is van toepassing.
   De gelden en de goederen van de lastgever worden volledig en duidelijk afgescheiden van het persoonlijke vermogen van de lasthebber. De banktegoeden van de lastgever worden op zijn naam ingeschreven.
   Heeft de lastgever meerdere lasthebbers aangewezen, dan worden geschillen tussen hen door de vrederechter op verzoek beslecht in het belang van de lastgever. De in artikel 1252 bedoelde procedure van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing.
   § 2. De vrederechter kan te allen tijde geheel of gedeeltelijk een einde maken aan de lastgeving, ingeval de uitvoering ervan van die aard is dat de belangen van de lastgever in gevaar worden gebracht of de lastgeving geheel of gedeeltelijk vervangen moet worden door een rechterlijke beschermingsmaatregel die de belangen van de lastgever beter dient. Hij kan tevens de uitvoering van de lastgeving onderwerpen aan dezelfde vormvereisten als die welke gelden bij een rechterlijke beschermingsmaatregel. De vrederechter kan zich hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van elke belanghebbende evenals de procureur des Konings, uitspreken over de voorwaarden en nadere regels tot uitvoering van de lastgeving. Op de niet-naleving van de opgelegde voorwaarden met betrekking tot de lastgeving staan dezelfde sancties als die welke gelden voor een rechterlijke beschermingsmaatregel.
   Artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing.
   § 3. De buitengerechtelijke beschermingsmaatregel neemt een einde :
   1° ingeval de lastgever zich niet meer bevindt in de toestand als bedoeld in artikel 488/1 of 488/2;
   2° door de kennisgeving van de opzegging van de lastgeving door de lasthebber overeenkomstig artikel 490, vijfde lid;
   3° door de kennisgeving van de herroeping van de lastgeving door de lastgever overeenkomstig artikel 490, vijfde lid;
   4° door het overlijden van de lastgever of van de lasthebber of door diens plaatsing onder een rechterlijke beschermingsmaatregel, overeenkomstig artikel 492/1;
   5° door een beslissing van de vrederechter genomen overeenkomstig § 2 of artikel 490/1, § 2, derde lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 36, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Afdeling 3. - [1 Rechterlijke bescherming]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 37, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Onderafdeling 1. [1 Definities]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 38, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 491.[1 Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
   a) beschermde persoon : een meerderjarige persoon die door een rechterlijke beslissing overeenkomstig artikel 492/1 onbekwaam werd verklaard om één of meer handelingen te stellen;
   b) [2 ...]2
   c) [2 ...]2
   d) [2 ...]2
   e) bekwaamheid : de bevoegdheid om rechten en plichten zelf en zelfstandig uit te oefenen;
   f) bijstand : wijze waarop de in hoofdstuk II/1, afdeling 4, onderafdeling 2, bedoelde onbekwaamheid wordt opgevangen waarbij de beschermde persoon zelf, maar niet zelfstandig een bepaalde handeling mag stellen;
   g) vertegenwoordiging : wijze waarop de in hoofdstuk II/1, afdeling 4, onderafdeling 3, bedoelde onbekwaamheid wordt opgevangen waarbij de beschermde persoon niet zelfstandig, noch zelf een bepaalde handeling mag stellen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 39, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 185, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Onderafdeling 2. - [1 De onbekwaamheid]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 40, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 492.[1 De vrederechter kan ten aanzien van de persoon bedoeld in de artikelen 488/1 en 488/2 een rechterlijke beschermingsmaatregel bevelen wanneer en in de mate hij vaststelt dat dit noodzakelijk is en dat de bestaande wettelijke of buitengerechtelijke bescherming niet volstaat.
   Vooraleer de vrederechter een rechterlijke beschermingsmaatregel beveelt, gaat de griffier na of in het centraal register, bijgehouden door de Koninklijke federatie van het Belgisch notariaat, een lastgevingsovereenkomst of beslissing tot beëindiging van de overeenkomst als bedoeld in artikel 490 werd geregistreerd. Als dit het geval is, laat hij door de notaris of de griffier van het vredegerecht waar de lastgevingsovereenkomst werd neergelegd, een eensluidend verklaard afschrift overzenden.
   De buitengerechtelijke beschermingsmaatregel blijft van toepassing in de mate dat hij verenigbaar is met de rechterlijke beschermingsmaatregel. In voorkomend geval bepaalt de vrederechter de voorwaarden waaronder de lastgeving verder kan worden uitgevoerd.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 186, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 492/1.[1 § 1. De vrederechter die een rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de persoon beveelt, bepaalt de handelingen in verband met de persoon waarvoor de beschermde persoon onbekwaam is, met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden en zijn gezondheidstoestand. Hij somt deze handelingen uitdrukkelijk op in zijn beschikking.
   Bij gebreke van aanwijzingen in de in het eerste lid bedoelde beschikking blijft de beschermde persoon bekwaam voor alle handelingen in verband met zijn persoon.
   De vrederechter oordeelt in zijn beschikking in ieder geval uitdrukkelijk over de bekwaamheid van de beschermde persoon met betrekking tot :
   1° de keuze van zijn verblijfplaats;
   2° het geven van de toestemming tot huwen bedoeld in artikel 75 en 146;
   3° het instellen van en zich verweren tegen een vordering tot nietigverklaring van het huwelijk, bedoeld in de artikelen 180, 184 en 192;
   4° het instellen van en zich verweren tegen een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk, bedoeld in artikel 229;
   5° het indienen van een verzoek tot echtscheiding door onderlinge toestemming bedoeld in artikel 230;
   6° het instellen van en zich verweren tegen een vordering tot scheiding van tafel en bed bedoeld in artikel 311bis;
   7° het erkennen van een kind overeenkomstig [2 artikel 328]2 ;
   8° het voeren van gedingen als eiser of als verweerder betreffende zijn afstamming bedoeld in boek I, titel VII;
   9° de uitoefening van het ouderlijk gezag over de persoon van de minderjarige, bedoeld in boek I, titel IX [2 en van de ouderlijke prerogatieven]2 ;
   10° de aflegging van een verklaring van wettelijke samenwoning bedoeld in artikel 1476, § 1, alsook de beëindiging van de wettelijke samenwoning, bedoeld in artikel 1476, § 2;
   11° in voorkomend geval, het afleggen van een verklaring tot verkrijging van de Belgische nationaliteit, bedoeld in hoofdstuk III van het Wetboek van de Belgische nationaliteit van 28 juni 1984;
   12° de uitoefening van de rechten bedoeld in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van de persoonsgegevens;
   13° de uitoefening van het recht bedoeld in de wet van 23 juni 1961 betreffende het recht tot antwoord;
   14° het richten van een verzoek tot naams- of voornaamswijziging, bedoeld in artikel 2 van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen;
   15° de uitoefening van de rechten van de patiënt, bedoeld in de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt;
   16° het verlenen van de toestemming om een experiment op de menselijke persoon uit te voeren overeenkomstig artikel 6 van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon;
   17° het verlenen van de toestemming tot het wegnemen van organen zoals bedoeld in artikel 5 of artikel 10 van de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen;
   18° de uitoefening van het recht op weigering om een autopsie uit te voeren op zijn kind van minder dan achttien maanden, bedoeld in artikel 3 van de wet van 26 maart 2003 houdende regeling van de autopsie na het onverwachte en medisch onverklaarde overlijden van een kind van minder dan achttien maanden;
  [2 19° het verlenen van de toestemming tot het wegnemen van lichaamsmateriaal bij levenden als bedoeld in artikel 10 van de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek.]2
  [2 De onbekwaamheid om het ouderlijk gezag bedoeld in het derde lid, 9° uit te oefenen, heeft de onbekwaamheid voor de uitoefening van het wettelijk bewind bedoeld in § 2, derde lid, 17° tot gevolg.]2
   § 2. De vrederechter die een rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de goederen beveelt, bepaalt, met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden, van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen en van de gezondheidstoestand van de beschermde persoon, de handelingen of categorieën van handelingen in verband met de goederen waarvoor deze onbekwaam is.
   Bij gebreke van aanwijzingen in de in het eerste lid bedoelde beschikking is de beschermde persoon bekwaam voor alle handelingen met betrekking tot de goederen.
   De vrederechter oordeelt in zijn beschikking in ieder geval uitdrukkelijk over de bekwaamheid van de beschermde persoon met betrekking tot :
   1° het vervreemden van zijn goederen;
   2° het aangaan van een lening;
   3° het in pand geven of hypothekeren van zijn goederen alsook het geven van de toestemming tot doorhaling van een hypothecaire inschrijving, met of zonder kwijting, en van de overschrijving van een bevel tot uitvoerend beslag zonder betaling;
   4° het afsluiten van een pachtcontract, een handelshuurovereenkomst of een gewone huurovereenkomst van meer dan negen jaar;
   5° het aanvaarden of verwerpen van een nalatenschap, een algemeen legaat of een legaat onder algemene titel;
   6° het aanvaarden van een schenking of een legaat onder bijzondere titel;
   7° het optreden in rechte als eiser en verweerder;
   8° het afsluiten van een overeenkomst van onverdeeldheid;
   9° het aankopen van een onroerend goed;
   10° het aangaan van een dading of het afsluiten van een arbitrageovereenkomst;
   11° het voortzetten van een handelszaak;
   12° het berusten in een vordering betreffende onroerende rechten;
   13° het schenken onder levenden;
   14° het aangaan of wijzigen van een huwelijkscontract;
  [2 14/1° een overeenkomst als bedoeld in artikel 1478, vierde lid, af te sluiten en te wijzigen;]2
   15° het maken of herroepen van een uiterste wilsbeschikking;
   16° het stellen van handelingen met betrekking tot het dagelijkse beheer;
   17° de uitoefening van het wettelijk bewind over de goederen van de minderjarige bedoeld in boek I, titel IX.
   In voorkomend geval verduidelijkt de vrederechter in zijn beschikking welke de in het derde lid, 16°, bedoelde handelingen zijn die betrekking hebben op het dagelijkse beheer.
   § 3. Ingeval de vrederechter zowel een rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de persoon als een rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de goederen beveelt, bepaalt hij in twee onderscheiden delen van zijn beschikking de handelingen met betrekking tot de persoon en de handelingen met betrekking tot de goederen waarvoor de beschermde persoon onbekwaam is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 42, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 187, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 492/2. [1 De vrederechter kan de vertegenwoordiging bij het verrichten van een rechtshandeling of proceshandeling slechts bevelen ingeval de bijstand bij het verrichten van die handeling niet volstaat.
   Indien de beschikking geen andersluidende aanwijzing bevat, wordt de beschermde persoon alleen bijgestaan bij het verrichten van de handelingen waarvoor hij onbekwaam is verklaard.
   Ten aanzien van een in artikel 488/2 bedoelde persoon kan de vrederechter enkel de bijstand bevelen bij bepaalde of alle handelingen die betrekking hebben op de goederen van de beschermde persoon.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 43, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 492/3.[1 De rechterlijke beschermingsmaatregel heeft gevolgen vanaf de bekendmaking van de beschikking in het Belgisch Staatsblad wat betreft de handelingen bedoeld in [2 de artikelen 499/7, §§ 1 en 2, 905, 1397/1 en 1478, vierde lid]2. Voor de andere handelingen heeft de rechterlijke beschermingsmaatregel gevolgen vanaf de indiening van het verzoekschrift tot aanstelling van een bewindvoerder.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 44, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-05-12/02, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  

  Art. 492/4.[1 De vrederechter kan te allen tijde hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de beschermde persoon of diens vertrouwenspersoon of bewindvoerder of van elke belanghebbende evenals van de procureur des Konings, bij een met redenen omklede beschikking, een einde maken aan de rechterlijke beschermingsmaatregel of de inhoud ervan wijzigen. [2 Artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek en, ingeval het een verzoek tot beëindiging van de rechterlijke beschermingsmaatregel betreft, artikel 1241 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn van toepassing.]2 In voorkomend geval eindigt de rechterlijke beschermingsmaatregel op de dag van de beschikking.
   Uiterlijk twee jaar na het uitspreken van de in artikel 492/1 bedoelde beschikking wordt de rechterlijke beschermingsmaatregel geëvalueerd overeenkomstig het eerste lid.
   De rechterlijke beschermingsmaatregel eindigt van rechtswege in geval van overlijden van de beschermde persoon, door het verstrijken van de duur waarvoor hij is genomen of in geval van toekenning van de definitieve invrijheidstelling aan de geïnterneerde. Het openbaar ministerie geeft de vrederechter kennis van de definitieve invrijheidstelling van de geïnterneerde.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 45, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 188, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 492/5. [1 De Koning stelt, op eensluidend advies van de Orde van geneesheren en de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap, een lijst op met de gezondheidstoestanden die geacht worden op ernstige en aanhoudende wijze het vermogen van de te beschermen persoon om zijn belangen van vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen, zelfs met behulp van bijstand, aan te tasten.
   Ingeval uit de in artikel 1241 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde geneeskundige verklaring blijkt dat de te beschermen persoon in een gezondheidstoestand is die voorkomt in de in het eerste lid bedoelde lijst, dan zijn de artikelen 492/1, § 2, derde en vierde lid, en 492/4, tweede lid, niet van toepassing en wordt, in afwijking van artikel 492/1, § 3, en bij gebreke van aanwijzingen in de beschikking bedoeld in artikel 492/1, § 2, de te beschermen persoon vertegenwoordigd bij het stellen van alle rechtshandelingen of proceshandelingen met betrekking tot diens goederen.
   De vrederechter kan alsnog tot een beoordeling op maat overgaan, ingeval hij dit noodzakelijk acht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 46, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Onderafdeling 3. - [1 Sanctionering]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 47, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 493.[1 § 1. De handelingen die door de beschermde persoon zijn verricht in strijd met zijn overeenkomstig artikel 492/1, § 1, vastgestelde onbekwaamheid met betrekking tot zijn persoon, zijn rechtens nietig.
   Indien de in het eerste lid bedoelde handelingen voorwaardelijk werden toegestaan door de vrederechter maar door de beschermde persoon werden verricht zonder dat die voorwaarden in acht werden genomen, kan de nietigheid van die handelingen worden ingeroepen.
   § 2. De in [2 de artikelen 499/7, § 2, 905, 1397/1 en 1478, vierde lid bedoelde voorwaarden,]2, bedoelde handelingen die door de beschermde persoon zijn verricht in strijd met zijn overeenkomstig artikel 492/1, § 2, vastgestelde onbekwaamheid met betrekking tot zijn goederen, zijn rechtens nietig.
   Onder voorbehoud van het eerste lid, zijn de handelingen die door de beschermde persoon zijn verricht in strijd met zijn onbekwaamheid met betrekking tot zijn goederen, vastgesteld overeenkomstig artikel 492/1, § 2, nietig in geval van benadeling. De nietigheid wordt door de rechter beoordeeld rekening houdend met de rechten van derden te goeder trouw. De rechter kan echter de verbintenissen die de beschermde persoon door aankopen of op een andere wijze mocht hebben aangegaan ook verminderen, ingeval zij buitensporig zijn; de rechter houdt daarbij rekening met het vermogen van de beschermde persoon, de goede trouw van de personen die met hem hebben gehandeld en het nut of de nutteloosheid van de uitgaven.
   Indien handelingen bedoeld in de artikelen 905 [2 , 1397/1 en 1478, vierde lid]2 voorwaardelijk werden toegestaan door de vrederechter, maar door de beschermde persoon werden verricht zonder dat die voorwaarden in acht werden genomen, zijn deze handelingen rechtens nietig. [2 Hetzelfde geldt indien de gestelde handeling een testament is dat niet voldoet aan de in artikel 905, derde lid, of, in voorkomend geval, artikel 905, vierde lid.]2
   § 3. De nietigheid kan uitsluitend door de beschermde persoon en zijn bewindvoerder worden ingeroepen. [2 De nietige handeling kan tijdens de duur van de beschermingsmaatregel bevestigd worden door zijn bewindvoerder of, ingeval het een handeling betreft bedoeld in de artikelen 905, 1397/1 en 1478, vierde lid, door de beschermde persoon. Als het om een in de artikelen 499/7, 905, 1397/1 en 1478, vierde lid, bedoelde handeling gaat, verleent de vrederechter een bijzondere machtiging aan de bewindvoerder of, in voorkomend geval, aan de beschermde persoon.]2 De in artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde procedure is van toepassing.
   Wanneer de beschermde persoon als zodanig wordt toegelaten tot herstel in zijn recht tegen zijn verbintenissen, kan hetgeen ten gevolge van die verbintenissen is betaald tijdens de bescherming van hem niet worden teruggevorderd, tenzij bewezen is dat het betaalde hem tot voordeel heeft gestrekt.
   § 4. Dit artikel is van toepassing op de handelingen die de beschermde persoon die zich laat bijstaan, heeft gesteld in strijd met artikel 498/1.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 48, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-05-12/02, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 493/1. [1 De vordering tot nietigverklaring verjaart door verloop van vijf jaren.
   Deze termijn loopt tegen de beschermde persoon vanaf het tijdstip waarop hij van de betwiste handeling kennis heeft gekregen, of vanaf de betekening die hem ervan is gedaan na afloop van de opdracht van de bewindvoerder.
   De termijn loopt tegen zijn erfgenamen vanaf het tijdstip waarop zij kennis ervan hebben gekregen of vanaf de betekening die hun ervan is gedaan na het overlijden van hun rechtsvoorganger.
   De verjaring die tegen de beschermde persoon is beginnen lopen, loopt verder tegen de erfgenamen.
   De beschermde persoon of zijn erfgenamen kunnen echter, ook na verloop van die termijn, vergoeding voor geleden schade vorderen van de medecontractant die te kwader trouw was.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 49, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 493/2.[1 Elke handeling die is verricht voordat de rechterlijke beschermingsmaatregel gevolgen had, kan worden vernietigd, indien [2 de oorzaak van de beschermingsmaatregel getroffen op grond van artikel 488/1]2 kennelijk bestond ten tijde van het verrichten van die handelingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 50, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 189, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 493/3. [1 Na het overlijden van de beschermde persoon kunnen de door hem ten bezwarende titel verrichte handelingen niet worden betwist op grond van zijn gezondheidstoestand, dan voor zover de rechterlijke bescherming was uitgesproken of gevorderd voor zijn overlijden, tenzij het bewijs van wilsonbekwaamheid uit de betwiste handeling zelf voortvloeit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 51, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  HOOFDSTUK II/1. [1 Het bewind]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 52, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Afdeling 1. [1 Definities]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 53, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 494.[1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
   a) beschermde persoon : een meerderjarige persoon die door een beslissing genomen overeenkomstig artikel 492/1 onbekwaam werd verklaard om één of meerdere handelingen te stellen;
   b) bewindvoerder over de persoon : persoon die de beschermde persoon bijstaat of vertegenwoordigt bij het stellen van handelingen met betrekking tot zijn persoon waarvoor hij onbekwaam werd verklaard overeenkomstig artikel 492/1;
   c) bewindvoerder over de goederen : persoon die de beschermde persoon bijstaat of vertegenwoordigt bij het stellen van handelingen met betrekking tot zijn goederen waarvoor hij onbekwaam werd verklaard overeenkomstig artikel 492/1;
   d) vertrouwenspersoon : persoon die als bemiddelaar optreedt tussen de bewindvoerder over de persoon, de bewindvoerder over de goederen en de beschermde persoon, de mening vertolkt van de beschermde persoon in de bij de wet bepaalde gevallen indien hij daar zelf niet toe in staat is of hem ondersteunt bij het uiten van zijn mening ingeval hij dit niet zelfstandig kan en toezicht uitoefent op de goede werking van het bewind;
   e) bijstand : het optreden van de bewindvoerder ter vervolmaking van de rechtsgeldigheid van een handeling gesteld door de beschermde persoon zelf;
   f) vertegenwoordiging : het optreden van de bewindvoerder in naam en voor rekening van de beschermde persoon;
   g) beheer : het optreden van de bewindvoerder door het stellen van handelingen met betrekking tot de goederen die niet vatbaar zijn voor vertegenwoordiging.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 54, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Afdeling 2. [1 Ontstaan van het bewind]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 55, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 495.[1 Het bewind over beschermde personen ontstaat wanneer de vrederechter :
   - een rechterlijke beschermingsmaatregel beveelt overeenkomstig artikel 492/1 en een persoon die de beschermde persoon bijstand verleent bij het stellen van handelingen moet worden aangewezen;
   - een rechterlijke beschermingsmaatregel beveelt overeenkomstig artikel 492/1 en een persoon die de beschermde persoon vertegenwoordigt bij het stellen van handelingen moet worden aangewezen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 56, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Afdeling 3. [1 Organisatie van het bewind]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 57, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 496.[1 Iedere persoon voor wie geen rechterlijke beschermingsmaatregel bedoeld in artikel 492/1 werd genomen kan, ten overstaan van de vrederechter van zijn verblijfplaats of, bij gebrek daaraan, van zijn woonplaats of ten overstaan van een notaris een verklaring afleggen waarin hij zijn voorkeur te kennen geeft omtrent de aan te wijzen bewindvoerder of vertrouwenspersoon indien de vrederechter een rechterlijke beschermingsmaatregel zou bevelen.
   In dezelfde verklaring kunnen een aantal beginselen worden opgenomen die de bewindvoerder met een opdracht van vertegenwoordiging in acht moet nemen bij de uitoefening van zijn opdracht.
   Van deze verklaring wordt een authentieke akte opgesteld. De vrederechter met bijstand van de griffier kan zich op verzoek en op kosten van de verzoeker, zelfs buiten zijn kanton, naar diens verblijfplaats of woonplaats begeven om een verklaring op te nemen.
   Binnen vijftien dagen na het afleggen van voormelde verklaring laat de griffier of de notaris deze verklaring opnemen in een centraal register dat wordt bijgehouden door de Koninklijke Federatie van het Belgisch notariaat.
   De Koning bepaalt de nadere regels inzake oprichting, beheer en raadpleging van het centraal register. De Koning bepaalt welke overheden gratis toegang tot het centraal register hebben. De Koning bepaalt het tarief van de kosten voor de opneming van de verklaringen.
   Vooraleer de vrederechter de rechterlijke beschermingsmaatregel beveelt, gaat de griffier na of in het in het vierde lid bedoelde register een verklaring werd opgenomen. Als dit het geval is, laat hij door de notaris of de griffier van het vredegerecht waar de akte tot aanwijzing van een bewindvoerder en van een vertrouwenspersoon werd verleden, een eensluidend verklaard afschrift overzenden.
   De in het eerste lid bedoelde persoon kan op ieder moment op dezelfde wijze als bepaald in het eerste en tweede lid de verklaring herroepen en desgevallend een nieuwe voorkeur uitdrukken. Er wordt voorts gehandeld zoals bepaald in de vorige leden. De vrederechter of notaris voor wie de herroeping plaatsheeft, stelt de vrederechter of notaris voor wie de oorspronkelijke verklaring werd afgelegd, hiervan in kennis. Deze laatste vermeldt de herroeping op de gewijzigde akte.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 58, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 496/1. [1 § 1. De ouders, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, de persoon met wie de beschermde persoon een feitelijk gezin vormt of een lid van de naaste familie die als bewindvoerder werd aangesteld, kunnen ten overstaan van de vrederechter die het administratief dossier beheert een verklaring afleggen waarin de voorkeur te kennen wordt gegeven over de aan te wijzen bewindvoerder indien de bewindvoerder het mandaat zelf niet langer kan uitoefenen.
   Van deze verklaring wordt een akte opgesteld, waarvan een eensluidend verklaard afschrift wordt gevoegd bij het administratief dossier bedoeld in artikel 1253 van het Gerechtelijk Wetboek.
   Telkens als de vrederechter een bewindvoerder aanstelt ter vervanging of opvolging van de in het eerste lid bedoelde bewindvoerder, gaat hij vooraf na of in het administratief dossier een verklaring werd opgenomen.
   § 2. De persoon die tot vertrouwenspersoon werd aangesteld door de beschermde persoon kan ten overstaan van de vrederechter die het administratief dossier beheert een verklaring afleggen waarin de voorkeur te kennen wordt gegeven over de aan te wijzen vertrouwenspersoon indien hij deze functie zelf niet langer kan uitoefenen. Van deze verklaring wordt een akte opgesteld, waarvan een eensluidend verklaard afschrift wordt gevoegd bij het administratief dossier bedoeld in artikel 1253 van het Gerechtelijk Wetboek.
   Telkens als de vrederechter die het administratief dossier beheert een vertrouwenspersoon aanstelt ter vervanging of opvolging van de in het eerste lid bedoelde vertrouwenspersoon, gaat hij vooraf na of in het administratief dossier een verklaring werd opgenomen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 59, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 496/2. [1 Indien de persoon die overeenkomstig de artikelen 496 en 496/1 is aangewezen, de bewindvoering aanvaardt, homologeert de vrederechter de aanwijzing, tenzij ernstige redenen met betrekking tot het belang van de beschermde persoon, die nauwkeurig zijn omschreven in de gronden van de beschikking, uitsluiten dat de keuze wordt gevolgd.
   De vrederechter mag de homologatie ook weigeren op grond van het uittreksel uit het strafregister van de aangewezen persoon.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 60, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 496/3.[1 Indien van de mogelijkheden bedoeld in de artikelen 496 en 496/1 geen gebruik is gemaakt of indien het niet mogelijk was de gemaakte keuze te volgen, kiest de vrederechter een bewindvoerder die geschikt is om de te beschermen persoon bij te staan of te vertegenwoordigen.
   De vrederechter kiest als bewindvoerder over de persoon bij voorkeur de ouders of één van beide ouders, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie, een persoon die instaat voor de dagelijkse zorg van de te beschermen persoon of de te beschermen persoon en zijn omgeving begeleidt in deze zorg of een private stichting die zich uitsluitend inzet voor de te beschermen persoon [2 of een stichting van openbaar nut die voor de te beschermen personen over een statutair ingesteld comité belast met het opnemen van bewindvoeringen beschikt]2 , rekening houdend met de mening van deze persoon, alsook met zijn persoonlijke omstandigheden, zijn leefomstandigheden en zijn gezinstoestand.
   De vrederechter wijst bij voorkeur de bewindvoerder over de persoon aan tot bewindvoerder over de goederen, tenzij dit strijdig is met het belang van de te beschermen persoon of er geen vertrouwenspersoon werd aangewezen. Bij afwezigheid van bewindvoerder over de persoon of ingeval de vrederechter oordeelt dat een andere persoon tot bewindvoerder over de goederen moet aangewezen worden, kiest hij als bewindvoerder over de goederen bij voorkeur de ouders of één van beide ouders, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie, een persoon die instaat voor de dagelijkse zorg van de te beschermen persoon of de te beschermen persoon en zijn omgeving begeleidt in deze zorg, of een private stichting die zich uitsluitend inzet voor de te beschermen persoon [2 of een stichting van openbaar nut die voor de te beschermen personen over een statutair ingesteld comité belast met het opnemen van bewindvoeringen beschikt]2 , of de lasthebber bedoeld in artikel 490, rekening houdend met de mening van de te beschermen persoon alsook met zijn persoonlijke omstandigheden, de aard en samenstelling van het te beheren vermogen en de gezinstoestand van de te beschermen persoon.]1
  [2 Indien de vrederechter een private stichting of een stichting van openbaar nut wenst aan te wijzen tot bewindvoerder, onderzoekt hij vooraf of de statuten van deze stichting en de reglementen die ter uitvoering van de statuten zijn uitgevaardigd, aansluiten bij de doelstellingen en bepalingen van dit hoofdstuk.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 61, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 190, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 496/4.[1 § 1. De vrederechter kan, met uitzondering van de ouders van de te beschermen persoon, slechts één persoon tot bewindvoerder over de persoon aanwijzen.
   § 2. De vrederechter kan in het belang van de te beschermen persoon verscheidene bewindvoerders over de goederen aanstellen. In voorkomend geval verduidelijkt hij de bevoegdheden van de onderscheiden bewindvoerders en de wijze waarop zij deze bevoegdheden uitoefenen.
   Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke bewindvoerder geacht te handelen met instemming van de andere bewindvoerder of bewindvoerders, wanneer hij alleen een handeling stelt [2 ...]2 , behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 62, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 191, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 496/5. [1 Niemand is verplicht de bewindvoering op zich te nemen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 63, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 496/6.[1 Mogen geen bewindvoerders zijn :
   1° personen ten aanzien van wie een rechterlijke of een buitengerechtelijke beschermingsmaatregel werd genomen;
   2° rechtspersonen, met uitzondering van de private stichting die zich uitsluitend inzet voor de beschermde persoon [2 of een stichting van openbaar nut die voor de te beschermen personen over een statutair ingesteld comité belast met het opnemen van bewindvoeringen beschikt]2;
   3° bestuurs- of personeelsleden van de instelling waar de beschermde persoon verblijft;
   4° wat uitsluitend het bewind over de goederen betreft, personen die niet vrij over hun goederen kunnen beschikken;
   5° personen die, krachtens artikel 32 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, volledig ontzet zijn uit het ouderlijk gezag.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 64, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 192, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 496/7. [1 Onverminderd artikel 492/4 kan de vrederechter te allen tijde, hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van de beschermde persoon, van diens vertrouwenspersoon of bewindvoerder of van elke belanghebbende evenals van de procureur des Konings, bij een met redenen omklede beschikking, de bewindvoerder vervangen of diens bevoegdheden wijzigen. Ingeval er verscheidene bewindvoerders over de goederen werden aangesteld, kan hij daarenboven een einde maken aan de opdracht van een bewindvoerder of de wijze waarop zij hun bevoegdheden uitoefenen wijzigen. De in artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde procedure is van toepassing.
   Indien hij zulks nodig acht, kan de vrederechter van de bewindvoerder over de goederen waarborgen eisen, hetzij bij zijn aanwijzing, hetzij gedurende de uitoefening van zijn opdracht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 65, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Afdeling 4. [1 De werking van het bewind]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 66, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Onderafdeling 1. [1 Algemene bepalingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 67, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 497.[1 De bewindvoering is een persoonlijke opdracht die niet overgaat op de erfgenamen van de bewindvoerder.
   De bewindvoering heeft tot doel de belangen van de beschermde persoon te behartigen. Zij bevordert, in de mate van het mogelijke, de autonomie van de beschermde persoon.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 68, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 497/1. [1 De Koning kan de uitoefening van de functie van bewindvoerder afhankelijk maken van bepaalde voorwaarden, onder meer door het aantal personen te beperken van wie men bewindvoerder kan zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 69, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 497/2.[1 De volgende handelingen zijn niet vatbaar voor bijstand of vertegenwoordiging door de bewindvoerder :
   1° het geven van de toestemming tot huwen, bedoeld in de artikelen 75 en 146;
   2° het instellen van een vordering tot nietigverklaring van een huwelijk, bedoeld in de artikelen 180, 184 en 192;
   3° het vaststellen van de echtelijke verblijfplaats, bedoeld in artikel 214, tweede lid;
   4° de toestemming om over de gezinswoning te beschikken, bedoeld in artikel 220, § 1;
   5° het instellen van een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk, bedoeld in artikel 229;
   6° het instellen van een vordering tot scheiding van tafel en bed, bedoeld in artikel 311bis;
   7° het indienen van een verzoek tot echtscheiding door onderlinge toestemming, bedoeld in artikel 230;
   8° de erkenning van een kind, bedoeld in artikel 328;
   9° de toestemming tot de erkenning, bedoeld in artikel 329bis, § 2;
   10° het verzet tegen een rechtsvordering tot onderzoek naar het moederschap of het vaderschap, bedoeld in artikel 332quinquies, § 2;
   11° [2 ...]2
   12° het verlenen van de toestemming tot zijn adoptie, bedoeld in artikel 348-1;
   13° de uitoefening van het ouderlijk gezag over het minderjarige kind van de beschermde persoon, [2 met uitzondering van de uitoefening van het wettelijk bewind over de goederen van de minderjarige bedoeld in boek I, titel IX,]2 alsook van de ouderlijke prerogatieven met betrekking tot de staat van de persoon van dit minderjarige kind;
   14° het afleggen van een verklaring tot wettelijke samenwoning, bedoeld in artikel 1476, § 1, alsook de beëindiging van de wettelijke samenwoning, bedoeld in artikel 1476, § 2;
   15° het verlenen van de toestemming tot sterilisatie;
   16° het verlenen van de toestemming tot een handeling van medisch begeleide voortplanting zoals bedoeld in de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten;
   17° de aangifte van de voortdurende en onomkeerbare innerlijke overtuiging te behoren tot het andere geslacht dan datgene dat is vermeld in de akte van geboorte bedoeld in artikel 62bis, § 1;
   18° het verzoek tot euthanasie bedoeld in artikel 3 en 4 van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie;
   19° het verzoek tot uitvoering van een zwangerschapsafbreking bedoeld in artikel 350 van het Strafwetboek;
   20° het verlenen van de toestemming tot het stellen van handelingen die de fysieke integriteit of de intieme levenssfeer van de beschermde persoon raken, onverminderd de afwijkende bepalingen opgenomen in bijzondere wetten;
   21° het verlenen van de toestemming voor het gebruik van gameten of embryo's in vitro voor onderzoeksdoeleinden bedoeld in artikel 8 van de wet van 11 mei 2003 betreffende het onderzoek op embryo's in vitro;
   22° de uitoefening van het recht op weigering om een autopsie uit te voeren op zijn kind van minder dan achttien maanden bedoeld in artikel 3 van de wet van 26 maart 2003 houdende regeling van de autopsie na het onverwachte en medisch onverklaarde overlijden van een kind van minder dan achttien maanden;
   23° het verlenen van de toestemming tot afneming van bloed en bloedderivaten zoals bedoeld in artikel 5 van de wet van 5 juli 1994 betreffende bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong;
   24° het schenken onder levenden, met uitzondering van de gebruikelijke geschenken in verhouding tot het vermogen van de beschermde persoon [2 en van het bepaalde in artikel 499/7, § 4]2;
   25° het maken of herroepen van een uiterste wilsbeschikking;
   26° de uitoefening van politieke rechten bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Grondwet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 70, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 193, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 497/3. [1 § 1. Geschillen tussen de bewindvoerder over de persoon en de bewindvoerder over de goederen worden op verzoek door de vrederechter beslecht in het belang van de beschermde persoon, overeenkomstig de procedure bepaald bij artikel 1252 van het Gerechtelijk Wetboek.
   § 2. Rechtshandelingen en beslissingen die zowel betrekking hebben op de persoon als op de goederen van de beschermde persoon mogen alleen met instemming van de bewindvoerder over de persoon en de bewindvoerder over de goederen worden genomen.
   Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke bewindvoerder geacht te handelen met instemming van de andere bewindvoerder wanneer hij alleen een handeling stelt die met de rechterlijke beschermingsregeling verband houdt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 71, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 497/4. [1 In geval van belangentegenstelling tussen de beschermde persoon en zijn bewindvoerder wijst de vrederechter of de rechter bij wie de zaak aanhangig is, hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van de vertrouwenspersoon, van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, een bewindvoerder ad hoc aan.
   De in artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde procedure is van overeenkomstige toepassing, behoudens ingeval de rechter bij wie de zaak aanhangig is een bewindvoerder ad hoc aanwijst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 72, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 497/5. [1 Na de goedkeuring van het verslag bedoeld in de artikelen 498/3, 498/4, 499/14 of 499/17, kan de vrederechter de bewindvoerder, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing, een bezoldiging toekennen waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan drie procent van de inkomsten van de beschermde persoon. De vrederechter houdt bij de begroting van de bezoldiging rekening met de aard, de samenstelling en omvang van het beheerde vermogen, alsook met de aard, complexiteit en omvang van de door de bewindvoerder geleverde prestaties. Indien de bewindvoerder over de persoon niet werd aangesteld tot bewindvoerder over de goederen bepaalt de vrederechter welk aandeel in de bezoldiging elk van beiden ontvangt. De Koning kan de inkomsten bepalen die als basis dienen voor de begroting van de bezoldiging.
   Ingeval de vrederechter vaststelt dat de bewindvoerder tekortschiet in de uitoefening van zijn opdracht, kan hij bij een met bijzondere redenen omklede beslissing weigeren een bezoldiging toe te kennen of een lagere bezoldiging toekennen.
   Naast de bezoldiging worden de gemaakte kosten vergoed, na door de vrederechter behoorlijk te zijn nagezien. De Koning kan bepaalde kosten op forfaitaire wijze begroten.
   De vrederechter kan de bewindvoerder, na overlegging van met redenen omklede staten, een vergoeding toekennen die in overeenstemming is met de vervulde buitengewone ambtsverrichtingen. Onder buitengewone ambtsverrichtingen worden de materiële en intellectuele prestaties verstaan die niet kaderen in het dagelijks beheer van het vermogen van de beschermde persoon. De Koning kan de wijze bepalen waarop de vergoeding voor buitengewone ambtsverrichtingen wordt begroot.
   Behoudens in uitzonderlijke omstandigheden kan de vrederechter geen bezoldiging toekennen aan de ouder of de ouders van de beschermde persoon die aangewezen zijn als bewindvoerder.
   Het is de bewindvoerder verboden, buiten de in het eerste, derde en vierde lid vermelde bezoldigingen of vergoedingen, enige bezoldiging of voordeel, van welke aard ook of van wie ook, te ontvangen met betrekking tot de uitoefening van het gerechtelijk mandaat van bewindvoerder.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 73, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 497/6. [1 De vrederechter kan alle maatregelen nemen om zich te informeren over de familiale, morele en materiële toestand van de beschermde persoon, alsook over diens leefomstandigheden.
   In het bijzonder kan hij de procureur des Konings verzoeken om, door de bemiddeling van de bevoegde sociale dienst, over al deze punten alle dienstige inlichtingen in te winnen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 74, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 497/7. [1 De bewindvoerder over de persoon en de bewindvoerder over de goederen brengen elkaar en de vertrouwenspersoon op de hoogte van de handelingen die zij in uitvoering van hun opdracht verrichten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 75, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 497/8. [1 Ingeval de beschermde persoon een gezondheidstoestand heeft die voorkomt in de lijst bedoeld in artikel 492/5, eerste lid, wordt hij, wat de toepassing van de artikelen 498/3, 498/4, 499/6, 499/14 en 499/17 betreft, geacht niet in staat te zijn kennis te nemen van het verslag.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 76, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Onderafdeling 2. - [1 Bijstand]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 77, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 498.[1 Deze onderafdeling is van toepassing ingeval de vrederechter een rechterlijke beschermingsmaatregel van bijstand heeft bevolen overeenkomstig artikel 492/1.
   In afwijking van het eerste lid is deze onderafdeling in ieder geval van toepassing indien de vrederechter een rechterlijke beschermingsmaatregel heeft bevolen ten aanzien van een persoon die verkeert in de toestand bedoeld in artikel 488/2.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 78, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 498/1.[1 De vrederechter die overeenkomstig artikel 492/2 de bijstand beveelt, bepaalt de nadere regels ervan. De vrederechter kan bepalen dat de bijstand bestaat in het door de bewindvoerder verlenen van een voorafgaande toestemming tot het verrichten van één welbepaalde handeling, [2 van een categorie van welbepaalde handelingen of van handelingen die gericht zijn op een welbepaald doel. De vrederechter verduidelijkt in het laatste geval uitdrukkelijk de handelingen die verband houden met dit doel in zijn beschikking bedoeld in artikel 492/1]2. De toestemming tot het verrichten van handelingen die gericht zijn op een welbepaald doel moet in ieder geval schriftelijk worden verleend.
   Bij gebreke van aanwijzingen in de in het eerste lid bedoelde beschikking bestaat de bijstand uit de voorafgaandelijke schriftelijke toestemming tot het verrichten van de handeling of, ingeval het een in artikel 499/7 bedoelde handeling betreft en er een geschrift wordt opgemaakt, in de medeondertekening van dit geschrift door de bewindvoerder.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 79, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 194, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 498/2. [1 De bewindvoerder over de persoon verleent bijstand aan de beschermde persoon bij het verrichten van een handeling met betrekking tot de persoon die op grond van artikel 492/1 onder de rechterlijke beschermingsmaatregel valt, tenzij de voorgenomen handeling de belangen van de beschermde persoon kennelijk schaadt.
   De bewindvoerder over de goederen verleent bijstand aan de beschermde persoon bij het verrichten van een handeling met betrekking tot de goederen die op grond van artikel 492/1 onder de rechterlijke beschermingsmaatregel valt, tenzij de voorgenomen handeling de belangen van de beschermde persoon schaadt.
   De bewindvoerder betrekt de beschermde persoon zoveel mogelijk en in verhouding tot diens begripsvermogen bij de uitoefening van zijn opdracht.
   Ingeval de bewindvoerder bij de uitvoering van zijn opdracht de beschermde persoon schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Niettemin wordt de aansprakelijkheid wegens schuld minder streng toegepast ten aanzien van degene die de opdracht van bijstand om niet op zich neemt, dan ten aanzien van hem die daarvoor de bezoldiging bedoeld in artikel 497/5, eerste lid, ontvangt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 80, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 498/3. [1 § 1. De vrederechter bepaalt het tijdstip waarop of de omstandigheden waarin en de wijze waarop de bewindvoerder over de persoon verslag uitbrengt over de handelingen waarvoor hij de beschermde persoon bijstand heeft verleend.
   Bij gebreke van aanwijzingen in de in artikel 492/1, § 1, bedoelde beschikking brengt de bewindvoerder jaarlijks schriftelijk verslag uit aan de vrederechter, aan de beschermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon en bewindvoerder over de goederen. De vrederechter kan de bewindvoerder ervan ontslaan dit verslag aan de beschermde persoon te overhandigen, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
   In dit schriftelijk verslag worden minstens de volgende gegevens vermeld :
   1° de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de bewindvoerder, of zijn benaming en maatschappelijke zetel;
   2° de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de beschermde persoon en diens vertrouwenspersoon;
   3° een overzicht van de handelingen waarvoor de bewindvoerder bijstand heeft verleend aan de beschermde persoon.
   § 2. De bewindvoerder over de goederen brengt jaarlijks schriftelijk verslag uit aan de vrederechter, aan de beschermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon en diens bewindvoerder over de persoon. De vrederechter kan de bewindvoerder ervan ontslaan dit verslag aan de beschermde persoon te overhandigen, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
   In dit schriftelijk verslag worden minstens de volgende gegevens vermeld :
   1° de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de bewindvoerder of zijn benaming en maatschappelijke zetel;
   2° de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de beschermde persoon en diens vertrouwenspersoon;
   3° een overzicht van de handelingen waarvoor de bewindvoerder bijstand heeft verleend aan de beschermde persoon.
   Ingeval de vrederechter verscheidene bewindvoerders over de goederen heeft aangesteld, bepaalt hij de wijze waarop ze dit schriftelijk verslag dienen uit te brengen.
   § 3. Onderaan het verslag brengt de vrederechter zijn goedkeuring aan. Eventuele opmerkingen of aanmerkingen waarmee de bewindvoerder in de toekomst rekening dient te houden [...] worden aan hem overgezonden.
   Het verslag wordt bij het in artikel 1253 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde administratief dossier gevoegd.
   § 4. De Koning bepaalt een model van verslag.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 81, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 498/4. [1 De bewindvoerder overhandigt binnen een maand na de beëindiging van zijn opdracht, een eindverslag opgesteld overeenkomstig artikel 498/3, § 1, derde lid, en/of 498/3, § 2, tweede lid, aan de vrederechter, aan de persoon ten aanzien van wie de rechterlijke beschermingsmaatregel is beëindigd of aan de nieuwe bewindvoerder. Het verslag wordt in laatstgenoemd geval eveneens overhandigd aan de beschermde persoon en diens vertrouwenspersoon. De vrederechter kan de bewindvoerder er evenwel van ontslaan om dit verslag over te zenden aan de beschermde persoon, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
   Er wordt een proces-verbaal opgemaakt waarin vastgesteld wordt dat het verslag is goedgekeurd of afgekeurd. In voorkomend geval wordt melding gemaakt van de reden waarom het verslag werd afgekeurd.
   Elke goedkeuring van het eindverslag voorafgaand aan de datum van het proces-verbaal bedoeld in het tweede lid, is nietig.
   Het verslag en het proces-verbaal worden bij het in artikel 1253 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde administratief dossier gevoegd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 82, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Onderafdeling 3. - [1 Vertegenwoordiging en beheer]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 83, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499.[1 Deze onderafdeling is van toepassing ingeval de vrederechter een rechterlijke beschermingsmaatregel van vertegenwoordiging heeft bevolen overeenkomstig artikel 492/1.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 84, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/1. [1 § 1. De bewindvoerder over de persoon vertegenwoordigt de beschermde persoon bij het verrichten van een rechtshandeling of proceshandeling met betrekking tot de persoon, voor zover deze handeling valt onder de rechterlijke beschermingsmaatregel bedoeld in artikel 492/1, § 1.
   § 2. De bewindvoerder over de goederen beheert de goederen van de beschermde persoon zoals een goede huisvader en vertegenwoordigt de beschermde persoon bij het verrichten van een rechtshandeling of proceshandeling met betrekking tot deze goederen, voor zover deze handeling valt onder de rechterlijke beschermingsmaatregel bedoeld in artikel 492/1, § 2.
   § 3. De bewindvoerder neemt bij de uitoefening van zijn opdracht zoveel mogelijk de beginselen in acht waarvoor de beschermde persoon overeenkomstig artikel 496, tweede lid, heeft gekozen. De vrederechter kan de bewindvoerder evenwel ontslaan van de verplichting welbepaalde beginselen in acht te nemen ingeval de omstandigheden sedertdien dermate gewijzigd zijn dat er ernstige twijfels rijzen bij de bedoeling van de beschermde persoon om deze beginselen in acht te laten nemen.
   De bewindvoerder betrekt de beschermde persoon zoveel mogelijk en in verhouding tot diens begripsvermogen bij de uitoefening van zijn opdracht. Hij pleegt bij de uitvoering van zijn opdracht op regelmatige tijdstippen overleg met de beschermde persoon of diens vertrouwenspersoon.
   De bewindvoerder brengt de beschermde persoon op de hoogte van de handelingen die hij verricht. In bijzondere omstandigheden kan de vrederechter hem vrijstelling verlenen van deze verplichting. Bij ontstentenis van een bewindvoerder over de persoon of over de goederen of van een vertrouwenspersoon kan de vrederechter een andere persoon of instelling aanwijzen die door de bewindvoerder op de hoogte moet worden gebracht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 85, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/2. [1 De bewindvoerder over de goederen besteedt de inkomsten van de beschermde persoon aan diens onderhoud, verzorging en welzijn, en vordert de toepassing van de sociale wetgeving in het belang van de beschermde persoon.
   Hij stelt de beschermde persoon, na daarover met hem en diens vertrouwenspersoon en bewindvoerder over de persoon te hebben overlegd, de nodige sommen ter beschikking.
   Een en ander geldt onverminderd hetgeen bij wet en verordening bepaald is omtrent de vergoeding van de kosten van onderhoud van de zieken, gehandicapten en bejaarden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 86, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/3. [1 De gelden en de goederen van de beschermde persoon worden volledig en duidelijk afgescheiden van het persoonlijk vermogen van de bewindvoerder.
   De banktegoeden van de beschermde persoon worden op zijn naam ingeschreven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 87, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/4. [1 De vrederechter bepaalt, in zijn beschikking bedoeld in artikel 492/1, § 2, het bedrag van de gelden geplaatst op een rekening van de beschermde persoon dat de bewindvoerder mag afhalen of overschrijven zonder voorafgaande machtiging binnen de periode die hij bepaalt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 88, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/5. [1 De bewindvoerder kan zich in zijn beheer laten bijstaan door een of meer personen die onder zijn verantwoordelijkheid optreden.
   De vrederechter kan een door de Nationale Bank van België, overeenkomstig de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen vergunde instelling de opdracht toevertrouwen om bij haar gedeponeerde en aan de beschermde persoon toebehorende kapitalen, effecten en waardepapieren te beheren. De vrederechter bepaalt de voor dit beheer geldende voorwaarden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 89, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/6. [1 De bewindvoerder over de persoon bezorgt uiterlijk één maand na de aanvaarding van zijn aanwijzing een verslag over de leefsituatie van de beschermde persoon aan de vrederechter, aan de beschermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon. De vrederechter kan hem ervan ontslaan dit verslag aan de beschermde persoon over te zenden, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
   Uiterlijk één maand na de aanvaarding van zijn aanwijzing stelt de bewindvoerder over de goederen een verslag op met betrekking tot de vermogenstoestand en de inkomstenbronnen van de beschermde persoon en zendt hij dit verslag over aan de vrederechter, aan de beschermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon. De vrederechter kan hem ervan ontslaan dit verslag aan de beschermde persoon over te zenden, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
   De vrederechter kan de bewindvoerder, gelet op de omvang van zijn opdracht, evenwel van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting ontslaan.
   Het verslag wordt gevoegd bij het administratief dossier bedoeld in artikel 1253 van het Gerechtelijk Wetboek.
   De Koning bepaalt een model van schriftelijk verslag.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 90, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/7.[1 § 1. Onverminderd de bepalingen opgenomen in bijzondere wetten moet de vrederechter de bewindvoerder over de persoon bijzondere machtiging verlenen om :
   1° de verblijfplaats van de beschermde persoon te wijzigen;
   2° de rechten bedoeld in de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt overeenkomstig artikel 14, § 2, van voornoemde wet uit te oefenen;
   3° de beschermde persoon in rechte te vertegenwoordigen als eiser bij rechtsplegingen en handelingen.
   De vrederechter kan de machtiging bedoeld in het eerste lid, 2° , verlenen voor de uitoefening van alle rechten die verband houden met een bepaalde medische behandeling.
   In afwijking van het eerste lid, 2°, kan de bewindvoerder die bevoegd is om op te treden krachtens de voornoemde wet van 22 augustus 2002, in geval van dringende noodzakelijkheid, zonder voorafgaande bijzondere machtiging van de vrederechter de rechten opgesomd in die wet uitoefenen. Hij brengt de vrederechter, de vertrouwenspersoon en de bewindvoerder over de goederen onverwijld op de hoogte van zijn optreden.
   § 2. De vrederechter moet de bewindvoerder over de goederen bijzondere machtiging verlenen om :
   1° de goederen van de beschermde persoon, met uitzondering van de vruchten en de onbruikbare voorwerpen, te vervreemden, tenzij het beheer is opgedragen aan een in artikel 499/5, tweede lid, bedoelde instelling;
   2° een lening aan te gaan;
   3° de goederen van de beschermde persoon te hypothekeren of in pand te geven of toestemming te geven tot doorhaling van een hypothecaire inschrijving, met of zonder kwijting, en van de overschrijving van een bevel tot uitvoerend beslag zonder betaling en van het ontslag van ambtshalve inschrijving;
   4° een pachtcontract, een handelshuurovereenkomst of een gewone huurovereenkomst van meer dan negen jaar te sluiten, alsook een handelshuurovereenkomst te hernieuwen;
   5° een nalatenschap, een algemeen legaat of een legaat onder algemene titel te verwerpen of te aanvaarden, wat slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving kan geschieden. De vrederechter kan bij een met redenen omklede beschikking machtiging verlenen om een nalatenschap, een algemeen legaat of een legaat [2 onder algemene titel]2 zuiver te aanvaarden, rekening houdende met de aard en de omvang van het geërfde vermogen en voor zover de baten kennelijk de lasten van het geërfde vermogen overschrijden;
   6° een schenking of een legaat onder bijzondere titel te aanvaarden;
   7° de beschermde persoon in rechte te vertegenwoordigen als eiser bij rechtsplegingen en handelingen, behoudens voor :
   - rechtsplegingen en handelingen bedoeld in de artikelen 1150, 1180, 1°, 1187, tweede lid, en 1206 van het Gerechtelijk Wetboek;
   - burgerlijke partijstelling;
   - geschillen met betrekking tot huurcontracten of met betrekking tot bewoning zonder akte of bewijs en
   - vorderingen tot toepassing van de sociale wetgeving ten gunste van de beschermde persoon;
   8° een overeenkomst van onverdeeldheid te sluiten;
   9° een onroerend goed aan te kopen;
   10° een dading aan te gaan of een overeenkomst tot arbitrage te sluiten;
   11° een handelszaak voort te zetten. Het bestuur van de handelszaak mag worden opgedragen aan een bijzondere bewindvoerder onder het toezicht van de bewindvoerder voor de goederen. De bijzondere bewindvoerder wordt aangewezen door de vrederechter. De vrederechter kan zijn toestemming tot voortzetting van de handelszaak te allen tijde intrekken;
   12° souvenirs en andere persoonlijke voorwerpen, zelfs als het om voorwerpen van geringe waarde gaat, te vervreemden onverminderd artikel 499/9;
   13° te berusten in een vordering betreffende onroerende rechten;
   14° de betalingsdienstaanbieders te machtigen op de betaalinstrumenten van de beschermde persoon enig onderscheidingsteken aan te brengen.
   De afhaling en overschrijving van gelden geplaatst op een rekening van de beschermde persoon worden voor de toepassing van het eerste lid, 1°, niet beschouwd als vervreemdingen, voor zover zij voldoen aan de eisen bepaald bij artikel 499/4.
   § 3. Ingeval een rechtshandeling of proceshandeling zowel de persoon als het vermogen van de beschermde persoon betreft, kan de vrederechter de bewindvoerder tevens machtigen om alleen op te treden. Indien de zaak slechts door de bewindvoerder over de persoon of de bewindvoerder over de goederen bij hem aanhangig wordt gemaakt, wordt de andere gehoord of tenminste bij gerechtsbrief opgeroepen. Door die oproeping wordt hij partij in het geding. De bewindvoerder die de machtiging verkrijgt, brengt de andere bewindvoerder onverwijld op de hoogte van zijn optreden.
   § 4. De vrederechter kan de bewindvoerder over de goederen een bijzondere machtiging verlenen om te schenken ingeval de beschermde persoon daar zelf wilsonbekwaam toe is en uit de verklaring bedoeld in artikel 496, tweede lid, of uit vroegere schriftelijke of mondelinge verklaringen van de beschermde persoon, geuit op een tijdstip waarop hij wilsbekwaam was, de wil tot schenken uitdrukkelijk blijkt. De schenking moet in verhouding staan tot het vermogen van de beschermde persoon en mag bovendien de beschermde persoon of zijn onderhoudsgerechtigden niet behoeftig dreigen te maken. De artikelen 1241 en 1246 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 91, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 195, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 499/8. [1 De verkoop van de roerende en onroerende goederen van de beschermde persoon vindt plaats overeenkomstig de bepalingen van het vierde deel, boek IV, hoofdstukken IV en V, van het Gerechtelijk Wetboek.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 92, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/9. [1 Souvenirs en andere persoonlijke voorwerpen kunnen niet worden vervreemd, tenzij zulks volstrekt noodzakelijk is, en worden ter beschikking van de beschermde persoon gehouden tot de beëindiging van de rechterlijke beschermingsmaatregel.
   De woning van de beschermde persoon en het huisraad waarmee deze woning gestoffeerd is, moeten zo lang mogelijk te zijner beschikking blijven. Als het, in het bijzonder bij langdurige opneming of verblijf elders, noodzakelijk wordt of in het belang is van de beschermde persoon dat over de rechten in verband daarmee wordt beschikt, moet door de vrederechter daartoe machtiging worden verleend.
   In elk geval worden de beschermde persoon die over het vereiste begripsvermogen beschikt en diens vertrouwenspersoon en bewindvoerder over de persoon uitgenodigd om, indien zij dit wensen, gehoord te worden vooraleer machtiging kan worden verleend.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 93, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/10. [1 Met uitzondering van de echtgenoot of echtgenote, kan de bewindvoerder geen goederen van de beschermde persoon verkrijgen, noch rechtstreeks, noch door een tussenpersoon, behalve na bijzondere machtiging verleend door de vrederechter overeenkomstig de procedure bepaald bij artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek of krachtens de wet van 16 mei 1900 tot wijziging van het erfstelsel voor de kleine nalatenschappen, de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit, of in het kader van een gerechtelijke of minnelijke verdeling goedgekeurd overeenkomstig artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek. Hij kan de goederen van de beschermde persoon slechts in huur nemen als de vrederechter daartoe op schriftelijk verzoek machtiging verleent. In dat geval bepaalt de vrederechter in zijn beschikking de huurvoorwaarden, alsook de bijzondere waarborgen verbonden aan de aldus toegestane huur.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 94, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/11. [1 Ingeval geen bewindvoerder over de persoon die tot opdracht heeft te oordelen over de verblijfplaats van de beschermde persoon werd aangesteld, kan deze enkel gewijzigd worden met goedkeuring van de bewindvoerder over de goederen. Bij weigering kan de beschermde persoon of elke belanghebbende zich wenden tot de vrederechter overeenkomstig de in artikel 1252 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde procedure. De vrederechter oordeelt over het belang van de beschermde persoon. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 95, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/12. [1 Betekeningen en kennisgevingen aan personen aan wie een bewindvoerder is toegevoegd, worden gedaan aan deze personen zelf en aan de woonplaats of verblijfplaats van de bewindvoerder, voor zover de betekening of de kennisgeving verband houdt met de opdracht van de bewindvoerder. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 96, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/13.[1 Alle handelingen die door de bewindvoerder zijn verricht in strijd met [2 de artikelen 499/7, 1397/1, derde lid, en 1478, zevende lid]2, zijn rechtens nietig.
   Deze nietigheid kan uitsluitend door de beschermde persoon of een bewindvoerder ad hoc worden ingeroepen.
   Indien de in het eerste lid bedoelde handelingen voorwaardelijk werden toegestaan door de vrederechter, maar door de bewindvoerder werden verricht zonder dat die voorwaarden in acht werden genomen, kan de nietigheid van deze handelingen worden ingeroepen.
   De nietige handeling kan door de bewindvoerder worden bevestigd, mits de vormen die gelden voor het verrichten van de te bevestigen handeling worden nageleefd.
   Op de vordering tot nietigverklaring is artikel 493/1 van toepassing.
   Wanneer de beschermde persoon wordt toegelaten tot herstel in zijn recht tegen zijn verbintenissen, kan hetgeen ten gevolge van die verbintenissen is betaald tijdens de bescherming, van hem niet worden teruggevorderd, tenzij bewezen is dat het betaalde hem tot voordeel heeft gestrekt.
   De nietigheid doet geen afbreuk aan eventuele aansprakelijkheidsvorderingen die de beschermde persoon tegen zijn bewindvoerder kan instellen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 97, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-05-12/02, art. 15, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 499/14. [1 § 1. De vrederechter bepaalt het tijdstip of de omstandigheden en de wijze waarop de bewindvoerder over de persoon verslag uitbrengt.
   Bij gebreke van aanwijzingen in de beschikking bedoeld in artikel 492/1, § 1, brengt de bewindvoerder jaarlijks schriftelijk verslag uit aan de vrederechter, aan de beschermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon en bewindvoerder over de goederen. De vrederechter kan de bewindvoerder ervan ontslaan dit verslag aan de beschermde persoon te overhandigen, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
   In dit schriftelijk verslag worden minstens de volgende gegevens vermeld :
   1° de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de bewindvoerder of zijn benaming en maatschappelijke zetel;
   2° de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de beschermde persoon en diens vertrouwenspersoon;
   3° de leefsituatie van de beschermde persoon;
   4° de maatregelen die de bewindvoerder heeft genomen ter bevordering van het welzijn van de beschermde persoon;
   5° de wijze waarop de bewindvoerder de beschermde persoon en, in voorkomend geval, diens vertrouwenspersoon en bewindvoerder over de goederen betrokken heeft bij de uitoefening van zijn opdracht en rekening heeft gehouden met hun mening;
   6° in voorkomend geval, de wijze waarop de bewindvoerder rekening heeft gehouden met de opmerkingen die de vrederechter heeft geformuleerd bij een eerder verslag.
   Onderaan het verslag brengt de vrederechter zijn goedkeuring aan. Eventuele op- of aanmerkingen waarmee de bewindvoerder over de persoon in de toekomst rekening dient te houden worden aan hem overgezonden.
   § 2. De bewindvoerder over de goederen bezorgt jaarlijks een schriftelijk verslag aan de vrederechter, aan de beschermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon en diens bewindvoerder over de persoon. De vrederechter kan de bewindvoerder ervan ontslaan om dit verslag aan de beschermde persoon te overhandigen, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
   In dit schriftelijk verslag worden minstens de volgende gegevens vermeld :
   1° de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de bewindvoerder of zijn benaming en maatschappelijke zetel;
   2° de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de beschermde persoon, en, in voorkomend geval, van zijn vertrouwenspersoon;
   3° de rekeningen omvattende minstens een overzicht van de stand van het beheerde vermogen bij de aanvang en op het einde van deze periode;
   4° de wijze waarop de bewindvoerder de beschermde persoon en, in voorkomend geval, diens bewindvoerder over de persoon en diens vertrouwenspersoon betrokken heeft bij de uitoefening van zijn opdracht en rekening heeft gehouden met hun mening;
   5° de materiële levensvoorwaarden van de beschermde persoon;
   6° in voorkomend geval, de wijze waarop de bewindvoerder rekening heeft gehouden met de opmerkingen die de vrederechter heeft geformuleerd bij een eerder verslag.
   Bij het verslag wordt een fotokopie gevoegd van het laatste rekeninguittreksel ter staving van de erin vermelde saldi alsook, in voorkomend geval, een attest van de financiële instelling betreffende de belegde kapitalen.
   De bewindvoerder voert een vereenvoudigde boekhouding, die tenminste betrekking heeft op de mutaties in contant geld of op de rekeningen. De vrederechter kan de bewindvoerder echter, gelet op de aard en de omvang van het te beheren vermogen, vrijstelling verlenen van deze verplichting.
   De vrederechter keurt in een proces-verbaal het verslag goed. Hij kan daarbij voorbehouden en opmerkingen formuleren waarmee de bewindvoerder rekening moet houden.
   Wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de rekening tekortkomingen vertoont of wanneer de rekening vrij complex is, kan de vrederechter een technisch adviseur aanwijzen die hem technisch advies moet geven over de rekening. De vrederechter kan de kosten voor de technisch adviseur ten laste leggen van de bewindvoerder ingeval deze kennelijk tekortschoot in zijn verslaggevingsplicht of in de uitoefening van zijn opdracht.
   Ingeval de vrederechter verscheidene bewindvoerders heeft aangesteld, bepaalt hij de wijze waarop deze het verslag bedoeld in het tweede lid dienen uit te brengen.
   § 3. Het verslag en het proces-verbaal worden bij het in artikel 1253 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde administratief dossier gevoegd.
   § 4. De Koning bepaalt een model van schriftelijk verslag en van vereenvoudigde boekhouding.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 98, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/15. [1 De bewindvoerder over de goederen kan tijdens het bewind de vrederechter verzoeken om een bewindvoerder ad hoc aan te stellen die tot opdracht heeft de reeds neergelegde bewindsrekeningen te controleren en, in voorkomend geval, er namens de beschermde persoon kwijting voor te verlenen. De procedure van artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing. De eventuele kosten komen ten laste van de bewindvoerder. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 99, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/16. [1 Indien de bewindvoerder moet worden vervangen, worden de rekeningen afgesloten op de dag waarop de nieuwe bewindvoerder zijn opdracht aanvaardt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 100, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/17.[1 § 1. [2 Indien de vrederechter de opdracht van de bewindvoerder over de persoon beëindigt bij een beschikking bedoeld in de artikelen 492/4, eerste lid, of 496/7 of indien de rechterlijke beschermingsmaatregel van rechtswege eindigt overeenkomstig artikel 492/4, derde lid, geeft de vrederechter de bewindvoerder over de persoon de opdracht om, binnen de maand na de datum van de beëindiging van zijn opdracht vermeld in de beschikking, een eindverslag, opgesteld overeenkomstig artikel 499/14, § 1, neer te leggen ter griffie.
   De in het eerste lid bedoelde beschikking verplicht de bewindvoerder tevens om een kopie van het eindverslag over te zenden aan de beschermde persoon, aan de persoon ten aanzien van wie de rechterlijke beschermingsmaatregel is beëindigd of aan de nieuwe bewindvoerder over de persoon alsook, in voorkomend geval, aan de bewindvoerder over de goederen en de vertrouwenspersoon. De vrederechter kan de bewindvoerder over de persoon er evenwel van ontslaan dit verslag over te zenden aan de beschermde persoon, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
   Voorts bepaalt de vrederechter in zijn beschikking de dag en het uur waarop de bewindvoerder, de beschermde persoon, de persoon ten aanzien van wie de rechterlijke beschermingsmaatregel is beëindigd of diens nieuwe bewindvoerder over de persoon alsook, in voorkomend geval, de bewindvoerder over de goederen en de vertrouwenspersoon, dienen te verschijnen in raadkamer. De beschikking wordt hen bij gerechtsbrief ter kennis gebracht.
   Op de gestelde dag en uur wordt een proces-verbaal opgesteld waarin al dan niet vastgesteld wordt dat het verslag is neergelegd en goedgekeurd.
   Elke goedkeuring van het verslag vóór de datum van het in het vierde lid bedoelde proces-verbaal, is nietig.]2
   § 2. Indien de vrederechter de opdracht van de bewindvoerder over de goederen beëindigt bij een beschikking bedoeld in de artikelen 492/4, eerste lid, of 496/7 of indien de rechterlijke beschermingsmaatregel van rechtswege eindigt overeenkomstig artikel 492/4, derde lid, geeft de vrederechter de bewindvoerder over de goederen de opdracht om, binnen de maand na de datum van de beëindiging van zijn opdracht vermeld in de beschikking, een eindverslag, opgesteld overeenkomstig artikel 499/14, § 2, alsook een [2 lijst van roerende goederen die in zijn bezit zijn en die aan de rechthebbende overhandigd moeten worden]2, neer te leggen ter griffie.
   Indien overeenkomstig artikel 496/4, § 2, verscheidene bewindvoerders over de goederen werden aangesteld en de vrederechter de opdracht van één van hen beëindigt, bepaalt hij in zijn beschikking de wijze waarop het eindverslag bedoeld in het eerste lid dient te worden uitgebracht.
   De in het eerste lid bedoelde beschikking verplicht de bewindvoerder tevens om een kopie van het eindverslag en de [2 lijst van roerende goederen die in zijn bezit zijn en die aan de rechthebbende overhandigd moeten worden]2 over te zenden [2 aan de beschermde persoon,]2 aan de persoon ten aanzien van wie de rechterlijke beschermingsmaatregel is beëindigd of aan diens nieuwe bewindvoerder over de goederen alsook, in voorkomend geval, aan de bewindvoerder over de persoon en de vertrouwenspersoon. [2 De vrederechter kan de bewindvoerder over de goederen er evenwel van ontslaan dit verslag over te zenden aan de beschermde persoon, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.]2
   Voorts bepaalt de vrederechter in zijn beschikking de dag en het uur waarop de bewindvoerder, [2 de beschermde persoon,]2 de persoon ten aanzien van wie de rechterlijke beschermingsmaatregel is beëindigd of diens nieuwe bewindvoerder over de goederen alsook, in voorkomend geval, de bewindvoerder over de persoon en de vertrouwenspersoon, dienen te verschijnen in raadkamer. De beschikking wordt hen bij gerechtsbrief ter kennis gebracht.
   Op de gestelde dag en uur wordt een proces-verbaal opgesteld, waarin al dan niet vastgesteld wordt dat de rekening en verantwoording is gedaan, dat de rekening is goedgekeurd en dat de uittredende bewindvoerder kwijting is verleend voor de rekeningen waarvoor nog geen kwijting was verleend, overeenkomstig artikel 499/15. Het proces-verbaal wordt medeondertekend door de verschijnende partijen, de vrederechter en de hoofdgriffier.
   Elke goedkeuring van de definitieve rekening vóór de datum van het in het vierde lid bedoelde proces-verbaal, is nietig.
   Bij betwisting wordt overeenkomstig de artikelen 1358 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek rekening en verantwoording voor de rechtbank gedaan.
   § 3. Het verslag en het proces-verbaal worden bij het in artikel 1253 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde administratief dossier gevoegd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 101, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 196, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 499/18. [1 Zolang de definitieve rekening niet is goedgekeurd, kunnen tussen de persoon ten aanzien van wie de rechterlijke beschermingsmaatregel is beëindigd en zijn vroegere bewindvoerder over de goederen geen geldige overeenkomsten worden gesloten.
   Op voorlegging van een door de griffier voor eensluidend verklaard afschrift van het overeenkomstig artikel 499/17, § 2, vierde lid, opgemaakte proces-verbaal verleent de nieuwe bewindvoerder over de goederen of de vroeger beschermde persoon opheffing van de zekerheidstelling die de bewindvoerder inzake zijn beheer heeft gegeven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 102, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/19.[1 § 1. De opdracht van de bewindvoerder eindigt op het tijdstip van het overlijden van de beschermde persoon.
   § 2. Indien de beschermde persoon tijdens de duur van het bewind overlijdt, kan de vrederechter, ambtshalve of op verzoek van de bewindvoerder, van de vertrouwenspersoon of van elke belanghebbende evenals van de procureur des Konings, in afwijking van § 1, de bewindvoerder over de goederen, bij afwezigheid van erfgenamen die zich bij deze bewindvoerder hebben aangemeld, machtigen om diens opdracht uit te oefenen tot uiterlijk twee maanden na dit overlijden.
   De bevoegdheden van de bewindvoerder zijn in dat geval beperkt tot de betaling van de bezoldigingen en vergoedingen bedoeld in artikel 497/5 van het Burgerlijk Wetboek, de begrafeniskosten en de andere bevoorrechte schuldvorderingen vermeld in de artikelen 19 en 20 van de hypotheekwet van 16 december 1851 evenals de rusthuiskosten voor zover deze dateren van vóór het overlijden van de beschermde persoon.
   In afwijking van artikel 499/17, § 2, legt de bewindvoerder binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, zijn definitief verslag en rekening neer ter griffie, waar de erfgenamen van de beschermde persoon en de notaris die belast is met de aangifte en de verdeling van de nalatenschap ervan kennis kunnen nemen. Dit geldt onverminderd de toepassing van de artikelen 1358 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 197, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 499/20. [1 De goedkeuring van de rekening doet geenszins afbreuk aan de aansprakelijkheidsvorderingen die de beschermde persoon tegen de bewindvoerder kan instellen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 104, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/21. [1 Vorderingen van de beschermde persoon tegen zijn bewindvoerder betreffende feiten en rekeningen van het bewind verjaren na vijf jaar te rekenen van de beëindiging van de opdracht van de bewindvoerder.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 105, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 499/22. [1 De bewindvoerder mag alle stukken die verband houden met het bewind vernietigen vijf jaar na de beëindiging ervan.
   In afwijking van het eerste lid mag de bewindvoerder alle stukken die geen rechtstreeks verband houden met de door dit Wetboek voorgeschreven verplichtingen, zoals facturen en briefwisseling ouder dan vijf jaar, vernietigen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 106, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Onderafdeling 4. - [1 Het bewind uitgeoefend door de ouders]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 107, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 500.[1 Deze onderafdeling is van toepassing ingeval de vrederechter een rechterlijke beschermingsmaatregel van vertegenwoordiging heeft bevolen overeenkomstig artikel 492/1 en de ouders van de beschermde persoon of één van beiden heeft aangesteld tot bewindvoerder.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 108, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 500/1. [1 De bepalingen van onderafdeling 3 zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de afwijkingen waarin deze onderafdeling voorziet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 109, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 500/2. [1 In afwijking van artikel 499/14 bepaalt de vrederechter binnen een maand nadat het verslag bedoeld in artikel 499/6 bij het administratief dossier is gevoegd, na de ouders, de beschermde persoon en diens vertrouwenspersoon te hebben gehoord, het tijdstip waarop of de omstandigheden waarin en de wijze waarop de ouders verslag uitbrengen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 110, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 500/3. [1 § 1. Ingeval beide ouders aangesteld zijn tot bewindvoerder oefenen zij gezamenlijk het bewind uit.
   Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een daad van beheer van de goederen van de beschermde persoon verricht, behoudens de bij wet bepaalde uitzonderingen.
   Geschillen tussen de ouders worden beslecht in het belang van de beschermde persoon waarbij de voorkeur wordt gegeven aan de bemiddeling overeenkomstig de artikelen 1724 tot 1737 van het Gerechtelijk Wetboek en bij ontstentenis daarvan overeenkomstig de procedure bepaald bij artikel 1252 van het Gerechtelijk Wetboek.
   § 2. Indien een derde optreedt als bewindvoerder, worden conflicten tussen deze derde en de ouders die eveneens als bewindvoerder werden aangesteld beslecht in het belang van de beschermde persoon overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 1252 van het Gerechtelijk Wetboek.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 111, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 500/4. [1 De ouder wiens opdracht als bewindvoerder eindigt, legt uitsluitend op uitdrukkelijk verzoek van de persoon ten aanzien van wie de rechterlijke beschermingsmaatregel is beëindigd of van de nieuwe bewindvoerder, binnen één maand na de beëindiging van zijn opdracht, rekenschap en verantwoording af overeenkomstig artikel 499/17. De artikelen 499/18 en 499/20 tot 499/22 zijn in dat geval van toepassing.
   Artikel 499/19 is van toepassing ingeval het bewind eindigt door het overlijden van de beschermde persoon. In afwijking van artikel 499/19 moeten de ouders slechts rekenschap en verantwoording afleggen, binnen een maand na het overlijden van de beschermde persoon, op uitdrukkelijk verzoek van diens erfgenamen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 112, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Onderafdeling 5. [1 Vertrouwenspersoon]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 113, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 501.[1 De te beschermen of beschermde persoon heeft het recht zich, tijdens de hele duur van het bewind, te laten bijstaan door een door hemzelf aangewezen vertrouwenspersoon.
   De homologatie van de aanwijzing van de vertrouwenspersoon gebeurt door een schriftelijk of mondeling verzoek dat daartoe bij de aanvang of tijdens de duur van het bewind aan de vrederechter wordt gericht door de beschermde of de te beschermen persoon, door een derde in diens belang, dan wel door de procureur des Konings. De vrederechter vergewist zich vooraf van zijn aanvaarding en oordeelt bij een met bijzondere redenen omklede beschikking.
   Indien de persoon die overeenkomstig de artikelen 496 en 496/1 is aangewezen, de functie van vertrouwenspersoon aanvaardt, homologeert de vrederechter de aanwijzing, tenzij ernstige redenen met betrekking tot het belang van de beschermde persoon, die nauwkeurig zijn omschreven in de gronden van de beschikking, uitsluiten dat deze keuze wordt gevolgd.
   Indien de beschermde persoon zelf geen vertrouwenspersoon heeft aangewezen, kan de vrederechter de mogelijkheid onderzoeken om alsnog de aanwijzing van een vertrouwenspersoon te homologeren overeenkomstig het tweede en het derde lid, dan wel ambtshalve een vertrouwenspersoon aan te wijzen.
   Artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing.
   Als vertrouwenspersoon kunnen niet worden aangewezen :
   1° de bewindvoerder van de beschermde persoon;
   2° personen ten aanzien van wie een rechterlijke of een buitengerechtelijke beschermingsmaatregel werd genomen;
   3° rechtspersonen;
   4° personen die, overeenkomstig artikel 32 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, volledig ontzet zijn uit het ouderlijk gezag;
   5° ingeval het bewind wordt uitgeoefend door beide ouders of één van beide, een bloedverwant van de beschermde persoon tot en met de tweede graad.
   In uitzonderlijke omstandigheden kan de vrederechter evenwel bij een met bijzondere redenen omklede beschikking afwijken van het zesde lid, 5°, ingeval hij vaststelt dat dit het belang van de beschermde persoon dient.
   De vrederechter kan de aanwijzing van de vertrouwenspersoon weigeren op grond van diens uittreksel uit het strafregister.
   In het belang van de beschermde persoon kan hij verscheidene vertrouwenspersonen aanwijzen.
   In voorkomend geval preciseert hij de bevoegdheden van de verscheidene vertrouwenspersonen, alsook de wijze waarop zij hun bevoegdheid uitoefenen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 114, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 501/1. [1 De beschermde persoon kan te allen tijde afzien van de ondersteuning van de vertrouwenspersoon of een andere vertrouwenspersoon aanwijzen. De procedure wordt ingeleid bij schriftelijk of mondeling verzoek.
   Artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing.
   De vrederechter kan, te allen tijde, in het belang van de te beschermen persoon, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een bewindvoerder of van de procureur des Konings, bij een met redenen omklede beschikking beslissen dat de vertrouwenspersoon zijn functie niet meer mag uitoefenen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 115, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 501/2. [1 De vertrouwenspersoon ondersteunt de beschermde persoon. Hij onderhoudt, voor zover mogelijk, nauwe contacten met de beschermde persoon en pleegt op geregelde tijdstippen overleg met diens bewindvoerder.
   De vertrouwenspersoon ontvangt alle verslagen inzake het bewind. Hij wordt door de bewindvoerder op de hoogte gehouden van alle handelingen die betrekking hebben op het bewind en kan bij hem alle nuttige informatie hieromtrent inwinnen.
   In de bij de wet bepaalde gevallen drukt de vertrouwenspersoon de wensen van de beschermde persoon uit indien deze niet in staat is om deze zelf te uiten. De vertrouwenspersoon ondersteunt de beschermde persoon bij het uiten van zijn mening ingeval hij niet in staat is om deze zelfstandig te uiten.
   Indien de vertrouwenspersoon vaststelt dat de bewindvoerder kennelijk tekortschiet in de uitoefening van zijn opdracht, verzoekt hij de vrederechter de in artikel 492/1 bedoelde beschikking te herzien overeenkomstig artikel 496/7.
   Ingeval de vertrouwenspersoon bij de uitvoering van zijn opdracht de beschermde persoon schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 116, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Afdeling 5. [1 De beëindiging van het bewind]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 117, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 502.[1 § 1. Het bewind eindigt in de gevallen bedoeld in artikel 492/4.
   § 2. Onverminderd artikel 499/19, neemt de opdracht van de bewindvoerder een einde :
   1° door de beëindiging van het bewind;
   2° door het overlijden van de bewindvoerder of de ontbinding van de private stichting;
   3° door de plaatsing van de bewindvoerder onder een rechterlijke beschermingsmaatregel overeenkomstig artikel 492/1;
   4° door het nemen van een buitengerechtelijke maatregel ten aanzien van de bewindvoerder;
   5° ingeval de vrederechter overeenkomstig artikel 496/7 beslist om de bewindvoerder te vervangen;
   6° ingeval de vrederechter ten aanzien van de beschermde persoon een buitengerechtelijke beschermingsmaatregel beveelt als bedoeld in de artikelen 490 of 490/1 en hierbij de opheffing van de rechterlijke beschermingsmaatregel ten aanzien van de beschermde persoon beveelt.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 118, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 503.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 119, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 504.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 119, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 505. (Opgeheven) <W 24-06-1970, art. 37>

  Art. 506. (Opgeheven) <W 2001-04-29/39, art. 24, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2001>

  Art. 507. (Opgeheven) <W 10-08-1909, art. 1>

  Art. 508.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 119, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 509.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 119, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 510.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 119, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 511.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 119, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 512.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 119, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  HOOFDSTUK III.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 120, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 513.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 120, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 514.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 120, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 515.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 120, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 31-07-2017 GEPUBL. OP 01-09-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 205; 378; 410; 492/1; 492/3; 493; 497/2; 499/7)
  • BEELD
  • WET VAN 06-07-2017 GEPUBL. OP 24-07-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 346-1/1; 346-1/2; 346-2; 346-2/1; 361-1; 361-2; 361-2/1; 361-3; 361-5; 365-4) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 06-07-2017 GEPUBL. OP 24-07-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 363-1)
    (GEWIJZIGDE ART. : 301; 331sexies; 335quater; 348-5/1; 353-2; 353-4bis; 353-5; 410)
  • BEELD
  • WET VAN 25-06-2017 GEPUBL. OP 10-07-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 45; 62bis; 62bis/1; 62ter; 329) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 19-03-2017 GEPUBL. OP 05-04-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 371-387ter; 387bis; 387quater; 387quinquies; 387sexies; 387septies; 387octies; 387novies; 387decies; 387undecies; 387duodecies; 387terdecies; 387quaterdecies)
  • BEELD
  • WET VAN 20-02-2017 GEPUBL. OP 22-03-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 343; 344-3; 345; 346-2; 347-1; 347-2; 348-11; 353-2; 353-9; 353-14; 353-18; 356-1; 356-2; 356-3)
  • BEELD
  • WET VAN 20-02-2017 GEPUBL. OP 22-03-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 328)
  • BEELD
  • WET VAN 25-12-2016 GEPUBL. OP 30-12-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 335; 335ter)
  • BEELD
  • ARREST GRONDWETTELIJK HOF VAN 14-01-2016 GEPUBL. OP 14-03-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 335)
  • BEELD
  • WET VAN 18-12-2014 GEPUBL. OP 23-12-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 335; 356/2)
    (GEWIJZIGDE ART. : NL57; NL62ter; 318; 319; 325/7; 328bis; 330; 335ter)
  • BEELD
  • WET VAN 22-05-2014 GEPUBL. OP 23-07-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 374/1; 374/2) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 05-05-2014 GEPUBL. OP 09-07-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 488bis)
  • BEELD
  • WET VAN 05-05-2014 GEPUBL. OP 08-07-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 193bis)
  • BEELD
  • WET VAN 05-05-2014 GEPUBL. OP 07-07-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 56; 57; 62ter; 80bis; 319; 322; 325/1; 325/2; 325/3325/4; 325/5; 325/6; 325/7; 325/8; 325/9; 325/10; 328bis; 329; 331nonies; 332bis; 332ter; 335)
  • BEELD
  • WET VAN 08-05-2014 GEPUBL. OP 26-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 335; 335bis; 353-1; 353-2; 353-3; 353-4; 353-4bis; 353-5; 356-2)
  • BEELD
  • WET VAN 12-05-2014 GEPUBL. OP 19-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 45; 63)
  • BEELD
  • WET VAN 08-05-2014 GEPUBL. OP 14-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 220; 223; 329bis; 330; 338; 348-1; 387bis; 387ter; 389; )
  • BEELD
  • WET VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 14-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 34; 38; 71; 76; 78; 79)
    (GEWIJZIGD ART. : 365-6)
    (GEWIJZIGDE ART. : 328; 331sexies; 488/1; 490/1; 491; 492; 492/1; 492/4; 493/2; 496/3; 496/4; 496/6; 497/2; 498/1; 499/7; 499/17; 499/19)
  • BEELD
  • WET VAN 21-12-2013 GEPUBL. OP 21-01-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 60; 165; 170bis)
  • BEELD
  • WET VAN 30-07-2013 GEPUBL. OP 27-09-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 54; 72; 72bis; 112; 113; 114; 117; 118; 120; 122; 126; 127; 130; 145; 148; 167; 185; 203bis; 203ter; 203quater; 210; 214; 215; 216; 220; 221; 223; 301; 302; 316bis; 318; 322; 329bis; 330; 331; 331septies; 331decies; 338; 346-2; 348-1; 348-2; 348-4; 348-8; 348-10; 348-11; 351; 3535-5; 353-6; 353-10; 354-1; 354-2; 361-1; 361-2; 362-2; 363-3; 367-3; 373-374-375bis; 376; 378; 379; 387bis; 387ter; 389; 475ter; 475quinquies; 475sexies; 477; 478; 479; 480)
  • BEELD
  • WET VAN 02-06-2013 GEPUBL. OP 23-09-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 63; 64; 146ter; 167; 184; 193ter)
  • BEELD
  • WET VAN 17-03-2013 GEPUBL. OP 14-06-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 50; 145/1; 148; 186; 214; 220; 231; 311bis; 328; 329bis; 331sexies; 332quinquies; 348.1-348.3; 348.5-348.7; 353.8; 353.9; 353.11; 375; 389; 487bis-487octies; 488bis; 488/1; 488/2; 489; 490; 490/1; 490/2; 491; 492; 492/1-492/5; 493; 493/1-493/3; 494; 495; 496; 496/1-496/7; 497; 497/1-497/8; 498; 498/1-498/4; 499; 499/1-499/22; 500; 500/1-500/4; 501; 501/1; 501/2; 502; 503; 504; 508; 509-511; 512; 513-515)
  • BEELD
  • WET VAN 14-01-2013 GEPUBL. OP 01-03-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 38; 39; 42; 44; 44/1; 52; 56:75; 76; 77; 80; 80bis; 82; 83; 84; 85)
  • BEELD
  • WET VAN 10-12-2012 GEPUBL. OP 11-01-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 203; 205bis; 301; 339bis; 353.14; 387)
  • BEELD
  • WET VAN 20-06-2012 GEPUBL. OP 10-08-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 346-2; 361-1; )
  • BEELD
  • WET VAN 11-04-2012 GEPUBL. OP 07-05-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 365-6)
  • BEELD
  • WET VAN 13-08-2011 GEPUBL. OP 14-09-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 124)
  • BEELD
  • WET VAN 02-06-2010 GEPUBL. OP 30-06-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 338)
  • BEELD
  • WET VAN 02-06-2010 GEPUBL. OP 21-06-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 343; 353-13)
  • BEELD
  • WET VAN 02-06-2010 GEPUBL. OP 21-06-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 301)
  • BEELD
  • WET VAN 06-04-2010 GEPUBL. OP 21-06-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 64; 75; 76)
  • BEELD
  • WET VAN 18-04-2010 GEPUBL. OP 10-05-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 410)
  • BEELD
  • WET VAN 19-03-2010 GEPUBL. OP 21-04-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 203; 203bis-203quater; 301; 336; 339; 353.14)
  • BEELD
  • WET VAN 10-03-2010 GEPUBL. OP 30-03-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 41; 63)
  • BEELD
  • WET VAN 30-12-2009 GEPUBL. OP 15-01-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 361.1; 361.2)
  • BEELD
  • WET VAN 12-07-2009 GEPUBL. OP 24-08-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 75)
  • BEELD
  • WET VAN 19-02-2009 GEPUBL. OP 11-03-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 66; 67; 68; 76; 165; 172-179)
  • BEELD
  • WET VAN 08-06-2008 GEPUBL. OP 16-06-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 365-1)
  • BEELD
  • WET VAN 10-05-2007 GEPUBL. OP 03-08-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 295)
  • BEELD
  • WET VAN 21-04-2007 GEPUBL. OP 13-07-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 488BIS) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 15-05-2007 GEPUBL. OP 12-07-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 57)
  • BEELD
  • WET VAN 15-05-2007 GEPUBL. OP 12-07-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 99; 100)
  • BEELD
  • WET VAN 10-05-2007 GEPUBL. OP 11-07-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 62BIS; 62TER)
  • BEELD
  • WET VAN 15-05-2007 GEPUBL. OP 29-06-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 164)
  • BEELD
  • WET VAN 09-05-2007 GEPUBL. OP 21-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 112-135; 136-139; 214; 220; 316)
    (GEWIJZIGDE ART. : 348.2; 348.3; 348.5; 348.6)
    (GEWIJZIGDE ART. : 348.7; 375; 142)
  • BEELD
  • WET VAN 09-05-2007 GEPUBL. OP 15-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 47; 61; 70; 72; 72TER)
  • BEELD
  • WET VAN 25-04-2007 GEPUBL. OP 15-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 146TER; 180; 181; 184)
  • BEELD
  • WET VAN 27-04-2007 GEPUBL. OP 07-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 229; 230; 231; 232; 233; 275; 276)
    (GEWIJZIGDE ART. : 299; 300; 301; 301BIS; 302; 304)
    (GEWIJZIGDE ART. : 306; 307; 307BIS; 308; 311BIS)
    (GEWIJZIGD ART. : 316BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 28-03-2007 GEPUBL. OP 08-05-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 353-16)
  • BEELD
  • WET VAN 09-05-2006 GEPUBL. OP 30-04-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 145)
  • BEELD
  • WET VAN 01-07-2006 GEPUBL. OP 29-12-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 331SEX; 332BIS; 332QQ; 335; 337)
    (GEWIJZIGDE ART. : 320; 323; 332; 334BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 62; 80BIS; 313; 314; 316BIS; 318)
    (GEWIJZIGDE ART. : 319; 319BIS; 321; 322; 325; 328)
    (GEWIJZIGDE ART. : 328BIS; 329BIS; 330; 331TER)
  • BEELD
  • WET VAN 27-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 312; 318; 328BIS; 330; 332QUI)
  • BEELD
  • WET VAN 18-07-2006 GEPUBL. OP 04-09-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 374; 387BIS; 387TER)
  • BEELD
  • WET VAN 23-05-2006 GEPUBL. OP 03-07-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 78; 79)
  • BEELD
  • WET VAN 18-05-2006 GEPUBL. OP 20-06-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 343; 353-1-353-3; 353-4BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 353-5; 356-2; )
  • BEELD
  • WET VAN 15-05-2006 GEPUBL. OP 02-06-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 397)
  • BEELD
  • WET VAN 03-12-2005 GEPUBL. OP 23-12-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 64)
  • BEELD
  • WET VAN 06-12-2005 GEPUBL. OP 16-12-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 361-5; 361-6; 363-1; 365-4)
  • BEELD
  • WET VAN 15-06-2005 GEPUBL. OP 30-06-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 488BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 13-02-2005 GEPUBL. OP 23-02-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 164)
  • BEELD
  • WET VAN 27-12-2004 GEPUBL. OP 31-12-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 76; 343; 353-14; 367-3; 346.2)
    (GEWIJZIGDE ART. : 348.11; 362.2)
  • BEELD
  • MINISTERIELE OMZENDBRIEF VAN 23-09-2004 GEPUBL. OP 28-09-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 15; 47; 170; 170TER; 171)
  • BEELD
  • WET VAN 16-07-2004 GEPUBL. OP 27-07-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 48; 64; 76; 359-3; 3; 15; 47; 170)
    (GEWIJZIGDE ART. : 170TER; 171; 359-5)
  • BEELD
  • WET VAN 22-12-2003 GEPUBL. OP 31-12-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 488BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 03-05-2003 GEPUBL. OP 31-12-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 488BIS.B-488BIS.H)
  • BEELD
  • WET VAN 24-04-2003 GEPUBL. OP 16-05-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 362.2-362.4; 363.1-363.6; 364.1-364.3; 365.1-365.5; 368.1-368.8; 369; 370; 366.1-366.3; 367.1; 367.2)
  • BEELD
  • WET VAN 24-04-2003 GEPUBL. OP 16-05-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 357; 358; 359.1-359.6; 360.1; 360.2; 361.1-361.4; 362.1; 354.2; 354.3; 355; 356.1-356.4; 343; 344.1; 344.2; 345; 346.1; 346.2; 347.1-347.3; 348.1; 348.2-348.11; 349.1-349.3; 350; 351; 352; 353.1-353.18; 354.1) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 13-02-2003 GEPUBL. OP 25-03-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 378; 379; 396; 410)
  • BEELD
  • WET VAN 13-02-2003 GEPUBL. OP 28-02-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : F75; 143; 162; 163; 164; 170; 171; 206; 313; 319BIS; 322; 345; 346; 361; 368)
  • BEELD
  • WET VAN 28-01-2003 GEPUBL. OP 12-02-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 223)
  • BEELD
  • WET VAN 29-04-2001 GEPUBL. OP 31-05-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 50; 142; 145; 175; 348; 349; 350; 353; 361; 367; 378; 389-475; 475TER; 475QUATER; 475SEXIES; 475SEPTIES; 478; 479; 483; 484; 485; 487QUATER; 506; 509; 510; 511)
  • BEELD
  • WET VAN 27-03-2001 GEPUBL. OP 11-05-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 162; 164)
  • BEELD
  • WET VAN 16-04-2000 GEPUBL. OP 19-05-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 232)
  • BEELD
  • WET VAN 01-03-2000 GEPUBL. OP 06-04-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 167; 170; 192; 193)
  • BEELD
  • WET VAN 07-05-1999 GEPUBL. OP 30-12-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 487SEXIES)
  • BEELD
  • WET VAN 04-05-1999 GEPUBL. OP 01-07-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 63; 64; 66; 67; 69; 70; 75; 76; 94; 146BIS; 165; 166; 167; 170BIS; 184; 191; 192)
  • BEELD
  • WET VAN 07-05-1999 GEPUBL. OP 29-06-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 370BIS-370QUATER)
  • BEELD
  • WET VAN 27-04-1999 GEPUBL. OP 24-06-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 80BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 08-11-1998 GEPUBL. OP 17-12-1998
    (GEWIJZIGD ART. : 488BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 20-05-1997 GEPUBL. OP 27-06-1997
    (GEWIJZIGDE ART. : 275; 276; 301; 301BIS; 311BIS)
  • WET VAN 13-04-1995 GEPUBL. OP 24-05-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 108; 203; 302; 303; 371; 372; 373; 374; 375; 375BIS; 376; 377; 384; 385; 387BIS)
  • WET VAN 27-12-1994 GEPUBL. OP 28-01-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 318; 320; 348)
  • WET VAN 18-07-1991 GEPUBL. OP 26-07-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 488BIS.A-488BIS)
  • WET VAN 20-02-1991 GEPUBL. OP 22-02-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 215)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Inhoudstafel 17 uitvoeringbesluiten 75 gearchiveerde versies
    Franstalige versie