Einde Preambule
Inhoudstafel Wijziging(en)
Gearchiveerde versie nr  3

Titel
16 OKTOBER 1981. - Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige produkten schadelijke organismen.

Dossiernummer : 1981-10-16/31

Nota
Gewijzigd bij   KONINKLIJK BESLUIT  van  19-11-1987   gepubl. op   08-01-1988
     Gewijzigd art.   1-A42
   Van kracht tot   18-01-1988

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-2
TITEL I. - Bestrijding van voor planten en voor plantaardige produkten schadelijke organismen.
HOOFDSTUK I. - Maatregelen in het binnenland.
Afdeling I. - Algemene maatregelen.
Art. 3-8
Afdeling II. - Bijzondere maatregelen.
I. Maatregelen betreffende de bestrijding van de wratziekte bij aardappelen (Synchytrium endobioticum (Schilb. Perc.))
Art. 9-15
II. Maatregelen betreffende de bestrijding van het aardappelcystenaaltje (Globodera rostochiensis (Wollen Weber) Mulvey & Stone) (Syn. Heterodera rostochiensis Woll.)
Art. 16-22
III. Maatregelen betreffende de bestrijding van de coloradokever (Leptinotarsa decemlineata (Say)).
Art. 23
IV. Maatregelen betreffende de bestrijding van de vergelingsziekte van de biet.
Art. 24-25
V. Maatregelen betreffende de bestrijding van blauwe schimmel van tabak (Peronospora tabacina Adam).
Art. 26-31
VI. Maatregelen betreffende de bescherming van de hopteelt.
Art. 32-34
VII. Maatregelen betreffende de bestrijding van de kersenvlieg of -made (Rhagoletis cerasi L.)
Art. 35-36
VIII. Maatregelen betreffende de bestrijding van de San José-schildluid (Quadraspidiotus perniciosus (Comst.))
Art. 37-42

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:a. "planten": levende planten en levende delen van planten met inbegrip van verse vruchten en zaden;b. "plantaardige produkten": voortbrengselen van plantaardige oorsprong die niet verwerkt zijn of die een eenvoudige bewerking hebben ondergaan, voor zover het geen planten betreft;c. "opplant": elke handeling betreffende het plaatsen van planten teneinde hun verdere groei of vermeerdering te bewerkstelligen;d. "Schadelijke organismen": dieren, planten en organismen van dierlijke of plantaardige aard, alsmede virussen, op virus gelijkende pathogenen of andere ziekteverwekkers, die schadelijk zijn voor planten en plantaardige produkten;e. "de Dienst": De Dienst voor plantenbescherming;f. "officiële constatering": vaststelling gedaan door de Dienst in België of door een officiële fytosanitaire dienst in vreemde landen;g. "verantwoordelijke": de eigenaar, de huurder, de gebruiker, publiek- of privaatrechtelijke persoon, die, in welke hoedanigheid ook, een recht uitoefent op cultuurgronden, braakliggende gronden, bossen of wouden, of elk ander terrein daarin begrepen de gronden van nijverheidsinstellingen, gebouwen, opslagplaatsen, vervoermiddelen en elk ander voorwerp dat kan drager zijn van schadelijke organismen;h. "de Minister": de Minister die Landbouw onder zijn bevoegdheid heeft;i. "Lid-Staat": een tot de Europese Gemeenschappen behorende Staat;j. "gezondheidscertificaat": een certificaat overeenkomstig het in bijlage VL, A, opgenomen model;k. "gezondheidscertificaat voor herverzending": een certificaat overeenkomstig het in bijlage VII, B, opgenomen model;l. "hout": met uitzondering voor de gevallen waarvoor dit besluit andere specifieke bepalingen voorziet, het hout voor zover het geheel of gedeeltelijk zijn natuurlijk rond oppervlak, met of zonder schors, heeft behouden.
  Art. 2. Worden aangezien als schadelijke organismen de organismen vermeld:1. in Titel I, Hoofdstuk I, Afdeling II;2. in bijlage I en in bijlage II.
  TITEL I. - Bestrijding van voor planten en voor plantaardige produkten schadelijke organismen.
  HOOFDSTUK I. - Maatregelen in het binnenland.
  Afdeling I. - Algemene maatregelen.
  Art. 3. Het houden van schadelijke organismen en van hun culturen is verboden.
  Art. 4. Wanneer de burgemeester de aangifte van de aanwezigheid van een schadelijk organisme ontvangt, doet hij de aangifte inschrijven in een daartoe bestemd register en stelt onmiddellijk de Dienst daarvan in kennis.
  Art. 5. De verantwoordelijke is verplicht over te gaan tot de bestrijding van bij de afdeling II van dit hoofdstuk bepaalde schadelijke organismen, zodra hij hun aanwezigheid vaststelt of deze hem door een overheidspersoon is gemeld.Indien de verantwoordelijke niet tot de bestrijding overgaat of daartoe onvoldoende of ondoelmatige maatregelen neemt, laat de Dienst overgaan tot de ambtshalve bestrijding op kosten van de verantwoordelijke.De Dienst verzoekt hiertoe de tussenkomst van de burgemeester van de gemeente.Behoudens door de Minister te verlenen ontheffing, worden de gedane kosten door het gemeentebestuur van de verantwoordelijke teruggevorderd.
  Art. 6. De Minister kan bij besmettingsgevaar en met het oog op het geven van de nodige garanties voor de uitvoer, het vervoer verbieden of reglementeren van planten, plantaardige produkten en aarde voortkomende van besmette percelen en het telen van bepaalde planten verbieden en elke maatregel voorschrijven inzake verwijdering, velling, teelt, oogst, opberging of verdelging die voor de uitroeiing van de schadelijke organismen nodig is.Hij kan die maatregelen tot een veiligheidszone uitbreiden.
  Art. 7. Wanneer in toepassing van artikel 9 van de wet van 2 april 1971 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige produkten schadelijke organismen besloten wordt tot de ambtshalve vernietiging van gewassen en roerende goederen, worden onverwijld een of meer deskundigen door de Minister aangesteld die tot taak hebben de omvang en de aard vast te stellen van de gewassen en roerende goederen waarop de overwogen verdelging betrekking heeft.
  Art. 8. De Minister kan onder de door hem te stellen voorwaarden, ten behoeve van wetenschappelijke doeleinden, proefnemingen, selectiewerkzaamheden, voorlichting en tentoonstellingen ontheffing verlenen van de bepalingen van dit hoofdstuk.
  Afdeling II. - Bijzondere maatregelen.
  I. Maatregelen betreffende de bestrijding van de wratziekte bij aardappelen (Synchytrium endobioticum (Schilb. Perc.))
  Art. 9. Zodra de aanwezigheid van de wratziekte vastgesteld wordt, is de verantwoordelijke gehouden onverwijld de burgemeester van de gemeente waar de aangetaste goederen zich bevinden hiervan in kennis te stellen.
  Art. 10. De Dienst bakent het besmette terrein af alsmede een veiligheidszone.Een terrein wordt als besmet beschouwd indien de aanwezigheid van de tekenen van de wratziekte op ten minste een plant van dat terrein is vastgesteld.
  Art. 11. De knollen en het loof van aardappelen, afkomstig van besmette terreinen worden zodanig behandeld dat het schadelijk organisme wordt vernietigd. Indien het niet meer mogelijk is de plaats te bepalen vanwaar de besmette knollen en het besmette loof afkomstig zijn, moet de gehele partij waarin deze knollen of dit loof zijn aangetroffen, worden behandeld.
  Art. 12. Het is verboden op de besmette terreinen:1. aardappelen te verbouwen of op te slaan;2. voor wederuitplant bestemde planten te verbouwen, in te kuilen of op te slaan.
  Art. 13. In de veiligheidszone mogen slechts aardappelrassen worden verbouwd, die voldoende resistent zijn tegen de fysio's van de wratziekte, waarvan de aanwezigheid op besmette terreinen is vastgesteld.Een aardappelras wordt als voldoende resistent tegen een fysio van de wratziekte beschouwd, indien het op besmetting door deze fysio in die mate reageert dat er geen vrees bestaat voor secundaire infectie.
  Art. 14. De Dienst heft de maatregelen ter bestrijding van de wratziekte of ter voorkoming van de verbreiding ervan eerst op wanneer de aanwezigheid van de wratziekte niet meer wordt vastgesteld.
  Art. 15. Het is verboden gedurende twee jaar nadat de besmetting is vastgesteld, stalmest, kompost of aal, voorkomende van een bedrijf in wier teelten de wratziekte werd waargenomen, te verkopen of af te staan zonder schriftelijke toestemming van de Dienst.
  II. Maatregelen betreffende de bestrijding van het aardappelcystenaaltje (Globodera rostochiensis (Wollen Weber) Mulvey & Stone) (Syn. Heterodera rostochiensis Woll.)
  Art. 16. Het is verboden meer dan éénmaal om de drie jaar op eenzelfde plaats aardappelen of tomaten te verbouwen. Dit verbod geldt niet voor het telen van tomaten onder glas, noch voor het verbouwen van primeuraardappelen. Deze aardappelen moeten echter voor 20 juni gerooid zijn.
  Art. 17. Het is verboden bloembollen en knollen, houtachtige gewassen en vaste planten, aardappelen en aardbeiplanten te telen, voor zover deze gewassen niet onderaardse delen worden gerooid en zij bestemd zijn voor wederuitplanting, indien niet uit een door of vanwege de Dienst ingesteld grondonderzoek is gebleken dat de met die gewassen beteelde grond vrij is van het aardappelcystenaaltje.
  Art. 18. Wanneer de aanwezigheid van het aardappelcystenaaltje wordt vastgesteld bakent de Dienst het besmette terrein af.
  Art. 19. Op de besmette terreinen mogen noch aardappelen, noch tomaten worden verbouwd noch voor wederuitplant bestemde planten worden verbouwd, ingekuild of opgeslagen.Op besmette terreinen mogen echter aardappelenrassen worden geteeld, die resistent zijn tegen die pathotypen van het aardappelcystenaaltje, waarvan de aanwezigheid op deze terreinen is vastgesteld.Een aardappelras wordt als resistent tegen een pathotype van het aardappelcystenaaltje beschouwd, wanneer men bij het telen van dit ras vaststelt dat de populatie van dit pathotype jaarlijks op natuurlijke wijze afneemt.
  Art. 20. Pootaardappelen mogen slechts worden geteeld op terreinen die ingevolge een onderzoek door de Dienst zijn erkend als niet besmet met het aardappelcystenaaltje.
  Art. 21. Pootaardappelen die met het aardappelcystenaaltje besmet zijn of van besmetting verdacht zijn, moeten dusdanig worden behandeld dat zij niet meer besmet zijn wanneer zij als pootaardappelen in omloop worden gebracht.
  Art. 22. De Dienst heft de maatregelen genomen ter bestrijding van het aardappelcystenaaltje of ter voorkoming van de verbreiding ervan eerst op, wanneer de aanwezigheid ervan niet meer wordt vastgesteld.
  III. Maatregelen betreffende de bestrijding van de coloradokever (Leptinotarsa decemlineata (Say)).
  Art. 23. De verantwoordelijke die de aanwezigheid van de coloradokever onder welke vorm ook vaststelt, is verplicht onmiddellijk maatregelen te nemen tot vernietiging ervan.
  IV. Maatregelen betreffende de bestrijding van de vergelingsziekte van de biet.
  Art. 24. Zij die stekbieten of zaaddragers van de suikerbieten of van de voederbieten verbouwen, moeten de bladluizen in deze aanplantingen verdelgen.
  Art. 25. Het is verboden na 1 mei van elk jaar bieten of afval van bieten geoogst voor die datum te bewaren wanneer zo scheuten vertonen. Dit verbod is evenwel niet van toepassing op stekbieten en bieten bestemd voor de zaadwinning.
  V. Maatregelen betreffende de bestrijding van blauwe schimmel van tabak (Peronospora tabacina Adam).
  Art. 26. Van zodra de verantwoordelijk blauwe schimmel vaststelt moet hij dit aan de burgemeester melden.
  Art. 27. De zaaibedden voor tabak moeten aangelegd worden op grond die vrij is van blauwe schimmel van tabak.Grond die reeds als zaaibed gebruikt werd of het voorgaande jaar met tabak beteeld werd moet voor het zaaien ontsmet worden.
  Art. 28. Wanneer blauwe schimmel van tabak optreedt in de tabakzaaibedden moeten deze laatste worden vernietigd. Zodra het uitplanten beeindigd is en verder geen planten meer nodig zijn, moeten deze eveneens worden vernietigd.
  Art. 29. Alle tabakszaaibedden en aanplantingen moeten passend behandeld worden met een fungicide werkzaam tegen de blauwe schimmel van tabak. De aanplantingen dienen niet behandeld te worden indien cultivars verbouwd worden die resistent zijn tegen de blauwe schimmel van tabak.
  Art. 30. Het is verboden tabak te planten op een veld dat het voorgaande jaar een tabakscultuur gedragen heeft, besmet door blauwe schimmel van tabak. Dit geldt niet voor de gebieden waar tabak in monocultuur verbouwd wordt.
  Art. 31. Indien blauwe schimmel van tabak voorkomt, dienen binnen de tien dagen nadat de tabaksoogst beeindigd is, de stengels en alle afval der planten, welke op het veld zijn achtergebleven, zodanig vernietigd of ondergeploegd te worden dat geen hergroei van de tabak en daardoor geen verdere ontwikkeling van de blauwe schimmel van tabak mogelijk is.
  VI. Maatregelen betreffende de bescherming van de hopteelt.
  Art. 32. 1. Wanneer de verticilliosis bij hop (Verticillium alboatrum Reinke & Berth.) in een teelt optreedt, moet de verantwoordelijke ervan aangifte doen aan de burgemeester.2. De Dienst bakent het besmette perceel alsmede een veiligheidszone af.De burgemeester duidt door middel van aanplakbrieven en door bekendmaking, op de gebruikelijke wijzen, de delen van het grondgebied der gemeente aan welke in de bij het vorig lid bedoelde zone vallen; indien deze zone zich over meer dan één gemeente uitstrekt, deelt de Dienst dit mede aan de burgemeesters van de andere gemeenten.
  Art. 33. (In een straal van vijf kilometer rond elk hopveld of hopvermeerderingsveld moet ieder verantwoordelijke die de aanwezigheid van wilde hop vaststelt, deze plant vóór 1 juni van elk jaar verdelgen.) <KB 1987-01-20/36, art. 1, 002; ED : 11-02-1987>De burgemeester duidt door middel van aanplakbrieven en door bekendmaking, op de gebruikelijke wijzen, de delen van het grondgebied der gemeente aan welke in de bij het eerste lid bedoelde zone vallen; indien deze zone zich over meer dan één gemeente uitstrekt deelt de burgemeester van de gemeente waar het hopveld gelegen is aan de burgemeesters van de andere gemeenten voor 1 april mede welk deel van het grondgebied van hun gemeente erin valt.
  Art. 34. Zij die hop verbouwen moeten in hun hopvelden elk jaar voor 1 juli de mannelijke hopplanten verdelgen.
  (De dienst kan richtlijnen vaststellen met betrekking tot de produktie van gezond teeltmateriaal voor hop aan dewelke de vermeerderaars moeten voldoen. Hij kan een gezondheidsattest afleveren aan de vermerderaar voor de hopplanten die geteeld zijn overereenkomstig die richtlijnen.) <KB 1987-01-20/36, art. 2, 002; ED : 11-02-1987>
  VII. Maatregelen betreffende de bestrijding van de kersenvlieg of -made (Rhagoletis cerasi L.)
  Art. 35. Zodra de verantwoordelijke vaststelt dat de kersenvlieg of -made op de vruchten van kersebomen of van andere planten welke dit insekt kunnen in stand houden aanwezig is, moet hij onmiddellijk voor de verdelging van dit insekt zorgen.
  Art. 36. Voorkomings- en bestrijdingsmaatregelen kunnen opgelegd worden door de Minister alsook door de provinciegouverneurs, en dit, op de tijdstippen en plaatsen die zij aanduiden.
  VIII. Maatregelen betreffende de bestrijding van de San José-schildluid (Quadraspidiotus perniciosus (Comst.))
  Art. 37. Wanneer de aanwezigheid van de San José-schildluis wordt vastgesteld, bakent de Dienst de terrein af, waarop besmette planten voorkomen alsmede een veiligheidszone.
  Art. 38. In de terreinen met besmette planten en in de veiligheidszone legt de Dienst de passende behandeling op van de waardplanten van de San José-schildluis, ter bestrijding van dit schadelijk organisme en ter voorkoming van de verbreiding ervan.Als waardplanten worden aanzien de planten van de geslachten:Acacia Mill., Acer L.,Amelanchier Med., Chaenomeles Ldl.,Cotoneaster B. Ehrh., Crataegus L.,Cydonia Mill., Euonymus L., Fagus L.,Juglans L., Ligustrum L., Maclura Nutt.,Malus Mill., Populus L., Prunus L.,Ptelea L., Pyrus L., Ribes L., Rosa L.,Salix L., Sorbus L., Symphoricarpus Duham,Syringa L., Tilia L., Ulmus L., Vitis L.
  Art. 39. 1 . Alle besmette planten die zich in boomkwekerijen bevinden moeten worden vernietigd.2. Alle overige besmette of van besmetting verdachte planten die in een besmette zone groeien moeten dusdanig worden behandeld dat deze planten en de daarvan afkomstige verse vruchten niet meer besmet zijn wanneer zij in omloop worden gebracht.3. Alle bewortelde en in een besmette zone groeiende waarplanten van de San José-schildluis, alsmede de uit deze zone afkomstige en voor vermeerdering bestemde delen van deze planten, mogen slechts binnen de besmette zone worden verplant of uit deze besmette zone worden vervoerd, indien er geen besmetting op is vastgesteld en indien zij zodanig zijn behandeld dat eventueel aanwezige San José-schildluizen vernietigd zijn.
  Art. 40. Van alle partijen niet in de grond vaststaande planten en verse vruchten waarin besmetting is vastgesteld, moeten de besmette planten en vruchten worden vernietigd en de overige planten en vruchten der partij zodanig worden behandeld of verwerkt, dat de eventueel nog aanwezige San José-schildluizen worden vernietigd.
  Art. 41. De Dient heft de maatregelen ter bestrijding van de San José-schildluis of ter voorkoming van de verbreiding ervan eerst op, wanneer de aanwezigheid van de San José-schildluis niet meer wordt vastgesteld.
  Art. 42. Zij die fruit kweken zijn verplicht hun binnen een veiligheidszone gelegen boomgaarden jaarlijks te behandelen met een tegen de San José-schildluis erkend bestrijdingsmiddel.

Preambule Tekst Inhoudstafel Begin
   Gelet op de wet van 2 april 1971 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige produkten schadelijke organismen;
   Gelet op de richtlijn 77/93/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1976, betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen op het grondgebied van de Lid-Staten van voor planten of voor de plantaardige produkten schadelijke organismen gewijzigd bij de richtlijnen 80/392/EEG en 80/393/EEG van 18 maart 1980;
   Gelet op de richtlijn 80/665/EEG van de Raad betreffende de bestrijding van ringrot bij de aardappelen;
   Gelet op het advies van de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw en van Onze Minister van Financiën,
   .....
   


Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  19-11-1987   gepubl. op   08-01-1988
     Gewijzigd art.   1-A42
   Van kracht tot   18-01-1988               [ Zie tekst hier boven ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  21-05-1987   gepubl. op   12-06-1987
     Gewijzigd art.   90 *** 98 *** 99 *** 100 *** 101
   Van kracht tot   22-06-1987                 [ Zie versie 002 ]
Gewijzigd door   KONINKLIJK BESLUIT  van  20-01-1987   gepubl. op   11-02-1987
     Gewijzigd art.   33 *** 34 *** 101
   Van kracht tot   11-02-1987                 [ Zie versie 001 ]

Begin Preambule
Inhoudstafel Wijziging(en)