Einde Preambule
Inhoudstafel
Gearchiveerde versie nr  1

Titel
30 JULI 2010. -Ministerieel besluit tot aanneming van de van toepassing zijnde vereisten op het rollend materieel voor het gebruik van rijpaden

Dossiernummer : 2010-07-30/27

Nota
Gewijzigd bij   KONINKLIJK BESLUIT  van  09-07-2013   gepubl. op   25-07-2013
      Art. N *** N
   Van kracht tot   04-08-2013

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-2
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin

  Artikel 1. Aangenomen als veiligheidsvoorschrift worden de van toepassing zijnde vereisten op het rollend materieel voor het gebruik van rijpaden. Deze vereisten worden vastgesteld volgens de als bijlage bij dit besluit gevoegde tekst.
  Art. 2. Het ministerieel besluit van 20 juni 2008 tot aanneming van het bestek voor het rollend materieel wordt opgeheven.
  
  Brussel, 30 juli 2010.
  De Eerste Minister,
  Y. LETERME
  De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
  E. SCHOUPPE
  BIJLAGE.
  Art. N. Van toepassing zijnde vereisten op het rollend materieel voor gebruik van rijpaden
  Deze vereisten bestaan uit 3 delen :
  Deel A : Toepassingsgebied en overgangsmaatregelen
  Deel B : Technische vereisten
  Deel C : Generieke beschrijving MEMOR
  Deel A - Toepassingsgebied en overgangsmaatregelen
  § 1. Onverminderd de toepassing van de technische specificaties voor interoperabiliteit (TSI), is onderhavig veiligheidsvoorschrift van toepassing voor elke aanvraag voor toelating tot ingebruikname van rollend materieel dat gebruik moet maken van rijpaden om op de Belgische spoorweginfrastructuur te rijden, rekening houdend met de beschikkingen van het artikel 4 van de wet van 19 december 2006 betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorweginfrastructuur.
  § 2. Bij uitzondering op § 1 kan de aanvrager, voor projecten die het onderwerp uitmaken van een getekend contract of een toegewezen markt, ervoor kiezen om de nationale reglementering die van kracht is op de datum van ondertekening van het contract of op toewijzing van de markt toe te passen. Om op geldige wijze gebruik te maken van deze mogelijkheid moet de aanvrager hiervan de veiligheidsinstantie informeren ten laatste 6 maanden na het van kracht worden van onderhavig ministerieel besluit. Deze informatie wordt per aangetekende brief met ontvangstbewijs gestuurd naar de veiligheidsinstantie.
  § 3. Onverminderd de toepassing van de technische specificaties voor interoperabiliteit (TSI), zijn alle vereisten hernomen in het hoofdstuk 12 van deel B van onderhavig veiligheidsvoorschrift ook verplicht voor lopende projecten op het moment van het van kracht worden van onderhavig besluit.
  § 4. De vereisten hernomen in de voetnoot 1 van punt 9.1.h.1 alsook de vereisten hernomen in de punten 12.1.b, 12.1.c, 12.1.d, 12.2.a, 12.2.b, 12.2.c, 12.2.d, 12.2.e, 12.2.f, 12.2.g, 12.2.h, 12.2.i en 12.2.r van deel B van onderhavig veiligheidsvoorschrift zijn van toepassing voor het rollend materieel dat reeds toegelaten is op het net voor het van kracht worden van onderhavig ministerieel besluit en dit in functie van de te berijden lijnen.
  § 5. Onverminderd de toepassing van de technische specificaties voor interoperabiliteit (TSI) moeten, in geval van vernieuwing of aanpassing van materieel in dienst en/of toegelaten op het Belgische spoorwegnet, enkel de onderdelen, het geheel van onderdelen of de delen van de subsystemen die betrokken zijn in de vernieuwing of aanpassing van het rollend materieel voldoen aan de relevante vereisten van dit veiligheidsvoorschrift.
  § 6. Onverminderd de toepassing van de technische specificaties voor interoperabiliteit, (TSI) kan de veiligheidsinstantie echter eisen dat aan de vereisten van dit veiligheidsvoorschrift wordt voldaan in geval dat rollend materieel dat buiten dienst werd gesteld terug in gebruik wordt genomen op de Belgische spoorweginfrastructuur.
  § 7. Het voldoen aan de vereisten opgenomen in deel B van onderhavig veiligheidsvoorschrift moet aangetoond worden door middel van een technisch dossier opgesteld door een aangewezen instantie.
  § 8. Indien er verschillen ten opzichte van de vereisten opgenomen in deel B van onderhavig veiligheidsvoorschrift denkbaar zijn, moet het technische dossier bedoeld in § 7 een analyse van deze verschillen bevatten alsook de uitgevoerde studies betreffende de werkingsveiligheid en de risicoanalyses in toepassing van de algemene en nationale veiligheidsmethodes.
  Deel B - Technische vereisten
  Het document bestaat uit verschillende velden
  - Het veld " Hoofdstuk " bevat de behandelde materie;
  - Het veld " Aan te tonen vereiste " bevat de vereisten waaraan moet worden voldaan (aan te tonen d.m.v. technisch dossier, PV en/of testen);
  - Het veld " betrokken materieel ";
  - Het veld " Normen " bevat een niet exhaustieve lijst van normen, UIC fiches en andere referentiedocumenten die kunnen worden aangewend om de vereisten aan te tonen waaraan moet worden voldaan. Deze normen, UIC fiches en andere referentiedocumenten moeten op coherente wijze gebruikt worden voor de meetmethodes, berekeningsmethodes en in voorkomend geval voor het aantonen van de vereisten. Onverminderd de toepassing van § 8 van deel A van dit veiligheidsvoorschrift kunnen andere dan de vermelde referentiedocumenten aangewend worden voor zover de conformiteit met de vereisten wordt aangetoond.
  (Tabellen niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 07-09-2010, p. 56625-56658)
  Deel C - Generieke beschrijving van het " MEMOR " Systeem
  1. Doel
  Door de plaatsing in de trein van een hulp- en bewakingsinrichting voor de besturing,de gevaren verminderen,als gevolg van een eventuele vermindering van de waakzaamheid van de bestuurder van een spoorvoertuig m.b.t. het naleven van de consignes die hij van de laterale seininrichting krijgt.
  2. Aangewende middelen :
  Als een stuurpost " in dienst " is, m.a.w. als de " sleutelkast " ontgrendeld is, moet het " MEMOR "-systeem :
  a. controleren of de bestuurder met een drukknop bevestigt dat hij bepaalde beperkende seinbeelden heeft gezien die door de laterale seingeving worden getoond;
  b. in de stuurpost bepaalde seinbeelden herhalen die door de laterale seingeving worden getoond.
  3. Veiligheidsdoelstelling
  Als er door de infrastructuurbeheerders geen beperkender voorschrift wordt opgelegd, wordt een percentage storingen in strijd met de veiligheid van minder dan 10 E- 4 per uur als aanvaardbaar beschouwd.
  Voor het " MEMOR "-systeem is een storing in strijd met de veiligheid als er geen noodremming gevraagd wordt, hoewel de omstandigheden het vereisen.
  4. Functionele definitie van de herhaling van de seinbeelden van de laterale seingeving en van de hulp- en bewakingsfuncties voor de besturing van het " MEMOR "-systeem
  4.1 Inleiding
  De informatie die vereist is voor het herhalen, in de stuurpost, van de seinbeelden van de laterale seingeving en voor de hulp- en bewakingsfuncties voor de besturing (opslaan van het beperkende seinbeeld van de laterale seingeving en controle van de bevestiging door de bestuurder) die erop betrekking hebben, wordt verkregen door de binaire informatie te gebruiken afkomstig van de polariteitsdetectie van de elektrische spanning die door de " krokodillen " van het systeem " BORSTEL - KROKODIL " wordt geleverd.
  4.2 Herhaling van de seinen spoor vrij
  4.2.1 algemene bepalingen
  Heeft de betekenis " seinen spoor vrij' ", de informatie die wordt gegeven door detectie van een negatieve polariteit van de elektrische spanning die door een " krokodil " wordt geleverd.
  4.2.2 Normale werking
  4.2.2.1 Door een sein spoor vrij' te overschrijden :
  a. weerklinkt het geluid van de " gong spoor vrij' " in de stuurpost;
  b. dooft de geheugenlamp LGLJM (op de stuurtafel) als ze vast brandde;
  c. wordt de informatie " sein spoor vrij'" naar het registreertoestel voor voorvallen gezonden.
  4.2.2.2 opmerking
  Bij het achtereenvolgens overschrijden van verscheidene seinen spoor vrij' moet :
  1. het geluid van de " gong spoor vrij' " bij elk sein weerklinken
  2. de informatie " sein spoor vrij' " naar het registreertoestel voor voorvallen worden gezonden.
  4.3 Herhaling en opslag van het beperkende seinbeeld dat door de laterale seingeving wordt getoond
  4.3.1 Algemene bepalingen
  Heeft de betekenis " sein dat een beperkend seinbeeld toont ", de informatie die wordt gegeven door detectie van een positieve polariteit van de elektrische spanning die door een " krokodil " wordt geleverd.
  4.3.2 Dit heeft tot gevolg dat :
  4.3.2.1 Algemene bepalingen
  De overschrijding van een " sein dat een beperkend seinbeeld toont " heeft als gevolg :
  a. différentes een meldlampje LGLJM op de stuurtafel verscheidene keren na elkaar oplicht en dooft (volgens de bediening door de treinbestuurders, zie hierna);
  b. de informatie " sein dat een beperkend seinbeeld toont " naar het registreertoestel voor voorvallen wordt gezonden;
  c. er een verzoek tot noodremming is als de informatie " sein dat een beperkend seinbeeld toont " niet behoorlijk door de bestuurder wordt bevestigd.
  4.3.2.2 Opmerkingen
  4.3.2.2.1 Bij het opstarten van het " MEMOR "-systeem, als de stuurpost in dienst wordt gesteld, gaat de gele LGLJM-lamp (vast) branden.
  4.3.2.2.2 Als die lamp vast brandt, kan ze worden gedoofd met de drukknop BPGLJM (die met de lamp een geheel vormt of zich eronder bevindt).
  4.3.2.2.3 Als hij dat wenst, kan de bestuurder op ieder moment de gele lamp LGLJM (vast) laten branden door de kwiteerdrukknop BPVG te activeren (in te drukken).
  4.3.3 Controle van de " waakzaamheid " van de bestuurder bij het overschrijden van de seinen die een beperkend seinbeeld vertonen
  4.3.3.1 Algemene bepalingen
  Bij het naderen van een sein dat een beperkend seinbeeld toont, bewijst de bestuurder zijn " waakzaamheid " door de drukknop BPVG in te drukken.
  4.3.3.2 Geanticipeerde bediening
  4.3.3.2.1 Bij het naderen van een sein dat een beperkend seinbeeld toont, laat de bestuurder zijn waakzaamheid blijken door de kwiteerdrukknop BPVG in te drukken voordat hij het sein voorbijrijdt. Daardoor gaat de gele lamp LGLJM vast branden. De bestuurder moet kwiteerknop BPVG ingedrukt houden tot de informatie " beperkend seinbeeld " wordt opgevangen
  4.3.3.2.2 Als de informatie " beperkend seinbeeld " wordt opgevangen
  a. dooft de gele lamp LGLJM;
  b. wordt die informatie naar het registreertoestel voor voorvallen gezonden
  4.3.3.2.3 De bestuurder moet dan de knop binnen 4(+ 0,2; - 0,8) seconden loslaten.
  4.3.3.2.4 Als men de knop BPVG loslaat :
  a. gaat de gele lamp opnieuw (vast) branden
  b. de informatie " bevestiging door de bestuurder " wordt naar het registreertoestel voor voorvallen gezonden
  4.3.3.3 Uitgestelde bediening
  4.3.3.3.1 De bestuurder drukt de drukknop BPVG niet in bij nadering van het sein dat een beperkend seinbeeld toont.
  4.3.3.3.2 Als de informatie " beperkend seinbeeld " wordt opgevangen :
  a. gaat de LGLJM-lamp knipperen;
  b. wordt die informatie naar het registreertoestel voor voorvallen gezonden.
  4.3.3.3.3 De bestuurder moet dan binnen 4(+0,2; -0,8) seconden de drukknop BPVG indrukken :
  4.3.3.3.4 Door het indrukken van de knop BPVG :
  a. gaat de LGLJM-lamp vast branden
  b. wordt de informatie " bevestiging door de bestuurder " naar het registreertoestel voor voorvallen gezonden.
  4.3.3.4 Foute bediening of geen bediening
  4.3.3.4.1 Als de bestuurder een sein tegenkomt dat een beperkend seinbeeld toont en als hij de drukknop BPVG niet of pas na 4(+0,2; -0,8) seconde indrukt blijft :
  a. gaat de gele LGLJM-lamp knipperen;
  b. wordt na 4 seconden een verzoek tot noodremming gelanceerd.
  4.3.3.4.2 Bij een foute bediening of als er geen bediening is, wordt enkel de informatie " beperkend seinbeeld " (zodra ze wordt opgevangen) naar het registreertoestel voor voorvallen gezonden.
  4.3.3.4.3 Het verzoek tot noodremming wordt dan via de drukknop BPVG geannuleerd met een volledige cyclus indrukken / lossen van die knop, op voorwaarde dat die cyclus na 20 seconden wordt uitgevoerd (te rekenen vanaf het ogenblik waarop het verzoek tot noodremming verschijnt).
  4.3.3.4.4 Die volledige cyclus indrukken / lossen van die knop :
  a. zorgt ervoor dat de LGLJM-lamp stopt met knipperen en vast gaat branden;
  b. geeft de toestemming om de remmen te lossen (door de omgekeerde elektropneumatische klep opnieuw te voeden);
  c. geeft de toestemming om de LGLJM-lamp te doven (brandt vast) door de drukknop BP GLJM in te drukken (die met de lamp een geheel vormt of zich eronder bevindt).
  4.3.3.4.5 Na annulatie van het verzoek tot noodremming blijft de LGLJM-lamp vast branden (het doven ervan kan dan worden bevolen door de drukknop BP LRLM in te drukken).
  4.3.4 Verzoek om noodremming uit te voeren
  Het verzoek om de noodremming uit te voeren, geschiedt door de elektrische voeding van de (omgekeerde) elektropneumatische klep van de pneumatische sturing van de rem te verbreken.
  4.3.5 Buitendienststelling en/of uitschakeling van de " MEMOR " uitrusting
  4.3.5.1 Uitschakeling ten gevolge van storing / beschadiging :
  4.3.5.1.1 En Als het " MEMOR "-systeem beschadigd is (defecte elektronische uitrusting en/of elektropneumatische klep van de remsturing die een ontijdige remming veroorzaken), kunnen de " MEMOR "-functies met elektrische en/of pneumatische afzonderingsuitrustingen geblokkeerd worden. Die afzondering wordt tot stand gebracht met een verloodbare schakelaar (in de stand " Normaal ") wat het elektrische gedeelte betreft, en met een afzonderingskraan wat het pneumatische gedeelte betreft.
  4.3.5.1.2 Om te melden dat eventueel enkel het pneumatische gedeelte is afgezonderd (m.a.w. als het elektrische gedeelte niet is afgezonderd), moet men er in een dergelijke situatie voor zorgen dat de " buzzer " van de automatische waakinrichting in de stuurpost permanent gevoed wordt.
  4.3.5.2 Buitendienststelling bij dubbele tractie :
  4.3.5.2.1 In de stuurpost in dienst van een locomotief die bij dubbele tractie de tweede plaats inneemt, moet het seinherhalingssysteem " MEMOR " buiten dienst worden gesteld. Dat systeem wordt buiten dienst gesteld als de rembedieningskraan in de stand "NEUTRAAL" staat (die stand wordt aan het " MEMOR "-systeem gemeld als een contact van de schakelaar "DIENST/NEUTRAAL" sluit. Schakelaar die wordt gestuurd door een nok van de remkraan).
  4.3.5.2.2 Het systeem wordt opnieuw in dienst gesteld als het contact van de schakelaar "DIENST / NEUTRAAL" opnieuw open is, d.w.z. als de remsturing in de stand "DIENST" staat.
  5 Beschrijving van de ingangen en de uitgangen
  5.1 Ingangen :
  5.1.1 Ingang "handelingen van een bestuurder"
  5.1.1.1 Ingang " Tijdelijke buitendienststelling bij " dubbele tractie "" (MHSDT)
  Het verzoek tot tijdelijke buitendienststelling wegens " dubbele tractie " geschiedt zoals hiervoor vermeld.
  5.1.1.2 Ingang " Drukknop "TEST MEMOR"" (BP DTJ)
  Via die ingang kan de bestuurder de testcyclus sturen met de drukknop BP DTJ in een stabiele stand.
  Opmerking
  Die ingang " TEST " mag slechts actief zijn als er geen enkele rijrichting gekozen is. Bovendien moet de testprocedure worden onderbroken zodra er een rijrichting verschijnt. In dat geval moet het " MEMOR "-systeem in staat zijn om onmiddellijk al zijn functies uit te voeren.
  5.1.1.3 Ingang " Kwiteerdrukknop " (BPVG)
  Met die ingang kan de bestuurder zijn waakzaamheid bewijzen op het ogenblik dat hij de seinen voorbijrijdt die een beperkend seinbeeld tonen en de door het " MEMOR "-systeem bevolen noodremming opnieuw activeren.
  5.1.1.4 Ingang " Drukknop om de gele lamp te doven " (BPGLJM)
  Met die ingang kan de bestuurder de gele LGLJM-lamp doven als ze vast brandt. In zijn standaarduitvoering wordt de drukknop BPGLJM, geactiveerd door op het kapje van de LGLJM te drukken.
  5.1.2 Ingangen "BORSTEL / KROKODIL"
  Met een klem van de " MEMOR "-uitrusting kan de verbinding met de "opneemborstel" voor polariteitsdetectie van de "krokodillen" tot stand worden gebracht.
  Via een tweede klem kan de verbinding met de massa (het onderstel) van het voertuig worden gemaakt.
  Opmerking
  Op de locomotieven kan met een contact van de sturing van de rijrichtingkeuze de borstel worden gekozen die op de gekozen rijrichting betrekking heeft.
  5.2 Uitgangen :
  5.2.1 Uitgangen stuurtafel
  5.2.1.1 "Gele" geheugenlamp van het beperkende seinbeeld van de seinen (LGLJM).
  Die lamp knippert of brandt vast al naar het verloop van de voorvallen (de verschillende mogelijkheden zijn hiervoor beschreven).
  5.2.1.2 Uitgang akoestische informatie " DING " (gong spoor vrij')
  Het betreft een uitgang die de " DING "-toon kan genereren in de stuurpost waarvan de grondfrequentie begrepen is tussen 600 en 1300 Hz en waarvan de tijdsconstante van de afname van de amplitude begrepen is tussen 0,2 sec en 1,3 sec.
  5.2.2 Verbindingen met het registreertoestel
  Via die verbindingen kan het registreertoestel voor voorvallen correct worden gestuurd.
  De volgende informatie wordt geregistreerd :
  " sein spoor vrij' ";
  " sein dat een beperkend seinbeeld toont ";
  " bevestiging door de bestuurder ".
  5.2.3 Uitgang " automatische rem "
  Die uitgang beveelt de uitschakeling van de noodremming door de voeding van de omgekeerde elektropneumatische klep te verbreken.
  Opmerkingen
  Om veiligheidsredenen en bij het ontbreken van voedingsspanning van de " MEMOR "-uitrusting, moeten de contacten van alle uitgangsrelais open zijn (met name de " werkcontacten ").
  
  Gezien om gevoegd te worden bij het ministerieel besluit van 30 juli 2010 tot aanneming van de van toepassing zijnde vereisten op het rollend materieel voor het gebruik van rijpaden.
  De Eerste Minister,
  Y. LETERME
  De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
  E. SCHOUPPE
  

Preambule Tekst Inhoudstafel Begin
   De Eerste Minister en de Staatssecretaris voor Mobiliteit,
   Gelet op de wet van 19 december 2006 betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen, artikel 6, § 2, derde lid;
   Gelet op het koninklijk besluit van 16 januari 2007 houdende veiligheidsvereisten en -procedures van toepassing op de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen, artikel 16, 1°;
   Gelet op het ministerieel besluit van 20 juni 2008 tot aanneming van het bestek van het rollend materieel;
   Gelet op het gemotiveerde en uitvoerig advies van de spoorweginfrastructuurbeheerder gegeven op 16 oktober 2009;
   Gelet op de betrokkenheid van de gewestregeringen;
   Gelet op advies nr. 48.388/4 van de Raad van State, gegeven op 5 juli 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Besluiten :

Begin Preambule
Inhoudstafel