Einde Preambule Verslag aan de Koning
Inhoudstafel Wijziging(en)
Gearchiveerde versie nr  24

Titel
08 JANUARI 1996. -Koninklijk besluit betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken.

Dossiernummer : 1996-01-08/32

Nota
Gewijzigd bij   KONINKLIJK BESLUIT  van  02-06-2013   gepubl. op   05-06-2013
      Art. 1-141; N1-N9
   Van kracht tot   01-07-2013

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Bepalingen betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken.
HOOFDSTUK I. - Bekendmakingsvoorschriften voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken.
Afdeling I. - Overheidsopdrachten voor aanneming van werken onderworpen aan de Europese bekendmaking.
Art. 1-9
Afdeling II. - Overheidsopdrachten voor aanneming van werken die niet onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking.
Art. 10-14, 14bis, 15
HOOFDSTUK II. - Regels in verband met de kwalitatieve selectie voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken.
Art. 16-17, 17bis, 18-20, 20bis, 20ter
HOOFDSTUK III. Promotieovereenkomsten voor aanneming van werken.
Art. 21-22
HOOFDSTUK IV. - De wedstrijd.
Art. 23
HOOFDSTUK V. Toegang tot overheidsopdrachten voor aanneming van werken voor de aannemers van derde landen ten aanzien van de Europese Gemeenschap.
Art. 24
HOOFDSTUK VI. - De informatie.
Art. 25-26
TITEL II. - Bepalingen betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen.
HOOFDSTUK I. - Bekendmakingsvoorschriften voor de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen.
Afdeling I. - Overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen onderworpen aan de Europese bekendmaking.
Art. 27-36
Afdeling II. - Overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen die niet onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking.
Art. 37-40, 40bis, 41
HOOFDSTUK II. - Regels in verband met de kwalitatieve selectie voor de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen.
Art. 42-43, 43bis, 44-46, 46bis, 47
HOOFDSTUK III. - Promotieovereenkomsten voor aanneming van leveringen.
Art. 48, 48bis
HOOFDSTUK IV. - De wedstrijd.
Art. 49
HOOFDSTUK V. - Toegang tot overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen voor de leveranciers van derde landen ten aanzien van de Europese Gemeenschap.
Art. 50
HOOFDSTUK VI. - De informatie.
Art. 51-52
TITEL III. - Bepalingen betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten.
HOOFDSTUK I. - Bekendmakingsvoorschriften voor de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten.
Afdeling I. - Overheidsopdrachten voor aanneming van diensten onderworpen aan de Europese bekendmaking.
Art. 53-61
Afdeling II. Overheidsopdrachten voor aanneming van diensten die niet onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking.
Art. 62-66, 66bis, 67
HOOFDSTUK II. - Regels in verband met de kwalitatieve selectie voor de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten.
Art. 68-69, 69bis, 70-73, 73bis, 73ter, 74
HOOFDSTUK III. - De prijsvraag voor ontwerpen.
Art. 74bis, 75-77
HOOFDSTUK IV. - (Toegangsverbod tot bepaalde opdrachten). KB 2004-02-18/35, art. 1, 011; ED : 01-05-2004>
Art. 78
HOOFDSTUK V. - Toegang tot overheidsopdrachten voor aanneming van diensten voor de dienstverleners van derde landen ten aanzien van de Europese Gemeenschap.
Art. 79
HOOFDSTUK VI. - De informatie.
Art. 80-81
TITEL IIIbis. - [1 Communicatiemiddelen]1
Art. 81bis, 81ter, 81quater, 81quinquies, 81sexies
TITEL IV. - Technische specificaties en normen.
Art. 82, 82bis, 83, 83bis, 84-85
TITEL V. - Prijsbepaling en prijsonderzoek.
Art. 86, 86bis, 87-88
TITEL VI. - De offertes en de gunning bij aanbesteding en offerteaanvraag.
HOOFDSTUK I. - Opmaken van de offerte.
Afdeling I. - Vorm en inhoud van de offerte.
Art. 89-92
Afdeling II. - Vereniging, volmacht en vervanging.
Art. 93-95
Afdeling III. - Overheidsopdracht voor aanneming van werken en samenvattende opmetingsstaat.
Art. 96
Afdeling IV. - Overheidsopdracht voor aanneming van leveringen of van diensten en inventaris.
Art. 97
Afdeling V. - Vergissingen en leemten.
Art. 98-99
Afdeling VI. Prijsopgave, opdrachten in percelen en gebruik van de talen.
Art. 100-102
HOOFDSTUK II. - Indienen van de offertes.
Art. 103-105
HOOFDSTUK III. - Opening van de offertes.
Art. 106-109
HOOFDSTUK IV. - Regelmatigheid van de offertes en van de prijzen.
Art. 110
HOOFDSTUK V. - Keuze van de [1 begunstigde]1 bij aanbesteding of offerteaanvraag.
Afdeling I. - Keuze bij openbare of beperkte aanbesteding.
Art. 111-113
Afdeling II. Keuze bij algemene of beperkte offerteaanvraag.
Art. 114-115
Afdeling III. - Gestanddoeningstermijn voor de inschrijvers.
Art. 116
HOOFDSTUK VI. - Kennisgeving van de keuze van de [1 begunstigde]1.
Art. 117-119
TITEL VII. - Bijzondere bepalingen betreffende de onderhandelingsprocedure.
Art. 120, 120bis, 121-122, 122bis, 122ter
TITEL VIII. - Concessies voor openbare werken en opdrachten gegund in naam van de concessiehouders voor openbare werken.
HOOFDSTUK I. - Concessies voor openbare werken.
Afdeling I. - Concessies voor openbare werken onderworpen aan de Europese bekendmaking.
Art. 123-124
Afdeling II. - Concessies voor openbare werken die niet onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking.
Art. 125
Afdeling III. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Art. 126-127, 127bis, 128, 128bis, 129-131
HOOFDSTUK II. - Opdrachten voor aanneming van werken gegund door de concessiehouder.
Afdeling I. - Concessiehouder die de hoedanigheid heeft van een aanbestedende overheid.
Art. 132
Afdeling II. - Concessiehouder die geen aanbestedende overheid is.
Art. 133-135
HOOFDSTUK III. <Ingevoegd bij KB 2002-04-22/30, art. 38; ED : 01-05-2002>- Aanvullende bekendmakingsregels.
Art. 135bis, 135ter
HOOFDSTUK IV. - De informatie. <Ingevoegd bij KB 2008-07-31/32, art. 17; ED : 18-08-2008>
Art. 136, 136bis
TITEL IX. - Slotbepalingen.
Art. 137-141
BIJLAGEN.
Art. N1-N9

Tekst Inhoudstafel Begin

  TITEL I. - Bepalingen betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken.
  HOOFDSTUK I. - Bekendmakingsvoorschriften voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken.
  Afdeling I. - Overheidsopdrachten voor aanneming van werken onderworpen aan de Europese bekendmaking.
  Artikel 1.§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 17, § 2, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, hierna de wet te noemen, zijn de overheidsopdrachten voor aanneming van werken van de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10° van de wet waarvan het geraamde bedrag gelijk is aan of hoger is dan het bedrag bepaald in § 3 onderworpen aan de bekendmakingsvoorschriften van deze afdeling.
  Een niet limitatieve lijst van de organismen van openbaar nut in de zin van artikel 4, § 2, 1°, en van de rechtspersonen bedoeld in artikel 4, § 2, 8°, van de wet vormt de bijlage 1 bij dit besluit.
  § 2. Zijn onderworpen aan de wet en aan de regels van deze afdeling de opdrachten voor aanneming van werken van privaatrechtelijke personen waarvan het geraamde bedrag gelijk is aan of hoger is dan het bedrag bepaald in § 3 en die rechtstreeks voor meer dan vijftig pct. door aanbestedende overheden bedoeld in § 1 gesubsidieerd worden. Deze werken moeten [2 civieltechnische werkzaamheden in de zin van]2 bijlage 1 van de wet betreffen of betrekking hebben op bouwwerken voor ziekenhuizen, inrichtingen voor sportbeoefening, recreatie en vrijetijdsbesteding, school- en universiteitsgebouwen en gebouwen met een administratieve bestemming.
  § 3. [Het bedrag zonder belasting over de toegevoegde waarde van de overheidsopdrachten bedoeld in § 1 is [3 5.000.000 EUR]3 en dit bedoeld in § 2, [3 5.000.000 EUR]3. <MB 2001-12-04/32, art. 1, 007; ED : 01-01-2002> <MB 2003-12-17/30, art. 1, 010; ED : 01-01-2004> <MB 2005-12-20/34, art. 1, 015; ED : 01-01-2006> <MB 2007-12-17/34, art. 1, 018; ED : 01-01-2008 ; zie ook art. 6>
  Deze bedragen, alsook de bedragen in de artikelen 2 en 24 van dit besluit worden door de Eerste Minister aangepast overeenkomstig de tweejaarlijkse herzieningen [2 bepaald in artikel 78 van de richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, leveringen en diensten]2.] <KB 1999-03-25/39, art. 1, 003; ED : 01-06-1999>
  ----------
  (1)<MB 2009-12-14/02, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 2, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  (3)<MB 2011-12-19/07, art. 1, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  Art. 2.Voor de berekening van het bedrag van een overheidsopdracht voor aanneming van werken moet niet alleen het bedrag van de voorziene werken in aanmerking worden genomen, maar ook het geraamd bedrag van de leveringen en diensten nodig voor de uitvoering van de werken en door de aanbestedende overheid ter beschikking gesteld van de aannemer.
  [1 Bij de berekening van het geraamde bedrag wordt rekening gehouden met de eventuele opties en eventuele verlengingen van de opdracht.]1
  Wanneer een werk wordt verdeeld in percelen, wordt hun samengevoegd geraamde bedrag in aanmerking genomen om te bepalen of het bedrag bedoeld in artikel 1, § 3 bereikt wordt. Indien dit het geval is, zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing op alle percelen, met uitzondering van afwijkingen door de aanbestedende overheid voor percelen waarvan het individuele geraamde bedrag kleiner zou zijn dan ( (1 000 000 EUR) zonder belasting over de toegevoegde waarde), maar voor zover hun samengevoegd bedrag de twintig pct. van het samengevoegd bedrag van alle percelen niet overschrijdt. <KB 1999-03-25/39, art. 2, 003; ED : 01-06-1999> <MB 2001-12-04/32, art. 2, 007; ED : 01-01-2002>
  (In geval van nieuwe werken bestaande uit de herhaling van soortgelijke werken in de zin van artikel 17, § 2, 2°, b, van de wet, worden het totaal geraamde bedrag van de oorspronkelijke opdracht alsook het totaal geraamde bedrag voor de volgende werken in aanmerking genomen.) <KB 1999-03-25/39, art. 2, 003; ED : 01-06-1999>
  Geen opdracht of werk mag worden gesplitst teneinde deze aan de toepassing van de bepalingen van deze afdeling te onttrekken.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 10, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 3. Elke aanbestedende overheid maakt, door middel van een enuntiatieve aankondiging, zo snel mogelijk na goedkeuring van het programma waarin de werken zijn ingeschreven, de voornaamste kenmerken bekend van de overheidsopdrachten voor aanneming van werken waarvan het geraamde bedrag gelijk is aan of hoger is dan het bedrag bepaald in artikel 1, § 3, en waarvan de gunning voorgenomen wordt.
  Deze enuntiatieve aankondiging, opgesteld overeenkomstig (het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, A,) bij dit besluit, wordt gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. De aanbestedende overheid moet de datum van verzending van de aankondiging kunnen bewijzen. <KB 2002-04-22/30, art. 1, 008; ED : 01-05-2002>
  Deze aankondiging wordt eveneens gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen overeenkomstig hetzelfde model van aankondiging.
  De publikatie in het Bulletin der Aanbestedingen mag niet plaatsvinden vóór de datum van de verzending van de aankondiging naar het Bureau voor officiële publikaties van de Europese Gemeenschappen en moet deze datum vermelden. Ze mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
  Art. 4. Elke aan deze afdeling onderworpen overheidsopdracht die zal gegund worden bij openbare of beperkte aanbesteding, bij algemene of beperkte offerteaanvraag of bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, moet het voorwerp uitmaken van een aankondiging van opdracht gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. (...). <KB 2002-04-22/30, art. 2, 008; ED : 01-05-2002>
  (Deze aankondiging van opdracht moet de datum van verzending ervan naar het Bureau voor officiële publicaties van de Europese Gemeenschappen vermelden. Deze datum vormt het vertrekpunt van de termijn als bedoeld in artikel 5 en artikel 6, § 1.
  De aanbestedende overheid moet de datum van verzending kunnen bewijzen.) <KB 2002-04-22/30, art. 2, 008; ED : 01-05-2002>
  (Deze aankondiging van opdracht wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, B, van dit besluit.
  Deze aankondiging van opdracht wordt eveneens gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen overeenkomstig hetzelfde model van aankondiging.
  Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.
  Geen enkele publicatie mag plaatsvinden vóór de datum van verzending van de aankondiging naar het Bureau voor officiële publicaties van de Europese Gemeenschappen. Iedere andere publicatie mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Publicatieblad van de Europese gemeenschappen.) <KB 2002-04-22/30, art. 2, 008; ED : 01-05-2002>
  Art. 5. Bij openbare aanbesteding en bij algemene offerteaanvraag, mag de termijn voor de ontvangst van de offertes niet korter zijn dan tweeënvijftig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging. Hij mag echter ingekort worden tot een termijn die lang genoeg is om de indiening van geldige offertes toe te laten en die, in principe, niet korter zal zijn dan zesendertig dagen maar die in geen enkel geval korter zal zijn dan tweeëntwintig dagen indien aan volgende voorwaarden wordt voldaan :
  1° de opdracht in ontwerp gaf aanleiding, overeenkomstig artikel 3, tot de verzending van een enuntiatieve aankondiging niet minder dan tweeënvijftig dagen en niet meer dan twaalf maanden vóór de verzendingsdatum van de aankondiging van opdracht bepaald in artikel 4;
  2° deze enuntiatieve aankondiging bevatte ten minste zoveel van de in het model van aankondiging van opdracht bedoelde gegevens, voor zover deze op het ogenblik van de publikatie van deze enuntiatieve aankondiging beschikbaar waren.
  Art. 6.
  § 1. Bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag en bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, mag de termijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming niet korter zijn dan zevenendertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging.
  Wanneer het om dringende redenen onmogelijk is deze termijn in acht te nemen, mag de termijn ingekort worden tot minimum vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging, indien de aanbestedende overheid verzoekt om een versnelde bekendmaking en de in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen te publiceren aankondiging per telegram, per telex of per telefax verzendt.
  § 2. Bij beperkte aanbesteding en bij beperkte offerteaanvraag mag de termijn voor ontvangst van de offertes niet korter zijn dan veertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de uitnodiging om een offerte in te dienen. Hij mag echter ingekort worden tot zesentwintig dagen indien aan volgende voorwaarden wordt voldaan :
  1° de opdracht in ontwerp gaf aanleiding, overeenkomstig artikel 3, tot de verzending van een enuntiatieve aankondiging niet minder dan tweeënvijftig dagen en niet meer dan twaalf maanden vóór de verzendingsdatum van de aankondiging van opdracht bepaald in artikel 4;
  2° deze enuntiatieve aankondiging bevatte ten minste zoveel van de in het model van aankondiging van opdracht bedoelde gegevens, voor zover deze op het ogenblik van de publikatie van deze enuntiatieve aankondiging beschikbaar waren.
  De termijn voor de ontvangst van de offertes mag ingekort worden tot tien dagen wanneer de aanbestedende overheid om een versnelde bekendmaking overeenkomstig § 1 van dit artikel verzocht heeft.
  § 3. Bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag en bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, kunnen de aanvragen tot deelneming en de uitnodigingen tot het indienen van een offerte gedaan worden per brief, per telegram, per telex, per telefax of per telefoon. Indien de aanbestedende overheid verzoekt om een versnelde bekendmaking overeenkomstig § 1 van dit artikel, moeten de aanvragen tot deelneming en tot het indienen van een offerte langs de snelst mogelijke weg gebeuren.
  [1 Wanneer de aanvragen tot deelneming worden ingediend per telefax of via een elektronisch middel dat niet in overeenstemming is met artikel 81quater, § 1, kan de aanbestedende overheid met het oog op een juridisch bewijs verzoeken dat deze aanvragen schriftelijk worden bevestigd. In dat geval worden dit verzoek, alsook de termijn binnen dewelke de bevestiging moet gebeuren, vermeld in de aankondiging van opdracht. Wanneer de aanvragen tot deelneming per telefoon worden ingediend, worden deze schriftelijk bevestigd vóór het verstrijken van de termijn bepaald voor hun ontvangst.]1
  Het bewijs van de datum van de aanvraag tot deelneming of van de schriftelijke bevestiging moet door de kandidaat geleverd worden, dit van de uitnodiging tot het indienen van een offerte door de aanbestedende overheid.
  § 4. Bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag en bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, worden de gegadigden gelijktijdig en schriftelijk uitgenodigd om hun offerte in te dienen.
  Deze uitnodiging bevat minstens :
  1° a) het bestek en de aanvullende documenten of, desgevallend, het adres van de dienst waar het bestek en de aanvullende documenten kunnen opgevraagd worden en de uiterste datum voor deze aanvraag;
  b) desgevallend, het ter verkrijging van genoemde documenten te storten bedrag en de wijze van betaling daarvan;
  2° a) de uiterste datum voor ontvangst van de offertes;
  b) het adres waarnaar ze moeten verstuurd worden;
  c) de taal of talen waarin ze moeten opgesteld worden;
  3° de verwijzing naar de aankondiging van opdracht;
  4° de aanduiding van de eventueel toe te voegen documenten hetzij ter staving van de door de gegadigde overeenkomstig (het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, B, III, 2 en 3), verstrekte, controleerbare verklaringen, hetzij ter aanvulling van de in deze bijlagen vermelde inlichtingen; <KB 2002-04-22/30, art. 4, 008; ED : 01-05-2002>
  5° het gunningscriterium of de gunningscriteria indien ze niet voorkomen in de aankondiging.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 11, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 7.[1 Bij de vaststelling van de termijnen voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming en offertes, houdt de aanbestedende overheid inzonderheid rekening met de complexiteit van de opdracht en met de nodige voorbereidingstijd van de offertes.]1 Indien de offertes slechts na raadpleging van een omvangrijke documentatie of na een plaatsbezoek, of na inzage ter plaatse van de bij het bestek behorende documenten kunnen worden opgemaakt, dienen de termijnen bepaald in de artikelen 5 en 6, § 2, dienovereenkomstig te worden verlengd.
  Voor zover daarom tijdig is verzocht, dienen bij openbare aanbesteding en bij algemene offerteaanvraag het bestek en de aanvullende documenten door de aanbestedende overheid te worden verstrekt binnen zes dagen na ontvangst van het verzoek en dienen de nadere inlichtingen over het bestek te worden verstrekt uiterlijk zes dagen vóór het verstrijken van de termijn vastgesteld voor de ontvangst van de offertes.
  Bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag en bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, dienen de aanvullende inlichtingen over het bestek, voor zover daarom tijdig is verzocht, door de aanbestedende overheid verstrekt te worden uiterlijk zes dagen vóór de uiterste datum vastgelegd voor de ontvangst van de offertes. De termijn is vier dagen indien de aanbestedende overheid om een versnelde bekendmaking overeenkomstig artikel 6, § 1, heeft verzocht.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 12, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 8. Binnen een termijn van achtenveertig dagen na de gunning van een opdracht gegund bij aanbesteding, bij offerteaanvraag of bij onderhandelingsprocedure met of zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure, en waarvan de waarde gelijk is aan of hoger is dan het bedrag bepaald in artikel 1, § 3, van dit besluit maakt de aanbestedende overheid inlichtingen over de gegunde opdracht bekend. Deze regel is niet van toepassing op de overheidsopdrachten die worden gegund bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure wanneer artikel 17, § 2, 1°, b, van de wet wordt ingeroepen.
  Deze aankondiging van gegunde opdracht (, ook aankondiging van geplaatste opdracht genoemd,) opgesteld overeenkomstig (het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, C,) bij dit besluit, wordt gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. De aanbestedende overheid moet de datum van verzending van de aankondiging kunnen bewijzen. <KB 2002-04-22/30, art. 5, 008; ED : 01-05-2002>
  Deze aankondiging wordt eveneens gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen overeenkomstig hetzelfde model van aankondiging.
  (Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.) <KB 2002-04-22/30, art. 5, 008; ED : 01-05-2002>
  De publikatie in het Bulletin der Aanbestedingen mag niet plaats vinden vóór de datum van de verzending van de aankondiging naar het Bureau voor officiële publikaties van de Europese Gemeenschappen en moet deze datum vermelden. Ze mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
  In bepaalde gevallen hoeven echter sommige gegevens betreffende de gunning van de opdracht niet te worden bekendgemaakt indien openbaarmaking van die gegevens de toepassing van een wet in de weg zou staan, in strijd zou zijn met het algemeen belang of schade zou kunnen toebrengen aan de rechtmatige commerciële belangen van de overheids- of privébedrijven of de eerlijke mededinging tussen de aannemers zou kunnen aantasten.
  Art. 9.Voor elke gegunde opdracht stelt de aanbestedende overheid een proces-verbaal op dat ten minste het volgende vermeldt :
  1° de naam en het adres van de aanbestedende overheid, het voorwerp en de prijs van de opdracht;
  2° de namen van de inschrijvers of van de gegadigden en de redenen voor die keuze;
  3° de namen van de uitgesloten kandidaten of inschrijvers en de redenen voor deze uitsluiting;
  4° de naam van de aannemer en de motivering van de keuze van zijn offerte alsook, indien gekend, het gedeelte van de opdracht dat hij zinnens is in onderaanneming te geven;
  5° in geval van aanwending van de onderhandelingsprocedure met of zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure, de omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 17, § 2 of § 3 van de wet die de aanwending van deze procedure kunnen verantwoorden;
  [1 6° de redenen voor de afwijzing van abnormaal laag bevonden offertes.]1
  Dit proces-verbaal, of de hoofdpunten ervan, worden aan de Europese Commissie op haar verzoek toegezonden.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 13, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Afdeling II. - Overheidsopdrachten voor aanneming van werken die niet onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking.
  Art. 10. Onverminderd de bepalingen van artikel 17, § 2, van de wet, zijn de overheidsopdrachten voor aanneming van werken van de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 1, § 1, van dit besluit, waarvan het geraamde bedrag lager is dan het bedrag bepaald in artikel 1, § 3, onderworpen aan de bekendmakingsvoorschriften van deze afdeling.
  De opdrachten voor aanneming van werken van de privaatrechtelijke universitaire instellingen zijn, ongeacht het bedrag, onderworpen aan de regels van deze afdeling wanneer ze gesubsidieerd worden door aanbestedende overheden bedoeld in artikel 1, § 1, van dit besluit en indien aan de toepassingvoorwaarden van artikel 1, § 2, niet is voldaan.
  Art. 11.Titels I en II van boek I van de wet, uitgezonderd de artikelen 1, § 2 en § 3, 2, 3, 6, 23 tot 25, de bepalingen van deze afdeling, deze van de hoofdstukken II, III en IV van deze titel en van artikelen 120 tot 122 van dit besluit zijn van toepassing op de opdrachten voor aanneming van werken van de privaatrechtelijke personen andere dan de privaatrechtelijke universitaire instellingen wanneer aan volgende voorwaarden wordt voldaan :
  1° de opdracht wordt rechtstreeks voor meer dan vijftig pct. gesubsidieerd door aanbestedende overheden bedoeld in artikel 1, § 1, van dit besluit;
  2° de werken betreffen [1 civieltechnische werkzaamheden in de zin van]1 bijlage 1 van de wet of hebben betrekking op bouwwerken voor ziekenhuizen, inrichtingen voor sportbeoefening, recreatie en vrijetijdsbesteding, schoolgebouwen andere dan universiteitsgebouwen en op gebouwen met een administratieve bestemming;
  3° het geraamde bedrag van de opdracht is gelijk aan of groter dan [135.000 euro] zonder belasting op de toegevoegde waarde. <KB 2002-04-22/30, art. 6, 008; ED : 30-04-2002>
  Deze bepaling is van toepassing zonder afbreuk te doen aan de bekendmakingsvoorschriften van artikel 1, § 2, van dit besluit voor bepaalde opdrachten voor aanneming van werken die rechtstreeks gesubsidieerd zijn en onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, of aan elke bepaling van een wet, een decreet, een ordonnantie, een besluit of een beslissing die andere bepalingen van de wet en van dit besluit zou opleggen.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 3, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 12.Elke aan deze afdeling onderworpen overheidsopdracht die zal gegund worden bij openbare aanbesteding of bij algemene offerteaanvraag wordt in mededinging gesteld door middel van een aankondiging van opdracht, gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen.
  [Deze aankondiging van opdracht vermeldt de datum van verzending ervan naar het Bulletin der Aanbestedingen.
  De aanbestedende overheid moet de datum van verzending kunnen bewijzen.
  [Deze aankondiging van opdracht wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, B.
  Ten minste de volgende inlichtingen moeten worden verstrekt :
  1° de naam, het adres en het type van de aanbestedende overheid;
  2° het type opdracht, het voorwerp en de beschrijving ervan; de CPV-code (hoofdcategorieën van de hoofdopdracht) en de NUTS-code;
  3° de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de minimumeisen inzake kwalitatieve selectie vereist overeenkomstig de artikelen [1 17 tot 20ter]1; desgevallend, de inlichtingen en documenten die de aanbestedende overheid via elektronische middelen kan raadplegen overeenkomstig artikel 20, § 4;
  4° desgevallend, het ter verkrijging van het bestek en de aanvullende documenten te storten bedrag en de wijze van betaling daarvan;
  5° de gunningswijze;
  6° de datum van de opening van de offertes.] <KB 2006-01-12/35, art. 1, 016; ED : 01-02-2006>
  Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.
  Geen enkele publicatie mag plaatsvinden vóór de datum van verzending van de aankondiging. Iedere andere publicatie mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Bulletin der Aanbestedingen.] <KB 2004-02-29/34, art. 1, 012; ED : 01-09-2004>
  De termijn voor ontvangst van de offertes mag, in principe, niet korter zijn dan zesendertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging. Deze termijn kan ingekort worden tot een minimum van tien dagen, voor zover er een termijn van ten minste zeven dagen wordt nageleefd vanaf de datum van de publikatie van de aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen tot deze bepaald voor de ontvangst van de offertes.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 4, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 13. Elke aan deze afdeling onderworpen overheidsopdracht die zal gegund worden bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag of bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet wordt , in principe, in mededinging gesteld door middel van een aankondiging van opdracht, opgesteld overeenkomstig artikel 14, § 1.
  Deze aankondiging kan nochtans vervangen worden door een aankondiging betreffende de opstelling door de aanbestedende overheid van een lijst van gegadigden, opgesteld overeenkomstig artikel 14, § 2. Deze bepaling is, in principe, van toepassing op gelijkaardige opdrachten met een repetitief karakter.
  Art. 14.
  § 1. Indien de aanbestedende overheid verkiest in mededinging te stellen overeenkomstig artikel 13, eerste lid, maakt de overheidsopdracht het voorwerp uit van een aankondiging van opdracht gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen.
  (Deze aankondiging van opdracht vermeldt de datum van verzending ervan naar het Bulletin der Aanbestedingen.
  De aanbestedende overheid moet de datum van verzending kunnen bewijzen.
  (Deze aankondiging van opdracht wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, B.
  Ten minste de volgende inlichtingen moeten worden verstrekt :
  1° de naam, het adres en het type van de aanbestedende overheid;
  2° het type opdracht, het voorwerp en de beschrijving ervan; de CPV-code (hoofdcategorieën van de hoofdopdracht) en de NUTS-code;
  3° de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de minimumeisen inzake kwalitatieve selectie vereist overeenkomstig de artikels [1 17 tot 20ter]1; desgevallend, de inlichtingen en documenten die de aanbestedende overheid via elektronische middelen rechtstreeks kan raadplegen overeenkomstig artikel 20, § 4;
  4° de gunningswijze;
  5° de uiterste datum voor ontvangst van de aanvragen tot deelneming.) <KB 2006-01-12/35, art. 2, 016; ED : 01-02-2006>
  Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.
  Geen enkele publicatie mag plaatsvinden vóór de datum van verzending van de aankondiging. Iedere andere publicatie mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Bulletin der Aanbestedingen.) <KB 2004-02-29/34, art. 2, 012; ED : 01-09-2004>
  De ontvangsttermijn van de aanvragen tot deelneming mag, in principe, niet korter zijn dan vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging. Deze termijn kan ingekort worden tot tien dagen, voor zover er een termijn van ten minste zeven dagen wordt nageleefd vanaf de datum van de publikatie van de aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen tot deze bepaald voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming.
  [1 Wanneer de aanvragen tot deelneming worden ingediend per telefax of via een elektronisch middel dat niet in overeenstemming is met artikel 81quater, § 1, kan de aanbestedende overheid met het oog op een juridisch bewijs verzoeken dat deze aanvragen schriftelijk worden bevestigd. In dat geval worden dit verzoek, alsook de termijn binnen dewelke de bevestiging moet gebeuren, vermeld in de aankondiging van opdracht. Wanneer de aanvragen tot deelneming per telefoon worden ingediend, worden deze schriftelijk bevestigd vóór het verstrijken van de termijn bepaald voor hun ontvangst.]1
  Het bewijs van de datum van de aanvraag tot deelneming moet door de kandidaat geleverd worden, dit van de uitnodiging tot het indienen van een offerte door de aanbestedende overheid.
  § 2. Indien de aanbestedende overheid de in mededingingstelling kiest overeenkomstig artikel 13, tweede lid, publiceert zij in het Bulletin der Aanbestedingen, en ten minste alle twaalf maanden, een periodieke aankondiging betreffende het opstellen van een lijst van gegadigden voor de gunning van de in deze afdeling bedoelde overheidsopdrachten voor aanneming van werken.
  [Deze aankondiging wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging opgenomen in bijlage 5.
  Ten minste de volgende inlichtingen moeten worden verstrekt :
  1° de naam, het adres en het type van de aanbestedende overheid;
  2° het type opdracht, het voorwerp en de beschrijving ervan; de CPV-code (hoofdcategorieën van de hoofdopdracht) en de NUTS-code;
  3° de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de minimumeisen inzake kwalitatieve selectie vereist overeenkomstig de artikels 43 tot 46; desgevallend, de inlichtingen en documenten die de aanbestedende overheid via elektronische middelen rechtstreeks kan raadplegen overeenkomstig artikel 46, § 4;
  4° de gunningswijze;
  5° de uiterste datum voor ontvangst van de aanvragen tot deelneming.] <KB 2006-01-12/35, art. 2, 016; ED : 01-02-2006>
  § 3. De gegadigden worden gelijktijdig en schriftelijk uitgenodigd om hun offerte in te dienen.
  Deze uitnodiging bevat minstens :
  1° a) het bestek en de aanvullende documenten of, desgevallend, het adres van de dienst waar het bestek en de aanvullende documenten kunnen opgevraagd worden en de uiterste datum voor deze aanvraag;
  b) desgevallend, het ter verkrijging van genoemde documenten te storten bedrag en de wijze van betaling daarvan;
  2° de uiterste datum voor ontvangst van de offertes, het adres waarnaar ze moeten verstuurd worden en de taal of talen waarin ze moeten opgesteld worden;
  3° de aanduiding van de eventueel toe te voegen documenten;
  4° desgevallend, het gunningscriterium of de gunningscriteria van de opdracht.
  5° de datum, het uur en de plaats van de opening van de offertes in geval van beperkte aanbesteding of beperkte offerteaanvraag.
  De termijn voor ontvangst van de offertes mag, in principe, niet korter zijn dan vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de uitnodiging om een offerte in te dienen. Deze termijn kan ingekort worden tot een minimum van tien dagen.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 5, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 14bis. <Ingevoegd bij KB 2002-04-22/30, art. 9; ED : 01-05-2002> Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.
  Geen enkele publicatie mag plaatsvinden vóór de datum van verzending van de aankondiging naar het Bulletin der Aanbestedingen .
  Art. 15.[1 Bij de vaststelling van de termijnen voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming en offertes, houdt de aanbestedende overheid inzonderheid rekening met de complexiteit van de opdracht en met de nodige voorbereidingstijd van de offertes.]1 Indien de offertes slechts na raadpleging van een omvangrijke documentatie of na een plaatsbezoek, of na inzage ter plaatse van de bij het bestek behorende documenten kunnen worden opgemaakt, dienen de termijnen bepaald in de artikelen 12 en 14, § 3, dienovereenkomstig te worden verlengd.
  Bij openbare aanbesteding en bij algemene offerteaanvraag en voor zover daarom tijdig is verzocht, dienen het bestek en de aanvullende documenten door de aanbestedende overheid verstrekt te worden binnen de zes dagen na de ontvangst van het verzoek.
  Ongeacht de procedure en voor zover daarom tijdig is verzocht, dienen de aanvullende inlichtingen over het bestek door de aanbestedende overheid verstrekt te worden uiterlijk zes dagen voor de uiterste datum vastgelegd voor de ontvangst van de offertes. De termijn is vier dagen indien de aanbestedende overheid de termijn voor ontvangst van de offertes ingekort heeft overeenkomstig de artikelen 12 en 14, § 3.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 14, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  HOOFDSTUK II. - Regels in verband met de kwalitatieve selectie voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken.
  Art. 16.Bij openbare aanbesteding en bij algemene offerteaanvraag, gaat de aanbestedende overheid op grond van de inlichtingen betreffende de eigen situatie van ieder aannemer en van de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de financiële, economische en technische minimumeisen overeenkomstig de [2 artikelen 17 tot 20ter]2 van dit besluit over tot de kwalitatieve selectie van de inschrijvers. [Evenwel en onverminderd de toepassing van artikel 17, kan de aanbestedende overheid echter oordelen dat de minimumvoorwaarden van financiële, economische en technische aard, vereist krachtens de wetgeving betreffende de erkenning van aannemers van werken, voldoende zijn.] <KB 1999-03-25/39, art. 3, 003; ED : 01-06-1999>
  Bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag en bij [onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet], kiest de aanbestedende overheid uit degenen die aan de in [2 artikelen 17 tot 20ter]2 van dit besluit gestelde kwalificaties voldoen de gegadigden die ze respectievelijk uitnodigt een offerte in te dienen of deel te nemen aan de onderhandelingen op grond van de inlichtingen betreffende de eigen situatie van de aannemer en van de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de financiële, economische en technische minimumeisen waaraan hij moet voldoen. <KB 1999-03-25/39, art. 3, 003; ED : 01-06-1999>
  [Bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking in de zin van artikel 17, § 2, van de wet, kan de aanbestedende overheid het geheel of een gedeelte van de artikelen [2 17 tot 20ter]2 van dit besluit toepasbaar maken.] <KB 1999-03-25/39, art. 3, 003; ED : 01-06-1999>
  Bij beperkte aanbesteding en bij beperkte offerteaanvraag mag de aanbestedende overheid een minimum en een maximum aangeven waartussen zich het aantal gegadigden dat een offerte mag indienen zal situeren. Dit minimumaantal mag niet minder bedragen dan vijf en het maximumaantal kan worden vastgesteld op twintig. Het aantal gegadigden moet in ieder geval groot genoeg zijn om een werkelijke mededinging te garanderen.
  [2 Bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, mag het aantal gegadigden dat tot de onderhandelingen wordt toegelaten niet kleiner zijn dan drie en moet het in elk geval voldoende zijn om een daadwerkelijke mededinging te waarborgen, voor zover er voldoende geschikte kandidaten zijn.]2
  Bij beperkte procedure en bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, moet elke kandidatuur individueel ingediend worden.
  [1 De in de artikelen 18 en 19 bedoelde inlichtingen en minimumeisen inzake draagkracht en bekwaamheid moeten verband houden met en in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht.]1
  De aannemers van de andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschap die de vereiste kwalificaties bezitten moeten behandeld worden onder dezelfde voorwaarden als de nationale aannemers.
  [De aannemers van de andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschap en, volgens de bepalingen en voorwaarden van de internationale akte die hen betreft, de aannemers van derde landen in de zin van artikel 24, die de vereiste kwalificaties bezitten moeten behandeld worden onder dezelfde voorwaarden als de nationale aannemers. Deze bepaling is niet van toepassing voor de werken die geheim verklaard werden, of waarvan de uitvoering gepaard moet gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen, overeenkomstig de van kracht zijnde wettelijke of reglementaire bepalingen of indien de bescherming van de fundamentele belangen van de veiligheid van het land dit vereist.] <KB 1999-03-25/39, art. 3, 003; ED : 01-06-1999>
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 15, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 6, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 17.(§ 1. [1 Wordt]1 in elk stadium van de gunningsprocedure uitgesloten van de toegang ertoe, de aannemer die bij een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan waarvan de aanbestedende overheid kennis heeft, veroordeeld is voor :
  1° deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek;
  2° omkoping als bedoeld in artikel 246 van het Strafwetboek;
  3° fraude als bedoeld in artikel 1 van de overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap, goedgekeurd door de wet van 17 februari 2002;
  4° witwassen van geld als bedoeld in artikel 3 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financieel stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme.
  Met het oog op de toepassing van deze paragraaf kan de aanbestedende overheid, indien zij twijfels heeft over de persoonlijke situatie van een aannemer, de bevoegde binnenlandse of buitenlandse autoriteiten verzoeken om de inlichtingen die ze terzake nodig acht.
  De aanbestedende overheid kan om dwingende redenen van algemeen belang afwijken van de in deze paragraaf bedoelde verplichting.) <KB 2007-11-23/34, art. 11, 017; ED : 01-02-2008>
  (§ 2.) Onverminderd de bepalingen betreffende de erkenning van de aannemers van werken, kan uitgesloten worden van deelneming aan de opdracht (in welk stadium van de procedure ook) de aannemer : <KB 1999-03-25/39, art. 4, 003; ED : 01-06-1999> <KB 2007-11-23/34, art. 11, 011; ED : 01-02-2008>
  1° die in staat van faillissement of van vereffening verkeert, die zijn werkzaamheden heeft gestaakt of die een [2 gerechtelijke reorganisatie]2 heeft bekomen, of die in een overeenstemmende toestand verkeert als gevolg van een gelijkaardige procedure die bestaat in de nationale wetgevingen en reglementeringen;
  2° die aangifte heeft gedaan van zijn faillissement, voor wie een procedure van vereffening of van [2 gerechtelijke reorganisatie]2 aanhangig is of die het voorwerp is van een gelijkaardige procedure bestaande in de nationale wetgevingen en reglementeringen;
  3° die, bij een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is geweest voor een misdrijf dat zijn professionele integriteit aantast;
  4° die bij zijn beroepsuitoefening een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op elke grond die de aanbestedende overheden aannemelijk kunnen maken;
  5° (die niet voldaan heeft aan zijn verplichtingen inzake betaling van de bijdragen voor de sociale zekerheid, overeenkomstig de bepalingen van artikel 17bis;) <KB 1999-03-25/39, art. 4, 003; ED : 01-06-1999>
  6° die niet in orde is met de betaling van zijn belastingen overeenkomstig de Belgische wetgeving of die van het land waar hij gevestigd is;
  7° die zich in ernstige mate heeft schuldig gemaakt aan het afleggen van valse verklaringen bij het verstrekken van inlichtingen, opvorderbaar bij toepassing van dit hoofdstuk.
  Het bewijs dat de aannemer zich niet in één van de gevallen, vermeld in 1°, 2°, 3°, 5° of 6° bevindt, kan geleverd worden door voorlegging van de volgende stukken :
  a) voor 1°, 2° of 3 °: een uittreksel uit het strafregister of een evenwaardig document uitgereikt door een gerechtelijke- of overheidsinstantie van het land van oorsprong of herkomst en waaruit blijkt dat aan de gestelde eisen is voldaan;
  b) voor 5° of 6° : een getuigschrift uitgereikt door de bevoegde overheid van het betrokken land.
  Wanneer een dergelijk document of getuigschrift niet uitgereikt wordt in het betrokken land, kan het vervangen worden door een verklaring onder eed of een plechtige verklaring van de betrokkene vóór een gerechtelijke- of overheidsinstantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-12-19/15, art. 60, 023; Inwerkingtreding : 03-02-2011>
  Art. 17bis. <Ingevoegd bij KB 1999-03-25/39, art. 5, 003; ED : 01-06-1999> § 1. De Belgische aannemer die personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der arbeiders moet bij zijn aanvraag tot deelneming bij een beperkte of een onderhandelingsprocedure of bij zijn offerte bij een openbare procedure vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of van de offertes, al naargelang het geval, een attest van de Rijksdienst voor sociale Zekerheid voegen of aan de aanbestedende overheid voorleggen, waaruit blijkt dat hij voldaan heeft aan de voorschriften inzake bijdragen voor de sociale zekerheid en bestaanszekerheid.
  De aannemer heeft voor de toepassing van dit artikel aan de voorschriften voldaan, indien hij volgens de rekening die ten laatste daags vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming bij een beperkte of een onderhandelingsprocedure of vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de offertes bij een openbare procedure, is opgemaakt :
  1° aan de Rijksdienst voor sociale Zekerheid al de vereiste aangiften heeft toegezonden, tot en met diegene die slaan op het voorlaatste afgelopen kalenderkwartaal vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of voor de ontvangst van de offertes, al naargelang het geval, en;
  2° op deze aangiften geen verschuldigde bijdragen van meer dan (2.500 EUR) moet vereffenen, tenzij hij voor die schuld uitstel van betaling heeft verkregen waarvan hij de termijnen strikt in acht neemt. <KB 2000-07-20/50, art. 2, 006; ED : 01-01-2002>
  Evenwel, zelfs wanneer de schuld aan bijdragen groter is dan (2.500 EUR), zal de aannemer in orde beschouwd worden indien hij, alvorens de beslissing tot selecteren van de kandidaten of tot het gunnen van de opdracht wordt genomen, al naargelang het geval, aantoont dat hij, de dag waarop het attest zijn toestand bepaalt, op een aanbestedende overheid in de zin van artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, van de wet of op een overheidsbedrijf in de zin van artikel 26 van die wet, één of meer schuldvorderingen bezit die zeker, opeisbaar en vrij van elke verbintenis tegenover derden zijn en waarvan het bedrag op (2.500 EUR) na, ten minste gelijk is aan de achterstallige bijdragen.<KB 2000-07-20/50, art. 2, 006; ED : 01-01-2002>
  § 2. Vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of van de offertes moet de buitenlandse aannemer bij zijn aanvraag tot deelneming bij een beperkte of een onderhandelingsprocedure of bij zijn offerte bij een openbare procedure toevoegen, of aan de aanbestedende overheid voorleggen, al naargelang het geval :
  1° een attest dat uitgereikt werd door de bevoegde overheid en waarin bevestigd wordt dat hij, volgens de rekening die ten laatste daags vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of voor de ontvangst van de offertes al naargelang het geval, is opgemaakt, voldaan heeft op die datum aan de voorschriften inzake betaling van de bijdragen voor de sociale zekerheid overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is.
  Indien een dergelijk document niet uitgereikt wordt in het betrokken land, kan het vervangen worden door een verklaring onder eed of een plechtige verklaring van de betrokkene vóór een gerechtelijke of overheidsinstantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van dat land;
  2° een attest overeenkomstig § 1, indien hij personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der arbeiders.
  § 3. De aanbestedende overheid kan in welk stadium van de procedure ook, met alle middelen die zij dienstig acht inlichtingen inwinnen over de stand van de betaling van de bijdragen voor de sociale zekerheid van om het even welke kandidaat of inschrijver.
  (§ 4. Het in de § 1 en 2 bedoelde attest moet niet worden voorgelegd bij beperkte procedure of bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure als bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet, wanneer de geraamde waarde van de opdracht, zonder belasting over de toegevoegde waarde, niet hoger is dan 22.000 euro. Dezelfde regel is van toepassing bij openbare procedure wanneer de waarde van de offerte, zonder belasting over de toegevoegde waarde, niet hoger is dan hetzelfde bedrag. In dit geval moet de aanbestedende overheid zelf inlichtingen inwinnen over de toestand van de kandidaat of inschrijver, teneinde na te gaan of hij voldaan heeft aan de in dit artikel opgenomen voorschriften.) <KB 2002-04-22/30, art. 10, 008; ED : 01-05-2002>
  Art. 18. Onverminderd de bepalingen betreffende de erkenning van aannemers van werken, kan de financiële en economische draagkracht van de aannemer, over het algemeen, aangetoond worden door één of meer van de volgende referenties :
  1° door passende bankverklaringen;
  2° door voorlegging van de balansen, uittreksels uit balansen of jaarrekeningen van de onderneming, indien de wetgeving van het land waar de aannemer is gevestigd de bekendmaking van balansen voorschrijft;
  3° door een verklaring betreffende de totale omzet en de omzet in werken van de onderneming over de laatste drie boekjaren.
  (Een kandidaat of een inschrijver kan zich in voorkomend geval en voor welbepaalde opdrachten beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn band met die entiteiten. In dat geval moet hij de aanbestedende overheid aantonen dat hij zal beschikken over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke middelen door overlegging van de verbintenis van deze entiteiten om de aannemer dergelijke middelen ter beschikking te stellen.
  Onder dezelfde voorwaarden kan een combinatie van kandidaten of van inschrijvers zich beroepen op de draagkracht van de deelnemers aan de combinatie of die van andere entiteiten.) <KB 2006-01-12/35, art. 3, 016; ED : 01-02-2006>
  De aanbestedende overheid geeft in de aankondiging van opdracht of in de uitnodiging tot het indienen van een offerte deze van de referentie(s) in 1°, 2° en 3° aan die ze verlangt, evenals de andere bewijsstukken die moeten worden overgelegd.
  Indien de aannemer om gegronde redenen niet in staat is de gevraagde referenties over te leggen kan hij zijn economische en financiële draagkracht aantonen met andere documenten die de aanbestedende overheid geschikt acht.
  Art. 19.Onverminderd de bepalingen betreffende de erkenning van aannemers van werken, kan de technische bekwaamheid van de aannemer aangetoond worden door één of meer van de volgende referenties :
  1° door studie- en beroepskwalificaties van de aannemer en/of van het ondernemingskader en, in het bijzonder, van de verantwoordelijke(n) voor de leiding van de werken;
  2° door de lijst van de werken uitgevoerd tijdens de laatste vijf jaar, en gestaafd door getuigschriften van goede uitvoering voor de belangrijkste werken. Deze getuigschriften bevatten het bedrag, het tijdstip en de plaats van uitvoering van de werken en geven duidelijk weer of deze uitgevoerd werden volgens de regels van de kunst en of ze op regelmatige wijze tot een goed einde werden gebracht. In voorkomend geval zullen deze getuigschriften door de bevoegde overheid rechtstreeks aan de aanbestedende overheid toegezonden worden;
  3° door een verklaring die de werktuigen, het materieel en de technische uitrusting vermeldt waarover de aannemer zal beschikken voor de uitvoering van het werk;
  4° door een verklaring die de gemiddelde jaarlijkse personeelsbezetting van de onderneming en de omvang van het kader weergeeft tijdens de laatste drie jaren;
  5° door een verklaring waarin de technici of de technische diensten vermeld worden die, al dan niet deel uitmakend van de onderneming, ter beschikking zullen staan van de aannemer voor de uitvoering van het werk.
  (Een kandidaat of een inschrijver kan zich in voorkomend geval en voor welbepaalde opdrachten beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn band met die entiteiten. In dat geval moet hij de aanbestedende dienst aantonen dat hij zal beschikken over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke middelen door overlegging van de verbintenis van deze entiteiten om de aannemer dergelijke middelen ter beschikking te stellen.
  Onder dezelfde voorwaarden kan een combinatie van kandidaten of van inschrijvers zich beroepen op de draagkracht van de deelnemers aan de combinatie of die van andere entiteiten.) <KB 2006-01-12/35, art. 4, 016; ED : 01-02-2006>
  De aanbestedende overheid geeft in de aankondiging van opdracht of in de uitnodiging tot het indienen van een offerte aan, welke van deze referenties zij verlangt.
  ([1 De bekwaamheid van de aannemer kan bovendien]1 worden beoordeeld aan de hand van met name zijn vakkundigheid, doeltreffendheid, ervaring en betrouwbaarheid.) <KB 2007-11-23/34, art. 12, 017; ED : 01-02-2008>
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 17, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 20.<KB 1999-03-25/39, art. 6, 003; ED : 01-06-1999> § 1. Indien de werken binnen het toepassingsveld vallen van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, moet in de aanvraag tot deelneming of in de offerte vermeld staan dat de kandidaat of de inschrijver ingeschreven is op de lijst van de erkende aannemers in België of op een officiële lijst in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap ofwel dat de kandidaat of de inschrijver zich beroept op de toepassing van artikel 3, § 1, 2°, van bovengenoemde wet. In dat geval voegt hij de nodige bewijsstukken bij zijn aanvraag tot deelneming of bij zijn offerte.
  De door het bevoegde organisme bevestigde inschrijving van een erkende aannemer op een officiële lijst in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap vormt enkel een vermoeden van geschiktheid voor wat betreft de bepalingen van de artikelen [2 17, § 1 en § 2, eerste lid, 1° tot 4° en 7°, 18, eerste lid, 2° en 3°, en 19, eerste lid, 2° en 4°]2 en de inschrijving in het beroeps- of handelsregister. Het voordeel van de bepalingen van dit lid komt enkel de aannemers ten goede die gevestigd zijn in het land waar de officiële lijst is opgesteld.
  De gegevens die uit de inschrijving op een officiële lijst kunnen worden afgeleid, kunnen niet ter discussie worden gesteld. Niettemin kan met betrekking tot de betaling van de bijdragen aan de sociale zekerheid, van elke ingeschreven aannemer bij elke opdracht een aanvullende verklaring worden geëist.
  § 2. De aanbestedende overheid kan van de kandidaten of van de inschrijvers de overlegging eisen van het bewijs van hun inschrijving in het beroeps- of handelsregister overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar ze gevestigd zijn.
  [1 De bedoelde beroepsregisters, verklaringen of attesten voor elke lidstaat zijn vermeld in bijlage 10 van dit besluit.]1
  § 3. Binnen de grenzen (van de artikelen 17 tot 20ter), kan de aanbestedende overheid verlangen dat de kandidaten of de inschrijvers de overgelegde getuigschriften en documenten aanvullen of toelichten. <KB 2008-07-31/32, art. 2, 019; ED : 18-08-2008>
  (§ 4. De aanbestedende overheid die via elektronische middelen kosteloos toegang heeft tot de inlichtingen of documenten die haar toelaten, binnen de grenzen van de artikelen 17 tot 19 en de §§ 1 en 2 van dit artikel, de persoonlijke situatie en de bekwaamheid van de betrokken kandidaten of inschrijvers na te gaan, stelt laatstgenoemden ervan vrij de in die artikelen bedoelde inlichtingen mee te delen of documenten voor te leggen. De aanbestedende overheid vermeldt in de aankondiging van de opdracht of in voorkomend geval in het bestek de inlichtingen of documenten welke ze via elektronische weg zal opvragen. Zij dient zelf deze inlichtingen of documenten op te vragen en de resultaten ervan in de documenten van de opdracht te bewaren.) <KB 2005-07-20/53, art. 1, 014 ; ED : 01-10-2005>
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 18, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 7, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 20bis.<Ingevoegd bij KB 2007-11-23/34, art. 13; ED : 01-02-2008> [1 Wanneer]1 de aanbestedende overheid de overlegging verlangt van door onafhankelijke instanties opgestelde verklaringen dat de aannemer aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoet, dient ze te verwijzen naar kwaliteitsbewakingsregelingen die op de Europese normenreeksen op dit terrein zijn gebaseerd en die zijn gecertificeerd door instanties die voldoen aan de Europese normenreeks voor certificering. Ze erkent gelijkwaardige certificaten van in andere lidstaten gevestigde instanties. Ze aanvaardt eveneens andere bewijzen inzake gelijkwaardige maatregelen op het vlak van kwaliteitsbewaking.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 19, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 20ter.<Ingevoegd bij KB 2007-11-23/34, art. 14; ED : 01-02-2008> [1 Wanneer]1 de aanbestedende overheid [2 , uitsluitend in passende gevallen,]2 de overlegging verlangt van een door onafhankelijke instanties opgestelde verklaring dat de aannemer aan bepaalde normen inzake milieubeheer voldoet, verwijst ze naar het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem of EMAS of naar normen inzake milieubeheer die gebaseerd zijn op de desbetreffende Europese of internationale normen die gecertificeerd zijn door instanties die beantwoorden aan het Gemeenschapsrecht of aan de toepasselijke Europese of internationale normen voor certificering. Ze erkent gelijkwaardige certificaten van in andere lidstaten gevestigde instanties. Ze aanvaardt tevens andere bewijzen inzake gelijkwaardige maatregelen op het vlak van milieubeheer.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 20, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 8, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  HOOFDSTUK III. Promotieovereenkomsten voor aanneming van werken.
  Art. 21. De promotieovereenkomst voor aanneming van werken voorziet :
  1° ofwel in het huren van bouwwerken;
  2° ofwel in het huren van bouwwerken met aankoopoptie op termijn;
  3° ofwel in het huren van bouwwerken gevolgd door eigendomsoverdracht op termijn;
  4° ofwel in de verwerving van bouwwerken vanaf hun terbeschikkingstelling, tegen betaling van annuïteiten;
  5° (ofwel in het toekennen of het nemen van een erfpachtrecht of van een recht van opstal met het oog op de bouw of de inrichting van werken.) <KB 1999-03-25/39, art. 7, 003; ED : 01-06-1999>
  Art. 22. <KB 2008-07-31/32, art. 3, 019; ED : 18-08-2008> Overeenkomstig artikel 16 moet de promotor voldoen aan de eisen inzake kwalitatieve selectie bepaald door de aanbestedende overheid op grond van de artikelen 17 tot 20ter.
  HOOFDSTUK IV. - De wedstrijd.
  Art. 23. § 1. Wanneer de overheidsopdracht voor aanneming van werken zowel slaat op het opmaken van een ontwerp als op de uitvoering ervan, kan worden overgegaan tot een wedstrijd waarbij een jury wordt aangesteld waarvan de samenstelling en de wijzen van optreden in het bestek worden bepaald.
  Deze jury bestaat uit minimum vijf leden van wie ten minste één noch behoort tot de aanbestedende overheid noch tot een openbaar bestuur.
  De leden van de jury moeten totaal onafhankelijk zijn van de aannemers, leveranciers of dienstverleners die aan de wedstrijd zouden kunnen deelnemen, en moeten in het betrokken domein blijk geven van een onbetwistbare deskundigheid.
  § 2. Het bestek somt verplicht alle criteria op volgens het hun toegewezen belang die de jury als basis zal nemen voor de beoordeling van de voorgestelde ontwerpen.
  De opdracht wordt gegund door de aanbestedende overheid na advies van de jury. Het bestek kan bepalen dat de best gerangschikte ontwerpen na dit dat gekozen werd voor de uitvoering, aanleiding kunnen geven tot het toekennen van premies. Deze worden door de aanbestedende overheid toegekend met verplicht behoud van de door de jury opgestelde rangschikking. Zij kunnen ook niet toegekend worden, noch in hun geheel noch gedeeltelijk, indien de aanbestedende overheid oordeelt dat de ontwerpen ontoereikend zijn.
  § 3. Het bestek bepaalt nauwkeurig de respectieve rechten van de aanbestedende overheid en de makers van de ontwerpen inzake het bezit en het gebruik ervan.
  HOOFDSTUK V. Toegang tot overheidsopdrachten voor aanneming van werken voor de aannemers van derde landen ten aanzien van de Europese Gemeenschap.
  Art. 24.Voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken waarvan het geraamde bedrag (zonder belasting over de toegevoegde waarde gelijk is aan of hoger is dan [1 5.000.000 EUR]1 ), genieten de volgende landen, volgens de bepalingen en de voorwaarden van de internationale akte die hen betreft, van de toepassing van titels II en III van boek I van de wet en van dit besluit : <KB 1999-03-25/39, art. 9, 003; ED : 01-06-1999> <MB 2001-12-04/32, art. 3, 007; ED : 01-01-2002> <MB 2003-12-17/30, art. 2, 010; ED : 01-01-2004> <MB 2005-12-20/34, art. 2, 015; ED : 01-01-2006> <MB 2007-12-17/34, art. 2, 018; ED : 01-01-2008 ; zie ook art. 6>
  1° IJsland, Liechtenstein en Noorwegen, in toepassing van het Akkoord over de Europese economische Ruimte;
  2° Canada, Korea, de Verenigde Staten van Amerika, Israël, Japan en Zwitserland, in toepassing van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten gesloten in het kader van het Algemeen Akkoord over de Douane- en Handelstarieven.
  ----------
  (1)<MB 2011-12-19/07, art. 2, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  HOOFDSTUK VI. - De informatie.
  Art. 25.[1 § 1. De artikelen 65/4, 65/5, 65/7, 65/8, § 1, eerste lid, en 65/9 van de wet zijn niet toepasselijk op de opdrachten waarvan de goed te keuren uitgave zonder belasting over de toegevoegde waarde 67.000 euro niet overschrijdt, ongeacht de gunningsprocedure.
   § 2. Voor de opdrachten bedoeld in paragraaf 1 stelt de aanbestedende overheid een gemotiveerde beslissing op :
   1° voor de selectie, wanneer de gunningsprocedure een eerste fase met de indiening van aanvragen tot deelneming omvat;
   2° voor de gunning van de opdracht;
   3° ingeval ze beslist om af te zien van het plaatsen van de opdracht en eventueel een nieuwe opdracht uit te schrijven.
   De aanbestedende overheid informeert schriftelijk :
   1° wanneer de gunningsprocedure een eerste fase met de indiening van aanvragen tot deelneming omvat en onmiddellijk na het nemen van de gemotiveerde selectiebeslissing, elke niet-geselecteerde kandidaat dat hij niet is geselecteerd;
   2° onmiddellijk na het nemen van de gunningsbeslissing, elke niet-geselecteerde kandidaat of inschrijver dat hij niet is geselecteerd, elke inschrijver met een geweerde of niet-gekozen offerte dat zijn offerte is geweerd of niet is gekozen en de gekozen inschrijver dat hij is gekozen.
   De in het tweede lid, 2°, bedoelde informatie aan de gekozen inschrijver doet geen enkele contractuele verbintenis ontstaan.
   Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van verzending van de in het tweede lid bedoelde informatie kan de betrokken kandidaat of inschrijver schriftelijk verzoeken om hem volgende aanvullende informatie mee te delen :
   1° elke niet-geselecteerde kandidaat of inschrijver : de motieven voor zijn niet-selectie, in de vorm van een uittreksel van de gemotiveerde beslissing;
   2° elke inschrijver wiens offerte geweerd is : de motieven voor de wering, onder de vorm van een uittreksel van de gemotiveerde beslissing;
   3° elke inschrijver wiens offerte niet is gekozen en de begunstigde : de gemotiveerde beslissing.
   De aanbestedende overheid deelt deze aanvullende informatie schriftelijk mee binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek daartoe.
   De aanbestedende overheid kan evenwel gebruik maken van de mogelijkheden waarin artikel 65/8, § 1, eerste lid, van de wet voorziet en, naargelang het geval, de in het tweede lid hierboven vermelde motieven bij de informatie voegen. De gemotiveerde beslissing wordt bij de informatie gevoegd wanneer de aanbestedende overheid artikel 65/11, eerste lid, van de wet toepasselijk maakt, overeenkomstig artikel 65/30, tweede lid, van dezelfde wet.
   § 3. Voor de opdrachten bedoeld in paragraaf 1 informeert de aanbestedende overheid schriftelijk, onmiddellijk na het nemen van de beslissing om af te zien van het plaatsen van de opdracht en, in voorkomend geval, een nieuwe opdracht uit te schrijven, elke betrokken kandidaat of inschrijver over dit feit.
   Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van verzending van deze informatie kan de betrokken kandidaat of inschrijver schriftelijk verzoeken om hem de gemotiveerde beslissing mee te delen.
   De aanbestedende overheid deelt de gemotiveerde beslissing schriftelijk mee binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek daartoe.
   § 4. De paragrafen 2 en 3 zijn niet toepasselijk op de opdrachten die tot stand komen met een aangenomen factuur in de zin van artikel 122, eerste lid, 1°, van dit besluit.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 9, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 26.[1 De aankondiging in geval van vrijwillige transparantie ex ante, als bedoeld in artikel 65/18, eerste lid, 1°, van de wet, wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging in bijlage 9 van dit besluit.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 10, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  TITEL II. - Bepalingen betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen.
  HOOFDSTUK I. - Bekendmakingsvoorschriften voor de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen.
  Afdeling I. - Overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen onderworpen aan de Europese bekendmaking.
  Art. 27.§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 17, § 2, van de wet, zijn de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen van de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10° van de wet, waarvan het geraamde bedrag gelijk is aan of hoger is dan het bedrag bepaald in § 2 onderworpen aan de bekendmakingsvoorschriften van deze afdeling.
  Een niet limitatieve lijst van de organismen van openbaar nut in de zin van artikel 4, § 2, 1°, en van de rechtspersonen bedoeld in artikel 4, § 2, 8°, van deze wet vormt de bijlage 1 bij dit besluit.
  § 2. [Het bedrag van de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen bedoeld in deze afdeling is [3 200.000 EUR]3 zonder belasting over de toegevoegde waarde. Dit bedrag is [3 130.000 EUR]3 voor de aanbestedende overheden vermeld in artikel 50, 2°, a, van dit besluit en voor de daarin bedoelde opdrachten.
  Deze bedragen, alsook de bedragen vermeld in de artikelen 29 en 50 worden door de Eerste Minister aangepast overeenkomstig de tweejaarlijkse herzieningen [2 bepaald in artikel 78 van de richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, leveringen en diensten]2.] <KB 1999-03-25/39, art. 12, 003; ED : 01-06-1999>
  ----------
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 11, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  (3)<MB 2011-12-19/07, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  Art. 28.Het geraamde bedrag van de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen die gegund worden onder de vorm van huur, huurkoop of leasing wordt als volgt bepaald :
  1° bij een opdracht met een bepaalde duur, op grond van het totaalbedrag van de opdracht voor de gehele looptijd, wanneer deze twaalf maanden of minder bedraagt, of op grond van het totaalbedrag met inbegrip van de geraamde restwaarde wanneer de looptijd meer dan twaalf maanden bedraagt;
  2° bij een opdracht van onbepaalde duur of waarvan de looptijd niet kan worden bepaald, op grond van het geraamde maandelijkse bedrag vermenigvuldigd met achtenveertig.
  Bij opdrachten die een zekere regelmaat vertonen of die bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden hernieuwd, wordt de waarde van de opdracht bepaald :
  1° ofwel op grond van het totale werkelijke bedrag van de opeenvolgende, gelijksoortige opdrachten die gegund werden in de loop van de vorige twaalf maanden of van het vorige boekjaar, zo mogelijk verbeterd om rekening te houden met de wijzigingen qua hoeveelheid of waarde die zouden kunnen opduiken in de loop van de twaalf maanden die volgen op de oorspronkelijke opdracht;
  2° ofwel op grond van het totale geraamde bedrag van de opeenvolgende opdrachten over de twaalf maanden volgende op de eerste levering of, indien deze meer bedraagt dan twaalf maanden, over de volledige looptijd van de opdracht.
  [1 Bij de berekening van het geraamde bedrag wordt rekening gehouden met de eventuele opties en eventuele verlengingen van de opdracht.]1
  Wanneer de verwerving van homogene leveringen wordt verdeeld in percelen, dient de geraamde waarde van de totaliteit van de percelen in aanmerking te worden genomen.
  [2 lid opgeheven]2
  Geen enkele opdracht mag worden gesplitst ten einde deze aan de toepassing van de bepalingen van deze afdeling te onttrekken.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 21, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 12, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  
  Art. 29. § 1. Elke aanbestedende overheid maakt, door middel van een enuntiatieve aankondiging, zo snel mogelijk na het begin van haar begrotingsjaar, het totaal van de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen, per groep van produkten volgens de statistische classificatie van produkten gekoppeld aan de economische activiteiten (CPA) in de Europese economische Gemeenschap, hierna de classificatie CPA te noemen, bekend waarvan het geraamde bedrag, (zonder belasting over de toegevoegde waarde, gelijk is aan of hoger is dan (750 000 EUR)) en waarvan de gunning voorzien is in de loop van de volgende twaalf maanden. <KB 1999-03-25/39, art. 13, 003; ED : 01-06-1999> <MB 2001-12-04/32, art. 5, 007; ED : 01-01-2002>
  Deze enuntiatieve aankondiging, opgesteld overeenkomstig (het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, A,) bij dit besluit, wordt gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. De aanbestedende overheid moet de datum van verzending van de aankondiging kunnen bewijzen. <KB 2002-04-22/30, art. 11, 008; ED : 01-05-2002>
  Deze aankondiging wordt eveneens gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen overeenkomstig hetzelfde model van aankondiging.
  De publikatie in het Bulletin der Aanbestedingen mag niet plaatsvinden vóór de datum van de verzending van de aankondiging naar het Bureau voor officiële publikaties van de Europese Gemeenschappen en moet deze datum vermelden. Ze mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
  Art. 30. Elke aan deze afdeling onderworpen overheidsopdracht die zal gegund worden bij openbare of beperkte aanbesteding, bij algemene of beperkte offerteaanvraag of bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, moet het voorwerp uitmaken van een aankondiging van opdracht gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. (...). <KB 2002-04-22/30, art. 12, 008; ED : 01-05-2002>
  (Deze aankondiging van opdracht moet de datum van verzending ervan naar het Bureau voor officiële publicaties van de Europese Gemeenschappen vermelden. Deze datum vormt het vertrekpunt van de termijn als bedoeld in artikel 31 en artikel 32, § 1.
  De aanbestedende overheid moet de datum van verzending kunnen bewijzen.) <KB 2002-04-22/30, art. 12, 008; ED : 01-05-2002>
  (Deze aankondiging van opdracht wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, B, van dit besluit.
  Deze aankondiging van opdracht wordt eveneens gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen overeenkomstig hetzelfde model van aankondiging.
  Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.
  Geen enkele publicatie mag plaatsvinden vóór de datum van verzending van de aankondiging naar het Bureau voor officiële publicaties van de Europese Gemeenschappen. Iedere andere publicatie mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Publicatieblad van de Europese gemeenschappen.) <KB 2002-04-22/30, art. 12, 008; ED : 01-05-2002>
  Art. 31. Bij openbare aanbesteding en bij algemene offerteaanvraag, mag de termijn voor de ontvangst van de offertes niet korter zijn dan tweeënvijftig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging. Hij mag echter ingekort worden tot een termijn die lang genoeg is om de indiening van geldige offertes toe te laten en die, in principe, niet korter zal zijn dan zesendertig dagen maar die in geen enkel geval korter zal zijn dan tweeëntwintig dagen indien aan volgende voorwaarden wordt voldaan :
  1° de opdracht in ontwerp gaf aanleiding, overeenkomstig artikel 29, tot de verzending van een enuntiatieve aankondiging niet minder dan tweeënvijftig dagen en niet meer dan twaalf maanden vóór de verzendingsdatum van de aankondiging van opdracht bepaald in artikel 30;
  2° deze enuntiatieve aankondiging bevatte ten minste zoveel van de in het model van aankondiging van opdracht bedoelde gegevens, voor zover deze op het ogenblik van de publikatie van deze enuntiatieve aankondiging beschikbaar waren.
  Art. 32.
  § 1. Bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag en bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, 1°, van de wet mag de termijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming, niet korter zijn dan zevenendertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging.
  Wanneer het om dringende redenen onmogelijk is deze termijn in acht te nemen, mag de termijn ingekort worden tot minimum vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging indien de aanbestedende overheid verzoekt om een versnelde bekendmaking en de in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen te publiceren aankondiging per telegram, per telex of per telefax verzendt.
  § 2. Bij beperkte aanbesteding en bij beperkte offerteaanvraag mag de termijn voor ontvangst van de offertes niet korter zijn dan veertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de uitnodiging om een offerte in te dienen. Hij mag echter ingekort worden tot zesentwintig dagen indien aan volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1° de opdracht in ontwerp gaf aanleiding, overeenkomstig artikel 29, tot de verzending van een enuntiatieve aankondiging niet minder dan tweeënvijftig dagen en niet meer dan twaalf maanden vóór de verzendingsdatum van de aankondiging van opdracht bepaald in artikel 30;
  2° deze enuntiatieve aankondiging bevatte ten minste zoveel van de in het model van aankondiging van opdracht bedoelde gegevens, voor zover deze op het ogenblik van de publikatie van deze enuntiatieve aankondiging beschikbaar waren.
  De termijn voor de ontvangst van de offertes mag ingekort worden tot tien dagen wanneer de aanbestedende overheid om een versnelde bekendmaking overeenkomstig § 1 van dit artikel verzocht heeft.
  § 3. Bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag en bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, kunnen de aanvragen tot deelneming en tot het indienen van een offerte gedaan worden per brief, per telegram, per telex, per telefax of per telefoon. Indien de aanbestedende overheid verzoekt om een versnelde bekendmaking overeenkomstig § 1 van dit artikel, moeten de aanvragen tot deelneming en de uitnodigingen tot het indienen van een offerte langs de snelst mogelijke weg gebeuren.
  [1 Wanneer de aanvragen tot deelneming worden ingediend per telefax of via een elektronisch middel dat niet in overeenstemming is met artikel 81quater, § 1, kan de aanbestedende overheid met het oog op een juridisch bewijs verzoeken dat deze aanvragen schriftelijk worden bevestigd. In dat geval worden dit verzoek, alsook de termijn binnen dewelke de bevestiging moet gebeuren, vermeld in de aankondiging van opdracht. Wanneer de aanvragen tot deelneming per telefoon worden ingediend, worden deze schriftelijk bevestigd vóór het verstrijken van de termijn bepaald voor hun ontvangst.]1
  Het bewijs van de datum van de aanvraag tot deelneming of van de schriftelijke bevestiging moet door de kandidaat geleverd worden, dit van de uitnodiging tot het indienen van een offerte door de aanbestedende overheid.
  § 4. Bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag en bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, worden de gegadigden gelijktijdig en schriftelijk uitgenodigd om hun offerte in te dienen.
  Deze uitnodiging bevat minstens :
  1° a) het bestek en de aanvullende documenten of, desgevallend, het adres van de dienst waar het bestek en de aanvullende documenten kunnen opgevraagd worden en de uiterste datum voor deze aanvraag;
  b) desgevallend, het ter verkrijging van de genoemde documenten te storten bedrag en de wijze van betaling daarvan;
  2° a) de uiterste datum voor ontvangst van de offertes;
  b) het adres waarnaar ze moeten verstuurd worden;
  c) de taal of talen waarin ze moeten opgesteld worden;
  3° de verwijzing naar de aankondiging van opdracht;
  4° de aanduiding van de eventueel toe te voegen documenten hetzij ter staving van de door de gegadigde overeenkomstig (het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, B, III, 2 en 3), verstrekte, controleerbare verklaringen, hetzij ter aanvulling van de in deze bijlagen vermelde inlichtingen; <KB 2002-04-22/30, art. 14, 008; ED : 01-05-2002>
  5° het gunningscriterium of de gunningscriteria indien ze niet voorkomen in de aankondiging.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 22, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 33.[1 Bij de vaststelling van de termijnen voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming en offertes, houdt de aanbestedende overheid inzonderheid rekening met de complexiteit van de opdracht en met de nodige voorbereidingstijd van de offertes.]1 Indien de offertes slechts na raadpleging van een omvangrijke documentatie of na een plaatsbezoek, of na inzage ter plaatse van de bij het bestek behorende documenten kunnen worden opgemaakt, dienen de termijnen bepaald in de artikelen 31 en 32, § 2, dienovereenkomstig te worden verlengd.
  Voor zover daarom tijdig is verzocht, dienen bij openbare aanbesteding en bij algemene offerteaanvraag het bestek en de aanvullende documenten door de aanbestedende overheid te worden verstrekt binnen zes dagen na ontvangst van het verzoek en dienen de nadere inlichtingen over het bestek te worden verstrekt uiterlijk zes dagen vóór het verstrijken van de termijn vastgesteld voor de ontvangst van de offertes.
  Bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag en bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, dienen de aanvullende inlichtingen over het bestek, voor zover daarom tijdig is verzocht, door de aanbestedende overheid verstrekt te worden uiterlijk zes dagen vóór de uiterste datum vastgelegd voor de ontvangst van de offertes. De termijn is vier dagen indien de aanbestedende overheid om een versnelde bekendmaking overeenkomstig artikel 32, § 1, van dit besluit heeft verzocht.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 23, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 34. Binnen een termijn van achtenveertig dagen na de gunning van een opdracht gegund bij aanbesteding, bij offerteaanvraag of bij een onderhandelingsprocedure met of zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure, en waarvan de waarde gelijk is aan of hoger ligt dan het bedrag bepaald in artikel 27, § 2, van dit besluit, maakt de aanbestedende overheid inlichtingen over de gegunde opdracht bekend. Deze regel is niet van toepassing op de overheidsopdrachten die worden gegund bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure wanneer artikel 17, § 2, 1°, b, van de wet wordt ingeroepen.
  Deze aankondiging van gegunde opdracht (, ook aankondiging van geplaatste opdracht genoemd,) opgesteld overeenkomstig (het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, C,) bij dit besluit, wordt gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. De aanbestedende overheid moet de datum van verzending van de aankondiging kunnen bewijzen. <KB 2002-04-22/30, art. 15, 008; ED : 01-05-2002>
  Deze aankondiging wordt eveneens gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen overeenkomstig hetzelfde model van aankondiging.
  (Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.) <KB 2002-04-22/30, art. 15, 008; ED : 01-05-2002>
  De publikatie in het Bulletin der Aanbestedingen mag niet plaats vinden vóór de datum van de verzending van de aankondiging naar het Bureau voor officiële publikaties van de Europese Gemeenschappen en moet deze datum vermelden. Ze mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
  In bepaalde gevallen hoeven echter sommige gegevens betreffende de gunning van de opdracht niet te worden bekendgemaakt indien openbaarmaking van die gegevens de toepassing van een wet in de weg zou staan, in strijd zou zijn met het algemeen belang of schade zou kunnen toebrengen aan de rechtmatige commerciële belangen van de overheids- of privébedrijven of de eerlijke mededinging tussen de leveranciers erdoor zou kunnen worden aangetast.
  Art. 35.Voor elke gegunde opdracht stelt de aanbestedende overheid een proces-verbaal op dat tenminste het volgende vermeldt :
  1° de naam en het adres van de aanbestedende overheid, het voorwerp en de prijs van de opdracht;
  2° de namen van de inschrijvers of van de gegadigden en de redenen voor die keuze;
  3° de namen van de uitgesloten kandidaten of inschrijvers en de redenen voor deze uitsluiting;
  4° de naam van de aannemer en de motivering van de keuze van zijn offerte alsook, indien gekend, het gedeelte van de opdracht dat hij zinnens is in onderaanneming te geven;
  5° in geval van aanwending van de onderhandelingsprocedure met of zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure, de omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 17, § 2 of § 3 van de wet die de aanwending van deze procedure kunnen verantwoorden;
  [1 6° de redenen voor de afwijzing van abnormaal laag bevonden offertes.]1
  Dit proces-verbaal, of de hoofdpunten ervan, worden aan de Europese Commissie op haar verzoek toegezonden.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 24, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 36. Wanneer door een van de aanbestedende overheden waarvan sprake in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, van de wet bijzondere of exclusieve rechten voor het verrichten van een activiteit van openbare dienst verleend wordt aan een andere persoon, welke ook haar juridisch statuut weze, moet de toekenningsakte het beginsel van non-discriminatie op grond van de nationaliteit in de zin van artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap opleggen voor de opdrachten voor leveringen die aan derden worden gegund in het kader van deze activiteiten.
  Afdeling II. - Overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen die niet onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking.
  Art. 37. Onverminderd de bepalingen van artikel 17, § 2, van de wet, zijn de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen van de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 27, § 1, van dit besluit waarvan het geraamd bedrag kleiner is dan het bedrag bepaald in artikel 27, § 2, onderworpen aan de bekendmakingsvoorschriften van deze afdeling.
  De opdrachten voor aanneming van leveringen van de privaatrechtelijke universitaire instellingen zijn, ongeacht het bedrag, onderworpen aan de regels van deze afdeling wanneer ze gesubsidieerd worden door aanbestedende overheden bedoeld in artikel 27, § 1, van dit besluit.
  Art. 38.Elke aan deze afdeling onderworpen overheidsopdracht die zal gegund worden bij openbare aanbesteding of bij algemene offerteaanvraag wordt in mededinging gesteld door middel van een aankondiging van opdracht, gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen.
  (Deze aankondiging van opdracht vermeldt de datum van verzending ervan naar het Bulletin der Aanbestedingen.
  De aanbestedende overheid moet de datum van verzending kunnen bewijzen.
  (Deze aankondiging van opdracht wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, B.
  Ten minste de volgende inlichtingen moeten worden verstrekt :
  1° de naam, het adres en het type van de aanbestedende overheid;
  2° het type opdracht, het voorwerp en de beschrijving ervan; de CPV-code (hoofdcategorieën van de hoofdopdracht) en de NUTS-code;
  3° de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de minimumeisen inzake kwalitatieve selectie vereist overeenkomstig de artikelen [1 43 tot 46bis]1; desgevallend, de inlichtingen en documenten die de aanbestedende overheid via elektronische middelen kan raadplegen overeenkomstig artikel 46, § 4;
  4° desgevallend, het ter verkrijging van het bestek en de aanvullende documenten te storten bedrag en de wijze van betaling daarvan;
  5° de gunningswijze;
  6° de datum van de opening van de offertes.) <KB 2006-01-12/35, art. 5, 016; ED : 01-02-2006>
  Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.
  Geen enkele publicatie mag plaatsvinden vóór de datum van verzending de van aankondiging. Iedere andere publicatie mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Bulletin der Aanbestedingen.) <KB 2004-02-29/34, art. 3, 012; ED : 01-09-2004>
  De termijn voor ontvangst van de offertes mag, over het algemeen niet korter zijn dan zesendertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging. Deze termijn kan ingekort worden tot een minimum van tien dagen, voor zover er een termijn van ten minste zeven dagen wordt nageleefd vanaf de datum van de publikatie van de aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen tot deze bepaald voor de ontvangst van de offertes.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 13, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 39. Elke aan deze afdeling onderworpen overheidsopdracht die zal gegund worden bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag of bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet wordt, in principe, in mededinging gesteld door middel van een aankondiging van opdracht, opgesteld overeenkomstig artikel 40, § 1.
  Deze aankondiging kan nochtans vervangen worden door een aankondiging betreffende de opstelling door de aanbestedende overheid van een lijst van gegadigden, opgesteld overeenkomstig artikel 40, § 2. Deze bepaling is, in principe, van toepassing op gelijkaardige opdrachten met een repetitief karakter.
  Art. 40.
  § 1. Indien de aanbestedende overheid verkiest in mededinging te stellen overeenkomstig artikel 39, eerste lid, maakt de overheidsopdracht het voorwerp uit van een aankondiging van opdracht gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen.
  [Deze aankondiging van opdracht vermeldt de datum van verzending ervan naar het Bulletin der Aanbestedingen.
  De aanbestedende overheid moet de datum van verzending kunnen bewijzen.
  [Deze aankondiging van opdracht wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, B.
  Ten minste de volgende inlichtingen moeten worden verstrekt :
  1° de naam, het adres en het type van de aanbestedende overheid;
  2° het type opdracht, het voorwerp en de beschrijving ervan; de CPV-code (hoofdcategorieën van de hoofdopdracht) en de NUTS-code;
  3° de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de minimumeisen inzake kwalitatieve selectie vereist overeenkomstig de artikels [1 43 tot 46bis]1; desgevallend, de inlichtingen en documenten die de aanbestedende overheid via elektronische middelen rechtstreeks kan raadplegen overeenkomstig artikel 46, § 4;
  4° de gunningswijze;
  5° de uiterste datum voor ontvangst van de aanvragen tot deelneming.] <KB 2006-01-12/35, art. 6, 016; ED : 01-02-2006>
  Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.
  Geen enkele publicatie mag plaatsvinden vóór de datum van verzending van de aankondiging. Iedere andere publicatie mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Bulletin der Aanbestedingen.] <KB 2004-02-29/34, art. 4, 012; ED : 01-09-2004>
  De ontvangsttermijn van de aanvragen tot deelneming mag, in principe, niet korter zijn dan vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging. Deze termijn kan ingekort worden tot een minimum van tien dagen, voor zover er een termijn van ten minste zeven dagen wordt nageleefd vanaf de datum van de publikatie van de aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen tot deze bepaald voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming.
  [1 Wanneer de aanvragen tot deelneming worden ingediend per telefax of via een elektronisch middel dat niet in overeenstemming is met artikel 81quater, § 1, kan de aanbestedende overheid met het oog op een juridisch bewijs verzoeken dat deze aanvragen schriftelijk worden bevestigd. In dat geval worden dit verzoek, alsook de termijn binnen dewelke de bevestiging moet gebeuren, vermeld in de aankondiging van opdracht. Wanneer de aanvragen tot deelneming per telefoon worden ingediend, worden deze schriftelijk bevestigd vóór het verstrijken van de termijn bepaald voor hun ontvangst.]1
  Het bewijs van de datum van de aanvraag tot deelneming moet door de kandidaat geleverd worden, dit van de uitnodiging tot het indienen van een offerte door de aanbestedende overheid.
  § 2. Indien de aanbestedende overheid de in mededingingstelling kiest overeenkomstig artikel 39, tweede lid, publiceert zij in het Bulletin der Aanbestedingen, en tenminste alle twaalf maanden, een periodieke aankondiging betreffende het opstellen van een lijst van gegadigden voor de gunning van de in deze afdeling bedoelde overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen.
  [Deze aankondiging wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging opgenomen in bijlage 5.
  Ten minste de volgende inlichtingen moeten worden verstrekt :
  1° de naam, het adres en het type van de aanbestedende overheid;
  2° het type opdracht, het voorwerp en de beschrijving ervan; de CPV-code (hoofdcategorieën van de hoofdopdracht) en de NUTS-code;
  3° de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de minimumeisen inzake kwalitatieve selectie vereist overeenkomstig de artikelen [1 43 tot 46bis]1; desgevallend, de inlichtingen en documenten die de aanbestedende overheid via elektronische middelen rechtstreeks kan raadplegen overeenkomstig artikel 46, § 4;
  4° de gunningswijze;
  5° de uiterste datum voor ontvangst van de aanvragen tot deelneming.] <KB 2006-01-12/35, art. 6, 016; ED : 01-02-2006>
  § 3. De gegadigden worden gelijktijdig en schriftelijk uitgenodigd om hun offerte in te dienen.
  Deze uitnodiging bevat minstens :
  1° a) het bestek en de aanvullende documenten of, desgevallend, het adres van de dienst waar het bestek en de aanvullende documenten kunnen opgevraagd worden en de uiterste datum voor deze aanvraag;
  b) desgevallend, het ter verkrijging van genoemde documenten te storten bedrag en de wijze van betaling daarvan;
  2° de uiterste datum voor ontvangst van de offertes, het adres waarnaar ze moeten verstuurd worden en de taal of talen waarin ze moeten opgesteld worden;
  3° de aanduiding van de eventueel toe te voegen documenten;
  4° desgevallend, het gunningscriterium of de gunningscriteria van de opdracht.
  5° de datum, het uur en de plaats van de opening van de offertes in geval van beperkte aanbesteding of beperkte offerteaanvraag.
  De termijn voor ontvangst van de offertes mag, in principe, niet korter zijn dan vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de uitnodiging om een offerte in te dienen. Deze termijn kan ingekort worden tot een minimum van tien dagen.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 14, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  
  Art. 40bis. <Ingevoegd bij KB 2002-04-22/30, art. 18; ED : 01-05-2002> Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.
  Geen enkele publicatie mag plaatsvinden vóór de datum van verzending van de aankondiging naar het Bulletin der Aanbestedingen.
  Art. 41.[1 Bij de vaststelling van de termijnen voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming en offertes, houdt de aanbestedende overheid inzonderheid rekening met de complexiteit van de opdracht en met de nodige voorbereidingstijd van de offertes.]1 Indien de offertes slechts na raadpleging van een omvangrijke documentatie of na een plaatsbezoek, of na inzage ter plaatse van de bij het bestek behorende documenten kunnen worden opgemaakt, dienen de termijnen voorzien in de artikelen 38 en 40, § 3, dienovereenkomstig te worden verlengd.
  Bij openbare aanbesteding en bij algemene offerteaanvraag en voor zover daarom tijdig is verzocht, dienen het bestek en de aanvullende documenten door de aanbestedende overheid verstrekt te worden binnen de zes dagen na de ontvangst van het verzoek.
  Ongeacht de procedure en voor zover daarom tijdig is verzocht, dienen de aanvullende inlichtingen over het bestek door de aanbestedende overheid verstrekt te worden uiterlijk zes dagen vóór de uiterste datum vastgelegd voor de ontvangst van de offertes. De termijn is vier dagen indien de aanbestedende overheid de termijn voor ontvangst van de offertes ingekort heeft overeenkomstig de artikelen 38 en 40, § 3.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 25, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  HOOFDSTUK II. - Regels in verband met de kwalitatieve selectie voor de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen.
  Art. 42.Bij openbare aanbesteding en algemene offerteaanvraag, gaat de aanbestedende overheid op grond van de inlichtingen betreffende de eigen situatie van ieder leverancier en van de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de financiële, economische en technische minimumeisen overeenkomstig [2 artikelen 43 tot 46bis]2 van dit besluit over tot de kwalitatieve selectie van de inschrijvers.
  Bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag of bij [onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet], kiest de aanbestedende overheid uit degenen die aan de in [2 artikelen 43 tot 46bis]2 van dit besluit gestelde kwalificaties voldoen de gegadigden die ze respectievelijk uitnodigt een offerte in te dienen of deel te nemen aan de onderhandelingen op grond van de inlichtingen betreffende de eigen situatie van de leverancier en van de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de financiële, economische en technische minimumeisen waaraan hij moet voldoen. <KB 1999-03-25/39, art. 14, 003; ED : 01-06-1999>
  [Bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking in de zin van artikel 17, § 2, van de wet, kan de aanbestedende overheid het geheel of een gedeelte van de artikelen [2 43 tot 46bis]2 van dit besluit toepasbaar maken.] <KB 1999-03-25/39, art. 14, 003; ED : 01-06-1999>
  Bij beperkte aanbesteding en beperkte offerteaanvraag mag de aanbestedende overheid een minimum en een maximum aangeven waartussen zich het aantal gegadigden dat een offerte mag indienen zal situeren. Dit minimumaantal mag niet minder bedragen dan vijf en het maximumaantal kan worden vastgesteld op twintig. Het aantal gegadigden moet in ieder geval groot genoeg zijn om een werkelijke mededinging te garanderen.
  [2 Bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, mag het aantal gegadigden dat tot de onderhandelingen wordt toegelaten niet kleiner zijn dan drie en moet het in elk geval voldoende zijn om een daadwerkelijke mededinging te waarborgen, voor zover er voldoende geschikte kandidaten zijn.]2
  Bij beperkte procedure en onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, moet elke kandidatuur individueel ingediend worden.
  [1 De in de artikelen 44 en 45 bedoelde inlichtingen en minimumeisen inzake draagkracht en bekwaamheid moeten verband houden met en in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht.]1
  [De leveranciers van de andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschap en, volgens de bepalingen en voorwaarden van de internationale akte die hen betreft, de leveranciers van derde landen, in de zin van artikel 50, die de vereiste kwalificaties bezitten moeten onder dezelfde voorwaarden behandeld worden als de nationale leveranciers. Deze bepaling is niet van toepassing op de leveringen die geheim verklaard werden, of waarvan de uitvoering gepaard moet gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen, overeenkomstig de van kracht zijnde wettelijke of reglementaire bepalingen of indien de bescherming van de fundamentele belangen van de veiligheid van het land dit vereist, noch op de opdrachten bedoeld in artikel 3, § 3, van de wet.] <KB 1999-03-25/39, art. 14, 003; ED : 01-06-1999>
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 26, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 15, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 43.(§ 1. [1 Wordt]1 in elk stadium van de gunningsprocedure uitgesloten van de toegang ertoe, de leverancier die bij een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan waaraan de aanbestedende overheid kennis heeft, veroordeeld is voor :
  1° deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek;
  2° omkoping als bedoeld in artikel 246 van het Strafwetboek;
  3° fraude als bedoeld in artikel 1 van de overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap, goedgekeurd door de wet van 17 februari 2002;
  4° witwassen van geld als bedoeld in artikel 3 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financieel stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme.
  Met het oog op de toepassing van deze paragraaf kan de aanbestedende overheid, indien zij twijfels heeft over de persoonlijke situatie van een leverancier, de bevoegde binnenlandse of buitenlandse autoriteiten verzoeken om de inlichtingen die ze terzake nodig acht.
  De aanbestedende overheid kan om dwingende redenen van algemeen belang afwijken van de in deze paragraaf bedoelde verplichting.) <KB 2007-11-23/34, art. 15, 017; ED : 01-02-2008>
  (§ 2.) Kan uitgesloten worden van deelneming aan de opdracht (in welke stadium van de procedure ook) de leverancier : <KB 1999-03-25/39, art. 15, 003; ED : 01-06-1999> <KB 2007-11-23/34, art. 15, 017; ED : 01-02-2008>
  1° die in staat van faillissement of van vereffening verkeert, die zijn werkzaamheden heeft gestaakt of die een [2 gerechtelijke reorganisatie]2 heeft bekomen, of die in een overeenstemmende toestand verkeert als gevolg van een gelijkaardige procedure die bestaat in de nationale wetgevingen en reglementeringen;
  2° die aangifte heeft gedaan van zijn faillissement, voor wie een procedure van vereffening of van [2 gerechtelijke reorganisatie]2 aanhangig is of die het voorwerp is van een gelijkaardige procedure bestaande in de nationale wetgevingen en reglementeringen;
  3° die, bij een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is geweest voor een misdrijf dat zijn professionele integriteit aantast;
  4° die bij zijn beroepsuitoefening een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op elke grond die de aanbestedende overheden aannemelijk kunnen maken;
  5° (die niet voldaan heeft aan zijn verplichtingen inzake betaling van de bijdragen voor de sociale zekerheid, overeenkomstig de bepalingen van artikel 43bis;) <KB 1999-03-25/39, art. 15, 003; ED : 01-06-1999>
  6° die niet in orde is met de betaling van zijn belastingen overeenkomstig de Belgische wetgeving of die van het land waar hij gevestigd is;
  7° die zich in ernstige mate heeft schuldig gemaakt aan het afleggen van valse verklaringen bij het verstrekken van inlichtingen, opvorderbaar bij toepassing van dit hoofdstuk.
  Het bewijs dat de leverancier zich niet in één van de gevallen, vermeld in 1°, 2°, 3°, 5° of 6° bevindt, kan geleverd worden door voorlegging van de volgende stukken :
  1° voor 1°, 2° of 3 °: een uittreksel uit het strafregister of een evenwaardig document uitgereikt door een gerechtelijke- of overheidsinstantie van het land van oorsprong of herkomst en waaruit blijkt dat aan de gestelde eisen is voldaan;
  2° voor 5° of 6° een getuigschrift uitgereikt door de bevoegde overheid van het betrokken land.
  Wanneer een dergelijk document of getuigschrift niet uitgereikt wordt in het betrokken land, kan het vervangen worden door een verklaring onder eed of een plechtige verklaring van de betrokkene vóór een gerechtelijke- of overheidsinstantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 27, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-12-19/15, art. 61, 023; Inwerkingtreding : 03-02-2011>
  Art. 43bis. <Ingevoegd bij KB 1999-03-25/39, art. 16, 003; ED : 01-06-1999> § 1. De Belgische leverancier die personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der arbeiders moet bij zijn aanvraag tot deelneming bij een beperkte of een onderhandelingsprocedure of bij zijn offerte bij een openbare procedure vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of van de offertes, al naargelang het geval, een attest van de Rijksdienst voor sociale Zekerheid voegen of aan de aanbestedende overheid voorleggen, waaruit blijkt dat hij voldaan heeft aan de voorschriften inzake bijdragen voor de sociale zekerheid.
  De leverancier heeft voor de toepassing van dit artikel aan de voorschriften voldaan indien hij volgens de rekening die ten laatste daags vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming bij een beperkte of een onderhandelingsprocedure of vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de offertes bij een openbare procedure is opgemaakt :
  1° aan de Rijksdienst voor sociale Zekerheid al de vereiste aangiften heeft toegezonden, tot en met diegene die slaan op het voorlaatste afgelopen kalenderkwartaal vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of voor de ontvangst van de offertes, al naargelang het geval, en;
  2° op deze aangiften geen verschuldigde bijdragen van meer dan (2.500 EUR) moet vereffenen, tenzij hij voor die schuld uitstel van betaling heeft verkregen waarvan hij de termijnen strikt in acht neemt. <KB 2000-07-20/50, art. 2, 006; ED : 01-01-2002>
  Evenwel, zelfs wanneer de schuld aan bijdragen groter is dan (2.500 EUR), zal de leverancier in orde beschouwd worden indien hij, alvorens de beslissing tot selecteren van de kandidaten of tot het gunnen van de opdracht wordt genomen, al naargelang het geval, aantoont dat hij, de dag waarop het attest zijn toestand bepaalt, op een aanbestedende overheid in de zin van artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, van de wet of op een overheidsbedrijf in de zin van artikel 26 van die wet, één of meer schuldvorderingen bezit die zeker, opeisbaar en vrij van elke verbintenis tegenover derden zijn en waarvan het bedrag op (2.500 EUR) na, ten minste gelijk is aan de achterstallige bijdragen. <KB 2000-07-20/50, art. 2, 006; ED : 01-01-2002>
  § 2. Vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of van de offertes moet de buitenlandse leverancier bij zijn aanvraag tot deelneming bij een beperkte of een onderhandelingsprocedure of bij zijn offerte bij een openbare procedure toevoegen of aan de aanbestedende overheid voorleggen, al naargelang het geval :
  1° een attest dat uitgereikt werd door de bevoegde overheid en waarin bevestigd wordt dat hij, volgens de rekening die ten laatste daags vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of voor de ontvangst van de offertes al naargelang het geval, is opgemaakt, voldaan heeft op die datum aan de verplichtingen inzake betaling van de bijdragen voor de sociale zekerheid overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is.
  Indien een dergelijk document niet uitgereikt wordt in het betrokken land, kan het vervangen worden door een verklaring onder eed of een plechtige verklaring van de betrokkene vóór een gerechtelijke of overheidsinstantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van dat land;
  2° een attest overeenkomstig § 1, indien hij personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der arbeiders.
  § 3. De aanbestedende overheid kan in welk stadium van de procedure ook, met alle middelen die zij dienstig acht inlichtingen inwinnen over de stand van de betaling van de bijdragen voor de sociale zekerheid van om het even welke kandidaat of inschrijver.
  (§ 4 - Het in de § 1 en 2 bedoelde attest moet niet worden voorgelegd bij beperkte procedure of bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure als bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet, wanneer de geraamde waarde van de opdracht, zonder belasting over de toegevoegde waarde, niet hoger is dan 22.000 euro. Dezelfde regel is van toepassing bij openbare procedure wanneer de waarde van de offerte, zonder belasting over de toegevoegde waarde, niet hoger is dan hetzelfde bedrag. In dit geval moet de aanbestedende overheid zelf inlichtingen inwinnen over de toestand van de kandidaat of inschrijver, teneinde na te gaan of hij voldaan heeft aan de in dit artikel opgenomen voorschriften.) <KB 2002-04-22/30, art. 19, 008; ED : 01-05-2002>
  Art. 44. De financiële en economische draagkracht van de leverancier kan, over het algemeen, aangetoond worden door één of meer van de volgende referenties :
  1° door passende bankverklaringen;
  2° door voorlegging van de balansen, uittreksels uit balansen of jaarrekeningen van de onderneming, indien de wetgeving van het land waar de leverancier is gevestigd de bekendmaking van balansen voorschrijft;
  3° door een verklaring betreffende de totale omzet van de onderneming en haar omzet in produkten waarop de opdracht betrekking heeft over de laatste drie boekjaren.
  (Een kandidaat of een inschrijver kan zich in voorkomend geval en voor welbepaalde opdrachten beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn band met die entiteiten. In dat geval moet hij de aanbestedende overheid aantonen dat hij zal beschikken over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke middelen door overlegging van de verbintenis van deze entiteiten om de leverancier dergelijke middelen ter beschikking te stellen.
  Onder dezelfde voorwaarden kan een combinatie van kandidaten of van inschrijvers zich beroepen op de draagkracht van de deelnemers aan de combinatie of die van andere entiteiten.) <KB 2006-01-12/35, art. 7, 016; ED : 01-02-2006>
  De aanbestedende overheid geeft in de aankondiging van opdracht of in de uitnodiging tot indiening van een offerte deze van de referentie(s) in 1°, 2° en 3° aan die ze verlangt, evenals de andere bewijsstukken die moeten worden overgelegd.
  Indien de leverancier om gegronde redenen niet in staat is de gevraagde referenties over te leggen kan hij zijn economische en financiële draagkracht aantonen met andere documenten die de aanbestedende overheid geschikt acht.
  Art. 45.De technische bekwaamheid van de leverancier kan op één of meer van de volgende manieren worden bewezen, afhankelijk van de aard, de hoeveelheid en het gebruik van de te leveren produkten :
  1° door middel van een lijst van de voornaamste leveringen die hij gedurende de afgelopen drie jaar heeft verricht, hun bedrag, data en de publiek- of privaatrechtelijke instanties waarvoor zij bestemd waren :
  - indien het leveringen aan een overheid betreft, worden de leveringen aangetoond door certificaten die door de bevoegde overheid zijn opgesteld of geviseerd;
  - indien het gaat om leveringen aan privaatrechtlijke personen, worden de certificaten opgesteld door de koper; bij ontstentenis daarvan is een verklaring van de leverancier toegelaten;
  2° door de beschrijving van de technische uitrusting van de onderneming, de maatregelen die zij treft om kwaliteit te waarborgen en de mogelijkheden die zij biedt ten aanzien van ontwerpen en onderzoek;
  3° door opgave van de al dan niet tot de onderneming behorende technici of technische diensten, in het bijzonder van die welke belast zijn met de kwaliteitscontrole;
  4° door middel van monsters, beschrijvingen en/of foto's van de te leveren produkten, waarvan op verzoek van het bestuur de echtheid moet kunnen worden bevestigd;
  5° door middel van certificaten die zijn opgesteld door de als bevoegd erkende officiële instituten of diensten voor kwaliteitscontrole, waarin de conformiteit van duidelijk door referenties geïdentificeerde produkten met bepaalde specificaties of normen wordt bevestigd;
  6° wanneer de te leveren produkten van complexe aard zijn of in uitzonderlijke gevallen voor een bijzonder doel bestemd zijn, door middel van controle door de aanbestedende overheid of, namens deze laatste door een bevoegd officieel orgaan van het land waar de leverancier is gevestigd, onder voorbehoud van de instemming van dat orgaan; deze controle heeft betrekking op de produktiecapaciteit van de leverancier en indien nodig, de mogelijkheden die hij biedt ten aanzien van ontwerpen en onderzoek, alsmede op de door hem getroffen maatregelen inzake kwaliteitscontrole.
  (Een kandidaat of een inschrijver kan zich in voorkomend geval en voor welbepaalde opdrachten beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn band met die entiteiten. In dat geval moet hij de aanbestedende overheid aantonen dat hij zal beschikken over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke middelen door overlegging van de verbintenis van deze entiteiten om de leverancier dergelijke middelen ter beschikking te stellen.
  Onder dezelfde voorwaarden kan een combinatie van kandidaten of van inschrijvers zich beroepen op de draagkracht van de deelnemers aan de combinatie of die van andere entiteiten.) <KB 2006-01-12/35, art. 8, 016; ED : 01-02-2006>
  De aanbestedende overheid geeft in de aankondiging of in de uitnodiging tot het indienen van een offerte aan, welke van deze referenties zij verlangt.
  ([1 In geval van leveringen waarvoor plaatsings- of installatiewerkzaamheden nodig zijn, kan de bekwaamheid]1 van de leverancier bovendien worden beoordeeld aan de hand van met name zijn vakkundigheid, doeltreffendheid, ervaring en betrouwbaarheid.) <KB 2007-11-23/34, art. 16, 017; ED : 01-02-2008>
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 28, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 46.<KB 1999-03-25/39, art. 17, 003; ED : 01-06-1999> § 1. De door het bevoegde organisme bevestigde inschrijving van een erkende leverancier op een officiële lijst in een ander Lid-Staat van de Europese Gemeenschap vormt enkel een vermoeden van geschiktheid voor wat betreft de bepalingen van de artikelen [2 43, § 1 en § 2, eerste lid, 1° tot 4° en 7°, 44, eerste lid, 2° en 3°, en 45, eerste lid, 1°]2, en de inschrijving in het beroeps- of handelsregister. Het voordeel van de bepalingen van dit lid komt enkel de leveranciers ten goede die gevestigd zijn in het land waar de officiële lijst is opgesteld.
  De gegevens die uit de inschrijving op een officiële lijst kunnen worden afgeleid, kunnen niet ter discussie worden gesteld. Niettemin kan met betrekking tot de betaling van de bijdragen aan de sociale zekerheid, van elke ingeschreven leverancier bij elke opdracht een aanvullende verklaring worden geëist.
  § 2. De aanbestedende overheid kan van de kandidaten of van de inschrijvers de overlegging eisen van het bewijs van hun inschrijving in het beroeps- of handelsregister overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar ze gevestigd zijn.
  [1 De bedoelde beroeps- of handelsregisters, verklaringen of attesten voor elke lidstaat zijn vermeld in bijlage 10 van dit besluit.]1
  § 3. Binnen de grenzen [van de artikelen 43 tot 46bis], kan de aanbestedende overheid verlangen dat de kandidaten of de inschrijvers de overgelegde getuigschriften en documenten aanvullen of toelichten. <KB 2008-07-31/32, art. 5, 019; ED : 18-08-2008>
  [§ 4. De aanbestedende overheid die via elektronische middelen kosteloos toegang heeft tot de inlichtingen of documenten die haar toelaten, binnen de grenzen van de artikelen 43 tot 45 en de §§ 1 en 2 van dit artikel, de persoonlijke situatie en de bekwaamheid van de betrokken kandidaten of inschrijvers na te gaan, stelt laatstgenoemden ervan vrij de in die artikelen bedoelde inlichtingen mee te delen of documenten voor te leggen. De aanbestedende overheid vermeldt in de aankondiging van de opdracht of in voorkomend geval in het bestek de inlichtingen of documenten welke ze via elektronische weg zal opvragen. Zij dient zelf deze inlichtingen of documenten op te vragen en de resultaten ervan in de documenten van de opdracht te bewaren.] <KB 2005-07-20/53, art. 2, 014 ; ED : 01-10-2005>
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 29, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 16, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 46bis.<Ingevoegd bij KB 2007-11-23/34, art. 17; ED : 01-02-2008> [1 Wanneer]1 de aanbestedende overheid de overlegging verlangt van door onafhankelijke instanties opgestelde verklaringen dat de leverancier aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoet, verwijst ze naar kwaliteitsbewakingsregelingen die op de Europese normenreeksen op dit terrein zijn gebaseerd en die zijn gecertificeerd door instanties die voldoen aan de Europese normenreeks voor certificering. Ze erkent gelijkwaardige certificaten van in andere lidstaten gevestigde instanties. Ze aanvaardt eveneens andere bewijzen inzake gelijkwaardige maatregelen op het vlak van kwaliteitsbewaking.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 30, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 47. Bij het inwinnen van de in de artikelen 44 en 45 bedoelde inlichtingen mag niet verder worden gegaan dan gezien het voorwerp van de opdracht verantwoord is, en de aanbestedende overheid moet met de rechtmatige belangen van de leverancier met betrekking tot de bescherming van zijn fabrieks- of bedrijfsgeheimen rekening houden.
  HOOFDSTUK III. - Promotieovereenkomsten voor aanneming van leveringen.
  Art. 48. De promotieovereenkomst voor aanneming van leveringen voorziet :
  1° ofwel in het huren van leveringen;
  2° ofwel in het huren van leveringen met aankoopoptie op termijn;
  3° ofwel in het huren van leveringen gevolgd door eigendomsoverdracht op termijn;
  4° ofwel in de verwerving van leveringen vanaf hun terbeschikkingstelling, tegen betaling van annuïteiten.
  Art. 48bis. <Ingevoegd bij KB 1999-03-25/39, art. 18, 003; ED : 01-06-1999> Vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming bij beperkte of onderhandelingsprocedure of de uiterste datum voor de ontvangst van de offertes bij openbare procedure, moet de promotor voldoen aan de eisen inzake kwalitatieve selectie bepaald door de aanbestedende overheid overeenkomstig de artikelen 43 tot 46.
  HOOFDSTUK IV. - De wedstrijd.
  Art. 49. § 1. Wanneer de overheidsopdracht voor aanneming van leveringen zowel het opmaken van een ontwerp als de uitvoering ervan betreft, kan worden overgegaan tot een wedstrijd waarbij een jury wordt aangesteld waarvan de samenstelling en de wijzen van optreden in het bestek worden bepaald.
  Deze jury bestaat uit minimum vijf leden van wie ten minste één noch behoort tot de aanbestedende overheid noch tot een openbaar bestuur.
  De leden van de jury moeten totaal onafhankelijk zijn van de aannemers, leveranciers of dienstverleners die aan de wedstrijd zouden kunnen deelnemen, en moeten in het betrokken domein blijk geven van een onbetwistbare deskundigheid.
  § 2. Het bestek somt verplicht alle criteria op volgens het hun toegewezen belang die de jury als basis zal nemen voor de beoordeling van de voorgestelde ontwerpen.
  De opdracht wordt gegund door de bevoegde overheid na advies van de jury.
  Het bestek kan bepalen dat de best gerangschikte ontwerpen na dit dat gekozen werd voor de uitvoering, aanleiding kunnen geven tot het toekennen van premies. Deze worden door de bevoegde overheid toegekend met verplicht behoud van de door de jury opgestelde rangschikking. Zij kunnen ook niet toegekend worden, noch in hun geheel noch gedeeltelijk, indien de bevoegde overheid oordeelt dat de ontwerpen ontoereikend zijn.
  § 3. Het bestek bepaalt nauwkeurig de respectieve rechten van de aanbestedende overheid en de makers van ontwerpen inzake het bezit en het gebruik ervan.
  HOOFDSTUK V. - Toegang tot overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen voor de leveranciers van derde landen ten aanzien van de Europese Gemeenschap.
  Art. 50.Voor de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen waarvan het geraamde bedrag (zonder belasting over de toegevoegde waarde gelijk is aan of hoger is, dan, volgens het geval, ([1 200.000 EUR]1 of [1 130.000 EUR]1) ) genieten de volgende landen, volgens de bepalingen en de voorwaarden van de internationale akte die hen betreft, van de toepassing van titels II en III van boek I van de wet en van dit besluit : <KB 1999-03-25/39, art. 19, 003; ED : 01-06-1999>
  1° IJsland, Liechtenstein en Noorwegen, in toepassing van het Akkoord over de Europese economische Ruimte;
  2° Canada, Korea, de Verenigde Staten van Amerika, Israël, Japan en Zwitserland, in toepassing van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten gesloten in het kader van het Algemeen Akkoord over de Douane- en Handelstarieven. Zijn bedoeld :
  a) de overheidsopdrachten van
  - de federale ministeries met uitzondering
  . van de opdrachten inzake ontwikkelingssamenwerking die krachtens internationale overeenkomsten met derde landen inzake het plaatsen van opdrachten die aan andere bepalingen onderworpen zijn die niet verenigbaar zijn met de bepalingen van dit besluit;
  . van de opdrachten inzake defensie, behalve wanneer ze betrekking hebben op de produkten (in bijlage 6) bij dit besluit; <KB 2006-01-12/35, art. 9, 016; ED : 01-02-2006>
  - (...); <W 2004-07-09/30, art. 316, 013; ED : 15-07-2004>
  - de Regie der Gebouwen;
  - de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  - het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
  - het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;
  - de Rijksdienst voor Pensioenen;
  - de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;
  - het Fonds voor de Beroepsziekten;
  - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
  b) de overheidsopdrachten van de aanbestedende overheden andere dan deze vermeld in a) die worden bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, van de wet.
  ----------
  (1)<MB 2011-12-19/07, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  HOOFDSTUK VI. - De informatie.
  Art. 51.[1 § 1. De artikelen 65/4, 65/5, 65/7, 65/8, § 1, eerste lid, en 65/9 van de wet zijn niet toepasselijk op de opdrachten waarvan de goed te keuren uitgave zonder belasting over de toegevoegde waarde 67.000 euro niet overschrijdt, ongeacht de procedure.
   § 2. Voor de opdrachten bedoeld in paragraaf 1 stelt de aanbestedende overheid een gemotiveerde beslissing op :
   1° voor de selectie, wanneer de gunningsprocedure een eerste fase met de indiening van aanvragen tot deelneming omvat;
   2° voor de gunning van de opdracht;
   3° ingeval ze beslist om af te zien van het plaatsen van de opdracht en eventueel een nieuwe opdracht uit te schrijven.
   De aanbestedende overheid informeert schriftelijk :
   1° wanneer de gunningsprocedure een eerste fase met de indiening van aanvragen tot deelneming omvat en onmiddellijk na het nemen van de gemotiveerde selectiebeslissing, elke niet-geselecteerde kandidaat dat hij niet is geselecteerd;
   2° onmiddellijk na het nemen van de gunningsbeslissing, elke niet-geselecteerde kandidaat of inschrijver dat hij niet is geselecteerd, elke inschrijver met een geweerde of niet-gekozen offerte dat zijn offerte is geweerd of niet is gekozen en de gekozen inschrijver dat hij is gekozen.
   De in het tweede lid, 2°, bedoelde informatie aan de gekozen inschrijver doet geen enkele contractuele verbintenis ontstaan.
   Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van verzending van de in het tweede lid bedoelde informatie kan de betrokken kandidaat of inschrijver schriftelijk verzoeken om hem volgende aanvullende informatie mee te delen :
   1° elke niet-geselecteerde kandidaat of inschrijver : de motieven voor zijn niet-selectie, in de vorm van een uittreksel van de gemotiveerde beslissing;
   2° elke inschrijver wiens offerte geweerd is : de motieven voor de wering, onder de vorm van een uittreksel van de gemotiveerde beslissing;
   3° elke inschrijver wiens offerte niet is gekozen en de begunstigde : de gemotiveerde beslissing.
   De aanbestedende overheid deelt deze aanvullende informatie schriftelijk mee binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek daartoe.
   De aanbestedende overheid kan evenwel gebruik maken van de mogelijkheden waarin artikel 65/8, § 1, eerste lid, van de wet voorziet en, naargelang het geval, de in het tweede lid hierboven vermelde motieven bij de informatie voegen. De gemotiveerde beslissing wordt bij de informatie gevoegd wanneer de aanbestedende overheid artikel 65/11, eerste lid, van de wet toepasselijk maakt, overeenkomstig artikel 65/30, tweede lid, van dezelfde wet.
   § 3. Voor de opdrachten bedoeld in paragraaf 1 informeert de aanbestedende overheid schriftelijk, onmiddellijk na het nemen van de beslissing om af te zien van het plaatsen van de opdracht en, in voorkomend geval, een nieuwe opdracht uit te schrijven, elke betrokken kandidaat of inschrijver over dit feit.
   Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van verzending van deze informatie kan de betrokken kandidaat of inschrijver schriftelijk verzoeken om hem de gemotiveerde beslissing mee te delen.
   De aanbestedende overheid deelt de gemotiveerde beslissing schriftelijk mee binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek daartoe.
   § 4. De paragrafen 2 en 3 zijn niet toepasselijk op de opdrachten die tot stand komen met een aangenomen factuur in de zin van artikel 122, eerste lid, 1°, van dit besluit.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 17, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 52.[1 De aankondiging in geval van vrijwillige transparantie ex ante, als bedoeld in artikel 65/18, eerste lid, 1°, van de wet, wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging in bijlage 9 van dit besluit.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 18, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  TITEL III. - Bepalingen betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten.
  HOOFDSTUK I. - Bekendmakingsvoorschriften voor de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten.
  Afdeling I. - Overheidsopdrachten voor aanneming van diensten onderworpen aan de Europese bekendmaking.
  Art. 53.§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 17, § 2, van de wet, zijn de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten van de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1 tot 8° en 10°, van de wet, waarvan het geraamde bedrag gelijk is aan of hoger is dan het bedrag bepaald in § 3, onderworpen aan de bekendmakingsvoorschriften van deze afdeling.
  Een niet limitatieve lijst van de organismen van openbaar nut in de zin van artikel 4, § 2, 1° en van de rechtspersonen in de zin van artikel 4, § 2, 8° van de wet vormt de bijlage 1 bij dit besluit.
  § 2. Zijn onderworpen aan de wet en aan de regels van deze afdeling, de opdrachten voor aanneming van diensten van privaatrechtelijke personen waarvan het geraamde bedrag [zonder belasting over de toegevoegde waarde gelijk is aan of hoger is dan [3 200.000 EUR]3 ] en die rechtstreeks voor meer dan vijftig pct. door aanbestedende overheden bedoeld in § 1 gesubsidieerd worden. Deze diensten moeten echter verband houden met gesubsidieerde opdrachten voor aanneming van werken van deze personen in de zin van artikel 1, § 2, van dit besluit. <KB 1999-03-25/39, art. 22, 003; ED : 01-06-1999>
  § 3. [Het bedrag van de overheidsopdrachten bedoeld in de bijlage 2 van de wet en die onderworpen zijn aan deze afdeling, is [3 200.000 EUR]3 zonder belasting over de toegevoegde waarde.
  Dit bedrag is [3 130.000 EUR]3 voor de aanbestedende overheden vermeld in artikel 79, 2°, a, en voor de daarin bedoelde opdrachten.
  Ongeacht de aanbestedende overheid, is dit bedrag [3 200.000 EUR]3 wanneer de opdracht betrekking heeft :
  1° op de telecommunicatiediensten in de zin van categorie 5 van bijlage 2 van de wet en die betrekking hebben op diensten voor de transmissie van televisie- en radio-uitzendingen op interconnectiediensten en op geïntegreerde telecommunicatiediensten, die behoren tot de klasse 7524 tot 7526 van de CPC classificatie;
  2° op de diensten voor onderzoek en ontwikkeling in de zin van categorie 8 van de bijlage 2 van de wet;
  3° op de diensten bedoeld in de bijlage 2, B, van de wet, onverminderd de bepalingen van § 4 van dit artikel.
  Deze bedragen alsook de bedragen vermeld in § 2 van dit artikel en in de artikelen 54 en 55 worden door de Eerste Minister aangepast overeenkomstig de tweejaarlijkse herzieningen [2 bepaald in artikel 78 van de richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, leveringen en diensten]2.] <KB 1999-03-25/39, art. 22, 003; ED : 01-06-1999>
  § 4. Zonder afbreuk te doen aan de toepassing van afdeling II, zijn de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten bedoeld in de bijlage 2, B, bij de wet enkel onderworpen aan de toepassing van artikel 60 van deze afdeling.
  ----------
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 19, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  (3)<MB 2011-12-19/07, art. 5, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  Art. 54.Het geraamde bedrag van overheidsopdrachten voor aanneming van diensten sluit de volledige geraamde totale vergoeding in van de dienstverlener.
  Voor de berekening van dit bedrag worden in aanmerking genomen :
  1° [1 voor de verzekeringsdiensten, de te betalen premie en alle andere vormen van vergoeding;]1
  2° voor de bankdiensten en andere financiële diensten, de honoraria, het commissieloon, de intresten alsmede alle andere vormen van beloning;
  3° [1 voor de diensten die betrekking hebben op ontwerpen, het te betalen honorarium of het commissieloon en alle andere vormen van vergoeding.]1
  (In geval van nieuwe diensten bestaande uit de herhaling van soortgelijke diensten in de zin van artikel 17, § 2, 2°, b, van de wet, worden het totaal geraamde bedrag van de oorspronkelijke opdracht alsook het totaal geraamde bedrag voor de volgende diensten in aanmerking genomen.) <KB 1999-03-25/39, art. 23, 003; ED : 01-06-1999>
  Wanneer de diensten worden verdeeld in percelen wordt hun geraamde samengevoegd bedrag in aanmerking genomen om te bepalen of het bedrag bepaald in artikel 53, § 3, bereikt is. Indien dit het geval is, zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing op alle percelen, behoudens afwijking door de aanbestedende overheid voor percelen waarvan het individuele geraamde bedrag kleiner zou zijn dan ((80 000 EUR) zonder belasting over de toegevoegde waarde), maar voor zover hun samengevoegd bedrag de twintig pct. van het samengevoegd bedrag van alle percelen niet overschrijdt. <KB 1999-03-25/39, art. 23, 003; ED : 01-06-1999> <MB 2001-12-04/32, art. 8, 007; ED : 01-01-2002>
  Het geraamde bedrag van de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten die geen totale prijs vermelden wordt als volgt bepaald :
  1° bij een opdracht met een bepaalde duur, die gelijk is aan of korter is dan achtenveertig maanden, op grond van het totaalbedrag van de opdracht voor de gehele looptijd;
  2° bij een opdracht van onbepaalde duur of waarvan de duur langer is dan achtenveertig maanden, op grond van het geraamde maandelijkse bedrag vermenigvuldigd met achtenveertig.
  In het geval van opdrachten die met een zekere regelmaat worden gegund of die zijn bestemd om gedurende een bepaalde periode te worden herhaald, slaat het geraamde bedrag op :
  1° ofwel het totale werkelijke bedrag van alle tijdens het voorafgaande boekjaar of de voorafgaande twaalf maanden voor dezelfde categorie van diensten geplaatste soortgelijke opdrachten, indien mogelijk gecorrigeerd op grond van verwachte wijzigingen in hoeveelheid of waarde gedurende de twaalf maanden volgende op de eerste opdracht;
  2° ofwel het geraamde totale bedrag van de opdrachten over de twaalf maanden volgende op de eerste prestatie of, over de volledige looptijd van de opdracht, indien deze meer dan twaalf maanden bedraagt.
  [1 Bij de berekening van het geraamde bedrag wordt rekening gehouden met de eventuele opties en eventuele verlengingen van de opdracht. In geval van een prijsvraag voor ontwerpen wordt ook rekening gehouden met de premies en betalingen aan de deelnemers.]1
  Een opdracht die tegelijk betrekking heeft op diensten bedoeld in bijlage 2, A, en in bijlage 2, B, van de wet wordt gegund overeenkomstig deze afdeling wanneer de waarde van de diensten welke in bijlage 2, A, zijn bedoeld groter is dan die van de diensten in bijlage 2, B.
  (Wanneer een opdracht leveringen en diensten betreft, moet zij gegund worden overeenkomstig deze titel wanneer de waarde van de diensten die van de leveringen overschrijdt.) <KB 1999-03-25/39, art. 23, 003; ED : 01-06-1999>
  (Wanneer een opdracht diensten en, ten opzichte van het hoofdvoorwerp van de opdracht, slechts bijkomstig werken omvat, moet zij gegund worden overeenkomstig deze titel.) <KB 2008-07-31/32, art. 7, 019; ED : 18-08-2008>
  De keuze van de ramingsmethode mag niet bedoeld zijn om de toepassing van deze afdeling te ontgaan en geen enkele opdracht mag worden gesplitst ten einde deze aan de toepassing van de bepalingen van deze afdeling te onttrekken.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 31, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 55. Elke aanbestedende overheid maakt, door middel van een enuntiatieve aankondiging, zo snel mogelijk na het begin van haar begrotingsjaar, het totaal van de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten bekend, voor elke categorie van diensten bedoeld in bijlage 2, A, bij de wet, waarvan het geraamde totale bedrag, (zonder belasting over de toegevoegde waarde, gelijk is aan of hoger is dan (750 000 EUR)) en waarvan de gunning voorzien is in de loop van de volgende twaalf maanden. <KB 1999-03-25/39, art. 24, 003; ED : 01-06-1999> <MB 2001-12-04/32, art. 9, 007; ED : 01-01-2002>
  Deze enuntiatieve aankondiging, opgesteld overeenkomstig (het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, A,) bij dit besluit, wordt gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. De aanbestedende overheid moet de datum van verzending van de aankondiging kunnen bewijzen. <KB 2002-04-22/30, art. 20, 008; ED : 01-05-2002>
  Deze aankondiging wordt eveneens gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen overeenkomstig hetzelfde model van aankondiging.
  De publikatie in het Bulletin der Aanbestedingen mag niet plaatsvinden vóór de datum van de verzending van de aankondiging naar het Bureau voor officiële publikaties van de Europese Gemeenschappen en moet deze datum vermelden. Ze mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
  Art. 56. Elke aan deze afdeling onderworpen overheidsopdracht voor aanneming van diensten bedoeld in bijlage 2, A, bij de wet die zal gegund worden bij openbare of beperkte aanbesteding, bij algemene of beperkte offerteaanvraag of bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, moet het voorwerp uitmaken van een aankondiging van opdracht gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. (...). <KB 2002-04-22/30, art. 21, 008; ED : 01-05-2002>
  (Deze aankondiging van opdracht moet de datum van verzending ervan naar het Bureau voor officiële publicaties van de Europese Gemeenschappen vermelden. Deze datum vormt het vertrekpunt van de termijn als bedoeld in artikel 57 en artikel 58, § 1.
  De aanbestedende overheid moet de datum van verzending kunnen bewijzen.) <KB 2002-04-22/30, art. 21, 008; ED : 01-05-2002>
  (Deze aankondiging van opdracht wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, B, van dit besluit.
  Deze aankondiging van opdracht wordt eveneens gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen overeenkomstig hetzelfde model van aankondiging.
  Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.
  Geen enkele publicatie mag plaatsvinden vóór de datum van verzending van de aankondiging naar het Bureau voor officiële publicaties van de Europese Gemeenschappen. Iedere andere publicatie mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.) <KB 2002-04-22/30, art. 21, 008; ED : 01-05-2002>
  Art. 57. Bij openbare aanbesteding en bij algemene offerteaanvraag, mag de termijn voor de ontvangst van de offertes niet korter zijn dan tweeënvijftig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging. Hij mag echter ingekort worden tot een termijn die lang genoeg is om de indiening van geldige offertes toe te laten en die, in principe, niet korter zal zijn dan zesendertig dagen maar die in geen enkel geval korter zal zijn dan tweeëntwintig dagen indien aan volgende voorwaarden wordt voldaan :
  1° de opdracht in ontwerp gaf aanleiding, overeenkomstig artikel 55, tot de verzending van een enuntiatieve aankondiging niet minder dan tweeënvijftig dagen en niet meer dan twaalf maanden vóór de verzendingsdatum van de aankondiging van opdracht bepaald in artikel 56;
  2° deze enuntiatieve aankondiging bevatte ten minste zoveel van de in het model van aankondiging van opdracht bedoelde gegevens, voor zover deze op het ogenblik van de publikatie van deze enuntiatieve aankondiging beschikbaar waren.
  Art. 58.
  § 1. Bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag en bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet mag de termijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming niet korter zijn dan zevenendertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging.
  Wanneer het om dringende redenen onmogelijk is deze termijn in acht te nemen, mag de termijn ingekort worden tot minimum vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging, indien de aanbestedende overheid verzoekt om een versnelde bekendmaking en de in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen te publiceren aankondiging per telegram, per telex of per telefax verzendt.
  § 2. Bij beperkte aanbesteding en bij beperkte offerteaanvraag mag de termijn voor de ontvangst van de offertes niet korter zijn dan veertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de uitnodiging om een offerte in te dienen. Hij mag echter ingekort worden tot zesentwintig dagen indien aan volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1° de opdracht in ontwerp gaf aanleiding, overeenkomstig artikel 55, tot de verzending van een enuntiatieve aankondiging niet minder dan tweeënvijftig dagen en niet meer dan twaalf maanden vóór de verzendingsdatum van de aankondiging van opdracht bepaald in artikel 56;
  2° deze enuntiatieve aankondiging bevatte ten minste zoveel van de in het model van aankondiging van opdracht bedoelde gegevens, voor zover deze op het ogenblik van de publikatie van deze enuntiatieve aankondiging beschikbaar waren.
  De termijn voor de ontvangst van de offertes mag ingekort worden tot tien dagen wanneer de aanbestedende overheid om een versnelde bekendmaking overeenkomstig § 1 van dit artikel verzocht heeft.
  § 3. Bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag en bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, kunnen de aanvragen tot deelneming en de uitnodiging tot het indienen van een offerte gedaan worden per brief, per telegram, per telex, per telefax of per telefoon. Indien de aanbestedende overheid verzoekt om een versnelde bekendmaking overeenkomstig § 1 van dit artikel, moeten de aanvragen tot deelneming en tot het indienen van een offerte langs de snelst mogelijke weg gebeuren.
  [1 Wanneer de aanvragen tot deelneming worden ingediend per telefax of via een elektronisch middel dat niet in overeenstemming is met artikel 81quater, § 1, kan de aanbestedende overheid met het oog op een juridisch bewijs verzoeken dat deze aanvragen schriftelijk worden bevestigd. In dat geval worden dit verzoek, alsook de termijn binnen dewelke de bevestiging moet gebeuren, vermeld in de aankondiging van opdracht. Wanneer de aanvragen tot deelneming per telefoon worden ingediend, worden deze schriftelijk bevestigd vóór het verstrijken van de termijn bepaald voor hun ontvangst.]1
  Het bewijs van de datum van de aanvraag tot deelneming of van de schriftelijke bevestiging moet door de kandidaat geleverd worden, dit van de uitnodiging tot het indienen van een offerte door de aanbestedende overheid.
  § 4. Bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag en bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, worden de gegadigden gelijktijdig en schriftelijk uitgenodigd om hun offerte in te dienen.
  Deze uitnodiging bevat minstens :
  1° a) het bestek en de aanvullende documenten of, desgevallend, het adres van de dienst waar het bestek en de aanvullende documenten kunnen opgevraagd worden en de uiterste datum voor deze aanvraag;
  b) desgevallend, het ter verkrijging van genoemde documenten te storten bedrag en de wijze van betaling daarvan;
  2° a) de uiterste datum voor ontvangst van de offertes;
  b) het adres waarnaar ze moeten verstuurd worden;
  c) de taal of talen waarin ze moeten opgesteld worden;
  3° de verwijzing naar de aankondiging van opdracht;
  4° de aanduiding van de eventueel toe te voegen documenten hetzij ter staving van de door de gegadigde overeenkomstig (het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, B, III, 2 en 3), verstrekte, controleerbare verklaringen, hetzij ter aanvulling van de in deze bijlagen vermelde inlichtingen; <KB 2002-04-22/30, art. 23, 008; ED : 01-05-2002>
  5° het gunningscriterium of de gunningscriteria indien ze niet voorkomen in de aankondiging.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 32, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 59.[1 Bij de vaststelling van de termijnen voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming en offertes, houdt de aanbestedende overheid inzonderheid rekening met de complexiteit van de opdracht en met de nodige voorbereidingstijd van de offertes.]1 Indien de offertes slechts na raadpleging van een omvangrijke documentatie of na een plaatsbezoek, of na inzage ter plaatse van de bij het bestek behorende documenten kunnen worden opgemaakt, dienen de termijnen bepaald in de artikel 57 en 58, § 2, dienovereenkomstig te worden verlengd.
  Voor zover daarom tijdig is verzocht, dienen bij openbare aanbesteding en bij algemene offerteaanvraag het bestek en de aanvullende documenten door de aanbestedende overheid te worden verstrekt binnen zes dagen na ontvangst van het verzoek en dienen de nadere inlichtingen over het bestek te worden verstrekt uiterlijk zes dagen vóór het verstrijken van de termijn vastgesteld voor de ontvangst van de offertes.
  Bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag en bij onderhandelinsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, dienen de aanvullende inlichtingen over het bestek, voor zover daarom tijdig is verzocht, door de aanbestedende overheid verstrekt te worden uiterlijk zes dagen vóór de uiterste datum vastgelegd voor de ontvangst van de offertes. De termijn is vier dagen indien de aanbestedende overheid om een versnelde bekendmaking overeenkomstig artikel 58, § 1, van dit besluit heeft verzocht.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 33, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 60. Binnen een termijn van achtenveertig dagen na de gunning van een overheidsopdracht voor aanneming van diensten in de zin van bijlage 2, A en B bij de wet, gegund bij aanbesteding, bij offerteaanvraag of bij onderhandelingsprocedure met of zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure, en waarvan de waarde gelijk is aan of hoger ligt dan de bedragen bepaald in (artikel 53) maakt de aanbestedende overheid inlichtingen over de gegunde opdracht bekend. Deze regel is niet van toepassing op de overheidsopdrachten die worden gegund bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure wanneer artikel 17, § 2, 1°, b, van de wet wordt ingeroepen. <KB 1999-03-25/39, art. 25, 003; ED : 01-06-1999>
  Deze aankondiging van gegunde opdracht (, ook aankondiging van geplaatste opdracht genoemd,) opgesteld overeenkomstig (het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, C,) bij dit besluit, wordt gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. De aanbestedende overheid moet de datum van verzending van de aankondiging kunnen bewijzen. <KB 2002-04-22/30, art. 24, 008; ED : 01-05-2002>
  Deze aankondiging wordt eveneens gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen overeenkomstig hetzelfde model van aankondiging.
  (Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.) <KB 2002-04-22/30, art. 24, 008; ED : 01-05-2002>
  De publikatie in het Bulletin der Aanbestedingen mag niet plaats vinden vóór de datum van de verzending van de aankondiging naar het Bureau voor officiële publikaties van de Europese Gemeenschappen en moet deze datum vermelden. Ze mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
  In bepaalde gevallen hoeven echter sommige gegevens betreffende de gunning van de opdracht niet te worden bekendgemaakt indien openbaarmaking van die gegevens de toepassing van een wet in de weg zou staan, in strijd zou zijn met het algemeen belang of schade zou kunnen toebrengen aan de rechtmatige commerciële belangen van de overheids- of privébedrijven of de eerlijke mededinging tussen de dienstverleners erdoor zou kunnen worden aangetast.
  Art. 61.Voor elke gegunde opdracht stelt de aanbestedende overheid een proces-verbaal op dat tenminste het volgende vermeldt :
  1° de naam en het adres van de aanbestedende overheid, het voorwerp en de prijs van de opdracht;
  2° de namen van de inschrijvers of van de gegadigden en de redenen voor die keuze;
  3° de namen van de uitgesloten kandidaten of inschrijvers en de redenen voor deze uitsluiting;
  4° de naam van de aannemer en de motivering van de keuze van zijn offerte alsook, indien gekend, het gedeelte van de opdracht dat hij zinnens is in onderaanneming te geven;
  5° in geval van aanwending van de onderhandelingsprocedure met of zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure, de omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 17, § 2, of § 3 van de wet die de aanwending van deze procedure kunnen verantwoorden;
  [1 6° de redenen voor de afwijzing van abnormaal laag bevonden offertes.]1
  Dit proces-verbaal, of de hoofdpunten ervan, worden aan de Europese Commissie op haar verzoek toegezonden.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 34, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Afdeling II. Overheidsopdrachten voor aanneming van diensten die niet onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking.
  Art. 62. Onverminderd de bepalingen van artikel 17, § 2, van de wet, zijn de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten in de zin van de bijlage 2, A, van de wet, van de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 53, § 1, van dit besluit, waarvan het geraamde bedrag lager is dan het bedrag bepaald in (artikel 53) onderworpen aan de bekendmakingsvoorschriften van deze afdeling. <KB 1999-03-25/39, art. 25, 003; ED : 01-06-1999>
  Worden eveneens onderworpen aan de bekendmakingsregels van deze afdeling :
  1° de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten in de zin van de bijlage 2, B, van de wet van de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 53, § 1, van dit besluit, ongeacht het bedrag. Deze bepaling doet geen afbreuk aan artikel 53, § 4;
  2° de opdrachten voor aanneming van diensten in de zin van bijlage 2, A en B, van de wet, van de privaatrechtelijke universitaire instellingen, ongeacht het bedrag, wanneer ze gesubsidieerd worden door aanbestedende overheden bedoeld in artikel 53, § 1, van dit besluit en indien aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 53, § 2 niet is voldaan.
  Art. 63. Titels I en II van boek I van de wet, uitgezonderd de artikelen 1, § 2 en § 3, 2, 3, 6, 23 tot 25, de bepalingen van deze afdeling, deze van de hoofdstukken II, III et IV van deze titel en van artikelen 120 tot 122 van dit besluit zijn van toepassing op de opdrachten voor aanneming van diensten van de privaatrechtelijke personen andere dan de privaatrechtelijke universitaire instellingen wanneer aan volgende voorwaarden wordt voldaan :
  1° de opdracht wordt rechtstreeks voor meer dan vijftig pct. gesubsidieerd door aanbestedende overheden bedoeld in artikel 53, § 1, van dit besluit;
  2° de diensten hebben betrekking op opdrachten voor aanneming van werken die rechtstreeks gesubsidieerd zijn in de zin van artikel 11 van dit besluit;
  3° het geraamde bedrag van de opdracht is gelijk aan of groter dan (135.000 euro) zonder belasting op de toegevoegde waarde. <KB 2002-04-22/30, art. 25, 008; ED : 30-04-2002>
  Deze bepaling is van toepassing zonder afbreuk te doen aan de bekendmakingsvoorschriften van artikel 53, § 2, van dit besluit voor bepaalde opdrachten voor aanneming van diensten die rechtstreeks gesubsidieerd zijn en onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, of aan elke bepaling van een wet, een decreet, een ordonnantie, een besluit of een beslissing die andere bepalingen van de wet en van dit besluit zou opleggen.
  Art. 64.Elke aan deze afdeling onderworpen overheidsopdracht die zal gegund worden bij openbare aanbesteding of bij algemene offerteaanvraag wordt in mededinging gesteld door middel van een aankondiging van opdracht, gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen.
  [Deze aankondiging van opdracht vermeldt de datum van verzending ervan naar het Bulletin der Aanbestedingen.
  De aanbestedende overheid moet de datum van verzending kunnen bewijzen.
  [Deze aankondiging van opdracht wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, B.
  Ten minste De volgende inlichtingen moeten worden verstrekt :
  1° de naam, het adres en het type van de aanbestedende overheid;
  2° het type opdracht, het voorwerp en de beschrijving ervan; de CPV-code (hoofdcategorieën van de hoofdopdracht) en de NUTS-code;
  3° de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de minimumeisen inzake kwalitatieve selectie vereist overeenkomstig de artikelen [1 69 tot 73ter]1; desgevallend, de inlichtingen en documenten die de aanbestedende overheid kan via elektronische middelen kan raadplegen overeenkomstig artikel 72, § 5;
  4° desgevallend, het ter verkrijging van het bestek en de aanvullende documenten te storten bedrag en de wijze van betaling daarvan;
  5° de gunningswijze;
  6° de datum van de opening van de offertes.] <KB 2006-01-12/35, art. 10, 016; ED : 01-02-2006>
  Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.
  Geen enkele publicatie mag plaatsvinden vóór de datum van verzending van de aankondiging. Iedere andere publicatie mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Bulletin der Aanbestedingen.] <KB 2004-02-29/34, art. 1, 012; ED : 01-09-2004>
  De termijn voor ontvangst van de offertes mag, in principe, niet korter zijn dan zesendertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging. Deze termijn kan ingekort worden tot een minimum van tien dagen, voor zover er een termijn van ten minste zeven dagen wordt nageleefd vanaf de datum van de publikatie van de aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen tot deze bepaald voor de ontvangst van de offertes.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 20, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 65. Elke aan deze afdeling onderworpen overheidsopdracht die zal gegund worden bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag of bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet wordt, in principe, in mededinging gesteld door middel van een aankondiging van opdracht, opgesteld overeenkomstig artikel 66, § 1.
  Deze aankondiging kan nochtans vervangen worden door een aankondiging betreffende het opstellen door de aanbestedende overheid van een lijst van gegadigden, opgesteld overeenkomstig artikel 66, § 2. Deze bepaling is, in principe, van toepassing op gelijkaardige opdrachten met een repetitief karakter.
  Art. 66.
  § 1. Indien de aanbestedende overheid verkiest in mededinging te stellen overeenkomstig artikel 65, eerste lid, maakt de overheidsopdracht het voorwerp uit van een aankondiging van opdracht gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen.
  [Deze aankondiging van opdracht vermeldt de datum van verzending ervan naar het Bulletin der Aanbestedingen.
  De aanbestedende overheid moet de datum van verzending kunnen bewijzen.
  [Deze aankondiging van opdracht wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging opgenomen in bijlage 2, B.
  Ten minste de volgende inlichtingen moeten worden verstrekt :
  1° de naam, het adres en het type van de aanbestedende overheid;
  2° het type opdracht, het voorwerp en de beschrijving ervan; de CPV-code (hoofdcategorieën van de hoofdopdracht) en de NUTS-code;
  3° de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de minimumeisen inzake kwalitatieve selectie vereist overeenkomstig de artikelen [1 69 tot 73ter]1; desgevallend, de inlichtingen en documenten die de aanbestedende overheid via elektronische middelen rechtstreeks kan raadplegen overeenkomstig artikel 72, § 5;
  4° de gunningswijze;
  5° de uiterste datum voor ontvangst van de aanvragen tot deelneming.] <KB 2006-01-12/35, art. 11, 016; ED : 01-02-2006>
  Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.
  Geen enkele publicatie mag plaatsvinden vóór de datum van verzending van de aankondiging. Iedere andere publicatie mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Bulletin der Aanbestedingen.] <KB 2004-02-29/34, art. 6, 012; ED : 01-09-2004>
  De ontvangsttermijn van de aanvragen tot deelneming mag, in principe, niet korter zijn dan vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging. Deze termijn kan ingekort worden tot een minimum van tien dagen, voor zover er een termijn van ten minste zeven dagen wordt nageleefd vanaf de datum van de publikatie van de aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen tot deze bepaald voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming.
  [1 Wanneer de aanvragen tot deelneming worden ingediend per telefax of via een elektronisch middel dat niet in overeenstemming is met artikel 81quater, § 1, kan de aanbestedende overheid met het oog op een juridisch bewijs verzoeken dat deze aanvragen schriftelijk worden bevestigd. In dat geval worden dit verzoek, alsook de termijn binnen dewelke de bevestiging moet gebeuren, vermeld in de aankondiging van opdracht. Wanneer de aanvragen tot deelneming per telefoon worden ingediend, worden deze schriftelijk bevestigd vóór het verstrijken van de termijn bepaald voor hun ontvangst.]1
  Het bewijs van de datum van de aanvraag tot deelneming moet door de kandidaat geleverd worden, dit van de uitnodiging tot het indienen van een offerte door de aanbestedende overheid.
  § 2. Indien de aanbestedende overheid de in mededingingstelling kiest overeenkomstig artikel 65, tweede lid, publiceert zij in het Bulletin der Aanbestedingen, en ten minste alle twaalf maanden, een periodieke aankondiging betreffende het opstellen van een lijst van gegadigden voor de gunning van de in deze afdeling bedoelde overheidsopdrachten voor aanneming van diensten.
  [Deze aankondiging wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 5.
  Ten minste de volgende inlichtingen moeten worden verstrekt :
  1° de naam, het adres en het type van de aanbestedende overheid;
  2° het type opdracht, het voorwerp en de beschrijving ervan; de CPV-code (hoofdcategorieën van de hoofdopdracht) en de NUTS-code;
  3° de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de minimumeisen inzake kwalitatieve selectie vereist overeenkomstig de artikelen [1 69 tot 73ter]1; desgevallend, de inlichtingen en documenten die de aanbestedende overheid via elektronische middelen rechtstreeks kan raadplegen overeenkomstig artikel 72, § 5;
  4° de gunningswijze;
  5° de uiterste datum voor ontvangst van de aanvragen tot deelneming.] <KB 2006-01-12/35, art. 11, 016; ED : 01-02-2006>
  § 3. De gegadigden worden gelijktijdig en schriftelijk uitgenodigd om hun offerte in te dienen.
  Deze uitnodiging bevat minstens :
  1° a) het bestek en de aanvullende documenten of, desgevallend, het adres van de dienst waar het bestek en de aanvullende documenten kunnen opgevraagd worden en de uiterste datum voor deze aanvraag;
  b) desgevallend, het ter verkrijging van genoemde documenten te storten bedrag en de wijze van betaling daarvan;
  2° de uiterste datum voor ontvangst van de offertes, het adres waarnaar ze moeten verstuurd worden en de taal of talen waarin ze moeten opgesteld worden;
  3° de aanduiding van de eventueel toe te voegen documenten;
  4° desgevallend, het gunningscriterium of de gunningscriteria van de opdracht;
  5° de datum, het uur en de plaats van de opening van de offertes in geval van beperkte aanbesteding of beperkte offerteaanvraag.
  De termijn voor ontvangst van de offertes mag, in principe, niet korter zijn dan vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de uitnodiging om een offerte in te dienen. Deze termijn kan ingekort worden tot een minimum van tien dagen.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 21, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 66bis. <Ingevoegd bij KB 2002-04-22/30, art. 28; ED : 01-05-2002> Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.
  Geen enkele publicatie mag plaatsvinden vóór de datum van verzending van de aankondiging naar het Bulletin der Aanbestedingen.
  Art. 67.[1 Bij de vaststelling van de termijnen voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming en offertes, houdt de aanbestedende overheid inzonderheid rekening met de complexiteit van de opdracht en met de nodige voorbereidingstijd van de offertes.]1 Indien de offertes slechts na raadpleging van een omvangrijke documentatie of na een plaatsbezoek, of na inzage ter plaatse van de bij het bestek behorende documenten kunnen worden opgemaakt, dienen de termijnen bepaald in de artikelen 64 en 66, § 3, dienovereenkomstig te worden verlengd.
  Bij openbare aanbesteding en bij algemene offerteaanvraag en voor zover daarom tijdig is verzocht, dienen het bestek en de aanvullende documenten door de aanbestedende overheid verstrekt te worden binnen de zes dagen na de ontvangst van het verzoek.
  Ongeacht de procedure en voor zover daarom tijdig is verzocht, dienen de aanvullende inlichtingen over het bestek door de aanbestedende overheid verstrekt te worden uiterlijk zes dagen vóór de uiterste datum vastgelegd voor de ontvangst van de offertes. De termijn is vier dagen indien de aanbestedende overheid de termijn voor ontvangst van de offertes ingekort heeft overeenkomstig de artikelen 64 en 66, § 3.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 35, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  HOOFDSTUK II. - Regels in verband met de kwalitatieve selectie voor de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten.
  Art. 68.Bij openbare aanbesteding en algemene offerteaanvraag, gaat de aanbestedende overheid op grond van de inlichtingen betreffende de eigen situatie van iedere dienstverlener en van de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de financiële, economische en technische minimumeisen overeenkomstig de [2 artikelen 69 tot 73ter]2 van dit besluit over tot de kwalitatieve selectie van de inschrijvers.
  Bij beperkte aanbesteding, beperkte offerteaanvraag en [onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet], kiest de aanbestedende overheid uit degenen die aan de in de [2 artikelen 69 tot 73ter]2 van dit besluit gestelde kwalificaties voldoen de gegadigden die ze respectievelijk uitnodigt een offerte in te dienen of deel te nemen aan de onderhandelingen op grond van de inlichtingen betreffende de eigen situatie van de dienstverlener en van de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de financiële, economische en technische minimumeisen waaraan hij moet voldoen. <KB 1999-03-25/39, art. 26, 003; ED : 01-06-1999>
  [Bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking in de zin van artikel 17, § 2, van de wet, kan de aanbestedende overheid het geheel of een gedeelte van de artikelen [2 69 tot 73ter]2 van dit besluit toepasbaar maken.] <KB 1999-03-25/39, art. 26, 003; ED : 01-06-1999>
  Bij beperkte aanbesteding en beperkte offerteaanvraag mag de aanbestedende overheid een minimum en een maximum aangeven waartussen zich het aantal gegadigden dat een offerte mag indienen zal situeren. Dit minimumaantal mag niet minder bedragen dan vijf en het maximumaantal kan worden vastgesteld op twintig. Het aantal gegadigden moet in ieder geval groot genoeg zijn om een werkelijke mededinging te garanderen.
  [2 Bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, mag het aantal gegadigden dat tot de onderhandelingen wordt toegelaten niet kleiner zijn dan drie en moet het in elk geval voldoende zijn om een daadwerkelijke mededinging te waarborgen, voor zover er voldoende geschikte kandidaten zijn.]2
  De onmogelijkheid het minimum aantal gegadigden bepaald in de [leden 4 en 5] te raadplegen wordt als aangetoond beschouwd voor de overheidsopdrachten die betrekking hebben op juridische diensten inzake advies en vertegenwoordiging voor de rechtbanken en andere instellingen die geschillen beslechten. <KB 2005-07-20/53, art. 3, 014 ; ED : 22-08-2005>
  Bij beperkte procedure en onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, moet elke kandidatuur individueel ingediend worden.
  [1 De in de artikelen 70 en 71 bedoelde inlichtingen en minimumeisen inzake draagkracht en bekwaamheid moeten verband houden met en in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht.]1
  [De dienstverleners van de andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschap en, volgens de bepalingen en voorwaarden van de internationale akte die hen betreft, de dienstverleners van derde landen in de zin van artikel 79, die de vereiste kwalificaties bezitten moeten behandeld worden onder dezelfde voorwaarden als de nationale dienstverleners. Deze bepaling is niet van toepassing op de diensten die geheim verklaard worden, of waarvan de uitvoering gepaard moet gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen, overeenkomstig de van kracht zijnde wettelijke of reglementaire bepalingen of indien de bescherming van de fundamentele belangen van de veiligheid van het land dit vereist noch op de opdrachten bedoeld in artikel 3, § 3, van de wet.] <KB 1999-03-25/39, art. 26, 003; ED : 01-06-1999>
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 36, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 22, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 69.(§ 1. [1 Wordt]1 in elk stadium van de gunningsprocedure uitgesloten van de toegang ertoe, de dienstverlener die bij vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan waaraan de aanbestedende overheid kennis heeft, veroordeeld is voor :
  1° deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek;
  2° omkoping als bedoeld in artikel 246 van het Strafwetboek;
  3° fraude als bedoeld in artikel 1 van de overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap, goedgekeurd door de wet van 17 februari 2002;
  4° witwassen van geld als bedoeld in artikel 3 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financieel stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme.
  Met het oog op de toepassing van deze paragraaf kan de aanbestedende overheid, indien zij twijfels heeft over de persoonlijke situatie van een dienstverlener, de bevoegde binnenlandse of buitenlandse autoriteiten verzoeken om de inlichtingen die ze terzake nodig acht.
  De aanbestedende overheid kan om dwingende redenen van algemeen belang afwijken van de in deze paragraaf bedoelde verplichting.) <KB 2007-11-23/34, art. 18, 017; ED : 01-02-2008>
  (§ 2.) Kan uitgesloten worden van deelneming aan de opdracht (in welk stadium van de procedure ook) de dienstverlener : <KB 1999-03-25/39, art. 27, 003; ED : 01-06-1999> <KB 2007-11-23/34, art. 18, 017; ED : 01-02-2008>
  1° die in staat van faillissement of van vereffening verkeert, die zijn werkzaamheden heeft gestaakt of die een [2 gerechtelijke reorganisatie]2 heeft bekomen, of die in een overeenstemmende toestand verkeert als gevolg van een gelijkaardige procedure die bestaat in de nationale wetgevingen en reglementeringen;
  2° die aangifte heeft gedaan van zijn faillissement, voor wie een procedure van vereffening of van [2 gerechtelijke reorganisatie]2 aanhangig is of die het voorwerp is van een gelijkaardige procedure bestaande in de nationale wetgevingen en reglementeringen;
  3° die, bij een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is geweest voor een misdrijf dat zijn professionele integriteit aantast;
  4° die bij zijn beroepsuitoefening een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op elke grond die de aanbestedende overheden aannemelijk kunnen maken;
  5° (die niet voldaan heeft aan zijn verplichtingen inzake betaling van de bijdragen voor de sociale zekerheid, overeenkomstig de bepalingen van artikel 69bis;) <KB 1999-03-25/39, art. 27, 003; ED : 01-06-1999>
  6° die niet in orde is met de betaling van zijn belastingen overeenkomstig de Belgische wetgeving of die van het land waar hij gevestigd is;
  7° die zich in ernstige mate heeft schuldig gemaakt aan het afleggen van valse verklaringen bij het verstrekken van inlichtingen, opvorderbaar bij toepassing van dit hoofdstuk.
  Het bewijs dat de dienstverlener zich niet in één van de gevallen, vermeld in 1°, 2°, 3°, 5° of 6° bevindt, kan geleverd worden door voorlegging van de volgende stukken :
  1° voor 1°, 2° of 3° : een uittreksel uit het strafregister of een evenwaardig document uitgereikt door een gerechtelijke- of overheidsinstantie van het land van oorsprong of herkomst en waaruit blijkt dat aan de gestelde eisen is voldaan;
  2° voor 5° of 6° : een getuigschrift uitgereikt door de bevoegde overheid van het betrokken land.
  Wanneer een dergelijk document of getuigschrift niet uitgereikt wordt in het betrokken land, kan het vervangen worden door een verklaring onder eed of een plechtige verklaring van de betrokkene vóór een gerechtelijke- of overheidsinstantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 37, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-12-19/15, art. 62, 023; Inwerkingtreding : 03-02-2011>
  Art. 69bis. <Ingevoegd bij KB 1999-03-25/39, art. 28, 003; ED : 01-06-1999> § 1. De Belgische dienstverlener die personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der arbeiders moet bij zijn aanvraag tot deelneming bij een beperkte of een onderhandelingsprocedure of bij zijn offerte bij een openbare procedure vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of van de offertes, al naargelang het geval, een attest van de Rijksdienst voor sociale Zekerheid voegen of aan de aanbestedende overheid voorleggen, waaruit blijkt dat hij voldaan heeft aan de voorschriften inzake bijdragen voor de sociale zekerheid en, in voorkomend geval, voor de bestaanszekerheid.
  De dienstverlener heeft voor de toepassing van dit artikel aan de voorschriften voldaan indien hij volgens de rekening die ten laatste daags vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming bij een beperkte of onderhandelingsprocedure of vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de offertes bij een openbare procedure is opgemaakt :
  1° aan de Rijksdienst voor sociale Zekerheid al de vereiste aangiften heeft toegezonden, tot en met diegene die slaan op het voorlaatste afgelopen kalenderkwartaal vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of voor de ontvangst van de offertes, al naargelang het geval, en;
  2° op deze aangiften geen verschuldigde bijdragen van meer dan (2.500 EUR) moet vereffenen, tenzij hij voor die schuld uitstel van betaling heeft verkregen waarvan hij de termijnen strikt in acht neemt. <KB 2000-07-20/50, art. 2, 006; ED : 01-01-2002>
  Evenwel, zelfs wanneer de schuld aan bijdragen groter is dan (2.500 EUR), zal de dienstverlener in orde beschouwd worden indien hij, alvorens de beslissing tot selecteren van de kandidaten of tot het gunnen van de opdracht wordt genomen, al naargelang het geval, aantoont dat hij, de dag waarop het attest zijn toestand bepaalt, op een aanbestedende overheid in de zin van artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, van de wet of op een overheidsbedrijf in de zin van artikel 26 van die wet, één of meer schuldvorderingen bezit die zeker, opeisbaar en vrij van elke verbintenis tegenover derden zijn en waarvan het bedrag op (2.500 EUR) na, ten minste gelijk is aan de achterstallige bijdragen. <KB 2000-07-20/50, art. 2, 006; ED : 01-01-2002>
  § 2. Vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of van de offertes moet de buitenlandse dienstverlener bij zijn aanvraag tot deelneming bij een beperkte of een onderhandelingsprocedure of bij zijn offerte bij een openbare procedure toevoegen of aan de aanbestedende overheid voorleggen, al naargelang het geval :
  1° een attest dat uitgereikt werd door de bevoegde overheid en waarin bevestigd wordt dat hij, volgens de rekening die ten laatste daags vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of voor de ontvangst van de offertes al naargelang het geval, is opgemaakt, voldaan heeft op die datum aan de voorschriften inzake betaling van de bijdragen voor de sociale zekerheid overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is.
  Indien een dergelijk document niet uitgereikt wordt in het betrokken land, kan het vervangen worden door een verklaring onder eed of een plechtige verklaring van de betrokkene vóór een gerechtelijke of overheidsinstantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van dat land;
  2° een attest overeenkomstig § 1, indien hij personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der arbeiders.
  § 3. De aanbestedende overheid kan in welk stadium van de procedure ook, met alle middelen die zij dienstig acht inlichtingen inwinnen over de stand van de betaling van de bijdragen voor de sociale zekerheid van om het even welke kandidaat of inschrijver.
  (§ 4. Het in de § 1 en 2 bedoelde attest moet niet worden voorgelegd bij beperkte procedure of bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure als bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet, wanneer de geraamde waarde van de opdracht, zonder belasting over de toegevoegde waarde, niet hoger is dan 22.000 euro. Dezelfde regel is van toepassing bij openbare procedure wanneer de waarde van de offerte, zonder belasting over de toegevoegde waarde, niet hoger is dan hetzelfde bedrag. In dit geval moet de aanbestedende overheid zelf inlichtingen inwinnen over de toestand van de kandidaat of inschrijver, teneinde na te gaan of hij voldaan heeft aan de in dit artikel opgenomen voorschriften.) <KB 2002-04-22/30, art. 29, 008; ED : 01-05-2002>
  Art. 70. De financiële en economische draagkracht van de dienstverlener kan over het algemeen, aangetoond worden door één of meer van de volgende referenties :
  1° door passende bankverklaringen of het bewijs van een verzekering tegen beroepsrisico's;
  2° door voorlegging van de balansen, uittreksels uit de balansen of jaarrekeningen indien de wetgeving van het land waar de dienstverlener is gevestigd de bekendmaking van balansen voorschrijft;
  3° door een verklaring betreffende de totale omzet en de omzet betreffende de diensten waarover de opdracht gaat, over de laatste drie boekjaren.
  (Een kandidaat of een inschrijver kan zich in voorkomend geval en voor welbepaalde opdrachten beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn band met die entiteiten. In dat geval moet hij de aanbestedende dienst aantonen dat hij zal beschikken over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke middelen door overlegging van de verbintenis van deze entiteiten om de dienstverlener dergelijke middelen ter beschikking te stellen.
  Onder dezelfde voorwaarden kan een combinatie van kandidaten of van inschrijvers zich beroepen op de draagkracht van de deelnemers aan de combinatie of die van andere entiteiten.) <KB 2006-01-12/35, art. 12, 016; ED : 01-02-2006>
  De aanbestedende overheid geeft in de aankondiging van opdracht of in de uitnodiging tot indiening van een offerte deze van de referentie(s) in 1°, 2° en 3° aan die ze verlangt, evenals de andere bewijsstukken die moeten worden overgelegd.
  Indien de dienstverlener om gegronde redenen niet in staat is de gevraagde referenties over te leggen kan hij aanbestedende overheid geschikt acht.
  Art. 71. De bekwaamheid van de dienstverlener kan worden beoordeeld aan de hand van met name zijn vakkundigheid, doeltreffendheid, ervaring en betrouwbaarheid.
  De technische bekwaamheid van de dienstverlener kan aangetoond worden door één of meer van de volgende referenties, afhankelijk van de aard, de hoeveelheid en het gebruik van de te verlenen diensten :
  1° door studie- en beroepskwalificaties van de dienstverlener en/of van het ondernemingskader en, in het bijzonder, van de verantwoordelijke(n) voor de uitvoering van de diensten;
  2° door de lijst van de voornaamste diensten uitgevoerd tijdens de laatste drie jaar, met vermelding van bedrag en datum en van de publiek- of privaatrechtelijke instanties waarvoor zij bestemd waren :
  a) indien het diensten aan overheden betreft, worden de diensten aangetoond door certificaten die door de bevoegde overheid zijn opgesteld of goedgekeurd;
  b) indien het gaat om diensten aan privaatrechtelijke personen worden de diensten aangetoond door certificaten opgesteld door deze personen of, bij ontstentenis, door een verklaring van de dienstverlener;
  3° door opgave van de al dan niet tot de onderneming van de dienstverlener behorende technici of technische diensten, in het bijzonder van die welke belast zijn met de kwaliteitscontrole;
  4° door een verklaring die de gemiddelde jaarlijkse personeelsbezetting van de dienstverlener en de omvang van het kader weergeeft tijdens de laatste drie jaren;
  5° door een verklaring die de werktuigen, het materieel en de technische uitrusting vermeldt waarover de dienstverlener zal beschikken voor de uitvoering van de diensten;
  6° door een beschrijving van de maatregelen die de dienstverlener treft om de kwaliteit te waarborgen en van de mogelijkheden die hij biedt ten aanzien van ontwerpen en onderzoek;
  7° wanneer de te verlenen diensten van complexe aard zijn of in uitzonderlijke gevallen voor een bijzonder doel bestemd zijn, door middel van controle door de aanbestedende overheid of, namens deze laatste, door een bevoegd officieel orgaan van het land waar de dienstverlener is gevestigd, onder voorbehoud van de instemming van dat orgaan; deze controle heeft betrekking op de technische bekwaamheid van de dienstverlener en, indien nodig, de mogelijkheden die hij biedt ten aanzien van ontwerpen en onderzoek, alsmede de door hem getroffen maatregelen inzake kwaliteitscontrole;
  8° door opgave van het gedeelte van de opdracht dat de dienstverlener desgevallend voornemens is in onderaanneming te geven.
  (Een kandidaat of een inschrijver kan zich in voorkomend geval en voor welbepaalde opdrachten beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn band met die entiteiten. In dat geval moet hij de aanbestedende dienst aantonen dat hij zal beschikken over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke middelen door overlegging van de verbintenis van deze entiteiten om de dienstverlener dergelijke middelen ter beschikking te stellen.
  Onder dezelfde voorwaarden kan een combinatie van kandidaten of van inschrijvers zich beroepen op de draagkracht van de deelnemers aan de combinatie of die van andere entiteiten.) <KB 2006-01-12/35, art. 13, 016; ED : 01-02-2006>
  De aanbestedende overheid geeft in de aankondiging van opdracht of in de uitnodiging tot het indienen van een offerte aan, welke van deze referenties zij verlangt.
  Art. 72.<KB 1999-03-25/39, art. 29, 003; ED : 01-06-1999> § 1. De door het bevoegde organisme bevestigde inschrijving van een erkende dienstverlener op een officiële lijst in een ander Lid-Staat van de Europese Gemeenschap vormt enkel een vermoeden van geschiktheid voor het verlenen van de diensten die overeenstemmen met de rangschikking van de dienstverlener, voor wat betreft de bepalingen van de artikelen [2 69, § 1 en § 2, eerste lid, 1° tot 4° en 7°, 70, eerste lid, 2° en 3°, en 71, tweede lid, 1°]2, en de inschrijving in het beroeps- of handelsregister. Het voordeel van de bepalingen van dat lid komt enkel de dienstverleners ten goede die gevestigd zijn in het land waar de officiële lijst is opgesteld.
  De gegevens die uit de inschrijving op een officiële lijst kunnen worden afgeleid, kunnen niet ter discussie worden gesteld. Niettemin kan met betrekking tot de betaling van de bijdragen aan de sociale zekerheid, van elke ingeschreven dienstverlener bij elke opdracht een aanvullende verklaring worden geëist.
  § 2. De aanbestedende overheid kan van de kandidaten of van de inschrijvers de overlegging eisen van het bewijs van hun inschrijving in het beroeps- of handelsregister overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar ze gevestigd zijn.
  [1 De bedoelde beroeps- of handelsregisters, verklaringen of attesten voor elke lidstaat zijn vermeld in bijlage 10 van dit besluit.]1
  § 3. Indien de dienstverleners over een bijzondere vergunning moeten beschikken of indien zij lid moeten zijn van een bepaalde organisatie om in hun land van herkomst de dienst in kwestie te kunnen verrichten, kan de aanbestedende overheid vragen dat zij aantonen dat zij over deze vergunning beschikken of lid zijn van de bedoelde organisatie.
  De rechtspersonen kunnen verplicht worden in hun offerte of in hun aanvraag tot deelneming de namen en de passende beroepskwalificaties te vermelden van de personen die met het verlenen van de dienst zullen worden belast.
  § 4. Binnen de grenzen [van de artikelen 69 tot 73ter], kan de aanbestedende overheid verlangen dat de kandidaten of de inschrijvers de overgelegde getuigschriften en documenten aanvullen of toelichten. <KB 2008-07-31/32, art. 8, 019; ED : 18-08-2008>
  [§ 5. De aanbestedende overheid die via elektronische middelen kosteloos toegang heeft tot de inlichtingen of documenten die haar toelaten, binnen de grenzen van de artikelen 69 tot 73, de persoonlijke situatie en de bekwaamheid van de betrokken kandidaten of inschrijvers na te gaan, stelt laatstgenoemden ervan vrij de in die artikelen bedoelde inlichtingen mee te delen of documenten voor te leggen. De aanbestedende overheid vermeldt in de aankondiging van de opdracht of in voorkomend geval in het bestek de inlichtingen of documenten welke ze via elektronische weg zal opvragen. Zij dient zelf deze inlichtingen of documenten op te vragen en de resultaten ervan in de documenten van de opdracht te bewaren.] <KB 2005-07-20/53, art. 4, 014 ; ED : 01-10-2005>
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 38, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 23, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  
  Art. 73.
  <Opgeheven bij KB 2009-09-29/01, art. 39, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 73bis.<Ingevoegd bij KB 2007-11-23/34, art. 19; ED : 01-02-2008> [1 Wanneer]1 de aanbestedende overheid de overlegging verlangt van door onafhankelijke instanties opgestelde verklaringen dat de dienstverlener aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoet, verwijst ze naar kwaliteitsbewakingsregelingen die op de Europese normenreeksen op dit terrein zijn gebaseerd en die zijn gecertificeerd door instanties die voldoen aan de Europese normenreeks voor certificering. Ze erkent gelijkwaardige certificaten van in andere lidstaten gevestigde instanties. Ze aanvaardt eveneens andere bewijzen inzake gelijkwaardige maatregelen op het vlak van kwaliteitsbewaking.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 40, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 73ter.<Ingevoegd bij KB 2007-11-23/34, art. 20; ED : 01-02-2008> [1 Wanneer]1 de aanbestedende overheid [2 , uitsluitend in passende gevallen,]2 de overlegging verlangt van een door onafhankelijke instanties opgestelde verklaring dat de dienstverlener aan bepaalde normen inzake milieubeheer voldoet, verwijst ze naar het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem of EMAS of naar normen inzake milieubeheer die gebaseerd zijn op de desbetreffende Europese of internationale normen die gecertificeerd zijn door instanties die beantwoorden aan het Gemeenschapsrecht of aan de toepasselijke Europese of internationale normen voor certificering. Ze erkent gelijkwaardige certificaten van in andere lidstaten gevestigde instanties. Ze aanvaardt tevens andere bewijzen inzake gelijkwaardige maatregelen op het vlak van milieubeheer.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 41, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 24, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 74. Bij het inwinnen van de in de artikelen 70 en 71 bedoelde inlichtingen mag niet verder worden gegaan dan gezien het voorwerp van de opdracht verantwoord is, en de aanbestedende overheid moet met de rechtmatige belangen van de dienstverlener met betrekking tot de bescherming van zijn fabrieks- of bedrijfsgeheimen rekening houden.
  (lid opgeheven) <KB 1999-03-25/39, art. 30, 003; ED : 01-06-1999>
  HOOFDSTUK III. - De prijsvraag voor ontwerpen.
  Art. 74bis. [1 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de prijsvragen voor ontwerpen die door de aanbestedende overheden worden georganiseerd met het oog op de uitoefening van haar activiteiten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-09-29/01, art. 42, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 75.
  § 1. Wanneer in het kader van een procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor aanneming van diensten een prijsvraag voor ontwerpen in de zin van artikel 20 van de wet wordt georganiseerd, wordt een jury aangesteld, waarvan de samenstelling en de wijzen van optreden in het bestek worden bepaald.
  Deze jury bestaat uitsluitend uit natuurlijke personen, minimum vijf in aantal, die totaal onafhankelijk zijn van de deelnemers aan de prijsvraag voor ontwerpen. Ten minste één van hen wordt gekozen uit de personen die noch behoren tot de aanbestedende overheid noch tot een openbaar bestuur.
  De leden van de jury moeten in het betrokken domein blijk geven van een onbetwistbare deskundigheid. Indien van de deelnemers aan de prijsvraag een bijzondere beroepskwalificatie vereist wordt, moet ten minste één derde van de juryleden over diezelfde of een gelijkwaardige beroepskwalificatie beschikken.
  [1 Het bestek bepaalt of de jury een beslissings- of adviesbevoegdheid heeft. In alle gevallen is de jury autonoom bij het uitspreken van haar beslissingen of adviezen.]1
  § 2. De prijsvraag dient aan de volgende minimumvoorwaarden te voldoen :
  1° de mogelijkheid tot deelneming mag niet beperkt worden tot het gebied of een gedeelte daarvan van een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap;
  2° de prijsvraag moet openstaan voor zowel natuurlijke als rechtspersonen;
  3° (wanneer het geraamde bedrag van de prijsvraag voor ontwerpen gelijk is aan of hoger is dan het bedrag bepaald in artikel 53, § 3, worden de ontwerpen anoniem aan de jury voorgesteld. De anonimiteit wordt geëerbiedigd tot de beslissing of het advies van de jury bekend is;) <KB 2007-11-23/34, art. 21, 017; ED : 01-02-2008>
  4° de selectiecriteria worden vermeld in de aankondiging van de prijsvraag of in het bestek; [1 deze criteria moeten duidelijk en niet-discriminerend zijn. In elk geval moet het aantal kandidaten dat wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de prijsvraag voldoende zijn om een daadwerkelijke mededinging te waarborgen;]1
  5° de beoordelingscriteria van de ontwerpen en het hun toegewezen belang worden vermeld in de aankondiging van de prijsvraag voor ontwerpen of in het bestek.
  (6° vóór het verstrijken van de termijn voor ontvangst van de ontwerpen neemt de jury geen kennis van de inhoud ervan.
  Ze evalueert de ontwerpen op grond van de beoordelingscriteria.
  Ze stelt een door alle leden ondertekend proces-verbaal op van de keuze van de ontwerpen vastgesteld op basis van hun afzonderlijke verdiensten, alsmede van haar opmerkingen en de eventuele punten die verduidelijking vergen.
  De deelnemers kunnen zo nodig worden uitgenodigd om de in het proces-verbaal vermelde opmerkingen en vragen te beantwoorden.
  Van de dialoog tussen de juryleden en de deelnemers wordt eveneens een volledig proces-verbaal opgesteld;
  7° de mededelingen, uitwisselingen en opslag van gegevens geschieden op zodanige wijze dat de integriteit en het vertrouwelijk karakter van de door de deelnemers ingezonden informatie gehandhaafd worden.) <KB 2007-11-23/34, art. 21, 017; ED : 01-02-2008>
  § 3. Wanneer premies voorzien zijn, stelt het bestek de premies vast die toegekend worden aan de makers van de best gerangschikte ontwerpen. Zij worden verleend door de aanbestedende overheid met verplicht behoud van de door de jury opgestelde rangschikking, maar kunnen ook geheel of gedeeltelijk niet worden toegekend, indien de aanbestedende overheid de ontwerpen als ontoereikend beoordeelt.
  § 4. Het bestek bepaalt nauwkeurig de respectieve rechten van de aanbestedende overheid en de makers van de ontwerpen inzake het bezit en het gebruik ervan.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 43, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 76.
  § 1. De prijsvragen voor ontwerpen zijn enkel onderworpen aan de bekendmakingsvoorschriften van dit artikel.
   De prijsvragen voor ontwerpen zijn niet onderworpen aan de publikatie van een enuntiatieve aankondiging.
  § 2. [1 Een aankondiging van prijsvraag voor ontwerpen wordt in het Officieel Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt in de volgende gevallen :
   1° wanneer de prijsvraag voor ontwerpen georganiseerd wordt in het kader van de gunningsprocedure van een overheidsopdracht voor diensten waarvan het geraamde bedrag, met inbegrip van het totale bedrag van de premies en de betalingen aan de deelnemers, gelijk is aan of hoger is dan het bedrag bepaald in artikel 53 van dit besluit;
   2° in alle gevallen van prijsvragen waarvoor het totale bedrag van de premies en de betalingen aan de deelnemers gelijk is aan of hoger is dan het bedrag bepaald in artikel 53 van dit besluit. Het geraamde bedrag van de overheidsopdracht die achteraf kan worden gegund, wordt ook in aanmerking genomen, tenzij de aanbestedende overheid de gunning van deze opdracht heeft uitgesloten in de aankondiging van prijsvraag.
   De aanbestedende overheid moet de datum van verzending kunnen bewijzen.]1
  Deze aankondiging van prijsvraag voor ontwerpen wordt eveneens gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen overeenkomstig hetzelfde model van aankondiging.
  De publikatie in het Bulletin der Aanbestedingen mag niet plaats vinden vóór de datum van de verzending van de aankondiging naar het Bureau voor officiële publikaties van de Europese Gemeenschappen en moet deze datum vermelden. Ze mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
  § 3. Wanneer niet voldaan is aan de voorwaarden van § 2, wordt de prijsvraag voor ontwerpen gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen (...). <KB 2004-02-29/34, art. 7, 012; ED : 01-09-2004>
  (§ 3bis. Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en/of in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.
  Geen enkele publicatie mag plaatsvinden vóór de datum van verzending van de aankondiging naar het Bureau voor officiële publicaties van de Europese Gemeenschappen in geval van toepassing van § 2 en naar het Bulletin der Aanbestedingen in geval van toepassing van § 3. Iedere andere publicatie mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze betreffende de officiële publicatie.) <KB 2002-04-22/30, art. 30, 008; ED : 01-05-2002>
  § 4. (De aankondiging voor prijsvraag voor ontwerpen wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging opgenomen in bijlage 3, A.
  Wanneer de prijsvraag voor ontwerpen het bedrag voor de Europese bekendmaking niet bereikt, moeten ten minste de volgende inlichtingen worden gegeven :
  1° de naam en het adres van de aanbestedende overheid;
  2° het voorwerp van de prijsvraag; de CPV-code (hoofdcategorieën van de hoofdopdracht);
  3° de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de vereiste financiële, economische en technische minimumeisen;
  4° de uiterste datum voor ontvangst van de aanvragen tot deelneming.) <KB 2006-01-12/35, art. 14, 016; ED : 01-02-2006>
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 44, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 77. Indien de prijsvraag voor ontwerpen onderworpen is aan de Europese bekendmaking volgens artikel 76, § 2, wordt een aankondiging van uitslag van de prijsvraag voor ontwerpen opgesteld overeenkomstig (het model van aankondiging opgenomen in bijlage 3, B,) bij dit besluit en binnen een termijn van achtenveertig dagen na de gunning van de opdracht of na de keuze van het ontwerp gezonden aan de Europese Commissie om gepubliceerd te worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. <KB 2002-04-22/30, art. 31, 008; ED : 01-05-2002>
  Deze aankondiging wordt eveneens gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen overeenkomstig hetzelfde model van aankondiging.
  (De publicatie in het Bulletin der Aanbestedingen mag niet plaatsvinden vóór de datum van verzending van de aankondiging naar het Bureau voor officiële publicaties van de Europese Gemeenschappen en moet deze datum vermelden. Ze mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
  Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en/of in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.) <KB 2002-04-22/30, art. 31, 008; ED : 01-05-2002>
  HOOFDSTUK IV. - (Toegangsverbod tot bepaalde opdrachten). KB 2004-02-18/35, art. 1, 011; ED : 01-05-2004>
  Art. 78. <KB 2004-02-18/35, art. 2, 011; ED : 01-05-2004> § 1. Moet worden afgewezen, de aanvraag tot deelneming of de offerte voor een overheidsopdracht voor aanneming van werken, leveringen of diensten ingediend door de persoon die belast werd met het onderzoek, de proeven, de studie of de ontwikkeling van die werken, leveringen of diensten, indien die persoon wegens die verrichtingen een voordeel geniet dat van die aard is dat het de normale spelregels van de mededinging vervalst.
  Toch zal de aanbestedende overheid, alvorens de aanvraag tot deelneming of de offerte van die persoon om die reden af te wijzen, aan deze laatste per aangetekende brief vragen schriftelijk de afdoende verantwoordingen te bezorgen waarmee kan worden aangetoond dat hij geen dergelijk voordeel geniet. Deze vormvereiste moet niet worden vervuld wanneer deze verantwoordingen werden gevoegd bij de aanvraag tot deelneming of de offerte.
  Om ontvankelijk te zijn moeten de verantwoordingen binnen twaalf kalenderdagen aan de aanbestedende overheid worden overgemaakt, te rekenen vanaf de dag die volgt op de verzending van de aangetekende brief, tenzij daarin een langere termijn is bepaald.
  Het is de betrokken persoon die het bewijs van verzending van die verantwoordingen moet leveren.
  § 2. Evenzo moet worden afgewezen, de aanvraag tot deelneming of de offerte ingediend voor een overheidsopdracht door een onderneming die verbonden is met een persoon bedoeld in § 1 wanneer deze laatste voordien werd belast met het onderzoek, de proeven, de studie of de ontwikkeling van de werken, de leveringen of de diensten waarop die opdracht betrekking heeft, indien die onderneming, wegens die band, voor die opdracht een voordeel geniet dat van die aard is dat het de normale spelregels van de mededinging vervalst.
  In de zin van deze paragraaf verstaat men onder " verbonden onderneming ", elke onderneming waarop de persoon bedoeld in § 1 rechtstreeks of onrechtstreeks een overheersende invloed kan uitoefenen, of elke onderneming die een overheersende invloed kan uitoefenen op die persoon of die, zoals hij, onderworpen is aan de overheersende invloed van een andere onderneming omwille van eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften.
  De overheersende invloed wordt vermoed wanneer een onderneming, rechtstreeks of onrechtstreeks, ten opzichte van een andere onderneming :
  1° de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de onderneming bezit, of
  2° beschikt over de meerderheid van de stemmen die verbonden zijn aan de door de onderneming uitgegeven aandelen, of
  3° meer dan de helft van de leden van het bestuur, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de onderneming kan aanwijzen.
  Niettemin vraagt de aanbestedende overheid, alvorens zij om de aangevoerde reden de aanvraag tot deelneming of de offerte van een verbonden onderneming in de zin van deze paragraaf afwijst, deze laatste per aangetekende brief de schriftelijke, afdoende verantwoordingen te bezorgen waarmee kan worden aangetoond dat, ondanks die band, die onderneming geen voordeel geniet in de zin van dit artikel.
  De verantwoordingen moeten steunen op de banden van de onderneming, de graad van onafhankelijkheid en elke andere omstandigheid die bewijskracht heeft.
  Ze moeten kunnen aantonen dat er geen overheersende invloed is of, indien die er wel is, dat die voor de betrokken opdracht van geen betekenis is.
  Om ontvankelijk te zijn moeten die verantwoordingen binnen twaalf kalenderdagen aan de aanbestedende overheid worden overgemaakt, te rekenen vanaf de dag die volgt op de verzending van de aangetekende brief, tenzij daarin een langere termijn is bepaald.
  Het is de betrokken onderneming die het bewijs moet leveren van de verzending van de verantwoordingen.
  § 3. De §§ 1 en 2 zijn niet van toepassing op :
  1° de overheidsopdrachten die zowel de opstelling als de uitvoering van een ontwerp inhouden;
  2° de overheidsopdrachten gegund bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 2, van de wet.
  HOOFDSTUK V. - Toegang tot overheidsopdrachten voor aanneming van diensten voor de dienstverleners van derde landen ten aanzien van de Europese Gemeenschap.
  Art. 79. Voor de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten waarvan het geraamde bedrag gelijk is aan of hoger is dan het bedrag bepaald in (artikel 53) van dit besluit genieten de volgende landen, volgens de bepalingen en de voorwaarden van de internationale akte die hen betreft, van de toepassing van titels II en III van boek I van de wet en van dit besluit : <KB 1999-03-25/39, art. 33, 003; ED : 01-06-1999>
  1° IJsland, Liechtenstein en Noorwegen in toepassing van het Akkoord over de Europese economische Ruimte;
  2° Canada, Korea, de Verenigde Staten van Amerika, Israël, Japan en Zwitserland, in toepassing van de overeenkomst inzake overheidsopdrachten gesloten in het kader van het Algemeen Akkoord over de Douane- en Handelstarieven. Zijn bedoeld :
  a) de overheidsopdrachten van :
  - de federale ministeries met uitzondering van de opdrachten inzake ontwikkelingssamenwerking die krachtens internationale overeenkomsten met derde landen inzake het plaatsen van opdrachten die aan andere bepalingen onderworpen zijn die niet verenigbaar zijn met de bepalingen van dit besluit;
  - (...); <W 2004-07-09/30, art. 316, 013; ED : 15-07-2004>
  - de Regie der Gebouwen;
  - de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  - het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
  - het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;
  - de Rijksdienst voor Pensioenen;
  - de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;
  - het Fonds voor de Beroepsziekten;
  - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
  b) de overheidsopdrachten van de aanbestedende overheden andere dan deze vermeld in a) die worden bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, van de wet.
  HOOFDSTUK VI. - De informatie.
  Art. 80.[1 § 1. De artikelen 65/4, 65/5, 65/7, 65/8, § 1, eerste lid, en 65/9 van de wet zijn niet toepasselijk op de opdrachten waarvan de goed te keuren uitgave zonder belasting over de toegevoegde waarde 67.000 euro niet overschrijdt, ongeacht de gunningsprocedure
   § 2. Voor de opdrachten bedoeld in paragraaf 1 stelt de aanbestedende overheid een gemotiveerde beslissing op :
   1° voor de selectie, wanneer de gunningsprocedure een eerste fase met de indiening van aanvragen tot deelneming omvat;
   2° voor de gunning van de opdracht;
   3° ingeval ze beslist om af te zien van het plaatsen van de opdracht en eventueel een nieuwe opdracht uit te schrijven.
   De aanbestedende overheid informeert schriftelijk :
   1° wanneer de gunningsprocedure een eerste fase met de indiening van aanvragen tot deelneming omvat en onmiddellijk na het nemen van de gemotiveerde selectiebeslissing, elke niet-geselecteerde kandidaat dat hij niet is geselecteerd;
   2° onmiddellijk na het nemen van de gunningsbeslissing, elke niet-geselecteerde kandidaat of inschrijver dat hij niet is geselecteerd, elke inschrijver met een geweerde of niet-gekozen offerte dat zijn offerte is geweerd of niet is gekozen en de gekozen inschrijver dat hij is gekozen.
   De in het tweede lid, 2°, bedoelde informatie aan de gekozen inschrijver doet geen enkele contractuele verbintenis ontstaan.
   Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van verzending van de in het tweede lid bedoelde informatie kan de betrokken kandidaat of inschrijver schriftelijk verzoeken om hem volgende aanvullende informatie mee te delen :
   1° elke niet-geselecteerde kandidaat of inschrijver : de motieven voor zijn niet-selectie, in de vorm van een uittreksel van de gemotiveerde beslissing;
   2° elke inschrijver wiens offerte geweerd is : de motieven voor de wering, onder de vorm van een uittreksel van de gemotiveerde beslissing;
   3° elke inschrijver wiens offerte niet is gekozen en de begunstigde : de gemotiveerde beslissing.
   De aanbestedende overheid deelt deze aanvullende informatie schriftelijk mee binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek daartoe.
   De aanbestedende overheid kan evenwel gebruik maken van de mogelijkheden waarin artikel 65/8, § 1, eerste lid, van de wet voorziet en, naargelang het geval, de in het tweede lid hierboven vermelde motieven bij de informatie voegen. De gemotiveerde beslissing wordt bij de informatie gevoegd wanneer de aanbestedende overheid artikel 65/11, eerste lid, van de wet toepasselijk maakt, overeenkomstig artikel 65/30, tweede lid, van dezelfde wet.
   § 3. Voor de opdrachten bedoeld in paragraaf 1 informeert de aanbestedende overheid schriftelijk, onmiddellijk na het nemen van de beslissing om af te zien van het plaatsen van de opdracht en, in voorkomend geval, een nieuwe opdracht uit te schrijven, elke betrokken kandidaat of inschrijver over dit feit.
   Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van verzending van deze informatie kan de betrokken kandidaat of inschrijver schriftelijk verzoeken om hem de gemotiveerde beslissing mee te delen.
   De aanbestedende overheid deelt de gemotiveerde beslissing schriftelijk mee binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek daartoe.
   § 4. De paragrafen 2 en 3 zijn niet toepasselijk op de opdrachten die tot stand komen met een aangenomen factuur in de zin van artikel 122, eerste lid, 1°, van dit besluit.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 25, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 81.[1 De aankondiging in geval van vrijwillige transparantie vooraf, als bedoeld in artikel 65/18, eerste lid, 1°, van de wet, wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging in bijlage 9 van dit besluit.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 26, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  TITEL IIIbis. - [1 Communicatiemiddelen]1
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 45, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 81bis. <ingevoegd bij KB 2004-02-18/35, art. 3; ED : 01-05-2004> Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° schriftelijk of geschreven stuk : elk uit woorden of cijfers bestaand geheel dat kan worden gelezen, gereproduceerd en vervolgens medegedeeld. Dit geheel kan met elektronische middelen overgebrachte en/of opgeslagen gegevens bevatten. Een schriftelijk stuk dat met elektronische middelen werd opgesteld, kan per brief of per bode worden verzonden of overhandigd of met elektronische middelen worden verzonden;
  2° elektronische middel : een middel waarbij gebruik wordt gemaakt van elektronische apparatuur voor gegevensverwerking (met inbegrip van digitale compressie) en gegevenopslag alsmede van verspreiding, overbrenging en ontvangst per draad, straalverbinding, langs optische weg of met andere elektromagnetische middelen.
  Art. 81ter.[1 § 1. Ongeacht of elektronische middelen worden gebruikt of niet, vindt de mededeling, uitwisseling en opslag van informatie op zodanige wijze plaats dat :
   1° de integriteit van de gegevens wordt gewaarborgd;
   2° de vertrouwelijkheid van de aanvragen tot deelneming en van de offertes wordt gewaarborgd, en dat de aanbestedende overheid pas bij het verstrijken van de uiterste termijn kennisneemt van de inhoud ervan.
   § 2. Elk schriftelijk stuk dat met elektronische middelen werd opgesteld en dat in de ontvangen versie een macro, computervirus of andere schadelijke instructie vertoont, kan in een veiligheidsarchief worden opgenomen. Indien het stuk geen aanvraag tot deelneming of een offerte betreft, kan het, voor zover dit technisch noodzakelijk is, als niet ontvangen worden beschouwd. In dit geval wordt de afzender daarvan onmiddellijk op de hoogte gebracht.
   § 3. De aanbestedende overheid kan het gebruik van elektronische middelen toestaan voor het uitwisselen, in de loop van de procedure, van schriftelijke stukken, andere dan aanvragen tot deelneming en offertes. De kandidaat of de inschrijver kunnen dit gebruik eveneens toestaan.
   In geval van toepassing van het eerste lid kunnen, wanneer een bepaling van dit besluit voorschrijft dat een verzending plaatsvindt of wordt bevestigd per aangetekende brief, daarvoor elektronische middelen worden gebruikt voor zover ze voldoen aan artikel 81quater, § 1. De bestemmeling draagt in dit laatste geval de bewijslast van de ontvangst.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 46, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 81quater.[1 § 1. Wanneer elektronische middelen worden gebruikt voor het indienen van aanvragen tot deelneming of offertes, bieden ze ten minste de waarborg :
   1° dat de elektronische handtekening conform is met de regels van het Europees en het daarmee overeenstemmende nationaal recht inzake de geavanceerde elektronische handtekening met een geldig gekwalificeerd certificaat, waarbij deze handtekening werd gerealiseerd via een veilig middel voor het aanmaken van een handtekening;
   2° dat elke aanvraag tot deelneming of offerte die met elektronische middelen werd opgesteld en die in de ontvangen versie een macro, een computervirus of andere schadelijke instructie vertoont, in een veiligheidsarchief kan worden opgenomen. Voor zover dit technisch noodzakelijk is, kan dit document als niet ontvangen worden beschouwd. De aanvraag tot deelneming of de offerte wordt in dat geval geweerd, maar de kandidaat of inschrijver mag hiervan slechts op de hoogte worden gebracht volgens de bepalingen van artikel 21bis van de wet of van artikelen 25, 46 of 80 van dit besluit, al naargelang;
   3° dat het precieze tijdstip van ontvangst door de bestemmeling automatisch vastgesteld wordt door een ontvangstbewijs dat via elektronische middelen wordt verzonden;
   4° dat redelijkerwijs kan worden verzekerd dat niemand vóór de vastgelegde uiterste datum en uur toegang kan hebben tot de overgelegde aanvragen tot deelneming of offertes;
   5° dat in geval van een inbreuk op dat toegangsverbod redelijkerwijs kan worden verzekerd dat de inbreuk duidelijk opspoorbaar is;
   6° dat enkel de daartoe aangestelde personen het precieze tijdstip van opening van de overgelegde gegevens mogen vastleggen of wijzigen;
   7° dat tijdens de procedure, op de vastgelegde uiterste datum en uur, de toegang tot de overgelegde gegevens slechts mogelijk is wanneer de daartoe aangestelde personen gelijktijdig optreden;
   8° dat de gegevens betreffende de overgelegde aanvragen tot deelneming of offertes, die geopend worden overeenkomstig de vereisten van dit artikel, alleen maar toegankelijk mogen zijn voor de daartoe aangestelde personen;
   9° dat de te gebruiken hulpmiddelen en de technische eigenschappen ervan, met inbegrip van de eventuele versleuteling, niet discriminerend en algemeen voor het publiek beschikbaar zijn en verenigbaar met algemeen gebruikte informatie- en communicatiemiddelen. Ze worden beschreven in de aankondiging van opdracht of in het bestek.
   De voorwaarden vermeld in 1° tot 3° zijn van toepassing op de kandidaten, de inschrijvers en de aanbestedende overheid en die vermeld in 4° tot 9° zijn van toepassing op de aanbestedende overheid.
   De voorwaarden vermeld in 3° tot 8° zijn niet toepasselijk op de met elektronische middelen opgestelde offertes die niet via deze middelen worden overgelegd.
   § 2. De aanbestedende overheid beslist voor elke opdracht afzonderlijk of ze het gebruik van elektronische middelen oplegt, toestaat of verbiedt voor het indienen van aanvragen tot deelneming of offertes. Ze vermeldt deze beslissing in de aankondiging van opdracht of in het bestek, desgevallend samen met de door de kandidaten of inschrijvers te gebruiken elektronische hulpmiddelen en adres. Bij gebrek aan deze vermeldingen is het gebruik van elektronische middelen verboden.
   Zelfs indien het gebruik van elektronische middelen wordt opgelegd of toegestaan voor het indienen van aanvragen tot deelneming of offertes, kunnen bepaalde bij te voegen documenten, die niet of uiterst moeilijk via elektronische middelen kunnen worden aangemaakt, op papier worden bezorgd vóór de uiterste ontvangstdatum. In geval het gebruik van elektronische middelen is opgelegd, dient de aanbestedende overheid vooraf akkoord te gaan met het bezorgen van documenten op papier.
   Door zijn aanvraag tot deelneming of offerte geheel of gedeeltelijk via elektronische middelen over te leggen, aanvaardt de kandidaat of inschrijver dat bepaalde gegevens van zijn aanvraag tot deelneming of offerte worden geregistreerd door de werking zelf van het ontvangstsysteem.
   § 3. Om te verhelpen aan sommige problemen die zich kunnen voordoen bij de overlegging, de ontvangst of de opening van met elektronische middelen ingediende aanvragen tot deelneming of offertes, kan de aanbestedende overheid aan de kandidaten of inschrijvers de toestemming geven om :
   1° ingeval een aanvraag tot deelneming of offerte de overlegging kan meebrengen van omvangrijke documenten en teneinde elke mogelijke vertraging door de elektronische overlegging ervan te vermijden, hun aanvraag tot deelneming of offerte over te leggen via een dubbele elektronische zending.
   Een eerste stap bestaat uit de overlegging van een vereenvoudigde zending die hun identiteit, de elektronische handtekening van hun volledige aanvraag tot deelneming of offerte en, in voorkomend geval, het bedrag van hun offerte omvat. Deze vereenvoudigde zending wordt elektronisch ondertekend. Haar ontvangst geldt als ontvangsttijdstip van de aanvraag tot deelneming of offerte.
   Een tweede stap omvat de overlegging van de eigenlijke aanvraag tot deelneming of offerte, die elektronisch ondertekend is om de integriteit van de gegevens van de aanvraag tot deelneming of offerte te certificeren.
   De ontvangst van de eigenlijke aanvraag tot deelneming of offerte gebeurt binnen een termijn die geen vierentwintig uur mag overschrijden na het uiterste ontvangsttijdstip van de aanvragen tot deelneming of de offertes, op straf van wering van de aanvraag tot deelneming of offerte;
   2° zowel een aanvraag tot deelneming of een offerte, overgelegd met elektronische middelen, in te dienen, als een veiligheidskopie, opgesteld met elektronische middelen of op papier. Deze veiligheidskopie wordt in een definitief gesloten envelop gestoken waarop duidelijk " veiligheidskopie " wordt vermeld en wordt binnen de opgelegde ontvangsttermijn ingediend. Deze kopie mag enkel worden geopend ingeval van een tekortkoming bij de overlegging, de ontvangst of de opening van de met elektronische middelen overgelegde aanvraag tot deelneming of offerte. Ze vervangt in dat geval definitief het met elektronische middelen overgelegd stuk. De veiligheidskopie is voor het overige onderworpen aan de op offertes toepasselijke regels van dit besluit.
   De aanbestedende overheid geeft in de aankondiging van opdracht of in het bestek aan of ze de werkwijze sub 1°, de werkwijze sub 2° of beide toestaat.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 47, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 81quinquies.
  <Opgeheven bij KB 2009-09-29/01, art. 48, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 81sexies. <Ingevoegd bij KB 2006-01-12/35, art. 15; ED : 01-02-2006> De bekendmaking in het Bulletin der Aanbestedingen gebeurt kosteloos voor zover de gegevens on line worden ingevoerd via elektronische gegevensopvang of door de gegevensoverdracht tussen systemen die een automatische gestructureerde bekendmaking mogelijk maken.
  Vóór de datum van de officiële bekendmaking mag de informatie van de aankondiging door niemand op individuele wijze aan geïnteresseerde personen worden verstrekt.
  TITEL IV. - Technische specificaties en normen.
  Art. 82.
  <Opgeheven bij KB 2009-09-29/01, art. 49, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  Art. 82bis.<Ingevoegd bij KB 2007-11-23/34, art. 23; ED : 01-02-2008> [1 Men verstaat onder :
  ]1
  1° technische specificaties :
  a) in geval van een opdracht voor aanneming van werken : alle technische voorschriften, met name die welke zijn opgenomen in de opdrachtdocumenten, die een omschrijving geven van de vereiste kenmerken van een werk, een materiaal, een product of een levering en aan de hand waarvan op objectieve wijze een werk, een materiaal, een product of een levering zodanig kan worden omschreven dat dit beantwoordt aan het gebruik waarvoor het door de aanbestedende overheid is bestemd. Tot deze kenmerken behoren ook het niveau van milieuvriendelijkheid, een ontwerp dat voldoet voor alle gebruik met inbegrip van de toegankelijkheid voor personen met een handicap, en de conformiteitsbeoordeling, gebruiksgeschiktheid, veiligheid of afmetingen, met inbegrip van kwaliteitswaarborgingsprocedures, terminologie, symbolen, proefnemingen en proefnemingsmethoden, verpakking, markering en etikettering en productieprocessen en -methoden. Zij omvatten eveneens de voorschriften voor het ontwerpen en het berekenen van het werk, de voorwaarden voor proefnemingen, controle en oplevering van de werken, alsmede de bouwtechnieken of bouwwijzen en alle andere technische voorwaarden die de aanbestedende overheid bij algemene dan wel bijzondere maatregel kan voorschrijven met betrekking tot de voltooide werken en tot de materialen of bestanddelen waaruit deze werken zijn samengesteld;
  b) in geval van een opdracht voor aanneming van leveringen of diensten : een specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product of dienst, zoals het niveau van kwaliteit, het niveau van milieuvriendelijkheid, een ontwerp dat voldoet voor alle gebruik met inbegrip van de toegankelijkheid voor personen met een handicap, en de conformiteitsbeoordeling, gebruiksgeschiktheid, gebruik, veiligheid of afmetingen van het product, met inbegrip van de voor het product geldende voorschriften inzake handelsbenaming, terminologie, symbolen, proefnemingen en proefnemingsmethoden, verpakking, markering en etikettering, gebruiksaanwijzingen, productieprocessen en -methoden, en de procedures voor de conformiteitsbeoordeling;
  2° norm : een technische specificatie die door een erkende normalisatie-instelling voor herhaalde of voortdurende toepassing is goedgekeurd, waarvan de inachtneming niet verplicht is en die tot een van de volgende categorieën behoort :
  - internationale norm: een norm die door een internationale normalisatie-instelling wordt aangenomen en ter beschikking van het publiek wordt gesteld;
  - Europese norm : een norm die door een Europese normalisatie-instelling wordt aangenomen en ter beschikking van het publiek wordt gesteld;
  - nationale norm : een norm die door een nationale normalisatie-instelling wordt aangenomen en ter beschikking van het publiek wordt gesteld;
  3° Europese technische goedkeuring : een gunstige technische beoordeling gesteund op de bevinding dat aan de essentiële eisen wordt voldaan waarbij een product, gezien zijn intrinsieke eigenschappen en de voor de toepassing en het gebruik ervan vastgestelde voorwaarden, geschikt wordt verklaard voor het gebruik voor bouwdoeleinden. De Europese technische goedkeuring wordt verleend door een daartoe door de lidstaat erkende instelling;
  4° gemeenschappelijke technische specificaties : technische specificaties die zijn opgesteld volgens een door de lidstaten erkende procedure die in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt;
  5° technisch referentiekader : ieder ander product dan de officiële normen, dat door de Europese normalisatie-instellingen is opgesteld volgens procedures die aan de ontwikkeling van de marktbehoeften zijn aangepast.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 50, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  Art. 83.
  <Opgeheven bij KB 2009-09-29/01, art. 51, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  Art. 83bis.<Ingevoegd bij KB 2007-11-23/34, art. 25; ED : 01-02-2008> § 1. [1 ...]1
  § 2. [2 De technische specificaties moeten de inschrijvers gelijke toegang bieden en mogen niet tot gevolg hebben dat ongerechtvaardigde belemmeringen voor de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging worden geschapen.]2
  De aanbestedende overheid neemt de technische specificaties op in de opdrachtdocumenten. Waar mogelijk worden in deze technische specificaties toegankelijkheidscriteria in overweging genomen teneinde rekening te houden met de behoeften van alle gebruikers, inbegrepen de personen met een handicap.
  § 3. Onverminderd de verplichte nationale technische voorschriften, voor zover verenigbaar met het Europees recht, worden de technische specificaties als volgt aangegeven :
  a) hetzij door verwijzing naar de technische specificaties en - in volgorde van voorkeur - naar de nationale normen waarin Europese normen zijn omgezet, de Europese technische goedkeuringen, de gemeenschappelijke technische specificaties, internationale normen, andere door de Europese normalisatie-instellingen opgestelde technische verwijzingssystemen, of, bij ontstentenis daarvan, de nationale normen, de nationale technische goedkeuringen dan wel de nationale technische specificaties inzake het ontwerpen, het berekenen en het uitvoeren van werken en het gebruik van producten. Iedere verwijzing gaat vergezeld van de woorden "of gelijkwaardig";
  b) hetzij in termen van prestatie-eisen en functionele eisen; deze kunnen milieukenmerken omvatten. Zij moeten echter zo nauwkeurig zijn dat de inschrijvers in staat zijn het voorwerp van de opdracht te bepalen en de aanbestedende overheid in staat is de opdracht te gunnen;
  c) hetzij in de onder b) bedoelde termen van prestatie-eisen en functionele eisen, waarbij onder vermoeden van overeenstemming met deze prestatie-eisen en functionele eisen wordt verwezen naar de onder a) bedoelde specificaties;
  d) hetzij door verwijzing naar de onder a) bedoelde specificaties voor bepaalde kenmerken, en naar de onder b) bedoelde prestatie-eisen en functionele eisen voor andere kenmerken.
  § 4. Wanneer de aanbestedende overheid gebruik maakt van de mogelijkheid te verwijzen naar de in § 3, a), bedoelde specificaties, kan ze echter geen offerte weren met als reden dat de aangeboden producten en diensten niet beantwoorden aan de specificaties waarnaar zij heeft verwezen, indien de inschrijver tot voldoening van de aanbestedende overheid, in zijn offerte met elk passend middel aantoont dat de door hem voorgestelde oplossingen op gelijkwaardige wijze voldoen aan de eisen van de technische specificaties.
  Een passend middel kan bijvoorbeeld een technisch dossier van de fabrikant zijn of een testverslag van een erkende organisatie.
  § 5. Wanneer de aanbestedende overheid gebruik maakt van de in § 3 geboden mogelijkheid prestatie-eisen of functionele eisen te stellen, mag ze geen aanbod van werken, producten of diensten afwijzen die beantwoorden aan een nationale norm waarin een Europese norm is omgezet, aan een Europese technische goedkeuring, aan een gemeenschappelijke technische specificatie, aan een internationale norm, of aan een door een Europese normalisatie-instelling opgestelde technisch referentiesysteem, wanneer deze specificaties betrekking hebben op de prestaties of functionele eisen die ze heeft voorgeschreven.
  De inschrijver moet in zijn offerte, tot voldoening van de aanbestedende overheid, met elk passend middel aantonen dat de aan de norm beantwoordende werken, producten of diensten aan de prestatie-eisen of functionele eisen van de aanbestedende overheid voldoen.
  Een passend middel kan een technisch dossier van de fabrikant zijn of een testverslag van een erkende organisatie.
  § 6. Een aanbestedende overheid die milieukenmerken voorschrijft door verwijzing naar prestatie-eisen of functionele eisen, zoals bepaald in § 3, b), kan gebruik maken van de gedetailleerde specificaties of, zo nodig, van gedeelten daarvan, zoals vastgesteld in Europese, (pluri)nationale milieukeuren of in een andere milieukeur, voor zover :
  - deze geschikt zijn voor de omschrijving van de kenmerken van de leveringen of diensten waarop de opdracht betrekking heeft;
  - de vereisten voor de keur zijn ontwikkeld op grond van wetenschappelijke gegevens;
  - de milieukeuren aangenomen zijn via een proces waaraan alle betrokkenen, zoals regeringsinstanties, consumenten, fabrikanten, kleinhandel en milieuorganisaties hebben kunnen deelnemen;
  - de keuren toegankelijk zijn voor alle betrokken partijen.
  De aanbestedende overheid kan aangeven dat de van een milieukeur voorziene producten of diensten worden geacht te voldoen aan de technische specificaties van het bestek; ze dient elk ander passend bewijsmiddel te aanvaarden, zoals een technisch dossier van de fabrikant of een testverslag van een erkende organisatie.
  " Erkende organisaties" in de zin van dit artikel zijn testlaboratoria, ijklaboratoria en inspectie- en certificatieorganisaties die voldoen aan de toepasselijke Europese normen.
  De aanbestedende overheid aanvaardt certificaten van in andere lidstaten erkende organisaties.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 52, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 27, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 84.Wanneer bij offerteaanvraag, alsmede bij onderhandelingsprocedure de gunning gebeurt aan de inschrijver met de voordeligste offerte op basis van criteria vastgesteld door de aanbestedende overheid, kan een vrije variante niet afgewezen worden alleen omwille van het feit dat zij opgesteld werd met technische specificaties die omschreven werden met verwijzing naar nationale normen die Europese normen omzetten, naar Europese technische goedkeuringen of naar gemeenschappelijke technische specificaties [1 ...]1 of met verwijzing naar nationale technische specificaties [1 ...]1.
  (Indien het bestek vrije varianten niet verbiedt, mag een variante in dezelfde procedures, niet verworpen worden uitsluitend omdat zij, indien zij werd gekozen, tot een overheidsopdracht voor aanneming van leveringen in plaats van een overheidsopdracht voor aanneming van diensten zou leiden. Hetzelfde geldt in het tegenovergestelde geval.) <KB 1999-03-25/39, art. 36, 003; ED : 01-06-1999>
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 53, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 85.Technische specificaties die produkten vermelden van een bepaalde makelij of herkomst of bijzondere werkwijzen vermelden waardoor bepaalde ondernemingen worden bevoordeeld of uitgeschakeld, mogen niet gebruikt worden tenzij deze technische specificaties onontbeerlijk zijn ten opzichte van het voorwerp van de opdracht.
  Het is met name verboden merken, octrooien of types, of een bepaalde oorsprong of produktie aan te duiden. [1 Bij wijze van uitzondering is een dergelijke aanduiding, vergezeld van de vermelding " of gelijkwaardig " evenwel toegestaan wanneer het niet mogelijk is door middel van voldoende nauwkeurige en voor alle betrokkenen volstrekt begrijpelijke specificaties een beschrijving van het voorwerp van de opdracht te geven.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 54, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  TITEL V. - Prijsbepaling en prijsonderzoek.
  Art. 86. Wat de prijsbepaling betreft worden onderscheiden : de opdracht voor een globale prijs, de opdracht volgens prijslijst, de opdracht op grond van werkelijke uitgaven en de gemengde opdracht.
  De opdracht voor een globale prijs is een opdracht waarvoor een forfaitaire prijs het geheel van de prestaties dekt of die uitsluitend forfaitaire posten omvat.
  De opdracht volgens prijslijst is een opdracht waarvan alleen de eenheidsprijzen voor de prestaties forfaitair zijn; door de eenheidsprijzen op de hoeveelheden van de verrichte prestaties toe te passen, wordt het te betalen bedrag vastgesteld.
  De opdracht op grond van werkelijke uitgaven is een opdracht waarvoor de uitgevoerde prestaties betaald worden na onderzoek van de kostprijzen en de daarop als winst toegepaste verhogingen. De kostenbestanddelen die mogen worden aangerekend, de wijze waarop de kostprijzen worden berekend en de omvang van de als winst toegepaste verhogingen worden bepaald in de contractclausules.
  De gemengde opdracht is een opdracht waarvan de prijzen vastgesteld worden volgens de verschillende wijzen bepaald in de leden 2 tot 4.
  Art. 86bis. [1 De aanbestedende overheid kan in de aankondiging van opdracht of in het bestek vermelden bij welke instanties de inschrijvers de terzake dienende informatie kunnen verkrijgen over de verplichtingen inzake belastingen, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden die gelden op de plaats waar de prestaties worden uitgevoerd en die tijdens de uitvoering van de opdracht op die prestaties van toepassing zijn.
   Wanneer de aanbestedende overheid de in het eerste lid bedoelde informatie verstrekt, dienen de inschrijvers in hun offerte te verklaren dat zij bij het opstellen ervan rekening hebben gehouden met de verplichtingen inzake arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden die gelden op de plaats waar de prestaties worden uitgevoerd.
   Het tweede lid geldt onverminderd de toepassing van artikel 110, § 3.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-09-29/01, art. 55, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 87. In de gevallen waarin artikel 7, § 2, van de wet de gunning van de opdracht zonder forfaitaire prijsbepaling toestaat, wordt de opdracht gegund :
  1° hetzij op grond van werkelijke uitgaven;
  2° hetzij eerst tegen voorlopige prijzen en vervolgens tegen forfaitaire prijzen, zodra de voorwaarden van de opdracht goed gekend zijn;
  3° hetzij deels op grond van werkelijke uitgaven, deels tegen forfaitaire prijzen.
  Art. 88. § 1. In de gevallen van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure bedoeld in artikel 17, § 2, van de wet moeten de inschrijvers vóór het gunnen van de opdracht, alle nodige inlichtingen verstrekken om het onderzoek van de prijzen mogelijk te maken.
  Deze bepaling is niet toepasselijk op opdrachten voor courante leveringen of (met een bedrag niet hoger ligt) dan dit bepaald in artikel 120 van dit besluit, tenzij het bestek een andere bepaling inhoudt. <KB 2002-04-22/30, art. 32, 008; ED : 30-04-2002>
  (lid opgeheven) <KB 1999-03-25/39, art. 37, 003; ED : 01-06-1999>
  § 2. In de andere gunningsprocedures kan het bestek bepalen dat de inschrijvers, vóór de gunning van de opdracht, alle inlichtingen moeten verstrekken om de aanbestedende overheid in staat te stellen de aangeboden prijzen te onderzoeken.
  Ongeacht de gunningsprocedure, is de aannemer verplicht aan de aanbestedende overheid alle inlichtingen te verstrekken voor het onderzoek van de prijzen in de gevallen bedoeld in artikel 87.
  (lid opgeheven) <KB 1999-03-25/39, art. 37, 003; ED : 01-06-1999>
  § 3. (Wanneer het bestek zulks bepaalt, kunnen de daartoe door de aanbestedende overheid aangewezen personen alle verificaties van de boekhoudkundige stukken en alle onderzoeken ter plaatse uitvoeren, teneinde de juistheid van de op grond van de eerste en tweede paragraaf verstrekte gegevens na te gaan.) <KB 1999-03-25/39, art. 37, 003; ED : 01-06-1999>
  De bij toepassing van voorgaande bepalingen ingewonnen inlichtingen mogen door de aanbestedende overheid niet voor andere doeleinden dan het bij deze titel bepaalde onderzoek worden gebruikt. |?35,TITEL VI. - De offertes en de gunning bij aanbesteding en offerteaanvraag.
  TITEL VI. - De offertes en de gunning bij aanbesteding en offerteaanvraag.
  HOOFDSTUK I. - Opmaken van de offerte.
  Afdeling I. - Vorm en inhoud van de offerte.
  Art. 89. De inschrijver maakt zijn offerte op en vult de samenvattende opmetingstaat of de inventaris in op het eventueel bij het bestek behorende formulier. Indien hij deze op andere documenten maakt dan op het voorziene formulier moet de inschrijver op ieder van deze documenten verklaren dat het document conform het bij het bestek behorende model is.
  De documenten worden door de inschrijver of zijn gemachtigde ondertekend.
  Doorhalingen, overschrijvingen, aanvullingen of wijzigingen, zowel in de offerte als in de bijlagen, die de essentiële voorwaarden van de opdracht zoals prijzen, termijnen, technische specificaties kunnen beïnvloeden, moeten eveneens door de inschrijver of zijn gemachtigde ondertekend worden. (De bepalingen van dit lid zijn niet van toepassing indien de offerte en de bijlagen met een elektronische handtekening worden ondertekend.) <KB 2004-02-18/35, art. 4, 011; ED : 01-05-2004>
  Art. 90. <KB 1999-03-25/39, art. 38, 003; ED : 01-06-1999> § 1. De offerte vermeldt :
  1° de naam, voornamen, de hoedanigheid of het beroep, de nationaliteit en woonplaats van de inschrijver of, indien het een vennootschap betreft, haar handelsnaam of benaming, rechtsvorm, nationaliteit en maatschappelijke zetel;
  2° het nummer en de benaming van de rekening die de inschrijver bij een financiële instelling geopend heeft;
  3° de nationaliteit van de eventuele onderaannemers en van het personeel door de inschrijver tewerkgesteld alsook, bij een overheidsopdracht voor aanneming van werken, de identificatie van de eventuele onderaannemers;
  4° de oorsprong van de te leveren producten en van de te verwerken materialen die niet afkomstig zijn van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap, met vermelding, per land van oorsprong, van de waarde, exclusief douanerechten waarvoor zij in de offerte tussenkomen; indien het producten of materialen betreft die op het grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap worden afgewerkt of verwerkt, moet enkel de waarde van de grondstoffen worden vermeld.
  § 2. De bescheiden, modellen, monsters en alle andere inlichtingen die door het bestek worden vereist, moeten bij de offerte worden gevoegd, tenzij in het bestek anders is bepaald.
  § 3. Opdat zijn offerte als regelmatig zou kunnen worden beschouwd, dient de inschrijver voldaan hebben aan de voorschriften inzake bijdragen voor de sociale zekerheid, overeenkomstig de artikelen 17bis, 43bis en 69bis van dit besluit.
  De inschrijver moet overeenkomstig de bovengenoemde artikelen, een attest bijvoegen dat zijn toestand bepaalt vóór de uiterste datum van ontvangst van de offertes, behalve indien een attest dat betrekking heeft op dezelfde periode werd voorgelegd met het oog op de kwalitatieve selectie.
  § 4. Indien het attest of de attesten of documenten waarvan sprake in § 3 niet bij de offerte is of zijn gevoegd, of niet vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de offertes toekomt of toekomen kan de aanbestedende overheid, zonder dat hieruit enig recht voor de inschrijvers kan ontstaan, met alle middelen die zij dienstig acht inlichtingen inwinnen met betrekking tot de betaling van de bijdragen voor de sociale zekerheid en, in voorkomend geval, voor de bestaanszekerheid van om het even welke inschrijver die naar haar oordeel als aannemer in aanmerking kan komen. De aanbestedende overheid kan onder meer aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om mededeling van deze toestand verzoeken.
  De offerte wordt als regelmatig beschouwd indien uit de inlichtingen ingewonnen door de aanbestedende overheid blijkt dat de inschrijver aan de in § 3 bepaalde voorschriften heeft voldaan.
  (§ 4bis. Het in § 3 bedoelde attest moet niet worden voorgelegd wanneer het bedrag van de offerte, zonder belasting over de toegevoegde waarde, niet hoger is dan 22.000 euro. In dit geval moet de aanbestedende overheid inlichtingen inwinnen over de toestand van de inschrijver, teneinde na te gaan of hij voldaan heeft aan de voorschriften inzake betaling van de sociale zekerheidsbijdragen.
  (Bedoeld attest moet ook niet worden voorgelegd wanneer de aanbestedende overheid de inschrijver daarvan heeft vrijgesteld overeenkomstig de artikelen 20, § 4, 46, § 4, en 72, § 5.) <KB 2005-07-20/53, art. 5, 014 ; ED : 01-10-2005>
  Indien de opdracht verdeeld is in percelen, moet het totaalbedrag van de percelen waarvoor de inschrijver een offerte heeft ingediend, in aanmerking worden genomen.) <KB 2002-04-22/30, art. 33, 008; ED : 01-05-2002>
  § 5. (Voorheen 6.) Voor de gunning van de opdracht mag afgeweken worden van de bepalingen van (§ 3) bij gemotiveerde beslissing van de aanbestedende overheid. <KB 2008-07-31/32, art. 11, 019; ED : 18-08-2008>
  § 6. (afgeschaft door vernummering) <KB 2008-07-31/32, art. 11, 019; ED : 18-08-2008>
  Art. 91. Door eenvoudig deel te nemen aan een procedure tot gunning van een overheidsopdracht verklaart de inschrijver geen afspraken te hebben gemaakt of zich niet door afspraken op grond van vooraanbestedingen te hebben verbonden en geen deel te hebben gehad in enig akkoord, vergadering of samenspanning met schending van artikel 11 van de wet.
  Art. 92. <KB 1999-03-25/39, art. 39, 003; ED : 01-06-1999> De aanbestedende overheid mag in eender welk stadium van de procedure van elke rechtspersoon de voorlegging eisen van zijn statuten of vennootschapsakten, eventueel vergezeld van een vertaling ervan door een beëdigd vertaler in de taal van de offerte wanneer het gaat om buitenlandse kandidaten of inschrijvers, evenals van elke wijziging van de inlichtingen betreffende zijn bestuurders of zaakvoerders.
  Afdeling II. - Vereniging, volmacht en vervanging.
  Art. 93. § 1. Wanneer de inschrijver een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid is opgericht door verscheidene natuurlijke of rechtspersonen, word de offerte ondertekend door ieder van die personen, die verplicht zijn zich hoofdelijk te verbinden en aan te wijzen wie van hen ermede belast zal zijn de vereniging ten overstaan van de aanbestedende overheid te vertegenwoordigen.
  Onverminderd artikel 11 van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, moeten de leden van dergelijke vereniging de bepalingen van de artikelen 89 tot 92 (en 103) naleven, alsof zijzelf de inschrijver zouden zijn. <KB 1999-03-25/39, art. 40, 003; ED : 01-06-1999>
  § 2. Bij beperkte procedure (...) kan, indien het bestek het toelaat, de aanbestedende overheid een offerte, ingediend door een tijdelijke vereniging die niet geselecteerde personen bevat aanvaarden, voor zover minstens één geselecteerde kandidaat deel uitmaakt van deze vereniging. <KB 1999-03-25/39, art. 40, 003; ED : 01-06-1999>
  Art. 94. De offerte die door gemachtigden wordt ingediend vermeldt duidelijk de volmachtgever of de volmachtgevers voor wie wordt gehandeld. De gemachtigden voegen bij hun offerte de authentieke of onderhandse akte waaruit hun bevoegdheid blijkt, of een gewaarmerkt afschrift van hun volmacht. Zij kunnen zich beperken tot verwijzing naar het nummer van de bijlage van het Belgisch Staatsblad waarin hun bevoegdheden zijn bekendgemaakt.
  Volmachtgevers kunnen, met het oog op latere opdrachten, de volmacht neerleggen die zij aan een of meer welbepaalde gemachtigden hebben gegeven. Deze volmacht geldt alleen voor de opdrachten van de aanbestedende overheid waarbij zij is neergelegd. De gemachtigde vermeldt bij iedere offerte de datum van neerlegging van die volmacht.
  (De offerte die met een elektronische handtekening wordt ondertekend door middel van een certificaat op naam van een rechtspersoon die enkel een verbintenis aangaat in zijn naam en voor zijn eigen rekening, vereist geen bijkomende volmacht.) <KB 2004-02-18/35, art. 5, 011; ED : 01-05-2004>
  Art. 95. Indien tijdens een gunningsprocedure een inschrijver, natuurlijke persoon, wordt vervangen door een rechtspersoon, kan de aanbestedende overheid de vervanging aanvaarden. In dit geval moet de inschrijver zich hoofdelijk verantwoordelijk stellen voor de verbintenissen die hij bij de indiening van zijn offerte ondertekende.
  Afdeling III. - Overheidsopdracht voor aanneming van werken en samenvattende opmetingsstaat.
  Art. 96. § 1. Wanneer bij een bestek van een overheidsopdracht voor aanneming van werken een samenvattende opmetingsstaat is gevoegd waarin de prestaties in verschillende posten, met opgave van de totale hoeveelheid voor elke post, worden samengevat wordt daarin vermeld of de voor iedere post aangegeven hoeveelheid, een forfaitaire dan wel een vermoedelijke hoeveelheid is. De inschrijver vult hem in.
  § 2. De inschrijver vult de leemten in de samenvattende opmetingsstaat aan en verbetert de vergissingen die hij in de forfaitaire hoeveelheden ontdekt, rekening houdend met de tekeningen, het bestek, zijn beroepskennis of persoonlijke bevindingen; hij voegt bij zijn offerte een nota ter verantwoording van de wijzigingen.
  De inschrijver handelt op dezelfde wijze voor de verbetering van de vermoedelijke hoeveelheden waarvoor het bestek die verbetering toestaat en de voorgestelde wijziging ten minste tien pct., in meer of in min, van de hoeveelheid van de betrokken post bereikt.
  De aanbestedende overheid heeft het recht te beslissen :
  1° dat, indien de vermoedelijke hoeveelheid aldus wordt verminderd, zij een forfaitaire hoeveelheid wordt voor de inschrijver die de vermindering heeft voorgesteld;
  2° dat de eenheidsprijs aangegeven door de aannemer in de samenvattende opmetingsstaat voor een hoeveelheid die forfaitair is geworden, niet als grondslag geldt voor de verrekeningen ingevolge tijdens de uitvoering van de opdracht bevolen wijzigingen.
  Die beslissingen worden aan de inschrijver die de vermindering heeft voorgesteld met de kennisgeving van de goedkeuring van zijn offerte medegedeeld.
  § 3. De inschrijver vult de samenvattende opmetingsstaat in, doet de nodige rekenkundige bewerkingen, ondertekent het stuk en voegt het bij zijn offerte waarin hij het totale bedrag van de opmetingsstaat opgeeft.
  § 4. De eenheidsprijzen en de totale prijzen voor iedere post van de samenvattende opmetingsstaat moeten worden opgegeven met inachtneming van de betrekkelijke waarde van die post ten opzichte van het totale bedrag van de offerte. Al de algemene en financiële onkosten alsmede de winsten moeten over de onderscheiden posten, in verhouding tot hun belangrijkheid, worden verdeeld.
  § 5. Na de opening van de offertes is de inschrijver niet meer gerechtigd zich op fouten of leemten te beroepen die in de opmetingsstaat voorkomen die door de aanbestedende overheid aan de inschrijvers ter beschikking is gesteld. De gegevens van deze opmetingsstaat gelden alleen als eenvoudige aanwijzingen en zij kunnen slechts worden ingeroepen als aanvulling, indien nodig, van onvolkomenheden van het bestek en van de goedgekeurde tekeningen.
  Afdeling IV. - Overheidsopdracht voor aanneming van leveringen of van diensten en inventaris.
  Art. 97. § 1. In de offertes voor een overheidsopdracht voor aanneming van leveringen of diensten worden de eenheidsprijs, het bedrag voor iedere post of iedere prestatie, desgevallend het totale bedrag voor ieder perceel, en het totale bedrag van de opdracht vermeld.
  Indien bij het bestek een inventaris is gevoegd, waarin leveringen of diensten zijn opgenomen in verschillende posten, met opgave van de totale hoeveelheid voor elke post, vult de inschrijver hem in, doet de nodige rekenkundige bewerkingen, ondertekent hem en voegt hem bij zijn offerte waarin hij het totale bedrag van de inventaris opgeeft.
  Tenzij een besteksbepaling het uitdrukkelijk toestaat, kan de inschrijver de aangeduide hoeveelheden van de inventaris niet wijzigen, ongeacht of het om forfaitaire dan wel om vermoedelijke hoeveelheden gaat.
  § 2. Een opdracht voor aanneming van leveringen of van diensten waarin slechts forfaitaire posten voorkomen is een opdracht voor een globale prijs. De globale prijs wordt eventueel bij toepassing van de artikelen 111 of 114 verbeterd.
  Indien geen hoeveelheden of slechts vermoedelijke hoeveelheden zijn vermeld, inzonderheid zo het bestek een zekere speling voor de te leveren hoeveelheden mogelijk maakt of de aanbestedende overheid zich het recht voorbehoudt de bestellingen naar haar behoeften te regelen, dan zijn alleen de eenheidsprijzen forfaitair en is de opdracht een opdracht volgens prijslijst.
  Afdeling V. - Vergissingen en leemten.
  Art. 98. Indien de inschrijver in het bestek of in de aanvullende documenten van de opdracht zodanige vergissingen of leemten vaststelt dat het hem onmogelijk is een prijs te berekenen, of dat de vergelijking van de offertes niet meer opgaat, geeft hij daarvan onverwijld, althans ten minste tien dagen vóór de dag van de opening van de offertes, schriftelijk kennis aan de aanbestedende overheid, behoudens zo de inkorting van de termijn voor het indienen van de offertes niet toelaat deze voorwaarde na te leven.
  De aanbestedende overheid oordeelt of het, wegens de belangrijkheid van de vergissingen of de leemten, verantwoord is de zitting van de opening van de offertes te verdagen en een rechtzetting te publiceren.
  Art. 99. De inschrijvers kunnen zich niet beroepen op mogelijke vormgebreken, fouten of leemten in hun offerte.
  Afdeling VI. Prijsopgave, opdrachten in percelen en gebruik van de talen.
  Art. 100. § 1. Alle heffingen welke de opdracht belasten met uitzondering van de belasting op de toegevoegde waarde vallen ten laste van de aannemer en worden verondersteld te zijn begrepen in de eenheidsprijzen en de globale prijzen van de opdracht.
  Wat de belasting op de toegevoegde waarde betreft, kan de aanbestedende overheid :
  a) hetzij voorschrijven dat zij in een afzonderlijke post van opmetingsstaat of van de inventaris wordt vermeld om bij de prijs van de offerte te worden gevoegd. Indien de inschrijver verzuimt deze post in te vullen, wordt de geboden prijs door de aanbestedende overheid met deze belasting verhoogd :
  b) hetzij de inschrijver verplichten in de offerte de aanslagvoet van de belasting op de toegevoegde waarde te vermelden. Indien verschillende aanslagvoeten toepasselijk zijn, worden voor elk van hen de betreffende posten van de opmetingsstaat of van de inventaris vernoemd.
  § 2. (De prijzen worden in de offerte in euro opgegeven.) <KB 2000-07-20/50, art. 1, 006; ED : 01-01-2002>
  Het totale bedrag van de offerte en de eenheidsprijzen worden voluit geschreven. Dit geschiedt ook met het globale bedrag van iedere post in de samenvattende opmetingsstaat of inventaris, indien het bestek het voorschrijft.
  Is een prijs in cijfers en voluit uitgedrukt en bestaat hiertussen een verschil, dan geldt, voor zover de eigenlijke bedoeling van de inschrijver niet kan worden gekend, de voluit geschreven prijs. Om die bedoeling te kennen, worden alle middelen aangewend, inzonderheid door ontleding van de offerte en de vergelijking van haar prijzen met die van de andere offertes of met de gangbare prijzen.
  Art. 101. Indien het bestek meerdere percelen bevat, kan de inschrijver een offerte indienen voor één of voor meer percelen. Voor elk gekozen perceel dient hij een offerte in. Deze offertes kunnen in één dokument opgenomen worden indien het bestek het toelaat.
  Indien het bestek het toelaat, mag de inschrijver zijn offertes op de verschillende percelen aanvullen met prijsverminderingen of, in geval van offerteaanvraag, met verbeteringsvoorstellen die hij per perceel toestaat in geval van samenvoeging van bepaalde percelen waarvoor hij een offerte indient.
  Art. 102. Zo het bestek in meer dan één taal is gesteld, duidt de inschrijver de taal aan die hij kiest voor de interpretatie van het contract.
  Doet hij dit niet, dan wordt hij verondersteld hiervoor de taal van zijn offerte te hebben gekozen, voor zover het een van de talen is waarin het bestek is gesteld.
  HOOFDSTUK II. - Indienen van de offertes.
  Art. 103. Onafgezien van eventuele varianten, mag ieder inschrijver slechts één offerte indienen per opdracht.
  Art. 104.((§ 1.) De offerte opgesteld op papier wordt per brief of per bode aan de aanbestedende overheid overgemaakt. Ze wordt in een definitief gesloten omslag geschoven waarop het volgende vermeld wordt : de datum van de zitting waarop de offertes worden geopend, de verwijzing naar het bestek en eventueel naar de nummers van de betrokken percelen. Bij verzending per post, als gewoon of aangetekend stuk, wordt die gesloten omslag in een tweede gesloten omslag geschoven met opgave van het adres dat in het bestek is aangegeven en met de vermelding " offerte ". Dezelfde voorwaarden zijn van toepassing op de via elektronische middelen opgestelde offerte die evenwel niet via deze middelen wordt verzonden.
  [1 ...]1) <KB 2004-02-18/35, art. 6, 011; ED : 01-05-2004>
  (§ 2.) Iedere offerte moet bij de voorzitter van de zitting voor de opening van de (offertes) toekomen alvorens hij de zitting opent. <KB 2004-02-18/35, art. 6, 011; ED : 01-05-2004>
  Nochtans wordt een offerte die te laat toekomt, in aanmerking genomen voor zover :
  1° de aanbestedende overheid aan de aannemer nog geen kennis heeft gegeven van haar beslissing,
  2° en de offerte ten laatste vier kalenderdagen vóór de dag vastgesteld voor de ontvangst van de offertes bij de post als aangetekende zending is afgegeven. <KB 2004-02-18/35, art. 6, 011; ED : 01-05-2004>
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 56, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 105.
  § 1. Om een reeds opgestuurde of ingediende offerte te wijzigen of in te trekken, is een schriftelijke verklaring vereist, die door de inschrijver of zijn gemachtigde behoorlijk is ondertekend.
  Het voorwerp en de draagwijdte van de wijzigingen moeten, op straffe van nietigheid van de offerte nauwkeurig worden vermeld.
  De intrekking moet onvoorwaardelijk zijn.
  De bepalingen van de artikelen 89, derde lid, en 104 betreffende de offertes zijn toepasselijk op de wijzigingen en op de intrekkingen.
  § 2. De intrekking kan ook per telegram, telex of telefax worden medegedeeld voor zover:
  1° zij bij de voorzitter van de zitting voor het openen van de offertes toekomt alvorens hij de zitting opent,
  2° en zij wordt bevestigd per aangetekende brief, afgegeven bij de post ten laatste de dag die aan de zitting voor het openen van de offertes voorafgaat. (Deze voorwaarde is niet van toepassing indien elektronische middelen die voldoen aan [1 artikel 81quater, § 1]1 worden gebruikt.) <KB 2004-02-18/35, art. 7, 011; ED : 01-05-2004>
  Wanneer de inschrijver die zijn offerte heeft ingetrokken op regelmatige wijze een nieuwe offerte indient, kan hij daarin opgeven van welke bescheiden die bij de eerste offerte werden gevoegd, hij tot staving van zijn tweede offerte gebruik wil maken.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 57, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  HOOFDSTUK III. - Opening van de offertes.
  Art. 106.De offertes worden geopend op de plaats, de datum en het uur bepaald in de aankondiging van de opdracht of in het bestek.
  De verrichtingen verlopen in volgende orde :
  1° alvorens het publiek tot het aangeduide lokaal toe te laten, (plaatst de voorzitter van de zitting er de reeds ontvangen niet elektronische verzonden offertes). Bij beperkte procedure worden alleen de inschrijvers of hun vertegenwoordigers tot het lokaal toegelaten;
  2° zodra het lokaal voor het publiek toegankelijk is, worden de meegebrachte offertes aan de voorzitter overhandigd;
  3° de voorzitter opent de zitting; vanaf dat ogenblik mag geen enkele offerte nog worden aanvaard;
  4° (daarna wordt inzage genomen van alle ontvangen offertes. [1 De voorzitter of een bijzitter parafeert blad per blad de offertes, met inbegrip van de door hem belangrijkst geachte bijlagen, alsook de documenten tot wijziging en tot intrekking van de offerte. Wanneer de offertes via elektronische middelen die voldoen aan artikel 81quater, § 1, zijn opgesteld, zet de voorzitter of een bijzitter zijn elektronische handtekening op de verschillende hierboven vermelde documenten, behalve indien de door de aanbestedende overheid aangewende elektronische middelen de integriteit van de documenten kunnen garanderen na de opening ervan;]1); <KB 2004-02-18/35, art. 8, 011; ED : 01-05-2004>
  5° [1 de voorzitter leest de naam of de handelsnaam van de inschrijvers, hun woonplaats of maatschappelijke zetel en de intrekkingen voor.]1
  Bij openbare of beperkte aanbesteding leest de voorzitter eveneens de aangeboden prijzen voor, ook voor de eventuele varianten en de prijswijzigingen. Indien de aanbesteding evenwel op een groot aantal percelen betrekking heeft, kan de voorlezing van de prijzen door een ander middel van openbaarmaking vervangen worden, waarvan de aard en de vorm in het bestek worden bepaald.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 58, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 107. De gegevens voorgelezen door de voorzitter bij toepassing van artikel 106, 5°, alsook de incidenten die zich tijdens het verloop van de zitting voor de opening van de offertes voordeden worden in een proces-verbaal opgenomen, dat zonder verwijl wordt ondertekend door de voorzitter en door een bijzitter aangewezen door de aanbestedende overheid alsook door de aanwezigen die zulks verlangen.
  Art. 108.[1 Een extra openingszitting, waartoe alle inschrijvers gelijktijdig en schriftelijk worden uitgenodigd, vindt plaats in volgende gevallen :
   1° wanneer offertes, wijzigingen of intrekkingen te laat zijn binnengekomen, maar toch in aanmerking kunnen worden genomen overeenkomstig de artikelen 104 en 105;
   2° wanneer tijdens de oorspronkelijke openingszitting technische moeilijkheden zijn gerezen voor de opening en de inzage van met elektronische middelen opgestelde offertes, tenzij er een veiligheidskopie is geopend volgens de voorwaarden van artikel 81quater, § 3, eerste lid, 2° en deze kopie niet de voormelde moeilijkheden oplevert.
   Artikel 106, tweede lid, 4° en 5°, en derde lid, en artikel 107 zijn toepasselijk op deze zitting.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 59, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 109. De inschrijver die afwezig was op de openingszitting van de offertes moet, op schriftelijke vraag, mededeling verkrijgen van de gegevens die door de voorzitter werden voorgelezen.
  HOOFDSTUK IV. - Regelmatigheid van de offertes en van de prijzen.
  Art. 110.
  § 1. De gunning vindt plaats op basis van het gunningscriterium of van de gunningscriteria, nadat de geschiktheid van de inschrijvers of van de kandidaten die niet zijn uitgesloten door de aanbestedende overheid is nagegaan overeenkomstig de regels in verband met de kwalitatieve selectie.
  § 2. Onverminderd de nietigheid van elke offerte wegens afwijking van de essentiële besteksbepalingen zoals deze opgesomd in artikel 89, kan de aanbestedende overheid offertes als onregelmatig en derhalve als onbestaande beschouwen, indien zij niet overeenstemmen met de bepalingen van deze titel, enig voorbehoud inhouden, of bestanddelen bevatten die niet met de werkelijkheid overeenstemmen.
  § 3. Vooraleer de aanbestedende overheid evenwel een offerte afwijst, wegens haar blijkbaar abnormaal hoge of abnormaal lage eenheidsprijzen of totale prijzen, verzoekt zij de betrokken inschrijver per aangetekende brief hierover de nodige [schriftelijke] verantwoordingen te verstrekken binnen een termijn van twaalf kalenderdagen, tenzij de uitnodiging een langere termijn [bepaalt]. <KB 2004-02-18/35, art. 10, 011; ED : 01-05-2004>
  [Het is de inschrijver die het bewijs moet leveren van de verzending van die verantwoordingen.] <KB 2004-02-18/35, art. 10, 011; ED : 01-05-2004>
  [1 Bij het onderzoek van de vermoedelijk abnormale prijzen kan de aanbestedende overheid met name rekening houden met verantwoordingen gebaseerd op :
   1° de doelmatigheid van het bouwproces, van het productieproces van de producten of van de dienstverlening;
   2° de gekozen technische oplossingen en/of uitzonderlijk gunstige omstandigheden waarvan de inschrijver bij de uitvoering van de werken, de levering van de producten of het verlenen van de diensten kan profiteren;
   3° de originaliteit van de door de inschrijver aangeboden werken, producten of diensten;
   4° de naleving van de bepalingen inzake arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden die gelden op de plaats waar de opdracht wordt uitgevoerd;
   5° de eventuele ontvangst van rechtmatig toegekende overheidssteun door de inschrijver.]1
  [vierde en vijfde leden opgeheven] <KB 1999-03-25/39, art. 41, 003; ED : 01-06-1999>
  [2 Wanneer het geraamde bedrag van de opdracht het bedrag voor de Europese bekendmaking bereikt en de aanbestedende overheid vaststelt dat een offerte abnormaal laag is doordat de inschrijver overheidssteun heeft ontvangen, kan de offerte alleen op uitsluitend die grond worden afgewezen indien de inschrijver desgevraagd niet binnen en door de aanbestedende overheid bepaalde voldoende lange termijn kan aantonen dat de betrokken steun rechtmatig is toegekend. Wanneer de aanbestedende overheid in een dergelijke situatie een offerte weert, stelt zij daarvan de Europese Commissie in kennis.]2
  § 4. In het geval van een overheidsopdracht voor aanneming van werken, gegund bij openbare of beperkte aanbesteding en voor zover minstens vier offertes werden ingediend, wordt bovendien elke offerte waarvan het bedrag minstens vijftien pct. onder het gemiddelde bedrag van de door gegadigden ingediende offertes ligt beschouwd als een offerte waarvan het eventueel abnormale karakter van de prijs moet nagezien worden door de aanbestedende overheid.
  Het in het eerste lid beschouwde gemiddelde wordt als volgt berekend :
  1° indien het aantal offertes gelijk is aan of groter is dan zeven, met uitsluiting van de laagste offerte en - terzelfdertijd - onder de hoogste offertes van een deel dat een vierde van het geheel van de ingediende offertes vertegenwoordigt. Indien dit aantal niet deelbaar is door vier, wordt dat vierde deel naar de hogere eenheid afgerond;
  2° indien het aantal offertes lager ligt dan zeven, met uitsluiting van de laagste en van de hoogste offerte.
  [Voor een offerte waarbij het eventueel abnormaal karakter van het bedrag dient nagezien te worden in de zin van deze paragraaf, moet de aanbestedende overheid :
  1° ofwel in de beslissing om de opdracht toe te wijzen, de verwerping van het bezwaar tegen het schijnbaar abnormale bedrag van de offerte formeel motiveren;
  2° ofwel de inschrijver verzoeken de nodige rechtvaardigingen, zoals voorzien in § 3, te bezorgen. Indien na onderzoek van deze rechtvaardigingen blijkt dat het bedrag van de offerte abnormaal is of bij gebrek aan rechtvaardigingen binnen de opgelegde termijn, moet de aanbestedende overheid, in afwijking van § 2, de offerte als onregelmatig beschouwen en bijgevolg als van rechtswege nietig.] <KB 1999-03-25/39, art. 41, 003; ED : 01-06-1999>
  [§ 5. Indien de offerte wordt afgewezen krachtens § 3 of 4, deelt de aanbestedende overheid dat binnen vijftien dagen na de gunning van de opdracht mee aan de Commissie voor de erkenning van aannemers, wanneer het gaat om een overheidsopdracht voor aanneming van werken. Zij deelt haar bovendien de namen mee van de inschrijvers die de nodige rechtvaardigingen niet binnen de gestelde termijn bezorgd hebben.] <KB 1999-03-25/39, art. 41, 003; ED : 01-06-1999>
  [2 lid 2 opgeheven]2
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 60, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 28, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  HOOFDSTUK V. - Keuze van de [1 begunstigde]1 bij aanbesteding of offerteaanvraag.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 29, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Afdeling I. - Keuze bij openbare of beperkte aanbesteding.
  Art. 111.Alvorens de [2 begunstigde]2 aan te wijzen, verbetert de aanbestedende overheid de rekenfouten en de kennelijk materiële fouten in de offertes, zonder dat zij voor niet ontdekte fouten aansprakelijk is.
  Voor het verbeteren van die fouten gaat de aanbestedende overheid de werkelijke bedoeling van de inschrijver na met alle middelen, onder meer door een onderzoek van de offerte, een vergelijking van de prijzen met die van de overige inschrijvers en met de gangbare prijzen.
  Indien de bedoeling niet duidelijk is, kan de aanbestedende overheid, hetzij beslissen dat de geboden eenheidsprijzen geldig zijn, hetzij de twijfelachtig bevonden offerte als onregelmatig verwerpen.
  [Indien de aanbestedende overheid rechtstreeks fouten verbetert in een via elektronische middelen opgestelde offerte, bewaart zij de oorspronkelijke versie van de offerte en ziet zij erop toe dat haar rechtzettingen duidelijk identificeerbaar zijn, terwijl ook de oorspronkelijke gegevens zichtbaar moeten blijven. Zij ondertekent haar rechtzettingen of de aangepaste versie via elektronische middelen die voldoen aan [1 artikel 81quater, § 1]1.] <KB 2004-02-18/35, art. 11, 011; ED : 01-05-2004>
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 61, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 29, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 112.
  § 1. Wanneer een inschrijver, bij toepassing van artikel 96, § 2, de hoeveelheid van één of meer posten van de samenvattende opmetingsstaat van een overheidsopdracht voor aanneming van werken heeft verbeterd, ziet de aanbestedende overheid die wijzigingen na, verbetert ze zo nodig volgens eigen berekeningen en wijzigt eventueel de opmetingen gevoegd bij de offertes volgens de regels hierna :
  1° voor de definitieve verbetering van de offerte, wordt als volgt te werk gegaan :
  a) de aanbestedende overheid verbetert de offerte op grond van de juist bevonden hoeveelheden voor elke post van de samenvattende opmetingsstaat;
  b) wanneer de aanbestedende overheid de wijzigingen van een post met vermoedelijke hoeveelheden niet door eigen berekeningen kan nazien, brengt zij de voorgestelde verhoging van de hoeveelheden tot de oorspronkelijke hoeveelheid van de opmetingsstaat terug; de aanbestedende overheid behoudt de verminderingen aangebracht door de inschrijvers, onverminderd de rechten van de aanbestedende overheid, omschreven in artikel 96, § 2, derde lid, 1° en 2°;
  2° [voor de rangschikking van de offertes worden de hoeveelheden aanvaard door de aanbestedende overheid die groter zijn dan of gelijk zijn aan de hoeveelheden van de oorspronkelijke opmetingsstaat, naar alle opmetingsstaten zonder onderscheid gebracht. De wijzigingen die door de aanbestedende overheid aanvaard worden en die een vermindering van de hoeveelheden tot gevolg hebben, spelen daarentegen enkel in het voordeel van de inschrijvers die ze gemeld hebben en enkel in de mate dat hun verantwoording is aanvaard.] Aldus : <KB 1999-03-25/39, art. 42, 003; ED : 01-06-1999>
  a) wordt, indien de hoeveelheid voorgesteld door de inschrijver kleiner is dan de hoeveelheid aanvaard door de aanbestedende overheid, deze laatste hoeveelheid in de opmetingsstaat gebracht;
  b) wordt, indien de hoeveelheid voorgesteld door de inschrijver, ligt tussen de hoeveelheid aanvaard door de aanbestedende overheid en de hoeveelheid van de oorspronkelijke opmetingsstaat, de hoeveelheid voorgesteld door de inschrijver in de opmetingsstaat gebracht;
  c) wordt, indien de hoeveelheid voorgesteld door de inschrijver, groter is dan de hoeveelheid van de oorspronkelijke opmetingsstaat, de door de inschrijver voorgestelde hoeveelheid teruggebracht tot de hoeveelheid van de oorspronkelijke opmetingsstaat.
  § 2. 1° Wanneer een inschrijver enige leemte in de samenvattende opmetingsstaat van een overheidsopdracht voor aanneming van werken heeft aangevuld, onderzoekt de aanbestedende overheid de gegrondheid van de aanvulling en verbetert deze eventueel.
  Indien de andere inschrijvers geen prijzen voor de ontbrekende posten hebben voorgesteld, worden deze prijzen met het oog op de rangschikking van de offertes en de definitieve verbetering van de goed te keuren offerte volgens de onderstaande formule berekend :
  

L x Y
S=-------
X

waarin
  - S : de prijs van de ontbrekende post is;
  - L : het eventueel door de aanbestedende overheid verbeterde bedrag voor de ontbrekende post in de samenvattende opmetingsstaat van de inschrijver die op de leemte heeft gewezen;
  - X : het totale bedrag van de samenvattende opmetingsstaat van dezelfde inschrijver, eventueel verbeterd op grond van de juist bevonden hoeveelheden voor elke post van de samenvattende opmetingsstaat en overeenkomstig de bepalingen van artikel 111, zonder met de ontbrekende posten rekening te houden;
  - Y : het totale bedrag van de samenvattende opmetingsstaat van de betrokken inschrijver die de leemte niet heeft vermeld, eventueel verbeterd op grond van de juist bevonden hoeveelheden voor elke post van de samenvattende opmetingsstaat en overeenkomstig de bepalingen van artikel 111, zonder met de ontbrekende posten rekening te houden.
  2° Wanneer verscheidene inschrijvers dezelfde leemte hebben vermeld, worden L en X verkregen door het rekenkundige gemiddelde te nemen van de waarden L en X in de samenvattende opmetingsstaten van die inschrijvers.
  3° In beide gevallen wordt de eenheidsprijs van de ontbrekende post verkregen door het bedrag S te delen door de overeenstemmende hoeveelheid, zoals die eventueel door de aanbestedende overheid is verbeterd.
  4° Voor de berekening van de prijzen van een ontbrekende post, overeenkomstig de onderdelen 1° en 2°, is de aanbestedende overheid gerechtigd geen rekening te houden met de offerte waarin voor de ontbrekende post een abnormale prijs is vermeld.
  Indien, in dit geval en onverminderd artikel 110, § 2 tot en met 4, geen inschrijver een normale prijs voor de ontbrekende post heeft voorgesteld en de aanbestedende overheid aan de procedure gevolg wil geven, kan zij de opdracht gunnen zonder met die post rekening te houden; de prijs wordt met de inschrijver die als [2 begunstigde]2 wordt aangewezen onderhands bedongen vooraleer zijn offerte wordt goedgekeurd.
  § 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt, behalve wat de aanvulling van leemten betreft, rekening gehouden met de wijzigingen aangebracht door een inschrijver van een overheidsopdracht voor aanneming van werken wiens offerte nietig is verklaard.
  § 4. Wanneer een inschrijver van een overheidsopdracht voor aanneming van werken voor een willekeurige post van de samenvattende opmetingsstaat noch een eenheidsprijs, noch een forfaitaire prijs heeft vermeld, kan de aanbestedende overheid hetzij de offerte als onregelmatig verwerpen, hetzij ze behouden door er de bepalingen van § 2 op toe te passen.
  [§ 5. Indien de aanbestedende overheid rechtstreeks rechtzettingen of verbeteringen aanbrengt in een via elektronische middelen opgestelde offerte, bewaart zij de oorspronkelijke versie van de offerte en ziet zij erop toe dat haar rechtzettingen of verbeteringen duidelijk identificeerbaar zijn, terwijl ook de oorspronkelijke gegevens zichtbaar moeten blijven. Zij ondertekent haar rechtzettingen of de aangepaste versie via elektronische middelen die voldoen aan [1 artikel 81quater, § 1]1.] <KB 2004-02-18/35, art. 12, 011; ED : 01-05-2004>
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 61, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 29, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 113.[Indien het bestek varianten oplegt of toestaat, moet het voorwerp van die varianten, hun aard en draagwijdte nader worden omschreven. In dat geval dient de inschrijver een offerte in voor het basisontwerp en, in voorkomend geval, als het om een opgelegde variante gaat, voor deze variante. De opdracht wordt gegund aan de inschrijver die de laagste regelmatige offerte heeft ingediend op grond van één enkele rangschikking van de basisoffertes en de varianten.] <KB 1999-03-25/39, art. 43, 003; ED : 01-06-1999>
  Wanneer bij toepassing van artikel 101, inschrijvers prijsverminderingen hebben aangeboden bij samenvoeging van verscheidene percelen, wordt de keuze van de [1 begunstigde]1 bepaald door de gegroepeerde percelen die de laagste offerte in de zin van artikel 15, § 1, van de wet vormen.
  Wanneer wordt vastgesteld dat verscheidene inschrijvers dezelfde laagste prijs hebben opgegeven, wordt hun gevraagd een schriftelijke korting in te dienen. Zijn er daarna nog gelijke prijzen, dan houdt de aanbestedende overheid een loting waarop de betrokkenen worden verzocht aanwezig te zijn.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 29, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Afdeling II. Keuze bij algemene of beperkte offerteaanvraag.
  Art. 114.
  § 1. Alvorens over te gaan tot de keuze van de [2 begunstigde]2, ziet de aanbestedende overheid de rekenkundige bewerkingen in de offertes na.
  De aanbestedende overheid verbetert de kennelijk materiële fouten en rekenfouten en, in geval van twijfel, verzoekt zij schriftelijk de inschrijver zijn offerte nader toe te lichten; indien de inschrijver de gevraagde toelichting niet binnen een gestelde termijn heeft verstrekt, kan de aanbestedende overheid, hetzij de offerte als onregelmatig afwijzen, hetzij ze volgens eigen evaluaties verbeteren.
  De aanbestedende overheid is nochtans niet aansprakelijk voor niet ontdekte fouten.
  § 2. 1° Wanneer een inschrijver bij toepassing van artikel 96, § 2, de hoeveelheid van één of meer posten van de samenvattende opmetingsstaat van een overheidsopdracht voor aanneming van werken heeft gewijzigd, ziet de aanbestedende overheid die wijzigingen na, verbetert ze zo nodig volgens eigen berekeningen en herziet, in voorkomend geval, de bij de offertes gevoegde opmetingen op grond van de hoeveelheden die ze als juist erkent.
  Indien de aanbestedende overheid de door het bestek mogelijk gemaakte wijzigingen van een hoeveelheid van een post van een opdracht volgens prijslijst niet door eigen berekeningen kan nazien, brengt ze de voorgestelde hoeveelheden, groter dan de oorspronkelijke, tot de oorspronkelijke terug, en behoudt ze de door de inschrijvers aangebrachte verminderingen, onverminderd de toepassing van artikel 96, § 2, derde lid.
  2° Wanneer een inschrijver, bij toepassing van artikel 96, § 2, in de samenvattende opmetingsstaat enige leemte heeft aangevuld, gaat de aanbestedende overheid de gegrondheid van die aanvulling na en verbetert ze zo nodig volgens eigen berekeningen.
  De offertes van inschrijvers die de leemte niet hebben aangevuld worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 112, § 2, verbeterd.
  § 3. Wanneer een inschrijver van een overheidsopdracht voor aanneming van werken voor een willekeurige post van de samenvattende opmetingsstaat noch een eenheidsprijs, noch een forfaitaire prijs heeft vermeld, kan de aanbestedende overheid hetzij de offerte als onregelmatig verwerpen, hetzij ze behouden door er de bepalingen van § 2 op toe te passen.
  [§ 4. Indien de aanbestedende overheid rechtstreeks rechtzettingen of verbeteringen aanbrengt in een via elektronische middelen opgestelde offerte, bewaart zij de oorspronkelijke versie van de offerte en ziet zij erop toe dat haar rechtzettingen of verbeteringen duidelijk identificeerbaar zijn, terwijl ook de oorspronkelijke gegevens zichtbaar moeten blijven. Zij ondertekent haar rechtzettingen of de aangepaste versie via elektronische middelen die voldoen aan [1 artikel 81quater, § 1]1.] <KB 2004-02-18/35, art. 13, 011; ED : 01-05-2004>
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 61, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 29, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 115.De aanbestedende overheid kiest de regelmatige offerte die haar het voordeligst lijkt op grond van criteria die verschillend kunnen zijn naargelang de opdracht. Wanneer, bij toepassing van artikel 101, inschrijvers een verbetering van de offerte hebben aangeboden bij samenvoeging van verscheidene percelen, wordt de keuze van de [1 begunstigde]1 bepaald door de gegroepeerde percelen die de meest interessante offerte in de zin van artikel 16 van de wet vormen.
  Onverminderd de wettelijke, reglementaire of bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de vergoeding van bepaalde diensten vermeldt de aanbestedende overheid in het bestek en eventueel in de aankondiging van de opdracht al de gunningscriteria, zo mogelijk in volgorde van afnemend belang; in dit geval wordt die volgorde in het bestek of in de aankondiging vermeld. Zo niet hebben de gunningscriteria dezelfde waarde.
  [Wat de overheidsopdrachten betreft die de bedragen voor de Europese bekendmaking bereiken, specificeert de aanbestedende overheid de weging van elk gunningscriterium, die eventueel kan worden uitgedrukt binnen een vork met een passend verschil tussen minimum en maximum. Indien een dergelijke weging om aantoonbare redenen niet mogelijk is, worden de criteria vermeld in dalende volgorde van belangrijkheid.] <KB 2006-01-12/35, art. 16, 016; ED : 01-02-2006>
  [Indien het bestek varianten oplegt of toestaat, moet het voorwerp van die varianten, hun aard en draagwijdte nader worden omschreven. In dat geval dient de inschrijver een offerte in voor het basisontwerp en, in voorkomend geval, als het om een opgelegde variante gaat, voor deze variante. Voor de gunning van de opdracht wordt rekening gehouden met de opgelegde of toegestane varianten.] <KB 1999-03-25/39, art. 44, 003; ED : 01-06-1999>
  Er wordt ook rekening gehouden met de vrije varianten voorgesteld in de offerte, voor zover de aankondiging van opdracht of het bestek ze niet verbiedt.
  De aanbestedende overheid treedt slechts in contact met de inschrijvers indien zij de inhoud van hun offerte moeten preciseren of aanvullen.
  Wanneer verscheidene offertes die het voordeligst worden geacht, met inachtneming van alle factoren, als gelijkwaardig worden beschouwd, kan de aanbestedende overheid, voor de schifting van de inschrijvers, vragen dat zij een verbetering van hun offerte indienen.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 29, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Afdeling III. - Gestanddoeningstermijn voor de inschrijvers.
  Art. 116.De inschrijvers blijven gebonden door hun offerte, eventueel verbeterd door de aanbestedende overheid, gedurende een termijn van zestig kalenderdagen, ingaande de dag na de zitting voor de opening van de offertes, tenzij in het bestek een andere termijn is vermeld.
  Indien bij overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen of van diensten het bestek het toelaat, mogen de inschrijvers zelf, ongeacht de bij het eerste lid gestelde termijn, in hun offerte de gestanddoeningstermijn bepalen.
  [1 lid 3 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 30, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  HOOFDSTUK VI. - Kennisgeving van de keuze van de [1 begunstigde]1.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 29, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 117.[1 De sluiting van de opdracht gebeurt door de betekening van de goedkeuring van zijn offerte aan de begunstigde. Ze mag niet onderhevig zijn aan enig voorbehoud.
   De betekening gebeurt per aangetekende brief, per telefax of via andere elektronische middelen op voorwaarde dat in de twee laatste gevallen, de inhoud binnen vijf dagen per aangetekende brief wordt bevestigd.
   De betekening is tijdig gedaan door de verzending van de aangetekende brief of de verzending per telefax of via andere elektronische middelen binnen de gestanddoeningstermijn bedoeld in artikel 116.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 31, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 118.Wanneer, bij openbare of beperkte aanbesteding, de [1 betekening]1 van de goedkeuring van de offerte niet binnen de termijn bepaald in artikel 116 is geschied is de opdracht slechts [1 gesloten]1 voor zover de betrokken inschrijver hiermede schriftelijk en zonder voorbehoud heeft ingestemd.
  Wanneer die inschrijver zijn offerte slechts handhaaft op voorwaarde dat hij een hogere prijs krijgt, moet de aanbestedende overheid, in plaats van de procedure te herbeginnen de gevraagde prijsverhoging toestaan, indien de gevorderde verhoging verantwoord wordt door omstandigheden die zich na de opening van de offertes hebben voorgedaan en de aldus bekomen nieuwe prijs lager blijft dan die van de oorspronkelijke offertes van de mededingers.
  Zo niet, mag de aanbestedende overheid :
  1° hetzij zich achtereenvolgens richten, volgens de rangschikking van hun regelmatige offerte, tot de andere inschrijvers waarvan de offerte aldus lager geworden is;
  2° hetzij aan al de andere inschrijvers vragen hun prijs, op grond van de oorspronkelijke voorwaarden van de opdracht te herzien, en de opdracht gunnen aan de laagste geworden offerte volgens de uitslag van de nieuwe prijsaanvraag, rekening houdend met de verantwoorde prijsverhoging geëist door de inschrijver waarvan sprake is in het tweede lid.
  Indien de gekozen laagste inschrijver zijn offerte niet handhaaft of slechts handhaaft dan behoudens bepaalde voorwaarden, andere dan het vorderen van een prijsverhoging, richt de aanbestedende overheid zich achtereenvolgens, volgens de rangschikking van hun offertes, tot de andere inschrijvers.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 32, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 119.Wanneer, bij algemene of beperkte offerteaanvraag, de [1 betekening]1 van de goedkeuring van de offerte niet binnen de termijn bepaald in artikel 116 is geschied, is de opdracht slechts [1 gesloten]1, indien de betrokken inschrijver hiermede schriftelijk en zonder voorbehoud heeft ingestemd.
  Wanneer de inschrijver zijn offerte slechts handhaaft op voorwaarde dat ze wordt gewijzigd, moet de aanbestedende overheid, in plaats van de procedure te herbeginnen de gevraagde wijziging aanvaarden, indien deze verantwoord wordt door omstandigheden die zich na de opening van de offertes hebben voorgedaan, en dat, rekening houdend met deze wijziging, de aldus gewijzigde offerte de voordeligste blijft.
  Zo niet, mag de aanbestedende overheid :
  1° hetzij zich achtereenvolgens richten volgens de rangschikking van hun regelmatige offertes, tot de andere inschrijvers met offertes die voordeliger zijn dan de aldus gewijzigde offerte;
  2° hetzij aan al de andere inschrijvers vragen hun offerte op grond van de oorspronkelijke voorwaarden van de opdracht te herzien, en de opdracht gunnen aan de offerte die de voordeligste is geworden, rekening houdend met de verantwoorde wijziging gevraagd door de inschrijver waarvan sprake is in het tweede lid.
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 32, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  TITEL VII. - Bijzondere bepalingen betreffende de onderhandelingsprocedure.
  Art. 120. Bij toepassing van artikel 17, § 2, 1°, a, van de wet, kan tot de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure worden overgegaan voor zover het goed te keuren bedrag, (zonder belasting over) de toegevoegde waarde, niet hoger ligt dan (67.000 EUR). <KB 1999-03-25/39, art. 46, 003; ED : 01-06-1999> <KB 2000-07-20/50, art. 2, 006; ED : 01-01-2002>
  Voor de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten in de zin van de categorieën 6, 8 en 21 van bijlage 2 van de wet, (mag de goed te keuren uitgave, zonder belasting over de toegevoegde waarde, (het bedrag bepaald in artikel 53, niet bereiken.)) <KB 1999-03-25/39, art. 44, 003; ED : 01-06-1999> <Erratum, zie B.St. 25-08-1999, p. 31471>
  Het bedrag van die opdrachten dient te worden getoetst volgens de regels vastgesteld naargelang het geval door de artikelen 2, 28 of 54 van dit besluit.
  (Wanneer percelen voorzien worden in een overheidsopdracht voor aanneming van werken of van diensten waarvan het geraamde bedrag, zonder belasting over de toegevoegde waarde, minder bedraagt dan (550.000 EUR) voor de werken en minder dan het bedrag bepaald in artikel 53 voor de diensten, kan eveneens een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure aangewend worden voor die percelen waarvan de individuele, goed te keuren uitgave de (13.500 EUR) zonder belasting over de toegevoegde waarde niet onverschrijdt, maar voor zover hun samengevoegd bedrag niet meer bedraagt dan twintig pct. van het samengevoegde bedrag van alle percelen.) <KB 1999-03-25/39, art. 46, 003; ED : 01-06-1999> <KB 2000-07-20/50, art. 2, 006; ED : 01-01-2002>
  Met het oog op de toepassing van dit artikel mag een opdracht niet worden gesplitst.
  Art. 120bis.<Ingevoegd bij KB 2007-11-23/34, art. 27; ED : 01-02-2008> [1 Ingeval van toepassing van artikel 17, § 2, 1°, c, van de wet mogen de ter rechtvaardiging van de dwingende spoed ingeroepen omstandigheden in geen geval aan de aanbestedende overheid te wijten zijn.]1
  In geval van toepassing van artikel 17, § 2, 1°, d, van de wet mogen enkel de inschrijvers worden geraadpleegd die een offerte hebben ingediend die aan de daarin vermelde eisen voldoet.
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 63, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 121. In geval van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 2, van de wet, wanneer het geraamde bedrag van de overheidsopdracht voor aanneming van werken, leveringen of diensten, gelijk is aan of hoger is dan de bedragen, (zonder belasting over de toegevoegde waarde), respectievelijk bepaald in de artikelen 1, § 3, 27, § 2 en (53, § 2 en § 3) van dit besluit, en indien er meerdere gegadigden zijn, worden ze gelijktijdig en schriftelijk uitgenodigd om een offerte in te dienen. Deze uitnodiging bevat ten minste : <KB 1999-03-25/39, art. 47, 003; ED : 01-06-1999>
  1° het bestek en, eventueel, de bijgevoegde aanvullende documenten;
  2° indien nodig, het adres van de dienst waar de aanvullende documenten kunnen opgevraagd worden en de uiterste datum van aanvraag, evenals het ter verkrijging van deze documenten verschuldigd bedrag en wijze van betaling daarvan;
  3° de uiterste datum voor ontvangst van de offertes, het adres waarnaar ze moeten verstuurd worden en de taal of talen waarin ze moeten opgesteld worden;
  4° de aanduiding van de eventueel toe te voegen documenten;
  5° desgevallend, en onverminderd de wettelijke, reglementaire of bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de vergoeding van bepaalde diensten, de gunningscriteria van de opdracht.
  Art. 122.Een opdracht via onderhandelingsprocedure komt tot stand:
  1° ofwel gewoon met een aangenomen factuur wanneer het goed te keuren bedrag van de opdracht, [zonder belasting over de toegevoegde waarde], niet hoger ligt dan [5.500 EUR]; <KB 1999-03-25/39, art. 48, 003; ED : 01-06-1999> <KB 2000-07-20/50, art. 2, 006; ED : 01-01-2002>
  2° ofwel op grond van briefwisseling volgens de handelsgebruiken, in de gevallen van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 2, van de wet, wanneer het geraamde bedrag van de overheidsopdracht voor aanneming van werken, leveringen of diensten, [zonder belasting over de toegevoegde waarde], kleiner is dan de bedragen respectievelijk bepaald in de artikelen 1, § 3, 27, § 2 en [2 53, § § 2 en 3]2, van onderhavig besluit; <KB 1999-03-25/39, art. 48, 003; ED : 01-06-1999>
  3° ofwel op grond van de [2 betekening]2 aan de aannemer van de goedkeuring van zijn offerte, zoals zij eventueel gewijzigd werd na onderhandeling tussen de partijen;
  4° ofwel op grond van de overeenkomst ondertekend door de partijen.
  [De artikelen 90 en 91 zijn van toepassing op de opdrachten [2 geplaatst]2 bij onderhandelingsprocedure met of zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure. Artikel 90 is evenwel slechts van toepassing op deze opdrachten voor zover het bedrag ervan hoger is dan 5.500 euro zonder belasting over de toegevoegde waarde.] <KB 2002-04-22/30, art. 34, 008; ED : 01-05-2002>
  [Artikel 93, § 2, is van toepassing op de opdrachten [2 geplaatst]2 bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet wanneer ze tot stand komen overeenkomstig de 2° tot 4° van dit artikel.] <KB 1999-03-25/39, art. 48, 003; ED : 01-06-1999>
  De aanbestedende overheid kan andere bepalingen van titel VI toepasselijk maken op een bepaalde opdracht.
  [Behoudens andersluidende beslissing van de aanbestedende overheid, is titel IIIbis niet van toepassing op de opdrachten die bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking in de zin van artikel 17, § 2, van de wet worden [2 geplaatst]2. [1 ...]1 ] <KB 2004-02-18/35, art. 15, 011; ED : 01-05-2004>
  ----------
  (1)<KB 2009-09-29/01, art. 64, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-02-10/01, art. 33, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  
  Art. 122bis. <Ingevoegd bij KB 2006-01-12/35, art. 17; ED : 01-02-2006> Wanneer ingeval van een onderhandelingsprocedure met bekendmaking (en in geval van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking indien meerdere aannemers, leveranciers of dienstverleners worden geraadpleegd,) het bedrag voor de Europese bekendmaking wordt bereikt en er wordt gegund aan de inschrijver die de regelmatige offerte heeft ingediend die de economisch voordeligste is vanuit het oogpunt van de aanbestedende overheid, specificeert de aanbestedende overheid de weging van elk gunningscriterium. Deze weging kan eventueel worden uitgedrukt binnen een vork met een passend verschil tussen minimum en maximum. Indien een dergelijke weging om aantoonbare redenen niet mogelijk is, worden de criteria vermeld in dalende volgorde van belangrijkheid. <KB 2007-11-23/34, art. 28, 017; ED : 01-02-2008>
  Art. 122ter. [1 § 1. Dit artikel is van toepassing in geval van onderhandelingsprocedure met bekendmaking wanneer het geraamde bedrag van de opdracht het bedrag voor de Europese bekendmaking bereikt.
   § 2. De aanbestedende overheid onderhandelt met de inschrijvers over de door hen ingediende offertes, om die aan te passen aan de eisen die zij in de aankondiging van opdracht, het bestek en de eventuele aanvullende documenten heeft vermeld en om de beste offerte te kiezen.
   Tijdens de onderhandelingen waarborgt de aanbestedende overheid de gelijke behandeling van alle inschrijvers. Met name geeft zij geen discriminerende informatie die sommige inschrijvers kan bevoordelen tegenover andere.
   § 3. De aanbestedende overheid kan bepalen dat de onderhandelingsprocedure in opeenvolgende fases verloopt, teneinde het aantal offertes waarover onderhandeld moet worden, te beperken door toepassing van de gunningscriteria die in de aankondiging van opdracht of in het bestek zijn vermeld. Het gebruik van deze mogelijkheid wordt vermeld in de aankondiging van opdracht of in het bestek.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-09-29/01, art. 65, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  TITEL VIII. - Concessies voor openbare werken en opdrachten gegund in naam van de concessiehouders voor openbare werken.
  HOOFDSTUK I. - Concessies voor openbare werken.
  Afdeling I. - Concessies voor openbare werken onderworpen aan de Europese bekendmaking.
  Art. 123. De concessies voor openbare werken van de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10° van de wet, waarvan het geraamde bedrag gelijk is aan of hoger is dan het bedrag bepaald in artikel 1, § 3, van dit besluit zoals berekend overeenkomstig artikel 2 van hetzelfde besluit, zijn onderworpen aan de bekendmakingsvoorschriften van deze afdeling.
  Een niet limitatieve lijst van de organismen van openbaar nut in de zin van artikel 4, § 2, 1°, en de personen bedoeld in artikel 4, § 2, 8°, van de wet maken de bijlage 1 uit van dit besluit.
  Art. 124. Elke concessie voor openbare werken onderworpen aan deze afdeling maakt het voorwerp uit van een aankondiging van concessie voor openbare werken, opgesteld overeenkomstig (het model van aankondiging opgenomen in bijlage 4, A,) bij dit besluit, die gepubliceerd wordt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. De aanbestedende overheid moet de datum van verzending van de aankondiging kunnen bewijzen. <KB 2002-04-22/30, art. 35, 008; ED : 01-05-2002>
  Deze aankondiging van concessie voor openbare werken wordt eveneens gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen overeenkomstig hetzelfde model van aankondiging.
  De publikatie in het Bulletin der Aanbestedingen mag niet plaatsvinden vóór de datum van de verzending van de aankondiging naar het Bureau voor Officiële publikaties van de Europese Gemeenschappen en moet deze datum vermelden. Ze mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
  Afdeling II. - Concessies voor openbare werken die niet onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking.
  Art. 125. De concessies voor openbare werken van de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 123, waarvan het geraamde bedrag lager is dan het bedrag bepaald in artikel 1, § 3, maken het voorwerp uit van een aankondiging van concessie voor openbare werken die opgesteld wordt overeenkomstig (het model van aankondiging (opgenomen in bijlage 9),) en gepubliceerd wordt in het Bulletin der Aanbestedingen. <KB 2002-04-22/30, art. 36, 008; ED : 01-05-2002> <KB 2004-02-29/34, art. 8, 012; ED : 01-09-2004>
  Afdeling III. - Gemeenschappelijke bepalingen.
  Art. 126. De termijn voor ontvangst van de aanvragen tot deelneming mag niet korter zijn dan tweeënvijftig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging.
  Art. 127. De aanbestedende overheid selecteert de kandidaten op grond van de inlichtingen betreffende de persoonlijke toestand van de kandidaten en van de inlichtingen en de documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de voorwaarden op financieel, economisch en technisch vlak waaraan ze moeten voldoen.
  De aanbestedende overheid raadpleegt de gegadigden, gelijktijdig, per aangetekende brief.
  Art. 127bis. <Ingevoegd bij KB 2008-07-31/32, art. 13; ED : 18-08-2008> Voor zover daarom tijdig is verzocht, dienen de documenten van de concessie en de aanvullende inlichtingen door de aanbestedende overheid te worden verstrekt binnen zes dagen na ontvangst van het verzoek en dienen de nadere inlichtingen over het bestek te worden verstrekt uiterlijk zes dagen vóór het verstrijken van de termijn vastgesteld voor de ontvangst van de offertes.
  Art. 128. De termijn voor ontvangst van de offertes mag niet korter zijn dan veertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending door de aanbestedende overheid van de geschreven uitnodiging. De aanbestedende overheid moet de datum van verzending kunnen bewijzen.
  (Indien de offertes slechts na raadpleging van een omvangrijke documentatie of na een plaatsbezoek, of na inzage ter plaatse van de bij het bestek behorende documenten kunnen worden opgemaakt, dient de termijn bepaald in het eerste lid dienovereenkomstig te worden verlengd.) <KB 2008-07-31/32, art. 14, 019; ED : 18-08-2008>
  Art. 128bis. <Ingevoegd bij KB 2008-07-31/32, art. 15; ED : 18-08-2008> Indien de documenten van de concessie of de aanvullende inlichtingen tijdig zijn aangevraagd, maar om enigerlei reden niet binnen de termijnen bepaald in het eerste lid van artikel 128 zijn verstrekt of indien de offertes slechts na raadpleging van een omvangrijke documentatie, plaatsbezoek, of inzage ter plaatse van bepaalde opdrachtdocumenten kunnen worden opgemaakt, worden de termijnen dienovereenkomstig verlengd.
  Art. 129. De inschrijver is door zijn offerte gebonden gedurende de termijn bepaald in het bestek.
  Art. 130. De inschrijver moet in zijn offerte het percentage aanduiden van de globale waarde van de werken die het voorwerp uitmaken van de concessie en hij aan derden wil toevertrouwen. De aanbestedende overheid mag in het bestek evenwel een percentage opleggen van ten minste dertig pct. van de globale waarde van de werken die het voorwerp uitmaken van de concessie, met de mogelijkheid evenwel voor de kandidaten dit percentage te verhogen.
  Wanneer de concessiehouder een privaatrechtelijk persoon is, worden niet als derden beschouwd de ondernemingen die zich verenigd hebben om de concessie te bekomen en evenmin de ondernemingen die aan de concessiehouder gebonden zijn in de zin van artikel 25, § 2, van de wet.
  De volledige lijst van deze gebonden ondernemingen wordt bij de kandidaatstelling voor de concessie gevoegd. Deze lijst wordt bijgewerkt al naar gelang de wijzigingen die later optreden in de banden tussen de ondernemingen.
  Art. 131. Het bestek dient de gunningscriteria te vermelden. De aanbestedende overheid heeft de mogelijkheid om te onderhandelen over de voorwaarden van het contract, behalve indien het bestek het anders bepaalt.
  HOOFDSTUK II. - Opdrachten voor aanneming van werken gegund door de concessiehouder.
  Afdeling I. - Concessiehouder die de hoedanigheid heeft van een aanbestedende overheid.
  Art. 132. Indien de concessiehouder een aanbestedende overheid is zoals bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10° van de wet , zijn de overheidsopdrachten te gunnen met derden onderworpen aan de toepassing van de andere titels van dit besluit.
  Afdeling II. - Concessiehouder die geen aanbestedende overheid is.
  Art. 133. § 1. Indien de concessiehouder geen aanbestedende overheid is in de zin van artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, van de wet, maakt elke opdracht voor aanneming van werken te gunnen aan een derde persoon in de zin van artikel 25, § 2, van de wet en waarvan het bedrag gelijk is aan of hoger is dan dit bepaald in artikel 1, § 3, van dit besluit, het voorwerp uit van een (aankondiging van een door een concessiehouder te gunnen opdracht, opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging opgenomen in bijlage 4, B,) van dit besluit en gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. De concessiehouder moet de datum van verzending van de aankondiging kunnen bewijzen. <KB 2002-04-22/30, art. 37, 008; ED : 01-05-2002>
  Deze aankondiging van opdracht wordt eveneens gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen overeenkomstig hetzelfde model van aankondiging.
  De publikatie in het Bulletin der Aanbestedingen mag niet plaatsvinden vóór de datum van de verzending van de aankondiging naar het Bureau voor officiële publikaties van de Europese Gemeenschappen en moet deze datum vermelden. Ze mag geen andere inlichtingen bevatten dan deze die gepubliceerd worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
  § 2. De termijn voor ontvangst van de aanvragen tot deelneming van derden in de zin van artikel 25, § 2, van de wet mag niet korter zijn dan zevenendertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging en de termijn voor ontvangst van de offertes niet korter dan veertig dagen te rekenen vanaf de datum van uitnodiging tot het indienen van een offerte.
  (Voor zover daarom tijdig is verzocht, dienen de documenten van de concessie en de aanvullende inlichtingen door de aanbestedende overheid te worden verstrekt binnen zes dagen na ontvangst van het verzoek en dienen de nadere inlichtingen over het bestek te worden verstrekt uiterlijk zes dagen vóór het verstrijken van de termijn vastgesteld voor de ontvangst van de offertes.) <KB 2008-07-31/32, art. 16, 019; ED : 18-08-2008>
  (Indien de opdrachtdocumenten of de aanvullende inlichtingen tijdig zijn aangevraagd, maar om enigerlei reden niet binnen de termijnen bepaald in (het tweede lid) zijn verstrekt of indien de offertes slechts na raadpleging van een omvangrijke documentatie, plaatsbezoek, of inzage ter plaatse van bepaalde opdrachtdocumenten kunnen worden opgemaakt, worden de termijnen dienovereenkomstig verlengd.) <KB 2007-11-23/34, art. 29, 017; ED : 01-02-2008> <KB 2008-07-31/32, art. 16, 019; ED : 18-08-2008>
  Art. 134. De bekendmaking van een aankondiging van aanneming van werken gegund door de concessiehouder aan derden in de zin van artikel 25, § 2, van de wet is niet vereist:
  1° wanneer geen enkele offerte ingediend werd ingevolge een eerste mededinging voor zover de voorwaarden van de oorspronkelijk voorziene opdracht niet wezenlijk gewijzigd werden. Indien het bedrag van de opdracht gelijk is aan of hoger ligt dan dit bepaald in artikel 1, § 3, van dit besluit wordt een verslag overgemaakt aan de Europese Commissie op haar verzoek;
  2° voor de werken die omwille van hun technische of artistieke specificiteit of omwille van de bescherming van exclusieve rechten, slechts aan een bepaalde aannemer kunnen toevertrouwd worden;
  3° voor zover strikt noodzakelijk, wanneer het dringend karakter voortvloeiend uit niet te voorziene gebeurtenissen niet toelaat de naleving van de termijnen opgelegd door artikel 133 na te leven;
  4° voor aanvullende werken die noch in het toegewezen oorspronkelijk ontwerp, noch in de eerste gesloten overeenkomst voorkwamen en die, ingevolge onvoorziene omstandigheden, noodzakelijk geworden zijn voor de uitvoering van het werk zoals het beschreven werd, voor zover ze worden gegund aan de aannemer die het werk uitvoert, en voor zover het samengevoegde bedrag van de opdrachten gegund voor de aanvullende werken niet hoger ligt dan vijftig pct. van het bedrag van de hoofdopdracht :
  - wanneer deze werken technisch of economisch niet zonder ernstig bezwaar van de hoofdopdracht kunnen gescheiden worden;
  - wanneer deze werken, alhoewel scheidbaar van de uitvoering van de hoofdopdracht, strikt noodzakelijk zijn voor de vervolmaking ervan;
  5° voor nieuwe werken, bestaande uit de herhaling van soortgelijke werken, die aan de aannemer die de eerste opdracht kreeg, dienen gegund te worden door dezelfde concessiehouder, op voorwaarde dat deze werken overeenstemmen met een basisontwerp en dat dit ontwerp het voorwerp uitmaakte van een eerste beroep op de mededinging. De mogelijkheid tot aanwending van deze procedure moet in elk geval reeds bij de uitschrijving van de eerste opdracht vermeld worden. Ze is bovendien beperkt tot een periode van drie jaar na het gunnen van de oorspronkelijke opdracht.
  Art. 135. De opdrachten voor aanneming van werken bedoeld in deze afdeling zijn niet onderworpen aan de andere bepalingen van dit besluit.
  HOOFDSTUK III. <Ingevoegd bij KB 2002-04-22/30, art. 38; ED : 01-05-2002>- Aanvullende bekendmakingsregels.
  Art. 135bis. <Ingevoegd bij KB 2002-04-22/30, art. 38; ED : 01-05-2002> § 1. Alleen de aankondiging gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en in het Bulletin der Aanbestedingen geldt als officiële bekendmaking.
  § 2. Indien de concessie voor openbare werken onderworpen is aan de Europese bekendmaking, mag geen enkele publicatie plaatsvinden vóór de datum van verzending van de aankondiging naar het Bureau voor officiële publicaties van de Europese Gemeenschappen.
  Indien de concessie voor openbare werken niet onderworpen is aan de Europese bekendmaking, maar wel aan de bekendmaking op nationaal niveau, mag geen enkele publicatie plaatsvinden vóór de datum van verzending van de aankondiging naar het Bulletin der Aanbestedingen.
  Art. 135ter. <Ingevoegd bij KB 2002-04-22/30, art. 38; ED : 01-05-2002> Indien de concessie voor openbare werken onderworpen is aan de Europese bekendmaking, wordt de aanvangsdatum van de in artikel 128 bedoelde termijn bepaald door de verzending van de aankondiging naar het Bureau voor officiële publicaties van de Europese Gemeenschappen.
  HOOFDSTUK IV. - De informatie. <Ingevoegd bij KB 2008-07-31/32, art. 17; ED : 18-08-2008>
  Art. 136.
  <Opgeheven bij KB 2010-02-10/01, art. 35, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 136bis.[1 De aankondiging in geval van vrijwillige transparantie ex ante, als bedoeld in artikel 65/18, eerste lid, 1°, van de wet, wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging in bijlage 9 van dit besluit.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-02-10/01, art. 34, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  TITEL IX. - Slotbepalingen.
  Art. 137.
  <Opgeheven bij KB 2010-02-10/01, art. 35, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 138. Indien de Eerste Minister of de Minister van Economie daarom verzoekt, worden alle nodige statistische en andere gegevens met betrekking tot de overheidsopdrachten en de opdrachten, ongeacht of zij al dan niet vallen onder de toepassing van de wet of van dit besluit, aan hen meegedeeld volgens de nadere regels die zij bepalen.
  Art. 139.
  <Opgeheven bij KB 2010-02-10/01, art. 35, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010>
  Art. 140. De Koning bepaalt de datum waarop dit besluit in werking treedt. (Voor het KB, zie 1997-01-29/31)
  Art. 141. Onze Eerste Minister en Onze Minister van Economie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  
  Gegeven te Brussel, 8 januari 1996.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Eerste Minister,
  J.-L. DEHAENE
  De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie en Telecommunicatie
  E. DI RUPO
  BIJLAGEN.
  Gewijzigd bij :
  <KB 2006-01-12/35, art. 18, ED : 01-02-2006>
  Art. N1. <KB 1999-03-25/39, art. 50, 003; ED : 01-06-1999> BIJLAGE 1. Lijst van de organismen van openbaar nut in de zin van artikel 4, § 2, 1° en van de rechtspersonen in de zin van artikel 4, § 2, 8 van de wet.
  Agence wallonne pour l'Intégration des personnes handicapées.
  Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën.
  Aquafin.
  Astrid N.V..
  Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs.
  Belgische Dienst voor Buitenlandse Handel.
  Belgische federale Voorlichtingsdienst.
  Belgisches Rundfunk- und Fernsehzentrum der Deutschsprachigen.
  Gemeinschaft.
  Belgische technische Coöperatie.
  Belgisch Instituut voor Normalisatie.
  Belgisch Instituut voor Post en Telecommunicatie.
  Belgisch Interventie- en Restitutiebureau.
  Berlaymont 2000.
  Bijzondere Verrekenkas voor Gezinsvergoedingen ten Bate van de Arbeiders der Diamantnijverheid.
  Bijzondere Verrekenkas voor Gezinsvergoedingen ten Bate van de Arbeiders in de Houtnijverheid.
  Bijzondere Verrekenkas voor Gezinsvergoedingen ten Bate van de Arbeiders der Ondernemingen voor Binnenscheepvaart.
  Bijzondere Verrekenkas voor Gezinsvergoedingen ten Bate van de Arbeiders gebezigd door Ladings- en Lossingsondernemingen en door de Stuwadoors in de Havens, Losplaatsen, Stapelplaatsen en Stations (gewoonlijk genoemd "Bijzondere Compensatiekas voor kindertoeslagen van de zeevaartgewesten").
  Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling.
  Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij en erkende maatschappijen.
  Brusselse hoofdstedelijk Dienst voor Brandweer en dringende medische Hulp.
  Brussels gewestelijk Herfinancieringsfonds van de gemeentelijke Thesauriën.
  Brussels Instituut voor Milieubeheer.
  Centrale Dienst voor sociale en culturele Actie ten behoeve van de Leden van de militaire Gemeenschap.
  Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.
  Centre hospitalier de Mons.
  Centre hospitalier de Tournai.
  Centre régional d'aide aux communes.
  Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudiën.
  Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding.
  Centrum voor Informatica voor het Brusselse Gewest.
  Commissariat général pour les Relations internationales de la Communauté francaise de Belgique.
  Commissariaat-generaal voor de Bevordering van de lichamelijke Ontwikkeling, de Sport en de Openluchtrecreatie.
  Compte régional d'aide aux communes.
  Conseil économique et social de la Région wallonne.
  Controledienst voor de Verzekeringen.
  Controledienst voor de Ziekenfondsen en de Landsbonden van Ziekenfondsen.
  De Koninklijke Muntschouwburg.
  (...). <W 2004-07-09/30, art. 316, 013; ED : 15-07-2004>
  Art. N2.<KB 2006-01-12/35, art. 18, 016; ED : 01-02-2006> - BIJLAGE 2.
  * BIJLAGE 2,A - ENUNTIATIEVE AANKONDIGING.
  (Model niet opgenomen om technische redenen; zie B.S. 27-01-2006, p. 4553-4549)
  * BIJLAGE 2,B - AANKONDIGING VAN OPDRACHT.
  (Model niet opgenomen om technische redenen; zie B.S. 27-01-2006, p. 4550-4560)
  * BIJLAGE 2,C - AANKONDIGING VAN GEPLAATSTE OPDRACHT.
  (Model niet opgenomen om technische redenen; zie B.S. 27-01-2006, p. 4561-4569)
  <Gewijzigd bij :
  >
  <KB 2010-02-10/01, art. 36, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010; B.S. 16-02-2010, p. 9262-9270>
  Art. N3. <KB 2006-01-12/35, art. 18, 016; ED : 01-02-2006> - BIJLAGE 3.
  * BIJLAGE 3,A - AANKONDIGING VAN EEN PRIJSVRAAG VOOR ONTWERPEN.
  (Model niet opgenomen om technische redenen; zie B.S. 27-01-2006, p. 4570-4575)
  * BIJLAGE 3,B - RESULTAAT VAN EEN PRIJSVRAAG VOOR ONTWERPEN.
  (Model niet opgenomen om technische redenen; zie B.S. 27-01-2006, p. 4576-4579)
  Art. N4. <KB 2006-01-12/35, art. 18, 016; ED : 01-02-2006> - BIJLAGE 4.
  * BIJLAGE 4,A - CONCESSIE VAN OPENBARE WERKEN.
  (Model niet opgenomen om technische redenen; zie B.S. 27-01-2006, p. 4580-4584)
  * BIJLAGE 4,B - BERICHT VAN AANBESTEDING.
  (Model niet opgenomen om technische redenen; zie B.S. 27-01-2006, p. 4585-4589)
  Art. N5. <KB 2006-01-12/35, art. 18, 016; ED : 01-02-2006> - BIJLAGE 5. AANKONDIGING BETREFFENDE HET OPSTELLEN VAN EEN LIJST VAN GEGADIGDEN.
  (NOTA : oude bijlage 7)
  (Model niet opgenomen om technische redenen; zie B.S. 27-01-2006, p. 4590-4596)
  Art. N6. <KB 2006-01-12/35, art. 18, 016; ED : 01-02-2006> - BIJLAGE 6. Bijlage tot bepaling van de lijst van produkten inzake defensie, met verwijzing naar het Tarief van Invoerrechten, in toepassing van artikel 50, 2°, a).
  (NOTA : oude bijlage 5, vernummerd)
  Hoofdstuk 25 : zout; zwavel; aarde en steen; gips; kalk en cement.
  Hoofdstuk 26 : metaalertsen, slakken en assen.
  Hoofdstuk 27 : minerale brandstoffen, aardoliën en distillatieprodukten daarvan; bitumineuze stoffen; minerale wassen, met uitzondering van :
  ex 27.10 : bijzondere motorbrandstoffen;
  Hoofdstuk 28 : anorganische chemische produkten; anorganische of organische verbindingen van edele metalen, van radioactieve elementen, van zeldzame aardmetalen en van isotopen met uitzondering van :
  ex 28.09 : explosieven;
  ex 28.13 : explosieven;
  ex 28.14 : traangas;
  ex 28.28 : explosieven;
  ex 28.32 : explosieven;
  ex 28.39 : explosieven;
  ex 28.50 : toxicologische produkten;
  ex 28.51 : toxicologische produkten;
  ex 28.54 : explosieven.
  Hoofdstuk 29 : organische chemische produkten, met uitzondering van:
  ex 29.03 : explosieven;
  ex 29.04 : explosieven;
  ex 29.07 : explosieven;
  ex 29.08 : explosieven;
  ex 29.11 : explosieven;
  ex 29.12 : explosieven;
  ex 29.13 : toxicologische produkten;
  ex 29.14 : toxicologische produkten;
  ex 29.15 : toxicologische produkten;
  ex 29.21 : toxicologische produkten;
  ex 29.22 : toxicologische produkten;
  ex 29.23 : toxicologische produkten;
  ex 29.26 : explosieven;
  ex 29.27 : toxicologische produkten;
  ex 29.29 : explosieven.
  Hoofdstuk 30 : farmaceutische produkten.
  Hoofdstuk 31 : meststoffen.
  Hoofdstuk 32 : looi- en verfextracten; looizuur (tannine) en derivaten daarvan; kleur- en verfstoffen, verf en vernis en verfmiddelen; mastiek;
  inkt.
  Hoofdstuk 33 : etherische oliën en harsaroma's; parfumerieën, toiletartikelen en kosmetische produkten.
  Hoofdstuk 34 : zeep, organische tensio-active produkten, wasmiddelen, smeermiddelen, kunstwas, bereide was, poets- en onderhoudsmiddelen, kaarsen en dergelijke artikelen, modelleerpasta's en tandtechnische waspreparaten.
  Hoofdstuk 35 : eiwitstoffen; lijm; enzymen.
  Hoofdstuk 37: produkten voor fotografie en cinematografie.
  Hoofdstuk 38 : diverse produkten van de chemische industrie, met uitzondering van :
  ex 38.19 : toxicologische produkten.
  Hoofdstuk 39 : kunstmatige plastische stoffen, ethers en esters van cellulose, kunstharsen en werken daarvan, met uitzondering van :
  ex 39.03 : explosieven.
  Hoofdstuk 40 : rubber (natuurlijke en synthetische rubber en factis) en werken van rubber, met uitzondering van :
  ex 40.11 : kogelbestendige banden.
  Hoofdstuk 41 : huiden, vellen en leder.
  Hoofdstuk 42 : lederwaren; zadel- en tuigmakerswerk; reisartikelen, dameshandtassen en dergelijke bergingsmiddelen; werken van darmen.
  Hoofdstuk 43 : pelterijen en bontwerk; namaakbont.
  Hoofdstuk 44 : hout, houtskool en houtwaren.
  Hoofdstuk 45 : kurk en kurkwaren.
  Hoofdstuk 46 : vlechtwerk en mandenmakerswerk.
  Hoofdstuk 47: stoffen voor het vervaardigen van papier.
  Hoofdstuk 48 : papier en karton; cellulose, papier- en kartonwaren.
  Hoofdstuk 49 : artikelen van de boekhandel en produkten van de grafische kunst.
  Hoofdstuk 65 : hoofddeksels en delen daarvan.
  Hoofdstuk 66 : paraplu's, parasols, wandelstokken, zwepen, rijzwepen, alsmede delen daarvan.
  Hoofdstuk 67 : geprepareerde veren en geprepareerde dons en artikelen van veren of van dons; kunstbloemen; werken van mensenhaar.
  Hoofdstuk 68 : werken van steen, van gips, van cement, van asbest, van mica en van dergelijke stoffen.
  Hoofdstuk 69 : keramische produkten.
  Hoofdstuk 70 : glas en glaswerk.
  Hoofdstuk 71 : echte parels, natuurlijke en andere edelstenen en halfedelstenen, edele metalen en metalen geplateerd met edele metalen, alsmede werken daarvan; fancy-bijouterieën.
  Hoofdstuk 73 : gietijzer, ijzer van staal.
  Hoofdstuk 74 : koper.
  Hoofdstuk 75: nikkel.
  Hoofdstuk 76 : aluminium.
  Hoofdstuk 77 : magnesium, beryllium (glucinium).
  Hoofdstuk 78 : lood.
  Hoofdstuk 79 : zink.
  Hoofdstuk 80 : tin.
  Hoofdstuk 81 : andere onedele metalen.
  Hoofdstuk 82 : gereedschap; messenmakerswerk, lepels en vorken, van onedel metaal, met uitzondering van :
  ex 82.05 : gereedschap;
  ex 82.07 : stukken gereedschap.
  Hoofdstuk 83 : allerlei werken van onedele metalen.
  Hoofdstuk 84 : stoomketels, machines, toestellen en mechanische werktuigen, met uitzondering van :
  ex 84.06 : motoren;
  ex 84.08 : andere voortstuwingsmiddelen;
  ex 84.45 : machines;
  ex 84.53 : automatische gegevens verwerkende machines;
  ex 84.55 : delen van post 84.53;
  ex 84.59 : kernreactoren.
  Hoofdstuk 85 : elektrische machines, apparaten en toestellen; artikelen voor elektrotechnisch gebruik, met uitzondering van :
  ex 85.13 : telecommunicatie;
  ex 85.15 : zendtoestellen.
  Hoofdstuk 86 : rollend en ander materieel voor spoor- en tramwegen;
  niet elektrische signaal- en waarschuwingstoestellen voor het verkeer, met uitzondering van :
  ex 86.02 : gepantserde locomotieven;
  ex 86.03 : andere gepantserde locomotieven;
  ex 86.05 : gepantserde wagons;
  ex 86.06 : rijdende werkplaatsen;
  ex 86.07 : wagons.
  Hoofdstuk 87 : automobielen, tractors, rijwielen, motorrijwielen en andere voertuigen, voor vervoer te lande, met uitzondering van :
  ex 87.08 : gevechtswagens en pantserauto's;
  ex 87.01 : tractoren;
  ex 87.02 : militaire voertuigen;
  ex 87.03 : takelwagens;
  ex 87.09 : motorrijwielen;
  ex 87.14 : aanhangwagens.
  Hoofdstuk 89 : scheepvaart, met uitzondering van :
  ex 89.01 A : oorlogsschepen.
  Hoofdstuk 90 : optische instrumenten, apparaten en toestellen, instrumenten, apparaten en toestellen, voor de fotografie en de cinematografie; meet-, verificatie-, controle- en precisieinstrumenten, -apparaten en -toestellen; medische en chirurgische instrumenten, apparaten en toestellen, met uitzondering van :
  ex 90.05 : binocles;
  ex 90.13 : diverse instrumenten, lasers;
  ex 90.14 : telemeters;
  ex 90.28 : elektrische of elektronische meetinstrumenten;
  ex 90.11 : microscopen;
  ex 90.17 : instrumenten voor de geneeskunde;
  ex 90.18 : toestellen voor mechanische therapie;
  ex 90.19 : orthopedische toestellen;
  ex 90.20 : röntgentoestellen.
  Hoofdstuk 91 : uurwerken.
  Hoofdstuk 92 : muziekinstrumenten; toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid; toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid en beelden voor televisie; delen en toebehoren van deze instrumenten en toestellen.
  Hoofdstuk 94 : meubelen (ook voor medisch of voor chirurgisch gebruik); artikelen voor bedden en dergelijke artikelen, met uitzondering van :
  ex 94.01 A : zitmeubelen voor vliegtoestellen.
  Hoofdstuk 95 : stoffen geschikt om te worden gesneden of te worden gevormd, in bewerkte staat (werken daaronder begrepen).
  Hoofdstuk 96 : borstelwerk, kwasten en penselen, bezems, poederkwastjes en zeven.
  Hoofdstuk 98 : diverse werken.
  Art. N7. <KB 2006-01-12/35, art. 18, 016; ED : 01-02-2006> - BIJLAGE 7. CODE NUTS
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 27-01-2006, p. 4597-4598)
  Art. N8. BIJLAGE 8.
  (NOTA 1 : Oorspronkelijke bijlage 8 ingevoegd bij KB 2004-02-29/34, art. 9, ED : 01-09-2004, en opgeheven bij KB 2006-01-12/35, art. 18, ED : 01-02-2006).
  (NOTA 2 : Bijlage 8, bestaande uit bijlagen 8A tot 8C, ingevoegd bij KB 2009-09-29/01, art. 66, ED : 01-11-2009).
  Art. 1N8. [1 Bijlage 8A (Werken)
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 02-10-2009, p. 65865)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-09-29/01, art. 66, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 2N8. [1 Bijlage 8B (Leveringen)
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 02-10-2009, p. 65866)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-09-29/01, art. 66, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. 3N8. [1 Bijlage 8C (Diensten)
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 02-10-2009, p. 65867)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-09-29/01, art. 66, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  Art. N9. BIJLAGE 9. Aankondiging in geval van vrijwillige transparentie ex ante
  (NOTA 1 : Bijlage 9 ingevoegd bij KB 2004-02-29/34, art. 9, ED : 01-09-2004, en opgeheven bij KB 2006-01-12/35, art. 18, ED : 01-02-2006).
  (NOTA 2 : het KB 2010-02-10/01, art. 39, voegt een bijlage 9 in met opschrift "Aankondiging in geval van vrijwillige transparentie ex ante". Bijlage niet opgenomen om technische redenen. <KB 2010-02-10/01, art. 39, 022; Inwerkingtreding : 25-02-2010; B.S. 16-02-2010, p. 9271-9279>)
  

Preambule Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten;
   Gelet op de richtlijn 89/665/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken;
   Gelet op de richtlijn 92/50/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening;
   Gelet op de richtlijn 93/36/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen;
   Gelet op de richtlijn 93/37/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken;
   Gelet op de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten gesloten in het kader van het Algemeen Akkoord over de Douane- en Handelstarieven, ondertekend te Marrakech op 15 april 1994;
   Gelet op het advies van de Commissie voor de overheidsopdrachten;
   Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën van 1 december 1994;
   Gelet op het advies van de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Eerste Minister en van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Economie en Telecommunicatie en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  02-06-2013   gepubl. op   05-06-2013
      Art. 1-141; N1-N9
   Van kracht tot   01-07-2013               [ Zie tekst hier boven ]
Gewijzigd door   MINISTERIEEL BESLUIT  van  19-12-2011   gepubl. op   23-12-2011
      Art. 1,§3 *** 24 *** 27,§2 *** 50 *** 53,§2
   Van kracht tot   01-01-2012                 [ Zie versie 023 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  19-12-2010   gepubl. op   24-01-2011
      Art. 17,§2,L1,1°,2° *** 43,§2,L1,1°,2° *** 69,§2,L1,1°,2°
   Van kracht tot   03-02-2011                 [ Zie versie 022 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  10-02-2010   gepubl. op   16-02-2010
      Art. 1 *** 11,L1,2° *** 12,L5,3° *** 14,§1-§2 *** 16,L1-L3; L5 *** 20,§1,L2 *** 20ter *** 25 *** 26 *** 27,§2,L2 *** 28 *** 38,L5,3° *** 40,§1-§2 *** 42,L1-L3; L5 *** 46,§1,L1 *** 51 *** 52 *** 53,§3 *** 64,L5,3° *** 66,§1-§2 *** 68,L1-L3; L5 *** 72,§1,L1 *** 73ter *** 80 *** 81 *** 83bis,§2 *** 110,§3; §5,L2 *** 111,L1; 112,§2; 113,L2; 114,§1,L1; 115,L1 *** 116,L3 *** 117 *** 118,L1; 119,L1 *** 122,L1-L3; L5 *** 136bis *** 136-137; 139 *** N2 *** N9
   Van kracht tot   25-02-2010                 [ Zie versie 021 ]
Gewijzigd door   MINISTERIEEL BESLUIT  van  14-12-2009   gepubl. op   17-12-2009
      Art. 1,§3 *** 24 *** 27,§2 *** 50 *** 53,§2
   Van kracht tot   01-01-2010                 [ Zie versie 020 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  29-09-2009   gepubl. op   02-10-2009
      Art. 2 *** 6,§3,L2 *** 7 *** 9,L1,6° *** 15,L1 *** 16,L5 *** 17,§1 *** 19 *** 20,§2 *** 20bis *** 20ter *** 28 *** 32,§3,L2 *** 33,L1 *** 35,L1,6° *** 41,L1 *** 42,L5 *** 43,§1 *** 45 *** 46,§2 *** 46bis *** 54,L2,L7 *** 58,§3 *** 59,L1 *** 61,L1,6° *** 67,L1 *** 68,L5 *** 69,§1 *** 72,§2 *** 73 *** 73bis *** 73ter *** 74bis *** 75,§1,§2,4° *** 76,§2,L1 *** 81ter *** 81quater *** 81quinquies *** 84,L1 *** 85,L2 *** 86bis *** 104,§1,L2 *** 105,§2,L1,2° *** 106,L2,4°,5° *** 108 *** 110,§3,L3 *** 111,L4; 112,§5; 114,§4 *** 117,L2 *** 120bis *** 122 *** 122ter *** N8A-N8C
   Van kracht tot   01-11-2009
      Art. 82 *** 82bis *** 83 *** 83bis
   Van kracht tot   01-01-2010                 [ Zie versie 019 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  31-07-2008   gepubl. op   18-08-2008
     Gewijzigd art.   20 *** 22 *** 25 *** 46 *** 51 *** 54 *** 72 *** 73 *** 80 *** 90 *** 116 *** 128 *** 133 *** 136
   Van kracht tot   18-08-2008                 [ Zie versie 018 ]
Gewijzigd door   MINISTERIEEL BESLUIT  van  17-12-2007   gepubl. op   20-12-2007
     Gewijzigd art.   1,#3 *** 24 *** 27,#2 *** 50 *** 53,#2
   Van kracht tot   01-01-2008                 [ Zie versie 017 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  23-11-2007   gepubl. op   07-12-2007
     Gewijzigd art.   17 *** 19 *** 43 *** 45 *** 69 *** 75 *** 82 *** 83 *** 110 *** 122bis *** 133
   Van kracht tot   01-02-2008                 [ Zie versie 016 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  12-01-2006   gepubl. op   27-01-2006
     Gewijzigd art.   12,L4 *** 14 *** 18 *** 19 *** 38,L4 *** 40 *** 44 *** 45 *** 50,2° *** 64,L4 *** 66 *** 70 *** 71 *** 76,#4 *** 115 *** N2-N4 *** N7 *** N5 *** N6 *** N8-N9
   Van kracht tot   01-02-2006                 [ Zie versie 015 ]
Gewijzigd door   MINISTERIEEL BESLUIT  van  20-12-2005   gepubl. op   23-12-2005
     Gewijzigd art.   1 *** 24 *** 27 *** 50 *** 53
   Van kracht tot   01-01-2006                 [ Zie versie 014 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  20-07-2005   gepubl. op   22-08-2005
     Gewijzigd art.   68,L6
   Van kracht tot   22-08-2005
     Gewijzigd art.   20,#4 *** 46,#4 *** 72,#5 *** 90,#4BI
   Van kracht tot   01-10-2005                 [ Zie versie 013 ]
Gewijzigd door   WET  van  09-07-2004   gepubl. op   15-07-2004
     Gewijzigd art.   50 *** 79 *** N1
   Van kracht tot   25-07-2004                 [ Zie versie 012 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  29-02-2004   gepubl. op   08-03-2004
     Gewijzigd art.   12 *** 14 *** 38 *** 40 *** 64 *** 66 *** 76 *** 125
   Van kracht tot   01-09-2004                 [ Zie versie 011 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  18-02-2004   gepubl. op   27-02-2004
     Gewijzigd art.   78 *** 89,L3 *** 94 *** 104 *** 105,#2 *** 106,L2 *** 108 *** 110,#3 *** 111 *** 112,#5 *** 114 *** 117 *** 122
   Van kracht tot   01-05-2004                 [ Zie versie 010 ]
Gewijzigd door   MINISTERIEEL BESLUIT  van  17-12-2003   gepubl. op   23-12-2003
     Gewijzigd art.   1,#3 *** 24 *** 27,#2 *** 50 *** 53,#3
   Van kracht tot   01-01-2004                 [ Zie versie 009 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  22-04-2002   gepubl. op   30-04-2002
     Gewijzigd art.   N1-AN4 *** N6
   Van kracht tot   01-05-2002                 [ Zie versie 008 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  22-04-2002   gepubl. op   30-04-2002
     Gewijzigd art.   11 *** 55 *** 88 *** 90
   Van kracht tot   30-04-2002
     Gewijzigd art.   3 *** 4 *** 5 *** 6 *** 8 *** 12 *** 14 *** 17BIS *** 29 *** 30 *** 31 *** 32 *** 34 *** 38 *** 40 *** 43BIS *** 56 *** 57 *** 58 *** 60 *** 63 *** 64 *** 66 *** 69BIS *** 76 *** 77 *** 122 *** 124 *** 125 *** 133
   Van kracht tot   01-05-2002                 [ Zie versie 007 ]
Gewijzigd door   MINISTERIEEL BESLUIT  van  04-12-2001   gepubl. op   19-12-2001
     Gewijzigd art.   1,#3 *** 2 *** 24 *** 27,#2 *** 29 *** 50 *** 53 *** 54 *** 55
   Van kracht tot   01-01-2002                 [ Zie versie 006 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  20-07-2000   gepubl. op   30-08-2000
     Gewijzigd art.   100,#2 *** 17BIS *** 43BIS *** 69BIS *** 120 *** 122,L1
   Van kracht tot   01-01-2002                 [ Zie versie 005 ]
Gewijzigd door   MINISTERIEEL BESLUIT  van  08-02-2000   gepubl. op   15-02-2000
     Gewijzigd art.   1,#3 *** 2 *** 24 *** 27,#2 *** 29 *** 50 *** 53 *** 54 *** 55
   Van kracht tot   15-02-2000                 [ Zie versie 004 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  25-03-1999   gepubl. op   09-04-1999
     Gewijzigd art.   N1 *** N2 *** 1N2 *** 2N2 *** 3N2 *** 4N2 *** 5N2 *** N3 *** 1N3 *** 2N3 *** 3N3 *** 4N3 *** 5N3 *** 1N4 *** 2N4 *** 3N4 *** 4N4 *** 5N4
   Van kracht tot   01-06-1999                 [ Zie versie 003 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  25-03-1999   gepubl. op   09-04-1999
     Gewijzigd art.   1 *** 2 *** 16 *** 17 *** 20 *** 21 *** 22 *** 24 *** 25 *** 26 *** 27 *** 29 *** 42 *** 43 *** 46 *** 50 *** 51 *** 52 *** 53 *** 54 *** 55 *** 60 *** 68 *** 69 *** 72 *** 74 *** 76 *** 78 *** 79 *** 80 *** 81 *** 84 *** 88 *** 90 *** 92 *** 93 *** 110 *** 112 *** 113 *** 115 *** 117 *** 120 *** 121 *** 122 *** 136
   Van kracht tot   01-06-1999                 [ Zie versie 002 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  08-11-1998   gepubl. op   13-11-1998
     Gewijzigd art.   100,#2
   Van kracht tot   01-01-1999                 [ Zie versie 001 ]

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING.
   Sire,
   Dit ontwerp van koninklijk besluit voert de wet uit van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en meer bepaald titels II en III van boek I betreffende de "klassieke" overheidsopdrachten en de concessies voor openbare werken.
   De wet van 24 december 1993 heeft inderdaad als doel het geheel van de wetgeving die tot vandaag steunt op de wet van 14 juli 1976 en op meerdere koninklijke en ministeriële besluiten te hervormen. Zoals uitvoerig in herinnering gebracht tijdens de parlementaire werkzaamheden, heeft de nieuwe wet eveneens tot doel de omzetting te verzekeren van verschillende Europese richtlijnen en dit zowel in de zogenoemde "klassieke" sectoren als in de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie tot voor kort "uitgesloten" van de Europese mededinging. Zo heeft de wet van 24 december 1993 een structuur ingevoerd in drie gedeelten die respectievelijk slaan op :(BR)
   
   1° de "klassieke" overheidsopdrachten en de concessies voor openbare werken, dit wil zeggen die van de federale- tot plaatselijke overheden en de publiekrechtelijke verenigingen en instellingen (eerste boek, titels II en III);
   2° de overheidsopdrachten in de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie, dit wil zeggen de opdrachten van de overheden vermeld in 1° en van de overheidsbedrijven in de mate dat deze overheden en bedrijven één van deze sectoren beheren (bijvoorbeeld : de intercommunales voor water- en electriciteitsverdeling, Belgacom, de NMBS, de Regie der Luchtwegen, De Lijn, de SRWT ....) (eerste boek, titel IV);
   3° bepaalde opdrachten van privé ondernemingen die bijzondere of exclusieve rechten genieten om de werkzaamheden te beheren in de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie (bijvoorbeeld : Electrabel, Distrigas en bepaalde privé concessiehouders).
   Dit derde deel beoogt eveneens, krachtens artikel 63 van de wet, activiteiten van overheidsbedrijven in die sectoren die de wetgever op federaal, gewestelijk of gemeenschapsniveau zou onttrokken hebben aan hun taken van openbare dienst maar die nochtans onderworpen moeten blijven aan de hogere rechtsvoorschriften voortvloeiend uit de Europese richtlijnen. Gelet op het koninklijk uitvoeringsbesluit van 26 juli 1994 is boek II van de wet in werking getreden op 1 september 1994.
   Dit ontwerp van koninklijk besluit voert boek I, titels II en III, van de wet van 24 december 1993 (dit wil zeggen het gebied van 1° hierboven) uit maar bevat niet de voorschriften toepasselijk op de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en van diensten die specifiek militair zijn, noch de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten, noch de bepalingen in verband met de bevoegdheidsoverdracht en sommige toezichtsmaatregelen betreffende de overheidsopdrachten op federaal niveau. Het zet eveneens bepalingen en modaliteiten om van het geheel van de Europese richtlijnen houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, in het bijzonder de richtlijnen 92/50/EEG, 93/36/EEG en 93/37/EEG. Deze werkwijze voorkomt een veelvuldigheid van teksten waarnaar gelijktijdig dient verwezen te worden, verwijt dat in het laatste stadium van de evolutie aan de vorige wetgeving kon gemaakt worden. Een ander koninklijk besluit tot vaststelling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten, zal nadien toegevoegd worden en zal gelijktijdig sommige bepalingen in verband met de uitvoering van de opdrachten en van de concessies voor openbare werken bevatten, die tot hiertoe vervat zijn in het koninklijk besluit van 22 april 1977, het koninklijk besluit van 14 november 1979 inzake concessies, het koninklijk besluit van 18 mei 1981 inzake promotieovereenkomsten en in de huidige algemene aannemingsvoorwaarden.
   Tijdens een eerste periode zullen de bepalingen van de algemene aannemingsvoorwaarden geen grondige hervormingen ondergaan, gezien de noodzaak van het doen in werking treden van de bepalingen van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en van het omzetten van de Europese richtlijnen. Voornoemde algemene aannemingsvoorwaarden zullen evenwel vervolgens herzien dienen te worden ten einde er hoofdzakelijk algemene bepalingen in te voegen, die toepasbaar zijn op de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten en die de nieuwe bepalingen van de algemene aannemingsvoorwaarden zullen vervolledigen.
   In tegenstelling tot de optie die genomen werd bij de uitwerking van het koninklijk besluit van 22 april 1977, gaat dit koninklijk besluit niet uit van de gekozen gunningsprocedure maar van de aard van de betrokken overheidsopdrachten. De eerste drie titels groeperen inderdaad respectievelijk voor de werken, de leveringen en de diensten, volgens een identieke structuur, de bepalingen betreffende :(BR)
   
   - de bekendmakingsvoorschriften waarbij een onderscheid wordt gemaakt al naargelang de overheidsopdrachten al dan niet onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking;
   - de kwalitatieve selectievoorschriften;
   - de promoties, voor wat de werken en de leveringen betreft;
   - de wedstrijd en de prijsvragen voor ontwerpen;
   - de toegang van derde landen tot de overheidsopdrachten;
   - de informatie van de kandidaten en van de inschrijvers.
   Titel IV regelt het gebruik van de technische specificaties en de normen.
   De titels V en VI nemen over het algemeen voorschriften die identiek zijn met die van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over of passen deze aan. Deze voorschriften betreffen, enerzijds, de prijsbepaling en het prijsonderzoek ongeacht de procedure en, anderzijds, de offertes en de gunning bij aanbesteding en bij offerteaanvraag.
   Titel VII betreft de onderhandelingsprocedure met of zonder bekendmaking bij de aanvang
    van de procedure.
   Titel VIII bevat de bepalingen eigen aan de concessies voor openbare werken en de opdrachten gegund door de concessiehouders.
   Titel IX bevat de slotbepalingen.
   Het past er in dit stadium op te wijzen dat bepalingen die gelijkwaardig zijn met deze die vervat zijn in de artikelen 51 en 52 van het koninklijk besluit van 22 april 1977, zullen worden opgenomen in een afzonderlijk koninklijk besluit betreffende de overdracht van bevoegdheid en sommige toezichtsmaatregelen voor de overheidsopdrachten, dat enkel van toepassing zal zijn op de federale overheden. Deze artikelen betreffen in feite de voorwaarden en de toezichtmaatregelen waaraan de gunning onderworpen is voor de opdrachten van de federale departementen en de overheidsinstellingen onderworpen aan de toezichthoudende macht van een federaal minister.
   Het ontwerp poogt op het stuk van de terminologie en in het bijzonder wat de Nederlandse tekst betreft, tegelijk rekening te houden zowel met de tot nog toe in de Belgische wetgeving en in de Europese richtlijnen als in de nieuw aangenomen wetgeving gebruikte termen. Er dient aan herinnerd dat de aanpak die bij de opstelling van het koninklijk besluit van 26 juli 1994 werd gevolgd, er daarentegen in bestond zich zo strikt mogelijk aan de Europese terminologie te houden aangezien dit besluit hoofdzakelijk opdrachten van privéondernemingen beoogt, die niet onderworpen zijn aan de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten in de strikte zin van het woord.
   Rekening houdend met wat voorafgaat en ten gevolge van het feit dat dit besluit de eigenlijke overheidsopdrachten behandelt, werd er speciale aandacht besteed aan het zo uniform mogelijk maken van de concepten. Zo bijvoorbeeld wordt in de tekst, net zoals in de Europese richtlijnen, met "gegadigde" de door de aanbestedende overheid geselecteerde of gekozen kandidaat bedoeld. Bovendien en ondanks de door de Raad van State tijdens het onderzoek van andere uitvoeringsbesluiten van deze wet geuite wens, beschouwt de Regering het als onmogelijk om sommige concepten, zoals dat van de "abnormale prijs", op afdoende wijze te omschrijven, te meer omdat deze concepten opnieuw in het Europees recht opgenomen zijn en zij daar ook niet worden omschreven. Op die manier dreigt een omschrijving op Belgisch vlak, vergeleken met de interpretatie die er op Europees vlak zou kunnen worden aan gegeven, niet in overeenstemming te zijn.
   In zijn advies onderstreept de Raad van State dat het Verslag aan de Koning eventueel nadere gegevens zou kunnen verschaffen wat betreft het substantieel of niet-substantieel karakter van de in het ontwerp voorziene vormvoorschriften. Volgens de Regering zou een oplossing in die zin inhouden dat de tekst zich, voor alle in de loop van de reglementering opgelegde vormvoorschriften, uitspreekt over het substantiële of niet-substantiële karakter. Bovendien zou een dergelijke precisering niet toelaten een groot aantal andere moeilijkheden met betrekking tot deze aankondiging op te lossen, zelfs indien men kan stellen dat dit vormvoorschrift een substantieel karakter heeft - zoals bijvoorbeeld de bekendmaking van een aankondiging van overheidsopdracht voor aanneming van werken in de zin van artikelen 4, 12 en 13 van het ontwerp. Zo kan de aankondiging wel zijn bekendgemaakt, maar werd de toegestane minimumtermijn voor de procedure niet geëerbiedigd, of kunnen sommige in de aankondiging vervatte inlichtingen onjuist blijken. Gezien deze ingewikkelde toestand, is de Regering de mening toegedaan dat het verkieslijk is om zich bij geschillen te verlaten op het oordeel van de rechter.
   TITEL I, HOOFDSTUK I, AFDELING I.
   Overheidsopdrachten voor aanneming van werken onderworpen aan de Europese bekendmaking
   Bedragen en berekeningswijzen
   * Artikel 1. Zijn onderworpen aan de Europese bekendmakingsvoorschriften, de overheidsopdrachten voor aanneming van werken waarvan het geraamde bedrag, zonder belasting op de toegevoegde waarde, 206 miljoen frank bereikt of overschrijdt en die zullen gegund worden bij aanbesteding, offerteaanvraag of onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet. Dit bedrag is vatbaar voor tweejaarlijkse herzieningen. Het nieuwe bedrag wordt bij besluit van de Eerste Minister bekendgemaakt.
   De overheidsopdrachten die zullen gegund worden bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van art. 17, § 2, van de wet, zijn normaal gezien niet onderworpen aan de bekendmakingsvoorschriften van hoofdstuk I; hun gunning gebeurt met inachtneming van de artikelen 120 en volgende. Sommige voorschriften zijn evenwel toch van toepassing op deze procedure, hoofdzakelijk wat de aankondiging van de resultaten van de gunning van de opdracht betreft, bepaald in artikel 8 dat hierna toegelicht wordt.
   Onder de gevallen van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure is er één dat een bijzonder stelsel volgt. Het gaat om het geval bedoeld in artikel 17, § 2, 1, b, van de wet met betrekking tot de opdrachten die geheim verklaard werden of die moeten gepaard gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen of speciale eisen ter bescherming van de fundamentele belangen van de veiligheid van de Staat. Zoals in herinnering gebracht in de Memorie van Toelichting (Doc. Parl. Senaat, 656-1 (1992-1993), blz. 27), "is dit geval verwant met datgene vermeld in artikel 17, § 2, 7°, van de wet van 14 juli 1976. Daartegenover is deze hypothese in de Europese richtlijnen een uitzondering die buiten het toepassingsveld valt. Het lijkt nochtans passend deze hypothese te behouden in een juridisch kader, dit van de onderhandelingsprocedure. Inderdaad, zelfs indien een overheidsopdracht geheim blijkt te zijn of bijzondere veiligheidsmaatregelen vergt wat betreft de uitvoering, sluit dit niet noodzakelijk de mededinging uit tussen firma's die de nodige waarborgen bieden. Het is de aanbestedende overheid die ter zake moet oordelen of deze mededinging mogelijk is. Het spreekt overigens vanzelf dat in dit geval geen enkele bekendmaking, ook geen enuntiatieve of een bekendmaking na gunning van de opdracht, kan opgelegd worden."
   Overeenkomstig artikel 5 van de wet, verwijst het begrip overheidsopdrachten voor aanneming van werken niet alleen naar het begrip werken maar eveneens naar het begrip werk, bedoeld als het resultaat van een geheel van werken van de bouwnijverheid of van burgerlijke bouwkunde bestemd om als zodanig een economische of technische functie te vervullen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat schijven van werken van een bepaald werk gespreid zijn over verscheidene jaren en het voorwerp uitmaken van verschillende opeenvolgende overheidsopdrachten. Zelfs indien geen van deze schijven individueel het voornoemde bedrag bereikt, zullen de Europese bekendmakingsvoorschriften van toepassing zijn vanaf de gunning van de eerste schijf indien het geraamde bedrag van het werk in zijn geheel het bedrag van 206 miljoen frank bereikt.
   De volgende voorbeelden geven een concrete vorm aan het begrip werk :(BR)
   
   - bouw van een nieuw slachthuis : het ontwerp is verdeeld in twee schijven verspreid in de tijd en op gang gebracht op grond van afzonderlijke procedures. De eerste schijf slaat op het grondwerk, geraamd op 115 miljoen frank zonder belasting op de toegevoegde waarde, de tweede op de uitrusting, geraamd op 127 miljoen frank zonder belasting op de toegevoegde waarde. Bij verwijzing naar de te vervullen functie, deze van een slachthuis in werking, bereikt het werk het geraamde bedrag van 206 miljoen frank zonder belasting op de toegevoegde waarde. De mededingingsvoorschriften op Europees niveau zijn van toepassing vanaf de eerste schijf;
   - oprichting van schoolgebouwen : dezelfde redenering geldt voor de bouw van een nieuwe school. Het geheel van de gebouwen, de inrichtingen en plaatsingen die nodig zijn voor de werking van het geheel komt in aanmerking om te bepalen of de mededingingsdrempel op Europees niveau bereikt werd. Indien daarentegen het ontwerp zou slaan op de toevoeging van gebouwen met het oog op een uitbreiding van de opvangsmogelijkheden van een bestaande school, zou alleen het bedrag van het nieuwe deel in aanmerking moeten genomen worden ten opzichte van de drempel van 206 miljoen frank;
   - wegenbouw : het begrip werk is hier moeilijker te bepalen; het zal echter vaak nuttig zijn te verwijzen naar het criterium van de toegankelijkheid. Zo kan men stellen dat een stuk autoweg dat een uitweg biedt aan het verkeer een werk is met een technische functionaliteit. Het geraamde bedrag van de hele autoweg moet dus niet noodzakelijk in aanmerking genomen worden.
   Hetzelfde geldt voor de opdrachten die in percelen verdeeld zijn, waarvan de bedragen moeten samengevoegd worden om te bepalen of het bedrag van 206 miljoen frank b
   ereikt is. Indien dit het geval is, zal het geheel van deze percelen onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, behalve wanneer de aanbestedende overheid gebruik maakt van de mogelijkheid geboden door artikel 2, § 3. Deze paragraaf maakt het de aanbestedende overheid mogelijk, na de raming van het totale bedrag, percelen waarvan het individueel bedrag kleiner is dan 1 miljoen ECU, thans 41 miljoen frank, en voor zover hun samengevoegd bedrag de twintig pct. van het bedrag van alle percelen niet overschrijdt, te onttrekken aan de Europese bekendmaking.
   Overeenkomstig artikel 4, § 2, van de wet, vormt een niet limitatieve lijst van de aanbestedende overheden in de zin van artikel 4, § 2, 1° en 8° van dezelfde wet de bijlage 1 bij dit besluit. Zoals gesteld in de Memorie van toelichting is deze lijst dynamisch en zo volledig mogelijk. Het spreekt vanzelf dat aanbestedende overheden in de zin van artikel 4, § 2, 1° en 8° van de wet doch niet vermeld in deze lijst, onderworpen zijn aan de toepassing van de wetgeving.
   Volgens § 2 van artikel 1, vallen onder de toepassing van de wet van 24 december 1993 en van deze afdeling de opdrachten voor aanneming van werken van privaatrechtelijke personen die voor meer dan vijftig pct. door aanbestedende overheden gesubsidieerd worden en die de drempel van de Europese bekendmaking bereiken. Niet alle soorten werken worden echter bedoeld. Zij moeten inderdaad ofwel betrekking hebben op bouwwerken voor ziekenhuizen, inrichtingen voor sportbeoefening, recreatie en vrijetijdsbesteding, school- en universiteitsgebouwen en gebouwen met een administratieve bestemming, ofwel verwijzen naar groep 502 van klasse 50 van de lijst van beroepsactiviteiten die overeenstemmen met het algemene register van economische werkzaamheden in de Europese Gemeenschappen vermeld in bijlage 1 van de wet. Ter herinnering, de groep 502 heeft betrekking op de werkzaamheden van de burgerlijke bouwkunde :(BR)
   
   - water-, spoor- en wegenbouw enz..
   Deze groep is onderverdeeld in de volgende subgroepen en posities :(BR)
   
   - algemene weg- en waterbouw (zonder bepaalde specialisaties);
   - grondverplaatsing (baggerbedrijven, opspuitbedrijven, grond, egalisatiebedrijven, cultuurtechnische werken);
   - bruggen-, tunnel-, schachtbouw, grondboring;
   - aannemersbedrijven van waterbouwkundige werken;
   - wegenbouw, straatmakersbedrijven (met inbegrip van bedrijven die gespecialiseerd zijn in de aanleg van luchthavens en landingsbanen);
   - gespecialiseerde aannemersbedrijven voor bevloeiings-, drainageen afwateringswerken en voor waterzuiveringsinstallaties;
   - andere gespecialiseerde aannemersbedrijven voor weg- en waterbouw.
   * Art. 2. Artikel 2 bepaalt dat het geraamde bedrag van de leveringen en de diensten die door de aanbestedende overheid ter beschikking gesteld worden van de aannemer, eveneens in aanmerking moet genomen worden voor de berekening van het geraamde bedrag van de werken of het werk.
   Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn voor materialen of uitrustingen die de aanbestedende overheid verworven heeft door middel van een overheidsopdracht voor aanneming van leveringen en die ze ter beschikking stelt van de aannemer met het oog op hun verwerking in het bouwwerk dat het voorwerp uitmaakt van een overheidsopdracht voor aanneming van werken. Zelfs indien voor de aanbestedende overheid die materialen of uitrustingen hun hoedanigheid van leveringen behouden, komen zij toch in aanmerking voor het bepalen van het bedrag van de werken wanneer de aannemer over die materialen of uitrustingen mag beschikken om die werken uit te voeren.
   Wat de ter beschikking gestelde diensten betreft, zoals de Raad van State onderstreept, legt richtlijn 93/37/EEG het in aanmerking nemen ervan bij de berekening niet op. Op voorstel van de Commissie voor de overheidsopdrachten werd de reglementaire oplossing evenwel aangepast, met het oog op de harmonisatie ervan met deze die werd opgenomen in richtlijn 93/38/EEG betreffende de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie.
   Lid 2 bepaalt de berekeningsregels voor de opdrachten met percelen. Wanneer bijvoorbeeld een bepaalde opdracht verdeeld is in vier percelen respectievelijk geraamd op 200, 85, 35 en 30 miljoen frank zonder belasting op de toegevoegde waarde, zal het geraamde samengevoegd bedrag van alle percelen 350 miljoen frank belopen. De gezamenlijke waarde van deze opdrachten overschrijdt het drempelbedrag vanaf hetwelk de Europese bekendmaking van toepassing is. Voor het bedrag van de opdracht op die wijze geraamd, zou de aanbestedende overheid, door gebruik te maken van de in artikel 2, lid 2 geboden mogelijkheid, kunnen beslissen de twee percelen waarvan het geraamde individuele bedrag respectievelijk 35 en 30 miljoen frank bedraagt, niet te onderwerpen aan deze bekendmaking, vermits, enerzijds, hun individueel bedrag geen 41 miljoen frank bereikt en, anderzijds, hun samengevoegde bedragen twintig pct. van de totale waarde van de opdracht niet overschrijden.
   Steeds bij wijze van voorbeeld zou, indien een opdracht verdeeld zou zijn in twee percelen, zonder belasting op de toegevoegde waarde geraamd op respectievelijk 180 miljoen frank en 27 miljoen frank, het geheel het bedrag van 206 miljoen frank bereiken en zo de Europese bekendmakingsregels in werking doen treden. Het perceel geraamd op 27 miljoen frank zou evenwel als dusdanig hiervan kunnen ontheven worden indien de aanbestedende overheid dit beslist. Het perceel geraamd op 180 miljoen frank zal in elk geval moeten bekendgemaakt worden op Europees niveau.
   Lid 3 van artikel 2 herhaalt het beginsel dat volgt uit de Europese richtlijnen, waarbij geen enkele opdracht mag worden gesplitst om haar te onttrekken aan de mededinging op Europees niveau. Indien percelen of schijven van werken of van een werk toegelaten zijn, mag dit niet tot gevolg hebben dat deze percelen of schijven onttrokken worden aan de mededinging. Zo ook k
   unnen, gelet op het verschil dat bestaat tussen de drempels voor de werken, de leveringen en de diensten, de leveringen en de diensten die niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een overheidsopdracht voor aanneming van werken hier niet aan toegevoegd worden met de bedoeling ze te onttrekken aan deze Europese mededinging.
   De enuntiatieve aankondiging
   * Art. 3. Artikel 3 richt een stelsel van voorafgaande informatie van de aannemers in door minstens eens per jaar en zo snel mogelijk na de beslissing tot goedkeuring van het programma waartoe de werken behoren, een enuntiatieve aankondiging te publiceren. Deze aankondiging dient de hoofdkenmerken te vermelden van de opdrachten die individueel het geraamd bedrag van 206 miljoen frank zonder belasting op de toegevoegde waarde bereiken. De bekendmaking van een identieke aankondiging gebeurt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen en in het Bulletin der Aanbestedingen. Zelfs indien deze bekendmaking zelf in principe verplicht is houdt ze niet in dat de procedures nadien daadwerkelijk moeten ingezet worden voor alle geplande opdrachten.
   De bekendmaking van een enuntiatieve aankondiging is belangrijk vermits deze voorinformatie het de aannemers moet mogelijk maken zich voor te bereiden op deelname aan de aldus aangekondigde procedures en de aanbestedende overheden toelaat voordeel te halen uit een verruiming van de mededinging. Bovendien mag, voor een opdracht met een dergelijke vooraankondiging, de termijn voor de ontvangst van de offertes worden ingekort.
   * Artikel 3, lid 4, formuleert een systematisch toe te passen beginsel dat erop neerkomt dat een bekendmaking in het Bulletin der Aanbestedingen niet mag gebeuren vóór de datum van verzending van de aankondiging voor bekendmaking naar het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen en dat ze geen andere inlichtingen mag bevatten.
   De aankondiging van opdracht
   * Art. 4. Artikel 4 legt de bekendmakingsvoorschriften op Europees én Belgisch niveau vast voor de opdrachten te gunnen bij gewone procedures die in dit geval de aanbesteding en de offerteaanvraag zijn. Zijn eveneens onderworpen aan deze voorschriften de opdrachten te gunnen bij onderhandelingsprocedure waarvoor een dergelijke bekendmaking is vereist zoals bepaald in artikel 17, § 3, van de wet.
   Voor elk van deze procedures dient aankondiging, opgesteld overeenkomstig bijlage 2, B, C en D, van het besluit.
   Het werd inderdaad verkieslijk geacht, het geheel van de modellen van aankondiging die moeten worden gebruikt bij de Europese bekendmaking, op te nemen in een bijlage bij het koninklijk besluit. Dit verlicht niet alleen de tekst van het besluit zelf maar maakt tevens een vlottere aanpassing van die modellen mogelijk indien ze later zouden gewijzigd worden op Europees niveau.
   De aankondigingen overgemaakt voor publikatie, mogen zeshonderdvijftig woorden niet overschrijden.
   * Art. 5. Volgens artikel 5, mag bij de procedure van openbare aanbesteding of algemene offerteaanvraag de termijn voor de ontvangst van de offertes niet korter zijn dan tweeënvijftig dagen, te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging voor publikatie. Zoals benadrukt in de toelichting bij artikel 3 kan deze termijn, voor een opdracht die het voorwerp was van een enuntiatieve aankondiging, worden teruggebracht in principe tot zesendertig dagen, met een minimumtermijn van tweeëntwintig dagen, omdat de belanghebbende beroepsmiddens vooraf ingelicht werden. Hierbij dient benadrukt te worden dat tot een inkorting van de termijn slechts mag worden overgegaan voor zover de enuntiatieve aankondiging verzonden werd voor publicatie overeenkomstig de voorwaarden bepaald in het artikel. Bovendien zijn deze termijnen minimumtermijnen die eventueel kunnen verlengd worden overeenkomstig artikel 7.
   Ter herinnering, de in kalenderdagen uitgedrukte termijnen worden berekend vanaf de dag volgend op de dag van de betrokken handeling tot en met de vervaldag.
   * Art. 6. Volgens § 1 kan, bij een beperkte aanbesteding en een beperkte offerteaanvraag, de termijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming niet korter zijn dan zevenendertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging. Wanneer het om dringende redenen onmogelijk is deze termijn in acht te nemen, kan de aanbestedende overheid overgaan tot een versnelde procedure, die een snellere bekendmaking door het Bureau voor Officiële Publikaties inhoudt; in dat geval kan de minimumtermijn voor ontvangst van de aanvragen tot deelneming zelfs teruggebracht worden tot vijftien dagen. Aangezien deze termijn vrij kort is, zal de aanbestedende overheid aandacht moeten hebben voor de vereisten die eigen zijn aan de bekendmaking op Belgisch niveau. Het Bulletin der Aanbestedingen verschijnt immers slechts wekelijks en niet dagelijks zoals het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
   Overeenkomstig § 2 kan de termijn voor ontvangst van de offertes bij beperkte procedure niet korter zijn dan veertig dagen, te rekenen vanaf de datum van verzending van de uitnodiging tot het indienen van een offerte indien de opdracht niet het voorwerp uitmaakte van een enuntiatieve aankondiging, en niet korter dan zesentwintig dagen in het andere geval.
   Bij een versnelde procedure zoals uiteengezet in § 1, mag deze termijn teruggebracht worden tot een minimum van tien dagen.
   Volgens § 3, kunnen de aanvragen tot deelneming aan de opdrachten en de uitnodigingen tot indiening van een offerte op verschillende wijzen gebeuren. De hiertoe gebruikte middelen moeten de snelst mogelijke zijn in geval van versnelde procedure. De reglementering heeft inderdaad, voor de beperkte procedures en voor de gevallen van onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, een maximale soepelheid in berichtgeving willen waarborgen. Het zijn uit
   eraard de aanbestedende overheden en de betrokken aannemers die bij die snelle berichtgeving de nodige voorzichtigheid en waakzaamheid moeten aan de dag leggen. Dat is trouwens de reden waarom deze zelfde § 3 de aannemers verplicht hun aanvraag tot deelneming te bevestigen in een brief verstuurd vóór het verstrijken van de termijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming. Dit vormvoorschrift wordt opgelegd in het belang van de aanbestedende overheid.
   Paragraaf 4 bepaalt welke inlichtingen de uitnodiging tot indiening van een offerte moet bevatten. Die uitnodiging omvat in beginsel het bestek. De aanbestedende overheid mag ook het adres van de dienst aanduiden - bijvoorbeeld het verkoop- en consultatiebureau van de bestekken en andere documenten betreffende de openbare aanbestedingen - die belast is met het overhandigen van het bestek, alsmede het bedrag en de wijze van betaling van de voor die documenten eventueel verschuldigde prijs. De verkoopprijs van dergelijke documenten mag nooit meer bedragen dan de kostprijs van het drukken ervan, met uitzondering van de studiekosten die op één of andere wijze nodig zijn voor hun bijwerking.
   * Art. 7. Het eerste lid verdient benadrukt te worden vermits het verduidelijkt dat de termijnen die voor de indiening van de offertes zijn bepaald in de artikelen 5 en 6, zo nodig, op passende wijze moeten verlengd worden wanneer de te onderzoeken documentatie omvangrijk is, wanneer een bezoek ter plaatse nodig is of wanneer bij het bestek horende documenten ter plaatse dienen geraadpleegd te worden. De grondgedachte is inderdaad dat de termijnen vastgesteld door of in samenhang met de reglementering, minimumtermijnen zijn. De aanbestedende overheid zal dus moeten oordelen of een langere termijn moet vastgesteld worden wanneer die omstandigheden zich voordoen.
   Leden 2 en 3 bepalen de termijn waarbinnen het bestek en de bijkomende inlichtingen over het bestek moeten verstrekt worden.
   De aankondiging van gegunde opdracht
   * Art. 8. Wat ook de gebruikte procedure is en dus ook in geval van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 2, van de wet van 24 december 1993, dient voor elke overheidsopdracht die de drempel van 206 miljoen frank bereikt, een aankondiging, opgesteld overeenkomstig het model in bijlage 2, E, en inlichtingen bevattend over de uitslagen van de procedure, verstuurd te worden naar de Europese Commissie binnen achtenveertig dagen na de gunning. Deze aankondiging is bestemd voor bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen en moet ook in het Bulletin der Aanbestedingen worden bekendgemaakt. De gunning komt tot stand door ofwel de kennisgeving van de goedkeuring van de offerte krachtens artikel 117 wat de gewone procedures betreft, ofwel het sluiten van een overeenkomst bij een onderhandelingsprocedure.
   Er dient onderstreept te worden dat het de aanbestedende overheid toegestaan is in bepaalde gevallen sommige inlichtingen niet openbaar te maken wanneer die openbaarmaking de toepassing van een wet zou belemmeren, in strijd zou zijn met het algemeen belang, schade zou berokkenen aan de rechtmatige handelsbelangen van ondernemingen of een eerlijke, onderlinge concurrentie zou aantasten.
   Een aankondiging van gegunde opdracht moet niet gepubliceerd worden voor de opdrachten gegund bij onderhandelingsprocedure op grond van artikel 17, § 2, 1°, b, van de wet, dat wil zeggen de geheime opdrachten waarvan de uitvoering moet gepaard gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen en opdrachten waarvoor de bescherming van de fundamentele belangen van 's lands veiligheid een gunning bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking vereist.
   * Art. 9. Voor elke gegunde opdracht is de aanbestedende overheid verplicht een proces-verbaal op te maken in de vereiste vorm, waarvan de inhoud of de belangrijkste punten op aanvraag aan de Europese Commissie moeten worden overgemaakt.
   Afdeling II Overheidsopdrachten voor aanneming van werken die niet onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking.
   * Art. 10 tot 14. De artikelen 10 tot 14 vormen een afdeling II die de na te leven bekendmakingsvoorschriften samenbrengt voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken die niet onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, opdrachten dus waarvan de waarde, geraamd volgens de berekeningsmodaliteiten van de eerste afdeling van dit hoofdstuk, de huidige drempel van 206 miljoen frank niet bereiken. In deze afdeling worden de opdrachten beoogd die worden gegund bij aanbestedingsprocedure, bij procedure van offerteaanvraag of onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet. Hierbij wordt geen afbreuk gedaan aan de toepassing van artikel 17, § 2, van de wet wanneer het aanwenden van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure kan gemotiveerd worden. In de gevallen van artikel 17, § 2, van de wet, is de hier onderzochte afdeling II dus niet van toepassing.
   Uitgezonderd wanneer de voorwaarden van artikel 1, § 2, van het besluit vervuld zijn, waarbij afdeling I van toepassing is, is afdeling II eveneens toepasselijk :(BR)
   
   - op de gesubsidieerde opdrachten voor aanneming van werken van de vrije universitaire instellingen ongeacht de natuur van de werken en ongeacht het bedrag. Inderdaad, deze afdeling is niet enkel van toepassing op de opdrachten van deze instellingen, die de Europese bekendmakingsdrempel niet bereiken, maar eveneens op bepaalde overheidsopdrachten voor aanneming van werken die de drempel van 206 miljoen frank bereiken en die niet op Europees niveau dienen te worden bekendgemaakt maar wel op Belgisch niveau omdat zij de in artikel 1, § 2 genoemde werkzaamheden en bouwwerken niet betreffen. Het geheel van de wetgeving is inderdaad toepasselijk op de opdrachten van die instellingen zodra d
   at ze gesubsidieerd worden door de overheid, overeenkomstig artikel 4, § 2, 9° van de wet, dit wil zeggen van bij de tussenkomst van overheidsfinanciën die voortvloeien ofwel uit de rechtstreekse subsidiëring van de beschouwde opdracht ofwel uit het gebruik van werkingstoelagen;
   - op bepaalde opdrachten voor aanneming van werken van andere privaatrechtelijke personen dan de vrije universitaire instellingen, indien hun geschatte bedrag vijf miljoen frank bereikt en zij rechtstreeks voor meer dan vijftig pct. door één of meerdere aanbestedende overheden gesubsidieerd worden. Deze opdrachten dienen evenwel werkzaamheden en bouwwerken te betreffen van dezelfde aard als deze genoemd in artikel 1, § 2. Deze bepaling beoogt de uitvoering van artikel 4, § 4, van de wet. Volgens deze regeling worden de opdrachten van die privaatrechtelijke personen bovendien onderworpen aan de toepassing van welbepaalde essentiële bepalingen van de wet en van het besluit, indien de in dit artikel daartoe opgesomde voorwaarden vervuld zijn. Het gaat om een basisstelsel dat geen afbreuk doet aan bepalingen van een wet, een decreet, een ordonnantie, een besluit of een beslissing, zelfs indien deze het voorwerp uitmaakt van een overeenkomst, welke de volledige naleving van de wet van 24 december 1993 en van het huidige besluit zouden opleggen, zelfs als de voorwaarden tot toepassing van dit artikel niet aanwezig zijn.
   Voor de opdrachten van afdeling II gelden eenvoudige bekendmakingsvoorschriften. Enerzijds, is er geen verplichting tot bekendmaking van de enuntiatieve aankondigingen noch van de aankondigingen van gegunde opdrachten en zijn de aankondigingsmodellen in de bijlage bij dit besluit niet van toepassing. Anderzijds, is de verplichting tot bekendmaking van de aankondigingen van opdrachten, en dit uitsluitend in het Bulletin der Aanbestedingen, nader te bepalen in samenhang met de gekozen gunningsprocedure.
   Volgens artikel 12, maakt elke opdracht te gunnen bij openbare aanbesteding of bij algemene offerteaanvraag het voorwerp uit van een aankondiging die de inlichtingen bevat die zijn aangeduid in de zeven vermelde rubrieken. De door de Raad van State gesuggereerde tekst werd gedeeltelijk aangenomen, waarbij het advies in 1° werd aangevuld en er een nieuw punt 2° betreffende de gunningswijzen werd toegevoegd. De formulering van 4°, ex 3°, blijft ongewijzigd aangezien de Commissie voor de overheidsopdrachten de mening toegedaan was dat deze tekst dichter staat bij deze die werd gekozen voor de opdrachten die op Europees niveau dienen te worden bekendgemaakt. Zo is er ook geen reden om de beperkende formule aan te nemen volgens dewelke "de aankondiging van opdracht enkel volgende elementen bevat".
   De minimumtermijn voor de ontvangst van de offertes is zesendertig dagen, behoudens inkorting tot een minimum van tien dagen voor zover er een termijn van tenminste zeven dagen wordt nageleefd vanaf de datum van de publikatie tot
    deze bepaald voor de ontvangst van de offertes. Het past erop te wijzen dat, zoals dit het geval is op Europees vlak, de proceduretermijn begint te lopen vanaf de verzending van de aankondiging met het oog op de bekendmaking en niet meer vanaf het ogenblik dat het bestek beschikbaar is.
   Bij beperkte aanbesteding, beperkte offerteaanvraag en onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, zijn de bekendmakingsvoorschriften opgenomen in de artikelen 13 en 14 van het besluit. Voor deze procedures die een voorafgaande selectie en een beperking van het aantal mededingende aannemers mogelijk maken, is het niettemin de bedoeling een voldoende doorzichtigheid te waarborgen en te vermijden dat systematisch steeds dezelfde aannemers zouden geraadpleegd worden.
   Over het algemeen, wordt de bekendmaking van een oproep tot de kandidaten in het Bulletin der Aanbestedingen overeenkomstig artikel 14, § 1, verplicht en dit voor elke opdracht afzonderlijk.
   Deze bekendmaking van opdracht kan voor elke geïndividualiseerde opdracht vervangen worden door de periodieke bekendmaking van een aankondiging van een opdracht die betrekking heeft op het opstellen van een lijst van gegadigden die, rekening houdend met de eisen van § 2, 4°, en met de aard van de werken en de bedragen, zullen geraadpleegd worden tijdens de geldigheidsperiode van de lijst. Volgens deze modaliteit zullen alle aannemers die op deze manier werden geselecteerd vervolgens worden uitgenodigd om, overeenkomstig § 3 van dit zelfde artikel, een offerte in te dienen tijdens de gunning van de opdrachten die werden uitgeschreven tijdens de geldigheidsperiode van de lijst en die prestaties betreffen waarvoor zij werden geselecteerd. Dit zou de aanbestedende overheden die regelmatig repetitieve opdrachten gunnen, binnen dewelke de aard en het volume van de prestaties een zekere regelmatigheid vertonen in de loop van een welbepaalde periode, inzonderheid moeten toelaten om de administratieve last te verlichten op het stuk van de uit te voeren aankondigingen, waarbij een voldoende doorzichtigheid van de procedures dient te worden gewaarborgd.
   Het past te onderstrepen dat deze modaliteit de aanbestedende overheid die dergelijke lijsten van gegadigden heeft opgesteld, geenszins belet om, indien zij dit wenst, beroep te doen op een aankondiging per geïndividualiseerde opdracht.
   De minimumtermijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming en van de offertes wordt, in principe, vastgesteld op vijftien dagen en mag ingekort worden tot een minimum van tien dagen. Nochtans mag een dergelijke inkorting niet tot gevolg hebben dat het normale spel van de mededinging verhinderd wordt. De aanbestedende overheid zal dus met omzichtigheid van deze mogelijkheid gebruik maken.
   Bovendien, zelfs indien een uitdrukkelijk gemotiveerde beslissing niet voorgeschreven is in deze reglementering wanneer de aanbestedende overheid gebruik maakt van een ingekorte termijn, dient deze inkorting normaal rechtvaardigd te worden in het dossier betreffende de opdracht.
   * Art. 15. Met betrekking tot dit artikel wordt verwezen naar de uitleg bij artikel 7.
   TITEL I, HOOFDSTUK II
   Regels in verband met de kwalitatieve selectie voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken.
   De voorschriften betreffende de kwalitatieve selectie van de ondernemingen verdienen een zeer bijzondere aandacht. Zoals de memorie van toelichting bij de wet van 24 december 1993 onderstreept (Doc. Parl., Senaat, 656.1 (1992-1993), blz. 25), "zijn de gunningscriteria bestemd om de intrinsieke waarde van de neergelegde offerte te beoordelen. De kwalitatieve selectiecriteria moeten op hun beurt toelaten aan de aanbestedende overheid om de bekwaamheid van kandidaten of inschrijvers om deze of gene opdracht tot een goed einde te brengen te beoordelen, met nazicht van het feit dat ze zich niet in een uitsluitingspositie bevinden (faillissement, niet-naleving van de sociale en fiscale verplichtingen ...) en over voldoende financiële, economische en technische draagkracht beschikken. Dit belangrijk onderscheid zal in de uitvoeringsbesluiten nader bepaald zijn maar nu reeds is het van belang dat de kwalitatieve selectie moet gebeuren, welke ook de procedure zij en ongeacht of deze algemeen of beperkt is."
   * Art. 16. Dit artikel behandelt de kwalitatieve selectie wat ook de gekozen gunningsprocedure is. De suggestie van de Raad van State om in artikel 16 de verduidelijking aan te brengen "zonder afbreuk te doen aan andere wettelijke bepalingen ..." , werd niet aangenomen omdat zij niets nieuws toevoegt aan de tekst. Inderdaad, artikel 16 berust op het beginsel dat de aanbestedende overheid, binnen de door dit artikel vastgelegde voorwaarden, overgaat tot de kwalitatieve selectie van de ondernemingen. Er dient op gewezen te worden dat zelfs bij openbare aanbesteding en algemene offerteaanvraag het onderzoek van de kwalificatie van de inschrijvers gebeurt vóór het onderzoek van de offertes, het onderzoek op het gebied van hun regelmatigheid inbegrepen. Het gaat om onderscheiden verrichtingen. Bijgevolg zal de aanbestedende overheid van te voren dienen te beslissen over de selectie van elke inschrijver, enerzijds op grond van de inlichtingen over hun persoonlijke toestand zoals vermeld in artikel 17 en, anderzijds op grond van de eisen die zij zal hebben gesteld op het stuk van de kwalificatie krachtens artikelen 18 en 19. Enkel de offertes van de aannemers die op deze manier werden geselecteerd, zullen vervolgens door de aanbestedende overheid worden onderzocht.
   Voor de selectie geldt in het bijzonder het algemeen beginsel van de niet-discriminatie, neergelegd in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. De onderdanen van de andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschap en, zoals wordt toegelicht bij artikel 24, de onderdanen van bepaalde andere S
   taten die over de vereiste kwalificaties beschikken moeten op dezelfde wijze als de nationale aannemers behandeld worden.
   Zonder afbreuk te doen aan de essentie zelf van een procedure die gepaard gaat met een voorafgaande selectie, moet de aanbestedende overheid tevens op wettige wijze en op grond van een keuze die op objectieve wijze gemotiveerd kan worden ten opzichte van de vooraf vastgelegde selectiecriteria, het aantal kandidaten dat zij uiteindelijk kiest en aan dewelke zij zal vragen een offerte te doen, kunnen beperken. Zo zou de aanbestedende overheid, wanneer bijvoorbeeld vijftien kandidaten op verschillend niveau zouden voldoen aan de gestelde voorwaarden, nog moeten kunnen beslissen dit aantal zodanig te verminderen dat de meest geschikte kandidaten overblijven, rekening houdend met de moeilijkheidsgraad van de betrokken opdracht en met de middelen waarover de aanbestedende overheid beschikt voor de uitvoering van een ernstig onderzoek van de offertes. Zelfs indien de aanbestedende overheid op een onpartijdige wijze gebruik maakt van deze mogelijkheid moet toch een voldoende mededinging gewaarborgd blijven.
   De richtlijn 93/37/EEG legt geen minimum aantal vast waaronder een voldoende mededinging niet zou gewaarborgd zijn. Het gaat daar om een element dat te beoordelen is in het licht van de overheidsopdracht of van de betrokken sector. Onder de gelding van de wet van 14 juli 1976, werd in de praktijk doorgaans aanvaard dat zo mogelijk minstens zes aannemers zouden geselecteerd worden in het raam van de beperkte procedures en dit naar analogie met de voorwaarde gesteld in artikel 51 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 (voorafgaand akkoord van de Ministerraad inzake de opdrachten van de Staat en sommige parastatalen die bepaalde bedragen overschrijden). Het huidige artikel bepaalt dat indien de aanbestedende overheid van de mogelijkheid gebruik maakt om in de aankondiging van opdracht bij een beperkte procedure, het minimum en maximum aantal kandidaten bekend te maken dat zij wenst te selecteren, het minimumaantal vijf bedraagt. Bovendien moeten er bij een onderhandelingsprocedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet minstens drie aannemers tot de onderhandelingen worden toegelaten, behoudens een onvoldoend aantal geschikte kandidaten.
   * Art. 17. Artikel 17 behandelt de gevallen van uitsluiting van deelneming aan een opdracht en de aanvaardbare bewijzen overeenkomstig wat in richtlijn 93/37/EEG wordt bepaald. De aanbestedende overheid zal de eisen aanpassen al naargelang de betrokken opdracht. Zo zal zij ervoor moeten zorgen te vermijden dat systematisch alle bewijzen opgesomd in artikel 17, laatste lid, gevraagd worden, wat voor de ondernemingen een nutteloze belasting zou zijn.
   Deze bepalingen doen geen afbreuk aan de wetgeving betreffende de erkenning van aannemers van werken, die de verplichte basisvoorschriften inzake financieel, economisch en technisch vermogen vastlegt en die door de aanbestedende overheid kunnen aangevuld worden naar gelang van de specifieke kenmerken van de opdracht.
   Van de door de Raad van State geformuleerde suggesties, dient te worden vermeld :(BR)
   
   - dat de eerste suggestie niet aangenomen werd omdat de tekst van artikel 14 betrekking heeft op de kwalificatie van de aannemers en er een verbinding dient te worden gelegd, niet met alle andere wettelijke bepalingen, maar wel met de wetgeving betreffende de erkenning van aannemers van werken;
   - dat de derde suggestie niet aangenomen werd, want het Nederlandse woord "belastingen" dezelfde draagwijdte heeft als het Franse "impôts et taxes";
   - dat in artikel 17, eerste lid, 7°, net als in de richtlijn, de bedoelde hypothese is deze van een aannemer die zich op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan het afleggen van valse verklaringen door het leveren van invorderbare inlichtingen in toepassing van dit hoofdstuk (en niet van "dit artikel" zoals in het advies van de Raad van State staat vermeld);
   - dat in artikel 17, tweede lid, het verkieslijk is om eerder het woord "land" dan " Lid-Staat" te gebruiken, aangezien de tekst zich leent voor toepassing op ondernemingen die bijvoorbeeld gevestigd zijn in een land van de Europese Economische Ruimte of in een land dat zich aangesloten heeft bij het Akkoord over de Overheidsopdrachten gesloten in het raam van het Algemeen Akkoord over de Douane- en handelstarieven.
   * Art. 18 tot 20. De artikelen 18 en 19 bepalen de referenties nodig voor de beoordeling van het financieel, economisch en technisch vermogen van de aannemers. Deze bepalingen zijn van toepassing onverminderd de wetgeving op de erkenning van de aannemers, waarmee ze trouwens in overeenstemming zijn.
   Van de referenties die kunnen gevraagd worden, verdienen de bankverklaringen enige uitleg. De aanbestedende overheid kan inderdaad de overlegging van een passende verklaring eisen, wat betekent dat het bankdocument dan een bepaalde toestand ten overstaan van de bijzondere eisen van de beschouwde opdracht moet duidelijk maken, en minstens een omstandige verklaring van de bank moet bevatten betreffende het financiëel vermogen van de aannemer.
   Volgens artikel 20 kan de aanbestedende overheid de aannemers verzoeken de ingediende getuigschriften en bescheiden aan te vullen of nader toe te lichten binnen de perken van de artikelen 17 tot 19.
   TITEL I, HOOFDSTUK III
   Promotieovereenkomsten voor aanneming van werken.
   * Art. 21 en 22. Deze artikelen nemen de aanvullende bepalingen op voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken bij wege van een promotieovereenkomst waarbij ernaar gestreefd wordt de tekst van het koninklijk besluit van 18 mei 1981 betreffende de algemene voorwaarden van gunning van overheidsopdrachten bij wege van een promotieovereenkomst van werken en leveringen die, zo leert de ervaring, weinig operationeel bleek te zijn, te verlichten.
   De bepalingen die gewijd zijn aan de overheidsopdrachten bij wege van een promotieovereenkomst blijken om verschillende redenen bondig gehouden :(BR)
   
   - enerzijds, zoals de Memorie van Toelichting van de wet met betrekking tot artikel 9 van het ontwerp van wet (Doc. Parl. Senaat nr. 656-1 (1992-1993), blz. 19 ev.) in herinnering brengt, vormt de overheidsopdracht bij wege van een promotieovereenkomst in het raam van de Europese richtlijnen één van de vormen die een overheidsopdracht kan bekleden. In die zin gelden de in de andere titels van dit besluit vastgestelde gunningsprocedures en -wijzen eveneens voor deze opdrachten;
   - anderzijds, zullen de bijzondere bepalingen die betrekking hebben op de uitvoering van de overheidsopdrachten bij wege van een promotieovereenkomst worden opgenomen in het koninklijk besluit dat de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten bevat, welke het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 tot vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten vervangt.
   Het huidige ontwerp van koninklijk besluit beperkt er zich dus toe bepaalde essentiële modaliteiten vast te stellen in het stadium van de gunningsprocedure, waarbij de gepastheid om een beroep te doen op de overheidsopdracht bij wege van een promotieovereenkomst uiteraard afhangt van de beoordeling van elke aanbestedende overheid.
   De artikelen 21 en 22 bevatten uitvoeringsmaatregelen voor het artikel 9 van de wet van 24 december 1993 dat is gewijd aan de promotieovereenkomsten. Artikel 21 neemt het artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 mei 1981 over en voegt er de toekenning van een erfpachtrecht aan toe met het oog op de bouw of de inrichting van werken.
   * Artikel 22 neemt de overeenkomstige bepalingen van artikelen 17 en 22, 3°, van het koninklijk besluit van 18 mei 1981 over. Ter herinnering, het verbod door § 2 opgelegd aan de promotor om de uitvoering van de werken, zonder toestemming van de aanbestedende overheid, toe te vertrouwen aan andere aannemers dan één van de drie die maximum vermeld zijn in zijn offerte, heeft niet als doel de mededinging te beperken. Het gaat om een maatregel ter bescherming van de aanbestedende overheid, om te voorkomen dat een promotor die niet zelf de werken uitvoert, in de loop van de werf van aannemer verandert, met het risico dat de kwaliteit van de uitvoering aangetast wordt. Dit is eveneens de reden waarom voortaan vereist wordt dat de offerte van de promotor een document zou bevatten volgens de bewoordingen waarvan de voornoemde aannemers aanvaarden om de werken uit te voeren volgens de in het bestek van de aanbestedende overheid voorziene voorwaarden. Deze nieuwe voorwaarde heeft de neiging te voorkomen dat de promotor de naam van de aannemers van werken slechts pro forma zou noemen terwijl voor de aanbestedende overheid de kwalificatie van de aannemer een belangrijk element is dat toelaat te oordelen over de wijze waarop de werken zullen worden uitgevoerd.
   TITEL I, HOOFDSTUK
    IV. - De wedstrijd.
   * Art. 23. Specifieke bepalingen worden behouden voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken gegund bij wedstrijdprocedure die een tussenkomst en een advies van een jury en de weging van de gunningscriteria inhoudt. Dit type wedstrijd is vooral aangewezen in het raam van een procedure van offerteaanvraag. Wat de samenstelling van de jury betreft is nader bepaald dat minstens één van de leden moet gekozen worden onder de personen die niet tot een openbaar bestuur noch tot een aanbestedende overheid behoren. Deze laatste kan in sommige gevallen een privaatrechtelijke persoon zijn en geen bestuur gezien het toepassingsveld van de reglementering. De juryleden dienen van een onweerlegbare deskundigheid op het betrokken domein te getuigen en kunnen bijvoorbeeld lid zijn van het hoger onderwijzend personeel of vertegenwoordiger van de ingenieurs- en de architectenbond. Om de onpartijdigheid te waarborgen, legt de tekst de verplichting op dat de juryleden volledig onafhankelijk dienen te zijn van de aannemers, leveranciers of dienstverleners die in aanmerking komen voor deelneming aan de wedstrijd.
   Het nagestreefde doel is immers dat men zou beschikken over een raadgevend orgaan dat de aanbestedende overheid tijdens de procedure bij haar keuze helpt, in funktie van haar eigen behoeften en prioriteiten. Deze jury komt dus tussen in het raam van het actief bestuur en niet in het raam van een geschil, en net daarom kan het aangewezen zijn om toe te staan dat de meerderheid van haar leden gevormd wordt door ambtenaren. Niets belet natuurlijk dat de meerderheid van de juryleden gevormd zou worden door personen die niet tot de aanbestedende overheid behoren.
   Bovendien wordt er de aandacht op gevestigd dat de richtlijn 92/50/EEG van 18 juni 1992 en het artikel 20 van de wet van 24 december 1993 tevens de prijsvraag voor ontwerpen heeft gecreëerd, d.i. een procedure die het de aanbestedende overheid mogelijk maakt, vooral op het vlak van de architectuur, de engineering en de gegevensverwerking, een plan of een ontwerp te verwerven dat door een jury gekozen wordt na mededinging met of zonder toekenning van premies. Dit type prijsvraag, gericht op de aannemingen van diensten, zal nader worden toegelicht bij artikel 75 en volgende.
   TITEL I, HOOFDSTUK V - Toegang tot overheidsopdrachten voor aanneming van werken voor aannemers van derde landen ten aanzien van de Europese Gemeenschap.
   * Art. 24. Artikel 24 stelt een veranderlijke lijst op van de Staten die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, maar die met deze Gemeenschap besloten hebben bepaalde wederkerige verbintenissen aan te gaan tot openstelling van hun respectievelijke overheidsopdrachten.
   Momenteel vermeldt de lijst van artikel 24 :(BR)
   
   - de Staten die een verbintenis zijn aangegaan in het raam van het Akkoord over de Europese Economische Ruimte. Deze Staten hebben de algemene principes van het Verdrag toepasselijk op de o
   penstelling van de overheidsopdrachten aanvaard evenals de Europese richtlijnen betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. Hieruit vloeit voort dat de ondernemingen en producten van deze Staten dienen te worden gelijkgesteld, door de aanbestedende overheden, ten aanzien van deze principes en de regels die deze richtlijnen omzetten, met deze van de Lid-Staten van de Gemeenschap;
   - de Staten die verbintenissen zijn aangegaan in het raam van het Algemeen Akkoord over de Douane- en Handelstarieven. Aangezien de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (1994) ingewikkeld blijkt te zijn en uitzonderingen bevat waarvan sommigen enkel bepaalde derde, ondertekenende landen betreffen, zullen deze toepassingsvoorwaarden verduidelijkt worden in een omzendbrief van de Eerste Minister.
   Volgens de voorwaarden van de internationale akte die hen betreft, genieten deze landen van de toepassing van titels II en III van boek I van de wet en van dit besluit.
   TITEL I, HOOFDSTUK VI. - De informatie.
   * Art. 25 en 26. De artikelen 25 en 26 omvatten een reeks verplichtingen die aan de aanbestedende overheid opgelegd worden in verschillende stadia van een procedure, met name :(BR)
   
   - bij aanbesteding, bij offerteaanvraag en bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, de verplichting aan elke kandidaat die hierom verzoekt, de redenen mee te delen waarom hij niet geselecteerd werd;
   - bij dezelfde procedures, de verplichting om aan elke inschrijver die een onregelmatig geoordeelde offerte indiende, op zijn verzoek de redenen van zijn afwijzing mee te delen evenals de naam van de aannemer. Bovendien brengt de aanbestedende overheid op eigen initiatief de inschrijvers op de hoogte dat hun offerte niet werd aanvaard;
   - ongeacht de procedure, de verplichting aan elke inschrijver die een regelmatige offerte indiende maar die de opdracht niet toegewezen kreeg en die hierom verzoekt, de gemotiveerde beslissing mee te delen;
   - de verplichting aan de gegadigden of inschrijvers de redenen mee te delen waarom van een procedure of van de gunning van een opdracht afgezien werd. Bovendien moet de aanbestedende overheid de Europese Commissie op eigen initiatief inlichten als het gaat om een opdracht onderworpen aan de Europese bekendmaking.
   Volgens § 4 van artikel 25 is het de aanbestedende overheid toegestaan in bepaalde gevallen sommige inlichtingen niet openbaar te maken wanneer die openbaarmaking de toepassing van een wet zou belemmeren in strijd zou zijn met het algemeen belang, schade zou kunnen toebrengen aan de rechtmatige handelsbelangen van ondernemingen of een eerlijke, onderlinge mededinging zou aantasten.
   Er dient onderstreept te worden dat de Belgische reglementering betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen, en in het bijzonder de wet van 29 juli 1991, ruimer maar minder precies blijkt te zijn dan de verplichtingen die zijn opgenomen in de artikelen 25 en 26 en voortvloeien uit de Europese richtlijnen. Deze wet verplicht immers elk openbaar bestuur in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in de akte de overwegingen aan te duiden waarop zijn beslissingen met individuele draagwijdte in rechte en in feite steunen. Die formele motivering moet er dus zijn op het ogenblik dat de beslissing genomen wordt.
   De aanbestedende overheid zal eveneens rekening houden met verplichtingen die voortvloeien uit andere wetgevingen. Zo bijvoorbeeld, bepaalt de wet van 11 april 1994 op de openbaarheid van het bestuur, via haar artikel 2, 4°, dat elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van een federale overheid, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen moet vermelden. Bij ontstentenis van deze inlichtingen begint de verjaringstermijn voor het aantekenen van het beroep niet te lopen. Gelijkaardige bepalingen bestaan op gemeenschaps- of gewestniveau. niveau.
   TITEL II, HOOFDSTUK I, AFDELING I
   Overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen die onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking.
   Bedragen en berekeningswijzen.
   * Art. 27. De overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen te gunnen bij openbare of beperkte aanbesteding, bij algemene of beperkte offerteaanvraag of bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet en waarvan het geraamde bedrag zonder belasting op de toegevoegde waarde de huidige drempel van 8,2 miljoen frank bereikt of overschrijdt zijn onderworpen aan de Europese bekendmakingsvoorschriften. Deze som bedraagt 5,3 miljoen F voor de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 50, 2°, a) van het besluit, dat wil zeggen bepaalde aanbestedende overheden op het federaal niveau overheden onderworpen aan het Akkoord inzake de overheidsopdrachten dat gesloten werd in het kader van het Algemeen Akkoord over de Douane- en Handelstarieven. Inderdaad, deze aanbestedende overheden besloegen het toepassingsveld van het vorige Akkoord dat enkel de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen beoogde en was omgezet bij koninklijk besluit van 20 december 1988. Enkel voor deze aanbestedende overheden werd deze drempel dus gehandhaafd.
   Zoals het drempelbedrag bepaald voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, zijn deze bedragen vatbaar voor tweejaarlijkse herziening bij besluit van de Eerste Minister.
   Zonder afbreuk te doen aan artikel 17, § 2, van de wet, is artikel 27 van toepassing op de opdrachten gegund bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure. In de gevallen vermeld in artikel 17, § 2, wordt inderdaad geen enkel bekendmakingsvoorschrift opgelegd in dit stadium van de procedure. Twee andere bekendmakingsmodaliteiten die niet gebonden zijn aan de keuze van een bepaalde procedure maar aan het feit dat een bepaald bedrag bereikt wordt, dienen evenwel in herinnering gebracht te worden. Het gaat om de bekendmaking van enuntiatieve aankondigingen (artikel 29) en aankondigingen van gegunde opdrachten (artikel 34). Wat de bekendmaking van enuntiatieve aankondigingen betreft, lijken de meeste gevallen die voorkomen in artikel 17, § 2, zich niet te lenen voor dergelijke voorafgaande informatie (eerste vruchteloze gewone procedure, enige leverancier, dwingende noodzaak voortvloeiend uit onvoorzienbare gebeurtenissen, bijkomende leveringen..).
   Bovendien zou een dergelijke bekendmaking, vooraf of achteraf, geen enkele zin hebben wanneer het gaat om geheime leveringen of leveringen die moeten gepaard gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen in de zin van artikel 17, § 2, 1°, b. Anderzijds, moeten, met uitzondering van het geval van de geheime leveringen of de leveringen die moeten gepaard gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen, de opdrachten gegund bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure, alle het voorwerp uitmaken van een aankondiging van gegunde opdracht wanneer hun waarde het bovenvermelde bedrag van 5,3 miljoen frank of 8,2 miljoen frank bereikt.
   Wat § 1 betreft, geldt de toelichting die bij artikel 1 werd verstrekt met betrekking tot de lijst van sommige aanbestedende overheden eveneens voor titel II die van toepassing is op de leveringen.
   * Art. 28. De tekst bevat de manier waarop het bedrag van een bepaalde opdracht dient geraamd in bepaalde gevallen.
   Lid 1 van artikel 28 verduidelijkt de wijzen van berekening van het geschatte bedrag van de opdracht indien de opdrachten gegund worden in de vorm van huur, huurkoop, leasing of in een soortgelijke vorm. Indien de opdracht er één is van bepaalde duur, komt het geschatte totaalbedrag van de opdracht in aanmerking, en dit voor de gehele duur ervan. Indien deze bepaalde duur de twaalf maanden overschrijdt, dient de overblijvende waarde van de leveringen bij het einde van de overeenkomst aan de raming toegevoegd te worden.
   Indien de opdracht een onbepaalde duur heeft of indien er twijfel bestaat over deze duur, dient het geraamde maandelijks bedrag van de opdracht met achtenveertig vermenigvuldigd te worden. Dit beoogt bijvoorbeeld de opdrachten die een clausule tot jaarlijkse verlenging bevatten. Daartegenover staat dat bijvoorbeeld een opdracht met een maximum duur van vijf jaar, waarop een clausule tot jaarlijkse ontbinding van toepassing zou zijn, beschouwd zou dienen te worden als een opdracht met een bepaalde duur van vijf jaar. In dat geval zullen dus die vijf jaren in aanmerking dienen genomen te worden bij de vaststelling van de geschatte waarde van de opdracht.
   Lid 2 van artikel 28 verduidelijkt de wijzen van berekening indien de opdrachten niet gegund worden in de vorm van huur, huurkoop, leasing of in een soortgelijke vorm, maar indien deze een regelmatig karakter vertonen of bestemd zijn om in de loop van een gegeven periode vernieuwd te worden. In dat geval dient er te worden verwezen hetzij naar het totale werkelijke bedrag van gelijksoortige opeenvolgende opdrachten gegund tijdens de voorbije twaalf maanden of tijdens het vorige jaar, zo mogelijk verbeterd om rekening te houden met de wijzigingen die zich qua hoeveelheid of waarde zouden kunnen voordoen in de loop van de twaalf maanden volgend op de eerste opdracht, hetzij naar het totale geraamde bedrag van de opeenvolgende opdrachten over de twaalf maanden volgende op de eerste levering of over de volledige looptijd van de opdracht, indien deze meer bedraagt dan twaalf maanden. Wanneer een geplande opdracht uitdrukkelijk in opties voorziet, dienen deze alle in aanmerking genomen te worden voor de berekening van het geraamde bedrag van deze opdracht.
   Overeenkomstig de Gemeenschapsrichtlijnen mag geen enkele opdracht worden gesplitst ten einde haar aan de toepassing van de bepalingen van deze afdeling te onttrekken.
   De enuntiatieve aankondiging
   * Art. 29. Zoals artikel 3 voor de werken, richt artikel 29 een stelsel van voorafgaande informatie van de leveranciers in door de bekendmaking van enuntiatieve aankondigingen voor het totaal van de opdrachten voor aanneming van leveringen, per groep van produkten volgens de classificatie CPA., te gunnen binnen een periode van twaalf maanden en waarvan het geraamd bedrag 30,9 miljoen frank bereikt zonder belasting op de toegevoegde waarde. De classificatie CPA is opgesteld overeenkomstig het reglement van de Raad (EEG) nr. 3696/93 van 29 oktober 1993 betreffende de statistische classificatie van produkten gekoppeld aan de economische activiteiten in de Europese economische Gemeenschap (CPA.) (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. L. 342 van 31 december 1993). De toelichting bij artikel 3 geldt, mutatis mutandis, ook hier. Alhoewel zulks niet vermeld wordt in het Gemeenschapsrecht moeten de opdrachten of de groepen van produkten die in aanmerking worden genomen voor de berekening van het totaal van 30,9 miljoen frank elk de minimumdrempel bereiken die de toepassing van de richtlijn in werking stelt, hetzij 5,3 of 8,2 miljoen frank. Elke andere oplossing zou inderdaad leiden tot een voorafgaande aankondiging van projecten en opdrachten die nadien niet in mededinging gebracht worden overeenkomstig de richtlijn, vermits ze afzonderlijk deze drempels niet bereiken.
   Voor een opdracht voor aanneming van leveringen die het voorwerp uitmaakte van een enuntiatieve aankondiging mag de termijn voor de ontvangst van de offertes ingekort worden.
   In zijn advies heeft de Raad van State zich afgevraagd of het niet gepast zou zijn om voornoemde classificatie CPA aan het ontwerp toe te voegen, naar analogie van het in de wet gebruikte procédé voor de lijst der diensten. In de praktijk kan hier niet voor deze oplossing worden gekozen aangezien de CPA-classificatie bijna honderdtwintig bladzijden telt. Dit is de reden waarom het huidige verslag het nummer vermeldt van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen waarin deze classificatie werd bekendgemaakt. De Regering zal overigens praktische voorwaarden voorzien opdat deze classificatie beschikbaar zou zijn voor de belanghebbende aanbestedende overheden.
   De aankondiging van opdracht
   * Art. 30 en 31. De toelichting bij de artikelen 4 en 5 geldt mutatis mutandis voor de artikelen 30 en 31.
   * Art. 32 tot 33. Met betrekking tot deze artikelen wordt verwezen naar de toelichting bij respectievelijk de artikelen 6 en 7.
   De aankondiging van gegunde opdrachten
   * Art. 34 en 35. Voor deze artikelen wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen 8 en 9.
   Toepassing van het niet-discriminatiebeginsel
   * Art. 36. Artikel 36 bevat een bepaling die voortvloeit uit de richtlijn 93/36/EEG en eigen is aan de leveringen. Volgens deze bepaling moeten de aanbestedende overheden in de zin van art. 4, § 1 en 2, 1° tot 8° en 10° van de wet van 24 december 1993, de openbare overheden dus, voor elke toekenningsakte die aan privé personen bijzondere of exclusieve rechten toekent om een activiteit van openbare dienst uit te oefenen, de naleving opleggen van het algemeen beginsel van niet-discriminatie op grond van de EEG nationaliteit, voor de opdrachten voor aanneming van leveringen uit te voeren in het kader van die activiteit.
   In tegenstelling tot het advies van de Raad van State is de Regering de mening toegedaan dat artikel 36 dezelfde draagwijdte heeft als artikel 2, 2 van richtlijn 93/36/EEG en dat de formulering ervan verstaanbaarder is voor de Belgische aanbestedende overheden. Deze tekst is overigens overgenomen uit artikel 17bis van het koninklijk besluit van 8 december 1988.
   AFDELING II. - Overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen die niet onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking
   * Art. 37 tot 41. De artikelen 37 tot 41 vormen een afdeling II die de bekendmakingsvoorschriften verenigt die na te leven zijn voor de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen die niet onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, d.w.z. de overheidsopdrachten die de drempel van 5,3 of van 8,2 miljoen frank waarvan sprake in afdeling 1, niet bereiken en ongeacht hun bedrag de gesubsidieerde opdrachten van de privaatrechtelijke universitaire instellingen, en dit op grond van artikel 4, § 2, 9°, van de wet.
   Enkel deze gesubsidieerde opdrachten zijn onderworpen aan de toepassing van de regels betreffende de leveringen en dit in uitvoering van artikel 4, § 2, 9°, van de wet. Net als voor de werken en de diensten (artikelen 11 en 63) had de aanpak breder kunnen zijn en had hij de opdrachten voor aanneming van leveringen van andere privaatrechtelijke personen kunnen omvatten. In een streven naar eenvormigheid met de aanpak van richtlijn 93/36/EEG die deze opdrachten niet aan een Europese inmededingingstelling onderwerpt, heeft men geoordeeld dat het verkieslijk is om in deze afdeling geen bijkomende maatregelen te treffen voor deze leveringen van privépersonen, wat de subsidiërende overheden natuurlijk niet belet om naar aanleiding hiervan een dwingender stelsel te voorzien.
   De toelichting bij de artikelen 10 tot 15 voor de werken geldt mutatis mutandis voor de artikelen 37 tot 41.
   TITEL II, HOOFDSTUK II
   Voorschriften inzake de kwalitatieve selectie voor de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen.
   * Art. 42 tot 47. De toelichting bij de artikelen 16 tot 19 betreffende de werken geldt eveneens voor de leveringen met uitzondering van de verwijzing naar de wetgeving houdende regeling van de erkenning van de aannemers van werken, die niet van toepassing is op de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen.
   * Artikel 46 dat voortvloeit uit het Europees recht, verduidelijkt in dit verband dat de inschrijving van een leverancier op een officiële lijst in een andere Lid-Staat van de Europese Unie, een vermoeden van beroepsgeschiktheid inhoudt.
   Op dezelfde wijze streeft het eerste lid van artikel 47 naar een evenwicht tussen het recht van de aanbestedende overheid om inlichtingen in te winnen over de financiële, economische en technische bekwaamheid van de mogelijke leveranciers en de noodzaak rekening te houden met de rechtmatige belangen van de leveranciers om hun technische of handelsgeheimen beschermd te zien.
   TITEL II, HOOFDSTUK III
   Promotieovereenkomsten voor aanneming van leveringen.
   * Art. 48. Deze bepaling herneemt, op het stuk van de promotieovereenkomsten voor aanneming van leveringen, de tekst van artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 mei 1981. Hierbij wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen 21 en 22.
   TITEL II, HOOFDSTUK IV. - De wedstrijd.
   * Art. 49. Met betrekking tot artikel 49 wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 23 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken gegund bij wijze van een wedstrijd.
   TITEL II, HOOFDSTUK V. - Toegang tot overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen voor de leveranciers van derde landen ten aanzien van de Europese Gemeenschap.
   * Art. 50. Voor artikel 50 wordt verwezen naar de toelichting bij artikelen 24 en 27.
   TITEL II, HOOFDSTUK VI. - De informatie.
   * Art. 51 en 52. Inzake de artikelen 51 en 52 wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen 25 en 26.
   TITEL III, HOOFDSTUK I, AFDELING I
   Overheidsopdrachten voor aanneming van diensten onderworpen aan de Europese bekendmaking.
   Bedragen en hun berekeningswijzen.
   * Art. 53 en 54. Zoals het geval is voor de leveringen, zijn de overheidsopdrachten die als voorwerp diensten hebben, die zijn opgesomd in bijlage 2, A, van de wet van 24 december 1993 waarvan het geraamde bedrag zonder belasting op de toegevoegde waarde de huidige drempel van 5
   ,3 of van 8,2 miljoen frank bereikt of overschrijdt onderworpen aan de Europese bekendmakingsvoorschriften. De bijlage 2, A, groepeert inderdaad de diensten waarvan de openstelling beschouwd wordt als prioritair op Europees niveau. De diensten in bijlage 2, B, van de wet van 24 december 1993 daarentegen worden in deze zin niet beschouwd als prioritair maar zijn onderworpen aan een toezicht a posteriori vanwege de Commissie door middel van de aankondigingen over de uitslagen van de gegunde opdrachten, zoals bepaald in artikel 60. Bovendien, en dit is het algemeen beginsel in titel IV voor alle overheidsopdrachten, moet voor deze opdrachten voor aanneming van diensten die op Europees vlak niet prioritair zijn, verplicht voorrang worden verleend aan de Europese technische specificaties en normen.
   Krachtens artikel 53, § 2, zijn eveneens onderworpen aan de Europese bekendmaking de opdrachten voor aanneming van diensten die zijn opgesomd in bijlage 2, A, bij de wet, gegund door privé personen en rechtstreeks gesubsidieerd voor meer dan vijftig pct. Die diensten moeten evenwel betrekking hebben op voor meer dan 50 pct. gesubsidieerde werken in de zin van artikel 1, § 2, van dit besluit.
   In het geval van een opdracht die zowel prioritaire diensten zoals vermeld in bijlage 2, A, als niet-prioritaire diensten zoals in bijlage 2, B, van de wet omvat, moet, om uit te maken of een Europese bekendmaking al dan niet nodig is, worden nagegaan welke van de twee categorieën qua waarde de belangrijkste is.
   Hoewel niet-prioritaire diensten van bijlage 2, B, slechts onderworpen zijn aan de verzending van de aankondiging van gegunde opdracht bepaald in artikel 60, moet er toch een samenhang gewaarborgd zijn op reglementair vlak. Er dient vermeden te worden dat dergelijke niet-prioritaire opdrachten voor aanneming van diensten die de drempels overschrijden, onderworpen zouden zijn aan een minder uitgebreid stelsel dan dit bepaald in afdeling II voor de diensten waarvan de waarde, alle categorieën samen genomen, onder de drempels ligt. Het is daarom dat de bepalingen van artikel 53, § 4, geen afbreuk doen aan de toepassing van de artikelen 62 tot 67 die de afdeling II vormen van het eerste hoofdstuk.
   Dit betekent concreet dat een niet-prioritaire overheidsopdracht voor aanneming van diensten in de zin van bijlage 2, B, van de wet, indien zij de Europese drempel van 5,3 of van 8,2 miljoen frank bereikt, onderworpen zal zijn :(BR)
   
   - aan artikel 60 van de eerste afdeling betreffende de aankondiging van gegunde opdracht;
   - aan het geheel van afdeling II.
   Tenslotte wordt in geval van opdracht die terzelfdertijd diensten en leveringen betreft, de aard van deze opdracht bepaald door de prestaties die qua waarde het belangrijkste deel ervan uitmaken.
   In dezelfde zin als wat is bepaald voor de werken en de leveringen, vermelden deze artikelen de elementen die in aanmerking dienen genomen te worden om uit te maken of de bedra
   gen die tot Europese bekendmaking verplichten, al dan niet bereikt zijn.
   * Art. 55 tot 61. Onder voorbehoud van wat voorafgaat, geldt de toelichting bij de gelijkwaardige bepalingen over de overheidsopdrachten voor aanneming van werken of leveringen, op enkele bijzonderheden na, eveneens voor de bekendmaking op Europees niveau van de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten.
   Bij de gevallen van onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij het begin van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, past het evenwel te herinneren dat 4° van toepassing is op de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten waarvan de technische specificaties niet met voldoende nauwkeurigheid kunnen worden opgesteld om de gunning ervan mogelijk te maken volgens de procedure van aanbesteding of offerteaanvraag. Volgens richtlijn 92/50/EEG kan dit met name het geval zijn binnen het domein van de intellectuele prestaties en de financiële diensten (bankverrichtingen en verzekeringen).
   AFDELING II. - Overheidsopdrachten voor aanneming van diensten die niet onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking.
   * Art. 62 tot 67. Hier ook kan verwezen worden naar de toelichting bij de overeenkomstige bepalingen voor de werken en de leveringen, op één uitzondering na. Gezien de uiteenlopende benadering van de prioritaire diensten en van de diensten die dit volgens de richtlijn 92/50/EEG niet zijn, dient eraan herinnerd te worden dat de opdrachten betreffende niet-prioritaire diensten in de zin van bijlage 2, B, van de wet, wat ook hun bedrag is, onderworpen zijn aan deze afdeling II. Deze volgen hetzelfde stelsel als de opdrachten voor aanneming van diensten van de bijlage 2, A, van de wet, die de Europese drempel niet bereiken. De toepassing van deze voorschriften doet voor deze niet-prioritaire diensten geen afbreuk aan de verplichting tot verzending van de aankondiging van gegunde opdracht zoals bepaald in de artikelen 53, § 4, en 60 wanneer de Europese drempel bereikt wordt.
   Voor wat de opdrachten voor aanneming van diensten van de privaatrechtelijke universitaire instellingen wordt er verwezen naar het commentaar van de artikelen 10 tot 14.
   TITEL III, HOOFDSTUK II
   Regels in verband met de kwalitatieve selectie voor de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten.
   * Art. 68 tot 74. De overeenstemmende toelichtingen bij de artikelen 16 tot 20 voor de werken en 42 tot 47 voor de leveringen gelden eveneens voor de diensten, met uitzondering van wat de verwijzing naar de erkenning van de aannemers van werken betreft, omdat deze erkenningsregels niet van toepassing zijn op de aannemingen voor diensten.
   Al vloeit de bepaling voort uit het Europees recht, toch legt artikel 68, derde en vierde lid, op dat, uitgezonderd bij onvoldoende aantal, minstens vijf kandidaten in de beperkte procedure worden uitgenodigd een offerte in te dienen en dat minstens drie kandidaten tot de onderhandelingen worden toe
   gelaten in de onderhandelingsprocedure voorafgegaan door een bekendmaking in de zin van artikel 17, § 3, van de wet.
   Bij artikel 68, vijfde lid, past het de aandacht te vestigen op een bijzondere modaliteit voor bepaalde opdrachten voor aanneming van diensten die betrekking hebben op diensten van juridisch advies en vertegenwoordiging in de rechtbank. De tekst van het vijfde lid legt inderdaad de raadpleging op van minstens vijf dienstverleners. Voor de voornoemde juridische diensten verduidelijkt de tekst dat deze onmogelijkheid tot raadpleging zonder meer wordt erkend. Dit vloeit niet enkel voort uit de praktische onmogelijkheid van een dergelijke raadpleging maar eveneens uit het aspect intuitu personae van dergelijke prestaties en uit de noodzaak om het vertrouwelijk karakter ervan in dit stadium te waarborgen. Daarentegen dekt deze bepaling niet de andere prestaties zoals de rechtsstudies.
   Overigens is de in het advies van de Raad van State geformuleerde opmerking, volgens dewelke deze maatregel in strijd zou zijn met artikel 27, 2 en 3, van richtlijn 92/50/EEG, niet doorslaggevend. Inderdaad, de diensten van juridische aard zijn gerangschikt in bijlage I, B, van de richtlijn, wat betekent dat zij hierdoor enkel onderworpen zijn aan de naleving van de regels betreffende de technische specificaties en aan de aankondiging van gegunde opdracht.
   TITEL III, HOOFDSTUK III. - Prijsvraag voor ontwerpen
   * Art. 75. Zoals in herinnering gebracht in de toelichting bij artikel 23 van dit besluit, is de prijsvraag voor ontwerpen waarvan sprake in artikel 20 van de wet van 24 december 1993 een procedure die het de aanbestedende overheid mogelijk maakt, vooral op het vlak van de architectuur, de engineering en de gegevensverwerking, een plan of een ontwerp te verwerven gekozen door een jury na een beroep op de mededinging met of zonder toekenning van premies. Artikel 75 behandelt hoofdzakelijk de jury en de minimumvoorwaarden die inzake niet-discriminatie, doorzichtigheid en onpartijdigheid dienen te worden nageleefd in deze procedure.
   * Art. 76 en 77. De artikelen 76 en 77 maken onderscheid tussen de twee gevallen die bij prijsvraag voor ontwerpen mogelijk zijn :(BR)
   
   - ofwel geeft de prijsvraag voor ontwerpen aanleiding tot de gunning van een overheidsopdracht voor aanneming van diensten, dus tot een overeenkomst die onder bezwarende titel wordt gesloten zoals trouwens de overheidsopdrachten voor aanneming van werken en leveringen gegund op grond van een wedstrijd;
   - ofwel, leidt de prijsvraag voor ontwerpen niet tot een overheidsopdracht voor aanneming van diensten na een gunningsprocedure maar tot de keuze van één of meerdere ontwerpen, met of zonder toekenning van premies.
   Wanneer de prijs of de premies de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken, dienen een aankondiging van prijsvraag en daarna een aankondiging betreffende de resultaten van de prijsvraag, opgesteld overeenkomstig de bijlagen 4,
   F, en 4, G, bij dit besluit, gepubliceerd te worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen en in het Bulletin der Aanbestedingen. Wanneer geen enkele premie bedongen is of wanneer de prijs of de premies de drempel van de Europese bekendmaking niet bereiken, wordt een aankondiging van prijsvraag volgens hetzelfde model als dat van de bijlage 4, F, gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen. De bekendmaking van een aankondiging betreffende de resultaten van de prijsvraag is in dit laatste geval evenwel niet verplicht.
   Wanneer ingevolge een prijsvraag voor ontwerpen die niet tot een overheidsopdracht leidt maar tot de keuze van één of meerdere ontwerpen, met of zonder toekenning van premies, een overheidsopdracht voor aanneming van diensten wordt ingezet die bijvoorbeeld het operationeel maken van het ontwerp en het toezicht op de uitvoering ervan omvat, kan gebruik worden gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, voor zover alle prijswinnaars toegelaten worden tot de onderhandelingen zoals bepaald in artikel 17, § 2, 4°, van de wet van 24 december 1993.
   TITEL III, HOOFDSTUK IV. - Onverenigbaarheden
   * Art. 78. Deze bepaling, overgenomen van artikel 50, § 2, van het koninklijk besluit van 22 april 1977 heeft als doel te vermijden dat privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen zoals studiebureaus, nadien zouden deelnemen aan de gunningsprocedure van een opdracht die ze zelf zouden ontworpen, bestudeerd of voorbereid hebben ter uitvoering van een overheidsopdracht voor aanneming van diensten of op grond van een reglementaire bepaling of van een overdracht. Dit verbod wordt uitgebreid tot de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en diensten. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat ingewikkelde leveringen, vóór hun uitvoering, het voorwerp zouden uitmaken van een ontwerpfase toegewezen aan een dienstverlener.
   Tot nog toe was het verbod enkel van toepassing voor zover de dienstverlener dezelfde rechtspersoonlijkheid vormt als de aannemer die deelneemt aan de gunningsprocedure van de opdracht die hij zou hebben geconcipieerd. Voortaan zal dit verbod, in voorkomend geval, kunnen worden toegepast op ondernemingen die gebonden zijn aan de persoon die belast is met de conceptie-, studie- of voorbereidingsfaze van de opdracht, of waaraan deze persoon gebonden is. Het doel van deze bepalingen is te vermijden dat collusies of risico's op collusies tussen personen en ondernemingen die aan hen gebonden zijn, tot gevolg zouden hebben dat zij de concurrentie zouden vervalsen, wat de ratio legis van de reglementering blijft. Deze collusie zou er bijvoorbeeld toe kunnen leiden dat een onderneming vóór andere deelnemers voordeel trekt uit essentiële inlichtingen over het ontwerp van opdracht, of dat er een bestek zou worden uitgewerkt rekening houdend met de mogelijkheden van deze onderneming. In geval van twijfel over mogelijke banden tussen diegene die de opdracht geconcipieerd heeft en een onderneming die in staat is om de opdracht uit te voeren, zal de aanbestedende overheid deze laatste dus moeten ondervragen vooraleer zij beslist, rekening houdend met de geleverde rechtvaardigingen, of het gepast is of niet om haar uit te sluiten van deelneming aan de procedure.
   De opdracht die, zoals bij een offerteaanvraag-wedstrijd, terzelfdertijd slaat op het ontwerpen en op het uitvoeren van de werken, de leveringen of de diensten, ontkomt aan dit verbod. Hetzelfde geldt voor de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten die het gevolg zijn van een prijsvraag voor ontwerpen zoals hierboven toegelicht.
   TITEL III, HOOFDSTUK V. - Toegang tot overheidsopdrachten voor aanneming van diensten voor de dienstverleners van derde landen ten aanzien van de Europese Gemeenschap.
   * Art. 79. Er wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 24.
   TITEL III, HOOFDSTUK VI. - De informatie.
   * Art. 80 et 81. Er wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen 25 en 26.
   TITEL IV. - Technische specificaties en normen.
   * Art. 82 tot 85. Artikel 82 neemt de bepalingen over van de richtlijnen 92/50/EEG, 93/36/EEG en 93/37/EEG. Artikel 83 bevestigt in zijn § 1 het beginsel volgens hetwelk voor de bepaling van de technische specificaties dient verwezen te worden naar de bestaande nationale normen waarin de Europese normen zijn omgezet, naar de Europese technische goedkeuringen of naar gemeenschappelijke technische specificaties en, bij ontstentenis daarvan, naar de andere normen die gebruikelijk zijn in de Europese Gemeenschap. Volgens § 2 van artikel 83 kan hiervan evenwel afgeweken worden in vier welbepaalde gevallen. De aanbestedende overheid moet een dergelijke afwijking wel kunnen verantwoorden en trouwens vermelden in de enuntiatieve aankondigingen en in de aankondigingen van opdrachten. Paragraaf 3 bepaalt de te volgen werkwijze bij ontstentenis van een Europese norm, een Europese technische goedkeuring of een gemeenschappelijke technische specificatie.
   Volgens artikel 84 kunnen de vrije varianten die worden aangeboden, ofwel bij een offerteaanvraag of bij een onderhandelingsprocedure waarvoor bepaald is dat de opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de voordeligste offerte volgens verscheidene gunningscriteria, door de aanbestedende overheid al dan niet aangenomen worden. Wanneer zij die niet aanneemt, mag dit niet uitsluitend zijn omdat ze zouden opgesteld zijn met specificaties die verwijzen naar nationale normen die Europese normen omzetten of naar Europese technische goedkeuringen of technische specificaties.
   Artikel 85 neemt de overeenkomstige bepaling van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over dat de opname verbiedt van technische specificaties die produkten vermelden van een bepaalde makelij of herkomst of bijzondere procédés die tot gevolg zouden hebben dat sommige ondernemingen zouden begunstigd of uitgeschakeld worden.
   TITEL V. - Prijsbepaling en prijsonderzoek.
   * Art. 86. Dit artikel neemt bijna volledig de tekst van artikel 5 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over. Een wijziging werd evenwel aangebracht op het vlak van de terminologie; het begrip "prijzencontrole "werd namelijk vervangen door het passender "prijsonderzoek". De aanbestedende overheid komt inderdaad niet tussen voor een prijzencontrole in de zin van de wetgeving op de economische reglementering en de prijzen. Zij moet er daarentegen kunnen op toezien dat, in geval van een opdracht op grond van werkelijke uitgaven, de gefactureerde prijzen verantwoord zijn rekening houdend met de kostprijs en de winst.
   In dezelfde zin werden in de Nederlandse tekst ook de woorden "opdracht op grond van gecontroleerde uitgaven "vervangen door de woorden "opdracht op grond van werkelijke uitgaven".
   * Art. 87. Dit artikel neemt artikel 6 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over.
   * Art. 88. Artikel 88 past de vroegere tekst aan van artikel 7 van het koninklijk besluit van 22 april 1977. Zoals voorheen kan het prijsonderzoek op twee manieren gebeuren :(BR)
   
   - het voorafgaande onderzoek van de geboden prijzen, uit te voeren op de offertes vóór de gunning van de opdracht;
   - het onderzoek van de prijzen a posteriori d.w.z. na de gunning van de opdracht.
   Paragrafen 1 en 2 van artikel 88 betreffen het voorafgaand onderzoek van de geboden prijzen. Op dit punt was de tekst vroeger vervat in artikel 7, § 1 en § 2, van het koninklijk besluit van 22 april 1977. Behalve voor de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 2, van de wet van 24 december 1993, is het erin neergelegde beginsel dat de aanbestedende overheid in het bestek moet vermelden of de inschrijvers inlichtingen moeten bezorgen, die het onderzoek van de geboden prijzen mogelijk moeten maken of vergemakkelijken. Bij een gewone procedure kan dit onderzoek niet leiden tot een onderhandeling over de prijs.
   Volgens § 2, derde lid, kan het bestek voorzien in de verificatie van de boekhoudkundige documenten en in onderzoeken ter plaatse om de juistheid na te gaan van de gegevens verstrekt door de inschrijvers en dit welk ook de gunningsprocedure of de aard van de opdracht zij. Het gaat om een nieuwe bepaling.
   Wanneer, in de zin van artikel 87, opdrachten worden gegund zonder forfaitaire prijsbepaling (opdrachten op basis van werkelijke uitgaven, op basis van voorlopige prijs..), dient de aannemer, zelfs bij ontstentenis van een bepaling terzake in het bestek, aan de aanbestedende overheid alle inlichtingen te verstrekken nodig om de te betalen prijzen na te zien. Het onderzoek van de boekhoudkundige documenten en ter plaatse is in dit geval steeds mogelijk.
   Volgens § 3 van artikel 88 mogen de inlichtingen die worden verstrekt op grond van de voorgaande bepalingen, niet voor andere doeleinden gebruikt worden dan voor het onderzoek van de prijzen van overheidsopdrachten. De elementen verzameld ter gelegenheid van een bepaalde opdracht kunnen op die wijze door de aanbestedende overheid voor latere opdrachten gebruikt worden.
   TITEL VI. - De offertes en de gunning bij aanbesteding en offerteaanvraag.
   HOOFDSTUK I. - Opmaken van de offerte.
   Afdeling I. - Vorm en inhoud van de offerte.
   * Art. 89. Dit artikel neemt artikel 14 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over met nochtans een belangrijke verduidelijking. De informatica wordt namelijk meer en meer door de inschrijvers gebruikt bij de behandeling van de offertes voor overheidsopdrachten. Deze praktijk kan voor problemen zorgen wanneer de aanbestedende overheid in het bestek een model opgelegd heeft voor het opmaken van de offerte. Het is de inschrijvers in dat geval toegestaan niet het formulier te gebruiken dat bij het bestek gevoegd is maar een identiek document dat door de informatica of andere dergelijke middelen wordt gegenereerd. Volgens artikel 89 dragen de inschrijvers dan de verantwoordelijkheid voor de volledige overeenstemming van deze documenten. Daarom moeten de inschrijvers in dat geval elk document eensluidend verklaren met het model voorzien in het bestek.
   * Art. 90. Dit artikel betreft de in de offerte op te nemen vermeldingen.
   Het neemt het grootste gedeelte van de bepalingen van artikel 15 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over. Enkele aanpassingen dienen evenwel benadrukt te worden. Luidens § 1, 2°, kan de inschrijver, welk ook zijn nationaliteit zij, een nummer bij de Postcheque vermelden of een nummer bij eender welke financiële instelling.
   In § 1, 3°, in verband met de erkenning, bevat de tekst de drievoudige benadering van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken. Volgens deze wet kan een aannemer inderdaad ofwel zijn erkenning aanvragen in België, ofwel een getuigschrift van inschrijving in een gelijkwaardig register in een andere Lid-staat overleggen, ofwel het alternatief bewijs leveren dat hij wel degelijk voldoet aan de voorwaarden vereist voor de uitvoering van dergelijke werken.
   Paragraaf 1, 4°, legt voortaan de identificatie op van de eventuele onderaannemers in de offerte, voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken. Indien zij op dat ogenblik nog niet gekend is, zal deze identificatie dienen te worden bekendgemaakt aan de aanbestedende overheid vooraleer een onderaannemer prestaties levert ter uitvoering van de opdracht.
   Paragraaf 1, 5°, is een ongewijzigde bepaling ten opzichte van artikel 15, § 1, 5°, van het koninklijk besluit van 22 april 1977. Zoals tot op heden heeft deze bepaling een statistisch doeleinde.
   Paragraaf 2 verduidelijkt dat de vereiste documenten, modellen en monsters in beginsel dienen te worden toegevoegd aan de offerte behalve wanneer het bestek een daaraan tegengestelde bepaling bevat.
   De vroegere tekst bepaalde hieromtrent dat die modellen en monsters, indien er reden toe was, eveneens zouden kunnen geëist worden in het stadium van de kandidatuurstelling. Gezien de nieuwe structuur van de teksten, blijft deze mogelijkheid in het stadium van de kandidatuurstelling natuurlijk bestaan maar vloeit zij voortaan voort uit de toepassing van de bepalingen van de voorgaande titels betreffende de kwalitatieve selectieregels.
   In § 3, in verband met de naleving van de verplichtingen inzake de sociale zekerheid, werden de maximum toegelaten schulden aan bijdragen gebracht van 50.000 op 100.000 frank.
   Net als vroeger neemt het laatste lid van § 3 die offerte als regelmatig aan, welke werd ingediend door een inschrijver - schuldenaar van bijdragen hoger dan 100.000 frank, indien laatstgenoemde kan bewijzen dat hij zelf schuldeiser is van een gelijkwaardig bedrag - op 100.000 frank na - jegens de openbare overheden. De tekst verduidelijkt evenwel dat de schuldvordering niet enkel vaststaand en invorderbaar dient te zijn maar dat zij eveneens vrij dient te zijn van elke verplichting jegens derden, wat betekent dat ze noch in beslag werd genomen, noch werd overgedragen, noch in pand werd gegeven.
   § 4 werd vervolledigd ten einde er aan te herinneren dat een alternatief bewijs van het nakomen van de verplichtingen inzake sociale zekerheid door de buitenlandse inschrijvers kan worden geleverd indien het land waar zij hun zetel hebben geen sociale zekerheidsattesten aflevert.
   Gezien het gebrek aan harmonisatie van de sociale zekerheidsstelsels tussen de verschillende Staten, is het niet mogelijk om, in het geval van § 4, 1°, de in § 3, 2° en 3° leden voorziene uitzondering op het principe toe te passen. Het is inderdaad het recht van het land waar de buitenlandse inschrijver gevestigd is, die gebruikt maakt van personeel dat niet onderworpen is aan het stelsel van de Belgische Sociale Zekerheid, om vast te leggen in welke omstandigheden deze inschrijver zijn verplichtingen terzake nakomt.
   Volgens § 5 heeft de aanbestedende overheid de bevoegdheid, ingeval het attest van de sociale zekerheid ontbreekt, zoals vroeger inlichtingen in te winnen op de wijze die zij nuttig acht. Voor het geval zij zich richt tot de RSZ wordt de verplichting van een aangetekende brief nochtans afgeschaft vermits het in dit geval gaat om een overbodig dwangmiddel ten opzichte van de middelen van berichtgeving die er bestaan tussen deze instelling en de andere Belgische besturen.
   Volgens § 6, gelden de bepalingen van § 3 en 4 inzake de attesten van de sociale zekerheid niet voor de opdrachten die minder bedragen dan 800.000 frank zonder belasting op de toegevoegde waarde. De formulering van het tweede lid werd verhelderd.
   In § 7 werden de wetsverwijzingen inzake de registratie bijgewerkt en er werd bovendien bepaald dat de bedoelde voorwaarde pas dient vervuld te zijn op het ogenblik van de gunning van de opdracht.
   De woorden "desgevallend" werden ingelast aan het begin van § 7 om aan te duiden dat de eisen inzake registratie en erkenning natuurlijk enkel worden opgelegd voor zover de opdracht het toepassingsveld van deze wetgeving beslaat.
   Volgens de rechtspraak van de Raad van State, wanneer een tijdelijke vereniging zelf niet geregistreerd is, komt het aan de vennoten toe om zelf over de registratie te beschikken, voor de werken die zij zullen uitvoeren.
   Volgens § 8 kan bij gemotiveerde beslissing niet alleen afgeweken worden van de voorwaarden van § 3 en 4 inzake de sociale zekerheid zoals vroeger, maar voortaan ook van de registratievoorwaarde in de zin van § 7. Deze versoepeling werd in de tekst ingevoerd om toestanden te vermijden waarin bepaalde inschrijvers aan de registratievoorwaarden niet zouden kunnen voldoen. In dat geval zal de aanbestedende overheid hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de sociale en fiscale lasten van de aannemer zoals bepaald door de wetgeving betreffende de registratie.
   * Art. 91. Deze tekst neemt de bepaling van artikel 16 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over. Het past eraan te herinneren dat krachtens artikel 314 van het Strafwetboek zoals gewijzigd bij het artikel 66 van de wet van 24 december 1993, elke afspraak al dan niet gepaard gaande met bedreigingen of geweld, strafrechtelijk vervolgd kan worden.
   * Art. 92. De vroegere tekst van artikel 17 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 werd, wezenlijk, als volgt verduidelijkt. In 1° wordt de voorwaarde van Belgische nationaliteit uit de tekst geschrapt. Elke inschrijver, natuurlijk persoon, niet alleen Belg maar ook vreemdeling, moet inderdaad een getuigschrift van goed gedrag, van woonplaats en van nationaliteit kunnen voorleggen.
   In 2°, verwijst de tekst naar de jaarrekeningen van de onderneming.
   Volgens 3° kan de aanbestedende overheid een vertaling eisen van de statuten en jaarrekeningen van de buitenlandse vennootschappen en dit door een beëdigd vertaler. In een periode van groeiende internationalisering van de overheidsopdrachten is het inderdaad van belang dat de aanbestedende overheden met zekerheid kunnen ingelicht worden over de inhoud van bepaalde belangrijke documenten die opgesteld zijn in een vreemde taal.
   Indien, zoals bepaald in 4°, van elke inschrijver zoals vroeger alle inlichtingen betreffende zijn producenten, leveranciers of onderaannemers kunnen geëist worden, wordt verduidelijkt dat deze inlichtingen thans nuttig dienen te zijn. Dit nut dient te worden beoordeeld ten aanzien van de beschouwde opdracht.
   Afdeling II. - Vereniging, volmacht en vervanging.
   * Art. 93. Paragraaf 1 is de bijna letterlijke overname van artikel 18 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 wanneer de inschrijver een tijdelijke vereniging van ondernemingen is.
   Een tijdelijke vereniging verhoogt gewoonlijk de garanties voor de uitvoering van de opdracht via de solidariteit tussen de vennoten en via de samenvoeging van menselijke, financiële en technische middelen. De in artikelen 17, 43 en 69 voorziene uitsluitingsvoorwaarden dienen wat hen betreft beoordeeld te worden uit hoofde van elke aangesloten onderneming.
   De tweede paragraaf snijdt een kies probleem aan dat voortvloeit uit het feit dat offertes door tijdelijke verenigingen worden ingediend in een procedure waarin een voorafgaande selectie van de inschrijvers plaats had. Dit is het geval bij de beperkte aanbesteding of de beperkte offerteaanvraag en kan eveneens het geval zijn voor sommige onderhandelingsprocedures. Algemeen geldt dat de selectie gebeurt bij beslissing van de aanbestedende overheid. Om te voorkomen dat de selectie een groot deel van haar draagwijdte verliest, kan de aanbestedende overheid zich geen niet-vooraf geselecteerde vennoten zien opleggen als medecontractant door middel van een tijdelijke vereniging. De gekozen oplossing is dus dat de aanbestedende overheid in het bestek dient te vermelden of het de tijdelijke verenigingen, samengesteld uit minstens één geselecteerde en niet-geselecteerden, toegestaan is offertes in te dienen. Bij ontstentenis van een dergelijke bepaling in het bestek is het indienen van een dergelijke offerte dus verboden en wordt deze nietig. Gezien deze gevolgen en, anderzijds, het mogelijk belang van een tijdelijke vereniging voor de verwezenlijking van ingewikkelde opdrachten zowel op het technische vlak als op dit van de solidariteit tussen alle vennoten, past het dus dat de aanbestedende overheden deze diverse aspecten afwegen voor elke betrokken opdracht waarvoor een selectie voorafgaand op de indiening van offertes plaats heeft.
   * Art. 94. Voor het geval de offerte wordt ingediend door een gemachtigde vermeldt de tekst, zoals trouwens artikel 19 van het koninklijk besluit van 22 april 1977, dat een attest dient toegevoegd te worden dat de overeenstemming van de volmacht van de gemachtigde met het origineel vaststelt. Dit is niet altijd het geval. Alhoewel de aanbestedende overheid zich op dit punt vaak laat inlichten, blijft het toch een betrekkelijke nietigheid die de ingediende offerte treft.
   * Art. 95. Dit artikel voert een nieuwe bepaling in teneinde sommige toestanden die in de praktijk voorkomen op te helderen.
   Het regelt het geval van de vervanging van een natuurlijke persoon door een rechtspersoon, inschrijver, tussen het ogenblik van het indienen van de offerte en dit van de gunning van de opdracht. Zo kan een dergelijke inschrijver, natuurlijk persoon, in deze tussenperiode worden vervangen door een nieuw opgerichte handelsvennootschap. In dat geval werd reeds de vraag gesteld of een dergelijke offerte als regelmatig kan worden beschouwd. Deze tekst geeft hier een bevestigend antwoord op en laat de aanbestedende overheid toe om deze offerte in overweging te nemen, op voorwaarde evenwel dat de natuurlijke persoon, inschrijver, zich verbindt tot de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uitvoering van de opdracht. Zonder deze voorwaarde zouden de aan de aanbestedende overheid geboden garanties immers kleiner worden vermits een persoon-inschrijver wel onbeperkt gebonden is aan zijn roerende en onroerende goederen maar een rechtspersoon-inschrijver niet.
   In tegenstelling tot het advies dat hieromtrent door de Raad van State werd gegeven, is deze bepaling dus niet overbodig en maakt zij geen inbreuk op het Burgerlijk Wetboek of op de wet op de handelsvennootschappen. Ze heeft enkel tot doel de voorwaarden tot regelmatigheid van de offertes in de vermelde hypothese te verduidelijken.
   Afdeling III. - Overheidsopdracht voor aanneming van werken en samenvattende opmetingsstaat.
   * Art. 96. Deze bepaling neemt grotendeels artikel 20 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over. De vroegere § 4 over het ontdekken door de inschrijver van vergissingen of leemten die de vaststelling van zijn prijs onmogelijk maken of de vergelijking van de offertes ondoeltreffend, werd overgebracht in een afzonderlijk artikel 98 dat geldt voor alle opdrachten en dat hierna zal verklaard worden.
   In § 4 van dit artikel 96 zijn de eenheidsprijzen en de globale prijzen van de posten van de samenvattende opmetingsstaat bedoeld. De vroegere tekst verwees naar de posten van de gemengde opdrachten. Welnu, het beginsel in § 4 is geldig wat ook de wijze is voor het bepalen van de prijzen in de zin van artikel 86 hiervoor, en in die zin was de vroegere tekst te beperkt.
   Wat § 5 betreft, deze neemt een bepaling over die zich vroeger bevond in artikel 24, § 1, tweede lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden.
   Afdeling IV. - Overheidsopdracht voor aanneming van leveringen of van diensten en inventaris.
   * Art. 97. Deze bepaling neemt in een licht aangepaste vorm artikel 21 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over.
   Afdeling V. - Vergissingen en leemten.
   * Art. 98. Zoals reeds vermeld in de uitleg bij artikel 96, wordt een bepaling die vroeger enkel de overheidsopdrachten voor aanneming van werken bedoelde, thans van toepassing op alle overheidsopdrachten. Inderdaad, wanneer een inschrijver vergissingen of leemten ontdekt die het opmaken van zijn prijs onmogelijk maken of een vergelijking van de offertes ondoeltreffend, dient hij dit onmiddellijk aan de aanbestedende overheid te melden uiterlijk tien dagen vóór de datum van opening van de offertes en niet meer zes dagen zoals vroeger. Dit moet het de aanbestedende overheid mogelijk maken hierop te reageren, de nodige rechtzettingen aan te brengen of zo nodig de opening van de offertes te verdagen. Het spreekt vanzelf dat de termijn van tien dagen vaak niet zal kunnen nageleefd worden wanneer de termijn voor het indienen van de offertes voor de betrokken opdracht zelf een ingekorte termijn is. In dat geval kunnen de inlichtingen verstrekt aan de aanbestedende overheid al hun belang evenwel behouden.
   * Art. 99. Dit artikel neemt artikel 33 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over.
   Afdeling VI. - Prijsopgave, opdrachten in percelen en gebruik van de talen.
   * Art. 100. De tekst neemt, in zijn § 1, artikel 25, § 1, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden over en, in zijn § 2, artikel 22 van het koninklijk besluit van 22 april 1977.
   * Art. 101. Dit artikel behandelt de opdrachten met percelen, bepaling die vroeger vervat was in artikel 23 van het koninklijk besluit van 22 april 1977. Het past er aan te herinneren dat tijdens de opstelling van de wet overwogen was om op het vlak van de uitvoeringsmaatregelen ervan regels te bepalen tot bevordering van de verdeling van overheidsopdrachten in percelen. De memorie van toelichting (Parl. Doc., Senaat nr. 656-1 (1992-1993, blz. 11)) stelde echter vast dat "de economische politiek van toepassing op de KMO's, voortaan behoort tot de bevoegdheidssfeer van de Gewesten en dat onderhavig wetsontwerp slechts een neutraal instrument kan zijn in deze materie, dat overigens niets afdoet van het gelijkheidsbeginsel. De Regering meent bijgevolg dat de benadering van de wet van 14 juli 1976 aangehouden moet worden want deze laat de verdeling in percelen van de opdrachten toe naar gelang elk geïndividualiseerd geval en rekening houdend met eventuele aanbevelingen van de overheden waarvan de controle over de overheidsopdrachten afhangt." Bovendien, kunnen de Gewesten niet alleen uit hoofde van hun eventuele controlebevoegdheid maar ook vanuit hun algemene economische bevoegdheid maatregelen nemen of stimuleren in verband met het indelen in percelen.
   * Artikel 101 bevat derhalve een uitvoeringsmaatregel die in deze zin gaat. Deze laat alle betrokken overheden toe de opdrachten te beheren die onder hun bevoegdheid vallen en, indien zij dit wensen, over te gaan tot opdrachten in percelen teneinde met name de toegang van de kleine en middelgrote ondernemingen tot de overheidsopdrachten te bevorderen.
   Qua vorm werd de tekst die gewijd is aan de opdrachten in percelen vereenvoudigd, omdat het de aanbestedende overheid toekomt om in het bestek aan te duiden of de opdracht verdeeld is in percelen en wat dan de modaliteiten ervan zijn.
   Volgens het eerste lid heeft elk inschrijver de keuze om een offerte in te dienen, dit wil zeggen zich juridisch te verbinden ten overstaan van de aanbestedende overheid, voor één, voor meerdere of voor alle percelen. De inschrijver is echter verplicht om een offerte in te dienen voor elk perceel dat hij op deze wijze gekozen heeft.
   Het eerste lid heeft ook betrekking op de materiële vorm van deze juridische verbintenis. Indien het bestek het toelaat kunnen de offertes in één enkel document op schrift gesteld worden. Hierdoor kan met name worden vermeden dat zowel de inschrijvers als de aanbestedende overheden bij een groot aantal percelen een overdadige hoeveelheid documenten moeten behandelen.
   Krachtens lid 2 kunnen, bij samenvoeging van bepaalde percelen, behalve indien het bestek dit toelaat, prijsverminderingen en verbeteringen worden voorgesteld.
   * Art. 102. De tekst neemt de identieke bepaling van artikel 24 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over.
   TITEL VI, HOOFDSTUK II - Indienen van de offertes.
   * Art. 103. Het gaat om een nieuwe bepaling die het beginsel bevat dat de inschrijver slechts één enkele offerte per opdracht mag indienen. Deze vereiste doet evenwel geen afbreuk aan de mogelijkheid varianten voor te stellen of ze nu verplicht zijn of vrij.
   Bij de openbare of de beperkte aanbesteding zijn de basisoffertes en de varianten het voorwerp van één enkele rangschikking overeenkomstig artikel 113 en vormen dus afzonderlijke offertes.
   Bij de offerteaanvraag kan de vrije variant bijvoorbeeld slaan op een verschillende wijze van uitvoering voorgesteld door de inschrijver en dit tegen een prijs die sterk kan verschillen van die van de basisofferte.
   * Art. 104. Een nieuw element dat ingebracht werd ten opzichte van artikel 26 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 bestaat in de verduidelijking aangebracht in het eerste lid volgens dewelke de offerte in een definitief gesloten omslag dient geschoven te worden. Men wil zo vermijden dat het vertrouwelijk karakter van de offerte zou aangetast worden. Daarom moet de omslag dus definitief gesloten worden. Het gebruik van een zegel is vanzelfsprekend niet verplicht maar wat men wenst uit te sluiten is bijvoorbeeld het gebruik van zelfklevende omslagen die zonder beschadiging door iedereen kunnen geopend worden. Zelfs omvangrijke offertes moeten dus op behoorlijke wijze gesloten worden.
   * Art. 105. Deze bepaling neemt zonder wezenlijke wijziging artikel 27 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over.
   Ter herinnering, de bepalingen van § 2 van artikel 105 stellen de geldigheidsvoorwaarden voor de intrekking van een offerte.
   TITEL VI, HOOFDSTUK III. - Opening van de offertes.
   * Art. 106. Artikel 106 neemt artikel 28 van hetzelfde koninklijk besluit van 22 april 1977 over. Verschillende verduidelijkingen of wijzigingen werden aangebracht. Eén ervan, in 1°, vroeger opgenomen in de artikelen 40 en 41 van het koninklijk besluit, preciseert dat bij een beperkte procedure alleen de inschrijvers of hun vertegenwoordigers toegelaten zijn bij de opening van de offertes.
   In 2°, en dit teneinde rekening te houden met de praktische moeilijkheden die zich kunnen voordoen bij omvangrijke offertes, moeten de binnengebrachte omslagen niet verplicht neergelegd worden in de daartoe bestemde bus in het lokaal. Zij kunnen overhandigd worden aan de voorzitter voordat deze de vergadering voor geopend verklaart.
   In 5° verduidelijkt de tekst dat de voorgeschreven paraaf bladzijde per bladzijde dient te worden aangebracht en dit door de voorzitter van de vergadering of door een bijzitter. De paraaf dient te worden aangebracht op de offertes, op de wijzigingen of op de ingetrokken offertes evenals op de op straffe van nietigheid in bijlage vereiste documenten.
   Steeds in 5°, wordt de voorlezing van de geboden prijzen beperkt tot de openbare of beperkte aanbesteding. In die procedures is de prijs inderdaad het enige gunningscriterium en de afkondiging van de prijzen kan nuttige aanwijzingen bevatten voor de inschrijvers zelfs indien deze prijzen eventueel nog moeten rechtgezet of verbeterd worden. Bij de offerteaanvraag daarentegen zou de afkondiging van de prijzen erop neerkomen systematisch één enkel criterium onder meerdere criteria te bevoorrechten. Het werd dientengevolge verkieslijk geacht de afkondiging van de prijzen af te schaffen voor alle opdrachten gegund bij offerteaanvraag.
   * Art. 107. Deze tekst neemt de identieke bepaling van artikel 29 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over.
   * Art. 108. Zoals artikel 30 van het koninklijk besluit van 22 april 1977, vermeldt de tekst, in een geest van openbaarheid, dat de offertes die laattijdig binnenkomen maar in aanmerking mogen worden genomen omdat zij ten laatste vier kalenderdagen vóór de dag vastgesteld voor de ontvangst van de offertes als aangetekende zending bij de post werden afgegeven, worden geopend door twee afgevaardigden van de aanbestedende overheid en voor zover alle inschrijvers op behoorlijke wijze daarvoor uitgenodigd werden.
   * Art. 109. In dezelfde zin bepaalt dit nieuwe artikel dat elke inschrijver die bij de opening van de offertes afwezig is, op schriftelijk verzoek, moet ingelicht worden over de gegevens voorgelezen door de voorzitter.
   TITEL VI, HOOFDSTUK IV. - Regelmatigheid van de offertes en van de prijzen.
   * Art. 110. Paragraaf 1 vormt een nieuwe bepaling waarin wordt onderstreept dat de controle van het feit dat de kandidaten of de inschrijvers niet uitgesloten zijn, evenals de kwalitatieve selectie, voorafgaan aan de fase die leidt tot de gunning aan de laagste of de meest voordelige offerte. Dit is dus eveneens van toepassing bij openbare aanbesteding en bij algemene offerteaanvraag, waarbij de offertes van de uitgesloten of de niet geselecteerde ondernemingen niet in aanmerking komen voor de gunning van de opdracht en dus niet worden onderzocht.
   De volgende paragrafen nemen artikel 25 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over met verduidelijking van sommige aspecten.
   In § 2 wordt de tekst praktisch onveranderd behouden. De tekst werd evenwel veralgemeend vermits hij geen verwijzingen meer bevat naar een bepaald artikel. Zo kan de bepaling ondubbelzinnig toegepast worden op alle gevallen van abnormale eenheidsprijzen en globale prijzen.
   Het tweede lid van § 3 werd in een nieuwe vorm gegoten teneinde het te doen overeenstemmen met de bepaling over mogelijke rechtvaardigingen in de richtlijnen die op positieve wijze de
   categorieën van toegelaten rechtvaardigingen opsommen.
   In geval van verwerping van een offerte voor een opdracht die de Europese drempels bereikt moet de aanbestedende overheid niet alleen de betrokken inschrijver maar ook de Europese Commissie hierover inlichten.
   De aanbestedende overheid dient de Commissie voor erkenning der aannemers eveneens op de hoogte te brengen van de naam van de inschrijvers die de gevraagde inlichtingen niet binnen de toegestane termijn verstrekt hebben.
   In § 4 die enkel slaat op de overheidsopdrachten voor aanneming van werken te gunnen bij openbare of beperkte aanbesteding, wordt dezelfde verplichting opgenomen tot informatie van de inschrijver en van de Commissie voor erkenning der aannemers.
   Overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State, wordt de aanbestedende overheid die niet de bedoeling heeft om een inschrijver opzij te zetten, er van vrijgesteld om aan deze laatste te vragen om zijn prijs te rechtvaardigen. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat de aanbestedende overheid over elementen beschikt die haar toelaten om een rechtvaardiging op te stellen volgens dewelke de ingediende prijs normaal is, ondanks het feit dat hij zich onder het gemiddelde bevindt van 15 pct. berekend volgens § 4. In een dergelijk geval zal de formaliteit dus niet moeten worden vervuld.
   Wat de inschrijvers betreft deze dienen op schriftelijk aanvraag eveneens te worden ingelicht, en dit op grond van de artikelen 25, 51 en 80. Dit is de reden waarom een bepaling in die zin kon worden weggelaten in dit artikel.
   TITEL VI, HOOFDSTUK V. - Keuze van de aannemer bij aanbesteding of offerteaanvraag.
   Afdeling I. - Keuze bij de openbare of beperkte aanbesteding.
   * Art. 111 en 112. Deze artikelen nemen in wezen de tekst van de artikelen 31 en 32 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over.
   Zoals artikel 32 van het koninklijk besluit van 22 april 1977, behandelt § 1 van artikel 112 de gevolgen van de wijziging door de inschrijvers van één of meerdere posten van de samenvattende opmetingsstaat van een overheidsopdracht voor aanneming van werken. De structuur van deze paragraaf werd evenwel aangepast.
   In een eerste punt wordt voortaan voorrang verleend aan de definitieve verbetering van alle offertes door de aanbestedende overheid en aan het daartoe nodige nazicht van de door elke inschrijver aangebrachte wijzigingen.
   Een tweede punt behandelt de rangschikking van de offertes, waarbij het principe wordt behouden dat de door een inschrijver aangebrachte vermindering van de oorspronkelijke hoeveelheid van een post van de samenvattende opmetingsstaat enkel die inschrijver ten goede komt, in de mate dan nog uiteraard dat de aanbestedende overheid die vermindering aanvaardt.
   In artikel 112, § 2, 1°, wordt wel een nieuwe inhoud gegeven aan de waarden Y en X in de evenredigheidsformule tot berekening van het bedrag van de in de samenvattende opmetingsstaat van de offertes in te vullen leemtes. Er werd namelijk opgemerkt dat het gebruik van de formule zoals voorgeschreven in artikel 32, § 2, van het koninklijk besluit van 22 april 1977, wat het definitieve gunningsbedrag betreft, een ongerechtvaardigde benadeling of bevoordeling van de laagste regelmatige inschrijver kon inhouden.
   Benadeling: wanneer deze inschrijver niet de leemte maar wel andere minhoeveelheden signaleerde; hij moest dan de werkzaamheden waarop de leemte sloeg, tegen een verhoudingsgewijze te laag bedrag uitvoeren.
   Bevoordeling: wanneer de inschrijver de leemte niet signaleerde en evenmin enige minhoeveelheden aanduidde; in dat geval werd in zijn opmetingsstaat een verhoudingsgewijze te hoog leemtebedrag ingevuld.
   Voor Y wordt weliswaar nog steeds het totale bedrag genomen van de samenvattende opmetingsstaat van de inschrijver die de leemte niet heeft vermeld, maar dat bedrag wordt voortaan verbeterd op grond van de juist bevonden hoeveelheden voor elke post van de samenvattende opmetingsstaat - en niet meer volgens artikel 112, § 1, 1°, -maar overeenkomstig de bepalingen van artikel 111, en zonder rekening te houden met de ontbrekende posten.
   Voor X wordt ook nog steeds het totale bedrag genomen van de samenvattende opmetingsstaat van de inschrijver die de leemte heeft aangeduid, maar dat bedrag wordt voortaan eveneens verbeterd op grond van de juist bevonden hoeveelheden voor elke post van de samenvattende opmetingsstaat - en niet meer volgens artikel 111, par., 1, 1°, - maar overeenkomstig de bepalingen van artikel 112, en zonder rekening te houden met de ontbrekende posten.
   * Art. 113. Dit artikel neemt gedeeltelijk artikel 34 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over. De eerste alinea van de huidige tekst stemt overeen met het belangrijkste van 1° van artikel 34. Enkel de vorm wordt gewijzigd, niet de inhoud.
   Hetzelfde geldt voor de tweede alinea ten opzichte van 3° van hetzelfde artikel 34. De derde alinea stemt gedeeltelijk overeen met 2°. Nochtans, in het geval van inschrijvers die dezelfde laagste prijs voorgesteld hebben en deze toestand zo blijft na het aanbieden van verminderingen, moet de aanbestedende overheid overgaan tot een loting. Vroeger maakte de reglementering voor de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen een verdeling van de bestelling mogelijk volgens bepaalde modaliteiten. De tekst werd op dit punt vereenvoudigd vermits een loting de verdienste heeft alle dubbelzinnigheid te voorkomen.
   De vroegere tekst bevatte een 4° met betrekking tot de afwijking van de regel van de gunning van de opdracht aan de laagste regelmatige inschrijver op grond van artikel 12, § 2, van de wet van 14 juli 1976. Een dergelijke afwijkingsmogelijkheid werd afgeschaft in het raam van de wet van 24 december 1993.
   Afdeling II. - Keuze bij algemene of beperkte offerteaanvraag.
   * Art. 114 en 115. Deze artikelen nemen grosso modo de bepalingen van de artikelen 43 en 44 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over. In artikel 115, vermeldt het 2de lid voortaan dat bij gebrek aan weging of rangschikking van de gunningscriteria in dalende orde van hun belangrijkheid, de criteria dezelfde waarde hebben.
   In geval van een opdracht in percelen, indien het bestek het toelaat, kunnen de inschrijvers, overeenkomstig artikel 101, verbeteringen voorstellen voor elk perceel waarmee zij instemmen in geval van samenvoeging van sommige percelen, waarvoor zij een offerte indienen. In dit geval wordt de keuze van de opdrachtnemer bepaald door de groepering van percelen die de meest voordelige offerte vormt.
   Er dient ook rekening gehouden te worden met wettelijke, reglementaire of bestuursrechtelijke bepalingen die verbieden dat bepaalde dienstverleners, bij gereglementeerde beroepen, in mededinging gebracht worden op basis van het criterium van de prijs. Daarom wordt een bepaling daaromtrent opgenomen in lid 2.
   Rekening houdend met zowel dit aspect als met artikel 16 van de wet van 24 december 1993 dat de gunningscriteria niet meer vermeldt bij wijze van voorbeeld, moeten de aanbestedende overheden in het bijzonder aandacht schenken aan de bepaling van de gunningscriteria die van toepassing zijn op de betrokken opdracht.
   Het past eveneens eraan te herinneren - zoals trouwens de Parlementaire stukken (Senaat, Doc. Parl. 656-1, 1992-1993, blz. 24 en vlg.) - dat, enerzijds, de gunningscriteria het mogelijk maken de intrinsieke waarde van de ingediende offerte te beoordelen, terwijl, anderzijds, de kwalitatieve selectiecriteria waarvan sprake in hoofdstuk II van elk van de eerste drie titels van dit besluit, betrekking hebben op het vermogen van de inschrijver om de opdracht uit te voeren. Dit is een verworvenheid van het Europees recht. Daaruit vloeit voort dat bijvoorbeeld het criterium van de financiële en beroepswaarborgen vermeld in artikel 14 van de wet van 14 juli 1976 bij de voorbeelden van gunningscriteria, voortaan een kwalitatief selectiecriterium is en dus niet meer mag gebruikt worden als gunningscriterium.
   Het vijfde lid betreft het geval waarin offertes door de aanbestedende overheid als gelijkwaardig beoordeeld worden. In tegenstelling tot de aanbesteding waar enkel een identieke prijs de gelijkwaardigheid uitmaakt, vloeit deze bij de offerteaanvraag voort uit het samenspel van de verschillende, vooraf bepaalde en ter kennis van de inschrijvers gebrachte gunningscriteria en, eventueel, van de aangeboden vrije varianten die aanvaard zijn door de aanbestedende overheid. Elke beslissing tot gelijkwaardigheid van offertes in een procedure van offerteaanvraag dient door de aanbestedende overheid te worden gemotiveerd, rekening houdend met wat hier voorafgaat. De vraag of de voorstellen tot verbetering van de offertes het prijscriterium al dan niet kunnen beïnvloeden, moet overigens bevestigend worden beantwoord. Inderdaad, aangezien de offerteaanvraag een procedure is die verschillende gunningscriteria bevat, is er logischerwijze niets dat de verbetering, inzonderheid van het prijscriterium belemmert. Deze verduidelijking is belangrijk gezien de tegenstrijdige standpunten die in dit verband vroeger naar voren gebracht werden.
   In elk geval kunnen de voorziene verduidelijkingen of aanvullingen niet toelaten om welke onregelmatigheid dan ook te dekken die een ingediende offerte zou aantasten.
   Afdeling III. - Gestanddoeningstermijn voor de inschrijvers.
   * Art. 116. Dit artikel neemt de bepalingen van artikel 35 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over. In de Nederlandse tekst komen de woorden "gestanddoeningstermijn voor de inschrijvers" overeen met de in de richtlijnen gebruikte terminologie. Dit is de reden waarom de door de Raad van State gesuggereerde tekst niet werd behouden.
   TITEL VI, HOOFDSTUK VI. - Kennisgeving van de keuze van de aannemer.
   * Art. 117. Ten aanzien van artikel 36 van het koninklijk besluit van 22 april 1977, bevat artikel 117 een herwerkte tekst. De contractuele verbintenis bij de aanbesteding en de offerteaanvraag komt zoals voorheen tot stand door de betekening aan de gekozen inschrijver van de goedkeuring van zijn offerte. Deze betekening mag dus geen voorbehoud bevatten, wat het besluit voortaan dan ook bepaalt. Deze verduidelijking werd aangebracht om een einde te stellen aan een praktijk die erin bestaat om te betekenen onder voorbehoud van de goedkeuring door een controle- of voogdijoverheid, van het verkrijgen van toelagen ..., een praktijk die voor de betrokken ondernemingen een rechtsonzekerheid schiep en die een mogelijke bron van geschillen was.
   Lid 2 verduidelijkt dat de betekening gebeurt per aangetekend schrijven. In geval van noodzaak kan een snellere wijze van betekening worden gebruikt, per telegram, telex of telefax, dit evenwel op voorwaarde dat de exacte inhoud ervan binnen de vijf dagen met een aangetekende brief wordt bevestigd. De tekst werd op dit punt nader gepreciseerd, om duidelijk te laten uitschijnen dat de bevestiging per aangetekend schrijven een voorwaarde is voor de geldigheid van de per telegram, telex of telefax uitgevoerde betekening.
   * Art. 118 en 119. Deze bepalingen moeten vermijden dat een procedure moet worden herbegonnen na het verstrijken van de gestanddoeningstermijn; deze artikelen stemmen respectievelijk overeen met de artikelen 38 en 46, § 2, van het koninklijk besluit van 22 april 1977. Zij nemen deze artikelen grosso modo over maar brengen op sommige punten aanpassingen of vereenvoudigingen aan. Bijgevolg :(BR)
   
   - moet in artikel 118, tweede lid, de aanbestedende overheid de door de regelmatige inschrijver gevraagde prijstoeslag toekennen, voor zover deze toeslag gerechtvaardigd is door omstandigheden die volgen op de opening van de offertes. Zo worden bijvoorbeeld die omstandigheden bedoeld die de inschrijver niet kon voorzien, en voor de gevolgen waarvan deze inschrijver niet wordt gedekt door de bepalingen van de algemene aannemingsvoorwaarden. De hierdoor verkregen oplossing geeft voorrang aan de laagste regelmatige inschrijver, zonder afbreuk te doen aan de in de wet bepaalde regels. Inderdaad, de hypothese bestaat erin dat de aanbestedende overheid de gestanddoeningstermijn van de inschrijvers heeft laten verstrijken ;
   - kan in artikel 119, in tegenstelling tot de vroegere tekst, de voorwaarde gesteld door de inschrijver bij de offerteaanvraag bestaan in een wijziging van andere elementen van de offerte en niet enkel in een aanvraag tot prijsverhoging als bij aanbesteding.
   TITEL VII. - Bijzondere bepalingen betreffende de onderhandelingsprocedure.
   * Art. 120. Dit artikel, analoog met artikel 48 van het koninklijk besluit van 22 april 1977, voert artikel 17, § 2, 1° van de wet van 24 december 1993 uit. Een opdracht kan dus worden gegund via onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure indien de goed te keuren uitgave, zonder belasting op de toegevoegde waarde, 2,5 miljoen frank niet overschrijdt. Voor de financiële diensten, voor de diensten van onderzoek en ontwikkeling, en voor de juridische diensten is dit bedrag kleiner dan het bedrag bepaald in artikel 53, § 3, van het besluit, nu 5,3 miljoen frank of 8,2 miljoen frank naargelang de aanbestedende overheid vermeld is in artikel 50, 2°, punt a of punt b.
   Wat de financiële diensten betreft, beogen deze diensten zoals bijlage 2, A, van de wet bepaalt, enerzijds de verzekeringsdiensten en anderzijds de bankverrichtingen en diensten in verband met beleggingen.
   Zijn evenwel uitgesloten,
   - de instrumenten inzake monetair beleid, wisselkoersen, overheidsschuld en beheer van reserves of die van enig ander beleid dat verrichtingen met effecten of andere financiële instrumenten behelst; zijn derhalve uitgesloten de financiële diensten betreffende de uitgifte, de aankoop, de verkoop en de overdracht van effecten of andere financiële instrumenten, en de door de centrale banken verleende diensten ;
   - de opdrachten betreffende de verwerving of huur, ongeacht de financiële modaliteiten ervan, van grond, bestaande gebouwen of andere onroerende zaken of betreffende de rechten hierop; de overeenkomsten betreffende financiële diensten die voorafgaand aan, gelijktijdig met of als vervolg op het koop- of huurcontract worden afgesloten, zijn echter, ongeacht hun vorm, onderworpen aan deze wet.
   Het begrip overheidsschuld dat voortvloeit uit richtlijn 92/50/EEG, dient volgens de Commissie van de overheidsopdrachten te worden geïnterpreteerd in het licht van andere afdoende bepalingen die voortvloeien uit het Europees recht. Zo legt het aan het Verdrag van Maastricht toegevoegde protocol de modaliteiten vast voor de procedure van de in artikel 104, C, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde buitensporige tekorten.
   Volgens artikel 2 van dit protocol verstaat men onder "overheid" de centra
   le overheden, de regionale of lokale overheden en de fondsen voor de sociale zekerheid. Onder "schuld" verstaat de tekst het geheel van de bruto schulden met hun nominatieve waarde, die liepen op het einde van het jaar en die werden geconsolideerd binnen de sektoren van de algemene regering.
   Bij ontstentenis van een tegengestelde bepaling in de richtlijn lijkt het begrip overheidsschuld dus van toepassing te zijn op de schuld van alle overheden, de plaatselijke inbegrepen, en de leningen verbonden aan deze overheidsschuld vallen dus niet onder de wetgeving.
   Daarentegen valt het dagelijks beheer van de schatkist bijvoorbeeld wel onder dit toepassingsveld. Een aanbestedende overheid zal evenwel na de inmededingingstelling de financiële instelling kunnen kiezen die dit beheer zal verzekeren en haar een overheidsopdracht voor aanneming van financiële diensten gunnen, die over meerdere jaren loopt.
   Op grond van het vierde lid is het verboden opdrachten te splitsen met als doel gebruik te kunnen maken van de onderhandelingsprocedure met verwijzing naar artikel 17, § 2, 1° van de wet. Bovendien blijft de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure onderworpen aan het algemeen beginsel van de mededinging in alle gevallen waarin dit mogelijk blijkt.
   Voor de berekening van het bedrag van de opdracht verwijst lid 3 naar de bepalingen van de artikelen 2, 28 en 54 van het onderhavige besluit waarbij nochtans dient aangestipt te worden dat het hier niet gaat om de raming maar om het aannemingsbedrag. Verder dient men zich voor de toetsing van de waarde van de opdracht aan dit drempelbedrag te laten leiden door de notie van de globale behoeften van de aanbestedende overheid aan soortgelijke werken, leveringen of diensten op het ogenblik van de beslissing tot het uitschrijven van overheidsopdracht.
   Bij de meeste aanbestedende overheden worden deze behoeften afdoende gedefinieerd bij de goedkeuring der begrotingskredieten wat insluit dat in de regel het bedrag op jaarbasis in aanmerking kan worden genomen tenzij voor de opdrachten waarvoor een langere termijn is bedongen. Wat de werken betreft die op regelmatige wijze terugkeren en waarvoor de plaats van uitvoering slechts een relatief bijkomstig gegeven is (dit geldt inzonderheid voor opdrachten gegund overeenkomstig artikel 86, lid 3, van onderhavig besluit) geldt dezelfde redenering. Dit is tevens het geval voor in percelen ingedeelde homogene aannemingen waarvoor de totaliteit van de percelen moet in aanmerking genomen worden. Als voorbeeld kunnen hier de rioolaansluitingen gedurende een bepaalde periode op het grondgebied van een bepaalde entiteit worden aangehaald. Bij de leveringen kan de aankoop van kantoormeubelen voor verschillende diensten worden vermeld. Bij de aanneming van diensten tenslotte kan als voorbeeld worden verwezen naar het reinigen van diverse gebouwen. Dit alles sluit niet uit dat de aanbestedende overheid tot verschillende procedures van aanbesteding of offerteaanvraag zou kunnen overgaan indien ze toch van oordeel is dat de beoogde aanneming beter in verscheidene keren wordt gegund en dit uiteraard onverminderd de Europese richtlijnen ter zake.
   Van de gevallen waarvoor een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking verantwoord is, past het er opnieuw aan te herinneren dat dit in artikel 17, § 2, 1°, b, van de wet, de geheime opdrachten bedoelt of diegene waarvan de uitvoering moet gepaard gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen. Dit geval vormt een uitzondering op het niveau van de Europese richtlijnen en die zijn dus niet van toepassing wanneer een opdracht steunt op die bepaling.
   * Art. 121. Artikel 121 bevat een nieuwe bepaling die de aanbestedende overheid ertoe verplicht om, in principe, de gegadigden in het geval van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure schriftelijk en op hetzelfde ogenblik uit te nodigen een offerte in te dienen. Deze schriftelijke uitnodiging bevat de in dit artikel vermelde elementen en inlichtingen. Deze verplichting beoogt de belangrijkste opdrachten en de tekst verwijst, om praktische redenen, naar dezelfde drempels als deze die van toepassing zijn op de bekendmaking op Europees niveau. Het is niet de bedoeling de aanbestedende overheden de mogelijkheid te ontzeggen om te onderhandelen over de voorwaarden van de opdracht maar wel om een voldoende openbaarheid te waarborgen door het verplicht opstellen van een bestek en het verstrekken van inlichtingen die de gegadigden moeten toelaten een offerte met kennis van zaken in te dienen.
   In zijn advies is de Raad van State zich niet bewust van de precieze reikwijdte van de woorden "simultanément" en "gelijktijdig", bij gebrek aan verduidelijking in het Verslag aan de Koning. Deze woorden dienen te worden gebruikt in hun etymologische context van een feit dat zich terzelfdertijd, op hetzelfde ogenblik voordoet. De schriftelijke uitnodiging tot het indienen van de offertes wordt dus terzelfdertijd gestuurd naar alle gekozen kandidaten, in de veronderstelling wel te verstaan dat meerdere kandidaten werden gekozen.
   Overigens doet artikel 121 geen afbreuk aan de bepalingen van artikel 17 van de wet, aangezien de verwijzing naar artikel 39 van de wet in het advies van de Raad van State fout is. Bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking tijdens het opstarten van de procedure in de zin van artikel 17, § 2, van de wet, raadpleegt de aanbestedende overheid indien mogelijk meerdere aannemers, leveranciers of dienstverleners. Deze onmogelijkheid zal juist worden gerechtvaardigd door de afwezigheid van een mededinging, bijvoorbeeld indien de prestatie slechts kan worden toevertrouwd aan een welbepaalde onderneming overeenkomstig artikel 17, § 2, 1°, f, van de wet. In tegenstelling tot de in het advies van de Raad van State geformuleerde opmerking, sluit de hypothese van een gebiedende noodzaak die voortvloeit uit onvoorziene evenementen en die de naleving van de door de andere procedures vereiste termijnen niet toelaat, niet automatisch de raadpleging, al is zij dan niet formeel, van meerdere ondernemingen uit.
   De invoering van doorzichtigere regels in het stadium van de indiening van de offertes voor de hier bedoelde opdrachten doet dus geen afbreuk aan andere bepalingen en in het bijzonder aan artikel 17 van de wet.
   * Art. 122. Dit artikel past sommige bepalingen aan van artikel 49 van het koninklijk besluit van 22 april 1977; het gaat met name om de vier wijzen van totstandkoming van een opdracht via een onderhandelingsprocedure met of zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure.
   * Artikel 122 verduidelijkt eveneens dat de artikelen 86 tot 88 die betrekking hebben op de bepaling en het onderzoek van de prijzen, en het artikel 90 betreffende de aanwijzigingen die in de offerte vervat dienen te zijn, toepasbaar zijn op de via onderhandelingsprocedure gegunde opdrachten. In deze artikelen zijn er versoepelingen voorzien, met name voor de opdrachten met een mindere waarde. Zo ontslaat artikel 88, § 1, lid 2, de inschrijvers, behoudens een tegengestelde bepaling in het bestek, van het voorafgaand aan de gunning van de opdracht leveren van alle aanwijzingen die het onderzoek mogelijk maken van de prijzen voor de opdrachten via onderhandelingsprocedure die het in artikel 120 bepaalde bedrag van 2,5 miljoen frank of van 5,3 of 8,2 miljoen frank, zonder belasting op de toegevoegde waarde, niet overschrijden. Op dezelfde wijze wordt, volgens artikel 90, § 6, de verplichting om een attest van de sociale zekerheid bij te voegen, niet gesteld voor de offertes die de 800.000 frank niet bereiken.
   De aanbestedende overheid kan evenwel, op grond van het laatste lid van artikel 122, andere bepalingen van titel VI toepasbaar maken op een bepaalde overheidsopdracht. Artikel 121 bevat overigens reeds bepaalde meer dwingende bepalingen voor opdrachten te gunnen via onderhandelingsprocedure in de zin van artikel 17, § 2 van de wet.
   Bovendien zijn op de onderhandelingsprocedure eveneens andere bepalingen van het besluit van toepassing, daar waar hun toepassing niet afhangt van de gekozen gunningsprocedure. Zo geldt dit bijvoorbeeld voor titel IV inzake technische specificaties en normen. Wat titels I, II en III betreft die respectievelijk over werken, leveringen en diensten handelen, zijn sommige hoofdstukken van toepassing zijn voor alle gunningswijzen (het hoofdstuk betreffende de onverenigbaarheden bijvoorbeeld) in tegenstelling tot andere (de hoofdstukken betreffende de regels voor de bekendmaking). Zelfs in het tweede geval past het aan te halen dat een aantal bepalingen eveneens van toepassing zijn op de via onderhandelingsprocedure te gunnen opdrachten. Zo bijvoorbeeld :(BR)
   
   - zijn de overheidsopdrachten te gunnen overeenkomstig artikel 17, § 3, van de wet, die de Europese drempels voor de bekendmaking bereiken, op algemene wijze on
   derworpen aan de regels voor deze bekendmaking. Onder de drempels zijn enkel de op Belgisch vlak voorziene modaliteiten van toepassing;
   - zijn de overheidsopdrachten te gunnen overeenkomstig artikel 17, § 2, van de wet, die dezelfde drempels bereiken, niet onderworpen aan de verplichting om een aankondiging van opdracht te laten verschijnen, maar wel aan een bericht van gegunde opdracht dat betrekking heeft op de uitslagen van de procedure, en dit voor de werken, de leveringen en de diensten van bijlage 1, B, van de wet.
   Onder de drempels is er geen enkele wijze voor de bekendmaking voorzien ;
   - zijn de kwalitatieve selectieregels van hoofdstuk II voor de titels I, II en III eveneens van toepassing op de overeenkomstig artikel 17, § 2 en § 3 van de wet via onderhandelingsprocedure gegunde opdrachten. In de gevallen van artikel 17, § 3, mag het aantal kandidaten dat tot de onderhandelingen wordt toegelaten, niet kleiner zijn dan drie, behoudens een onvoldoend aantal geschikte kandidaten.
   TITEL VIII, HOOFDSTUK I. - Concessies voor openbare werken.
   Het stelsel tot verlening van de concessies voor openbare werken en tot gunning van de opdrachten van de concessiehouders is gebaseerd op de artikelen 24 en 25 van de wet (zie in die zin de Memorie van Toelichting, Parl. Doc. Senaat, nr. 656-1 (1992-1993), blz. 32 tot 34).
   Afdeling I. - Concessies voor openbare werken onderworpen aan de Europese bekendmaking.
   * Art. 123 en 124. De concessies voor openbare werken verleend door de aanbestedende overheden in de zin van artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10° van de wet dienen te worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen en in het Bulletin der Aanbestedingen wanneer hun geraamd bedrag, zonder belasting op de toegevoegde waarde, het op de overheidsopdrachten voor aanneming van werken en op de werken toepasbare bedrag bereikt (zijnde momenteel 206 miljoen frank).
   Deze aankondiging tot oproep van kandidaten is opgenomen in bijlage 6, A, van het besluit.
   Geen enkele enuntiatieve aankondiging noch aankondiging van gegunde opdracht is ter zake verplicht.
   In artikel 123, eerste lid, werd de suggestie van de Raad van State om de woorden "van dit besluit" te schrappen, niet gevolgd omdat de wet geciteerd wordt in hetzelfde artikel en er dus een zeker risico bestaat op verwarring tussen de twee teksten.
   Afdeling II. - Concessies voor openbare werken niet onderworpen aan de Europese bekendmaking.
   * Art. 125. De concessies waarvan het geraamde bedrag kleiner is dan dat waarvan sprake hiervoor, worden bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen, volgens hetzelfde model van aankondiging.
   Afdeling III. - Gemeenschappelijke bepalingen.
   * Art. 126 tot 131. Deze artikelen zijn zonder onderscheid van toepassing op de concessies voor openbare werken die al dan niet onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking.
   Ter herinnering, met het oog op de harmonisering van
    de wettelijke regeling met deze van de toepasselijke richtlijn, werden wat de concessieverlening betreft de gunningsprocedures verlaten. Naast de bovenvermelde bekendmakingsregels gelden de volgende regels voor de concessieverlening.
   Krachtens artikel 126 mag de termijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming niet korter zijn dan tweeënvijftig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging. Deze termijn mag dus nooit ingekort worden.
   Volgens artikel 127 gaat de aanbestedende overheid over tot de kwalitatieve selectie op grond van de persoonlijke, technische en financiële voorwaarden waaraan de kandidaten dienen te voldoen. In dit verband verwijzen noch de tekst van de richtlijn, noch deze van dit artikel uitdrukkelijk naar de regels op de kwalitatieve selectie voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken. Het is evenwel duidelijk dat de artikelen 16 tot 20 van dit besluit als nuttige leidraad kunnen dienen voor de aanbestedende overheid bij de vaststelling van de selectiecriteria die zij zal gebruiken, hoewel ze hiervoor niet formeel gebonden is door deze artikelen.
   Wat de termijn voor ontvangst van de offertes betreft, kan deze krachtens artikel 128 niet korter zijn dan veertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de geschreven uitnodiging door de aanbestedende overheid.
   * Artikel 129 behandelt de termijn waarbinnen de inschrijvers door hun offerte gebonden zijn. Deze termijn dient door de aanbestedende overheid in het bestek bepaald te worden.
   * Artikel 130 behandelt de inlichtingen die door de inschrijver dienen verstrekt te worden in verband met het volume van de werken die de concessiehouder in onderaanneming wenst te geven. De aanbestedende overheid beschikt zelfs over de mogelijkheid om een minimumpercentage van dertig pct. van de waarde van de in onderaanneming te gunnen werken op te leggen; de concessiehouder kan dit percentage verhogen. Indien de concessiehouder een privaatrechtelijke persoon is worden de ondernemingen die zich aaneengesloten hebben voor het bekomen van de concessie en deze die gebonden zijn aan de concessiehouder in de zin van artikel 25, § 2, van de wet, niet als derden beschouwd.
   In artikel 130, laatste lid, suggereerde de Raad van State om de woorden "beperkende lijst" te vervangen door de woorden "volledige lijst", wat dichter komt bij de opstelling van artikel 3, 4, van richtlijn 93/37/EEG. Het is evenwel nodig om vast te stellen dat de Franse tekst van richtlijn 93/37/EEG verwijst naar een "beperkende lijst" en niet naar een "volledige lijst". Gezien de ratio legis, werd er beslist om de teksten in overeenstemming te brengen met de Nederlandse versie van de richtlijn.
   Volgens artikel 131 moeten in het bestek gunningscriteria vermeld worden, zelfs indien de verlening van een concessie voor openbare werken aan geen enkele gunningsprocedure gebonden is. Dit moet het de inschrijvers mogelijk maken om de criteria te kennen die zullen gebruikt worden tijdens de gunning. De aanbestedende overheid heeft het recht om te onderhandelen over de voorwaarden van het contract, tenzij het bestek het anders bepaalt.
   TITEL VIII, HOOFDSTUK II - Opdrachten voor aanneming van werken gegund door de concessiehouder.
   Afdeling I. - Concessiehouder die de hoedanigheid heeft van een aanbestedende overheid.
   * Art. 132. Indien de concessiehouder een aanbestedende overheid is in de zin van artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10° van de wet, is deze gehele wetgeving van toepassing op de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten die te gunnen zijn in het raam van de uitvoering van de concessie.
   Afdeling II. - De concessiehouder die geen aanbestedende overheid is.
   * Art. 133 tot 135. Indien de concessiehouder geen aanbestedende overheid is in de zin van artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10° van de wet, dient er een minimumstelsel te worden nageleefd dat enkel de opdrachten voor aanneming van werken gegund aan derden beoogt. De opdrachten die de Europese drempel bereiken, moeten het voorwerp uitmaken van een aankondiging gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen en in het Bulletin der Aanbestedingen, overeenkomstig hetzelfde model van aankondiging. Geen enkele gunningsprocedure dient te worden gevolgd, aangezien de vereisten betrekking hebben op de doorzichtigheid door middel van een bekendmaking en op de naleving van de termijnen voor ontvangst van de aanvragen tot deelneming en voor ontvangst van de offertes. Bovendien is, overeenkomstig artikel 134, voornoemde bekendmaking niet vereist in een bepaald aantal gevallen die verwant zijn met deze waarin een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure toegelaten is.
   TITEL IX - Slotbepalingen.
   * Art. 136. Ongeacht de aangewende gunningsprocedure, zijn de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en ook die voor aanneming van diensten, waarop artikel 223, § 1, b, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is, niet onderworpen aan dit besluit. Artikel 223, § 1, b, zegt inderdaad dat: "elke Lid-Staat de maatregelen kan nemen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid en die betrekking hebben op de produktie van of de handel in wapens, munitie en oorlogsmateriaal; die maatregelen mogen de mededingingsverhoudingen op de gemeenschappelijke markt niet wijzigen voor produkten die niet bestemd zijn voor specifieke militaire doeleinden". Hieruit vloeit dus voort dat de regels toepasbaar voor deze opdrachten zullen bepaald worden in een ander koninklijk besluit overeenkomstig artikel 3, § 3, van de wet.
   * Art. 137. Volgens dit artikel kan de Europese Commissie aan de betrokken Lid-Staat, en ter informatie aan de aanbestedende overheid, de rechtzetting vragen van een duidelijke en kennelijke inbreuk die zij zou vastgesteld hebben in het kader van een procedure. Het beoogde doel bestaat erin al het mogelijke te doen om het ontstaan van geschillen te voorkomen door de rechtzetting van onregelmatigheden ten aanzien van het gemeenschapsrecht of van het nationaal recht dat dit omzet, vanaf het begin van de gunningsprocedure.
   In tegenstelling tot de eerste opmerking die door de Raad van State werd geformuleerd in verband met dit artikel, beoogt richtlijn 89/665/EEG niet enkel de overheidsopdrachten voor aanneming van werken en leveringen maar eveneens de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten. Dit vloeit voort uit artikel 41 van richtlijn 92/50/EEG.
   Overeenkomstig het advies van de Raad van State, werd er bovendien verduidelijkt dat er hier sprake is van het gemeenschapsrecht inzake de gunning van de door het ontwerp bedoelde opdrachten.
   * Art. 138. Dit artikel heeft tot doel te voldoen aan de statistische verplichtingen die voortvloeien uit de Europese richtlijnen en de internationale akten inzake overheidsopdrachten.
   * Art. 139. Deze tekst neemt artikel 55 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 over met aanpassing evenwel van de formulering.
   * Art. 140. De datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit zal later bepaald worden wanneer het geheel van de uitvoeringsmaatregelen van boek I van de wet van 24 december 1993 zullen vastgelegd worden.
   We hebben de eer te zijn,
   Sire,
   van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige,
   en zeer getrouwe dienaars,
   De Eerste Minister,
   J.-L. DEHAENE
   De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie en Telecommunicatie,
   E. DI RUPO
   ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE.
   De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 13 februari 1995 door de Eerste Minister verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten", heeft op 23 maart 1995 het volgend advies gegeven :(BR)
   
   Strekking en rechtsgrond van het ontwerp
   1. De regeling die in het voor advies voorgelegde ontwerp-besluit is vervat, betreft de zogenaamde "klassieke" overheidsopdrachten, zijnde de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten alsook de concessies voor openbare werken en de werken gegund in naam van concessiehouders van openbare werken, bedoeld in de titels II en III van boek I van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten (1).
   2. Het ontwerp streeft een tweevoudig oogmerk na.
   2.1. In de eerste plaats strekt het ontwerp ertoe de titels II en III van boek I van de wet van 24 december 1993 uit te voeren, met dien verstande dat, luidens het verslag aan de Koning, het ontwerp het geheel van de uitvoeringsbepalingen bevat die erop van toepassing zijn, "met uitzondering van de voorschriften toepasselijk op de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en van di
   ensten die specifiek militair zijn, de algemene uitvoeringsvoorschriften en de bepalingen in verband met de bevoegdheidsoverdrachten en sommige controlemaatregelen betreffende de overheidsopdrachten op federaal niveau".
   2.2. In de tweede plaats worden met het ontwerp in de interne rechtsorde sommige bepalingen geïmplementeerd van de volgende richtlijnen :(BR)
   
   - de richtlijn 89/665/EEG van 21 december 1989 houdende coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken;
   - de richtlijn 92/50/EEG van 18 juni 1992 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening;
   - de richtlijn 93/36/EEG van 14 juni 1993 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en - de richtlijn 93/37/EEG van 14 juni 1993 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken.
   Algemene opmerkingen
   1. Overeenkomstig artikel 3 van het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van titel IV van boek I van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van boek I van deze wet, waarover de Raad van State op 3 november 1994 advies heeft gegeven (L. 23.623/1), treden de bepalingen van titels II en III van boek I van de wet van 24 december 1993 in werking op 1 januari 1995. Aangezien het ontworpen besluit in deze wetsbepalingen rechtsgrond vindt, zal de Regering er moeten op toezien dat de inwerkingtreding van het eerstgenoemde besluit deze van het voorliggend besluit voorafgaat.
   2.1. Menige bepaling van het ontwerp is ontleend aan de voornoemde richtlijnen 89/665/EEG, 92/50/EEG, 93/36/EEG en 93/37/EEG, waarbij - aldus het verslag aan de Koning -"tegelijk rekening (gehouden wordt) zowel met de tot nog toe in de Belgische wetgeving en in de Europese richtlijnen als in de nieuw aangenomen wetgeving gebruikte termen". Zoals in vorige adviezen werd opgemerkt gaat het daarbij in de Franse tekst veelal om een letterlijke overname van de terminologie van de richtlijnen terwijl de Nederlandse tekst opnieuw de schijn van een nieuwe vertaling heeft, niet altijd van een betere kwaliteit. Er moet worden herhaald dat een dergelijk procédé verwarring sticht en tot betwistingen aanleiding kan geven. De Nederlandse tekst van het ontwerp is derhalve minstens op dit punt aan een ernstige herziening toe en moet, bij overname van bepalingen van de richtlijnen, nauwer bij die tekst aansluiten. Van de in de richtlijn gebruikte terminologie kan dan enkel worden afgeweken indien daartoe redenen bestaan - omdat bijvoorbeeld het nationale taalgebruik zo ingeburgerd is of omdat bepaalde rechtsfiguren in ons land niet gekend zijn onder de in de richtlijn gehanteerde term. In dat geval dient evenwel een uniforme terminologie te worden gebruikt in de verschillende besluiten welke ter omzetting van de richtlijnen worden genomen.
   Bij de artikelsgewijze bespreking zullen, uitsluitend als voorbeeld, een aantal tekstaanpassingen worden voorgesteld voor artikelen of onderdelen ervan waarvan de Nederlandse tekst afwijkt van de overeenkomstige bepalingen van de om te zetten richtlijnen.
   2.2. Verschillende bepalingen van het ontwerp zijn analoog aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 26 juli 1994 betreffende de mededinging in het raam van de Europese Gemeenschap van sommige opdrachten voor aanneming van werken en leveringen in de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie, en aan deze van het ontwerp van koninklijk besluit betreffende overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie. Men zal er derhalve zorg voor dragen dat analoge bepalingen op een zelfde manier worden geformuleerd en dat in de mate van het mogelijke, wordt aangesloten bij de redactie en de terminologie van gelijkaardige regelingen.
   3. In het ontwerp wordt veelvuldig gebruik gemaakt van vage begrippen welke weliswaar veelal uit de voornoemde E.G.- richtlijnen werden overgenomen doch in het ontwerp niet nader worden omschreven. Met het oog op de rechtszekerheid lijkt het nochtans aangewezen aan die begrippen in het interne recht een meer concrete invulling te geven, hetzij in de tekst van het ontwerp, hetzij in het bijhorend verslag aan de Koning. Op die wijze kan worden voorkomen dat het bestuur, dan wel de aan bestedende diensten over een te ruime beoordelingsvrijheid beschikken en dat op die manier een bijkomende bron van betwistingen wordt geschapen. Het verslag aan de Koning doet in dat verband opmerken dat "de regering het als onmogelijk (beschouwt) om sommige concepten, ... op afdoende wijze te omschrijven, te meer omdat deze concepten opnieuw in het Europees recht opgenomen zijn en zij daar ook niet worden omschreven" en dat "op die manier een omschrijving op Belgisch vlak, vergeleken met de interpretatie die er op Europees vlak zou kunnen worden aan gegeven, niet in overeenstemming dreigt te zijn". Die vaststelling belet evenwel niet dat de federale overheid, met het oog op de onmiddellijke en concrete toepasbaarheid van de regeling, de in het interne recht opgenomen concepten en begrippen definieert, met dien verstande dat, ingeval van latere betwisting daaromtrent, het aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen toekomt ter zake zekerheid te creëren.
   4. Het ontwerp voorziet in een aantal vormvoorschriften waarvan sommige tot de inschrijvers zijn gericht (zie bv. de artikelen 6 en 14 wat de opdrachten voor aanneming van werken betreft), andere tot de aanbestedende dienst (zie bijvoorbeeld de in artikel 3 vervatte verplichting inzake opdrachte
   n voor de aanneming van werken, tot periodieke enuntiatieve aankondiging). Bij het stilzwijgen van de betrokken richtlijnen of van het ontwerp, zal het zaak zijn van de rechter om erover te oordelen of die vormvoorschriften substantieel zijn of niet (2).
   5. De titels I, II en III van het ontwerp hebben een in ruime mate gelijkaardige structuur en de bepalingen ervan zijn meestal op dezelfde wijze geredigeerd. De hiernavolgende bij titel I geformuleerde bijzondere opmerkingen gelden derhalve op overeenkomstige wijze voor de analoge bepalingen van de titels II en III van het ontwerp.
   Bijzondere opmerkingen
   Opschrift
   Het opschrift geeft niet volledig de inhoud van het ontwerp weer. Titel VIII (artikelen 123 tot 135) van het ontwerp bevat immers ook bepalingen die betrekking hebben op "concessies van openbare werken en opdrachten gegund in naam van concessiehouders van openbare werken". Men redigere derhalve het opschrift als volgt :(BR)
   
   "Koninklijk besluit betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, de concessies voor openbare werken en de werken gegund in naam van concessiehouders van openbare werken".
   Aanhef
   Het eerste lid moet worden aangevuld met de vermelding van het besluit tot wijziging van titel IV van boek I van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van boek I van deze wet.
   Voordrachtformulier
   Het voordrachtformulier moet als volgt worden geredigeerd :(BR)
   
   "Op de voordracht van Onze Eerste Minister en van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie en Economische Zaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,".
   * Artikel 2
   1. Luidens het eerste lid moet voor het berekenen van het bedrag van een overheidsopdracht voor aanneming van werken, behalve met het bedrag van de voorziene werken, ook rekening worden gehouden met het geraamd bedrag van de leveringen welke nodig zijn voor de uitvoering van de werken en door de aanbestedende overheid ter beschikking van de aannemer worden gesteld. Volgens het verslag aan de Koning moeten voor het bepalen van het geraamde bedrag van een werk, ook de diensten die door de aanbestedende overheid ter beschikking worden gesteld van de aannemer in aanmerking worden genomen. Een zodanig voorschrift komt niet voor in artikel 6, lid 5, van de richtlijn 93/37/EEG, noch in artikel 2, eerste lid, van het ontwerp dat deze richtlijnbepaling in intern recht omzet. Het verslag aan de Koning zal dan ook op dit punt moeten worden afgestemd op de tekst van het ontwerp.
   2.1. Teneinde nauwer aan te sluiten bij artikel 6, lid 4, van de richtlijn 93/37/EEG, redigere men het derde lid als volgt :(BR)
   
   "Geen opdracht of werk mag worden gesplitst teneinde deze aan de toepassing van de bepalingen van deze afdeling te onttrekken".
   2.2. Gelet op het verschil dat
    bestaat tussen de drempels voor de werken en deze voor de leveringen mogen, volgens de toelichting bij artikel 2, derde lid, de leveringen die niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een overheidsopdracht voor aanneming van werken, niet worden toegevoegd aan de werken "met de bedoeling ze te onttrekken aan deze ... Europese mededinging". In tegenstelling met artikel 2, § 2, tweede lid, van het ontwerp van koninklijk besluit betreffende overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de sectoren water, energie en telecommunicatie, is een zodanig voorschrift niet opgenomen in de ontworpen regeling. De Regering zal derhalve moeten nagaan of het ontwerp op dit punt moet worden aangevuld.
   * Artikel 3
   1. In dit artikel - en ook verder in het ontwerp -schrijve men telkens "bekendgemaakt" en "bekendmaking" in plaats van "gepubliceerd" en "publicatie".
   2. In dit artikel is herhaaldelijk sprake van een "periodieke" enuntiatieve aankondiging, doch aan het begrip "periodiciteit" wordt geen concrete inhoud gegeven. Volgens het verslag aan de Koning moeten de aannemers "minstens eens per jaar" worden geïnformeerd. Artikel 11, lid 1, van de voornoemde richtlijn 93/37/EEG daarentegen beperkt zich tot het voorschrijven van een "enuntiatieve aankondiging", zonder dat daarbij enige verplichting inzake periodiciteit wordt opgelegd. Indien het derhalve de bedoeling is de informatieverstrekking met een zekere periodiciteit te organiseren, dan moet dit in het ontwerp duidelijker tot uitdrukking worden gebracht. In het andere geval is het gebruik van het woord "periodiek" overbodig en kan het worden geschrapt.
   3. Met betrekking tot de laatste volzin van het tweede lid, moet worden vastgesteld dat er een gebrek aan overeenstemming is tussen de Nederlandse en de Franse tekst. In de Nederlandse tekst schrijve men dan ook "verzending van de aankondiging" in plaats van "verzending". Eenzelfde opmerking geldt voor de analoge bepalingen van het ontwerp (zie onder meer artikel 4, eerste lid, laatste volzin, artikel 8, tweede lid, in fine, artikel 29, § 1, tweede lid).
   * Artikel 6
   1. Uit paragraaf 3 volgt dat de aanvragen tot deelneming vóór de vervaldatum van de door de overheid bepaalde termijn van ontvangst moeten worden verzonden of bij brief bevestigd.
   De vraag rijst welke sanctie verbonden is aan het verzuim of het laattijdig vervullen van deze pleegvorm. Betreft het hier een substantiële vorm in het belang van de rechtsonderhorige dan wel in het belang van het bestuur. Dit ware beter toegelicht in het verslag aan de Koning.
   Een zelfde opmerking geldt voor de gelijkaardige bepalingen van het ontwerp (zie bijvoorbeeld artikel 14, § 1, laatste lid).
   2. Conform artikel 13, lid 2, van de richtlijn 93/37/EEG, lijkt men in § 4, tweede lid, 1°, a) te moeten schrijven :(BR)
   
   "1° a) het bestek en de aanvullende stukken en, in voorkomend geval, het adres van de dienst ... " .
   In hetzelfde lid schrijve men onder 1°, b) :(BR)
   
   "b) in voorkomend geval, het bedrag dat verschuldigd is voor het verkrijgen van deze documenten en de wijze van betaling ervan;(BR)
   ".
   Deze laatste opmerking geldt ook voor artikel 15, § 3, tweede lid, 1°, b) van het ontwerp.
   * Artikel 7
   Teneinde nauwer aan te sluiten bij het bepaalde in artikel 12, leden 3 en 4, van de richtlijn 93/37/EEG, redigere men het tweede lid als volgt :(BR)
   
   "Voor zover daarom tijdig is verzocht, dienen bij openbare aanbesteding en bij algemene offerteaanvraag het bestek en de aanvullende documenten door de aanbestedende overheid te worden meegedeeld binnen zes dagen na ontvangst van het verzoek en dienen de nadere inlichtingen over het bestek te worden meegedeeld uiterlijk zes dagen voor het verstrijken van de termijn vastgesteld voor de ontvangst van de offertes".
   De artikelen 33, tweede lid, en 59, tweede lid, moeten in dezelfde zin worden aangepast.
   * Artikel 10
   In het tweede lid moeten de woorden "lager dan, gelijk aan of hoger dan het bedrag" gelezen worden als "ongeacht het bedrag". Men redigere deze bepaling dan als volgt :(BR)
   
   "De opdrachten voor aanneming van werken van de privaatrechtelijk universitaire instellingen zijn, ongeacht het bedrag, onderworpen aan de bepalingen van deze afdeling indien ze gesubsidieerd worden door aanbestedende overheden bedoeld in artikel 1, § 1 van dit besluit en indien aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 1, § 2, niet is voldaan".
   Bij de navolgende analoge bepalingen van het ontwerp (zoals bijvoorbeeld artikel 62, tweede lid, 1°) kan eenzelfde opmerking worden gemaakt.
   * Artikel 11
   1. In de inleidende zin van het eerste lid van dit artikel schrappe men, voor het cijfer 25, het teken "par.".
   2. Het is de Raad van State niet duidelijk waarom er, wat de verwijzing naar de toepasselijke bepalingen betreft, geen overeenstemming is tussen artikel 11 en artikel 63 van het ontwerp, ook al omdat het verslag aan de Koning een parallellisme tussen beide bepalingen laat uitschijnen.
   * Artikel 12
   1. Met betrekking tot de omzeggens identieke bepaling van artikel 11 van het ontwerp van koninklijk besluit betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie heeft de Raad van State opgemerkt wat volgt :(BR)
   
   "In het tweede lid wordt de inhoud van de aankondiging van de opdracht in het Bulletin der Aanbestedingen bepaald. Er kan worden vastgesteld dat, in vergelijking met de huidige regeling vervat in artikel 12 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, een aantal gegevens niet langer in deze aankondiging zullen moeten worden opgenomen. Het betreft onder meer :(BR)
   
   - de wijze waarop de opdracht wordt gegund (artikel 12, 2°, van het koninklijk besluit van 22 april 1977);
   - de plaats van inzage van de bes
   cheiden die het bestek uitmaken, alsook de daarvoor vastgestelde dagen en uren (zie artikel 12, 4°, van hetzelfde besluit); artikel 11, tweede lid, 4°, van het ontwerp bepaalt enkel de voorwaarden waaronder die bescheiden kunnen worden verkregen;
   - de termijn voor uitvoering van de opdracht (artikel 12, 7°, van hetzelfde besluit).
   Uit het verslag aan de Koning valt af te leiden dat het de bedoeling is de Europese regels inzake de bekendmaking in een vereenvoudigde vorm te implementeren. Die vereenvoudiging mag er uiteraard niet toe leiden dat gegevens welke voor de belangstellende inschrijver essentieel kunnen zijn, van bekendmaking worden uitgesloten. Zulks zou immers de coherentie van het in het ontwerp opgezette stelsel van gunning van overheidsopdrachten in het gedrang kunnen brengen. Met name lijkt het aangewezen, mede omwille van de doorzichtigheid van de ontworpen regeling, om de uiterste nuttige datum van ontvangst van de offerte in de aankondiging van de opdracht te vermelden".
   2. Indien het de bedoeling is de inhoud van de aankondiging van de opdracht te beperken tot de gegevens opgesomd in het tweede lid van artikel 12, kan de inleidende zin van dit lid worden aangepast als volgt :(BR)
   
   "De aankondiging van opdracht bevat enkel de volgende gegevens : ...".
   Indien op die suggestie wordt ingegaan kan in 3° de laatste volzin worden weggelaten. Het 3° kan dan aanvangen als volgt :(BR)
   
   "3 de in de artikelen 17 tot 19 bepaalde inlichtingen en formaliteiten die nodig zijn ... " .
   De voorgaande opmerkingen gelden op overeenkomstige wijze voor de analoge bepalingen van het ontwerp (zie bijvoorbeeld artikel 14, § 1, tweede lid).
   * Artikel 13
   1.1. In het eerste lid van dit artikel lijken de woorden "over het algemeen" te kunnen worden geschrapt. Indien het de bedoeling van de stellers van het ontwerp zou zijn de mogelijkheid te laten om in een aantal gevallen, te weten deze voorzien in het tweede lid, af te wijken van de in deze bepaling opgelegde verplichting tot bekendmaking, dan dient zulks met zoveel woorden in het ontwerp tot uitdrukking te worden gebracht.
   1.2. Een overeenkomstige opmerking kan worden gemaakt met betrekking tot de tweede volzin van het tweede lid. Uit het verslag aan de Koning kan worden opgemaakt dat de woorden "over het algemeen" in dit geval doelen op de mogelijkheid een beroep te doen op de aannemers vermeld op de lijst van gegadigden : "deze modaliteit (belet) de aanbestedende overheid die dergelijke lijsten van gegadigden heeft opgesteld, geenszins ... om, indien zij dit wenst, beroep te doen op een aankondiging per geïndividualiseerde opdracht". Indien zulks de bedoeling van de Regering is, zou dit beter in de tekst zelf van het ontwerp worden verwoord.
   2. Onder dat voorbehoud kan worden overwogen artikel 13 te redigeren als volgt :(BR)
   
   "Art. 13. Elke aan deze afdeling onderworpen overheidsopdracht die zal worden gegund bij beperkte aanbesteding, bij beperkte off
   erteaanvraag en bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, wordt in mededinging gesteld door middel van een aankondiging van opdracht, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 14, § 1.
   Voor gelijkaardige opdrachten met een repetitief karakter kan deze aankondiging evenwel worden vervangen door een aankondiging betreffende de opstelling door de aanbestedende overheid van een lijst van gegadigden, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 14, § 2".
   Indien op dit tekstvoorstel wordt ingegaan, zal ook artikel 39, tweede lid, op overeenkomstige wijze moeten worden aangepast.
   * Artikel 16
   1. De regels welke in de artikelen 16 en 17 van het ontwerp zijn vervat met betrekking tot de selectie en gunning, betreffen uiteraard enkel de reglementering voor aanneming van werken. Men mag derhalve ervan uitgaan dat andere reglementeringen zoals die inzake de erkenning van de aannemers en de bestrijding van de koppelbazen, onverkort blijven gelden. Teneinde daarover geen twijfel te laten bestaan, kan worden overwogen het eerste lid van artikel 16, te laten aanvangen als volgt :(BR)
   
   "Onverminderd andere wettelijke bepalingen gaat de aanbestedende overheid, in geval van openbare aanbesteding of algemene offerteaanvraag over tot ..".
   Het tweede lid late men, op overeenkomstige wijze, aanvangen als volgt :(BR)
   
   "Onverminderd andere wettelijke bepalingen selecteert de aanbestedende overheid in geval van beperkte aanbesteding, beperkte offerteaanvraag of onderhandelingsprocedure, de kandidaten ...".
   2. Het derde lid beoogt de omzetting van het bepaalde in artikel 22, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn 93/37/EEG. Uit de ontworpen bepaling blijkt dat mag worden afgeweken van de minimumnorm van vijf gegadigden indien er onvoldoende geschikte gegadigden zijn, terwijl in de voornoemde bepaling van de richtlijn is bepaald dat "het aantal gegadigden in ieder geval groot genoeg moet zijn om een werkelijke mededinging te garanderen". Vraag is of met de ontworpen bepaling op voldoende wijze aan het aangehaalde voorschrift wordt tegemoet gekomen (3).
   * Artikel 17
   Deze bepaling is de weergave van artikel 24 van de richtlijn 93/37/EEG en is analoog aan artikel 17 van het meermaals genoemde ontwerp van besluit met betrekking tot de nutssectoren. Met betrekking tot dit laatste artikel heeft de Raad van State, afdeling wetgeving, opgemerkt wat volgt :(BR)
   
   "1. Het voorbehoud dat in de inleidende zin van artikel 17, eerste lid, wordt gemaakt met betrekking tot de erkenning van aannemers van werken is te beperkend, gelet op de bij artikel 16 geformuleerde opmerking. Daarom wordt voorgesteld deze volzin te redigeren als volgt :(BR)
   
   "Onverminderd andere wettelijke bepalingen kan van deelneming aan een opdracht worden uitgesloten, de aannemer :(BR)
   "
   2. Men zal opmerken dat in artikel 17, eerste lid, 2°, gehandeld wordt over de aannemer of lever
   ancier "wiens faillissement is aangevraagd". Zoals de Raad van State reeds meermaals heeft opgemerkt kan een dergelijke aanvraag door een crediteur op lichtzinnige wijze zijn ingediend. Het lijkt aangewezen bij de omzetting van deze in de betrokken richtlijnen voorkomende regel, nader aan te sluiten bij de bestaande federale faillissementswetgeving en derhalve in de lijn van artikel 440 van de faillissementswet, de aangehaalde woorden te vervangen door de woorden "die aangifte heeft gedaan van zijn faillissement" (4).
   3. In artikel 17, eerste lid, 6°, is er geen overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst. De woorden "impots et taxes" worden weergegeven door het woord "belastingen". Beide teksten zullen op elkaar moeten worden afgestemd.
   4. De in artikel 17, eerste lid, 7°, bedoelde valse verklaringen moeten zijn afgelegd "bij het verstrekken van inlichtingen, opvorderbaar bij toepassing van dit artikel". Bedoeld worden blijkbaar de inlichtingen welke het moeten mogelijk maken om na te gaan of de aannemer zich in één van de gevallen van uitsluiting bevindt welke worden opgesomd in de punten 1° tot 6° van hetzelfde lid. Het bewijs van deze gegevens moet evenwel op verplichte wijze worden geleverd aan de hand van de in het tweede lid opgesomde stukken".
   De onder punt 1 geformuleerde opmerking is van overeenkomstige toepassing op artikel 18, eerste lid, van het ontwerp.
   * Artikel 18
   1. Gelet op het bepaalde in het laatste lid van dit artikel, kunnen de woorden "over het algemeen" in de inleidende zin van dit artikel worden weggelaten.
   2. Om nauwer aan te leunen bij artikel 26, lid 1, b), van de richtlijn 93/37/EEG, redigere men het 2° van het eerste lid, als volgt :(BR)
   
   "2° door overlegging van de balansen, uittreksels uit balansen of jaarrekeningen van de onderneming, indien de wetgeving van het land waar de aannemer is gevestigd, de bekendmaking van balansen voorschrijft;(BR)
   ".
   * Artikel 44, eerste lid, 2°, dient in dezelfde zin te worden aangepast.
   * Artikel 23
   1. Deze bepaling is geïnspireerd op artikel 47 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. Het verdient aanbeveling de Nederlandse tekst, naar het voorbeeld van de Franse tekst, nauwer bij die bepaling te laten aansluiten, te meer omdat de interpretatie van deze tekst sinds jaren vaststaat en gekend is.
   2. Zoals in artikel 47 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 moet, overeenkomstig artikel 23, § 1, derde lid, van het ontwerp, het lid of de leden die niet tot een openbaar bestuur behoren blijk geven van een "onbetwistbare bekwaamheid" (in het voornoemde artikel 47 wordt gewag gemaakt van "onbetwistbare bevoegdheid"). Of de aangewezen leden aan dat criterium beantwoorden, is vanzelfsprekend een feitenkwestie waarop de rechter enkel op een marginale wijze toezicht zal uitoefenen. Het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 22 april 1977 vermeldt, als voorbeeld, leden van het hoger onderwijzend personeel en vertegenwoordigers van de verenigingen voor ingenieurs en architecten (5). Op dezelfde wijze worden in het verslag aan de Koning bij het voorliggend ontwerp een aantal relevante voorbeelden opgenomen.
   3. In de rechtspraak is een probleem gerezen omtrent de interpretatie van artikel 47 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 (6) , met name over de vraag of de aanwezigheid van één lid dat niet tot een openbaar bestuur behoort - in welk geval formeel voldaan is aan de verplichtingen opgelegd door het bedoelde artikel 47 - volstaat opdat de samenstelling van de jury regelmatig zou zijn. Mag inzonderheid de meerderheid van de leden van de jury deel uitmaken van de aanbestedende overheid, zonder dat hierdoor het algemeen rechtsbeginsel van de structurele onpartijdigheid mogelijks wordt miskend. Het vaststellen van de nieuwe uitvoeringsbesluiten zou kunnen worden benut om klaarheid te scheppen omtrent dit twistpunt. Toch blijft artikel 23, § 1, tweede lid, van het ontwerp, bepalen dat "deze jury samengesteld (is) uit minimum vijf leden van wie ten minste één noch behoort tot de aanbestedende overheid noch tot een openbaar bestuur". Het verslag aan de Koning stelt daaromtrent dat "zoals vroeger de tekst (gebiedt) dat één van de juryleden geen deel mag uitmaken van de aanbestedende overheid opdat deze jury volgens de regels zou zijn samengesteld. Het nagestreefde doel is immers dat men zou beschikken over een raadgevend orgaan dat de aanbestedende overheid tijdens de procedure bij haar keuze helpt, in functie van haar eigen behoeften en prioriteiten. Deze jury komt dus tussen in het raam van het actief bestuur en niet in het raam van een geschil en net daarom is het aangewezen om toe te staan dat de meerderheid van haar leden gevormd wordt door ambtenaren".
   In dit verband mag er vooreerst worden aan herinnerd dat niet langer wordt betwist dat het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid ook toepasselijk is op organen van het actief bestuur, althans in zover zulks verenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid met de structuur, van het actief bestuur (7). Dit rechtsbeginsel geldt niet alleen in tuchtzaken (8), maar ook in andere bestuurlijke procedures (9). Bovendien is de overweging dat de bedoelde "jury" slechts beleidsondersteunend is, weinig relevant : ook al verleent de jury in het kader van een wedstrijd enkel een niet bindend advies, toch mag de in het ontwerp vervatte regeling er niet toe leiden dat de raadpleging van het bedoelde adviesorgaan wordt herleid tot een blote formaliteit.
   4. Zoals hiervoren is vastgesteld, dienen enkel het lid of de leden die niet behoren tot een openbaar bestuur blijk te geven van een "onbetwistbare bekwaamheid" in het betrokken domein; de overige leden moeten, althans volgens de letter van de tekst van het ontwerp, niet voldoen aan dit vereiste. Nochtan
   s mag worden aangenomen dat de meerderheid van de leden van de jury die over de verschillende offertes zullen moeten oordelen op grond van de in het bestek opgesomde criteria (zie artikel 23, § 2), ter zake ook deskundig zijn (10). Om die reden kan worden overwogen om, naar het voorbeeld van artikel 75, § 1, derde lid, eerste zin, van het ontwerp, ook in artikel 18 te bepalen dat de leden van de jury - minstens de meerderheid van die leden blijk moet geven van een onbetwistbare bekwaamheid in het betrokken domein.
   * Artikel 24
   In het 2° wordt verwezen naar het Akkoord van 25 mei 1993 tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika. Blijkbaar beogen de stellers van het ontwerp hiermede de omzetting van het met toepassing van artikel 113 van het E.G.-Verdrag door de Raad aangenomen besluit 93/323/EEG van 10 mei 1993 betreffende de sluiting van de Overeenkomst in de vorm van een verklaring van intentie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake overheidsopdrachten. De lijst van de instellingen, opgenomen in artikel 24, 2°, van het ontwerp strookt echter niet met de lijst van instellingen opgenomen in de bijlage I van het voornoemde besluit, onder het trefwoord "België" (11). Een gelijkaardig gebrek aan overeenstemming moet worden vastgesteld met betrekking tot de lijst opgenomen in artikel 50, 2°. In dit verband heeft de gemachtigde van de Regering verklaard wat volgt :(BR)
   
   "Lijsten uit ontwerp K.B. betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, zijn de huidige stand van zaken zoals die uit consultaties tijdens de voorbereiding van de teksten blijken. De bedoeling is ze continu te blijven bijwerken.
   Ze hebben echter slechts een exemplatief karakter wat binnenlands en gebruik binnen de Europese Unie betreft.
   Het deel Wereld Handels Organisatie (WHO - GATT) wordt binnen GATT volgens de eigen GATT-formalismen aangepast. Hierdoor kan achterstand tussen beide lijsten optreden".
   * Artikel 29
   1. Ter omzetting van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn 93/36/EEG, wordt in paragraaf 1, eerste lid, van artikel 29 verwezen naar de "nomenclatuur CPA. " . In het verslag aan de Koning wordt in dat verband gewag gemaakt van "de nomenclatuur CPA (die) is opgesteld overeenkomstig het reglement van de Raad (EEG) nr. 3696/93 van 29 oktober 1993 betreffende de statistische classificatie van produkten, gekoppeld aan de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap (CPA.)". Vanuit legistiek oogpunt zou het aanbeveling verdienen de tekst van het ontwerp op dit punt in overeenstemming te brengen met de toelichting in het verslag aan de Koning. Ook zal het gebruik van afkortingen moeten worden vermeden. De Regering zal er zich bovendien over beraden of het, naar analogie met het procédé aangewend bij de wet van 24 december 1993 (12), niet wenselijk zou zijn de bedoelde lijst van produkten als een bijlage bij h
   et ontwerp te voegen.
   2. In verband met de periodiciteit van de enuntiatieve aankondiging mag worden verwezen naar de opmerking ter zake bij artikel 3.
   * Artikel 36
   Luidens de toelichting bij deze bepaling in het verslag aan de Koning beoogt dit artikel de omzetting van artikel 2, lid 2, van de voornoemde richtlijn 93/36/EEG. Die omzetting is onnauwkeurig en de redactie van artikel 36 van het ontwerp zal derhalve moeten worden in overeenstemming gebracht met die van de voornoemde richtlijnbepaling.
   * Artikel 54
   Minstens in het verslag aan de Koning moet nader worden omschreven wat in het eerste lid wordt verstaan onder het begrip "volledige geraamde bezoldiging van de dienstverlener". In artikel 7, lid 2, van de voornoemde richtlijn 92/50/EEG, bepaling waarvan artikel 54 van het ontwerp de omzetting beoogt, is sprake van de "geraamde totale vergoeding van de dienstverlener".
   * Artikel 55
   In de Nederlandse tekst van het eerste lid van dit artikel wordt de verplichting tot bekendmaking, in hoofde van de aanbestedende overheid, opgelegd "na het begin van het jaar". Op dit punt is er een gebrek aan overeenstemming met de Franse tekst en met artikel 15, lid 1, van de richtlijn 92/50/EEG waarin telkens sprake is van het "begrotingsjaar" ("exercice budgétaire"). De Nederlandse tekst dient derhalve te worden aangepast (13).
   * Artikel 64
   1. De bepaling van het tweede lid, 1°, van dit artikel is analoog met deze van de artikelen 12, tweede lid, 1°, en 38, tweede lid, 1°, van het ontwerp, met dien verstande dat zij geen voorschrift bevat in verband met de vermelding van "het adres en de persoon waarbij bijkomende inlichtingen over de opdracht kunnen worden bekomen". Voor die weglating is in het verslag aan de Koning geen reden aangegeven.
   2. In tegenstelling tot het bepaalde in de artikelen 12, derde lid, en 38, derde lid, van het ontwerp, wordt in het derde lid van artikel 64 voor de inkorting van de termijn voor ontvangst van de offertes geen absolute minimumgrens vastgesteld. Daargelaten de problemen die in de praktijk kunnen ontstaan doordat bij betwistingen alleen een beroep zal kunnen worden gedaan op de "redelijke termijn", blijkt ook geen reden voorhanden te zijn om op dit punt af te wijken van de meer rechtszekere regeling die is opgenomen in de voornoemde artikelen 12 en 38 van het ontwerp.
   * Artikel 68
   1. Overeenkomstig het derde lid van dit artikel mag, in geval van beperkte aanbesteding of beperkte offerteaanvraag het aantal gegadigden dat een offerte mag indienen "niet kleiner zijn dan vijf voor zover er voldoende geschikte kandidaten zijn". Die bepaling is niet in overeenstemming met artikel 27, lid 2, van de richtlijn 92/50/EEG. Luidens de bepalingen van dit artikel mogen de aanbestedende diensten wanneer zij een opdracht plaatsen volgens de niet-openbare procedure, een minimum en een maximum aangeven waartussen het aantal dienstverleners zich zal situeren. Deze aantallen hangen af van de te verlenen dienst, maar "het minimumaantal mag niet minder bedragen dan vijf", (lid 2, eerste alinea). In ieder geval moet het aantal gegadigden dat mag inschrijven "groot genoeg zijn om een werkelijke mededinging te garanderen" (lid 2, tweede alinea). Uit de formulering van de eerste alinea blijkt derhalve dat bij niet-openbare procedures niet kan worden afgeweken van het minimumaantal van vijf gegadigden. Het derde lid van artikel 68 van het ontwerp zal derhalve op dit punt in overeenstemming moeten worden gebracht met de bepaling van artikel 27, lid 2, van de richtlijn.
   2.1. In het vijfde lid van artikel 68 wordt het onweerlegbaar vermoeden ingesteld dat het niet mogelijk is vijf dienstverleners te raadplegen voor de overheidsopdrachten die betrekking hebben op juridische diensten op het vlak van advies en vertegenwoordiging voor de gerechten en andere instellingen die geschillen beslechten. Het is de Raad van State niet duidelijk - en het verslag aan de Koning geeft er evenmin uitsluitsel over - waarom het "intuitu personae"-karakter van de juridische dienstverlening zou verhinderen dat inzake overheidsopdrachten die betrekking hebben op juridische diensten - zeker als het om advisering en niet om bijstand in geschillen gaat - vijf dergelijke dienstverleners zouden worden aangeschreven.
   2.2. Bovendien gaat artikel 68, vijfde lid, in tegen de bepalingen van artikel 27, leden 2 en 3, van de richtlijn 92/50/EEG. Het door artikel 68, vijfde lid, ingestelde onweerlegbaar vermoeden dat er geen vijf gegadigden voor juridische dienstverlening kunnen worden gevonden, strookt niet met de regel volgens welke bij een beperkte aanbesteding of beperkte offerteaanvraag het minimumaantal gegadigden dat mag inschrijven niet minder mag bedragen dan vijf en in ieder geval groot genoeg moet zijn om een werkelijke mededinging te garanderen. Die bepaling strookt evenmin met de bepaling van artikel 27, lid 3, van dezelfde richtlijn luidens welke in geval van gunning via onderhandelingen, het aantal gegadigden dat tot de onderhandelingen wordt toegelaten niet kleiner mag zijn dan drie, "voor zover er voldoende geschikte gegadigden zijn".
   Het ontwerp zal dus op dit punt moeten worden herzien.
   * Artikel 72
   Dit artikel beoogt de omzetting van het bepaalde in artikel 35, lid 3, van de richtlijn 92/50/EEG. Die omzetting heeft uitsluitend betrekking op het eerste lid van deze bepaling en is derhalve onvolledig.
   * Artikel 72 zal volledigheidshalve moeten worden aangevuld met een bepaling die het voorschrift vervat in artikel 35, lid 3, tweede alinea, van de voornoemde richtlijn omzet.
   * Artikel 75
   In overeenstemming met de Franse tekst en met het bepaalde in artikel 13, lid 6, tweede alinea, van de richtlijn 92/50/EEG, schrijve men in de Nederlandse tekst van paragraaf 2, 3°, "anoniem" in plaats van "naamloos".
   * Artikel 82
   Luidens het verslag aan de Koning neemt deze bepaling de overeenstemmende bepalingen over van de richtlijnen 92/50/EEG, 93/36/EEG en 93/37/EEG. De definities in deze drie richtlijnen stemmen echter niet volledig met elkaar overeen, zonder dat ze evenwel met elkaar strijdig lijken te zijn. Bij wege van voorbeeld kan worden gewezen op de omschrijvingen van de begrippen "technische specificaties" en "Europese norm".
   Wat inzonderheid het begrip "Europese norm" betreft, kan worden overwogen de ruimste omschrijving van dat begrip over te nemen, met name die welke is opgenomen in bijlage II bij de richtlijn "diensten" (92/50/EEG). Het aldaar gehanteerde begrip geldt zowel voor leveringen, werken als diensten, wat niet het geval is voor het in artikel 82, 3°, van het ontwerp gedefinieerde begrip, dat niet volledig is wat de diensten betreft. Aldus zou overigens worden aangesloten bij de definitie die van hetzelfde begrip is gegeven in artikel 63 van het ontwerp betreffende de overheidsopdrachten in de nutssectoren.
   * Artikel 85
   Deze bepaling beoogt de omzetting van overeenkomstige bepalingen van de diverse richtlijnen (zie artikel 14, lid 6, van de richtlijn 92/50/ EEG, artikel 8, lid 6, van de richtlijn 93/36/EEG en artikel 10, lid 6, van de richtlijn 93/37/EEG). Duidelijkheidshalve dient, wat de Nederlandse tekst betreft, nauwer te worden aangesloten bij deze communautaire bepalingen. Er lijkt bovendien geen reden te zijn om af te wijken van de gevestigde terminologie die gebruikt werd in het met de ontworpen bepaling overeenstemmende artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 22 april 1977.
   * Artikel 86
   In het eerste en vierde lid van artikel 86 is sprake van "de opdracht op grond van werkelijke uitgaven" en niet van de in artikel 5, § 4, van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten bedoelde "opdracht op grond van gecontroleerde uitgaven". Voor die terminologische wijziging worden in het verslag aan de Koning geen redenen opgegeven. Tenzij er specifieke redenen voorhanden mochten zijn om de bestaande omschrijving aan te passen, lijkt het verkieslijk deze in dit en in de navolgende artikelen (zie bijvoorbeeld artikel 87, 3°) te behouden (14).
   * Artikel 88
   In overeenstemming met de Franse tekst, schrijve men in de Nederlandse tekst van paragraaf 1, derde lid :(BR)
   
   "... alle verificaties van de boekhoudkundige stukken en alle onderzoeken ter plaatse uitvoeren teneinde de juistheid van de op grond van het eerste lid verstrekte gegevens na te gaan".
   * Artikel 90
   1. Teneinde nauwer aan te sluiten bij de commentaar bij deze bepaling, redigere men paragraaf 1, 3°, van dit artikel als volgt :(BR)
   
   "3° indien de opdrachten voor aanneming van werken tot het toepassingsgebied behoren van de wet van 20 maart 1991 betreffende de erkenning van aannemers van werken, hetzij de kenletters en kencijfers van de inschrijver in de lijst van de erkende aannemers in België hetzij de inschrijving op de officiEUML
   ;le lijst van de erkende aannemers in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap, hetzij de vermelding dat de inschrijver zich beroept op de toepassing van artikel 3, § 1, 2°, van de voornoemde wet. In dit geval voegt hij de nodige bewijsstukken bij zijn offerte;(BR)
   ".
   2. De bepalingen van paragraaf 3, tweede en derde lid, houden een uitzondering in op het principe volgens welk de inschrijver moet hebben voldaan aan de eisen opgelegd door de sociale zekerheid.
   Die regeling geldt evenwel niet voor de inschrijver van vreemde nationaliteit zodat deze zich niet op die uitzonderingsgronden kan beroepen (zie artikel 90, § 4). Er lijken op het eerste gezicht geen redenen voorhanden te zijn - en in het verslag aan de Koning worden er ook geen aangereikt - die dit onderscheid kunnen rechtvaardigen. De vraag rijst dan ook of, met het oog op de gelijke behandeling van de inschrijvers, de bepaling van artikel 90, § 4, niet moet worden aangevuld met de uitzonderingen bedoeld in paragraaf 3, tweede en derde lid, zij het dan beperkt tot de onderdanen van de E.G.-Lidstaten.
   3. In vergelijking met artikel 15, § 7, van het koninklijk besluit van 22 april 1977, werd aan artikel 90, § 7, het woord "desgevallend" toegevoegd. Het is niet duidelijk welke de bedoeling is van die toevoeging. Ook het verslag aan de Koning verschaft daaromtrent geen uitsluitsel.
   * Artikel 95
   1. De indeling van dit artikel in paragrafen moet worden weggelaten.
   2. Paragraaf 1, die dan het eerste lid wordt, bepaalt dat, indien tijdens een gunningsprocedure een rechtspersoon een natuurlijke persoon vervangt, de aanbestedende overheid de vervanging kan aanvaarden, in welk geval de oorspronkelijke inschrijver hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de verbintenissen die hij bij de inschrijving ondertekende. Volgens het verslag aan de Koning wordt in dit verband gesteld wat volgt :(BR)
   
   "Het eerste lid regelt het geval van de vervanging van een natuurlijke persoon door een rechtspersoon, inschrijver, tussen het ogenblik van het indienen van de offerte en dit van de gunning van de opdracht. Zo kan bijvoorbeeld een dergelijke inschrijver, natuurlijke persoon, in deze tussenperiode worden vervangen door een nieuw opgerichte handelsvennootschap".
   Met betrekking tot de gelijkaardige bepaling van artikel 78 van het ontwerp L. 23.624/1 heeft de Raad van State opgemerkt wat volgt :(BR)
   
   "2. Daargelaten de vraag naar de precieze juridische draagwijdte van de in deze bepaling omschreven figuur van de "vervanging van een natuurlijke persoon door een rechtspersoon", moet deze bepaling om de hiernavolgende redenen uit het ontwerp worden weggelaten.
   2.1. De eerste zin van de bepaling is overbodig. De overgang en het tenietgaan van verbintenissen worden geregeld door het Burgerlijk Wetboek (15). De toepassing van die regels vereist in beginsel de toestemming van de schuldeiser, in casu, de aanbestedende overheid.
   2.2. De tweede zin van de voornoemde bepaling is eveneens overbodig in de mate dat met het opleggen van de hoofdelijke aansprakelijkheid niets meer wordt bedoeld dan wat in de ter zake geldende voorschriften van de vennootschapswet (16) en van het Burgerlijk Wetboek is voorzien (17) en met betrekking tot de handelaars, door de rechtspraak is aanvaard (18). Is het daarentegen de bedoeling van de stellers van het ontwerp op een specifieke en geëigende wijze de hoofdelijke aansprakelijkheid in het beoogde geval te regelen, dan ontbreekt de rechtsgrond daarvoor. Geen bepaling van de wet van 24 december 1993 verleent immers aan de Koning de bevoegdheid om de rechtsopvolging van een natuurlijke persoon door een rechtspersoon, te regelen noch, a fortiori, om een hoofdelijke verbintenis aan beiden op te leggen".
   * Artikel 109
   Aangezien de Franse tekst van paragraaf 3 bijna woordelijk werd overgenomen van artikel 25, § 3, van het op te heffen koninklijk besluit van 22 april 1977, dient men voor de Nederlandse tekst op dezelfde wijze te werk te gaan.
   Inzonderheid in het eerste lid van paragraaf 3 is er een discrepantie tussen de Franse en de Nederlandse tekst : in de Franse tekst is er sprake van "toute offre dont le montant s'écarte de quinze p.c. en moins par rapport ... " , in de Nederlandse tekst van "elke offerte waarvan het bedrag met meer dan vijftien pct. afwijkt van ... " .
   * Artikel 115
   1. In overeenstemming met de toelichting in het verslag aan de Koning, schrappe men in het tweede lid het woord "nationale". Een zelfde opmerking geldt voor artikel 121, 5°, van het ontwerp.
   2. In het verslag aan de Koning moet de laatste zin van de toelichting bij artikel 115 worden geschrapt, aangezien deze toelichting betrekking heeft op een bepaling welke uit dit ontwerp werd weggelaten.
   Afdeling III. -Gestanddoeningstermijn voor de inschrijvers.
   Men redigere het opschrift van afdeling III als volgt :(BR)
   
   "Termijn gedurende welke de inschrijvers gebonden zijn door hun offerte".
   * Artikel 118
   1. In tegenstelling tot wat in het verslag aan de Koning is uiteengezet, wijkt artikel 118 af van de bepaling van artikel 38 van het koninklijk besluit van 22 april 1977. Luidens deze laatste bepaling heeft de bevoegde overheid de keuze tussen drie mogelijkheden om te verhinderen dat de gunningsprocedure opnieuw moet worden begonnen. In het ontwerp is de eerste keuzemogelijkheid, met name het toestaan van de gevraagde prijsverhoging, omgezet in een verplichting (vergelijk artikel 118, tweede lid, van het ontwerp en artikel 38, tweede lid, eerste streepje, van het voornoemde besluit). Vraag is of de toepassing van de nieuwe regeling niet kan leiden tot een ontkrachting van sommige van de in de wet van 24 december 1993 vastgelegde regelen, zoals die betreffende de gunning aan de laagste inschrijver.
   Mutatis mutandis kan dezelfde vraag worden gesteld bij artikel 119 van het ontwerp.
   2. In het tweede lid van artikel 118 verdient het aanbeveling de woorden "indien de gevorderde verhoging verantwoord wordt door omstandigheden die zich na de opening van de offertes hebben voorgedaan" nader toe te lichten in het verslag aan de Koning (vergelijk met het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 22 april 1977, Belgisch Staatsblad, 26 juli 1977, blz. 9547, alwaar dit, zij het summier, is gebeurd).
   * Artikel 119
   Het tweede lid van dit artikel herneemt slechts één van de hypothesen voorzien in artikel 46, § 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 22 april 1977, met name het geval waarin de inschrijver zijn offerte onder bepaalde voorwaarden handhaaft. De mogelijkheid welke met deze laatste bepaling aan de aanbestedende overheid geboden wordt om, indien de gekozen inschrijver zijn offerte niet handhaaft, zich achtereenvolgens tot de andere inschrijvers te richten volgens de rangschikking van hun offerte, wordt in het ontwerp niet meer opgenomen. Het gevolg hiervan is dat de gunningsprocedure moet worden overgedaan. Gelet op de toelichting in het verslag aan de Koning, rijst de vraag of zulks wel strookt met de bedoeling van de Regering.
   * Artikel 121
   1. Bij ontstentenis aan enige toelichting in het verslag aan de Koning, is het niet duidelijk welke de precieze draagwijdte is van het woord "gelijktijdig" in de inleidende zin van artikel 121.
   2. Het eerste lid van artikel 121 laat uitschijnen dat de aanbestedende overheid meerdere "gegadigden" dient uit te nodigen. Hierbij wordt evenwel geen rekening gehouden met het bepaalde in de inleidende zin van artikel 39, § 2, van de wet van 24 december 1993, volgens welk slechts meerdere aannemers moeten worden geraadpleegd "indien mogelijk". Het ontwerp moet op dat punt nauwer aansluiten bij de wet.
   3. Bij het stilzwijgen van het verslag aan de Koning daaromtrent, rijst bovendien de vraag in welke mate de in het ontworpen artikel 121 opgelegde pleegvormen verzoenbaar zijn met de in artikel 39, § 2, van de voornoemde wet bepaalde uitzonderingsgevallen, die één voor één hun oorsprong vinden in bijzondere omstandigheden. Zo kan bijvoorbeeld worden verwezen naar het in artikel 39, § 2, 1°, c), van de voornoemde wet bedoelde geval, dat betrekking heeft op overheidsopdrachten waarmede dringende spoed, voortvloeiend uit onvoorziene gebeurtenissen, is gemoeid.
   Titel VIII
   Voor het opschrift van titel VIII dient men nauwer aan te sluiten bij het opschrift dat voor het ontworpen besluit voorgesteld wordt en moet in de Nederlandse tekst het woord "concessiehouder" in ieder geval vervangen worden door het woord "concessiehouders".
   * Artikel 123
   Men schrappe in het eerste lid de woorden "van dit besluit" en "van hetzelfde besluit". Die opmerking geldt ook voor artikel 125. Bovendien schrijve men in de Franse tekst "tel qu'il est calculé" in plaats van "tel que calculé".
   * Artikel 130
   Men schrijve in de Nederlandse tekst van het laatste lid van dit artikel "volledige" in plaats van "beperkende", hetgeen beter aansluit bij de bepalingen van artikel 3, lid 4, in fine, van de richtlijn 93/37/EEG waarvan hier de implementatie wordt beoogd.
   * Artikel 134
   Dit artikel beoogt de omzetting in het interne recht van artikel 3, lid 4, eerste alinea, tweede zin, van de richtlijn 93/37/EEG, waarin wordt verwezen naar bepalingen van artikel 7, lid 3, van dezelfde richtlijn, welke bepalingen voor een ruim deel een weergave vinden in artikel 17, § 2, van de wet van 24 december 1993.
   Alhoewel blijkbaar een zelfde communautaire rechtsregel wordt omgezet in de wet en in het ontwerp, wordt in beide nochtans gebruik gemaakt van een verschillende terminologie en een verschillend begrippenarsenaal zonder dat hiervoor een aannemelijke reden lijkt voorhanden te zijn (vergelijk bijvoorbeeld artikel 17, § 2, 2°, a), van de wet met artikel 134, 4°, van het ontwerp). De Regering zal er dan ook op toezien dat in het ontwerp niet wordt afgeweken van de in andere internrechtelijke regelingen en inzonderheid in de wet gemaakte woordkeuze.
   * Artikel 136
   1. Dit artikel lijkt de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en van diensten die specifiek militair zijn, te onttrekken aan het toepassingsgebied van het ontworpen besluit. Volgens het verslag aan de Koning zullen de regels die op deze opdrachten van toepassing zijn, worden bepaald in een ander koninklijk besluit overeenkomstig artikel 3, § 3, van de voornoemde wet van 24 december 1993.
   Luidens deze wetsbepaling kan de Koning bepaalde overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en diensten waarop artikel 223, lid 1, b, van het EG-Verdrag van toepassing is, onderwerpen aan gewijzigde gunningswijzen en algemene uitvoeringsregels. Wanneer de bovengenoemde opdrachten geplaatst worden volgens een onderhandelingsprocedure, kan de Koning niet afwijken van de regels die krachtens dezelfde wet op die procedure van toepassing zijn. Met betrekking tot deze bepaling heeft de Raad van State in zijn advies bij het ontwerp dat de wet van 24 december 1993 is geworden, het volgende opgemerkt :(BR)
   
   "Uit de redactie van artikel 4, § 2 (lees heden : 3, § 3), moet worden afgeleid dat zolang de Koning voor de betrokken overheidsopdrachten voor leveringen en diensten geen specifieke regeling heeft uitgewerkt, die opdrachten onderworpen blijven aan de regels en voorwaarden die voor elke overheidsopdracht gelden" (19).
   Luidens de memorie van toelichting bij het voornoemde ontwerp van wet trad de Regering deze zienswijze bij (20).
   2. Zolang het in het verslag aan de Koning aangekondigde besluit niet is genomen, zullen de bedoelde opdrachten - in het licht van de zoëven in herinnering gebrachte interpretatie - onderworpen zijn aan de regels en voorwaarden die voor elke overheidsopdracht gelden. Indien men een juridische leemte wil voorkomen, dan is de bepaling van artikel 136 enkel zinvol indien het koninklijk besluit inzake "legeraankopen" en het voorliggend besluit gelijktijdig in werking treden. Aan de Raad van State is meegedeeld dat zulks de bedoeling is. Treedt daarentegen het voorliggend ontwerp in werking in de vorm waarin het thans is gesteld en is het besluit inzake de "legeraankopen" nog niet in werking getreden, dan zou dit tot gevolg hebben dat de in artikel 136 van het ontwerp bedoelde opdrachten slechts onderworpen zouden zijn aan de algemene bepalingen van de wet, doch aan geen enkel uitvoeringsbesluit ervan.
   * Artikel 137
   1. Dit artikel beoogt de omzetting van artikel 3 van de richtlijn 89/665/EEG, waarvan het toepassingsgebied uitsluitend betrekking heeft op de overheidsopdrachten voor werken en leveringen. De Regering dient er evenwel rekening mee te houden dat artikel 137 van het ontwerp op zo een algemene wijze is geformuleerd dat het ook van toepassing zal zijn op de overheidsopdrachten voor diensten.
   2. In artikel 137 is sprake van een "inbreuk op het Gemeenschapsrecht". Het verdient aanbeveling om, naar analogie met artikel 3, lid 1, van de richtlijn 89/665/EEG, te bepalen dat het gaat om een inbreuk op het Gemeenschapsrecht bij de gunning van de in het ontwerp bedoelde opdrachten.
   3. De Commissie van de Europese Gemeenschappen kan, naar luid van het ontworpen artikel 137, de "rechtzetting" van de inbreuk op het gemeenschapsrecht vragen. In de overeenkomstige bepaling van artikel 3, lid 2, van de richtlijn 89/665/EEG wordt gesteld dat de Commissie kan vragen om die inbreuk met passende middelen "ongedaan te maken". De in de richtlijn gebruikte formulering is derhalve ruimer dan die van artikel 137 van het ontwerp, temeer daar de term "rechtzetting" de gedachte aan een louter materiële aanpassing oproept. Om die reden verdient het dan ook aanbeveling bij de redactie van artikel 137 nauwer aan te sluiten bij de betrokken bepaling van de richtlijn.
   * Artikel 138
   Duidelijkheidshalve redigere men deze bepaling als volgt : "Art. 138. Indien de Eerste Minister of de Minister van Economische Zaken daarom verzoekt, worden alle nodige statistische en andere gegevens met betrekking tot de overheidsopdrachten en de opdrachten, ongeacht of zij al dan niet vallen onder de toepassing van de wet of van dit besluit, aan hen meegedeeld volgens de nadere regels die zij bepalen".
   * Artikel 140
   1. In het eerste lid schrijve men "overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, alsook de concessies van openbare werken en de werken gegund in naam van concessiehouders van openbare werken, die met ingang van ... " in plaats van "overheidsopdrachten voor aanneming van werken, van leveringen en van diensten, die met ingang van ... " .
   2. De ontworpen regeling bevat geen datum van inwerkingtreding, zodat het ontworpen besluit in werking zal treden overeenkomstig de algemene bepalingen ter zake. De stellers van het ontwerp zullen er derhalve moeten op toezien dat de in het eerste lid in te vullen datum overeen
   stemt met die van de inwerkingtreding van de ontworpen regeling.
   * Artikel 141
   Volgens de regels van de formele legistiek, dient de uitvoeringsbepaling als volgt te worden gesteld :(BR)
   
   "Onze Eerste Minister en Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie en Economische Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit".
   Bijlage 1
   De in bijlage 1 bij het ontwerp opgenomen lijst van instellingen stemt slechts gedeeltelijk overeen met de lijst van instellingen en overheden die onder het trefwoord "België" is opgenomen in bijlage 1 van de richtlijn 93/37/EEG.
   Bijlage 2
   1. Men schrappe in het opschrift de woorden "van het koninklijk besluit".
   2. Deze bijlage is de omzetting van bijlage II van de richtlijn 92/36/EEG. Zij is thans reeds als bijlage gehecht aan het op te heffen koninklijk besluit van 20 december 1988 betreffende de mededinging inzake bepaalde overheidsopdrachten van leveringen op niveau van de landen die de GATT-overeenkomst inzake overheidsopdrachten hebben onderschreven. In vergelijking met deze laatste lijst blijkt dat een aantal rubrieken niet zijn hernomen, zonder dat er hiervoor redenen zijn aangegeven.
   De Kamer was samengesteld uit :(BR)
   
   Mevr. S. Vanderhaegen, kamervoorzitter;
   de heren :(BR)
   
   M. Van Damme;
   D. Albrecht, staatsraden;
   de heer G. Schrans;
   Mevr. Y. Merchiers, assessoren van de afdeling wetgeving ;
   Mevr. A. Beckers, griffier.
   De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van Mevr. S. Vanderhaegen.
   Het verslag werd uitgebracht door de H. G. Debersaques, adjunctauditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de H. E. Vanherck, adjunct-referendaris.
   De griffier, De voorzitter,
   A. Beckers. S. Vanderhaegen.
   (1) De bijzondere reglementering inzake de nutssectoren is vervat in boek II van de wet van 24 december 1993 dat, overeenkomstig artikel 30 van het koninklijk besluit van 26 juli 1994 betreffende de mededinging in het raam van de Europese Gemeenschap van sommige opdrachten voor aanneming van werken en leveringen in de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie, in werking is getreden op 1 september 1994. De bepalingen van boek II zijn van toepassing op de privaatrechtelijke personen die "bijzondere of uitsluitende rechten" genieten, wanneer zij werkzaamheden uitvoeren zoals bepaald in titel I van het boek II (artikel 47, § 1, van de wet van 24 december 1993), alsook op de overheidsbedrijven voor de opdrachten bedoeld in artikel 63 van de wet
   De algemene reglementering die betrekking heeft op de nutssectoren en die vervat is in titel IV van boek I van de wet, is opgenomen in een ontwerp van koninklijk besluit betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie, waarover de Raad van State, afdeling wetgeving, op 24 november 1994 het advies L. 23.624/1 heeft uitgebracht.
   (2) Eventueel kunnen in het verslag aan de Koning aanwijzingen worden verstrekt omtrent de al dan niet substantiële aard van de in het ontwerp vervatte vormvoorschriften.
   (3) Vergelijk met artikel 42, derde lid, van het ontwerp, dat de implementatie is van artikel 19, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn 93/ 36/EEG, bepaling die identiek is aan deze van artikel 22, lid 2, tweede alinea, van de voornoemde richtlijn 93/37/EEG.
   (4) Deze opmerking geldt ook voor artikel 43, eerste lid, 2° .
   (5) van 26 juli 1977, blz. 9549.
   (6) Zie in dat verband D'Hooghe, D., De gunning van overheidscontracten en overheidsopdrachten en het toezicht door de Raad van State en de gewone rechtbanken, Brugge, die Keure, 1993, 537-539.
   (7) R.v.S., Thys, nr. 26.116, 28 januari 1986, T.B.P., 1987, 157, J.T., 1989, 307, noot Lagasse, D.; R.v.St., Jacquart, nr. 28.448, 15 september 1987; R.v.St., Dellaert, nr. 35.714, 23 oktober 1990, T.B.P., 1991, 778; R.v.St., Reyniers, nr. 39.156, 3 april 1992.
   (8) Zie Leus, K., "De plicht tot onpartijdigheid als beginsel van behoorlijk bestuur" in Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Opdebeek, I. (Ed.), Antwerpen, Kluwer, 1992, 177.
   (9) Zie o.m. Leus, K., l.c., 89 en 193 en de aldaar aangehaalde rechtspraak en rechtsleer.
   (10) Zie R.v.st., nr. 28.240, 26 juni 1987.
   (11) Zo worden volgende instellingen, die nochtans voorkomen op de lijst van d bijlage 1 van het voornoemde besluit 93/323/EEG in het ontwerp niet opgenomen : het Wegenfonds, het Algemeen Gebouwenfonds voor de rijksscholen, het Fonds voor de bouw van ziekenhuizen en medisch-sociale inrichtingen, de Nationale Landmaatschappij, het Nationaal Instituut voor Landbouwkrediet, het Centraal Bureau voor hypothecair krediet, de Nationale Delcrederedienst, de Nationale Kas voor beroepskrediet, de Nationale Dienst voor afzet van land- en tuinbouwprodukten en de Regie der Luchtwegen.
   (12) Zie in bijlage 2 van de wet, de "Lijst van diensten gebaseerd op de centrale classificatie van produkten (CPC) van de Verenigde Naties, bedoeld in artikel 5 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten ".
   (13) Artikel 2, derde lid, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut bepaalt weliswaar dat het begrotingsjaar samenvalt met het kalenderjaar, doch niet alle in de bijlage I bij het ontwerp opgenomen instellingen zijn onderworpen aan de bepalingen van die wet. Hetzelfde geldt a fortiori voor de rechtspersonen bedoeld in artikel 4, § 1, 8°, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.
   (14) In de rechtsleer is de notie "opdracht op grond van gecontroleerde prijzen" genoegzaam bekend en precies afgebakend : bij dit soort opdracht bestaat de prijs in de teruggave van de door de aannemer werkelijk gedane uitgaven (lonen, materieel, materialen, grondstoffen, transport, enz.) vermeerderd met een bepaald procent tegenover het forfait (zie Flamme M.A. e.a., Praktische Kommentaar bij de reglementering van de overheidsopdrachten, 1986, 354). Zoals in de vroegere wetgeving laat ook de wet van 24 december 1993, meer bepaald artikel 7, toe een overheidsopdracht zonder forfaitaire bepaling van de prijzen te gunnen in welbepaalde gevallen.
   (15) Gewezen kan worden op rechtsfiguren zoals de afstand van schuld met toepassing van artikel 1134 B.W., de schuldvernieuwing met toepassing van artikel 1271 B.W. en de delegatie van schuldenaar aan schuldeiser met toepassing van artikel 1275 B.W.
   (16) Zie bijvoorbeeld artikel 13bis van de vennootschapswet. In de mate dat de natuurlijke persoon in naam van een vennootschap in oprichting en vooraleer deze rechtspersoonlijkheid heeft verkregen, in enigerlei hoedanigheid een inschrijving heft genomen, is, tenzij anders is overeengekomen, de hier bedoelde natuurlijke persoon persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk indien de vennootschap die verbintenis niet heeft opgenomen binnen de twee maanden na haar oprichting of indien de vennootschap niet tot stand is gekomen binnen twee jaar na het ontstaan van de verbintenis.
   (17) Luidend artikel 1202 B.W. wordt hoofdelijkheid niet vermoed. Zij moet uitdrukkelijk bedongen zijn of bestaan "van rechtswege krachtens een bepaling van de wet". Met de woorden "krachtens een bepaling van de wet" wordt niet enkel het geval bedoeld waarin de hoofdelijkheid bij de wet zelf is opgelegd, maar ook het geval waarin zij bepaald wordt bij een besluit of reglement genomen overeenkomstig de wet ("en conformité de la loi" : Cass. 7 mei 1942, Pas., 1942, I, 117 en De Page, H., Traité élémentaire de droit civil, III, p. 316, nr. 321, noot 1).
   (18) Cass. 3 april 1952, Pas. 1952, I, 498.
   (19) Gedr. St., Senaat, 1992-93, nr. 656-1, blz. 127.
   (20) Gedr. St., Senaat, 1992-93, nr. 656-1, blz. 13.

Begin Preambule Verslag aan de Koning
Inhoudstafel Wijziging(en)