Einde Preambule Verslag aan de Koning
Inhoudstafel Handtekening Wijziging(en)
Gearchiveerde versie nr  3

Titel
27 APRIL 2007. -Koninklijk besluit betreffende het beheer van de nationale nummeringsruimte en de toekenning en intrekking van gebruiksrechten voor nummers.

Dossiernummer : 2007-04-27/29

Nota
Gewijzigd bij   WET  van  10-08-2015   gepubl. op   01-09-2015
      Art. N2
   Van kracht tot   22-06-2015

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Definities.
Art. 1
HOOFDSTUK II. - Algemene principes.
Art. 2-9
HOOFDSTUK III. - De toekenning van nummercapaciteit.
Afdeling 1. - Algemene procedures.
Onderafdeling 1. - De reservatie.
Art. 10-18
Onderafdeling 2. - De toewijzing.
Art. 19-20
Afdeling 2. - Bijzondere procedures.
Onderafdeling 1. - Spoedprocedure.
Art. 21
Onderafdeling 2. - Toekenning van gebruiksrechten voor nummers met een bijzondere economische waarde.
Art. 22
Onderafdeling 3. - Nummerblokoverdraagbaarheid.
Art. 23-30
Onderafdeling 4. - De eenmalige procedure van voorintekening met het oog op de reservatie van SMS en MMS korte nummers.
Art. 31-32
HOOFDSTUK IV. - De intrekking van nummercapaciteit.
Art. 33-35
HOOFDSTUK V. - Het vaststellen van nieuwe nummerplannen of het wijzigen van bestaande nummerplannen.
Art. 36-39
HOOFDSTUK VI. - Basiselementen van enkele nummerplannen.
Afdeling 1. - Het nummerplan voor telefoondiensten.
Onderafdeling 1. - Algemeen.
Art. 40-41
Onderafdeling 2. - Principes van toepassing op geografische nationale E.164 nummers.
Art. 42-43
Onderafdeling 3. - Principes van toepassing op niet-geografische nationale E.164 nummers.
Art. 44-53
Onderafdeling 4. - Bepalingen gemeenschappelijk aan de onderafdelingen 2 en 3.
Art. 54-56
Afdeling 2. - Het nummerplan voor nationale korte nummers.
Onderafdeling 1. - Algemeen.
Art. 57
Onderafdeling 2. - Principes van toepassing op nationale korte driecijferige nummers.
Art. 58-60
Onderafdeling 3. - Principes van toepassing op nationale korte viercijferige nummers.
Art. 61-65
Onderafdeling 4. - Bepalingen gemeenschappelijk aan de onderafdelingen 2 en 3.
Art. 66-67
Afdeling 3. - Het nummerplan voor pakketgeschakelde datadiensten.
Art. 68
Afdeling 4. - Het nummerplan voor SMS en MMS diensten.
Art. 69-74
Afdeling 5. - Het nummerplan voor de identificatie van apparatuur en gebruikers in roaming-toestand.
Art. 75
Afdeling 6. - De nummerplannen voor de koppeling tussen internationale schakelaars en de koppeling tussen nationale schakelaars.
Art. 76-77
Afdeling 7. - Andere nummerplannen.
Art. 78-79
HOOFDSTUK VII. - Interwerking.
Art. 80
HOOFDSTUK VIII. - Handhaving en controle.
Art. 81-83
HOOFDSTUK IX. - Heffingen voor het verkrijgen en uitoefenen van gebruiksrechten voor nummers.
Art. 84
HOOFDSTUK X. - Diverse, overgangs- en slotbepalingen.
Art. 85-89
BIJLAGEN.
Art. N1-N2

Tekst Inhoudstafel Begin

  HOOFDSTUK I. - Definities.
  Artikel 1.In het kader van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° " nummerplan " : deel van de nummeringsruimte dat door middel van de regels en voorwaarden vastgesteld in dit besluit en in besluiten van het Instituut gestructureerd wordt en daardoor vatbaar wordt voor toewijzing;
  2° " nummercapaciteit " : capaciteit uit een nationaal nummerplan dat, naargelang het geval, kan bestaan uit individuele nummers of nummerblokken;
  3° " nummer " : teken of geheel van tekens, dat kan bestaan uit cijfers, adressen of namen, die worden gebruikt om gebruikers of operatoren van elektronische-communicatiediensten en -netwerken te identificeren en om op basis hiervan elektronische communicatie tot stand te brengen;
  4° " dienstidentiteit " : het eerste gedeelte van het nummer dat in het nummerplan wordt gebruikt voor de identificatie van een groep van gelijkaardige diensten;
  5° " prefix " : indicator, die geen deel uitmaakt van het nummer, die uit één of meer cijfers bestaat en die de selectie mogelijk maakt van de verschillende types van nummerformaten, te weten lokale, nationale en internationale nummerformaten, en van transitnetwerken en diensten;
  6° " kiesplan " : reeks van regels die gevolgd moeten worden om een oproep tot stand te laten komen;
  7° " Wet " : de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;
  8° " reservatie " : handeling van het Instituut die aan de aanvrager het recht verleent om op diens eigen initiatief en onder de voorwaarden van het reservatiecertificaat de betrokken nummercapaciteit in gebruik te nemen;
  9° " toewijzing " : wijziging van het statuut van gereserveerde nummercapaciteit, die volgt uit het naleven van de toewijzingsvoorwaarden vastgesteld in dit besluit en, in voorkomend geval, het besluit genomen in toepassing van artikel 11, § 3 of § 5, van de Wet en die de houder van de betrokken nummercapaciteit in staat stelt om gebruiksrechten met betrekking tot die nummercapaciteit uit te oefenen;
  10° " intrekking " : het ontnemen door het Instituut van eerder gereserveerde of toegewezen nummercapaciteit;
  11° " standaardgrootte van de nummercapaciteit " : het aantal nummers dat een individueel reserveerbaar blok van nummers bevat;
  12° ".E-, X.-, Q.- aanbevelingen " : de aanbevelingen die refereren aan de regels, opgelegd door de Internationale Telecommunicatie Unie, sector normalisatie, waaraan nummerplannen moeten voldoen;
  13° " E.-, X.-, Q. - standaards " : de standaards die refereren aan de protocols inzake koppeling van netwerken opgelegd door de Internationale Telecommunicatie Unie sector normalisatie;
  14° " nomadiciteit " : eigenschap van een elektronische-communicatiedienst waardoor deze dienst gebruikt kan worden vanuit potentieel om het even welke aansluiting op een elektronische-communicatienetwerk;
  15° " betalende dienst via een elektronische-communicatienetwerk " : dienst die via apparatuur aangesloten op een elektronisch-communicatienetwerk de oproeper de mogelijkheid biedt informatie te verkrijgen, informatie terug te sturen, in contact te treden met andere gebruikers van de informatiedienst, toegang te krijgen tot spelletjes of andere voordelen of betalingen uit te voeren voor producten of diensten die worden geleverd tijdens de oproep of als direct gevolg hiervan, tegen betaling van een vergoeding hoger dan het normale eindgebruikerstarief voor een oproep naar een standaard geografisch of mobiel nummer;
  16° " persoonlijke nummerdienst " : dienst die tot doel heeft persoon-tot-persoon communicatie te vergemakkelijken. Een eindgebruiker van een dergelijke dienst kan oproepen maken en ontvangen op basis van een eigen, netwerkonafhankelijk nummer op gelijk welke apparatuur, vast of mobiel, onafhankelijk van de geografische locatie;
  17° " mobiliteit " : eigenschap van een elektronische-communicatiedienst waardoor een eindgebruiker die beweegt over lange afstanden zonder onderbreking een elektronische-communicatiedienst kan gebruiken;
  18° " VPN " : " Virtual Private Network ", zijnde een dienst met toegevoegde waarde, die hoofdzakelijk gebruik maakt van onderdelen van een openbaar elektronische-communicatienetwerk om private netwerkfuncties te leveren;
  19° " SMS " : " Short Message Service ", zijnde een dienst die toelaat om met eindapparatuur aangesloten op een elektronische-communicatienetwerk korte berichten van maximaal 140 bytes of 160 karakters te versturen of te ontvangen;
  20° " MMS " : " Multimedia Messaging Service ", zijnde een dienst die toelaat om met apparatuur aangesloten op een elektronische-communicatienetwerk tekst, geluid, afbeeldingen of videobestanden of een combinatie van deze soorten van communicatie te versturen of te ontvangen ";
  21° " TETRA " : " Terrestrial Trunked Radio ", zijnde een standaard van het European Telecommunications Standards Institute (hierna ook " ETSI " genoemd) voor digitale radiocommunicatie met gedeelde frequentie;
  22° " eindgebruikerstarief " : het totale door de eindgebruiker te betalen tarief, met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde, alle overige taksen en de kosten van alle diensten die door de eindgebruiker [1 verplicht]1 moeten worden bijbetaald.
  [1 23° dienst van groot maatschappelijk belang " : dienst gericht op het beantwoorden van één of meer specifieke sociale behoeften, waaronder welzijn, gezondheid, veiligheid, openbare dienst en hulpverlening, die van groot belang zijn in de samenleving.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-24/44, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 02-05-2009>
  HOOFDSTUK II. - Algemene principes.
  Art. 2. De toekenning van gebruiksrechten voor nummercapaciteit gebeurt op transparante en niet-discriminerende wijze binnen het kader van de nationale nummerplannen volgens objectieve criteria en volgens de principes van achtereenvolgens de reservatie en de toewijzing.
  Art. 3. De nationale nummerplannen worden door het Instituut vastgesteld aan de hand van de volgende principes :
  1° een nummerplan bevat, indien relevant, de verschillende dienstenidentiteiten en de verdere opdeling ervan met bijhorende voorwaarden en gebruikscondities zoals vastgelegd in dit besluit en door het Instituut;
  2° de dienstidentiteit wordt in de mate van het mogelijke volgens het principe van de technologieneutraliteit toegekend;
  3° indien relevant worden nummerplannen zo opgebouwd dat de identificatie van gelijkaardige diensten primeert op die van operatoren.
  Art. 4. Hebben recht om een aanvraag in te dienen om nummers te reserveren en vervolgens, onder de voorwaarden van dit besluit en, in voorkomend geval, de voorwaarden vastgesteld krachtens artikel 11, § 3 en § 5, van de Wet, gebruiksrechten voor nummers te verkrijgen en uit te oefenen :
  1° operatoren van elektronische-communicatienetwerken of van elektronische-communicatiediensten;
  2° andere personen dan de operatoren bedoeld onder 1° voor :
  - het aanbieden van diensten van openbaar belang op basis van nummercapaciteit bedoeld in artikel 58;
  - het aanbieden van geharmoniseerde Europese toepassingen of diensten op basis van nummercapaciteit bedoeld in artikel 60;
  - het aanbieden van inlichtingendiensten op basis van nummercapaciteit bedoeld in artikel 61;
  - de ondersteuning van andere al dan niet commerciële diensten van groot maatschappelijk belang op basis van nummercapaciteit bedoeld in artikel 63.
  Art. 5. § 1. Personen die gebruiksrechten voor geografische of niet-geografische nationale E.164 nummers verkregen hebben kunnen deze nummers ter beschikking stellen van andere personen die conform artikel 4, 1°, nummers kunnen reserveren en gebruiksrechten voor nummers kunnen verkrijgen en uitoefenen, op voorwaarde dat :
  1° de betrokken nummercapaciteit nog steeds geldig toegewezen is;
  2° de oorspronkelijke houder van de nummercapaciteit de nummercapaciteit die hij ter beschikking stelt notificeert aan het Instituut, tezamen met de naam en het adres of de maatschappelijke zetel van de inbezitgestelde en het voorgenomen gebruik van de betrokken nummercapaciteit door de inbezitgestelde;
  3° de oorspronkelijke houder in de notificatie het bewijs voorlegt van de overeenkomst met de inbezitgestelde tot het ter beschikking stellen van de betrokken nummercapaciteit;
  4° de oorspronkelijke houder in de notificatie een kopie voorlegt van het document waarin hij de inbezitgestelde in kennis stelt van de notificatie aan het Instituut;
  5° de inbezitgestelde voor binnenkomende oproepen het netwerk gebruikt dat hem ter beschikking wordt gesteld door de oorspronkelijke houder;
  6° de inbezitgestelde voldoet aan alle andere voorwaarden inzake reservatie en toewijzing van nummercapaciteit.
  De oorspronkelijke houder van de nummercapaciteit blijft verantwoordelijk voor de naleving van alle wettelijke en reglementaire verplichtingen inzake nummering, met uitzondering van de verplichtingen bedoeld in artikel 19, 2°, 3°, 5° en 6°.
  Zolang het Instituut de notificatie niet aanvaardt, blijft de houder van de nummercapaciteit eveneens verantwoordelijk voor de naleving van de wettelijke en reglementaire verplichtingen die in toepassing van het vorige lid overgaan op de inbezitgestelde.
  Het Instituut weigert de notificatie wanneer uit de aanvraag blijkt dat zij werd ingediend met het oog op het omzeilen van de regels vervat in dit besluit.
  De inbezitgestelde kan de hem ter beschikking gestelde nummercapaciteit niet verder ter beschikking stellen van andere ondernemingen die conform artikel 4, 1°, nummers kunnen reserveren en gebruiksrechten voor nummers kunnen verkrijgen en uitoefenen, tenzij de inbezitgestelde ter gelegenheid van de notificatie bewijst dat dit verbod de bestaande of voorgenomen dienstverlening op ernstige wijze bemoeilijkt of onmogelijk maakt en hij een contractueel document tussen de oorspronkelijke houder, de inbezitgestelde en de andere bij de dienstverlening betrokken partijen aan het Instituut ter goedkeuring voorlegt, waarin de respectievelijke rechten en plichten van die partijen op afdoende wijze worden geregeld.
  Indien het Instituut vaststelt dat de voorwaarden vastgelegd in deze paragraaf niet nageleefd worden, kan het, in toepassing van artikel 82 of 83 de teruggave van de betrokken nummers aan de oorspronkelijke houder bevelen.
  De oorspronkelijke houder deelt de eventuele wijzigingen op het vlak van de overeenkomstig deze paragraaf verstrekte informatie tijdig mee aan het Instituut. De stopzetting van de inbezitstelling wordt drie werkdagen voorafgaand aan de effectieve stopzetting door de oorspronkelijke houder aan het Instituut meegedeeld.
  § 2. Gedurende een periode van 3 maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze paragraaf, kunnen, in afwijking van § 1, ook personen die vóór de inwerkingtreding van artikel 9 van de Wet niet verplicht waren om een vergunning te bekomen of een kennisgeving of aangifte te verrichten om elektronische-communicatienetwerken en -diensten aan te bieden of door te verkopen en die vóór de inwerkingtreding van dit besluit in het bezit zijn gesteld van nummercapaciteit die toegewezen werd aan een andere operator of dienstenleverancier een notificatie in de zin van § 1 verrichten.
  De inbezitstelling van de betrokken nummercapaciteit kan enkel aanvaard worden op voorwaarde dat :
  1° de inbezitgestelde een kennisgeving verricht heeft overeenkomstig artikel 9 van de Wet;
  2° de betrokken nummercapaciteit nog steeds geldig toegewezen is;
  3° de inbezitgestelde de nummercapaciteit waarvan de regularisatie gevraagd wordt via een aangetekend schrijven notificeert aan het Instituut, met opgave van de naam en het adres of de maatschappelijke zetel van de onderneming die hem in het bezit gesteld heeft van de betrokken nummercapaciteit en met opgave van het voorgenomen of daadwerkelijke gebruik van de betrokken nummercapaciteit;
  4° de inbezitgestelde in zijn notificatie het bewijs voorlegt van de overeenkomst met de andere bij de overdracht betrokken partij of partijen tot overdracht van de betrokken nummercapaciteit, alsmede het bewijs van de datum van inbezitstelling van de betrokken nummercapaciteit;
  5° de aanvrager in zijn notificatie een kopie voorlegt van het document waarin hij de andere bij de overdracht betrokken partij of partijen in kennis stelt van de notificatie bij het Instituut;
  6° de inbezitgestelde voor binnenkomende oproepen het netwerk gebruikt van de oorspronkelijke houder;
  7° de inbezitgestelde van de betrokken nummercapaciteit voldoet aan alle andere voorwaarden inzake de reservatie en toewijzing van nummercapaciteit;
  Indien het Instituut de notificatie niet aanvaardt of indien de notificatie niet wordt ingediend gedurende de periode vermeld in het eerste lid, vervallen de gebruiksrechten van de inbezitgestelde met betrekking tot de betrokken nummercapaciteit en blijft de onderneming die bij het Instituut geregistreerd staat als de houder van de betrokken nummercapaciteit verantwoordelijk voor de naleving van alle wettelijke en reglementaire verplichtingen in verband met die nummercapaciteit.
  Het Instituut weigert de notificatie wanneer uit de aanvraag blijkt dat zij werd ingediend met het oog op het omzeilen van de regels vervat in dit besluit.
  Het tweede lid en de leden 5 tot en met 7 van § 1 zijn van toepassing op de inbezitstelling die genotificeerd wordt overeenkomstig deze paragraaf.
  § 3 De overdracht van het geheel van de nummercapaciteit die een operator of een persoon bedoeld in artikel 4, 2°, van het Instituut heeft verkregen met het oog op de exploitatie van een welbepaalde elektronische-communicatiedienst is enkel mogelijk voor zover :
  1° de aanvrager de exploitatie van de dienst waarvoor nummercapaciteit is toegekend afstaat of stopzet;
  2° de afstand of stopzetting van de exploitatie van de dienst waarvoor de betrokken nummercapaciteit is toegekend ingegeven is door een andere aantoonbare reden dan omwille van de overdracht van de betrokken nummercapaciteit;
  3° de cessionaris zelf gemachtigd is de betrokken dienst uit te baten;
  4° het Instituut hiervoor zijn toestemming heeft gegeven.
  § 4. De aanvrager die een natuurlijk persoon of een rechtspersoon vertegenwoordigt specifieert zijn titel en rechtvaardigt zijn mandaat.
  Art. 6. De personen bedoeld in artikel 4, 1°, kunnen enkel uit de aan hen toegewezen of geldig ter beschikking gestelde nummercapaciteit verder nummers toewijzen aan hun gebruikers.
  Art. 7. Indien een operator, zonder afbreuk te doen aan zijn verplichtingen in verband met het waarborgen van eind-tot-eind-verbindingen, geen toegang geeft tot diensten die gebruik maken van de nummers uit de reeksen die vastgesteld worden in dit besluit of krachtens artikel 11, § 3 of § 5 van de Wet, dan mogen de oproepen naar deze nummers niet worden onderschept met als doel om door te verwijzen naar eigen diensten of diensten van dochterondernemingen of commerciële partners. Er mag enkel een boodschap gegeven worden waarin gemeld wordt dat de betrokken operator geen toegang geeft tot de betrokken dienst.
  Art. 8. Met uitzondering van eindgebruikers van mobiele elektronische- communicatiediensten in roaming-toestand en het nomadisch gebruik van nummers van andere landen die de nomadiciteit van nationale elektronische- communicatiediensten buiten de landsgrenzen eveneens aanvaarden onder voorwaarden die gelijk of gelijkaardig zijn aan de voorwaarden waaronder nomadiciteit in dit besluit aanvaard wordt, mogen eindgebruikers van elektronische-communicatiediensten op het Belgische grondgebied enkel geïdentificeerd worden door gebruik te maken van capaciteit uit de nationale nummerplannen.
  De Minister kan, in het kader van Europese of internationale ontwikkelingen, verdere uitzonderingen op het principe van het eerste lid vaststellen.
  Art. 9. Capaciteit uit een nationaal nummerplan kan geen eigendom worden van de aanvragers noch van de gebruikers. Ze kan niet worden beschermd door industrieel of intellectueel eigendomsrecht.
  HOOFDSTUK III. - De toekenning van nummercapaciteit.
  Afdeling 1. - Algemene procedures.
  Onderafdeling 1. - De reservatie.
  Art. 10. § 1. Het Instituut onderzoekt elke aanvraag voor reservatie van nummercapaciteit voor toepassingen of diensten waarvoor conform de bepalingen van dit besluit de nummerplannen vastgelegd en in werking getreden zijn, indien voldaan is aan volgende voorwaarden :
  1° de aanvraag wordt gedaan bij een aangetekende brief aan het Instituut en moet gedagtekend en ondertekend zijn door of in naam en voor rekening van de persoon die de nummercapaciteit wenst te exploiteren;
  2° de aanvrager die een natuurlijk persoon of een rechtspersoon vertegenwoordigt, specifieert zijn titel en rechtvaardigt zijn mandaat;
  3° de aanvraag bevat de naam van de aanvrager, het volledige adres of de maatschappelijke zetel van deze persoon alsook in voorkomend geval het adres van waaruit de exploitatie in België zal plaatsvinden;
  4° de dossierkosten bestemd om de kosten te dekken van het onderzoek van de reservatie-aanvraag, bepaald in artikel 84 van dit besluit, zijn voorafgaandelijk aan het Instituut betaald;
  5° de aanvraag bevat alle informatie zoals bepaald in volgend lid.
  Teneinde het Instituut toe te laten het onderzoek te voeren volgens de criteria opgesomd in het derde lid, stelt de aanvrager gratis de volgende informatie, die als vertrouwelijk zal worden beschouwd, ter beschikking :
  1° een duidelijke opgave van de gewenste soort en hoeveelheid nummercapaciteit;
  2° een omstandige omschrijving van :
  - de diensten en toepassingen die van deze nummercapaciteit gebruik maken;
  - de technische netwerkelementen en hun onderlinge relatie;
  - de te hanteren routeringsprincipes;
  - de toekomstige behoeften aan nummercapaciteit;
  - de tariferingsprincipes, indien de aanvrager dit relevant vindt;
  - de principes die de aanvrager zal hanteren om de verkregen nummercapaciteit verder toe te wijzen aan zijn eindgebruikers;
  3° de demonstratie door de aanvrager dat er geen volwaardige technische en/of commercieel aanvaardbare alternatieven zijn om zijn diensten en toepassingen te exploiteren dan met de aangevraagde nummercapaciteit;
  4° de evolutie in de tijd van de gevraagde informatie in 2°;
  De aanvraag zal door het Instituut worden geëvalueerd aan de hand van volgende criteria :
  1° het daadwerkelijk gebruik en efficiënt beheer van de gevraagde nummercapaciteit als beperkte hulpbron;
  2° de behoefte om voldoende nummercapaciteit beschikbaar te hebben om te anticiperen op toekomstige vereisten;
  3° het streven naar een zo groot mogelijke compatibiliteit tussen de nummerbehoeften van de verschillende aanvragers;
  4° de reeds door de aanvrager verkregen reservaties;
  5° de mogelijkheid om te voldoen aan Europese en internationale ontwikkelingen;
  6° de mogelijkheid om te voldoen aan relevante internationale akkoorden, aanbevelingen en standaards;
  7° de technische beperkingen en praktische uitvoerbaarheid;
  8° de impact op andere aanvragers;
  9° de eventuele kosten;
  10° de impact op de routering;
  11° de impact inzake tariferingsprincipes;
  12° de geografische impact;
  13° de mogelijke alternatieven;
  14° de belangen van de eindgebruiker inclusief de gebruiksvriendelijkheid;
  15° de specifieke vereisten van de nooddiensten;
  16° de commerciële impact;
  17° ieder ander criterium vastgesteld krachtens artikel 11, § 3 of § 5, van de Wet.
  Nummercapaciteit kan niet worden gereserveerd als niet wordt voldaan aan de bepalingen van dit besluit of de voorwaarden en criteria vastgesteld krachtens artikel 11, § 3 en 5, van de Wet.
  § 2. Indien het Instituut de aanvraag inwilligt wordt de nummercapaciteit gereserveerd door middel van een nummercertificaat, dat onder meer de termijn vaststelt binnen dewelke de gereserveerde nummercapaciteit door andere operatoren in hun netwerken dient ingevoerd te worden. Bijgevolg kan de nummercapaciteit enkel worden toegewezen aan de oorspronkelijke aanvrager en voor de in zijn aanvraag gespecificeerde doeleinden. Als reserveringsdatum wordt de datum genomen van de geldige aanvraag.
  Art. 11. De reservatie kan door de aanvrager zelf opgezegd worden door middel van een schrijven gericht aan het Instituut.
  Art. 12. De reservatie vervalt automatisch één jaar na de reserveringsdatum indien binnen deze periode geen effectieve toewijzing of verlenging overeenkomstig artikel 14 heeft plaatsgevonden.
  Art. 13. Indien twee of meer aanvragers dezelfde nummercapaciteit aanvragen, gaan de primaire rechten naar de aanvrager die als eerste in de tijd een geldige aanvraag heeft gedaan.
  Indien op dezelfde dag verscheidene geldige aanvragen voor dezelfde nummercapaciteit worden ingediend, zal het Instituut voor de toekenning van de primaire, secundaire, tertiaire en volgende rechten een poging tot verzoening organiseren.
  Indien een verzoening niet mogelijk is, organiseert het Instituut een lottrekking.
  In afwijking van het eerste lid kan eenzelfde SMS of MMS nummer als bedoeld in artikel 71 en 72 door verschillende aanvragers aangevraagd worden en aan verschillende aanvragers toegekend worden, op voorwaarde dat de aanvragers toezeggen dit nummer op gecoördineerde wijze in dienst te stellen op hun individuele netwerk.
  Art. 14. Een reeds verkregen reservatie kan maximaal tweemaal met één jaar worden verlengd, mits opnieuw een geldige aanvraag wordt gedaan ten laatste één maand voor het vervallen van de vorige reservatie. Op de aanvraag tot verlenging van een reservatie zijn dezelfde principes, criteria en voorwaarden van toepassing als op een aanvraag tot reservatie. Indien het Instituut de aanvraag tot verlenging inwilligt, dan wordt de datum van de eerste reservatie genomen als reserveringsdatum.
  Art. 15. Het Instituut maakt zijn beslissing aangaande de aanvraag tot reservatie, de aanvraag tot verlenging van een reeds verkregen reservatie of aangaande de notificatie zoals voorzien in artikel 5, aan de aanvrager bekend binnen een termijn van drie weken na de datum van ontvangst van een volledige aanvraag.
  Indien het Instituut van oordeel is dat de aanvraag onvolledig is of indien het bijkomende inlichtingen of verduidelijkingen wenst, brengt het de aanvrager daarvan op de hoogte. De termijn waarover het Instituut beschikt op grond van vorig lid, wordt opgeschort gedurende de periode die de aanvrager nodig heeft om zijn aanvraag aan te passen. Die periode mag niet langer zijn dan één maand. Indien de aanvrager na afloop van deze periode zijn aanvraag niet heeft aangepast, wordt zijn aanvraag als onbestaande beschouwd.
  Art. 16. Een weigering van reservatie geeft geen recht tot terugbetaling van de dossierkosten.
  Art. 17. Eventuele wijzigingen op het vlak van de overeenkomstig artikel 10, § 1, tweede lid, verstrekte informatie worden tijdig aan het Instituut meegedeeld.
  Art. 18. Een aanvraag tot reservatie van nummercapaciteit voor een bepaalde termijn dient te voldoen aan de voorwaarden van dit Hoofdstuk maar is steeds ondergeschikt in prioriteit, indien er op dezelfde datum meerdere aanvragen voor dezelfde nummercapaciteit ontvangen worden.
  Een reservatie van nummercapaciteit voor een bepaalde termijn geldt voor een periode van maximaal zes maanden. Een dergelijke reservatie kan niet verlengd worden.
  Het jaarlijks recht bepaald in artikel 84 van dit besluit wordt, ongeacht de termijn waarvoor de reservatie geldt, steeds gehalveerd, behalve ingeval van een beroep op de spoedprocedure, voorzien in artikel 21.
  Onderafdeling 2. - De toewijzing.
  Art. 19. De nummercapaciteit wordt slechts toegewezen indien binnen de reserveringsperiode de nummercapaciteit effectief in gebruik wordt genomen voor de opgegeven doeleinden. De datum van ingebruikneming wordt minstens drie dagen voordien schriftelijk meegedeeld aan het Instituut.
  De toewijzing van nummercapaciteit blijft slechts geldig indien tegelijk aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
  1° de toegewezen nummercapaciteit wordt enkel gebruikt voor de doelstellingen gespecificeerd in de oorspronkelijke aanvraag;
  2° de eventuele verdere toewijzing aan de eindgebruiker wordt gecontroleerd door de originele aanvrager;
  3° de verplichtingen inzake nummeroverdraagbaarheid worden nageleefd;
  4° de toezeggingen die de persoon die de reservatie heeft verkregen in de loop van de procedure heeft gedaan worden nageleefd;
  5° de houder van de nummercapaciteit zorgt ervoor dat de weergave van het nummer voor de opgeroepene die meegestuurd wordt met de oproep hetzelfde is als het oproepnummer toegewezen aan de oproeplijn, tenzij de houder bewijst dat dit technisch niet haalbaar is. Ingeval van doorschakeling, wordt het nummer dat gebruikt wordt door de oproeper weergegeven;
  6° de eventuele verdere toewijzing aan de eindgebruiker gebeurt conform de bepalingen van dit besluit, het nummerplan zoals vastgesteld of nader uitgewerkt door het Instituut en, in voorkomend geval, conform het besluit genomen krachtens artikel 11, § 3, van de Wet;
  7° de jaarlijkse rechten worden vereffend volgens de nadere regels bepaald in artikel 84 van dit besluit;
  8° de aanvrager houdt een statistiek bij over het gebruikte percentage van de toegewezen nummercapaciteit en levert die periodiek, volgens de regels vastgesteld door het Instituut, aan deze laatste.
  9° in voorkomend geval, de verplichtingen inzake inbezitstelling worden nagekomen.
  Art. 20. De toewijzing kan door de aanvrager zelf opgezegd worden door middel van een schrijven gericht aan het Instituut.
  Indien nummercapaciteit op het ogenblik van de toewijzing toegewezen werd aan een grotere standaardgrootte van de nummercapaciteit dan volgens de bepalingen van dit besluit en enkel voor wat betreft de geografische nummerzones en de andere niet-geografische dienstidentiteiten waarvoor door het Instituut een schaarste werd vastgesteld dan kan de aanvrager de niet in gebruik genomen blokken van nummers die overeenstemmen met de standaardgrootte van de nummercapaciteit volgens de bepalingen van dit besluit terug ter beschikking stellen van het Instituut.
  Afdeling 2. - Bijzondere procedures.
  Onderafdeling 1. - Spoedprocedure.
  Art. 21. Voor de dienstidentiteiten die het Instituut aanduidt, kan de reservatie van gebruiksrechten, op verzoek van de aanvrager in afwijking van artikel 15, eerste lid, van dit besluit, plaatsvinden binnen een termijn van 7 werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van een volledige aanvraag.
  Wanneer er door de aanvrager een beroep op deze procedure gedaan wordt, worden de dossierkosten voor de reservatie, bepaald in artikel 84, per nummercapaciteit die overeenkomt met de standaardgrootte van de nummercapaciteit vastgelegd in dit besluit, verhoogd met 200 EUR.
  Onderafdeling 2. - Toekenning van gebruiksrechten voor nummers met een bijzondere economische waarde.
  Art. 22. De toekenning van de gebruiksrechten voor de in bijlage 1 opgenomen nummers gebeurt overeenkomstig artikel 11, § 5, van de Wet.
  Het Instituut stelt de lijst vast van de nummers met een bijzondere economische waarde die voortvloeien uit een nieuw of gewijzigd nummerplan, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk V. De toekenning van gebruiksrechten voor deze nummers gebeurt eveneens overeenkomstig artikel 11, § 5, van de Wet.
  Onderafdeling 3. - Nummerblokoverdraagbaarheid.
  Art. 23. Nummerblokoverdraagbaarheid is de overdracht van een door het Instituut toegewezen volledig nummerblok uit een Belgisch nationaal nummerplan van de operator die houder is van het betrokken nummerblok naar de operator waarnaar tengevolge van de nummeroverdraagbaarheid een groot aantal nummers uit dat nummerblok zijn overgedragen, met als doel globale kostenminimalisatie en routeringsefficiëntie te bereiken.
  Art. 24. Nummerblokoverdraagbaarheid kan enkel plaatsvinden indien een operator volgens de nadere regels van deze onderafdeling een volledige aanvraag richt aan het Instituut en indien het Instituut deze aanvraag inwilligt.
  Art. 25. § 1. Een aanvraag voor nummerblokoverdraagbaarheid is pas volledig wanneer zij de volgende inlichtingen bevat :
  l° de naam van de aanvrager alsook zijn adres of maatschappelijke zetel;
  2° de opsomming van de nummerblokken waarvoor de aanvrager nummerblokoverdraagbaarheid wenst;
  3° een beschrijving van de kosten van de technische uitvoering van de nummerblokoverdraagbaarheid;
  4° het aantal overgedragen nummers binnen de nummerblokken waarvoor de aanvrager nummerblokoverdraagbaarheid wenst.
  § 2. De aanvraag wordt gedaan bij een schrijven gericht aan het Instituut door de operator aan wie de gebruiksrechten voor het nummerblok werden toegewezen of de operator die de gebruiksrechten voor het blok wenst te bekomen of door beiden samen. Zij is gedagtekend en ondertekend door of in naam van de aanvrager(s).
  De aanvrager die een natuurlijk persoon of een rechtspersoon vertegenwoordigt specifieert zijn titel en rechtvaardigt zijn mandaat.
  Art. 26. De operator aan wie de gebruiksrechten voor het nummerblok waarvoor nummerblokoverdraagbaarheid wordt aangevraagd toegewezen zijn of de operator aan wie de gebruiksrechten voor het nummerblok mogelijk zullen worden toegewezen en andere betrokkenen stellen indien dit nodig mocht zijn, de volgende informatie ter beschikking van het Instituut :
  1° het aantal nummers die in het nummerblok in gebruik zijn;
  2° de beschrijving van de kosten van de technische uitvoering van de nummerblokoverdraagbaarheid;
  3° het aantal overgedragen nummers binnen de nummerblokken waarvoor de nummerblokoverdraagbaarheid gevraagd wordt.
  Het Instituut bepaalt de termijn waarbinnen deze informatie ter beschikking wordt gesteld.
  Art. 27. Het Instituut evalueert de aanvraag aan de hand van de volgende criteria :
  1° de globale kostenminimalisatie;
  2° de globale routeringsefficiëntie en de stabiliteit van de routering;
  3° het uitblijven van een negatief effect op de diensten en faciliteiten die beschikbaar zijn voor de abonnees van de operator van waaruit het nummerblok zal worden overgedragen na de intrekking van de gebruiksrechten voor het betrokken nummerblok.
  Art. 28. Indien het Instituut de aanvraag inwilligt worden de gebruiksrechten voor het nummerblok teruggetrokken van de operator waaraan die gebruiksrechten waren toegewezen. De gebruiksrechten voor het betrokken nummerblok worden toegekend aan de begunstigde operator op de datum bepaald door het Instituut na overleg met de betrokken operatoren. Het Instituut licht de betrokken operatoren in over zijn beslissing.
  Art. 29. Rechten op nummerblokoverdraagbaarheid zijn prioritair ten opzichte van secundaire, tertiaire en volgende reserveringsrechten.
  Art. 30. Met de overdracht van een nummerblok gaan alle rechten en plichten verbonden aan het nummerblok over naar de nieuwe houder van het nummerblok.
  Onderafdeling 4. - De eenmalige procedure van voorintekening met het oog op de reservatie van SMS en MMS korte nummers.
  Art. 31. Gedurende een periode gaande van de inwerkingtreding van dit besluit tot op het ogenblik waarop de datum van inwerkingtreding van Afdeling 4 van Hoofdstuk VI minder dan vier maanden verwijderd is, kunnen aanvragen tot reservatie van SMS of MMS korte nummers bij het Instituut ingediend worden vóór het van kracht worden van het nummerplan, vastgesteld in Afdeling 4 van Hoofdstuk VI.
  Een aanvraag die overeenkomstig de bepalingen van dit Hoofdstuk geldig ingediend werd gedurende de periode bedoeld in het vorige lid komt in aanmerking voor een reservatie op de datum van inwerkingtreding van Afdeling 4 van Hoofdstuk VI.
  Dit artikel is van toepassing onverminderd artikel 13, laatste lid van dit besluit.
  Art. 32. Indien gedurende de in het artikel 31, eerste lid, bepaalde periode verscheidene geldige aanvragen voor hetzelfde SMS of MMS kort nummer worden ingediend, verleent het Instituut de primaire rechten aan de aanvrager die in zijn aanvraag bewijst dat :
  1° hij de legitieme houder is van het betrokken SMS of MMS kort nummer;
  2° het betrokken nummer op het ogenblik van de aanvraag uitgebaat wordt conform de principes die van toepassing zullen zijn op het ogenblik dat Afdeling 4 van Hoofdstuk VI in werking treedt.
  Indien geen van de aanvragers het bewijs bedoeld in het vorige lid levert, organiseert het Instituut, ongeacht de data van indiening van de aanvragen, voor de toekenning van de primaire, secundaire, tertiaire en volgende rechten een poging tot verzoening.
  Indien een verzoening niet mogelijk is, organiseert het Instituut een lottrekking.
  Indien het SMS of MMS kort nummer behoort tot één van de categorieën bedoeld in artikel 84, § 3, 1° en 2°, kan de lottrekking enkel georganiseerd worden indien alle aanvragers hiermee akkoord gaan. Indien het Instituut binnen de termijn die het bepaalt geen dergelijk akkoord vaststelt, gebeurt de toekenning van de gebruiksrechten voor het betrokken nummer overeenkomstig artikel 11, § 5, van de Wet.
  De procedure bepaald in de vorige leden is niet van toepassing indien meerdere operatoren een aanvraag tot reservatie van eenzelfde nummercapaciteit bedoeld in de artikelen 71 en 72 binnen een tijdsbestek van maximum drie werkdagen bij het Instituut indienen door middel van aanvragen, die voldoen aan de bepalingen van dit Hoofdstuk. Indien de aanvragen tot reservatie bedoeld in dit lid door het Instituut ingewilligd worden, leidt dit tot een gelijktijdige reservatie van de betrokken nummercapaciteit op de datum van inwerkingtreding van Afdeling 4 van Hoofdstuk VI.
  HOOFDSTUK IV. - De intrekking van nummercapaciteit.
  Art. 33. Gereserveerde of toegewezen nummercapaciteit kan door het Instituut ingetrokken worden indien :
  1° niet langer voldaan wordt aan de bepalingen van artikel 4;
  2° na het doorlopen van de procedure bepaald in artikel 82 vastgesteld wordt dat de bepalingen van dit besluit of het besluit genomen krachtens artikel 11,§ 3 of § 5, van de Wet niet worden nageleefd.
  Toegewezen nummercapaciteit kan bovendien door het Instituut ingetrokken worden, indien :
  1° de betrokken nummercapaciteit niet of niet efficiënt gebruikt wordt. Het niet efficiënt gebruik wordt getoetst aan de richtlijnen van het Instituut aangaande het efficiënt gebruik van nummers;
  2° de houder van nummercapaciteit bestemd voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken geen uitvoering geeft aan beslissingen van de Ethische Commissie voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken, waartegen geen hoger beroep meer kan ingesteld worden of omtrent dewelke het hoger beroep onontvankelijk of ongegrond verklaard werd.
  Art. 34. Het Instituut publiceert op zijn website een mededeling in verband met de overeenkomstig het vorige artikel ingetrokken nummercapaciteit. Vanaf de datum bepaald in de mededeling mogen de operatoren geen oproepen meer afwikkelen naar de ingetrokken nummers.
  Art. 35. Het Instituut bepaalt in elk van de in artikel 33 beschreven situaties de periode tijdens welke de ingetrokken nummercapaciteit niet gereserveerd mag worden.
  HOOFDSTUK V. - Het vaststellen van nieuwe nummerplannen of het wijzigen van bestaande nummerplannen.
  Art. 36. Iedere bij de nummering belanghebbende partij die van oordeel is dat door de ontwikkeling van nieuwe elektronische-communicatiediensten het vaststellen van een nieuw nationaal nummerplan of een bijsturing van de nationale nummerplannen aangewezen is, kan hiertoe een gemotiveerde aanvraag indienen bij het Instituut. Een dergelijke aanvraag wordt uiterlijk 16 weken voor één van de in het vierde lid bepaalde data ingediend.
  Het Instituut kan tevens uit eigen beweging het initiatief nemen om een nieuw nummerplan vast te stellen, een bestaand nummerplan te wijzigen of nummercapaciteit te blokkeren om te anticiperen op toekomstige vereisten.
  Een ontwerp van nieuw nummerplan of een ontwerpbesluit dat wijzigingen aanbrengt aan de rechten, voorwaarden of procedures verbonden aan een bestaand nummerplan wordt ten minste gedurende vier weken ter consultatie voorgelegd via de website van het Instituut.
  Nieuwe nummerplannen of wijzigingen aan bestaande nummerplannen kunnen slechts van kracht worden op 1 februari, 1 juni en 1 oktober van elk jaar.
  Het besluit tot vaststelling van nieuwe nummerplannen of tot wijziging van bestaande nummerplannen wordt uiterlijk twee weken vóór de data vermeld in het vorige lid gepubliceerd op de website van het Instituut.
  Art. 37. Aanvragen voor nummercapaciteit uit de nummerplannen die het voorwerp zijn van een consultatie met het oog op de herziening van dat nummerplan en die werden ingediend na de datum waarop het Instituut beslist heeft om de consultatie te lanceren worden opgeschort en worden geacht ingediend te zijn op de datum vermeld in artikel 36, vierde lid, die in tijd volgt op de datum van de initiële aanvraag.
  Indien nodig kan het Instituut de aanvrager verzoeken de initiële aanvraag aan te passen of kan de aanvrager zulks op eigen initiatief doen.
  Art. 38. Indien het Instituut beslist om het nummerplan te wijzigen dan kan het, indien nodig, alle reservaties en toegewezen nummercapaciteit automatisch omzetten naar het nieuwe nummerplan.
  Art. 39. Ingeval van wijziging van het nummerplan moeten de personen die gebruiksrechten voor nummers uitoefenen :
  1° hun eindgebruikers uitgebreid hierover informeren;
  2° gedurende een periode bepaald door het Instituut van minimum drie maanden tot maximum één jaar gratis een dienst aanbieden die informatie levert over de verandering van het oproepnummer. De oproeper die een oproep pleegt naar het oude nummer wordt door deze dienst minstens geïnformeerd over het nieuwe nummer.
  HOOFDSTUK VI. - Basiselementen van enkele nummerplannen.
  Afdeling 1. - Het nummerplan voor telefoondiensten.
  Onderafdeling 1. - Algemeen.
  Art. 40. Het internationale nummerplan voor de telefoondienst is vastgesteld door de Internationale Telecommunicatie Unie in de reeks E- aanbevelingen. De landencode die de Internationale Telecommunicatie Unie aan België heeft toegekend is " 32 ". De prefix voor het tot stand brengen van internationale oproepen is " 00 ".
  Art. 41. De Minister stelt na advies van het Instituut het kiesplan voor het tot stand brengen van oproepen naar de in deze afdeling bedoelde nummers vast.
  Onderafdeling 2. - Principes van toepassing op geografische nationale E.164 nummers.
  Art. 42. Een geografisch nationaal E.164 nummer bevat een geografische dienstidentiteit die een door de Minister, op voorstel van het Instituut, gedefinieerd, geografisch deelgebied van België karakteriseert.
  De Minister kan, op voorstel van het Instituut en na consultatie van de operatoren, de geografische grenzen van de geografische dienst- identiteit (hierna ook " de nummerzone " genoemd) wijzigen. Vooraleer het zijn voorstel aan de Minister overmaakt raadpleegt het Instituut alle betrokken operatoren.
  Nummercapaciteit beschikbaar achter de dienstidentiteit bedoeld in dit artikel is individueel reserveerbaar per reeks van 10.000 nummers.
  In afwijking van het vorige lid is nummercapaciteit beschikbaar achter de dienstidentiteit bedoeld in dit artikel individueel reserveerbaar per reeks van 1000 nummers in de nummerzones waar het Instituut schaarste heeft vastgesteld.
  Art. 43.De geografische nationale E.164 nummers worden toegewezen voor diensten met geografische betekenis. Geografische nationale E.164 nummers uit een welbepaalde nummerzone mogen enkel worden toegewezen aan eindgebruikers waarvan de aansluiting zich fysiek bevindt binnen de grenzen van deze nummerzone.
  Oproepen naar een geografisch nationaal E.164 nummer termineren op de fysieke locatie van het netwerkaansluitpunt van de eindgebruiker tenzij deze worden doorgeschakeld naar een ander nummer of het nummer nomadisch gebruikt wordt.
  Ingeval van doorschakeling of nomadisch gebruik bedraagt de kostprijs van het gesprek voor de oproepende partij evenveel als de kostprijs van een gesprek naar een ander geografisch nummer van hetzelfde type.
  [1 ...]1 Geografische nationale E.164 nummers mogen gebruikt worden voor nomadische diensten op voorwaarde dat :
  1° de houder van het nummer, zowel op het ogenblik van de verdere toewijzing aan de abonnee als gedurende de periode dat de abonnee het nummer gebruikt, waarborgt dat de geografische dienstidentiteit van het aan de abonnee toegewezen nationale E.164 nummer correspondeert met het door de abonnee opgegeven adres, waarbij dit adres duidelijk en aan de hand van objectieve gegevens gerelateerd is aan de abonnee;
  2° de operator de abonnee uitdrukkelijk [1 ...]1 het [1 aangaan]1 van het contract [1 of het aanpassen van het contract met het oog op het leveren van nomadische diensten]1 en daarna minstens [1 vier]1 maal per jaar op individuele wijze wijst op de beperkingen inzake, naargelang het geval, de bereikbaarheid van de nooddiensten die gebruik maken van de nationale korte nummers 100, 101 en 112 of de fysieke lokalisatie van de oproeper indien er met het betrokken geografisch nummer oproepen worden gemaakt naar de nationale korte nummers 100, 101 en 112 van bepaalde nooddiensten in België [1 De informatie die gegeven wordt bij het aangaan of het aanpassen van het contract wordt duidelijk zichtbaar en leesbaar op de voorzijde van het eerste blad vermeld]1;
  3° de operator de door de abonnee gevraagde overdracht van het nummer naar een andere operator van een openbare telefoondienst aangeboden op een vaste locatie of naar een andere operator die het gebruik van geografische nationale E.164 nummers voor nomadische diensten toestaat mogelijk maakt.
  De operatoren die houder zijn van nationale geografische E.164 nummers en die hun abonnees toestaan om die nummers op nomadische wijze te gebruiken blokkeren de mogelijkheid voor hun eindgebruikers om met deze nummers op het Belgisch grondgebied oproepen naar de nationale korte nummers 100, 101 en 112 te maken, zolang de medewerking van deze operatoren met de beheerscentrales van de medische spoeddienst en de politiediensten inzake de identificatie van de oproeper niet verzekerd is conform de nadere regels vastgesteld in uitvoering van artikel 107, § 3, van de Wet.
  In afwijking van het vorige lid mogen oproepen naar de in het vorige lid vermelde nooddiensten door de houder van het nationale geografische E.164 nummer toegelaten worden indien de desbetreffende houder onder alle omstandigheden de in dit lid bedoelde identificatie van de oproeper en de correcte routering kan verzekeren.
  ----------
  (1)<KB 2009-03-24/44, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  Onderafdeling 3. - Principes van toepassing op niet-geografische nationale E.164 nummers.
  Art. 44. Een niet-geografisch nationaal E.164 nummer bestaat uit een dienstidentiteit van twee of drie cijfers.
  Art. 45. De dienstidentiteit 800 wordt gebruikt voor het aanbieden van diensten waarvan de gesprekskosten voor oproepen naar dergelijke nummers volledig worden gedragen door de opgeroepene.
  Nummercapaciteit beschikbaar achter de dienstidentiteit bedoeld in dit artikel is individueel reserveerbaar per reeks van 1.000 nummers.
  Art. 46. De dienstidentiteit 79 7 kan tot en met 31 december 2011 gebruikt worden voor het aanbieden van inbeldiensten op het Internet volgens het collecting model. Het collectingmodel staat aanbieders van inbelinternettoegang of operatoren die inbelinternettoegang aanbieden toe om de toegang tot het Internet via een inbeldienst te factureren, los van de operator die het telefoonabonnement factureert of de aanbieder van een carrier selectie- of preselectiedienst.
  Nummercapaciteit beschikbaar achter de dienstidentiteit bedoeld in dit artikel is individueel reserveerbaar per reeks van 10.000 nummers.
  De dienstidentiteit 79 7, aangekozen door voorafgaande vorming van de nationale prefix '0', wordt definitief uit dienst genomen op 1 januari 2012.
  Art. 47. De dienstidentiteit 78 wordt gebruikt voor het aanbieden van diensten waarbij de opgeroepene geen identificatie wenst van zijn fysieke lokalisatie.
  Nummercapaciteit beschikbaar achter de dienstidentiteit bedoeld in dit artikel is individueel reserveerbaar per reeks van 10.000 nummers.
  De aanvrager is verplicht ervoor te zorgen dat het eindgebruikerstarief van een oproep naar een nummer bedoeld in dit artikel nooit hoger is dan het standaard eindgebruikerstarief dat de abonnee aangerekend krijgt van zijn operator voor een standaardgesprek naar een Belgisch geografisch E.164 nummer.
  Art. 48.[1 De dienstidentiteit 70 wordt gebruikt voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken, waarvan het eindgebruikerstarief aangerekend voor oproepen uitgaande van om het even welk elektronische-communicatienetwerk, maximaal 30 eurocent per minuut bedraagt.
   Nummercapaciteit beschikbaar achter de dienstidentiteit bedoeld in dit artikel is individueel reserveerbaar per reeks van 10.000 nummers.
   De volgende diensten mogen niet aangeboden worden onder de nummers bedoeld in dit artikel :
   1° specifiek voor meerderjarigen bestemde betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken;
   2° betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken waarmee toegang wordt gegeven tot spelletjes, wedstrijden of kwissen of die het mogelijk maken te betalen voor beltonen, logo's of andere ontspanningsproducten of Bdiensten, die geleverd worden tijdens de oproep of als direct gevolg hiervan.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-24/44, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  Art. 49.De dienstidentiteit 77 kan tot en met de inwerkingtreding van artikel 50 gebruikt worden voor het aanbieden van specifiek voor [1 meerderjarigen ]1 bestemde betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken.
  Nummercapaciteit beschikbaar achter de dienstidentiteit bedoeld in dit artikel is individueel reserveerbaar per reeks van 1.000 nummers.
  De dienstidentiteit 77 wordt definitief uit dienst genomen op het ogenblik dat artikel 50 in werking treedt.
  Het Instituut kan, indien nodig, alle reservaties en toegewezen nummercapaciteit in de diensidentiteit 77 automatisch omzetten naar de nummerreeks met de cijfers '06' volgend op de dienstidentiteit 9.
  ----------
  (1)<KB 2009-03-24/44, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 02-05-2009>
  Art. 50. § 1. De dienstidentiteit 9 gevolgd door twee cijfers wordt, naast de dienstidentiteit 70, gebruikt voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken. Het eerste cijfer dat volgt op de dienstidentiteit 9 kan echter niet '2' of '3' zijn.
  Nummercapaciteit beschikbaar achter de dienstidentiteit bedoeld in dit artikel is individueel reserveerbaar per reeks van 1.000 nummers.
  De twee cijfers die volgen op de dienstidentiteit 9 geven een aanduiding van het al dan niet tijdsgebonden karakter van het eindgebruikerstarief en van de aard van de betalende dienst.
  § 2. [1 Indien het hoogste eindgebruikerstarief dat in de sector van de elektronische communicatie toegepast wordt op een nationale oproep naar een betalende dienst via een elektronischecommunicatienetwerk uitgaande van om het even welk elektronische-communicatienetwerk meer dan 1 euro per oproep of meer dan 1 euro per minuut bedraagt, wordt door de aanbieder van de betalende dienst via een elektronische-communicatienetwerk vóór het aanbieden van de betalende dienst het hoogste eindgebruikerstarief dat in de sector van de elektronische-communicatie toegepast wordt, duidelijk vermeld. De melding wordt gegeven, ongeacht of het nummer van de lijn die toegang verleent tot de dienst manueel wordt gevormd door de eindgebruiker of automatisch door het eindapparaat, dat de eindgebruiker hanteert. Indien het eindgebruikerstarief varieert afhankelijk van het uur of de dag, vermeldt het bericht dat de prijs van de oproep meedeelt minstens het hoogste eindgebruikerstarief.
   Indien het tarief bedoeld in het vorige lid betrekking heeft op een betalende dienst via een elektronische-communicatienetwerk, die gebruikt maakt van spraak, met inbegrip van diensten die gebruik maken van een automatisch " Interactive Voice Response "-systeem, wordt het hoogste toegepaste eindgebruikerstarief minstens duidelijk verstaanbaar vermeld door de aanbieder van de betalende dienst. Na de vermelding van het hoogste toegepaste eindgebruikerstarief en de melding dat de oproep na het beepsignaal betalend wordt, wordt voldoende tijd gelaten aan de eindgebruiker om hem de keuze te geven om de oproep te beëindigen. Indien de eindgebruiker de oproep beëindigt voor het beepsignaal, mag de operator de abonnee niets factureren.
   Indien het tarief bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een betalende dienst via een elektronische-communicatienetwerk, die geen gebruik maakt van spraak, zoals toegang tot het Internet via een betaalnummer gevormd door een modem, wordt de verbinding pas opgezet en gefactureerd nadat de aanbieder van de betalende dienst via een elektronische- communicatienetwerk de eindgebruiker een visuele boodschap getoond heeft, waarop het hoogste toegepaste eindgebruikerstarief en het manueel of door het eindapparaat gevormde nummer op een leesbare, goed zichtbare en ondubbelzinnige wijze meegedeeld zijn en nadat de eindgebruiker bevestigd heeft kennis genomen te hebben van het hoogste toegepaste eindgebruikerstarief en zijn akkoord heeft gegeven omtrent het gebruik van het betaalnummer.]1
   § 3. [1 Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 49, worden de nummers uit de nummerreeks met de cijfers '06' volgend op de dienstidentiteit 9 gebruikt voor het aanbieden van specifiek voor meerderjarigen bestemde betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken, waarvan het eindgebruikerstarief aangerekend voor oproepen uitgaande van om het even welk elektronische-communicatienetwerk maximaal 1 euro per minuut bedraagt.
   De nummers uit de nummerreeks met de cijfers '07' volgend op de dienstidentiteit 9 worden gebruikt voor het aanbieden van specifiek voor meerderjarigen bestemde betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken, waarvan het eindgebruikerstarief aangerekend voor oproepen uitgaande van om het even welk elektronische-communicatienetwerk maximaal 2 euro per minuut bedraagt.]1
   § 4. [1 De nummers uit de nummerreeks met de cijfers '05' volgend op de dienstidentiteit 9 worden gebruikt voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken waarmee toegang wordt gegeven tot spelletjes, wedstrijden of kwissen, met uitzondering van erotisch of seksueel getinte spelletjes, wedstrijden of kwissen, of die het mogelijk maken te betalen voor logo's, beltonen of andere ontspanningsproducten of Bdiensten, met uitzondering van erotisch of seksueel getinte logo's, beltonen of ontspanningsproducten of Bdiensten, die geleverd worden tijdens de oproep of als direct gevolg hiervan, waarvan het eindgebruikerstarief aangerekend voor oproepen uitgaande van om het even welk elektronische-communicatienetwerk maximaal 2 euro per oproep bedraagt.
   Het Instituut kan, na consultatie van de operatoren en na voorafgaande machtiging van de minister, binnen de nummerreeks met de cijfers' 05' volgend op de dienstidentiteit 9, subreeksen vaststellen voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken waaraan in uitvoering van andere wettelijke of reglementaire bepalingen bijzondere vereisten gekoppeld zijn.]1
   § 5. [1 De nummers uit de nummerreeks met de cijfers '00' volgend op de dienstidentiteit 9 worden gebruikt voor het aanbieden van betalende diensten die niet vallen onder het toepassingsgebied van paragraaf 3 en 4, waarvan het eindgebruikerstarief aangerekend voor oproepen uitgaande van om het even welk elektronische-communicatienetwerk maximaal 50 eurocent per minuut bedraagt.
   De nummers uit de nummerreeks met de cijfers '01' volgend op de dienstidentiteit 9 worden gebruikt voor het aanbieden van betalende diensten die niet vallen onder het toepassingsgebied van paragraaf 3 en 4, waarvan het eindgebruikerstarief aangerekend voor oproepen uitgaande van om het even welk elektronische-communicatienetwerk maximaal 50 eurocent per oproep bedraagt.
   De nummers uit de nummerreeks met de cijfers '02' volgend op de dienstidentiteit 9 worden gebruikt voor het aanbieden van betalende diensten die niet vallen onder het toepassingsgebied van paragraaf 3 en 4, waarvan het eindgebruikerstarief aangerekend voor oproepen uitgaande van om het even welk elektronische-communicatienetwerk maximaal 1 euro per minuut bedraagt.
   De nummers uit de nummerreeks met de cijfers '03' volgend op de dienstidentiteit 9 worden gebruikt voor het aanbieden van betalende diensten die niet vallen onder het toepassingsgebied van paragraaf 3 en 4, waarvan het eindgebruikerstarief aangerekend voor oproepen uitgaande van om het even welk elektronische-communicatienetwerk maximaal 1,5 euro per minuut bedraagt.
   De nummers uit de nummerreeks met de cijfers '04' volgend op de dienstidentiteit 9 worden gebruikt voor het aanbieden van betalende diensten die niet vallen onder het toepassingsgebied van paragraaf 3 en 4, waarvan het eindgebruikerstarief aangerekend voor oproepen uitgaande van om het even welk elektronische-communicatienetwerk maximaal 2 euro per minuut bedraagt.
   De nummers uit de nummerreeks met de cijfers '09' volgend op de dienstidentiteit 9 worden gebruikt voor het aanbieden van betalende diensten die niet vallen onder het toepassingsgebied van paragraaf 3 en 4, waarvan het totaalbedrag dat aan de abonnee aangerekend wordt voor één individuele oproep uitgaande van om het even welk elektronische-communicatienetwerk, ongeacht de maatstaf die gebruikt wordt om het eindgebruikerstarief te bepalen, niet meer bedraagt dan 31 euro. De maatstaf die gebruikt wordt om het eindgebruikerstarief te bepalen kan zowel tijdsgebonden, niet tijdsgebonden als een combinatie van beiden zijn. Bij een oproep naar deze nummers wordt de tariefboodschap voorzien in paragraaf 2 steeds gegeven, ongeacht het eindgebruikerstarief dat op de oproep van toepassing is.]1
  [1 § 6. Oproepen naar de nummers van de nummerreeksen waarvan de tarifering tijdsgebonden is worden automatisch afgebroken na 10 minuten. Deze paragraaf is niet van toepassing op de dienstidentiteit 70.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-24/44, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  Art. 51. De dienstidentiteit 4 wordt gebruikt voor het aanbieden van alle diensten die mobiliteit bieden, met inbegrip van de semafonie. Het eerste cijfer dat volgt op de dienstidentiteit 4 kan niet'2' of '3' zijn.
  Nummercapaciteit beschikbaar achter de dienstidentiteit bedoeld in dit artikel is individueel reserveerbaar per reeks van 100.000 nummers.
  Art. 52. De dienstidentiteit 76 wordt gebruikt voor het aanbieden van persoonlijke nummerdiensten aan natuurlijke personen die een vaste verblijfplaats in België hebben. De nummers met de dienstidentiteit 76, hierna ook " persoonlijke nummers " genoemd, kunnen toegewezen worden voor nomadiciteitsdiensten, doch enkel indien deze dienst verleend wordt aan natuurlijke personen die een vaste verblijfplaats in België hebben.
  Nummercapaciteit beschikbaar achter de dienstidentiteit bedoeld in dit artikel is individueel reserveerbaar per reeks van 10.000 nummers.
  De terminatie van oproepen naar deze nummers mag geschieden op basis van het Internet Protocol. Voor het afwikkelen van oproepen naar deze nummers is nummervertaling geen noodzakelijke vereiste.
  De persoonlijke nummers zijn netwerkonafhankelijk. De eindgebruiker die gebruik maakt van deze nummers hoeft niet over een uniek fysiek terminatiepunt te beschikken en kan deze nummers voor een onbepaalde periode in het buitenland gebruiken.
  Het Instituut stelt de tariefprincipes voor oproepen naar nummers bedoeld in dit artikel vast na consultatie van de operatoren.
  De nummers bedoeld in dit artikel kunnen pas gereserveerd worden nadat het besluit waarvan sprake in het vorige lid door het Instituut werd genomen.
  De operatoren die houder zijn van de nummers bedoeld in dit artikel en die hun abonnees toestaan om die nummers op nomadische wijze te gebruiken blokkeren de mogelijkheid voor hun eindgebruikers om met deze nummers op het Belgisch grondgebied oproepen naar de nationale korte nummers 100, 101 en 112 te maken, zolang de medewerking van deze operatoren met de beheerscentrales van de medische spoeddienst en de politiediensten inzake de identificatie van de oproeper niet verzekerd is conform de nadere regels vastgesteld in uitvoering van artikel 107, § 3, van de Wet.
  In afwijking van het vorige lid mogen oproepen naar de in het vorige lid vermelde nooddiensten door de houder van het nationale geografische E.164 nummer toegelaten worden indien de desbetreffende houder onder alle omstandigheden de in dit lid bedoelde identificatie van de oproeper en de correcte routering kan verzekeren.
  Art. 53. De dienstidentiteit 79 wordt gebruikt voor het opzetten en aanbieden van bedrijfsnetwerken. Een bedrijfsnetwerk in de zin van dit artikel is het geheel van al dan niet private verbindingen waarover elektronische communicatie kan worden verstuurd, waarmee vestigingen van eenzelfde onderneming die gelegen zijn op verschillende fysieke plaatsen met elkaar verbonden worden.
  Nummercapaciteit beschikbaar achter de dienstidentiteit bedoeld in dit artikel is individueel reserveerbaar per reeks van 10.000 nummers.
  De terminatie van oproepen naar de nummers die gebruik maken van de dienstidentiteit 79, hierna ook " bedrijfsnummers " genoemd, mag geschieden op basis van het Internet Protocol. Voor het afwikkelen van oproepen naar deze nummers is nummervertaling geen noodzakelijke vereiste.
  De bedrijfsnummers worden gebruikt voor het opzetten en aanbieden van al dan niet virtuele bedrijfsnetwerken met een ruim geografisch bereik tot eventueel in het buitenland. Ze kunnen eveneens gebruikt worden als uniek contactnummer van het bedrijf in kwestie. Het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken via deze nummers is verboden.
  Het Instituut stelt de tariefprincipes voor oproepen naar nummers bedoeld in dit artikel vast na consultatie van de operatoren.
  De nummers bedoeld in dit artikel kunnen pas gereserveerd worden nadat het besluit waarvan sprake in het vorige lid door het Instituut werd genomen.
  De operatoren die houder zijn van de nummers bedoeld in dit artikel en die hun abonnees toestaan om die nummers op nomadische wijze te gebruiken blokkeren de mogelijkheid voor hun eindgebruikers om met deze nummers op het Belgisch grondgebied oproepen naar de nationale korte nummers 100, 101 en 112 te maken, zolang de medewerking van deze operatoren met de beheerscentrales van de medische spoeddienst en de politiediensten inzake de identificatie van de oproeper niet verzekerd is conform de nadere regels vastgesteld in uitvoering van artikel 107, § 3, van de Wet.
  In afwijking van het vorige lid mogen oproepen naar de in het vorige lid vermelde nooddiensten door de houder van het nationale geografische E.164 nummer toegelaten worden indien de desbetreffende houder onder alle omstandigheden de in dit lid bedoelde identificatie van de oproeper en de correcte routering kan verzekeren.
  Onderafdeling 4. - Bepalingen gemeenschappelijk aan de onderafdelingen 2 en 3.
  Art. 54. De Minister bepaalt na advies van het Instituut en na consultatie van de operatoren per dienstidentiteit vermeld in de onderafdelingen 2 en 3, het aantal cijfers waaruit een nummer dat behoort tot die dienstidentiteit bestaat.
  Art. 55. Het Instituut kan, indien het schaarste heeft vastgesteld voor bepaalde geografische nummerzones of voor bepaalde niet-geografische dienstidentiteiten, nummercapaciteit toekennen in fracties van tienden of honderdsten van de standaardgrootte van de nummercapaciteit vermeld in de onderafdelingen 2 en 3.
  Art. 56. Het Instituut kan test- en routeringsnummers toewijzen aan de entiteiten bedoeld in artikel 4 van dit besluit.
  Die nummers zijn uitsluitend bedoeld voor interne toepassingen, niet toegankelijk voor het publiek en gratis.
  Afdeling 2. - Het nummerplan voor nationale korte nummers.
  Onderafdeling 1. - Algemeen.
  Art. 57. De nationale korte nummers starten met de dienstidentiteit 1 gevolgd door twee of drie cijfers.
  Onderafdeling 2. - Principes van toepassing op nationale korte driecijferige nummers.
  Art. 58. Alleen overheidsdiensten en diensten van openbaar nut zonder enig commercieel doel hebben recht op driecijferige nationale korte nummers uit de reeksen 10X of 11X met uitzondering van de nationale korte nummers die starten met 116 en 118.
  Art. 59. De nationale korte nummers 100, 101, 102, 103, 104, 106, 107, 108, 110 en 112 worden toegekend aan de nooddiensten.
  Het nationale korte nummer 105 wordt toegekend aan het Belgische Rode Kruis.
  Het Instituut kan de overige nationale korte driecijferige nummers toewijzen aan andere overheidsdiensten en diensten van openbaar nut.
  De persoon of dienst waaraan een nationaal kort driecijferig nummer toegekend wordt heeft het recht om de gebruiksrechten van het corresponderende SMS of MMS korte nummer te vragen voor het leveren van dezelfde toepassing of dienst waarvoor het nationale korte driecijferige nummer toegekend werd.
  Indien de betrokken dienst geen gebruik maakt van deze mogelijkheid, kan het SMS of MMS korte nummer dat overeenkomt met het nationale korte driecijferige nummer niet worden toegekend aan andere personen of diensten dan de persoon of dienst aan wie het nationale korte driecijferige nummer werd toegekend.
  Art. 60. De nummerreeks die start met 116 wordt gebruikt voor geharmoniseerde Europese toepassingen of diensten.
  Onderafdeling 3. - Principes van toepassing op nationale korte viercijferige nummers.
  Art. 61. De nationale korte nummers uit de reeksen 12XX, 13XX en 14XX worden gebruikt voor het aanbieden van voice mail en inlichtingendiensten.
  Naast de klassieke inlichtingendiensten die hun dienstverlening beperken tot het geven van een oproepnummer of een adres aan de personen die dit kort nummer vormen én een eventuele doorschakeling naar het opgezochte oproepnummer kunnen er faciliteiten worden aangeboden die verder gaan. Die bijkomende faciliteiten mogen niet tot gevolg hebben dat de prijs van de oproep hoger ligt dan de standaardprijs van een oproep naar een klassieke inlichtingendienst.
  Onverminderd het vorige lid mogen de nationale korte nummers uit de reeksen 12XX, 13XX en 14XX niet worden gebruikt als alternatief voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken. De uitbaters van nationale korte nummers uit de 12XX, 13XX en 14XX mogen evenmin oproepen die zij ontvangen doorschakelen naar betaalnummers.
  De nummers in deze reeksen die vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 december 1997 betreffende het beheer van het nummeringsplan toegekend werden voor het aanbieden van andere toepassingen of diensten dan het aanbieden van voice mail en inlichtingendiensten worden definitief uit dienst genomen op 1 januari 2012.
  Dit artikel doet geen afbreuk aan het gebruik en de gebruiksvoorwaarden van de nationale korte nummers 1299, 1399, 1499 en 1450, zoals bepaald in het besluit genomen op grond van artikel 11, § 7, tweede lid, van de Wet.
  Art. 62. De nationale korte nummers uit de reeksen 15XX en 16XX worden gebruikt om operatoren toe te laten hun abonnees toegang te geven tot hun dienstenaanbod via de mechanismen carrierkeuze en carriervoorkeuze
  Art. 63. § 1. De nationale korte nummers uit de 17XX-reeks worden toegekend aan de federale overheid, de Gemeenschappen, Gewesten, andere overheidsdiensten of diensten van openbaar nut voor de ondersteuning van al dan niet commerciële diensten van groot maatschappelijk belang.
  De nationale korte nummers uit de 18XX-reeks worden toegekend aan verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen voor de ondersteuning van al dan niet commerciële diensten van groot maatschappelijk belang
  § 2. De bestaande nummers uit de 17XX- en 18XX-reeksen kunnen tot en met 31 december 2009 gebruikt worden voor respectievelijk de geschakelde toegang tot netwerken die datadiensten leveren en de geschakelde toegang tot VPN-diensten met uitzondering van het nummer 1700 van de Vlaamse Infolijn dat behouden blijft.
  Met uitzondering van de nummers 1711, 1712 en 1717, die ten laatste op 7 april 2010 uit dienst moeten genomen worden, worden deze nummers definitief uit dienst genomen op 1 januari 2010.
  Na verloop van drie maanden volgend op de inwerkingtreding van dit besluit is het de operatoren niet meer toegelaten om deze nummers toe te wijzen aan eindgebruikers. Voor de VPN diensten blijven de reeksen 186x en 187x beschikbaar.
  § 3. Indien op de datum van de aanvraag voor een kort nummer uit de 17XX- of 18XX-reeks meerdere entiteiten dezelfde diensten wensen aan te bieden dan kan enkel een overkoepelende organisatie, waarin alle entiteiten participeren die deze toepassing wensen aan te bieden, een dergelijk kort nummer aanvragen.
  Indien op een latere datum nieuwe entiteiten eenzelfde toepassing met het betrokken toegewezen korte nummer willen aanbieden is de aanvrager verplicht dit onverwijld toe te laten.
  De aanvrager is verplicht ervoor te zorgen dat het eindgebruikerstarief van een oproep naar een 17XX of 18XX kort nummer nooit hoger is dan het standaard eindgebruikerstarief dat de abonnee aangerekend krijgt van zijn operator voor een standaardgesprek naar een Belgisch geografisch E.164 nummer.
  Art. 64. De nationale korte nummers uit de reeks 19XX kunnen door de entiteiten zoals bepaald in artikel 4, 1°, gebruikt worden voor interne toepassingen die nauw verbonden zijn met de directe exploitatie van hun dienstenaanbod of dat van de betrokken commerciële partners.
  Het eindgebruikerstarief voor oproepen naar deze nummers is nooit hoger dan het standaard eindgebruikerstarief dat de abonnee aangerekend krijgt van zijn operator voor een standaardgesprek.
  Het verkrijgen van gebruiksrechten met betrekking tot deze nummers is niet onderworpen aan de artikelen 10 tot en met 18.
  De datum van ingebruikname van deze nummers wordt, in afwijking van artikel 19, eerste lid, tweede zin, ten minste drie weken vóór de ingebruikname aan het Instituut meegedeeld.
  Met uitzondering van het toegelaten afwijkende gebruik van het nummer uit de 19XX-reeks vermeld in bijlage 2, is het gebruik van de nummers bedoeld in dit artikel niet onderworpen aan de jaarlijkse rechten bepaald in artikel 84, § 2.
  Art. 65. De aanvrager van een kort viercijferig nummer heeft het recht om de gebruiksrechten van het corresponderende SMS of MMS korte nummer te vragen voor het leveren van dezelfde toepassing of dienst waarvoor het korte viercijferige nummer aangevraagd wordt.
  Indien de aanvrager geen gebruik maakt van deze mogelijkheid, kan het SMS of MMS korte nummer dat overeenkomt met het korte viercijferige nummer waarvoor een aanvraag tot reservatie gedaan werd niet aan andere personen dan de aanvrager van het corresponderende korte viercijferige nummer worden toegekend.
  Onderafdeling 4. - Bepalingen gemeenschappelijk aan de onderafdelingen 2 en 3.
  Art. 66. De nummers vermeld in de onderafdelingen 2 en 3 zijn steeds individueel reserveerbaar.
  Art. 67. Het Instituut kan test- en routeringsnummers toewijzen aan de entiteiten bepaald in artikel 4.
  Die nummers zijn uitsluitend bedoeld voor interne toepassingen, niet toegankelijk voor het publiek en gratis.
  Afdeling 3. - Het nummerplan voor pakketgeschakelde datadiensten.
  Art. 68. De nummering in openbare pakketgeschakelde datanetwerken voldoet aan de X.121-aanbeveling van de Internationale Telecommunicatie Unie. De gebruikers worden geïdentificeerd aan de hand van maximum 14 cijfers. Het nummer start met een datanetwerkidentificatiecode, hierna ook " DNIC " genoemd, dat bestaat uit vier cijfers.
  Nummercapaciteit in tienden van een DNIC voor de identificatie van een openbaar datanetwerk kan slechts toegewezen worden aan een openbaar datanetwerk dat onderling gekoppeld is met minimaal één ander openbaar datanetwerk volgens de X.75-standaard.
  Het Instituut stuurt een notificatie van elke nieuwe ingebruikname of annulering van een DNIC aan de ITU.
  Afdeling 4. - Het nummerplan voor SMS en MMS diensten.
  Art. 69. De SMS en MMS korte nummers hebben een lengte van 4 tot 6 cijfers, behalve de SMS en MMS korte nummers die starten met de dienstidentiteit 10 en 11, die een vaste lengte hebben van 3 cijfers.
  Art. 70. § 1. De SMS en MMS korte nummers die starten met de dienstidentiteit 10 tot en met 18 kunnen enkel toegekend worden aan de entiteiten bedoeld in artikel 58 en 59 en de houders van de nummers bedoeld in de artikelen 60 tot en met 63 voor de respectievelijke toepassingen of diensten voorzien in die artikelen. Deze nummers worden door het Instituut toegekend op aanvraag van een entiteit bedoeld in artikel 58 en 59 of een aanvrager of houder van een nummer bedoeld in de artikelen 60 tot en met 63. De aanvraag kan echter niet in de tijd voorafgaan aan de toewijzing overeenkomstig artikel 58 en 59 of de aanvraag gebaseerd op artikel 60 tot en met 63.
  De eventuele tariferingprincipes van de oproepen naar deze SMS en MMS korte nummers zijn zoveel als mogelijk gelijklopend met de tariferingsprincipes die gehanteerd worden voor de toepassingen of diensten voorzien in de artikelen 58 tot en met 63.
  § 2. De SMS en MMS korte nummers die starten met de dienstidentiteit 19 kunnen door de entiteiten zoals bepaald in artikel 4, 1°, gebruikt worden voor toepassingen of diensten die hun eigen netwerkgrenzen of die van commerciële partners niet overschrijden en die nauw verbonden zijn met de directe exploitatie van hun dienstenaanbod of dat van de betrokken commerciële partners.
  Het eindgebruikerstarief voor oproepen naar deze nummers is nooit hoger dan het standaard eindgebruikerstarief dat de abonnee aangerekend krijgt van zijn operator voor een standaardgesprek naar een Belgisch geografisch E.164 nummer.
  Het verkrijgen van gebruiksrechten met betrekking tot deze nummers is niet onderworpen aan de artikelen 10 tot en met 18.
  De datum van ingebruikname van deze nummers wordt, in afwijking van artikel 19, eerste lid, tweede zin, ten minste drie weken vóór de ingebruikname aan het Instituut meegedeeld.
  Art. 71.
  § 1. De SMS en MMS korte nummers die starten met de dienstidentiteit 8 worden gebruikt voor het aanbieden van diensten waarvan de gesprekskosten voor oproepen naar dergelijke nummers volledig worden gedragen door de opgeroepene.
  Alle andere SMS en MMS korte nummers kunnen onder de voorwaarden bepaald in de hierna volgende paragrafen, naast de nummers zoals voorzien in de artikelen 48, 49 en 50, worden gebruikt om betalende diensten via een elektronische-communicatienetwerk aan te bieden.
  § 2. [1 De SMS en MMS korte nummers die starten met de dienstidentiteit 7 worden gebruikt voor het aanbieden van specifiek voor meerderjarigen bestemde betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken, waarvan het eindgebruikerstarief maximaal 4 euro bedraagt.]1
   § 3. [1 De SMS en MMS korte nummers die starten met de dienstidentiteit 5 worden gebruikt voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken waarmee toegang wordt gegeven tot spelletjes, wedstrijden of kwissen, met uitzondering van erotisch of sexueel getinte spelletjes, wedstrijden of kwissen, of die het mogelijk maken te betalen voor logo's, beltonen of andere ontspanningsproducten of Bdiensten, met uitzondering van erotisch of sexueel getinte logo's, beltonen of ontspanningsproducten of B diensten, die geleverd worden tijdens de oproep of als direct gevolg hiervan, waarvan het eindgebruikerstarief maximaal 50 eurocent bedraagt.
   De SMS en MMS korte nummers die starten met de dienstidentiteit 6 worden gebruikt voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken waarmee toegang wordt gegeven tot spelletjes, wedstrijden of kwissen, met uitzondering van erotisch of sexueel getinte spelletjes, wedstrijden of kwissen, of die het mogelijk maken te betalen voor logo's, beltonen of andere ontspanningsproducten of Bdiensten, met uitzondering van erotisch of sexueel getinte logo's, beltonen of ontspanningsproducten of B diensten, die geleverd worden tijdens de oproep of als direct gevolg hiervan, waarvan het eindgebruikerstarief maximaal 2 euro bedraagt.
   Het Instituut kan, na voorafgaande machtiging van de minister, binnen de reeks van SMS of MMS korte nummers die starten met de dienstidentiteit 6 subreeksen vaststellen voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken waaraan in uitvoering van andere wettelijke of reglementaire bepalingen bijzondere vereisten gekoppeld zijn.]1
   § 4. [1 De SMS of MMS korte nummers die starten met de dienstidentiteit 9 worden gebruikt voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken die ieder van de volgende kenmerken vertonen :
   1° de dienst impliceert dat de eindgebruiker volgend op een inschrijving ervoor op al dan niet regelmatige tijden berichten ontvangt waarvan de ontvangst betalend is voor de abonnee;
   2° de dienst stemt niet overeen met een specifiek voor meerderjarigen bestemde betalende dienst via een elektronische-communicatienetwerk;
   3° het eindgebruikerstarief voor het versturen van het bericht waarmee de inschrijving voor de dienst verricht wordt en het eindgebruikerstarief voor het ontvangen van berichten komende van de nummers bedoeld in deze paragraaf bedraagt maximaal 2 euro per bericht;
   4° het eindgebruikerstarief voor het versturen van andere berichten dan het versturen van het bericht waarmee de inschrijving voor de dienst verricht wordt bedraagt niet meer dan het eindgebruikerstarief van een bericht naar een standaard geografisch of mobiel nummer.
   De subreeksen die starten met de dienstidentiteit 9, gevolgd door de cijfers '5', '6', '7', '8' of '9' worden gebruikt voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken waarmee toegang wordt gegeven tot spelletjes, wedstrijden of kwissen of die het mogelijk maken te betalen voor logo's, beltonen of andere ontspanningsproducten of Bdiensten, die geleverd worden tijdens de oproep of als direct gevolg hiervan.
   De subreeksen die starten met de dienstidentiteit 9, gevolgd door de cijfers '0', '1', '2', '3' of '4' worden gebruikt voor het aanbieden van de diensten die niet vallen onder het toepassingsgebied van het vorige lid.]1
   § 5. [1 De SMS of MMS korte nummers die starten met de dienstidentiteit 2 worden gebruikt voor het aanbieden van betalende diensten die niet vallen onder het toepassingsgebied van de paragrafen 2 tot en met 4, waarvan het eindgebruikerstarief maximaal 1 euro bedraagt.
   De SMS of MMS korte nummers die starten met de dienstidentiteit 3 worden gebruikt voor het aanbieden van betalende diensten die niet vallen onder het toepassingsgebied van de paragrafen 2 tot en met 4, waarvan het eindgebruikerstarief maximaal 4 euro bedraagt.
   De SMS of MMS korte nummers die starten met de dienstidentiteit 4 worden gebruikt voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken die ieder van de volgende kenmerken vertonen :
   1° de dienst bestaat uit het werven van fondsen of uit het, geheel of gedeeltelijk, creëren van een monetaire waarde dat als betaalmiddel aanvaard wordt door leveranciers van lichamelijke producten of leveranciers van diensten die niet geleverd worden via een elektronische-communicatienetwerk;
   2° de dienst stemt niet overeen met een dienst die valt onder het toepassingsgebied van de paragrafen 2 tot en met 4;
   3° het eindgebruikerstarief voor de dienst bedraagt maximaal 31 euro.]1
  [1 § 6. Behalve voor de toepassing van paragraaf 4, en in het kader van het werven van fondsen bedoeld in paragraaf 5, derde lid, wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan onder eindgebruikerstarief : het totale door de eindgebruiker voor het aanschaffen of afnemen van een betalende dienst via een elektronische-communicatienetwerk te betalen tarief, met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde, alle overige taksen en de kosten van alle diensten die door de eindgebruiker verplicht moeten worden bijbetaald, aangerekend hetzij bij het versturen van een bericht naar het betrokken nummer, hetzij bij het ontvangen van een bericht komend van het betrokken nummer, hetzij door het betrokken tarief te verdelen over één te verzenden en één te ontvangen bericht. In het kader van een betalende dienst voor de werving van fondsen kan het eindgebruikerstarief enkel aangerekend worden bij het versturen van een bericht naar het betrokken nummer.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-24/44, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  Art. 72. De SMS en MMS korte nummers bedoeld in artikel 71 hebben een vaste lengte van 4 cijfers. Het Instituut kan echter het gebruik van SMS en MMS korte nummers met een vaste lengte van 5 cijfers toestaan, indien dit noodzakelijk is om bijkomende nummercapaciteit te creëren of om toegang te verlenen tot grensoverschrijdende betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken.
  Art. 73. Nummercapaciteit beschikbaar achter de dienstidentiteiten bedoeld in deze afdeling is steeds per reeks van 100 nummers of per individueel nummer reserveerbaar.
  In afwijking van artikel 13, kan nummercapaciteit bedoeld in de artikelen 71 en 72 tegelijkertijd door meerdere operatoren gereserveerd worden voor zover de aanvragen voor dezelfde nummercapaciteit binnen een tijdsbestek van maximum drie werkdagen bij het Instituut ingediend worden door middel van aanvragen, die voldoen aan de bepalingen van artikel 10. Indien de aanvragen tot reservatie bedoeld in dit lid door het Instituut ingewilligd worden, leidt dit tot een gelijktijdige reservatie van de betrokken nummercapaciteit.
  Art. 74. Het Instituut kan test- en routeringsnummers toewijzen aan de entiteiten bedoeld in artikel 4.
  Die nummers zijn uitsluitend bedoeld voor interne toepassingen of diensten, niet toegankelijk voor het publiek en gratis.
  Afdeling 5. - Het nummerplan voor de identificatie van apparatuur en gebruikers in roaming-toestand.
  Art. 75. § 1. Het internationale identificatieplan voor apparatuur en gebruikers in roaming-toestand is vastgesteld door de Internationale Telecommunicatie Unie in de E.212 aanbeveling. De mobiele landencode die de Internationale Telecommunicatie Unie aan België heeft toegekend is " 206 ".
  § 2. Het Instituut kent de tweecijferige mobiele netwerkcodes na de mobiele landencode toe aan operatoren die beschikken over een netwerk of over netwerkelementen. De mobiele netwerkcodes worden gevolgd door een tiencijferig nummer.
  § 3. Operatoren wijzen internationale mobiele abonnee identiteiten, bestaande uit de mobiele landencode " 206 " gevolgd door de aan hen toegewezen mobiele netwerkcode en een individueel nummer van tien cijfers, toe aan hun eindgebruikers conform de E.212 aanbeveling.
  Afdeling 6. - De nummerplannen voor de koppeling tussen internationale schakelaars en de koppeling tussen nationale schakelaars.
  Art. 76. § 1. Het internationale identificatieplan voor signalering om de koppeling tussen internationale schakelaars mogelijk te maken is vastgesteld door de Internationale Telecommunicatie Unie, hierna ook " ITU " genoemd, in de Q.708- aanbeveling. Ze bestaat uit een zone-identificatie van 3 bits, gevolgd door een gebiedsidentificatie van 8 bits en een signaleringspuntidentificatie van 3 bits.
  § 2. Het Instituut wijst de internationale signaleringspuntcodes toe.
  Een internationale signaleringspuntcode kan enkel door het Instituut worden toegewezen indien :
  1° de code uitgebaat wordt op Belgisch grondgebied;
  2° de aanvrager een interconnectie plant die ten minste een signaleringsrelatie vereist met een andere internationale signaleringspuntcode.
  In uitzonderlijke omstandigheden en mits een grondige en afdoende motivering kan door de aanvrager afgeweken worden van de voorwaarde vermeld onder 1°.
  § 3. Het Instituut stuurt een notificatie van elke nieuwe ingebruikname of annulering van een internationale signaleringspuntcode aan de ITU.
  Art. 77. § 1. Het nationale identificatieplan voor signalering dient om de koppeling tussen nationale schakelaars mogelijk te maken. Ze bestaat uit 14 bits, opgesplitst in twee groepen van 7 opeenvolgende bits.
  § 2. Het Instituut wijst de nationale signaleringspuntcodes toe.
  Een nationale signaleringspuntcode kan enkel door het Instituut worden toegewezen indien :
  1° de code uitgebaat wordt op Belgisch grondgebied;
  2° de aanvrager een interconnectie plant die ten minste een signaleringsrelatie vereist met een andere nationale signaleringspuntcode.
  In uitzonderlijke omstandigheden en mits een grondige en afdoende motivering kan door de aanvrager afgeweken worden van de voorwaarde vermeld onder 1°.
  Afdeling 7. - Andere nummerplannen.
  Art. 78. Identificatienummers van de uitreikende instantie worden toegewezen volgens de E.118 aanbeveling van de Internationale Telecommunicatie Unie.
  Identificatienummers van de uitreikende instantie worden gebruikt om klanten toe te laten hun betaalkaart te gebruiken voor verschillende internationale elektronische- communicatiediensten zodat gefactureerd wordt op de betaalkaart in het land van uitgifte. De identificatienummers van de uitreikende instantie bestaan uit maximum 19 cijfers, die voor België starten met " 8932 ". Binnen deze reeks wijst het Instituut driecijferige nationale identificatienummers toe.
  Het Instituut stuurt een notificatie van elke nieuwe ingebruikname of annulering van een identificatienummer van de uitreikende instantie aan de ITU.
  Art. 79. Het Instituut beheert het TETRA mobiele netwerk code identificatieplan volgens de ETSI ETS 300-392-1 standaard. De ETSI standaard definieert de International TETRA Subscriber Identity (" ITSI ") dewelke bestaat uit drie velden : de MCC (" Tetra mobile country code "), de MNC (" Tetra mobile network code ") en de SSI (" short subscriber Identity "). Het Instituut wijst viercijferige Tetra mobile network codes toe aan operatoren van TETRA netwerken, zijnde operatoren die een digitaal netwerk met gedeelde frequenties volgens de ETSI standaard uitbaten.
  HOOFDSTUK VII. - Interwerking.
  Art. 80. De interwerkingsmodaliteiten tussen de verschillende nummerplannen worden vastgesteld volgens de internationale ITU-aanbevelingen door de Minister, na advies van het Instituut en na raadpleging van de operatoren.
  HOOFDSTUK VIII. - Handhaving en controle.
  Art. 81. Teneinde de controle op de naleving van dit besluit of het besluit genomen krachtens artikel 11,§ 3 of § 5, van de Wet mogelijk te maken, stelt de aanvrager op eenvoudige aanvraag de nodige informatie en toegangen gratis ter beschikking van het Instituut.
  Art. 82.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-04/52, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 01-06-2014>
  Art. 83.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-04/52, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 01-06-2014>
  HOOFDSTUK IX. - Heffingen voor het verkrijgen en uitoefenen van gebruiksrechten voor nummers.
  Art. 84.§ 1. Behalve voor de reservatie van geografische nationale E.164 nummers, van een nationale signaleringspuntcode, een datanetwerkidentificatiecode en van nummercapaciteit uit het nummerplan voor SMS en MMS diensten bedragen de dossierkosten voor de reservatie van alle nummercapaciteit overeenkomstig Hoofdstuk III, afdeling 1, onderafdeling 1 1.000 EUR per standaardgrootte van de betrokken nummercapaciteit zoals vastgelegd in dit besluit [2 of het besluit bedoeld in artikel 11, § 3 van de Wet]2.
  De dossierkosten voor de reservatie van een nationale signaleringspuntcode en van een datanetwerkidentificatiecode overeenkomstig Hoofdstuk III, afdeling 1, onderafdeling 1 bedragen 100 EUR per standaardgrootte van nummercapaciteit vastgelegd in dit besluit.
  De dossierkost voor de reservatie van een SMS of MMS kort nummer bedraagt 17 EUR.
  De dossierkost voor de reservatie van geografische nationale E.164 nummers bedraagt 25 EUR per standaardgrootte van de nummercapaciteit vastgelegd in dit besluit.
  Indien op eigen verzoek of door het Instituut wordt beslist om kleinere fracties te reserveren dan de standaardgrootte van nummercapaciteit blijft de dossierkost ongewijzigd.
  De dossierkosten voor de notificatie van een inbezitstelling die een afwijking inhoudt van het verbod voorzien in artikel 5, § 1, vijfde lid, bedragen 1.000 EUR.
  § 2. De jaarlijkse rechten voor de toewijzing van nummercapaciteit overeenkomstig Hoofdstuk III, afdeling 1, onderafdeling 2 en de jaarlijkse rechten voor de toewijzing overeenkomstig bijlage 2 bedragen :
  1° 12.500 EUR per toegewezen viercijferig kort nummer, internationale signaleringspuntcode en tweecijferige mobiele netwerkcode [1 met uitzondering van een toegewezen viercijferig kort nummer uit de 17XX-reeks of de 18XX-reeks voor de ondersteuning van een al dan niet commerciële dienst van groot maatschappelijk belang, waarvoor de jaarlijkse rechten 5.000 euro per toegewezen kort viercijferig nummer bedragen]1;
  2° 1.500 EUR per toegewezen blok van 100.000 nummers met de dienstidentiteit 4 ongeacht de standaardgrootte van de nummercapaciteit op het ogenblik van de toewijzing;
  3° 1.500 EUR per toegewezen blok van 10.000 nummers met de dienstidentiteiten 70, 76, 78 en 79 ongeacht de standaardgrootte van de nummercapaciteit op het ogenblik van de toewijzing;
  4° 1.000 EUR per toegewezen datanetwerkidentificatiecode, ongeacht de standaardgrootte van de nummercapaciteit op het ogenblik van de toewijzing;
  5° 750 EUR per toegewezen blok van 1.000 nummers met de dienstidentiteiten [2 ...]2, 800 en 9, ongeacht de standaardgrootte van de nummercapaciteit op het ogenblik van de toewijzing;
  6° 50 EUR per toegewezen nationale signaleringspuntcode;
  7° 100 EUR per toegewezen blok van 10.000 geografische nationale E.164 nummers ongeacht de standaardgrootte van de nummercapaciteit op het ogenblik van de toewijzing;
  [2 8° 500 EUR per toegewezen blok van 1 miljoen nummers met de dienstidentiteit 77, ongeacht de standaardgrootte van de nummercapaciteit op het ogenblik van de toewijzing.]2
  Indien de nummercapaciteit in fracties wordt toegekend, wordt het jaarlijks recht met de helft verminderd.
  Ingeval van inbezitstelling die een afwijking inhoudt van het verbod voorzien in artikel 5, § 1, vierde lid, worden de in de vorige leden vermelde jaarlijkse rechten verhoogd met 10 % per partij waarvoor een afwijking van het verbod voorzien in artikel 5, § 1, vierde lid, is toegestaan.
  § 3. De jaarlijkse rechten per toegewezen SMS en MMS kort nummer binnen de dienstidentiteiten 2 tot en met 8 bedragen :
  1° 83 EUR in de volgende gevallen :
  - wanneer de cijfers achter de dienstidentiteit dezelfde zijn als die van de dienstidentiteit;
  - wanneer alle cijfers achter de dienstidentiteit gelijk zijn aan '0';
  - wanneer het cijfer achter de dienstidentiteit één eenheid groter is dan de dienstidentiteit, het tweede cijfer achter de dienstidentiteit twee eenheden groter is dan de dienstidentiteit en het derde cijfer achter de dienstidentiteit drie eenheden groter is dan de dienstidentiteit;
  - wanneer het cijfer achter de dienstidentiteit één eenheid kleiner is dan de dienstidentiteit, het tweede cijfer achter de dienstidentiteit twee eenheden kleiner is dan de dienstidentiteit en het derde cijfer achter de dienstidentiteit drie eenheden kleiner is dan de dienstidentiteit.
  2° 33 EUR in de volgende gevallen :
  - wanneer de dienstidentiteit en het eerste cijfer achter de dienstidentiteit gelijk zijn en het tweede en het derde cijfer achter de dienstidentiteit eveneens gelijk zijn maar niet gelijk zijn aan het cijfer van de dienstidentiteit en het eerste cijfer achter de dienstidentiteit;
  - wanneer de dienstidentiteit en het tweede cijfer achter de dienstidentiteit gelijk zijn én het eerste cijfer achter de dienstidentiteit en het derde cijfer achter de dienstidentiteit eveneens gelijk zijn maar niet gelijk zijn aan het cijfer van de dienstidentiteit en het tweede cijfer achter de dienstidentiteit;
  - wanneer alle cijfers achter de dienstidentiteit gelijk zijn aan '9';
  - wanneer het eerste cijfer achter de dienstidentiteit verschillend is van de dienstidentiteit én het tweede en het derde cijfer achter de dienstidentiteit gelijk zijn aan '0'.
  3° 8 EUR in alle andere gevallen.
  § 4. De rechten bedoeld in § 2 en 3 worden betaald vóór 31 januari van het jaar waarvoor ze verschuldigd zijn. Tijdens het jaar waarin de nummercapaciteit wordt toegewezen, worden de verschuldigde rechten gereduceerd in verhouding tot het aantal volle maanden dat dit jaar op de dag van toewijzing nog telt. De verschuldigde rechten worden betaald binnen dertig dagen na die datum.
  § 5. De bedragen van de rechten en dossierkosten die in dit besluit zijn vermeld worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen. De aanpassing geschiedt door het indexcijfer van de maand november die voorafgaat aan de maand januari in de loop waarvan de aanpassing zal plaatsvinden, te delen door het indexcijfer van de maand november 2006. Bij de berekening van de coëfficiënt wordt deze afgerond tot het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond tot de hogere euro.
  § 6. De intrekking van de gereserveerde of toegekende nummercapaciteit geeft geen aanleiding tot terugbetaling van het geheel of van een deel van de dossierkosten bedoeld in dit besluit.
  ----------
  (1)<KB 2009-03-24/44, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 02-05-2009>
  (2)<KB 2014-04-04/52, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-06-2014>
  HOOFDSTUK X. - Diverse, overgangs- en slotbepalingen.
  Art. 85. De Minister kan, op voorstel van het Instituut, om technische redenen en in het belang van de eindgebruiker, voor een overgangsperiode uitzonderingen toestaan op de principes vervat in Hoofdstuk VI van dit besluit.
  Art. 86. De korte nummers opgenomen in bijlage 2 kunnen door de operatoren vernoemd in die bijlage verder aangewend worden voor het gebruik bepaald in die bijlage.
  Indien een nummer opgenomen in de bijlage 2 door de betrokken operator uit dienst genomen wordt, vervalt het in bijlage 2 toegelaten afwijkend gebruik.
  Art. 87. Worden opgeheven :
  1° het koninklijk besluit van 10 december 1997 betreffende het beheer van het nummeringsplan, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 19 maart 2003;
  2° Hoofdstuk IV, bestaande uit artikel 9, van het koninklijk besluit van 16 maart 2000 betreffende de overdraagbaarheid van de nummers van de abonnees van de telecommunicatiediensten, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 23 september 2002.
  Art. 88. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van :
  1° artikel 5, §§ 1 en 2, die in werking treden op de eerste dag van de vijfde maand na die waarin dit besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad ;
  2° artikel 50, §§ 2 tot 6, die in werking treden op de eerste dag van de tiende maand na die waarin dit besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad ;
  3° afdeling 4 van Hoofdstuk VI, dat in werking treedt op de eerste dag van de twaalfde maand na die waarin dit besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Art. 89. Onze Minister van Telecommunicatie is belast met de uitvoering van dit besluit.
  BIJLAGEN.
  Art. N1. Bijlage 1. Nummers met een bijzondere economische waarde die toegekend worden overeenkomstig artikel 11, § 5, van de Wet
  - De volgende nummers in de 12XX-, 13XX- en 14XX- reeks :
  1200, maar pas ten vroegste op 1 januari 2013
  1300, maar pas ten vroegste op 1 januari 2013
  1400, maar pas ten vroegste op 1 januari 2013
  - De volgende nummers in de 18XX-reeks :
  1800
  1808
  1811
  1818
  1822
  1833
  1844
  1855
  1866
  1877
  1881
  1888
  1899
  - Ieder SMS of MMS kort nummer dat behoort tot één van de categorieën bedoeld in artikel 84, § 3, 1° en 2°, waarvoor tijdens de periode van voorintekening meerdere aanvragen ontvangen werden en waaromtrent het Instituut vaststelt dat de aanvragers noch een verzoening noch een akkoord omtrent een verdeling per lottrekking georganiseerd door het Instituut hebben bereikt, behalve indien het betrokken nummer gebruikt wordt zoals beschreven in bijlage 2.
  Art. N2. Bijlage 2. Korte nummers met een van de principes van dit besluit toegelaten afwijkend gebruik
  1. In afwijking van artikel 64 kan Belgacom NV het nationale korte nummer 1966 aanwenden voor het aanbieden van een dienst op het netwerk van Belgacom die het mogelijk maakt om in vergelijking met het standaardaanbod van Belgacom minder kwaliteitsvolle oproepen te maken aan een lager eindgebruikerstarief.
  In afwijking van artikel 61 kan Belgacom NV het nationale korte nummer 1325 aanwenden voor het aanbieden van een telegramdienst.
  2. In afwijking van de artikelen 64 en 71 kan Belgacom Mobile NV de volgende viercijferige korte nummers verder aanwenden voor het hierna bepaalde gebruik :
  - 6000 voor het aanbieden van een spraakdienst op het netwerk van Belgacom Mobile waarmee klanten van Belgacom Mobile toegang krijgen tot de Nederlandstalige klantendienst;
  - 6030 voor het aanbieden van een spraakdienst op het netwerk van Belgacom Mobile waarmee klanten van Belgacom Mobile toegang krijgen tot de Engelstalige klantendienst;
  - 6060 voor het aanbieden van een spraakdienst op het netwerk van Belgacom Mobile waarmee klanten van Belgacom Mobile toegang krijgen tot de Franstalige klantendienst;
  - 2440 voor het aanbieden van diensten op het netwerk van Belgacom Mobile verbonden aan het lidmaatschap van " Proxiclub ";
  - 2455 voor het aanbieden van diensten op het netwerk van Belgacom Mobile verbonden aan de optie " Call Check-Up ".
  3. In afwijking van de artikelen 64 en 71 kan Mobistar NV de volgende viercijferige korte nummers verder aanwenden voor het hierna bepaalde gebruik :
  - 5000 voor het aanbieden van een spraakdienst op het mobiele elektronische-communicatienetwerk van Mobistar waarmee residentiële klanten die met Mobistar verbonden zijn door middel van een abonnementsovereenkomst toegang krijgen tot de klantendienst van Mobistar;
  - 5100 voor het aanbieden van een spraakdienst op het mobiele elektronische-communicatienetwerk van Mobistar waarmee residentiële klanten die beroep doen op de diensten van Mobistar geleverd door middel van een voorafbetaalde kaart toegang krijgen tot de klantendienst van Mobistar;
  - 5123 voor het aanbieden van diensten op het mobiele elektronische-communicatienetwerk van Mobistar waarmee klanten van Mobistar hun belwaarde verbonden aan de diensten van Mobistar geleverd door middel van een voorafbetaalde kaart kunnen opvragen, hun taalkeuze voor het menu kunnen vastleggen en hun tarief kunnen wijzigen naar producten van Mobistar die geleverd worden door middel van een voorafbetaalde kaart ";
  - 5432 voor het aanbieden van een spraakdienst op het mobiele elektronische-communicatienetwerk van Mobistar waarmee gepriviligeerde klanten van Mobistar toegang krijgen de klantendienst van Mobistar;
  - 5500 voor het aanbieden van de dienst " Message Deposit " op het mobiele elektronische-communicatienetwerk van Mobistar waarmee klanten van Mobistar rechtstreeks een bericht op de voice maildienst van de bestemmeling kunnen achterlaten zonder voorafgaandelijk een oproep naar de bestemmeling te verrichten;
  - 5555 voor het aanbieden van toegang tot de voicemail dienst op het mobiele elektronische-communicatienetwerk van Mobistar;
  - 5580 voor het aanbieden van de dienst " Info Invoice " op het mobiele elektronische-communicatienetwerk van Mobistar waarmee klanten die met Mobistar verbonden zijn door middel van een abonnementsovereenkomst informatie kunnen verkrijgen over hun resterende beltijd, hun resterend beltegoed en over de belkosten die zij reeds gemaakt hebben;
  - 5995 voor het aanbieden van een spraakdienst op het mobiele elektronische-communicatienetwerk van Mobistar waarmee niet-residentiële klanten van Mobistar toegang krijgen tot de klantendienst van Mobistar.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 27 april 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister,
Minister van Begroting en van Consumentenzaken,
Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE
De Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid,
M. VERWILGHEN

Preambule Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, inzonderheid op artikel 11, § 1 en 6, artikel 29, § 2 en artikel 30, § 2;
   Gelet op het advies van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, gegeven op 25 april 2007;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 15 maart 2007;
   Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 30 maart 2007;
   Gelet op het advies nr. 42.548/4 van de Raad van State, gegeven op 16 april 2007, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Vice-Eerste Minister, Minister van Begroting en van Consumentenzaken en van Onze Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
Gewijzigd door   WET  van  10-08-2015   gepubl. op   01-09-2015
      Art. N2
   Van kracht tot   22-06-2015               [ Zie tekst hier boven ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  04-04-2014   gepubl. op   22-05-2014
      Art. F50,§6 *** F63,§1,L2 *** 82; 83 *** 84,§1,§2,L1,5°,8°
   Van kracht tot   01-06-2014                 [ Zie versie 002 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  24-03-2009   gepubl. op   22-04-2009
      Art. 1,22° *** 1,23° *** 49 *** 72 *** 84,§2,1°
   Van kracht tot   02-05-2009
      Art. 43,L4 *** 48 *** 50,§2-50,§6 *** 71,§2-71,§5
   Van kracht tot   01-07-2009                 [ Zie versie 001 ]

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Dit besluit heeft tot doel uitvoering te geven aan verscheidene bepalingen van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie inzake nummering.
   Het vorige uitvoeringsbesluit inzake nummering dateert van eind 1997. Sedertdien zijn er verschillende technologische, regelgevende en marktontwikkelingen tussengekomen, waaronder de commerciële doorbraak van Voice over IP toepassingen, de komst op de Belgische markt van verschillende doorverkopers van elektronische-communicatiediensten, de sterke ontwikkeling van betalende diensten aangeboden via SMS korte nummers, de inwerkingtreding van nieuwe Europese richtlijnen in 2003, enz.
   Dit besluit beoogt bovenstaande ontwikkelingen in een correct kader te plaatsen en verder het huidige reglementair kader aan te vullen met bepalingen waarvan de ervaring leert dat ze nuttig zijn voor het concrete beheer van de Belgische nummeringsruimte en nummerplannen.
   In onderhavig besluit werd het advies van de Raad van State integraal gevolgd.
   De belangrijkste innovaties die dit besluit aanbrengt ten opzichte van het koninklijk besluit van 10 december 1997 betreffende het beheer van het Belgische nummeringsplan zijn :
   
   - een duidelijke regeling voor de suballocatie van nummercapaciteit (art. 5);
   - de invoering van bijzondere procedures voor de toekenning van bepaalde nummercapaciteit, waaronder :
   
   - een spoedprocedure (art. 21);
   - de aanwijzing van nummers met een bijzondere economische waarde (art. 22 en bijlage 1);
   - een eenmalige procedure van voorintekening met het oog op de reservatie van SMS en MMS korte nummers (art. 31-32);
   - de invoering van een procedure voor het vaststellen van nieuwe nummerplannen of het wijzigen van bestaande nummerplannen (art. 36-39);
   - een definitieve regeling en omkadering van het nomadisch gebruik van geografisch nationale E.164 nummers (art. 43);
   - de invoering van dienstidentiteiten voor persoonlijke nummerdiensten (art. 52) en het opzetten en aanbieden van bedrijfsnetwerken (art. 53);
   - de bestemming van de 17XX- en 18XX-reeksen voor het aanbieden van diensten van groot maatschappelijk belang door overheden en VZW's (art. 63);
   - de definitie van een publiek nummerplan voor SMS en MMS diensten (art. 69-74).
   Dit besluit begint met het bepalen van een aantal algemene principes, om vervolgens verschillende procedures uiteen te zetten volgens dewelke gebruiksrechten voor nummers kunnen verkregen en uitgeoefend worden. Verder heeft dit besluit de bedoeling een aantal nummerplannen die sedert 1997 een stabiel karakter gekregen hebben definitief vast te leggen. Tevens worden de principes gedefinieerd voor een aantal nieuwe nummerplannen, waarvoor er veel marktvraag lijkt te zijn of waarvoor er een politieke wil is om ze in het algemeen belang op reglementair niveau vast te leggen. Daarnaast wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om een aantal Europese voorschriften inzake de handhaving en controle op het vlak van nummering vast te leggen op reglementair niveau. Een laatste belangrijk deel van dit besluit handelt over de heffingen voor het verkrijgen en uitoefenen van gebruiksrechten voor nummers, die op bepaalde vlakken geüpdatet worden.
   Artikelsgewijze bespreking
   Artikel 1 bevat de definities die noodzakelijk zijn voor een goed begrip van dit besluit.
   Artikel 1, 1°, definieert het op het vlak van de nummering centrale begrip van het nummerplan.
   Nummerplannen zijn sterk verbonden met de architectuur van elektronische-communicatienetwerken aangezien ze de identificatiesystemen aanreiken om eindgebruikers met elkaar te verbinden en worden ondersteund door verschillende technologieën en systemen.
   Een nummer geeft voor de eindgebruiker toegang tot elektronische-communicatiediensten. Daarom is de ontwikkeling van een efficiënt nummerplan een belangrijke bepalende factor voor de kwaliteit en het succes van elektronische-communicatiediensten. het kan informatie bevatten over de karakteristieken van de dienst (vb. mobiele communicatie) en een grootte-orde geven over de kostprijs van een gesprek. In het besluit wordt het begrip nummer breed opgevat, namelijk elk teken of geheel van tekens dat dient om eindgebruikers van elektronische-communicatienetwerken (met inbegrip van het Internet) of netwerkelementen te identificeren om communicaties tot stand te brengen.
   Sommige nummercategorieën zijn een schaars goed. Dit is zeker het geval als men rekening houdt met de enorme kosten die nummerwijzigingen met zich brengen. Het BIPT moet ervoor zorgen dat deze schaarse hulpbron zo efficiënt mogelijk wordt aangewend. Regelmatig moeten nummerplannen worden aangepast om nieuwe diensten mogelijk te maken en om de nummervoorraad indien nodig verder aan te vullen.
   De marktactoren moeten zowel op kwalitatief als kwantitatief vlak een transparante en niet-discriminerende toegang krijgen tot nummers in het nummerplan. Voor eindgebruikers is de gebruiksvriendelijkheid van nummerplannen primordiaal. Het inschrijven in de Europese harmonisatie past hierin volledig.
   Een nummerplan wordt zo technologie neutraal mogelijk gemaakt zodat verschillende technische oplossingen om dezelfde diensten aan te bieden op dezelfde manier worden behandeld. Hierdoor kunnen operatoren nieuwere technologieën implementeren zonder dat er een impact is op de eindgebruiker.
   Meer en meer wordt men geconfronteerd met convergentie, onder ander op technologisch niveau, wat concreet betekent dat de verschillende gespecialiseerde netwerken worden vervangen door een netwerk dat alle toepassingen ondersteunt, gebaseerd op het Internet Protocol. Hierdoor vervagen de grenzen tussen traditioneel sterk gescheiden diensten zoals bijvoorbeeld vaste- en mobiele communicatie. Daarnaast wordt de transportlaag gescheiden van de dienstenlaag zodat de routeringsfunctie van bijvoorbeeld E.164 nummers verdwijnt en nummers meer en meer worden losgekoppeld van de operatoren waaraan ze origineel werden toegewezen. Het DNS systeem kan worden gebruikt om dit te realiseren.
   Tot slot wordt opgemerkt dat het niet noodzakelijk is dat het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie alle nummerplannen zelf beheert, zolang de bezorgdheden van een open, eerlijk, transparant, niet-discriminerende beheer met oog op voldoende continuïteit worden gewaarborgd.
   Belangrijk te vermelden is dat een nummer, in de zin van artikel 1, 3°, ook een naam zoals 'A' of 'B' kan zijn, vandaar de opname van 'teken' in de definitie naast een geheel van tekens. Inherent aan de definitie is dat een nummer gebruikt wordt om een klant te identificeren (cfr. de passage " die worden gebruikt om gebruikers of operatoren van elektronische-communicatiediensten en -netwerken te identificeren "). Daarnaast kan een nummer ook een routeringsfunctie hebben (cfr. de passage " om op basis hiervan elektronische communicatie tot stand te brengen. ").
   De prefix, gedefinieerd in artikel 1, 5°, is een concept dat vooral van belang is in het kader van het vaststellen van het kiesplan, gedefinieerd in artikel 1, 6°. De bekendste prefixen zijn de '0' van de Belgische geografische zonenummers en van de nationale niet-geografische nummers (de '0' van 0800, 0900, enz.) en de '00' die in principe gevormd moet worden om een internationale oproep tot stand te brengen. Niets belet echter om prefixen van een andere vorm (bv. met andere cijfers) te definiëren.
   Nomadiciteit is een concept dat in artikel 1, 14°, voor het eerst in de sector van de elektronische communicatie in België op reglementair niveau wordt gedefinieerd. Nomadiciteit maakt dat het leveren van een elektronische-communicatiedienst niet verbonden is aan een welbepaalde fysieke locatie of aansluiting bij een welbepaalde operator. Zo kunnen elektronische-communicatiediensten worden geleverd door operatoren die verschillend zijn van diegenen die de toegang - zowel vast als mobiel - controleren tot de eindgebruiker. Dit wordt mogelijk gemaakt door de scheiding van de transport- en dienstenlaag (zie hierboven).
   De definitie van een betalende dienst via een elektronische-communicatienetwerk, voorgesteld in artikel 1, 15°, is een definitie die tracht op een meer accurate wijze te vatten wat in de sector bekend staat als een 'infokioskdienst'. De definitie maakt gebruik van elementen uit de definitie van een 'dienst aangeboden via telecommunicatie', opgenomen in de Gedragscode betreffende het aanbod van bepaalde diensten via telecommunicatie die door Belgacom en een aantal operatoren van elektronische-communicatiediensten geleverd op een vaste locatie is opgesteld. Een betalende dienst via een elektronische-communicatienetwerk wordt in het Engels vaak aangeduid met een 'premium rate service'.
   VPN's, waarvan een definitie gegeven wordt in artikel 1, 18°, simuleren in feite een privaat netwerk op openbare infrastructuur. Via geschakelde openbare netwerken zoals PSTN, ISDN, GSM, Internet of niet-geschakelde netwerken kunnen de abonnees toegang krijgen tot deze dienst met een privaat karakter.
   De definitie van MMS, vastgelegd in artikel 1, 20°, heeft niet de bedoeling zich uit te strekken tot e-mails op het publieke Internet, vermits de nummerplannen hiervoor niet vastgelegd worden in dit besluit.
   Artikel 2 legt een aantal algemene basisprincipes vast inzake de toekenning van gebruiksrechten voor nummercapaciteit. België zet de tot nu toe gevolgde praktijk van een tweestapsprocedure verder. De procedure om eerst capaciteit te reserveren, daarna toe te wijzen en eventueel als aan de opgelegde voorwaarden niet meer wordt voldaan, in te trekken, stelt aanvragers van nummeringscapaciteit ertoe in staat op flexibele wijze te anticiperen op hun nummerbehoeften bij hun commerciële planning, in een uiterst snel wijzigende omgeving. Deze methode wordt ook op zeer ruime schaal gebruikt in het buitenland. Artikel 2 impliceert eveneens dat om redenen van objectiviteit, transparantie en non-discriminatie, een toekenning van gebruikrechten voor nummercapaciteit niet kan zonder een voorafgaand vastgelegd nummerplan.
   Ingeval van ISPC's of NSPC's, is een opdeling in dienstidentiteiten " niet relevant ", vermits deze nummerplannen geen functie van identificatie van de eindgebruiker vervullen.
   In artikel 4 wordt omschreven wie recht heeft om nummercapaciteit aan te vragen en gebruiksrechten met betrekking tot die capaciteit uit te oefenen. In theorie zou het logisch zijn dat het Instituut rechtstreeks nummercapaciteit toekent aan iedere individuele eindgebruiker en dat deze eindgebruiker zich richt tot een operator naar keuze die het nummer vervolgens implementeert. Dit is operationeel te duur en onuitvoerbaar voor het BIPT en zou bijkomende kosten veroorzaken voor de operatoren. Daarom is het traditioneel zo dat operatoren grote nummerblokken krijgen en uit deze nummerblokken individuele nummers toekennen aan eindgebruikers. Dit principe wordt vertaald in artikel 4, 1°, en artikel 6.
   Hoger vermelde praktische problemen spelen echter niet ten aanzien van de diensten, vermeld in artikel 4, 2°, hetzij omdat het aantal aanbieders van die diensten beperkt is in aantal, hetzij omdat de overgang naar een andere operator verloopt via een herroutering op uitdrukkelijke aanvraag van de houder van het nummer en niet via het mechanisme van de nummeroverdraagbaarheid, hetzij omdat er een ander interconnectiemodel wordt gehanteerd. In die gevallen kan nummercapaciteit rechtstreeks aan andere personen dan operatoren worden toegekend.
   Artikel 5 preciseert in welke gevallen en onder welke voorwaarden nummercapaciteit die door het Instituut toegekend is aan één onderneming op regelmatige wijze overgenomen kan worden door een andere onderneming en/of onder welke voorwaarden andere personen dan de aanvrager bepaalde gebruiksrechten met betrekking tot de betrokken nummercapaciteit kunnen uitoefenen.
   De eerste paragraaf van artikel 5 maakt onder bepaalde voorwaarden de inbezitstelling van geografische en niet-geografische nummers, met inbegrip van mobiele nummers, mogelijk. Inbezitstelling speelt zich enkel af tussen operatoren (zie de verwijzing naar artikel 4, 1°). Het verrichten van een secundaire toewijzing van nummers of nummerblokken door operatoren aan bijvoorbeeld aanbieders van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken dient dus niet te gebeuren via deze procedure, nu deze laatsten geen operatoren zijn. Het mechanisme van inbezitstelling moet hoofdzakelijk opstartende en kleinere operatoren in de gelegenheid stellen om op een vereenvoudigde en kostenefficiënte manier gepaste nummercapaciteit ter beschikking te krijgen. De inbezitstelling (soms ook " suballocatie " genoemd) is geïnspireerd op de " mise à disposition à un opérateur tiers " in Frankrijk, met dit verschil dat (1) het, om praktische redenen, niet wenselijk wordt geacht dat de inbezitstelling voorafgaand aan de contractssluiting aan het Instituut wordt aangemeld (partijen mogen met andere woorden hun commerciële onderhandelingen afronden zonder een fiat van het Instituut af te wachten; de inbezitstelling kan uiteraard niet uitgevoerd worden, zolang het Instituut de notificatie niet heeft aanvaard) en (2) dat de inbezitgestelde meer rechten krijgt dan in het Franse nummerplan. De inbezitstelling heeft tot gevolg dat de inbezitgestelde bepaalde contractueel vastgelegde rechten krijgt met betrekking tot de nummercapaciteit in kwestie. Qua nummeringspecifieke verplichtingen blijft de oorspronkelijke houder van de nummercapaciteit verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen van dit besluit die niet specifiek te maken hebben met de relatie tussen de eindgebruiker en de operator (daaronder valt bijvoorbeeld de betaling van de in dit besluit bepaalde jaarlijkse rechten). Verplichtingen waarop de inbezitgestelde kan aangesproken worden betreffen de controle op de toewijzing van de nummers aan de eindgebruikers, het naleven van de verplichtingen inzake nummeroverdraagbaarheid ten aanzien van de abonnee, het garanderen van de authenticiteit van de identificatie van de oproepende lijn en de toewijzing van de nummers aan de eindgebruiker conform de principes van het nummerplan.
   Voorwaarde 1° van artikel 5, § 1 impliceert niet alleen dat de betrokken nummercapaciteit die gesuballoceerd wordt niet ingetrokken mag zijn maar ook dat de suballocatie van nummers uit gereserveerde, nog niet in gebruik genomen nummerblokken niet mogelijk is.
   Voorwaarde 5° van artikel 5, § 1, stellende dat de inbezitgestelde voor binnenkomende oproepen het netwerk moet gebruiken dat ter beschikking wordt gesteld door de oorspronkelijke houder heeft tot doel de routering van oproepen naar de gesuballoceerde nummers beheerbaar te houden. Indien de inbezitgestelde de oproepen naar gesuballoceerde nummers zou kunnen laten toekomen op een ander netwerk dan dat van de oorspronkelijke houder, dan zou dit voor geïnterconnecteerde operatoren inhouden dat deze verschillende routeringen per toegewezen nummerblok moeten uitwerken, wat op technisch vlak moeilijk beheersbaar en kostelijk zou zijn. Deze vereiste belet niet dat de inbezitgestelde voor uitgaand verkeer beroep kan doen op een andere operator dan de operator die de oorspronkelijke houder is van het nummerblok waarbinnen de inbezitstelling heeft plaatsgevonden.
   De administratieve regelingen die in de andere onderdelen van dit artikel opgenomen zijn beogen ertoe bij te dragen dat er tussen de betrokken partijen, met inbegrip van het Instituut, geen misverstanden bestaan omtrent het feit en de draagwijdte van de inbezitstelling.
   Paragraaf 3 regelt de situatie van de overdracht van het geheel van de nummercapaciteit die een operator of leverancier van diensten bedoeld in artikel 4, 2° van het Instituut heeft verkregen, op verzoek van die operator of dienstenleverancier.
   De voorwaarden die gekoppeld worden aan de overdracht van nummercapaciteit in zijn geheel beogen voornamelijk de handel in nummerrechten (in het bijzonder voor speculatieve doeleinden en al dan niet door schermvennootschappen) aan banden te leggen.
   Artikel 6 geeft de bevoegdheid aan operatoren om uit de nummercapaciteit die hen in blok is toegewezen individuele nummers toe te wijzen. Diegenen die een dergelijke verdere toewijzing kunnen verkrijgen zijn in de eerste plaats eindgebruikers voor hun eigen communicatiebehoeften, maar het kan ook gaan om aanbieders van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken of aanbieders van internettoegang, zijnde gebruikers in de zin van artikel 2, 12° van de wet van 13 juni 2005.
   Artikel 7 beoogt de keuze van de oproeper en een eerlijke mededinging te vrijwaren. Wanneer het nummer dat de oproeper wenste te bereiken niet door zijn operator wordt aangeboden mogen er geen mechanismen in werking gesteld worden waarbij de oproeper gedevieerd wordt naar een concurrerende dienst waarmee de betrokken operator wel commerciële banden heeft. Evenmin mag de oproeper in die situatie gedevieerd worden naar een welbepaalde inlichtingendienst. Deze vereisten zijn niet van toepassing wanneer de klant een verkeerd of niet bestaand nummer oproept. In dat geval mag een onderscheppingsbericht afgespeeld worden dat alle beschikbare inlichtingendiensten dient te vermelden.
   Artikel 9 trekt een aantal gevolgtrekkingen uit de intrinsieke aard van de toekenning van nummercapaciteit. Volgens het advies van de Raad van State, afdeling wetgeving van 29 september 1997, voorafgaand aan het koninklijk besluit van 10 december 1997 betreffende het beheer van het nummeringsplan is de toekenning van een nummeringscapaciteit een administratieve machtiging om gebruik te maken van een aantal nummers voor de exploitatie van een welbepaalde elektronische-communicatiedienst. Het ligt dus voor de hand dat op die toegewezen capaciteit niet enig eigendomsrecht toepasselijk kan zijn. De omstandigheid dat de begunstigde op zijn beurt een bepaald gedeelte van zijn nummeringscapaciteit aan zijn cliënten mag toewijzen, eventueel tegen betaling, wijzigt de aard van zijn recht niet, aangezien het recht om een nummeringscapaciteit te gebruiken per definitie bestaat in het toewijzen van die nummers aan gebruikers.
   Die " verdere toewijzing " brengt geen " afstand " of " overdracht " van het door het Instituut aan de aanvrager toegekende recht met zich, omdat die aanvrager houder blijft van zijn administratieve machtiging om aan gebruikers het nummer dat deel uitmaakt van zijn nummeringscapaciteit, respectievelijk de nummers die daarvan deel uitmaken, toe te wijzen of te ontnemen.
   Afdeling 1 van Hoofdstuk III, gevormd door de artikelen 10 tot en met 20, regelt de standaardprocedures die van toepassing zijn op alle nummeraanvragen. Afdeling 2 regelt enkele bijzondere procedures, die op bepaalde punten afwijken van de algemene procedures. Het is de bedoeling dat de materies die niet geregeld zijn onder de bijzondere procedures van afdeling 2 beheerst worden door de relevante passages van de algemene procedures beschreven onder afdeling 1.
   Artikel 10 beschrijft de manier waarop een aanvraag tot reservatie van nummercapaciteit moet ingediend worden, met welke evaluatiecriteria het Instituut zal rekening houden bij zijn technisch onderzoek en wat de gevolgen zijn van een toegekende reservatie. De in artikel 10, § 1, lid 2, gevraagde informatie wordt door het Instituut als strikt confidentieel behandeld en is beperkt tot de relevante elementen vereist voor het onderzoek van de aanvraag.
   Artikel 13 regelt de situatie waarin er voor dezelfde nummercapaciteit meerdere aanvragen worden verricht. De verkrijger van primaire rechten heeft de prioriteit voor de toewijzing van de gevraagde nummeringscapaciteit. Pas indien hij vrijwillig of op last van het Instituut, wegens het niet respecteren van de regels, hiervan afstand doet, kan de nummeringcapaciteit gaan naar de houder van de secundaire rechten. Hetzelfde principe is van toepassing op de tertiaire en volgende rechten. Deze bepaling heeft tot doel om de aanvrager de mogelijkheid te bieden een verlenging van zijn reservering te verkrijgen en daarbij de volgorde van voorrang te behouden die hem was toegestaan bij de aanvaarding van zijn oorspronkelijke aanvraag.
   Artikel 13, vierde lid voorziet een uitzondering op voorgaande principes teneinde rekening te houden met de specifieke situatie van de SMS en MMS korte nummers. SMS en MMS korte nummers zijn intrinsiek codes die eigen zijn aan ieder individueel elektronische-communicatienetwerk. Er bestaan op dit ogenblik geen contractuele regelingen waarmee een mobiele operator eindgebruikers van andere mobiele operatoren toegang geeft tot zijn SMS en MMS korte nummers. Wanneer er met dergelijke codes echter een betalende dienst via een elektronische-communicatienetwerk wordt aangeboden is het de bedoeling dat deze codes aangekozen kunnen worden door alle eindgebruikers van mobiele elektronische-communicatiediensten. Indien het principe van " first come, first served " in dat geval zou toegepast worden, zouden de betrokken korte nummers maar vanaf één mobiel netwerk bereikbaar zijn voor de eindgebruikers aangesloten op dat mobiel netwerk. Om die situatie te vermijden wordt toegestaan dat verschillende mobiele operatoren hetzelfde korte nummer kunnen aanvragen en verkrijgen, op voorwaarde dat zij zich engageren om het betrokken korte nummer gelijktijdig open te stellen voor verkeer.
   Artikel 14 regelt de verlenging van een reeds verkregen reservatie. Omdat nummercapaciteit een schaarse hulpbron is en het, op grond van concurrentiële overwegingen in sommige gevallen niet billijk is dat nummercapaciteit geblokkeerd wordt voor andere potentiële aanbieders in de markt, wordt de verlenging van een reservatie in de tijd beperkt tot maximaal tweemaal één jaar. Iedere aanvraag voor een verlenging van een reservatie is een nieuw dossier, waarop dezelfde principes, criteria en voorwaarden van toepassing zijn als op een aanvraag tot reservatie, met inbegrip van het betalen van nieuwe dossierkosten voor de reservatie.
   De dossierkosten zijn verschuldigd voor het onderzoek van het dossier door het Instituut, ongeacht het resultaat van dat onderzoek. Daarom bepaalt artikel 16 dat, ingeval van weigering van een reservatie, de dossierkosten niet worden terugbetaald.
   Artikel 17 viseert niet alleen naamswijzigingen en wijzigingen van andere administratieve gegevens van de oorspronkelijke aanvrager maar ook wijzigingen van bijvoorbeeld de diensten en toepassingen die van de betrokken nummeringscapaciteit gebruik maken.
   Artikel 19 regelt op welke manier de nummercapaciteit de status " toegewezen " krijgt.
   Deze toewijzing blijft slechts geldig indien cumulatief aan alle voorwaarden bepaald in het tweede lid wordt voldaan.
   De meeste voorwaarden voor de toewijzing zijn mutatis mutandis overgenomen uit het vorige koninklijk besluit inzake nummering. Een uitzondering daarop is voorwaarde 5° die wil dat de houder van toegewezen nummercapaciteit er in principe voor moet zorgen dat de identificatie van de oproeplijn (of CLI) hetzelfde is als het oproepnummer dat toegewezen is aan de eindgebruiker (of althans zijn lijn). Deze vereiste wenst een garantie van authenticiteit van de CLI in te voeren als voorwaarde voor het geldig uitoefenen van gebruiksrechten voor nummers. Vroeger was het eenvoudigweg technisch niet mogelijk dat de CLI die meegegeven werd met de oproep niet correspondeerde met het oproepnummer maar door evolutie van de technologie is dat nu wel het geval, met alle nadelige gevolgen vandien (waaronder problemen voor de gerechtelijke opsporing of fraude). Vermits er met 0800-nummers, betaalnummers en nationale korte nummers geen oproepen verricht worden, kunnen (en mogen) zij niet worden weergegeven als nummer van de oproepende lijn.
   De regel van het tweede lid van artikel 20 houdt verband met het feit dat voor bepaalde nummersoorten de standaardgrootte van de nummercapaciteit verlaagd wordt, omdat er anders nummerschaarste of andere problemen rijzen. In die gevallen is het ook niet logisch om houders van historisch toegewezen nummercapaciteit te verplichten om nummerblokken die binnen die toegewezen nummercapaciteit niet in gebruik genomen zijn te behouden en daarvoor jaarlijkse rechten te betalen, indien zij dat niet wensen.
   Teneinde evenwel de operationele impact van deze mogelijkheid te beperken wordt voorzien dat zij enkel benut kan worden wanneer er sprake is van schaarste.
   Artikel 21 stelt een spoedprocedure voor de reservatie van nummercapaciteit in, in die zin dat de termijn voor het verkrijgen van gebruiksrechten voor nummercapaciteit volgens die procedure maximaal 7 werkdagen bedraagt, terwijl die in de standaardprocedure 3 weken bedraagt (zie artikel 11, § 4 van de wet van 13 juni 2005). Tegenover deze extra dienst staat een verhoogd dossierrecht dat dient om de extra dienst te organiseren.
   Artikel 22 maakt duidelijk dat, wanneer één of meer in de bijlage 1 opgenomen nummers met een bijzondere economische waarde aangevraagd worden, het Instituut niet kan overgaan tot reservatie volgens de algemene procedure maar moet handelen overeenkomstig artikel 11, § 5 van de wet van 13 juni 2005.
   De artikelen 23 tot 30 regelen de problematiek van de nummerblokoverdraagbaarheid of de hertoewijzing van een volledig nummerblok. Deze bijzondere procedure, die in feite bestaat in een gecoördineerde terugtrekking van de gebruiksrechten op een nummerblok aan één operator om deze vervolgens toe te wijzen aan een andere operator kan zich voordoen wanneer een voldoende aantal individuele nummers uit een toegewezen nummerblok zijn overgedragen naar één bepaalde operator.
   Het doel van het doorvoeren van nummerblokoverdraagbaarheid is het bereiken van een globale kostenminimalisatie en routeringsefficiëntie door het verminderen van de extra verkeerskosten die ontstaan door iedere individuele nummeroverdracht.
   Deze artikelen bevatten de procedure voor de aanvraag van een hertoewijzing, de opsomming van de criteria waarmee het Instituut rekening zal moeten houden en de informatie die de betrokken partijen moeten leveren teneinde het Instituut in staat te stellen zijn onderzoek te voeren. Het Instituut zal op basis van de gegeven informatie, rekening houdend met de specifiek toe te passen criteria voor elke soort nummercapaciteit, de aanvragen evalueren.
   Niettegenstaande zijn naam, heeft nummerblokoverdraagbaarheid dus meer uitstaans met het toekennen en intrekken van gebruiksrechten voor nummers via een procedure gevoerd voor het Instituut dan met nummeroverdraagbaarheid, dat een proces is dat opgestart wordt door de eindgebruiker en waarin het Instituut geen operationele rol vervult. Het verplaatsen van de inhoud van artikel 9 van het koninklijk besluit van 16 maart 2000 betreffende de overdraagbaarheid van de nummers van de abonnees van de telecommunicatiediensten naar dit besluit moet in die context gezien worden.
   Gelet op de doelstelling van een hertoewijzing van een nummerblok, namelijk de globale minimalisatie van de totale kosten en het bereiken van globale routeringsefficiëntie, is het logisch dat in artikel 29 bepaald wordt dat nummerblokoverdraagbaarheid voorrang krijgt op secundaire en volgende reserveringsrechten. Het spreekt voor zich dat deze artikelen de toepassing van artikel 135 van de Wet onverlet laten.
   De artikelen 31 en 32 voeren de eenmalige, bijzondere procedure van voorintekening met het oog op de reservatie van SMS en MMS korte nummers in.
   De problematiek die aan de basis van deze uitzonderlijke procedure ligt kan als volgt geschetst worden.
   De verdeling en toekenning van SMS en MMS- korte nummers gebeurde in het verleden door de drie mobiele operatoren die hun acties betreffende het private SMS, en MMS nummerplan coördineerden binnen het kader van het GOF (" GSM Operator's Forum "). In grote lijnen resulteerde dit in een situatie waarbij hele hoofdreeksen van korte nummers (met name de 19XX-, 2XXX- en 5XXX -reeksen) voorbehouden werden aan de eigen diensten van deze operatoren en enkele andere hoofdreeksen (de 3XXX-, 4XXX- en 7XXX-reeksen, deze laatste reeks uitsluitend voor zogenaamde 'adult content') dienden om een grote groep van derde partijen (zogenaamde 'service of content providers') toe te laten betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken aan te bieden.
   Thans zal het publieke SMS en MMS nummerplan, dat de wetgever gewild heeft, moeten voldoen aan de eisen van de Europese richtlijnen inzake gelijke behandeling (artikel 10.2 van de Kaderrichtlijn), objectiviteit, non discriminatie, proportionaliteit en transparantie (artikel 6.1 van de Machtigingsrichtlijn). In toepassing hiervan moet het publieke SMS en MMS nummerplan onder meer op niet-discriminerende wijze voldoende beschikbare capaciteit voorzien voor alle betrokken operatoren en voor eventuele nieuwe marktactoren (bv. MVNO's). Tegelijkertijd zal het publieke nummerplan verschillende maatschappelijke noden moeten invullen, die thans slechts gedeeltelijk ingevuld zijn, zoals (i) het onderbrengen van ontspanning en spelletjes, erotische inhoud en andere inhoud in drie onderscheiden nummerreeksen, zodat een zinvolle oproepbeperking of " Call Barring " mogelijk is, (ii) het bieden van meer effectieve bescherming tegen zogenaamde " reversed charged " sms'- en mms'en (de praktijk waarbij men betaalt voor het ontvangen van een sms of mms), (iii) het introduceren van tarieftransparantie via de reeksen in het nummerplan (bijvoorbeeld het bestemmen van de reeks 8XXX voor gratis sms'en en mms'en), enz.
   Omwille van de doorwerking van deze Europese vereisten en maatschappelijke noden en wensen, zal de huidige (private, gecoördineerde) verdeling en toekenning van SMS en MMS korte nummers niet kunnen voortgezet worden en zullen vele marktactoren verplicht zijn hun huidige nummers en handelswijze aan te passen.
   Om die marktactoren voldoende tijd te geven om zich aan te passen voorziet dit besluit dat de principes van het publieke SMS en MMS-nummerplan pas in werking zullen treden binnen +/- één jaar volgend op de publicatie van dit besluit.
   Indien men zich zou beperken tot deze maatregel, zou het Instituut op de datum van de inwerkingtreding van afdeling 4 van Hoofdstuk VI echter geconfronteerd kunnen worden met verschillende gevallen waarin hetzelfde korte nummer door verschillende aanvragers aangevraagd wordt en zulks voor nummercapaciteit waarmee in een groot aantal gevallen reeds (dagdagelijkse) diensten geleverd worden. In een dergelijke situatie schiet de algemene procedure van de verdeling van primaire, secundaire, tertiaire en volgende rechten tekort omdat het hier niet gaat om nummercapaciteit die nog niet in gebruik genomen is maar wel om nummercapaciteit die (onder een privaat regime) reeds in gebruik genomen werd en waarvoor het ondenkbaar is om de dienstverlening op te schorten totdat een verzoeningsprocedure of lottrekking een uitkomst geboden heeft voor de conflicterende aanvragen. Om voldoende tijd te creëren om een verzoening of andere meer dwingende verdelingsmaatregelen te organiseren, wordt er voor bovenstaande problematiek eenmalig afgeweken van de regel voorzien in artikel 10, § 1 dat een aanvraag tot reservatie slechts geldig kan ingediend worden wanneer er voor de betrokken nummercapaciteit een nummerplan bestaat en in werking getreden is. De mogelijkheid tot het indienen van reserveringsaanvragen niettegenstaande het niet van kracht zijn van het SMS en MMS publieke nummerplan houdt op te bestaan na 8 maanden volgend op de inwerkingtreding van dit besluit, zodat de 4 volgende maanden eventueel kunnen gebruikt worden voor het doorlopen van de procedures beschreven in artikel 32.
   Artikel 32 beschrijft in detail welke procedures er eventueel doorlopen moeten worden wanneer er verscheidene geldige aanvragen voor hetzelfde SMS of MMS kort nummer worden verricht. Als eerste regel wordt voorzien dat houders van rechten onder het private SMS en MMS nummerplan die conform zijn aan het nieuwe publieke nummerplan prioriteit krijgen, zodat nummerwijzigingen niet doorgevoerd moeten worden daar waar ze niet absoluut noodzakelijk zijn.
   Artikel 33 bepaalt in welke gevallen het Instituut kan overgaan tot de intrekking van nummercapaciteit. Intrekking is niet alleen het gevolg van het niet naleven van bepaalde bepalingen van dit besluit (waaronder het niet betalen van de jaarlijkse rechten als voorwaarde voor het uitoefenen van gebruiksrechten voor nummers) of van het verlies van de hoedanigheid die vereist is om gebruiksrechten voor nummers te verkrijgen of uit te oefenen, maar kan ook bevolen worden, wanneer het Instituut vaststelt dat de betrokken nummercapaciteit niet of niet efficiënt gebruikt wordt. Qua modaliteiten van intrekking omwille van niet-efficiënt gebruik wordt als reactie op het advies van de Raad van State ingeschreven dat het Instituut richtlijnen publiceert inzake het efficiënt gebruik van nummers en elk concreet dossier aftoetst aan die richtlijnen. Dit is een voortzetting van de huidige praktijk die toegepast wordt in het kader van de explicatieve nota's inzake niet-geografische nummers voor het gebruik van freephonenummers (0800-nummers) en kadert perfect in de bevoegdheden van het Instituut om als beheerder van de nummeringsruimte (artikel 11, § 1, 1°, van de wet van 13 juni 2005) het efficiënt gebruik van de nummervoorraad te bevorderen en te zorgen voor een efficiënt beheer van de nummervoorraad (artikel 6, 4° van de wet van 13 juni 2005). Een voorbeeld van niet efficiënt gebruik is bijvoorbeeld het gebruik van slechts één nummer in een toegewezen blok van 10.000 nummers. Een laatste geval van intrekking kan tussenkomen wanneer vast komt te staan dat een operator geen medewerking verleent aan het uitvoeren van een beslissing van de Ethische Commissie voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken, bedoeld in artikel 134 van de wet van 13 juni 2005. Qua modaliteit wordt voorzien dat een dergelijke intrekking pas kan tussenkomen wanneer de beroepstermijn van 60 dagen tegen een beslissing van de Ethische Commissie verstreken is of wanneer het Hof van Beroep te Brussel, uitspraak doende op basis van artikel 2 van de wet van 6 juli 2005 betreffende sommige juridische bepalingen inzake elektronische communicatie, het hoger beroep tegen een beslissing van de Ethische Commissie heeft verworpen.
   Ingeval van intrekking wordt naast een update van de nummerdatabank een mededeling op de website van het Instituut gepubliceerd teneinde de operatoren in de gelegenheid te stellen hun routeringsinformatie aan te passen.
   Tevens zal het Instituut ingeval van intrekking een bevriezingsperiode aankondigen tijdens dewelke de ingetrokken nummercapaciteit niet in aanmerking komt voor reservatie, dit om foutieve oproepen tot een minimum te beperken.
   De artikelen 36 tot 39 omkaderen het vaststellen van nieuwe nummerplannen of het wijzigen van bestaande nummerplannen waarmee het Instituut, overeenkomstig artikel 11, § 1, 1°, van de wet van 13 juni 2005 belast is.
   Artikel 36 biedt aan een ruime categorie van belanghebbenden de gelegenheid om op gemotiveerde wijze een aanvraag tot het vaststellen van een nieuw nummerplan of het wijzigen van een bestaand nummerplan bij het Instituut in te dienen. Daarnaast kan het Instituut ook op eigen initiatief een voorstel van nieuw of aangepast nummerplan lanceren.
   Conform artikel 14.1 van de Machtingingsrichtlijn voorziet artikel 36 eveneens dat ontwerpen van nieuwe nummerplanen of ontwerpbesluiten die wijzigingen aanbrengen aan de rechten, voorwaarden of procedures verbonden aan een bestaand nummerplan ten minste gedurende vier weken ter consultatie voorgelegd worden.
   Teneinde de nodige stabiliteit in de sector te verzekeren is het slechts mogelijk om drie maal per jaar nieuwe nummerplannen in te voeren of wijzigingen aan te brengen aan de bestaande nummerplannen. Deze regel, die er gekomen is op vraag van de operatoren, werd overgenomen uit de procedure voor wijzigingen en toevoegingen aan de explicatieve nota's omtrent nummering.
   Artikel 37 strekt ertoe om reservaties die verricht werden lopende de procedure voor het wijzigen van een bestaand nummerplan te bevriezen totdat er een definitief uitsluitsel is over het al dan niet doorvoeren van de voorgenomen wijziging.
   Artikel 38 geeft aan het Instituut de mogelijkheid om, ingeval van fundamentele wijzigingen aan een nummerplan, een nummerconversieplan te definiëren en ten uitvoer te leggen.
   Hoofdstuk VI, bestaande uit de artikelen 40 tot en met 79, legt de basisstructuren vast van de nationale nummerplannen voor respectievelijk de telefoondiensten, de korte nummers, de pakketgeschakelde datadiensten, de SMS en MMS diensten, de identificatie van apparatuur en gebruikers in roamingtoestand en diverse andere identificatiemechanismen. Met uitzondering van het nummerplan voor SMS en MMS diensten steunen ze in essentie op de basisregels opgelegd door de ITU. Zowel het kiesplan geassocieerd aan sommige van deze nummerplannen als de interwerkingsregels (artikel 80) worden vastgelegd door de Minister.
   Wat betreft het kiesplan voor de E.164 nummers wordt elke nationale oproep op het ogenblik van het aannemen van dit besluit voorafgegaan door de prefix '0'. Wegens het invoeren van 'full dialling' in België in 2000 (d.i. de vereiste om ook het zonenummer te vormen wanneer men een gesprek binnen dezelfde zone wenst op te zetten) heeft deze prefix in de Belgische nationale context geen betekenis meer en, gecombineerd met nieuwe technologische ontwikkelingen in de telefooncentrales, kan ze dus perfect weggelaten worden. Artikel 41 maakt deze hervorming mogelijk.
   Wanneer dit gerechtvaardigd is door legitieme behoeften in de markt van de elektronische communicatie kan de Minister in de toekomst ook andere wijzigingen aanbrengen aan het kiesplan.
   De specifieke principes van toepassing op de geografische nationale E.164 nummers worden geregeld in de artikelen 42 en 43.
   De geografische nationale E.164 nummers zijn de nummers die in het gewone taalgebruik bekend staan als 'de vaste nummers' (momenteel bijvoorbeeld de nummers beginnend met '02', '03', '081', die respectievelijk de regio rond Brussel, Antwerpen en Namen karakteriseren).
   Traditioneel (en met name in een fase van de technologie waarbij spraaktelefonie uitsluitend werd geleverd aan de hand van circuitgeschakelde netwerken) was een geografisch nummer verbonden met een specifieke locatie, met name het fysieke punt (of de radio-interface) waarop een eindgebruiker de toegang tot een openbaar elektronische- communicatienetwerk wordt geboden (in artikel 43 het " netwerkaansluitpunt " genoemd).
   Het nummer kon dan ook op geen enkele ander netwerkaansluitpunt gebruikt worden.
   Dit gegeven is door de evolutie van de technologie en meer bepaald de ontwikkeling van " Voice over IP " diensten thans gedeeltelijk achterhaald. Onder een "VoIP"-dienst wordt verstaan : de aan het publiek aangeboden elektronische-communicatiedienst voor het transport van spraak die geheel of gedeeltelijk wordt verstuurd over een netwerk dat functioneert aan de hand van het Internet Protocol (hierna ook " het IP netwerk " genoemd) en waarbij ten minste één van de netwerkaansluitpunten op een IP-netwerk is aangesloten. De term " spraak " is hier beperkt tot een dienst waarbij geïndividualiseerde en door een vorm van vertrouwelijkheid gekenmerkte informatie wordt geleverd.
   Met de technologie die spraak over het Internet mogelijk maakt worden diensten aangeboden die vanuit het oogpunt van een eindgebruiker in sterke mate gelijken op de telefoniediensten van de verschillende publieke spraaktelefoonoperatoren die actief zijn op de Belgische markt. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van een (breedband)toegang tot het publieke Internet, geleverd door ofwel dezelfde partij als diegene die de VoIP-dienst levert ofwel een andere partij.
   Een intrinsieke eigenschap van VoIP-diensten is dat eindgebruikers wereldwijd oproepen kunnen ontvangen en maken, niet gehinderd door enige geografische grenzen. Deze laatste karakteristiek omschrijft men meestal als het 'nomadische' gebruik. Ondernemingen kunnen dergelijke diensten wereldwijd aanbieden met behulp van een 'server' die zich eveneens op om het even welke plaats kan bevinden.
   De reglementering dient zich in te schrijven in deze evolutie en VoIP-diensten op een niet-discriminerende en technologie-neutrale wijze te accommoderen. Wat betreft het gebruik van nummers dient er rekening gehouden te worden met het feit dat door het nomadische karakter van de VoIP-dienst het verband tussen het oproepnummer en de opstelplaats van het eindapparaat verdwijnt.
   Geen enkele nummerreeks zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 10 december 1997 was zonder verandering van de reservatiecriteria en/of gebruiksvoorwaarden geschikt voor VoIP-diensten met onder andere een nomadische component. Gelet op het voorgaande en de hoogdringendheid van de aanvragen van operatoren van " VoIP-diensten ", koos de Belgische overheid voor een voorlopige regeling, waarbij onder een aantal voorwaarden geografische nummers konden gebruikt worden voor VoIP-diensten met een nomadische component.
   De keuze viel op het gebruik van geografische nationale E.164 nummers (in de plaats van bijvoorbeeld het definiëren van een nieuwe nummerreeks of het gebruik van mobiele nummers) omdat :
   
   a) nieuwe aanbieders eenvoudiger kunnen concurreren met aanbieders die gebruik maken van circuitgeschakelde technologieën;
   b) de technologieneutraliteit wordt gewaarborgd;
   c) de voorkeur van de aanvragers duidelijk ging en gaat naar geografische nummers;
   d) eindgebruikers het best vertrouwd zijn met geografische nummers;
   e) de diensten die geografische nummers gebruiken de goedkoopste eindgebruikerstarieven hanteren, wat voordelig is voor de klant;
   f) interoperabiliteit het best wordt gewaarborgd door geografische nummers (vele speciale nummerreeksen zijn bijvoorbeeld niet bereikbaar vanuit het buitenland);
   g) voor de gevallen waarbij gebruik wordt gemaakt van een radionetwerk er geen communicaties door de eindgebruiker mogelijk zijn gedurende verplaatsingen over lange afstand;
   h) talrijke landen eveneens deze oplossing (al dan niet in combinatie met een niet-geografische nummerreeks) mogelijk maken.
   Artikel 43 legt deze beleidsoptie en de bijhorende voorwaarden definitief vast. Er wordt dus niet geopteerd voor het vervangen van geografische nummers voor nomadische diensten door een ander type van nummers voor dergelijke diensten binnen het jaar na het van kracht worden van dit besluit (mogelijkheid die in de voorlopige regeling voorzien was).
   Voorwaarde 1° is geïnspireerd op de regeling die naar voren werd geschoven door de Nederlandse regulator OPTA. Deze voorwaarde impliceert dat een operator die een nummer uitgeeft aan een eindgebruiker verifieerbare gegevens, zoals een recente loonstrook, een recent bankafschrift, een uittreksel uit het ondernemingsregister of een kopie van een identiteitskaart, moet hebben en up-to-date houden, die aantonen dat een abonnee wel degelijk in de nummerzone woont die overeenkomt met het adres dat vermeld staat in de bestelbon of andere contractuele documenten.
   Voorwaarde 2° wil ervoor zorgen dat het probleem van de bereikbaarheid van de nooddiensten bij nomadisch gebruik van geografische nummers voldoende onder de aandacht van de abonnee wordt gebracht. Indien door technologische ontwikkelingen het probleem van de lokalisatie wordt opgelost dan is het logisch dat voorwaarde 2° zal worden opgeheven.
   Door het nomadische karakter van de VoIP-dienst verdwijnt in bepaalde gevallen het onlosmakelijke verband tussen het oproepnummer en de opstelplaats van het eindapparaat. Hierdoor zijn de nooddiensten niet altijd in staat om noodoproepen met 100 % zekerheid fysisch te lokaliseren. Een besluit genomen in uitvoering van artikel 107, § 3 van de wet van 13 juni 2005 en voorbereid in een werkgroep bestaande uit het BIPT, vertegenwoordigers van de nooddiensten en vertegenwoordigers van de sector van de elektronische communicatie dient een antwoord te geven op deze problematiek. Artikel 43, in fine, koppelt, in het belang van de openbare veiligheid, de toegang tot de nooddiensten aan het van kracht worden van dit laatste besluit. Onder identificatie van de oproeper in de zin van artikel 43, in fine, wordt verstaan elk gegeven, rechtstreeks of onrechtstreeks beschikbaar, in de netwerken en diensten van een operator, dat het oproepnummer van het eindapparaat, de naam van de abonnee en de plaats waar het eindtoestel zich bevindt op het ogenblik van de oproep bepaalt.
   Wanneer gebruik wordt gemaakt van technische oplossingen waarbij vandaag reeds de voormelde identificatie mogelijk is dan mag de houder van het nummer, dit is in casu de operator, noodoproepen mogelijk maken. Het spreekt voor zich dat de houder van het nummer de verantwoordelijkheid heeft om te verifiëren of de gebruikte technische oplossing de identificatie in alle omstandigheden mogelijk maakt.
   Voorwaarde 3° geeft een oplossing aan de problematiek van de nummeroverdraagbaarheid van nomadisch gebruikte nationale E.164 nummers. Doordat operatoren die nomadiciteit aanbieden op dit ogenblik geen toegang mogen geven tot de nooddiensten komen zij niet in aanmerking voor een kwalificatie als operator van openbare telefoondiensten (zie artikel 2, 22°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie). Hierdoor rust op deze operatoren geen verplichting om aan hun abonnees de faciliteit nummeroverdraagbaarheid aan te bieden (zie artikel 11, § 7 van de wet van 13 juni 2005). Ze zijn echter wel gerechtigd om nummers van andere operatoren van openbare telefoondiensten in te porteren. Als gevolg hiervan kan een abonnee die zijn nummer overgedragen heeft naar een operator die het nomadisch gebruik van nationale geografische E.164 nummers aanbiedt zijn nummer niet meer opnieuw meenemen naar een andere operator. Dit is in strijd met de vrije keuze van de consument en veroorzaakt een scheeftrekking van de concurrentie. Zoals toegestaan door punt C.3 van de bijlage bij de Europese Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten, is het toestaan van 'uitgaande nummeroverdraagbaarheid' voorwaarde voor het gebruik van een nationaal geografisch E.164 nummer op nomadische wijze.
   De specifieke principes en gebruiksvoorwaarden van toepassing op niet-geogafische nationale E. 164 nummers worden geregeld in de artikelen 44 tot en met 53.
   De dienstidentiteit 800, waarvan de principes geregeld worden in artikel 45, beoogt de beller duidelijk te maken dat de oproep naar het nummer dat hij wil bereiken hem niet kost. Derhalve mogen ook de oproepen naar de dienstidentiteit 800 vanaf een mobiel netwerk of vanuit openbare telefoons de oproeper niets kosten.
   Artikel 46 bepaalt dat de '079 7'-nummers nog tot 31 december 2011 in dienst kunnen blijven voor het aanbieden en factureren van dial-up internetdiensten door ISP's of operatoren los van de toegangs- of CSC/CPS operator. Dit model is door de ontwikkeling van het breedbandinternet steeds meer achterhaald, zodat de nummers die gekoppeld zijn aan dit model, mits voldoende tijd om de migratie te organiseren, ingetrokken kunnen worden.
   De '078' nummers, bedoeld in artikel 47, werden vóór de liberalisering van de telecomsector ingevoerd om de kosten te delen van lange afstandsgesprekken in België. Vandaag hebben deze nummers de functie van een nationaal nummer zonder geografische link.
   De '070'-nummerreeks, bedoeld in artikel 48, is eveneens een reeks die vóór de liberalisering werd ingevoerd ten behoeve van hoofdzakelijk bedrijven die niet wensten dat klanten een verschillend tarief dienden te betalen al naargelang ze toevallig wel of niet vanuit dezelfde telefoonzone als het betrokken bedrijf belden. Tegenwoordig doen deze nummers, waaraan nog een tariefstandaard verbonden is die vergelijkbaar is met de tariefstandaard van vóór de liberalisering, dienst als 'low cost premium rate' (of betaal)nummers. Deze de facto herpositionering van de '070'-nummerreeks wordt thans officieel vastgelegd. Om de functie van de dienstidentiteit '9' als indicator voor betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken zoveel mogelijk te vrijwaren, wordt het aantal mogelijke types van diensten die onder deze nummerreeks worden aangeboden beperkt en wordt een mechanisme ingevoerd dat ervoor moet zorgen dat het tariefniveau van deze reeks lager ligt dan het laagste tariefniveau in de '0900-reeks'.
   De '077'-reeks, besproken in artikel 49, dateert eveneens van vóór het aannemen van het koninklijk besluit betreffende het beheer van het nationale nummeringsplan van 10 december 1997 en voldoet niet aan het principe dat reeds in dat besluit weerhouden is dat de communicatiecode 9 de informatiediensten aanduidt waarbij de eindgebruiker naast de prijs voor de oproep ook dient te betalen voor de inhoud (zie artikel 10, § 3, 2° van het koninklijk besluit van 10 december 1997). Gezien de nood van het creëren van tarieftransparantie het hoogst is bij de dure betaalnummers (het '077' nummer wordt getarifeerd aan hetzelfde tarief als de 0900-nummers) en het feit dat de uitfasering van de '077'-reeks al meerdere malen in consultaties van het BIPT werd aangekondigd, is het verantwoord om deze reeks versneld uit dienst te nemen.
   Artikel 50 regelt de principes en de inhouds- en tariefindicaties die verbonden worden aan de reeksen achter de dienstidentiteit 9. Het eerste cijfer dat volgt op de dienstidentiteit 9 kan niet '2' of '3' zijn, omdat dit een conflict veroorzaakt met de nationale geografische E.164 nummers die gebruikt worden in de zone Gent.
   Qua indicatie van het toepasselijke tarief kiest dit besluit twee sporen. Enerzijds wordt er getracht via de cijfers achter de dienstidentiteit 9 een zekere bewustwording van de verschillende tarieven geassocieerd met de verschillende nummerreeksen te creëren (met name door de regel dat binnen eenzelfde inhoudsklasse (zie verder) het hogere eindgetal wijst op een hoger tarief). Omdat de ervaring en studies leren dat de consument de aanduiding van de hoogte van het tarief via de prefixen niet of nauwelijks oppikt, bestaat een tweede maatregel, uitgewerkt in § 2, erin om vanaf een bepaald bedrag aan het gebruik van een betaalnummer een verplichting tot het verstrekken van een tariefboodschap te verbinden.
   Een tariefboodschap dient de vorm aan te nemen van een tariefwaarschuwingsbericht vertoond op het computerscherm van de gebruiker, wanneer de betalende dienst via een elektronische-communicatienetwerk geen gebruik maakt van spraak.
   De vereiste dat het toepasselijke tarief en gevormde nummer op een ondubbelzinnige wijze moeten meegedeeld worden is bedoeld om erop te wijzen (1) dat het verboden is prefixen op enige wijze te splitsen wanneer ze, mondeling of schriftelijk, vermeld worden en (2) dat in reclame of vermeldingen die niet enkel hoorbaar zijn het verplicht is de prefix te scheiden door een spatie, een streepje of gelijk welk ander leesteken.
   Qua inhoud worden drie verschillende categorieën van nummerreeksen gecreëerd :
   
   1) de algemene betaalnummerreeksen, zijnde de 900-, 901-, 902-, 903-, 904- en 909-nummerreeksen;
   2) de reeks waaronder spelletjes, competities (televoting, enz) en andere vormen van ontspanning (downloaden van logo's en beltonen) moeten 'worden aangeboden, zijnde de 905- reeks; De bevoegdheid van het Instituut om binnen de 905-reeks subreeksen vast te stellen voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken waaraan in uitvoering van andere wettelijke of reglementaire bepalingen bijzondere vereisten gekoppeld zijn dient om de operatoren of andere betrokken partijen in staat te stellen om tegemoet te komen aan verplichtingen, zoals deze die voortvloeien uit het koninklijk besluit van 10 oktober 2006 houdende de voorwaarden waaraan spelen die aangeboden worden in het kader van televisieprogramma's via nummerreeksen van het Belgische nummerplan, waarvoor het toegelaten is om van de oproeper, naast de prijs van de communicatie, ook de betaling van de inhoud te vragen, doch beperkt tot deze reeksen waarop het eindgebruikerstarief geen functie is van de tijdsduur van de oproep en die een totaalprogramma inhouden dienen te voldoen. Er wordt hierbij bijvoorbeeld gedacht aan de verplichting van de operator om de mogelijkheid te voorzien om elkeen die hierom persoonlijk verzoekt, of op verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger voor minderjarigen, via de prefix " spelinhoud " te blokkeren (art. 9.2 van het koninklijk besluit van 10 oktober 2006).
   3) de reeksen bedoeld voor erotisch of sexueel getinte inhoud, zijnde de 906- en 907-nummers.
   De reden voor deze driedeling heeft te maken met de noodzaak om een efficiënte " Call Barring " of oproepblokkering te kunnen organiseren. Ouders moeten de keuze kunnen maken om hun kinderen af te schermen van voor hen schadelijke en niet bestemde inhoud (volwasseneninhoud) en diezelfde kinderen toch toegang te bieden tot spelletjes of andere ontspanningsmogelijkheden (bv. het deelnemen aan een televoting of het downloaden van ringtones of chatten) geleverd via betaalnummers. Tegelijkertijd moeten bedrijven oproepen naar zowel de sexueel en erotisch getinte nummerreeksen als de spelletjes- en ontspanningsreeksen kunnen blokkeren. Deze twee doelstellingen tegelijkertijd realiseren is niet mogelijk met een tweedeling volwasseneninhoud versus niet-volwasseneninhoud, zoals die momenteel bestaat.
   Wat betreft de grensgevallen in de categorisering (bv. tot welke reeks behoort een erotisch spelletje.) heeft § 4 van artikel 50 de bedoeling de stelregel in te voeren dat, indien er twijfel kan bestaan over het erotisch of seksueel karakter van een ontspanningsdienst, de dienst ondergebracht moet worden onder de 906 en 907 nummerreeksen voor volwasseneninhoud. Enkel door een dergelijke regel te hanteren wordt de grootst mogelijke bescherming (onder meer in termen van Call Barring) bereikt.
   In artikel 50, § 5 wordt naast de 'residuele' betaalnummers (zijnde de 900, 901, 902, 903 en 904-nummerreeksen) ook een bijzondere nummerreeks behandeld, met name de 909-nummerreeks.
   Deze reeks is de reeks met flexibele tarifering. Dit wil zeggen dat de kostprijs (vast tarief, variabel tarief per tijdseenheid of combinatie van beide) van een gesprek naar een dergelijk nummer vrij te kiezen is. Bijzonder aan deze reeks is naast de geboden flexibiliteit ook dat zodra de oproeper toegang heeft verkregen tot een nummer uit de 909-reeks deze op een verplichte basis voor elke oproep een kosteloze aankondiging (m.a.w dit gedeelte van de oproep is volledig gratis) te horen of te zien (on-line) moet krijgen, ongeacht het tarief dat op de oproep van toepassing is. Deze boodschap heeft als doel de tarifering van de oproep uit te leggen. Indien de oproeper na de informatie over de gesprekskosten niet wenst door te gaan met de oproep dient zij/hij na deze aankondiging dit onmiddellijk aan te geven. Dit kan door middel van bijvoorbeeld het inhaken, het versturen van een DTMF-boodschap, enz. Deze mogelijkheid tot beëindiging van de oproep zonder kosten moet duidelijk worden vermeld in de boodschap. Pas nadat de klant uitdrukkelijk de dienst heeft aanvaard kan worden aangerekend.
   Om grote financiële drama's die soms veroorzaakt worden door een overmatig gebruik van betaalnummers zoveel mogelijk te vermijden wordt de flexibiliteit geassocieerd aan de 909-reeks beperkt door een absoluut plafond van 31 EUR per oproep. Omdat er een variabele tarifering geassocieerd is met de 909-reeks komt dit niet noodzakelijk neer op een maximum van 31 EUR per oproep. Indien er geopteerd werd voor een tarifering per minuut, is het maximum toegelaten tarief in de meeste gevallen de facto 3,10 EUR per minuut (aangezien de duur van oproepen die op tijdsbasis gefactureerd worden in toepassing van artikel 50, § 6, maximaal 10 minuten mag bedragen). Elke andere combinatie van een tarifering per minuut met een vaste component (bv. vaste kost van 6 euro aangerekend aan het begin van de verbinding met het 0909-nummer en vervolgens 2,5 euro per minuut) is ook mogelijk voorzover de absolute drempel van 31 euro niet overschreden wordt.
   Artikel 51 associeert de dienstidentiteit 4 aan alle diensten die mobiliteit, zoals gedefinieerd in artikel 1, 17°, bieden. De regel dat het eerste cijfer dat volgt op de dienstidentiteit 4 niet '2' of '3' kan zijn beoogt een conflict te voorkomen met de nationale geografische E.164 nummers die gebruikt worden in de zone Luik.
   Artikel 52 introduceert de dienstidentiteit 76, voor het aanbieden van persoonlijke nummerdiensten, gedefinieerd in artikel 1, 16°. De zogenaamde 'persoonlijke nummers' die hiermee ingevoerd worden zijn ontworpen om consumenten toe te laten te worden opgebeld via een uniek nummer onafhankelijk van de locatie waarop zij zich bevinden en/of het netwerk (eveneens het mobiele) waaraan zij verbonden zijn. Op deze wijze verwerven klanten de controle over hun inkomende oproepen en kunnen ze steeds worden bereikt. Een inherent kenmerk van deze nummerreeks is dat ze op (quasi-)permanente basis op nomadische wijze kan gebruikt worden door personen wiens hoofdverblijfplaats in België gelegen is. Eveneens kunnen deze nummers gezien ze netwerkonafhankelijk zijn gebruikt worden voor de zogenaamde vaste- en mobiele convergentiediensten.
   Artikel 52, lid 3, brengt tot uitdrukking dat, in tegenstelling tot de andere niet-geografische nationale E.164 nummers, nummervertaling (naar bijvoorbeeld een geografisch nummer) geen noodzakelijke vereiste is om oproepen op hun bestemming te krijgen. Of nummervertaling vereist is, is afhankelijk van het gebruik van het IP Protocol. Indien dit protocol gebruikt wordt, is nummervertaling in principe geen vereiste. Wanneer het niet gebruikt wordt, dan is het mogelijk wel nog noodzakelijk om een nummervertaling te verrichten.
   Het netwerkonafhankelijk karakter van de persoonlijke nummers, bedoeld in artikel 52, lid 4, viseert het fenomeen waarbij door gebruik te maken van het IP protocol de transport- en dienstenlaag gescheiden worden, waardoor zich diensten kunnen ontwikkelen onafhankelijk van de onderliggende transportlaag. Klassieke E.164 nummers functioneren zowel als namen en adressen. Door de scheiding van de lagen verdwijnt echter de adresseringstaak van het E.164 nummer en blijft slechts de identificatietaak over. Een dergelijk nummer is dan netwerkonafhankelijk. De adresseringstaak wordt waargenomen door voor de eindgebruiker niet zichtbare translatiemechanismen.
   Het spreekt voor zich dat operatoren die zelf terminatie van oproepen kunnen verzorgen, omdat ze over een eigen netwerk beschikken met direct aangesloten klanten, deze dienst ook kunnen aanbieden.
   De bedrijfsnummers, die geïntroduceerd worden door artikel 53, hebben dezelfde functionaliteit als de persoonlijke nummers met dit verschil dat ze worden ingezet voor het opzetten en aanbieden van bedrijfsnetwerken. Oproepen naar deze nummers zullen hoofdzakelijk op het eigen bedrijfsnetwerk termineren. Dat eigen bedrijfsnetwerk kan zowel elektronische-communicatiediensten geleverd op een vaste locatie als mobiele elektronische-communicatiediensten ondersteunen.
   Bedrijfsnummers zijn aankiesbaar vanuit alle netwerken en kunnen voor het bedrijf in kwestie ook dienst doen als uniek informatieloket voor klanten en geïnteresseerden in het bedrijf, zijn producten en diensten, zonder evenwel als een betaalnummer uitgebaat te mogen worden.
   Artikel 54 handelt over de bevoegdheid van de Minister om het aantal cijfers waaruit een E.164 nummer bestaat vast te leggen.
   Artikel 55 geeft het Instituut de mogelijkheid om nummercapaciteit in kleinere hoeveelheden dan de standaardgrootte af te leveren. Deze mogelijkheid wordt in principe uitgeoefend ingeval van nummerschaarste in een bepaalde nummercapaciteit of na een gerechtvaardigd verzoek van een aanvrager.
   De artikelen 57 tot 67 zetten de principes uiteen die van toepassing zijn op de nationale korte (drie- of viercijferige) nummers.
   Deze nationale korte nummers moeten zowel op vaste als op mobiele openbare elektronische-communicatienetwerken aangeboden kunnen worden.
   Artikel 58 stelt het principe in dat driecijferige nummers worden voorbehouden voor overheidsdiensten en diensten van openbaar nut zonder enig commercieel doel. Met een dienst van openbaar nut wordt in eerste instantie gerefereerd naar de diensten die geen overheidsdienst in de strikte zin van het woord zijn maar die wel uiterste nuttige maatschappelijke tussenkomsten leveren ingeval van noodsituaties. De nummers 116 en 118, eventueel gevolgd door een suffix van één tot drie cijfers, worden buiten het toepassingsgebied van artikel 58 gelaten, gelet op hun toekomstig potentieel geharmoniseerd Europees gebruik, dat desgevallend niet beperkt zal zijn tot overheidsdiensten en diensten van openbaar nut zonder commercieel doel. Voor het potentieel geharmoniseerd Europees gebruik van het nummer 116 wordt verwezen naar de uitleg bij artikel 60 hieronder. De vermelding van het nummer 118 is pro memorie, aangezien er op het ogenblik van het aannemen van dit besluit geen bindende teksten bestaan of in de maak zijn die een geharmoniseerd gebruik van het nummer 118 voorschrijven.
   Artikel 59 neemt de korte driecijferige nummers over die vermeld worden in artikel 2 van het koninklijk besluit van 2 februari 2007 betreffende de nooddiensten tot uitvoering van artikel 107, § 1 en § 3, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, en houdende diverse bepalingen inzake elektronische communicatie voor de nooddiensten en geeft ze aldus ook een plaats in de nationale nummeringsruimte. Het nationale korte nummer 105, toegekend aan het Belgische Rode Kruis, wordt apart vernoemd omdat het Belgische Rode Kruis om neutraliteitsredenen niet in aanmerking wil genomen worden als nooddienst.
   Artikel 60 duidt, zoals aanbevolen in ECC Aanbeveling (04)07, de nummerreeks beginnend met 116 aan voor het aanbieden van toekomstige geharmoniseerde Europese diensten. Bedoeling is dat burgers een welbepaalde dienst die voldoet aan een aantal op Europees niveau vastgelegde criteria op zoveel mogelijk plaatsen in Europa kunnen bereiken aan de hand van hetzelfde korte nummer. De precieze procedures, voorwaarden en criteria die op Europees niveau toegepast worden om aan te duiden welke dienst in aanmerking komt voor het ontvangen van nummers beginnend met 116 in ieder van de deelnemende landen is vastgelegd in de Beschikking van de Commissie van 15 februari 2007 inzake het reserveren van de nationale nummerreeks die begint met '116' voor geharmoniseerde diensten met een maatschappelijke waarde. De verdere modaliteiten op Belgisch niveau zullen door het Instituut uitgewerkt worden op basis van artikel 11, § 3, van de wet van 13 juni 2005.
   Artikel 61 bestendigt het gebruik van de reeksen 12XX, 13XX en 14XX voor het aanbieden van voice mail en inlichtingendiensten, zoals vastgelegd in de explicatieve nota omtrent toegangscommunicatiecodes zoals voorzien in art. 10 § 5 lid 1 van het koninklijk besluit betreffende het beheer van het nummeringsplan. In het kader van hun dienstverlening mogen inlichtingendiensten bijkomende faciliteiten aanbieden. Zo kan gedacht worden aan een voice portaal, het verstrekken van inlichtingen omtrent de dienstregeling van de treinen, enz. Deze bijkomende faciliteiten mogen geen aanleiding geven tot het aanrekenen van een hogere prijs voor de oproep.
   Het derde lid van artikel 61 bevestigt het verbod om (1) verkapte betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken aan te bieden via de nummerreeksen bestemd voor de inlichtingendiensten en (2) het verbod om naar dergelijke nummers door te schakelen.
   Het eerstgenoemde verbod is gegrond op de volgende overwegingen :
   
   a) indien men verstrekkers van 'inlichtingendiensten' zou toelaten om hun korte nummers te gebruiken om eveneens betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken aan te bieden, benadeelt en discrimineert dit de leveranciers van de betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken, vermits deze laatste verder moeten blijven werken op basis van langere en minder aantrekkelijke nummers (van het type 090X ABCDE).
   b) Deze benadeling en discriminatie kan in de praktijk niet opgeheven worden door de leveranciers van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken ook toe te laten de 12XX-, 13XX- en 14XX - nummers te laten gebruiken, gelet op het hoge aantal van dergelijke leveranciers en de schaarste op vlak van 12XX-, 13XX- en 14XX-nummers in een dergelijk scenario;
   c) Daarnaast riskeren de jaarlijkse rechten te betalen voor het gebruik van de 12XX, 13XX en 14XX korte nummers te hoog te zijn voor leveranciers van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken, terwijl de incrementele kost voor de leveranciers van inlichtingendiensten om naast hun inlichtingendiensten eveneens betalende diensten te leveren nihil is. Deze laatste vaststelling zou oneerlijke concurrentie op deze markten kunnen creëren, hetgeen moet vermeden worden.
   Het verbod op doorschakeling naar 090X-nummers is ingegeven door de volgende overwegingen :
   
   a) Het vermijden dat leveranciers van betalende diensten via elektronische-communicatiediensten zich een aantrekkelijk inlichtingendienstennummer aanschaffen niet met het oogmerk om een daadwerkelijke inlichtingendienst te verstrekken maar met het oogmerk om achter een (oppervlakkige) inlichtingendienst in werkelijkheid betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken aan te bieden in oneerlijke concurrentie met andere leveranciers van dergelijke diensten die wel nummers van het type 90X ABCDE gebruiken;
   b) Het vermijden van ontwijkingsscenario's van de (zelf)regulering van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken (toepasselijk op betaalnummers maar niet op nummers voor de inlichtingendiensten), die opgezet zouden kunnen worden al dan niet in samenwerking met aanbieders van inlichtingendiensten;
   c) het vermijden van een omzeiling van de instellingen van de oproepblokkering of Call Barring;
   d) het vrijwaren van de zichtbaarheid van de nummers met de dienstidentiteit '9' (en de daaraan gekoppelde tariefwaarschuwingsfunctie).
   Zoals het geval was bij sommige niet-geografische nationale E.164 nummers, worden bepaalde nummers uit de 12XX-, 13XX- of 14XX-reeks om historische redenen nog aangewend voor een gebruik dat niet conform is met de bestemming van deze reeksen. Artikel 61, vierde lid, beoogt een einde te maken aan deze ongezonde situatie door ten laatste op 1 januari 2012 de uit dienstneming van dergelijke dienst te voorzien (waarbij uit dienst nemen ook betekent dat de betrokken nummercapaciteit terug beschikbaar wordt voor reservatie overeenkomstig de bepalingen van dit besluit).
   Artikel 62 voorziet dat de reeksen 15XX en 16XX dienen voor het toekennen van Carrier Selection Codes.
   Artikel 63 voorziet onder meer in het aanduiden van nummercapaciteit die gebruikt kan worden voor de ondersteuning van al dan niet commerciële diensten van groot maatschappelijk belang, geleverd door de overheid in de brede zin van het woord of VZW's en stichtingen. Commerciële bedrijven komen niet in aanmerking voor het bekomen van korte nummers uit deze reeksen, omdat anders de (beperkte) capaciteit in deze reeksen zeer snel zou uitgeput raken. Daarnaast worden om historische redenen bepaalde specifieke nummers in deze reeks bestemd voor andere doeleinden.
   De bestemming en de gebruiksmogelijkheden van de 19XX-reeks, die worden vastgelegd in artikel 64, worden uitgebreid ten opzichte van hetgeen toegestaan was onder de gelding van het koninklijk besluit van 10 december 1997 betreffende het beheer van het nummeringsplan. Deze nummers mogen thans niet alleen gebruikt worden voor gratis, interne al dan niet publieke toepassingen, zoals het rapporteren van fouten, het geven van al dan niet commerciële informatie over het eigen dienstenaanbod, voice mail, het opvragen van de stand van de telecomrekening, enzovoort. Het gebruik van deze nummers kan ook uitgebreid worden tot partijen waarmee de operator van het 'gastheernetwerk' een vrijwillige commerciële overeenkomst heeft aangegaan. Ook qua tarifering wordt meer flexibiliteit geboden.
   Omdat het gaat om nummers voor interne toepassingen dienen zij niet geïmplementeerd te worden in de netwerken van andere geïnterconnecteerde operatoren (andere dan de partijen waarmee de operator van het gastheernetwerk een vrijwillige commerciële overeenkomst heeft aangegaan). Om die reden wordt het verkrijgen van gebruiksrechten voor de nummers uit de 19XX-reeks niet onderworpen aan de reservatieprocedure, bedoeld in de artikelen 10 tot 18. De periode waarin de nummers gereserveerd zijn dient immers om verkregen nummercapaciteit geïmplementeerd te krijgen in de netwerken van andere geïnterconnecteerde operatoren, met het oog op de bereikbaarheid van de betrokken nummers vanuit andere netwerken. De ingebruikname van deze nummercapaciteit dient wel vooraf aan het Instituut meegedeeld te worden, teneinde dit laatste toe te staan om te controleren of het aangemelde gebruik conform is aan de bepalingen van dit besluit en in het bijzonder aan artikel 64.
   Artikel 65 geeft aan de houder van een kort viercijferig nummer het recht om ook het met zijn kort nummer overeenstemmende nummer uit het SMS of MMS nummerplan te gebruiken. Deze regel is geïnspireerd op een gelijkaardige regel in het Noorse nummerplan.
   Artikel 68 specifieert de rol van het BIPT in relatie tot het verlenen van nummercapaciteit uit het nummerplan voor pakketgeschakelde datadiensten. Het beheer van dit nummerplan gebeurt conform de internationaal aanvaarde toepasselijke ITU Aanbeveling.
   Conform de wil van de wetgever (zie Memorie van toelichting bij artikel 11 van de wet van 13 juni 2005), neemt het BIPT de verantwoordelijkheid voor het nummerplan voor SMS en MMS diensten van de mobiele operatoren over. De artikelen 69 tot 74 regelen de grote principes waaronder dit nummerplan zal beheerd worden.
   Artikel 69 voert de innovatie in dat sommige SMS en MMS korte nummers een lengte van slechts drie cijfers kunnen hebben. Een dergelijke innovatie maakt de ontwikkeling mogelijk van toepassingen voor doven (bv. 112 per sms) of -in het algemeen- een uitbreiding van het dienstenaanbod van de bestaande nooddiensten of andere overheidsdiensten of diensten van openbaar nut, indien zij dit wensen (bv. 110 per sms).
   Artikel 70, § 1, vormt de tegenhanger van artikel 65 en brengt naar voren overeenkomstig welke principes een houder van een nationaal kort (drie- of viercijferig) nummer het met zijn dienst corresponderende SMS of MMS kort nummer kan aanvragen en gebruiken.
   Een eerste principe is dat de (kandidaat)houder van een nationaal kort nummer de reservering van het overeenstemmende SMS en MMS kort nummer ten vroegste tegelijkertijd met zijn reserveringsaanvraag voor het betrokken nationale korte nummer kan indienen.
   Een tweede principe wil dat de wijze van tarifering van toepassing op beide soorten van korte nummers zoveel mogelijk gelijk loopt. Indien de houder van bijvoorbeeld een nationaal kort nummer uit de 17XX-reeks dit nummer in de markt zet als een gratis nummer dan dient het corresponderende SMS nummer ook gratis te zijn. Indien de houder van een soortgelijk nummer ervoor kiest om het nummer in de markt te zetten als een nummer dat getarifeerd wordt aan de standaard oproepprijs die de abonnee aangerekend krijgt van zijn operator voor een standaardgesprek naar een Belgisch geografisch E.164 nummer, dan dient de SMS oproep aangerekend te worden aan de oproepprijs die de abonnee aangerekend krijgt van zijn operator voor het verzenden van een standaard SMS.
   Artikel 71, § 1, eerste lid, koppelt, naar analogie met de regeling zoals voorzien in artikel 45, het meest significante cijfer '8' aan de SMS'en MMS'en waarvan het versturen gratis is voor de verzender. Alle andere dienstidentiteiten vermeld in de §§ 2 tot en met 5 staan open voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken.
   Net zoals voor de regeling van de betaalnummers in artikel 50 wordt er qua inhoud geassocieerd met de SMS en MMS korte nummers uitgegaan van een driedeling, te weten :
   
   1) de 2XXX-, 3XXX- en 4XXX-reeksen als 'residuele' reeksen;
   2) de 5XXX- en 6XXX -reeksen voor het aanbieden van spelletjes en andere vormen van ontspanning.
   3) de 7XXX-reeks voor het aanbieden van erotisch en seksueel getinte inhoud.
   De 4XXX-nummerreeks wordt gekoppeld aan een hoger tarief gelijkaardig aan dat van de 909-reeks, dit om de meeste vormen van 'm payment'-toepassingen te accomoderen.
   De bevoegdheid van het Instituut om binnen de 6XXX-reeks subreeksen (bv. de subreeks 61XX) vast te stellen voor het aanbieden van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken waaraan in uitvoering van andere wettelijke of reglementaire bepalingen bijzondere vereisten gekoppeld zijn dient eveneens om de operatoren of andere betrokken partijen in staat te stellen om tegemoet te komen aan verplichtingen, zoals deze die voortvloeien uit het koninklijk besluit van 10 oktober 2006 houdende de voorwaarden waaraan spelen die aangeboden worden in het kader van televisieprogramma's via nummerreeksen van het Belgische nummerplan, waarvoor het toegelaten is om van de oproeper, naast de prijs van de communicatie, ook de betaling van de inhoud te vragen, doch beperkt tot deze reeksen waarop het eindgebruikerstarief geen functie is van de tijdsduur van de oproep en die een totaalprogramma inhouden dienen te voldoen.
   Specifiek voor het SMS en MMS nummerplan is dat er een afzonderlijke reeks (met name de 9XXX-reeks) gecreëerd wordt, waaruit geput moet worden om reversed charged SMS'en en MMS'en aan te bieden. Het gaat hier bijvoorbeeld om diensten die twee maal per week aan hun ingeschreven gebruikers een nieuwe ringtone aanbieden en waarbij het ontvangen van de SMS of MMS waarmee die ringtone wordt aangeboden door de mobiele operator wordt gefactureerd. De diensten die onder de 9XXX-reeks vallen moeten echter niet noodzakelijk volgens een regelmatig patroon aangeboden worden; een 'alertservice' die de ingeschreven gebruiker waarschuwt wanneer een bepaald niet voorspelbaar voorval zich voordoet (bv. een overstroming of een doelpunt in een voetbalwedstrijd) dient eveneens aangeboden te worden onder de 9XXX-reeks. Het is de bedoeling dat specifiek voor volwassenen bestemde betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken niet aangeboden kunnen worden volgens het principe van 'reversed charging'.
   Het onderbrengen van reversed charged verkeer onder één nummerreeks heeft tot doel, indien dit nodig is, gebruikersbescherming mogelijk te maken via een nog te definiëren mechanisme van 'ontvangstblokkering' (i.p.v. 'oproepblokkering').
   Artikel 72 legt het principe vast dat de SMS en MMS korte nummers een vaste lengte van 4 cijfers hebben. Er wordt evenwel een uitbreidingsmogelijkheid tot 5 cijfers voorzien om eventueel tegemoet te komen aan een toekomstige vraag naar meer capaciteit en om participatie aan buitenlandse betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken die werken met vijf-cijferige SMS en MMS korte nummers, niet in het gedrang te brengen.
   Artikel 75 realiseert de overname in de Belgische rechtsorde van de voornaamste bepalingen van de E.212 Aanbeveling van de ITU tot vaststelling van " the international identification plan for mobile terminals and mobile users. " De E.212 Aanbeveling is een identificatieplan. Een identificatieplan dient om gebruikers van elektronische-communicatiediensten op unieke wijze te identificeren bijvoorbeeld als ze roamen, maar, in tegenstelling tot een nummerplan, worden de codes uit dit plan niet gebruikt om de elektronische communicatie te routeren.
   De mobiele netwerkcodes die krachtens dit artikel kunnen toegewezen worden, kunnen toegewezen worden aan alle operatoren ongeacht of deze operatoren hun dienst aanbieden op een vaste locatie dan wel via een mobiel elektronische-communicatienetwerk.
   Rekening houdend met het schaars karakter van deze nummers zal het Instituut elke aanvraag m.b.t deze mobiele netwerkcodes grondig analyseren en in het bijzonder nagaan of de operator de desbetreffende codes nodig heeft.
   Artikel 76 legt de principes vast in verband met het verkrijgen van een internationale signaleringspuntcode. Een internationale signaleringspuntcode is het identificatienummer van internationale signaleringsknooppunten, zoals telefooncentrales en andere netwerkonderdelen van een openbaar elektronische-communicatienetwerk die een directe verbinding hebben met een buitenlands netwerkonderdeel.
   De nationale signaleringspuntcode, bedoeld in artikel 77, heeft dezelfde functionaliteiten als een ISPC, maar dan enkel op nationaal vlak.
   Artikel 80 handelt over de interwerking van verschillende nummerplannen. In het verleden ging interwerking bijvoorbeeld over het realiseren van de interoperabiliteit tussen X.25 en PSTN-netwerken. Zo kan een eindgebruiker met behulp van een escape code bellen naar of van een eindapparaat verbonden op het X.25 netwerk naar het PSTN-netwerk.
   In de toekomst zou het definiëren van interwerkingsmodaliteiten van belang kunnen zijn bij de invoering van ENUM.
   De artikelen 81 tot en met 83, in het hoofdstuk over handhaving en controle, zijn een omzetting van artikel 10 van de " Machtigingsrichtlijn ". De maatregelen die deze artikelen voorzien moeten het het Instituut mogelijk maken om het beheer van de nummeringsruimte in goede banen te leiden.
   De procedure van artikel 82 staat los van de procedure van ingebrekestelling voorzien in artikel 21 van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgisch post- en telecommunicatiesector. Artikel 82 belet dus niet dat het BIPT ingeval van overtreding op de reglementering of van de besluiten inzake nummering, een administratieve geldboete, in toepassing van artikel 21 van de wet van 17 januari 2003 oplegt.
   Bij de concrete uitvoering van de procedure van artikel 83 zou kunnen gedacht worden aan de toepassing van artikel 20 van de wet van 17 januari 2003.
   Artikel 84 geeft uitvoering aan de artikelen 29 en 30 van de wet van 13 juni 2005.
   In het algemeen wordt getracht te zorgen voor een evenwichtigere verdeling van de rechten tussen de verschillende soorten nummers waarbij rekening wordt gehouden met de door het BIPT opgedane ervaring op vlak van de tijdsbesteding voor de verwerking van de reservatiedossiers gecombineerd met de vaststelling dat voor een aantal soorten nummers die meer en meer worden gebruikt in het verleden helemaal geen rechten werden geïnd.
   Artikel 84, § 1, legt de concrete hoogte vast van de administratieve bijdragen voor het verkrijgen van gebruiksrechten voor nummers, hier " dossierkosten voor de reservatie " van een welbepaalde nummercapaciteit genoemd. Op basis van de opgedane ervaring gedurende de laatste 8 jaar op vlak van de hoeveelheid werk om dergelijke dossiers te behandelen wordt voor een tweetal soorten nummers (ISPC's en IMSI's) voorgesteld om de tarieven te verhogen, voor de andere reeksen wordt voorgesteld om de nominale tarieven te verlagen.
   Bij de oefening van het bepalen van de concrete dossierkosten werd getracht om hogervernoemde prijsdalingen en -stijgingen uit te middelen, zodat dit een neutrale budgettaire impact heeft (het effect van de verkleining van de standaardgrootte draagt bij tot deze uitmiddeling, omdat er bij een kleinere standaardgrootte voor de nummerreeksen waarvoor de prijzen dalen potentieel meer dossiers en dus meer individueel te betalen dossierkosten zullen zijn. Het gegeven dat er tegenover de nieuwe in dit besluit gecreëerde nummerreeksen ook nieuwe dossierrechten zullen staan draagt ook bij tot de uitmiddeling).
   Belangrijk te vermelden is dat het streven naar herbalancering van de rechten en het behoud van de status quo inzake het algemene niveau van de inkomsten uit dossierkosten ervoor zorgt dat de financiering van het BIPT via administratieve bijdragen anno 2006 op het niveau van de Dienst Nummering meer dan conform blijft met de vereisten van kostendekking voorzien in artikel 12 van de Machtigingsrichtlijn en artikel 29 van de wet van 13 juni 2005.
   Tot slot past het te vermelden dat zelfs indien het Instituut de reservatie van kleinere fracties dan de standaardgrootte toestaat de dossierkosten gelijk blijven, omdat het werk gerelateerd aan de reservatie gelijk blijft, ongeacht de grootte van het nummerblok.
   In artikel 84, § 2, wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 30 van de wet van 13 juni 2005 biedt om de gebruiksrechten voor nummers te onderwerpen aan een heffing, teneinde het optimaal gebruik van deze middelen te waarborgen.
   De krachtlijnen voor het heffen van jaarlijkse rechten voor de toewijzing van nummercapaciteit zijn :
   
   - Voor alle nummersoorten, behalve de nummersoorten bedoeld in Afdeling 7 van Hoofdstuk VI (de aanvragen voor dergelijke nummercapaciteit zijn werkelijk verwaarloosbaar) worden nu rechten aangerekend wat vroeger niet het geval was;
   - De tarieven voor niet-geografische nationale E.164 nummers stijgen; deze voor geografische nationale E.164 nummers dalen;
   - De tarieven voor korte nummers dalen.
   Ten aanzien van welbepaalde soorten nummers wordt bepaald dat de jaarlijkse rechten verschuldigd zijn per standaardgrootte van de nummercapaciteit, zoals vastgelegd in dit besluit " ongeacht de standaardgrootte van de nummercapaciteit op het ogenblik van de toewijzing ". Deze zinsnede heeft tot doel duidelijk te maken dat wanneer een operator onder de gelding van het koninklijk besluit van 10 december 1997 een welbepaalde nummercapaciteit heeft verkregen aan een grotere standaardgrootte van de nummercapaciteit dan vandaag het geval is, hij het nominale bedrag bepaald in dit besluit verschuldigd is per fractie van die historische standaardgrootte die overeenkomt met de huidige standaardgrootte. Bijvoorbeeld : onder het koninklijk besluit van 10 december 1997 werd mobiele nummercapaciteit toegekend in blokken van 1 miljoen nummers en onderworpen aan een jaarlijks recht van om en bij de 12.500 euro, niet geïndexeerd (het geïndexeerd bedrag op het ogenblik van het opstellen van dit besluit bedroeg 14.436 euro). Ingevolge dit besluit wordt mobiele nummercapaciteit standaard toegekend in blokken van 100.000 nummers en onderworpen aan een jaarlijks recht van 1.500 euro, niet geïndexeerd. De passage " ongeacht de standaardgrootte van de nummercapaciteit op het ogenblik van de toewijzing " zorgt ervoor dat de mobiele operator in dit voorbeeld, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 20, lid 2, 10 x 1.500 euro verschuldigd is voor de jaarlijkse rechten, op gelijke voet met een mobiele operator die onder de gelding van het huidige besluit 10 nieuwe nummerblokken van 100.000 mobiele nummers verkregen en in gebruik genomen heeft.
   De noodzaak om het optimale gebruik van nummers als schaarse hulpbron te waarborgen is uiteraard het grootst wanneer het aantal reserveerbare nummers klein is en/of er een grote marktvraag voor deze nummers voorzienbaar is. In België is dit gegeven voornamelijk van toepassing voor alle viercijferige korte nummers, zowel van het type 'nationale korte nummers' als van het 'SMS en MMS type'. Deze noodzaak stelt zich binnen deze nummersoorten nog scherper ten aanzien van 'aantrekkelijke' nummers, oftewel 'nummers met een bijzondere economische waarde'. Binnen de categorie van de nationale korte nummers zal de optimalisering van het gebruik van aantrekkelijke nummers kunnen gebeuren via de procedure van artikel 11, § 5 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie. Voor de SMS en MMS korte nummers is het systematisch gebruik van een vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedure,
   onder meer om de redenen uitgelegd onder artikel 31, niet mogelijk. Daarom voorziet artikel 84, § 3, in drie niveaus van mogelijke jaarlijkse rechten die corresponderen met wat men respectievelijk 'diamanten', 'gouden' en 'gewone' SMS of MMS nummers zou kunnen noemen.
   De onderverdeling die in artikel 84, § 3, verwoord is kan schematisch als volgt voorgesteld en geïllustreerd worden :
   
   1. 'Diamanten nummers' zijn de nummers die de volgende vorm aannemen :
   
   - A=B=C=D (bv. 7777);
   - B=C=D=0 (bv. 2000);
   - B=A+1, C= B+ 1, D=C+1 (bv. 3456);
   - A=B +1, B=C+1, C=D+1 (bv. 4321)
   Voor deze nummers is een jaarlijks recht verschuldigd van 83 euro.
   2. 'Gouden nummers' zijn de nummers die de volgende vorm aannemen :
   
   - A= B én C=D (bv. 5599);
   - A=C én B=D (bv. 4040; 5656);
   - B=C=D=9 (bv. 3999)
   - A = verschillend van B én C=D=0 (bv. 6200)
   Voor deze nummers is een jaarlijks recht verschuldigd van 33 euro.
   3. Gewone nummers' zijn alle overige nummers.
   Voor deze nummers is een jaarlijks recht verschuldigd van 8 euro.
   Artikel 85 staat de Minister toe om in welbepaalde gevallen voor een beperkte overgangsperiode uitzonderingen toe te staan op de principes van toepassing op de in dit besluit beschreven nummerplannen. De ervaring leert dat een dergelijke bepaling nuttig is omdat een koninklijk besluit niet steeds tijdig aangepast geraakt aan de snelle technologische ontwikkelingen in de sector van de elektronische communicatie.
   De inwerkingtreding van dit besluit wordt in het algemeen met iets meer dan drie maanden na de publicatie van dit besluit uitgesteld, om alle actoren de gelegenheid te bieden zich aan te passen aan de bepalingen van dit besluit. De inwerkingtreding van de artikelen betreffende de inbezitstelling (art. 5, § 1 en 2), de nieuwe indeling van de betaalnummers en de nieuwe verplichting van het verrichten van een tariefboodschap (art. 50, § 2 en volgende) en de afdeling betreffende het SMS en MMS nummerplan wordt nog langer uitgesteld omdat de (noodzakelijke) aanpassingen op dat vlak complexer en dus tijdrovender zijn.
   Bijlage 1 bij dit besluit heeft tot doel rechtszekerheid te bieden omtrent de vraag welke nummers nummers met een bijzondere economische waarde zijn die overeenkomstig artikel 11, § 5 van de Wet slechts via een vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedure kunnen toegekend worden.
   Momenteel zijn de volgende nummers 'met een bijzondere economische waarde' in de 12XX-, 13XX-, 14XX-, en 18XX-reeksen in gebruik : 1200, 1300, 1400 (door Belgacom), en 1866 (door Verizon Business, rechtsopvolger van WorldCom / MCI). Om het aantal foutieve oproepen of verbindingen te vermijden, wordt er ten aanzien van deze nummers die uit dienst moeten genomen worden omdat er een andere bestemming aan gekoppeld is, een afkoelingsperiode van één jaar ingebouwd, gedurende dewelke de betrokken nummers niet toegekend kunnen worden overeenkomstig artikel 11, § 5 van de Wet.
   Bijlage 2 voorziet een aantal uitzonderingen van onbeperkte duur op een aantal principes van dit besluit ten aanzien van bepaalde diensten van operatoren die reeds vóór het koninklijk besluit van 10 december 1997 gebruik maakten van welbepaalde korte nummercapaciteit.
   De uitzondering die verleend wordt aan Belgacom NV voor het nummer 1966 is ingegeven door de noodzaak om ook aan (klanten van) Belgacom een zekere mate van flexibiliteit te geven aangaande de parameters kwaliteitsniveau en prijzen voor, in principe, internationale oproepen. De nummercapaciteit die naast de 19XX-reeks het meest in aanmerking komt om deze dienst te accomoderen is de 15XX- en 16XX-nummerreeks (zie artikel 62). Het gebruik van een 15XX- of 16XX-nummer is echter atypisch, omdat er voor de dienst aangeboden onder 1966 geen keuze gemaakt wordt voor een andere carrier dan Belgacom. In die omstandigheden is het, mede gelet op de operationele en technische problemen die een migratie met zich meebrengt, niet verantwoord en disproportioneel om ofwel een nieuwe uitzonderingsreeks voor één welbepaalde dienst te definiëren ofwel de dienst onder te brengen onder een reeks waaronder diensten met bepaalde andere kenmerken ondergebracht worden.
   De uitzonderingen die verleend worden aan Belgacom Mobile NV voor de nummers 6000, 6030 en 6060 hebben te maken met het feit dat deze korte nummers recent door Belgacom Mobile geïntroduceerd werden om het korte nummer 1212, dat voordien geassocieerd was met de klantendienst van deze operator maar dat ook gereserveerd werd door een aanbieder van een inlichtingendienst, vrij te maken. Het is dan ook niet redelijk om nogmaals een migratie van het nummer van de klantendienst van Belgacom Mobile, dat één van de meest opgeroepen nummers in het netwerk van Belgacom Mobile is, te veroorzaken. Een dergelijke migratie houdt immers in dat Belgacom Mobile opnieuw documenten (brochures, contracten, enz) moet herzien, SIM-kaarten opnieuw moet herprogrammeren, zijn eindgebruikers opnieuw moet inlichten, enz. Een dergelijke situatie kan schadelijk zijn voor het imago van Belgacom Mobile en is niet in het belang van de eindgebruikers.
   De uitzonderingen voor de nummers 2440 en 2455 worden eveneens gerechtvaardigd door het grote gebruik dat van deze nummers gemaakt wordt en door de moeilijkheid en onaangepastheid van het veranderen van de gewoontes van de klanten van Belgacom Mobile.
   De nummers 5000, 5100, 5432 en 5995 van Mobistar zijn eveneens één van de meest opgeroepen nummers in het mobiele elektronische-communicatienetwerk van Mobistar, aangezien het gaat om nummers waarmee toegang gegeven wordt tot de klantendienst van Mobistar. Een migratie van deze nummers naar een andere reeks houdt eveneens in dat Mobistar opnieuw documenten (brochures, contracten, enz.) moet herzien, SIM-kaarten opnieuw moet herprogrammeren, zijn eindgebruikers uitgebreid opnieuw moet inlichten, enz Een dergelijke situatie is niet in het belang van de eindgebruikers.
   De uitzonderingen voor de nummers 5123, 5500, 5555 en 5580 worden gerechtvaardigd door het grote gebruik dat van deze nummers gemaakt wordt en door de moeilijkheid en onaangepastheid van het veranderen van de gewoontes van de klanten van Mobistar.
   Het verschil in lengte tussen de lijst van nummers waarvoor Belgacom Mobile enerzijds en Mobistar anderzijds een uitzondering krijgen houdt verband met het feit dat het huidige gebruik van de korte nummers 1230, 1231 en 1232 in het netwerk van Belgacom Mobile conform geacht kan worden met het gebruik waarvoor de 12XX-reeks bestemd werd in artikel 62.
   De overige artikelen behoeven geen commentaar.
   Wij hebben de eer te zijn,
   Sire,
   van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedwaardige
   en zeer getrouwe dienaars,
   De Vice-Eerste Minister,
   Minister van Begroting en Consumentenzaken,
   Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE
   De Minister van Economie, Energie,
   Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid,
   M. VERWILGHEN
   Advies 42.548/4 van 16 april 2007 van de afdeling wetgeving van de Raad van State
   De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 20 maart 2007 door de Minister van Economie verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende het beheer van de nationale nummeringsruimte en de toekenning en intrekking van gebruiksrechten voor nummers", heeft het volgende advies gegeven :
   
   Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
   Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
   Voorafgaande opmerking
   Het ontworpen besluit strekt tot de tenuitvoerlegging van artikel 11, § 1, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, rekening houdend met de wijzigingen die daarin worden aangebracht bij artikel 167 van het ontwerp van wet "houdende diverse bepalingen". Dat wetsontwerp, dat aangenomen is in de Kamer en onderzocht is door de Senaatscommissie, moet nog door de voltallige vergadering van de Senaat worden onderzocht (1). In de hiernavolgende opmerkingen is rekening gehouden met de versie van artikel 167 die op 28 maart 2007 aangenomen is in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden (2). Ze worden gemaakt onder voorbehoud enerzijds dat dat artikel niet gewijzigd wordt, en anderzijds dat de wet aangenomen, bekrachtigd en vervolgens afgekondigd wordt.
   ( (1) Dat onderzoek staat op de agenda van de voltallige vergadering van 12 april 2007. )
   ( (2) Aangezien de tekst niet gewijzigd is in de commissie, dient verwezen te worden naar de tekst aangenomen door de Kamer en overgezonden aan de Senaat (Gedr. St., Kamer, 2006-2007, nr. 2873/27, blz. 76-78). )
   Voorafgaande vormvereisten
   1. De akkoordbevinding van de Minister van Begroting was niet gevoegd bij het dossier dat aan de Raad van State is overgezonden. Indien dit vormvoorschrift niet vervuld is, moet dat verholpen worden.
   2. Luidens artikel 11, § 1, van de wet van 13 juni 2005 is het advies van het Belgische Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie vereist.
   Het Instituut heeft op 6 maart 2007 een advies gegeven. Bij het lezen van het ontwerpbesluit blijkt dat dit na dat advies gewijzigd is (3), en dat de wijzigingen die zijn aangebracht niet bedoeld zijn om rekening te houden met het gegeven advies.
   ( (3) Zie artikel 63, § 2, waarin de versie van de tekst die voorgesteld is door het BIPT als gemarkeerde tekst wordt weergegeven. )
   Wat dat betreft wordt erop gewezen dat een overheid die het advies inwint van een orgaan waarvan de raadpleging een wettelijk voorgeschreven substantieel vormvereiste is, alleen op belangrijke punten van de tekst die aan het geraadpleegde orgaan is voorgelegd mag afwijken, hetzij om rekening te houden met de suggesties of bezwaren van dat orgaan, hetzij na de geplande wijziging aan dat orgaan te hebben voorgelegd.
   In casu behoort het ontwerpbesluit, zoals het gewijzigd is, bijgevolg opnieuw voor advies aan het Instituut te worden voorgelegd.
   Rechtsgrond
   Algemene opmerkingen
   1. In artikel 4, eerste lid, 1°, wordt verwezen naar "ondernemingen en de natuurlijke personen (4) die voldaan hebben aan de wettelijke vereisten om elektronische-communicatiediensten of -netwerken aan te bieden of door te verkopen". Uit het verslag aan de Koning blijkt dat de steller van het ontwerp daarmee de operatoren van elektronische-communicatiediensten of -netwerken bedoelt, dat wil zeggen, volgens de definitie van artikel 2, 11°, van de wet van 13 juni 2005, de personen die overeenkomstig artikel 9 van die wet een kennisgeving hebben ingediend.
   ( (4) Lees : "de ondernemingen en de rechtspersonen". Deze opmerking geldt ook voor artikel 4, eerste lid, 2°. )
   In die omstandigheden is het de afdeling wetgeving niet duidelijk waarom de steller van het ontwerp niet gewoon verwijst naar "operatoren van communicatiediensten of -netwerken" in plaats van gebruik te maken van de termen "ondernemingen en rechtspersonen", die de indruk kunnen wekken dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen ondernemingen - een begrip dat overigens niet gedefinieerd wordt - en rechtspersonen.
   Dat het de bedoeling is een onderscheid te maken tussen "ondernemingen" en "rechtspersonen" zou ook afgeleid kunnen worden uit de redactie van een aantal bepalingen waarin alleen sprake is van ondernemingen. Dat is onder meer het geval met artikel 5, § 1, eerste lid, dat "ondernemingen" die gebruiksrechten voor nationale nummers verkregen hebben de mogelijkheid biedt deze nummers ter beschikking te stellen van andere "ondernemingen". Zoals de bepaling is gesteld, voorziet ze immers alleen voor ondernemingen in een mogelijkheid om nummers ter beschikking te stellen. In het verslag aan de Koning worden de begrippen onderneming en operator evenwel door elkaar gebruikt, zodat het niet vaststaat dat het de bedoeling was van de steller van het ontwerp de werkingssfeer van deze bepaling te beperken.
   Het ontworpen besluit moet in het licht van deze opmerking worden herzien.
   2. De artikelen 33 en 82 van het ontworpen besluit hebben betrekking op de voorwaarden voor de intrekking van de rechten om nummers te gebruiken.
   Naast het feit dat die bepalingen, ter wille van de leesbaarheid, in eenzelfde hoofdstuk ondergebracht hadden kunnen worden, moet opgemerkt worden dat de voorwaarden die ze vaststellen zo geredigeerd zijn dat op basis daarvan moeilijk te voorzien valt in welke gevallen het Instituut zou kunnen beslissen bepaalde gebruiksrechten in te trekken.
   Zo bijvoorbeeld bepaalt artikel 33, eerste lid, dat beslist kan worden tot de intrekking van een gereserveerde of toegewezen nummercapaciteit indien niet langer voldaan wordt "aan de bepalingen van de Hoofdstukken II en III of aan de voorwaarden voor het verkrijgen en uitoefenen van gebruiksrechten voor nummers vastgesteld in dit besluit". Aangezien de hoofdstukken II en III van het besluit betrekking hebben op de voorwaarden voor het verkrijgen en het uitoefenen van de gebruiksrechten, is het de afdeling wetgeving niet duidelijk waarom niet gewoon in het eerste lid verwezen wordt naar de bepalingen van die hoofdstukken. Indien die verwijzing naar de voorwaarden voor het verkrijgen en het uitoefenen van de gebruiksrechten tot doel heeft te verwijzen naar andere voorwaarden dan die gesteld in de hoofdstukken II en III, moeten die andere voorwaarden nauwkeuriger worden aangeduid.
   Artikel 33, tweede lid, bepaalt bovendien dat ook beslist kan worden tot het intrekken van een toegewezen nummercapaciteit indien die capaciteit niet of niet efficiënt gebruikt wordt.
   Luidens artikel 82, § 1, kan een bepaalde nummercapaciteit ingetrokken worden "wanneer uit een controle blijkt dat de bepalingen van dit besluit (...) niet worden nageleefd". In zulk een bepaling zitten de gevallen vervat genoemd in artikel 33, eerste lid - waarvan het nut bijgevolg niet meer duidelijk is - maar ze heeft een ruimere strekking, aangezien ze slaat op alle gevallen waarin een bepaling van het besluit niet in acht genomen wordt. Ze heeft evenwel geen betrekking op het geval genoemd in artikel 33, tweede lid, waarin de beoogde intrekking niet het gevolg is van de niet-naleving van een voorwaarde gesteld in het besluit.
   Gelet op het bovenstaande, moeten die bepalingen grondig worden herzien, zodat de personen die een reservatie of een toewijzing van een nummercapaciteit verkregen hebben, op basis van de voorwaarden die in die bepalingen worden vastgesteld, nauwkeurig kunnen uitmaken in welke gevallen die gebruiksrechten kunnen worden ingetrokken.
   3. Verscheidene bepalingen van het ontworpen besluit stellen de tarieven vast die van toepassing zijn voor oproepen naar bepaalde categorieën van nummers. In sommige gevallen bepaalt het ontworpen besluit het maximumtarief dat aan de eindgebruiker kan worden aangerekend (5), in andere gevallen stelt het een welbepaald tarief vast (6).
   ( (5) Dat is het geval met de artikelen 47, 48, 50, §§ 3 en 4, tiende lid, 63, 64, 70, § 2, en 71, §§ 2, 3, 4 en 5, zesde lid. )
   ( (6) Dat is het geval met de artikelen 50, §§ 1 en 4, vierde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid, en 71, § 5, tweede en derde lid. )
   Het vaststellen van tarieven vormt een beperking van de vrijheid van handel en nijverheid. Zulk een beperking is slechts geoorloofd wanneer ze behoorlijk gemotiveerd is met doelstellingen van algemeen belang en het evenredigheidsbeginsel nageleefd wordt.
   Wat dat betreft heeft de gemachtigde van de minister de volgende uitleg gegeven :
   
   " Het opleggen van tariefmaxima schrijft zich in in het werken met dienstidentiteiten.
   Het is inderdaad de bedoeling dat nummers voor de gebruikers een bepaalde signaalfunctie hebben en iets zeggen over de aard van de dienst die ze wensen te bereiken.
   Eén van de belangrijkste karakteristieken van een dienst is zijn kostprijs. Via het type nummer (lees : dienstidentiteit) tracht men dan ook onder meer aan de oproeper een indicatie te geven van het tarief -of althans grootteorde van tarief- dat verbonden is aan de oproep die hij wil plegen (bv. dienstidentiteit 8(00) voor gratis oproepen; dienstidentiteit 4 voor mobiele oproepen die duurder zijn dan oproepen naar vaste nummers (7), enz).
   ( (7) De dienstidentiteit 4 heeft ook als doel aan te duiden dat de opgeroepene zich mogelijk niet thuis bevindt en er dus meer kans is dat de oproep storend zou zijn. )
   In het kader van de betaalnummers (artikelen 48, 50 en 71) stelt dit aspect van het leveren van tarieftransparantie via nummers zich in bijzondere mate, nu oproepen naar deze nummers een veelvoud kosten van oproepen naar " gewone " vaste nummers (zone 02, enz) of het versturen van SMS'en naar " gewone " mobiele nummers (04xx-nummers) en dus bijzonder vatbaar zijn voor het onverwacht en substantieel verhogen van de factuur van de consument.
   Daarom wordt het in het kader van consumentenbescherming noodzakelijk en opportuun geacht om via de rechtsbasis hierboven beschreven [artikel 11, § 1, tweede alinea, 1°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie] (1) maxima te stellen aan de tarieven die operatoren kunnen aanrekenen en (2) het leveren van een voorafgaande gratis tariefboodschap te koppelen als een vereiste aan het leveren van betalende diensten via elektronische-communicatienetwerken met nummers die getarifeerd worden aan een bedrag boven de drempel van 1 euro per oproep of per minuut (art. 50, § 1) of boven de drempel van maximaal gemiddeld 30 of 60 eurocent per minuut (artikel 48). "
   ( (1) Dat onderzoek staat op de agenda van de voltallige vergadering van 12 april 2007. )
   ( (2) Aangezien de tekst niet gewijzigd is in de commissie, dient verwezen te worden naar de tekst aangenomen door de Kamer en overgezonden aan de Senaat (Gedr. St., Kamer, 2006-2007, nr. 2873/27, blz. 76-78). )
   Gezien het doel dat wordt nagestreefd, kan worden aanvaard dat voor oproepen naar bepaalde categorieën van nummers maximumtarieven worden vastgesteld. Het is daarentegen niet duidelijk welke reden kan wettigen dat vaste tarieven worden opgelegd. Zulk een maatregel, die een onevenredige inbreuk vormt op de vrijheid van handel en nijverheid, kan dus niet worden toegestaan.
   Het ontworpen besluit moet dan ook worden herzien, zodat het opleggen van vaste tarieven wordt geschrapt, en, in voorkomend geval, de voorgeschreven vaste tarieven vervangen worden door maximumtarieven.
   4. Bij een aantal bepalingen worden aan het Instituut bevoegdheden gedelegeerd. Wanneer het gaat om het nemen van individuele maatregelen lijken die delegaties in overeenstemming te zijn met artikel 11, § 1, van de voornoemde wet van 13 juni 2005, gezien de opdrachten die bij deze bepaling aan het Instituut worden toegewezen.
   Dat is niet het geval wanneer het Instituut gemachtigd wordt maatregelen van reglementaire aard te nemen. Dat geschiedt onder meer in :
   
   1° artikel 49, vijfde lid, waarbij het Instituut ermee belast wordt de nadere begeleidingsmaatregelen te bepalen voor de migratie van sommige nummerreeksen naar andere reeksen;
   2° artikel 52, vijfde lid, en artikel 53, vijfde lid, luidens welke het Instituut de tariefprincipes vaststelt voor oproepen naar de nummers genoemd in die artikelen;
   3° artikel 57, tweede lid, waarbij het Instituut ermee belast wordt het kiesplan vast te stellen voor de nummers genoemd in dat artikel.
   Die bepalingen moeten worden herzien, zodat die machtigingen ofwel worden geschrapt, ofwel, in het geval van de bepalingen genoemd in 1° en 3°, worden toegewezen aan de Minister (8).
   ( (8) Een subdelegatie aan de minister van een wettelijke machtiging aan de Koning is immers toegestaan indien ze betrekking heeft op bijkomstige zaken of detailkwesties. )
   Bijzondere opmerkingen
   Aanhef
   Om de redenen genoemd in artikel 85 van het ontwerp kan artikel 31 van de wet van 13 juni 2005 geen rechtsgrond vormen voor het ontworpen besluit; de vermelding ervan in het eerste lid van de aanhef moet bijgevolg vervallen.
   Dispositief
   Artikel 3
   Artikel 3 bepaalt dat de nummerplannen vastgesteld worden "na machtiging van de Minister overeenkomstig artikel 11, § 3 van de Wet". Artikel 11, § 3, van de wet van 13 juni 2005 legt in dat geval niet zulk een vormvoorschrift op. Het schrijft immers alleen de machtiging van de Minister voor in het geval dat het Instituut voorwaarden voor het verkrijgen en uitoefenen van gebruiksrechten voor nummers vaststelt. Wat de nummerplannen betreft, wordt het Instituut bij artikel 11, § 1, van de voornoemde wet ertoe gemachtigd deze vast te stellen, volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning, zonder dat een machtiging daartoe vanwege de Minister vereist is. De Koning is derhalve niet gerechtigd om te bepalen dat die plannen alleen vastgesteld mogen worden na machtiging van de Minister.
   De woorden "na machtiging van de Minister overeenkomstig artikel 11, § 3 van de Wet" moeten bijgevolg vervallen.
   Dezelfde opmerking geldt voor de artikelen 36, vijfde lid, en 38, eerste lid.
   Artikel 4
   In het tweede lid wordt de Minister gemachtigd de lijst van diensten aan te vullen waarvoor een reservatieaanvraag kan worden ingediend door andere personen dan die genoemd in het eerste lid, 1°.
   Door die machtiging kan de Minister één van de voorwaarden wijzigen die vervuld moeten worden om een aanvraag te kunnen indienen met het oog op de toekenning van rechten voor het gebruik van nummers. Het gaat om een essentieel aspect; de machtiging van de Minister om dat aspect te regelen is niet geoorloofd. Het tweede lid moet derhalve vervallen.
   Artikel 5
   Artikel 5, § 1, tweede lid, bepaalt het volgende :
   
   " De oorspronkelijke houder van de nummercapaciteit blijft samen met de inbezitgestelde verantwoordelijk voor de naleving van alle wettelijke en reglementaire verplichtingen inzake nummering, met uitzondering van de verplichtingen bedoeld in artikel 19, 2°, 3°, 5° en 6°. "
   Bij deze bepaling wordt de oorspronkelijke houder en de inbezitgestelde hoofdelijk een verplichting opgelegd, tenzij wat betreft het nakomen van de verplichtingen genoemd in artikel 19, tweede lid, 2°, 3°, 5° en 6°. Er staat evenwel niet in wie aan die laatstgenoemde verplichtingen moet voldoen.
   Artikel 5, § 1, derde lid, bepaalt het volgende :
   
   " Zolang het Instituut de notificatie niet aanvaardt, blijft de houder van de nummercapaciteit eveneens verantwoordelijk voor de naleving van de wettelijke en reglementaire verplichtingen die in toepassing van het vorige lid overgaan op de inbezitgestelde. "
   Uit deze bepaling kan worden afgeleid dat de inbezitgestelde verplicht zou zijn te voldoen aan de verplichtingen waarin is voorzien in artikel 19, tweede lid, 2°, 3°, 5° en 6°. Door te stellen dat de oorspronkelijke houder "eveneens verantwoordelijk blijft", lijkt deze bepaling bovendien aan te geven dat de oorspronkelijke houder in het vorige lid alleen verplicht is te voldoen aan de wettelijke en reglementaire verplichtingen inzake nummering (met uitzondering van de verplichtingen genoemd in artikel 19, 2°, 3°, 5° en 6°, waaraan de inbezitgestelde moet voldoen).
   Die verdeling van verantwoordelijkheden over de oorspronkelijke houder en de inbezitgestelde is overigens terug te vinden in het verslag aan de Koning :
   
   " Qua nummeringspecifieke verplichtingen blijft de oorspronkelijke houder van de nummercapaciteit verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen van dit besluit die niet specifiek te maken hebben met de relatie tussen de eindgebruiker en de operator (daaronder valt bijvoorbeeld de betaling van de in dit besluit bepaalde jaarlijkse rechten). Verplichtingen waarop de inbezitgestelde kan aangesproken worden betreffen de controle op de toewijzing van de nummers aan de eindgebruikers, het naleven van de verplichtingen inzake nummeroverdraagbaarheid ten aanzien van de abonnee, het garanderen van de authenticiteit van de identificatie van de oproepende lijn en de toewijzing van de nummers aan de eindgebruiker conform de principes van het nummerplan. "
   Gelet op het bovenstaande, zou artikel 5, § 1, tweede en derde lid, herzien moeten worden, zodat het duidelijk is welke verplichtingen elkeen heeft.
   Artikel 6
   1. Op de vraag of artikel 6 van toepassing is op alle personen genoemd in artikel 4, eerste lid, heeft de gemachtigde van de minister het volgende geantwoord :
   
   " Voor de diensten die thans beschreven staan in artikel 4, eerste lid, 2°, wordt geen reserveerbaarheid van blokken van nummers voorzien. Het is niet de bedoeling dat de nummers die individueel toegekend worden aan de personen bedoeld in artikel 4, eerste lid, 2°, verder secundair toegewezen worden aan eindgebruikers. Het is met andere woorden de bedoeling dat artikel 6 enkel toepassing vindt op de personen bedoel in artikel 4, eerste lid, 1°. "
   Artikel 6 moet zo gewijzigd worden dat daarin alleen artikel 4, eerste lid, 1°, wordt genoemd.
   2. De uitdrukking "verdere gebruiksrechten" laat niet toe de strekking van artikel 6 te begrijpen en in het verslag aan de Koning staat daarover niets.
   Artikel 10
   In artikel 10, § 1, tweede lid, 5°, is het vereiste dat de aanvrager aantoont dat hij voldoet aan "de bepalingen" van het ontworpen besluit, veel te vaag. Ofwel moet gepreciseerd worden voor welke "bepalingen" zulk een "demonstratie" vereist is, ofwel moet dat vereiste vervallen.
   Artikel 13
   Het is de afdeling wetgeving niet duidelijk wat de strekking is van de afwijking waarin is voorzien in artikel 13, vierde lid, van het ontwerp. Het verslag aan de Koning moet op dat punt worden aangevuld.
   Artikel 16
   Aangezien de verplichting voor het Instituut om de weigering van reservatie uitdrukkelijk te motiveren reeds opgelegd wordt bij de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, hoeft ze niet meer bij artikel 16 te worden opgelegd. De eerste zin moet vervallen.
   Artikel 33
   Los van algemene opmerking 2, wordt erop gewezen dat de Minister in het tweede lid ermee belast wordt de nadere regels vast te stellen volgens welke het Instituut de toegewezen nummercapaciteit kan intrekken indien ze niet of niet efficiënt gebruikt wordt. Aangezien artikel 11, § 1, van de wet van 13 juni 2005 de Koning de bevoegdheid toevertrouwt om de nadere regels vast te stellen voor het intrekken van de gebruiksrechten, is Hij niet gerechtigd die opdracht aan de Minister toe te vertrouwen.
   Artikel 35
   Bij artikel 11, § 1, van de wet, wordt de Koning niet gemachtigd regels vast te stellen die afwijken van die van het Burgerlijk Wetboek op het gebied van aansprakelijkheid. Deze bepaling moet dus vervallen.
   Dezelfde opmerking geldt voor artikel 39.
   Artikel 63
   1. Artikel 63, § 1, bepaalt dat de nummers genoemd in deze bepaling alleen toegekend kunnen worden nadat de machtiging van de Minister is verkregen. Luidens artikel 11, § 1, van de wet van 13 juni 2005, is het Instituut belast met het toekennen van gebruiksrechten volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning. De Koning is derhalve niet gerechtigd te bepalen dat die nummers pas toegekend kunnen worden na voorafgaande machtiging van de Minister.
   Dezelfde opmerking geldt voor artikel 72.
   2. In artikel 63, § 2, staat enerzijds de uiterste gebruiksdatum van sommige nummers, namelijk 31 december 2009, en anderzijds de datum waarop die nummers uiterlijk buiten dienst moeten worden gesteld, namelijk ofwel 7 april 2012, ofwel 1 januari 2013. Het is de afdeling wetgeving niet duidelijk waarom in zulk een tijdverschil is voorzien tussen het einde van het gebruik en het begin van de buitendienststelling, en zulks te meer daar in de versie van de tekst voorgesteld door het Instituut, welke versie ook vermeld wordt in deze bepaling, de voorgestelde data op elkaar volgen, wat heel wat logischer lijkt.
   Artikel 63, § 2, moet dienovereenkomstig worden herzien.
   Artikel 64
   Artikel 64, derde lid, bepaalt dat de reservatieprocedure niet geldt voor het verkrijgen van de rechten voor het gebruik van de nummers genoemd in deze bepaling. In het verslag aan de Koning zouden de redenen moeten worden opgegeven die die bijzondere regeling wettigen.
   Dezelfde opmerking geldt voor artikel 70, § 2, derde lid.
   Artikel 83
   Voorzover er in dit artikel op gewezen wordt dat artikel 20 van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector in casu van toepassing kan zijn, moet het vervallen. De Koning is immers niet gerechtigd te bepalen of een wetsbepaling al dan niet van toepassing is. Zulk een precisering kan echter wel in het verslag aan de Koning staan.
   Artikel 84
   1. Voorzover in paragraaf 4, tweede lid, bepaald wordt dat rechten die niet zijn betaald op de vastgestelde vervaldatum van rechtswege en zonder ingebrekestelling aanleiding geven tot een interest gelijk aan het wettelijk tarief verhoogd met 2 % overschrijdt de Koning zijn bevoegdheden : Hij mag immers niet op die wijze afwijken van het gemeen recht. Deze bepaling moet vervallen.
   2. Wat paragraaf 6 betreft, is het de afdeling wetgeving niet duidelijk welke redenen ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel kunnen wettigen dat de intrekking van de gereserveerde of toegekende nummercapaciteit geen aanleiding kan geven tot de, naargelang van het geval, volledige of gedeeltelijke terugbetaling van de jaarlijkse rechten betaald voor de periode die volgt op de beslissing tot intrekking.
   Artikel 85
   Artikel 85 bepaalt dat het Instituut een nummerdatabank bekendmaakt die informatie bevat over de gereserveerde, toegekende en ingetrokken nummercapaciteit. Volgens het verslag aan de Koning gaat het om de tenuitvoerlegging van artikel 31 van de wet van 13 juni 2005. Bij die bepaling wordt het Instituut echter reeds verplicht een aantal gegevens en de bijwerking ervan te publiceren. Anderzijds wordt de Koning daarbij niet gemachtigd de nadere regels voor die bekendmaking vast te stellen. Artikel 85 moet bijgevolg vervallen aangezien daarvoor geen rechtsgrond voorhanden is.
   Artikel 86
   Het is de afdeling wetgeving niet duidelijk op basis van welke wetsbepaling de Koning Belgacom kan verplichten kaarten met geografische grenzen ter beschikking te stellen van andere operatoren. Bijgevolg moet het eerste lid zich ertoe beperken te bepalen dat de geografische grenzen die van toepassing waren op 1 januari 1997 ongewijzigd blijven en moet het tweede lid vervallen.
   Artikelen 89 en 90
   De afdeling wetgeving vraagt zich af of de opheffing van de teksten genoemd in artikel 89, die gepland is voor de eerste dag van de derde maand na die waarin het besluit in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, samen met de uitgestelde inwerkingtreding van sommige ontworpen bepalingen, genoemd in artikel 90, geen juridisch vacuüm doet ontstaan.
   Slotopmerking
   Het ontworpen besluit is zowel uit het oogpunt van correct taalgebruik, als uit het oogpunt van de wetgevingstechniek voor verbetering vatbaar.
   Enkele voorbeelden :
   
   1° in artikel 5, § 2, vijfde lid, moeten het vijfde tot zevende lid worden genoemd, en niet de leden 4 tot en met 6;
   2° in de Franse versie van artikel 5, § 3, moet verwezen worden naar artikel 4, eerste lid, 2°, en niet naar artikel 4, tweede lid;
   3° in de Franse versie van artikel 24 moeten de woorden "des blocs" ingevoegd worden tussen de woorden "portabilité" en "des numéros";
   4° in artikel 32, vierde lid, schrijve men in de Franse tekst naar het voorbeeld van wat in de Nederlandse tekst staat, "si l'Institut ne constate pas cet accord";
   5° in artikel 36, eerste lid, moet verwezen worden naar het vierde lid en niet naar het derde lid;
   6° in de Franse versie van artikel 70, § 2, moet verwezen worden naar artikel 4, eerste lid, 1°;
   7° in de Franse versie van artikel 75, § 3, moet het woord "of" vervangen worden door het woord "en";
   8° zowel in het Nederlands als in het Frans schrijve men "dagen" om kalenderdagen aan te duiden, en niet "kalenderdagen";
   9° in het Frans krijgt het woord "euro" de meervoudsvorm "euros" zodra het om meer dan één euro gaat.
   De kamer was samengesteld uit :
   
   de heren :
   
   Ph. Hanse, kamervoorzitter;
   P. Liénardy, J. Jaumotte, staatsraden;
   Mevr. C. Gigot, griffier.
   Het verslag werd uitgebracht door Mevr. L. Vancrayebeck, auditeur.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de H. P. Liénardy.
   De griffier, De voorzitter,
   C. Gigot. Ph. Hanse.

Begin Preambule Verslag aan de Koning
Inhoudstafel Wijziging(en)