Einde
Parlementairewerkzaamheden Inhoudstafel
Gearchiveerde versie nr  1

Titel
27 NOVEMBER 1891. - Wet tot beteugeling van de landloperij en de bedelarij.

Dossiernummer : 1891-11-27/30

Nota
Gewijzigd bij   WET  van  12-01-1993   gepubl. op   04-02-1993
     Gewijzigd art.   1-A42
   Van kracht tot   01-03-1993

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-16, 16bis, 17-42

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Door de regering zullen, tot beteugeling der landloperij en bedelarij, verbeterhuizen onder de benaming van bedelaarsgestichten, toevluchtshuizen en weldadigheidsscholen ingericht worden.
  Art. 2. De in het vorig artikel bedoelde verbeterhuizen, zullen uitsluitend dienen voor het interneren van personen die door de rechterlijke overheid ter beschikking van de regering gesteld worden om in een bedelaarsgesticht te worden opgesloten.
  De in hetzelfde artikel bedoelde toevluchtshuizen zullen uitsluitend dienen voor het interneren van personen die door de rechterlijke overheid ter beschikking der regering worden gesteld om er opgesloten te worden en van personen wier opsluiting in een toevluchtshuis door de gemeenteoverheid zal gevorderd worden.
  De weldadigheidsscholen zullen dienen voor de personen beneden de leeftijd van volle achttien jaar, die door de rechterlijke overheid ter beschikking van de regering worden gesteld of wier opneming door de gemeenteoverheid zal gevraagd worden.
  Art. 3. De personen boven de leeftijd van volle achttien jaar, wier internering in een toevluchtshuis door de gemeenteoverheid wordt gevraagd, worden er opgenomen wanneer zij er zich vrijwillig melden, voorzien van de uitgifte van het besluit van een college van burgemeester en schepenen waarbij machtiging tot hun opneming verleend wordt.
  Art. 4. <W 24-12-1948, art. 42> Wanneer een gemeentebestuur de internering in een toevluchtshuis gevraagd heeft, komen de onderhoudskosten ten bezware van de commissie van openbare onderstand, onverminderd de subsidiŰn der gemeente bij ontoereikende inkomsten der commissie.
  Art. 5. De personen beneden de leeftijd van volle eenentwintig jaar die in de bedelaarsgestichten worden ge´nterneerd, blijven er gans afgezonderd van de opgeslotenen boven die leeftijd.
  Art. 6. De personen die bekwaam zijn om te werken en in een bedelaarsgesticht of een toevluchtshuis worden ge´nterneerd, zijn verplicht de arbeid te verrichten die in de instelling is voorgeschreven.
  Zij ontvangen, behoudens intrekking bij tuchtmaatregel, een dagloon, waarop een afhouding wordt gedaan om hun uitgaanskas te vormen.
  De minister van Justitie zal voor de verschillende categorieŰn waarin de opgeslotenen gerangschikt en volgens de arbeid waartoe zij gebruikt worden, het bedrag van het dagloon en van de afhouding bepalen.
  De uitgaanskassen zullen aan de belanghebbenden uitgekeerd worden gedeeltelijk in geld, gedeeltelijk in klederen en gereedschap.
  Art. 7. De inwendige orde en de tucht in de gestichten worden bij Koninklijk besluit geregeld.
  De gedetineerden mogen aan het regime van de afzondering worden onderworpen.
  Art. 8. Al wie in staat van landloperij wordt aangetroffen, wordt aangehouden en voor de politierechtbank gebracht (lid 2 en 3 opgeheven) <W 21-08-1948, art. 6, L 1>
  Art. 9. Al wie bedelend wordt aangetroffen, kan aangehouden en voor de politierechtbank gebracht worden.
  Art. 10. (Opgeheven) <W 15-12-1980, art. 93, 3░>
  Art. 11. Bij afwijking van artikel 3 van de Wet van 1 mei 1849, kunnen de krachtens deze wet aangehouden personen door het openbaar ministerie of door de rechtbanken voorlopig in vrijheid worden gesteld.
  Art. 12. De politierechtbanken gaan de identiteit, de leeftijd, de lichamelijke toestand, de geestestoestand en de levenswijze na van de personen die wegens landloperij of bedelarij voor hen worden gebracht. <W 10-10-1967, art. 3>
  Art. 13. Zij stellen ter beschikking van de regering, om gedurende ten minste twee jaar en ten hoogste zeven jaar in een bedelaarsgesticht opgesloten te worden, de tot arbeid bekwame personen die, in plaats van in de arbeid hun middelen van bestaan te zoeken, de liefdadigheid uitbuiten als bedelaars van beroep; de personen die, uit luiaardij, drankzucht of zedenlosbandigheid, in staat van landloperij leven (...). <W 21-08-1948, art. 6, L 2>
  Art. 14. De correctionele rechtbanken kunnen de landlopers en bedelaars die zij wegens een door de strafwet bepaald misdrijf tot gevangenisstraf van minder dan een jaar veroordelen, ter beschikking stellen van de regering, om gedurende minstens een jaar en ten hoogste zeven jaar in een bedelaarsgesticht opgesloten te worden, nadat zij hun straf hebben ondergaan.
  Art. 15. De minister van Justitie doet de in een bedelaarsgesticht opgesloten personen in vrijheid stellen, wanneer hij het niet nuttig oordeelt hun internering te laten voortduren tot het einde van de door de rechtbank bepaalde termijn.
  Art. 16 De politierechtbanken kunnen de personen die, buiten elke van de hierboven in artikel 13 vermelde omstandigheden, in staat van landloperij of bedelend worden aangetroffen, ter beschikking van de regering stellen om in een toevluchtshuis ge´nterneerd te worden. <W 10-10-1967, art. 3>
  Art. 16bis. <W 06-08-1971, art. 1> De beslissingen gegeven met toepassing van artikelen 13 en 16 zijn vatbaar voor de rechtsmiddelen waarin het Wetboek voor Strafvordering voorziet.
  Hoger beroep wordt ingesteld voor de correctionele rechtbank onder de voorwaarden en in de vormen bij dat Wetboek bepaald.
  Het wordt ingesteld ten laatste de derde dag na die waarop de beslissing wordt gegeven.
  Indien de landloper of de bedelaar van zijn vrijheid beroofd is, doet de correctionele rechtbank uitspraak binnen acht dagen. In dat geval wordt de dagvaarding verzonden ten minste drie dagen vˇˇr de datum die voor de verschijning is gesteld.
  Art. 17. De in toevluchtshuizen ge´nterneerde personen zullen in vrijheid gesteld worden wanneer hun uitgaanskas het bedrag bereikt dat door de minister van Justitie werd bepaald voor de verschillende categorieŰn waarin de opgeslotenen gerangschikt zijn en volgens het ambacht dat zij uitoefenen.
  Art. 18. In geen geval kunnen de in een toevluchtshuis ge´nterneerde personen langer dan een jaar tegen hun wil worden opgehouden.
  De minister van Justitie doet elke persoon die in een toevluchtshuis opgesloten is en wiens opsluiting hij niet meer nodig acht, in vrijheid stellen.
  Art. 19. De regering kan de personen van vreemde nationaliteit die te harer beschikking zijn gesteld om in een bedelaarsgesticht of in een toevluchtshuis te worden ge´nterneerd, te allen tijde naar de grens doen terugbrengen.
  Art. 20. Het bestuur van de toevluchtshuizen zal aan de opgesloten personen, wanneer zij het gesticht verlaten, een getuigschrift ter hand stellen dat melding maakt van hun verblijf in het gesticht en, indien er aanleiding toe is, hun goed gedrag bevestigt.
  Art. 21. <W 24-12-1948, art. 42> De onderhoudskosten der krachtens een beslissing van de gerechtelijke overheid in de bedelaarsgestichten ge´nterneerde personen komen ten bezware van de Staat. Hetzelfde geldt voor de onderhoudskosten der in de toevluchtshuizen ge´nterneerde personen.
  Art. 22. (Opgeheven) <W 24-12-1948, art. 42>
  Art. 23. (Opgeheven) <W 24-12-1948, art. 42>
  Art. 24. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>
  Art. 25. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>
  Art. 26. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>
  Art. 27. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>
  Art. 28. Indien, ten gevolge van een misslag bij het vaststellen van zijn leeftijd, een persoon van niet ten volle achttien jaar oud ter beschikking van de regering werd gesteld om in een bedelaarsgesticht te worden opgesloten, zou de overbrenging naar de Rijksweldadigheidsscholen onmiddellijk bevolen worden door de minister van Justitie.
  Zo ook zou de overbrenging naar een toevluchtshuis onmiddellijk door de minister van Justitie worden bevolen, indien een persoon van meer dan volle achttien jaren oud ter beschikking van de regering werd gesteld, om in een Rijksweldadigheidsschool te worden ge´nterneerd.
  Art. 29. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>
  Art. 30. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>
  Art. 31. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>
  Art. 32. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>
  Art. 33. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>
  Art. 34. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>
  Art. 35. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>
  Art. 36. (Opgeheven) <W 24-12-1984, art. 42>
  Art. 37. De Koning zal jaarlijks de prijs bepalen van de onderhoudsdag in de Rijksweldadigheidsscholen, in de toevluchtshuizen en in de bedelaarsgestichten.
  Art. 38. De terugbetaling van de bij toepassing van deze wet gemaakte bijstandskosten wordt vervolgd, hetzij tegen de ondersteunde personen, hetzij tegen hen die hun onderhoud verschuldigd zijn.
  De terugbetaling kan ook vervolgd worden tegen hen die aansprakelijk zijn voor de verwonding of de ziekte die de bijstand noodzakelijk heeft gemaakt.
  De rechtsvordering verjaart overeenkomstig de bepalingen van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek.
  Art. 39. (Opgeheven) <W 15-05-1912, art. 64>
  Art. 40. De regeering zal om de drie jaren aan de Wetgevende Kamers verslag doen over de uitvoering dezer wet.
  Art. 41. De wetten van 15 Augustus 1833, 3 April 1848 en 6 Maart 1866 worden ingetrokken.
  Art. 42. De tegenwoordige wet zal in werking gesteld worden den 1n Januari 1892.

Parlementairewerkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
   Historiek : zie Franse versie.


Begin
Parlementairewerkzaamheden Inhoudstafel