Einde Preambule Verslag aan de Koning
Inhoudstafel Wijziging(en)
Gearchiveerde versie nr  2

Titel
09 JANUARI 2001. -Ministerieel besluit betreffende het aanleggen en het doen werken van radiostations door radioamateurs.

Dossiernummer : 2001-01-09/33

Nota
Gewijzigd bij   KONINKLIJK BESLUIT  van  14-12-2018   gepubl. op   27-12-2018
      Art. 1-25; N1-N8
   Van kracht tot   01-01-2019

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 1
HOOFDSTUK II. - De examens.
Art. 2-4
HOOFDSTUK III. - De vergunningen.
Art. 5-9
HOOFDSTUK IV. - Het dagboek en de te verstrekken gegevens.
Art. 10-11
HOOFDSTUK V. - Zendinrichtingen.
Art. 12-17
HOOFDSTUK VI. - Gebruik van het amateurstation.
Art. 18-24
HOOFDSTUK VII. - Slotbepaling.
Art. 25
Bijlagen.
Art. N1-N8

Tekst Inhoudstafel Begin

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° ITU : " International Telecommunication Union " (Internationale Telecommunicatie Unie);
  2° CEPT : " Conférence européenne des administrations des Postes et Télécommunications " (Europese Conferentie van de administraties van Posterijen en Telecommunicatie);
  3° Instituut : Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
  4° amateurdienst : een radiodienst met als doel de zelfontwikkeling, onderlinge radiogemeenschap en technische onderzoekingen, uitgeoefend door radioamateurs;
  5° amateursatellietendienst : radiodienst die gebruik maakt van in satellieten geplaatste ruimtestations met hetzelfde doel als dat van de amateurdienst;
  6° amateurstation : één of meer zendinrichtingen voor de amateurdienst, met de daarbij behorende antenne-inrichtingen;
  7° mobiel amateurstation : een mobiel station opgesteld door een radioamateur ofwel in een voertuig, ofwel aan boord van een zeeschip of binnenschip, ofwel in andere mobiele objecten met uitzondering van luchtvaartuigen en elk ander door de lucht gedragen voorwerp;
  8° draagbaar amateurstation : een amateurstation met autonome al dan niet ingebouwde voeding, ongeacht of het wordt gebruikt terwijl het wordt meegedragen of terwijl het zich in een voertuig bevindt of elders opgesteld is;
  9° HAREC-getuigschrift : het " Geharmoniseerd Certificaat voor het examen van radioamateur ", op basis van de wederzijdse erkenning door de CEPT lidstaten;
  10° vereniging van radioamateurs : een vereniging zonder winstoogmerk, in België opgericht door radioamateurs, met als doel het geheel van de activiteiten, die door onderhavig ministerieel besluit geregeld worden, te bevorderen;
  11° zendinrichting : een amateurstation met alle toebehoren om radioamateurverbindingen tot stand te brengen.
  (12° erkende radioamateurvereniging : radioamateurvereniging die :
  - in ten minste vijf Belgische provincies vergunningen heeft;
  - bij het Instituut een dossier indient waarin zij haar bekwaamheid aantoont en zich ertoe verbindt ten minste één keer per jaar opleidingen te organiseren in elke provincie waar zij actief is, en op verzoek van het Instituut, het bij te staan bij de organisatie van de examens.
  Het Instituut kan een erkenning intrekken indien blijkt dat de vereniging niet aan de bovenstaande criteria voldoet of haar verbintenissen niet nakomt.) <MB 2005-09-01/33, art. 1, 002; ED : 07-10-2005>
  HOOFDSTUK II. - De examens.
  Art. 2. § 1. (Om een getuigschrift te krijgen, leggen de radioamateurs een examen af.) <MB 2005-09-01/33, art. 2, 002; ED : 07-10-2005>
  § 2. (De examens worden georganiseerd door het Instituut.) <MB 2005-09-01/33, art. 2, 002; ED : 07-10-2005>
  § 3. (Het examenreglement met inbegrip van de nadere regels en de examenstof wordt opgesteld door het Instituut en goedgekeurd door de Minister, rekening houdende met de internationale overeenkomsten en in samenwerking met de erkende radioamateurverenigingen. Het Instituut publiceert het examenreglement op de website.) <MB 2005-09-01/33, art. 2, 002; ED : 07-10-2005>
  § 4. Er wordt geen enkele, zelfs gedeeltelijke, vrijstelling van enige examenstof verleend.
  § 5. (Wie voor het examen slaagt, krijgt de volgende getuigschriften :
  1° B-examen : het HAREC-getuigschrift;
  2° C-examen : het basisgetuigschrift.) <MB 2005-09-01/33, art. 2, 002; ED : 07-10-2005>
  § 6. Wie voor een examen zakt, moet op zijn minst twee maanden wachten voor hij zich opnieuw voor dat examen mag aanmelden.
  Elke aan bedrog of poging tot bedrog schuldig bevonden kandidaat wordt gedurende de volgende drie jaren niet meer tot de examens toegelaten.
  Art. 3. § 1. Aanvragen om deelneming aan de examens worden middels het door het Instituut opgestelde inschrijvingsformulier ingediend.
  § 2. De inschrijvingen voor de examens worden 10 werkdagen vóór de data van de examens afgesloten. Elke daarna ontvangen inschrijving wordt geregistreerd voor de volgende examenperiode.
  § 3. Het inschrijvingsgeld wordt op voorhand betaald en het bewijs van de betaling wordt bij het inschrijvingsformulier gevoegd.
  Het inschrijvingsgeld wordt nooit terugbetaald.
  Het wordt overgedragen naar de volgende examensessie in geval van laattijdige inschrijving.
  Art. 4. § 1. Een examen kan ten huize van een kandidaat worden afgenomen indien hij het bewijs levert dat hem een bestendige invaliditeit van ten minste 80 % door een bevoegde overheid werd toegekend of indien hij een geneeskundig attest indient waaruit blijkt, dat hij in de bestendige en volstrekte onmogelijkheid verkeert zich buiten zijn woning te verplaatsen zonder de hulp van een derde.
  Indien het Instituut vaststelt dat de ingediende stukken vals zijn, zullen de kosten die het heeft gedragen om het examen ten huize van de kandidaat te organiseren, door laatstgenoemde worden vergoed, onverminderd de gerechtelijke vervolgingen die kunnen worden ingesteld.
  § 2. Voor mindervalide kandidaten die zich kunnen verplaatsen maar die het examen niet samen met de andere kandidaten kunnen afleggen, kan het Instituut een examen organiseren dat aan hun fysieke toestand is aangepast.
  HOOFDSTUK III. - De vergunningen.
  Art. 5. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 6 wordt een vergunning voor het houden of opzetten en het laten werken van een amateurstation alleen afgegeven aan een houder van een in artikel 2, § 5, genoemd getuigschrift of aan een vereniging van radioamateurs.
  De vergunning heeft een geldigheidsduur van twaalf maanden.
  De vergunning bevindt zich bij de zendinrichting.
  (De houder van een HAREC-getuigschrift krijgt een A-vergunning (sectie A).
  De houder van een basisgetuigschrift krijgt een basisvergunning (sectie C).) <MB 2005-09-01/33, art. 3, 002; ED : 07-10-2005>
  Art. 6. § 1. (Personen die over een HAREC-getuigschrift beschikken dat in het buitenland afgegeven werd en die meer dan drie maanden in België verblijven, kunnen een Belgische A-vergunning krijgen.) <MB 2005-09-01/33, art. 4, 002; ED : 07-10-2005>
  § 2. Buitenlandse radioamateurs die geen houder zijn van een HAREC-getuigschrift of van een CEPT T/R 61-01-vergunning kunnen, op grond van het getuigschrift afgegeven door de buitenlandse overheden, gedurende hun verblijf in België, een vergunning bekomen om een amateurstation aan te leggen en te doen werken.
  De sectie van het amateurstation wordt door het Instituut bepaald volgens het niveau van het in het buitenland afgelegde examen. Het niveau is minstens gelijk aan dat om een HAREC-getuigschrift te bekomen.
  Indien het verblijf korter is dan één jaar, wordt de vergunning verleend voor de voorziene duur van het verblijf. Indien het verblijf langer is dan één jaar, is de vergunning geldig tot 31 december van het eerste volledige jaar dat volgt op de datum van de aanvraag. De vergunning kan van jaar tot jaar worden verlengd tot het einde van het verblijf.
  § 3. De radioamateurs van Belgische nationaliteit kunnen op grond van een getuigschrift, afgegeven door vreemde overheden, een aanvraag om een vergunning indienen. De sectie van het amateurstation wordt door het Instituut bepaald volgens het niveau van het in het buitenland afgelegde examen. Het niveau van het examen is minstens gelijk aan dat om een HAREC-getuigschrift te bekomen.
  Art. 7. Bij de aanvraag van een vergunning worden volgende bescheiden en inlichtingen gevoegd :
  1° indien de vergunning aangevraagd wordt door een natuurlijke persoon :
  a) een kopie van de in de artikelen 2, § 5, en 6 vermelde (getuigschriften), in overeenstemming met de sectie waarvoor de vergunning gevraagd wordt; <MB 2005-09-01/33, art. 5, 002; ED : 07-10-2005>
  b) als het om een vast station gaat, de plaats waar het opgesteld wordt;
  2° indien de vergunning wordt aangevraagd door een vereniging van radioamateurs :
  a) de naam, het adres en het telefoonnummer van de radioamateur van wie de vergunning overeenstemt met de sectie van het station, die namens de vereniging zal instaan voor het gebruik en de goede werking van het station;
  b) een ondertekende verklaring van deze radioamateur, dat hij deze verantwoordelijkheid opneemt.
  (c) de plaats waar het station geïnstalleerd is.) <MB 2005-09-01/33, art. 5, 002; ED : 07-10-2005>
  Art. 8. Aan de vereniging van radioamateurs worden slechts vergunningen voor één of meer vaste stations afgegeven.
  Art. 9. De verenigingen van radioamateurs kunnen worden gemachtigd om automatische onbemande stations aan te leggen en te doen werken.
  De vergunningsaanvragen bevatten :
  1° de opstellingsplaats van het station;
  2° de naam, het adres en het telefoonnummer van de radioamateur en zijn plaatsvervanger die namens de vereniging instaan voor het gebruik van het automatisch onbemande station.
  De getuigschriften van de verantwoordelijke radioamateur en van zijn plaatsvervanger stemmen overeen met de sectie van het station;
  3° een verklaring ondertekend door de voorzitters van de andere verenigingen, waarin wordt bevestigd dat zij akkoord gaan met het gebruik van de frequentie(s). Voor stations die de werking van amateurstations in de buurlanden kunnen beïnvloeden, wordt eveneens de goedkeuring gevraagd van de verenigingen van de buurlanden die instaan voor de harmonisering van het frequentiegebruik in de amateurbanden;
  4° een verbintenis van de vereniging om alle radioamateurs kosteloos gebruik te laten maken van haar automatische onbemande stations.
  HOOFDSTUK IV. - Het dagboek en de te verstrekken gegevens.
  Art. 10. De vergunninghouder houdt een journaal bij waarin hij alle radioverbindingen noteert die met zijn vaste station(s) worden gemaakt.
  Dit bevat :
  a) de datum en het tijdstip van elke uitzending;
  b) de roepnaam van het tegenstation;
  c) de gebruikte frequentieband en de klasse van uitzending;
  d) de naam of de roepnaam van iedere andere gebruiker van het station.
  Het dagboek kan in de vorm van een computerbestand gehouden worden, of in een vorm die aangepast is aan gehandicapten.
  Het dagboek wordt op elk verzoek van het Instituut voorgelegd. Het wordt minstens twee jaar na de laatste opgetekende uitzending bewaard.
  Art. 11. De vergunninghouder stelt het Instituut vooraf in kennis van alle veranderingen van de plaats van opstelling van zijn vaste station(s) en van zijn correspondentieadres als dat van de plaats van opstelling verschilt.
  Vaste stations van een vereniging van radioamateurs mogen echter tijdelijk worden verplaatst, zonder dat het Instituut daarvan verwittigd wordt, wanneer de vereniging aan een wedstrijd of een gezamenlijke radioamateuractiviteit deelneemt.
  HOOFDSTUK V. - Zendinrichtingen.
  Art. 12. Het maximumzendvermogen van de zendinrichtingen mag niet meer bedragen dan tweemaal het toegestane zendvermogen.
  Art. 13. Zendinrichtingen die schadelijke interferenties veroorzaken, zijn zodanig gedemonteerd, dat ze niet meer kunnen uitzenden of op een eenvoudige wijze geschikt kunnen worden gemaakt voor uitzendingen.
  Art. 14. De vergunninghouder draagt er zorg voor dat door de uitzendingen van de zendinrichting de grenzen van de hem toegewezen frequentiebanden en het toegestane zendvermogen niet worden overschreden.
  (lid 2 opgeheven) <MB 2005-09-01/33, art. 6, 002; ED : 07-10-2005>
  Art. 15. Aan de vergunninghouder voor een station van sectie A of B kan, voor bijzondere experimenten of voor het deelnemen aan internationale wedstrijden, de door de Minister gemachtigde ambtenaar van het Instituut toestemming verlenen om af te wijken van de in dit besluit voorgeschreven klassen van uitzending, de toegewezen frequenties en het toegestane zendvermogen.
  Art. 16. De opstellingsplaats, het maximale vermogen en de te gebruiken frequenties van elk automatisch onbemand station worden in de vergunning bepaald.
  De automatische onbemande stations voldoen bovendien aan de voorschriften van bijlage 6.
  Art. 17. Het meten van het zendvermogen van een amateurstation gebeurt overeenkomstig bijlage 7.
  HOOFDSTUK VI. - Gebruik van het amateurstation.
  Art. 18. Aan elke vergunninghouder wordt door het Instituut een roepnaam voor zijn station gegeven. Deze roepnaam wordt als volgt gebruikt :
  1° bij het begin en bij einde van elke uitzending zendt de vergunninghouder zijn roepnaam op zijn minst één keer uit op de manier als in bijlage 8 wordt bepaald. Is de uitzending opgebouwd uit kortdurende uitzendingen over en weer met andere stations, dan wordt deze reeks kortdurende uitzendingen als één uitzending beschouwd;
  2° gedurende een uitzending is de roepnaam ten minste éénmaal om de vijf minuten duidelijk herkenbaar en waarneembaar in de over te dragen informatie;
  3° in voorkomend geval wordt de roepnaam met de volgende suffixen aangevuld :
  /M voor een mobiel station;
  /MM voor een maritiem-mobiel station;
  /P voor een draagbaar station (alsook voor een gelegenheidsopstelling van het station, bijvoorbeeld voor een radioamateurwedstrijd);
  /A voor een station dat gebruikt wordt als vast station op een andere plaats dan aangeduid in de vergunning;
  4° indien een amateurstation gebruikt wordt door een andere radioamateur dan de vergunninghouder, dan zendt de gebruiker de roepnaam van de vergunninghouder uit, gevolgd door het woord " operator " en zijn eigen roepnaam;
  5° indien een station van een vereniging wordt gebruikt, wordt alleen de roepnaam van dit station uitgezonden;
  6° de roepnaam van een radioamateurstation heeft nooit meer dan zes karakters, waarvan één cijfer op de derde rang;
  De roepnaam van een radioamateurstation kan te allen tijde gewijzigd worden door het Instituut.
  Art. 19. De vergunninghouder kan een amateurstation gebruiken voor het doen van technische onderzoeken, alsmede voor het in verstaanbare taal, tekst of beeld uitwisselen van berichten met betrekking tot technische onderzoeken en voor berichten van persoonlijke aard waarvoor, uit hoofde van hun onbelangrijkheid, het gebruik van de telecommunicatie- infrastructuren niet vereist is.
  Art. 20. Het is de vergunninghouder verboden :
  1° in verbinding te treden met andere dan vergunde amateurstations;
  2° in verbinding te treden met buitenlandse amateurstations indien de administratie van de betreffende landen of de Belgische overheid hiertegen bij de Minister bezwaar heeft aangetekend. De Minister publiceert een lijst van dergelijke landen;
  3° berichten te ontvangen of uit te zenden voor rekening van derden;
  4° informatie van andere amateurstations (her)uit te zenden, indien deze informatie niet in overeenstemming is met hetgeen in artikel 22 is bepaald;
  5° muziekprogramma's uit te zenden;
  6° handelsreclame uit te zenden;
  7° valse of bedrieglijke noodberichten uit te zenden;
  8° gecodeerde informatie, alleen verstaanbaar door de bestemmeling, uit te zenden;
  9° zonder bijzondere toestemming van het Instituut, uitzendingen te verrichten met een hoger vermogen dan dat bepaald in de hem afgegeven vergunningen;
  10° zijn station op een telecommunicatienet aan te sluiten.
  Art. 21. Bij het uitproberen van uitzendingen zoals datatransmissie, televisie, slowscantelevisie (SSTV), facsimile of spreadspectrum leeft de radioamateur de geldende internationale normen na.
  Art. 22. Voor de uitzendingen op frequenties waarop de amateurdienst met een secundaire status is toegestaan, gelden de volgende verplichtingen :
  1° de vergunninghouder verleent te allen tijde voorrang aan diensten met een primaire status;
  2° de uitzendingen worden onmiddellijk beëindigd in geval een storing veroorzaakt wordt in een radioverbinding van een primaire dienst;
  3° de ruimtestations van de amateursatellietdienst zijn uitgerust met aangepaste inrichtingen om hinderlijke storingen met behulp van bedieningsgrondstations te kunnen opheffen. Wanneer het Instituut dergelijke ruimtestations toestaat, wordt het Radiocommunicatie Bureau van de ITU ingelicht en gaat het Instituut na of een voldoende aantal bedieningsgrondstations vóór de lancering opgesteld zijn, om elke hinderlijke storing te kunnen opheffen.
  Art. 23. § 1. De vergunninghouder is bij de uitzendingen van een amateurstation aanwezig.
  § 2. De aanwezigheid van de vergunninghouder is evenwel niet vereist voor :
  1° de in artikel 9 bedoelde automatische onbemande stations;
  2° zendtoestellen die door amateurs gebruikt worden bij alle wedstrijden.
  § 3. De vergunninghouder of de verantwoordelijke van het station treft passende maatregelen ter voorkoming van het gebruik van zijn amateurstation door onbevoegden.
  § 4. Wanneer verenigingen van radioamateurs cursussen inrichten om kandidaten voor te bereiden tot de in artikel 2 bedoelde examens, kan de door de Minister gemachtigde ambtenaar van het Instituut, op aanvraag van de vereniging, aan deze kandidaten toestemming verlenen om, onder toezicht van de radioamateur, met het station van de vereniging uitzendingen te doen. Deze uitzendingen stemmen overeen met de sectie waarvoor de kandidaat het examen voorbereidt. De toelating wordt verleend voor een periode van negentig dagen voorafgaand aan het examen waarvoor de kandidaat zich heeft ingeschreven. Indien de kandidaat zich niet aanmeldt voor het examen, wordt hem geen toestemming meer verleend.
  Art. 24. In geval van catastrofen kunnen de radioamateurs, op aanvraag en ten behoeve van het Belgische Rode Kruis of andere Belgische nooddiensten, met hun amateurstation en relaisstations en datanetwerkstations een radionoodnet opstellen en doen werken.
  Het radionoodnet kan ook worden opgesteld ter gelegenheid van nationale of internationale oefeningen, ingericht door of met de medewerking van het Belgische Rode Kruis of andere Belgische nooddiensten.
  De radioamateurs die meewerken aan dat noodnet ontvangen hiervoor geen enkele vergoeding.
  HOOFDSTUK VII. - Slotbepaling.
  Art. 25. Het ministerieel besluit van 19 december 1986 betreffende het aanleggen en het doen werken van radio-elektrische stations door radioamateurs wordt opgeheven.
  De vergunningen verkregen op basis van het ministerieel besluit van 19 december 1986 blijven geldig tot 31 december 2001.
  De getuigschriften verkregen op basis van het ministerieel besluit van 19 december 1986 blijven onbeperkt geldig.
  (De radioamateurs die al meer dan een jaar houder zijn van een C-vergunning ontvangen een basisvergunnning.
  De houders van een B-vergunning kunnen een A-vergunning aanvragen en krijgen een nieuwe roepnaam.) <MB 2005-09-01/33, art. 7, 002; ED : 07-10-2005>
  Brussel, 9 januari 2001.
  R. DAEMS
  Bijlagen.
  Art. N1. Bijlage 1. Programma van het A-examen. (opgeheven) <MB 2005-09-01/33, art. 8, 002; ED : 07-10-2005>
  Art. N2. Bijlage 2. Programma van het examen B. (opgeheven) <MB 2005-09-01/33, art. 8, 002; ED : 07-10-2005>
  Art. N3. Bijlage 3. Programma van het examen C. (opgeheven) <MB 2005-09-01/33, art. 8, 002; ED : 07-10-2005>
  Art. N4. Bijlage 4. (opgeheven) <MB 2005-09-01/33, art. 8, 002; ED : 07-10-2005>
  Art. N5. Bijlage 5. Symbolen van de klassen van uitzending. (opgeheven) <MB 2005-09-01/33, art. 8, 002; ED : 07-10-2005>
  Art. N6. Bijlage 6. Voorschriften voor automatische stations.
  Deze stations beantwoorden aan dezelfde karakteristieken als de klassieke stations behalve :
  1. het zendvermogen wordt op de vergunning vermeld;
  2. om de stations in werking te stellen wordt er een stuursignaal gebruikt, dat aangepast is aan de klasse van uitzending. De karakteristieken van dit stuursignaal worden bekendgemaakt om de toegang tot het automatische station voor alle radioamateurs mogelijk te maken;
  3. de zender wordt automatisch uitgeschakeld ten hoogste vijftien seconden na het wegvallen van het ingangssignaal. Bakenstations zenden bestendig;
  4. voor de identificatie van het station wordt gebruik gemaakt van een methode die aangepast is aan de klasse van uitzending. Gedurende de uitzendingen wordt de roepnaam van het station minstens om de 10 minuten herhaald;
  5. het station kan op ieder ogenblik, ook op afstand, door de verantwoordelijke radioamateur uitgeschakeld worden, bijvoorbeeld door middel van een gecodeerd audiosignaal.
  Brussel, 9 januari 2001.
  De Minister van Telecommunicatie,
  R. DAEMS
  Art. N7. Bijlage 7. Meting van het zendvermogen van een amateurstation.
  (Een wattmeter en een aangepaste kunstantenne worden aan de laatste aansluiting vóór de antennekabel verbonden.) <MB 2005-09-01/33, art. 9, 002; ED : 07-10-2005>
  Voor de verschillende klassen van uitzending wordt het vermogen gemeten met de volgende testsignalen :
  1. Voor de klassen A1A, F1A, F1B, F1C gedurende een lange streep (bijvoorbeeld 5 seconden);
  2. Voor de klassen A2C, A3E, A3C, F2A, F2C, F3E, F3C, F3F, G2A zonder modulatie;
  3. Voor de klassen R3E en J3E (enkelzijbandsignalen) gedurende de modulatietoppen : de meetmethode is in detail bescheven in het advies 326-4 van het Internationaal Comité van Advies betreffende de radioverbindingen - Genève 1982 (meetmethode met twee tonen).
  4. Voor de klasse C3F bij negatieve modulatie, gedurende een zwart beeld.
  Het vermogen wordt van de wattmeter afgelezen.
  Brussel, 9 januari 2001.
  De Minister van Telecommunicatie,
  R. DAEMS
  Art. N8. Bijlage 8. Wijze van uitzending van de roepnaam.
  De roepnaam wordt uitgezonden op één van de wijzen aangeduid in tabel 1.

                              Tabel 1
                              Uitzending van de roepnaam
  Spraak                         (1)  A3E, H3E, J3E, R3E, F3E en G3E
  Morsetelegrafie                      A1A, A2A, F1A, F2A, J2A, G1A, en G2A
  Automatische telegrafie        (2)  A1B, A2B, F1B, F2B, en J2B
  Dataoverdracht                      F1D, F2D en P2D
  Facsimile en                        A1C, A2C, A3C, J2C, J3C, F1C, F2C,
   Slow-scantelevisie (SSTV)           F3C, G1C, G2C en G3C
  Amateurtelevisie                    A3F, C3F, en F3F


  (1) Indien nodig is de roepnaam gespeld als aangeduid in bijlage 2 hoofdstuk 4.
  (2) De roepnaam is aan de ontvangzijde in leesbaar schrift zichtbaar.
  Opmerking : Indien bij automatische telegrafie, dataoverdracht of beeldoverdracht niet aan de voorgeschreven wijze van identificatie kan worden voldaan, geschiedt de identificatie door middel van spraak of morsetelegrafie.
  Brussel, 9 januari 2001.
  De Minister van Telecommunicatie,
  R. DAEMS

Preambule Tekst Inhoudstafel Begin
   De Minister van Telecommunicatie,
   Gelet op de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving, inzonderheid op artikel 3, ten dele vernietigd bij arrest nr. 1/91 van het Arbitragehof van 7 februari 1991;
   Gelet op het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen, inzonderheid op artikel 3, gewijzigd door het koninklijk besluit van 16 april 1998, en op de artikelen 4, 18 en 21, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 december 1986 en bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994;
   Gelet op het ministerieel besluit van 19 december 1986 betreffende het aanleggen en het doen werken van radio-elektrische stations door radioamateurs;
   Gelet op het advies van de Europese Commissie gegeven met toepassing van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998;
   Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 4 december 2000,
   Besluit :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  14-12-2018   gepubl. op   27-12-2018
      Art. 1-25; N1-N8
   Van kracht tot   01-01-2019               [ Zie tekst hier boven ]
Gewijzigd door   MINISTERIEEL BESLUIT  van  01-09-2005   gepubl. op   27-09-2005
     Gewijzigd art.   1 *** 2 *** 5 *** 6 *** 7 *** 14 *** 25 *** N1-AN5 *** N7
   Van kracht tot   07-10-2005                 [ Zie versie 001 ]

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE.
   De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 5 mei 2000 door de Minister van Telecommunicatie, verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van ministerieel besluit " betreffende het aanleggen en het doen werken van radio-elektrische stations door radioamateurs ", heeft op 4 december 2000 het volgende advies gegeven :
   Algemene opmerkingen.
   1. Uit artikel 3 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving blijkt dat voor het opzetten en laten werken van stations voor radioverbinding een persoonlijke en schriftelijke vergunning van de Minister is vereist. De algemene regels voor toekenning en intrekking van die vergunningen moeten worden bepaald door de Koning, die ook kan bepalen " in welke gevallen die vergunningen niet vereist zijn ".
   Bij de artikelen 3, 4 en 18 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen wordt de bevoegdheid om sommige van die toekenningsvoorwaarden te bepalen, aan de minister gesubdelegeerd. Deze wordt bij artikel 3, § 3, van de genoemde wet bovendien rechtstreeks belast met het bepalen van " de verplichtingen van de houders van een vergunning en de voorwaarden waaraan de toegelaten stations en netten voor radioverbinding moeten voldoen ".
   Bij geen enkele wets- of verordeningsbepaling wordt de minister evenwel gemachtigd om sommige personen vrij te stellen van de verplichting een persoonlijke en schriftelijke vergunning te hebben om een station voor radioverbinding op te zetten of te laten werken.
   Die bevoegdheid komt toe aan de Koning, die deze in artikel 5 van het genoemde koninklijk besluit overigens aanwendt.
   Bijgevolg is er geen rechtsgrond voor de bepalingen van het onderhavige ontwerp die sommige personen de mogelijkheid bieden om radio-elektrische stations te laten werken zonder dat ze daarvoor een persoonlijke en schriftelijke vergunning van de minister behoeven.
   Dat is het geval met de artikelen 2, § 5, 6, § 2, en 10. Bijgevolg moeten deze bepalingen vervallen.
   Voorts gaat artikel 16 van het genoemde koninklijk besluit over de omstandigheden waarin de vergunning wordt ingetrokken.
   In deze bepaling staat in welke gevallen en onder welke voorwaarden de minister of zijn gemachtigde een vergunning kan schorsen of intrekken. Deze machtiging om individuele schorsings- of intrekkingsmaatregelen te nemen, houdt niet in dat de minister bij verordening mag vaststellen welke administratieve sancties worden opgelegd als bepalingen van het ontworpen besluit worden overtreden.
   Artikel 28 moet dus ook vervallen.
   2. Artikel 94 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, vervangen bij de wet van 3 juli 2000, bepaalt :
   " Art. 94. Het is verboden de volgende apparatuur te houden, te commercialiseren of te gebruiken :
   1° apparatuur die de eerbied voor de wetten, de veiligheid van de Staat, de openbare orde of de goede zeden aantast of tracht aan te tasten;
   2° radioapparatuur, met inbegrip van soorten radioapparatuur die schadelijke interferentie veroorzaken.
   Indien het Instituut redelijkerwijze kan aannemen dat bepaalde radioapparatuur schadelijke interferentie kan veroorzaken met bestaande of geplande diensten, neemt het alle nodige maatregelen teneinde deze schadelijke interferentie te vermijden, dit met inbegrip van een verbod op of een verwijdering van de markt van de betreffende radioapparatuur. "
   Uit die nieuwe wetsbepaling blijkt dat voortaan het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie rechtstreeks bij de wet belast wordt met het nemen van alle nodige maatregelen om te voorkomen dat eindapparatuur of radioapparatuur schadelijke interferenties veroorzaakt.
   De artikelen 9, § 2, en 27 van het ontwerp moeten dus vervallen.
   Bijzondere opmerkingen.
   Aanhef.
   Eerste lid.XIn het ontworpen besluit worden de artikelen 3 en 7 van de genoemde wet van 30 juli 1979 en de artikelen 3, 4 en 18 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 oktober 1979 als rechtsgrond opgegeven.
   Meteen al dient te worden opgemerkt dat artikel 7 van de wet van 30 juli 1979 bij de wet van 3 juli 2000 is opgeheven.
   Bij dat artikel 7, eerste lid, werd de minister bevoegd voor telecommunicatie gemachtigd om vast te stellen aan welke technische voorschriften een zendtoestel of zend-ontvangtoestel voor radioverbinding moest voldoen om te mogen worden gebruikt of te koop of te huur te mogen worden aangeboden.
   Het voorliggende ontwerp bevat geen technische voorschriften voor het verkopen of verhuren van radioapparatuur.
   Sommige bepalingen van het ontwerp bevatten daarentegen wel technische kenmerken waaraan de radioapparatuur van radioamateurs moet voldoen.
   Die bepalingen kunnen evenwel hun rechtsgrond ontlenen aan artikel 3, § 3, van dezelfde wet, waarin onder meer staat dat de minister " de voorwaarden (bepaalt) waaraan de toegelaten stations en netten voor radioverbinding moeten voldoen ".
   Door de opheffing van artikel 7 van de wet van 30 juli 1979 hebben de technische voorschriften van het ontwerp dus niet hun volledige rechtsgrond verloren.
   Uiteraard moet deze bepaling wel uit de aanhef worden geschrapt.
   Tweede lid.
   Het ontworpen besluit kan ook rechtsgrond ontlenen aan artikel 21 van het genoemde koninklijk besluit van 15 oktober 1979, voorzover het ontworpen besluit de nadere regels voor het betalen van het inschrijvingsgeld voor de examens vaststelt. Dat artikel 21 moet dus in de aanhef worden vermeld.
   Het tweede lid moet als volgt worden gesteld :
   " Gelet op het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen, inzonderheid op artikel 3, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 april 1998, op de artikelen 4, 18 en 21, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 december 1986 en bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994; ".
   Derde lid (nieuw).
   Aangezien het ministerieel besluit van 19 december 1986 betreffende het aanleggen en het doen werken van radio-elektrische stations door radioamateurs bij het ontworpen besluit wordt opgeheven, moet het in de aanhef worden vermeld.
   Derde lid (dat het vierde lid wordt).
   Artikel 12 van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, een richtlijn die gewijzigd is bij richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998, bepaalt :
   " Wanneer de lidstaten een technisch voorschrift vaststellen, wordt daarbij naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van dat voorschrift. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. "
   Het vierde lid dient dus als volgt te worden gesteld :
   " Gelet op het advies van de Europese Commissie, gegeven met toepassing van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998; ".
   Dispositief.
   Artikel 1. 1. De letterwoorden die in 1° en 2° worden omschreven, moeten in de Franse tekst als volgt worden gesteld : " UIT " en " CEPT ".
   2. Voor de leesbaarheid wordt aangeraden om 3° als volgt te stellen :
   " 3° het Instituut : Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie; ".
   In de rest van het dispositief dient het letterwoord " BIPT " te worden vervangen door het woord " het Instituut " (Artikel 2, § 1; artikel 3, § 1; artikel 4, § 1, tweede lid, en § 2; artikel 6, § 3, tweede lid, en § 4; artikel 9, § 2; artikel 11, vierde lid; artikel 12; artikel 16; artikel 19; artikel 21, 9°; artikel 24, 3°; artikel 25, § 4; artikel 27; artikel 28, § 2.).
   3. Aan het einde van 4° schrijve men in de Franse tekst " effectué par des radioamateurs " in plaats van " effectué par des amateurs ".
   4. Aan het begin van de definitie in 5° moet het lidwoord " de " worden geschrapt.
   5. Zoals de Raad van State in zijn advies 16.878/2 (Advies van 2 oktober 1985 over een ontwerp van ministerieel besluit " betreffende het aanleggen en doen werken van radio-elektrische stations door radioamateurs ".) heeft opgemerkt, is de definitie van " vast station " in 7° anders verwoord dan in artikel 1, 3°, van het eerdergenoemde koninklijk besluit van 15 oktober 1979. Als de toepassing van de definitie gegeven in het ontwerp andere gevolgen heeft dan de toepassing van de definitie in het koninklijk besluit, gaat de minister zijn bevoegdheden te buiten. Bovendien kan het naast elkaar bestaan van twee verschillende definities moeilijkheden opleveren bij de toepassing ervan.
   6. Zo ook heeft de Raad van State, in verband met de begrippen die in 8° en 9° worden omschreven, in hetzelfde advies er reeds op geattendeerd dat artikel 1, 7°, van het eerdergenoemde koninklijk besluit een definitie geeft van het mobiele station en de Minister de mogelijkheid geeft om een onderscheid te maken tussen verscheidene soorten van mobiele stations. Uit de definitie in 9° blijkt echter niet dat een draagbaar station een bijzondere soort van mobiel station is in de zin van het koninklijk besluit en zich niet alleen door autonome voeding, maar ook door het feit dat het onverschillig waar kan worden geplaatst, onderscheidt van het mobiele station in de zin van het ontworpen besluit.
   Artikel 2. 1. Paragraaf 2, eerste lid, heeft betrekking op de inhoud van het A-examen. Het is dus logischer paragraaf 3, derde lid, van het ontwerp daarop te laten volgen. Dat lid gaat immers ook daarover.
   In bijlage 1 bij het ontwerp wordt de examenstof voor het A-examen opgesomd. De woorden " is samengevat " zijn dus niet goed gekozen. Ze moeten worden vervangen door de woorden " wordt opgegeven ".
   Deze opmerking geldt ook voor paragraaf 2, tweede en derde lid.
   2. Paragraaf 4 zou beter als volgt worden gesteld :
   " § 4. Wie voor de examens slaagt, ontvangt de volgende getuigschriften :
   1° A-examen : het HAREC-getuigschrift A;
   2° B-examen : het HAREC-getuigschrift B;
   3° C-examen : een getuigschrift van aspirant-privaat radiotelefonist. "
   3. Paragraaf 6 zou beter als volgt worden gesteld :
   " Wie voor een examen zakt, moet op zijn minst twee maanden wachten voor hij zich opnieuw voor dat examen mag aanmelden. "
   Artikel 3. Het artikel zou aldus gesteld moeten worden :
   " Art. 3. § 1. Aanvragen om deelneming... worden middels het... opgestelde inschrijvingsformulier...
   § 2. De inschrijvingen... examenperiode.
   § 3. Het inschrijvingsrecht... het bewijs van betaling wordt... gevoegd.
   Het wordt overgedragen naar de volgende examenperiode in geval van te late inschrijving. "
   Artikel 4. 1. Aangezien wordt vermeld onder welke voorwaarden thuis examen kan worden afgenomen, lijkt het woord " uitzonderlijk " in paragraaf 1 overtollig en moet het vervallen.
   2. Paragraaf 3 lijkt nutteloos, aangezien examens voor mindervalide kandidaten ook " officieel " door het Instituut worden georganiseerd. Hij moet dus vervallen.
   Artikel 5. 1. Het eerste lid moet als volgt worden gesteld :
   " Art. 5. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 6 wordt een vergunning voor het houden of opzetten en het laten werken van een amateurstation alleen afgegeven aan een houder van een in artikel 2, § 4, genoemd getuigschrift of aan een vereniging van radioamateurs. "
   2. Gelet op algemene opmerking nr. 1, krachtens welke artikel 10 moet vervallen, moeten in het derde lid de woorden " alsook het afschrift vermeld in artikel 10, 1° " vervallen.
   Artikel 6. In paragraaf 1, eerste lid, zijn de woorden " vermeld in dit besluit " overbodig en moeten ze vervallen.
   Het lid zou aldus gesteld moeten worden :
   " Personen die een HAREC-getuigschrift overleggen dat in het buitenland afgegeven is, kunnen een vergunning krijgen. "
   Artikel 7. 1. In 1° moet worden gepreciseerd dat de in artikel 2 vermelde getuigschriften die zijn die in paragraaf 4 worden genoemd en moet ook worden verwezen naar de getuigschriften die in artikel 6 worden vermeld.
   2. Er is geen reden om in 3° te preciseren dat de vergunningaanvraag van een vereniging door de voorzitter van die vereniging wordt ingediend. In een ministerieel besluit hoort immers niet te worden bepaald welk orgaan binnen een vereniging wettelijk of statutair bevoegd is om een overheidsvergunning aan te vragen.
   Deze opmerking geldt ook voor artikel 9, § 1, tweede lid.
   3. Algemeen beschouwd is deze bepaling niet erg duidelijk gesteld. Zelfs als de bedoeling van de steller van het ontwerp blijkbaar erin bestaat de formaliteiten voor een vergunningaanvraag te vereenvoudigen, is het beter zich voor de redactie van deze bepaling te baseren op de artikelen 9 en 10 van het ministerieel besluit van 19 december 1986, dat bij het ontwerp zou worden vervangen en een onderscheid te maken tussen vergunningaanvragen die door natuurlijke personen worden ingediend en die welke door een vereniging worden ingediend.
   Artikel 8. De tweede zin vormt een uitzondering op de regel in artikel 12.
   Hij moet dus worden opgenomen als het tweede lid van artikel 12 en als volgt worden gesteld :
   " Vaste stations van een vereniging van radioamateurs mogen echter tijdelijk worden verplaatst, zonder dat het Instituut daarvan verwittigd wordt, wanneer de vereniging aan een wedstrijd of een gezamenlijke radioamateuractiviteit deelneemt. "
   Artikel 11. Het eerste lid zou beter als volgt worden gesteld :
   " Art. 11. De vergunninghouder houdt een journaal bij waarin hij alle radioverbindingen noteert die met zijn vaste station(s) worden gemaakt. "
   Artikel 12. Voorgesteld wordt dit artikel als volgt te stellen :
   " Art. 12. De vergunninghouder stelt het Instituut vooraf in kennis van alle veranderingen van de plaats van opstelling van zijn vaste station(s) en van zijn correspondentieadres als dat van de plaats van opstelling verschilt. "
   Artikel 13. De woorden " bedraagt maximaal " moeten worden vervangen door de woorden " mag niet meer bedragen dan " en de vermelding " 3dB " moet vervallen.
   Artikel 16. In de Franse versie moet het woord " mandaté " worden vervangen door het woord " délégué ".
   Artikel 17. In het tweede lid is het overbodig te preciseren dat automatische onbemande stations aan de voorwaarden van de artikelen 13, 14 en 15 moeten voldoen, aangezien deze bepalingen voor alle zendapparatuur gelden.
   Het tweede lid moet dus als volgt worden gesteld :
   " Automatische onbemande stations voldoen bovendien aan de voorschriften van bijlage 6. "
   Artikel 19. In 1° moet de eerste zin als volgt worden geschreven :
   " Bij het begin en het einde van elke uitzending zendt de vergunninghouder zijn roepnaam op zijn minst één keer uit op de manier als in bijlage 8 wordt bepaald. "
   Artikel 21. Op het overtreden van het verbod gesteld in 2° staan de straffen bepaald in artikel 15 van de genoemde wet van 30 juli 1979. Het is dan ook belangrijk dat in het ministerieel besluit duidelijk wordt aangegeven om welke strafbare handelingen het gaat en dat de radioamateur vooraf en zeker weet voor welke landen het verbod geldt. Daarenboven kan niet uit de tekst worden opgemaakt of met het woord " administratie " de Belgische of de buitenlandse overheid wordt bedoeld.
   Artikel 22. Deze bepaling is overbodig. Het ligt immers voor de hand dat de vergunninghouder de vergunningsvoorwaarden die in het bijzonder in het onderhavige ontwerp worden gesteld, moet naleven.
   Als hij die voorwaarden niet naleeft, kan de vergunning overeenkomstig artikel 16 van het genoemde koninklijk besluit van 15 oktober 1979 worden geschorst of ingetrokken.
   Artikel 23. Deze bepaling dient als volgt te worden gesteld :
   " Art. 23. Bij het uitproberen van uitzendingen zoals datatransmissie, televisie, slowscantelevisie (SSTV), facsimile of spreadspectrum leeft de radioamateur de geldende internationale normen na. "
   Artikel 24. In 3°, tweede zin, moet worden vermeld welke overheid bevoegd is om na te gaan of er voldoende bedieningsgrondstations bestaan en moet worden gepreciseerd of zulks moet worden nagegaan voordat de vergunning wordt afgegeven.
   Artikel 25. 1. In paragraaf 1 zijn de woorden " Behoudens de bepalingen van § 2 " overbodig en moeten ze vervallen.
   2. In de inleidende zin van paragraaf 2 moet tussen de woorden " is " en " niet " het woord " evenwel " worden ingevoegd.
   Bij 1° valt op te merken dat in de Nederlandse tekst " artikel 9 " moet worden geschreven in plaats van " art. 9 ". Dat artikel 9 van het ontwerp waarnaar wordt verwezen, heeft alleen betrekking op automatische onbemande stations, niet op relaisstations of datanetwerkstations. De bepaling moet op dat punt worden verbeterd (Er dient te worden opgemerkt dat die twee soorten stations niet in artikel 1 van het ontwerp worden gedefinieerd.).
   3. In paragraaf 4 (die in de Franse versie overeenstemt met de " tweede " paragraaf 3 van deze bepaling) schrijve men " artikel 2 " in plaats van " art. 2 ".
   Voorzover daarin sprake is van een zendvergunning, dient overeenkomstig artikel 3, § 3, van de genoemde wet van 30 juli 1979 bovendien " de door de Minister gemachtigde ambtenaar van het Instituut " te worden geschreven, in plaats van " de bevoegde ambtenaar van het BIPT ".
   Slotopmerkingen.
   1. Er moet in overgangsbepalingen worden voorzien om te regelen wat er moet geschieden met vergunningen die zijn afgegeven met toepassing van het ministerieel besluit van 19 december 1986 betreffende het aanleggen en het doen werken van radio-elektrische stations door radioamateurs.
   2. In het algemeen moet op een correct taalgebruik en in het bijzonder een correcte spelling worden gelet. Deze opmerking geldt zowel voor het Nederlands als voor het Frans (Zo schrijve men bijvoorbeeld " l'autorisation " en niet " la autorisation ".).De Nederlandse tekst is door de band genomen ondermaats uit een oogpunt van correct taalgebruik. Onder voorbehoud van de hiervoren gemaakte inhoudelijke opmerkingen en bij wijze van voorbeeld wordt in dat verband op het volgende gewezen : examens worden niet " ingericht ", maar " georganiseerd, uitgeschreven of afgenomen, naargelang van het geval. " Getuigschriften en soortgelijke oorkonden worden " afgegeven of uitgereikt ", niet " afgeleverd ". Voorts zou waar nodig het voltooid deelwoord in combinatie met het lidwoord " het " een uitgang " e " moeten krijgen, zoals in artikel 3, § 1, waar " het door het Instituut opgestelde inschrijvingsformulier " geschreven zou moeten worden. Het gaat niet aan om gelijk in artikel 7 en artikel 17 de ene keer te spreken van " prijskamp " (F concours) en de andere keer van " wedstrijd " (F concours); evenmin mag de term " instaan voor " in hetzelfde artikel 9 nu eens gebezigd worden als equivalent van het Frans " responsable " en dan weer van het Frans " assurer "; de uitdrukking " instaan voor " moet gebruikt worden in de betekenis die ze in de woordenboeken heeft. Er is een verschil tussen " voorleggen " en " overleggen " en waar in het ontwerp " toelating " staat zou doorgaans " toestemming " op zijn plaats zijn. De Nederlandse tekst van het ontwerp zou verbeterd moeten worden.
   (...)
   De kamer was samengesteld uit :
   De heren :
   R. Andersen, kamervoorzitter;
   P. Lienardy en P. Vandernoot, staatsraden;
   J.-M. Favresse, assessor van de afdeling wetgeving;
   Mevr. C. Gigot, toegevoegd griffier.
   Het verslag werd uitgebracht door de heer L. Detroux, auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door Mevr. A.-F. Bolly, adjunct-referendaris.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer R. Andersen.
   De griffier,
   C. Gigot.
   De voorzitter,
   R. Andersen.

Begin Preambule Verslag aan de Koning
Inhoudstafel Wijziging(en)