9 JANUARI 2012. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (1)
ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
Onze Groet. Gelet op het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, artikel 49, 3°,
vervangen bij de wet houdende diverse bepalingen van 28 december 2011; Gelet op het koninklijk
besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting
over de toegevoegde waarde; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiėn, gegeven op
23 december 2011; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 27 december
2011; Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door het feit : - dat de
wijzigingen aangebracht aan artikel 49, 3°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde,
bij de wet houdende diverse bepalingen van 28 december 2011, op 1 januari 2012 in werking treden; -
dat ingevolge deze wijzigingen, de bepalingen die het voorwerp uitmaken van onderhavig besluit, in werking
moeten treden op de hiervoor vermelde datum teneinde de rechtszekerheid ervan te verzekeren; -
dat deze maatregelen dus onverwijld moeten worden genomen; Gelet op advies nr. 50.805/1 van
de Raad van State, gegeven op 30 december 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid,
2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op de voordracht
van de Vice-Eerste Minister en Minister van Financiėn, Hebben Wij besloten en besluiten Wij
: Artikel 1. In artikel 21, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969
met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde,
wordt de bepaling onder 3°, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 december 1992, opgeheven. Art.
2. In hetzelfde besluit wordt een afdeling VI ingevoegd dat artikel 21bis bevat, luidende : «
Afdeling VI. - Bijzondere bepaling. Art. 21bis. § 1. Wanneer een belastingplichtige
die op grond van artikel 44 van het Wetboek vrijgestelde leveringen van goederen of diensten verricht
die geen recht op aftrek geven, voor diezelfde handelingen belastingplichtige wordt met recht op aftrek,
kan hij bij wijze van herziening zijn recht op aftrek uitoefenen voor : 1° de andere goederen
en diensten dan bedrijfsmiddelen, die nog niet werden gebruikt of verbruikt op het tijdstip van de wijziging
van de belastingregeling; 2° de bedrijfsmiddelen die bij die wijziging nog bestaan, voor zover
die goederen nog bruikbaar zijn en de termijn bepaald bij artikel 48, § 2, van het Wetboek nog
niet is verstreken. Voor bedrijfsmiddelen is het bedrag van de herziening gelijk aan de belasting
die niet in aftrek kon worden gebracht, verminderd met een vijfde of een vijftiende volgens het onderscheid
gemaakt naargelang de aard van het goed overeenkomstig artikel 9, § 1 per jaar vanaf 1 januari
van het jaar dat overeenkomstig artikel 2 in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de
aftrek tot 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de wijziging van belastingregeling
zich heeft voorgedaan. Deze herziening gebeurt bij toepassing van de artikelen 45 tot 49 van
het Wetboek en overeenkomstig de regels van artikel 3. § 2. De herziening is afhankelijk
van de indiening bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige
ressorteert van een inventaris van de op het tijdstip van de wijziging nog niet gebruikte of verbruikte
goederen en diensten en van een staat van de op dat tijdstip nog bruikbare bedrijfsmiddelen. Die
stukken worden opgemaakt in twee exemplaren waarvan er één bestemd is voor het controlekantoor van de
belasting over de toegevoegde waarde. Ze vermelden op gedetailleerde wijze de goederen en diensten die
in aanmerking worden genomen voor de herziening, de datum en het nummer van de factuur van de aankoop
of het invoerdocument, de maatstaf van heffing waarover ze met de belasting over de toegevoegde waarde
werden belast en het te regulariseren bedrag. § 3. De herziening wordt tot beloop van
het passende bedrag verricht door toerekening op het aan de Staat verschuldigde bedrag van de belasting
in vak 71 van kader VI van de periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°,
van het Wetboek. Wanneer het eindresultaat van deze toerekening een door de Staat verschuldigd bedrag
is, wordt dat bedrag naar de volgende aangiftetijdvakken overgebracht tot passend beloop van vak 71 van
deze aangiften. § 4. Door of vanwege de Minister van Financiėn worden de toepassingsmodaliteiten
van de herziening en de wijze bepaald waarop deze wordt verricht. » Art. 3. Dit besluit heeft
uitwerking met ingang van 1 januari 2012. Art. 4. De Minister bevoegd voor Financiėn is belast
met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 9 januari 2012. ALBERT Van
Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiėn, S. VANACKERE _______ Nota (1)
Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 3 juli 1969, Belgisch Staatsblad van 17
juli 1969. Wet houdende diverse bepalingen van 28 december 2011, Belgisch Staatsblad van 30
december 2011, 4de editie. Koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969, Belgisch Staatsblad
van 12 december 1969. Koninklijk besluit van 29 december 1992, Belgisch Staatsblad van 31
december 1992, 4e editie. Gecoördineerde wetten op de Raad van State, koninklijk besluit van
12 januari 1973, Belgisch Staatsblad van 21 maart 1973.